Cadastre Decree (No. 571 of 1991)
颁布于 1991-11-16 · 文本截至 2026-10-01
以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。
研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。
关于这部法律
- 语言
- Dutch
- 类型
- 条例
- 组织
- European Union
- 国家
- 荷兰
- 主题
- Land and soil
- 关键词
- cadastre/land registration, survey/mapping
在哪里阅读
该法律没有记录来源链接。
文本
所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。
571 Besluit van 6 november 1991, houdende vaststelling van het Kadasterbesluit Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 januari 1991, nr. MJZ24191041, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de artikelen 2, 45, 56, 57, derde lid, 59, tweede lid, 64, eerste lid, 65, eerste lid, 67, eerste lid, 70, eerste lid, 73, eerste, tweede en vierde lid, 74, eerste lid, 75, eerste lid, 87, vierde lid, 89, tweede lid, 91, 94, vierde lid, 96, tweede lid, 98, 102, derde lid, en 105·; eerste en tweede lid, van de Kadasterwet (Stb. 1991, 570); De Raad van State gehoord, advies van 13 augustus 1991, no. W08.91.0049; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 oktober 1991, nr. MJZ 29091014, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens On,ze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. de wet: de Kadasterwet (Stb. 1991, 570); b. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; c. Rijksdienst: Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers; d. perceel: een deel van het Nederlands grondgebied van welk deel de Rijksdienst de begrenzing met behulp van landmeetkundige gegevens heeft vastgelegd op grond van gegevens betreffende de rechtstoestand, bestemming en het gebruik en dat door zijn kadastrale aanduiding is gekenmerkt; Staatsblad 1991 571 e. bewaarder: bewaarder, als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de Kadasterwet; f. ambtenaar: ambtenaar van de Rijksdienst. Artikal 2 1. Onroerende zaken worden kadastraal aangeduid door vermelding van achtereenvolgens de kadastrale gemeente en sectie, waarin de percelen en gedeelten van percelen zijn gelegen waarvan het grond gebied tot die zaak behoort, alsmede de nummers van die percelen. Voor een onroerende zaak die zich krachtens een opstalrecht op, in of boven de grond van een ander bevindt, geldt dezelfde kadastrale aanduiding als van de onroerende zaak die met dat opstalrecht is bezwaard. 2. Appartementsrechten worden kadastraal aangeduid door de vermelding van achtereenvolgens de kadastrale gemeente en sectie, waarin de in de splitsing betrokken percelen zijn gelegen, de complexaanduiding en de appartementsindex. 3. De in het tweede lid bedoelde complexaanduiding bestaat uit het voor de in de splitsing betrokken percelen vastgestelde complexnummer, gevolgd door de hoofdletter A. De in het tweede lid bedoelde apparte mentsindex is het nummer dat op de in artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde tekening is aangebracht als kenmerk van de gedeelten die voor gebruik als afzonderlijk geheel bestemd zijn of worden en waarvan het uitsluitend gebruik in het appar tementsrecht is begrepen. Onze Minister stelt regelen vast omtrent de vaststelling van het complexnummer. 4. lndien de in de splitsing in appartementsrechten betrokken percelen in verschillende burgerlijke gemeenten zijn gelegen, worden de apparte mentsrechten kadastraal aangeduid door de vermelding van achtereen volgens de kadastrale gemeente en sectie waarin het grootste deel van de in de splitsing betrokken percelen is gelegen, de voor dit deel vastge stelde complexaanduiding, de kadastrale gemeente en sectie waarin een ander deel van die percelen is gelegen, de voor dit deel vastgestelde complexaanduiding, en zo vervolgens, en de appartementsindex. HOOFDSTUK 2. OPENBARE REGISTERS VOOR REGISTER GOEDEREN Artikal 3 1. Ter inschrijving van een overgang van een registergoed die bij of krachtens een wet geschiedt, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 45, tweede lid, van de wet, en voor zover bij of krachtens de desbetreffende wet niet anders is bepaald, aangeboden een opgaaf die onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2, titel 2, van de wet, tevens inhoudt: a. de aanduiding van de wettelijke bepaling waarop de overgang van het registergoed berust; b. het tijdstip waarop het registergoed overgaat; c. de vermelding van de rechthebbenden zowel v66r als na het tijdstip waarop het registergoed overgaat. 2. De in het eerste lid bedoelde opgaaf wordt gedaan door de meest gerede rechthebbende, tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een overgang van een registergoed, die het gevolg is van een internationaal verdrag dat, of een internationale overeenkomst die, in verband met wijziging van de landsgrenzen, verandering in eigendoms situaties brengt. Staatsblad 1991 5 71 2 HOOFDSTUK 3. BIJWERKING VAN DE KADASTRALE REGISTRATIE EN DE KADASTRALE KAARTEN TITEL 1. Algemene bepalingen omtrent bijwerking Artikel 4 1. Terstond nadat een inschrijving in de openbare registers heeft plaatsgevonden, wordt bij de in de kadastrale registratie vermeld staande gegevens waarop de inschrijving betrekking heeft, overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen een aantekening geplaatst dat er een stuk is ingeschreven. 2. De in het eerste lid bedoelde aantekening wordt achterwege gelaten indien de bijwerking van de kadastrale registratie terstond plaats vindt, of indien terstond in de kadastrale registratie een aantekening wordt geplaatst overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, tweede lid, 12, eerste lid, tweede zin, of 13, eerste lid, tweede zin. 3. Nadat de bijwerking is voltooid, of een aantekening is geplaatst als bedoeld in het tweede lid, wordt de in het eerste lid bedoelde aante kening verwijderd. Artikel 5 1. lndien een bijwerking leidt tot het wijzigen of aanvullen van de in de kadastrale registratie vermeld staande gegevens betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden, de kadastrale aanduiding, de grootte, dan wel enig in artikel 48, tweede lid, onder c, van de wet bedoeld gegeven, wordt bij het gewijzigde of aangevulde gegeven overeen komstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen verwezen naar het stuk op grand waarvan de bijwerking heeft plaatsgevonden. 2. Onze Minister kan bepalen dat een verwijzing als bedoeld in het eerste lid, ook gesteld wordt bij het wijzigen of aanvullen van andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens. Artikel 6 1. lndien een inschrijving in de openbare registers betrekking heeft op een geheel perceel of een appartementsrecht dan wel op een gedeelte van een perceel, anders dan in het tweede lid is bedoeld, warden de in artikel 48, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens met inachtneming van artikel 4 terstond bijgewerkt door wijziging of aanvulling van die gegevens, overeenkomstig door Onze Minister daartoe te stellen regelen. 2. lndien een inschrijving in de openbare registers de overgang betreft van een gedeelte van een perceel of betrekking heeft op een zodanige vestiging, overgang, wijziging of afstand van een beperkt recht, dat dit recht op een gedeelte van een perceel komt te rusten, wordt het feit waarop de inschrijving betrekking heeft, in de kadastrale registratie met inachtneming van artikel 4 terstond aangetekend overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen, tenzij sprake is van een der in het derde lid bedoelde gevallen waarin de bijwerking plaatsvindt als bijhouding zonder dat een meting plaatsvindt. 3. De gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarin de bijhouding geschiedt zonder dat een meting plaatsvindt, zijn de gevallen waarin de inschrijving betreft: a. een recht van hypotheek, b. een erfdienstbaarheid, c. een vruchtgebruik dat betrekking heeft op een gedeelte van een gebouw, of d. een recht van opstal dat uitsluitend betreft het leggen en houden Staatsblad 1991 571 3 van leidingen in, op of boven de onroerende zaak van een ander, alsmede bijzondere gevallen waarin het desbetreffende perceelsgedeelte naar het oordeel van de bewaarder niet voor meting vatbaar is. Artikel 7 De in artikel 6, tweede lid, bedoelde aantekening in de kadastrale registratie wordt vervangen door de tevens door de meting verkregen gegevens, zodra het relaas van bevindingen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de wet gereed is, overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. Artikel 8 Het van de kadastrale registratie deel uitmakende namenbestand, dat de in artikel 48, tweede lid, onder a en b, van de wet bedoelde gegevens en verwijzingen bevat, wordt gewijzigd en aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel 6 is bepaald. Artikel 9 Het van de kadastrale regist,·atie deel uitmakende percelenbestand, waarin alle percelen en appartementsrechten met hun kadastrale aanduiding zijn opgenomen en dat de verwijzingen bevat als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder e, van de wet, wordt gewijzigd en aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7 is bepaald. TITEL 2. Bijzondere bepalingen betreffende bijhouding Artikel 10 1. lndien een inschrijving in de openbare registers betrekking heeft op een perceel of een gedeelte van een perceel, dan wel op een apparte mentsrecht, waarop blijkens de kadastrale registratie een publiekrechte lijke eigendoms- of gebruiksbeperking, dan wel een schuldplichtigheid met zakelijke werking rust, wordt de vermelding van die beperking of schuldplichtigheid in de kadastrale registratie gehandhaafd overeen komstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. 2. lngeval een onderzoek ter plaatse noodzakelijk is om te kunnen vaststellen op welk nieuw gevormd perceel de beperking of schuldplich tigheid rust, wordt het resultaat van het onderzoek vermeld op het relaas van bevindingen, bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de wet. 3. Zolang de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, niet in de kadastrale registratie zijn verwerkt, wordt bij het overgegane perceelsgedeelte melding gemaakt van de beperking of schuldplich tigheid. 4. Ter gelegenheid van de voltooiing van de bijhouding wordt de in het derde lid bedoelde vermelding in overeenstemming gebracht met de in dat lid bedoelde resultaten. Artikel 11 1. lndien een inschrijving in de openbare registers betrekking heeft op de overgang van een gedeelte van een perceel of op een zodanige vestiging, overgang, wijziging of afstand van een beperkt recht, dat dit op een gedeelte van een perceel komt te rusten, worden dat gedeelte en het overblijvende gedeelte elk tot een geheel perceel gevormd, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 6, derde lid. Staatsblad 1991 571 4 2. Geen samenvoeging vindt plaats van percelen of gedeelten van percelen waarvan de rechtstoestand naar burgerlijk recht blijkens de in de kadastrale registratie opgenomen gegevens verschillend is, met dien verstande dat verschillen die betrekking hebben op omstandigheden als bedoeld in artikel 6, derde lid, niet aan samenvoeging in de weg staan. 3. Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de wijze waarop percelen worden gevormd en waarop de grootte daarvan wordt berekend. Artikel 12 1. lndien bij de Rijksdienst het vermoeden bestaat dat de kadastrale aanduiding van een onroerende zaak in een in de openbare registers ingeschreven stuk niet overeenstemt met de feitelijke omschrijving daarvan, wordt de voltooiing van de bijhouding met betrekking tot die onroerende zaak opgeschort en wordt, zonodig ter plaatse, een onderzoek ingesteld. In dit geval wordt de inschrijving van het stuk aangetekend overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. 2. Artikel 57, eerste tot en met derde lid, van de wet is van overeen komstige toepassing op een onderzoek als bedoeld in het eerste lid. De ambtenaar maakt een relaas van zijn bevindingen. 3. lndien niet van onjuistheid of onvolledigheid blijkt, wordt de bijhouding met bekwame spoed voltooid. Artikel 13 1. In geval in de openbare registers een akte van levering is ingeschreven ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst die betrekking heeft op een rechtsgrens, wordt de voltooiing van de bijhouding van de kadastrale registratie opgeschort en wordt ter plaatse een onderzoek ingesteld. In dit geval wordt de inschrijving van het stuk aangetekend overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. 2. Artikel 57, eerste tot en met derde lid, van de wet is van overeen komstige toepassing op een onderzoek als bedoeld in het eerste lid. De ambtenaar maakt een relaas van zijn bevindingen. 3. Na het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt de bijhouding met bekwame spoed vervolgd. Artikel 14 1. lndien een of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen als bedoeld in artikel 57, derde lid, van de wet, wordt de bijhouding niet vervolgd, behoudens het bepaalde in het derde lid. 2. Artikel 58, eerste tot en met derde lid, van de wet is van overeen komstige toepassing, voor zover bijhouding mogelijk is. 3. De bijhouding wordt niettemin vervolgd indien de omschrijving van de ligging van de nieuwe grenzen in het ingeschreven stuk naar het oordeel van de met de meting belaste ambtenaar geen twijfel overlaat en tevens niet in tegenspraak is met de door hem waargenomen afpaling. 4. In het relaas van bevindingen wordt melding gemaakt van de in het eerste en derde lid bedoelde omstandigheden. Artikel 15 1. lndien terstond blijkt dat de in een ingeschreven stuk vermelde kadastrale aanduiding van de onroerende zaak onjuist of onvolledig is, is Staatsblad 1991 571 5 het bepaalde bij of krachtens artikel 4 van toepassing ten aanzien van de in het stuk genoemde percelen, zo deze bestaan, alsmede ten aanzien van de percelen die naar het vermoeden van de bewaarder in het stuk vermeld zouden moeten zijn, zo dit althans bij de bewaarder bekend is. 2. lndien de kadastrale aanduiding in het stuk onvolledig is vermeld of slechts gedeeltelijk onjuist is, vindt bijhouding volledig plaats ten aanzien van de percelen die in het stuk juist zijn vermeld. 3. Voor zover de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak in het stuk niet of niet juist is vermeld, wordt in de kadastrale registratie bij de desbetreffende rechthebbenden en de in het eerste lid bedoelde percelen melding gemaakt van het deel en nummer van inschrijving. Tevens wordt verwezen naar het afschrift van de in artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde brief. 4. De in het derde lid bedoelde bijhouding wordt eerst voltooid nadat een stuk tot verbetering als bedoeId in artikel 42 van de wet, is ingeschreven. Na inschrijving van het stuk tot verbetering, bedoeld in artikel 42 van de wet, wordt de in het derde lid bedoelde vermelding vervangen door het resultaat van de bijhouding. 5. Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is van overeenkom stige toepassing ingeval de kadastrale aanduiding van een appartements recht in een ingeschreven stuk onjuist of onvolledig blijkt te zijn. Artikel 16 1. lndien eerst bij een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of bij de aanwijzing ter plaatse, bedoeld in artikel 57, derde lid, van de wet blijkt dat de in het ingeschreven stuk vermelde kadastrale aanduiding van de onroerende zaak onjuist of onvolledig is, is het bepaalde in artikel 15, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing. 2. lndien bij de aanwijzing ter plaatse blijkt dat de feitelijke omschrijving van de onroerende zaak onverenigbaar is met hetgeen de met de meting belaste ambtenaar door de belanghebbenden is aange wezen, is het bepaalde in artikel 15, tweede en vierde lid, van overeen komstige toepassing. Tevens wordt in de kadastrale registratie bij de gegevens van de desbetreffende rechthebbenden en bij de percelen verwezen naar het afschrift van de in artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde brief. 