跳到主要内容
Nelum
比利时的法律

Arrêté royal relatif à la lutte contre la leucose bovine enzootique

颁布于 2024-01-18 · 文本截至 2026-10-01

以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。

研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。

关于这部法律

语言
French
类型
条例
国家
比利时
主题
Livestock, Food and nutrition
关键词
animal health, cattle, data collection/reporting, disinfection/disinfestation, equipment, internal trade, monitoring, procedural matters, slaughtering, subsidy/incentive, transport/storage, milk/dairy products

在哪里阅读

文本

所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。

  1. FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2024/000730] 18 JANUARI 2024. — Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van de enzoötische runderleucose FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid; Gelet op de gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten; Gelet op de Grondwet, artikel 108; Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, artikel 3, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, artikel 4, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 7, laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, de artikelen 8 en 9, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 14, § 1, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 15, 1°, laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 18 en artikel 18bis, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022; Gelet op de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, artikel 4, vierde lid, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014; Gelet op de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, artikel 4, 1°, laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022; Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de voedselketen, artikel 4, § 3, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 13 april 2019, en § 6, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2001 en aangevuld bij de wet van 9 juli 2004; Gelet op het koninklijk besluit van 16 december 1991 betreffende de bestrijding van de runderleucose; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agent schap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 2, d); Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van FOD VVVL, gegeven op 1 april 2022 en van de Inspecteur van Financiën van FAVV, gegeven op 20 juni 2022; Gelet op het advies 05-2023 van het Wetenschappelijk Comité ingesteld bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 24 maart 2023 ; Gelet op het advies van de Raad van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, gegeven op 30 maart 2023 ; Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale Overheid van 21 juni 2023 ; Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begro ting, gegeven op 27 juni 2023 ; Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeen komstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging; Gelet op advies 74.638/3 van de Raad van State, gegeven op 7 december 2023 , met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2024/000730] 18 JANVIER 2024. — Arrêté royal relatif à la lutte contre la leucose bovine enzootique PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu le règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale ; Vu le règlement délégué (UE) 2020/689 de la Commission du 17 décembre 2019 complétant le règlement (UE) 2016/429 du Parle ment européen et du Conseil en ce qui concerne les règles applicables à la surveillance, aux programmes d’éradication et au statut « indemne » de certaines maladies répertoriées et émergentes ; Vu la Constitution, l’article 108 ; Vu la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, l’article 3, modifié par la loi du 29 décembre 1990, l’article 4, modifié par la loi du 12 juillet 2022, l’article 7, modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022, les articles 8 et 9, modifiés par la loi du 12 juillet 2022, l’article 14, § 1er, modifié par la loi du 12 juillet 2022, l’article 15, 1°, modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022, l’article 18 et l’article 18bis, inséré par la loi du 29 décembre 1990 et modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022; Vu la loi du 28 août 1991 relative à l’exercice de la médecine vétérinaire, l’article 4, alinéa 4, remplacé par la loi du 27 décem bre 2005 et modifié par la loi du 19 mars 2014; Vu la loi du 23 mars 1998 relative à la création d’un Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, l’article 4, 1°, modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022 ; Vu la loi du 4 février 2000 relative à la création de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la chaîne alimentaire, l’article 4, § 3, modifié par les lois du 22 décembre 2003 et 13 avril 2019, et § 6, inséré par la loi du 13 juillet 2001 et complété par la loi du 9 juillet 2004 ; Vu l’arrêté royal du 16 décembre 1991 relatif à la lutte contre la leucose bovine ; Vu l’arrêté royal du 16 novembre 2001 confiant à l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire des missions complémentai res, l’article 2, d) ; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances du SPF SPSCAE, donné le 1er avril 2022 et l’avis de l’Inspecteur des Finances de l’AFSCA, donné le 20 juin 2022 ; Vu l’avis 05-2023 du Comité Scientifique institué auprès de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne Alimentaire, donné le 24 mars 2023 ; Vu l’avis du Conseil du Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, donné le 30 mars 2023 ; Vu la concertation entre les Gouvernements régionaux et l’Autorité fédérale du 21 juin 2023 ; Vu l’accord de la Secrétaire d’Etat au Budget, donné le 27 juin 2023 ; Vu l’analyse d’impact de la réglementation réalisée conformément aux articles 6 et 7 de la loi du 15 décembre 2013 portant des dispositions diverses en matière de simplification administrative ; Vu l’avis 74.638/3 du Conseil d’Etat, donné le 7 décembre 2023, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973; 13054 BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE Op de voordracht van de Minister van Landbouw en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. — Algemene bepalingen Afdeling 1. — Doel - toepassingsgebied - definities Artikel 1. § 1. Dit besluit legt de voorschriften vast voor de handhaving van de status “vrij van enzoötische boviene leucose” van België (bewaking) en de maatregelen die moeten worden genomen in geval van verdenking of bevestiging van enzoötische boviene leucose, naast de voorschriften die zijn vastgelegd in : 1° de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid; 2° de gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten. Art. 2. Dit besluit is van toepassing op alle inrichtingen op het Belgische grondgebied waar runderen worden gehouden, met uitzon dering van geconsigneerde inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 4, 48) van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid. Art. 3. § 1. Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities uit de in artikel 1 vermelde Europese verordeningen. § 2. Daarnaast gelden voor de toepassing van dit besluit de volgende definities : 1° Gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 : Gedelegeerde verorde ning (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking en uitroeiings programma’s en de ziekte vrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten; 2° E.B.L.: enzoötische boviene leucose veroorzaakt door het boviene leucose virus; 3° Rund verdacht aangetast door E.B.L : elke rund : a) waarvan het klinisch, post-mortem- of laboratoriumonderzoek op E.B.L. wijst; of b) waarvan één of meerdere resultaten van een diagnostische methode op de waarschijnlijke aanwezigheid van E.B.L. wijst, in een monster dat van dat dier of een groep dieren is genomen; of c) waarbij er een epidemiologisch verband met een bevestigd geval is vastgesteld; of d) waarvan een voorouder een rund aangetast door E.B.L. blijkt te zijn; 4° Rund aangetast door E.B.L.: elk rund waarbij de aanwezigheid van het boviene leucose virus is bevestigd door één van de in artikel 5,§ 2, bedoelde methoden; 5° N.R.L: Nationaal Referentielaboratorium; 6° Erkend laboratorium : laboratorium erkend door het Agentschap in toepassing van het koninklijk besluit van 3 augustus 2012 betreffende de erkenning van de laboratoria die analyses uitvoeren in verband met de veiligheid van de voedselketen; 7° Bewakingsprogramma : het programma beschreven in hoofdstuk 4; 8° Erkende vereniging: een vereniging erkend in toepassing van het koninklijk besluit van 26 november 2006 houdende voorwaarden voor de erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziek ten en het hun toevertrouwen van taken die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren; 9° Bedrijfsdierenarts: dierenarts (of zijn plaatsvervanger) bedoeld bij in artikel 2, § 2, 2° van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 tot instelling van het epidemiologisch toezicht op inrichtingen waar bepaalde dieren gehouden worden; 10° Agentschap : Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen ; 11° LCE : lokale controle eenheid ; Sur la proposition du Ministre de l’Agriculture et de l’avis des Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE 1er. — Dispositions générales Section 1re. — Objet - champ d’application - définitions Article 1er. § 1er. Le présent arrêté fixe les règles pour le maintien du statut « indemne de leucose bovine enzootique» de la Belgique (surveillance) ainsi que les mesures à mettre en œuvre en cas de suspicion ou de confirmation de la leucose bovine enzootique, en complément des règles fixées dans : 1° le règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale ; 2° le règlement délégué (UE) 2020/689 de la Commission du 17 décembre 2019 complétant le règlement (UE) 2016/429 du Parle ment européen et du Conseil en ce qui concerne les règles applicables à la surveillance, aux programmes d’éradication et au statut « indemne » de certaines maladies répertoriées et émergentes. Art. 2. Le présent arrêté s’applique à tous les établissements du territoire belge détenant des bovins à l’exception des établissements fermés tels que que définis à l’article 4, 48) du règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale. Art. 3. § 1er. Pour l’application du présent arrêté, les définitions des règlements européens mentionnées à l’article premier s’appliquent. § 2. En outre, pour l’application du présent arrêté, on entend par : 1° Règlement délégué (UE) 2020/689 : Règlement délégué (UE) 2020/689 de la Commission du 17 décembre 2019 complétant le règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les règles applicables à la surveillance, aux programmes d’éradication et au statut « indemne » de certaines maladies réperto riées et émergentes ; 2° L.B.E. : leucose bovine enzootique causée par le virus de la leucose bovine ; 3° Bovin suspect d’être atteint de L.B.E : tout bovin dont : a) les examens cliniques, post mortem ou de laboratoire évoquent la L.B.E. ; ou b) le ou les résultat(s) d’une méthode de diagnostic indique(nt) la présence probable de L.B.E. sur un échantillon prélevé sur un animal ou un groupe d’animaux; ou c) un lien épidémiologique avec un cas confirmé a été établi ; ou d) l’ascendant s’est révélé être un bovin atteint de L.B.E. ; 4° Bovin atteint de L.B.E : tout bovin pour lequel la présence du virus de la leucose bovine a été confirmée par une des méthodes visées à l’article 5,§ 2 ; 5° L.N.R. : Laboratoire National de Référence; 6° Laboratoire agréé : laboratoire agréé par l’Agence en application de l’arrêté royal du 3 août 2012 relatif à l’agrément des laboratoires qui effectuent des analyses en rapport avec la sécurité de la chaîne alimentaire ; 7° Programme de surveillance : le programme qui est décrit dans le chapitre 4 ; 8° Association agréée: une association agréée en application de l’arrêté royal du 26 novembre 2006 fixant les conditions d’agrément des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence ; 9° Vétérinaire d’exploitation: vétérinaire (ou son remplaçant) visé à l’article 2,§ 2, 2° de l’arrêté royal du 20 mai 2022 instituant une