Law containing rules regarding the welfare of animals and further amendment of the Penal Code (Animal Welfare Law)(No. 4 of 2017)
颁布于 2017-01-16 · 文本截至 2026-10-01
以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。
研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。
关于这部法律
- 原标题
- Wet houdende regels met betrekking tot het welzijn van dieren en nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (Wet Dierenwelzijn)
- 语言
- English
- 类型
- 法令
- 组织
- Amazon Cooperation Treaty Organization
- 国家
- 苏里南
- 主题
- Livestock, Wild species and ecosystems
- 关键词
- basic legislation, animal welfare, animal health, transport/storage, slaughtering, enforcement/compliance, offences/penalties, management/conservation, hunting/capture, ranching/captive breeding, dangerous animal/harmful animal
在哪里阅读
文本
所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。
2017 STAATSBLAD VANDE REPUBLIEK SURINAME No. 4 WET van 16 januari 2017, houdende regels met betrekking tot het welzijn van dieren en nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (Wet Dierenwelzijn). DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, In overweging genomen hebbende, dat het nodig is regels vast te stellen ter bevordering van het welzijn van dieren; Heeft, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, de Staatsraad gehoord, bekrachtigd de onderstaande wet: DEFINITIES Artikel 1 ln deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Minister: b. wilde diersoorten: c. gevaarlijke dieren: d. productiedieren: de Minister belast met de zorg voor Landbouw, Veeteelt en Visserij ; alle van nature in het wild levende diersoorten; dieren die vanwege hun aard een gevaar vormen voor de mens, of die ingevolge artikel 19 als zodanig door de Minister worden aangewezen; dieren voor productiedoeleinden, waaronder landbouwhuisdieren zoals vee en pluimvee; 2017 -2- No.4 e. huis- of gezelschapsdieren: elk dier dat door de mens wordt gevoed en gehouden bestemd als liefhebberij of gezelschap, niet wordt gegeten en niet voor productiedoeleinden wordt gehouden; f. houder: de eigenaar of hoeder van een dier; g. dierentuin: een pennanente inrichting waarin levende dieren van niet minder dan 10 (tien) wilde diersoorten worden gehouden, om te worden tentoongesteld aan het publiek h. diergroep: dieren levend in een groep, die gelet op hun omvang en kenmerken afzonderlijk niet te individualiseren zijn; i. dierenverblijf : ruimte waar primair dieren worden gehouden; h. dierenasielverblijf: een perceelgebonden ruimte of ruimtes die bestemd of gebruikt wordt voor het tijdelijk in bewaring nemen van dieren voor verzorging en verpleging; j . slachten: het doden van dieren voor menselijke of dierlijke voeding of eerste levensbehoefte van de mens of andere dieren; k. besmettelijke dierziekte: elke aantasting van de gezondheid van een dier die gevaar kan opleveren voor de gezondheid van andere dieren of van de mens. HOUDEN VAN DIEREN Artikel 2 1. Het is verboden gevaarlijke dieren te houden, tenzij bij of krachtens staatsbesluit ten aanzien van bepaalde soorten van deze categorie dan wel vanwege andere specifieke omstandigheden, zulks is toegestaan. 2017 -3- No. 4 2. Het houden van dieren geschiedt op zodanige wijze, dat het dier moet kunnen beschikken over: a. voldoende en geschikte voeding; b. gepaste opvang en verblijfplaats, die geschikt zijn voor de gedragspatronen van het dier en die toereikend zijn voor de bescherming van het dier tegen weersomstandigheden; c. indien nodig, diergeneeskundige zorg; d. diervriendelijke verzorging en behandeling. Artikel 3 1 . Onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 2 worden bij of krachtens staatsbesluit nadere regels vastgesteld, omtrent de wijze waarop dieren mogen worden gehouden: a. in geval het betreft de in artikel 2 lid I bedoelde gevaarlijke dieren, in het staatsbesluit als in dat artikel bedoeld; b. in geval het betreft huis- of gezelschapsdieren, onder meer met betrekking tot: (1 ). het vastleggen of aangebonden houden; (2). de ruimte waarover de dieren moeten beschikken; (3). de afmetingen en uitvoeringen van kooien, hokken en stallen, alsmede hun vormgeving; ( 4 ). de inrichting van kooien, hokken en stallen, in het bijzonder de daarin aan te brengen voeder- en drinkwatervoorzieningen alsook voorzieningen die het voor de dieren mogelijk maken om soort eigengedrag te ontplooien; (5). de verlichting, luchtverversing en koeling van kooien, hokken en stallen; (6). de aanwezigheid en de aard van de afrasteringen; (7). de wijze van verzorging, drenking, behandeling, vaccinatie en africhting van dieren. 2. Voor zover het betreft dieren voor productiedoeleinden, waaronder landbouwhuisdieren worden deze onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 2, gehouden overeenkomstig de ter zake vastgestelde wettelijke voorschriften. 2017 -4- No.4 3. Het is verboden een dier te houden in strijd met het bepaalde krachtens de leden 1 en 2. Artikel 4 l . Het is de houders van dieren verboden, deze in hulpeloze toestand of onbeheerd achter te laten. 2. Degene door wiens handeling of nalaten een dier in een toestand is komen te verkeren waarbij medische zorg of andere vormen van zorg noodzakelijk is geworden, is verplicht aan dat dier de nodige zorg te verlenen ofte doen verlenen. DIERENMISHANDELING Artikel 5 1 . Het is verboden om een dier te mishandelen door aan het dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing op medisch verantwoorde handelingen in het belang van het dier en andere bij wettelijk voorschrift bepaalde uitzonderingen in verband met onderzoek. 2. Tot de in lid 1 verboden gedragingen wordt in ieder geval gerekend een dier arbeid te doen verrichten,welke kennelijk zijn krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is. 3. Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2 is het verboden een dier te slaan, te verminken, zwaar te belasten, opzettelijk of uit onachtzaamheid slecht te behandelen, te kwellen, te verwaarlozen of op enig ander wrede wijze te behandelen, alsmede andere bij staatsbesluit aangewezen gedragingen die worden gerekend tot een verboden gedraging als bedoeld in lid 1. 2017 -5- No.4 DODEN VAN DIEREN Artikel 6 1. Het is, anders dan ten behoeve van de jacht of de slacht, overeenkomstig de daaraan verbonden wettelijke voorschriften, verboden dieren te doden. Het doden dient te geschieden op een wijze, welke de snelle dood van het dier tot gevolg heeft, zodat lijden wordt geminimaliseerd. 2. Het verbod in lid I is niet van toepassing, indien het doden noodzakelijk is: a. vanwege onmiddellijk gevaar voor mens of dier; b. in het belang van het dier, zoals in geval van ondraaglijk lijden van het dier; c. nadat door de dierenarts of ter zake deskundige de noodzaak daartoe is vastgesteld, onder andere ter beëindiging van onnodig lijden van het dier; d. ter bestrijding van besmettelijke dierziekten en plagen in de samenleving; e. dieren die in strijd met het bepaalde in artikel 8 leden 2 en 3 zijn gefokt of voorhanden worden gehouden; f. op grond van enig ander wettelijk voorschrift dan wel regeling. 