Decree No. 806 of 1994 on the transportation of animals
颁布于 1994-10-28 · 文本截至 2026-10-01
以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。
研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。
关于这部法律
- 语言
- Dutch
- 类型
- 条例
- 组织
- European Union
- 国家
- 荷兰
- 主题
- Livestock
- 关键词
- animal welfare, transport/storage
在哪里阅读
该法律没有记录来源链接。
文本
所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。
806 Besluit van 28 oktober 1994, houdende regelen omtrent het vervoer van dieren (Besluit dierenvervoer 1994) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 25 april 1994, no. J. 946683, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op richtlijn nr. 91/628/EEG van de Raad van de Europese Gemeen schappen van 19 november 1991 betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen nr. 90/425/EEG en nr. 91/496/EEG (PbEG 1991, L 340) en gelet op de artikelen 38, 44, eerste en tweede lid, 58, 60 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; Gezien de adviezen van de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten (16 november 1993), de Raad voor Dieren aangelegenheden (8 en 15 november 1993, RDA/930065/HJ en RDA/930067/HJ), de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren (14 september 1993, 93.1562/B1403/?RR), het Landbouwschap (31 augustus 1993 en 24 november 1993, 04/2002a.01 en B042200a.W01), het Produktschap voor Vee en Vlees (8 september 1993 en 18 november 1993, tjb/sa/nr. 52844), het Bedrijfschap voor de Handel in Vee (27 augustus 1993, 8411/mp), Air Transport Association Netherlands (9 augustus 1993 en 10 november 1993, K/AB/ATAN-280 en K/NA/ATAN-409), Rechten voor al wat leeft (13 september 1993 en 15 november 1993), het Produktschap voor Pluimvee en Eieren (6 september 1993, 93SAE299), het Bedrijfschap Pluimveehandel en -industrie (18 augustus 1993, 93SAP534), de SAVEETRA (Samenwerkende Veetransportbedrijven)( 25 augustus 1993, SAV068.93/SCH/DH), de FOCWA (Nederlandse vereniging van onder nemers in het Carosseriebedrijf) (31 augustus 1993, HB/sha), N.V. Luchthaven Schiphol (30 augustus 1993, GH/nj/79167), de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (17 november 1993, 1163.93/Jsve) en de Nederlandse Vereniging van Noodslachters (13 oktober 1993). De Raad van State gehoord (advies van 1 augustus 1994, no. W11.94.0260); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur beheer en Visserij van 19 oktober 1994, no. J. 9415926, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Staatsblad 1994 806 § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; b. vervoermiddel: voor het inladen en vervoeren van dieren gebruikte gedeelten van voertuigen voor vervoer over de weg of per spoor, schepen en luchtvaartuigen, alsmede containers voor het vervoer over land, over zee of door de lucht; c. vervoer: elke verplaatsing van dieren met behulp van een vervoer middel, het in- en uitladen van de dieren inbegrepen; d. markt: markt voorzover erkend overeenkomstig artikel 3, zevende lid, van richtlijn nr. 64/432 EEG van de Raad van de Europese Gemeen schappen van 26 juni 1964 betreffende veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121 en PbEG L 176); e. verzamelplaats: verzamelplaats voor zover erkend overeenkomstig artikel 3, zevende lid, van de in onderdeel d bedoelde richtlijn; f. plaats van vertrek: 1°. plaats waar de dieren voor het eerst op of in het vervoermiddel warden geladen; 2°. plaats waar de dieren zijn uitgeladen en alvorens weer te zijn ingeladen gedurende ten minste tien uren zijn ondergebracht, gedrenkt, gevoederd en in voorkomend geval verzorgd; 3°. markt of verzamelplaats indien deze minder dan 50 km van de eerste inlaadplaats verwijderd is, of 4°. markt of verzamelplaats die verder dan 50 km van de eerste inlaadplaats verwijderd is, slechts indien de dieren gedurende een voor de vervoerde diersoort of categorie van dieren door Onze Minister te bepalen periode rust hebben gekregen en zijn gevoederd en gedrenkt alvorens opnieuw te warden ingeladen; g. plaats van bestemming: plaats waar de dieren definitief van of uit een vervoermiddel warden geladen; h. halteplaats: plaats waar het vervoer wordt onderbroken om de dieren te laten rusten, te voederen of te drenken; i. overlaadplaats: plaats waar het vervoer wordt onderbroken om de dieren van het ene op het andere vervoermiddel over te laden; j. reis: vervoer van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming; k. gezelschapsdier: dier niet zijnde vee of pluimvee dat zonder produktiedoeleinden wordt gehouden; I. noodslachting: slachting, al dan niet op last van de dierenarts, overeenkomstig het bepaalde ter zake van het slachten van zieke of van ziekte verdachte dieren in hoofdstuk II, punt 14, onder e, en hoofdstuk VI, punt 28, van Bijlage I bij richtlijn nr. 64/433/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vers vlees (PbEG 1964, L 121 en PbEG 1991, L 268); m. speciale noodslachting: het op last van een dierenarts, wegens een ongeval of ernstige lichamelijke en functionele stoornissen buiten een slachthuis doden van een dier indien de dierenarts meent dat vervoer of verder vervoer onmogelijk is of onnodig lijden van het dier zou meebrengen; n. richtlijn 91/628/EEG: richtlijn nr. 91/628/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1991 betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen nr. 90/425/EEG en nr. 91/496/EEG (PbEG L 340); o. richtlijn 90/425/EEG: richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Staatsblad 1994 806 2 Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 betreffende veterinaire en zootechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224); p. richtlijn 91/496/EEG: richtlijn nr. 91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap warden binnengebracht en tot wijziging van de richtlijnen nr. 89/662/EEG, nr. 90/425/EEG en nr. 90/675/EEG (PbEG L 268); q. derde land: land waarop het Verd rag betreffende de Europese Unie niet van toepassing is. § 2. Certificaten Artikel 2 Als soorten en categorieen van dieren als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de wet warden aangewezen alle soorten en categorieen van dieren waarvoor een bewijsstuk is vereist als bedoeld in artikel 77 of artikel 78 van de wet. Artikel 3 1. Het model van het in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde certificaat en de modellen van de in onderdeel b van dat artikellid bedoelde identificatiemerken en bewijsstukken warden door Onze Minister vastgesteld. Het model van het certificaat en de andere modellen kunnen per soort of categorie van dieren verschillend warden vastgesteld. 2. Onze Minister kan regels stellen omtrent de afgifte van de identificatiemerken en bewijsstukken. § 3. Wijze waarop dieren mogen warden vervoerd Artikel 4 1. Als soorten en categorieen van dieren als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet warden aangewezen vee en pluimvee, alsmede als huisdier gehouden honden en katten, als huisdier gehouden vogels en konijnen, overige zoogdieren en vogels, overige gewervelde dieren en koudbloedige dieren. 2. Het vervoer van de in het eerste lid bedoelde soorten of categorieen van dieren geschiedt slechts indien voldaan is aan het ten aanzien van die soorten en categorieen bepaalde bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 9, en artikel 16. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op: a. vervoer van gezelschapsdieren anders dan in de uitoefening van of ten behoeve van een beroep, onderneming of bedrijf, en b. vervoer van vee in of op aanhangwagens, voortbewogen door een motorvoertuig als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Wegenverkeers reglement dan wel door een landbouwtrekker als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ab, van het Voertuigreglement, ingeval de geografische omstandigheden vervoer tussen wei en stal of vervoer met het oog op verweiding vereisen en mits is voldaan aan de door Onze Minister ter zake van het vervoermiddel gestelde eisen. Staatsblad 1994 806 3 Artikel 5 1. De dieren warden slechts vervoerd indien zij geschikt zijn voor de reis en er voorzieningen zijn getroffen voor de verzorging van de dieren tijdens de reis en bij aankomst op de plaats van bestemming. 2. De houder van een ziek of gewond dier biedt het dier slechts ten vervoer aan of staat het slechts ten vervoer af onderscheidenlijk de vervoerder neemt het dier slechts ten vervoer aan of vervoert een ziek of gewond dier slechts indien het betreft: a. een licht gewond of licht ziek dier waarvoor het vervoer geen onnodig lijden tot gevolg heeft; b. een dier dat wordt vervoerd ten behoeve van zijn diergeneeskundige verzorging of een noodslachting, mits dat vervoer geen onnodig lijden of een slechte behandeling tot gevolg heeft en, voor zover het vee betreft, geschiedt overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14, of c. een dier dat wordt vervoerd met het oog op: een dierproef waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dierproeven dan wel, indien het bij koninklijke boodschap van 7 januari 1992 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de dierproeven tot wet wordt verheven en in werking treedt, als bedoeld in artikel 2 van die wet, en, voor zover voor dat vervoer een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 66 van de wet, daarvoor een vergunning is verleend, of door de bevoegde autoriteit van het land van bestemming goedge keurde doeleinden van wetenschappelijk onderzoek. 