跳到主要内容
Nelum
苏里南的法律

Maritime Zone Law (No. 41 of 2017)

颁布于 2017-04-07 · 文本截至 2026-10-01

以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。

研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。

关于这部法律

原标题
WET van 7 april 2017, houdende regels inzake de Maritieme Zones van de Republiek Suriname en wijziging van de Zeevisserijwet 1980 en het Decreet Mijnbouw (Wet Maritieme Zones).
语言
Dutch
类型
法令
组织
Amazon Cooperation Treaty Organization
国家
苏里南
主题
Environment, Fisheries and aquaculture, Sea
关键词
marine pollution, pollution control, marine fisheries, fishing authorization, fishery management and conservation, authorization/permit, maritime zone, territorial sea, EEZ-Exclusive Economic Zone, navigation, enforcement/compliance, offences/penalties, sovereignty, international agreement-implementation, comparative analysis, maritime boundaries

在哪里阅读

    该法律没有记录来源链接。

文本

所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。

  1. 2017 STAATSBLAD VAN DE REPUBLIEK SURINAME No. 41 WET van 7 april 2017, houdende regels inzake de Maritieme Zones van de Republiek Suriname en wijziging van de Zeevisserijwet 1980 en het Decreet Mijnbouw (Wet Maritieme Zones). DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, In overweging genomen hebbende, dat- ter uitvoering van artikel 2 lid 3 van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116, zoals gewijzigd bij S.B. 1992 no. 38),- het noodzakelijk is om nieuwe regels ten aanzien van de maritieme zones van de Republiek Suriname vast te stellen; Heeft, de Staatsraad gehoordi na goedkeuring door De Nationale Assemblée, bekrachtigd de onderstaande wet: Hoofdstuk 1 Algemene begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Staat: b. Aansluitende zone: c. Basis lijn: de Republiek Suriname. de maritieme zone die direct zeewaa1ts van de territoriale zee ligt en zich maximaal tot 24 zeemijl van de bas is lijn van de kuststaat kan uitstrekken. In de aansluitende zone heeft de kuststaat beperkte bevoegdheden. de lijn vanwaar de breedte van de meeste maritieme zones gemeten wordt. 2017 -2- 41 De normale basislijn is de laagwaterlijn langs de kust zoals aangegeven op grootschalige kaarten die officieel door de kuststaat erkend zijn. Een kuststaat heeft in bepaalde gevallen het recht, rechte lijnen langs te trekken en die te gebruiken als basislijn. d. Continentaal plateau: de maritieme zone die direct zeewaarts van de territoriale zee ligt en zich uit kan strekken tot 200 zeemijlen van de e. Equidistantielijn: basislijn of tot de buitenste grens van de continentale rand. De kuststaat heeft met name economische rechten over de zeebodem en de ondergrond, zoals bedoeld in artikel 76 van het Zeerechtverdrag. de lijn die steeds op gelijke afstand ligt van de basislijn van twee Staten. f. Exclusieve economische zone: de maritieme zone die direct zeewaarts van de territoriale zee ligt en zich uit kan strekken tot 200 zeemijlen van de basislijn. De kuststaat heeft met name economische rechten over de waterkolom, de zeebodem en de ondergrond, zoals bedoeld in g. Rechtsmacht: h. Sluitlijn: 1. Territoriale zee: artikel 55 van het Zeerechtverdrag. de bevoegdheid van een rechter of rechtbank. de lijn die de grens aangeeft tussen de binnenwateren en de territoriale zee van een staat. De sluitlijn kan gebruikt worden om de breedte van de territoriale zee en andere maritieme zones van de kuststaat vast te stellen. de maritieme zone die maximaal 12 zeemijlen breed is, gemeten vanaf de basislijn. 2017 - 43 - 41 Deze verwijzing dient met de inwerkingtreding van de onderhavige wet te worden vervangen door een verwijzing naar deze wet. De wijziging van artikel 2 lid 4 van dit Decreet is het gevolg van de opname van een bepaling over de omvang van het continentaal plateau in de onderhavige wet. De nieuwe redactie van artikel 2 lid 4 van het Decreet sluit aan bij de redactie van de leden 2 en 3 van dit artikel, die zien op respectievelijk het grondgebied met inbegrip van de territoriale zee en de exclusieve economische zone. Hoofdstuk 10 - Algemene-, overgang- en slotbepalingen Artikel 32 Artikel 32 lid 1 bepaalt dat indien de in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, dit bij Staatsbesluit kan geschieden. Artikel 32 lid 1 komt overeen met artikel 17 van de Wet van 14 april 1978. Lid 2 bepaalt dat de Wet van 14 april 1978 wordt ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavige wet. Artikel 34 De Staat oefent haar toezichthoudende en beschermende taak in de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plateau eveneens uit overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet Instelling Kustwacht, de Zeevisserijwet 1980, de Visstandbeschermingswet J 961, de Scheepvaartwet. Deze lijst met wettelijke regelingen wordt aangepast bij Staatsbesluit. Artikel 35 Artikel 35 lid 1 van de wet bepaalt dat de citeertitel van de wet komt te luiden: Wet Maritieme Zones. De leden 2 en 3 van artikel 35 van de wet hebben betrekking op de publicatie van de wet, stellen de datum van inwerkingtreding van de wet vast. Lid 4 van artikel 33 bepaal t da~- de ministers van Natuurlijke Hulpbronnen, Landbouw, Veeteelt en VtssenJ en van Buitenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van de wet. Paramaribo, 7 april 2017, DESIRÉ D. BOUTERSE 2017 -42- 41 Afdeling 7 van Deel XII van het Zeerechtverdrag heeft betrekking op waarborgen bij de uitoefening van bevoegdheden ten aanzien van de bepalingen aangaande de voorkoming, vermindering en bestrijding en verontreiniging van het zeemilieu door de kuststaat. Deze bepalingen zijn met name van belang voor gevallen die betrekking hebben op schepen die de vlag van een andere Staat voeren. Hoofdstuk 9 - Wijziging van de Zeevisserijwet 1980 en het Decreet Mijnbouw Artikel 30 Artikel 30 van de wet voorziet twee wijzigingen in de Wet houdende regelen op het gebied van de zeevisserij van 31 december 1980 (Zeevisserijwet). Deze wijzigingen zijn vereist vanwege de voorziene intrekking van de Wet van 14 april 1978 in verband met de inwerkingtreding van onderhavige Wet Maritieme Zones. In de eerste plaats betreft dit de verwijzing naar de Wet van 14 april 1978 vervat in artikel 1 sub a van de Zeevisserijwet. Deze verwijzing dient met de inwerkingtreding van de Wet Maritieme Zones vervangen te worden door een verwijzing naar onderhavige wet. In de tweede plaats beoogt artikel 30 van de Zeevisserijwet mede van toepassing te doen zijn op het continentaal plateau. Het praktische belang hiervan is gelegen in het feit dat het continentaal plateau van Suriname zich uitstrekt voorbij de exclusieve economische zone van Suriname. Onder artikel 77 lid 4 van het Zeerechtverdrag heeft de kuststaat soevereine rechten ter zake de exploratie en exploitatie van de levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren. De Zeevisserijwet van 31 december 1980 is thans niet van toepassing op de visserij op de sedentaire soorten die zich bevinden op het gedeelte van het continentaal plateau van Suriname voorbij 200 zeemijl. Artikel 31 Artikel 31 van de wet bevat drie wijzigingen op het Decreet Mijnbouw van 8 mei 1986. Ten eerste betreft dit twee wijzigingen vanwege de voorziene intrekking van de Wet van 14 april 1978 in verband met de inwerkingtreding van de Wet Maritieme Zones. Het decreet verwijst in artikel 2 lid 2 en 3 naar de Wet van 14 april 1978. 2017 -3- 41 1. 2. 3. De territoriale zee heeft in principe dezelfde status als het grondgebied van een staat. De kuststaat heeft vol ledige soevereiniteit over deze gebieden. ln de territoriale zee bestaat wel een recht op doorvaart voor schepen van andere staten . J. Kustwacht: de Kustwacht Suriname, als bedoeld in artikel 1 van de Wet Instelling Kustwacht. k. Laagwaterlijn: de dieptelijn van nul meter zoals aangegeven op officieel door de Surinaamse Regering erkende zeekaaiten. 1. internationale recht: Ook wel aangeduid als internationaal publiekrecht. Recht dat met name de rechten en verplichtingen van staten bevat. m. volle zee: de maritieme zone die in het algemeen gelegen is voorbij de Exclusieve Economische Zone, zoals bedoeld in artikel 86 van het Zeerechtverdrag. n. Zeemijl: de lengtemaat die algemeen wordt gebruikt om afstanden op zee uit te drukken. Een zeemijl staat gelijk aan 1852 meter. o. Zeerechtverdrag: het op 10 december 1982 te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. Hoofdstuk2 Territoriale Zee Artikel 2 De soevereiniteit van de Staat strekt zich buiten het landgebied en de binnenwateren uit over een aangrenzende zeestrook, omschreven als in artikel I sub i. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de territoriale zee en de bodem en ondergrond van de territoriale zee. De Staat oefent deze soevereiniteit uit met inachtneming van het internationale recht. 201.7 -4- 41 4. In de territoriale zee genieten schepen van alle Staten het recht van onschuldige doorvaart met inachtneming van het internationale recht. Artikel 3 De buitengrens van de territoriale zee wordt aangegeven door een lijn, waarvan elk punt op een afstand van 12 zeem ij I gelegen is van het dichtbijgelegen punt op de basislijn, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 4. Hoofdstuk3 Basislijnen Artikel 4 1. De basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten wordt gevormd door: a. de laagwaterlijn langs de kust; b. de laagwaterlijn langs bij eb droogvallende bodemverheffingen, die bij hoogtij onder water zijn gelegen, en die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen 12 zeemijl van de laagwaterlijn langs de kust, en; c. de rechte basislijnen, zoals vastgesteld in artikel 6. Artikel 5 De basislijn vormt de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van de Staat. Artikel 6 1. Geodetische lijnen worden getrokken tussen de hierna te noemen punten: a. Tussen de westelijke en de oostel ijke oever van de Corantijn Rivier: 2017 - 41- 41 De laagwaterlijn langs de kust van Suriname is onderhevig aan constante veranderingen. Bij opnames langs de kust van Suriname door de Maritieme Autoriteit Suriname zullen deze veranderingen worden waargenomen en vervolgens leiden tot een wijziging van de laagwaterlijn langs de kust op de relevante zeekaarten. Deze laatste wijziging kan leiden tot een wijziging van de ligging van de sluitlijnen in de grote rivieren van Suriname en de buitengrens van de