surveillance épidémiologique dans les établissements où sont détenus certains animaux ; 10° Agence : Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne Alimentaire ; 11° ULC : unité locale de contrôle ; 13055BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE 12° Sanitel : het geautomatiseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 2, § 2, 1° van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende de identificatie en de registratie van pluimvee, konijnen, sommige hoefdieren en vogels ; 13° Minister : De minister bevoegd voor Landbouw; 14 ° Serologisch onderzoek : individuele bloedmonsters die door de bedrijfdierenarts zijn genomen bij alle runderen in de inrichting; 15° Contactinrichting : elke inrichting waar runderen worden gehouden die in verband kunnen gebracht worden met een rund aangetast door E.B.L. of die direct of indirect contact hebben gehad met een haard, met inbegrip van inrichtingen die grenzen aan de haard of zijn weilanden; 16° Epidemiologisch onderzoek : epidemiologisch onderzoek als bedoeld in artikel 73 van verordening ( EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid; 17° Warmtebehandeling : warmetebehandeling die een inactivatie van het betreffende pathogeen garandeert en gevalideerd door het Agenschap wordt; 18° Isolatie : het houden van dieren in een deel van de inrichting dat volledig gescheiden is van andere delen van de inrichting. De dieren zijn in dit deel op zodanige wijze afgezonderd dat er geen direct contact mogelijk is met andere dieren op de inrichting, noch met dieren behorend tot buur-inrichtingen. Afdeling 2. — Melding Art. 4. § 1. Elke exploitant, dierenarts en laboratorium is verplicht E.B.L. te melden overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 februari 2014 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en tot regeling van de aangifteplicht. § 2. Iedere dierenarts die bij een autopsie of vleeskeuring letsels of gezwellen vaststelt die E.B.L. doen vermoeden, verwijdert ze overeen komstig de door het Agentschap meegedeelde technische modaliteiten en bezorgt ze onverwijld aan de N.R.L. HOOFDSTUK 2. — Diagnostiek Art. 5. § 1. De diagnosemethoden die van toepassing zijn voor het behoud van het statuut “ vrij van E.B.L” van de beslagen zijn opgenomen in bijlage III, afdeling 3, van gedelegeerde verordening (EU) 2020/689. § 2. Alleen door het N.L.R gevalideerde methoden worden voor de bewaking gebruikt. Art. 6. SCIENSANO is het N.R.L. voor E.B.L. Art. 7. § 1. Enkel de analyses die uitgevoerd werden door het N.R.L. en door de laboratoria van de erkende verenigingen, worden in aanmerking genomen voor het behoud van het statuut vrij van E.B.L.en voor de uitvoering van het bewakingsprogramma. § 2. Onverminderd de aangifteplicht, zoals bedoeld in artikel 4, zenden de erkende laboratoria het Agentschap alle resultaten toe van de onderzoeken naar E.B.L. en dit via elektronische weg en volgens de door het Agentschap meegedeelde technische modaliteiten. Art. 8. Het Agentschap kan de erkende verenigingen belasten met de centralisatie van gegevens. HOOFDSTUK 3. — Sanitair statuut en vrij statuut van de inrichting Art. 9. § 1. Elke exploitant moet het statuut “vrij van E.B.L. ″ hebben voor alle beslagen behorend tot de inrichtingen waarvoor hij verant woordelijk is. § 2. De exploitant van beslagen waarvoor het statuut ″vrij van E.B.L.″ is geschorst of ingetrokken, moet alle in dit besluit vermelde maatre gelen nemen en opvolgen om het statuut ″vrij van E.B.L.″ zo snel als mogelijk te herwinnen en dit binnen de door het Agentschap gestelde termijnen. HOOFDSTUK 4. — Bewakingsprogramma Art. 10. § 1. Het Agentschap organiseert het bewakingsprogramma tegen E.B.L. Dit is samengesteld uit 2 delen, met name : een steekproef, en een post-mortem onderzoek bij runderen ouder dan 24 maanden. 12° Sanitel : la base de données informatique de l’Agence telle que visée à l’article 2, § 2, 1° de l’arrêté royal du 20 mai 2022 relatif à l’identification et l’enregistrement de certains ongulés, des volailles, des lapins, et de certains oiseaux ; 13° Ministre : le ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions ; 14° Bilan sérologique : des prises de sang individuelles effectuées par le vétérinaire d’exploitation sur tous les bovins présents dans l’établis sement ; 15° Etablissement de contact : tout établissement détenant des bovins ayant un lien de parenté avec un bovin infecté par la L.B.E. ou ayant eu un contact direct ou indirect avec un foyer y compris les établissements voisins du foyer ou de ses pâtures ; 16° Enquête épidémiologique : l’enquête épidémiologique visée à l’article 73 du règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale ; 17° Traitement thermique : traitement thermique qui garantit l’inac tivation de l’agent pathogène incriminé et qui a été validé par l’Agence; 18° Isolement : la détention des animaux dans une partie de l’établissement complètement séparée des autres parties de l’établisse ment de manière à ce qu’ils n’aient aucun contact direct avec les autres animaux de l’établissement, ni avec les animaux d’établissements voisins. Section 2. — Notification Art. 4. § 1er . Tout opérateur, tout vétérinaire et tout laboratoire est tenu à l’obligation de notification en matière de L.B.E, conformément à l’arrêté royal du 3 février 2014 désignant les maladies des animaux soumises à l’application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 rela tive à la santé des animaux et portant règlement de la déclaration obligatoire. § 2. Tout vétérinaire qui, lors d’une autopsie ou de l’expertise des viandes constate des lésions ou des tumeurs suspectes de L.B.E. les prélève, conformément aux modalités techniques communiquées par l’Agence et les transmets sans délai au L.N.R. CHAPITRE 2. — Diagnostic Art. 5. § 1er . Les méthodes de diagnostic applicables au maintien du statut «indemne de L.B.E. » des troupeaux sont établies à l’annexe III, section 3, du règlement délégué (UE) 2020/689. § 2. Seules les méthodes validées par le L.N.R. sont utilisées dans le cadre de la surveillance. Art. 6. SCIENSANO