3. Als dieren waarvan het vervoer onnodig lijden of een slechte behandeling tot gevolg heeft, warden in ieder geval beschouwd runderen vanaf de leeftijd van tien dagen alsmede paarden, met een of meer botbreuken die zich niet meer zelfstandig kunnen voortbewegen, tenzij zij naar een diergeneeskundige praktijk, kliniek of ziekenhuis warden vervoerd ten behoeve van hun diergeneeskundige verzorging. 4. Onverminderd artikel 59 van de wet wordt voor zieke en gewonde dieren slechts een certificaat als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet afgegeven in een geval als bedoeld in het tweede lid. Artikel 6 1. Het vervoer van dieren geschiedt: a. door een vervoerder die over de kennis en de bekwaamheid beschikt om de dieren tijdens het vervoer de nodige verzorging te kunnen geven dan wel in aanwezigheid van een begeleider die over zodanige kennis en bekwaamheid beschikt; b. zodanig dat de dieren zonder onnodige vertraging naar de plaats van bestemming warden vervoerd; c. bij reizen die meer dan 24 uur duren, overeenkomstig een reisschema volgens een door Onze Minister vast te stellen model, dat, onder vermelding van de eventuele halte- en overlaadplaatsen, zodanig wordt vastgesteld dat de dieren kunnen rusten, kunnen warden gedrenkt, warden gevoederd en kunnen warden uitgeladen en ergens onderge bracht met inachtneming van het bij of krachtens dit besluit bepaalde ten aanzien van de vervoerde soort of categorie van dieren, en d. bij reizen die meer dan 24 uur duren en afhankelijk van de vervoerde diersoort of categorie van dieren, nadat maatregelen zijn genomen om te voorzien in de behoeften aan drinken en voedsel van de vervoerde dieren tijdens de reis, zelfs wanneer het reisschema wordt gewijzigd of de reis door onvoorziene omstandigheden wordt onderbroken. 2. Bij vervoer over een afstand van meer dan 50 km zijn de dieren tijdens de gehele duur van de reis vergezeld van: a. een door de eigenaar ondertekend document waaruit het bedrijf, het centrum of de installing van oorsprong van de dieren, de plaats van Staatsblad 1994 806 4 vertrek, de plaats van bestemming, alsmede de datum en het uur van vertrek blijkt, voor zover deze gegevens niet reeds op grand van een ander wettelijk voorschrift warden verstrekt, en b. het origineel van het in het eerste lid, onderdeel c bedoelde reisschema, ingeval de reis meer dan 24 uur duurt, waarop tevens de plaats, de datum en het uur van vertrek alsmede de plaats van bestemming zijn aangegeven. 3. De vervoerder bewaart gedurende zes maanden een duplicaat van de in het tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde documenten. 4. De vervoerder of de begeleider draagt ervoor zorg dat een dier dat tijdens het vervoer ziek wordt of gewond raakt, zo spoedig mogelijk eerste hulp en indien nodig een passende diergeneeskundige behandeling krijgt. Zo nodig vindt onverwijld een speciale noodslachting plaats op zodanige wijze dat onnodig lijden wordt voorkomen. 5. Bij vervoer over een afstand van meer dan 50 km vergewist de vervoerder zich ervan dat, wanneer de dieren zonder begeleider warden vervoerd, de verzender voor de overdracht van de dieren de bepalingen van dit besluit heeft nageleefd en dat de ontvanger de nodige maatre gelen heeft getroffen om de dieren in ontvangst te nemen. 6. Onze Minister kan opleidingen ter verkrijging van de kennis en bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aanwijzen. Artikel 7 1. Het vervoer van de onderscheiden soorten en categorieen van dieren geschiedt voorts overeenkomstig het voor de desbetreffende soort of categorie bepaalde in de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG. 2. Onze Minister wordt aangewezen als bevoegd gezag als bedoeld in de in het eerste lid bedoelde bijlage. 3. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde bijlage treedt voor de toepassing van het eerste lid in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven. 4. Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van een wijziging als bedoeld in het derde lid alsmede van het tijdstip waarop de wijziging in werking treedt. 5. Onze Minister kan ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde vervoer nadere regelen stellen ter zake van de vervoermiddelen, de beladingsdichtheid, de duur en de afstand van het vervoer, alsmede de omstandigheden waaronder en de wijze waarop het vervoer dient plaats te vinden. Artikel 8 Onverminderd het overigens ten aanzien van het vervoer bepaalde geschiedt het vervoer met winstoogmerk door een natuurlijke of rechtspersoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, dan wel in een overeenkomstig de regelgeving van een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen bijgehouden register als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 91/628/EEG. § 4. Vervoermiddelen voor vee Artikel 9 1. Bij vervoer van vee over de weg met een in Nederland geregistreerd vervoermiddel is het vervoermiddel vergezeld van een door Onze Minister voor dat vervoermiddel afgegeven, op naam van de eigenaar of houder gesteld geldig bewijsstuk waaruit blijkt dat het vervoermiddel zodanig is ingericht dat het vervoer kan geschieden overeenkomstig het ter zake van Staatsblad 1994 806 5 het vervoer van de betreffende soort of categorie van vee bij of krachtens dit besluit bepaalde. 2. Onze Minister stelt nadere regelen ten aanzien van het in het eerste lid bepaalde, waarbij hij in ieder geval het model en de geldigheidsduur van het in het eerste lid bedoelde bewijsstuk vaststelt. § 5. Vervoer van meer dan licht ziek of licht gewond vee Artikel 10 lndien meer dan licht ziek of licht gewond vee ter noodslachting wordt vervoerd, geschiedt dit zonder onderbreking naar het dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende slachthuis of een ander daarvoor in aanmerking komend slachthuis waarvoor de vervoersafstand vanaf de plaats van in laden niet meer dan 50 km bedraagt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Vleeskeuringswet. Artikel 11 1. Het in- en uitladen, met inbegrip van de aanvoer naar onderschei denlijk de afvoer vanaf het vervoermiddel van meer dan licht ziek of licht gewond vee dat zich niet op eigen kracht kan voortbewegen, geschiedt met een hulpmiddel dat onnodig lijden van de dieren voorkomt. 2. Tijdens het vervoer van meer dan licht ziek of licht gewond vee is een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid in het vervoermiddel aanwezig. Artikel 12 Meer dan licht ziek of licht gewond vee wordt niet tezamen met andere dieren in een vervoermiddel vervoerd. Artikel 13 Meer dan licht ziek of licht gewond vee moet zacht kunnen liggen en staan. Artikel 14 1. Meer dan licht ziek of licht gewond vee wordt nadat het eenmaal is uitgeladen, niet opnieuw in hetzelfde dan wel in een ander vervoermiddel ingeladen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van vee dat is uitgeladen ten behoeve van een diergeneeskundige behandeling alsmede ter zake van vee dat tijdens het vervoer ziek is geworden of gewond is geraakt en zich bevindt op een andere plaats dan een slachthuis, mits het vervoer onmiddellijk na het in- of overladen wordt voortgezet met inachtneming van de artikelen 10 tot en met 14, eerste lid. Artikel 15 1. Meer dan licht ziek of licht gewond vee dat bij een slachthuis is afgeladen, wordt binnen twee uur na aankomst geslacht. 2. lndien slachten van een meer dan licht ziek of licht gewond dier binnen het in het eerste lid bedoelde tijdsbestek om enigerlei reden onmogelijk is, doodt de keuringsdierenarts terstond nadat hem die onmogelijkheid is gebleken, het dier ter plaatse waar het zich bevindt door toediening van een letale dosis van een centraal depressief middel, dan wel laat hij het dier onder zijn toezicht doden. Staatsblad 1994 806 6 ยง 6. Handhaving en registratie Artikel 16 Onverminderd het overigens ten aanzien van het vervoer bepaalde geschiedt het vervoer overeenkomstig de door Onze Minister met het oog op de controle enter uitvoering van richtlijn 90/425/EEG onderscheidenlijk richtlijn 91/496/EEG te stellen regelen. Artikel 17 1. lndien bij vervoer over een afstand van meer dan 50 km in strijd met het bij of krachtens dit besluit bepaalde is gehandeld, zijn de in artikel 114 van de wet bedoelde ambtenaren bevoegd om op kosten van degene die vervoert en indien het welzijn van de dieren dit noodzakelijk maakt: a. de reis stop te zetten of de dieren langs de kortste weg naar de plaats van vertrek terug te zenden, voor zover daardoor geen onnodig lijden van de dieren wordt veroorzaakt; b. de dieren adequaat ender te brengen, of c. de dieren te doen slachten. 