territoriale zee, aansluitende zone en exclusieve economische zone van Suriname. Voor het continentaal plateau is dit niet het geval omdat de buitengrens van deze zone na inwerkingtreding van de wet en uitvoering van artikel 21 definitief zal zijn vastgesteld. Aan toekomstige wijzigingen in de ligging van de sluitlijnen in de grote rivieren van Suriname en de buitengrens van de exclusieve economische zone zal overeenkomstig de verplichting onder het Zeerechtverdrag bekendheid dienen te worden gegeven. Hoofdstuk 8 - Strafbepalingen De strafbepalingen opgenomen in de artikelen 22 tot en met 29 vervat in Hoofdstuk 8 van de wet komen inhoudelijk overeen met de strafbepalingen vervat in de artikelen 7 tot en met 16 van de Wet van 14 april 1978. De praktijk ten aanzien van deze strafbepalingen gaf geen aanleiding te komen tot een herziening. De verwijzingen naar de hoogte van geldboetes in de relevante bepalingen van de Wet van 14 april 1978, die in guldens zijn gesteld, zijn aangepast. Bij de toepassing van strafbepalingen legt het internationale recht een aantal beperkingen op. Zo geeft artikel 73 van het Zeerechtverdrag een aantal beperkingen ten aanzien van de afdwinging van de naleving van wetten en voorschriften in verband met de uitoefening van soevereine rechten door de kuststaat over de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone. Lid 2 van artikel 73 bepaalt dat aangehouden schepen en hun bemanning onverwijld in vrijheid dienen te worden gesteld na het verschaffen van een redelijke waarborgsom of het stellen van een andere zekerheid. Het is in principe aan de kuststaat vast te stellen wat redelijk is in het individuele geval. Lid 3 van artikel 73 bepaalt dat de straffen van de kuststaat voor schendingen van de wetten en voorschriften inzake de visserij in de exclusieve economische zone niet vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke straf mogen omvatten, tenzij de betrokken Staten anders overeenkomen. 2017 - 40- 41 Artikel 75 van het Zeerechtverdrag ziet op het bekendheid geven aan de buitengrenzen van de exclusieve economische zone en de grenzen van deze zone met buurlanden en artikel 84 van het Zeerechtverdrag ziet op het bekendheid geven aan de buitengrenzen van het continentaal plateau en de grenzen van deze zone met buurlanden. Artikel 84 is vrijwel identiek aan artikel 75 van het Verdrag dat ziet op de exclusieve economische zone. Het enige wezenlijke verschil betreft lid 2 van artikel 84 dat de verplichting bevat in het geval van de buitengrens van het continentaal plateau informatie niet alleen neer te leggen bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, maar ook bij de Secretaris-generaal van de Internationale Zeebodemautoriteit. Deze aanvullende verplichting wordt verklaard door het feit dat de buitengrens van het continentaal plateau tevens bepaalt waar het internationale zeebodemgebied begint, waar een internationaal regime voor mijnbouw geldt, waarbij een centrale regelgevende bevoegdheid ligt bij de Autoriteit. Naast artikel 84 van het Zeerechtverdrag is voor Suriname tevens artikel 76 lid 9 van het Zeerechtverdrag relevant in verband met het bekendheid geven aan de buitengrenzen van zijn continentaal plateau. Deze bepaling verschilt op één be langrijk punt van de overige bepalingen ten aanzien van het bekendheid geven aan de grenzen van maritieme zones. Indien een kuststaat artikel 76 lid 9 heeft geïmplementeerd is de buitengrens in principe definitief vastgesteld en kan deze niet meer worden gewijzigd door de kuststaat. Alvorens een kuststaat artikel 76 lid 9 voor zijn buitengrens voorbij 200 zeemijl kan implementeren dient uitvoering te worden gegeven aan de overige bepalingen van artikel 76. De aanbevelingen van de Commissie inzake de grenzen van het continentaal plateau, die Suriname heeft ontvangen, maken het mogelijk over te gaan tot de definitieve vaststelling van de buitengrens van het continentaal plateau. Artikel 14 van de wet stelt de buitengrens van het continentaal plateau vast op basis van de aanbevelingen van de Commissie. In overeenstemming met artikel 2 1 van de wet zal de minister van Buitenlandse Zaken de relevante informatie over deze buitengrens neerleggen bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, hetgeen zal le iden tot de definitieve vaststelling van deze buitengrens tegenover andere Staten. 2017 2. 3. 4. 5- 41 Het beginpunt van de zijwaartse grens van de territoriale zee van Suriname gelegen op de laagwaterlijn langs de westelijke oever van de Corantijn Rivier en het punt gelegen op 6° l' 00" N; 56° 58' 30" W. b. Tussen de westelijke en de oostelijke oever van de Coppename Rivier: Het punt gelegen op 5° 50' 27" N; 56° 06' 24"W en het punt gelegen op 5° 54' 00" N; 55° 57' 00" W. c. Tussen de weste lijke en de oostelijke oever van de Suriname Rivier: Het punt gelegen op 5° 58' 32" N; 55° 20' 57" W en het punt gelegen op 5° 57' 11 " N; 55° 9' 28" W. d. Tussen de westelijke oever van de Marowijne Rivier en het eindpunt van de landgrens tussen de Repub liek Suriname en de Franse Republiek in de MarowijneRivier: Het punt gelegen op 5° 49' 43" N; 54° 0 I' 0 I" W en het eindpunt van de landgrens tussen de Republiek Suriname en de Franse Republiek in de Marowijne Rivier. De rechte lijnen vastgesteld in lid 1 van dit artikel vormen mede de basislijn voor zover deze lijnen zeewaarts liggen van de laagwaterlijn langs de kust. De ligging van de punten genoemd in lid 1 van dit artikel 1s uitgedrukt in het WGS84 (World Geodetic System 1984). Indien een verschuiving van de dieptelijn van nul meter zoals aangegeven op officieel door de Surinaamse Regering erkende zeekaarten er toe le idt dat een punt vastgesteld in lid I van dit artikel zeewaarts komt te liggen van de laagwaterlijn, kan bij Staatsbesluit een overeenkomstig punt worden vastgesteld dat op of landwaarts van de laagwaterl ijn ligt. 2017 -6 Hoofdstuk4 Aansluitende Zone Artikel 7 41 Het gebied grenzende aan en strekkende vanaf de buitengrens van de territoriale zee van de Staat tot een afstand van 24 zeemijl gemeten vanaf de basislijn, van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, wordt aangeduid als de aansluitende zone. Artikel 8 1. In de aansluitende zone oefent de Staat toezicht uit ten einde: a. te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op de wetten e daarop berustende voorschriften inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid die binnen zijn grondgebied of territoriale zee van kracht zijn; b. een binnen zijn grondgebied of territoriale zee gemaakte inbreuk op bovenbedoelde wetten en voorschriften te bestraffen. 2. Bij Staatsbesluit kunnen nadere regels gesteld worden ter uitvoering van het in lid 1 van dit artikel bepaalde. 3. Het is een ieder verboden voorwerpen van archeologische of historische aard van de zeebodem van de aansluitende zone zonder voorafgaande bij Staatsbesluit verleende vergunning te verwijderen. De leden 2 en 3 van artikel 11 zijn van toepassing op een dergelijke vergunning. Hoofdstuk5 Exclusieve Economische Zone Artikel 9 Het gebied grenzende aan en strekkende vanaf de buitengrens van de territoriale zee van de Staat tot een afstand van 200 zeemijl, gemeten vanaf de basislijn, vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, wordt aangeduid als de exclusieve economische zone. 2017 -39- 41 Dit uitgangspunt betekent met name dat het niet mogelijk is om bij voorbaat een specifieke afbakeningsmethode vast te leggen die onverkort van toepassing is in alle gevallen. Artikel 20 laat het dan ook na een dergelijke methode te noemen. Artikel 21 Artikel 21 van de wet bepaalt dat de Minister van Buitenlandse Zaken bekendheid zal geven aan de basislijn, de buitengrenzen van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plateau van de Republiek Suriname en de grenzen van deze zones vastgesteld in overeenstemming met artikel 20 van de wet. Artikel 21 stelt de procedure vast waardoor Suriname zal voldoen aan zijn verplichtingen inzake het bekendheid geven aan deze lijnen en grenzen onder het Zeerechtverdrag uit te voeren. Hiermee is tevens een Surinaams belang gediend. Andere Staten, en schepen en personen die zich in de maritieme zones van Suriname bevinden, zullen zich niet kunnen beroepen op het feit dat niet voldoende bekendheid zou zijn gegeven aan de omvang van de maritieme zones van Suriname. Het Zeerechtverdrag bevat een aantal verplichtingen voor Suriname ten aanzien van het bekendheid geven aan de grenzen van zijn maritieme zones. In de eerste plaats kan gewezen worden op artikel 16 van het Verdrag dat ziet op bepaalde basislijnen en de grenzen van de territoriale zee. In het geval van Suriname betekent artikel 16 dat thans informatie dient te worden verstrekt over de grens van de territoriale zee tussen Suriname en Guyana die is vastgesteld in overeenstemming met artikel I 5 van het Zeerechtverdrag. Aan informatie over de sluitlijnen in de grote rivieren dient ook bekendheid te worden gegeven in overeenstemming met artikel 16 van het Zeerechtverdrag. Artikel 16 bevat geen verplichting ten aanzien van de basislijn van de territoriale zee waar dit de normale basislijn is in overeenstemming met artikel 5 van het Zeerechtverdrag. Hetzelfde geldt ten aanzien van de buitengrens van de territoriale zee waar deze is bepaald op basis van de normale basislijn. Deze lijnen zijn ook thans al vast te stellen op basis van de officiële door Suriname erkende zeekaarten. 