est le L.N.R. pour la L.B.E. Art. 7. § 1er. Seules les analyses réalisées par le L.N.R. et par les laboratoires des associations agréés sont prises en compte pour le maintien du statut indemne de L.B.E et pour l’exécution du programme de surveillance. § 2. Sans préjudice de la notification obligatoire visée à l’article 4, les laboratoires agréés transmettent à l’Agence tous les résultats des examens réalisés en vue de détecter la L.B.E. de façon électronique et suivant les modalités techniques communiquées par l’Agence. Art. 8. L’Agence peut confier aux associations agréées, la centralisa tion des données. CHAPITRE 3. — Statut sanitaire et statut indemne de l’établissement Art. 9. § 1er . Chaque opérateur est tenu d’avoir le statut « indemne de L.B.E. » pour tous les troupeaux appartenant aux établissements dont il est responsable. § 2. L’opérateur des troupeaux pour lesquels le statut «indemne de L.B.E. » est suspendu ou retiré est tenu de prendre et suivre toutes les mesures telles que mentionnées dans le présent arrêté afin d’obtenir de nouveau le statut « indemne de L.B.E.» dans les plus brefs délais imposés par l’Agence. CHAPITRE 4. — Programme de surveillance Art. 10. § 1er . l’Agence organise le programme de surveillance contre la L.B.E. Celui-ci se compose de 2 parties, à savoir : un échantillonnage aléatoire, et un examen post-mortem des bovins de plus de 24 mois. 13056 BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE § 2. De steekproef wordt uitgevoerd als volgt: 1° serologische analyse in geval van aanvoer van dieren afkomstig uit landen waar een risico van E.B.L als bedoeld in artikel 22,§ 2 ; 2° serologische follow-up van deze runderen afkomstig uit risicolan den, gedurende 3 jaar, tijdens de winterbewaking; 3°Analyses van bloedmonsters die tijdens de winterbewaking zijn genomen bij een selectie van door het Agentschap vastgestelde runderen. § 3. Het officiële post-mortem onderzoek wordt uitgevoerd bij alle, in België geslachte runderen ouder dan 24 maanden. Om de aanwezig heid van E.B.L. te bevestigen of uit te sluiten worden de monsters van alle runderen met tumoren die de aanwezigheid van E.B.L. doen vermoeden aan een laboratoriumonderzoek onderworpen. HOOFDSTUK 5. — Bestrijdingsmaatregelen Afdeling 1. — Maatregelen bij verdenking van E.B.L. op een inrichting Art. 11. Wanneer het Agentschap de melding ontvangt van een positief resultaat op een onderzoek als bedoeld in artikel 5,§ 2, of wanneer (een) rund(en) ‘verdacht aangetast door E.B.L.’ word(t)(en) vastgesteld op één van de beslagen van de inrichting, plaatst ze de betrokken inrichting onder verdenking. Art. 12. Het Agentschap neemt de volgende maatregelen op een inrichting onder verdenking: 1° het statuut “ vrij van E.B.L.” van de beslagen behorend tot de inrichting wordt opgeschort; 2° het stelt de exploitant en de bedrijfdierenarts in kennis van de datum van de opschorting, informeert hem omtrent de maximale termijn van opschorting van het statuut ‘vrij van E.B.L.’ en omtrent de maatregelen bedoeld in artikel 13; 3° het voert een epidemiologisch onderzoek uit. Afhankelijk van de resultaten van het epidemiologisch onderzoek kan het Agentschap overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder a), punt v), van verordening 2020/689 alle aanvullende maatregelen opleggen die het nodig acht om de mogelijke verspreiding van de ziekte te voorkomen. Art. 13. § 1. Op een inrichting onder verdenking zijn de volgende maatregelen van toepassing : 1° alle runderen van twaalf maanden of ouder en aanwezig op de inrichting dienen binnen 8 dagen na de kennisgeving door het Agentschap, door de bedrijfsdierenarts bemonsterd te worden met het oog op een serologisch onderzoek ; 2° elke aan- of afvoer van runderen naar of van de inrichting onder verdenking is verboden; 3° in afwijking van de bepaling onder 2°: a) is de rechtstreekse afvoer van runderen naar een door het Agentschap aangeduid binnenlands slachthuis toegelaten mits ze vergezeld zijn van een schriftelijke toelating van het Agentschap; b) kan het Agentschap toestemming geven voor de afvoer van mannelijke kalveren naar een afmestbeslag waarvan de statuts ook zal worden opgeschort overeenkomstig artikel 23 van gedelegeerde veror dening (EU) 2020/689. § 2. Het Agentschap heft de verdenking op indien alle in § 1, 1°, van dit artikel bedoelde onderzoeken volgens de in artikel 5,§ 1, bedoelde methoden een negatief resultaat hebben opgeleverd. De beslagen behorend tot de inrichting herwinnen het statuut “vrij van E.B.L.”. Afdeling 2. — Maatregelen bij verdenking van E.B.L. op een contactin richting Art. 14. § 1. De inrichtingen die door het epidemiologisch onder zoek uitgevoerd door het Agentschap in toepassing van artikel 12, 3° worden aangeduid als contactinrichtingen worden onder verdenking geplaatst en deze dienen een serologische onderzoek uit te voeren. § 2. In afwachting van de resultaten van de analyses bedoeld in paragraaf 1, wordt het statuut “vrij van E.B.L.” van de beslagen behorend tot de inrichting geschorst. § 3. Elke aan- en afvoer van runderen naar en van de contactinrich ting is verboden, uitgezonderd de afvoer naar een toegelaten nationaal slachthuis om hier onverwijld te worden geslacht en mits een schriftelijke toelating van het Agentschap. § 2. L’échantillonnage aléatoire se déroule de la manière suivante : 1°Analyse sérologique réalisée lors de mouvement de bovin prove nant des pays à risque de L.B.E. visés à l’art.22, § 2 ; 2° Suivi sérologique de ces bovins provenant de pays à risque, pendant 3 années, au cours du monitoring hivernal; 3° Analyses réalisées sur des échantillons de sang prélevés lors du monitoring hivernal sur une sélection de bovins établie par l’Agence . § 3. L’examen post-mortem officiel est effectué sur tous les bovins âgés de plus de 24 mois abattus en Belgique. Afin de confirmer ou exclure la présence de L.B.E., des échantillons de tous les bovins présentant des tumeurs suggérant la présence de L.B.E. sont soumis à un examen de laboratoire. CHAPITRE 5. — Mesures de lutte Section 1re. — Mesures en cas de suspicion de L.B.E. dans un établissement Art. 11. Lorsque l’Agence reçoit la notification d’un résultat positif à un des tests visés à l’article 5,§ 2, ou lorsqu’un (des) animal(aux) est (sont) trouvé(s) ″suspect(s) d’être infecté(s) de L.B.E.