2. Op de uitvoering van het bepaalde in het vorige lid zijn het tweede en derde lid van artikel 117 van de wet van overeenkomstige toepassing. Artikel 18 1. Onze Minister houdt de volgende registers bij: a. een register van eigenaren en houders van vervoermiddelen waarvoor hij een bewijsstuk als bedoeld in artikel 9 heeft afgegeven; b. een register van natuurlijke of rechtspersonen die dieren vervoeren met winstoogmerk. 2. lndien een vervoerder als bedoeld in onderdeel b van het vorige lid, reeds is opgenomen in het register, bedoeld in onderdeel a van dat lid, geldt zijn inschrijving in dat register tevens als inschrijving in het register, bedoeld in onderdeel b. 3. Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in het eerste en tweede lid bepaalde. ยง 7. S/otbepalingen Artikel 19 Onze Minister stelt nadere regelen met betrekking tot artikel 4, derde lid, onderdeel b, en artikel 7, vijfde lid, niet vast dan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 20 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 21 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit dierenvervoer met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het zal warden geplaatst. Staatsblad 1994 806 7 Het advies van de Raad van State is openbaa r gemaakt door terinzagelegging bij het Minis terie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 13 december 1994, nr. 240 416823F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994 Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal warden geplaatst. 's-Gravenhage, 28 oktober 1994 Beatrix De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen Staatsblad 1994 806 Uitgegeven de vierentwintigste november 1994 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager 8 NOTA VAN TOELICHTING ALGEMEEN DEEL § 1. lnleiding Met het onderhavige besluit warden in de eerste plaats de regels die op basis van de Wet dierenvervoer zijn gesteld, omgezet in regelgeving op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De betreffende artikelen 58 tot en met 60 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn grotendeels overgenomen uit de Wet dierenvervoer die wordt ingetrokken zodra de artikelen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in werking treden. Met de intrekking van de Wet dierenvervoer komen van rechtswege ook de daarop gebaseerde regelen te vervallen. Het gaat hierbij om het Besluit dierenvervoer, de Regeling wegvervoer Vee en Pluimvee 1980, de Regeling luchtvervoer van dieren, de Beschikking vrijstelling landbouw voertuigen, de Beschikking aanbrenging dierenvervoerplaat, de Beschikking aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet dierenvervoer en de Beschikking aanwijzing welzijnscertificaat 1983. Het onderhavige besluit geeft de mogelijkheid om - voor zover nodig - ter zake van de betreffende onderwerpen nadere regelen te stellen. Voorts is in dit besluit de systematiek meer in overeenstemming gebracht met de geldende richtlijn nr. 91/628/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1991 betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen nr. 90/425/EEG en nr. 91/496/EEG (PbEG 1991, L 340/17). Aan de richtlijn was reeds uitvoering gegeven door middel van de Wet dieren vervoer en de daarop berustende bepalingen. Terwille van de overzichte lijkheid en de slagvaardigheid zijn in dit besluit de bepalingen uit de tekst van de richtlijn zelf in het onderhavige besluit overgenomen en wordt voor de - gedetailleerde - eisen met betrekking tot de verschillende diersoorten verwezen naar de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG. Aan deze nota van toelichting is een transponeringstabel toegevoegd waarin wordt aangegeven in welke artikelen van het onderhavige besluit de verschil lende communautaire bepalingen zijn verwerkt. Voorts geeft het besluit de basis voor ministeriele regelingen die een nadere uitwerking van de gestelde voorschriften geven. Het gaat daarbij met name om voorschriften die voorwerp van overleg in communautair verband zijn en deels nog in ontwikkeling zijn. Door de gekozen constructie kan de regelgeving snel aan nieuwe ontwikkelingen warden aangepast. Tenslotte zijn in het onderhavige besluit bijzondere regels opgenomen ter zake van het vervoer van meer dan licht ziek of licht gewond (zogenaamd wrak) vee. Over het oorspronkelijke ontwerp van het onderhavige besluit is overeenkomstig artikel 110, vierde en vijfde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren advies gevraagd aan de Raad voor Dieren aangelegenheden en de bij het vervoer van dieren meest betrokken organisaties. Aanvankelijk was voor het vervoer van wrakke dieren een apart besluit voorzien. Over het betreffende ontwerp-besluit wrakke dieren heeft mondeling overleg plaatsgevonden met de vaste Commissie voor Landbouw en Natuurbeheer van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1993/94, 23 400 XIV, nr. 27). Voorts is over dat ontwerp-besluit advies uitgebracht door de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten (CTW). Naar aanleiding van de verschillende reacties en in overeenstemming met het advies van de CTW en de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren is er uiteindelijk voor gekozen om de regels ter zake van het Staatsblad 1994 806 9 vervoer van wrak vee niet op te nemen in een afzonderlijk besluit, maar te integreren in het onderhavige besluit. De adviezen en de integratie van de oorspronkelijk beoogde twee besluiten, hebben geleid tot belangrijke wijzigingen in de regelgeving en de daarbij behorende toelichting. Te bestemder plaatse wordt in deze nota van toelichting op de adviezen en de wijzigingen ingegaan. § 2. Dierenvervoer Door middel van het onderhavige besluit warden in de eerste plaats regels gesteld omtrent alle aspecten van het vervoer van gezonde levende dieren. De voorschriften hebben betrekking op de toestand van het dier, de vervoermiddelen, de behandeling van het dier tijdens het vervoer en bij het in- en uitladen, de verplichtingen van de vervoerders en de controle van het dierenvervoer. De inhoud van de voorschriften is grotendeels bepaald door richtlijn 91/628/EEG. Wat betreft het karakter van richtlijn 91/628/EEG waarover de Raad voor Dierenaangelegenheden en de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren vragen stellen, kan in grate lijnen het volgende warden opgemerkt. De mate waarin het een Lid-Staat vrijstaat af te wijken van, verder te gaan dan of meer te regelen dan een richtlijn moet uit de tekst van de betreffende richtlijn zelf warden afgeleid, indien dit niet expliciet in de titel of de considerans tot uiting komt. Bij de vervoersrichtlijn is het karakter niet expliciet aangegeven en moet dit warden afgeleid uit de inhoud van elk artikel en de samenhang tussen de verschillende artikelen. Uit de richtlijn en de bijlagen blijkt dat beoogd is alle aspecten van het vervoer (eisen aan vervoermiddelen, eisen aan de vervoerders, vervoersomstandigheden, beladingsnormen) op communautair niveau te regelen. Zo wordt in artikel 11 van de richtlijn het stellen van normen omtrent maximumtijden, tussenpozen voor drenken en voederen, rustperiodes, beladingsdichtheid en vervoermiddelen, gerekend tot de bevoegdheid van de Commissie. Hetzelfde geldt voor aanvullende voorwaarden voor het vervoer van bepaalde diersoorten (artikel 3, derde lid, van de richtlijn). Dit impliceert dat de lid-staten die bevoegdheid slechts hebben voorzover de richtlijn niet in normen voorziet en binnen de door richtlijn en het EG-Verdrag aangegeven grenzen. Dit komt tot uiting in de clausule dat de lid-staten «in afwachting van» de Europese regelgeving nationale voorschriften mogen toepassen «met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag». Met uitzondering van het vervoer van zieke en gewonde dieren gaat het hier om zaken die op grand van artikel 7, vijfde lid, van het onderhavige besluit bij ministeriele regeling warden geregeld. In die ministeriele regeling mogen derhalve zuiver nationale eisen warden gesteld totdat op EG-niveau eisen zijn gesteld. § 3. Wrak vee Reeds geruime tijd blijken zich bij het vervoer van vee situaties voor te doen die niet anders dan als misstanden kunnen warden aangeduid. Het gaat hier om de wijze waarop vee dat in meer dan lichte mate gewond of ziek is (wrak vee), wordt vervoerd, op- en afgeladen, en wordt behandeld na aankomst op het slachthuis. De mogelijkheden die het bestaande Besluit dierenvervoer op basis van de Wet dierenvervoer biedt om onnodig lijden van ziek, gewond of kreupel vee te voorkomen blijken in de praktijk ontoereikend te zijn. Reeds in 1982 is een werkgroep opgericht waarin vertegenwoordigers zitting hadden van het toenmalige Ministerie van Landbouw en Visserij, het betrokken bedrijfsleven en de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren om voorstellen te doen die op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zouden kunnen Staatsblad 1994 806 10 warden