2017 -38 Hoofdstuk 7 - Afbakening en Bekendheid Geven Artikel 20 41 Artikel 20 van de wet bevat een algemene bepaling ten aanzien van de afb~enmg van de maritieme zones van Suriname. De wetgeving van Sun n~me bevat thans geen bepaling ten aanzien van de afbakening van zijn maritieme zones met buurlanden. De reden om een bepaling over dit onderwerp op te nemen in onderhavige wet is dat de nadere definitie van de b~ iteng:en~. van het continentaal plateau van Suriname voorbij 200 zeem1JI dmdel!Jk heeft gemaakt dat Suriname mogelijk ook continentaal platea u grenzen deelt met andere landen dan zijn directe buren op het Zuid Amenkaanse vasteland. In het licht van deze nieuwe dimensie van het afb~keningsvraagstuk wordt het wenselijk geacht in de wetgeving van Sur~name over zi~n maritieme zones aan te geven wat de positie van Suriname ten aanzien van de afbakening van deze grenzen is. Suriname heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de afbakening van zeegrenzen dient te geschieden door overeenkomsten tussen de betrokken Staten en dat de afbakening van zeegrenzen dient te leiden tot een billijk resultaat. Deze visie wordt weerspiegeld in de relevante bepalingen van het Zeerechtverdrag (artikel 15 (territoriale zee); artikel 74 ( exclusieve economische zone) en artikel 83 (continentaal plateau)). Het Zeerechtverdrag bevat geen bepaling ten aanzien van de afbakenino van de aansluitende zone. Het wordt echter wenselijk geacht dat over d: afbakening van deze zone, die na de inwerkingtreding van onderhavio-e wet, ingesteld zal zijn, eveneens overeenstemming met de betrokk;n buurlanden wordt bereikt. Overeenkomstig de bestaande internationale praktijk streeft Suriname er naar dat grenzen van de aansluitende zone samen zullen vallen met de grenzen van de exclusieve economische zone en het continentaal plateau. Deze benadering vermijdt dat de aansluitende zone van één Staat overlapt met de exclusieve economische zone en het continentaal plateau van een andere Staat. Het voorkomen van een dergelijke overlap wordt wenselijk geacht vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. A1tikel 20 van de wet bepaalt dat de afbakening van de maritieme zones van Suriname dient t~ geschieden op basis het internationale recht. Dit legt d~ nadruk ~p het sluiten van overeenkomsten die tot een billijk resultaat dienen te leiden. Suriname onderschrijft dit uitgangspunt. 2017 -7- 41 Artikel 10 1. In de exclusieve economische zone bezit de Staat: a. soevereine rechten ten behoeve van de verkennino- de o, exploratie naar, de exploitatie, het behoud en het beheer van de natuurlijke rijkdommen, zowel levende als niet levende, van de zeebodem en de ondergrond daarvan en de daarboven gelegen wateren, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de exclusieve economische zone, zoals de opwekking van energie uit het water, de stromingen en de winden; b. rechtsmacht ten aanzien van: (1 ). de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen; (2). wetenschappelijk zeeonderzoek; (3). de bescherming en het behoud van het zeemilieu. c. andere rechten en plichten bepaald in het internationale recht. 2. De Staat oefent deze rechten en rechtsmacht uit met inachtneming van het internationale recht. Artikel 11 1. Het is een ieder verboden, zonder voorafgaande bij Staatsbesluit verleende vergunning in de exclusieve economische zone handelingen te verrichten, welke een inbreuk opleveren op de in artikel 10 bedoelde soevereine rechten of de rechtsmacht ten aanzien van de onderwerpen genoemd in artikel 10 lid I onder b sub 1 en 2. 2. Bij Staatsbesluit kunnen algemene voorwaarden worden gesteld waaraan een vergunninghouder zal moeten voldoen betrekking hebbende op onder andere de bescherming van het milieu, het beschermen van de vrijheid om wetenschappelijk onderzoek te doen op zeebodem. Bij het verlenen van een vergunning kunnen daarnevens bijzondere voorwaarden worden gesteld of daaraan verplichtingen worden verbonden. 2017 ,., J . 1. 2. 3. 8- 41 Een vergunning kan te allen tijde worden ingetrokken wegens het handelen in strijd met één of meer voorwaarden of verplichtingen waaronder deze is verleend en voorts, zulks ter uitsluitende beoordeling van het daartoe bevoegde gezag, op grond van redenen aan het algemeen belang ontleend dan wel indien zulks door het belang van de Staat geboden wordt. Een desbetreffende beslissing vermeldt de gronden waarop zij steunt. In bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken. Artikel 12 Het is een ieder verboden, zonder voorafgaande bij Staatbesluit verleende vergunning, zich in de exclusieve economische zone opzettelijk te ontdoen van afval en andere stoffen. De leden 2 en 3 van artikel 11 zijn van toepassing op een dergelijke vergunning. Onder het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen wordt begrepen: a. het zich opzettelijk ontdoen in zee van afval of andere stoffen vanaf schepen, vanuit luchtvaartuigen, vanaf platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee; b. het zich opzettelijk ontdoen in zee van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee; c. het opslaan van afval of andere stoffen in de zeebodem en de ondergrond daarvan afkomstig van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee; en; d. het achterlaten of ter plaatse kantelen van platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee. Onder het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen wordt niet begrepen: 2017 -37 - 41 Artikel 18 Artikel 79 van het Zeerechtverdrag garandeert andere Staten het recht om onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen op het continentaal plateau van de kuststaat. Dit recht dient door andere Staten te worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van artikel 79. Artikel 18 van de wet bevat een overeenkomstige bepaling. Artikel 19 Artikel 19 van de wet voorziet in de mogelijkheid bij Staatsbesluit regels te stellen ter uitvoering van artikel 82 van het Zeerechtverdrag, dat kuststaten verplicht tot het doen van betalingen of bijdragen aan de internationale gemeenschap met betrekking tot de exploitatie van minerale hulpbronnen van het continentaal plateau voorbij 200 zeemijl. Deze betalingen en bijdragen dienen jaarlijks gedaan te worden met betrekking tot de totale productie op een plaats na de eerste vijf jaar van productie (artikel 82 leden 1 en 2). Lid 3 van artikel 82 van het Zeerechtverdrag bevat uitzonderingsgronden voor het doen van deze betalingen en bijdragen voor ontwikkelingslanden. Deze zijn mogelijk ook relevant voor Suriname. Deze relevantie zal kunnen worden vastgesteld op het moment dat artikel 82 door Suriname uitgevoerd zal dienen te worden. De verplichting tot het doen van betalingen en bijdragen onder artikel 82 van het Zeerechtverdrag rust op de Staat en niet op de maatschappijen die de betrokken mineralen daadwerkelijk winnen. Het ligt echter voor de hand dat deze maatschappijen door de overheid verplicht worden er zorg voor te dragen dat de maatregelen genomen worden die het voor de Staat mogelijk maken om verantwoordelijkheid af te leggen over artikel 82 en dat deze maatschappijen ook verantwoordelijk zijn voor de kosten die de implementatie van artikel 82 met zich meebrengt. Daarnaast zal in het kader van de nationale implementatie van de verplichtingen vervat in artikel 82 van het Zeerechtverdrag kunnen worden overwogen of er redenen zijn om de betrokken kosten niet of slechts ten dele ten laste van de betrokken maatschappijen te laten komen. 2017 -36- 41 Lid 2 van artikel 15 bepaalt dat Suriname de rechten en rechtsmacht over het continentaal plateau uitoefent met inachtneming van het internationale recht. Bij deze verwijzing naar het internationale recht kan in de eerste plaats gedacht worden aan het Zeerechtverdrag. Het verdrag stelt nadere regels ten aanzien van onder andere het uitoefenen van rechtsmacht ten aanzien van de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen. Ook bepaalt het Verdrag in zijn Deel XII aan welke vereisten regelgeving van de kuststaat in zijn exclusieve economische zone op het gebied van de bescherming van het zeemilieu dient te voldoen en geeft Deel Xlll van het Verdrag nadere regels over de toegang van derde Staten tot het continentaal plateau van de kuststaat voor het uitvoeren van wetenschappelijk zeeonderzoek. Suriname is gehouden aan deze regels bij het uitoefenen van zijn soevereine rechten en rechtsmacht in het continentaal plateau. Artikel 16 Artikel 16 van de wet heeft betrekking op vergunningen voor het verrichten van handelingen ten aanzien van de onderwerpen waarover Suriname soevereine rechten en rechtsmacht heeft in het continentaal plateau. Dit artikel is overeenkomstig artikel 1 I van de wet, dat hetzelfde onderwerp behandelt voor de exclusieve economische zone, geredigeerd. Artikel 17 Artikel l 7 van de wet verbiedt een ieder in het continentaal plateau van Suriname opzettelijk te ontdoen van afval en andere stoffen zonder voorafgaande bij Staatsbesluit verleende vergunning. De bevoegdheid van Suriname om het storten van afval en andere stoffen te verbieden is gebaseerd op artikel 210 lid 5 van het Zeerechtverdrag. Artikel 17 hanteert dezelfde definities als artikel 12 van de wet om te bepalen welke handelingen onder het opzettelijk te ontdoen van afval en andere stoffen vallen. Deze bepalingen zijn met name van belang in het deel van het continentaal plateau van Suriname dat zeewaarts van de buitengrens van de exclusieve economische zone is gelegen. In dit gebied kan Suriname geen rechtsmacht uitoefenen over het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen op basis van de rechtsmacht die Suriname bezit in de exclusieve economische zone. 2017 a. b. C. • d. 9- 41 het zich op zee ontdoen van afval of andere stoffen verbonden met of afkomstig uit de exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval of andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken; het plaatsen van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met deze wet of andere wetten of daarop gebaseerde Staatsbesluiten; het zich ontdoen of het opslaan van afval of andere stoffen, onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de ontginning en de verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden; onverminderd het bepaalde in artikel 12, lid 2 sub d, het achterlaten in zee van stoffen geplaatst met een ander oogmerk dan zich hiervan enkel en alleen te ontdoen. Artikel 13 In de exclusieve economische zone hebben alle Staten met inachtneming van het internationale recht: a. vrijheid van scheepvaart; b. vrijheid van overvlucht; c. vrijheid om onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen; d. het recht om andere internationaal rechtmatig soorten van gebruik van de zee samenhangend met onder a, b en c genoemde vrij heden, zoals die verband houdend met de normale werkzaamheden van schepen, luchtvaartuigen en onderzeese kabels en pijpleidingen, uit te oefenen. 2017 -10 Hoofdstuk6 Continentaal Plateau Artikel 14 41 1. De zeebedding en de ondergrond van het gebied grenzende aan en strekkende vanaf de buitengrens van de territoriale zee van de Staat tot de in lid 2 aangegeven buitengrens, wordt aangeduid als het continentaal plateau. 