Act containing rules relative to the moving of production of organic fertilizers (Act Transfer Organic Fertilizer Production)
颁布于 1993-12-02 · 文本截至 2026-10-01
以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。
研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。
关于这部法律
- 原标题
- Wet houdende regelen inzake het verplaatsen van de produktie van dierlijke meststoffen (Wet verplaatsing mestproduktie).
- 语言
- Dutch
- 类型
- 法令
- 组织
- European Union
- 国家
- 荷兰
- 主题
- Land and soil
- 关键词
- pollution control, soil pollution/quality, fertilizers/nutrients
在哪里阅读
该法律没有记录来源链接。
文本
所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。
686 Wet van 2 december 1993, houdende regelen inzake het verplaatsen van de produktie van dierlijke meststoffen (Wet verplaatsing mestproduktie) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oran.je-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij wet regelen te stellen omtrent het verplaatsen van mestproduktie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: mestproduktierecht: hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in onderscheidenlijk kilogrammen fosfaat varkens- en kippenmest, in kilogrammen fosfaat rundvee- en kalkoenenmest en in kilogrammen fosfaat afkomstig van de mest van een of meer andere krachtens artikel 1 van de Meststoffenwet (Stb. 1986, 598) aangewezen diersoorten, die ingevolge artikel 14, eerste, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Meststoffenwet op een bedrijf gedurende een kalenderjaar ten hoogste mag warden geproduceerd, zoals deze hoeveelheid in voorkomend geval is gewijzigd door toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet en bij deze wet; niet-gebonden mestproduktierecht: deel van het mestproduktierecht dat de hoeveelheid overeenkomend met 125 kg fosfaat per jaar per hectare tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond te boven gaat; verplaatsing: het, met benutting van een overeenkomstig deze wet geregistreerd niet-gebonden mestproduktierecht en in afwijking in zoverre van artikel 14, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Meststoffenwet, gaan produceren van dierlijke meststoffen op een andere locatie of een ander bedrijf; bedrijt: geheel van produktie-eenheden bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouw grond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden; Staatsblad 1993 686 mestverwerkingsinrichting: een inrichting of installatie voor zover bestemd tot het bedrijfsmatig verwerken van geheel of in hoofdzaak van derden afkomstige meststoffen; verwerken: composteren, vergisten, opmengen met andere stoffen, indikken, drogen en andere methoden van mestbe- of verwerking; Bureau Heffingen: Bureau Heffingen als bedoeld in de uitvoeringsre geling op grond van artikel 13, achtste lid, van de Meststoffenwet; dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; landbouwgrond: landbouwgrond, bedoeld in artikel 1 van de Meststof fenwet; tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond: tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; tot het bedrijf behorende oppervlakte grond: tot het bedrijf behorende oppervlakte grond als bedoeld in de krachtens de artikelen 8 tot en met 13 en 19 van de Wet bodembescherming (Stb. 1986, 374) gestelde regelen inzake het gebruik van dierlijke meststoffen; Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder bedrijf mede verstaan dat geheel van produktie-eenheden dat als een bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 6 van de Meststoffenwet gestelde regelen inzake de registratie van de produktie van dierlijke meststoffen, voor zover zodanig bedrijf niet reeds is gesplitst of samen gevoegd op grond van de krachtens artikel 15 van de Meststoffenwet gestelde regelen, alsmede elk afzonderlijk geheel van produktie-eenheden dat na inwerkingtreding van deze wet is ontstaan door splitsing van een oorspronkelijk bedrijf. 3. Indian op een bedrijf mestproduktierechten zijn geregistreerd betreffende meer dan een van de krachtens artikel 1 van de Meststof fenwet aangewezen diersoorten wordt, voor de bepaling van de omvang van het desbetreffende niet-gebonden mestproduktierecht, de bij het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond aan een mestproduktie recht toegedeeld overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regelen. 