跳到主要内容
Nelum
比利时的法律

Arrêté royal relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’organismes nuisibles

颁布于 2021-02-22 · 文本截至 2026-10-01

以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。

研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。

关于这部法律

语言
French
类型
条例
国家
比利时
主题
Cultivated plants
关键词
access-to-information, basic legislation, certification, disinfection/disinfestation, international trade, pesticides, pests/diseases, plant protection, plant variety, seeds/planting material, quarantine, registration, risk assessment/management, transport/storage, vegetables/legumes, plant production
类别
*, agriculture

在哪里阅读

文本

所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。

  1. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIG HEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU EN FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN [C − 2021/40455] 22 FEBRUARI 2021. — Koninklijk besluit betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaar dige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen VERSLAG AAN DE KONING Sire, Wij hebben de eer het bijgevoegde ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen ter ondertekening door Uwe Majesteit. Dit ontwerp betreft een gemengde bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (normering) en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (controles), waarvoor eerstgenoemde als piloot optreedt. Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de versprei ding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen is met ingang van 14 december 2019 opgeheven en vervangen door: Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten en Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbe schermingsmiddelen te waarborgen (verordening officiële controles). SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT ET AGENCE FEDERALE POUR LA SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE [C − 2021/40455] 22 FEVRIER 2021. — Arrêté royal relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’orga nismes nuisibles RAPPORT AU ROI Sire, Nous avons l’honneur de soumettre le projet d’arrêté royal ci-joint à la signature de Votre Majesté. Ce projet concerne une compétence mixte du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement (normatif) et de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire (contrôles), pour lequel le premier nommé assure le pilotage. La Directive 2000/29/CE du Conseil du 8 mai 2000 concernant les mesures de protection contre l’introduction dans la Communauté d’organismes nuisibles aux végétaux ou aux produits végétaux et contre leur propagation à l’intérieur de la Communauté, est abrogée à partir du 14 décembre 2019 et remplacée par : le Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux et le Règlement (UE) 2017/625 du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2017 concernant les contrôles officiels et les autres activités officielles servant à assurer le respect de la législation alimentaire et de la législation relative aux aliments pour animaux ainsi que des règles relatives à la santé et au bien-être des animaux, à la santé des végétaux et aux produits phytopharmaceutiques (règlement sur les contrôles officiels). 27877MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Dit ontwerp van koninklijk besluit vervangt het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 (omzetting in Belgisch recht van de opgeheven Richtlijn 2000/29/EG) en voorziet in aanvullende bepalingen voor de toepassing in België van de twee bovenstaande Verordeningen die verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn. Het bevat ook wijzigingen en opheffingen van bestaande koninklijke en ministeriële besluiten om de nationale fytosanitaire wetgeving in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezond heidswetgeving en de daaraan verbonden uitvoeringshandelingen (Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten). Artikelsgewijze toelichting: OPSCHRIFT Het opschrift duidt er op dat dit besluit enkel betrekking heeft op quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten, een bevoegdheid van de federale overheid. HOOFDSTUK I. — Algemene bepalingen en definities Art. 1. bepaalt dat dit besluit voorziet in aanvullende bepalingen bij Verordening (EU) 2016/2031 (“verordening plantengezondheid”) en Verordening (EU) 2017/625 (“verordening officiële controles”) die rechtstreeks toepasselijk zijn. Deze bepalingen worden expliciet beperkt tot de bevoegdheden van de federale overheid om gevolg te geven aan de opmerkingen van de Raad van State over de gedeeltelijke bevoegd heid van de gewesten voor de uitvoering van deze Verordeningen. Art. 2. bevat enkele definities van in dit besluit gebruikte termen en begrippen. Art. 3. omschrijft de bevoegdheidsverdeling op het vlak van plantengezondheid tussen de Federale Overheidsdienst Volksgezond heid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV). HOOFDSTUK II. — Algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten Art. 4. bepaalt de meldingsplicht voor de (vermoedelijke) aanwezig heid van quarantaineorganismen, overeenkomstig art. 15 van de verordening plantengezondheid. Art. 5. schrijft de verplichte bestrijding van quarantaineorganismen voor, overeenkomstig art. 15 van de verordening plantengezondheid. Art. 6. bevat de mogelijke maatregelen ter bestrijding van quarantai neorganismen en geeft de Minister de mogelijkheid om omwille van fytosanitaire redenen het vervoer en de teelt van planten te reglemen teren of te verbieden, noodmaatregelen of strengere fytosanitaire maatregelen vast te stellen en/of afgebakende gebieden in te stellen, overeenkomstig de artikelen 18, 29 en 31 van de verordening planten gezondheid. Art. 7. geeft de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen de machtiging om documenten- en identiteitscontroles op planten uit te voeren. Art. 8. bevat fytosanitaire verplichtingen voor de door het FAVV geregistreerde operatoren. HOOFDSTUK III. — Bepalingen inzake het verkeer van voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. Art. 9. bevat voorwaarden waaronder een producent van hoevepoot goed vrijgesteld kan worden van het gebruik van plantenpaspoorten, in toepassing van art. 82 van de verordening plantengezondheid. Dit betreft aardappelpootgoed voor eigen gebruik door de producent dat niet in het verkeer gebracht en niet gecertificeerd wordt. Voor dit hoevepootgoed zijn er geen eisen inzake de aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen (RNQP’s) van toepassing. De bepalingen van dit artikel betreffen uitsluitend maatregelen tegen quarantaineorganismen en behoren dus volledig tot de bevoegdheid van de federale overheid. HOOFDSTUK IV. — Bepalingen inzake plantenpaspoorten Art. 10. bevat bijkomende voorschriften over de op plantenpaspoor ten te vermelden gegevens, overeenkomstig art. 83 en bijlage VII, deel A, van de verordening plantengezondheid. Om gevolg te geven aan de opmerking 4.2. van de Raad van State is op 5 januari 2021 door de federale en gewestelijke ministers van Landbouw een samenwerkings akkoord ondertekend (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 januari 2021). Dit samenwerkingsakkoord bepaalt gemeenschappe lijk de voorgeschreven vermeldingen op de plantenpaspoorten. Ce projet d’arrêté royal remplace l’arrêté royal du 10 août 2005 (transposition en droit belge de la Directive 2000/29/CE abrogée) et prévoit des dispositions supplémentaires pour l’application en Belgi que des deux Règlements susmentionnés qui sont obligatoires dans tous leurs éléments et directement applicables. Il contient également des modifications et des abrogations d’arrêtés royaux et ministériels existants afin de mettre la législation phytosanitaire nationale en conformité avec la nouvelle législation européenne en matière de santé des végétaux et ses actes d’exécution (Règlement d’exécution (UE) 2019/2072 de la Commission du 28 novembre 2019 établissant des conditions uniformes pour la mise en œuvre du règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil, en ce qui concerne les mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux). Commentaire des articles: INTITULÉ L’intitulé indique que le présent arrêté concerne uniquement les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux, une compétence de l’autorité fédérale. CHAPITRE Ier. — Dispositions générales et définitions Art. 1er. détermine que le présent arrêté prévoit des dispositions supplémentaires au Règlement (UE) 2016/2031 (“règlement phytosani taire”) et au Règlement (UE) 2017/625 (“règlement sur les contrôles officiels”) qui sont directement applicables. Ces dispositions sont explicitement limitées aux compétences de l’autorité fédérale pour répondre aux observations du Conseil d’Etat sur la compétence partielle des régions pour la mise en œuvre de ces Règlements. Art. 2. contient quelques définitions des termes et notions utilisés dans le présent arrêté. Art. 3. définit la répartition des compétences dans le domaine de la santé des végétaux entre le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire (AFSCA). CHAPITRE II. — Mesures générales de lutte contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux Art. 4. détermine la notification obligatoire de la présence (soupçon née) d’organismes de quarantaine, conformément à l’art. 15 du règlement phytosanitaire. Art. 5. prescrit la lutte obligatoire contre les organismes de quaran taine, conformément à l’art. 15 du règlement phytosanitaire. Art. 6. contient les mesures de lutte possibles contre les organismes de quarantaine et donne au Ministre la possibilité de réglementer ou d’interdire le transport et la culture de végétaux pour des raisons phytosanitaires ou de fixer des mesures d’urgence ou des mesures phytosanitaires plus restrictives et/ou des zones délimitées, conformé ment aux articles 18, 29 et 31 du règlement phytosanitaire. Art. 7. donne l’autorisation à l’Administration générale des Douanes et Accises d’effectuer des contrôles documentaires et d’identité sur les végétaux. Art. 8. contient des obligations phytosanitaires pour les opérateurs enregistrés par l’AFSCA. CHAPITRE III. — Dispositions en matière de circulation de tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés, destinés à la plantation Art. 9. contient les conditions dans lesquelles un producteur de plants fermiers peut être exempté de l’utilisation de passeports phytosanitaires, en application de l’art. 82 du règlement phytosanitaire. Ceci concerne des plants de pommes de terre destinés au propre usage par le producteur qui ne sont pas mis en circulation et pas certifiés. Pour ces plants fermiers il n’y a pas d’exigences d’application en matière de présence d’organismes réglementés non de quarantaine (RNQP). Les dispositions de cet article concernent uniquement des mesures contre des organismes de quarantaine et sont donc entière ment de la compétence de l’autorité fédérale. CHAPITRE IV. — Dispositions en matière de passeports phytosanitaires Art. 10. contient des exigences supplémentaires sur les données à mentionner sur le passeport phytosanitaire, conformément à l’art. 83 et à l’annexe VII, partie A, du règlement phytosanitaire. Pour répondre à l’observation 4.2. du Conseil d’Etat, un accord de coopération a été signé par les ministres fédéraux et régionaux de l’Agriculture le 5 janvier 2021 (publié au Moniteur belge du 13 janvier 2021). Cet accord de coopération détermine conjointement les mentions prescrites sur les passeports phytosanitaires. 27878 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 11 t.e.m. 13 bevatten voorwaarden en modaliteiten voor het afleveren van plantenpaspoorten door het FAVV, zoals voorgeschreven in art. 84 van de verordening plantengezondheid. Deze bepalingen zijn ook opgenomen in het voornoemde samenwerkingsakkoord om gevolg te geven aan de opmerking 4.2. van de Raad van State dat ze niet eenzijdig door de federale overheid kunnen worden uitgevaardigd. Art. 14. bepaalt dat de Minister regels kan vastleggen voor het opmaken van plannen voor de beheersing van risico’s op quarantaine organismen, in toepassing van art. 91 van de verordening plantenge zondheid. HOOFDSTUK V. — Bepalingen inzake uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen Art. 15. legt de modellen vast van het fytosanitair uitvoercertificaat, het fytosanitair wederuitvoercertificaat en het pre-uitvoercertificaat en bepaalt de voorwaarden voor de aflevering van dergelijke certificaten (cfr. art. 100 t.e.m. 102 van de verordening plantengezondheid). Deze modellen zijn ook opgenomen in het voornoemde samenwerkingsak koord om gevolg te geven aan de opmerking 4.3. van de Raad van State dat ze niet eenzijdig door de federale overheid kunnen worden opgelegd. Gelet op de opmerkingen 7 tot en met 7.4. van de Raad van State werd het artikel 16 uit de oorspronkelijke versie van dit ontwerp van besluit geschrapt en zijn de hierna volgende artikelen hernummerd. HOOFDSTUK VI. — Bepalingen inzake informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie Art. 16. bevat voorschriften voor het gebruik van het pre uitvoercertificaat, overeenkomstig art. 102 van de verordening planten gezondheid. Deze zijn ook opgenomen in het voornoemde samenwer kingsakkoord om gevolg te geven aan de opmerking 4.3. van de Raad van State dat ze niet eenzijdig door de federale overheid kunnen worden opgelegd. HOOFDSTUK VII. — Wijzigingsbepalingen Art. 17 t.e.m. 20 wijzigen het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 om de daarin gebruikte terminologie en verwijzingen in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving. Om gevolg te geven aan de opmerking 4.4.2. van de Raad van State is in art. 19 (wijziging van art. 3 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003) de rol van het FAVV beperkt tot de quarantaineorganismen. Art. 21 t.e.m. 23 wijzigen het koninklijk besluit van 13 februari 2006 om de daarin gebruikte terminologie en verwijzingen in overeenstem ming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetge ving. Om gevolg te geven aan de opmerkingen 4.4.3. en 4.4.4. van de Raad van State is in art. 23 (wijziging van art. 2, 2°, en art. 5 van het koninklijk besluit van 13 februari 2006) de rol van het FAVV beperkt tot de quarantaineorganismen. Art. 24 t.e.m. 26 wijzigen het koninklijk besluit van 23 juni 2008 omdat bacterievuur (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) niet meer is opgenomen op de lijst van quarantaineorganismen, maar nog enkel een quarantaineorganisme blijft in bepaalde beschermde gebieden. De federale bestrijdingsmaatregelen tegen bacterievuur moeten dus beperkt worden tot het plantaardig materiaal dat bestemd is voor deze beschermde gebieden. Art. 27 wijzigt het koninklijk besluit van 22 juni 2010 om de daarin gebruikte terminologie en verwijzingen in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving. HOOFDSTUK VIII. — Bijzondere bepalingen Art. 28. bepaalt dat de samenwerking met de douanediensten verloopt overeenkomstig de reglementering van de Algemene Admi nistratie van de Douane en Accijnzen. Art. 29. bepaalt dat de Minister de bijlagen (modellen van certifica ten) bij het voorliggende besluit kan wijzigen en uitvoeringsmaatrege len kan vastleggen om te voldoen aan bijkomende bepalingen in het kader van de Europese plantengezondheidswetgeving. Gelet op de opmerking 5.1. van de Raad van State werd het artikel 31 uit de oorspronkelijke versie van dit ontwerp van besluit geschrapt en zijn de hierna volgende artikelen hernummerd. Les art. 11 à 13 contiennent des conditions et modalités pour la délivrance de passeports phytosanitaires par l’AFSCA, tel que prescrit dans l’art. 84 du règlement phytosanitaire. Ces dispositions sont également incluses dans l’accord de coopération susmentionnée pour répondre à l’observation 4.2. du Conseil d’Etat qu’elles ne peuvent pas être édictée unilatéralement par l’autorité fédérale. Art. 14. détermine que le Ministre peut fixer des règles pour l’élaboration de plans de gestion de risques pour les organismes de quarantaine, en application de l’art. 91 du règlement phytosanitaire. CHAPITRE V. — Dispositions en matière d’exportation de végétaux, produits végétaux et autres matériaux Art. 15. fixe les modèles du certificat phytosanitaire d’exportation, du certificat phytosanitaire de réexportation et du certificat de pré exportation et détermine les conditions de délivrance de tels certificats (cfr. art. 100 à 102 du règlement phytosanitaire). Ces modèles sont également inclus dans l’accord de coopération susmentionnée pour répondre à l’observation 4.3. du Conseil d’Etat qu’elles ne peuvent pas être édictée unilatéralement par l’autorité fédérale. Vu les observations 7 à 7.4. du Conseil d’Etat, l’article 16 de la version initiale du présent projet d’arrêté a été supprimé et les articles qui suivent sont renumérotés. CHAPITRE VI. — Dispositions en matière d’échange d’information avec d’autres pays membres de l’Union européenne Art. 16. contient des exigences d’utilisation du certificat de pré exportation, conformément à l’art. 102 du règlement phytosanitaire. Celles-ci sont également incluses dans l’accord de coopération susmen tionnée pour répondre à l’observation 4.3. du Conseil d’Etat qu’elles ne peuvent pas être édictée unilatéralement par l’autorité fédérale. CHAPITRE VII. — Dispositions modificatives Les art. 17 à 20 modifient l’arrêté royal du 10 octobre 2003 pour aligner la terminologie et les références qui y sont utilisées avec la nouvelle législation européenne sur la santé des végétaux. Pour répondre à l’observation 4.4.2. du Conseil d’Etat, dans l’art. 19 (modification de l’art. 3 de l’arrêté royal du 10 octobre 2003) le rôle de l’AFSCA est limité aux organismes de quarantaine. Les art. 21 à 23 modifient l’arrêté royal du 13 février 2006 pour aligner la terminologie et les références qui y sont utilisées avec la nouvelle législation européenne sur la santé des végétaux. Pour répondre aux observations 4.4.3. et 4.4.4. du Conseil d’Etat, dans l’art. 23 (modifica tion de l’art. 2, 2°, et de l’art. 5 de l’arrêté royal du 13 février 2006) le rôle de l’AFSCA est limité aux organismes de quarantaine. Les art. 24 à 26 modifient l’arrêté royal du 23 juin 2008 parce que le feu bactérien (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. Et al.) ne figure plus sur la liste des organismes de quarantaine, mais reste seulement un organisme de quarantaine dans certaines zones protégées. Les mesures de lutte fédérales contre le feu bactérien doivent donc être limitées au matériel végétal destiné à ces zones protégées. Art. 27. modifie l’arrêté royal du 22 juin 2010 pour aligner la terminologie et les références qui y sont utilisées avec la nouvelle législation européenne sur la santé des végétaux. CHAPITRE VIII. — Dispositions particulières Art. 28. détermine que la coopération avec les services de la douane s’effectue conformément à la règlementation de l’Administration générale des Douanes et Accises. Art. 29. détermine que le Ministre peut modifier les annexes (modèles de certificats) du présent arrêté et fixer des mesures d’exécution pour se conformer aux dispositions supplémentaires dans le cadre de la législation européenne sur la santé des végétaux. Vu l’observation 5.1. du Conseil d’Etat, l’article 31 de la version initiale du présent projet d’arrêté a été supprimé et les articles qui suivent sont renumérotés. 27879MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD HOOFDSTUK IX. — Opheffings- en slotbepalingen Art. 30. heft enkele bestaande koninklijke en ministeriële besluiten op die in het kader van de nieuwe Europese en nationale plantengezond heidswetgeving overbodig geworden zijn. Voor wat betreft het konink lijk besluit van 17 februari 2005 wordt er geen gevolg gegeven aan de opmerking 4.5. van de Raad van State omdat de modellen van fytosanitaire invoercertificaten en wederuitvoercertificaten voor het binnenbrengen van planten, plantaardige producten of andere materi alen afkomstig uit derde landen vastgelegd zijn in de artikelen 71 en 76 en de bijlage V, delen A en B, van de verordening plantengezondheid. Bijgevolg moet het koninklijk besluit van 17 februari 2005 opgeheven worden voor wat betreft de bevoegdheid van de federale overheid. Gelet op de opmerking 8 van de Raad van State werd het artikel 33 uit de oorspronkelijke versie van dit ontwerp van besluit geschrapt. Art. 31. bepaalt dat de Minister van Financiën (bevoegd voor de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen) en de Minister van Landbouw (bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen) belast zijn met de uitvoering van het voorliggende besluit. Bijlagen I – III bevatten de modellen van het fytosanitair uitvoercer tificaat, het fytosanitair wederuitvoercertificaat en het pre uitvoercertificaat. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving Advies 67.693/1/V van 14 augustus 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit ‘betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen ’ Op 29 juni 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Landbouw verzocht binnen een termijn van zestig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit ‘betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen’. Het ontwerp is door de eerste vakantiekamer onderzocht op 4 augustus 2020 . De kamer was samengesteld uit Jan Clement, staatsraad, voorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Pierre Barra, staatsraden, Jan Velaers, assessor, en Astrid Truyens, griffier. Het verslag is uitgebracht door Tim Corthaut, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 augus tus 2020. * 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. STREKKING VAN HET ONTWERP 2. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot de vervanging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 ‘betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen’ door een nieuwe regeling ter uitvoering van verordening (EU) 2016/2031 1. Die verordening is onder meer in de plaats gekomen van richtlijn 2000/29/EG 2, waarvan het voormelde koninklijk besluit de omzetting vormde. Tevens worden in een aantal andere besluiten 3 wijzigingen aange bracht om de terminologie af te stemmen op die van verordening (EU) 2016/2031 en worden verscheidene achterhaalde besluiten opge heven 4. Bovendien worden een aantal bepalingen inzake het toezicht afgestemd op verordening (EU) 2017/625 5. CHAPITRE IX. — Dispositions abrogatoires et finales Art. 30. abroge quelques arrêtés royaux et ministériels qui sont devenus superflus dans le cadre de la nouvelle législation européenne et nationale sur la santé des végétaux. Pour ce qui concerne l’arrêté royal du 17 février 2005, il n’est pas répondu à l’observation 4.5. du Conseil d’Etat, car les modèles de certificats phytosanitaires d’impor tation et de réexportation pour l’introduction de végétaux, produits végétaux ou autres matériaux en provenance de pays tiers sont fixés aux articles 71 et 76 et à l’annexe V, parties A et B, du règlement phytosanitaire. Par conséquent l’arrêté royal du 17 février 2005 doit être abrogé pour ce qui concerne la compétence de l’autorité fédérale. Vu l’observation 8 du Conseil d’Etat, l’article 33 de la version initiale du présent projet d’arrêté a été supprimé. Art. 31. détermine que le Ministre des Finances (responsable de l’Administration générale des douanes et accises) et le Ministre de l’Agriculture (responsable de la sécurité de la chaîne alimentaire) sont chargés de l’exécution du présent arrêté. Les annexes I – III contiennent les modèles du certificat phytosani taire d’exportation, du certificat phytosanitaire de réexportation et du certificat de pré-exportation. J’ai l’honneur d’être, Sire, de Votre Majesté, le très respectueux et très fidèle serviteur, Le Ministre des Finances, V. VAN PETEGHEM Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL CONSEIL D’ETAT section de législation Avis 67.693/1/V du 14 août 2020 sur un projet d’arrêté royal ‘relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’organismes nuisibles’ Le 29 juin 2020, le Conseil d’État, section de législation, a été invité par le Ministre de l’Agriculture à communiquer un avis, dans un délai de soixante jours, sur un projet d’arrêté royal ‘relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’organismes nuisibles’. Le projet a été examiné par la première chambre des vacations le 4 août 2020 . La chambre était composée de Jan Clement, conseiller d’État, président, Jeroen Van Nieuwenhove et Pierre Barra, conseillers d’État, Jan Velaers, assesseur, et Astrid Truyens, greffier. Le rapport a été présenté par Tim Corthaut, auditeur. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Marnix Van Damme, président de chambre. L’avis, dont le texte suit, a été donné le 14 août 2020. * 1. En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation a fait porter son examen essentiellement sur la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique et l’accomplissement des formalités prescrites. PORTEE DU PROJET 2. Le projet d’arrêté royal soumis pour avis a pour objet de remplacer l’arrêté royal du 10 août 2005 ‘relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’, par une nouvelle réglementation portant exécution du règlement (UE) 2016/2031 1. Ce règlement s’est notamment substitué à la directive 2000/29/CE 2, dont l’arrêté royal précité constitue la transposition. En outre, des modifications sont apportées à un certain nombre d’autres arrêtés 3 afin d’aligner la terminologie sur celle du règle ment (UE) 2016/2031, et divers arrêtés obsolètes sont abrogés 4. Par ailleurs, un certain nombre de dispositions en matière de contrôle sont mises en conformité avec le règlement (UE) 2017/625 5. 27880 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Het ontwerp omvat tien hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat algemene bepalingen en definities. Hoofdstuk II bevat algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten. Hoofdstuk III bevat bepalingen over het verkeer van voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. Hoofdstuk IV bevat bepalingen over plantenpaspoorten. Hoofdstuk V bevat bepalingen over uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen. Hoofdstuk VI regelt de informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie. Hoofdstuk VII bevat wijzigings bepalingen. Hoofdstuk VIII bevat een bepaling over de verhouding tussen het ontwerp en de regelgeving inzake douane en accijnzen (artikel 29) en een delegatie aan de minister bevoegd voor landbouw (hierna: de minister) met het oog op het wijzigen van de bijlagen (artikel 30). Hoofdstuk IX bevat een strafbepaling. Hoofdstuk X omvat de opheffings- en slotbepalingen. De drie bijlagen bevatten modelfor mulieren. Overeenkomstig artikel 33 heeft het te nemen besluit uitwerking met ingang van 14 december 2019. BEVOEGDHEID 3. De Raad van State heeft recent al de gelegenheid gehad om de bevoegdheidsverdeling met betrekking tot de uitvoering van verorde ning (EU) 2016/2031 te verduidelijken in advies 66.907/3 van 30 maart 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 11 mei 2020 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen’. “A. Algemeen 2. In advies 38.398/3 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 ‘betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen’ (dat in hoofdzaak strekt tot de omzetting van richtlijn 2000/29/EG,6 die wordt ingetrokken bij artikel 109, lid 1, van verordening (EU) 2016/2031), heeft de Raad van State het volgende uiteengezet aangaande de bevoegdheid van de federale overheid. ‘ Sinds de vervanging van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 is het landbouwbeleid een aangelegenheid welke in beginsel behoort tot de bevoegdheid van de gewesten. Bij wijze van uitzondering is de federale overheid bevoegd gebleven voor een aantal limitatief opgesomde aangelegenheden; te dezen is daarbij van belang ‘de normering en de daarop toepasbare controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen’ (artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1°). Mede op grond van de voornoemde uitzondering blijft de federale overheid bevoegd voor het ‘sanitaire beleid’; aan de gewesten is daarentegen het ‘beleid inzake de kwaliteit’ overgedragen7. Wat de bestrijding van plantenziekten betreft, hebben de gemachtigde ambte naren aan de Raad van State uiteengezet dat de bevoegdheidsverdeling inhoudt dat de federale overheid bevoegd is gebleven om plantenziek ten te bestrijden die de gezondheid zelf van de planten bedreigen (verbod van invoer, en maatregelen om de besmetting tegen te gaan), terwijl de gewesten bevoegd zijn om maatregelen te nemen i.v.m. de aanwezigheid van schadelijke organismen die enkel de kwaliteit van de plantaardige producten verminderen (maximumtolerantienormen). Met die uitleg kan worden ingestemd. De respectieve bevoegdheden van de federale overheid en de gewesten blijken aldus afhankelijk te zijn van de aard van de schadelijke organismen. Bovendien volgt uit het voorzorgsbeginsel dat, zolang niet duidelijk is wat de effecten van een schadelijk organisme zijn, de federale overheid zich bevoegd kan achten; zodra aangetoond is dat het organisme geen bedreiging vormt voor de gezondheid van de planten, en er dus geen behoefte meer bestaat aan fytosanitaire maatregelen, zijn de gewesten bevoegd. Het voorliggende ontwerp voorziet enkel in fytosanitaire maatrege len. De ontworpen regeling behoort derhalve in haar geheel tot de bevoegdheid van de federale overheid.’ Naar aanleiding van de omzetting van richtlijn 2007/33/EG,8 die wordt ingetrokken bij artikel 109, lid 2, f), van verordening (EU) 2016/2031, heeft de Raad van State die bevoegdheidsverdeling verder gepreciseerd in advies 47.815/VR/3 van 23 maart 2010 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 22 juni 2010 ‘betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schade lijke organismen’.9 De Raad van State merkte daarbij onder meer het volgende op. Le projet est composé de dix chapitres. Le chapitre Ier comporte des dispositions générales et des définitions. Le chapitre II comporte des mesures générales de lutte contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux. Le chapitre III contient des dispositions en matière de circulation de tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés, destinés à la plantation. Le chapitre IV contient des dispositions en matière de passeports phytosanitaires. Le chapitre V comporte des dispositions en matière d’exportation de végétaux, produits végétaux et autres matériaux. Le chapitre VI règle l’échange d’information avec d’autres pays membres de l’Union européenne. Le chapitre VII comporte des dispositions modificatives. Le chapitre VIII contient une disposition relative à la relation entre le projet et la réglementation en matière de douanes et accises (article 29) et une délégation au ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions (ci-après : le ministre) en vue de la modification des annexes (article 30). Le chapitre IX comporte une disposition pénale. Le chapitre X comporte les dispositions abrogatoires et finales. Les trois annexes contiennent des modèles de formulaire. Conformément à l’article 33, l’arrêté envisagé produit ses effets le 14 décembre 2019. COMPETENCE 3. Récemment, dans l’avis 66.907/3 du 30 mars 2020 sur un projet devenu l’arrêté royal du 11 mai 2020 ‘modifiant l’arrêté royal du 19 novembre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’, le Conseil d’État a déjà eu l’occasion de préciser la répartition des compétences en ce qui concerne l’exécution du règlement (UE) 2016/2031. « A. Généralités 2. Dans l’avis 38.398/3 sur un projet devenu l’arrêté royal du 10 août 2005 ‘relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’ (qui vise essentiellement à trans poser la directive 2000/29/EG 6, qui est abrogée par l’article 109, paragraphe 1, du règlement (UE) 2016/2031), le Conseil d’État a formulé les observations suivantes concernant la compétence de l’autorité fédérale. ‘Depuis le remplacement de l’article 6, § 1er, V, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles par la loi spéciale du 13 juillet 2001, la politique agricole est une matière qui, en principe, relève de la compétence des régions. À titre exceptionnel, un certain nombre de matières énumérées limitativement sont demeurées de la compétence de l’autorité fédérale; en l’espèce, il importe de noter à cet égard les ‘normes relatives à la qualité des matières premières et des produits végétaux, et (le) contrôle de ces normes, en vue d’assurer la sécurité de la chaîne alimentaire’ (article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1°). L’exception précitée, notamment, fait que le pouvoir fédéral reste compétent pour la ‘politique sanitaire’; en revanche, la ‘politique de qualité’ a été transférée aux régions 7. En ce qui concerne la lutte contre les maladies des végétaux, les fonctionnaires délégués ont déclaré au Conseil d’État que la répartition des compétences implique que l’autorité fédérale est restée compétente pour la lutte contre les maladies des végétaux qui menacent la santé même de ceux-ci (interdiction à l’importation et mesures visant à enrayer la contamina tion), alors que les régions sont compétentes pour prendre des mesures lorsque les produits végétaux sont contaminés par des organismes nuisibles qui ne font qu’en diminuer la qualité (normes de tolérance maximum). Ces explications peuvent être admises. Les compétences respectives de l’autorité fédérale et des régions dépendent donc de la nature des organismes nuisibles. Par ailleurs, il découle du principe de précaution que l’autorité fédérale peut se juger compétente tant que les effets d’un organisme nuisible ne sont pas clairement déterminés; les régions sont compétentes dès qu’il est démontré que l’organisme ne constitue pas de menace pour la santé des végétaux et qu’il n’est donc plus nécessaire de prendre des mesures phytosanitaires. Le projet à l’examen prévoit uniquement des mesures phytosani taires. En conséquence, le texte en projet relève intégralement de la compétence de l’autorité fédérale’. Dans le cadre de la transposition de la directive 2007/33/CE 8, qui est abrogée par l’article 109, paragraphe 2, f), du règlement (UE) 2016/2031, le Conseil d’État a encore précisé cette répartition des compétences dans l’avis 47.815/VR/3 donné le 23 mars 2010 sur un projet devenu l’arrêté royal du 22 juin 2010 ‘relatif à la lutte contre les nématodes à kystes de la pomme de terre et modifiant l’arrêté royal du 19 novem bre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’ 9. À cet égard, le Conseil d’État a notamment observé ce qui suit : 27881MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD ’4.1. Op grond van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gewesten bevoegd voor het landbouwbeleid, onverminderd de federale bevoegd heid voor bepaalde aangelegenheden. Te dezen is artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1°, van die bijzondere wet relevant. Volgens die bepaling behoort ‘de normering en de daarop toepasbare controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen’ tot de bevoegdheid van de federale overheid. Overigens is de federale overheid op grond van artikel 6, § 1, V, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet ook bevoegd voor ‘de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid, het dierenwelzijn en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen’. De Raad van State heeft er in het verleden steeds op gewezen dat inzake landbouw de federale overheid bevoegd is voor het ‘sanitaire beleid’ en dat aan de gewesten daarentegen het ‘beleid inzake de kwaliteit’ is overgedragen, althans voor zover daarbij ook geen sanitaire doelstellingen worden nagestreefd10. Het onderzoek van het voorliggende ontwerp brengt de Raad van State ertoe om de tot dusver door de afdeling Wetgeving gevolgde adviespraktijk aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. 4.2. In de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt niet nader bepaald wat onder de ‘veiligheid van de voedselketen’ moet worden verstaan. Zoals blijkt uit de toelichting die de gemachtigden aan de Raad van State hebben verstrekt, kan aan die omschrijving een enge of een ruime draagwijdte worden gegeven. In een enge zin zou de ‘veiligheid van de voedselketen’ betrekking kunnen hebben op maatregelen die genomen worden om ervoor te zorgen dat de elementen die voorkomen in de voedselketen geen ziekten bij de mens kunnen veroorzaken. In een ruime zin zou de term ook betrekking kunnen hebben op maatregelen die genomen worden om vanuit een sanitair oogpunt de kwaliteit van de planten en de dieren te verzekeren, los van de vraag of de ziekten waaraan de planten of de dieren lijden of zouden kunnen lijden al dan niet van aard zijn om ziekten bij de mens te veroorzaken. Nu de tekst van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voor uiteenlopende interpretaties vatbaar is, dient gezocht te worden naar de bedoeling van de bijzondere wetgever, zoals die kan worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, waarbij onder meer artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is vervangen. 4.3. In de tekst van het aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp van bijzondere wet werd nog geen gewag gemaakt van de ‘veiligheid van de voedselketen’. Volgens het voorontwerp zou de federale overheid inzake planten bevoegd blijven voor ‘de normering en de daarop toepasselijke controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het beschermen van de volksgezondheid’. Inzake dieren zou zij bevoegd blijven voor ‘de normering en de daarop toepasselijke controle inzake de dierengezondheid, het dierenwelzijn en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het beschermen van de volksgezondheid’11’. In zijn advies over dat ontwerp suggereerde de Raad van State de aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid op een andere manier te bepalen: ‘De bevoegdheid van de federale overheid hangt aldus mede af van het doel dat deze met een bepaalde maatregel wil bereiken: dat doel moet bestaan in het beschermen van de volksgezondheid. De ervaring leert dat het omschrijven van bevoegdheden in functie van doelstellingen tot interpretatieproblemen aanleiding geeft. Dit is te dezen des te meer het geval, nu ’het beschermen van de volksgezond heid’ een vage uitdrukking is. De Raad van State stelt overigens vast dat in de memorie van toelichting een enigszins andere omschrijving gegeven wordt van de domeinen waarvoor de federale overheid bevoegd blijft. In de memorie van toelichting wordt immers gesteld dat de federale overheid bevoegd blijft ’voor de aangelegenheden die [haar] toelaten een optimaal [sanitair] beleid te voeren via het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen’. Als dat inderdaad de bedoeling is van de stellers van het ontwerp, kan in het ontworpen artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1. en 2. (lees: 1° en 2°), beter verwezen worden naar de maatregelen die vereist zijn voor het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen, dan naar de bescherming van de volksgezondheid12. ‘4.1. L’article 6, § 1er, V, de la loi spéciale du 8 août1980 de réformes institutionnelles dispose que les régions sont compétentes en ce qui concerne la politique agricole, sans préjudice de la compétence fédérale pour certaines matières. En l’occurrence, c’est l’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1°, de cette loi spéciale qui est pertinent. Selon cette disposition, l’autorité fédérale est compétente en ce qui concerne les ‘normes relatives à la qualité des matières premières et des produits végétaux, et [le] contrôle de ces normes, en vue d’assurer la sécurité de la chaîne alimentaire’. Par ailleurs, en vertu de l’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 2°, de la loi spéciale, l’autorité fédérale est également compétente pour ce qui touche ‘aux normes et à leur contrôle relatifs à la santé et au bien—être des animaux, ainsi qu’à la qualité des produits d’origine animale en vue d’assurer la sécurité de la chaîne alimentaire’. Dans le passé, le Conseil d’État a toujours souligné que l’autorité fédérale est compétente en matière de ‘politique sanitaire’, mais qu’en revanche la ‘politique de qualité’ a été transférée aux régions, du moins s’il n’est pas poursuivi en même temps d’objectifs sanitaires 10. L’examen du présent projet conduit le Conseil d’État à réexaminer la jurisprudence suivie jusqu’à présent par la section de législation. 4.2. La loi spéciale du 8 août 1980 ne précise pas ce qu’il convient d’entendre par la ‘sécurité de la chaîne alimentaire’. Comme l’indiquent les explications que les délégués ont fournies au Conseil d’État, cette définition peut faire l’objet d’une interprétation restrictive ou extensive. Dans une conception restrictive, la ‘sécurité de la chaîne alimentaire’ pourrait viser les mesures à prendre afin de garantir que les éléments qui interviennent dans la chaîne alimentaire ne soient pas susceptibles de provoquer des maladies humaines. Dans une conception plus large, cette notion pourrait viser également les mesures à prendre en vue de garantir la qualité des plantes et des animaux d’un point de vue sanitaire, indépendamment de la question de savoir si les affections dont sont atteints ou dont pourraient être atteints les plantes ou les animaux sont ou non susceptibles de provoquer des maladies humaines. Dès lors que le texte de la loi spéciale du 8 août 1980 peut faire l’objet d’interprétations divergentes, il convient de rechercher l’intention du législateur spécial, telle qu’elle peut être déduite des travaux parlemen taires de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, qui remplace notamment l’article 6, § 1er, V, de la loi spéciale du 8 août 1980. 4.3. Le texte de l’avant-projet de loi spéciale soumis au Conseil d’État ne faisait pas encore état de la ‘sécurité de la chaîne alimentaire’. Selon l’avant—projet, l’autorité fédérale restait compétente, en ce qui concerne les végétaux, pour les ‘normes relatives à la qualité des matières premières et des produits végétaux, et [le] contrôle de ces normes, en vue de la protection de la santé publique’. En ce qui concerne les animaux, elle restait compétente pour les ‘normes relatives à la santé et au bien-être des animaux, ainsi qu’à la qualité des produits d’origine animale, et [le] contrôle de ces normes, en vue de la protection de la santé publique’ 11. Dans son avis sur ce projet, le Conseil d’État suggérait de déterminer d’une autre manière la compétence réservée à l’autorité fédérale : ‘La compétence de l’autorité fédérale dépend donc notamment de l’objectif qu’elle veut atteindre avec une mesure donnée : cet objectif doit consister en la protection de la santé publique. L’expérience montre que la description de compétences en fonction d’objectifs donne lieu à des problèmes d’interprétation. En l’occurrence, c’est d’autant plus le cas que ‘la protection de la santé publique’ est une expression vague. Au demeurant, le Conseil d’État constate que l’exposé des motifs donne une description quelque peu différente des domaines pour lesquels l’autorité fédérale reste compétente. En effet, l’exposé des motifs indique que l’autorité fédérale reste compétente ‘pour les matières qui lui permettent de mener une politique sanitaire optimale par l’intermédiaire de l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire’. Si telle est effectivement l’intention des auteurs du projet, il serait préférable de faire référence dans l’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1 et 2 (lire: 1° et 2°), en projet, aux mesures requises pour assurer la sécurité de la chaîne alimentaire, plutôt qu’à la protection de la santé publique’ 12. 27882 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD De regering is op die laatste suggestie ingegaan. In het bij de Senaat ingediende ontwerp wordt de federale bevoegdheid omschreven met verwijzing naar ‘het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen’. In de memorie van toelichting wordt hierbij opgemerkt dat de federale overheid bevoegd blijft voor de aangelegenheden die haar moeten toelaten ‘een optimaal sanitair beleid te voeren via het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen’, en dat die federale bevoegdheid betrekking heeft op ‘de normering, de op deze normen toepasbare controle en het opleggen van sanitaire, fytosani taire, veterinaire of kwalitatieve criteria voor grondstoffen, dieren, planten en dierlijke en plantaardige producten’. In dit verband wordt voorts het voorzorgsbeginsel ter sprake gebracht: ‘Ingevolge het voorzorgsprincipe dat inzake volksgezondheid prevaleert en teneinde een doeltreffend sanitair beleid te kunnen voeren, geldt deze federale bevoegdheid ongeacht of de ziekte momenteel al dan niet erkend wordt als schadelijk voor de mens.’ De aan de gewesten overgedragen bevoegdheid omvat, gelet op het voorgaande, ‘de tot [dan] toe federale bevoegdheid [...] inzake normering en de daarop toepasselijke controle die tot doel heeft de kwaliteit van grondstoffen, dieren, planten, dierlijke en plantaardige producten en de plantaardige sector te verbeteren zonder sanitaire doeleinden na te streven’13. In de verdere bespreking van het ontwerp is benadrukt dat aan de gewesten het beleid inzake de kwaliteit werd overgedragen, en dat de federale overheid bevoegd bleef voor het sanitaire beleid (in de Nederlandse tekst soms ook het gezondheidsbeleid genoemd)14. Inzake planten kwam die bevoegdheidsverdeling er concreet op neer dat de gewesten bevoegd werden gemaakt voor wat in 2001 volgens de algemene uitgavenbegroting behoorde tot het domein ‘teeltmateriaal’ van het Bestuur voor de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector (DG 4) van het toenmalige federale ministerie van Landbouw, terwijl de federale overheid bevoegd bleef voor wat behoorde tot het domein ‘plantenbescherming’ van dat bestuur15. Ook op het voorzorgsbeginsel is tijdens de verdere bespreking nader ingegaan. Er is opgemerkt dat de ervaring heeft geleerd ‘dat het niet eenvoudig is te bepalen of een materie de hele voedselketen of de veiligheid van de verbruikers kan treffen’, en dat de regering daarom ‘voorrang geeft aan een globale aanpak en de nadruk legt op alle materies van de federale overheid, die bevoegd is voor de bescherming van de volksgezondheid’. Het voorzorgsbeginsel houdt ook in ‘dat een eenvormig beleid moet worden gevoerd, met name voor de materies die zowel het gezondheidsbeleid (overschotten, gevolgen voor de voedselketen en de gezondheid, ...) als de kwalitatieve aanpak betreffen (prestatie van het product, ...) zoals bij pesticiden’16. Gevraagd naar de betekenis van het begrip ‘veiligheid van de voedselketen’ heeft de regering verklaard dat het gaat om het geheel van ‘dierlijke en plantaardige elementen die een rol spelen in het voedingsproces van de mens’17. In die optiek ‘is het criterium ’gezondheid’ niet beperkt tot de veiligheid van het vlees18 voor de mens, maar houdt het tevens in dat gelet moet worden op de gezondheid van het vlees (in het algemeen) of van de planten, als elementen van de voedselketen’19. 4.