跳到主要内容
Nelum
荷兰的法律

Decree No. 685 of 1996 amending the Decree on the use of organic manure and the Decree on quality and use on remaining organic fertilizing substances

颁布于 1996-12-20 · 文本截至 2026-10-01

以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。

研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。

关于这部法律

语言
Dutch
类型
条例
组织
European Union
国家
荷兰
主题
Land and soil, Cultivated plants
关键词
pollution control, soil pollution/quality, soil conservation/soil improvement, fertilizers/nutrients, plant production
类别
agriculture

在哪里阅读

    该法律没有记录来源链接。

文本

所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。

  1. 685 Besluit van 20 december 1996, houdende een wijziging van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen alsmede van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 september 1996, nr. J.968624, Directie Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 7 en 15 van de Wet bodembescherming; De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1996, no. W11.96.0448) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur beheer en Visserij, mede namens onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 16 december 1996, no. J.9611684, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Het Besluit gebruik dierlijke meststoffen1 wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1, eerste lid, onderdeel n, wordt na de woorden «per drie jaar» een komma ingevoegd, gevolgd door de woorden: met dien verstande dat geen sprake is van een veenkoloniaal bouwplan in de periode dat op de desbetreffende grond bloembollen worden geteeld. B In artikel 7 wordt onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, een nieuw derde lid ingevoegd, luidende: 3. Het in het eerste lid bedoelde verbod is met ingang van 1 januari 1997 niet van toepassing op gronden waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt uitgeoefend, indien deze gronden zijn gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage I bij dit besluit behorende kaarten, alsmede op gronden in gebruik als bouwland, maı̈sland of niet-beteelde grond, indien deze gronden zijn gelegen op Texel. Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1996 Staatsblad 1996 685 1 • ~E JE MAINTIENDRAI C Aan artikel 8 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: Het in het derde lid bedoelde verbod is met ingang van 1 januari 1997 niet van toepassing in de periode van 1 tot en met 15 september op gronden die zijn gelegen in andere gebieden dan zijn aangegeven op de als bijlage I bij dit besluit behorende kaarten. D In artikel 8d worden de woorden «de desbetreffende districtsbureau houder» vervangen door: de Dienst Landelijke service bij regelingen (LASER). ARTIKEL II Het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen2 wordt als volgt gewijzigd: A Aan artikel 30 wordt een derde lid toegevoegd, luidende: 3. Het in het eerste lid bedoelde verbod is met ingang van 1 januari 1997 niet van toepassing op gronden waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt uitgeoefend, indien deze gronden zijn gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage I bij het Besluit gebruik dierlijke meststoffen bedoelde kaarten, alsmede op gronden in gebruik als bouwland, maı̈sland of niet-beteelde grond, indien deze gronden zijn gelegen op Texel. B Aan artikel 31 wordt een derde lid toegevoegd, luidende: 3. Het in het eerste lid, onderdeel c, en in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde verbod is met ingang van 1 januari 1997 niet van toepassing in de periode van 1 tot en met 15 september op gronden die zijn gelegen in andere gebieden dan zijn aangegeven op de als bijlage I bij het Besluit gebruik dierlijke meststoffen behorende kaarten. C In artikel 35 worden de woorden «de desbetreffende districtsbureau houder» vervangen door: de Dienst Landelijke service bij regelingen (LASER). ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Staatsblad 1996 685 2 Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 20 december 1996 Beatrix De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Margaretha de Boer Uitgegeven de dertigste december 1996 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager 6S0712 ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 1996 1 Stb. 1991, 386; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 november 1995, Stb. 573. 2 Stb. 1995, 349; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 november 1995, Stb. 573. Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Minis terie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 januari 1997, nr. 9. Staatsblad 1996 685 3 NOTA VAN TOELICHTING 1. Algemeen Het onderhavige besluit voorziet in een wijziging van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1 (Bgdm) en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 2 (Boom). In het onderhavige besluit wordt voorzien in enkele uitzonderingen op de verplichting tot emissie-arm aanwenden van dierlijke mest, respectie velijk overige organische meststoffen. Deze uitzonderingen houden verband met de stuifbestrijding. Tevens wordt de uitrijperiode verruimd: voortaan mogen dierlijke mest en overige organische meststoffen ook van 1 tot en met 15 september worden aangewend op grasland. Dit geldt echter alleen voor de gebieden die niet liggen op de als bijlage I bij het Bgdm behorende kaarten (de niet voor nitraatuitspoeling gevoelige gebieden). Deze wijzigingen sluiten rechtstreeks aan bij de voorstellen van de Integrale Notitie (kamerstukken II 1995/1996, 24 445, nr. 1, blz. 13 en 27) en de parlementaire behandeling daarvan (kamerstukken II 1995/1996, 24 445, nr. 2, blz. 29, 37, 38; nr. 24, blz. 57). Daarnaast voorziet het onderhavige besluit in een aanscherping van de omschrijving van het begrip «veenkoloniaal bouwplan» en in een technische wijziging, namelijk in de vervanging van de niet meer bestaande districtsbureauhouder door de nieuwe Dienst Landelijke service bij regelingen (LASER). In de paragrafen 2 tot en met 4 wordt per onderdeel dieper ingegaan op de achtergronden en inhoud van de wijzigingen. In paragraaf 5 wordt ingegaan op de uitkomsten van de adviesronde en in paragraaf 6 wordt kort ingegaan op de handhaving en uitvoering. 2. Uitzondering op de verplichting tot emissie-arm aanwenden Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Bgdm en artikel 30, eerste lid, van het Boom, is het verboden om dierlijke meststoffen, respectievelijk overige organische meststoffen, te gebruiken op bouwland, maı̈sland of niet-beteelde grond, tenzij voornoemde stoffen emissie-arm worden aangewend. Tot en met 31 december 1994 formuleerden artikel 7, tweede lid, van het Bgdm en artikel 30, tweede lid, van het Boom een uitzondering op dit verbod. De uitzondering hield verband met het feit dat het aanwenden van drijfmest of van zuiveringsslib in bepaalde gevallen noodzakelijk is om een verstuiving van landbouwgronden tegen te gaan. De uitzondering was beperkt tot en met 31 december 1994 in de verwachting dat voor die datum alternatieve methoden van stuif bestrijding beschikbaar zouden zijn. Toen vervolgens in 1995 de beschik baarheid van één van de belangrijkste alternatieve stuifbestrijdings middelen – vloeibare cellulose – te wensen overliet, is voor 1995 een vrijstelling verleend van de verplichting tot emissie-arm aanwenden van meststoffen. Deze vrijstelling heeft vorm gekregen in de, op artikel 64 van de Wet bodembescherming gebaseerde, Vrijstellingsregeling stuif bestrijding veenkoloniaal bouwplan, bloembollenteelt en Texel (Stcrt. 1995, 114). Overeenkomstig de door de Tweede Kamer aanvaarde voorstellen ter zake in de Integrale Notitie, worden met het onderhavige besluit de uitzonderingen op de verplichting tot het emissie-arm aanwenden van meststoffen neergelegd in het Bgdm en Boom. Voortaan is de verplichting tot het emissie-arm aanwenden van meststoffen niet van toepassing op de gronden waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt uitgeoefend en evenmin op de op Texel gelegen gronden in gebruik als bouwland, maı̈sland of niet-beteelde grond. Anders dan in de 1 Stb. 1991, 386; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 november 1995, Stb. 573. 2 Stb. 1995, 349; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 november 1995, Stb. 573. Staatsblad 1996 685 4 voornoemde vrijstellingsregeling het geval was, valt de bloembollenteelt niet meer onder het uitzonderingsregime. Ook de voor 1996 vastgestelde vrijstellingsregeling, de Vrijstellingsregeling stuifbestrijding veenkoloniaal bouwplan en Texel (Stcrt. 