4. Voor de toepassing van het begrip bedrijf wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan, op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of waarvan op grond van andere bepaalde feiten en omstan digheden, moet worden aangenomen dat zij achterwege gebleven zouden zijn indien daarmede niet de toepassing van deze wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt. Artikel 2 Verplaatsing is slechts toegestaan overeenkomstig de regels van deze wet. Artikel 3 Het is verboden na verplaatsing een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen te produceren dan voortvloeit uit het bepaalde in deze wet, een en ander onverminderd de hoeveelheid die op grond van artikel 14 van de Meststoffenwet mag worden geproduceerd. Artikel 4 Het is verboden te verplaatsen van een locatie of bedrijf, geheel of gedeeltelijk gelegen buiten de in de bij deze wet behorende bijlage aangegeven gebieden, naar een locatie of bedrijf geheel of gedeeltelijk gelegen binnen deze gebieden. Het is op overeenkomstige wijze verboden om tussen de aangewezen gebieden onderling, te verplaatsen. Staatsblad 1993 686 2 Artikel 5 1. Bij de in artikel 9 bedoelde kennisgeving en daaropvolgende registratie neemt het niet-gebonden mestproduktierecht: a. af op het bedrijf waarvandaan de voorgenomen verplaatsing plaats ·vindt met de desbetreffende overeenkomstig artikel 9 geregistreerde hoeveelheid; b. toe op het bedrijf waarheen verplaatst gaat worden met een hoeveelheid gelijk aan de desbetreffende overeenkomstig artikel 9 · geregistreerde hoeveelheid. 2. De hoeveelheid mestproduktierechten welke overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 bepalend is voor de vaststelling van de hoeveelheid niet-gebonden mestproduktierechten varkens- en kippenmest en rundvee- en kalkoenenmest welke na een of meer kennisgevingen als bedoeld in artikel 9 in totaal kan worden geregistreerd, is ten hoogste gelijk aan de desbetreffende gerealiseerde mestproduktie in 1988, 1989 of 1990. 3. De in het tweede lid bedoelde gerealiseerde mestproduktie wordt bepaald aan de hand van de krachtens de artikelen 8 en 13 van de Meststoffenwet inzake de aangiften voor de overschotheffing voor die jaren opgegeven aantallen dieren of toegepaste correcties. 4. Bij de bepaling van de in het tweede en derde lid bedoelde gereali seerde mestproduktie kan de belanghebbende uit een van de aldaar bedoelde jaren het jaar kiezen waarin deze mestproduktie het grootst was. 5. De in het tweede lid bedoelde gerealiseerde mestproduktie wordt slechts in aanmerking genomen voor zover deze gelijk is aan of lager is dan de in artikel 14, eerste, vijfde, zesde en zevende lid, van de Meststoffenwet vastgelegde maximaal toegestane mestproduktie. 6. De in het tweede lid bedoelde vaststelling heeft geen betrekking op kennisgevingen en registraties betreffende de hoeveelheden die overeen komstig deze wet zijn geregistreerd. Artikel 6 1. Bij de bepaling en de berekening van de in artikel 5 bedoelde hoeveelheid niet-gebonden mestproduktierechten welke overeenkomstig deze wet ten hoogste kan worden geregistreerd, kunnen door Onze Minister nadere regelen worden gesteld welke onder meer betrekking kunnen hebben op: het voor de toepassing van deze wet ambtshalve vaststellen van de in dat artikel bedoelde hoeveelheden; de gevallen waarin en de wijze waarop van de in dat artikel bedoelde bepaling en berekening kan of moet worden afgeweken. 2. Door Onze Minister kunnen regelen worden gesteld omtrent de wijze waarop en de gevallen waarin de overeenkomstig de artikelen 9 en 10 aan te melden en te registreren niet-gebonden mestproduktierechten met een bij die regelen te bepalen percentage worden gekort, welk kortingspercentage echter niet groter kan zijn dan 25%. 