gerealiseerd. In november 1984 heeft de werkgroep gerappor teerd. De parlementaire behandeling van het ontwerp van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is evenwel pas in september 1992 afgerond. In de tussentijd is langs de weg van voorlichting gepro beerd de misstanden terug te dringen. In 1986 is daartoe een brochure uitgebracht door het toenmalige Ministerie van Landbouw en Visserij in samenwerking met het bedrijfsleven, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde en de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren («Vlugschrift voor de Landbouw nr. 411 »). Hierin warden - in het vooruitzicht van regelgeving - aanbevelingen gedaan om het lijden van wrak vee tijdens het vervoer, op de boerderij en op de slachtplaats zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Deze aanbeve lingen hebben helaas niet voldoende effect gesorteerd. Nog steeds doen zich ontoelaatbare situaties voor. Om die reden is gekozen voor specifieke regelgeving voor wrak vee op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Zoals ook de CTW met nadruk betoogt, is de diepere oorzaak van het probleem, te weten de mentaliteit van de mensen die - vaak uit onwetendheid - op afkeurenswaardige wijze met dieren omgaan, niet alleen met regelgeving aan te pakken. De regelgeving zal derhalve gecombineerd warden met voorlichting gericht op degenen die beroeps matig veel met vee te maken hebben. Het belang daarvan wordt benadrukt door vrijwel alle organisaties die over het concept-Besluit wrakke dieren hebben geadviseerd. Geschat wordt dat jaarlijks ongeveer 200 000 dieren kunnen warden aangemerkt als wrak vee. Het gaat daarbij om dieren die in zodanige mate ziek, gewond of kreupel zijn dat regulier dierenvervoer leidt tot een ernstige aantasting van het welzijn van het dier. Van die 200 000 dieren zijn 60 000 tot 100 000 dieren zelfs niet meer in staat om zelfstandig een vervoermiddel op of af te lopen. Problemen kunnen zich voordoen door: het op- en afladen van de dieren; het vervoeren van wrakke dieren tezamen met gezonde dieren; het tussentijds op- en afladen van wrakke dieren; vervoer over grote afstanden; lange wachttijden op het slachthuis. In het ontwerp voor een Besluit wrakke dieren zoals dat om advies is uitgestuurd, is gekozen voor een specifieke aanpak van de hierboven gesignaleerde problemen. Om financieel-economische redenen en redenen van (vlees)hygiene en dierziektebestrijding is de alternatieve optie van een algeheel verbod op het vervoer ter slacht van wrak vee, verworpen. Naar aanleiding van de uitgebrachte adviezen, met name dat van de Raad voor Dierenaangelegenheden waarbij het merendeel van de andere advisende organisaties zich aansluit, en naar aanleiding van het mondeling overleg met de vaste Commissie voor Landbouw en Natuur beheer, is in dit besluit uiteindelijk gekozen voor een gedeeltelijk vervoersverbod. Voor het overige warden regels gesteld omtrent het vervoer. Het advies van de CTW om de bepalingen ter zake van het slachten en doden van wrak vee onder te brengen in een besluit op basis van artikel 44 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zal warden opgevolgd. Hierbij heeft oak een rol gespeeld dat inmiddels richtlijn nr. 93/119/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden (PbEG 1993, L 340) tot stand is gekomen waaraan op basis van artikel 44 van de wet uitvoering wordt gegeven. Het in het ontwerp-Besluit wrakke dieren voorgestelde voorschrift dat de dieren binnen uiterlijk twee uur na aankomst op het slachthuis geslacht moeten warden, is in de genoemde richtlijn opgenomen. Om evenwel de periode tussen de inwerkingtreding Staatsblad 1994 806 11 van dit besluit en het besluit ter uitvoering van de slachtrichtlijn te overbruggen is in artikel 15 van het onderhavige besluit de betreffende bepaling vooralsnog gehandhaafd. Artikel 15 kan komen te vervallen met de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 44 van de wet. In de artikelsgewijze toelichting zal op een aantal van de bovenge noemde punten nader warden ingegaan. § 4. Uitvoering en handhaving De voorschriften betreffende het vervoer van gezonde dieren komen grotendeels overeen met de voorschriften zoals die waren vastgelegd in de Wet dierenvervoer en de daarop berustende bepalingen. In zoverre is van een verzwaring van de uitvoerings- en handhavingslasten derhalve geen sprake. De in het om advies uitgestuurde ontwerp van dit besluit voorgestelde uitbreiding van de certificeringsplicht op basis van artikel 58 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tot binnenlands vervoer verder dan 50 km, is komen te vervallen onder meer omdat dit tot een te hoge last voor het bedrijfsleven en het uitvoeringsapparaat zou leiden. Op dit punt wordt in de artikelsgewijze toelichting nader ingegaan. De Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren stelt voor om de plicht tot verzegeling van vervoermiddelen weer in te voeren, teneinde het (illegaal) bijladen van dieren onderweg te bemoeilijken. Een dergelijke maatregel - die vooral voor de lange-afstandtransporten van belang zou kunnen zijn - heeft echter slechts zin wanneer hij binnen de Europese Unie wordt opgelegd. Een puur nationale verplichting, waarop buiten Nederland niet gecontroleerd zal warden, zal niet effectief zijn. Voor de regulering van het vervoer en de behandeling van ziek en gewond vee is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande controlestructuur. De controleurs die toch al het dierenvervoer, de slachtplaatsen en andere verzamelplaatsen van vee controleren, krijgen er een beter op de problematiek van de wrakke dieren toegespitst instrument bij. Hierdoor kan de handhaving - na een zekere extra inspanning in de beginfase - zonder lastenverzwaring effectiever geschieden. Voor de veehouder zal het onderhavige besluit tot een zekere lastenverzwaring leiden, omdat het overeenkomstig dit besluit laten vervoeren of doden op het bedrijf van wrak vee naar verwachting hogere kosten met zich mee zal brengen. Uiteraard ware het beter indien de veehouder door het tijdig nemen van maatregelen gericht op het voorkomen en genezen van ziekte en verwonding van zijn dieren, de afvoer van wrakke dieren zoveel mogelijk kon beperken. Hieraan zal via voorlichting aandacht warden besteed. Overtredingen van de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 58, eerste en vierde lid, tot en met 60 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn gesteld, zijn gekwalificeerd als economische delicten en vallen op grand van artikel 125 van de genoemde wet onder de Wet economische delicten. Hetzelfde geldt voor overtreding van artikel 38 (voorzover het gaat om het in artikel 5, tweede lid, van dit besluit genoemde ten vervoer aanbieden van zieke of gewonde dieren) en artikel 44 (voorschriften omtrent het doden van wrak vee). Naast de reguliere politie zijn de ambtenaren van de Algemene lnspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op grand van artikel 114, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren belast met de opsporing van de bij artikel 121 van die wet strafbaar gestelde feiten. Voor het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn de ambtenaren van de Algemene lnspectiedienst en van de Rijksdienst voor de keuring van Vee Staatsblad 1994 806 12 en Vlees van het bovengenoemde ministerie aangewezen op grand van artikel 114, eerste lid, van de wet. Voorts warden op basis van dat artikel de lnspecteurs van de Stichting Landelijke lnspectiedienst Dierenbe scherming aangewezen. Artikel 117 van de wet geeft bepaalde aange wezen ambtenaren specifieke bevoegdheden met betrekking tot de hand having van de voorschriften ter zake van het vervoer van dieren, zoals het - indien nodig - verschaffen van voer, drinken en rust. Daartoe warden de ambtenaren van de Algemene lnspectiedienst aangewezen. Het bovenstaande wordt overeenkomstig de bestaande praktijk geregeld in de Regeling aanwijzing ambtenaren Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. § 5. Procedure van totstandkoming Na vaststelling van het onderhavige besluit wordt het overeenkomstig artikel 110, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na overlegging kan door een der Kamers de wens te kennen warden gegeven dat de inwerkingtreding van het besluit bij wet dient te geschieden. § 6. Adviezen Over een ontwerp van dit besluit en het daarin ge·integreerde Besluit wrakke dieren is advies ontvangen van de volgende organisaties: de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA); de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren; het Landbouwschap; het Produktschap Vee en Vlees (PVV); het Bedrijfschap voor de Handel in Vee; Air Transport Association Netherlands (ATAN); Rechten voor al wat leeft. Over het ontwerp voor dit besluit is voorts advies ontvangen van: het Produktschap voor Pluimvee en Eieren; het Bedrijfschap Pluimveehandel en -industrie; de SAVEETRA (Samenwerkende Veetransportbedrijven); de FOCWA (Nederlandse