2. De buitengrens van het continentaal plateau wordt gevormd door geodetische lijnen tussen de volgende vaste punten gedefinieerd door breedte- en lengtecoördinaten uitgedrukt in het WGS84 (World Geodetic System 1984): OL-SUR-0110° 20' 41.0255" N 51° 56' 53.4917" W OL-SUR-02 10° 32' 42.5394"N 52° 17' 13.6281" W OL-SUR-03 11 ° 10' 47.8018"N 52° 33' 57.1475" W OL-SUR-04 l 1 ° 14' 25.3949" N 53° 03 ' 27.7128" W OL-SUR-05 11 ° 22' 52.7738" N 53° 42 ' 28.7868" W OL-SUR-0611 ° 38 ' l0.7106" N 54° 11 ' 23.7185" W OL-SUR-07 11 ° 49' 44.3694" N 54° 16' 32.6045" W OL-SUR-08 11 ° 49' 45.0006" N 54° 17' 53. 9395" W OL-SUR-09 11 ° 49' 55.6781" N 54° 19' 53.2367" W OL-SUR-10 11 ° 50' 06.3417" N 54° 21 ' 52.5365" W OL-SUR-11 11 ° 50' 16.9913" N 54° 23 ' 51.8389" W OL-SUR-12 11 ° 50' 27.6270" N 54° 25' 51.1438" W OL-SUR-13 11 ° 50' 37.1952" N 54° 27' 47.1663" W OL-SUR-14 11 ° 50' 46.7503" N 54° 29' 43.1911 " W OL-SUR-15 11 ° 50 ' 56.2921 " N 54° 31 ' 39.2182" W OL-SUR-1611° 51 ' 05.8207" N 54° 33' 35.2474" W OL-SUR-17 11 ° 51' 15.3362" N 54° 35' 31.2789" W OL-SUR-1811 ° 51 ' 24.8384"N 54° 37' 27.3126" W OL-SUR-19 11 ° 51 ' 34.3274" N 54° 39' 23.3486" W 2017 -35- 41 Artikel 76 lid 10 van het Zeerechtverdrag betekent dat de vaststelling van de buitengrens van het continentaal plateau van Suriname de afbakening van dit plateau met het continentaal plateau onverlet laat. Na de totstandkoming van afbakeningsverdragen met de betrokken buurlanden zal duidelijk zijn of deze verdragen een wijziging van de buitengrens van het continentaal plateau van Suriname vereisen. De wet voorziet dat een dergelijke wijziging bij Staatsbesluit kan geschieden. Artikel 15 Artikel 15 van de wet definieert de omvang van de soevereine rechten en rechtsmacht van Suriname over het continentaal plateau. Het Zeerechtverdrag bepaalt in artikel 77 dat de kuststaat soevereine rechten heeft voor de exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het continentaal plateau. De omvang van de soevereine rechten van Suriname over het continentaal plateau is thans al opgenomen in artikel 2 lid 4 van het Decreet Mijnbouw van 8 mei 1986. In aanvulling op deze laatste definitie omvat de voorgestelde definitie ook de levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren. Dit is in overeenstemming met de omvang van de aan de kuststaat toegekende soevereine rechten onder het Zeerechtverdrag. Bij de definitie van sedentaire soorten is aangesloten het in artikel 77 lid 4 van het Zeerechtverdrag bepaalde. Het belang van de verwijzing naar de levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren is met name gelegen in het feit dat het continentaal plateau van Suriname zich uitstrekt tot voorbij de buitengrens van Surinames exclusieve economische zone. Evenals in de exclusieve economische zone kent het Zeerechtverdrag aan de kuststaat in het continentaal plateau rechtsmacht toe ten aanzien van de oprichting en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en structuren, wetenschappelijk zeeonderzoek en de bescherming en het behoud van het zeemilieu. Deze bepalingen zijn met name van belang in het deel van het continentaal plateau van Suriname dat zeewaarts van de buitengrens van de exclusieve economische zone is gelegen. In dit gebied kan Suriname deze rechtsmacht niet uitoefenen op basis van de rechtsmacht die Suriname bezit in de exclusieve economische zone. 2017 -34- 41 Hoofdstuk 6 - Continentaal Plateau Artikel 14 Artikel 14 van de wet definieert het continentaal plateau van Suriname. Het continentaal plateau is thans gedefinieerd in artikel 2 lid 4 van het Decreet Mijnbouw van 8 mei 1986 in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 76 van Zeerechtverdrag. Artikel 76 lid 1 van het Verdrag bepaalt dat het continentaal plateau van een kuststaat, de zeebodem en de ondergrond omvat van de onder water gelegen gebieden die zich voorbij zijn territoriale zee uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van zijn landterritoir tot de buitenste grens van de continentale rand of tot 200 zeemijl van de basislijn, wanneer de buitenste grens van de continentale rand zich niet tot die afstand uitstrekt. Indien de continentale rand voorbij 200 zeemijl gelegen is dient de kuststaat de buitengrens van zijn continentaal plateau vast te stellen in overeenstemming met de overige leden van artikel 76 van het Zeerechtverdrag. Deze leden bevatten onder andere formules om de buitengrens precies vast te stellen. Ook geven zij regels over de maximale omvang van het continentaal plateau. ln het geval van Suriname kan de buitengrens van het continentaal plateau zich niet verder uitstrekken dan 350 zeemijl vanaf de basislijn . De belangrijkste reden om de definitie van het continentaal plateau vervat in het Decreet Mijnbouw van 8 mei 1986 aan te passen is dat, zoals al werd opgemerkt in het algemene deel van deze memorie van toelichting, Suriname thans kan komen tot de vaststelling van de buitengrens van het continentaal plateau van Suriname voorbij 200 zeemijl in overeenstemming met artikel 76 van het Zeerechtverdrag. Suriname heeft gegevens ingediend bij de Commissie inzake de grenzen van het continentaal plateau en aanbevelingen ontvangen van de Commissie. Artikel 14 van de wet neemt de buitengrens vervat in de aanbevelingen van de Commissie aan Suriname over. Van uit het oogpunt van wetgevingssystematiek is er voor gekozen de bepaling over de omvang van het continentaal plateau op te nemen in de wetgeving die ziet op de omvang van alle maritieme zones van Suriname in plaats van het Decreet Mijnbouw van 8 mei 1986. Het continentaal plateau van Suriname voorbij 200 zeem ij I overlapt met het continentaal plateau voorbij 200 zeemijl van een aantal buurlanden. 2017 -11- 41 3. Indien de afbakening van de zijwaartse grens van het continentaal plateau met buurlanden een wijziging van de buitengrens van het continentaal plateau vereist, zal een dergelijke wijziging worden vastgesteld bij Staatsbesluit met inachtneming van het internationale recht. Artikel 15 1 . In het continentaal plateau bezit de Staat: a. soevereine rechten ten behoeve van de verkenning, de exploratie naar en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plateau, met inbegrip van de levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat ze geoogst kunnen worden, hetzij z ich onbeweeglijk op of onder de zeebodem bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebodem of de ondergrond. b. rechtsmacht ten aanzien van: (1 ). de oprichting en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en structuren; (2). wetenschappelijk zeeonderzoek; (3). de bescherming en het behoud van het zeemilieu. c. andere rechten en plichten bepaald in het internationale recht. 2. De Staat oefent deze rechten en rechtsmacht uit met inachtneming van het internationale recht. Artikel 16 Het is een ieder verboden, zonder voorafgaande bij Staatsbesluit verleende vergunning in het continentaal plateau handelingen te verrichten, welke een inbreuk opleveren op de in artikel 15 bedoelde soevereine rechten of de rechtsmacht ten aanzien van de onderwerpen genoemd in artikel 15 lid 1 onder b sub 1 en 2. De leden 2 en 3 van artikel II zijn van toepassing op een dergelijke vergunning. 2017 1. 12 - 41 Artikel 17 Het is een ieder verboden, zonder voorafgaande bij Staatbesluit verleende vergunning, zich in het continentaal plateau opzettelijk te ontdoen van afval en andere stoffen. De leden 2 en 3 van artikel 11 zijn van toepassing op een dergelijke vergunning. 2. De leden 2 en 3 van artikel 12 zijn van toepassing op lid 1 van dit artikel. Artikel 18 In het continentaal plateau hebben alle Staten met inachtneming van het internationale recht de vrijheid om onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen en het recht om andere internationaal rechtmatige soorten van gebruik van de zee samenhangend met deze vrijheid uit te oefenen. Artikel 19 Bij Staatsbesluit kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van de verplichtingen van de Staat onder artikel 82 van het Zeerechtsverdrag. Hoofdstuk 7 Afbakening en Bekendheid Geven Artikel 20 Indien de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone of het continentaal plateau van de Staat overlapt met de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone of het continentaal plateau van een buurland zal de zijwaartse grens van deze zones worden vastgesteld door een overeenkomst met het betrokken land op basis van het internationale recht. 2017 - 33 - 41 Overigens, artikel 33 lid I van de wet maakt het mogelijk om bij Staatsbesluit nadere regelingen vast te stellen ten aanzien van de bescherming en het behoud van het zeemilieu. Artikel 12 Artikel 12 van de wet verbiedt een ieder die zich in de exclusieve economische zone van Suriname opzettelijk ontdoet van afval en andere stoffen zonder voorafgaande bij Staatsbesluit verleende vergunning. De bevoegdheid van Suriname om het storten van afval en andere stoffen te verbieden is gebaseerd op artikel 21 0 lid 5 van het Zeerechtverdrag. Nadere regels ten aanzien van het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen zijn vervat in het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972 en het Protocol bij dit Verdrag uit 1996. Suriname is Partij bij deze beide instrumenten. Bij de definitie van het verbod op het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen en uitzonderingsgronden daarop is aansluiting gezocht bij de definitie vervat in artikel l lid 4 van het Protocol van 1996. Artikel 13 Artikel 58 van het Zeerechtverdrag garandeert een aantal vrijheden van communicatie aan andere Staten in de exclusieve economische zone van de kuststaat. De erkenning van deze vrijheden is expliciet opgenomen in artikel 5 van de Wet van 14 april 1978. Artikel 13 van de wet garandeert deze vrijheden eveneens. Sub d van artikel 13 wijkt enigszins af van de overeenkomstige bepaling van artikel 5 van de Wet van 14 april 1978. De redactie van sub d van artikel 13 van de wet sluit aan bij de overeenkomstige bepaling van artikel 58, lid l van het Zeerechtverdrag. Zoals artikel 13 aangeeft zijn andere Staten verplicht deze vrijheden uit te oefenen met inachtneming van het internationale recht. Zij dienen door de kuststaat aangenomen wetten en voorschriften overeenkomstig de bepalingen van internationaal recht na te leven. 