3. De krachtens artikel 8, tweede lid, van de Meststoffenwet, gestelde regelen zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de omvang van de mestproduktie van de in deze wet bedoelde diersoorten. Artikel 7 1. Bij de gevolgen van grondtransacties op de omvang van het mestproduktierecht en het niet-gebonden mestproduktierecht blijft artikel 14 van de Meststoffenwet onverkort van toepassing. Staatsblad 1993 686 3 2. Onder grondtransacties worden in dit artikel verstaan, eigendoms overgangen, het tot stand komen of eindigen van pachtovereenkomsten en het vestigen, overdragen of tenietgaan van zakelijke gebruiksrechten. 3. Onder het tot stand komen en eindigen van pachtovereenkomsten wordt in dit artikel verstaan, het aangaan van een pachtovereenkomst voor tenminste de duur als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Pachtwet (Stb. 1958, 37), welke vervolgens is goedgekeurd door de grondkamer, een door de grondkamer goedgekeurde beeindiging van een zodanige pachtovereenkomst, een door de rechter uitgesproken ontbinding van een zodanige pachtovereenkomst, een afwijzing door de rechter van een verzoek tot verlenging van een zodanige pachtovereen komst, of het eindigen van een zodanige overeenkomst als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwet verlenging is verzocht. Artikel 8 1. lndien sprake is van een in artikel 7, tweede lid, bedoelde beein diging van een pachtovereenkomst welke, ongeacht de overeengekomen duur van zodanige overeenkomst, is aangegaan op een tijdstip gelegen in de periode vanaf 1 januari 1987 tot de dag van inwerkingtreding van deze wet, gaat een mestproduktierecht over, overeenkomstig de hoeveelheid die ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Meststof fenwet bij het aangaan van de pachtovereenkomst naar de pachter overging, met inachtneming evenwel van het bepaalde in de overige bepalingen van deze wet en de Meststoffenwet. 2. lndien sprake is van een in artikel 7, tweede lid, bedoelde beein diging van een pachtovereenkomst welke, ongeacht de overeengekomen duur van zodanige overeenkomst, is aangegaan op een tijdstip gelegen v66r 1 januari 1987, gaat een mestproduktierecht over op basis van de door partijen aan de verpachte lokatie toe te rekenen mestproduktieca paciteit, met inachtneming evenwel van het bepaalde in de overige bepalingen van deze wet en de Meststoffenwet. 3. De betrokken partijen kunnen een andere hoeveelheid overeen komen dan volgt uit het bepaalde in het eerste en tweede lid, met inacht neming evenwel van het bepaalde in de overige bepalingen van deze wet en de Meststoffenwet. 4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde hoeveelheid dient door de betrokken partijen gezamenlijk te worden aangegeven op het in artikel 9, eerste lid, bedoelde formulier. Artikel 9 1. Degene die voornemens is te verplaatsen en degene van wiens bedrijf het desbetreffende niet-gebonden mestproduktierecht afkomstig is geven van de verplaatsing gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen met gebruikmaking van het daartoe bestemde, door Onze Minister vastgestelde formulier. 2. Het formulier dient overeenkomstig de daarbij aangegeven wijze volledig en naar waarheid te worden ingevuld. 3. Er kan eerst aanspraak op het in het eerste lid bedoelde mestpro duktierecht worden gemaakt vanaf het moment van de registratie van de kennisgeving. 4. Registratie vindt niet plaats indien: een grotere hoeveelheid niet-gebonden mestproduktierechten ter registratie wordt aangeboden dan volgt uit de artikelen 5 en 6; Staatsblad 1993 686 4 naar het oordeel van het Bureau Heffingen niet de in artikel 11, eerste en tweede lid, bedoelde gegevens warden overgelegd, waaruit blijkt dat voor het resterende kalenderjaar waarvoor de aanspraak geldt alsmede voor tenminste twee daarop volgende jaren, sprake is van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde aanwendings- of afzetmogelijkheden voor de in die bepaling bedoelde hoeveelheid dierlijke meststoffen; blijkens de toepassing van paragraaf 3 van het Besluit mestbank en mestboekhouding (Meststoffenwet) (Stb. 1987, 170) noch in het eerste jaar noch in het tweede jaar volgend op de inwerkingtreding van deze wet een produktie van dierlijke meststoffen heeft plaatsgevonden op het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproduktierecht afkomstig is; het in het eerste lid bedoelde formulier niet of niet volledig is ingevuld of indien uit aan het Bureau Heffingen ter beschikking staande andere gegevens blijkt dat de verplaatsing geen doorgang kan vinden. 