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling is geweest van de bijzondere wetgever om het ‘beleid inzake de kwaliteit’ over te dragen aan de gewesten, en om aan de federale overheid de bevoegdheid inzake het ‘sanitaire beleid’ voor te behouden. De aldus omschreven afbakening van de respectieve bevoegdheden van de gewesten en de federale overheid staat niet met zoveel woorden in de bijzondere wet. Ze is het gevolg van de zeer ruime opvatting van het voorzorgsbeginsel die de bijzondere wetgever hanteerde toen hij het criterium van de ‘veiligheid van de voedselketen’ in de bijzondere wet inschreef. Aangezien het volgens de wetgever niet mogelijk was om met zekerheid te bepalen of een planten- of dierenziekte een gevaar kon inhouden voor de volksgezondheid, is ervoor geopteerd om aan de federale overheid de mogelijkheid te bieden om ten aanzien van planten- en dierenziekten een doeltreffend en globaal sanitair beleid te voeren, ‘ongeacht of de ziekte momenteel al dan niet erkend wordt als schadelijk voor de mens’20. Er is geen uitzondering gemaakt voor ziekten waarvan, volgens de stand van de wetenschap, redelijkerwijze mag worden aangenomen dat ze enkel gevolgen heeft voor de kwaliteit van de plantaardige of dierlijke producten, niet voor de gezondheid van de mens. Zoals door de gemachtigden aan de Raad van State is uitgelegd, kan overigens niet uitgesloten worden dat de wetenschap pelijke inzichten op dit punt evolueren. Le gouvernement a accueilli cette dernière suggestion. Dans le projet déposé au Sénat, la compétence fédérale vise à ‘assurer la sécurité de la chaîne alimentaire’. L’exposé des motifs relève à cet égard que l’autorité fédérale demeure compétente pour les matières qui doivent lui permettre ‘de mener une politique sanitaire optimale par l’intermé diaire de l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire’ et que cette compétence fédérale concerne ‘l’établissement de normes, les contrôles relatifs à ces normes et l’imposition de critères sanitaires, phytosanitaires, vétérinaires ou qualitatifs applicables pour ce qui est des matières premières, des animaux, du secteur végétal, des plantes et des produits animaux et végétaux’. À cet égard, le principe de précaution est en outre évoqué : ‘Il est prévu, en application du principe de précaution, qui prévaut en matière de santé publique, et pour que l’on puisse mener une politique sanitaire efficace, que cette compétence fédérale doit être exercée en tous cas, que la maladie soit ou non reconnue actuellement comme étant nuisible à l’homme’. La compé tence attribuée aux régions comprend, vu ce qui précède, ‘la compé tence jusqu’[alors] fédérale relative à l’établissement de normes et au contrôle de leur application, en vue d’améliorer la qualité des matières premières, des animaux, des plantes et des produits animaux et végétaux et du secteur végétal, sans poursuivre d’objectifs sanitaires’ 13. Lors de la suite de l’examen du projet, il a été relevé que la politique relative à la qualité a été transférée aux régions et que l’autorité fédérale demeurait compétente pour la politique sanitaire (en néerlandais: ‘sanitair beleid’ mais parfois aussi ‘gezondheidsbeleid’) 14. En ce qui concerne les végétaux, cette répartition de compétence impliquait concrètement que les régions devenaient compétentes pour ce qui relevait en 2001, selon le budget général des dépenses, du domaine du ‘matériel de reproduction’ de l’Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal (DG 4) du ministère fédéral de l’Agriculture de l’époque, tandis que l’autorité fédérale demeurait compétente pour ce qui relevait du domaine de la ‘protection de végétaux’ de cette administration 15. Le principe de précaution a également été évoqué au cours de ces discussions. On a observé que, ‘d’expérience, on sait qu’il n’est pas toujours aisé de définir quand une matière peut affecter la chaîne alimentaire ou la santé des consommateurs’ et que le gouvernement donne dès lors ‘la priorité à une approche globale et [fait] ressortir l’ensemble de chacune de ces matières à l’autorité fédérale, compétente en matière de protection de la santé publique’. Le principe de précaution implique également ‘que doit être menée une politique univoque, notamment dans les matières qui relèvent tout à la fois de la politique de la santé publique (résidus, conséquences pour la chaîne alimentaire et la santé humaine, ...) et de l’approche qualitative (performance du produit, ...), comme c’est le cas en matière de pesticides’ 16. Interrogé quant à la signification de la notion de ‘sécurité de la chaîne alimentaire’, le gouvernement a déclaré qu’il s’agit d’un ensemble d’’éléments animaux et végétaux qui rentrent dans le processus d’alimentation de l’homme’ 17. Dans cette optique, ‘le critère ‘sanitaire’ ne se limite pas à la sûreté de la viande 18 pour l’homme mais implique qu’il faut avoir égard également au caractère sain de la viande (en général) ou des végétaux (dans leur ensemble) en tant qu’éléments de la chaîne alimentaire’ 19. 4.4. Il ressort des travaux préparatoires que l’intention du législateur spécial a été de transférer aux régions la ‘politique de qualité’ et de réserver à l’autorité fédérale la compétence en matière de ‘politique sanitaire’. La délimitation ainsi tracée des compétences respectives des régions et de l’autorité fédérale n’est pas expressément évoquée dans la loi spéciale. Elle est le résultat de la conception très large du principe de précaution adoptée par le législateur spécial au moment d’inscrire le critère de la ‘sécurité de la chaîne alimentaire’ dans la loi spéciale. Dès lors que selon le législateur, il n’était pas possible de déterminer avec certitude si une maladie animale ou végétale pouvait comporter un danger pour la santé publique, il a choisi de doter l’autorité fédérale de la possibilité de mener une politique sanitaire globale et efficace en matière de maladies végétales et animales, ‘que la maladie soit ou non reconnue actuellement comme étant nuisible à l’homme’ 20. Aucune exception n’a été faite pour les maladies dont, dans l’état actuel de la science, on peut raisonnablement supposer qu’elles n’ont d’effets que sur la qualité des produits végétaux ou animaux et pas sur la santé humaine. Comme les délégués l’ont exposé au Conseil d’État, on ne peut par ailleurs pas exclure que les connaissances scientifiques évoluent sur ce point. 27883MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Zoals uit de tekst van artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1° (en 2°), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 blijkt, is de bevoegdheid van de federale overheid bovendien omschreven in termen van doelstellingen. Maatregelen met een sanitair of fytosanitair oogmerk behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid. Het gaat dan in het bijzonder om maatregelen die, wat planten en plantaardige producten betreft, gericht zijn op het bestrijden van schadelijke organismen, meer bepaald op het voorkomen van het invoeren of een verdere verspreiding ervan. De omstandigheid dat dergelijke fytosanitaire maatregelen ook de kwaliteit ten goede komen, doet aan de bevoegdheid van de federale overheid geen afbreuk. Omgekeerd zijn ook de gewesten bevoegd om ten aanzien van schadelijke organismen bepaalde maatregelen te nemen, maar die maatregelen mogen dan enkel gericht zijn op het behoud of de verbetering van de kwaliteit; ze mogen dus niet van fytosanitaire aard zijn. 4.5. Met het om advies voorgelegde ontwerp beogen de stellers te voorzien in een regeling die het mogelijk moet maken om het aardappelcysteaaltje, een voor de aardappel schadelijk organisme, te bestrijden, in het bijzonder door velden en aardappelen te onderwer pen aan maatregelen die erop gericht zijn de aanwezige populatie aardappelcysteaaltjes terug te dringen en hun verdere verspreiding te voorkomen. Aldus gaat het om een fytosanitaire regeling. Gelet op dit kenmerk van de regeling, kan de federale overheid zich te dezen beroepen op haar bevoegdheid inzake de veiligheid van de voedselketen, begrepen in de ruime zin die de bijzondere wetgever voor ogen stond, om de ontworpen regeling aan te nemen. De omstandigheid dat de aantasting van de aardappelplant geen ziekte is die kan overgaan op de mens, doet aan die conclusie geen afbreuk, eveneens omwille van de ruime interpretatie die blijkens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 aan het begrip ‘veiligheid van de voedselketen’ moet worden gegeven.’ B. Bevoegdheidsrechtelijke kwalificatie van de maatregelen vervat in verordening (EU) 2016/2031 3. Verordening (EU) 2016/2031 bevat, overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan, regels (...) voor de bepaling van de fytosanitaire risico’s op elk(e) soort, stam of biotype van ziekteverwekkende agentia, dieren of parasitaire planten die of dat schadelijk is voor planten of plantaardige producten (‘plaagorganismen’) alsmede maatregelen om die risico’s tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen’.21 De verordening maakt een onderscheid tussen quarantaineorganis men enerzijds en door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen (hierna: RNQP’s22) anderzijds. Quarantaineorganismen zijn plaagorga nismen die in een bepaald gebied (nog) niet voorkomen,23 in tegenstel ling tot RNQP’s die reeds aanwezig zijn op het grondgebied van de Europese Unie (hierna: EU).24 Bij quarantaineorganismen wordt een verder onderscheid gemaakt tussen EU-quarantaineorganismen25 (die nog niet voorkomen in de EU) en ZP-quarantaineorganismen26 (die wel in de EU voorkomen, maar niet op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan). Sommige van de EU-quarantaineorganismen worden beschouwd als prioritaire plaagorganismen, onder meer wanneer ze de meest ernstige economi sche, sociale of milieugevolgen hebben met betrekking tot het grond gebied van de EU.27 Zowel tegen quarantaineorganismen als tegen RNQP’s kunnen zogenaamde fytosanitaire maatregelen worden genomen, die in de verordening worden gedefinieerd als maatregelen die tot doel hebben, in het eerste geval om het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen en in het tweede geval om de economische gevolgen van RNQP’s te beperken.28 De term ’fytosani tair’ in de verordening is dan ook ruimer dan de term ’fytosanitair’ in de zo-even geschetste Belgische bevoegdheidsrechtelijke context (zie ook opmerking 4.1 in fine). En outre, ainsi qu’il ressort du texte de l’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1° (et 2°) de la loi spéciale du 8 août 1980, la compétence de l’autorité fédérale est définie en termes d’objectifs. Des mesures à caractère sanitaire ou phytosanitaire relèvent de la compétence de l’autorité fédérale. Il s’agit plus particulièrement de mesures qui, pour ce qui concerne les végétaux et les produits végétaux, sont destinées à lutter contre les organismes nuisibles et plus précisément à en éviter l’importation ou la propagation. La circonstance que de telles mesures phytosanitaires favorisent aussi la qualité n’affecte pas la compétence de l’autorité fédérale. Inversement, les régions sont également compé tentes pour prendre certaines mesures à l’encontre d’organismes nuisibles mais celles-ci ne peuvent alors être destinées qu’au maintien ou à l’amélioration de la qualité; elles ne peuvent donc pas être de nature phytosanitaire. 4.5. Les auteurs du projet soumis pour avis visent à mettre en place un régime devant permettre de lutter contre le nématode à kystes de la pomme de terre, un organisme nuisible à la pomme de terre, plus particulièrement en soumettant les champs et les pommes de terres à des mesures destinées à réduire la population existante de nématodes à kystes de la pomme de terre et à prévenir leur propagation. Il s’agit donc d’un régime phytosanitaire. Vu cette particularité du régime, l’autorité fédérale peut en l’espèce invoquer sa compétence en matière de sécurité de la chaîne alimentaire, dans l’acception large envisagée par le législateur spécial, pour adopter les dispositions en projet. La circonstance que l’infestation de la plante de pomme de terre n’est pas une maladie transmissible à l’homme n’enlève rien à cette conclusion, ce qui résulte également de l’interprétation large qui, selon les travaux préparatoires de la loi spéciale du 13 juillet 2001, doit être donnée à la notion de ‘sécurité de la chaîne alimentaire’. B. Qualification, au regard des règles répartitrices de compétences, des mesures contenues dans le règlement (UE) 2016/2031 3. Conformément à son article 1er, paragraphe 1, le règle ment (UE) 2016/2031 contient des ‘règles permettant de déterminer le risque phytosanitaire présenté par toute espèce, souche ou biotype d’agent pathogène, d’animal ou de plante parasite nuisible aux végétaux ou aux produits végétaux (ci-après dénommé ‘organisme nuisible’) et les mesures visant à ramener ce risque à un niveau acceptable’ 21. Le règlement fait la distinction entre les organismes de quarantaine, d’une part, et les organismes réglementés non de quarantaine de l’Union (ci-après : RNQP 22), d’autre part. Les organismes de quaran taine sont des organismes nuisibles qui ne sont pas (encore) présents sur un territoire déterminé 23, contrairement aux RNQP qui sont déjà présents sur le territoire de l’Union européenne (ci-après : UE) 24. En ce qui concerne les organismes de quarantaine, une distinction est en outre opérée entre les organismes de quarantaine de l’Union 25 (qui ne sont pas encore présents dans l’UE) et les organismes de quarantaine de zone protégée 26 (qui sont bien présents dans l’UE, mais pas sur le territoire d’un État membre ou d’une partie de celui-ci). Certains des organismes de quarantaine de l’Union sont considérés comme des organismes nuisibles prioritaires, notamment si leur incidence écono mique, environnementale ou sociale est la plus grave pour le territoire de l’UE27. Tant les organismes de quarantaine que les RNQP peuvent faire l’objet de mesures phytosanitaires que le règlement définit comme des mesures ayant pour objet, dans le premier cas, de prévenir l’introduc tion ou la dissémination d’organismes de quarantaine et, dans le second cas, de limiter l’incidence économique de RNQP 28. Le terme ‘phytosa nitaire’ utilisé dans le règlement est dès lors plus large que le terme ‘phytosanitaire’ utilisé dans le contexte belge de la répartition des compétences que l’on vient de rappeler (voir également l’observa tion 4.1 in fine). 27884 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD De gemachtigden stelden het volgende overzicht ter beschikking van de verschilpunten tussen quarantaineorganismen enerzijds en RNQP’s anderzijds: Verordening (EU) 2016/2031 Art. 2, punt 22: definitie “fytosanitaire maatregel”: elke officiële maatregel die ten doel heeft het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen of de economische gevolgen van gereguleerde niet-quarantaineorganisme te beperken. Quarantaineorganismen (definitie art. 3) RNQP’s (definitie art. 36) Doelstelling is sanitair (territoriale bescherming veiligheid voedsel keten door uitroeien of inperken organisme in afgebakend gebied) Doelstelling is garanties voor kwaliteit, gebruikswaarde planten, economische gevolgen beperken (geen sanitair doel) Afwezig of niet wijdverbreid op het grondgebied noch op alle planten en plantaardige producten Aanwezig op het grondgebied en op bepaalde planten of plantaar dige producten. Tolerantiedrempels voor aanwezigheid op verschillende soorten en categorieën vermeerderingsmateriaal (planten bestemd voor opplant) Meldingsplicht (art. 14-15) en verplichte bestrijding (officiële maatre gelen, o.a. vernietiging besmette planten) (bijlage II, deel 1, punt 1, g) Beheersing risico’s, geen verplichte bestrijding (bijlage II, deel 2) Effecten op voedselzekerheid en voedselveiligheid vermeld (bijlage I, deel 1, punt 4, onder q) Geen effecten op voedselzekerheid en voedselveiligheid vermeld (bijlage I, deel 4, punt 3) Uitvoeringsverordening 2019/2072 (BIA): de meeste RNQP’s zijn afkomstig uit de reglementering inzake vermeerderingsmateriaal (handelsrichtlijnen zaaizaden en pootgoed), andere zijn quarantai neorganismen die RNQP geworden zijn. De RNQP’s zijn eveneens opgenomen in de reglementering inzake vermeerderingsmateriaal (handelsrichtlijnen zaaizaden en pootgoed). 4. De vraag rijst dan ook welke overheden bevoegd zijn voor de aanpassing van de bestaande internrechtelijke voorschriften, in dit geval de voorschriften vervat in het koninklijk besluit van 19 novem ber 1987, aan hetgeen bepaald is in verordening (EU) 2016/2031.29 4.1. Uit de omschrijving van de RNQP’s in artikel 36 en bijlage I, deel 4, van verordening (EU) 2016/2031 kan worden afgeleid dat het gaat om plaagorganismen die hoofdzakelijk worden overgedragen door specifieke planten bestemd voor opplant, dat is iedere handeling betreffende het plaatsen van planten in een groeimedium, het enten of soortgelijke handelingen, teneinde hun verdere groei, reproductie of vermeerdering te bewerkstelligen,30 waarbij de aanwezigheid van het plaagorganisme op die voor opplant bestemde planten onaanvaardbare economische gevolgen heeft wat betreft het voorgenomen gebruik van die voor opplant bestemde planten. In de lijst in bijlage IV van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 komen daadwerkelijk enkel plaagorganismen voor die betrekking hebben op zaaizaad, zaaigranen, teeltmateriaal, groentezaad, pootaardappelen en voor opplant bestemde planten. Door zich toe te spitsen op voor opplant bestemde planten kan worden vermeden dat het plaagorganisme zich verder verspreidt.31 Dat gebeurt doordat wordt voorzien in een verbod voor professionele marktdeelnemers op het binnenbrengen in het grondgebied van de EU en het daarbinnen vervoeren van de voor opplant bestemde planten, althans wanneer de aanwezigheid van de betrokken plaagorganismen erop een bepaalde drempel overstijgt.32 De maatregelen die op grond van verordening (EU) 2016/2031 kunnen worden genomen ten aanzien van RNQP’s betreffen dan ook enkel preventieve maatregelen, terwijl ten aanzien van quarantaineorganismen allerlei andere maatregelen worden genomen, zoals ’fysische, chemische en biologische behande ling van planten, plantaardige producten, bedrijfsruimten, land, water, bodem, groeimedia, installaties, machines, uitrusting en andere mate rialen, die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorganis men’33 en ’]vernietiging van planten, plantaardige producten en andere materialen, die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorga nismen, of voor preventieve doeleinden’34, die, in zoverre ze ertoe strekken die organismen te bestrijden of een verdere verspreiding ervan beogen tegen te gaan, minstens gedeeltelijk tot de federale bevoegdheid kunnen worden gerekend (zie daarover ook opmerking 4.2). Bij de zo-even aangehaalde onaanvaardbare economische gevolgen35 wordt bovendien geen gewag gemaakt van enig risico voor de veiligheid van de voedselketen, in tegenstelling tot de quarantaineor ganismen, waar de ’]effecten op de voedselzekerheid en de voedselvei ligheid’ wel worden vermeld tussen de mogelijke effecten.36 Er kan dan ook worden aangenomen dat de maatregelen ten aanzien van RNQP’s niet tot doel hebben om al aanwezige plaagorganismen te bestrijden met het oog op de vrijwaring van de veiligheid van de voedselketen, maar wel om de kwaliteit van teeltmateriaal te vrijwaren door middel van preventieve maatregelen.37 Dergelijke maatregelen moeten tot de bevoegdheid van de gewesten worden gerekend. Les délégués ont transmis le tableau suivant, indiquant les différen ces entre les organismes de quarantaine, d’une part, et les RNQP, d’autre part : 4. La question se pose dès lors de savoir quelles autorités sont compétentes pour adapter les règles de droit interne existantes, en l’occurrence les règles de l’arrêté royal du 19 novembre 1987, aux dispositions du règlement (UE) 2016/2031 29. 4.1. Il peut se déduire de la définition des RNQP donnée à l’article 36 et à l’annexe I, section 4, du règlement (UE) 2016/2031 qu’il s’agit d’organismes nuisibles transmis principalement par des végétaux spécifiques destinés à la plantation, à savoir toute opération de mise en place de végétaux dans un milieu de culture, ou de greffage ou autres opérations analogues, en vue d’assurer la croissance, la reproduction ou la multiplication ultérieure de ces végétaux 30, la présence de l’orga nisme nuisible sur les végétaux destinés à la plantation ayant une incidence économique inacceptable sur l’usage prévu de ces végétaux destinés à la plantation. En effet, la liste en annexe IV du règlement d’exécution (UE) 2019/2072 contient uniquement des organismes nuisibles qui concernent les semences, semences de céréales, matériels de multiplication, semences de légumes, plants de pommes de terre et les végétaux destinés à la plantation. En se focalisant sur les végétaux destinés à la plantation, on peut éviter que les organismes nuisibles se disséminent 31, et ce en prévoyant d’interdire aux opérateurs professionnels d’introduire ou de déplacer, sur le territoire de l’UE, des végétaux destinés à la plantation, du moins si la présence des organismes nuisibles concernés sur ces végétaux dépasse un certain seuil 32. Dès lors, les mesures qui peuvent être prises en vertu du règlement (UE) 2016/2031 à l’égard des RNQP sont uniquement des mesures préventives, alors que toutes sortes d’autres mesures sont prises à l’égard des organismes de quarantaine, telles que le ‘traitement physique, chimique et biologique des végétaux, des produits végétaux, des sites, des terres, de l’eau, du sol, des milieux de culture, des installations, des machines, des équipements et autres objets infestés ou potentiellement infestés par des organismes de quarantaine’ 33 et la ‘destruction des végétaux, produits végétaux et autres objets infestés ou potentiellement infestés par des organismes de quarantaine ou à des fins préventives’ 34, qui, dans la mesure où elles visent à lutter contre ces organismes ou à en empêcher la dissémination, peuvent au moins partiellement être réputées relever de la compétence fédérale (voir également, à cet égard, l’observation 4.2). En ce qui concerne les incidences économiques inacceptables citées ci-dessus 35, il n’est en outre pas fait mention d’un quelconque risque pour la sécurité de la chaîne alimentaire, contrairement aux organismes de quarantaine, pour lesquels les ‘effets sur la sécurité alimentaire et la sécurité sanitaire des denrées alimentaires’ sont bel et bien mentionnés parmi les incidences potentielles 36. On peut dès lors admettre que les mesures prises à l’égard des RNQP n’ont pas pour objet de lutter contre des organismes nuisibles déjà présents en vue de préserver la sécurité de la chaîne alimentaire, mais bien de préserver la qualité du matériel de reproduction au moyen de mesures préventives 37. De telles mesures doivent être réputées relever de la compétence des régions. 27885MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD De omstandigheid dat ook voor bepaalde RNQP’s ’]fytosanitaire certificaten’ vereist zijn38 en dat ook ten aanzien van RNQP’s gewag wordt gemaakt van ’]fytosanitaire maatregelen’,39 betekent nog niet dat het gaat om fytosanitaire maatregelen in de bevoegdheidsrechtelijke betekenis die eraan wordt gegeven in de voormelde adviezen 38.398/3 en 47.815/VR/3. De term ’]fytosanitaire maatregel’ wordt in verorde ning (EU) 2016/2031 immers gedefinieerd als “elke officiële maatregel die ten doel heeft het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen of de economische gevolgen van gereguleerde niet-quarantaineorganisme te beperken”,40 wat duidelijk ook maatregelen omvat die volgens de bevoegdheidsverdeling in België tot de bevoegdheden van de gewesten inzake het waarborgen van de kwaliteit van landbouwproducten behoren. 4.2. De maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van quarantaineorganismen41 kunnen velerlei zijn en zowel maatregelen omvatten waarvan sommige, zoals zo-even uiteengezet, duidelijk tot de bevoegdheid van de federale overheid kunnen worden gerekend, terwijl andere maatregelen veeleer preventief van aard zijn en boven dien niet rechtstreeks betrekking hebben op de plaagorganismen als dusdanig. Daarvoor zal van geval tot geval, rekening houdende met de aard van de maatregel, moeten worden nagegaan of de federale overheid, dan wel de gewesten ervoor bevoegd zijn.”42 4. Het voorliggende ontwerp heeft volgens het opschrift enkel betrekking op quarantaineorganismen. 