2017 - 32 Artikel 10 41 Artikel l O van de wet stelt de soevereine rechten, rechtsmacht en plichten van Suriname in de exclusieve economische zone vast. Dezelfde opsomming van soevereine rechten, rechtsmacht en plichten is vervat in artikel 56 van het Zeerechtverdrag. Lid 2 van artikel 10 bepaalt dat Suriname deze rechten en rechtsmacht uitoefent met inachtneming van het internationale recht. Bij deze verwijzing naar het internationale recht kan in de eerste plaats gedacht worden aan het Zeerechtverdrag. Het verdrag stelt nadere regels ten aanzien van onder andere de exploitatie van visbestanden en het uitoefenen van rechtsmacht ten aanzien van de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen. Ook bepaalt het Verdrag in zijn Deel XIl aan welke vereisten regelgeving van de kuststaat in zijn exclusieve economische zone op het gebied van de bescherming van het zeemilieu dient te voldoen en geeft Deel XIll van het Verdrag nadere regels over de toegang van derde Staten tot de exclusieve economische zone van de kuststaat voor het uitvoeren van wetenschappelijk zeeonderzoek. Suriname is gehouden aan deze regels bij het uitoefenen van zijn soevereine rechten en rechtsmacht in de exclusieve economische zone. Artikel 11 Artikel l l van de wet heeft betrekking op vergunningen voor het verrichten van handelingen ten aanzien van de onderwerpen waarover Suriname soevereine rechten en rechtsmacht heeft in de exclusieve economische zone. De leden 2 en 3 van artikel 11 van deze wet zijn identiek aan de leden 2 en 3 van artikel 6 van de Wet van 14 april 1978. Lid 1 van de wet wijkt af van lid l van artikel 6 van de Wet van 14 april 1978. Naast het vergunningplichtig maken van handelingen die een inbreuk opleveren op de soevereine rechten van Suriname verwijst lid 1 van artikel 11 van de wet tevens naar de rechtsmacht die Suriname heeft over de activiteiten die genoemd worden in artikel 10, lid 1 sub b ( 1) en (2). Deze aanvulling is noodzakelijk vanwege de redactie van artikel 10 van de wet dat afwijkt van artikel 4, lid 2 van de Wet van 14 april 1978. Er is voor gekozen om in lid 1 van artikel 11 van de wet niet tevens te verwijzen naar artikel 10, lid 1 sub b (3). Het verwijzen naar dit onderdeel van artikel 10 in artikel l l lid l zou er toe leiden dat bijvoorbeeld elke operationele lozing van een schip vergunningplichtig is. 2017 -13 Artikel 21 41 De Minister van Buitenlandse Zaken zal bekendheid geven van de basislijn, de buitengrenzen van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plateau van de Staat en de grenzen van deze zones zoals vastgesteld in overeenstemming met artikel 20. Hoofdstuk 8 Strafbepalingen Artikel 22 Opzettelijke overtreding van de bij of krachtens deze wet geg even voorschriften wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes Jaren en geldboete van de zesde categorie. Artikel 23 Niet opzettelijke overtreding van de bij of krachtens deze wet gege~en voorschriften wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een Jaar en geldboete van de derde categorie, hetzij met een van beide straffen. Artikel 24 Hij, die niet, niet tijdig of niet ten volle voldoet aan een of meer der voorwaarden verbonden aan de vergunning zoals bedoeld in de artikelen 8, 11, 12, 16 en 17 of handelt in strijd met zodanige voorwaarden wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete van de derde categorie, hetzij met een van beide straffen. Artikel 25 De feiten, strafbaar gesteld in artikel 22 worden beschouwd als misdrijven en die strafbaar gesteld in artikelen 23 en 24 als overtredingen. 2017 - 14 Artikel 26 41 De voorwerpen waarmee de in de artikelen 22, 23 en 24 omschreven strafbare feiten zijn gepleegd, alsmede de goederen die uit het strafbaar gestelde feit zijn verkregen, kunnen worden verbeurd verklaard, overeenkomstig het Wetboek van Strafrecht. 1. 2. .., .), 4. 1. Artikel 27 Indien de dader onbekend is, of alvorens de vervolging aanvangt is overleden, kan de verbeurdverklaring, op vordering van het Openbaar Ministerie, bij rechterlijke beschikking worden uitgesproken. De beschikking wordt door de Griffier openbaar gemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en/of in een of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. De beschikking wordt van kracht, tenzij een belanghebbende binnen 30 dagen na de openbaarmaking een bezwaarschrift ter Griffie inlevert en gedurende het verdere onderzoek niet blijkt dat een strafbaar feit ten opzichte van betrokken zaken heeft plaats gehad. Van de beschikkingen, krachtens lid 1 genomen, staat de Procureur-generaal gedurende veertien dagen beroep open op het Hof van Justitie. Hetzelfde geldt ten aanzien van de beschikkingen, krachtens lid 3 op een bezwaarschrift, genomen. Artikel 28 Met het opsporen van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, tevens belast de bevoegde opsporingsambtenaren van de Kustwacht Suriname en de door de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Landbouw, Veeteelt en Visserij en van Natuurlijke Hulpbronnen in overleg met de 2017 - 31- 41 In het geval van lid 3 van artikel 8 is gekozen voor een algemeen verbod op de verwijdering van voorwerpen van archeologische of historische aard van de zeebodem van de aansluitende zone zonder toestemming van de Surinaamse autoriteiten, overeenkomstig hetgeen artikel 303 lid 2 van het Zeerechtverdrag toelaat. Het niet-opzettelijk verwijderen van voorwerpen van archeologische of historische aard in het kader van rechtmatige activiteiten, zoals visserij, valt niet onder dit verbod. Hoofdstuk 5 - Exclusieve Economische Zone Voor hoofdstuk 5 van de wet zijn de artikelen 3 tot en met 6 van de Wet van 14 april 1978 als uitgangspunt genomen. Om zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij artikel 56 van het Zeerechtverdrag is gekomen tot een samenvoeging van de leden I en 2 van artikel 4 van de Wet van 14 april 1978. De belangrijkste wijziging ten opzichte van de Wet van 14 april 1978 is hierbij dat deze wet vaststelt dat Suriname rechtsmacht over de in dat lid genoemde activiteiten heeft, in plaats van de vaststelling van een Staatsbesluit te vereisen, zoals het geval was onder lid 2 van artikel 4 van de Wet van 14 april 1978. De nu gekozen benadering sluit uit dat handelingen verricht zouden kunnen worden die een inbreuk betekenen op de rechtsmacht van Suriname over de in artikel 10 genoemde onderwerpen in de afwezigheid van een Staatsbesluit en dat Suriname mogelijk door deze handelingen ontstane rechten zou dienen te respecteren bij de vaststelling van een Staatsbesluit. Artikel 9 Artikel 9 van de wet stelt de omvang van de exclusieve economische zone van Suriname vast. Bij het vaststellen van de buitengrens van de exclusieve economische zone is de maximum toegestane breedte van 200 zeemijl vervat in artikel 55 van het Zeerechtverdrag aangehouden. Onder de Wet van 14 april 1978 heeft de economische zone van Suriname eveneens deze breedte. 2017 -30- 41 In het voorkomende geval zal conform lid 4 van artikel 6 van de wet een overeenkomstig eindpunt worden vastgesteld dat landwaarts van laagwaterlijn gelegen zal zijn. Er bestaan verschillende systemen waarin geografische coördinaten vastgelegd kunnen worden. Dezelfde coördinaten kunnen in verschillende systemen op een ander punt op de kust liggen. Om dergelijke onduidelijkheid te voorkomen stelt lid 3 van artikel 6 van de wet vast dat het WGS 84 gebruikt is voor de coördinaten vervat in artikel 6. Het World GeodeticSystem (WGS) is een internationale standaard voor gebruik in de cartografie, geodesie ennavigatie. Het bestaat uit een standaard coördinatenstelsel voor de Aarde, een standaard referentie oppervlak (de datum of de referentie ellipsoïde) voor ruwe hoogte data, en eengravitationeleequipotentiaal oppervlak ( de geoïde) dat de nominalezeespiegel definieert. Ook onder de voorgestelde benadering voor het trekken van de sluitlijnen in de vier grote rivieren van Suriname valt het niet geheel uit te sluiten dat in de toekomst een van de punten die deze lijnen definiëren toch zeewaarts van de laagwaterlijn zal komen te liggen. Lid 4 van artikel 6 van de wet bepaalt dat in een dergelijk geval een overeenkomstig punt voor een sluitlijn kan worden vastgesteld bij Staatsbesluit. Het wordt geacht dat dit de meest geëigende methode is om een dergelijke eenvoudige wijziging van artikel 6 te effectueren. Hoofdstuk 4- Aansluitende Zone Artikel 7 Artikel 7 van de wet stelt de omvang van de aansluitende zone van Suriname vast. Bij het vaststellen van de buitengrens van de aansluitende zone is de maximum toegestane breedte van 24 zeemijl vervat in artikel 33 lid 2 van het Zeerechtverdrag aangehouden. Artikel 8 De omvang van de bevoegdheden van Suriname in de aansluitende zone is gedefinieerd in artikel 8 van de wet. Bij deze definitie is zo nauw mogelijk aansluiting gezocht bij de relevante bepalingen van het Zeerechtverdrag (artikel 33 lid I en artikel 303 lid 2). 2017 - 15 - 41 Minister belast met justitiële aangelegenheden en de Procureur generaal aangewezen personen. 2. De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd om in beslag te nemen zomede ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voorwerpen, welke tot ontdekking der waarheid kunnen dienen of welker verbeurdverklaring, vernietiging of onbruikbaarmaking kan worden bevolen. Artikel 29 1. Indien zich onder de ingevolge artikel 28 inbeslaggenomen voorwerpen goederen of zaken bevinden, welke aan bederf onderhevig zijn, kan de Procureur-generaal toestemming verlenen tot verkoop van die goederen of zaken over te gaan. 2. De verkoop geschiedt door de opsporingsambtenaren in het openbaar volgens het bepaalde in het Wetboek van Strafrecht. Hoofdstuk 9 Wijziging van de Zeevisserijwet 1980 en het Decreet Mijnbouw Artikel 30 In de Zeevisserijwet 1980 worden de volgende wijzigingen aangebracht: A. Artikel I sub a komt te luiden: 'de wet: de Wet Maritieme Zones van de Staat. B. Artikel 1 sub d komt te luiden: ' visserijzone: een zone die zowel de territoriale zee, bedoeld en omschreven in de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet Maritieme Zones, als de exclusieve economische zone, bedoeld en omschreven in de artikelen 1, 9 en I O van de Wet Maritieme Zones en het continentaal plateau, bedoeld en omschreven in de artikelen l, 14 en 15 van de Wet Maritieme Zones omvat. 