vereniging van ondernemers in het carosseriebedrijf); N.V. Luchthaven Schiphol. Over het ontwerp-Besluit wrakke dieren hebben voorts geadviseerd: de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten (CTW); de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde; de Nederlandse Vereniging van Noodslachters. Hoofdpunten in de adviezen betreffen de verplichting tot certificering voor binnenlands vervoer verder dan 50 km, waarop nader wordt ingegaan in de toelichting bij artikel 2, en de wenselijkheid van een (gedeeltelijk) vervoersverbod voor wrak vee, waaraan aandacht zal warden besteed in de toelichting bij artikel 5. Het PVV, de SAVEETRA, het Bedrijfschap voor de Handel in Vee en de FOCWA vragen waarom over het concept-besluit geen overleg is geweest in de Begeleidingscommissie Dierenvervoer. Omdat het onderhavige besluit in hoge mate wordt bepaald door richtlijn 91/628/EEG en - met de deelnemers van genoemd overleg tezamen met andere belanghebbenden en voorzover het communautaire vergaderschema dat toeliet - over voorstellen van deze richtlijn met de betrokkenen van gedachten is gewisseld, is het niet nodig geoordeeld om voorafgaand aan de advies ronde over het concept-besluit in de Begeleidingscommissie Dieren vervoer overleg te voeren. Staatsblad 1994 806 13 Op de opmerkingen van de CTW die specifiek betrekking hebben op de wijze waarop het vervoer van zieke en gewonde dieren wordt geregeld, zal in de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 10 tot en met 16 nader warden ingegaan. Het advies van de CTW werpt echter meer algemene en fundamentele vragen op omtrent de wenselijkheid en de vorm van regelgeving betreffende het dierenwelzijn, in het bijzonder van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren waarop hier wordt ingegaan. De CTW wijst allereerst terecht op de beperkingen van regelgeving op dit terrein. Welzijnsbeleid kan pas echt succesvol zijn als er een mentaliteits verandering in de samenleving plaatsvindt, hetgeen vraagt om de inzet van instrumenten als welzijnsonderzoek, voorlichting en onderwijs. Aan deze instrumenten wordt oak zeker aandacht besteed. Met de structuur van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren die de basis is van onder meer het onderhavige besluit, is de CTW niet gelukkig. De Commissie meent dat sprake is van te veel delegatie en dat de delegatie zelf te open en te weinig in de wet zelf genormeerd is. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Voor de definitiebepalingen is aangesloten bij de definities van artikel 2 van richtlijn 91/628/EEG. Ter verduidelijking zij opgemerkt dat onder de in onderdeel b bedoelde container oak een zogenaamde wissellaadbak wordt begrepen. De RDA, het PW en het Bedrijfschap voor de Handel in Vee, de SAVEETRA en de FOCWA menen dat de eis van ten minste tien uur rust in onderdeel f, onder 2°, bezwaarlijk is en geven de voorkeur aan de formulering onder 4°. Zoals in onderdeel f is aangegeven gaat het hier om alternatieve mogelijkheden. lndien de betreffende verzamelplaats voldoet aan het gestelde onder 4°, mag deze plaats als plaats van vertrek warden beschouwd. Naar aanleiding van een opmerking van het Landbouwschap terzake zij vermeld dat uit de definitie van plaats van bestemming in onderdeel g volgt dat hieronder niet wordt verstaan een halte- of overlaadplaats. In de onderdelen h en i zijn voorts definities opgenomen van halteplaats onderscheidenlijk overlaadplaats. Artikel 2 Richtlijn 91/628/EEG bepaalt in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, dat dieren waarop de richtlijn van toepassing is slechts vervoerd mogen warden indien zij geschikt zijn voor de reis. Daaraan wordt in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voor het vervoer naar het buitenland uitvoering gegeven door in artikel 58 een geschiktheids certificaat te eisen voor vervoer in de uitoefening van of ten behoeve van een beroep, onderneming of bedrijf, van aan te wijzen soorten en categorieen van dieren. Onder buitenland moet warden verstaan een andere lid-staat of een derde land. In het onderhavige artikel warden de soorten en categorieen van dieren aangewezen. In overeenstemming met artikel 1 van richtlijn 91/628/EEG gaat het hierbij om alle soorten van dieren. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren heeft, tenzij uitdruk kelijk anders is bepaald, slechts betrekking op gehouden dieren. Van gehouden dieren kan warden gesproken zodra het dier in de beschikkings macht van de mens is hetgeen bij transport altijd het geval zal zijn. Voor het onderhavige besluit is derhalve niet van belang of het dier voordat het wordt vervoerd een gehouden dier is of in het wild leeft. Anders dan in het ontwerp van dit besluit zoals dat om advies is uitgestuurd, geldt de certificeringsplicht alleen voor het buitenlands Staatsblad 1994 806 14 vervoer en voorzover voor die dieren een veterinairrechtelijk uitvoer document (een zogenaamd gezondheidscertificaat) op grand van de artikelen 77 en 78 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is vereist. De aanvankelijk met het oog op de eenheid van het controle-regime voor binnen- en buitenlands vervoer voorgestelde certificering voor binnenlands vervoer verder dan 50 km is in de adviesronde op veel verzet gestuit. In de adviezen van het PW, het Produktschap voor Pluimvee en Eieren, het Bedrijfschap voor de Handel in Vee, het Bedrijfschap Pluimvee handel en -industrie, de SAVEETRA en de FOCWA, wordt hiertegen bezwaar gemaakt. Zo zou binnenlandse certificering a Ileen al voor de pluimveesector leiden tot ongeveer 100 000 formulieren per jaar extra. Ook in het advies van de RDA wordt hierbij een kanttekening geplaatst. Naar aanleiding van de adviezen is opnieuw een afweging gemaakt, mede in het licht van de hoge uitvoeringslasten van deze certificeringsplicht. Besloten is om in het onderhavige besluit deze verplichting niet op te nemen waarbij de volgende overwegingen mede een rol hebben gespeeld. Richtlijn 91/628/EEG verplicht de lid-staten erop toe te zien dat dieren die verder dan 50 km warden vervoerd geschikt zijn voor vervoer. De richtlijn verplicht niet tot certificering op basis van een toetsing op geschiktheid vooraf voor zuiver binnenlands vervoer. Bij grensoverschrijdend vervoer van levende dieren vindt op basis van de nationale en europeesrechtelijke veterinaire voorschriften een toetsing op diergezondheid en certificering vooraf plaats. In die gevallen kan gelijktijdig een toets en certificering op geschiktheid voor het vervoer als bedoeld in richtlijn 91/628/EEG plaatsvinden. De laatstgenoemde richtlijn gaat er blijkens artikel 6, tweede lid, ook van uit dat in die gevallen zowel een toets op gezondheid als op geschiktheid plaatsvindt en een certificaat wordt verstrekt. Op die manier ontstaat een voor alle vervoerders en uitvoerders overzichtelijk systeem waarin de veterinaire controle en de geschiktheidscontrole zijn ge"inte greerd. Ook de procedures voor de melding van het voorgenomen vervoer, de aanvraag van de certificaten en de organisatie van de controle warden in een ministeriele regaling, mede op basis van dit besluit, ondergebracht. Voor het binnenlands vervoer zal de controle op de geschiktheid van de dieren - evenals onder de Wet op het dierenvervoer het geval was plaatsvinden door dierentransporten steekproefsgewijs te controleren. Voorts kunnen in voorkomende gevallen overtredingen achteraf geconsta teerd warden op marktplaatsen en slachthuizen. Artikel 3 Zoals in de toelichting bij artikel 2 uiteen is gezet, zullen de gezondheidscertificaten en de certificaten die verklaren dat de dieren geschikt zijn voor het vervoer warden ge·integreerd. De gezondheids certificaten zullen daartoe aangevuld warden en warden aangewezen als certificaat als bedoeld in artikel 58 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Overigens is het thans op grand van artikel 3 van de Wet dierenvervoer vereiste welzijnscertificaat al in een aantal gevallen ge"integreerd in het gezondheidscertificaat. De certificaten kunnen per diersoort of categorie van dieren verschillen. Door de veelvuldige wijzigingen die met name op communautair niveau in de certificaten warden aangebracht, is ervoor gekozen de verschillende certificaten bij ministeriele regaling vast te stellen. Het onderhavige artikel biedt in het eerste lid daarvoor de basis. Het tweede lid van artikel 3 vormt mede de wettelijke basis voor de onder artikel 2 genoemde ge"integreerde Staatsblad 1994 806 15 regeling voor de melding van voorgenomen vervoer, de aanvraag van de certificaten en de organisatie van de controle. Artikel 4 Artikel 60 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld omtrent het vervoer van aangewezen soorten en categorieen van dieren. Het gaat hier met name om de eisen die met het oog op het welzijn van het dier gesteld worden aan de omstandigheden waaronder en de transportmiddelen waarmee dieren worden vervoerd, alsmede de beladingsdichtheid en de duur en afstand van