″ dans l’un des troupeaux de l’établissement, elle place l’établissement concerné sous suspicion. Art. 12. L’Agence prend les mesures suivantes dans l’établissement sous suspicion : 1° le statut «indemne L.B.E.» des troupeaux appartenant à l’établis sement est suspendu ; 2.°elle informe l’opérateur et le vétérinaire d’exploitation de la date de suspension, précise le délai maximal de la suspension du statut indemne L.B.E. et décrit les mesures visées à l’article 13 ; 3.°elle réalise une enquête épidémiologique. En fonction des résultats de l’enquête épidémiologique, l’Agence peut imposer les mesures supplémentaires qu’elle juge utiles pour prévenir l’extension éventuelle de la maladie dans le cadre des dispositions de l’article 18, alinéa 1, sous a), point v) du règlement 2020/689. Art. 13. § 1er . Dans un établissement sous suspicion, les mesures suivantes sont d’application : 1° tous les bovins de douze mois ou plus présents dans l’établisse ment doivent faire l’objet d’un bilan sérologique dans les 8 jours suivant la notification de l’Agence ; 2° tout mouvement de bovins à partir de ou vers l’établissement sous suspicion est interdit ; 3° par dérogation au 2 : a) le transport direct d’animaux vers un abattoir national désigné par l’Agence est autorisé si les animaux sont accompagnés d’une autorisa tion écrite de l’Agence ; b) l’Agence peut autoriser les mouvements de veaux mâles vers un troupeau d’engraissement dont le statut sera suspendu conformément à l’article 23 du règlement délégué (UE) 2020/689. § 2. L’Agence lève la suspicion si l’ensemble des examens visés au paragraphe 1, 1° du présent article, conformément aux méthodes mentionnées à l’article 5, § 1 , ont donné un résultat négatif. Les troupeaux appartenant à l’établissement reçoivent de nouveau le statut «indemne de L.B.E. ». Section 2. — Mesures en cas de suspicion de LBE dans un établissement de contact Art. 14. § 1er. Les établissements désignés par l’enquête épidémio logique menée par l’Agence en application de l’article 12,3° comme établissements de contact sont placés sous suspicion et font l’objet d’un bilan sérologique. § 2. Dans l’attente des résultats des analyses visées au paragraphe 1er, le statut « indemne de L.B.E. » des troupeaux appartenant à l’établis sement est suspendu. § 3. Tout mouvement d’animaux à partir de ou vers l’établissement de contact est interdit sauf à destination d’un abattoir national autorisé pour y être abattu sans délai et sous couvert d’un sauf-conduit délivré par l’Agence. 13057BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE § 4. Het Agentschap heft de verdenking op indien alle onderzoeken bedoeld in paragraaf l, uitgevoerd volgens de methoden bedoeld in artikel 5, § 1, een negatief resultaat hebben gegeven. § 5. Het Agentschap stelt de exploitant en zijn bedrijfsdierenarts in kennis van het in paragraaf 4 bedoelde besluit en heft de maatregelen genomen en opgelegd in toepassing van paragraaf 3 op. De beslagen behorend tot de inrichting krijgen opnieuw het statuut “vrij van E.B.L.” toegekend. Afdeling 3. — Maatregelen in geval van een haard van E.B.L. in een inrichting Onderafdeling 1. — Haard Art. 15. § 1. Zodra de analyses van het N.R.L de aanwezigheid van het E.B.L. virus bevestigen, verklaart het Agentschap de inrichting tot haard en bepaalt er de grenzen van. Het statuut “ vrij van E.B.L.” van alle beslagen behorend tot de inrichting wordt ingetrokken. Het Agentschap brengt de exploitant en zijn bedrijfsdierenarts, mondeling en schriftelijk op de hoogte van de bevestiging van de haard en deelt hen de maatregelen mee die zijn voorgeschreven in de haard. Art. 16. In de haard zijn de volgende maatregelen van toepassing: 1° alle runderen besmet door E.B.L. en al hun nakomelingen jonger dan 24 maanden dienen afgeslacht te worden. In afwachting van hun afslachting, worden deze runderen in de inrichting in isolatie geplaats; In afwijking van het eerste lid, mogen afstammelingen van vrouwe lijke dieren die een positief resultaat vertoonden in een serologische screeningstest voor E.B.L. of die typische letsels vertonen van E.B.L. gehouden worden in de inrichting overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, deel III, sectie 4, punt 4 van de gedelegeerde verordening ( EU) 2020/689. De nakomelingen van verkochte runderen aangetast door E.B.L. worden opgespoord en geslacht; 2° elke aan- en afvoer van runderen naar en van de haard, is verboden; 3° melk van koeien aangetast door E.B.L. mag uitsluitend worden gebruikt voor diervoeder na een adequate warmtebehandeling die de inactivatie van het pathogeen garandeert. Indien dit niet mogelijk is, dient de melk vernietigd te worden; 4° de exploitant dient de dood van elk rund op zijn inrichting te melden aan het Agentschap; 5° In afwijking van punt 2°: a) is de rechtstreekse afvoer van runderen naar een door het Agentschap toegelaten binnenlands slachthuis toegelaten mits ze vergezeld zijn van een schriftelijke toelating van het Agentschap ; b) kan het Agentschap toestemming geven het vervoer van manne lijke kalveren die negatief getest zijn naar een afmestbeslag waarvan de statuts ook zal worden ingetrokken overeenkomstig artikel 29 van gedelegeerde verordening (EU) 2020/689. Het Agentschap kan overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder a), punt v), van verordening 2020/689 alle aanvullende maatregelen opleggen die het nodig acht om de mogelijke verspreiding van de ziekte te voorkomen. Onderafdeling 2. — Afslachting op bevel Art. 17. § 1. Rekening houdend met de specificiteit van de inrich ting, het epidemiologisch onderzoek, de specifieke context en de risicoanalyse, wordt een plan van afvoer opgemaakt voor het beslag. Het Agentschap beslist over een totale of een partiële afslachting van de runderen aanwezig op de inrichting. § 2. Het Agentschap overhandigt het bevel