5. De beschikking inhoudende de vaststelling van het moment van registratie van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving dan wel weigering van die registratie wordt door het Bureau Heffingen aan de belanghebbende schriftelijk bekendgemaakt. 6. Voor het lopende kalenderjaar waarin de registratie plaatsvindt, kan degene op wiens naam de registratie plaatsvindt het niet-gebonden mestproduktierecht nog slechts benutten in de mate waarin het niet-gebonden mestproduktierecht in dat kalenderjaar niet werd benut op het bedrijf waarvan dit afkomstig is, een en ander met inachtneming van de artikelen 5, 6 en 11, vierde lid, onderdeel g. Artikel 10 1. Degene die voornemens is te verplaatsen naar een ander aan hem toebehorend bedrijf of een andere aan hem toebehorende locatie die op 31 december 1986, indien het betreft de produktie van dierlijke meststoffen afkomstig van varkens, kippen, rundvee of kalkoenen, dan wel op 31 december 1991, indien het betreft de produktie van dierlijke meststoffen afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, geiten of schapen, nog niet tot zijn bedrijf behoorde geeft daarvan kennis aan het Bureau Heffingen met gebruikmaking van het daartoe bestemde, door Onze Minister vastgestelde formulier. 2. Artikel 9, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. Artikel 11 1. Voor de toepassing van artikel 9, vierde lid, tweede streepje, dient door middel van een of meer aan het Bureau Heffingen over te leggen mestafzetovereenkomsten dan wel andere aan het Bureau Heffingen over te leggen gegevens, te blijken dat een hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogrammen fosfaat die gelijk is aan het na de in artikel 9 of 10 bedoelde registratie ontstane, totale mestproduktierecht: a. op het bedrijf waarop het niet-gebonden mestproduktierecht wordt benut kan warden aangewend volgens de gebruiksnormen van de krachtens de artikelen 8 tot en met 13 van de Wet bodembescherming en krachtens artikel 1.2 van de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551) gestelde regelen of b. volgens de in onderdeel a bedoelde normen op het bedrijf van een derde kan warden aangewend of c. kan warden afgezet aan een of meer door Onze Minister erkende handelaren van dierlijke meststoffen of een of meer door Onze Minister erkende andere intermediairs betreffende de afzet van dierlijke meststoffen of Staatsblad 1993 686 5 d. kan worden afgezet buiten Nederland of e. kan worden afgezet aan een mestverwerkingsinrichting of f. kan worden afgezet, bewerkt, verwerkt of behandeld op een andere door Onze Minister te bepalen wijze, dan wel door een gecombi neerde toepassing van twee of meer van de in de onderdelen a tot en met f bedoelde methoden kan worden aangewend, afgezet, bewerkt, verwerkt of behandeld. 2. De in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, bedoelde mestafzet mogelijkheden dienen uitsluitend te worden aangetoond met mestafzet overeenkomsten en daarop betrekking hebbende nadere gegevens. 3. Het is op het bedrijf waarop het overeenkomstig artikel 9 of 1 O geregistreerde niet-gebonden mestproduktierecht wordt benut, verboden het na de registratie ontstane mestproduktierecht geheel of gedeeltelijk te benutten, tenzij de producent overeenkomstig de in het vierde lid, onderdeel d, bedoelde bepalingen aannemelijk maakt dat de dierlijke meststoffen in het desbetreffende kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste en tweede lid bedoelde mestafzetovereenkomsten en met inacht neming van het vierde lid, onderdelen e en f, worden of zijn aangewend. 