het vervoer. Op basis van artikel 60 kan ook door middel van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren uitvoering worden gegeven aan de eisen die richtlijn 91/628/EEG aan het vervoer stelt. Het onderhavige artikel wijst in overeenstemming met artikel 1 van richtlijn 91/628/EEG soorten en categorieen van dieren aan waarvoor de vervoerseisen gelden. Hoewel uit artikel 1, eerste lid, van de richtlijn geconcludeerd kan worden dat eenvoudigweg alle dieren onder de richtlijn vallen, wordt niettemin een opsomming van de verschillende categorieen en soorten gegeven. Hiermee wordt de systematiek gevolgd van richtlijn 91/628/EEG die voor de onderscheiden dieren een verschillend regime voorschrijft. Overigens is in het Besluit dierenvervoer dezelfde systematiek gevolgd. Op grond van het tweede lid mag het vervoer van die dieren slechts geschieden indien aan de gestelde eisen is voldaan. Daarop wordt in navolging van artikel 1, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 91/628/EEG in het derde lid een uitzondering gemaakt voor niet-beroepsmatig vervoer van gezelschapsdieren. Voorts is een uitzondering op het bepaalde in het tweede lid gemaakt voor vervoer van vee in aanhangwagens met traktor. Het laatste is alleen toegestaan indien dit vervoer noodzakelijk is om het vee naar een andere weide over te brengen of tussen weide en stal te vervoeren en indien het vervoermiddel voldoet aan door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen eisen. Ook op grond van de Wet dierenvervoer is voor die wijze van vervoer in de Beschikking vrijstelling landbouwvoertuigen onder voorwaarden een uitzondering gemaakt op het vervoersregime. In navolging van het bestaande regime voor veevervoer op basis van de Wet dierenvervoer gelden de eisen die aan het vervoer worden gesteld in de artikelen 5 tot en met 9 en artikel 16 ongeacht de afstand waarover de dieren worden vervoerd. De overweging daarbij is dat de voorschriften zodanig zijn dat niet valt in te zien waarom daaraan niet voldaan zou moeten zijn als de dieren over een korte afstand worden vervoerd. Richtlijn 91/628/EEG staat in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, toe dat nationals voorschriften worden gesteld voor vervoer van minder dan 50 km. Artikel 5 De integratie van het oorspronkelijke ontwerp-Besluit dierenvervoer met het ontwerp-Besluit wrakke dieren en het vervallen van binnenlandse certificering heeft tot aanpassing van artikel 5 geleid. Bij de formulering is zoveel mogelijk aangesloten bij artikel 3 van richtlijn 91/628/EEG. De systematiek is in grote lijnen als volgt. Alleen dieren die geschikt zijn voor de reis mogen worden vervoerd. Een ziek of gewond dier mag worden vervoerd indien het licht gewond of licht ziek is en het niet onnodig lijdt. Staatsblad 1994 806 16 Meer dan licht gewonde of licht zieke dieren mogen alleen ter noodslachting of voor een diergeneeskundige behandeling warden vervoerd mits zij niet onnodig lijden. In aanvulling op de eisen die gelden voor het vervoer van gezonde dieren, zijn voor het vervoer van ziek en gewond vee aanvullende voorschriften gesteld. Ten eerste mag meer dan licht ziek of gewond vee slechts vervoerd warden indien dit vervoer geschiedt overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14. Ten tweede wordt door middel van het derde lid van artikel 5 en in overeenstemming met het advies van de RDA, buiten twijfel gesteld dat paarden en runderen met een of meer botbreuken die zich niet meer zelfstandig kunnen voortbewegen, warden geacht onnodig te lijden en derhalve niet vervoerd mogen warden, tenzij ten behoeve van hun diergeneeskundige verzorging. Het advies van de RDA om ook het vervoer van niet mobiel vee dat niet meer te valoriseren is te verbieden, is niet overgenomen. Zoals ook de RDA aangeeft, is in de praktijk reeds een ontwikkeling in gang gezet om dergelijke dieren zoveel mogelijk op het bedrijf te laten doden of slachten omdat ze weinig tot niets opbrengen. Dit geldt temeer daar de kosten van het vervoer van wrak vee overeenkomstig dit besluit wat hoger zullen zijn dan van het reguliere dierenvervoer. Macht toch tot vervoer warden overgegaan dan zal in het merendeel van de gevallen anders dan bij paarden en runderen met botbreuken - onnodig lijden van het dier voorkomen kunnen warden als het wordt vervoerd overeen komstig de artikelen 10 tot en met 14. Is niettemin evident sprake van onnodig lijden, dan kan op basis van artikel 5, eerste lid, warden opgetreden. Op grand van deze overwegingen is geen vervoersverbod voor deze door de RDA voorgestelde categorie opgenomen. Teneinde een idee te geven van wat moet warden verstaan onder dieren die vanwege een meer dan lichte verwonding of ziekte niet geschikt zijn voor het vervoer kunnen de volgende concrete aanwijzingen warden gehanteerd: algemene ziekteverschijnselen, bijvoorbeeld gepaard gaande met een duidelijke temperatuursverhoging of ernstige vermagering; onmogelijkheid voor het dier om te staan; botbreuken die de beweging belemmeren; sterk verwaarloosde klauwen, acute gewrichtontstekingen, peesschede-ontstekingen en dergelijke, die zich uiten in zwelling, warmte en pijn, wanneer het been niet of nauwelijks wordt belast; verlamming van het bewegingsapparaat met bijkomende verschijn selen zoals ligplekken en spieratrophie; uitgebreide verwondingen. Deze kenmerken komen overeen met de kenmerken dieter controle op de naleving van artikel 13 van het Besluit dierenvervoer zijn gehanteerd. Zij zijn ook opgenomen in het in § 3 van het algemene deel van deze nota van toelichting genoemde «Vlugschrift voor de Landbouw nr. 411 ». De RDA en de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren uiten bezwaren tegen het toestaan in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van vervoer met het oog op wetenschappelijk onderzoek. Nu richtlijn 91/628/EEG in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, het vervoer van dergelijke dieren toestaat ten behoeve van door de bevoegde autoriteiten goedge keurd onderzoek, is het niet mogelijk in het onderhavige besluit aan dit vervoer strengere eisen te verbinden. Gelet op artikel 66, eerste lid, onderdeel d, van de Gezondheids- en welzijnwet voor dieren waarin voor vervoer van dieren waarbij biotechno logische handelingen zijn verricht een vergunning wordt vereist, is artikel 5, tweede lid, onderdeel c van dit besluit op dit punt aangevuld. Staatsblad 1994 806 17 Artikel 6 Dit artikel komt overeen met artikel 4 en artikel 5, tweede onderdeel, van richtlijn 91/628/EEG. Zoals in de toelichting bij artikel 4 van dit besluit is vermeld, gelden de voorschriften voor het vervoer ongeacht de afstand waarover wordt vervoerd. Een aantal bepalingen is echter - gelet op hun karakter - slechts van toepassing indien de reis meer dan 50 km bedraagt. Zo zijn identifi catie en registratie alsmede het reisschema (artikel 6, tweede lid) slechts verplicht voor afstanden verder dan 50 km. Van het aanvullend voorschrijven van een reisschema voor reizen van minder dan 24 uur, zoals door de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren is gevraagd, is hier afgezien. Een reisschema is vooral van belang voor de langere reizen die dus veelal grensoverschrijdend zijn. Nu voor reizen korter dan 24 uur geen EG-rechtelijk verplicht reisschema geldt, zal er buiten Nederland geen controle op de naleving plaatsvinden. Het nationaal voorschrijven van zo'n schema heeft dan geen zin. Het zesde lid geeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de mogelijkheid om opleidingen ter verkrijging van de nodige vakbe kwaamheid voor dierenvervoerders aan te wijzen. Het bedrijfsleven is bezig dergelijke opleidingen op te zetten in samenwerking met het landbouwonderwijs. Of de Minister daadwerkelijk over zal gaan tot aanwijzing van opleidingen wanneer deze zijn ontwikkeld - zoals de RDA wil weten - hangt af van de noodzaak daartoe. lndien zonder aanwijzing de verwerving van de benodigde kennis en bekwaamheid in de praktijk niet bevredigend blijkt te zijn, zal tot aanwijzing warden overgegaan. De formulering van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is naar aanleiding van de adviezen van het Bedrijfschap Pluimveehandel en -industrie en het Produktschap voor Pluimvee en Eieren verduidelijkt. De RDA wijst erop dat nergens is voorgeschreven dat de dieren ook daadwerkelijk verzorgd moeten warden. In reactie hierop wordt erop gewezen dat de voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij artikel 91/628/EEG, via artikel 7 van dit besluit onverkort van toepassing zijn. Zo bepaalt punt 7, van hoofdstuk I, onder A, van de bijlage dat de dieren verzorgd, gedrenkt, gevoederd en zo nodig gemolken moeten warden. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing verklaard in de hoofdstukken Ill en IV van de bijlage. Artikel 7 In artikel 3, eerste lid, van richtlijn 91/628/EEG wordt bepaald dat het vervoer van de onderscheiden soorten en categorieen van dieren dient te geschieden overeenkomstig de bijlage bij de richtlijn. De inhoud van de bijlage komt overeen met wat reeds voor het vervoer van de verschillende diersoorten wordt bepaald in het Besluit dierenvervoer. De in de bijlage opgenomen eisen zijn veelal specifiek en gedetailleerd. Gelet op de aard van de voorschriften, waarbij aan de lid-Staten van de Europese Gemeenschappen geen beleidsruimte wordt gegeven en waarbij omzetting in nationale regelgeving neerkomt op het eenvou digweg overschrijven van de bijlage, is er in het onderhavige artikel voor gekozen om rechtstreeks te verwijzen naar de bijlage bij richtlijn · 91/628/EEG. Met nadruk wordt erop gewezen dat derhalve de voorschriften in de bijlage bij de richtlijn onverkort van toepassing zijn. Zo is de door het Produktschap voor Pluimvee en Eieren en het Bedrijfschap Pluimveehandel en -industrie gevraagde afwijking van het voorschrift dat aan pluimvee voer en water beschikbaar moet warden gesteld indien de reis langer dan 12 uur is, niet mogelijk. Staatsblad 1994 806 18 Omdat in de richtlijn is aangegeven dat voor het vervoer van bepaalde diersoorten en voor vervoerstijden, rustperioden, beladingsdichtheid en vervoermiddelen nog nadere communautaire eisen warden gesteld (artikel 3, derde lid, en artikel 13, eerste lid) is voorts in het vijfde lid van artikel 7 een basis geschapen voor het stellen van nadere regelen terzake door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Dit geeft de mogelijkheid om snel uitvoering te geven aan de vast te stellen nadere communautaire voorschriften. Zolang deze nog niet zijn vastgesteld, kunnen de lid-staten zelfvoorschriften terzake stellen. De op basis van het vijfde lid op te stellen ministeriele regaling zal inhoudelijk grotendeels overeenkomen met de thans bestaande Regaling wegvervoer vee en pluimvee 1980 en de Regaling luchtvervoer van dieren. In dit verband wordt door de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren en Rechten voor al wat leeft, een beperking aan (de duur van) het vervoer van slachtvee bepleit. Hoewel ter invulling van artikel 13 van richtlijn 91/628/EEG en in afwachting van communautaire regelgeving, nationaal beperkingen kunnen warden gesteld aan de maximale transportduur van slachtvee, wordt vanuit het oogpunt van controleer baarheid en effectiviteit een dergelijke beperking niet mogelijk geacht zolang andere lid-staten deze beperkingen niet stellen. Artikelen 8 en 9 Artikel 8 heeft betrekking op vervoerders die met winstoogmerk vervoeren en geeft uitvoering aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn 91/628/EEG, waarin voor die categorie van vervoerders onder meer een verplichte registratie is geregeld. Deze verplichting wordt voor het grootste deel van het vervoer, te weten het vervoer van vee over de weg, ten uitvoer gelegd via de registratie van de voertuigen zoals geregeld in artikel 9. Hiermee wordt tevens voorzien in preventief toezicht voor het merendeel van de dierenvervoermiddelen, temeer daar niet-beroepsmatige veevervoerders hun voertuigen ook ter keuring en registratie moeten aanbieden. Omdat de kans op misstanden bij het veevervoer over de weg het grootst is, blijft de preventieve toetsing van de vervoermiddelen beperkt tot die categorie. Voor het overige dieren vervoer zal repressief toezicht op de vervoermiddelen plaatsvinden. Dit komt overigens overeen met de praktijk op grand van het Besluit dierenvervoer. De nadere regelen die op basis van het tweede lid van artikel 9 van het onderhavige besluit gesteld kunnen warden, zullen dan ook overeen komen met de bestaande regelen in het Besluit dierenvervoer, de Regeling wegvervoer vee en pluimvee 1980 en de Beschikking aanbrenging dierenvervoerplaat betreffende de keuring, de vaststelling van het model en de geldigheidsduur van het keuringsbewijs. Artikel 10 In § 5 van het onderhavige besluit zijn de artikelen opgenomen die deel uitmaakten van het ontwerp-Besluit wrakke dieren zoals dat om advies is verzonden. Artikel 5, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het onderhavige besluit bepaalt dat vervoer van meer dan licht zieke of meer dan licht gewonde dieren slechts ten behoeve van een noodslachting of diergeneeskundige verzorging mag geschieden. Uiteraard moet dit vervoer voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften. Bovendien moet in geval van meer dan licht ziek of licht gewond vee het vervoer overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 geschieden. Onder noodslachting wordt verstaan het - al dan niet op last van een dierenarts - slachten van zieke of van ziekte verdachte dieren in de zin van hoofdstuk II, punt 14, onder e, en hoofdstuk VI, punt 28, van bijlage I bij Staatsblad 1994 806 19 richtlijn 64/433/EEG inzake de gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vers vlees (PbEG 1964, L 121). Richtlijn 64/433/EEG stelt ter zake van het slachten van zieke of van ziekte verdachte dieren, regels omtrent keuring, diagnose en slachtproces. Er warden geen regels gesteld met het oog op het welzijn van de betrokken dieren. Aan de richtlijn wordt uitvoering gegeven via het Besluit produktie en handel vers vlees op basis van de Vleeskeuringswet (vlees bestemd voor gebruik binnen Nederland) en de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985 op basis van de Veewet (vlees bestemd voor de export). Dieren die op grand van artikel 10 naar het slachthuis warden vervoerd, dienen aldaar te warden geslacht overeenkomstig de Europese eisen zeals deze in de Nederlandse wetgeving ten uitvoer zijn gelegd. In de praktijk zal - gelet op het voorschrift van artikel 15, eerste lid, dat het vee binnen twee uur na aankomst op het slachthuis moet warden geslacht- het vervoer van ziek of van ziekte verdacht vee doorgaans als bestemming een erkende noodslachtplaats of een erkend noodslacht lokaal hebben. Op die plaatsen kan ziek of van ziekte verdacht vee immers altijd, zonder afspraken vooraf, binnen dat tijdsbestek warden geslacht. Overeenkomstig het merendeel van de adviezen is aan dit artikel toegevoegd dat ook een ander slachthuis dan het dichtstbijzijnde mag warden gekozen mits niet verder weg dan 50 km. De afstand wordt gerekend vanaf de plaats van inladen. Het moge duidelijk zijn dat ingeval een dier van een veebedrijf wordt afgevoerd, hiermee wordt bedoeld de plaats van herkomst van het dier en niet een willekeurig bedrijf waar het wrakke dier tijdelijk is ondergebracht met het oog op verder vervoer naar het slachthuis. Het is immers niet de bedoeling dat verzamelplaatsen van wrakke dieren gaan ontstaan. Het vervoer dient overeenkomstig artikel 10 dan ook zonder onderbreking te geschieden. Artikel 11 Op grand van artikel 7 van dit besluit geldt voor het in- en uitladen punt 4 van hoof.dstuk I, ender A, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG: bij het in- en uitladen moet gebruik warden gemaakt van daarvoor geschikte middelen. lijdens het vervoer, met inbegrip van het in- en uitladen, mogen de dieren niet bij kop, horens, paten, staart of vacht warden opgetild of over de grand gesleept. Voor ziek en gewond vee wordt in het onderhavige artikel daaraan toegevoegd dat voor het in -en uitladen van vee dat zich niet meer op eigen kracht kan voortbewegen een hulpmiddel moet warden gebruikt. Overeenkomstig het advies van de CTW is gekozen voor een meer open omschrijving van het hulpmiddel. Artikelen 12 tot en met 14 Het wrakke dier is dikwijls niet meer geheel mobiel en loopt daardoor de kans om tijdens het vervoer te warden vertrapt of anderszins op pijnlijke wijze met andere dieren in aanraking te komen. Bij het in- en uitladen en onderweg bijladen van andere. (gezonde) dieren vormt het wrakke dier bovendien een obstakel wat tot ongewenste taferelen kan leiden. Om die reden is in artikel 12 bepaald dat wrakke dieren niet tezamen met andere dieren in een vervoermidel mogen warden vervoerd. Artikel 13 geeft aan dat bij het vervoer van wrak vee hogere eisen moeten warden gesteld aan het comfort van de dieren door te bepalen dat de dieren zacht moeten kunnen liggen en staan. Overeenkomstig het advies van de CTW is er - anders dan in het oorspronkelijke concept - van afgezien om uitputtend te beschrijven welke materialen voor de bedding moeten warden gebruikt. Over het gebruik van rubber op de vloer zeals bepleit door het PW en het Landbouwschap, moet gewezen warden op Staatsblad 1994 806 20 punt 8 van hoofdstuk I, onder A, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG dat mede van toepassing is op het vervoer van wrak vee (artikel 4, tweede lid, juncto artikel 7 van dit besluit). Met dit punt wordt beoogd te voorkomen dat het dier in zijn eigen uitwerpselen ligt. Bovendien moet de vloer zo zijn dat het dier niet kan uitglijden. Bij gebruik van een rubber vloer zal het zeer moeilijk zijn om aan deze eisen te voldoen. Het gebruik van rubber als bekleding van een brancard of lorrie, zoals voorgesteld door het PW en de Nederlandse Vereniging van Noodslachters, kan het comfort van het dier