4.1. De maatregelen in hoofdstuk II van het ontwerp (“Algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten”) hebben betrekking op de bestrijding van die quarantaineorganismen en moeten tot de bevoegdheid van de federale overheid worden gerekend. Dat veronderstelt wel dat de “fytosanitaire maatregelen” waaraan wordt gerefereerd in artikel 6 van het ontwerp en “alle andere maatregelen die moeten worden genomen”, waarvan gewag wordt gemaakt in artikel 8 van het ontwerp, bevoegdheidscon form worden begrepen.43 4.2. Hoofdstuk III (“Bepalingen inzake het verkeer van voor opplant bestemde niet gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L.”) van het ontwerp (dat artikel 9 bevat) heeft betrekking op het verkeer van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen (hierna: RNQP’s).44 Dat artikel 9 heeft evenwel enkel betrekking op de gevallen waarin geen plantenpaspoort vereist is voor verrichtingen binnen een bedrijf, ter uitvoering van artikel 82 van verordening (EU) 2016/2031. De ontworpen bepaling moet bevoegdheidsrechtelijk samen worden beoor deeld met de bepalingen van hoofdstuk IV (“Bepalingen inzake plantenpaspoorten”), dat de uitvoering vormt van de artikelen 78 en volgende van de voormelde verordening. Uit de definitie van een plantenpaspoort in artikel 78 van de verordening en uit de artikelen 83, 85 en 86 ervan, blijkt dat het plantenpaspoort zowel betrekking heeft op de afwezigheid van qua rantaineorganismen als op de naleving van maatregelen ter voorko ming van NRQP’s. Het staat echter niet aan de federale overheid om eenzijdig een regeling uit te vaardigen met betrekking tot dat planten paspoort, zoals de vermeldingen die erop moeten worden aangebracht, de voorwaarden voor aflevering en vervanging, alsook de ermee samenhangende verplichtingen. Zelfs indien men ervan zou uitgaan dat de ontworpen regeling bevoegdheidsconform moet worden begre pen en enkel rechtsgevolgen kan hebben voor binnen de federale bevoegdheidssfeer (wat alvast uitgesloten lijkt voor de maatregelen vervat in hoofdstuk III), zou een afzonderlijke regeling ter zake van zowel de federale overheid als van de gewesten, elk wat hen betreft, ertoe leiden dat voor eenzelfde soort plant, plantaardig product of ander materiaal verschillende plantenpaspoorten zouden worden inge voerd, wat niet verenigbaar lijkt met het Europeesrechtelijke kader. De nadere uitvoering van de verordeningsbepalingen die betrekking hebben op het plantenpaspoort vereisen dan ook een voorafgaandelijke vorm van samenwerking, bij voorkeur een samenwerkingsakkoord, met het oog op een onderling afgestemde of gemeenschappelijke regeling van het plantenpaspoort. In een dergelijk samenwerkingsak koord is er wel ruimte voor een differentiatie naargelang de drie gewesten, zoals ook naar voor komt in artikel 13, § § 1 en 2, van het ontwerp. Een dergelijke regeling kan echter niet eenzijdig door de federale overheid worden uitgevaardigd. Om die reden kunnen de bepalingen van de hoofdstukken III en IV vooralsnog geen doorgang vinden. Le fait que des ‘certificats phytosanitaires’ soient également requis pour certains RNQP 38 et qu’il soit également question de ‘mesures phytosanitaires’ à l’égard des RNQP 39, ne signifie pas pour autant qu’il s’agit de mesures phytosanitaires au sens où elles s’entendent au regard de la répartition des compétences dans les avis 38.398/3 et 47.815/VR/3 précités. En effet, le règlement (UE) 2016/2031 définit le terme ‘mesure phytosanitaire’ comme ‘toute mesure officielle ayant pour objet de prévenir l’introduction ou la dissémination d’organismes de quaran taine ou de limiter l’incidence économique d’organismes réglementés non de quarantaine’ 40, ce qui vise aussi de toute évidence les mesures qui, au regard de la répartition des compétences en Belgique, relèvent de la compétence des régions en ce qui concerne la garantie de la qualité des produits agricoles. 4.2. Les mesures pouvant être prises à l’égard des organismes de quarantaine 41 peuvent être multiples et comprendre des mesures dont certaines, ainsi qu’il vient d’être expliqué, relèvent clairement de la compétence de l’autorité fédérale, alors que d’autres sont plutôt de nature préventive et ne concernent en outre pas directement des organismes nuisibles en tant que tels. À cet effet, il conviendra de vérifier, cas par cas, en tenant compte de la nature de la mesure, si elle relève de la compétence de l’autorité fédérale ou de celle des régions » 42. 4. Selon son intitulé, le projet à l’examen ne concerne que les organismes de quarantaine. 4.1. Les mesures inscrites dans le chapitre II du projet (« Mesures générales de lutte contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux ») concernent la lutte contre ces organismes de quarantaine et doivent être réputées relever de la compétence de l’autorité fédérale. Cela suppose cependant que les « mesures phyto sanitaires » auxquelles fait référence l’article 6 du projet et « toute autre exigence particulière » dont fait état l’article 8 du projet doivent s’interpréter conformément aux règles répartitrices de compétences 43. 4.2. Le chapitre III (« Dispositions en matière de circulation de tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés, destinés à la planta tion ») du projet (qui contient l’article 9) concerne la circulation des organismes réglementés non de quarantaine de l’Union (ci-après : ORNQ) 44. Cet article 9 ne concerne toutefois que les cas dans lesquels aucun passeport phytosanitaire n’est exigé pour les opérations internes d’une entreprise, en exécution de l’article 82 du règlement (UE) 2016/2031. Sur le plan de la répartition des compétences, la disposition en projet doit être appréciée conjointement avec les dispositions du chapitre IV (« Dispositions en matière de passeports phytosanitaires »), qui donne exécution aux articles 78 et suivants du règlement précité. Il ressort de la définition d’un passeport phytosanitaire inscrite à l’article 78 du règlement et de ses articles 83, 85 et 86 que le passeport phytosanitaire concerne tant l’absence d’organismes de quarantaine que le respect de mesures visant à prévenir les ORNQ. Il n’appartient cependant pas à l’État fédéral d’édicter unilatéralement un régime concernant ce passeport phytosanitaire, telles les mentions qu’il convient d’y apposer, les conditions de délivrance et de remplacement, ainsi que les obligations y relatives. Même si l’on considérait que le régime en projet doit être lu conformément aux règles répartitrices de compétences et qu’il ne peut avoir d’effets juridiques que dans la sphère de compétence fédérale (ce qui semble de toute façon exclu pour les mesures prévues au chapitre III), un régime distinct en la matière, émanant tant de l’autorité fédérale que des régions, chacune pour ce qui les concerne, impliquerait que, pour une même sorte de végétaux, de produits végétaux ou d’autres matériaux, des passeports phytosa nitaires différents seraient instaurés, ce qui ne paraît pas pouvoir se concilier avec le cadre juridique européen. L’exécution des dispositions du règlement qui concernent le passeport phytosanitaire requièrent dès lors une forme préalable de coopération, de préférence un accord de coopération, en vue d’établir une réglementation harmonisée ou commune du passeport phytosanitaire. Un tel accord de coopération donne toutefois toute latitude pour opérer une différenciation selon les trois régions, à l’instar de ce qui ressort de l’article 13, § § 1er et 2, du projet. Pareille réglementation ne peut toutefois pas être édictée unilatéralement par l’autorité fédérale. En conséquence, les dispositions des chapitres III et IV ne peuvent pour l’heure pas se concrétiser. 27886 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 4.3. Een gelijkaardige conclusie geldt voor de regeling met betrekking tot uitvoer- en preuitvoercertificaten in de hoofdstukken V (“Bepalin gen inzake uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen”) en VI (“Bepalingen inzake informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie”). Ook die certificaten hebben immers zowel betrekking op quarantaineorganismen als op RNQP’s. Daar komt nog bij dat voor de uitvoer moeilijk kan worden aangevoerd dat de federale overheid bevoegd is “met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen”, zoals vereist bij artikel 6, § 1, V, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aangezien de betrokken producten juist bedoeld zijn om niet in de Belgische voedselketen terecht te komen. In elk geval is ook hier een voorafgaan delijke vorm van samenwerking vereist, bij voorkeur een samenwer kingsakkoord, met het oog op een onderling afgestemde of gemeen schappelijke regeling van de betrokken certificaten. Om die reden kunnen ook de bepalingen van de hoofdstukken V en VI vooralsnog geen doorgang vinden. 4.4. In zoverre de wijzigingsbepalingen van hoofdstuk VII ertoe strekken terminologische aanpassingen aan te brengen in het licht van het nieuwe Europeesrechtelijke kader, rijzen geen bevoegdheidsrechte lijke bezwaren. Wel moeten de hierna volgende specifieke opmerkingen worden geformuleerd. 4.4.1. Het ontworpen artikel 2, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 (artikel 19, 1°, van het ontwerp) verwijst terecht niet naar artikel 85, b), van verordening (EU) 2016/2031, dat betrekking heeft op RNQP’s, maar wel (onder meer) naar artikel 85, a), waarin gewag wordt gemaakt van “plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden”, hetgeen ook bepaalde preventieve maatregelen inhoudt die mogelijk tot de bevoegd heid van de gewesten kunnen worden gerekend. Op zijn minst zal die verwijzing dan ook bevoegdheidsconform moeten worden begrepen. Deze opmerking geldt mutatis mutandis ook voor het ontworpen artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 13 februari 2006 (artikel 23, 1°, van het ontwerp). 4.4.2. Het ontworpen artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 (artikel 20, 1°, van het ontwerp) maakt het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) verantwoordelijk voor de organisatie van officiële controles en andere activiteiten als bevoegde autoriteit voor de toepassing van verordening (EU) 2016/2031. Aangezien de bevoegdheid van de federale overheid slechts een deel van de maatregelen omvat die moeten worden genomen ter uitvoering van verordening (EU) 2016/2031, is die rol van het FAVV te ruim omschreven. 4.4.3. Gelet op wat is uiteengezet in opmerking 4.3 over de uitvoercertificaten is ook de omschrijving in het ontworpen artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 13 februari 2006 (artikel 23, 2°, van het ontwerp) te ruim. 4.4.4. Ook het ontworpen artikel 5 van het koninklijk besluit van 13 februari 2006 (artikel 24 van het ontwerp) lijkt te ruim in het licht van wat in opmerking 4.2 is uiteengezet over de plantenpaspoorten. 4.5. De opheffingsbepalingen in hoofdstuk X kunnen slechts door gang vinden in zoverre ze betrekking hebben op bepalingen die tot de bevoegdheid van de federale overheid kunnen worden gerekend, zoals reeds is uiteengezet in advies 66.907/3 (opmerkingen 7.1 tot 8.2). Gelet op wat in de opmerkingen 4.2 en 4.3 van dit advies is uiteengezet aangaande het plantenpaspoort en de uitvoercertificaten, kan het koninklijk besluit van 17 februari 2005 niet eenzijdig worden opgeheven door de federale overheid (artikel 32, 1°, van het ontwerp). Het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 kan enkel worden opgeheven voor zover het betrekking heeft op maatregelen ten aanzien van plaagorganismen die tot de federale bevoegdheid kunnen worden gerekend.45 RECHTSGROND 5.1. Het ontworpen besluit vindt in hoofdzaak rechtsgrond in de artikelen 2 en 3, § 1, van de wet van 2 april 1971 ‘betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen’. In de aanhef wordt ook verwezen naar de artikelen 4, 5 en 5bis van dezelfde wet, allicht als rechtsgrond voor artikel 31 van het ontworpen besluit. De twee eerstgenoemde bepalingen bevatten evenwel geen delegatie aan de Koning en kunnen dan ook niet fungeren als rechtsgrond. Paragraaf 11 van artikel 5bis bepaalt dat dat artikel niet van toepassing is op inbreuken die zijn vastgesteld ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’. Ook dat artikel kan dus niet als rechtsgrond fungeren voor artikel 31 van het ontworpen besluit. Dat artikel 31 lijkt overigens niets toe te voegen aan hetgeen reeds voortvloeit uit de strafbepalingen in de wet van 2 april 1971 en de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 februari 2001, zodat het beter kan worden weggelaten. 4.3. Une conclusion analogue s’applique au régime relatif aux certificats d’exportation et de préexportation prévu dans les chapitresV (« Dispositions en matière d’exportation de végétaux, produits végé taux et autres matériaux ») et VI (« Dispositions en matière d’échange d’information avec d’autres pays membres de l’Union européenne »). En effet, ces certificats concernent eux aussi tant les organismes de quarantaine que les ORNQ. De surcroît, en ce qui concerne l’exporta tion, il est difficile de soutenir que l’autorité fédérale est compétente « en vue d’assurer la sécurité de la chaîne alimentaire », comme l’exige l’article 6, § 1er, V, alinéa 2, 1°, de la loi spéciale du 8 août 1980, dès lors que les produits concernés sont précisément destinés à ne pas se retrouver dans la chaîne alimentaire belge. En tout cas, une forme de coopération préalable est ici aussi requise, de préférence un accord de coopération, en vue d’établir une réglementation harmonisée ou commune des certificats concernés. Pour ce motif, les dispositions des chapitres V et VI ne peuvent pour l’heure pas non plus se concrétiser. 4.4. Dans la mesure où les dispositions modificatives du chapitre VII visent à apporter des adaptations terminologiques à la lumière du nouveau cadre de droit européen, aucune objection n’est soulevée au regard de la répartition des compétences. Il faut cependant formuler les observations spécifiques mentionnées ci-après. 4.4.1. L’article 2, § 1er, 1°, en projet, de l’arrêté royal du 10 octo bre 2003 (article 19, 1°, du projet) ne fait à juste titre pas référence à l’article 85, b), du règlement (UE) 2016/2031, qui concerne des ORNQ, mais bien (notamment) à l’article 85, a), qui fait état d’« organismes nuisibles faisant l’objet de mesures prises en application de l’article 30, paragraphe 1 », ce qui implique également certaines mesures préven tives qui pourraient éventuellement s’inscrire dans la compétence des régions. À tout le moins, cette référence devra dès lors être lue conformément aux règles répartitrices de compétences. Cette observation s’applique également mutatis mutandis à l’article 2, 1°, en projet, de l’arrêté royal du 13 février 2006 (article 23, 1°, du projet). 4.4.2. L’article 3, § 1er, en projet, de l’arrêté royal du 10 octobre 2003 (article 20, 1°, du projet) rend l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (ci-après : AFSCA) responsable de l’organisation des contrôles officiels et autres activités officielles en sa qualité d’autorité compétente pour l’application du règlement (UE) 2016/2031. Dès lors que la compétence de l’autorité fédérale n’englobe qu’une partie des mesures qui doivent être prises en exécution du règlement (UE) 2016/2031, ce rôle de l’AFSCA est trop largement défini. 4.4.3. Eu égard à l’observation formulée au point 4.3 à propos des certificats d’exportation, la définition figurant à l’article 2, 2°, en projet, de l’arrêté royal du 13 février 2006 (article 23, 2°, du projet) est également trop large. 4.4.4. L’article 5 en projet de l’arrêté royal du 13 février 2006 (article 24 du projet) paraît également trop large à la lumière de l’observation formulée au point 4.2 à propos des passeports phytosanitaires. 4.5. Les dispositions abrogatoires figurant dans le chapitre X ne peuvent aboutir que dans la mesure où elles concernent des disposi tions pouvant être réputées s’inscrire dans la compétence de l’autorité fédérale, ainsi qu’il a déjà été exposé dans l’avis 66.907/3 (observa tions 7.1 à 8.2). Compte tenu des observations formulées aux points 4.2 et 4.3 du présent avis à propos du passeport phytosanitaire et des certificats d’exportation, l’autorité fédérale ne peut pas abroger unilatéralement l’arrêté royal du 17 février 2005 (article 32, 1°, du projet). L’arrêté royal du 10 août 2005 ne peut être abrogé que pour autant qu’il porte sur des mesures à l’égard d’organismes nuisibles, qui peuvent être considérées comme s’inscrivant dans la compétence fédérale 45. FONDEMENT JURIDIQUE 5.1. Pour l’essentiel, l’arrêté en projet trouve son fondement juridique dans les articles 2 et 3, § 1er, de la loi du 2 avril 1971 ‘relative à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’. Le préambule fait également mention des articles 4, 5 et 5bis de la même loi, probablement à titre de fondement juridique de l’article 31 de l’arrêté en projet. Les deux dispositions citées en premier ne comportent toutefois pas de délégation au Roi et ne peuvent dès lors pas servir de fondement juridique. Le paragraphe 11 de l’article 5bis dispose que cet article ne s’applique pas aux infractions constatées en exécution de l’arrêté royal du 22 février 2001 ‘organisant les contrôles effectués par l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales’. Cet article ne peut donc pas non plus procurer un fondement juridique à l’article 31 de l’arrêté en projet. Par ailleurs, cet article 31 paraît ne rien ajouter à ce qui découle déjà des dispositions pénales de la loi du 2 avril 1971 et des dispositions de l’arrêté royal du 22 février 2001, de sorte qu’il vaut mieux l’omettre. 27887MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 5.2. Wat betreft het toevertrouwen van (gewone) opdrachten aan het FAVV in het kader van de wet van 2 april 1971, kan het ontworpen besluit worden gesteund op de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Koning (artikel 108 van de Grondwet), gelezen in samenhang met artikel 4, § § 1 tot 3, en artikel 5, tweede lid, 7°, van de wet van 4 februari 2000 ‘houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen’. De rechtsgrondvermeldingen in de aanhef moeten dan ook in die zin worden aangevuld en gepreciseerd. Zoals wordt uiteengezet in opmerking 7.1, betekent dat echter niet dat elke in het ontwerp geregelde opdracht aan het FAVV in die rechtsgrondbepalingen kan worden ingepast. 5.3. In de aanhef wordt ook verwezen naar de artikelen 4 en 8 van het (bekrachtigde) koninklijk besluit van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’. Artikel 4, § 1, van dat besluit kan als rechtsgrond dienen voor de nadere regeling van de controles in het ontworpen besluit. Artikel 8 bevat enkel opdrachten aan de minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen en niet aan de Koning en kan dan ook niet fungeren als rechtsgrond voor het ontworpen besluit. ALGEMENE OPMERKING 6. Het ontwerp voorziet in “aanvullende bepalingen” bij verordening (EU) 2016/2031 en verordening (EU) 2017/625. Om duidelijk te maken welke bepalingen worden uitgevoerd of aangevuld, is het raadzaam om in de betrokken bepalingen van het ontwerp expliciet te verwijzen naar de verordeningsbepaling die wordt uitgevoerd (“overeenkomstig artikel ...”) of aangevuld (“onverminderd artikel ...”). Op die manier wordt ook duidelijk welke bepalingen louter internrechtelijk van aard zijn, en welke bepalingen rechtstreeks verband houden met de twee verordeningen, wat gevolgen kan hebben voor de toepasselijkheid van uniale beginselen en van het Handvest.46 ONDERZOEK VAN DE TEKST Artikel 16 7. Artikel 16, § 1, van het ontwerp voorziet in de mogelijkheid voor het FAVV om “fytosanitaire akkoorden” af te sluiten met de bevoegde overheden van derde landen om de wijze vast te leggen waarop de naleving van de fytosanitaire eisen van dat derde land gegarandeerd wordt. 7.1. De voormelde akkoorden strekken tot de naleving van de fytosanitaire eisen van het derde land en niet tot de naleving van de Belgische wetgeving. Voor een dergelijke opdracht aan het FAVV bieden de in opmerking 5.2 vermelde bepalingen geen rechtsgrond. 7.2. Bovendien rijzen belangrijke constitutionele bezwaren tegen een dergelijke regeling voor het sluiten van akkoorden met (instellingen van) derde landen, zelfs indien er een voldoende rechtsgrond voor zou bestaan. 7.2.1. Ten eerste bleek reeds uit het onderzoek van de bevoegdheid dat “fytosanitaire akkoorden” niet zonder meer geacht kunnen worden uitsluitend te behoren tot de federale bevoegdheden. Een koninklijk besluit kan het FAVV niet machtigen om akkoorden te sluiten met miskenning van de regels inzake het sluiten van gemengde verdragen. 7.2.2. Ten tweede komt de ontworpen bepaling neer op een delegatie van verordenende bevoegdheid aan het FAVV. Het verlenen van verordenende bevoegdheid aan een openbare instelling is in beginsel niet in overeenstemming met de algemene publiekrechtelijke beginse len omdat erdoor geraakt wordt aan het beginsel van de eenheid van de verordenende macht en een rechtstreekse parlementaire controle ontbreekt. Bovendien ontbreken de waarborgen waarmee de klassieke regelgeving gepaard gaat, zoals die over de bekendmaking, de preventieve controle van de Raad van State, afdeling Wetgeving, en de duidelijke plaats in de hiërarchie der normen. Dergelijke delegaties kunnen dan ook enkel worden gebillijkt voor zover zij zeer beperkt zijn en een niet-beleidsmatige karakter hebben, door hun detailmatige of hoofdzakelijk technische draagwijdte. De instellingen die de betrokken reglementering dienen toe te passen moeten hierbij zowel aan rechter lijke controle als aan politieke controle onderworpen zijn.47 Het garanderen van de naleving van de fytosanitaire eisen van derde landen hebben noch een beperkt, noch een niet-beleidsmatig karakter. 5.2. Concernant l’attribution de missions (ordinaires) à l’AFSCA dans le cadre de la loi du 2 avril 1971, l’arrêté en projet peut s’appuyer sur le pouvoir général d’exécution du Roi (article 108 de la Constitution), combiné avec l’article 4, § § 1er à 3, et l’article 5, alinéa 2, 7°, de la loi du 4 février 2000 ‘relative à la création de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la chaîne alimentaire’. Les alinéas du préambule visant le fondement juridique doivent dès lors être complétés et précisés en ce sens. Ainsi qu’il a été exposé dans l’observation 7.1, cela ne signifie cependant pas que chaque mission attribuée à l’AFSCA, réglée dans le projet, peut s’appuyer sur ces dispositions procurant un fondement juridique. 5.3. Le préambule vise également les articles 4 et 8 de l’arrêté royal (confirmé) du 22 février 2001 ‘organisant les contrôles effectués par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales’. L’article 4, § 1er, de cet arrêté peut procurer un fondement juridique pour régler les modalités des contrôles figurant dans l’arrêté en projet. L’article 8 ne déléguant que des missions au ministre qui a la sécurité de la chaîne alimentaires dans ses attributions et non au Roi, il ne peut donc pas procurer un fondement juridique à l’arrêté en projet. OBSERVATION GENERALE 6. Le projet prévoit des « dispositions supplémentaires » aux règlements (UE) 2016/2031 et (UE) 2017/625. Afin de préciser quelles dispositions sont exécutées ou complétées, il est conseillé, dans les dispositions concernées du projet, de faire explicitement référence à la disposition réglementaire qui est exécutée (« conformément à l’article ... ») ou complétée (« sans préjudice de l’article ... »). Ce procédé permet également de faire apparaître clairement quelles dispositions relèvent exclusivement du droit interne et quelles dispositions sont directement en rapport avec les deux règlements, ce qui peut avoir des conséquen ces en ce qui concerne l’applicabilité des principes de l’Union et de la Charte 46. EXAMEN DU TEXTE Article 16 7. L’article 16, § 1er, du projet prévoit la possibilité pour l’AFSCA de conclure des « accords phytosanitaires » avec les autorités compétentes de pays tiers afin d’établir la manière dont le respect des exigences phytosanitaires de ce pays tiers est assuré. 7.1. Les accords précités visent à assurer le respect des exigences sanitaires du pays tiers et non le respect de la législation belge. Les dispositions mentionnées dans l’observation 5.2 ne procurent pas de fondement juridique pour déléguer une telle mission à l’AFSCA. 7.2. En outre, d’importantes objections d’ordre constitutionnel s’oppo sent à une telle réglementation de la conclusion d’accords avec des (organismes de) pays tiers, même dans l’hypothèse où il existerait un fondement juridique suffisant à cet effet. 7.2.1. En premier lieu, l’examen de la compétence a montré que l’on ne peut pas considérer purement et simplement que les « accords phytosanitaires » s’inscrivent exclusivement dans les compétences fédérales. Un arrêté royal est impuissant à habiliter l’AFSCA à conclure des accords en méconnaissance des règles relatives à la conclusion de traités mixtes. 7.2.2. En deuxième lieu, la disposition en projet s’analyse en une délégation de pouvoir réglementaire à l’AFSCA. L’attribution d’un pouvoir réglementaire à un organisme public n’est en principe pas conforme aux principes généraux de droit public, en ce qu’il est ainsi porté atteinte au principe de l’unité du pouvoir réglementaire et qu’un contrôle parlementaire direct fait défaut. En outre, les garanties dont est assortie la réglementation classique, telles que celles en matière de publication, de contrôle préventif exercé par le Conseil d’État, section de législation, et de rang précis dans la hiérarchie des normes, sont absentes. Pareilles délégations ne se justifient dès lors que dans la mesure où elles sont très limitées et ont un caractère non politique, en raison de leur portée secondaire ou principalement technique. Les organismes qui doivent appliquer la réglementation concernée doivent être soumis à cet égard tant à un contrôle juridictionnel qu’à un contrôle politique47. La garantie du respect des exigences phytosanitaires de pays tiers n’a ni un caractère limité, ni un caractère non politique. 