3. Met betrekking tot het bepaalde in lid 2 worden bij of krachtens staatsbesluit nadere regels vastgesteld. De regels, bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de wijze waarop dieren worden gedood; b. de personen die bevoegd zijn tot het doden van de dieren; c. de plaats waar de dieren worden gedood, waaronder de inrichting en de aanwezige voorzieningen; d. de wijze van behandeling van de gedode dieren. 2017 - 6 - No. 4 SCHEIDEN VAN EEN DIER MET MOEDERDIER Artikel 7 1. Het is verboden van bij staatsbesluit aangewezen soorten of categorieën van dieren van het moederdier te scheiden of de van het moederdier gescheiden dieren ten verkoop aan te bieden, af te geven of naar een andere locatie te verhuizen of te verplaatsen, voordat die dieren een bij dat staatsbesluit vastgestelde leeftijd hebben bereikt. 2. Onder de in lid l bedoelde dieren worden in elk geval gerekend zoogdieren en bepaalde categorieën van andere dieren, waarvan het jonge dier voor zijn voeding en/of de ontwikkeling van dier eigen gedrag afhankelijk is van het moederdier. 3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing, indien het scheiden van een dier met het moederdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het moederdier, waarvan vaststelling geschiedt door een dierenarts of een daartoe ter zake bevoegde deskundige. FOKKEN VAN DIEREN Artikel 8 1. Bij of krachtens staatsbesluit worden regels vastgesteld omtrent het fok.ken van dieren van bij dat staatsbesluit aangewezen soorten of categorieën van dieren; deze regels kunnen onder meer betrekkinghebbend op: a. de methode van fokken, waaronder een verbod tot het gebruik van bepaalde methode; b. het registreren, identificeren en certificeren van dieren; c. het voorafgaand aan het fokken door de fokker te verrichten of te doen verrichten onderzoek bij een dier waarmee wordt gefokt naar de aanwezigheid van aandoeningen die de gezondheid of het welzijn van het dier of de nakomelingen van het dier kunnen aantasten, alsmede de methoden die daarbij worden gebruikt. 2017 -7- No.4 2. Het is verboden een dier dat behoort tot een door de Minister aangewezen soort of categorie of dat beschikt over een of meer door de Minister aangewezen aandoeningen of uiterlijke kenmerken die de gezondheid of het welzijn van het dier of de nakomelingen van het dier kunnen aantasten te fokken of voor de fok te gebruiken. 3. Het is verboden een dier dat beschikt over een of meer door de Minister aangewezen aandoeningen of uiterlijke kenmerken waardoor krachtens lid 2 een fokverbod is ingesteld, in voorraad te hebben, ten verkoop aan te bieden, te verkopen, te kopen, toe te laten tot een tentoonstelling of wedstrijd, dan wel om met een dergelijk dier deel te nemen aan een tentoonstelling of wedstrijd. 4. Het is verboden dieren, behorende tot de ingevolge artikel l 8 door de Minister aangewezen soorten of categorieën van dieren die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of dier, te fokken of voor het fokken te gebruiken. 5. Het bepaalde in artikel 20 vindt overeenkomstige toepassing indien in strijd wordt gehandeld met de leden 2, 3 en 4. LICHAMELIJKE INGREPEN BIJ DIEREN Artikel 9 1. Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt (worden) beschadigd of onnodig worden verwijderd. 2. Het bepaalde in lid I is niet van toepassing op: a. ingrepen betreffende het onvruchtbaar maken van een dier door een dierenarts of een ter zake door de Minister aangewezen deskundige; b. ingrepen waarvoor bij een dier een diergeneeskundige noodzaak bestaat; c. bij staatsbesluit aangewezen ingrepen verricht door een in dat staatsbesluit aangewezen bevoegde persoon; 2017 - 8- No.4 d. overige krachtens enig wettelijk voorschrift verplichte, dan wel toegestane ingrepen. 3. Het in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen en kopen van dieren, waarbij een in lid 1 verboden ingreep is verricht, is verboden. Artikel 10 1. Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen of wedstrijden met dieren, waarbij een bij artikel 9 verboden ingreep is verricht. 2. Het is verboden dieren, waarbij een bij artikel 9 verboden ingreep is verricht tot een tentoonstelling of wedstrijd toe te laten. HANDEL IN DIEREN Artikel 11 1 . Het is verboden om dieren bedrijfsmatig zonder inachtneming van bij of krachtens staatsbesluit vastgestelde regels, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen, te verhuren of deze ten behoeve daarvan voor handen te hebben. 2. De in lid 1 bij of krachtens staatsbesluit vast te stellen regels hebben onder meer betrekking op: a. de afkomst en de gezondheidstoestand van de dieren; b. de bij te houden en over te leggen gegevens van de dieren; c. de ruimten waarin de dieren worden gehouden; d. de hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten en ziekteverschijnselen en het weren van ziekteverwekkers; e. de vakbekwaamheid van degene die de dieren verzorgt, in de handel brengt, verkoopt, voor de verkoop in voorraad heeft, voor de verkoop aanbiedt, koopt, verhuurt of aflevert. 2017 -9- No.4 3. Degene die bedrijfsmatig handelt in dieren is verplicht daarvan registratie te doen overeenkomstig bij staatsbes luit vast te stellen regels. VERBOD OP GEBRUIK VAN DIEREN ALS PRIJS Artikel 12 Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing voor zover de daarin bedoelde handelingen onderdeel zijn van bestaande tradities of culturele gewoontes. VERVOEREN VAN DIEREN Artikel 13 1. Bij staatsbesluit worden regels vastgesteld betreffende de beschenning van landbouwhuisdieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten. 2. De in lid 1 bedoelde regels hebben onder meer betrekking op: a. het aanwijzen vaneen instantieressorterende onder het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij en personen belast met het uitvoeren van controles en inspecties die relevant zijn voor de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daannee samenhangende activiteiten; b. de vereiste kennis van degene belast met het vervoer van dieren of die bij het vervoer betrokken is; c. de vervoermiddelen die ten behoeve van het vervoeren van dieren worden gebruikt, alsmede hunuitrusting en inrichting; d. de voorwerpen die ten behoeve van het vervoer van dieren worden gebruikt of daartoe kennelijk bestemd zijn; e. de beladingdichtheid van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel c; f. het in- en uitladen van dieren; g. de duur en de afstand van vervoer. 