bij het gebruik van dit hulpmiddel aanzienlijk vergroten en kan warden toegejuicht. Oak voor wrak vee geldt het voorschrift van punt 2, onderdeel a, van hoofdstuk I, onder A, van de bijlage bij de richtlijn, dat de dieren over voldoende ruimte moeten beschikken om in hun natuurlijke houding rechtop te blijven staan en plaats moeten hebben om te gaan liggen. Derhalve is dit - anders dan in het oorspronkelijke concept - niet afzonderlijk bepaald. Naar aanleiding van het advies van de CTW en de gedachtenwisseling in de vaste Commissie voor Landbouw en Natuurbeheer is het oorspron kelijke artikel 6 van het ontwerp-Besluit wrakke dieren heroverwogen. Oat artikel stand het bijladen van wrakke dieren toe mits het vervoer onmid dellijk na het bijladen werd voortgezet. Gelet op de beperkte handhaaf baarheid hiervan mede in combinatie met het voorschrift in artikel 10 dat de dieren naar de dichtstbijzijnde slachtplaats of een andere daarvoor in aanmerking komende slachtplaats niet verder dan 50 km vanaf de inlaadplaats moeten warden vervoerd, is dit artikel in het onderhavige besluit komen te vervallen. lndien op een plaats slechts een of enkele wrakke dieren in aanmerking komen voor vervoer ter noodslachting, zal hiervoor een aparte rit moeten warden gemaakt. Is de toestand van het dier zo slecht dat naar verwachting de opbrengst laag zal zijn, dan kan de veehouder de afweging maken tussen de kosten voor dit vervoer en die van het ter plekke laten doden of slachten. Op deze wijze wordt het welzijn van het dier het meeste gediend. Artikel 14 bepaalt dat het opnieuw inladen van eenmaal uitgeladen wrak vee niet is toegestaan. Onder in- en uitladen wordt oak verstaan het overladen van een dier van het ene vervoermiddel in het andere. Onderweg wrak geworden vee mag - indien het zich op een andere plaats bevindt dan een slachthuis - wel warden vervoerd overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14, eerste lid. Het vervoeren van onderweg wrak geworden vee van het ene slachthuis naar het andere - zoals het Bedrijfschap voor de Handel in Vee wenst - wordt niet toegestaan. Juist dit vervoer heeft in de praktijk tot veel misstanden geleid. Artikel 15 Uitgangspunt van dit artikel is dat wrak vee zo spoedig mogelijk na aankomst op het slachthuis moeten warden geslacht. lndien de wrakke dieren naar een bijzondere slachtplaats (noodslachtplaats) warden vervoer zal het terstond slachten geen probleem zijn. Zoals in het algemeen deel van deze nota van toelichting uiteen is gezet is dit bij gewone slachthuizen - vooral indien zij niet beschikken over een aparte ruimte voor het slachten van zieke en van ziekte verdachte dieren minder gemakkelijk. Om onnodig lang lijden van de wrakke dieren te voorkomen is artikel 15 bepaald dat de dieren binnen twee uur na aankomst op de slachtplaats moeten warden geslacht. Kan dit niet dan moet het dier door de keuringsdierenarts met een centraal depressief middel warden gedood dan wel onder diens toezicht op een andere wijze warden gedood. Wanneer van een centraal depressief middel gebruik Staatsblad 1994 806 21 wordt gemaakt, zal het vlees afgekeurd warden en bestemd warden voor destructie. Het zal duidelijk zijn dat dit - zoals de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde en Rechten voor al wat leeft ook opmerken - economische gevolgen kan hebben. Juist hierdoor zal er echter een stimulans van uitgaan om met het slachthuis van tevoren afspraken te maken. Als het dier op andere wijze wordt gedood, kan eventueel na keuring het slachtproces warden voortgezet. De in artikel 15 neergelegde regaling was reeds aangekondigd in het eerder genoemde «Vlugschrift voor de Landbouw nr. 411 ». Zoals in § 3 van het algemeen deel van deze toelichting is vermeld, zal na inwerkingtreding van artikel 44 en de algemene maatregel van bestuur die uitvoering geeft aan richtlijn 93/119/EG dit artikel kunnen vervallen. Artikel 16 Met dit artikel wordt het communautaire veterinaire controlesysteem van overeenkomstige toepassing verklaard op het vervoer van dieren. Deze controle dient op grand van artikel 8 onderscheidenlijk artikel 11, eerste lid, van richtlijn 91/628/EEG te geschieden overeenkomstig richtlijn 90/425/EEG (intracommunautair vervoer) en richtlijn 91/496/EEG (vervoer uit derde landen). Omdat het hier gaat om rechtstreeks uit de richtlijnen voorvloeiende voorschriften van vooral technische aard - zoals certificering, controle van dieren, voertuigen en documenten - die bovendien op communautair niveau veelvuldig warden gewijzigd, is ervoor gekozen om de controle nader bij ministeriele regaling te regelen. Het onderhavige artikel biedt daarvoor de basis. Zoals onder artikel 2 van deze nota van toelichting is aangegeven gaat het hier om een regaling waarin de veterinaire controle en de vervoerscontrole zijn ge'integreerd. Artikel 17 Op grand van artikel 117 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn de ambtenaren die zijn belast met de opsporing, bevoegd een aantal maatregelen te nemen, wanneer er in strijd met de vervoersbepa lingen van de wet of dit besluit is gehandeld. Artikel 9 van richtlijn 91/628/EEG geeft eveneens een opsomming van maatregelen die in zo'n geval kunnen warden getroffen. Voor de daar genoemde mogelijkheid om de dieren adequaat onder te brengen, de reis te doen stopzetten, de dieren terug te zenden en de dieren te laten slachten biedt artikel 117 van de wet geen basis. Deze maatregelen zijn daarom in het onderhavige artikel toegevoegd aan de in artikel 117 genoemde maatregelen onder de in het het tweede en het derde lid van dat artikel genoemde voorwaarden. De hier gekozen constructie is gebaseerd op artikel 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren waarin de mogelijkheid is geschapen om ter uitvoering van communautaire verplichtingen regelen te stellen waarbij kan warden afgeweken van bepalingen van de wet. De verplichting die richtlijn 91/628/EEG de lid-staten terzake oplegt geldt, gelet op het toepassingsbereik van de richtlijn zoals geformuleerd in artikel 1, slechts voor dierenvervoer verder dan 50 km. Op termijn wordt met het oog op het bovenstaande een wijziging van artikel 117 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voorzien. Ter verduidelijking en naar aanleiding van een opmerking van de RDA en het PW wordt erop gewezen dat de maatregelen, bedoeld in artikel 117, van de wet - waaronder het verschaffen van rust en voedsel aan de dieren - onverkort kunnen warden toegepast. Staatsblad 1994 806 22 Artike/ 18 De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij houdt twee registers bij: het eerste register betreft de eigenaren en houders van voertuigen waarvoor op basis van artikel 9 een bewijsstuk is afgegeven. Het gaat hier om beroepsmatige en niet-beroepsmatige vervoerders van vee over de weg. Het tweede register betreft de vervoerders met winstoogmerk die op grond van artikel 8 verplicht zijn zich te laten registreren. Om te voorkomen dat beroepsmatige veevervoerders zich tweemaal moeten laten registreren, eenmaal als eigenaar of houder van een voertuig en eenmaal als beroepsvervoerder, is in het tweede lid van het onderhavige artikel bepaald dat hun registratie als eigenaar of houder van het voertuig tevens geldt als registratie in het vervoerdersregister. Nagegaan wordt of er in de praktijk mogelijkheden zijn tot afstemming met andere reeds bestaande registraties zoals bepleit door het Produkt schap voor Pluimvee en Eieren. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen Staatsblad 1994 806 23 Transponaringstabal Richtlijn 91/628/EEG artikel 1, eerste lid tweede lid artikel 2, eerste lid tweede lid, onderdeel a onderdeel b onderdeel c onderdeel d onderdeel e onderdeel f onderdeel g artikel 3, eerste lid, onderdeel a onderdeel b onderdeel c tweede lid derde lid artikel 4 artikel 5, onderdeel 1, onder a onder b onderc onderdeel 2, onder a onderb onderc onderd ondere onderf onderg artikel 5, onderdeel 3 artikel 6 artikel 7 artikel 8 artikel 9 artikel 10 artikel 11 artikel 12 artikel 13, eerste tot en met derde lid vierde lid artikelen 14 tot en met 22 Bijlage bij richtlijn 91/628/EEG Staatsblad 1994 806 Besluit dierenvervoer 1994 artikel 4, eerste lid derde lid artikel 1, onderdeel b onderdeel c onderdeel h onderdeel i onderdeel f onderdeel g onderdeel j artikel 7 artikel 5 artikel 6, vierde lid artikel 5, tweede lid, onderdeel b, en artikelen 10 tot en met 14 artikel 6, tweede lid, onderdeel a artikelen 8, 9 en 18 artikel 9, eerste lid, en artikel 7, eerste lid artikel 7, eerste lid artikel 6, eerste lid, onderdeel a artikel 6, eerste lid, onderdeel c artikel 6, eerste lid, onderdeel d artikel 6, eerste lid, onderdeel b artikel 6, tweede lid, onderdeel b artikel 6, derde lid artikel 6, vijfde lid artikel 16 en ministeriele regaling artikel 17 en artikel 117 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren artikel 16 en ministeriele regaling artikel 7, vijfde lid, en ministeriele regaling artikel 7, eerste lid 24