3. lndien het bepaalde in het eerste en tweede lid van toepassing is, vindt bijhouding van de kadastrale kaarten plaats overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. 4. In het relaas van bevindingen wordt melding gemaakt van de in het eerste en tweede lid bedoelde omstandigheden. Artikel 17 Terstond nadat inlichtingen omtrent het overlijden van personen als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, van de wet zijn ontvangen, worden in de kadastrale registratie het feit en de datum van overlijden aangetekend, alsmede het adres van de boedel, zo dat adres bekend is, overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. Artikel 18 Terstond nadat inlichtingen omtrent de wettelijke woonplaats, daaronder begrepen het adres, als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder c, van de wet zijn ontvangen, wordt de nieuwe wettelijke woonplaats aangetekend in de kadastrale registratie. lndien de woonplaats niet in Nederland is gelegen wordt tevens de naam van het land vermeld. Staatsblad 1991 5 71 6 Artikel 19 1. lndien een of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen ten behoeve van het in de artikelen 67, eerste lid, en 70, eerste lid, van de wet bedoelde onderzoek ter zake van een feit, bedoeld in artikel 29 of in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, vindt geen bijhouding plaats, behoudens het bepaalde in het tweede lid. 2. De bijhouding vindt niettemin plaats indien de ligging van de nieuwe grenzen en de rechtstoestand naar burgerlijk recht naar het oordeel van de met de meting belaste ambtenaar geen twijfel overlaten. 3. In het relaas van bevindingen wordt melding gemaakt van de in het eerste en tweede lid bedoelde omstandigheden. TITEL 3. Splitsing en samenvoeging van percelen Artikel 20 In de volgende gevallen kan de Rijksdienst besluiten tot splitsing van percelen als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet: a. indien met het oog op een doelmatige perceelsindeling de vorm of de omvang van een perceel daartoe aanleiding geeft; b. indien een gedeelte van een perceel als gevolg van een verandering van de grenzen van kadastrale gemeenten dan wel verandering van de bladindeling van kadastrale kaarten, op een andere kaart moet warden afgebeeld; c. indien gedeelten van een perceel een verschillende bestemming hebben, indien de gebruikstoestand van gedeelten van het perceel verschillend is, of, zo het een perceel betreft met een openbare bestemming, indien gedeelten daarvan een verschillende plaatselijke benaming hebben; d. indien een gedeelte van een perceel is belast met een publiekrech telijke eigendoms- of gebruiksbeperking, dan wel gedeelten van een perceel zijn belast met verschillende eigendoms- of gebruiksbeper kingen; e. indien ten aanzien van een gedeelte van een perceel sprake is van een ontbindende of opschortende voorwaarde, dan wel een bedongen wederinkooprecht; f. indien ten aanzien van een gedeelte van een perceel sprake is van een voorgenomen onteigeningsprocedure. Artikel 21 1. De Rijksdienst kan besluiten tot samenvoeging van percelen als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet indien deze percelen blijkens de in de kadastrale registratie opgenomen gegevens een zelfde rechts toestand naar burgerlijk recht hebben. 2. Bij de toepassing van het eerste lid behoeft geen acht te warden geslagen op erfdienstbaarheden. 3. Samenvoeging van percelen mag niet leiden tot ongedaanmaking van een op verzoek uitgevoerde splitsing van percelen, tenzij de beweeg redenen tot die splitsing niet meer gelden. Artikel 22 1. Degene die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staat vermeld, kan in de volgende gevallen een verzoek tot splitsing van percelen doen als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de wet: Staatsblad 1991 5 71 7 a. indien door de vorming van afzonderlijke percelen in een ter inschrijving aan te bieden stuk de desbetreffende onroerende zaak als een geheel perceel zal kunnen worden aangeduid, mits dit stuk betreft de overgang van een onroerende zaak of de overgang, vestiging, wijziging of afstand van een beperkt recht betreffende een onroerende zaak; b. indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 20, onder c off. 2. De in het eerste lid bedoelde rechthebbende kan een verzoek tot samenvoeging van percelen doen, indien deze percelen binnen een kadastrale sectie zijn gelegen, en zij een zelfde rechtstoestand naar burgerlijk recht hebben en tevens als een geheel worden beheerd en gebruikt. Bij de beoordeling of sprake is van een zelfde rechtstoestand behoeft geen acht te worden geslagen op erfdienstbaarheden. 3. De verzochte splitsing of samenvoeging mag niet in strijd zijn met de bij of krachtens de artikelen 11 tot en met 13 gestelde regels omtrent de perceelsvorming en mag niet leiden tot ongedaanmaking van een krachtens artikel 20 of een op verzoek uitgevoerde splitsing, tenzij de beweegredenen daartoe niet meer gelden. 4. Artikel 14, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. TITEL 4. Vernieuwing Artikel 23 1. De Rijksdienst is bevoegd een onderzoek van vernieuwing als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet, in te stellen: a. indien met betrekking tot onroerende zaken, gelegen in een bepaald gebied, de in de kadastrale registratie, op de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorkomende gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en feitelijke gesteldheid naar het oordeel van de Rijksdienst niet voldoende juist en volledig zijn; b. indien met betrekking tot een of meer onroerende zaken sprake is van de onder a bedoelde omstandigheid; c. indien een belanghebbende zulks schriftelijk aan de Rijksdienst verzoekt op de door hem aannemelijk te maken grand dat met betrekking tot een of meer onroerende zaken de in de kadastrale registratie, op de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorkomende gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en feitelijke gesteldheid niet voldoende juist en volledig zijn. 2. lndien het onderzoek van vernieuwing de in het eerste lid, onder b of c, bedoelde gevallen betreft, blijft de in artikel 75, eerste lid, van de wet bedoelde bekendmaking van het voornemen daartoe achterwege. Artikel 24 1. lndien tijdens de vernieuwingsprocedure, bedoeld in hoofdstuk 4, titel 1, afdeling 3, van de wet, bijhoudingen als bedoeld in artikel 77, derde lid, van de wet hebben plaatsgevonden met betrekking tot onroe rende zaken die aan die vernieuwing zijn onderworpen, vindt de vernieuwing plaats met inachtneming van hetgeen hieromtrent in het tweede en derde lid is bepaald. 2. Bij het vernieuwde perceel wordt melding gemaakt van het deel van het inschrijvingsregister waarin, en het nummer waaronder in dat deel het afschrift van de akte van vernieuwing is opgeborgen. 3. De in artikel 48, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens worden met inachtneming van artikel 4 gewijzigd of aangevuld, tenzij de in het eerste lid bedoelde bijhoudingen dit niet meer noodzakelijk maken. Staatsblad 1991 5 71 8 HOOFDSTUK 4. WIJZE VAN BIJHOUDING VAN DE REGISTRATIE VOOR SCHEPEN Artikel 25 1. Terstond nadat een inschrijving in de openbare registers heeft plaatsgevonden, wordt bij de in de registratie voor schepen vermeld staande gegevens waarop de inschrijving betrekking heeft, overeen komstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen een aante kening geplaatst dat er een stuk is ingeschreven. Deze aantekening wordt achterwege gelaten indien de bijhouding terstond plaatsvindt. 2. Nadat de bijhouding is voltooid, wordt de in het eerste lid bedoelde aantekening verwijderd. 3. De in artikel 85, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens worden met inachtneming van het eerste en tweede lid terstond bijgewerkt door wijziging of aanvulling van die gegevens, overeenkomstig door Onze Minister daartoe te stellen regelen. Bij het gewijzigde of aangevulde gegeven wordt overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen verwezen naar het stuk op grond waarvan de bijhouding heeft plaatsgevonden. Artikel 26 Het van de registratie voor schepen deel uitmakende namenbestand, dat de in artikel 85, tweede lid, onder a en b, van de wet bedoelde gegevens en verwijzingen bevat, wordt gewijzigd en aangevuld overeen komstig hetgeen bij of krachtens artikel 25 is bepaald. Artikel 27 Het van de registratie voor schepen deel uitmakende bestand, waarin alle teboekgestelde schepen met hun brandmerk, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet, zijn opgenomen en dat de verwijzingen bevat, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder h, van de wet, wordt gewijzigd en aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel 25 is bepaald. Artikel 28 1. lndien na inschrijving van een stuk blijkt dat een of meer der in dat stuk vermelde gegevens als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, onverenigbaar zijn met de in de registratie voor schepen vermeld staande gegevens ten aanzien van het schip waarop het ingeschreven stuk betrekking heeft, is het bepaalde bij of krachtens artikel 25, eerste lid, van toepassing ten aanzien van de in het stuk genoemde schepen, zo deze bestaan, alsmede ten aanzien van de schepen die naar het vermoeden van de bewaarder in het stuk vermeld zouden moeten zijn, zo dit althans bij de bewaarder bekend is. 2. lndien de in artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet bedoelde gegevens in het stuk niet juist zijn vermeld, wordt in de registratie voor schepen bij de desbetreffende rechthebbenden en de in het eerste lid bedoelde schepen melding gemaakt van het deel en nummer van inschrijving. Tevens wordt verwezen naar het afschrift van de in artikel 89, derde lid, juncto artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde brief. 3. De in het tweede lid bedoelde bijhouding wordt eerst voltooid, nadat een stuk tot verbetering als bedoeld in artikel 42 van de wet, is ingeschreven. Na inschrijving van het stuk tot verbetering, bedoeld in artikel 42 van de wet, wordt de in het tweede lid bedoelde vermelding vervangen door het resultaat van de bijhouding. Staatsblad 1991 5 71 9 Artikel 29 1. Terstond nadat inlichtingen omtrent het overlijden van personen als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onder b, van de wet zijn ontvangen, warden in de registratie voor schepen het feit en de datum van overlijden aangetekend, alsmede het adres van de boedel, zo dat adres bekend is, overeenkomstig door 0nze Minister daartoe vast te stellen regelen. 2. Terstond nadat inlichtingen omtrent de wettelijke woonplaats, daaronder begrepen het adres, als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onder c, van de wet zijn ontvangen, wordt de nieuwe wettelijke woonplaats aangetekend in de registratie voor schepen. lndien de woonplaats niet in Nederland is gelegen wordt tevens de naam van het land vermeld. HOOFDSTUK 5. WIJZE VAN BIJHOUDING VAN DE REGISTRATIE VOOR LUCHTVAARTUIGEN Artikel 30 1. Terstond nadat een inschrijving in de openbare registers heeft plaatsgevonden, wordt bij de in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld staande gegevens waarop de inschrijving betrekking heeft, overeenkomstig door 0nze Minister daartoe vast te stellen regelen een aantekening geplaatst dat er een stuk is ingeschreven. Deze aantekening wordt achterwege gelaten indien de bijhouding terstond plaatsvindt. 2. Nadat de bijhouding is voltooid, wordt de in het eerste lid bedoelde aantekening verwijderd. 3. De in artikel 92, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens warden met inachtneming van het eerste en tweede lid terstond bijgewerkt door wijziging of aanvulling van die gegevens, overeenkomstig door 0nze Minister daartoe te stellen regelen. Bij het gewijzigde of aangevulde gegeven wordt overeenkomstig door 0nze Minister daartoe vast te stellen regelen verwezen naar het stuk op grond waarvan de bijhouding heeft plaatsgevonden. Artikel 31 Het van de registratie voor luchtvaartuigen deel uitmakende namenbe stand, dat de in artikel 92, tweede lid, onder a en b, van de wet bedoelde gegevens en verwijzingen bevat, wordt gewijzigd en aangevuld overeen komstig hetgeen bij of krachtens artikel 30 is bepaald. Artikel 32 Het van de registratie voor luchtvaartuigen deel uitmakende bestand, waarin alle teboekgestelde luchtvaartuigen met hun boekingsnummer, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder d, van de wet, zijn opgenomen en dat de verwijzingen bevat, bedoeld in artikel 92, tweede lid, onder h, van de wet, wordt gewijzigd en aangevuld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens artikel 30 is bepaald. Artikel 33 1. lndien na inschrijving van een stuk blijkt dat een of meer der in dat stuk vermelde gegevens, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet, onverenigbaar zijn met de in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld staande gegevens ten aanzien van het luchtvaartuig waarop het ingeschreven stuk betrekking heeft, is het bepaalde bij of krachtens Staatsblad 1991 571 10 artikel 30, eerste lid, van toepassing ten aanzien van de in het stuk genoemde luchtvaartuigen, zo deze bestaan, alsmede ten aanzien van de luchtvaartuigen die naar het vermoeden van de bewaarder in het stuk vermeld zouden moeten zijn, zo dit althans bij de bewaarder bekend is. 2. lndien het in artikel 22, eerste lid, onder d, van de wet bedoelde nummer in het stuk niet juist is vermeld, wordt in de registratie voor luchtvaartuigen bij de desbetreffende rechthebbenden en de in het eerste lid bedoelde luchtvaartuigen melding gemaakt van het deel en nummer van inschrijving. Tevens wordt verwezen naar het afschrift van de in artikel 96, derde lid, juncto artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde brief. 3. De in het tweede lid bedoelde bijhouding wordt eerst voltooid, nadat een stuk tot verbetering als bedoeld in artikel 42 van de wet, is ingeschreven. Na inschrijving van het stuk tot verbetering, bedoeld in artikel 42 van de wet, wordt de in het tweede lid bedoelde vermelding vervangen door het resultaat van de bijhouding. Artikel 34 1. Terstond nadat inlichtingen omtrent het overlijden van personen als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onder b, van de wet zijn ontvangen, worden in de registratie voor luchtvaartuigen het feit en de datum van overlijden aangetekend, alsmede het adres van de boedel, zo dat adres bekend is, overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen. 2. Terstond nadat inlichtingen omtrent de wettelijke woonplaats, daaronder begrepen het adres, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onder c, van de wet zijn ontvangen, wordt de nieuwe wettelijke woonplaats aangetekend in de registratie voor luchtvaartuigen. lndien de woonplaats niet in Nederland is gelegen wordt tevens de naam van het land vermeld. HOOFDSTUK 6. VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN Artikel 35 1. Het op schriftelijk verzoek van een belanghebbende verstrekken van inlichtingen te velde uit de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, bedoeld in artikel 102, derde lid, van de wet, vindt plaats, indien de belanghebbende daarbij een redelijk belang heeft. 