2017 -10- No. 4 3. Het verboden dieren te vervoeren op pijnlijke of kwellende wijze of zonder hun het nodige levensonderhoud te verschaffen of te doen verschaffen of in strijd met het ter zake krachtens de leden 1 en 2 bepaalde. VERBOD OP DIERENGEVECHTEN Artikel 14 1. Het is verboden om dierengevechten te organiseren of dieren aan dierengevechten te doen deelnemen. 2. Het is verboden bij dierengevechten aanwezig te zijn. HET GEBRUIK VAN DIEREN BIJ WEDSTRIJDEN Artikel 15 1. Het is verboden wedstrijden, waarbij de snelheid of de kracht van dieren wordt beproefd te organiseren of dieren daaraan te doen deelnemen, in strijd met het bij of krachtens staatsbesluit ter zake vastgestelde regels. 2. De krachtens lid 1 vastgestelde regels hebben onder meer betrekking op: a. de leeftijd en gezondheidstoestand van de dieren die mogen deelnemen; b. de frequentie waarin dieren mogen deelnemen; c. de aanwezigheid van een dierenarts bij wedstrijden; d. de baan- en hindemisbouw; e. de soorten of categorieën van dieren die mogen worden gebruikt voor wedstrijden. Artikel 16 1. De Minister kan, gehoord de door hem ter zake ingestelde commissie van vak deskundigen, substanties aanwijzen die het kunstmatig beïnvloeden van het prestatievermogen van dieren in wedstrijden tot gevolg kunnen hebben. 2017 - 11 - No.4 2. Het is verboden een dier ingeschreven te hebben voor een wedstrijd of met een dier deel te nemen aan een wedstrijd, indien bij een onderzoek blijkt dat in het lichaam van dat dier een hoeveelheid van een of meer van de krachtens lid I aangewezen substanties, bestanddelen daarvan of omzettingsproducten aanwezig is, of indien die hoeveelheid groter is dan een door de Minister vastgestelde hoogst toelaatbare. Deze hoeveelheid kan op nul worden gesteld. Artikel 17 1n het belang van een doelmatige handhaving van de artikelen 15 en 16 kan de Minister regels vaststellen met betrekking tot de organisatie van wedstrijden en de inrichting van wedstrijdterreinen. VERBOD OP DEHANDEL INGEV AARLIJKE DIEREN Artikel 18 1. Het is onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 2 lid 1 en artikel 3 lid 1 onder a verboden, dieren behorende tot de door de Minister aangewezen soorten of categorieën gevaarlijke dieren in te voeren, voor handen te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen ofte kopen. 2. Ingevolge het bepaalde in lid 1 worden slechts soorten of categorieën van dieren aangewezen, die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of dier. Artikel 19 Onverminderd het bepaalde in artikel 18 is het de houder van een dier dat niet valt onder het door de Minister aangewezen soort of categorie, maar die in bepaalde omstandigheden een gevaar kan zijn voor mens of dier, verplicht te zorgen voor voldoende maatregelen ter voorkoming dat door dat dier benadeling of beschadiging van de gezondheid of goederen van een ander plaatsvindt. 2017 -U- No.4 Artikel 20 1. De vervolgingsambtenaar kan bepalen dat een dier dat in strijd met het bepaalde in artikel 2 lid 1 ten aanzien van gevaarlijke dieren of artikell 8 voorhanden wordt gehouden of in strijd met het bepaalde in artikel 8 is gefokt, naar een nader door hem aangewezen plaats moet worden vervoerd en aldaar moet worden gedood of in een geschikte omgeving moet worden opgevangen. 2. De vervolgingsambtenaar legt een maatregel als bedoeld in lid l , voor zover het betreft het doden van het dier, niet ten uitvoer indien binnen zes weken, nadat het desbetreffende maatregel aan de houder van het dier is bekendgemaakt, de houder een verzoek heeft ingediend om uitstel van de uitvoering van de maatregel en op dat verzoek niet afwijzend is beslist. DIERENTUINEN Artikel 21 1. Bij of krachtens staatsbesluit worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de exploitatie van een dierentuin onder meer betreffende het houden, huisvesten, verzorgen en vertonen van de dieren. 2. De regels, bedoeld in lid 1, kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de aanmelding bij de overheid en de daaraan verbonden administratieve aangelegenheden; b. de wijze waarop de dieren worden gehouden, verzorgd en tentoongesteld aan het publiek, alsmede de eisen waaraan de huisvesting van de dieren moet voldoen; c. de eisen waaraan de beheerder van de dierentuin en degenen die verantwoordelijk zijn voor de zorg van de dieren moeten voldoen; 2017 -13 - No.4 d. het voorkomen van de verspreiding van dierziekten. zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers, alsmede de daaraan verbonden voorzieningen onder meer een quarantaine - en isolatie ruimte; e. de bevordering van de instandhouding van de in de dierentuin gehouden diersoorten; g. informatie en educatie verzorging met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten. 3. Het is verboden een dierentuin te exploiteren in strijdt met her bepaalde krachtens lid 2. Artikel 22 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 23 wordt met de exploitatie van de dierentuin niet aangevangen alvorens door de Veterinaire Dienst van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij goedkeuring is verleend. 2. Tegen een besluit van de Veterinaire Dienst is het bepaalde in artikel 23 lid 2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 23 1. Door de in artikel 26bedoelde personen kan vanwege bijzondere voor de dieren ernstige of gevaarlijke omstandigheden, in verband met het bepaalde in artikel 21 lid 2 onder d en onder opgaaf van redenen, tot onmiddellijke sluiting van de dierentuin worden overgegaan. 2. Tegen een besluit genomen door de personen als bedoeld in lid 1, kan door de betrokkene binnen 30 (dertig) dagen beroepbij de Minister worden ingesteld. Op het beroep wordt door de Minister binnen 30 (dertig) dagen beslist. 2017 - 14- No.4 DIERENASIEL- EN ANDERE DIERENVERBLIJVEN Artikel 24 1. Dierenasielverblijven, waarvan de dieren gedurende een bepaalde periode onder meer voor verzorging en verpleging worden opgevangen en voldoen aan het bepaalde in dit artikel. 2. Onvenninderd het bepaalde in lid 3 beschikken de dierenasielverblijven over voldoende en geschikte ruimtes voor opvang van de dieren, een quarantaine ruimte ten behoeve van dieren waarvan de gezondheidsstatus bij het binnenkomen onbekend is, isolatieruimte voor dieren met besmettelijke ziekte en ruimte voor zieke dieren die niet besmettelijk zijn. 3. Bij of krachtens staatsbesluit worden met betrekking tot bepaalde in de leden 1 en 2 nadere regels vastgesteld onder meer met betrekking tot: a. de aanmelding bij de overheid en de daaraan verbonden administratieve aangelegenheden; b. de eisen waaraan de huisvesting en verzorging van de dieren moeten voldoen; c. de eisen waaraan de beheerder of degene die verantwoordelijk is voor de zorg van de dieren moet voldoen. 4. Het is verboden een dierenasielverblijf te exploiteren in strijd met het bepaalde bij of krachtens de leden 2 en 3. Het bepaalde in de artikelen 22 en23 lid 1 en lid 2 is van overeenkomstige toepassing. 