2017 - 16 Artikel 31 41 In het Decreet Mijnbouw worden de volgende wijzigingen aangebracht: A. In artikel 2 lid 2 wordt de zinsnede 'de Wet van 14 april 1978 (S.B. 1978 no. 26)' vervangen door: 'de Wet Maritieme Zones'. B. In artikel 2 lid 3 wordt de volzin 'In de economische zone, zijnde het zeegebied grenzend aan de territoriale zee van de Republiek Suriname, welke zone is omschreven in artikel 3 van de Wet van 14 april 1978 (S.B. 1978 no. 26)' vervangen door: 'de exclusieve economische zone, welke zone is omschreven en bepaald in de artikelen 1, sub fen 9 van de Wet Maritieme Zones'. C. Artikel 2 lid 4 komt te luiden: In het continentaal plateau, zijnde de zeebedding en de ondergrond van het gebied buiten de territoriale zee, bedoeld en omschreven in de artikelen 14 en 15 van deze wet oefent de Staat eveneens exclusieve soevereine rechten uit ter zake de verkenning en exploratie naar en exploitatie van delfstoffen. Hoofdstuk 10 Algemene -, overgang- en slotbepalingen Artikel 32 1. Indien de in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere bepalingen behoeven, kan dit bij Staatsbesluit geschieden. 2. Bij de inwerkingtreding van deze wet wordt de Wet van 14 april 1978 houdende uitbreiding van de territoriale zee van de Republiek Suriname en de instelling van de daaraan grenzende economische zone (S.B. 1978 no. 26) ingetrokken. Artikel 33 De volgende, bij deze wet behorende bijlagen maken deel uit van deze wet: 1 . Kaart aangevende de buitengrens van de Maritieme Zones van de Staat. 2. Lijst aangevende de coördinaten van de buitengrens van het continentaal plateau van de Staat. 2017 - 29- 41 Bijgevolg is in dit geval voor punten gekozen waarvan met redelijkheid kan worden gesteld dat deze gebruikt kunnen worden. Het kan tevens opgemerkt worden dat het verder westwaarts opschuiven van deze punten binnen het mondinggebied van de betrokken rivieren geringe invloed heeft op de ligging van de betrokken sluitlijnen. In het geval van de Marowijne rivier is bij het vaststellen van het westelijke eindpunt van de sluitlijn gebruik gemaakt van het westelijke punt van de sluitlijn die is vastgesteld in het kader van onderhandelingen tussen Suriname en de Franse Republiek over de gemeenschappelijke grens van beide landen. Deze sluitlijn loopt van dit punt op de Surinaamse oever naar een punt op de oostelijke (Frans Guyanese) oever van de Marowijne rivier. De rechte basislijn van Suriname in de rivier kan slechts doorlopen tot de grens met Frankrijk. Omdat het eindpunt van deze grens nog niet is overeengekomen is dit eindpunt niet in coördinaten uitgedrukt. Op het moment dat dit eindpunt wel overeengekomen zal zijn, zal dit punt tevens de sluitlijn in de Marowijne rivier definiëren. Tot het moment dat deze overeenkomst tot stand zal zijn gebracht zal als sluitlijn de lijn worden gehanteerd zoals die is gedefinieerd in de onderhandelingen met Frankrijk. Indien de in geografische coördinaten gedefinieerde eindpunten van de sluitlijnen op de relevante zeekaarten worden geplaatst, kan worden vastgesteld dat deze in het algemeen landwaarts van de laagwaterlijn langs de kust liggen. Voor deze benadering is bewust gekozen. Indien eindpunten op de laagwaterlijn langs de kust zouden worden gekozen bestaat de mogelijkheid dat bij verschuiving van deze laagwaterlijn deze eindpunten in zee komen te liggen en de sluitlijn bijgevolg niet meer aansluit op de normale basislijn, zodat de grens tussen de territoriale zee en de binnenwateren deels niet is vastgesteld. Zoals lid 2 van artikel 6 aangeeft zijn de sluitlijnen niet in hun geheel deel van de basislijn, doch betreft dit het deel van de sluitlijnen vanaf hun snijpunt met de laagwaterlijn langs de westelijke oever van de rivieren tot en met hun snijpunt op de oostelijke oever van de rivieren, en in het geval van de Marowijne met het snijpunt met de landgrens met Frankrijk in de Marowijne. Ondanks de gekozen benadering om de eindpunten van de sluitpunten landinwaarts van de laagwaterlijn langs de kust te leggen, is het niet uit te sluiten dat een eindpunt van één van de si uitlijnen in zee komt te liggen als de laagwaterlijn in de toekomst over een grotere afstand verschuift. 2017 -28- 41 Deze bijlage, die het rapport bevat van David Gray, de hydrograaf van het Tribunaal, merkt ten aanzien van dit punt op: De originele Engelse tekst van deze paragraaf luidt: The location of Point 1 of the Award is the intersection of Low Water Line (L WL) along the west bank of the Corentyne River and a geodetic line through Marker "B" which has an initia! azimuth of N 10°E. Since this point moves with any movement of the Low Water Line, no geographical coordinates can be provided (Technica! Report of the Tribunal's Hydrographer, para. 3). De ligging van Punt 1 van de Uitspraak is het snijpunt van de Laagwaterlijn (LWL) langs de westelijke oever van de Corantijn Rivier en een geodetische lijn door Merkteken "B", die aanvankelijk een azimut heeft van N 10°E. Aangezien dit punt zich verplaatst met elke verplaatsing van de Laagwaterlijn, kunnen geen geografische coördinaten worden bepaald. De ligging van Punt 1 is vast te stellen in geografische coördinaten op basis van de voor dit gebied op een bepaald moment van kracht zijnde relevante zeekaart. Gezien het verloop van de laagwaterlijn langs de westelijke oever van de Corantijn rivier ligt het meest westelijke gedeelte van de vastgestelde lijn landwaarts van de laagwaterlijn. Dit betekent dat het deel van de lijn dat mede de basislijn van Suriname vormt thans begint op het punt met de geografische coördinaten 6° 0 l' 32" N 57° 08' 18" W. Dit is in overeenstemming met hetgeen bepaald is in lid 4 van artikel 6 van de wet. Tussen dit punt in geografische coördinaten en Punt 1 wordt de basislijn van Suriname gevormd door de laagwaterlijn. Bij de keuze van het eindpunt op de oostelijke oever van de Corantijn rivier is rekening gehouden met het verloop van de kust. In het algemeen worden bij het bepalen van de eindpunten van sluitlijnen gekeken naar het gebied waar een duidelijke verandering van de richting van de kust optreedt. Een dergelijk gebied kan beschouwd worden als het gebied waar de oever van een rivier overgaat in de zeekust. Deze methode is gehanteerd bij het vaststellen van het eindpunt op de oostelijke oever van de Corantijn rivier. Dezelfde methode is gehanteerd voor het eindpunt op de oostelijke oever van de Coppename - en de Suriname rivier en de westelijke oever van de Marowijne rivier. Ten aanzien van de westelijke oever van de Coppename - en de Suriname rivier doet zich het probleem voor dat er geen duidelijke verandering van de richting van de kust optreedt. 2017 1. 2. 1. 2. 3. 4. 17 - 41 Artikel 34 Onverminderd het bepaalde in deze wet oefent de Staat haar toezichthoudende en beschermende taak uit in de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plateau, overeenkomstig bij of krachtens: 1 ° .de Wet Instelling Kustwacht; 2°. de Zeevisserijwet 1980; 3°. de Visstandbeschermingswet 1961; 4°. de Scheepvaartwet; 5°. het Decreet Mijnbouw; 6°. het Wetboek van Strafrecht; Bij Staatsbesluit kan de opsomming van wetten als bedoeld in lid 1 worden gewijzigd. Artikel 35 Deze wet wordt aangehaald als: Wet Maritieme Zones. Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname bekendgemaakt Zij treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van haar afkondiging. De Ministers van Natuurlijke Hulpbronnen, van Landbouw, Veeteelt en Visserij en van Buitenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van deze wet. Gegeven te Paramaribo, de 7e april 2017 DESIRÉ D. BOUTERSE Uitgegeven te Paramaribo, de 5e mei 20 17 De Minister van Binnenlandse Zaken, M.M.F. NOERSALIM. 2017 -18 - 41 WET van 7 april 2017, houdende regels inzake de Maritieme Zones van de Republiek Suriname en wijziging van de Zeevisserijwet 1980 en het Decreet Mijnbouw (Wet Maritieme Zones). MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN GEDEELTE De onderhavige wet heeft tot doel de omvang van de maritieme zones van de Republiek Suriname en de bevoegdheden die de Republiek Suriname in deze zones bezit vast te leggen in één wet. Deze wet dient ter vervanging van de Wet van 14 april 1978 houdende uitbreiding van de territoriale zee van de Republiek Suriname en de instelling van de daaraan grenzende economische zone (hierna Wet van 14 april 1978). Bij het opstellen van deze wet zijn twee mogelijkheden overwogen. Naast de uiteindelijk gekozen oplossing van het opstellen van een nieuwe wet is overwogen om te komen tot een aanpassing van de Wet van 14 april 1978. Om een aantal redenen is voor de thans gevolgde aanpak gekozen. In de eerste plaats kan opgemerkt worden dat de Wet van 14 april 1978 is opgesteld ten tijde van de onderhandelingen over het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna Zeerechtverdrag) op de derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, die plaatsvond tussen 1973 en 19~2. Bijgevolg hebben de opstellers van de Wet van 14 april 1978 geen geb'.-uik kunnen maken van de definitieve tekst van het Zeerechtverdrag. Suriname heeft het Zeerechtverdrag op 9 juli 1998 geratificeerd. Gezien deze ratificatie en het feit dat het Zeerechtverdrag algemeen wordt geaccepteerd als het kader voor de regulering van de rechten en plichten van kuststaten ten aanzien van hun maritieme zones wordt het wenselijk geacht om de relevante wetgeving van Suriname in alle opzichten in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit verdrag. Ten tweede kan opgemerkt worden dat de Wet van 14 april 1978 geen regeling bevat over de definitie van de aansluitende zone en het continentaal plateau en het inhoudelijke regime van deze zones. Ten slotte wordt het wenselijk geacht te komen tot een nadere definitie van de basislijn van Suriname, die relevant is voor het bepalen van de buitengrens van de maritieme zones van Surina~e en bepalingen op te stellen ten aanzien van de bekendmaking van de pos1t1e van de grenzen van de maritieme zones van Suriname. 