2. De belanghebbende die om het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, verzoekt, dient in zijn verzoek een omschrijving te geven van het belang dat hij bij de verzochte inlichtingen heeft. Artikel 36 1. Een permanente aansluiting op de geautomatiseerde kadastrale registratie, als bedoeld in artikel 105, eerste lid, van de wet, kan worden verkregen onder de volgende voorwaarden: a. door de aansluiting worden uitsluitend de actuele gegevens uit de kadastrale registratie beschikbaar gesteld; b. de aansluiting heeft betrekking op de gehele kring van een of meer kantoren van de Rijksdienst; c. desverlangd kan de aansluiting worden beperkt tot door Onze Minister te bepalen soorten van gegevens uit de kadastrale registratie; d. de raadpleging kan slechts geschieden gedurende door Onze Minister te bepalen tijden en de apparatuur waardoor de aansluiting wordt tot stand gebracht, dient te voldoen aan door Onze Minister te stellen regels; Staatsblad 1991 5 71 11 e. de gegevens uit de kadastrale registratie worden uitsluitend beschikbaar gesteld voor raadpleging door middel van het desbetre'f fende beeldscherm, waarvan desverlangd een afschrift in een door 0nze Minister vast te stellen vorm kan worden vervaardigd; f. de beschikbaar gestelde gegevens uit de kadastrale registratie, mogen niet aan derden worden verstrekt, behoudens het bepaalde in artikel 37. · 2. lndien een houder van een aansluiting als bedoeld in het eerste lid, handelt in strijd met de in het eerste lid, onder f, genoemde voorwaarde dan wel de in het eerste lid, onder d, bedoelde regels niet in acht neemt, kan 0nze Minister de aansluiting beeindigen. 3. 0mtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde permanente aansluiting kan worden verkregen, worden door 0nze Minister regels gesteld. Artikel 37 1. De verlening aan een gemeente die beschikt over een permanente aansluiting op de geautomatiseerde kadastrale registratie, van de bevoegdheid om daaruit gegevens aan derden te verschaffen, bedoeld in artikel 105, tweede lid, van de wet, vindt plaats onder de volgende voorwaarden: a. aan de aan derden te verschaffen gegevens uit de kadastrale registratie mogen geen andere gegevens worden toegevoegd; b. de door derden te raadplegen gegevens uit de kadastrale registratie moeten overeenkomen met de door de Rijksdienst beschikbaar gestelde gegevens; c. de gegevens uit de kadastrale registratie worden uitsluitend aan derden verschaft voor raadpleging door middel van het desbetreffende beeldscherm, waarvan desverlangd een afschrift kan worden verstrekt; d. de gemeente maakt bij het verschaffen van informatie aan derden, aan deze derden kenbaar op welke kringen van het kantoor van de Rijks dienst de aansluiting betrekking heeft, alsmede welke soorten gegevens geraadpleegd kunnen worden indien niet alle soorten gegevens kunnen worden geraadpleegd. 2. De verlening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan worden ingetrokken, ingeval de gemeente in strijd handelt met een der voorwaarden, genoemd in het eerste lid. De verlening van de bevoegdheid wordt ingetrokken, indien de permanente aansluiting wordt beeindigd, als bedoeld in artikel 36, tweede lid. 3. lntrekking van de in het eerste lid bedoelde verlening van de bevoegdheid kan ook plaatsvinden op verzoek van de gemeente. HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN Artikel 38 0nze Minister stelt nadere regelen vast omtrent de wijze van bijwerking van de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten, alsmede omtrent de wijze van bijhouding van de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen. Artikel 39 Het bepaalde in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, 8, 17, 18, 25, 26, 30 en 31 vindt eerst toepassing ten aanzien van hypotheekhouders, voor zover door 0nze Minister een besluit is genomen als bedoeld in de Staatsblad 1991 5 71 12 Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimte lijke Ordening en Milieubeheer. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 10 december 1991, nr. 240 117061 F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1991 artikelen X, eerste lid, XV, eerste lid, en XVII, eerste lid, van Hoofdstuk II van de lnvoeringswet Kadasterwet (Stb. 1991, 376). Artikel 40 1. Het Besluit betreffende splitsing in appartementsrechten (Stb. 1972, 468) wordt ingetrokken. 2. Het koninklijk besluit van 5 december 1974 (Stb. 768) tot wijziging van de Koninklijke besluiten van 1 augustus 1828 (Stb. 52) en van 8 augustus 1838 (Stb. 27) (voorbereidende bepalingen voor de uitvoering van het nieuw hypothecair stelsel) en tot gewijzigde vaststelling van het model van het dagregister, wordt ingetrokken. Artikel 41 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1992. 2. Dit besluit kan warden aangehaald als: Kadasterbesluit. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal warden geplaatst en dat daarvan afschrift zal warden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer. 's-Gravenhage, 6 november 1991 De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. Heerma De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Beatrix U itgegeven de zesentwintigste november 1991 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Staatsblad 1991 5 71 13 NOTA VAN TOELICHTING Algemeen In dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 45, 56, 57, derde lid, 59, tweede lid, 64, eerste lid, 65, eerste lid, 67, eerste lid, 70, eerste lid, 73, eerste, tweede en vierde lid, 74, eerste lid, 75, eerste lid, 87, vierde lid, 89, tweede lid, 91, 94, vierde lid, 96, tweede lid, 98, 102, derde lid, en 105, eerste en tweede lid, van de Kadasterwet. Ten aanzien van de genoemde artikelen 87, vierde lid, 91, 94, vierde lid, en 98, geldt dat in dit besluit is uitgegaan van de tekst van die artikelen, zoals deze bij de lnvoeringswet Kadasterwet (Stb. 1991, 376) wordt gewijzigd. Daarnaast wordt in artikel 39 van dit besluit rekening gehouden met de artikelen X, XV en XVII van hoofdstuk II van de lnvoeringswet Kadas terwet. Dit laatste betreft de in de kadastrale registratie en de registraties voor schepen en luchtvaartuigen op te nemen gegevens omtrent hypotheken. De meeste van de bedoelde gegevens zullen eerst in de genoemde registraties worden opgenomen indien de eerste onder getekende daartoe besluit. Dit hangt samen met de mate waarin de gegevens omtrent hypotheken in een geautomatiseerd bestand zullen zijn opgeslagen. Het onderhavige besluit bevat in beginsel ook de bepalingen omtrent schepen en luchtvaartuigen die ter uitvoering van de Kadasterwet moeten warden gegeven. Het vorenstaande lijdt slechts uitzondering ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 4, eerste lid, 10, derde en vierde lid, en 21, tweede lid, van de Kadasterwet. De aldaar bedoelde bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen omtrent het hoofd kantoor van de openbare registers en registratie voor schepen, de inschrijving van stukken inzake schepen en luchtvaartuigen en de onder scheiding van rubrieken van schepen, zijn opgenomen in de Maatregel teboekgestelde schepen 1992, respectievelijk de Maatregel teboekge stelde Luchtvaartuigen, aangezien de onderhavige bepalingen naar hun aard daar beter passen. In die maatregelen zijn namelijk opgenomen de op grond van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet teboekge stelde Luchtvaartuigen (Stb. 1957, 72) gegeven regelen omtrent schepen en luchtvaartuigen die verband houden met de teboekstelling van schepen en luchtvaartuigen en de doorhaling van de teboekstelling, met welke bepalingen eerstbedoelde regelen nauw verweven zijn. Voorts verdient opmerking dat in het onderhavige besluit een reeks subdelegaties aan de eerste ondergetekende is opgenomen. Het betreft hier voornamelijk voorschriften die het intern functioneren van de Rijks dienst nader regelen en die ook tot dusverre in ministeriele regelingen waren opgenomen. Op deze wijze wordt geheel de lijn gevolgd die ook wordt gevolgd in de Kadasterwet, waarvan immers vele bepalingen een rechtstreekse delegatie aan de eerste ondergetekende bevatten. De onderhavige subdelegaties maken op dezelfde gronden als waarop deze delegaties zijn opgenomen, een technische uitwerking mogelijk die het beste bij ministeriele regaling kan geschieden; verwezen moge warden naar biz. 18 van de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer betref fende het wetsvoorstel dat tot de Kadasterwet heeft geleid (Kamer stukken II 1986/87, 17 496, nr. 23). Deze ministeriele regelingen zijn tegelijk met het onderhavige besluit voorbereid, zowel voor wat betreft de delegaties in de wet zelf als voor wat betreft de subdelegaties in het onderhavige besluit. De twee belang rijkste daarvan zijn de Uitvoeringsregeling Kadasterwet, die de bepalingen bevat die werking naar buiten kunnen hebben en daarom in de Staatscourant zal worden gepubliceerd, en de Kadasterregeling die het karakter van een interne instructie heeft. Staatsblad 1991 5 71 14 Uit een oogpunt van deregulering is het onderhavige besluit niet van belang. Het brengt slechts een noodzakelijke, technische uitwerking van de wettelijke bepalingen van de Kadasterwet en van de lnvoeringswet Kadasterwet en heeft voor de lasten van de overheid en het bedrijfsleven geen zelfstandige betekenis. Veeleer betekent het onderhavige besluit een vermindering ten opzichte van het huidige recht, waar dezelfde materie uitvoeriger is geregeld door een veelheid van algemene maatre gelen van bestuur en ministeriele regelingen. Het onderhavige besluit heeft geen financiele consequenties. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Behoudens het bepaalde onder a stemmen de omschrijvingen overeen met die van artikel 1, eerste lid, van de wet. Het spreekt vanzelf dat de begrippen van burgerlijk recht, waarvan sprake is in artikel 1, tweede lid, van de wet, in dit besluit in dezelfde betekenis worden gebezigd. Artikel 2 In dit artikel is uitvoering gegeven aan artikel 2 van de wet, betref fende het stellen van regelen omtrent de wijze van kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten. In het onderhavige artikel is geheel aangesloten bij de tot dusver geldende regeling dienaan gaande, aangezien de stand van de techniek nog geen aanleiding geeft daarvan af te wijken. De in het tweede tot en met vierde lid opgenomen regeling ter zake van appartementsrechten komt overeen met de voorheen bestaande regeling die was opgenomen in het Besluit betref fende splitsing in appartementsrechten (Stb. 1972, 468), met dien verstande dat de regelen omtrent de vaststelling van het complex nummer opgenomen zullen worden in een ministeriele regeling. Bedoelde vaststelling is namelijk een louter administratieve procedure, waarbij gebruik wordt gemaakt van formulieren. Ook in de Kadasterwet worden soortgelijke aangelegenheden overgelaten aan een ministeriele regeling. De in het derde lid bedoelde ministeriele regeling wordt in de Staatscourant geplaatst op grond van artikel 4 van de Bekendma kingswet (Stb. 1988, 18). HOOFDSTUK 2. OPENBARE REGISTERS VOOR REGISTERGOEDEREN Artikel 3 In artikel 45, tweede lid, van de wet is bepaald dat ter inschrijving van een overheidsbeschikking, een afschrift van die beschikking wordt aangeboden, afgegeven door het overheidsorgaan dat de beschikking gaf, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald. Genoemde bepaling van artikel 45, tweede lid, van de wet is in de meeste gevallen op zijn plaats, met uitzondering van de gevallen waarin sprake is van een overgang van een registergoed die bij of krachtens wet geschiedt. In die gevallen wordt in de desbetreffende wet namelijk in de regel geen melding gemaakt van de registergoederen die overgaan. In dergelijke wetten wordt in de regel aan de verkrijger van de registergoe deren opgedragen om een opgaaf van de overgegane registergoederen Staatsblad 1991 5 71 15 in te dienen bij de Rijksdienst. Te denken is aan de gevallen waarin bij wet gemeenten worden verenigd, gesplitst of gevormd, dan wel de gevallen waarin sprake is van grenscorrecties tussen gemeenten. Uit het oogpunt van een doelmatige raadpleging door derden van de desbetreffende opgaven is het van belang dat dergelijke opgaven worden ingeschreven, hetgeen onder het voorheen geldende recht niet werd voorgeschreven. In een aantal gevallen vindt in de praktijk de laatste tijd al wel inschrijving van dergelijke opgaven plaats, bijvoorbeeld ter zake van overgangen die zijn geregeld in wetten inzake de privatisering van diverse overheidstaken, onder meer inzake de PTT, de Staatsdrukkerij, het loodswezen en dergelijke. In het eerste lid is tevens bepaald dat het onderhavige artikel niet van toepassing is indien bij of krachtens wet anders is bepaald. Dit voorbehoud ziet met name op artikel 14, derde lid, van de Water staatswet 1900 (Stb. 176), zoals dat artikellid is komen te luiden blijkens artikel VIII van hoofdstuk I van de lnvoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (negende gedeelte) (Stb. 1989, 491). In genoemd artikel 14, derde lid, is bepaald dat het besluit van provinciale staten wordt ingeschreven. Het betreft hier de overgang van registergoederen ter zake van de oprichting, wijziging, splitsing of vereniging van waterschappen. In het derde lid is een bepaling opgenomen die de inschrijving betreft van een overgang van een registergoed die zich kan voordoen, .indien bij een internationaal verdrag of bij een internationale overeenkomst wijziging van de landsgrenzen plaatsvindt, waarbij tevens sprake is van wijziging in de eigendomssituatie. HOOFDSTUK 3. BIJWERKING VAN DE KADASTRALE REGISTRATIE EN DE KADASTRALE KAARTEN TITEL 1. Algemene bepalingen omtrent bijwerking Artikel 4 In dit artikel worden op grond van artikel 56 van de wet regelen gegeven om de inschrijving van stukken zo spoedig mogelijk aan te tekenen in de kadastrale registratie, opdat zo spoedig mogelijk actuele informatie kan worden verstrekt. Het bepaalde in dit artikel geldt ook voor hypotheken en beslagen, ook al zouden verschillende gegevens omtrent hypotheken en beslagen nog niet in de kadastrale registratie zijn opgenomen in verband met het bepaalde in artikel X van hoofdstuk II van de lnvoeringswet Kadasterwet. De gang van zaken in de dagelijkse praktijk op de kantoren van de Rijksdienst is in het algemeen de volgende: a. Op de dag van inschrijving van de aangeboden stukken wordt bij de in de stukken genoemde percelen een indicatie geplaatst, ten blijke dat een inschrijving in de openbare registers heeft plaatsgevonden. lndien van een zodanig perceel inlichtingen moeten worden verstrekt of uittreksels moeten worden afgegeven, wordt het ingeleverde afschrift van het ter inschrijving ingeleverde stuk geraadpleegd teneinde de meest actuele informatie te kunnen verstrekken. b. lndien de omvang van het aantal ingeschreven stukken het toelaat worden de ingeschreven stukken v66rdat de onder a bedoelde indicatie wordt geplaatst, voorzien van het deel en nummer van de inschrijving, zoals bedoeld in artikel 13 van de wet, en kan bij de bedoelde indicatie tevens bedoeld deel en nummer worden vermeld, hetgeen de toegang tot en daarmee de raadpleging van het stuk vergemakkelijkt. Staatsblad 1991 571 16 c. lndien bij de onder b bedoelde omstandigheid tevens blijkt dat het ingeschreven stuk op een zeer eenvoudige wijze in de kadastrale registratie is te verwerken, vindt de bijhouding terstond volledig plaats. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan het geval dat een overheidsbe schikking wordt ingeschreven waarbij een perceel wordt aangewezen als beschermd monument. De bijhouding bestaat dan slechts uit het plaatsen van een bepaalde aantekening bij het perceel, alsmede het deel en nummer van het ingeschreven stuk. De onder a, b en c bedoelde werkzaamheden warden in de regel uitge voerd op de dag waarop de inschrijving plaatsvindt. Het bepaalde in het tweede lid van het onderhavige artikel houdt rekening met de hiervoor onder c bedoelde gevallen. De in het eerste lid bedoelde ministeriele regeling zal onder meer een uitwerking inhouden van de hiervoor onder a en b bedoelde werkwijze. In het tweede lid wordt tevens geregeld dat de in het eerste lid bedoelde aantekening ook wordt achterwege gelaten ingeval een gedeelte van een perceel overgaat dan wel dat sprake is van de gevallen, bedoeld in de artikelen 12 en 13. Dit houdt onder meer in dat de in het derde lid bedoelde verwijdering van de in het eerste lid bedoelde aante kening niet eerst geschiedt nadat de meting heeft plaatsgevonden, doch nadat de bijhouding in de kadastrale registratie heeft plaatsgevonden voor zover die zonder meting plaats kan hebben. Opgemerkt wordt dat de toepassing van artikel 4 in geen geval leidt tot het zenden van een kennisgeving als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de wet. Bedoelde kennisgeving wordt gezonden nadat de bijwerking is voltooid en in het geval, bedoeld in artikel 14, tweede lid. Artikel 5 Dit artikel bevat een uitwerking van artikel 56, onder b, van de wet. Het betreft het voorschrift dat indien bepaalde gegevens in de kadastrale registratie warden gewijzigd of aangevuld, tevens in genoemde registratie wordt vermeld op welk ingeschreven of ander stuk de wijziging of aanvulling is gebaseerd. Behalve in de gevallen, genoemd in artikel 56, onder b, van de wet, is in artikel 5 voorgeschreven dat deze vermelding ook plaatsvindt ingeval wijzigingen warden aangebracht in de beperkte rechten, de beslagen, gegevens omtrent onderbewindstelling, alsmede in de bedingen betreffende kwalitatieve verplichtingen. De stukken op grand waarvan wijzigingen aangebracht warden zijn in de regel ingeschreven stukken. Wijzigingen die voortvloeien uit een meting, blijken uit door de Rijksdienst opgemaakte metingstaten. Bij de uit een meting voortvloeiende wijzigingen zal derhalve naar bedoelde metingstaat warden verwezen. Het tweede lid geeft aan de eerste ondergetekende de bevoegdheid om de onderhavige verwijzing ook in andere gevallen voor te schrijven. In dit verband kan onder meer warden gedacht aan het wijzigen van gegevens die in de kadastrale registratie kunnen warden opgenomen, op grand van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onder i, van de wet. Artikel 6 In dit artikel zijn op grand van artikel 56 van de wet de hoofdregels voor de bijhouding van de kadastrale registratie gegeven. De wijze van bedoelde bijhouding is afhankelijk van de omstandigheid of al dan niet een meting noodzakelijk is. Zo er geen meting noodzakelijk is kan het ingeschreven stuk terstond volledig in de kadastrale registratie warden verwerkt, tenzij sprake zou zijn van een onjuiste of onvolledige Staatsblad 1991 571 17 vermelding van de kadastrale aanduiding in het ingeschreven stuk. Ten aanzien van deze laatste omstandigheid wordt verwezen naar artikel 15. Geen meting is noodzakelijk in de gevallen dat de inschrijving in de openbare registers betrekking heeft op een geheel perceel. In geval de inschrijving in de openbare registers betrekking heeft op een gedeeltelijk perceel is slechts een meting noodzakelijk, indien de inschrijving de overgang betreft van een gedeelte van een perceel of indien een beperkt recht op een zodanig gedeelte wordt gevestigd, gewijzigd, afgestaan dan wel overgaat. In andere gevallen is geen meting noodzakelijk indien de inschrijving in de openbare registers een gedeelte van een perceel betreft, bijvoorbeeld indien inzake een gedeelte van een perceel inschrijving van de instelling van een rechtsvordering heeft plaatsgevonden. In de gevallen waarin de bijhouding zonder meting volledig kan plaats vinden, warden de in de kadastrale registratie opgenomen gegevens in overeenstemming met het ingeschreven stuk gebracht (eerste lid). Ter zake van deze bijhouding kunnen in hoofdzaak vier gevallen warden onderscheiden: a. Een inschrijving in de openbare registers leidt tot het wijzigen of aanvullen van de gegevens inzake de eigenaar dan wel beperkt gerech tigde van de desbetreffende percelen, onder vermelding van het dee.I en nummer van inschrijving. Als voorbeeld kan warden genoemd de inschrijving van een akte van levering, waarbij een onroerende zaak wordt overgedragen. b. Een inschrijving in de openbare registers leidt tot het plaatsen van een korte aanduiding van het ingeschreven feit, onder vermelding van het deel en nummer van inschrijving. Als voorbeeld dienaangaande kan warden genoemd een rechterlijke uitspraak omtrent ondercuratele stelling. c. Een inschrijving in de openbare registers leidt uitsluitend tot het vermelden van het deel en nummer van inschrijving. Als voorbeeld kan hierbij warden genoemd de inschrijving van de instemming door de eigenaar met de vestiging van een ondererfpacht door de erfpachter. d. In het ingeschreven stuk wordt geen kadastrale aanduiding of recht hebbende genoemd. Dit zal het geval zijn bij ingeschreven algemene voorwaarden of modelreglementen. In de ministeriele regeling, bedoeld in het eerste lid, zullen regels warden gegeven omtrent de technische uitvoering van de bijhouding, de inhoud van de hiervoor onder b bedoelde aanduiding, alsmede de wijze waarop de onderscheiden ingeschreven feiten in de kadastrale registratie warden verwerkt. Het tweede lid voorziet in de gevallen dat een meting plaats moet vinden aangezien een gedeelte van een perceel bijvoorbeeld is overgegaan op een andere rechthebbende. Zolang deze meting niet is geschied en verwerkt vindt de bijhouding plaats op de volgende wijze: a. Bij het perceel waarvan een gedeelte is overgegaan dan wel waarvan ten aanzien van een gedeelte van een beperkt recht sprake is, wordt een aantekening geplaatst dat van bedoelde omstandigheid sprake is. b. De gegevens omtrent de nieuwe rechthebbenden warden in de kadastrale registratie vermeld op de wijze zoals dat ook bij gehele percelen geschiedt, met dien verstande dat bij de kadastrale aanduiding van het perceel wordt vermeld dat het om een gedeelte van het perceel gaat. Staatsblad 1991 571 18 In de ministeriele regaling, bedoeld in het tweede lid, zullen nadere regelen warden gesteld. Deze zullen onder meer in kunnen houden, dat bij de gegevens van de nieuwe rechthebbende ook melding wordt gemaakt van de in het ingeschreven stuk eventueel vermelde oppervlakte van het overgegane perceelsdeel, de cultuuromschrijving daarvan, het perceelsadres, zo dit bekend is, en dergelijke. Betreffende het derde lid wordt het volgende opgemerkt. Zoals in de memorie van toelichting op de Kadasterwet reeds is opgemerkt is niet voor alle gevallen waarin op een gedeelte van een perceel een recht wordt gevestigd een meting noodzakelijk. Te dezer zake zij verwezen naar de blzn. 96 en 97 van genoemde toelichting (Kamerstukken II 1981/82, 17 496, nr. 5). Geen meting vindt plaats ten aanzien van het recht van hypotheek. Weliswaar zal in de meeste gevallen dat een recht van hypotheek wordt gevestigd op een onroerende zaak, aangeduid met een gedeelte van een perceel, tevens sprake zijn van een eigendomsoverdracht van dat perceelsgedeelte, en op die grand tot de vorming van nieuwe, gehele percelen warden overgegaan. Maar indien een en ander zonder eigen domsoverdracht plaatsvindt, zal, evenals voorheen reeds het geval was, niet ambtshalve warden overgegaan tot de vorming van nieuwe gehele percelen. Ook ten aanzien van erfdienstbaarheden vindt geen meting plaats. Het zou te ver gaan om tot de vorming van gehele percelen over te gaan ingeval een erfdienstbaarheid wordt gevestigd, bijvoorbeeld bestaande in het recht om bomen of een balkon over het buurerf te laten hangen of om onder het buurerf een kelder te hebben. (Voornoemde erfdienstbaar heden zullen meestal een deel van een perceel betreffen.) Naast de genoemde voorbeelden kan ook nog warden gedacht aan dat, bedoeld in artikel 71, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; deze erfdienstbaarheid beperkt zich tot een bepaald werk of gebouw. De te maken uitzondering wordt ook nog gerechtvaardigd op grand van het feit dat rekening moet warden gehouden met de mogelijkheid van wijziging ex artikel 78 of artikel 80 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Zo kan een erfdienstbaarheid van weg of overpad die slechts het deel van het perceel betreft, waarover de weg of het pad loopt, warden gewijzigd in dier voege dat weg of pad nu ergens anders op het dienende erf komen te liggen. Ten aanzien van een gevestigd vruchtgebruik dat op een deel van een gebouw is gevestigd, vindt ook geen meting plaats. Het betreft een voortzetting van de tot nu toe gevolgde praktijk. Het gaat hier in de regel om gevallen waarin het recht wordt gevestigd op nauwkeurig in de akte omschreven vertrekken in woningen. In het voorheen geldende recht betrof dit in de regel het toenmalige recht van bewoning. Ten aanzien van het recht van opstal dat uitsluitend is gevestigd ten behoeve van leidingen wordt het volgende opgemerkt. Onder het voorheen geldende recht betrof dit veelal het recht als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (Stb. 1927, 159). In de praktijk vond nagenoeg nimmer meting plaats ter zake van bedoelde rechten, aangezien partijen zelden bereid of in staat waren tot aanwijzing in het terrain van het object waarop het recht was gevestigd. Ook bleek bij de rechthebbenden en de raadplegers van de openbare en kadastrale registers geen behoefte aan opmeting. Ter zake van dit soort Staatsblad 1991 5 71 19 opstalrechten kan, wat hun maatschappelijke betekenis betreft, ook gewezen worden op artikel 1 van de Landinrichtingswet (Stb. 1985; 299), zoals dat zal worden aangepast bij de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek; men zie de lnvoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W., tiende gedeelte (Stb. 1989, 492). Alsdan zal in genoemd artikel zijn bepaald dat onder het recht van opstal niet wordt begrepen dat recht voor zover het betreft het leggen en houden van leidingen in, op of boven de onroerende zaak van een ander. Dit houdt in dat aan bedoelde rechthebbenden onder meer geen stemrecht toekomt in ruilverkavelingen. Tenslotte kunnen incidenteel zich bepaalde bijzondere gevallen voordoen waarin een perceelsgedeelte niet voor meting vatbaar is. Gedacht kan worden aan de gevallen waarin sprake is van zogenoemde meetconsorten. Dit zijn in het verleden ontstane gevallen waarbij in een perceel een aanwijsbaar gedeelte voorkomt dat aan een andere recht hebbende toebehoort. Deze gevallen zijn veelal ontstaan door vooruit te lopen op een verwachte akte van levering, welke echter achterwege is gebleven. Ook kunnen oude zakelijke rechten welke nog niet zijn ingeschreven als bedoeld in artikel 150 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (bijvoorbeeld pootrecht, visrecht) op gedeelten van percelen rusten zonder dat meting mogelijk is, aangezien de grenzen niet exact vaststaan. In de gevallen waarin geen meting of onderzoek ter plaatse geschiedt, kan de bijhouding uiteraard zo spoedig mogelijk na inschrijving van het desbetreffende stuk volledig geschieden overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid. Artikel 7 Ook dit artikel geeft uitvoering aan artikel 56 van de wet. De bijhouding, bedoeld in artikel 6, tweede lid, is slechts de eerste fase van de bijhouding. Nadat de meting heeft plaatsgevonden en het relaas van bevindingen gereed is, dient het resultaat van de bijhouding in de kadastrale registratie te worden verwerkt, ter vervanging van de in artikel 6, tweede lid, bedoelde aantekeningen. De in dit artikel bedoelde ministeriele regelen zullen betrekking hebben op de wijze waarop het vorenstaande technisch wordt uitgevoerd. In de praktijk wordt reeds gewerkt met zogenoemde metingstaten. Deze bevatten als resultaten van de meting de kadastrale aanduiding van de nieuw gevormde percelen, de oppervlakte, en de cultuuromschrijving daarvan, de relatie tussen de oude en de nieuw gevormde percelen (de zogenoemde filiatie), de hypothecaire gegevens en verdere gegevens. Deze metingstaten worden opgemaakt in tabellarische vorm en zijn geschikt om de gegevens doelmatig in de kadastrale registratie te verwerken. De bedoelde ministeriele regeling zal een en ander uitwerken. Artikelen 8 en 9 Deze artikelen, die zijn gebaseerd op artikel 56 van de wet, betreffen de bijhouding van het namenbestand en het percelenbestand. Oat zijn bestanddelen van de kadastrale registratie en vormen ingangen daarop. In het namenbestand worden alle bekende gegevens opgenomen van de rechthebbenden, met daarbij een verwijzing naar alle op hen betrekking hebbende in de openbare registers ingeschreven stukken en in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen geboekte stukken. Het percelenbestand bevat de verwijzingen, bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder e, van de wet. Staatsblad 1991 5 71 20 Aangezien bedoelde bestanden onderdelen van de kadastrale registratie vormen, vindt de bijwerking van de bestanden plaats overeen komstig de artikelen 4 tot en met 7. TITEL 2. Bijzondere bepalingen betreffende bijhouding Artikel 10 Dit artikel, dat is gebaseerd op artikel 56 van de wet, bevat de in de memorie van toelichting op de Kadasterwet (biz. 97, laatste alinea) aangekondigde regeling omtrent de wijze van bijhouding in geval een gedeelte van een perceel waarop een publiekrechtelijke eigendoms- of gebruiksbeperking dan wel een schuldplichtigheid met zakelijke werking rust, een wijziging in de rechtstoestand (naar burgerlijk recht) ondergaat. Deze beperkingen en schuldplichtigheden worden in de kadastrale registratie bij de desbetreffende percelen aangetekend. In dit verband kunnen onder meer worden genoemd het feit dat een perceel is a. belast met een verplichting tot gedogen als bedoeld in artikel 5 van de Belemmeringenwet Landsverdediging (Stb. 1951, 323); b. belast met een verplichting tot gedogen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht; c. aangewezen als beschermd natuurmonument (artikel 20, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet (Stb. 1967, 572)); d. aangewezen als beschermd monument (artikel 6, vierde lid, van de Monumentenwet 1988 (Stb. 638)); e. belast met een schuldplichtigheid als bedoeld in artikel 7, achtste lid, van de Deltawet (Stb. 1958, 246); f. belast met een landinrichtings-, reconstructie of herinrichtingsrente (respectievelijk artikel 223 van de Landinrichtingswet, artikel 113 van de Reconstructiewet Midden-Delfland (Stb. 1977, 233) en artikel 132 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenko lonien (Stb. 1977, 694)); g. belast met een gedoogverplichting als bedoeld in artikel 60 van