5. Op de exploitatie van een dierenasiel- en andere dierenverblijven is het bepaalde in artikel 23 lid 2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 24a 1. Het bepaalde in artikel 24is eveneens van toepassing op andere dierenverblijven. 2017 -15- No.4 2. Onverminderd het bepaalde in deze wet met betrekking tot de eisen voor het houden van dieren, geschiedt de behandeling van dieren voor wetenschappelijk onderzoek op zodanige wijze dat de dieren die daarbij betrokken zijn niet mogen lijden. STRAFBEP ALlNGEN EN OPSPORING Artikel 25 1. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 6 en 14 lid I wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van de vierde categorie, hetzij met een van beide straffen. 2. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 5, 9 leden I en 3, 18, het niet voldoen aan de verplichting ingevolge de artikelen 28 lid 2 en 30 lid l wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden en geldboete van de derde categorie, hetzij met een van beide straffen. 3. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2, 7, 8 leden 2, 3 en 4, 10 leden 1 en 2, 11 leden I en 3, 12, 13, 14 lid 2, l 6, 17, 22 lid 1, 24 lid 4, 24a of van de overige bij of krachtens deze wet gestelde verboden en voorschriften, wordt gestraft met hechtenis van een maand en geldboete van de tweede categorie, hetzij met een van beide straffen. 4. De in de leden l en 2 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven en de in lid 3 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel 26 Met de opsporing van de feiten strafbaar gesteld in of krachtens deze wet zijn behalve de bij of krachtens artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, tevens belast bijzondere opsporingsambtenaren door de Minister aangewezen. Met de opsporing worden niet belast de ambtenaren als bedoeld in artikel 27 lid 1. 2017 - 16 TOEZICHT Artikel 27 No.4 1. Op voordracht van de Onderdirecteur Veeteelt worden door de Minister personen in dienst van het Onderdirectoraat Veeteelt van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij aangewezen speciaal belast met het uitoefenen van toezicht en controle op de naleving van de bepalingen bij of krachtens deze wet. 2. Bij beschikking van de Minister worden de vereisten vastgesteld aan welke de in lid 1 van dit artikelbedoelde personen dienen te voldoen. Artikel 28 1. De in artikel 27 bedoelde personen zijn bevoegd inlichtingen te vragen die zij voor de vervulling van hun taak nodig achten. 2. Een ieder is verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken. · 3. Degenen die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Artikel 29 1. De in artikel 27 bedoelde personen hebben, op vertoon van hun identificatiebewijs: a. toegang tot elke plaats, niet zijnde een woning, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak, waarbij zij zich zonodig toegang verschaffen met behulp van de sterke arm, b. toegang tot woningen waarin, naar zij redelijkerwijs kunnen veronderstellen, handelingen worden verricht waarop het bepaalde bij of krachtens deze wet van toepassing is. 2017 -17 - No.4 2. Een woning treden zij echter tegen de wil van de bewoner niet binnen zonder vergezeld te zijn van een hulpofficier van Justitie of voorzien te zijn van een schriftelijke last van een vervolgingsambtenaar. Artikel 30 1. Een ieder is verplicht aan de in artikel 27 bedoelde personen de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is bij de uitoefening van hun bevoegdheden en taken. 2. Bij het verlenen van medewerking is een ieder gehouden de aanwijzingen van bedoelde personen te volgen en hun benodigde bijstand en hulpmiddelen kosteloos ter plaatse beschikbaar te stellen. WIJZIGING WETBOEK VAN STRAFRECHT Artikel 31 In het Wetboek van Strafrecht vervallen de artikelen 413b en 537. OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 32 1. Voor zover bij de inwerkingtreding van deze wet dieren worden gehouden die behoren tot in artikel 2 lid 1 verboden soort of categorie, hebben de houders van deze dieren de gelegenheid om binnen zes maanden van de gehouden dieren registratie te doen overeenkomstig door de Minister vast te stellen voorschriften. Gedurende deze termijn is het in artikel 2 lid 1 bedoelde verbod niet van toepassing. 2. Indien houders van dieren bij de inwerkingtreding van artikel 2 lid 2 of van het krachtens artikel 3 vastgestelde staatsbesluit, niet of niet geheel heeftvoldaan aan de daarin gestelde eisen, hebben die houders gedurende de in lid 1 genoemde termijn de gelegenheid zich daaraan de conformeren. Gedurende die termijn is het verbod in artikel 3 lid 3 niet van toepassing. 2017 - 18 - No. 4 Artikel 33 1. Deze wet wordt aangehaald als: Wet Dierenwelzijn. 2. Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd. 3. Zij treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van haar afkondiging. 4. De Ministers van Landbouw, Veeteelt en Visserij en van Justitie en Politie zijn belast met de uitvoering van deze wet. Gegeven te Paramaribo, de 16e januari 2017 DESIRÉ D. BOUTERSE Uitgegeven te Paramaribo, de 24stc januari 2017 De Minister van Binnenlandse Zaken, M.M.F. NOERSALIM. 2017 - 19- No.4 WET van 16 januari 2017, houdende regels met betrekking tot het welzijn van dieren en nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (Wet Dierenwelzijn). MEMORIE VAN TOELICHTING A.ALGEMEEN Dieren hebben een mate van bewustzijn en gevoel, net als mensen en maken feitelijk onderdeel uit van onze samenleving. Daarom is het belangrijk dat dieren op een respectvolle manier worden bejegend door mensen. Het besef dat ook aan dieren rechten toekomen en dat mensen de morele verplichting hebben ze te beschermen tegen menselijk handelen dat hun fysieke en ethologische welzijn aantast, is overigens algemeen aanvaard in een geciviliseerde samenleving. Helaas blijkt dat dieren nog steeds niet op een juiste manier worden behandeld door mensen of in het ergste geval juist worden verwaarloosd en of mishandeld. Deze wet beoogt om de relatie mens en dier te verbeteren. Welzijn wordt omschreven als een toestand van fysieke en psychische harmonie van het dier met zichzelf en met de omgeving. Gezondheid en alleszins normaal gedrag zijn in de regel aanwijzingen voor welzijn. Beide veronderstellen een soort specifiek verloop van levensverrichtingen, waarin ook het gedrag tot zijn recht komt. Hiermee wordt ook erkenning gegeven aan de intrinsieke waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Als ruggengraat in deze wet worden de vijf vrijheden van dieren gebruikt, zoals wereldwijd erkent in de rationalisering van dierwelzijn. Dieren zijn vrij: 1. van dorst, honger en onjuiste voeding; 2. van fysiek en fysiologisch ongerief; 3. van pijn, verwondingen en ziektes; 4. van angst en chronische stress; 5. om hun natuurlijke (soorteigen) gedrag te vertonen. In het Wetboek van Strafrecht zijn er drie bepalingen ter bescherming van dieren opgenomen. In artikel 413a van het Wetboek van Strafrecht is als misdrijf strafbaar gesteld het opzettelijk doden of beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van een dier dat toebehoort aan een ander. 