4. Door Onze Minister worden nadere regelen gesteld omtrent: a. de vorm en inhoud van de in het eerste en tweede lid bedoelde mestafzetovereenkomsten; b. de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens; c. de erkenning van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde hande laren en intermediairs, en de intrekking van zodanige erkenning, alsmede de overige vereisten voor de toepassing van dat onderdeel; d. de wijze waarop en de termijn waarbinnen na het overleggen van de mestafzetovereenkomsten de daadwerkelijke afzet van de desbetreffende hoeveelheden aannemelijk dient te zijn gemaakt; e. de situaties waarin, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de mestafzetovereenkomsten tussentijds kunnen of moeten worden gewijzigd of beeindigd en alsdan kunnen of moeten worden vervangen door andere mestafzetovereenkomsten, dan wel door een of meer andere in het eerste lid bedoelde mestafzetmogelijkheden, alsmede de in verband daarmee aan het Bureau Heffingen over te leggen nadere gegevens; f. de situaties waarin, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder bij grondtransacties of wijziging van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde plaatsingsruimte op het bedrijf, extra mestafzetovereen komsten dienen te worden gesloten, alsmede de in verband daarmee aan het Bureau Heffingen over te leggen nadere gegevens; g. de berekeningswijze van het niet-gebonden mestproduktierecht dat in het in artikel 9, vierde lid, tweede streepje, bedoelde resterende kalenderjaar nog ten hoogste mag worden benut, alsmede de bereke ningswijze van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde plaatsings ruimte die in dat resterende kalenderjaar nog tenminste in acht moet worden genomen. Artikel 12 1. In afwijking van artikel 228 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op mestproduktierechten geen pandrecht worden gevestigd. 2. Bij door Onze Minister te stellen regelen kan worden bepaald dat alvorens het Bureau Heffingen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde kennisgeving in behandeling neemt, van deze kennisgeving mededeling wordt gedaan aan in die regelen aan te geven derde-belanghebbenden. 3. Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de uitvoering van het tweede lid, waarbij in elk geval kan worden bepaald welke gegevens door het Bureau Heffingen aan de derde-belanghebbende kenbaar worden gemaakt, binnen welke termijn zulks door het Bureau Heffingen dient te geschieden, de periode waarin het Bureau Heffingen de in artikel Staatsblad 1993 686 6 9, eerste lid, bedoelde kennisgeving niet in behandeling neemt, alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen de in die regaling bedoelde derde-belanghebbende zich bij het Bureau Heffingen dient aan te melden en de bescheiden die deze derde-belanghebbende aan het Bureau Heffingen dient te overleggen. Artikel 13 1. Met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van deze wet dienen gegevens te warden bijgehouden overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regelen. 2. Bij de in het eerste lid bedoelde regelen kan tevens warden bepaald dat de gegevens dienen te warden verstrekt op de daarbij aangegeven wijze aan daartoe aan te wijzen organen. Artikel 14 Het is verboden onjuiste gegevens als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, en artikel 13, op te maken, over te leggen en af te dragen. Artikel 15 Onze Minister doet over de werking van de eerste twee jaren van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag toekomen. Artikel 16 1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan de belang hebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfs leven. 2. De artikelen 3, 5 en 29 tot en met 75 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (Stb. 1954, 416) zijn van overeenkom stige toepassing. Artikel 17 lndien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan daze geschieden bij algemene maatregel van bestuur. Artikel 18 1. Bij door Onze Minister te stellen regelen kan warden bepaald dat een verzoek om registratie of kennisgeving als bedoeld in artikel 9, 10 of 12, eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan. 2. Al naar gelang sprake is van een registratiehandeling krachtens artikel 9, 10 of 12 kan het in het eerste lid bedoelde bedrag verschillend warden vastgesteld. Artikel 19 Het bepaalde bij of krachtens artikel 24 en de artikelen 26 tot en met 32 van de Meststoffenwet is eveneens van toepassing op het bepaalde bij of krachtens deze wet. Staatsblad 1993 686 7 Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Kamerstukken 11, 1988/89, 1991 /92, 1992/93, 1993/94, 21 114 Handelingen II, 1992/93, biz. 5681-5705; 5735-5765;5770-5771; 5862-5865; 5873-5874 Kamerstukken I, 1992/93, 21 114 (307); 1993/94, 21 114 (14, 14a, 14b, 14c, 14d) Handelingen I, 1993/94, zie vergadering d.d. 30 november 1993 1 Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 december 1993, Stb. 660 317332F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1993 Artikel 20 1. Aan het slot van artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten (Stb. 1958, K 258) 1 wordt toegevoegd: de Wet verplaatsing mestproduktie, de artikelen 9, tweede lid, 10, 11, vierde lid, 13, 14, 17 en 19. 