de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1981, 411); h. belast met een gedoogverplichting als bedoeld in artikel 164 van de Wet geluidhinder (Stb. 1979, 99); i. belast met een verbod als bedoeld in artikel 38 van de Lucht vaartwet (Stb. 1958, 47); j. belast met een voorkeursrecht als bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten (Stb. 1981, 236). lndien een stuk wordt ingeschreven waaruit blijkt dat de rechtstoe stand van het gehele perceel wijzigt, wordt de aantekening inzake de genoemde beperkingen of schuldplichtigheden overgenomen bij de nieuwe gegevens in de kadastrale registratie. lndien de beperking of schuldplichtigheid slechts op een gedeelte van het perceel rust, terwijl een stuk wordt ingeschreven waaruit blijkt dat een gedeelte van het perceel overgaat, is niet terstond duidelijk of de beperking of schuld plichtigheid ook op het overgegane gedeelte rust. Op deze situatie slaan het tweede, derde en vierde lid. De in het eerste lid bedoelde ministeriele regelen zullen nadere voorschriften bevatten omtrent de technische uitvoering. Artikel 11 Het onderhavige artikel, dat uitvoering geeft aan artikel 56 van de wet, bevat de hoofdlijnen omtrent de perceelsvorming. Te dezer zake wordt verwezen naar de biz. 95 e.v. van de memorie van toelichting op de Kadasterwet. Staatsblad 1991 571 21 De in het eerste lid vermelde hoofdregel is voorgeschreven, omdat uiteraard op de kadastrale kaarten alleen gehele percelen worden afgebeeld en aangeduid en het in beginsel niet wenselijk is in de kadastrale registratie, gebaseerd op de kadastrale aanduiding (perceel nummers), gedeeltelijke percelen bliJvend op te nemen. Gedeeltelijke percelen geven bovendien geen mogelijkheid tot een voldoende en blijvende individualisering van de onroerende zaken. Om hier een eind aan te maken dient omzetting van gedeeltelijke percelen in gehele percelen plaats te vinden. Daartoe dient een meting plaats te vinden, zoals is bedoeld in artikel 57 van de wet. Opgemerkt wordt dat perceelsvorming met toestemming van alle belanghebbenden ook zonder terreinbezoek kan geschieden, indien over zodanige gegevens wordt beschikt (bijvoorbeeld een kaart met maten) dat omtrent de ligging van de grenzen en de rechtstoestand geen twijfel bestaat. In het tweede lid is bepaald dat samenvoeging van percelen niet mag plaatsvinden met betrekking tot percelen waarvan de rechtstoestand (naar burgerlijk recht) verschillend is. Wanneer bijvoorbeeld iemand een perceel in voile eigendom toebehoort en hij tevens van een aangrenzend perceel erfpachter is, dan mogen die percelen niet worden samenge voegd. In het slot van het tweede lid is een noodzakelijke afwijking van de onderhavige hoofdregels opgenomen. Te dezer zake wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6, derde lid. De in het derde lid bedoelde regelen zullen met name betrekking hebben op de technische wijze van het berekenen van de grootte van de percelen en de nauwkeurigheid daarvan, het nummeren van de percelen, alsmede verdere technische aspecten, voor zover deze regelen niet worden gegeven krachtens artikel 79 van de wet. Artikel 12 Dit artikel, dat is gebaseerd op artikel 56 van de wet, betreft de gevallen waarin de Rijksdienst een onderzoek ter plaatse kan instellen, anders dan in artikel 57, eerste lid, van de wet is bedoeld. Het betreft met name de controle of de feitelijke omschrijving van een onroerende zaak overeenstemt met de kadastrale aanduiding ervan in de gevallen waarin sprake is van de overdracht van een zgn. cultuurperceel of de vestiging van beperkte rechten daarop. Van cultuurpercelen is sprake wanneer de eigenaar van aan elkaar grenzende afzonderlijk genummerde kadastrale percelen die in dezelfde zakelijke rechtstoestand verkeren {dus onder andere dezelfde eigenaar hebben) er toe overgaat een gebruiksin deling te maken die afwijkt van de kadastrale perceelsindeling. Bij overdracht of vestiging van beperkte rechten (bijvoorbeeld het recht van erfpacht, opstalrecht) wordt vaak door onvoldoende vergelijking van de gegevens omtrent de kadastrale grenzen met de gebruikstoestand de cultuurgrens voor de kadastrale perceelsgrens aangezien. Het gevolg is dat in de akte een geheel kadastraal perceel wordt genoemd, terwijl het de bedoeling van partijen is meer of minder dan het perceel over te dragen. Slechts bij een door de Rijksdienst ter plaatse uit te voeren controle zal blijken of de kadastrale aanduiding van de door partijen bedoelde onroerende zaak wel of niet juist en volledig is. Ten aanzien van de onderhavige ingeschreven stukken vindt in de kadastrale registratie aanvankelijke bijhouding plaats, overeenkomstig door de eerste ondergetekende daartoe vast te stellen regelen. Deze aanvankelijke bijhouding komt overeen met de wijze van bijhouding die geldt indien een gedeelte van een perceel overgaat. Staatsblad 1991 571 22 In het tweede lid is artikel 57, eerste tot en met derde lid, van de wet van toepassing verklaard, hetgeen onder meer inhoudt dat belangheb benden op de hoogte warden gesteld van het onderzoek ter plaatse en dat zij inlichtingen verschaffen, zonodig door aanwijzing ter plaatse. Deze aanwijzing is uiteraard niet de aanwijzing die belanghebbenden moeten verrichten ten behoeve van de bijhouding zelf. Laatstbedoelde aanwijzing en de verdere verstrekking van inlichtingen ten behoeve van de bijhouding vinden eerst plaats na het onderhavige onderzoek. Ter zake van het bedoelde onderzoek wordt een relaas van bevin dingen opgemaakt, oak in gevallen waarin niet van onjuistheid of onvolle digheid blijkt. lndien uit het onderzoek blijkt dat sprake is van een onjuiste of onvol ledige kadastrale aanduiding, is uiteraard het bepaalde bij en krachtens artikel 59 van de wet van toepassing. Verwezen wordt naar de artikelen 15 en 16 van dit besluit. Het derde lid ziet op de gevallen waarin niet van onjuistheid of onvolle digheid blijkt. In die gevallen wordt de bijhouding volgens de gewone regels voltooid. Artikel 13 Dit artikel, dat is gebaseerd op artikel 56 van de wet, houdt in dat in geval van de inschrijving van een akte van levering ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst die betrekking heeft op een rechtsgrens steeds een onderzoek ter plaatse geschiedt. Deze bepaling betekent een voortzetting van de tot dusverre in de praktijk gevolgde werkwijze. Zij houdt verband met de omstandigheid dat bij een vaststellingsovereen komst veelal sprake is geweest van een onduidelijke situatie ter plaatse en wellicht oak van een onduidelijke vastlegging van de kadastrale grens. Teneinde deze onduidelijkheid in de toekomst te voorkomen, wordt de overeengekomen grens aangewezen door de belanghebbenden en in de regel opgemeten. Oak kan sprake zijn dat in het kader van de vaststel lingsovereenkomst expliciet onroerende zaken of beperkte rechten daarop warden overgedragen. Bij het onderzoek ter plaatse warden uiteraard de onroerende zaken waarop bedoelde levering betrekking heeft, mede betrokken. Artikel 14 Dit artikel geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 57, derde lid, van de wet ter zake van de bijhouding in de gevallen waarin een of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen. In bedoelde gevallen ontstaat een situatie waarin de voortgang van de bijhouding zou kunnen stagneren en derhalve niet voltooid kan warden. In de tot op heden gevolgde praktijk wordt ingevolge de interne lnstructie Kadaster evenwel de bijhouding door de met de meting belaste ambtenaar toch vervolgd en gaat hij toch over tot vaststelling van de ligging van de nieuwe grenzen, indien de omschrijving van de ligging der nieuwe grenzen in het ingeschreven stuk geen twijfel overlaat en tevens niet in tegenspraak is met de aanwezige afpaling. Slechts in deze laatst bedoelde gevallen wordt derhalve de bijhouding in de tot op heden gevolgde praktijk voortgezet. Het onderhavige artikel voorziet in de conti nuering van bedoelde praktijk, zoals reeds in het vooruitzicht is gesteld op biz. 99 van de memorie van toelichting bij de Kadasterwet. Staatsblad 1991 5 71 23 Zowel in het geval dat overeenkomstig het derde lid de bijhouding wordt voltooid als in het geval de bijhouding niet wordt voltooid, wordt aan belanghebbenden een kennisgeving als bedoeld in artikel 58 van de wet gezonden. lndien de bijhouding is voltooid overeenkomstig het derde lid en belanghebbenden zich niet met het resultaat van de bijhouding kunnen verenigen, hebben zij uiteraard een wettelijke bezwaar- en beroepsmoge lijkheid als bedoeld in de artikelen 60 tot en met 63 van de wet. Wordt de bijhouding niet voltooid als bedoeld in het eerste lid, dan ontvangen de belanghebbenden ook een kennisgeving die het resultaat bevat van de bijhouding, uiteraard voor zover deze heeft kunnen plaatsvinden. Omtrent deze bijhouding wordt verwezen naar artikel 6, tweede lid. Uiteraard geldt ook hier de genoemde wettelijke bezwaar- en beroeps mogelijkheid. Aangezien in laatstbedoelde gevallen geen sprake is van een voltooide bijhouding, vloeit uit artikel 58 van de wet niet zonder meer voort dat een kennisgeving moet warden gezonden. Daarom is zulks in het tweede lid uitdrukkelijk bepaald. Opgemerkt wordt dat het uiteraard mogelijk is dat belanghebbenden later, nadat de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, is verzonden, wel in staat zijn om de benodigde inlichtingen te verschaffen. Overeenkomstig de tot op heden gevolgde praktijk kan in dat geval alsnog tot volledige bijhouding warden overgegaan met toepassing van de artikelen 57 tot en met 63 van de wet, indien belang hebbenden zulks te kennen geven. Artikel 15 Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 59, tweede lid, van de wet, voor zover het betreft de bijhouding in geval terstond na inschrijving van een stuk blijkt dat de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak in het stuk onvolledig of onjuist is vermeld. In het onderhavige artikel is volledig aangesloten bij de tot op heden gevolgde werkwijze dienaangaande, die in hoofdzaak neerkomt op het volgende: a. voor zover de in het stuk vermelde kadastrale aanduiding wel correct is, vindt bijhouding volledig plaats; b. voor zover de vermelde kadastrale aanduiding niet correct is, wordt bij de desbetreffende percelen en rechthebbenden naar het ingeschreven stuk verwezen. Verwijzing bij de percelen als bedoeld onder b zal niet in alle gevallen mogelijk zijn. Het kan namelijk voorkomen dat het in het stuk vermelde nummer niet meer bestaat of mogelijk nooit bestaan heeft. Alsdan is verwijzing onmogelijk, tenzij een vervallen nummer is vermeld en de bewaarder een vermoeden heeft welk nieuw perceel nummer in de akte had moeten warden vermeld. Ook kan het voorkomen dat het vermelde perceelnummer wel bestaat doch kennelijk onjuist is (bijvoorbeeld ten gevolge van een typefout), terwijl de bewaarder een vermoeden heeft welk perceel bedoeld is. In een dergelijk geval zal bij beide perceelnummers naar het ingeschreven stuk warden verwezen. Verwijzing bij de rechthebbenden kan in alle gevallen plaatsvinden. ·· In het derde lid is bepaald dat in de kadastrale registratie ook wordt verwezen naar de brief waarin onder andere wordt uitgenodigd om een stuk tot verbetering ter inschrijving aan te bieden. Ook deze bepaling sluit aan bij de tot op heden gevolgde werkwijze. Tenslotte wordt opgemerkt dat in het onderhavige artikel tevens is Staatsblad 1991 571 24 voldaan aan het vereiste van artikel 56, onder a, van de wet dat na een inschrijving de bijwerking terstond aanvangt. Artikel 16 Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 59, tweede lid, van de wet, voor zover het betreft de bijhouding in geval bij de aanwijzing ter plaatse blijkt van onjuistheden ter zake van de in het ingeschreven stuk vermelde kadastrale aanduiding en feitelijke omschrijving van de onroerende zaak. Hoewel het hier stukken betreft waarvan de inschrijving reeds geruime tijd geleden zal hebben plaatsgevonden, is het eerste lid van artikel 15 niettemin van toepassing verklaard, aangezien het ingeschreven stuk wellicht niet bij alle desbetreffende percelen is vermeld. Het geval dat de feitelijke omschrijving van de onroerende zaak onver enigbaar is met hetgeen de rechthebbenden aanwijzen, is geregeld in het tweede lid. Daarbij is het derde lid van artikel 15 niet van overeenkom stige toepassing verklaard, aangezien het niet een onjuistheid of onvolle digheid in de kadastrale aanduiding betreft en derhalve bij alle desbetref fende percelen reeds melding is gemaakt van het deel en nummer van inschrijving. De in het derde lid bedoelde bijhouding van de kadastrale kaarten zal niet volledig kunnen geschieden zolang niet een stuk tot verbetering is ingeschreven. Omtrent bedoelde bijhouding zal de eerste ondergete kende nadere regelen stellen. Deze regelen betreffen met name het vermelden op de kaart van de door belanghebbenden aangewezen grens. Na inschrijving van een stuk tot verbetering als bedoeld in artikel 42 van de wet, wordt de bijhouding voltooid. Artikel 17 In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 64, eerste lid, van de wet, waarbij de tot heden bestaande praktijk wordt voortgezet. De door de eerste ondergetekende vast te stellen regelen zullen vooral betrekking hebben op de verwijzing in de kadastrale registratie naar het ontvangen stuk waaruit het overlijden blijkt, alsmede op de vermelding van het boedeladres. lndien in het stuk niet uitdrukkelijk een boedeladres is genoemd, wordt het adres vermeld van een van de erfgenamen, zo mogelijk de echtgenoot van de overledene. Artikel 18 Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 65, eerste lid, van de wet. Dit artikel heeft geen betrekking op de gekozen woonplaats. Wijziging daarvan geschiedt slechts op grond van een ingeschreven stuk (zie artikel 47 van de wet). Artikel 19 Dit artikel geeft uitvoering aan de artikelen 67, eerste lid, en 70, eerste lid, juncto artikel 57, derde lid, van de wet. Het betreft het onderzoek naar het zich voorgedaan hebben van een feit, bedoeld in artikel 29 of in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij een of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen. Het onderhavige onderzoek zal niet frequent voorkomen, te minder aangezien de grens niet meer verandert nadat deze is vastgelegd overeenkomstig de Staatsblad 1991 571 25 artikelen 30 tot en met 32 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. De onderhavige inlichtingen kunnen betrekking hebben op het zich voorgedaan hebben van bedoeld feit, wie de rechthebbenden op de desbetreffende onroerende zaken zijn geworden, alsmede, ingeval van meer dan een rechthebbende sprake is, hoe de ligging van de grenzen is tussen de aan de rechthebbenden toebehoorde onroerende zaken. Bij dit onderzoek zal de ambtenaar uiteraard acht slaan op de van toepassing zijnde bepalingen te dezer zake van het Burgerlijk Wetboek. lngeval de inlichtingen van belanghebbenden ontbreken of onderling tegenstrijdig zijn, is aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 14. TITEL 3. Splitsing en samenvoeging van percelen Artikel 20 Dit artikel geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 73, eerste lid, van de wet voor zover het de bevoegdheid van de Rijksdienst betreft tot het ambtshalve splitsen van percelen. Het betreft hier niet de gevallen waarin splitsing van percelen dient plaats te vinden ingeval een inschrijving in de openbare registers