2017 -20- No.4 Eveneens is in artikel 413b als misdrijf strafbaar gesteld het opzettelijk toebrengen van pijn of letsel aan een dier, benadeling van de gezondheid en onthouden van het nodige levensonderhoud. Hiernaast is in artikel 537 van het Wetboek van Strafrecht als overtreding strafbaar gesteld het doen verrichten van arbeid door een dier op pijnlijke of kwellende wijze en het dieronvriendelijk vervoeren van dieren. Gelet op het feit dat bovenstaande artikelen slechts voor een deel toezien op dierenleed, terwijl het gebied van dierenrechten veel ruimer is, is het noodzakelijk dat er nieuwe wetgeving wordt ontwikkeld, waarin de rechten van dieren beter verankerd zijn. Een ander aspect welke bijdraagt aan de noodzaak om nieuwe en verbeterde regelgeving is dat de mens een morele verplichting heeft om dieren zoveel mogelijk te beschermen tegen menselijk handelen. Dieren kunnen zich eenmaal niet beschermen tegen de mens en hebben als zodanig geen stem om op te komen voor hun rechten. Voor wat het laatste betreft wordt, voornamelijk vanuit de hoek van de dierenliefhebbers, al geruime tijd dringend aandacht verzocht voor de precaire situatie van dierenleed in Suriname. Ook in Suriname maken dieren een onlosmakelijk deel uit van het dagelijks leven. Meestal is het zo dat pas wanneer dieren negatief in het nieuws komen de mens in actie komt. Als voorbeeld kunnen genoemd worden: het zwerfhonden probleem, illegale jacht op (beschermde) dieren, ongeval met agressieve of gevaarlijke dieren en illegale papegaaienverkoop langs de openbare weg. In dergelijke gevallen is de verontwaardiging bij de gemeenschap groot, maar intussen is het kwaad al geschied en is aan de dieren heel veel leed toegebracht, hetgeen veelal resulteert in de dood van het dier. Om werkelijk verbetering te brengen in de huidige situatie is niet alleen nieuwe wetgeving vereist, maar zal ruime aandacht besteed moeten worden aan de handhaving van de rechtsregels. Kortom, er zal een drastische wijziging moeten komen in het huidige paradigma over de wijze waarop wij in Suriname met dieren omgaan. Deze wet heeft het karakter van een kaderwet, omdat vele van de onderwerpen die aan de orde zijn in deze wet nog nader bij of krachtens staatsbesluit uitgewerkt moeten worden. Dit geeft de mogelijk van gefaseerde aanpak van de in deze wet geregelde onderwerpen alsmede met betrekking tot de uitvoering ervan. 2017 -21- No.4 B. ARTIKELGEWIJS Artikel 1 (Definities) Dieren kunnen afhankelijk van het gebruik over het algemeen onderscheiden worden in gezelschapsdieren, landbouwhuisdieren en dieren in de vrije natuur. Huisdieren of gezelschapsdieren wordt gedefinieerd als dier niet zijnde vee of pluimvee, dat zonder productie doeleinden wordt gehouden. Een gezelschapsdier of huisdier is dus een gedomesticeerd dier dat in of om het huis woont en leeft en door de mens wordt gevoed en verzorgd voor gezelschap, zoals honden en katten. Dit onderscheid zich van de landbouwhuisdieren die gedomesticeerd zijn om hun nut en de productie van goederen en diensten. Hiertoe behoren koeien, schapen, geiten, varkens, eenden, kippen, paarden etc. Met "soorten dieren" wordt bedoeld diersoorten, terwij 1 met "categorieën van dieren" bedoeld wordt types van een bepaalde diersoort. Als diersoort kunnen bijvoorbeeld genoemd worden grote katachtige of wolven, terwijl als categorie van dieren als voorbeeld genoemd kunnen worden een bepaalde ras van honden. De houder van een dier kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon zijn. Artikel 2 (verbod tot het houden van bepaalde soorten of categorieën van dieren) Dieren worden vanouds gehouden. Het betreft in deze veelal dieren die traditioneel als huis- of gezelschapsdieren worden gehouden, zoals honden, katten en bepaalde categorieën vogelsoorten en knaagdieren. Echter worden honden gerekend tot een van de meest kwetsbare categorieën van dieren, gezien het houden van deze dieren haast bij elk huishouden hoort. Het wetsvoorstel beoogt vanuit dat perspectief de noodzakelijke regels te stellen. De voorgestelde bepalingen omtrent het houden en gebruiken vormen dus een cruciaal onderdeel. Met deze bepalingen worden de voorwaarden en beperkingen gegeven waaronder dieren kunnen worden gehouden en voor welke doeleinden dieren kunnen worden gebruikt. 2017 -22- No.4 Bepalingen omtrent het houden beogen de bescherming van de diergezondheid alsook van het belang van dierenwelzijn. Van uit diergezondheid zijn de regels ten aanzien van het houden van dieren vooral van betekenis ter voorkoming van verspreiding van ziekteverwekkers en ter wering hiervan. Het houden van dieren impliceert ook, afhankelijk van de categorie van dieren, dat deze voor bepaalde doeleinden worden gebruikt. Vooreerst kan dan worden gedacht aan gebruik voor bijvoorbeeld voedselproductie. Het komt echter ook voor dat dieren voor specifieke doeleinden, zij het niet voor productiedoeleinden, worden gebruikt. Als voorbeeld wordt gewezen op het gebruik van dieren voor onderwijsdoeleinden, voor reclame-uitingen en als bestrijders van plagen. Het uitgangspunt van artikel 2 is dat het houden van dieren is toegestaan, tenzij het behoort tot een soort of categorie gevaarlijke dieren. Deze categorie wilde of gevaarlijke dieren mogen dus niet gehouden worden. Bij of krachtens staatsbesluit kunnen hierop wel uitzondering worden gemaakt ten aanzien bepaalde soorten wilde of gevaarlijke dieren waarop het verbod tot het houden dan niet van toepassing is. Eveneens kan bij of krachtens staatsbesluit uitzondering worden gemaakt ten aanzien van de afkomst of omstandigheden. Gedoeld wordt op wilde dieren die zodanig zijn getemd, dat zij zich voortplanten, waarbij voor de in gevangenschap geboren jongen door de minister de toestemming kan worden gegeven. Deze omstandigheden kunnen ook betrekking hebben op gebieden waar de dieren worden gehouden. Het verbod op het niet mogen houden van bepaalde soorten of categorieën van wilde of gevaarlijke dieren heeft te maken met het feit dat bijvoorbeeld wilde dieren in het bijzonder de beschermde dieren, geen gedomesticeerde dieren zijn en derhalve niet geschikt zijn om als huisdieren gehouden te worden door het algemeen publiek. Dit is bijvoorbeeld het geval met zowel kooidieren als jachtwild. Beide soorten dieren hebben speciale zorg nodig om een gezond en voor het diersoort normaal leven te leiden. 