tot afslachting van de runderen opgenomen in het plan van afvoer, aan de exploitant van de inrichting. Art. 18. § 1. Elk rund waarvoor een slachtbevel is uitgevaardigd, wordt geïsoleerd van de andere runderen van de inrichting en dient, zoals bedoeld in artikel 17, § 2, geslacht te zijn uiterlijk der tig kalenderdagen na het uitvaardigen van het slachtbevel . § 2. Het verzegeld vervoer naar het aangewezen slachthuis dient te gebeuren volgens de bepalingen van de artikelen 35 tot en met 37 van het koninklijk besluit van 17 januari 2021 betreffende de bestrijding van rundertuberculose. § 4. La suspicion est levée par l’Agence si l’ensemble des examens visés au paragraphe 1er , conformément aux méthodes visées à l’article 5, § 1er , ont donné un résultat négatif. § 5. L’Agence informe l’opérateur et son vétérinaire d’exploitation de la décision visée au paragraphe 4 et lève les mesures prises et imposées en application du paragraphe 3. Les troupeaux appartenant à l’établissement reçoivent de nouveau le statut «indemne de L.B.E. ». Section 3. — Mesures en cas de foyer de L.B.E. dans un établissement Sous-section 1re. — Foyer Art. 15. § 1er . Dès que les analyses du L.N.R. confirment « la présence du virus de L.B.E. », l’Agence déclare l’établissement comme foyer et en définit les limites. Le statut «indemne de L.B.E » de tous les troupeaux appartenant à l’établissement est retiré. L’Agence notifie oralement et par écrit à l’exploitant et à son vétérinaire d’exploitation la confirmation du foyer et les informe des mesures prescrites dans le foyer. Art. 16. Les mesures suivantes sont d’application dans le foyer : 1° tous les bovins de l’établissement qui sont infectés par la L.B.E. et tous leurs descendants âgés de moins de 24 mois sont abattus. En attendant leur abattage, ces bovins sont placés en isolement dans les locaux de l’établissement ; Par dérogation à l’alinéa 1er, les descendants de femelles qui ont présenté un résultat positif à un test sérologique de dépistage de la L.B.E. ou qui ont présenté des lésions caractéristiques de la L.B.E. peuvent être maintenus dans l’établissement conformément aux dispo sitions de l’annexe IV, partie III, section 4, point 4 du règlement délégué (UE) 2020/689. Les descendants de bovins positifs à L.B.E. vendus sont recherchés et abattus ; 2° tout mouvement de bovins à partir du ou vers le foyer est interdit ; 3° le lait provenant de vaches atteintes de L.B.E. ne peut être utilisé pour l’alimentation animale qu’après un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène. Si cela n’est pas possible, le lait doit être détruit ; 4° l’opérateur notifie à l’Agence la mort de tout bovin de son établissement ; 5° par dérogation au point 2° : a) le transport direct est autorisé par l’Agence pour des bovins à partir de l’établissement vers un abattoir national autorisé pour y être abattu sans délai et sous couvert d’un sauf-conduit délivré par l’Agence ; b) l’Agence peut autoriser les mouvements de veaux mâles dont les résultats des tests sont négatifs vers un troupeau d’engraissement dont le statut sera retiré conformément aux dispositions de l’article 29 du règlement délégué (UE) 2020/689. L’Agence peut imposer les mesures supplémentaires qu’elle juge utiles pour prévenir l’extension éventuelle de la maladie dans le cadre des dispositions de l’article 18, 1 a), point v) du règlement 2020/689. Sous-section 2. — Abattage par ordre Art. 17. § 1er . En tenant compte des paramètres de l’établissement, de l’enquête épidémiologique, du contexte spécifique et de l’analyse de risque, un plan d’assainissement du troupeau est établi. L’Agence décide de l’abattage total ou partiel des bovins présents dans l’établis sement. § 2. L’Agence remet à l’opérateur de l’établissement l’ordre d’abat tage des bovins repris dans le plan d’assainissement. Art. 18. § 1er . Tout bovin pour lequel un ordre d’abattage est délivré, est isolé des autres bovins de l’établissement et abattu au plus tard dans les 30 jours calendrier qui suivent la remise de l’ordre d’abattage visé à l’article 17, § 2. § 2. Le transport scellé vers l’abattoir désigné se déroule conformé ment aux dispositions visées aux articles 35 à 37 de l’arrêté royal du 17 janvier 2021 relatif à la lutte contre la tuberculose bovine. 13058 BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE Onderafdeling 3. — Vrijgeven van de haard Art. 19. Het Agentschap heft de maatregelen in de haard op en beslist tot vrijgave van de haard wanneer: 1° alle runderen in de haard afgeslacht zijn en ; 2° De in artikel 21 bedoelde reinigings- en ontsmettingsmaatregelen worden nageleefd. Art. 20. § 1. Wanneer niet alle runderen zijn afgeslacht moet de exploitant, na de afslachting van het laatste rund opgenomen in het plan van afvoer, zijn beslag door de bedrijfsdierenarts laten onderzoe ken. Alle runderen van twaalf maanden of ouder worden onderworpen aan 2 serologische onderzoeken met een interval van vier maanden, waarbij de eerste onderzoek wordt uitgevoerd ten vroegste vier maanden nadat het laatste te slachten rund de inrichting heeft verlaten en een tweede onderzoek, vier maanden later. § 2. Het Agentschap heft de maatregelen op en geeft de haard vrij wanneer: 1° alle runderen aangetast door E.B.L. en al hun nakomelingen jonger dan 24 maanden zijn afgeslacht; 2° de resultaten van de analyses bedoeld in paragraaf 1 de afwezigheid van E.B.L. bevestigt ; 3° De in artikel 21 bedoelde reinigings- en ontsmettingsmaatregelen worden nageleefd. § 3. Van zodra het Agentschap de maatregelen opheft en de haard vrij geeft, stelt het de exploitant en de bedrijfsdierenarts daarvan monde ling en schriftelijk in kennis. Het Agentschap kent opnieuw het statuut « vrij van E.B.L. » toe aan de beslagen behorend tot de inrichting. Onderafdeling 4. — Reiniging en ontsmetting en andere maatregelen om de uitbreiding van de besmetting te voorkomen Art. 21. § 1. Elke exploitant van een inrichting die tot haard verklaard werd of een inrichting die dieren heeft binnengebracht uit een inrichting die door het Agentschap op basis van het epidemiolo gisch