gedeeltelijke percelen betreft en die inschrijving inhoudt de overgang van de eigendom of een beperkt recht dan wel de vestiging, wijziging of afstand van een beperkt recht (zie daarvoor artikel 11 ). Opgemerkt wordt dat in de gevallen die in dit artikel zijn bedoeld niet steeds splitsing van percelen zal plaatsvinden, doch slechts in de gevallen dat daaraan behoefte bestaat. Bij de onder a bedoelde gevallen van splitsing kan worden gedacht aan de gevallen waarin de omvang van de kadastrale kaarten aanleiding geeft om percelen te splitsen. Zo zullen wegen, kanalen, rivieren, meren, spoorwegen enzovoorts vaak van een zodanige uitgebreidheid zijn dat afbeelding door middel van een kadastraal perceel op een kadastrale kaart onmogelijk is. Ook vindt bij grote meetobjecten veelal splitsing plaats, waarbij bijvoorbeeld bij een bestemmingsplan de weggrenzen als perceelsgrenzen kunnen fungeren. De onder b bedoelde verandering van de bladindeling kan bijvoorbeeld nodig zijn door een maatschappelijk gezien noodzakelijke schaalver groting van de kaart. Alsdan dient de Rijksdienst de nodige armslag te hebben om tot een gewijzigde perceelsindeling te komen. Ook zal splitsing van bepaalde percelen plaatsvinden, indien de grenzen van kadastrale gemeenten wijzigen omdat de grenzen van burgerlijke gemeenten zijn gewijzigd. lndien bij laatstgenoemde wijziging percelen worden doorsneden, zal een zodanige splitsing moeten plaatsvinden dat uitsluitend gehele percelen naar de nieuwe gemeente overgaan. Bedoelde wijziging van grenzen zal in de regel voortvloeien uit een wijziging van de gemeentelijke indeling, doch kan in uitzonderlijke gevallen ook het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken. Dit laatste kan zich voordoen indien de grens van twee burgerlijke gemeenten gevormd wordt door het midden van een rivier waarbij het rivierbed door natuur lijke oorzaken wijziging heeft ondergaan. Voorts wordt opgemerkt dat splitsing van percelen ook noodzakelijk kan zijn ingeval sprake is van een wijziging van de rijksgrens. De onder c bedoelde splitsing kan nodig zijn bij onroerende zaken van de overheid welke door verschillende departementen worden beheerd. Verder kan worden gedacht aan splitsing van een weg die verschil lende namen draagt, alsmede aan de gevallen waarin splitsing plaats vindt in geval een perceel in verschillende economische eenheden is verdeeld en zulks in het terrain door duidelijke afpaling blijkt. Staatsblad 1991 5 71 26 De onder d bedoelde splitsing zal slechts in bijzondere gevallen plaats vinden. Te denken is aan het geval dat op een perceel verschillende eigendoms- of gebruiksbeperkingen rusten waardoor zonder splitsing een onduidelijke situatie zou bestaan. In dit verband moet het openbaar zijn van een private weg als een publieke last warden aangemerkt, die onder de hier bedoelde eigendoms- of gebruiksbeperkingen valt. Splitsing zal ook plaatsvinden in geval een perceel bij de uitvoering van de Landinrichtingswet gedeeltelijk in een herverkavelingsblok komt te liggen, zodat uitsluitend gehele percelen in het ruilverkavelingsblok komen te liggen. De onder e bedoelde splitsing zal eveneens bij uitzondering geschieden, aangezien de onderhavige voorwaarden en het wederin kooprecht slechts in weinig gevallen op een gedeelte van een perceel betrekking hebben. Onder f is het geval van de voorgenomen onteigeningsprocedure opgenomen aangezien deze splitsing niet kan geschieden op verzoek als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de wet, omdat het verzoek daartoe door de eigenaar of beperkt gerechtigde moet warden gedaan. Toch kan het wenselijk zijn dat ook ten behoeve van de partij die onteigening overweegt splitsing van het perceel geschiedt. Om deze reden is de mogelijkheid van ambtshalve splitsing door de Rijksdienst geopend. Artikel 21 Dit artikel, dat uitvoering geeft aan artikel 73, eerste lid, van de wet, betreft de gevallen waarin de Rijksdienst bevoegd is tot het ambtshalve samenvoegen van percelen. De in artikel 11, tweede lid, bedoelde samenvoeging heeft betrekking op samenvoegingen in het kader van de bijhouding op grond van ingeschreven stukken. De onderhavige samen voeging kan slechts plaatsvinden, indien de samen te voegen percelen dezelfde rechtstoestand (naar burgerlijk recht) hebben. De wenselijkheid daarvan kan zich voordoen bijvoorbeeld in het geval dat de onderlinge begrenzing van de kadastrale percelen in het terrein geheel verdwenen is en de onroerende zaak zich in het terrein als een perceel manifesteert. Aldus wordt voorkomen dat in het terrein niet herkenbare percelen in de kadastrale administratie blijven gehandhaafd. In het tweede lid is bepaald dat ter zake van de onderhavige samen voeging geen acht behoeft te warden geslagen op erfdienstbaarheden. Te dezer zake wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6, derde lid. In het tweede lid is geen uitzondering gemaakt voor de overige in artikel 6, derde lid, bedoelde gevallen. Hieromtrent wordt het volgende opgemerkt. lndien twee percelen een verschillende hypothecaire bezwaardheid hebben, vindt samenvoeging tot op heden in het algemeen niet plaats. Er is geen aanleiding om deze praktijk te beeindigen, aangezien beeindiging daarvan een onduidelijke situatie kan scheppen ten aanzien van de vraag op welke onroerende zaak het recht van hypotheek rust. Ten aanzien van de in artikel 6, derde lid, onder c en d, bedoelde gevallen zou samenvoeging met andere percelen de lokali sering van het desbetreffende recht in het algemeen niet ten goede komen. Dat een dergelijke samenvoeging krachtens artikel 11, tweede lid, in beginsel wel mogelijk is, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat bij bijhoudingen naar aanleiding van ingeschreven stukken de bedoelde samenvoeging niet altijd kan warden voorkomen. Om deze samenvoe gingen zoveel mogelijk te voorkomen dienen deze in ieder geval niet ambtshalve te geschieden. Staatsblad 1991 571 27 Tenslotte wordt opgemerkt dat dit artikel geen verplichting tot s~meri voeging met zich brengt, doch een bevoegdheid daartoe, waarvan slechts in gewenste gevallen gebruik zal warden gemaakt. Artikel 22 Het eerste tot en met derde lid van dit artikel geven uitvoering aan artikel 73, tweede lid, van de wet en betreffen de gevallen waarin de in genoemd artikel 73, tweede lid, bedoelde rechthebbende een verzoek tot splitsing of samenvoeging van percelen kan doen. Zoals in genoemd artikel 73, tweede lid, is vermeld dient de rechtheb bende bij de splitsing of samenvoeging een redelijk belang te hebben, omdat anders aan een efficient en effectief functioneren van de Rijks dienst afbreuk kan warden gedaan. Het eerste lid betreft de gevallen waarin een verzoek tot splitsing gedaan kan warden. Het ender a bedoelde geval betreft een voorgenomen verkoop, ruiling, uitgifte in erfpacht of opstal, vestiging van een recht van hypotheek, enzovoorts, waarbij men het doel nastreeft in de akte de onderhavige onroerende zaak, onderwerp van overeenkomst, als een geheel kada straal perceel aan te duiden. In geval van een voorgenomen splitsing in appartementsrechten is het zelfs noodzakelijk dat sprake is van gehele kadastrale percelen. 0nder b zijn gevallen bedoeld waarin gedeelten van een perceel een verschillende bestemming hebben of waarin de gebruikstoestand van gedeelten van het perceel verschillend is, dan wel waarin ten aanzien van een gedeelte van een perceel sprake is van een voorgenomen onteige ningsprocedure. Te dezer zake wordt de bestaande praktijk voortgezet. In de gevallen, bedoeld in artikel 20, ender d en e, kan van splitsing op verzoek geen sprake zijn, aangezien daarbij andere belanghebbenden zijn betrokken. lndien de bedoelde splitsing toch nodig zou zijn, zal deze door de Rijksdienst kunnen plaatsvinden op grand van artikel 20. Het tweede lid betreft de gevallen waarin een verzoek tot samen voeging van percelen kan warden gedaan. Verwezen wordt dienaan gaande naar de toelichting op artikel 21. Het tweede lid voorkomt tevens de uitvoering van verzoeken tot samenvoeging van percelen waardoor de kadastrale indeling in ambtsgebieden, kadastrale gemeenten en secties gewijzigd zouden moeten warden, hetgeen ten aanzien van ambtsge bieden en kadastrale gemeenten niet mogelijk is en ten aanzien van de secties niet gewenst is. lndien niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen warden verschaft zal de bijhouding in het algemeen niet kunnen plaatsvinden, tenzij in bijzondere gevallen bij de met de meting belaste ambtenaar geen twijfel bestaat omtrent de ligging van de beoogde nieuwe grenzen. In verband hiermee is in het vierde lid artikel 14, eerste, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Genoemd vierde lid strekt ter uitvoering van artikel 73, vierde lid, van het onderhavige besluit, juncto artikel 57, derde lid, van de wet. Staatsblad 1991 5 71 28 TITEL 4. Vernieuwing Artikel 23 Het eerste lid van dit artikel geeft uitvoering aan artikel 74, eerste lid, van de wet. Het betreft de gevallen waarin de Rijksdienst bevoegd is een onderzoek van vernieuwing in te stellen. Er wordt te dezer zake onder scheid gemaakt tussen een onderzoek inzake een gebied en inzake een of enkele onroerende zaken. Het in het eerste lid onder a bedoelde geval betreft een gebied ten aanzien waarvan de Rijksdienst van oordeel is dat de in de kadastrale registratie voorkomende gegevens, vermeld in artikel 74, eerste lid, van de wet, niet voldoende juist en volledig zijn. Het betreft in de regel gebieden ten aanzien waarvan de kadastrale kaarten nog dateren uit de tijd van de oprichting van het Kadaster in het begin van de negentiende eeuw. Van deze kaarten is in het algemeen de nauwkeurigheid te gering en de gebruikte schaal te klein met het oog op bestuurlijke doeleinden. Ook is niet in een landelijk coordinatensysteem gemeten, doch in een plaatselijk systeem. De oude gegevens omtrent grenzen zijn daarbij slechts ten dele gebaseerd op aanwijzing van ook de eigenaren van aangrenzende onroerende zaken, hetgeen afbreuk doet aan de betrouw baarheid van deze gegevens. Voorts zijn in vele gevallen de technische gegevens omtrent de grenzen onvoldoende, onder meer omdat van vele in de begintijd vastgestelde grenzen de aan de kadastrale kaart ten grondslag liggende gegevens (het veldwerk) niet aanwezig zijn. Verder zijn ook de in de kadastrale registratie vermelde gegevens omtrent de rechthebbende, de op de onroerende zaak rustende rechten en de grootte van die zaak vaak niet voldoende betrouwbaar en nauwkeurig. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat in het verleden overgeschreven akten soms onjuistheden bevatten ten aanzien van de kadastrale aanduiding of de feitelijke omschrijving van de onroerende zaak, zonder dat een stuk tot verbetering werd ingediend. Ook in het verleden in de kadastrale registratie toegepaste successie-opgaven bevatten in verschil lende gevallen onjuistheden. Verder komt het voor dat de gegevens betreffende onroerende zaken die nog nooit of lange tijd geleden in een bijhouding zijn betrokken, wijzigingen hebben kunnen ondergaan ten gevolge van rechtsfeiten waarvan het rechtsgevolg kon intreden zonder inschrijving of overschrijving in de openbare registers. Tenslotte hebben in het verleden soms wijzigingen in de kadastrale registratie plaatsge vonden met het oog op de hefting van de grondbelasting, waarbij als rechthebbenden werden vermeld degenen die de desbetreffende onroe rende zaken gebruikten, zonder dat vaststond dat zij zakelijk gerech tigden waren. Ten aanzien van het onderzoek van vernieuwing zal de Rijksdienst uiteraard prioriteiten stellen. Hierbij zal ook een rol spelen of uit maatschappelijk oogpunt een onderzoek van vernieuwing wenselijk is. Uit maatschappelijk oogpunt kan het gewenst zijn een onderzoek van vernieuwing in te stellen met betrekking tot onroerende zaken ten aanzien waarvan bijvoorbeeld een bestemmingsplan zal worden vastge steld of die zullen gaan behoren tot een landinrichtingsgebied of een gebied dat ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten wordt aange wezen als gebied waarop het in die wet bedoelde voorkeursrecht van toepassing is. Het betreft derhalve gebieden waarvan de infrastructuur zal kunnen veranderen of waarvan de rechtstoestand naar burgerlijk recht door herverkaveling zal veranderen. De overheid maakt voor de onderhavige bestuurlijke doeleinden gebruik van de kadastrale gegevens. Het is derhalve uit maatschappelijk oogpunt gewenst dat die gegevens Staatsblad 1991 5 71 29 voldoende juist zijn. Het onderzoek kan met betrekking tot het g~hele gebied worden ingesteld, zonder dat het voor elke onroerende zaak bij voorbaat zeker of aannemelijk behoeft te zijn dat de kadastrale gegevens . gebreken vertonen. Ook zal een onderzoek tot vernieuwing wenselijk kunnen zijn ten aanzien van een gebied indien dit voor de Rijksdienst zal leiden tot aanmerkelijke besparingen bij toekomstige bijhoudingen. Dit kan het geval zijn als de aanwezige kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende gegevens zodanig verouderd zijn en gebreken vertonen dat dit voor de bijhouding een ernstige belemmering met zich meebrengt. De Rijksdienst zal niet een onderzoek van vernieuwing instellen met betrekking tot onroerende zaken waarvan de kadastrale gegevens onderwerp van discussie zullen zijn in een andere administratiefrechte lijke procedure, teneinde onzekerheid omtrent die gegevens in die andere procedure te voorkomen. Dit betreft landinrichtingsgebieden ten aanzien waarvan de procedure zover is gevorderd dat de stemming zal plaats vinden of de lijst van rechthebbenden zal worden opgemaakt. Verder kan worden gedacht aan te onteigenen gebieden ten aanzien waarvan het onteigeningsplan ter inzage wordt gelegd. Na bedoelde tijdstippen zal in geen geval een onderzoek van vernieuwing worden ingesteld. Ook zal een onderzoek van vernieuwing in beginsel niet plaatsvinden met betrekking tot onroerende zaken ten aanzien waarvan bijvoorbeeld de laatste twintig jaar een akte van toedeling als bedoeld in de Landinrich tingswet, een vonnis van onteigening dan wel een notariele akte van vernieuwing in de openbare registers is ingeschreven. Het in het eerste lid onder b bedoelde geval heeft betrekking op een of enkele onroerende zaken. Het kan ten behoeve van bestuurlijke doeleinden gewenst zijn een onderzoek van vernieuwing in te stellen ook al betreft het slechts een of enkele onroerende zaken. Te dezer zake geldt hetgeen hiervoor is opgemerkt. In de onderhavige gevallen zal de wenselijkheid om een onderzoek tot vernieuwing in te stellen veelal gelegen zijn in het vermoeden dat de in de kadastrale registratie vermelde gegevens omtrent de rechthebbenden niet juist zijn. lndien sprake is van meer dan een perceel kunnen de onderlinge grenzen uiteraard ook voorwerp van onderzoek zijn. Dit laatste geldt in het bijzonder indien sprake is van een enclave in een herverkavelingsblok als bedoeld in de Landinrichtingswet. Ten aanzien van dergelijke enclaves is het in de regel gewenst dat de desbetreffende meetkundige gegevens op hetzelfde niveau worden gebracht als de meetkundige gegevens van de in het herverkavelingsblok gelegen percelen. De op de kadastrale kaart voorkomende percelen in de bedoelde enclave kunnen dan worden toegevoegd op reeds bestaande kadastrale kaarten die in het landelijke stelsel van de Rijksdriehoeksmeting liggen. Het in het eerste