2017 - 23 - No.4 Artikel 3 (wijze van het houden van dieren) Het houden van dieren impliceert het huisvesten en verzorgen van dieren. Krachtens artikel 3 worden nadere regels vastgesteld en omvat de basis voor regels over het huisvesten en verzorgen van dieren. Deze regels hebben betrekking op zowel het houden van gezelschapsdieren als ook op het houden van landbouwhuisdieren of dieren voor productiedoeleinden. Deze nadere regels hebben in het bijzonder betrekking op de vereiste van specifieke voeding, verzorging en ruimte van een dier. Artikel 3 lid 1 onder b geeft ten aanzien van het houden van huis- of gezelschapsdieren een opsomming aan van de onderwerpen, waarover bij of krachtens staatsbesluit nadere regels gegeven dienen te worden en heeft mede te maken met regels die een dier in staat moet stellen om zijn of haar eigen gedrag te hebben of te uiten. In het bijzonder hebben de regels te maken met de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden, en de wijze waarop deze worden gehouden. Bedoelde regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de huisvesting, zoals de afmeting van de ruimte, de uitvoering en vormgeving, de wanden, de vloer en de grond, de voorzieningen, waaronder de voeder- en drinkwatervoorziening, de verlichting, luchtverversing en koeling of verwarming. Ten aanzien van het houden van bepaalde soorten of categorieën van gevaarlijke dieren die op grond van artikel 2 lid 1 bij of krachtens staatsbesluit wel kan worden toegestaan om gehouden te worden, wordt in dat staatsbesluit tevens aangegeven hoe deze dieren gehouden moeten worden. Voor zover het betreft het houden van dieren voor productiedoeleinden, zoals landbouwhuisdieren, worden geen specifieke regels voorgesteld, maar wordt ten aanzien daarvan verwezen naar wettelijke voorschriften die voorzien in de regeling van deze materie. Artikel 4 (Verbod op onthouden van een dier van de nodige zorg). Artikel 4 benadrukt dat het houden van dieren niet vrijblijvend is. Wie dieren houdt, draagt verantwoordelijkheid voor zijn dieren. Dieren die gehouden worden zijn in hun zorg afhankelijk van de mens en kunnen niet zelfstandig voorzien in hun zorg. 2017 -24- No.4 De houder (de eigenaar of degene onder wiens toezicht of zorg een dier staat) is daarom verplicht daarin te voorzien. Onder de nodige zorg dient niet enkel voeding en verzorging verstaan te worden. Op grond van deze bepaling kan ook worden opgetreden tegen het zonder verzorging of onbeheerd achterlaten van huisdieren. In artikel 4 is in dit kader eveneens een verbod op het zogenaamd "dumpen" van dieren en het in hulpeloze toestand of onbeheerd achterlaten van dieren. Artikel 5 (Dierenmishandeling) Artikel 5 betreft het verbod op dierenmishandeling naar analogie van artikel 413b van het Wetboek van strafrecht. Deze bepaling past beter in deze wet omdat het betreft de wijze hoe omgegaan wordt met dieren. Het betreft hier het toebrengen van pijn en letsel aan een dier. Dierenmishandeling omvat dus alle niet noodzakelijke handelingen en alle verwijtbare nalatigheden van mensen, waardoor dieren pijn aangedaan, letsel toegebracht, of ernstig in hun welzijn benadeeld worden. Ingevolge lid 2 valt onder dierenmishandeling in elk geval een dier arbeid doen verrichten welke kennelijk zijn krachten te boven gaat of waartoe uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is. Te denken valt bijvoorbeeld aan dieren die gebruik worden voor transport- en landbouwdoeleinden. Andere vormen van juridisch erkende dierenmishandeling zijn onder andere: dieren toetakelen of verminken; huisdieren verwaarlozen (bijvoorbeeld door ondervoeding, of gebrek aan veterinaire zorg); de staart of oren bij honden en paarden couperen. In lid 3 zijn enkele van deze handelingen gespecificeerd terwijl bij staatsbesluit eveneens andere gevallen onder dierenmishandeling kunnen worden ondergebracht. 2017 -25- No.4 Artikel 6 (het doden van dieren) Artikel 6 legt een algemeen verbod op het doden van dieren, anders dan ten behoeve van de slacht. Het doden van dieren ten behoeve van de slacht vindt verder geen regeling in deze wet en is de Wet op Openbare slachthuizen, slachterijen en slagerijen van toepassing (G.B. I 959 no. 54). Uitzondering hiervan wordt slechts toegestaan in de gevallen genoemd in lid 3. Op de eerste plaats indien het betreft een dier dat een onmiddellijk gevaar vormt voor mens en dier. Ook al betreft het een voor mens en dier gevaarlijk dier, het is pas toegestaan het dier te doden, indien er onmiddellijk gevaar dreigt. Op de tweede plaats indien het betreft de gezondheid van het dier zelf, nadat door de dierenarts zulks is vastgesteld. Voorkomen moet worden dat onder "het belang van het dier" toch dieren worden afgemaakt. Het is vanzelfsprekend dat dieren gedood mogen worden ter bestrijding van besmettelijke dierziektes en plagen. Te denken valt aan onder andere aan vogelgriep, varkenspest, mond en klauwzeer (MKZ), en Q-koorts. Deze dierziektes kunnen ook gevaarlijk zijn voor mensen wanneer mensen daarmee besmet raken. Dieren kunnen eveneens gedood worden indien deze dieren in strijd met het bepaalde in artikel 8 leden 2 en 3 of artikel 19 zijn gefokt of voorhanden worden gehouden. Het betreft op de eerste plaats om dieren die gevaarlijk zijn voor de mens of voor andere dieren. Ingevolge artikel 19 is het eveneens verboden deze dieren, die door de Minister worden aangewezen als gevaarlijke dieren, te fokken of voorhanden te hebben. Het doden van deze dieren geschiedt echter op aanwijzing van de vervolgingsambtenaar. Daarbij kan eventueel in plaats van de dieren te doden deze dieren in een voor deze dieren geschikte omgeving worden opgevangen, eveneens op aanwijzing van de vervolgingsambtenaar. Aan het doden van dieren kunnen uit welzijnsoverwegingen eisen worden gesteld. Te denken valt bijvoorbeeld aan regels over de wijze waarop de dieren worden gedood en de plaats waar zulks mag geschieden en de voorzieningen die daarbij horen. 