onderzoek aangeduid is als haard, dient de volgende maatregelen te nemen : 1° een grondige reiniging en ontsmetting, onmiddellijk na het afvoeren van alle vermoedelijke en bevestigde gevallen en vóór de herbevolking, van a) alle delen en structuren van de inrichting waar vermoedelijke en bevestigde gevallen verbleven hebben; b) alle voorzieningen, vervoermiddelen, laadkisten, kooien of laad manden en uitrusting, na het vervoer van dieren of producten vanuit besmette inrichtingen ; c) Laad-of losplaatsen voor dieren ; 2° een veilige verwijdering van de inrichting van alle diervoeders, mest, strooisel, materialen, stoffen en uitrusting gebruikt die mogelijk zijn besmet. § 2. Het protocol voor reiniging en ontsmetting moet voordien door het Agentschap goedgekeurd worden. § 3 In geval van een sanitaire leegstand als gevolg van een afslachting op bevel moet de reiniging en ontsmetting van de inrichting zo snel mogelijk worden uitgevoerd nadat het het laatste dier waarop het slachtbevel betrekking heeft is verwijderd en uiterlijk binnen een termijn van maximaal eenentwintig dagen. Na afloop van de reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden moet een leegstand van eenentwintig dagen worden gerespecteerd. HOOFDSTUK 6. — Verplaatsingen en verhandeling Art. 22. § 1. Alleen runderen van een beslag met een statuut “vrij van E.B.L.” mogen zonder aankooponderzoek binnengebracht worden in een beslag met een statuut “vrij van E.B.L.” § 2. Bij het verwerven van elk rund uit een Lidstaat of regio die niet officieel vrij is van E.B.L. , elke Lidstaat die het voorwerp heeft uitgemaakt van een risicoanalyse van het Agentschap of bij import uit een derde land, moet de exploitant binnen de achtenveertig uur beroep doen op zijn bedrijfsdierenarts om onderzoeken te verrichten en bloedmonsters te nemen die nodig zijn voor de diagnose van E.B.L. Sous-section 3. — Libération du foyer Art. 19. L’Agence lève les mesures dans le foyer et décide la libération du foyer lorsque : 1° tous les bovins du foyer sont abattus et ; 2°. Les mesures de nettoyage et désinfection visées à l’article 21 sont respectées. Art. 20. § 1er . Lorsque tous les bovins ne sont pas abattus, l’opérateur est tenu, après l’abattage du dernier bovin repris dans le plan d’assainissement de faire examiner tout son troupeau par le vétérinaire d’exploitation. Tous les bovins âgés de 12 mois ou plus sont soumis à 2 bilans sérologiques à 4 mois d’intervalle, le premier bilan étant effectuée quatre mois après le départ de l’établissement du dernier bovin à abattre par ordre et le deuxième bilan, quatre mois plus tard. § 2. L’Agence lève les mesures et libère le foyer lorsque: 1° tous les bovins atteints de L.B.E. et que tous leurs descendants de moins de 24 mois ont été abattus ; 2° les résultats des analyses visées au paragraphe 1er confirme l’absence de L.B.E.; 3°. Les mesures de nettoyage et désinfection visées à l’article 21 sont respectées. § 3. Dès que l’Agence lève les mesures et décide de la libération du foyer, elle en informe oralement et par écrit l’opérateur et le vétérinaire d’exploitation. L’Agence attribue à nouveau le statut « indemne de L.B.E.» à tous les troupeaux appartenant à l’établissement. Sous-section 4. — Nettoyage, désinfection et autres mesures permettant de prévenir la propagation de la contamination Art. 21. § 1. Tout opérateur d’un établissement déclaré foyer ou ayant introduit des animaux en provenance d’un établissement déclaré foyer par l’Agence sur base de l’enquête épidémiologique, prend les mesures suivantes : 1° un nettoyage et une désinfection en profondeur directement après l’enlèvement des cas suspects et confirmés et avant le repeuplement, de : a) toutes les parties et structures de l’établissement où des cas suspects ou confirmés ont séjourné ; b) toutes les installations, moyens de transport, bacs, cages ou paniers de chargement et équipements, à la suite du transport d’animaux ou de produits provenant d’établissements infectés ; c) des zones de chargement ou déchargement des animaux ; 2° une élimination sûre de l’établissement de tous les aliments pour animaux, fumiers, litières, matériaux, substances et équipements utili sés qui pourraient avoir été contaminés. § 2. Le protocole de nettoyage et de désinfection doit être approuvé au préalable par l’Agence. § 3. En cas de vide sanitaire suite à un ordre d’abattage, le nettoyage et la désinfection de l’établissement doivent être réalisés dans un délai maximal de vingt et un jours suivant l’élimination du dernier animal concerné par l’ordre d’abattage ou de destruction. Un vide sanitaire de vingt-et-un jours doit être respecté après la fin des opérations de nettoyage et de désinfection. CHAPITRE 6. — Echanges et commercialisation Art. 22. § 1er. Seuls des bovins provenant d’un troupeau possédant le statut «indemne de L.B.E. » peuvent être introduits dans un troupeau ayant le statut «indemne de L.B.E. » sans examen à l’achat. § 2. Lors de l’acquisition de tout bovin provenant d’un Etat membre ou d’une région non officiellement indemne de L.B.E, de tout Etat membre qui a fait l’objet d’une analyse de risque par l’Agence ou importé d’un pays-tiers, l’opérateur est tenu de faire appel à son vétérinaire d’exploitation dans les quarante-huit heures afin de réaliser les examens et prélèvements sanguins requis au diagnostic de la L.B.E. 13059BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE De aangevoerde dieren worden in isolatie geplaatst tot alle resultaten van de verplichte aankoop-onderzoeken gekend zijn. HOOFDSTUK 7. — Bijzondere bepalingen Art. 23. De exploitant en de bedrijfsdierenarts volgen de verplich tingen beschreven in artikel 61 en 62 van het koninklijk besluit van 17 januari 2021 betreffende de bestrijding van rundertuberculose. HOOFDSTUK 8. — Vergoedingen Art. 24. § 1. Binnen de perken van de budgettaire kredieten en voor zover een rund wordt afgeslacht overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3, kent het Sanitair Fonds aan de exploitant een vergoeding toe die berekend wordt volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 