lid onder c bedoelde geval heeft betrekking op een of meer onroerende zaken ten aanzien waarvan de Rijksdienst door de rechthebbende er op wordt geattendeerd dat de desbetreffende kadastrale gegevens niet voldoende juist zijn. Het kan bijvoorbeeld een onroerende zaak betreffen die nog nimmer of zeer lang geleden in een bijhouding is betrokken. De in de kadastrale registratie vermelde recht hebbenden zijn in dergelijke gevallen soms reeds lang geleden overleden dan wel, in geval van een rechtspersoon, ontbonden. lndien de desbe treffende belanghebbende een en ander aannemelijk maakt, zal de Rijks dienst een onderzoek tot vernieuwing instellen. Het ligt in de bedoeling om voor deze op verzoek verrichte werkzaamheden kosten in rekening te brengen. In de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel Staatsblad 1991 571 30 108, eerste lid, van de wet, zal hierin warden voorzien. Onder belanghebbende kan warden verstaan de rechthebbende met betrekking tot de desbetreffende onroerende zaak dan wel een hunner. Ook kan onder belanghebbende warden verstaan bijvoorbeeld een gemeente die de desbetreffende onroerende zaak wenst te verkrijgen of te onteigenen, maar daarbij stuit op gegevens in de kadastrale registratie die niet juist zijn. Het tweede lid geeft uitvoering aan artikel 75, eerste lid, van de wet. Het betreft de gevallen waarin bekendmaking als bedoeld in genoemd eerste lid, achterwege kan blijven op de grond dat het bereiken van alle belanghebbenden voldoende is gewaarborgd doordat de Rijksdienst van een voornemen tot een onderzoek van vernieuwing per brief mededeling doet aan de in de kadastrale registratie vermelde rechthebbenden. In de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder b en c, is van bedoelde waarborg sprake. Artikel 24 Dit artikel regelt op grond van artikel 56 van de wet, de wijze van vernieuwing indien tijdens de vernieuwingsprocedure bijhoudingen, als bedoeld in artikel 77, derde lid, van de wet, zich hebben voorgedaan met betrekking tot onroerende zaken die aan die vernieuwing waren onder worpen. lndien zich een bijhouding heeft voorgedaan waarbij het gehele perceel is overgegaan op een nieuwe rechthebbende, zal de inschrijving van de akte van vernieuwing niet tot gevolg mogen hebben dat het perceel in de kadastrale registratie weer wordt afgevoerd van de naam van genoemde nieuwe rechthebbende. In een zodanig geval moet de vernieuwing zich beperken tot het vermelden bij het perceel van het deel en nummer van inschrijving van de akte van vernieuwing. HOOFDSTUK 4. BIJHOUDING VAN DE REGISTRATIE VOOR SCHEPEN Artikelen 25 tot en met 27 Deze artikelen geven uitvoering aan het bepaalde in artikel 87, vierde lid, van de wet en bevatten regelen omtrent de wijze van bijhouding van de registratie voor schepen. Gelet op de overeenkomst tussen de wijze van bijwerking van de kadastrale registratie en de wijze van bijhouding van de registratie voor schepen, wordt verwezen naar hetgeen ter toelichting op de artikelen 4 tot en met 6 is opgemerkt. De artikelen 26 en 27 komen inhoudelijk overeen met de artikelen 8 en 9. Ter toelichting van de artikelen 26 en 27 wordt dan ook verwezen naar hetgeen bij de artikelen 8 en 9 dienaangaande is opgemerkt. Artikel 28 Dit artikel, dat uitvoering geeft aan artikel 89, tweede lid, van de wet, geeft met betrekking tot de registratie voor schepen een soortgelijke regeling als artikel 15 ten aanzien van de kadastrale registratie geeft. Ter toelichting op artikel 28 wordt dan ook verwezen naar hetgeen ter toelichting op artikel 15 is opgemerkt. Artikel 29 Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 91, eerste en tweede lid, van de wet zoals dat artikel bij de lnvoeringswet Kadasterwet wordt gewijzigd, Staatsblad 1991 571 31 juncto de artikelen 64 en 65 van de wet en geeft met betrekking to,t de •. registratie voor schepen een soortgelijke regeling als de artikelen 17 en 18 ten aanzien van de kadastrale registratie geven. Ter toelichting op artikel 29 wordt dan ook verwezen naar hetgeen bij de artikelen 17 en 18 is opgemerkt. H00FDSTUK 5. BIJH0UDING VAN DE REGISTRATIE V00R LUCHT VAARTUIGEN Artikelen 30 tot en met 32 Deze artikelen geven uitvoering aan het bepaalde in artikel 94, tweede lid, van de wet en bevatten regelen omtrent de wijze van bijhouding van de registratie voor luchtvaartuigen. Gelet op de overeenkomst tussen de wijze van bijwerking van de kadastrale registratie en de wijze van bijhouding van de registratie voor luchtvaartuigen, kan in artikel 30 worden volstaan met het van overeenkomstige toepassing verklaren van een aantal artikelen die betrekking hebben op de wijze van bijwerking van de kadastrale registratie. De artikelen 31 en 32 komen inhoudelijk overeen met de artikelen 8 en 9. Ter toelichting van de artikelen 31 en 32 wordt dan ook verwezen naar hetgeen bij de artikelen 8 en 9 dienaangaande is opgemerkt. Artikel 33 Dit artikel, dat uitvoering geeft aan artikel 96, tweede lid, van de wet, geeft met betrekking tot de registratie voor luchtvaartuigen een soortge lijke regeling als artikel 15 ten aanzien van de kadastrale registratie geeft. Ter toelichting op artikel 33 wordt dan ook verwezen naar hetgeen ter toelichting op artikel 15 is opgemerkt. Artikel 34 Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 98, eerste en tweede lid, van de wet zoals dat artikel bij de lnvoeringswet Kadasterwet wordt gewijzigd, juncto de artikelen 64 en 65 van de wet en geeft met betrekking tot de registratie voor luchtvaartuigen een soortgelijke regeling als de artikelen 17 en 18 ten aanzien van de kadastrale registratie geven. Ter toelichting op artikel 34 wordt dan ook verwezen naar hetgeen bij de artikelen 17 en 18 is opgemerkt. H00FDSTUK 6. VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN Artikel 35 Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 102, derde lid, van de wet omtrent het desverlangd te velde verstrekken van inlichtingen uit de kadastrale kaarten of de daaraan ten grondslag liggende bescheiden (veldaantekeningen). Het betreft hier de uitzetting van de grenzen van een perceel, dat is het in het terrein aangeven waar volgens de bij de Rijksdienst bekende gegevens, vastgelegd in bedoelde veldaanteke ningen of op de kadastrale kaart, de grenzen van een bepaald perceel liggen. In het eerste lid wordt de eis gesteld dat de belanghebbende een redelijk belang moet hebben bij de verzochte inlichtingen te velde. Deze Staatsblad 1991 5 71 32 bepaling is gemaakt ten einde te voorkomen dat de uitoefening van andere taken van de Rijksdienst in het gedrang komt. Van een redelijk belang zal in het algemeen sprake zijn indien bij een eigenaar of beperkt gerechtigde twijfel bestaat omtrent de ligging van de kadastrale grens, terwijl duidelijkheid dienaangaande gewenst is met het oog op de toekomstige plaatsing van opstallen of een voorgenomen verkoop enzovoorts. Het is niet noodzakelijk dat de verzoeker steeds rechtheb bende ten aanzien van het perceel is. Als belanghebbende kan ook worden aangemerkt een koper of toekomstige koper van de desbetref fende onroerende zaak. Opdat de Rijksdienst zich een oordeel kan vormen omtrent het aanwezig zijn van een redelijk belang, is in het tweede lid bepaald dat de belanghebbende een omschrijving van bedoeld belang moet geven. Het artikel opent de mogelijkheid dat de Rijksdienst een verzoek afwijst, namelijk indien bedoeld redelijk belang niet aanwezig wordt geacht. Dit kan zich voordoen in gevallen waarin de desbetreffende grens, die duidelijk en duurzaam op het terrein is afgebakend, reeds kort tevoren is uitgezet en bij belanghebbende bekend is, doch waarmee belanghebbende zich niet verenigen kan. Een hernieuwde grensuitzetting heeft dan geen zin. Overigens moet, gelet op de tot op heden geldende praktijk, ervan uitgegaan worden dat een afwijzing van het onderhavige verzoek tot de uitzonderingen zal behoren. Degene die een beschikking verkrijgt als bedoeld in het derde lid, kan daar tegen opkomen, aangezien deze beschikking valt onder artikel 2, eerste lid, dan wel artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Stb. 1975, 284). Tenslotte wordt opgemerkt dat het tot op heden praktijk is dat omtrent een uitgezette perceelsgrens die tevens rechtsgrens is, niet alleen aan de verzoeker inlichtingen worden verstrekt, doch dat ook inlichtingen omtrent de ligging van de grens worden verstrekt aan de rechthebbende van het aangrenzende perceel. Deze praktijk is ontstaan, doordat in geval van een verzochte grensuitzetting vaak ook bij de aangrenzende recht hebbende onduidelijkheid over de ligging van de grens bestaat. Het is de bedoeling om deze praktijk voort te zetten. Artikel 36 Dit artikel geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 105, eerste lid, van de wet, ter zake van de mogelijkheid dat derden een permanente terminal-aansluiting met de Rijksdienst kunnen hebben, waardoor gegevens uit de kadastrale registratie beschikbaar worden gesteld. In het algemeen wordt opgemerkt dat dezelfde gegevens kunnen worden geraadpleegd die ook ten kantore van de Rijksdienst op het desbetref fende beeldscherm zijn te raadplegen. Het eerste en tweede lid bevatten de voorwaarden waaronder bedoelde aansluiting kan worden verkregen. In het eerste lid, onder a, is bepaald dat uitsluitend de actuele gegevens uit de kadastrale registratie worden beschikbaar gesteld. Dit houdt verband met de omstandigheid dat de vervallen gegevens niet in de geautomatiseerde kadastrale registratie zijn opgenomen, aangezien deze vervallen gegevens dateren van v66r de omzetting van de handmatige kadastrale registratie naar een geautomatiseerde, dan wel dat de vervallen gegevens zijn opgenomen in een afzonderlijk bestand dat evenwel niet volledig automatisch toegankelijk is en derhalve slechts ten kantore van de Rijksdienst geraadpleegd kan worden. Overigens hebben degenen die de onderhavige permanente aansluiting verlangen, in het algemeen slechts belang bij de actuele gegevens. Opgemerkt Staatsblad 1991 5 71 33 wordt dat de Rijksdienst de bijwerking van de kadastrale registratie terstond doet aanvangen, overeenkomstig artikel 56 van de wet, zodat de raadpleger de meest actuele gegevens kan zien, dan wel bij de geraad pleegde gegevens kan zien dat een bijwerking is aangevangen. Te dezer zake wordt verwezen naar artikel 4. In het eerste lid, onder b, is een bepaling opgenomen inzake het gebied waarvan men gegevens uit de kadastrale registratie kan raadplegen. Dit betreft steeds de gehele kring van een of meer kantoren van de Rijksdienst. Dit houdt verband met de structuur van de geautoma tiseerde kadastrale registratie, waardoor het uitsluitend kunnen raadplegen van de gegevens van een beperkter gebied niet mogelijk is. Het eerste lid, onder c, ziet op de mogelijkheid dat de in de kadastrale registratie opgenomen gegevens omtrent hypotheken en beslagen desverlangd van de beschikbaarstelling kunnen warden uitgesloten, hetgeen door bijvoorbeeld waterschappen gewenst zou kunnen warden. Ook is het mogelijk dat uitsluitend de gegevens omtrent hypotheken en beslagen warden beschikbaar gesteld. Het vorenstaande houdt verband met de omstandigheid dat gegevens omtrent hypotheken en beslagen technisch op een afzonderlijke wijze in de geautomatiseerde kadastrale registratie zijn opgenomen. Het eerste lid, onder d, betreft de tijden dat de raadpleging kan geschieden, alsmede de soort apparatuur en het onderhoud daarvan, waarmee de permanente aansluiting wordt tot stand gebracht. De onder havige regels zullen ook betrekking hebben op de gevallen dat bij derden reeds apparatuur aanwezig is die tevens voor de onderhavige raadpleging zou kunnen warden gebruikt. Aangezien het zaken betreft die technisch van aard zijn en bovendien zeer aan wijziging onderhevig zijn, is bepaald dat een en ander in een ministeriele regeling wordt opgenomen. Het eerste lid, onder e, bepaalt dat de gegevens uitsluitend warden beschikbaar gesteld door raadpleging van het beeldscherm, waarvan desverlangd een afschrift kan warden vervaardigd. De vorm van bedoeld afschrift wordt door de eerste ondergetekende vastgesteld. Naar de huidige stand van de techniek moet thans warden gedacht aan een zogenoemde hard-copy. Uit deze bepaling blijkt dat het niet mogelijk is om uittreksels uit de kadastrale registratie, als bedoeld in artikel 102, eerste lid, van de wet, te vervaardigen door middel van de onderhavige permanente aansluiting. Dergelijke, voor eensluidend gewaarmerkte uittreksels moeten warden aangevraagd bij het kantoor van de Rijks dienst. Bedoelde bepaling brengt ook mee dat de houder van de perma nente aansluiting de beschikbaar gestelde gegevens bijvoorbeeld niet in een eigen systeem mag opslaan. In het eerste lid, onder f, is bepaald dat de beschikbaar gestelde gegevens niet aan derden mogen warden verstrekt. Dit houdt onder meer in dat het de houder van de permanente aansluiting niet is toege staan om derden aan te sluiten op zijn aansluiting. Ook het verstrekken aan derden van afschriften van het beeldscherm is niet toegestaan. Uiteraard geldt het vorenstaande niet voor verstrekkingen binnen de organisatie van de houder van de permanente aansluiting. Ook is toege staan dat de houder de geraadpleegde gegevens in andere documenten verwerkt. Als voorbeelden van dit laatste zijn te noemen de notaris die gegevens uit de kadastrale registratie in zijn akten verwerkt en een gemeente of waterschap die bedoelde gegevens opneemt in aanslagen ter zake van belastingen of heffingen. Het onderhavige verbod geldt uiteraard niet voor de in artikel 37 bedoelde informatieverstrekking. Staatsblad 1991 5 71 34 Het tweede lid opent de mogelijkheid dat de permanente aansluiting beeindigd wordt ingeval de houder van de aansluiting niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Uiteraard zal bedoelde beeindiging slechts geschieden ingeval overleg met de houder van de permanente aansluiting niet leidt tot het alsnog nakomen van de voorwaarden. Het derde lid heeft betrekking op de wijze waarop de onderhavige permanente aansluiting kan worden verkregen. Aangezien dit om technische aangelegenheden gaat, is bepaald dat hieromtrent regels worden gesteld bij ministeriele regeling. In bedoelde ministeriele regeling zal bijvoorbeeld worden opgenomen of de permanente aansluiting wordt gerealiseerd door middel van bijvoorbeeld een vaste PTT-lijn, een zogenoemde kieslijn, of een eigen netwerk. Tenslotte wordt opgemerkt dat de vergoeding die door belangheb benden voor de onderhavige permanente aansluiting is verschuldigd, wordt geregeld in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de wet. Artikel 37 Dit artikel geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 105, tweede lid, van de wet. Het betreft de voorwaarden waaronder aan gemeenten die beschikken over een permanente aansluiting op de geautomatiseerde kadastrale registratie, de bevoegdheid wordt verleend om daaruit gegevens aan derden te verschaffen. Daarbij dient verzekerd te zijn dat die gegevens steeds worden verschaft afzonderlijk en kenbaar als afkomstig uit de kadastrale registratie. In het eerste lid, onder a, is bepaald dat aan de aan derden te verschaffen gegevens geen andere gegevens mogen worden toege voegd. Deze bepaling houdt verband met de omstandigheid dat de raadplegers slechts de bij de Rijksdienst bekende gegevens inzien, zoals zij deze ook zouden kunnen raadplegen ingeval zij zich ten