1996, 70), ziet niet meer op de bloembollenteelt. Uit het in november 1995 gepubliceerde, in samenwerking met het bedrijfsleven en andere betrokken organisaties tot stand gekomen, Plan van aanpak voor de stuifbestrijding1, blijkt dat het voor de Veenkoloniën moeilijk is een goede infrastructuur voor alternatieve stuifbestrijdings methoden op te zetten, omdat in deze gebieden de noodzaak voor stuifbestrijding van jaar tot jaar wisselt. Uit dit Plan komt tevens naar voren dat het draagvlak voor het verbod op het gebruik van drijfmest als stuifbestrijder in de Veenkoloniën zeer gering is. De uitzondering voor Texel is gebaseerd op de specifieke situatie van dit eiland. De keuze om de bloembollenteelt niet langer vrij te stellen van de verplichting tot het emissie-arm aanwenden van mest, wordt ondersteund door het Plan van Aanpak. Het draagvlak voor het verbod op het gebruik van drijfmest in de bollenteelt is, met uitzondering van Texel, goed. De bollensector heeft, gezien het grote mineralenoverschot, behoefte aan een mineralenarme stuifbestrijder. Er is in de bollenteelt een infrastructuur opgezet en er zijn investeringen verricht om de alternatieven daadwer kelijk te kunnen toepassen. De infrastructuur kan in de bollenteelt ook goed van de grond komen omdat de stuifbestrijding hier structureel is. 3. Verlenging van de uitrijperiode Artikel 8 van het Bgdm en artikel 31 van het Boom formuleerden een uitrijverbod voor grasland voor de maanden januari, september, oktober, november en december (Stb. 1994, 814). In het onderhavige besluit wordt het uitrijregime verruimd: in de niet voor nitraatuitspoeling gevoelige gebieden is het voortaan toegestaan om in de periode van 1 tot en met 15 september nog dierlijke en overige organische meststoffen uit te rijden op grasland. Ook het voornemen tot deze wijziging van het Bgdm en van het Boom is reeds bekendgemaakt in de Integrale Notitie. Voor het jaar 1996 is deze materie geregeld door middel van een vrijstellingsregeling, de Vrijstellingsregeling uitrijverbod grasland 1996 (Stcrt. 1996, 165). De onderhavige wijziging is mede gebaseerd op bestaande inzichten dat een gift van kleine hoeveelheden mest maar met beperkte milieukundige nadelen gepaard gaat. Dit is met name het geval voor de niet voor nitraatuitspoeling gevoelige gronden. Overigens laat de wijziging onverlet dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat er in september nog grote mestgiften plaatsvinden. Agrarische bedrijven zullen er dan ook steeds voor moeten zorgen dat er voldoende mestopslag aanwezig is om de winterstalperiode te overbruggen. Ingevolge de zorgplichtbepaling als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming kunnen uitwassen in de vorm van onverantwoord hoge mestgiften worden tegengegaan. Op basis van het advies van het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek van maart 1995, is besloten de aanwending van mest ná 15 september niet toe te staan. Na deze datum is er onvoldoende gewasgroei om nog een stikstofgift via mest te benutten. Ten aanzien van de mogelijke afspoeling van mineralen naar het oppervlaktewater kan als gevolg van de verruiming van de uitrijperiode een beperkt nadelig effekt optreden, indien de mest oppervlakkig wordt aangewend (niet geı̈njecteerd). Uiteraard geldt ook hiervoor dat het beter is te voorkomen dat in september nog grote hoeveelheden mest worden uitgereden. 1 Ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Bezuidenhoutseweg 73, ’s-Gravenhage. Staatsblad 1996 685 5 4. Relatie met Nitraatrichtlijn Bijlage III, onderdeel 1.1, bij richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375) (Nitraatrichtlijn) bevat de maatregelen die door de lidstaten moeten worden genomen betreffende de periodes waarin het op of in de bodem brengen van bepaalde soorten meststoffen verboden is. Deze richtlijnbepaling laat voldoende implementatievrijheid om de in het besluit vastgelegde versoepeling van de uitrijverboden te kunnen doorvoeren. Dat neemt niet weg dat het geheel aan maatregelen ter uitvoering van de Nitraatrichtlijn moet voldoen aan de doelstelling van de richtlijn, te weten het verminderen of voorkomen van waterverontrei niging door nitraten uit agrarische bronnen. Het kader voor de uitvoering door Nederland van de Nitraatrichtlijn wordt gevormd door de Integrale Notitie. 5. Omschrijving veenkoloniaal bouwplan De omschrijving van het begrip veenkoloniaal bouwplan is verduidelijkt. Tot nu luidde deze: bouwplan met de teelt van fabrieksaardappelen ten behoeve van de zetmeelindustrie in een teeltfrequentie van ten minste éénmaal per drie jaar. Voor het veenkoloniaal bouwplan is de stuif bestrijding door middel van het aanwenden van dierlijke mest toegestaan. In de nota van toelichting bij het Bgdm (Stb. 1987, 114) is reeds aange geven dat het bij een veenkoloniaal bouwplan gaat om de stuifgevoelige gronden, die zijn gelegen in de Veenkoloniën en enkele daaraan grenzende zandgebieden. Degene die een veenkoloniaal bouwplan uitoefent zal dat desgevraagd genoegzaam moeten kunnen aantonen, bijvoorbeeld door het tonen van schriftelijke teelt- en leverings overeenkomsten die zijn afgesloten met de zetmeelindustrie. De stuif bestrijding zal bij akkerbouw