27888 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 7.2.3. Ten derde zijn dergelijke akkoorden ook moeilijk verzoenbaar met artikel 167 van de Grondwet. Uit artikel 167, § 1, van de Grondwet volgt immers dat de Koning de leiding heeft over de buitenlandse betrekkingen, onverminderd de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om de internationale samenwerking te regelen, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden waarvoor zij door of krachtens de Grondwet bevoegd zijn. Dat betekent dat een “fytosanitair akkoord” eventueel wel kan worden onderhandeld door het FAVV, maar in elk geval niet kan worden gesloten door het FAVV. Het overleg met de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilie, waarvan gewag wordt gemaakt in artikel 16, § 1, tweede lid, van het ontwerp, doet geen afbreuk aan die conclusie. Er kan ook niet worden geargumenteerd dat de bevoegdheid tot het sluiten van die akkoorden zou kunnen worden gedelegeerd aan het FAVV. Het gaat immers om het vastleggen van een juridisch kader voor samenwerking, met inbegrip van het uitwisselen van gegevens in het kader van onderzoeken, en zeker niet om technische of bijkomstige praktische modaliteiten ter uitvoering van een eerder gesloten kader.48 Bovendien sluit de omschrijving van het akkoord als een akkoord tussen bevoegde autoriteiten helemaal niet uit dat dit akkoord wel degelijk binnen de werkingssfeer van artikel 167, § 2, van de Grondwet valt. Indien het de bedoeling is om rechten en verplichtingen naar internationaal recht in het leven te roepen – en dat lijkt onvermijdelijk aangezien beoogd wordt om een kader te creëren voor de naleving van de fytosanitaire normen van het derde land, inclusief de controle daarop – zal een dergelijk fytosanitair akkoord, ongeacht zijn bena ming, als een verdrag moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 167, § 2, van de Grondwet. Dat zou slechts anders zijn indien het akkoord werkelijk als een akkoord in vereenvoudigde vorm (“executive agreement”) zou kunnen worden beschouwd. Dat kan echter enkel indien het akkoord alleen voorziet in de administratieve en technische uitvoering van een verdrag en ermee enkel beoogd wordt de rechten en verplichtingen die in een eerder verdrag zelf zijn opgenomen, uitvoerbaar te maken.49 Ook dan zou het nog steeds de Koning en niet het FAVV zijn die het akkoord moet sluiten. In dit geval gaat het echter niet over louter praktische afspraken, ontbreekt een vooraf bestaand verdragsrechtelijk kader en is er ook geen afdoende internrechtelijke rechtsgrond voor.50 7.2.4. De conclusie is dan ook dat de ontworpen bepaling geen doorgang kan vinden. Dergelijke akkoorden moeten worden gesloten door de Koning en zullen, afhankelijk van hun inhoud, mogelijk ook de instemming moeten krijgen van de Kamer van volksvertegenwoordi gers. Indien ze bovendien raken aan de bevoegdheden van de gewesten zullen die in overeenstemming met artikel 167, § 4, van de Grondwet en artikel 92bis, § 4ter, van de bijzondere wet moeten worden betrokken bij de totstandkoming van die akkoorden. 7.3. In het voorliggende geval komt daar nog bij dat artikel 16, § 2, van het ontwerp voorziet in de mogelijkheid van de invoering van pre-clearance controles door de bevoegde overheid van het betrokken derde land. Zonder adequate rechtsgrond in een internationaal verdrag waarmee België en het betrokken derde land in overeenstemming met hun grondwettelijke vereisten hebben ingestemd, is het niet mogelijk om de uitoefening van overheidsgezag door de autoriteiten van een derde land op het Belgisch grondgebied toe te staan. 7.4. Ten slotte moet er in elk geval ook over worden gewaakt dat dergelijke akkoorden in overeenstemming met artikel 190 van de Grondwet worden bekendgemaakt. Artikel 33 8. Het ontwerp heeft uitwerking met terugwerkende kracht tot 14 december 2019, namelijk datum waarop de meeste bepalingen van verordening (EU) 2016/2031 in werking traden.51 Aangezien het ontwerp voorziet in een aantal procedurele maatregelen, die bovendien worden afgedwongen via strafsancties, kan die terugwerkende kracht geen doorgang vinden en moet artikel 33 worden weggelaten. De Voorzitter, De griffier, Jan CLEMENT Astrid TRUYENS Nota’s 1 Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 ‘betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad’. 7.2.3. En troisième lieu, de tels accords se concilient en outre difficilement avec l’article 167 de la Constitution. Il découle en effet de l’article 167, § 1er, de la Constitution que le Roi dirige les relations internationales, sans préjudice de la compétence des communautés et des régions de régler la coopération internationale, y compris la conclusion de traités, pour les matières qui relèvent de leurs compé tences de par la Constitution ou en vertu de celle-ci. Cela signifie que si un « accord phytosanitaire » peut éventuellement être négocié par l’AFSCA, il ne peut en tout cas pas être conclu par celle-ci. La concertation avec le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, dont fait état l’article 16, § 1er, alinéa 2, du projet, ne change rien à cette conclusion. On ne peut pas non plus soutenir que le pouvoir de conclure de tels accords pourrait être délégué à l’AFSCA. Il s’agit en effet de l’établis sement d’un cadre juridique de coopération, y compris l’échange de données dans le cadre d’enquêtes, et certainement pas de modalités pratiques techniques ou accessoires en exécution d’un cadre conclu antérieurement 48. En outre, la définition de l’accord comme un accord entre autorités compétentes n’exclut nullement que cet accord entre bel et bien dans le champ d’application de l’article 167, § 2, de la Constitution. S’il s’agit de créer des droits et obligations de droit international – ce qui paraît inévitable dès lors que l’on entend mettre en place un cadre en vue du respect des normes phytosanitaires du pays tiers, y compris le contrôle y afférent –, il faudra qualifier un tel accord phytosanitaire, quelle que soit sa dénomination, de traité au sens de l’article 167, § 2, de la Constitution. Il n’en irait autrement que si l’accord pouvait réellement être considéré comme un accord en forme simplifiée (« executive agree ment »). Cette qualification n’est toutefois possible que si l’accord ne prévoit que l’exécution technique et administrative d’un traité et qu’il ne vise qu’à exécuter les droits et obligations qui sont inscrits dans un traité antérieur proprement dit 49. Même dans ce cas, c’est toujours au Roi et non à l’AFSCA qu’il appartiendrait de conclure l’accord. En l’occurrence, il ne s’agit cependant pas de simples accords pratiques, un cadre conventionnel préexistant fait défaut et il n’existe pas non plus de fondement juridique adéquat en droit interne 50. 7.2.4. En conclusion, le dispositif en projet ne peut pas aboutir. De tels accords doivent être conclus par le Roi et, selon leur contenu, devront éventuellement encore recevoir l’assentiment de la Chambre des représentants. S’ils affectent en outre les compétences des régions, celles-ci devront, conformément à l’article 167, § 4, de la Constitution et à l’article 92bis, § 4ter, de la loi spéciale, être associées à l’élaboration de ces accords. 7.3. En l’espèce, l’article 16, § 2, du projet prévoit par ailleurs la possibilité d’instaurer des contrôles pre-clearance par l’autorité compé tente du pays tiers concerné. En l’absence de fondement juridique adéquat ancré dans un traité international auquel la Belgique et le pays tiers concerné, ont porté assentiment conformément à leurs exigences constitutionnelles, il n’est pas possible d’autoriser les autorités d’un pays tiers à exercer la puissance publique sur le territoire belge. 7.4. Enfin, il faut en tout cas également veiller à ce que, conformément à l’article 190 de la Constitution, de tels accords soient publiés. Article 33 8. Le projet rétroagit au 14 décembre 2019, à savoir la date à laquelle la plupart des dispositions du règlement (UE) 2016/2031 sont entrées en vigueur 51. Le projet prévoyant un certain nombre de mesures procédurales, qui sont en outre imposées par le biais de sanctions pénales, cette rétroactivité ne peut pas se concrétiser et l’article 33 doit être omis. Le président, Le greffier, Jan CLEMENT Astrid TRUYENS Notes 1 Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 ‘relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE’. 27889MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 2 Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 ‘betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de versprei ding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen’. 3 Koninklijk besluit van 10 oktober 2003 ‘houdende het toevertrou wen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren’; koninklijk besluit van 13 februari 2006 ‘houden de vaststelling van de retributies betreffende de taken toevertrouwd aan de Gewesten door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen’; koninklijk besluit van 23 juni 2008 ‘betreffende de maatregelen om het binnenbrengen en het verspreiden van bacterie vuur (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) te voorkomen’; koninklijk besluit van 22 juni 2010 ‘betreffende de bestrijding van het aardappel cysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 novem ber 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaar dige producten schadelijke organismen’. 4 Naast het al vermelde koninklijk besluit van 10 augustus 2005 gaat het om het koninklijk besluit van 17 februari 2005 ‘tot vaststelling van de modellen van officiële fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer waarvan planten, plantaardige produc ten of andere materialen afkomstig uit derde landen vergezeld moeten gaan’; koninklijk besluit van 25 april 2017 ‘betreffende de fytosanitaire controles op de eerste plaats van binnenkomst in de Europese Unie’; ministerieel besluit van 22 juni 1995 ‘tot vaststelling van een procedure voor melding van de onderschepping van uit derde landen herkom stige en uit fytosanitair oogpunt onmiddellijk gevaar opleverende zendingen of schadelijke organismen’; ministerieel besluit van 4 juli 1996 ‘tot vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde schadelijke organismen, planten, plantaardige producten en andere materialen in de bijlagen I tot en met V bij het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectiewerkzaamheden in de Gemeenschap of in bepaalde beschermde gebieden daarvan mogen worden binnenge bracht of in verkeer gebracht’; ministerieel besluit van 24 oktober 2008 ‘houdende tijdelijke noodmaatregelen ter bestrijding van de Aziatische boktor Anoplophora glabripennis (Motschulsky)’. 5 Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 ‘betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en viervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbe schermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordenin gen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verorde ningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles)’. 6 Voetnoot 2 van het geciteerde advies: Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 ‘betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen’. 7 Voetnoot 3 van het geciteerde advies: Voetnoot 1 van het geciteerde advies: Rdpl. memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, Parl. St. Senaat, 2000-01, nr. 2-709/1, pp. 14-15; verslag namens de commissie van de Senaat, Parl.St. Senaat, 2000-01, nr. 2-709/7, pp. 5-6 en 150-153; verslag namens de commissie van de Kamer, Parl.St. Kamer, nr. 50 1280/3, pp. 6 en 62. 8 Voetnoot 4 van het geciteerde advies: Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van 11 juni 2007 ‘betreffende de bestrijding van het aardappel cysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG’. 9 Voetnoot 5 van het geciteerde advies: Zie in dezelfde zin adv.RvS 47.804/VR/3 van 23 maart 2010 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 18 mei 2011 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen’. 10 Voetnoot 6 van het geciteerde advies: Voetnoot 1 van het geciteerde advies: Zie m.b.t. de afbakening van de federale bevoegdheid en die van de gewesten inzake het landbouwbeleid, onder meer advies 32.043/1/V van 26 juli 2001 over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agentschap voor de Veilig heid van de Voedselketen, advies 35.517/3 van 27 mei 2003 over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren, en advies 38.398/3 van 31 mei 2005 over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk 2 Directive 2000/29/CE du Conseil du 8 mai 2000 ‘concernant les mesures de protection contre l’introduction dans la Communauté d’organismes nuisibles aux végétaux ou aux produits végétaux et contre leur propagation à l’intérieur de la Communauté’. 3 Arrêté royal du 10 octobre 2003 ‘confiant aux régions l’exécution de certaines tâches relevant de la compétence de l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire’; arrêté royal du 13 février 2006 ‘fixant les rétributions relatives aux tâches confiées aux Régions par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire’; arrêté royal du 23 juin 2008 ‘relatif à des mesures de prévention de l’introduction et de la propagation du feu bactérien (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.)’; arrêté royal du 22 juin 2010 ‘relatif à la lutte contre les nématodes à kystes de la pomme de terre et modifiant l’arrêté royal du 19 novem bre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’. 4 Outre l’arrêté royal du 10 août 2005, précité, il s’agit de l’arrêté royal du 17 février 2005 ‘établissant les modèles de certificats phytosanitaires ou de certificats phytosanitaires de réexportation officiels, accompa gnant des végétaux, des produits végétaux ou autres objets en provenance de pays tiers’; de l’arrêté royal du 25 avril 2017 ‘relatif aux contrôles phytosanitaires au premier lieu d’entrée dans l’Union euro péenne’; de l’arrêté ministériel du 22 juin 1995 ‘établissant une procédure de notification d’interception d’un envoi ou d’un organisme nuisible en provenance de pays tiers et présentant un danger phytosa nitaire imminent’; de l’arrêté ministériel du 4 juillet 1996 ‘fixant les conditions dans lesquelles certains organismes nuisibles, végétaux, produits végétaux et autres objets énumérés aux annexes I à V de l’arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux peuvent être introduits ou circuler dans la Communauté ou dans certaines zones protégées de la Communauté pour des travaux à des fins d’essai ou à des fins scientifiques ou pour des travaux sur les sélections variétales’; de l’arrêté ministériel du 24 octobre 2008 ‘portant des mesures d’urgence temporaires de lutte contre le grand capricorne asiatique, Anoplophora glabripennis (Motschulsky)’. 5 Règlement (UE) 2017/625 du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2017 ‘concernant les contrôles officiels et les autres activités officielles servant à assurer le respect de la législation alimentaire et de la législation relative aux aliments pour animaux ainsi que des règles relatives à la santé et au bien-être des animaux, à la santé des végétaux et aux produits phytopharmaceutiques, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 999/2001, (CE) n° 396/2005, (CE) n° 1069/2009, (CE) n° 1107/2009, (UE) n° 1151/2012, (UE) n° 652/2014, (UE) 2016/429 et (UE) 2016/2031, les règlements du Conseil (CE) n° 1/2005 et (CE) n° 1099/2009 ainsi que les directives du Conseil 98/58/CE, 1999/74/CE, 2007/43/CE, 2008/119/CE et 2008/120/CE, et abrogeant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 854/2004 et (CE) n° 882/2004, les directives du Conseil 89/608/CEE, 89/662/CEE, 90/425/CEE, 91/496/CEE, 96/23/CE, 96/93/CE et 97/78/CE ainsi que la décision 92/438/CEE du Conseil (règlement sur les contrôles officiels)’. 6 Note 2 de l’avis cité : Directive 2000/29/CE du Conseil du 8 mai 2000 ‘concernant les mesures de protection contre l’introduction dans la Communauté d’organismes nuisibles aux végétaux ou aux produits végétaux et contre leur propagation à l’intérieur de la Communauté’. 7 Note 3 de l’avis cité : Note 1 de l’avis cité : Voir l’exposé des motifs du projet qui a donné lieu à la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, Doc. parl., Sénat, 2000-01, n° 2—709/1, pp. 14-15; rapport fait au nom de la commission du Sénat, Doc. parl., Sénat, 2000-01, n° 2—709/7, pp. 5-6 et 150—153; rapport fait au nom de la commission de la Chambre, Doc. parl., Chambre, n° 50-1280/3, pp. 6 et 62. 8 Note 4 de l’avis cité : Directive 2007/33/CE du Conseil du 11 juin 2007 ‘concernant la lutte contre les nématodes à kystes de la pomme de terre et abrogeant la directive 69/465/CEE’. 9 Note 5 de l’avis cité : Voir dans le même sens l’avis 47.804/VR/3 donné le 23 mars 2010 sur un projet devenu l’arrêté royal du 18 mai 2011 ‘modifiant l’arrêté royal du 10 août 2005 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’. 10 Note 6 de l’avis cité : Note 1 de l’avis cité : Voir en ce qui concerne la délimitation de la compétence fédérale et celle des régions en matière de politique agricole, notamment, l’avis 32.043/1/V du 26 juillet 2001 sur un projet devenu l’arrêté royal du 16 novembre 2001 confiant à l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire des missions complémentaires, l’avis 35.517/3 du 27 mai 2003 sur un projet devenu l’arrêté royal du 10 octobre 2003 confiant aux Régions l’exécution de certaines tâches relevant de la compétence de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et l’avis 38.398/3 du 31 mai 2005 sur un projet devenu l’arrêté royal du 10 août 2005 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux. 27890 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. 11 Voetnoot 7 van het geciteerde advies: Voetnoot 2 van het geciteerde advies: Voorontwerp van wet, Parl.St. Senaat, 2000-01, nr. 2-709/1, p. 39. 12 Voetnoot 8 van het geciteerde advies: Voetnoot 3 van het geciteerde advies: Advies 31.226/VR van 20 februari 2001, Parl.St., Senaat, 2000-2001, nr. 2—709/1, p. 47. 13 Voetnoot 9 van het geciteerde advies: Voetnoot 4 van het geciteerde advies: Memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2000-01, nr. 2-709/1, pp. 14—15. 14 Voetnoot 10 van het geciteerde advies: Voetnoot 5 van het geciteerde advies: Zie i.h.b. de verklaring door de Vice—Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, verslag namens de commissie van de Senaat, Parl.St. Senaat, 2000-01, nr. 2-709/7, p. 5. 15 Voetnoot 11 van het geciteerde advies: Voetnoot 6 van het geciteerde advies: Verklaring door de Vice—Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, verslag namens de commissie van de Senaat, aangehaald, p. 151. Inzake dieren werden de bevoegdheden eveneens verdeeld op grond van de criteria vervat in de algemene uitgavenbegroting: de gewesten werden bevoegd gemaakt voor wat volgens de algemene uitgaven begroting behoorde tot het domein ‘kwaliteit van de dieren’ van het Bestuur voor dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten (DG 5) van het toenmalige federale ministerie van Land bouw, terwijl de federale overheid bevoegd bleef voor wat behoorde tot het domein ‘veterinaire diensten’ van dat bestuur (pp. 151-152). 16 Voetnoot 12 van het geciteerde advies: Voetnoot 7 van het geciteerde advies: Verklaring door de Vice—Eerst Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, verslag namens de commissie van de Senaat, aangehaald, p. 6. In dezelfde zin ook pp. 152-153; verklaring door de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Besturen, verslag namens de commissie van de Kamer, Parl.St. Kamer, 2000-01, nr. 50-1280/3, p. 6. 17 Voetnoot 13 van het geciteerde advies: Voetnoot 8 van het geciteerde advies: Verklaring door de Vice—Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, verslag namens de commissie van de Senaat, aangehaald, p. 151. 18 Voetnoot 14 van het geciteerde advies: Voetnoot 9 van het geciteerde advies: Lees: veiligheid van het vlees of van de planten. 19 Voetnoot 15 van het geciteerde advies: Voetnoot 10 van het geciteerde advies: Verklaring door de Vice—Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, verslag namens de commissie van de Senaat, aangehaald, p. 151. 20 Voetnoot 16 van het geciteerde advies: Voetnoot 11 van het geciteerde advies: Memorie van toelichting, aangehaald, p. 14. 21 Voetnoot 17 van het geciteerde advies: Deze verordening komt in de plaats van een aantal richtlijnen die worden ingetrokken bij artikel 109 van de verordening, waaronder richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 ‘betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen’. Die richtlijn werd in hoofdzaak omgezet bij het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 ‘betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen’. 22 Voetnoot 18 van het geciteerde advies: Regulated non-quarantine pest. 23 Voetnoot 19 van het geciteerde advies: Zie artikel 3 en bijlage I, deel 1, van verordening (EU) 2016/2031. 24 Voetnoot 20 van het geciteerde advies: Zie artikel 36 en bijlage I, deel 4, van verordening (EU) 2016/2031, alsook de lijst in bijlage IV van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 ‘tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoerings verordening (EU) 2018/2019 van de Commissie’. 25 Voetnoot 21 van het geciteerde advies: Zie artikel 4 van verordening (EU) 2016/2031, alsook de lijst in bijlage II van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072. 26 Voetnoot 22 van het geciteerde advies: Zona Protecta quarantaineorganismen of beschermdgebiedquarantaineorganismen. Zie de definitie in artikel 32, lid 1, van verordening (EU) 2016/2031, alsook de lijst in bijlage III van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072. 27 Voetnoot 23 van het geciteerde advies: Zie artikel 6 en bijlage I, deel 2, van verordening (EU) 2016/2031. 28 Voetnoot 24 van het geciteerde advies: Zie artikel 2, 22), van verordening (EU) 2016/2031. 29 Voetnoot 25 van het geciteerde advies: Dit onderzoek is dan ook beperkt tot het koninklijk besluit van 19 november 1987. Andere bestaande federale rechtsregels die allicht zullen moeten worden aangepast naar aanleiding van de toepasselijkheid van verordening 11 Note 7 de l’avis cité : Note 2 de l’avis cité : Avant-projet de loi, Doc. parl., Sénat, 2000-2001, n° 2-709/1, p. 39. 12 Note 8 de l’avis cité : Note 3 de l’avis cité : Avis 31.226/VR du 20 février 2001, Doc. parl., Sénat, 2000-2001, n° 2-709/1, p. 47. 13 Note 9 de l’avis cité : Note 4 de l’avis cité : Exposé des motifs, Doc. parl., Sénat, 2000-2001, n° 2-709/1, pp. 14-15. 14 Note 10 de l’avis cité : Note 5 de l’avis cité : Voir notamment la déclaration du Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangè res, rapport fait au nom de la commission du Sénat, Doc. parl., Sénat, 2000-2001, n° 2-709/7, p. 5. 15 Note 11 de l’avis cité : Note 6 de l’avis cité : Déclaration du Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères, rapport fait au nom de la commission du Sénat, cité, p. 151. En ce qui concerne les animaux, les compétences ont également été réparties sur la base de critères compris dans le budget général des dépenses : les régions sont devenues compétentes pour ce qui relevait, selon le budget général des dépenses, du domaine de la ‘qualité des animaux’ de l’Administration de la santé animale et de la qualité des produits animaux (DG 5) du ministère fédéral de l’Agriculture de l’époque tandis que l’autorité fédérale demeurait compétente pour ce qui relevait du domaine des ‘services vétérinaires’ de cette administra tion (pp. 151-152). 16 Note 12 de l’avis cité : Note 7 de l’avis cité : Déclaration du Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères, rapport fait au nom de la commission du Sénat, cité, p. 6. Dans le même sens, également pp. 152-153; déclaration du Ministre de la Fonction publique et de la Modernisation de l’administration, rapport fait au nom de la commission de la Chambre, Doc. Parl., Chambre, 2000-2001, n° 50 1280/3, p. 6. 