november 1991, betreffende de schatting van en de vergoeding voor runderen afgeslacht in het kader van de gezondheidspolitie. § 2. Onverminderd de toepassing van de strafbepalingen verliest de exploitant elk recht op vergoeding indien de bepalingen van dit besluit niet werden nageleefd of de instructies van het Agentschap in uitvoering van dit besluit niet werden opgevolgd. Art. 25. § 1. Binnen de perken van het daartoe bestemde begrotings artikel kent het Sanitair Fonds de volgende vergoedingen toe aan de bedrijfsdierenarts voor elke afname van bloed en/of een andere substantie bij een dier met het oog op de diagnose van E.B.L : 1. per bezoek aan een beslag : 33,44 euro exclusief btw; 2. voor elk bemonsterd rund : 3, 33 euro exclusief btw. Het bedrag van deze vergoedingen dekt alle kosten van bezoeken, reizen en verzending van monsters naar het erkende laboratorium. Deze vergoedingen worden rechtstreeks aan de bedrijfsdierenartsen betaald op basis van driemaandelijkse declaraties die door het Agent schap naar behoren worden gestaafd en voor juist worden verklaard. De kwartaaloverzichten moeten LCE bereiken binnen 60 kalenderda gen na de laatste dag van het kwartaal waarop zij betrekking hebben. De onder 1. en 2. vermelde vergoedingen worden jaarlijks aangepast op basis van de gezondheidsindex van de maand juli van het lopende jaar. De nieuwe indexering van de vergoedingen gaat in op 1 oktober van elk jaar. § 2. Dit artikel is niet van toepassing op de onderzoeken en noodzakelijke bemonsteringen voor de diagnose van E.B.L uitgevoerd bij de aankoop van een rund op vraag van de koper. Art. 26. Voor elke schatting van een rund waarvoor een afslachtings bevel werd opgemaakt ontvangt de deskundige aangesteld door de Minister een vergoeding overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de vacaties van de deskundigen die schatting van dieren uitvoeren voor het Begrotings fonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten alsmede voor reiskosten overeenkomstig de bepalingen van het koninlijk besluit van 28 november 1991 betreffende de evaluatie van en de vergoeding voor runderen die zijn geslacht in het kader van het gezondheidsbeleid voor huisdieren. HOOFDSTUK 9. — Slotbepalingen Art. 27. Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 16 december 1991 betreffende de bestrijding van runderleucose; 2° het ministerieel besluit van 13 maart 1995 houdende uitvoering van artikel 28 van het koninklijk besluit van 16 decem ber 1991 betreffende de bestrijding van de runderleucose. Art. 28. De minister bevoegd voor Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 18 januari 2024. FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL Les animaux nouvellement arrivés sont placés en isolement jusqu’à ce que tous les résultats des examens obligatoires à l’achat soient connus. CHAPITRE 7. — dispositions particulières Art. 23. L’opérateur et le vétérinaire d’exploitation suivent les obligations décrites aux articles 61 et 62 de l’arrêté royal du 17 jan vier 2021 relatif à la lutte contre la tuberculose bovine. CHAPITRE 8. — Indemnisations Art. 24. § 1er Dans les limites des crédits budgétaires et pour autant qu’un bovin soit abattu conformément aux dispositions de la section 3, le Fonds Sanitaire octroie à l’opérateur une indemnité calculée selon les dispositions de l’arrêté royal du 28 novembre 1991 relatif à l’expertise et à l’indemnisation des bovins abattus dans le cadre de la police sanitaire. § 2. Sans préjudice de l’application des dispositions pénales, l’opérateur perd tout droit à l’indemnité s’il ne respecte pas les dispositions du présent arrêté ou s’il ne respecte pas les instructions données par l’Agence. Art. 25. § 1er . Dans les limites de l’article budgétaire prévu à cette fin, le Fonds Sanitaire octroie aux vétérinaires d’exploitation les indemnités suivantes pour le prélèvement de sang et/ou de toute autre substance en vue du diagnostic de L.B.E, effectué sur des animaux : 1. par visite de troupeau : 33,44 euros HT.V.A. ; 2. pour chaque bovin faisant l’objet d’un prélèvement : 3,33 euros HT.V.A.. Le montant de ces indemnités couvre tous les frais de vacations, déplacements et envois des échantillons au laboratoire agréé. Ces indemnités sont payées directement aux vétérinaires d’exploita tion au vu d’états trimestriels dûment justifiés et certifiés exacts par l’Agence. Les états trimestriels doivent parvenir à ULC dans les soixante jours calendrier suivant le dernier jour du trimestre auxquels ils se rapportent. Les indemnités mentionnées aux 1. et 2. sont annuellement ajustées sur base de l’indice de santé du mois de juillet de l’année en cours. La nouvelle indexation des indemnités entre en application le 1er octobre de chaque année. § 2. Le présent article ne s’applique pas aux examens et prélèvements nécessaires au diagnostic de la L.B.E. effectués à l’achat d’un bovin à la demande de l’acquéreur. Art. 26. Il est alloué à l’expert désigné par le Ministre des indemnités pour l’expertise des bovins devant être abattus par « ordre d’abattage », conformément aux dispositions de l’arrêté royal du 19 avril 2014 relatif aux vacations des experts chargés de l’estimation des animaux pour le Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux ainsi que pour les frais de déplacement conformément aux dispositions de l’arrêté royal du 28 novembre 1991 relatif à l’expertise et à l’indemnisation des bovins abattus dans le cadre de la police sanitaire des animaux domestiques. CHAPITRE 9. — Dispositions finales Art. 27. Sont abrogés : 1° l’arrêté royal du 16 décembre 1991 relatif à la lutte contre la leucose bovine ; 2° l’arrêté ministériel du 13 mars 1995 relatif à l’application de l’article 28 de l’arrêté royal du 16 décembre 1991 relatif à la lutte contre la leucose bovine. Art. 28. Le ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 18 janvier 2024. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL 13060 BELGISCH STAATSBLAD — 05.02.2024 — MONITEUR BELGE

Arrêté royal relatif à la lutte contre la leucose bovine enzootique · Nelum