slechts worden toegepast in de jaren dat, door bijvoorbeeld een harde wind in een droge periode, daadwerkelijk een verstuiving dreigt van de zandgronden. Bij de bloembollenteelt vindt de stuifbestrijding daarentegen structureel plaats. Met de geformuleerde omschrijving van het veenkoloniaal bouwplan was bedoeld een voorziening te treffen om incidentele stuifbestrijding door middel van dierlijke mest toe te staan. Om mogelijke twijfel omtrent de reikwijdte van de uitzondering voor het veenkoloniaal bouwplan weg te nemen, wordt in het onderhavige besluit de omschrijving van voornoemd begrip aangescherpt. Het onderhavige besluit voorziet erin dat de bloembollenteelt uitdrukkelijk wordt uitgezonderd van de omschrijving van veenkoloniaal bouwplan. Indien op grond waarop ten minste éénmaal per drie jaar fabrieksaardappelen ten behoeve van de zetmeelindustrie wordt geteeld, op een gegeven moment bloembollen teelt plaatsvindt, zal op dat moment de stuifbestrijding door middel van cellulose moeten plaatsvinden. Indien in de periode dat op het betreffende perceel grond géén bloembollenteelt plaatsvindt, stuifbestrijding noodzakelijk is, kan hiervoor wèl gebruik worden gemaakt van dierlijke mest. 6. Adviesronde Een ontwerp van dit besluit is overeenkomstig de bepalingen van de Wet bodembescherming overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en voor commentaar gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 1996, 112). Daarnaast is het ontwerp voor commentaar toege zonden aan de Technische commissie bodembescherming, het Landbouwschap, LTO-Nederland, het Produktschap voor Veevoeder, het Produktschap voor Vee, Vlees en Eieren, het Produktschap voor Zuivel, de Staatsblad 1996 685 6 Stichting Natuur en Milieu en het Interprovinciaal overleg. Al deze instanties hebben advies uitgebracht, met uitzondering van het Interpro vinciaal overleg. Het Produktschap voor Veevoeder heeft te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben. LTO-Nederland en het Produkt schap voor Vee, Vlees en Eieren hebben te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het advies van het Landbouwschap. De adviezen lopen uiteen. Met betrekking tot de uitzondering op de verplichting tot emissie-arm aanwenden ten behoeve van de stuifbestrijding kan het Produktschap voor Zuivel instemmen met het ontwerp en wenst het Landbouwschap een verruiming van deze regeling. Daarentegen staat de Stichting Natuur en Milieu afwijzend tegen de mogelijkheid van stuifbestrijding met dierlijke mest. De Technische commissie bodembescherming constateert dat sprake is van een beleidsmatige afweging en neemt de uitkomst van deze afweging voor kennisgeving aan. Uitgangspunt is dat stuifbestrijding niet met dierlijke mest plaatsvindt. In paragraaf 2 is uiteengezet dat met het oog op de specifieke situatie van de veenkoloniale gebieden en van Texel, voor deze gebieden een uitzondering is gemaakt. De stuifbestrijding in de veenkoloniale gebieden is niet structureel. In het algemeen geldt dat slechts indien de weersom standigheden daartoe nopen, er voor de betrokkenen aanleiding is om over te gaan tot stuifbestrijding. De verlenging van de uitrijperiode heeft de instemming van het Produktschap voor Zuivel. Het Landbouwschap stelt een verruiming van de regeling voor, terwijl de Technische commissie bodembescherming en de Stichting Natuur afraden om de uitrijperiode te verlengen. In paragraaf 3 is aangegeven dat naar bestaande inzichten een gift van kleine hoeveelheden mest in de eerste helft van september maar met beperkte milieukundige nadelen gepaard gaat, met name in de niet voor nitraatuitspoeling gevoelige gebieden. De aanwending van mest ná 15 september gaat met grotere milieu kundige nadelen gepaard omdat gras na deze datum een stikstofgift van mest onvoldoende kan opnemen. Gelet op het bovenstaande en op de uitkomst van het overleg met de Tweede Kamer in het kader van de Integrale Notitie mest- en ammoniak beleid, hebben de adviezen niet geleid tot een inhoudelijke wijziging. 7. Handhaving en uitvoering Met de onderhavige wijziging van het Bgdm en het Boom ontstaan geen nieuwe taken voor publiekrechtelijke lichamen. Het onderhavige besluit voorziet in een differentiatie in handhaving voor verschillende gebiedsdelen, hetgeen mogelijk tot een verzwaring van de handhavingsin spanning zal leiden. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Margaretha de Boer Staatsblad 1996 685 7

Decree No. 685 of 1996 amending the Decree on the use of organic manure and the Decree on quality and use on remaining organic fertilizing substances · Nelum