2017 -27 Artikel 6 41 Artikel 6 van de wet definieert sluitlijnen in de vier grote rivieren van Suriname (Corantijn rivier, Coppename rivier, Suriname rivier en Marowijne rivier). De ligging van deze sluitlijnen is weergegeven in de kaart, opgenomen aan het einde van deze Memorie van Toelichting. Ten eerste kan ten aanzien van deze sluitlijnen opgemerkt worden dat deze ten noorden liggen van de in de monding van de drie van de vier grote rivieren gelegen zijrivieren (Nickerie in het geval van de Corantijn, Saramacca in het geval van de Coppename en Commewijne in het geval van de Suriname rivier). Deze zijrivieren zijn bijgevolg in hun geheel in de binnenwateren van Suriname gelegen. Meer in het algemeen kan hierbij opgemerkt worden dat het trekken van sluitlijnen in de grote rivieren van Suriname niet leidt tot een wijziging van het rechtsregime van toepassing op deze rivieren. Deze rivieren hebben altijd tot de binnenwateren van Suriname behoord. Het trekken van sluitlijnen leidt er toe dat er duidelijkheid ontstaat over de precieze omvang van de binnenwateren van Suriname. Bij het vaststellen van de sluitlijnen is rekening gehouden met de bepalingen van artikel 10 van het Zeerechtverdrag. Al deze si uitlijnen meten minder dan 24 zeemijl. Ook kan opgemerkt worden dat aan de test die genoemd wordt in lid 3 van artikel 11 wordt voldaan. Om het gedeelte van de rivieren te bepalen dat relevant is voor deze test is uitgegaan van het punt waarop er nog getijdenwerking in een rivier wordt waargenomen. Ten slotte is een korte toelichting op de specifieke locatie van de sluitlijnen in de afzonderlijke rivieren wenselijk. In het geval van de Corantijn rivier dient rekening te worden gehouden met de ligging van de zeegrens tussen Suriname en Guyana die is vastgesteld door de uitspraak van 17 september 2007 van het tribunaal in de arbitrage onder het Zeerechtverdrag tussen Suriname en Guyana. De uitspraak van het tribunaal bepaalt dat de grens in de territoriale zee tussen beide landen begint op het punt waar een lijn van 10° getrokken uit het zogenaamde merkteken B met de coördinaten 5° 59' 46.21" N; 57° 08' 50.48" W de laagwaterlijn snijdt. De uitspraak definieert dit punt op de laagwaterlijn niet in geografische coördinaten. De reden voor deze benadering is gegeven in de bijlage bij de uitspraak van het tribunaal. 2017 -26- 41 In overeenstemming met artikel 5 van het Zeerechtverdrag zijn deze grootschalige zeekaarten in deze gevallen, de kaarten die de basislijn van Suriname vaststellen. Het gaat hierbij naast zeekaart No. 2017 om de zeekaarten No. 2014, 2218 en 2228. De definitie in artikel 4 lid 2 houdt in dat bij een nieuwe uitgave van deze kaarten deze nieuwe edities de officieel erkende kaarten vormen. Hetzelfde geldt indien er in de toekomst nieuwe grootschalige zeekaarten voor andere delen van de kust van Suriname zullen worden uitgegeven. Artikel 4 lid 2 verwijst niet naar de middenstand als relevante laagwaterstand. Door de verwijzing naar de relevante zeekaarten, die thans de middenstand als relevante laagwaterstand hanteren, is deze verwijzing impliciet opgenomen. Deze redactie van artikel 4 lid 2 leidt er tevens toe dat wanneer op de betrokken zeekaarten overgegaan zal worden op het laagste astronomische tij, deze laagwaterstand de laagwaterlijn in de zin van de wet definieert. De overgang van de middenstand naar laagste astronomische tij is ingegeven door overwegingen die verband houden met de scheepvaartveiligheid. Deze overgang zal in het algemeen betekenen dat de laagwaterlijn zeewaarts opschuift. De afstand van deze verschuiving zal met name afhangen van het verloop van de bodem. Bij een stijl aflopende bodem zal dit verschil minder groot zijn dan daar waar de bodem zeer geleidelijk afloopt. Artikel S Artikel 5 van de wet bepaalt dat de basislijn zoals gedefinieerd in artikel 4 de begrenzing vormt tussen de binnenwateren en de territoriale zee van Suriname. Deze bepaling is met name van belang voor de bepaling van de omvang van de binnenwateren in de mondingen van de grote rivieren van Suriname. Deze definitie betekent daarnaast dat gebieden gelegen tussen de laag- en de hoogwaterlijn langs de kust deel uitmaken van de binnenwateren. In de binnenwateren van Suriname geldt in principe hetzelfde rechtsregime als in het overige grondgebied van Suriname. Zoals is aangegeven in artikel 2 van de wet bestaat in de territoriale zee van Suriname het recht van onschuldige doorvaart voor de schepen van alle Staten. 2017 - 19 - 41 Dit betreft verplichtingen van Suriname onder het Zeerechtverdrag die tezelfdertijd een Surinaams belang dienen, namelijk het scheppen van duidelijkheid over de omvang van Surinames maritieme zones en daarmee de werkingssfeer van Surinames wetgeving van toepassing binnen deze zones. Surinames maritieme zones omvat de territoriale zee (Artikel 2, Hoofdstuk 2), de aansluitende zone (Artikel 4, Hoofdstuk 7), de exclusieve economische zone (Artikel 9, Hoofdstuk 5) en het continentaal plateau (Artikel 14, Hoofdstuk 6). Het in aanmerking nemen van de bovenstaande zaken zou leiden tot een complex amenderingproces van de Wet van 14 april 1978. Om deze reden is er voor gekozen om te komen tot de opstelling van een nieuwe wet. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, voor zover dit opportuun wordt geacht, de Wet van 14 april 1978 als uitgangspunt is genomen van deze wet. Dit betreft bijvoorbeeld de strafbepalingen vervat in de artikelen 7 tot en met 16 van de Wet van 14 april 1978. Deze bepalingen zijn vrijwel integraal overgenomen in deze wet, met vernummering van de artikelen en het aanpassen van de maximumbedragen van de geldboetes die worden genoemd in de strafbepalingen. Zoals uit het voorgaande kan worden opgemaakt is deze wet er met name opgericht om gebruik te maken van de mogelijkheden die het Zeerechtverdrag biedt om de definitie van de maritieme zones van Suriname verder te completeren en om daannee gebruik te kunnen maken van de bevoegdheden die de kuststaat in deze zones heeft onder het verdrag. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de voorziene instelling van de aansluitende zone. In deze zone, die grenst aan de territoriale zee en zich tot 24 zeemij l uit de kust uit kan strekken, kan een kuststaat conform artikel 33 van het Zeerechtverdrag toezicht uitoefenen om: (a) te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op voorschriften inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid die binnen zijn grondgebied of territoriale zee van kracht zijn; en (b) een binnen zijn grondgebied of territoriale zee gemaakte inbreuk op bovengenoemde voorschriften te bestraffen. Daarnaast kent het tweede lid van art ikel 303 van het Zeerechtverdrag aan de kuststaat het recht toe maatregelen te treffen voor de bescherming van voorwerpen van archeologische of historische aard op de bodem van de aansluitende zone. Zoals bovenstaand werd opgemerkt ziet deze wet tevens op een nadere definitie van de basislijn van Suriname. Met name de vaststelling van sluitlijnen in de grote rivieren van Suriname is hierbij van belang. 2017 - 20- 41 Deze sluitlijnen maken niet alleen deel uit van de basislijn van Suriname voor het bepalen van de buitengrens van Surinames maritieme zones, maar vormen tevens de begrenzing tussen de territoriale zee en de binnenwateren van Suriname. In de territoriale zee genieten schepen van andere Staten onder het Zeerechtverdrag het recht op onschuldige doorvaart in overeenstemming met de bepalingen van het Zeerechtverdrag, terwijl dit recht niet bestaat in de binnenwateren. Onschuldige doorvaart is een principe uit het maritieme recht waarbij schepen door de territoriale wateren van een andere staat mogen varen als zij zich aan bepaalde beperkingen houden. Deze beperkingen zijn opgenomen in artikel 19 van het Zeerechtverdrag en een verdere specificatie van de beperkingen kan gevonden worden in artikel 19 paragraaf 2 van het Zeerechtverdrag. Deze wet voorziet tevens in een definitie van het continentaal plateau en de vaststelling van de buitengrens van het continentaal plateau van Suriname. Suriname heeft op 5 december 2008, in overeenstemming met artikel 76 van het Zeerechtverdrag, gegevens over deze buitengrens ingediend bij de Commissie inzake de grenzen van het continentaal plateau. De Commissie heeft op 30 maart 2011 aanbevelingen over de voorgestelde buitengrens uitgebracht aan Suriname. De Commissie heeft zich in haar aanbevelingen gebaseerd op een voorstel van Suriname ten aanzien van de buitengrens van het continentaal plateau van 1 7 maart 2011 . Dit voorstel van Suriname week voor twee van de in totaal 19 punten van de buitengrens van het continentaal plateau in geringe mate af van de buitengrens die op 5 december 2008 bij de Commissie was ingediend. Met het uitbrengen van de aanbevelingen van de Commissie kan Suriname er toe overgaan de buitengrens van het continentaal plateau definitief vast te stellen. Zoals artikel 76, lid 10 van het Zeerechtverdrag aangeeft, laat deze definitieve vaststelling van de buitengrens van het continentaal plateau de atbakening van het continentaal plateau met buurlanden onverlet. Deze atbakening zal het onderwerp van toekomstige onderhandelingen met de betrokken buurlanden zijn. Artikel 20 van onderhavige wet geeft aan hoe deze grenzen in de visie van Suriname dienen te worden vastgesteld. Voor een nadere toelichting op deze bepaling kan verwezen worden naar de onderstaande artikelsgewijze toelichting. Een overzicht van de buitengrenzen van de maritieme zones van de Republiek Suriname vastgesteld in overeenstemming met de wet en vastgestelde internationale zeegrenzen is opgenomen in de kaart in de bijlage bij deze Memorie van Toelichting. 2017 -25- 41 3. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 14 april 1978 definieert de nul-meter dieptelijn met verwijzing naar de middenstand als relevante laagwaterstand. Door de Maritieme Autoriteit Suriname wordt de overgang naar het zogenaamde laagste astronomische tij als laagwaterstand voor het bepalen van de laagwaterlijn op zeekaarten van de kust van Suriname overwogen. Deze overgang is in overeenstemming met de hierover in het kader van de Internationale Hydrografische Organisatie, waarvan Suriname lid is, gemaakte afspraken. Het wordt wenselijk geacht bij de opstelling van nieuwe bepalingen ten aanzien van de basislijn rekening te houden met de voorziene overgang van de middenstand naar het laagste astronomische tij; 4. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 14 april 1978 definieert de sluitlijn voor rivieren niet door middel van geografische coördinaten. Bijgevolg is het niet mogelijk te komen tot een eenduidige vaststelling van de ligging van deze sluitlijnen; en 5. De actualisering van de bepalingen ten aanzien van de basislijn van de Wet van 14 april 1978 maakt het mogelijk artikel 13 van het Zeerechtverdrag inzake droogvallingen in aanmerking te nemen. Hoofdstuk 3 van de wet is tot stand gekomen op basis van de relevante bepalingen van het Zeerechtverdrag en bovenstaande overwegingen. Ten aanzien van de individuele artikelen kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 4 Artikel 4 van de wet definieert de basislijn van Suriname in overeenstemming met de bepalingen van het Zeerechtverdrag die van belang zijn voor het vaststellen van deze basislijn. Artikel 4 lid 2 verwijst naar officieel door de Surinaamse Regering erkende zeekaarten. Naast zeekaart No. 2017, waarnaar de Memorie van Toelichting bij de Wet van 14 april 1978 verwijst, zijn er thans ook zeekaarten op grotere schaal beschikbaar voor grote gedeelten van de kust van Suriname. 2017 - 24 - 41 De Wet van 14 april 1978 geeft in artikel 2 aan dat Suriname voor het vaststellen van de buitengrens van de territoriale zee "de nulmeter dieptelijn, de z.g. basislijn langs de kust hanteert". De Memorie van Toelichting bij de Wet van 14 april 1978 geeft een nadere definitie van de basislijn (nul-meter dieptelijn): De nul-meter dieptelijn langs de Surinaamse kust is aangegeven op de hydrografische kaart No. 2017 van april 1961. Deze kaart is injanuari 1971 heruitgegeven in de schaa l 1 :750.000 en officieel door de Surinaamse Regering erkend. De nul meter dieptelijn ligt 18 dm onder de middenstand (Normaal Surinaams Peil). Tevens geeft deze Memorie van Toelichting aan dat er voorzien is in het hanteren van sluitlijnen als basislijnen in de rivieren van Suriname: Ter plaatse waar de rivieren rechtstreeks in zee stromen is de basislijn een rechte lijn in de monding van de rivier gelegen tussen de nul-meter dieptelijn van de oevers. Uit artikel 2 van de Wet van 14 april 1978 en de Memorie van Toelichting bij de Wet Maritieme Zones komt naar voren dat deze wet bij het vaststellen van de basislijn gebruik heeft gemaakt van een combinatie van de normale basislijn zoals gedefinieerd in artikel 5 van het Zeerechtverdrag en sluitlijnen in de zin van artikel 9 van het Verdrag. De Wet van 14 april 1978 is bijgevolg gebaseerd op de bepalingen van het Zeerechtverdrag. Het wordt evenwel mogelijk geacht de definitie van de normale basislijn en de sluitlijnen in rivieren in de wetgeving van Suriname te actualiseren. Hierbij zijn de volgende overwegingen in aanmerking genomen: 1. 2. Gezien het belang van de basislijn voor de definitie van de omvang van Surinames maritieme zones wordt het wenselijk geacht de nadere definitie van de bas islijn een wettelijke basis te geven. Dit betreft zowel de definitie van de normale basislijn als de definitie van de s luitlijn in rivieren; De Memorie van Toelichting bij de Wet van 14 april 1978 verwijst naar kaart No. 2017 zoals heruitgegeven in 1971 . Thans zijn er ook recentere kaarten op een grotere schaal. Het wordt wenselijk geacht te specificeren dat deze kaarten ook relevant zijn voor de bepaling van de normale bas islijn van Suriname; 2017 - 21- 41 De wet ziet ook op de uitvoering van een aantal verplichtingen die Suriname onder het Zeerechtverdrag heeft ten aanzien van zijn maritieme zones. In de eerste plaats betreft dit het voldoende kenbaarheid geven aan de grenzen van de maritieme zones van Suriname. Hiermee is tevens een Surinaams belang gediend. Andere Staten, en schepen en personen die zich in de maritieme zones van Suriname bevinden, zullen zich niet kunnen beroepen op het feit dat niet voldoende bekendheid is gegeven aan de omvang van de maritieme zones van Suriname. Ook voorziet de wet in de mogelijkheid van regelgeving ter implementatie van de verplichtingen die Suriname als kuststaat heeft onder artikel 82 van het Zeerechtverdrag ten aanzien van het continentaal plateau voorbij 200 zeemijl. A11ikel 82 verplicht kuststaten tot het doen van betalingen of het leveren van bijdragen in natura aan de internationale gemeenschap met betrekking tot de winning van niet-levende rijkdommen van het continentaal plateau voorbij 200 zeemijl. Op het moment zijn nog geen opsporingsactiviteiten op dit deel van het continentaal plateau van Suriname voorzien. Het wordt echter wenselijk geacht thans a l een juridische basis te creëren voor de uitvoering van de mogelijke toekomstige verplichtingen van Suriname onder artikel 82 van het Zeerechtverdrag. Door het tijdig opstellen van dergelijke regels zal duidelijkheid bestaan over de verdeling van de eventuele kosten voortkomend uit de uitvoering van artikel 82 van het Zeerechtverdrag tussen de Surinaamse overheid en de bij de winning betrokken maatschappijen voordat de exploratie en winning een aanvang nemen . ARTIKELSGEWIJS Hoofdstuk 2 - Territoriale Zee Artikel 2 Artikel 2 van de wet definieert de juridische status van de territoriale zee en van het luchtruim boven de territoriale zee en de ondergrond van deze zee. Artikel 2 sluit aan bij artikel 1 van het Zeerechtverdrag en komt in essentie overeen met artikel l van de Wet van 14 april 1978. De soevereiniteit van Suriname strekt zich uit over de territoriale zee en het luchtruim daarboven en de ondergrond van de territoriale zee. De belangrijkste beperking op het uitoefenen van deze soeverein iteit vormt het recht op onschuldige doorvaart van schepen van alle Staten. 2017 - 22 - 41 Paragraaf 4 van artikel 2 bevestigt het bestaan van dit recht, dat dient te worden uitgeoefend conform de bepalingen van het Zeerechtverdrag (artikelen 17 tot en met 32). Het Zeerechtverdrag geeft hierbij tevens aan welke mogelijkheden de kuststaat heeft om maatregelen te nemen tegen doorvaart die niet onschuldig is. Artikel 3 Artikel 3 van de wet bepaalt dat de territoriale zee een breedte heeft van 12 zeem ij 1. Eén zeemijl staat gelijk aan l 852 meter. De breedte van 12 zeemijl komt overeen met de maximumbreedte die mogelijk is conform artikel 3 van het Zeerechtverdrag. De territoriale zee van Suriname heeft deze breedte sinds de inwerkingtreding van de Wet van 14 april 1978. Voordien was de breedte van de territoriale zee van Suriname 3 zeemijl. Hoofdstuk 3 - Basislijnen Hoofdstuk 3 van de wet heeft betrekking op de basislijn van de territoriale zee. De basislijn is een lijn langs de kust die van belang is voor het vaststellen van de omvang van alle maritieme zones van een Staat. Tevens vormt de basislijn de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van een Staat. In de territoriale zee van een Staat genieten schepen van alle andere Staten het recht van onschuldige doorvaart. Dit recht bestaat niet in de binnenwateren. Het uitgangspunt voor het vaststellen van de basislijn is de zogenaamde normale basislijn (laagwaterlijn). Artikel 5 van het Zeerechtverdrag bepaalt in deze dat: Behalve wanneer in dit Verdrag anders is bepaald, is de normale basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten de laagwaterlijn langs de kust, zoals die is aangegeven op officieel door de kuststaat erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten. Het Zeerechtverdrag kent een aantal bepalingen die het mogelijk maken voor Staten om in plaats van de aldus gedefinieerde normale basislijn, rechte basislijnen te hanteren. Voor Suriname is het vaststellen van rechte basislijnen van belang door het verloop van de laagwaterlijn in de mondingen van de vier grote rivieren. Waar de laagwaterlijn langs de kust van Suriname in het algemeen naar het noorden gericht is, buigt de laagwaterlijn in de monding van de grote rivieren af naar het zuiden. 2017 - 23 - 41 Dit zou betekenen dat een groot gedeelte van deze rivieren deel uit zouden maken van de territoriale zee. Omdat het algemeen erkend wordt dat een dergelijke situatie onwenselijk is, staat het internationale recht in dergelijke gevallen de kuststaat toe om een rechte lijn te trekken tussen de oevers van een rivier. Voor zover deze rechte lijn zeewaarts van de laagwater lijn ligt, dus in zee ligt, vormt deze rechte lijn mede de basislijn. Bij het vaststellen van rechte basislijnen in de vier grote rivieren van Suriname is artikel 10 van het Zeerechtverdrag over baaien relevant en niet artikel 9, dat verwijst naar rivieren. Zoals uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 9 blijkt, is deze bepaling van toepassing op rivieren die rechtstreeks in zee stromen, zonder een estuarium te vormen. In het geval van estuaria kan artikel 1 0 van het Zeerechtverdrag naar analogie toegepast worden. Alle grote rivieren in Suriname vormen een estuarium en bijgevolg kan voor het trekken van si uitlijnen in deze rivieren artikel 10 van het Zeerechtverdrag in aanmerking worden genomen. Artikel 10 van het Zeerechtverdrag bepaalt onder andere dat de maximale lengte van dergelijke sluitlijnen 24 zeemijl kan bedragen. Deze bepaling heeft geen praktische betekenis voor Suriname, aangezien mogelijke sluitlijnen minder dan deze afstand meten. Naast artikel 5 en artikel l O van het Zeerechtverdrag kan nog worden gewezen op artikel 13 van het Zeerechtverdrag dat ziet op droogvallingen. Een droogvalling is in artikel 13 lid 1 gedefinieerd als "een op natuurlijke wijze ontstaan landoppervlakte dat bij laagtij door water is omgeven en boven water uitsteekt, doch bij hoogtij onder water komt". Indien een droogvalling geheel of gedeeltelijk op een afstand tot het vasteland of een eiland ligt, die niet groter is dan de breedte van de territoriale zee, dan kan de laagwaterlijn van die droogvalling gebruikt worden als basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee (Zeerechtverdrag artikel 13 lid 1 ). Volgens de relevante zeekaarten is in de monding van de Marowijne een droogvalling gelegen die deel uit kan maken van de basislijn van Suriname. Het meest noordelijke deel van deze droogvalling, die zeewaarts van de voorgestelde sluitlijn in de Marowijne is gelegen, is relevant voor het vaststellen van de buitengrens van de territoriale zee van Suriname. Gezien de dynamiek van de kust van Suriname valt niet uit te sluiten dat in de toekomst ook andere droogvallingen zullen ontstaan die relevant zijn voor het bepalen van de basislijn van Suriname.