2017 -26- No.4 Artikel 7 (het scheiden van dieren van het moederdier) Artikel 7 betreft het verbod op het scheiden van dieren van het ouderdier voordat het een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Het verbod in artikel 7 lid 1 beperkt zich niet alleen tot het scheiden van dieren van het moederdier voordat deze de vastgestelde leeftijd heeft bereikt, maar ook tot onder meer de verkoop van deze jonge dieren. Gelet op het feit dat jonge dieren het ouder dier niet alleen nodig hebben voor melk (voeding), maar ook voor het ontwikkelen van dieren eigen gedrag, is het belangrijk hen niet voor de toegestane tijd te scheiden van elkaar. Zelfs als het jonge dier extra wordt gevoed door de eigenaar of houder is moederzorg onontbeerlijk. lndien de moeder niet aanwezig is, dan zorgt de aanwezigheid van nestgenoten of "pleegmoeders" voor het ontwikkelen van nonnaal dier eigen gedrag. Onder de in lid 1 bedoelde dieren worden in elk geval gerekend zoogdieren (honden en katten) en bepaalde categorieën van andere dieren (vogelsoorten), waarvan het jong dier voor zijn voeding en/of de ontwikkeling van dier eigen gedrag afhankelijk is van het moederdier. ln lid 3 zijn de uitzonderingen opgenomen op het verbod op het scheiden van een dier met het ouderdier voordat deze een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Deze uitzondering is opgenomen met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier, alsmede indien het scheiden geschiedt in verband met de productie van menselijke of dierlijke voeding. In lid 2 van dit artikel wordt met geautoriseerde dierenarts bedoeld een dierenarts die namens de veterinaire inspectie van het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij bevoegd is om controlerende werkzaamheden uit te voeren. Artikel 8(het fokken van dieren) Artikel 8 legt de grondslag voor een nadere regeling van het fokken van dieren. Zowel landbouwhuisdieren als gezelschapsdieren worden gefokt. Aan de orde zijn daarbij vooral belangen van gezondheid, dierenwelzijn en economische belangen. Vanuit dierenwelzijn- en dier gezondheidsperspectief biedt de fokkerij kansen tot verbetering. 2017 -27- No. 4 Door invloed uit te oefenen op de populatie, middels bijvoorbeeld de keuze van fokdoelen en de selectie van fokdieren, kan de fokkerij een bijdrage leveren aan de oplossing van welzijns- en gezondheidsproblemen. Het wetvoorstel biedt met de onderhavige bepaling voldoende basis om regels over het fokken met het oog op de verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid te stellen. In dit kader worden bij of krachtens staatsbesluit ten aanzien van het fokken van dieren nadere regels vastgesteld onder meer met betrekking tot de methodiek van het fokken van dieren. Daarbij kan de manier van fokken worden gereguleerd met betrekking tot diervriendelijkheid, fraude en het verbod op voortplanting van dieren die erfelijke gebreken hebben. Ten aanzien van de gehanteerde methoden wordt verstaan de wijze waarop dieren worden gefokt. Daarbij gaat het om technieken of technische hulpmiddelen die bij het fokken worden gebruikt, zoals kunstmatige inseminatie of in-vitrofertilisatie. Op basis van artikel 8 lid 1 onderdeel a kan ook een verbod van bepaalde fokmethoden worden gesteld. Tevens biedt het tweede lid van artikel 8 de basis om het fokken met dieren met een erfelijke eigenschap die het welzijn van hun nakomelingen nadelig kan beïnvloeden, te verbieden. Lid 4 voorziet tevens in een basis om een verbod in te stellen op het fokken van agressieve dieren. Artikelen 9 en lO(licbamelijke ingrepen bij dieren) In artikel 9 is er een verbod op het verrichten van lichamelijke ingrepen bij een dier, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt (worden) verwijderd of beschadigd. Het couperen van oren en staarten van honden en het blokstaarten bij paarden bijvoorbeeld is dus niet toegelaten. Deze bepaling is een erkenning van de lichamelijke integriteit van een dier. Artikel 9 lid 2 bevat enkele uitzonderingen op grond waarvan bepaalde ingrepen wel zijn toegestaan. Uitzondering hierbij zijn ingrepen betreffende het onvruchtbaar maken van een dier(sterilisatie/castratie) maar dan verricht door een dierenarts. Eveneens is het toegestaan indien het ingrepen betreft waarvoor bij een dier een diergeneeskundige noodzaak bestaat. Bij staatsbesluit kunnen ook andere uitzonderingen worden aangewezen. 2017 -28- No.4 Dieren met een verboden ingreep mogen niet verhandeld (artikel 9 lid 4)worden of deelnemen aan tentoonstellingen of wedstrijden (artikel l 0). Ook als de ingreep werd verricht in een land waar dat wel toegestaan is, is deelname of verhandeling niet toegestaan. Artikel 11 (handel in dieren) Ingevolge artikel 11 lid 1 geldt een verbod op het bedrijfsmatig verhandelen (verkopen, te koop aan te bieden, ten behoeve van de verkoop voor handen hebben of verhuren) van dieren, zonder inachtneming van ter zake bij of krachtens staatsbesluit vast te stellen regels. Ten aanzien hiervan worden bij of krachtens staatsbesluit nadere regels vastgesteld. Deze nadere regels waaraan de verhandeling van dieren moet voldoen hebben, naast het waarborgen van het algemeen welzijn van de dieren, in het bijzonder betrekking op het voorkomen van de verspreiding van dierziekten en ziekteverwekkers. Voorts zijn degenen die bedrijfsmatig dieren verhandelen verplicht daarvan registratie te doen. Artikel 12 (verbod dier als gift of beloning) Uit oogpunt van dierenwelzijn mogen geen dieren bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen en dergelijke evenementen als prijs, beloning of gift worden uitgeloofd of uitgereikt. Een dergelijke wijze van verwerving van een dier is niet in overeenstemming met de huidige opvattingen over de zorgvuldigheid waarmee de aanschaf van een gezelschapsdier of een ander dier gepaard behoort te gaan. Dieren verkregen als prijsbeloning of gift komen meestal bij nieuwe eigenaren die hierop niet voorbereid zijn, met als gevolg dat er geen enkel waarborg is voor adequate behuizing, voeding, verzorging en kennis hieromtrent. Het bezit van een dier vereist een voorafgaand afwegen dat men de kennis, tijd, geld en omstandigheid heeft om zo een dier te bezitten. Kortom, het is belangrijk dat op basis van een bewuste keuze besloten wordt om al dan niet een dier te bezitten ofte houden. Echter wordt niet voorbijgegaan aan de in Suriname aanwezige traditie en culturele gewoonten, waarbij dieren als gift worden gegeven. Vandaar de uitzondering in de tweede volzin. 2017 -29- No.4 Artikel 13 (vervoer van dieren) Bij het vervoeren van dieren is het belangrijk de nodige veiligheidseisen in acht te nemen met betrekking tot de gezondheid en veiligheid van mens, dier en dierwelzijn. Dit artikel ziet eveneens toe op de controle tijdens het vervoer van dieren. Artike114 (verbod op dierengevechten) In lid I van artikel 14 is er een algemeen verbod op dierengevechten opgenomen, omdat dit altijd gepaard gaat met onnodig geweld en pijn voor het dier. Het verbod op dierengevechten is van essentieel belang voor de bescherming van dieren. Uitzonderingen op dit verbod kunnen derhalve niet worden toegestaan. Voor zover bekend komen in Suriname honden en hanengevechten voor, maar dit sluit andere dieren niet uit. Naast het verbod om dierengevechten te organiseren of dieren aan dierengevechten te doen deelnemen is er eveneens een verbod om bij dierengevechten aanwezig te zijn (artikel 14 lid 2). Artikelen 15, 16 en 17 (wedstrijden met dieren) In deze twee artikelen zijn regels opgenomen met betrekking tot wedstrijden waarbij dieren worden gebruikt. Ook wedstrijden dienen echter uit het oogpunt van dierenwelzijn zorgvuldig te worden georganiseerd en te verlopen. Ingevolgde 15 lid 2 kunnen bij staatsbesluit regels gegeven worden omtrent dieren die vanwege hun aard en fysiek geschikt zijn om wedstrijden mee te organiseren, waarvan de snelheid of kracht wordt beproefd. De regels zoals gesteld in artikel 15 leden 3 en 4 zijn bedoeld om de dieren te beschermen tegen uitputting en fysiek ongerief. Artikel 16 bevat regels met betrekking tot de toediening van stimulerende middelen aan dieren waarmee de wedstrijden worden gehouden. Daarbij wordt door de Minister de substanties aangewezen die het kunstmatig beïnvloeden van het prestatievermogen van dieren in wedstrijden tot gevolg kunnen hebben. In het belang van een doelmatige handhaving van de regels met betrekking tot het gebruik van dieren voor wedstrijden kan ter zake door de Minister regels worden vastgesteld betrekking hebbende op de organisatie van wedstrijden en de inrichting van wedstrijdterreinen (artikel 17). 2017 -30- No.4 Artikelen 18, 19 en 20 (verbod op gevaarlijke dieren). De Minister kan soorten of categorieën van dieren aanwijzen die gevaarlijk zijn of die gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens en dier. Ingevolge artikel 18 is het verboden deze door de Minister aangewezen dieren voor handen te hebben, in te voeren of te verhandelen. Voorts is ingevolge artikel 2 lid 1 verboden deze dieren te houden en ingevolge artikel 8 verboden deze dieren te fokken of voor de fok te gebruiken. Artikel 19 richt zich tot eigenaren en of houders van dieren die niet behoren tot de door de Minister aangewezen gevaarlijke dieren, dus toegestaan zijn om het te houden, maar die echter een gevaar opleveren voor mens of dier. Conform deze bepaling dienen voornoemde personen alle noodzakelijke maatregelen te treffen ter voorkoming van benadeling van de gezondheid en of de goederen van een ander persoon. In dit kader wordt gedacht aan bijvoorbeeld eigenaren van honden die zeer agressief zijn en anderen aanvallen. In dergelijk geval zal op de eigenaar of houder de verplichting rusten om (veiligheids-) maatregelen te treffen ter voorkoming dat door dat dier benadeling of beschadiging van de gezondheid of goederen van een ander plaatsvindt. ln artikel 20 zijn voorzieningen getroffen met betrekking tot dieren die in strijd met het bepaalde in de artikelen 2, 8 of 19 worden gehouden of zijn gefokt of voorhanden worden gehouden. De vervolgingsambtenaar is bevoegd ten aanzien van deze dieren de daarin bedoelde maatregelen te treffen. Artikel 21, 22 en 23 (dierentuinen) In dit artikel worden er regels vastgesteld met betrekking tot het houden, huisvesten, verzorgen en tonen van dieren. Nog meer als bij gedomesticeerde dieren, gelden bij wilde dieren heel specifieke eisen ten aanzien van voeding, huisvesting en uitoefening van diersoort eigen gedrag. Gelet op het feit dat in dierentuinen wilde diersoorten voorkomen, is het van belang dat er regels voor dierentuinen vastgesteld worden om zodoende het dierenwelzijn van de diersoorten te waarborgen. 2017 -31- No.4 Artikel 24 en 24a (Dierenasiel- en andere dierenverblijven) Artikel 24 heeft betrekking op dierenasielverblijven, waarvan de dieren gedurende een bepaalde periode onder meer voor verzorging en verpleging worden opgevangen. Deze dierenverblijven moeten ook voldoen aan de minimale randvoorwaarden voor opvang en verzorging van de dieren. Aangezien het hierbij met name gaat om dieren die specifieke zorg nodig hebben is de beschikbaarheid van een quarantaine en isolatie ruimte van belang, zulks ten behoeve van dieren waarvan de gezondheidsstatus bij het binnenkomen onbekend is en dieren met besmettelijke ziekte. Het bepaalde in artikel 24 is eveneens van toepassing op andere dierenverblijven (artikel 24a). Artikel 25 (strafbepaling) In artikel 25 is de strafbepaling geregeld, waarbij er enerzijds een onderscheid wordt gemaakt tussen de lichte strafbare feiten die als overtreding worden getypeerd (artikel 25 lid 3) en anderzijds de zwaardere strafbare feiten (artikel 25 leden l en 2) die als misdrijf zijn aangemerkt. Artikel 26 (opsporingsambtenaren) In artikel 26 is bepaald welke ambtenaren belast zijn met de opsporing van de strafbare feiten zoals omschreven in deze wet en de daarin voorgeschreven staatsbesluiten. Met de opsporing van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet zijn behalve de bij of krachtens artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, tevens belast bijzondere opsporingsambtenaren door de Minister daartoe aangewezen. Artikelen 27 tot en met 30 (toezicht) In de artikelen 27 tot en met 31 zijn bepalingen opgenomen omtrent het toezicht en de bevoegdheden van de toezichthouders. Met het toezicht zijn belast de door de Minister aangewezen personen in dienst van het Onderdirectoraat Veeteelt van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, die voldoen aan bepaalde bij beschikking van de Minister te stellen vereisten. 2017 -32- No.4 Artikel 31 (wijziging Wetboek van Strafrecht) Gelet op het feit dat hetgeen in de artikelen 413b en 537 van het Wetboek van Strafrecht thans een regeling hebben gevonden in deze wet, zijn voornoemde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt. Het betreft in deze de bepalingen betreffende het verbod op dierenmishandeling (artikel 5) en het verbod op vervoer van dieren op pijnlijke en kwellende wijze (artikel 13). De straffen zijn eveneens gehandhaafd. Artikel 32 (Overgangsbepaling) Bij de inwerkingtreding van deze wet of van de krachtens deze wet vast te stellen staatsbesluiten kunnen er situaties zijn waarbij de houders van dieren nog niet of niet geheel aan de gestelde eisen met betrekking tot het houden van dieren kunnen voldoen. Dit betreft op de eerste het geval met betrekking tot de artikelen 2 lid 2en 3 (de wijze waarop de dieren worden gehouden). De houders hebben dan bij de inwerkingtreding van deze wet of van de krachtens artikel 3 vast te stellen staatsbesluiten de gelegenheid om binnen zes maanden daaraan te voldoen. De hierop betrekking hebbende verboden (strafbaarheid) is gedurende deze tennijn dan ook niet van toepassing. Voor zover bij de inwerkingtreding van de wet dieren worden gehouden die behoren tot de in artikel 2 lid 1 bedoelde soort of categorie (wilde of gevaarlijke dieren), is het verboden deze dieren te houden. Echter kunnen er situaties voordoen waarbij personen houders zijn van deze verboden dieren. Daarbij hebben deze houders de gelegenheid om binnen zes maanden van de gehouden dieren registratie te doen overeenkomstig door de Minister vast te stellen voorschriften. Gedurende deze termijn is het in artikel 2 lid 1 bedoelde verbod dan ook niet van toepassing. Paramaribo, 18 december 2016, J. Simons C. Breeveld