17 Note 13 de l’avis cité : Note 8 de l’avis cité : Déclaration du Vice-premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères, rapport fait au nom de la commission du Sénat, cité, p. 151. 18 Note 14 de l’avis cité : Note 9 de l’avis cité : Lire: sûreté de la viande ou des végétaux. 19 Note 15 de l’ais cité : Note 10 de l’avis cité : Déclaration du Vice-premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères, rapport fait au nom de la commission du Sénat, cité, p. 151. 20 Note 16 de l’avis cité : Note 11 de l’avis cité : Exposé des motifs, cité, p. 14. 21 Note 17 de l’avis cité : Ce règlement remplace un certain nombre de directives qui sont abrogées par l’article 109 du règlement, au nombre desquelles figure la directive 2000/29/CE du Conseil du 8 mai 2000 ‘concernant les mesures de protection contre l’introduction dans la Communauté d’organismes nuisibles aux végétaux ou aux produits végétaux et contre leur propagation à l’intérieur de la Communauté’. Cette directive a essentiellement été transposée par l’arrêté royal du 10 août 2005 ‘relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’. 22 Note 18 de l’avis cité : Regulated non-quarantine pest. 23 Note 19 de l’avis cité : Voir l’article 3 et l’annexe I, section 1, du règlement (UE) 2016/2031. 24 Note 20 de l’avis cité : Voir l’article 36 et l’annexe I, section 4, du règlement (UE) 2016/2031, ainsi que la liste en annexe IV du règlement d’exécution (UE) 2019/2072 de la Commission du 28 novembre 2019 ‘établissant des conditions uniformes pour la mise en œuvre du règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil, en ce qui concerne les mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, abrogeant le règlement (CE) n° 690/2008 de la Commis sion et modifiant le règlement d’exécution (UE) 2018/2019 de la Commission’. 25 Note 21 de l’avis cité : Voir l’article 4 du règlement (UE) 2016/2031, ainsi que la liste en annexe II du règlement d’exécution (UE) 2019/2072. 26 Note 22 de l’avis cité : Organismes de quarantaine de zone protégée. Voir la définition à l’article 32, paragraphe 1, du règlement (UE) 2016/2031, ainsi que la liste en annexe III du règlement d’exécution (UE) 2019/2072. 27 Note 23 de l’avis cité : Voir l’article 6 et l’annexe I, section 2, du règlement (UE) 2016/2031. 28 Note 24 de l’avis cité : Voir l’article 2, 22), du règlement (UE) 2016/2031. 29 Note 25 de l’avis cité : Cet examen est dès lors limité à l’arrêté royal du 19 novembre 1987. Les autres règles de droit fédérales existantes, qui devront sans doute être adaptées eu égard à l’application du règlement (UE) 2016/2031, ne sont pas examinées ici, dès lors qu’elles sortent du 27891MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD (EU) 2016/2031, worden hier niet onderzocht, aangezien dat buiten het bestek van deze adviesaanvraag valt. 30 Voetnoot 26 van het geciteerde advies: Artikel 2, 3), van verordening (EU) 2016/2031. 31 Voetnoot 27 van het geciteerde advies: Zie C. Picard, C. Jeffries, N. Ponserre, H. Kortemaa en M. Ward, “Recommended Regulated Non-Quarantine Pests: towards a wider and better application of the international concept in the EPPO region”, Biotechnologie, Agronomie, Société et Environnement/Biotechnology, Agronomy, Society and Environ ment, 2019 (https://popups.uliege.be/1780-4507/index.php?id=17788). 32 Voetnoot 28 van het geciteerde advies: Artikel 37 van verordening (EU) 2016/2031. Zie ook overweging 23 bij die verordening. 33 Voetnoot 29 van het geciteerde advies: Punt 1, f), van deel 1 van bijlage II van verordening (EU) 2016/2031. 34 Voetnoot 30 van het geciteerde advies: Punt 1, g), van deel 1 van bijlage II van verordening (EU) 2016/2031. 35 Voetnoot 31 van het geciteerde advies: Die nader worden uitgewerkt in punt 3 van deel 4 van bijlage I van verordening (EU) 2016/2031. 36 Voetnoot 32 van het geciteerde advies: Zie punt 4, q), van deel 1 van bijlage I van verordening (EU) 2016/2031. 37 Voetnoot 33 van het geciteerde advies: Het is overigens ook het domein “teeltmateriaal” van het toenmalige federale ministerie van Landbouw dat bij de verruiming van de landbouwbevoegdheden van de gewesten is overgedragen, zoals wordt uiteengezet in opmerking 4.3 van advies 47.815/VR/3. 38 Voetnoot 34 van het geciteerde advies: Artikelen 71 en 72 van verordening (EU) 2016/2031. 39 Voetnoot 35 van het geciteerde advies: Artikel 2, 22), van verordening (EU) 2016/2031. 40 Voetnoot 36 van het geciteerde advies: Ibid. 41 Voetnoot 37 van het geciteerde advies: Zie deel 1 van bijlage II van verordening (EU) 2016/2031. 42 Adv.RvS 66.907/3 van 30 maart 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 11 mei 2020 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige produkten schadelijke organismen’, punten 2 tot 4.1. 43 Zie ook de opmerkingen 3 en 4.1 in fine van advies 66.907/3, waarin wordt gewezen op de ruimere omschrijving van de term “fytosanitair” in verordening (EU) 2016/2031 in vergelijking met de term die in de Belgische bevoegdheidsrechtelijke context wordt gehan teerd. 44 Bepaalde plaagorganismen met betrekking tot knollen van Solanum tuberosum L. worden vermeld als een RNQP in deel G van bijlage IV bij uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072. 45 Zie in dat verband overigens ook adv.RvS 66.907/3, opmer king 8.2, tweede alinea. 46 Vgl. HvJ 19 november 2019, Terveys- ja sosiaalialan neuvottelujär jestö (TSN), gevoegde zaken C-609/17 en C-610/17, ECLI:EU:C:2019:981, punten 42-55. 47 Vergelijk met de toetsingscriteria die het Grondwettelijk Hof gebruikt om delegaties van verordenende bevoegdheid door de wetgever aan een autonome administratieve overheid of een gedecentraliseerde openbare instelling te beoordelen; zie GwH 11 juni 2015, nr. 86/2015, B.22.4, en GwH 9 juni 2016, nr. 89/2016, B.9.6.4: “De artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet verzetten zich niet ertegen dat, in een bepaalde technische materie, de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid die zowel aan de jurisdictionele controle als aan de parlementaire controle is onderwor pen, en verbieden de wetgever niet om delegaties te verlenen aan een uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat die betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde materies.”; zie GwH 19 november 2015, nr. 162/2015, B.8.4: “Artikel 33 van de Grondwet en artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 [tot hervorming der instellingen] staan niet eraan in de weg dat de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een gedecentraliseerde openbare instelling die aan een bestuurlijk toezicht en aan een rechterlijke toetsing is onderworpen.” 48 Zie bijvoorbeeld adv.RvS 58.736/3 van 26 januari 2016 over een voorontwerp van wet ‘houdende instemming met het Akkoord tussen het Koninkrijk België en de Caymaneilanden inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, gedaan te George Town, Grand Cayman op 24 april 2014’, opmerking 4; adv.RvS 58.731/3 van 26 januari 2016 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 11 december 2016 ‘houdende instemming met het Akkoord tussen het Koninkrijk België en de Staten van Guernsey inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belasting aangelegenheden, gedaan te Brussel op 24 april 2014 en Saint Peter Port op 7 mei 2014’, Parl.St. Kamer 2015-16, nr. 54-2021/001, 30-32, opmerking 4. cadre de la présente demande d’avis. 30 Note 26 de l’avis cité : Article 2, 3), du règlement (UE) 2016/2031. 31 Note 27 de l’avis cité : Voir C. Picard, C. Jeffries, N. Ponserre, H. Kortemaa et M. Ward, « Recommended Regulated Non-Quarantine Pests: towards a wider and better application of the international concept in the EPPO region », Biotechnologie, Agronomie, Société et Environnement/Biotechnology, Agronomy, Society and Environment, 2019 (https://popups.uliege.be/1780-4507/index.php?id=17788). 32 Note 28 de l’avis cité : Article 37 du règlement (UE) 2016/2031. Voir également le considérant 23 de ce règlement. 33 Note 29 de l’avis cité : Point 1, f), de la section 1 de l’annexe II du règlement (UE) 2016/2031. 34 Note 30 de l’avis cité : Point 1, g), de la section 1 de l’annexe II du règlement (UE) 2016/2031. 35 Note 31 de l’avis cité : Qui sont précisées au point 3 de la section 4 de l’annexe I du règlement (UE) 2016/2031. 36 Note 32 de l’avis cité : Voir le point 4, q), de la section 1 de l’annexe I du règlement (UE) 2016/2031. 37 Note 33 de l’avis cité : Au demeurant, le domaine du « matériel de reproduction » du ministère fédéral de l’Agriculture de l’époque a aussi été transféré lors de l’extension des compétences des régions en matière agricole, ainsi qu’il est précisé dans l’observation 4.3 de l’avis 47.815/VR/3. 38 Note 34 de l’avis cité : Articles 71 et 72 du règlement (UE) 2016/2031. 39 Note 35 de l’avis cité : Article 2, 22), du règlement (UE) 2016/2031. 40 Note 36 de l’avis cité : Ibid. 41 Note 37 de l’avis cité : Voir la section 1 de l’annexe II du règlement (UE) 2016/2031. 42 Avis C.E. 66.907/3 du 30 mars 2020 sur un projet devenu l’arrêté royal du 11 mai 2020 ‘modifiant l’arrêté royal du 19 novembre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux’, points 2 à 4.1. 43 Voir également les observations 3 et 4.1 in fine de l’avis 66.907/3, qui soulignent que la définition du terme « phytosanitaire » est plus large dans le règlement (UE) 2016/2031 que celle du terme utilisé dans le contexte belge de la répartition des compétences. 44 Certains organismes nuisibles concernant les tubercules de Solanum tuberosum L. sont mentionnés comme un ORNQ dans la partie G de l’annexe VI du règlement d’exécution (UE) 2019/2072. 45 Voir par ailleurs à cet sujet l’avis C.E. 66.907/3, observation 8.2, alinéa 2. 46 Comparer C.J.U.E., 19 novembre 2019, Terveys- ja sosiaalialan neuvottelujärjestö (TSN), affaires jointes C-609/17 et C-610/17, ECLI:EU:C:2019:981, points 42-55. 47 Comparer avec les critères d’évaluation qu’utilise la Cour constitutionnelle pour apprécier les délégations de pouvoir réglemen taire par le législateur à une autorité administrative autonome ou à un organisme public décentralisé; voir C.C., 11 juin 2015, n° 86/2015, B.22.4, et C.C., 9 juin 2016, n° 89/2016, B.9.6.4 : « Les articles 33, 105 et 108 de la Constitution ne s’opposent pas à ce que, dans une matière technique déterminée, le législateur confie des compétences exécutives spécifiques à une autorité administrative autonome soumise tant au contrôle juridictionnel qu’au contrôle parlementaire et n’interdisent pas au législateur d’accorder des délégations à un organe exécutif, pour autant qu’elles portent sur l’exécution de mesures dont le législateur compétent a déterminé l’objet, en particulier dans les matières techni ques et complexes »; voir C.C., 19 novembre 2015, n° 162/2015, B.8.4 : « L’article 33 de la Constitution et l’article 20 de la loi spéciale du 8 août 1980 [de réformes institutionnelles] ne s’opposent pas à ce que le législateur confie des compétences exécutives spécifiques à un orga nisme public décentralisé qui est soumis à une tutelle administrative et à un contrôle juridictionnel ». 48 Voir par exemple l’avis C.E. 58.736/3 du 26 janvier 2016 sur un avant-projet de loi ‘portant assentiment à l’accord entre le Royaume de Belgique et les îles Caïmans en vue de l’échange de renseignements en matière fiscale, fait à George Town, Grand Cayman le 24 avril 2014’, observation 4; l’avis C.E. 58.731/3 du 26 janvier 2016 sur un avant projet devenu la loi du 11 décembre 2016 ‘portant assentiment à l’Accord entre le Royaume de Belgique et les États de Guernesey en vue de l’échange de renseignements en matière fiscale, fait à Bruxelles le 24 avril 2014 et à Saint-Pierre-Port le 7 mai 2014’, Doc. parl., Chambre, 2015-16, n° 54-2021/001, pp. 30-32, observation 4. 27892 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 49 Zie in het bijzonder adv.RvS 57.050/VR van 19 maart 2015 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 22 januari 2016 ‘houdende instemming met het Benelux-Verdrag betreffende grensover schrijdende samenwerking inzake wegvervoerinspectie, gedaan te Luik op 3 oktober 2014’, Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 548/1, 26-27. 50 Zie ook D. Van Eeckhoutte en M.Vidal, “Internationaal en grensoverschrijdend bestuursrecht”, R.W. 2014, (1123) 1129, nr. 13. 51 Artikel 113 van verordening (EU) 2016/2031. 22 FEBRUARI 2021. — Koninklijk besluit betreffende beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen bij planten en plantaar dige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de Grondwet, artikel 108; Gelet op de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen, artikel 2, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 27 december 2004 en bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001, artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 27 december 2004, artikel 4, artikel 5 en artikel 5 bis, ingevoegd bij de wet van 5 februari 1999 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004 en bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001; Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 4, §§ 1 tot 3, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 13 april 2019, en artikel 5, tweede lid, 7°, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003; Gelet op het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001, artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wetten van 28 maart 2003, 23 decem ber 2005 en 7 april 2017; Gelet op het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren; Gelet op het koninklijk besluit van 17 februari 2005 tot vaststelling van de modellen van officiële fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer waarvan planten, plantaardige produc ten of andere materialen afkomstig uit derde landen vergezeld moeten gaan; Gelet op het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen; Gelet op het koninklijk besluit van 13 februari 2006 houdende vaststelling van de retributies betreffende de taken toevertrouwd aan de Gewesten door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; Gelet op het koninklijk besluit van 23 juni 2008 betreffende de maatregelen om het binnenbrengen en het verspreiden van bacterie vuur (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) te voorkomen; Gelet op het koninklijk besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen; Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 2017 betreffende de fytosanitaire controles op de eerste plaats van binnenkomst in de Europese Unie; Gelet op het ministerieel besluit van 22 juni 1995 tot vaststelling van een procedure voor melding van de onderschepping van uit derde landen herkomstige en uit fytosanitair oogpunt onmiddellijk gevaar opleverende zendingen of schadelijke organismen; Gelet op het ministerieel besluit van 4 juli 1996 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde schadelijke organismen, planten, plantaardige produkten en andere materialen in de bijlagen I tot en met V bij het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectie werkzaamheden in de Gemeenschap of in bepaalde beschermde gebieden daarvan mogen worden binnengebracht of in verkeer gebracht; Gelet op het ministerieel besluit van 24 oktober 2008 houdende tijdelijke noodmaatregelen ter bestrijding van de Aziatische boktor Anoplophora glabripennis (Motschulsky); 49 Voir plus particulièrement l’avis C.E. 57.050/VR du 19 mars 2015 sur un avant-projet devenu le décret du 22 janvier 2016 ‘portant assentiment au Traité Benelux relatif à la coopération transfrontière en matière d’inspection du transport routier, fait à Liège le 3 octobre 2014’, Doc. parl., Parl. fl., 2015-16, n° 548/1, pp. 26-27. 50 Voir également D. Van Eeckhoutte et M. Vidal, « Internationaal en grensoverschrijdend bestuursrecht », R.W. 2014, (1123) 1129, n° 13. 51 Article 113 du règlement (UE) 2016/2031. 22 FEVRIER 2021. — Arrêté royal relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’orga nismes nuisibles PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la Constitution, l’article 108; Vu la loi du 2 avril 1971 relative à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux, l’article 2, modifié par les lois des 5 février 1999 et 27 décembre 2004 et par l’arrêté royal du 22 février 2001, confirmé par la loi du 19 juillet 2001, l’article 3, § 1er, modifié par les lois des 5 février 1999 et 27 décembre 2004, l’article 4, l’article 5 et l’article 5 bis, inséré par la loi du 5 février 1999 et modifié par la loi du 27 décembre 2004 et par l’arrêté royal du 22 février 2001, confirmé par la loi du 19 juillet 2001; Vu la loi du 4 février 2000 relative à la création de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, l’article 4, §§ 1er à 3, modifiés par les lois des 22 décembre 2003 et 13 avril 2019, et l’article 5, alinéa 2, 7°, modifié par la loi du 22 décembre 2003; Vu l’arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales, confirmé par la loi du 19 juillet 2001, l’article 4, § 1er, modifié par les lois des 28 mars 2003, 23 décembre 2005 et 7 avril 2017; Vu l’arrêté royal du 10 octobre 2003 confiant aux Régions l’exécution de certaines tâches relevant de la compétence de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire; Vu l’arrêté royal du 17 février 2005 établissant les modèles de certificats phytosanitaires ou de certificats phytosanitaires de réexpor tation officiels, accompagnant des végétaux, des produits végétaux ou autres objets en provenance de pays tiers; Vu l’arrêté royal du 10 août 2005 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux; Vu l’arrêté royal du 13 février 2006 fixant les rétributions relatives aux tâches confiées aux Régions par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire; Vu l’arrêté royal du 23 juin 2008 relatif à des mesures de prévention de l’introduction et de la propagation du feu bactérien (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.); Vu l’arrêté royal du 22 juin 2010 relatif à la lutte contre les nématodes à kystes de la pomme de terre et modifiant l’arrêté royal du 19 novembre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux; Vu l’arrêté royal du 25 avril 2017 relatif aux contrôles phytosanitaires au premier lieu d’entrée dans l’Union européenne; Vu l’arrêté ministériel du 22 juin 1995 établissant une procédure de notification d’interception d’un envoi ou d’un organisme nuisible en provenance de pays tiers et présentant un danger phytosanitaire imminent; Vu l’arrêté ministériel du 4 juillet 1996 fixant les conditions dans lesquelles certains organismes nuisibles, végétaux, produits végétaux et autres objets énumérés aux annexes I à V de l’arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux peuvent être introduits ou circuler dans la Commu nauté ou dans certaines zones protégées de la Communauté pour des travaux à des fins d’essai ou à des fins scientifiques ou pour des travaux sur les sélections variétales; Vu l’arrêté ministériel du 24 octobre 2008 portant des mesures d’urgence temporaires de lutte contre le grand capricorne asiatique, Anoplophora glabripennis (Motschulsky); 27893MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Gelet op het advies van het Wetenschappelijk comité van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 29 mei 2020; Gelet op het overleg met de gewestregeringen van 11 maart 2020; Gelet op de adviezen van de Inspecteurs van Financiën, gegeven op 11 mei 2020, 19 mei 2020 en 3 juni 2020; Gelet op advies 67.693/1/V van de Raad van State, gegeven op 14 augustus 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parle ment en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad; Overwegende Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parle ment en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschrif ten inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewas beschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verorde ningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verorde ningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles); Op de voordracht van de Minister van Financiën en de Minister van Landbouw, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. — Algemene bepalingen en definities Artikel 1. Dit besluit voorziet, voor wat betreft de bevoegdheden van de federale overheid, in aanvullende bepalingen bij: Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad en Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbe schermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordenin gen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verorde ningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordenin gen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles). Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° “de Minister”: de Minister die de fytosanitaire normering en controles onder zijn bevoegdheid heeft; 2° “het Agentschap”: het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; 3° “verordening plantengezondheid”: Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijzi ging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad; Vu l’avis du Comité scientifique de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, donné le 29 mai 2020; Vu la concertation avec les gouvernements régionaux du 11 mars 2020; Vu les avis des Inspecteurs des Finances, donnés les 11 mai 2020, 19 mai 2020 et 3 juin 2020; Vu l’avis 67.693/1/V du Conseil d’Etat, donné le 14 août 2020, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973; Considérant le Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE; Considérant le Règlement (UE) 2017/625 du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2017 concernant les contrôles officiels et les autres activités officielles servant à assurer le respect de la législation alimentaire et de la législation relative aux aliments pour animaux ainsi que des règles relatives à la santé et au bien-être des animaux, à la santé des végétaux et aux produits phytopharmaceutiques, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 999/2001, (CE) n° 396/2005, (CE) n° 1069/2009, (CE) n° 1107/2009, (UE) n° 1151/2012, (UE) n° 652/2014, (UE) 2016/429 et (UE) 2016/2031, les règlements du Conseil (CE) n° 1/2005 et (CE) n° 1099/2009 ainsi que les directives du Conseil 98/58/CE, 1999/74/CE, 2007/43/CE, 2008/119/CE et 2008/120/CE, et abrogeant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 854/2004 et (CE) n° 882/2004, les directives du Conseil 89/608/CEE, 89/662/CEE, 90/425/CEE, 91/496/CEE, 96/23/CE, 96/93/CE et 97/78/CE ainsi que la décision 92/438/CEE du Conseil (règlement sur les contrôles officiels); Sur la proposition du Ministre des Finances et du Ministre de l’Agriculture, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE Ier. — Dispositions générales et définitions Article 1er. Le présent arrêté prévoit, pour ce qui concerne les compétences de l’autorité fédérale, des dispositions supplémentaires : au Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE et au Règlement (UE) 2017/625 du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2017 concernant les contrôles officiels et les autres activités officielles servant à assurer le respect de la législation alimentaire et de la législation relative aux aliments pour animaux ainsi que des règles relatives à la santé et au bien-être des animaux, à la santé des végétaux et aux produits phytopharmaceutiques, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 999/2001, (CE) n° 396/2005, (CE) n° 1069/2009, (CE) n° 1107/2009, (UE) n° 1151/2012, (UE) n° 652/2014, (UE) 2016/429 et (UE) 2016/2031, les règlements du Conseil (CE) n° 1/2005 et (CE) n° 1099/2009 ainsi que les directives du Conseil 98/58/CE, 1999/74/CE, 2007/43/CE, 2008/119/CE et 2008/120/CE, et abrogeant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 854/2004 et (CE) n° 882/2004, les directives du Conseil 89/608/CEE, 89/662/CEE, 90/425/CEE, 91/496/CEE, 96/23/CE, 96/93/CE et 97/78/CE ainsi que la décision 92/438/CEE du Conseil (règlement sur les contrôles officiels). Art. 2. Au sens du présent arrêté, on entend par: 1° “le Ministre”: le Ministre qui a les normes et contrôles phytosani taires dans ses attributions; 2° “l’Agence” : l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire; 3° “règlement phytosanitaire”: Règlement (UE) 2016/2031 du Parle ment européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE; 27894 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 4° “verordening officiële controles”: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantge zondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verorde ning officiële controles); 5° “quarantaineorganisme”: een schadelijk organisme bedoeld in artikel 3 van de verordening plantengezondheid; 6° “producent”: natuurlijke of rechtspersoon die planten of plantaar dige producten produceert, vermeerdert of ze minstens gedurende één teeltcyclus onderhoudt en manipuleert; 7° “de verantwoordelijke”: de eigenaar, de huurder, de gebruiker, publiek of privaatrechtelijke persoon, die, in welke hoedanigheid ook, een recht uitoefent op cultuurgronden, braakliggende gronden, bossen, wouden, elk ander terrein daarin begrepen de gronden van nijverheid sinstellingen, gebouwen, opslagplaatsen, vervoermiddelen of elk ander voorwerp dat kan drager zijn van quarantaineorganismen; 8° “productie-eenheid”: functioneel samenhangend geheel van opslag infrastructuur en gronden gelegen in de gemeente waar de activiteit door middel van een adres geïdentificeerd is, alsook in de aangren zende gemeenten; 9° “jaar van gebruik”: kalenderjaar dat volgt op dat waarin de voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. werden geoogst; 10° “operator”: bezoldigde of onbezoldigde natuurlijke persoon, onderneming in de zin van artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, of vereniging, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking of distributie van een product; 11° “plantenpaspoort”: het officieel etiket bedoeld in artikel 78 van de verordening plantengezondheid. Art. 3. Onverminderd de respectievelijke bevoegdheden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu en van het Agentschap: is de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu aangeduid als de centrale instantie belast met de coördinatie en de contacten met betrekking tot het Internatio naal Verdrag voor de Bescherming van Planten (IPPC); is het Agentschap de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor de organisatie van officiële controles en andere officiële activiteiten bedoeld in artikel 1, lid 2, onder g), van de verordening officiële controles. HOOFDSTUK II. — Algemene maatregelen ter bestrijding van quarantaineorganismen bij planten en plantaardige producten Art. 4. Eenieder die weet heeft van de aanwezigheid van een quarantaineorganisme of die reden heeft zulke aanwezigheid te vermoeden meldt dit onmiddellijk aan het Agentschap. Overheidsdien sten, operatoren, laboratoria, inspectie- of certificeringsorganismen, beroepsbeoefenaars die sanitair toezicht houden en loonwerkers mel den dit schriftelijk overeenkomstig de modaliteiten vastgelegd door de Minister. Art. 5. De verantwoordelijke is verplicht over te gaan tot de bestrijding van quarantaineorganismen, zodra hij hun aanwezigheid vaststelt of deze hem door een overheidspersoon is gemeld. Indien de verantwoordelijke niet tot de bestrijding overgaat of daartoe onvoldoende of ondoelmatige maatregelen neemt, laat het Agentschap overgaan tot de ambtshalve bestrijding op kosten van de verantwoordelijke. Het Agentschap verzoekt hiertoe de tussenkomst van de burgemees ter van de gemeente. Behoudens door de Minister te verlenen ontheffing, worden de gedane kosten door het gemeentebestuur van de verantwoordelijke teruggevorderd. 