kantore van de Rijksdienst zouden vervoegen. Zou de gemeente aan bedoelde gegevens extra gegevens toevoegen, bijvoorbeeld ingevolge bepaalde gemeentelijke verordeningen, dan zou ten onrechte bij derden de indruk worden gewekt dat het gegevens uit de kadastrale registratie betreft. Te dezer zake wordt verwezen naar de toelichting bij het gewijzigd amendement van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Van de Camp c.s. (Kamerstukken II 1987 /88, 17 496, nr. 41 ). Uiteraard kan de gemeente aan belanghebbende wel separaat gemeentelijke gegevens verstrekken, mits duidelijk blijkt dat het geen kadastrale gegevens van de Rijksdienst betreft. Het eerste lid, onder b, bevat een waarborg dat aan derden alle gewenste gegevens worden verstrekt die door middel van de permanente aansluiting zijn te raadplegen en dat derhalve geen gegevens worden weggelaten of verminkt. Het eerste lid, onder c, bevat de wijze waarop aan derden de onder havige gegevens worden verstrekt. Dienaangaande wordt verwezen naar hetgeen is opgemerkt ter toelichting van artikel 36, eerste lid, onder e, alsmede naar het verslag van de uitgebreide vergadering van de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer, gehouden op 8 en 9 juni 1988. Hieruit blijkt dat de verstrekking van gewaarmerkte uittreksels uit de kadastrale registratie uitsluitend een taak is van de Rijksdienst. De onderhavige zogenoemde loket-functie bij de gemeenten houdt derhalve Staatsblad 1991 571 35 slechts in dat derden het desbetreffende beeldscherm kunnen raadplegen en dat daarvan desverlangd een afschrift kan worden verstrekt, de zogenoemde hard-copy. Het eerste lid, onder d, bevat een waarborg dat derden weten in welke mate zij de bij de Rijksdienst bekende gegevens uit de kadastrale registratie raadplegen ten aanzien van de kring van het kantoor van de Rijksdienst en de soorten gegevens. lndien een derde bijvoorbeeld vraagt ten aanzien van welke percelen een bepaald persoon als rechthebbende voorkomt in de kadastrale registratie, moet duidelijk zijn welke kringen van een kantoor van de Rijksdienst belanghebbende raadpleegt. Tevens moet het voor derden duidelijk gemaakt worden welke soorten gegevens hij kan raadplegen. Te dezer zake wordt verwezen naar hetgeen ter toelichting is opgemerkt bij artikel 36, eerste lid, onder c. Het tweede en derde lid hebben betrekking op de gevallen waarin de verlening van de onderhavige bevoegdheid kan worden ingetrokken. Tot de in het tweede lid bedoelde intrekking zal uiteraard slechts worden overgegaan ingeval overleg met de desbetreffende gemeente niet leidt tot het alsnog nakomen van de voorwaarden. Artikel 38 De in dit artikel bedoelde regelen zullen betrekking hebben op de technische zijde van de wijze van bijwerking dan wel bijhouding. Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 56, 87, vierde lid, en 94, vierde lid, van de wet. Tot op heden waren bedoelde regelen vervat in de interne lnstructie Kadaster en de interne lnstructie Hypotheken. Als voorbeeld kan worden genoemd de wijze waarop de onderscheiden feiten waarop inschrijvingen in de openbare registers betrekking kunnen hebben, in de kadastrale registratie dan wel de registratie voor schepen en die voor luchtvaartuigen worden verwerkt. Deze feiten dan wel stukken kunnen zijn: 1. levering, waarbij een onroerende zaak overgaat; 2. levering, waarbij een vruchtgebruik, erfpacht of recht van opstal overgaat, dan wel wordt gevestigd, afgestaan of gewijzigd; 3. levering ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis; 4. levering ter uitvoering van een verbintenis strekkende tot overdracht voor een bepaalde tijd, dan wel tot overdracht onder opschortende tijds bepaling; 5. levering, waarbij een erfdienstbaarheid wordt gevestigd, afgestaan of gewijzigd; 6. levering, waarbij een recht van hypotheek wordt gevestigd, afgestaan of gewijzigd; 7. levering ter vestiging van een recht van hypotheek waarbij het bezitloos pandrecht van de hypotheekhouder op bepaalde roerende zaken wordt bedongen; 8. levering ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst; 9. proces-verbaal van toewijzing, bedoeld in artikel 525 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; 10. akte van grensvastlegging, opgemaakt krachtens de artikelen 31 of 35, derde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; 11. akte van splitsing in appartementsrechten, alsmede een akte tot wijziging of opheffing van de splitsing; 12. rechterlijke uitspraak die voor een akte van levering in de plaats treedt; 13. rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een onroerende zaak of bevoegdheid om daarover te beschikken betreft; Staatsblad 1991 571 36 14. rechterlijke uitspraken omtrent onder-curatelestelling, onderbe windstelling, faillietverklaring en surseance van betaling; 15. cessie, betaling leidende tot subrogatie, schuldoverneming en afstand, telkens ter zake van een vordering die door een recht van hypotheek is verzekerd; 16. buitengerechtelijke vernietiging als bedoeld in artikel 50 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van de titel van een ingeschreven akte van levering of van een andere ingeschreven rechtshandeling en de beves tiging overeenkomstig artikel 55, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, van een zodanige vernietigbare rechtshandeling; 17. opzegging van een beperkt recht door de hoofdgerechtigde of de beperkt gerechtigde als bedoeld in artikel 81, tweede lid, onder d, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; 18. beeindiging van een bewind door een gemeenschappelijke verklaring, als voorzien in de artikelen 3.6.1.14f en 3.6.2.4a, onder b, van het nieuwe Burgerlijk Wetboek; 19. de toestemming, bedoeld in de artikelen 42, eerste lid, en 50, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek om een boom, heester of heg dan wel een venster, balkon of dergelijk werk binnen de verboden afstand van de grens van een erf te hebben; 20. de «afwijkende regeling», bedoeld in artikel 59 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; 21. de bestemming van een onroerende zaak tot gemeenschappelijk nut in verband met mandeligheid en de opheffing van die bestemming, bedoeld in de artikelen 60 en 61, onder b, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; 22. het in Nederland of in het buitenland gesloten huwelijk van een rechthebbende, waardoor een registergoed in enige vorm van huwelijks gemeenschap is gevallen; 23. uiterste wilsbeschikking; 24. de rangwisseling tussen hypotheken onderling en hypotheken en andere beperkte rechten, bedoeld in artikel 262 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; 25. onderbewindstelling van een registergoed of een algemeenheid van goederen of een aandeel daarin, als voorzien in artikel 3.6.2.4, eerste lid, tweede zin, van het nieuwe Burgerlijk Wetboek; 26. instemming door de eigenaar met de vestiging van een erfdienst baarheid door een beperkt gerechtigde als bedoeld in artikel 84, derde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; 27. instemming door de eigenaar met de vestiging van een ondererf pacht door de erfpachter als bedoeld in artikel 93, tweede lid, derde zin, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; 28. bedingen betreffende kwalitatieve verplichtingen als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; 29. de huurkoop, bedoeld in de Tijdelijke wet huurkoop onroerend goed (Stb. 1973, 289); 30. huwelijkse voorwaarden; 31. verklaring van erfrecht; 32. aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbe schrijving of de verwerping van een nalatenschap; 33. afstand van een huwelijksgemeenschap; 34. vervulling van een voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke rechtshandeling; 35. verschijning van een onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden tijdsbepaling; 36. dood van de vruchtgebruiker; 37. reglementen en andere regelingen die tussen deelgenoten in registergoederen zijn vastgesteld; 38. proces-verbaal van inbeslagneming (executoriale en conservatoire Staatsblad 1991 571 37 beslagen); 39. verandering in de voornaam of de geslachtsnaam van natuurlijke personen; 40. naamsverandering van een rechtspersoon; 41. verkrijgende verjaring; 42. extinctieve verjaring, ook ten aanzien van het recht van hypotheek en erfdienstbaarheden; 43. verklaring van waardeloosheid; 44. verklaring inzake tenietgegane hypotheken, vervallen beslagen en beperkte rechten als bedoeld in artikel 273 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; 45. verklaring inzake tenietgaan hypotheken als bedoeld in artikel 274 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; 46. feit dat het nut van een mandelige zaak voor elk van de erven is geeindigd; 47. instelling van een rechtsvordering of de indiening van een verzoek schrift ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak; 48. instelling van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke uitspraak; 49. waardeloosheid van de onder 47 en 48 bedoelde inschrijvingen; 50. algemene voorwaarden, modelreglementen en andere stukken, die niet op een bepaald registergoed betrekking hebben; 51. keuze van woonplaats, alsmede verandering en opheffing daarvan; 52. verbetering van onjuistheden en onvolledigheden in ingeschreven stukken; 53. akte van vernieuwing; 54. vonnis van onteigening; 55. beding van opzegging inzake een beperkt recht (artikel 81, tweede lid, onder d, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek); 56. afstand van verjaring door een bezitter te kwader trouw; 57. regaling van de rechter, inhoudende verdeling van de onderhouds kosten van werken of installaties bij appartementsrechten; 58. beeindiging van het erfpachtsrecht door verloop van de tijd waarvoor de erfpacht is gevestigd; 59. fusie van rechtspersonen; 60. overheidsbeschikkingen waarbij de rechtstoestand naar burgerlijk recht verandert als bedoeld in: a. de artikelen 14 en 25 van de Vorderingswet 1962 (Stb. 1962, 587); b. artikel 65 van de Oorlogswet voor Nederland (Stb. 1964, 337); c. artikel 73 van de onteigeningswet (Stb. 1851, 125); d. de artikelen 88h, eerste lid, en 105, tweede lid, van de lnterimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1987, 614); e. de artikelen 88, eerste lid, en 109, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs (Stb. 1986, 256); f. artikel 70A van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K22); g. artikel 23, vierde lid, van de Waterleidingwet (Stb. 1957, 150); h. artikel 36, derde lid, van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392); i. artikel 14, derde lid, van de Waterstaatswet 1900; j. artikel 49a, derde lid, van de lnkwartieringswet (Stb. 1953, 305); 61. overheidsbeschikkingen, anders dan hiervoor vermeld, als bedoeld in: a. artikel 5 van de Belemmeringenwet Landsverdediging; b. artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht; c. artikel 20, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet; d. artikel 6, vierde lid, van de Monumentenwet 1988; e. artikel 7, achtste lid, van de Deltawet; f. artikel 60 van de Wet inzake de luchtverontreiniging; g. artikel 164 van de Wet geluidhinder; h. artikel 38 van de Luchtvaartwet; Staatsblad 1991 5 71 38 i. artikel 4, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten; j. artikel 2, zesde lid, van de Wet van 10 juli 1952 (Stb. 407), ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden; 62. akte van toedeling als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland; 63. akte van toedeling als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Herinrichtingswet 0ost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenko lonien; 64. akte van toedeling als bedoeld in artikel 207, eerste lid, van de Landinrichtingswet; 65. ruilverkavelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 119, eerste lid, van de Landinrichtingswet; 66. akte van verdeling als bedoeld in artikel 17, juncto artikel 119, vierde lid, van de Landinrichtingswet; 67. koninklijk besluit als bedoeld in artikel 73, vierde lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland; 68. akte als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de Herinrichtingswet 0ost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkolonien; 69. koninklijke besluiten als bedoeld in artikel 77, vijfde lid, van de Herinrichtingswet 0ost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenko lonien; 70. akte als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de Landinrich tingswet; 71. koninklijke besluiten als bedoeld in artikel 138, vijfde lid, van de Landinrichtingswet; 72. overgang van een registergoed die bij of krachtens een wet geschiedt (zie onder andere artikel 16, vierde lid, van de Wet algemene regelen gemeentelijke indeling (Stb. 1984, 475)); 73. overgang van een registergoed die het gevolg is van internationale verdragen en overeenkomsten, die in verband met wijziging van de landsgrenzen verandering in eigendomssituaties brengen. In de onderhavige ministeriele regeling zullen voorts voorschriften warden gegeven omtrent de wijze van bijwerking op grand van andere dan ingeschreven stukken. Te denken is hierbij aan de bijwerking van gegevens omtrent overlijden, woonplaats, alsmede feiten als bedoeld in de artikelen 29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens zullen in de bedoelde ministeriele regeling voorschriften warden opgenomen omtrent de wijze van bijwerking van de in artikel 48, tweede lid, onder i, van de Kadasterwet bedoelde andere gegevens die in de kadastrale registratie warden opgenomen. Tenslotte zal de onderhavige ministeriele regeling ook bepalingen bevatten inzake de wijze van bijhouding in geval van een nieuwe teboek stelling van een schip of de doorhaling van de teboekstelling, welke bepalingen tot dusverre waren opgenomen in de voorheen geldende Maatregel teboekgestelde schepen 1990. Dit geldt mutatis mutandis ook voor luchtvaartuigen. Artikel 39 Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande in het algemeen deel is vermeld. Staatsblad 1991 571 39 Artikel 40 Het eerste lid van dit artikel betreft de intrekking van het Besluit betreffende splitsing in appartementsrechten. Dit besluit bevatte bepalingen omtrent de kadastrale aanduiding van appartementsrechten, alsmede bepalingen omtrent tekeningen ter zake van de splitsing van percelen in appartementsrechten. De regelen omtrent bedoelde kadastrale aanduiding zijn thans opgenomen in artikel 2 van het onder havige besluit. De regelen omtrent bedoelde tekeningen zijn thans opgenomen in een ministeriele regeling krachtens genoemd artikel 2 en krachtens artikel 11, vijfde lid, van de wet. Het tweede lid van dit artikel betreft de intrekking van het koninklijk besluit waarin het model voor de inrichting van het dagregister is vastge steld, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het koninklijk besluit van 1 augustus 1828 (Stb. 52). Aangezien laatstbedoeld koninklijk besluit is ingetrokken blijkens artikel V van Hoofdstuk IV van de lnvoeringswet Kadasterwet, is het onderhavige koninklijk besluit ook ingetrokken. Artikel 41 Het in dit artikel genoemde tijdstip van inwerkingtreding houdt verband met het feit dat de Kadasterwet in werking treedt met ingang van 1 januari 1992, blijkens het koninklijk besluit van 20 februari 1990 (Stb. 90). De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. Heerma De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Staatsblad 1991 571 40