2. Aan het slot van artikel 1, onder 3°, van de Wet op de economische delicten wordt toegevoegd: de Wet verplaatsing mestproduktie, de artikelen 2, 3, 4, 9, zesde lid, en 11, eerste en derde lid. 3. Handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2, 3, 4, 9, zesde lid, en 11, eerste en derde lid, is een misdrijf. Artikel 21 1. Het Verplaatsingsbesluit Meststoffenwet (Stb. 1987, 171) wordt ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 2. In het belang van een goede invoering van deze wet kan Onze Minister regelen stellen omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop een of meer onderdelen van het Verplaatsingsbesluit Meststoffenwet nog kunnen of moeten worden toegepast. Artikel 22 1 . Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. De verschillende artikelen van deze wet of onderdelen daarvan, komen te vervallen op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 3. Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 1997. 4. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet verplaatsing mestpro duktie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te 's-Gravenhage, 2 december 1993 Beatrix De Minister van Landbouw en Visserij, P. Bukman Staatsblad 1993 686 Uitgegeven de achtentwintigste december 1993 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin 8 Bijlage D ~II behorende bij de Wet verplaatsing mestproduktie Gebied I omvat het grondgebied van de navolgende gemeenten: Gebied II omvat het grondgebied van de navolgende gemeenten: Aalten Doorn Holten Rijssen Aarle-Rixtel Esch Luykgestel Rijsbergen Almelo Driebergen/ Hummelo en Scherpenzeel Alphen en Riel Geffen Maarheeze Schaijk Ambt-Delden Rijsenburg Keppel Soest Arcen en Velden Geldrop Maasbracht Schijndel Amerongen Duiven Leersum Stad-Delden Asten Gernert Maasbree Sevenum Amersfoort Ede Leusden Steenderen Baarle Nassau Gennep Meerlo-Wanssum St. Michielsgestel Angerlo Eemnes Lichtenvoorde Tubbergen Bakel en Milheeze Gilze en Rijen Megen, Haren St. Oedenrode Apeldoorn Eibergen Lochem Ubbergen Beek en Donk Goirle en Macharen Someren Baarn Elburg Losser Veenendaal Beers Grave Melick en Son en Breugel Barneveld Enschede Maarn Voorst Beese! Grubbenvorst Herkenbosch Stramproy Bathmen Epe Markelo Vorden Belfeld Haaren Meyel Swalmen Bergh Ermelo Millingen a/d Rijn Vriezenveen Bergen (L) Haelen Mierlo Tegelen De Bilt Gendringen Neede Warnsveld Bergeijk Haps Mill en St. Hubert Thorn Borculo Goor Nunspeet Weerselo Berghem Heel en Panheel Moergestel Tilburg Borne Gorssel Nijkerk Wehl Berkel-Enschot Heesch Mook en Middelaar Uden Brummen Groenlo Oldenbroek Westervoort Berlicum Heeswijk-Dinther Nederweert Udenhout Bunschoten Haaksbergen Oldenzaal Wierden Best Heeze Nieuw Ginneken Valkenswaard Denekamp Den Ham 01st Winterswijk Bladel en Netersel Heiden Nistelrode Veghel Deventer Harderwijk Ommen Wisch Boekel Helmond Nuenen, Gerwen en Veldhoven Didam Hattem Ootmarsum Woudenberg Boxmeer Helvoirt Nederwetten Venlo Diepenheim Heerde Putten Wijhe Boxtel 's-Hertogenbosch Nuland Venray Diepenveen Hellendoorn Raalte Zeist Breda Heythuysen Oeffelt Vessem, Wintelre Dinxperlo Hengelo Gld. Renswoude Zelhem Broekhuizen Hilvarenbeek Oirschot en Knegsel Doesburg Hengelo Ov. Rhenen Zevenaar Budel Hooge- en Lage Oisterwijk Vierlingsbeek Doetinchem Hoevelaken Ruurlo Zutphen Chaam Mierde 0-,W-,en Vught Rijnwaarden Cuyk en St. Agatha Hoogeloon, Middelbeers Waalre Deurne Haperen en Oploo, St. Anthonis Wanroij Diessen Casteren en Ledeacker Weert Dongen Horst Oss Westerhoven Drunen Hunsel Posterholt Zeeland Den Dungan Kessel Ravenstein Zundert Echt Leende Reusel Eersel Liempde Rieth oven Eindhoven Lieshout Roermond Erp Lith Rogge! Loon op Zand Rosmalen Rucphen Staatsblad 1993 686 9