4° “règlement sur les contrôles officiels” : Règlement (UE) 2017/625 du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2017 concernant les contrôles officiels et les autres activités officielles servant à assurer le respect de la législation alimentaire et de la législation relative aux aliments pour animaux ainsi que des règles relatives à la santé et au bien-être des animaux, à la santé des végétaux et aux produits phytopharmaceutiques, modifiant les règlements du Parlement euro péen et du Conseil (CE) n° 999/2001, (CE) n° 396/2005, (CE) n° 1069/2009, (CE) n° 1107/2009, (UE) n° 1151/2012, (UE) n° 652/2014, (UE) 2016/429 et (UE) 2016/2031, les règlements du Conseil (CE) n° 1/2005 et (CE) n° 1099/2009 ainsi que les directives du Conseil 98/58/CE, 1999/74/CE, 2007/43/CE, 2008/119/CE et 2008/120/CE, et abrogeant les règlements du Parlement européen et du Conseil (CE) n° 854/2004 et (CE) n° 882/2004, les directives du Conseil 89/608/CEE, 89/662/CEE, 90/425/CEE, 91/496/CEE, 96/23/CE, 96/93/CE et 97/78/CE ainsi que la décision 92/438/CEE du Conseil (règlement sur les contrôles officiels); 5° “organisme de quarantaine” : un organisme nuisible visé à l’article 3 du règlement phytosanitaire; 6° “producteur” : personne physique ou morale qui produit ou multiplie des végétaux ou des produits végétaux ou les entretient et manipule au moins pendant un cycle de culture; 7° “le responsable”: le propriétaire, le locataire, l’occupant, personne de droit public ou de droit privé, qui, en quelque qualité que ce soit, exerce un droit portant sur des terres de culture, des terrains vagues, des bois, forêts, tout autre terrain en ce compris les terrains industriels, bâtiments, entrepôts, moyens de transport ou tout autre objet qui peut être porteur d’organismes de quarantaine; 8° “unité de production”: ensemble d’infrastructures de stockage ainsi que de terres en connexité fonctionnelle, situé dans la commune où l’activité est identifiée par une adresse, ainsi que dans les communes limitrophes; 9° “année d’utilisation”: année civile suivant celle au cours de laquelle les tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés, destinés à la plantation ont été récoltés; 10° “opérateur”: personne physique rémunérée ou non rémunérée, entreprise au sens de l’article I.1, 1°, du Code de droit économique, ou association de droit public ou de droit privé, active dans un but lucratif ou non, à n’importe quel stade de la production, de la transformation ou de la distribution d’un produit; 11° “passeport phytosanitaire”: l’étiquette officielle visée à l’article 78 du règlement phytosanitaire. Art. 3. Sans préjudice des compétences respectives du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et de l’Agence : le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement est désigné comme instance centrale chargée de la coordination et des contacts relatifs à la Convention Internationale pour la Protection des Végétaux (CIPV); l’Agence est l’autorité compétente responsable pour l’organisation des contrôles officiels et autres activités officielles visés à l’article 1er, alinéa 2, sous g), du règlement sur les contrôles officiels. CHAPITRE II. — Mesures générales de lutte contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux Art. 4. Toute personne constatant la présence d’un organisme de quarantaine ou ayant des raisons de soupçonner cette présence doit le déclarer immédiatement à l’Agence. Les services publics, opérateurs, laboratoires, organismes d’inspection ou de certification, professionnels assurant le suivi sanitaire et entrepreneurs de travaux agricoles le déclarent par écrit conformément aux modalités fixées par le Ministre. Art. 5. Le responsable est tenu de procéder à la lutte contre les organismes de quarantaine dès qu’il en constate la présence ou que celle-ci lui est signalée par un agent de l’autorité. Si le responsable n’engage pas la lutte ou s’il ne met en oeuvre à cette fin que des moyens insuffisants ou inefficaces, l’Agence fait procéder à la destruction d’office aux frais du responsable. A cette fin, l’Agence sollicite l’intervention du bourgmestre de la commune. Sauf dérogation à accorder par le Ministre, les frais exposés sont à charge du responsable et recouvrés par l’administration communale. 27895MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 6. § 1. Wanneer de aanwezigheid van een quarantaineorga nisme is bevestigd of wordt vermoed legt het Agentschap passende maatregelen op om de verspreiding ervan tegen te gaan. Deze maatregelen kunnen onder andere het volgende omvatten: het opleggen van een quarantaineperiode; het vernietigen van besmette en waarschijnlijk besmette planten, plantaardige producten of andere materialen; het opleggen van passende behandelingen; het verbieden van bepaalde behandelingen; het reinigen en ontsmetten van gebouwen, werktuigen, vervoer middelen en andere materialen. § 2. Bij besmettingsgevaar en met het oog op het geven van de nodige garanties op fytosanitair vlak, kan de Minister het vervoer verbieden of reglementeren van planten, plantaardige producten en andere materi alen die of dat in het verkeer worden gebracht, voortkomende van besmette terreinen of gebieden. De Minister kan het telen van bepaalde planten verbieden. Bovendien kan hij elke maatregel voorschrijven inzake het in het verkeer brengen, het in de handel brengen, de teelt, de oogst, de verwijdering, de opslag of de vernietiging die voor de uitroeiing of de beheersing van de quarantaineorganismen nodig is. Hij kan die maatregelen vaststellen voor een afgebakend gebied. § 3. De Minister kan fytosanitaire noodmaatregelen vastleggen om het binnenbrengen of het in het verkeer brengen van planten, plantaardige producten of andere materialen te verbieden of uitroei ingsmaatregelen te nemen wanneer de aanwezigheid van een niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen opgenomen quarantaineorga nisme officieel wordt bevestigd. § 4. De Minister kan noodzakelijke strengere fytosanitaire maatrege len vastleggen om te beletten dat een quarantaineorganisme binnen dringt, zich vestigt of zich verspreidt. Art. 7. De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voeren een op risicoanalyse gebaseerde documen taire en fysieke controle uit op planten, plantaardige producten en andere materialen die via België op het grondgebied van de Europese Unie worden binnengebracht of op het Belgische grondgebied vervoerd worden. Art. 8. De door het Agentschap geregistreerde operator is verplicht om door het Agentschap opgelegde verplichtingen na te komen met betrekking tot de beoordeling of de verbetering van de fytosanitaire situatie op het bedrijf en het garanderen van de identiteit van het materiaal totdat het plantenpaspoort is aangebracht. Deze specifieke verplichtingen kunnen betrekking hebben op activiteiten zoals speciaal onderzoek, bemonstering, quarantaine, het uitzuiveren, behandeling, vernietiging en merken (het aanbrengen van etiketten) en alle andere maatregelen die moeten worden genomen. HOOFDSTUK III. — Bepalingen inzake het verkeer van voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L Art. 9. § 1. Voor opplant bestemde niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L., worden niet beschouwd als in het verkeer gebracht, indien ze aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze worden uitsluitend gebruikt door de producent van de voornoemde knollen; 2° ze worden opgeslagen in een infrastructuur die toebehoort aan de in 1° bedoelde producent en die deel uitmaakt van de productie eenheid die ze heeft voortgebracht en waarvan het gebruik uitsluitend is voorbehouden aan die producent; 3° ze worden herplant op een perceel dat deel uitmaakt van de productie-eenheid die ze heeft voorgebracht. § 2. De producent die niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. wenst voort te brengen met de bedoeling die te herplanten voor eigen gebruik, doet hiervan aangifte bij het Agentschap vóór 15 februari van het jaar van gebruik. Die aangifte omvat: 1° de hoeveelheid uitgangsmateriaal; 2° de oorsprong van dat uitgangsmateriaal; 3° de identificatie van het perceel waarop het uitgangsmateriaal wordt geplant; 4° het adres van de opslagplaats waar het aldus geproduceerde niet-gecertificeerde materiaal zal worden bewaard; 5° de identificatie van het perceel waar de niet-gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L. worden herplant. Art. 6. § 1er. Lorsque la présence d’un organisme de quarantaine a été confirmée ou soupçonnée, l’Agence impose des mesures appro priées pour empêcher la propagation. Ces mesures peuvent entre autres comprendre les éléments suivants : l’imposition d’une période de quarantaine; la destruction de végétaux, produits végétaux ou autres objets contaminés et probablement contaminés; l’imposition de traitements appropriés; l’interdiction de certains traitements; le nettoyage et la désinfection de bâtiments, d’outils, de moyens de transport et d’autres objets. § 2. Lorsqu’il y a danger de contamination et en vue de donner les garanties nécessaires sur le plan phytosanitaire, le Ministre peut interdire ou réglementer le transport de végétaux, produits végétaux et autres objets mis en circulation provenant de terrains ou zones contaminés. Le Ministre peut interdire la culture de certains végétaux. En outre, il peut prescrire toute mesure concernant la mise en circulation, la mise sur le marché, la culture, la récolte, l’arrachage, l’entreposage ou la destruction, requise pour l’éradication ou la gestion des organismes de quarantaine. Il peut fixer ces mesures pour des zones délimitées. § 3. Le Ministre peut fixer des mesures phytosanitaires d’urgence pour interdire l’introduction ou le déplacement de végétaux, produits végétaux ou autres objets ou pour prendre des mesures d’éradication lorsque la présence d’un organisme de quarantaine qui ne figure pas sur la liste des organismes de quarantaine de l’UE est officiellement confirmée. § 4. Le Ministre peut fixer des mesures phytosanitaires plus restrictives nécessaires pour prévenir l’introduction, l’établissement ou la dissémination d’un organisme de quarantaine. Art. 7. Les agents de l’Administration générale des Douanes et Accises effectuent un contrôle documentaire et physique, fondé sur une analyse des risques, sur les végétaux, produits végétaux et autres objets introduits sur le territoire de l’Union européenne via la Belgique ou circulant sur le territoire belge. Art. 8. L’opérateur enregistré par l’Agence est tenu de s’acquitter des obligations imposées par l’Agence relatives à l’évaluation ou à l’amélioration de l’état phytosanitaire sur le site, ainsi qu’à la préser vation de la nature du matériel jusqu’à ce qu’un passeport phytosani taire lui soit attaché. Ces obligations particulières peuvent comprendre un examen spécial, le prélèvement d’échantillons, des opérations d’isolement, d’épuration, de traitement, de destruction et de marquage (étiquetage) et toute autre exigence particulière. CHAPITRE III. — Dispositions en matière de circulation de tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés, destinés à la plantation Art. 9. § 1er. Les tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés, destinés à la plantation, qui remplissent les conditions suivantes ne sont pas considérés comme étant mis en circulation: 1° ils sont utilisés uniquement par le producteur desdits tubercules; 2° ils sont stockés dans une infrastructure appartenant au producteur visé au 1°, comprise dans l’unité de production qui les a produits et dont l’usage est exclusivement réservé à ce producteur; 3° ils sont replantés dans une parcelle comprise dans l’unité de production qui les a produits. § 2. Le producteur qui souhaite produire des tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés en vue de les replanter pour son utilisation propre, en fait la déclaration à l’Agence avant le 15 février de l’année d’utilisation. Cette déclaration comprend : 1° la quantité de matériel de départ; 2° l’origine de ce matériel de départ; 3° l’identification de la parcelle où est planté le matériel de départ; 4° l’adresse du lieu de stockage où le matériel non certifié ainsi produit sera conservé; 5° l’identification de la parcelle où sont replantés les tubercules de Solanum tuberosum L. non certifiés. 27896 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Elke latere wijziging van de gegevens bedoeld in het vorige lid, 4° en 5°, wordt aan het Agentschap meegedeeld vóór 30 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van gebruik. HOOFDSTUK IV. — Bepalingen inzake plantenpaspoorten Art. 10. Het plantenpaspoort vermeldt na de letter “B” de code “BE –” gevolgd door het vestigingseenheidsnummer van de Kruispunt bank voor Ondernemingen van de operator die door het Agentschap erkend is om het plantenpaspoort af te leveren. Voor gecertificeerde knollen van Solanum tuberosum L., bestemd voor opplant, kan het erkenningsnummer, toegekend door de gewestelijke dienst bevoegd voor de certificering, vermeld worden in plaats van het vestigingseenheids nummer. Art. 11. Enkel operatoren die door het Agentschap erkend zijn om plantenpaspoorten af te leveren zijn ook gemachtigd om plantenpas poorten te vervangen. Art. 12. § 1. Met het oog op de aflevering van plantenpaspoorten vragen de in artikel 11 bedoelde operatoren, bij hun Lokale controle eenheid van het Agentschap, de officiële controles aan die vereist zijn om te verzekeren dat aan de artikelen 85 en 86 van de verordening plantengezondheid is voldaan. § 2. De in artikel 11 bedoelde operatoren mogen slechts plantenpas poorten afleveren indien de in § 1 bedoelde officiële controles met gunstig resultaat werden afgerond. Art. 13. § 1. Operatoren die door het Agentschap erkend zijn om plantenpaspoorten af te leveren en gevestigd zijn in het Vlaams of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vermelden jaarlijks de geslachten of soorten van de planten en plantaardige producten waarop hun activiteiten betrekking hebben in de aanvraag bedoeld in artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad. § 2. Operatoren die door het Agentschap erkend zijn om plantenpas poorten af te leveren en gevestigd zijn in het Waals Gewest delen jaarlijks aan het Agentschap de geslachten of soorten van de planten en plantaardige producten mee waarop hun activiteiten betrekking heb ben. Ze gebruiken daarbij het formulier dat het Agentschap hiervoor op zijn website ter beschikking stelt. § 3. Operatoren die door het Agentschap erkend zijn om plantenpas poorten af te leveren en geen verzamelaanvraag indienen, bezorgen de ligging van hun percelen met paspoortplichtige planten jaarlijks vóór 30 april schriftelijk aan het Agentschap. Art. 14. De Minister kan, in aanvulling op artikel 91 van de verordening plantengezondheid, bepalingen inzake plannen voor de beheersing van risico’s op quarantaineorganismen vastleggen. HOOFDSTUK V. — Bepalingen inzake uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen Art. 15. § 1. Het model van fytosanitair uitvoercertificaat bevindt zich in bijlage I. § 2. Het model van fytosanitair wederuitvoercertificaat bevindt zich in bijlage II. § 3. Het model van pre-uitvoercertificaat bevindt zich in bijlage III. § 4. Bij een verzoek om afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat, een fytosanitair wederuitvoercertificaat of een pre-uitvoercertificaat bezorgt de operator aan het Agentschap een kopie van de relevante geldende reglementering van het land van invoer, waarvan hij instaat voor de correctheid. Deze kopie is opgesteld in een begrijpbare taal voor de ambtenaar die het certificaat aflevert. § 5. Indien het Agentschap oordeelt dat het een bijzonder geval betreft, kan het onder door hem te bepalen voorwaarden afwijkingen verlenen op de bepalingen van paragraaf 4. § 6. Het Agentschap levert het fytosanitair uitvoercertificaat of het fytosanitair wederuitvoercertificaat slechts af indien na onderzoek is gebleken dat aan alle relevante voorwaarden vermeld in de artike len 100 en 101 van de verordening plantengezondheid is voldaan. § 7. Het Agentschap dient het verzoek om afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat of een fytosanitair wederuitvoercertificaat, ten minste 48 uur vóór het in paragraaf 6 bedoelde onderzoek schriftelijk te ontvangen, zaterdagen, zon- en feestdagen niet meegerekend. Toute modification ultérieure des informations visées à l’alinéa précédent, 4° et 5°, est communiquée à l’Agence avant le 30 novembre de l’année précédant l’année d’utilisation. CHAPITRE IV. — Dispositions en matière de passeports phytosanitaires Art. 10. Le passeport phytosanitaire mentionne après la lettre “B” le code “BE –” suivi du numéro de l’unité d’établissement auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises de l’opérateur agréé par l’Agence pour la délivrance du passeport phytosanitaire. Pour les tubercules certifiés de Solanum tuberosum L., destinés à la plantation, le numéro d’agrément délivré par le service régional compétent pour la certifica tion, peut être indiqué au lieu du numéro de l’unité d’établissement. Art. 11. Seuls les opérateurs agréés par l’Agence pour la délivrance de passeports phytosanitaires sont également autorisés à remplacer des passeports phytosanitaires. Art. 12. § 1er. En vue de la délivrance de passeports phytosanitaires, les opérateurs visés à l’article 11 demandent auprès de leur Unité locale de contrôle de l’Agence les contrôles officiels nécessaires pour garantir que les articles 85 et 86 du règlement phytosanitaire sont respectés. § 2. Les opérateurs visés à l’article 11 ne peuvent délivrer des passeports phytosanitaires que si les contrôles officiels visés au § 1er ont été effectués avec résultat favorable. Art. 13. § 1er. Les opérateurs agréés par l’Agence pour la délivrance de passeports phytosanitaires et situés en Région flamande ou en Région de Bruxelles-Capitale mentionnent annuellement les genres et espèces de végétaux et produits végétaux auxquels leurs activités se rapportent dans la demande visée à l’article 72, alinéa 1, du Règlement (UE) n° 1306/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décem bre 2013 relatif au financement, à la gestion et au suivi de la politique agricole commune et abrogeant les règlements (CEE) n° 352/78, (CE) n° 165/94, (CE) n° 2799/98, (CE) n° 814/2000, (CE) n° 1200/2005 et (CE) n° 485/2008 du Conseil. § 2. Les opérateurs agréés par l’Agence pour la délivrance de passeports phytosanitaires et situés en Région wallonne communiquent annuellement les genres et espèces de végétaux et produits végétaux auxquels leurs activités se rapportent à l’Agence. A cette fin, ils utilisent le formulaire mis à disposition par l’Agence sur son site web. § 3. Les opérateurs agréés par l’Agence pour la délivrance de passeports phytosanitaires qui n’introduisent pas de déclaration de superficie, doivent fournir la localisation de leurs parcelles de végétaux soumis au passeport phytosanitaire annuellement avant le 30 avril à l’Agence. Art. 14. Le Ministre peut, en supplément de l’article 91 du règlement phytosanitaire, fixer des dispositions en matière de plans pour la gestion de risques liés aux organismes de quarantaine. CHAPITRE V. — Dispositions en matière d’exportation de végétaux, produits végétaux et autres matériaux Art. 15. § 1er. Le modèle de certificat phytosanitaire d’exportation se trouve en annexe I. § 2. Le modèle de certificat phytosanitaire de réexportation se trouve en annexe II. § 3. Le modèle de certificat de pré-exportation se trouve en annexe III. § 4. Lors de la demande de délivrance d’un certificat phytosanitaire d’exportation, d’un certificat phytosanitaire de réexportation ou d’un certificat de pré-exportation, l’opérateur fournit à l’Agence une copie de la règlementation pertinente en vigueur du pays importateur, dont il est garant de la conformité. Cette copie est établie dans une langue compréhensible pour l’agent qui délivre le certificat. § 5. Si l’Agence considère qu’il s’agit d’un cas particulier, elle peut, dans des conditions à déterminer par elle, accorder des dérogations aux dispositions du paragraphe 4. § 6. L’Agence ne délivre le certificat phytosanitaire d’exportation ou le certificat phytosanitaire de réexportation que si après inspection, il apparaît que toutes les conditions pertinentes mentionnées aux articles 100 et 101 du règlement phytosanitaire sont remplies. § 7. L’Agence doit recevoir, par écrit, la demande de délivrance d’un certificat phytosanitaire d’exportation ou d’un certificat phytosanitaire de réexportation, au moins 48 heures avant l’inspection visée au paragraphe 6, samedis, dimanches et jours fériés non compris. 27897MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD § 8. De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voeren een op risicoanalyse gebaseerde controle uit op de aanwezigheid van het fytosanitair uitvoercertificaat of het fytosanitair wederuitvoercertificaat bij de uitvoer uit de Europese Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen. HOOFDSTUK VI. — Bepalingen inzake informatie-uitwisseling met andere lidstaten van de Europese Unie Art. 16. § 1. Voor het uitwisselen van informatie met de bevoegde overheden van andere lidstaten van de Europese Unie over de voorschriften waaraan planten, plantaardige producten en andere materialen die in België werden geproduceerd of vermeerderd of er gedurende één teeltcyclus verbleven, moeten voldoen om een planten paspoort af te geven, wordt het pre-uitvoercertificaat gebruikt. § 2. Het pre-uitvoercertificaat wordt op verzoek van een operator door het Agentschap afgeleverd zolang de betrokken planten, plant aardige producten of andere materialen zich op het Belgisch grondge bied bevinden. Echter kan het pre-uitvoercertificaat worden afgegeven wanneer de producten de bedrijfsruimten van de betrokken operator hebben verlaten, op voorwaarde dat inspecties en, waar nodig, bemonsteringen zijn uitgevoerd die bevestigen dat de betrokken producten beantwoorden aan één of meerdere van de specifieke voorschriften uit artikel 102, lid 2, van de verordening plantengezond heid. § 3. Het pre-uitvoercertificaat vergezelt de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen tijdens het verkeer naar een andere lidstaat van de Europese Unie. HOOFDSTUK VII. — Wijzigingsbepalingen Afdeling I. — Wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren Art. 17. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 houdende het toevertrouwen aan de Gewesten van de uitvoering van bepaalde taken die tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen behoren, wordt de bepaling onder 2°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012, vervangen als volgt: “2° “verordening plantengezondheid”: Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad;”. Art. 18. In artikel 2, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1° de uitvoering van officiële controles op de naleving van de voorschriften bedoeld in artikel 85, onder a), c), d) en e), en in artikel 86 van de verordening plantengezondheid, alsook op andere officiële activiteiten met betrekking tot de machtiging tot het afgeven van plantenpaspoorten voor de volgende planten : aardappelpootgoed, zaaizaden vermeld in bijlage XIII en bijlage XIV van Uitvoerings verordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie”; 2° in de bepaling onder 2° worden de woorden “van de schadelijke organismen vermeld in de fytosanitaire reglementeringen van derde landen en bedoeld bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005” vervangen door de woorden “voor quarantaineor ganismen vermeld in de fytosanitaire reglementeringen van derde landen en de voorschriften bedoeld in de artikelen 100 en 101 van de verordening plantengezondheid”; 3° in de bepaling onder 3° worden de woorden “schadelijk orga nisme” vervangen door het woord “quarantaineorganisme”. § 8. Les agents de l’Administration générale des Douanes et Accises effectuent un contrôle, fondé sur une analyse des risques, sur la présence du certificat phytosanitaire d’exportation ou du certificat phytosanitaire de réexportation lors de l’exportation en dehors de l’Union européenne de végétaux, produits végétaux et autres objets. CHAPITRE VI. — Dispositions en matière d’échange d’information avec d’autres pays membres de l’Union européenne Art. 16. § 1er. Pour l’échange d’information avec les autorités compétentes d’autres pays membres de l’Union européenne concernant les conditions auxquelles les végétaux, produits végétaux et autres objets qui ont été produits ou multipliés en Belgique ou qui y sont restés pendant un cycle de culture, doivent répondre pour délivrer un passeport phytosanitaire, le certificat de pré-exportation est utilisé. § 2. Le certificat de pré-exportation est délivré par l’Agence à la demande d’un opérateur tant que les végétaux, produits végétaux ou autres objets concernés sont situés sur le territoire belge. Toutefois, le certificat de pré-exportation peut être délivré lorsque les produits ont quitté les locaux de l’opérateur concerné, à condition que des inspec tions et, si nécessaire, des échantillonnages ont été effectués confirmant que les produits concernés répondent à une ou plusieurs des exigences spécifiques de l’article 102, alinéa 2, du règlement phytosanitaire. § 3. Le certificat de pré-exportation accompagne les végétaux, produits végétaux ou autres objets concernés pendant la circulation vers un autre pays membre de l’Union européenne. CHAPITRE VII. — Dispositions modificatives Section Ière. — Modification de l’arrêté royal du 10 octobre 2003 confiant aux Régions l’exécution de certaines tâches relevant de la compétence de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire Art. 17. Dans l’article 1er de l’arrêté royal du 10 octobre 2003 confiant aux Régions l’exécution de certaines tâches relevant de la compétence de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, le 2°, modifié par l’arrêté royal du 30 septembre 2012, est remplacé par ce qui suit : “2° “règlement phytosanitaire”: Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE;”. Art. 18. Dans l’article 2, § 1er, du même arrêté, modifié par l’arrêté royal du 30 septembre 2012, les modifications suivantes sont apportées : 1° le 1° est remplacé par ce qui suit : “1° la réalisation des contrôles officiels sur le respect des règles visées à l’article 85, sous a), c), d) et e), et à l’article 86 du règlement phytosanitaire, ainsi que sur d’autres activités officielles concernant l’autorisation de délivrer des passeports phytosanitaires pour les végétaux suivants : plants de pommes de terre, semences reprises à l’annexe XIII et à l’annexe XIV du Règlement d’exécution (UE) 2019/2072 de la Commission du 28 novembre 2019 établissant des conditions uniformes pour la mise en œuvre du règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil, en ce qui concerne les mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, abrogeant le règlement (CE) nº 690/2008 de la Commis sion et modifiant le règlement d’exécution (UE) 2018/2019 de la Commission”; 2° au 2°, les mots “des organismes nuisibles repris dans les règlementations phytosanitaires des pays tiers et visés par l’article 20 de l’arrêté royal du 10 août 2005” sont remplacés par les mots “pour des organismes de quarantaine repris dans les règlementations phytosani taires des pays tiers et les exigences visées par les articles 100 et 101 du règlement phytosanitaire”; 3° au 3°, les mots “organisme nuisible” sont remplacés par les mots “organisme de quarantaine”. 27898 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 19. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “§ 1. Het Agentschap blijft, voor wat betreft de maatregelen tegen quarantaineorganismen, verantwoordelijk voor het toepassen van de verordening plantengezondheid in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor de organisatie van officiële controles en andere officiële activiteiten in dit verband.”. 2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “op het koninklijk besluit van 10 augustus 2005.” vervangen door de woorden “op de verordening plantengezondheid voor wat betreft de bepalingen inzake quarantaineorganismen.”. Art. 20. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 en in paragraaf 2, onder c), worden de woorden “schadelijke organismen” telkens vervangen door het woord “quaran taineorganismen”. 2° in paragraaf 2, onder b), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012, worden de woorden “een voor planten schadelijk organisme” vervangen door de woorden “een quarantaineorganisme voor planten” en de woorden “schadelijke organisme” door het woord “quarantaineorganisme”. 3° in paragraaf 2, onder b), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012, worden de woorden “overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005” opgeheven. Afdeling II. — Wijziging van het koninklijk besluit van 13 februari 2006 houdende vaststelling van de retributies betreffende de taken toevertrouwd aan de Gewesten door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Art. 21. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 februari 2006 houdende vaststelling van de retributies betreffende de taken toever trouwd aan de Gewesten door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° “verordening plantengezondheid”: Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad.”. Art. 22. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1° de uitvoering van officiële controles op de naleving van de voorschriften bedoeld in artikel 85, onder a), c), d) en e), en in artikel 86 van de verordening plantengezondheid, alsook op andere officiële activiteiten met betrekking tot de machtiging tot het afgeven van plantenpaspoorten voor de volgende planten : aardappelpootgoed, zaaizaden vermeld in bijlage XIII en bijlage XIV van Uitvoerings verordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie”; 2° in de bepaling onder 2° worden de woorden “van de schadelijke organismen vermeld in de fytosanitaire reglementeringen van derde landen en bedoeld bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005” vervangen door de woorden “voor quarantaineor ganismen vermeld in de fytosanitaire reglementeringen van derde landen en de voorschriften bedoeld in de artikelen 100 en 101 van de verordening plantengezondheid”. Art. 19. Dans l’article 3 du même arrêté, modifié par l’arrêté royal du 30 septembre 2012, les modifications suivantes sont apportées : 1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit : “§ 1er. L’Agence demeure, pour ce qui concerne les mesures contre des organismes de quarantaine, responsable de la mise en œuvre du règlement phytosanitaire en sa qualité d’autorité compétente respon sable pour l’organisation des contrôles officiels et autres activités officielles à cet égard.”. 2° dans le paragraphe 2, alinéa 1, les mots “à l’arrêté royal du 10 août 2005.” sont remplacés par les mots “au règlement phytosani taire en ce qui concerne les dispositions relatives aux organismes de quarantaine.”. Art. 20. Dans l’article 4 du même arrêté les modifications suivantes sont apportées : 1° dans le paragraphe 1er et le paragraphe 2, sous c), les mots “organismes nuisibles” sont chaque fois remplacés par les mots “organismes de quarantaine”. 2° dans le paragraphe 2, sous b), modifié par l’arrêté royal du 30 septembre 2012, les mots “d’un organisme nuisible aux végétaux” sont remplacés par les mots “d’un organisme de quarantaine aux végétaux” et les mots “organismes nuisibles” par les mots “organismes de quarantaine”. 3° dans le paragraphe 2, sous b), modifié par l’arrêté royal du 30 septembre 2012, les mots “conformément aux dispositions visées à l’article 4 de l’arrêté royal du 10 août 2005” sont abrogés. Section II. — Modification de l’arrêté royal du 13 février 2006 fixant les rétributions relatives aux tâches confiées aux Régions par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire Art. 21. Dans l’article 1er de l’arrêté royal du 13 février 2006 fixant les rétributions relatives aux tâches confiées aux Régions par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, le 2° est remplacé par ce qui suit : “2° “règlement phytosanitaire”: Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE.”. Art. 22. Dans l’article 2 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées : 1° le 1° est remplacé par ce qui suit : “1° la réalisation des contrôles officiels sur le respect des règles visées à l’article 85, sous a), c), d) et e), et à l’article 86 du règlement phytosanitaire, ainsi que sur d’autres activités officielles concernant l’autorisation de délivrer des passeports phytosanitaires pour les végétaux suivants : plants de pommes de terre, semences reprises à l’annexe XIII et à l’annexe XIV du Règlement d’exécution (UE) 2019/2072 de la Commission du 28 novembre 2019 établissant des conditions uniformes pour la mise en œuvre du règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil, en ce qui concerne les mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, abrogeant le règlement (CE) nº 690/2008 de la Commis sion et modifiant le règlement d’exécution (UE) 2018/2019 de la Commission”; 2° dans le 2°, les mots “des organismes nuisibles repris dans les règlementations phytosanitaires des pays tiers et visés par l’article 20 de l’arrêté royal du 10 août 2005” sont remplacés par les mots “pour des organismes de quarantaine repris dans les règlementations phytosani taires des pays tiers et les exigences visées par les articles 100 et 101 du règlement phytosanitaire”. 27899MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 23. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 2017, worden de woorden “Iedere natuurlijke of rechtspersoon die officiële controles op schadelijke organismen aan vraagt als bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, evenals de controle en de uitreiking van het plantenpaspoort voor de zaaizaden, hernomen in bijlage V, deel A, rubrieken I en II, van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005,” vervangen door de woorden “Iedere natuurlijke of rechtspersoon die officiële controles op quarantaineorganismen aanvraagt met het oog op de aflevering van plantenpaspoorten in toepassing van de artikelen 85 en 86 van de verordening plantengezondheid,”. Afdeling III. — Wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 2008 betreffende de maatregelen om het binnenbrengen en het verspreiden van bacterievuur (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) te voorkomen Art. 24. In het koninklijk besluit van 23 juni 2008 betreffende de maatregelen om het binnenbrengen en het verspreiden van bacterie vuur (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) te voorkomen, wordt het opschrift “Algemene bestrijdingsmaatregelen” vervangen als volgt: “Bijzondere bepalingen in bufferzones”. Art. 25. In hetzelfde besluit worden de opschriften “Afbakening van de bufferzones” en “Bestrijdingsmaatregelen in de bufferzones” opge heven. Art. 26. In hetzelfde besluit worden artikel 1, § 2, en de artikelen 2 en 4 opgeheven. Afdeling IV. — Wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijzi ging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten scha delijke organismen Art. 27. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schade lijke organismen wordt vervangen als volgt: “Art. 12. Het Agentschap kan op verzoek tijdelijk toestaan dat voor proefnemingen, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden wordt afgeweken van de artikelen 9 en 10 van dit besluit indien voldaan wordt aan de bepalingen van artikel 8 van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad.”. HOOFDSTUK VIII. — Bijzondere bepalingen Art. 28. Dit besluit doet geen afbreuk aan de reglementering van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën. Art. 29. De bijlagen van dit besluit kunnen gewijzigd worden door de Minister. De Minister kan uitvoeringsmaatregelen nemen om te voldoen aan de door de Commissie of de Raad aangenomen toepassingsbepalingen van de verordening plantengezondheid en de verordening officiële controles. Art. 23. Dans l’article 5 du même arrêté, modifié par l’arrêté royal du 15 octobre 2017, les mots “Toute personne physique ou morale qui sollicite l’exécution des contrôles officiels des organismes nuisibles visés par l’article 10 de l’arrêté royal du 10 août 2005 ainsi que du contrôle et de la délivrance du passeport phytosanitaire pour les semences reprises à l’annexe V, partie A, chapitres I et II, de l’arrêté royal du 10 août 2005,” sont remplacés par les mots “Toute personne physique ou morale qui sollicite l’exécution des contrôles officiels des organismes de quarantaine en vue de la délivrance de passeports phytosanitaires en application des articles 85 et 86 du règlement phytosanitaire,”. Section III. — Modification de l’arrêté royal du 23 juin 2008 relatif à des mesures de prévention de l’introduction et de la propagation du feu bactérien (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.) Art. 24. Dans l’arrêté royal du 23 juin 2008 relatif à des mesures de prévention de l’introduction et de la propagation du feu bactérien (Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.), l’intitulé “Mesures générales de lutte” est remplacé par ce qui suit: “Dispositions particulières dans les zones-tampon”. Art. 25. Dans le même arrêté, les intitulés “Délimitation des zones tampon” et “Mesures de lutte dans les zones-tampon” sont abrogés. Art. 26. Dans le même arrêté, l’article 1er, § 2, et les articles 2 et 4 sont abrogés. Section IV. — Modification de l’arrêté royal du 22 juin 2010 relatif à la lutte contre les nématodes à kystes de la pomme de terre et modifiant l’arrêté royal du 19 novembre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux Art. 27. L’article 12 de l’arrêté royal du 22 juin 2010 relatif à la lutte contre les nématodes à kystes de la pomme de terre et modifiant l’arrêté royal du 19 novembre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux, est remplacé par ce qui suit : “Art. 12. Pour des travaux à des fins d’essai ou dans des buts scientifiques ou pédagogiques, l’Agence peut sur demande accorder temporairement des dérogations aux articles 9 et 10 du présent arrêté si les dispositions de l’article 8 du Règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE, sont remplies.”. CHAPITRE VIII. — Dispositions particulières Art. 28. Le présent arrêté ne porte pas atteinte à la réglementation de l’Administration générale des Douanes et Accises du Service Public Fédéral Finances. Art. 29. Les annexes du présent arrêté peuvent être modifiées par le Ministre. Le Ministre peut prendre des mesures d’exécution pour se conformer aux dispositions d’application du règlement phytosanitaire et du règlement sur les contrôles officiels adoptées par la Commission ou le Conseil. 27900 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD HOOFDSTUK IX. — Opheffings- en slotbepalingen Art. 30. Opgeheven worden: 1° het koninklijk besluit van 17 februari 2005 tot vaststelling van de modellen van officiële fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certifi caten voor wederuitvoer waarvan planten, plantaardige producten of andere materialen afkomstig uit derde landen vergezeld moeten gaan; 2° het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 januari 2006, 18 augustus 2010, 18 mei 2011, 6 juni 2012, 9 november 2016 en 25 april 2017, en bij de ministeriële besluiten van 31 januari 2006, 15 februari 2006, 19 april 2006, 3 oktober 2007, 29 augustus 2008, 16 januari 2009, 19 maart 2009, 30 oktober 2009, 11 februari 2010, 25 maart 2010, 28 juli 2010, 7 mei 2013, 27 januari 2014, 24 juni 2014, 11 december 2014, 26 november 2015, 4 december 2017, 20 februari 2018 en 30 augustus 2019; 3° het koninklijk besluit van 25 april 2017 betreffende de fytosanitaire controles op de eerste plaats van binnenkomst in de Europese Unie; 4° het ministerieel besluit van 22 juni 1995 tot vaststelling van een procedure voor melding van de onderschepping van uit derde landen herkomstige en uit fytosanitair oogpunt onmiddellijk gevaar oplever ende zendingen of schadelijke organismen; 5° het ministerieel besluit van 4 juli 1996 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde schadelijke organismen, planten, plantaardige produkten en andere materialen in de bijlagen I tot en met V bij het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectie werkzaamheden in de Gemeenschap of in bepaalde beschermde gebieden daarvan mogen worden binnengebracht of in verkeer gebracht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 januari 2006 en bij het ministerieel besluit van 5 november 1997; 6° het ministerieel besluit van 24 oktober 2008 houdende tijdelijke noodmaatregelen ter bestrijding van de Aziatische boktor Anoplophora glabripennis (Motschulsky). Art. 31. De minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 22 februari 2021. FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL CHAPITRE IX. — Dispositions abrogatoires et finales Art. 30. Sont abrogés : 1° l’arrêté royal du 17 février 2005 établissant les modèles de certificats phytosanitaires ou de certificats phytosanitaires de réexpor tation officiels, accompagnant des végétaux, des produits végétaux ou autres objets en provenance de pays tiers; 2° l’arrêté royal du 10 août 2005 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux, modifié par les arrêtés royaux des 16 janvier 2006, 18 août 2010, 18 mai 2011, 6 juin 2012, 9 novembre 2016 et 25 avril 2017, et par les arrêtés ministériels des 31 janvier 2006, 15 février 2006, 19 avril 2006, 3 octobre 2007, 29 août 2008, 16 janvier 2009, 19 mars 2009, 30 octobre 2009, 11 février 2010, 25 mars 2010, 28 juillet 2010, 7 mai 2013, 27 janvier 2014, 24 juin 2014, 11 décembre 2014, 26 novembre 2015, 4 décembre 2017, 20 février 2018 et 30 août 2019; 3° l’arrêté royal du 25 avril 2017 relatif aux contrôles phytosanitaires au premier lieu d’entrée dans l’Union européenne; 4° l’arrêté ministériel du 22 juin 1995 établissant une procédure de notification d’interception d’un envoi ou d’un organisme nuisible en provenance de pays tiers et présentant un danger phytosanitaire imminent; 5° l’arrêté ministériel du 4 juillet 1996 fixant les conditions dans lesquelles certains organismes nuisibles, végétaux, produits végétaux et autres objets énumérés aux annexes I à V de l’arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux peuvent être introduits ou circuler dans la Commu nauté ou dans certaines zones protégées de la Communauté pour des travaux à des fins d’essai ou à des fins scientifiques ou pour des travaux sur les sélections variétales, modifié par l’arrêté royal du 16 janvier 2006 et par l’arrêté ministériel du 5 novembre 1997; 6° l’arrêté ministériel du 24 octobre 2008 portant des mesures d’urgence temporaires de lutte contre le grand capricorne asiatique, Anoplophora glabripennis (Motschulsky). Art. 31. Le ministre qui a les Finances dans ses attributions et le ministre qui a la sécurité de la chaîne alimentaire dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 22 février 2021. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre des Finances, V. VAN PETEGHEM Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL 27901MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Vu pour être annexé à notre arrêté du 22 février 2021 relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’organismes nuisibles. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre des Finances, V. VAN PETEGHEM Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL 27902 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 22 februari 2021 betreffende maatregelen tegen quarantaineor ganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen. FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL 27903MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Vu pour être annexé à notre arrêté du 22 février 2021 relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’organismes nuisibles. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre des Finances, V. VAN PETEGHEM Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL 27904 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 22 februari 2021 betreffende maatregelen tegen quarantaineorganis men bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen. FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL 27905MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Vu pour être annexé à notre arrêté du 22 février 2021 relatif aux mesures de protection contre les organismes de quarantaine aux végétaux et aux produits végétaux et modifiant des dispositions diverses en matière d’organismes nuisibles. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre des Finances, V. VAN PETEGHEM Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL 27906 MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 22 februari 2021 betreffende maatregelen tegen quarantaineor ganismen bij planten en plantaardige producten en tot wijziging van diverse bepalingen inzake schadelijke organismen. FILIP Van Koningswege : De Minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL 27907MONITEUR BELGE — 24.03.2021 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD