跳到主要内容
Nelum
比利时的法律

Arrêté royal relatif à la lutte contre la brucellose bovine, ovine et caprine

颁布于 2023-12-11 · 文本截至 2026-10-01

以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。

研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。

关于这部法律

语言
French
类型
条例
国家
比利时
主题
Livestock, Food and nutrition
关键词
animal health, animal feed/feedstuffs, authorization/permit, cattle, data collection/reporting, disinfection/disinfestation, internal trade, monitoring, procedural matters, sheep/goats, slaughtering, subsidy/incentive, transport/storage, milk/dairy products

在哪里阅读

文本

所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。

  1. Art. 2. De minister bevoegd voor Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 26 november 2023. FILIP Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, F. VANDENBROUCKE * FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2023/47543] 26 NOVEMBER 2023. — Koninklijk besluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 177 en 179 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, voor het beroep van praktijkassistent FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, artikel 183; Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd op 13 juli 2023 overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging; Gelet op het advies nr. 74.462/2 van de Raad van State, gegeven op 10 oktober 2023, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 18 juli 2023; Overwegende op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting van 26 augustus 2023; Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De artikelen 177 en 179 van de wet van 25 januari 1999 hou dende sociale bepalingen treden in werking, voor het beroep van praktijkassistent, op 1 mei 2024. Art. 2. De minister bevoegd voor Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 26 november 2023. FILIP Van Koningswege : De Minister van Volksgezondheid, F. VANDENBROUCKE * FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIG HEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU EN FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN [C − 2023/48369] 11 DECEMBER 2023. — Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van de runder-, schapen- en geitenbrucellose FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid; Gelet op de gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten; Art. 2. Le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 26 novembre 2023. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre de la Santé publique, F. VANDENBROUCKE SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2023/47543] 26 NOVEMBRE 2023. — Arrêté royal fixant la date d’entrée en vigueur des articles 177 et 179 de la loi du 25 janvier 1999 portant des dispositions sociales, pour la profession d’assistant de pratique PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 25 janvier 1999 portant des dispositions sociales, l’article 183; Vu l’analyse d’impact de la réglementation réalisée le 13 juillet 2023 conformément aux articles 6 et 7 de la loi du 15 décembre 2013 portant des dispositions diverses en matière de simplification administrative ; Vu l’avis n° 74.462/2 du Conseil d’Etat, donné le 10 octobre 2023, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973 ; Considérant l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 18 juillet 2023; Considérant l’accord de la Secrétaire d’Etat au Budget, donné le 26 août 2023 ; Sur la proposition du Ministre de la Santé publique et de l’avis des Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Les articles 177 et 179 de la loi du 25 janvier 1999 portant des dispositions sociales entrent en vigueur, pour la profession d’assistant de pratique, le 1er mai 2024. Art. 2. Le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 26 novembre 2023. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre de la Santé publique, F. VANDENBROUCKE SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT ET AGENCE FEDERALE POUR LA SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE [C − 2023/48369] 11 DECEMBRE 2023. — Arrêté royal relatif à la lutte contre la brucellose bovine, ovine et caprine PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu le règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale ; Vu le règlement délégué (UE) 2020/689 de la Commission du 17 décembre 2019 complétant le règlement (UE) 2016/429 du Parle ment européen et du Conseil en ce qui concerne les règles applicables à la surveillance, aux programmes d’éradication et au statut « indemne » de certaines maladies répertoriées et émergentes ; 121039MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD Gelet op de Grondwet, artikel 108; Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, artikel 3, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, artikel 4, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 7, laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, de artikelen 8 en 9, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 14, § 1, gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 15, 1°, laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022, artikel 18 en artikel 18bis, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022; Gelet op de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, de artikelen 4, vierde lid, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014; Gelet op de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, artikel 4, 1°, laatst gewijzigd bij de wet van 12 juli 2022; Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de voedselketen, artikel 4, § 3, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 13 april 2019, en § 6, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2001 en aangevuld bij de wet van 9 juli 2004; Gelet op het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van runderbrucellose; Gelet op het koninklijk besluit van 6 december 1978 tot bevordering van de runderbrucellosebestrijding; Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot bevordering van de bestrijding van de brucellose van schapen en geiten; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agent schap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 2, d); Gelet op het koninklijk besluit van 10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond-en klauwzeer, artikel 77 en artikel 78, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 april 2014; Gelet op het ministerieel besluit van 22 oktober 1979 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose; Gelet op het ministerieel besluit van 8 april 1988 houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de runderbrucellose; Gelet op het ministerieel besluit van 28 januari 1989 houdende vastlegging van de modaliteiten voor de erkenning van vetmestings centra en de overbrenging van runderen in het kader van de zonale bestrijding van de runderbrucellose; Gelet op het ministerieel besluit van 6 augustus 1991 ter bepaling van het bedrag, de voorwaarden en de toekenningsvoorwaarden van de opstalvergoeding bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de aanmoediging van de bestrijding van de runderbrucellose; Gelet op het advies nr. 07-2022 van het Wetenschappelijk Comité ingesteld bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 25 maart 2022; Gelet op de adviezen van de inspecteur van Financiën van FOD VVVL, gegeven op 30 maart 2022 en op 14 april 2023 en het advies van de inspecteur van Financiën van FAVV gegeven op 19 augustus 2022 ; Gelet op het advies van de Raad van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, gegeven op 30 maart 2023 ; Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale Overheid van 21 juni 2023; Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begro ting, gegeven op 27 juni 2023 ; ‘ Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeen komstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging; Gelet op advies 74.637/3 van de Raad van State, gegeven op 6 november 2023, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Vu la Constitution, l’article 108 ; Vu la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, l’article 3, modifié par la loi du 29 décembre 1990, l’article 4, modifié par la loi du 12 juillet 2022, l’article 7, modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022, les articles 8 et 9, modifiés par la loi du 12 juillet 2022, l’ article 14, § 1, modifié par la loi du 12 juillet 2022, l’article 15, 1°, modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022, l’article 18 et l’article 18bis, inséré par la loi du 29 décembre 1990 et modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022 ; Vu la loi du 28 août 1991 sur l’exercice de la médecine vétérinaire, les articles 4, alinéa 4, remplacé par la loi du 27 décembre 2005 et modifié par la loi du 19 mars 2014 ; Vu la loi du 23 mars 1998 relative à la création d’un Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, l’article 4, 1°, modifié en dernier lieu par la loi du 12 juillet 2022 ; Vu la loi du 4 février 2000 relative à la création de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la chaîne alimentaire, l’article 4, § 3, modifié par les lois des 22 décembre 2003 et 13 avril 2019, et § 6, inséré par la loi du 13 juillet 2001 et complété par la loi du 9 juillet 2004 ; Vu l’arrêté royal du 6 décembre 1978 relatif à la lutte contre la brucellose bovine ; Vu l’arrêté royal du 6 décembre 1978 relatif à l’encouragement de la lutte contre la brucellose bovine ; Vu l’arrêté royal du 8 août 1997 relatif à l’encouragement de la lutte contre la brucellose des ovins et des caprins ; Vu l’arrêté royal du 16 novembre 2001 confiant à l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire des missions complémentai res, l’article 2,d) ; Vu l’arrêté royal du 10 octobre 2005 relatif à la lutte contre la fièvre aptheuse, l’article 77 et l’article 78, modifié par l’arrêté royal du 19 avril 2014 ; Vu l’arrêté ministériel du 22 octobre 1979 relatif à la lutte contre la brucellose bovine ; Vu l’arrêté ministériel du 8 avril 1988 portant des mesures temporai res de lutte contre la brucellose bovine ; Vu l’arrêté ministériel du 28 janvier 1989 établissant les modalités d’agrément des centres d’engraissement et de transfert des bovins dans le cadre de la lutte zonale contre la brucellose bovine ; Vu l’arrêté ministériel du 6 août 1991 déterminant le montant, les conditions et les modalités d’octroi de l’indemnité de séquestration visée à l’article 4 de l’arrêté royal du 6 décembre 1978 relatif à l’encouragement de la lutte contre la brucellose bovine ; Vu l’avis n° 07-2022 du Comité Scientifique institué auprès de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne Alimentaire, donné le 25 mars 2022 ; Vu les avis de l’Inspecteur des Finances du SPF SPSCAE, donnés le 30 mars 2022 et le 14 avril 2023 et l’avis de l’Inspecteur des Finances de l’AFSCA donné le 19 août 2022 ; Vu l’avis du Conseil du Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, donné le 30 mars 2023 ; Vu la concertation entre les Gouvernements régionaux et l’Autorité fédérale du 21 juin 2023 ; Vu l’accord de la Secrétaire d’Etat au Budget, donné le 27 juin 2023 ; Vu l’analyse d’impact de la réglementation réalisée conformément aux articles 6 et 7 de la loi du 15 décembre 2013 portant des dispositions diverses en matière de simplification administrative; Vu l’avis 74.637/3 du Conseil d’Etat, donné le 6 novembre 2023, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er , 2°, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973; 121040 MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD Op de voordracht van de Minister van Landbouw en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. — Algemene bepalingen Afdeling 1. — Doel - toepassingsgebied - definities Artikel 1. Dit besluit stelt de voorschriften vast voor het behoud van de status “vrij van brucellose” van België en de maatregelen die moeten worden genomen in geval van verdenking of bevestiging van brucel lose, naast de voorschriften die zijn vastgelegd in: 1° de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid; 2° de gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten. Art. 2. Dit besluit is van toepassing op alle inrichtingen op het Belgische grondgebied waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, met uitzondering van geconsigneerde inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 4, 48) van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid. Art. 3. § 1. Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities uit de in artikel 1 vermelde Europese regelgeving. § 2. Daarnaast gelden voor de toepassing van dit besluit de volgende definities : 1° Gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 : gedelegeerde verorde ning (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking en uitroeiings programma’s en de ziekte vrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten; 2° Brucellose agens: de Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bacterie; 3° Dier: rund, schaap of geit; 4° Dier verdacht aangetast door brucellose: elk dier a. waarvan het klinisch onderzoek op brucellose wijst en; b. waarvan het resultaat van één of meerdere diagnostische metho den als bedoeld in artikel 5,§ 2, wijst op de waarschijnlijke aanwezig heid van brucellose in een monster dat van dat dier of die groep dieren is genomen en/of; c. waarbij er een epidemiologisch verband met een bevestigd geval is vastgesteld; 5° Dier aangetast door brucellose: elk dier waarbij a. het brucellose-agens werd geïsoleerd uit een monster van dit dier, of bij een groep dieren ; b. een antigeen of nucleïnezuur van het brucelloseagens is geïdenti ficeerd in een monster dat van dat dier of bij een groep dier is genomen, en die klinische symptomen vertonen of een epidemiologisch verband vertonen met een vermoedelijk of bevestigd geval, of c. een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode is verkregen in een monster van dat dier of bij een groepen dier in een haard; 6° N.R.L.: Nationaal Referentielaboratorium; 7° Erkend laboratorium: laboratorium erkend door het Agentschap in toepassing van het koninklijk besluit van 3 augustus 2012 betreffende de erkenning van de laboratoria die analyses uitvoeren in verband met de veiligheid van de voedselketen; 8° Verwerping: uitdrijving van elke niet-levensvatbare foetus, met inbegrip van doodgeboorten en niet-levensvatbare pasgeborenen die binnen 48 uur na de geboorte zijn overleden; 9° Abortusprotocol: protocol tussen het Agentschap en de erkende verenigingen met als doel het opsporen van de oorzakelijke pathoge nen van de verwerpingen; Sur la proposition du Ministre de l’Agriculture et de l’avis des Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE 1er. — Dispositions générales Section 1re. — Objet - champ d’application - définitions Article 1er. Le présent arrêté fixe les règles pour le maintien du statut « indemne de brucellose » de la Belgique ainsi que les mesures à mettre en œuvre en cas de suspicion ou de confirmation de la brucellose, en complément des règles fixées dans : 1° le règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale ; 2° le règlement délégué (UE) 2020/689 de la Commission du 17 décembre 2019 complétant le règlement (UE) 2016/429 du Parle ment européen et du Conseil en ce qui concerne les règles applicables à la surveillance, aux programmes d’éradication et au statut « indemne » de certaines maladies répertoriées et émergentes. Art. 2. Le présent arrêté s’applique à tous les établissements situés sur le territoire belge détenant des bovins, ovins ou caprins à l’exception des établissements fermés tels que définis à l’article 4, 48) du règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale. Art. 3. § 1er. Pour l’application du présent arrêté, les définitions des réglementations européennes mentionnées à l’article premier s’appli quent. § 2. En outre, pour l’application du présent arrêté, on entend par : 1° Règlement délégué (UE) 2020/689 : règlement délégué (UE) 2020/689 de la Commission du 17 décembre 2019 complétant le règlement (UE) 2016/429 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les règles applicables à la surveillance, aux programmes d’éradication et au statut « indemne » de certaines maladies réperto riées et émergentes ; 2° Agent de la brucellose: la bactérie Brucella abortus, B. melitensis et B. suis ; 3° Animal : bovin, ovin ou caprin ; 4° Animal suspect d’être atteint de brucellose: chaque animal a. dont les examens cliniques évoquent la brucellose et ; b. dont le ou les résultat(s) d’une méthode de diagnostic telle que visée à l’article 5,§ 2, indique(nt) la présence probable de brucellose sur un échantillon prélevé sur cet animal ou un groupe d’animaux et/ou; c. qui présente un lien épidémiologique avec un cas confirmé ; 5° Animal atteint de brucellose : chaque animal dont a. l’agent de la brucellose a été isolé sur un échantillon prélevé sur cet animal, ou sur un groupe d’animaux ; b. un antigène ou acide nucléique de l’agent de la brucellose a été identifié sur un échantillon prélevé sur cet animal ou sur un groupe d’animaux et qui présentent des signes cliniques ou un lien épidémio logique avec un cas suspect ou confirmé, ou c. un résultat positif à une méthode de diagnostic indirecte a été obtenu, dans un échantillon prélevé sur cet animal ou sur un groupe d’animaux présent(s) dans un foyer ; 6° L.N.R. : Laboratoire National de Référence ; 7° Laboratoire agréé : laboratoire agréé par l’Agence en application de l’arrêté royal du 3 août 2012 relatif à l’agrément des laboratoires qui effectuent des analyses en rapport avec la sécurité de la chaîne alimentaire ; 8° Avortement : l’expulsion de tout fœtus non viable y compris les mort-nés et les nouveau-nés non viables ayant succombé dans les 48 heures après la naissance ; 9° Protocole avortement : protocole entre l’Agence et les associations ayant pour but la recherche des pathogènes à l’origine d’avortements ; 121041MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD 10° Serologisch onderzoek: individuele bloedmonsters die door de (bedrijfs)dierenarts zijn genomen bij alle runderen ouder dan 12 maanden en/of alle schapen en geiten ouder dan 6 maanden op het bedrijf; 11° Bewakingsprogramma: het in hoofdstuk 4 bedoelde programma; 12° Erkende vereniging: een vereniging erkend in toepassing van het koninklijk besluit van 26 november 2006 houdende voorwaarden voor de erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziek ten en het hun toevertrouwen van taken die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren; 13° Bedrijfsdierenarts: dierenarts (of zijn plaatsvervanger) bedoeld bij in artikel 2, § 2, 2° van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 tot instelling van het epidemiologisch toezicht op inrichtingen waar bepaalde dieren gehoudenworden; 14° Dierenarts: de dierenarts, natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 1, punt 1° van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde en erkend overeenkomstig artikel 4, lid 5 van diezelfde wet; 15° LCE: lokale controle eenheid; 16° Inrichting: gebouwen, constructies of, in geval van openluchtfok kerij, omgevingen of plaatsen waar runderen, schapen en geiten worden gehouden voor beroepsdoeleinden of als vrijetijdsbesteding; 17° Contactinrichting: alle inrichtingen waar beroepsmatig of als hobby runderen, schapen en geiten worden gehouden en die direct of indirect in contact zijn geweest met een haard, met inbegrip van inrichtingen in de nabijheid van de haard of de weilanden; 18° Sanitel: het geautomatiseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 2, § 2, 1° van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende de identificatie en de registratie van pluimvee, konijnen, sommige hoefdieren en vogels; 19 ° Producent: de landbouwuitbater, natuurlijke persoon of rechts persoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen of van beide die op een autonome manier voor eigen profijt en rekening een bedrijf gelegen in België, beheert en die uit dien hoofde rechtstreeks melk of andere zuivelproducten aan de eindverbruiker verkoopt of die ze levert aan een koper; 20° Melkproductie-eenheid: het geheel van de functioneel samenhan gende middelen, door de producent uitgebaat voor de productie van melk of van producten op basis van melk, omvattend, voor zijn exclusief gebruik de melkveestal, de voor de melkproductie gebruikte gronden, de melkinstallatie, de melkdieren, de voedervoorraden en de melkkoeltank of de melkkruiken; 21° Warmtebehandeling: een warmtebehandeling die zorgt voor het inactiveren van het schadelijke pathogeen, zoals bedoeld in bijlage II, hoofdstuk XI, van verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne, en die voldoet aan het bepaalde in bijlage II, sectie IX, van verordening (EG) nr. 853/2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoor schriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong; 22° Isolatie: het houden van dieren in een deel van de inrichting dat volledig gescheiden is van andere delen van de inrichting De dieren zijn in dit deel op zodanige wijze afgezonderd dat er geen direct contact mogelijk is met andere dieren op de inrichting, noch met dieren behorend tot buur-inrichtingen; 23° Agentschap: Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; 24° Minister: de minister bevoegd voor Landbouw. Afdeling 2. — Melding Art. 4. § 1. Elke exploitant, dierenarts en laboratorium is verplicht brucellose te melden overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 februari 2014 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en tot regeling van de aangifteplicht. § 2. Iedere exploitant die bij een dier een verwerping vaststelt, die vermoedt dat er een verwerping heeft plaatsgevonden of zal plaatsvin den of de daaraan voorafgaande of daarop volgende tekens van een verwerping waarneemt, is verplicht om dit dier in isolatie te plaatsen en het binnen de achtenveertig uur te laten onderzoeken door de bedrijfsdierenarts of een dierenarts naar keuze, als hij geen overeen komst heeft met een bedrijfsdierenarts. 10° Bilan sérologique: des prises de sang individuelles effectuées par le vétérinaire (d’exploitation) sur tous les bovins âgés de plus de douze mois et/ou de tous les ovins et caprins âgés de plus de six mois présents dans l’établissement ; 11° Programme de surveillance: le programme qui est visé au chapitre 4 ; 12° Association agréée: une association agréée en application de l’arrêté royal du 26 novembre 2006 fixant les conditions d’agrément des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence ; 13° Vétérinaire d’exploitation: vétérinaire (ou son remplaçant) visé à l’article 2,§ 2, 2° de l’arrêté royal du 20 mai 2022 instituant une surveillance épidémiologique dans les établissements ou sont détenus certains animaux ; 14 ° Vétérinaire: le vétérinaire, personne physique, visé à l’article 1er, point 1° de la loi du 28 août 1991 relative à l’exercice de la médecine vétérinaire et reconnu conformément à l’article 4, alinéa 5 de la même loi ; 15 ° ULC : unité locale de contrôle ; 16 ° Etablissement: tout local, toute structure, ou dans le cas de l’agriculture de plein air, tout milieu ou lieu dans lequel sont détenus des bovins, ovins et caprins à titre professionnel ou hobbyiste ; 17° Etablissement de contact : tout établissement détenant des bovins, ovins et caprins à titre professionnel ou hobbyiste ayant eu un contact direct ou indirect avec un foyer, y compris les établissements voisins du foyer ou de ses pâtures ; 18° Sanitel: la base de données informatique de l’Agence telle que visée à l’article 2, § 2, 1° de l’arrêté royal du 20 mai 2022 relatif à l’identification et l’enregistrement de certains ongulés, des volailles, des lapins, et de certains oiseaux ; 19° Producteur : l’exploitant agricole, personne physique ou morale, ou groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou les deux, qui gère de manière autonome à son profit et pour son compte une exploitation, située en Belgique, et qui, de ce chef, vend directe ment du lait ou d’autres produits laitiers au consommateur final ou les livre à un acheteur; 20° Unité de production laitière: l’ensemble des moyens, en connexité fonctionnelle, exploités par le producteur pour la production de lait ou de produits à base de lait, comprenant à son usage exclusif l’étable pour les animaux laitiers, les terres servant à la production laitière, l’instal lation laitière, les animaux laitiers, les stocks d’aliments et le refroidis seur de lait ou les cruches de lait; 21° Traitement thermique: traitement thermique qui garantit l’inac tivation de l’agent pathogène incriminé, tel que visé à l’annexe II, Chapitre XI du règlement (CE) n°852/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relatif à l’hygiène des denrées alimentaire et qui répond aux exigences de l’annexe II, section IX du règlement (CE) N° 853/2004 fixant des règles spécifiques d’hygiène applicables aux denrées alimentaires d’origine animale ; 22° Isolement: la détention des animaux dans une partie de l’établissement complètement séparée des autres parties de l’établisse ment de manière à ce qu’ils n’aient aucun contact direct avec les autres animaux de l’établissement, ni avec les animaux d’établissements voisins ; 23° Agence: Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne Alimen taire ; 24° Ministre : ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions. Section 2. — Notification Art. 4. § 1er. Tout opérateur, tout vétérinaire et tout laboratoire est tenu à l’obligation de notification en matière de brucellose, conformé ment à l’arrêté royal du 3 février 2014 désignant les maladies des animaux soumises à l’application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux et portant règlement de la déclaration obligatoire. § 2. Tout opérateur, qui constate un avortement chez un animal, qui soupçonne qu’un avortement a eu lieu ou va se produire ou qui perçoit les signes avant-coureurs ou consécutifs d’un avortement, est obligé de mettre cet animal en isolement et de le faire examiner dans les 48h par le vétérinaire d’exploitation ou un vétérinaire de son choix s’il n’a pas de convention conclue avec un vétérinaire d’exploitation. 121042 MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD § 3. Iedere dierenarts die een dier verdenkt aangetast te zijn door brucellose op basis van analyseresultaten of die kennis heeft van een verwerping of van een nakende verwerping, neemt ten laatste de dag na de verwerping één of meer van de volgende monsters voor analyse: de verworpen vrucht, de nageboorte, serum van het moederdier, melk , colostrum of alle andere relevante stoffen nuttig voor het stellen van de diagnose. Hij maakt ze zonder uitstel over aan het laboratorium van de erkende vereniging voor het uitvoeren van het abortusprotocol. § 4. Ieder dierenarts is verplicht om zich te informeren over de inhoud van het abortusprotocol, inzonderheid over de aard van de te nemen monsters, hun bewaring en verzending. Dit protocol is beschik baar op de website van de erkende verenigingen. HOOFDSTUK 2. — Diagnostiek Art. 5. § 1. De diagnosemethoden die van toepassing zijn voor het behoud van het statuut “brucellose vrij” van de beslagen zijn opgeno men in bijlage III, afdeling 1, van gedelegeerde verordening (EU ) 2020/689. § 2. Alleen door het N.L.R. gevalideerde methoden worden voor de bewaking gebruikt. Art. 6. SCIENSANO is het N.R.L. voor brucellose. Art. 7. § 1. Enkel de analyses die uitgevoerd werden door het N.R.L. en door de laboratoria van de erkende verenigingen komen in aanmerking voor het behoud van het brucellosevrije statuut, voor het uitvoeren van het abortusprotocol en voor het uitvoeren van het bewakingsprogramma. § 2. Het uitvoeren van de analyses in het kader van het abortuspro tocol mogen enkel gebeuren in de laboratoria van de erkende verenigingen of het N.L.R. § 3. Onverminderd de aangifteplicht zoals bedoelde in artikel 4, zenden de erkende laboratoria het Agentschap alle resultaten toe van de onderzoeken met het oog op de detectie van brucellose en dit via elektronische weg en volgens de door het Agentschap meegedeelde technische modaliteiten. Art. 8. Het Agentschap kan de erkende verenigingen belasten met de centralisatie van gegevens. HOOFDSTUK 3. — Aanvullende procedure bij een indirecte diagnostische methode ter bevestiging van een verdacht geval Art. 9. § 1. Wanneer meerdere bloedmonsters van één inrichting worden getest, zal het Agentschap zich baseren op het geheel van de resultaten van de inrichting en de epidemiologische context om één of meerdere runderen aan te duiden als ″rund verdacht aangetast door brucellose″. Het Agentschap kan, afhankelijk van de risicoanalyse, verzoeken om extra monsters te nemen en opnieuw te testen binnen dertig dagen na het eerste testresultaat voordat een rund ″verdacht aangetast door brucellose″ wordt verklaard. § 2. In geval van een individueel monster baseert het Agentschap zich op een risicoanalyse alvorens het rund te verklaren als ″rund verdacht aangetast door brucellose″. Het Agentschap kan vragen dat bij het betrokken rund extra monsters worden genomen en getest binnen 30 dagen na het eerste testresultaat voordat een rund ″verdacht aangetast door brucellose″ wordt verklaard. § 3. Het Agentschap stelt de exploitant en de bedrijfsdierenarts in kennis van het eindresultaat in geval van herbemonstering of wanneer de inrichting onder verdenking wordt geplaatst wegens de aanwezig heid van één of meerdere “rund(eren) verdacht aangetast door brucellose”. § 4. In afwachting van het eindresultaat van de testen om een rund te verklaren als “verdacht aangetast door brucellose”: 1° mag het/de betrokken rund(eren) de inrichting niet verlaten; 2° wordt geen enkele maatregel genomen in de inrichting waartoe dit rund behoort/de runderen behoren. HOOFDSTUK 4. — Sanitair statuut en vrij statuut van de inrichting Art. 10. Elke exploitant moet het statuut “brucellose vrij” hebben voor alle beslagen behorend tot de inrichtingen waarvoor hij verant woordelijk is. De exploitant van beslagen waarvoor het statuut “vrij van brucel lose” is geschorst of ingetrokken, moet alle in dit besluit vermelde maatregelen nemen en opvolgen om het statuut “vrij van brucellose” te herwinnen binnen de door het Agentschap gestelde termijnen. § 3.Tout vétérinaire qui suspecte un animal d’être atteint de brucellose sur la base des résultats d’analyse ou qui a connaissance d’un avortement ou d’un avortement à venir, prélève au plus tard le lendemain de l’avortement un ou plusieurs des échantillons suivants pour analyse: l’avorton, les arrière-faix, le sérum de la mère, le lait, le colostrum ou toute autre substance pertinente qui peut être utile pour poser le diagnostic. Il les transmet sans délai au laboratoire de l’association agréée pour l’exécution du protocole avortement. § 4. Tout vétérinaire est tenu de s’informer sur le contenu du protocole avortement, en particulier sur la nature des échantillons à prendre, leur conservation et leur expédition. Ce protocole est dispo nible sur le site web des associations agréées. CHAPITRE 2. — Diagnostic Art. 5. § 1er . Les méthodes de diagnostic applicables au maintien du statut « indemne de brucellose » des troupeaux sont établies à l’annexe III, section 1, du règlement délégué (UE) 2020/689. § 2. Seules les méthodes validées par le L.N.R sont utilisées dans le cadre de la surveillance. Art. 6. SCIENSANO est le L.N.R pour la brucellose. Art. 7. § 1er. Seules les analyses réalisées par le L.N.R. et par les laboratoires des associations agréées entrent en ligne de compte pour le maintien du statut indemne de brucellose, pour l’exécution du protocole avortement et pour l’exécution du programme de sur veillance. § 2. L’exécution des analyses dans le cadre du protocole avortement peut uniquement se faire dans les laboratoires des associations agréées ou du L.N.R. § 3. Sans préjudice de la notification obligatoire visée à l’article 4, les laboratoires agréés transmettent à l’Agence tous les résultats des examens réalisés en vue de détecter la brucellose de façon électronique et suivant les modalités techniques communiquées par l’Agence. Art. 8. L’Agence peut confier aux associations agréées la centralisa tion des données. CHAPITRE 3. — Procédure complémentaire aux tests d’une méthode de diagnostic indirecte afin de confirmer un cas suspect Art. 9. § 1er. Dans le cas où plusieurs échantillons de sang sont analysés au sein d’un même établissement, l’Agence se base sur l’ensemble des résultats de l’établissement et le contexte épidémiologi que pour déclarer un ou plusieurs bovin(s) « suspect(s) d’être atteints de brucellose ». L’Agence peut en fonction de l’analyse de risque demander à ce que des échantillons supplémentaires soient reprélevés et à nouveau testés endéans les trente jours suivant l’obtention du premier résultat avant de déclarer un bovin «bovin suspect d’être atteint de brucellose». § 2. En cas d’échantillon individuel, l’Agence se base sur une analyse de risque avant de déclarer le bovin « suspect d’être atteint de brucellose ». L’Agence peut demander à ce que des échantillons supplémentaires soient reprélevés sur le bovin concerné et testés endéans les trente jours suivant l’obtention du premier résultat avant de déclarer celui-ci «bovin suspect d’être atteint de brucellose ». . § 3. L’Agence informe l’opérateur et le vétérinaire d’exploitation du résultat final en cas de rééchantillonnage ou de la mise sous suspicion de l’établissement suite à la présence d’un ou plusieurs bovin(s) «suspect(s) d’être atteint(s) de brucellose ». § 4. Dans l’attente des résultats finaux des tests permettant de déclarer un bovin «suspect d’être atteint de brucellose » : 1° le(s) bovin(s) concerné(s) ne peu(ven)t pas quitter l’établissement; 2° aucune mesure n’est prise dans l’établissement dans lequel le(s) bovin(s) est/sont détenu(s). CHAPITRE 4. — Statut sanitaire et statut indemne de l’établissement Art. 10. Chaque opérateur est tenu d’avoir le statut « indemne de brucellose » pour tous les troupeaux appartenant aux établissements dont il est responsable. L’opérateur des troupeaux pour lesquels le statut «indemne de brucellose » est suspendu ou retiré est tenu de prendre et suivre toutes les mesures telles que mentionnées dans le présent arrêté afin d’obtenir de nouveau le statut « indemne de brucellose » dans les délais imposés par l’Agence. 121043MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD HOOFDSTUK 5. — Bewakingsprogramma Art. 11. § 1. Het Agentschap organiseert het bewakingsprogramma tegen brucellose. § 2. Het bewakingsprogramma tegen brucellose bij runderen is opgenomen in bijlage. § 3. Het Agentschap organiseert een bewakingsprogramma tegen brucellose bij schapen en geiten conform de bepalingen van de gedelegeerde verordening (EU) 2020/689. HOOFDSTUK 6. — Bestrijdingsmaatregelen Afdeling 1. — Maatregelen bij verdenking van brucellose in een inrichting Art. 12. Het Agentschap kan, in functie van de epidemiologische situatie, een inrichting onder verdenking plaatsen indien een positief resultaat op een onderzoek als bedoeld in artikel 5,§ 2, is vastgesteld bij een dier , een groep dieren of tankmelk. Art. 13. Het Agentschap neemt de volgende maatregelen op een inrichting onder verdenking: 1°. het statuut “brucellose vrij” van de beslagen behorend tot de inrichting wordt in Sanitel opgeschort; 2°. zij stelt de exploitant en de (bedrijfs)dierenarts in kennis van de datum van de opschorting, informeert hem omtrent de maximale termijn van opschorting van het statuut ‘vrij van brucellose’ en omtrent de maatregelen bedoeld in artikel 14; 3°. zij voert een epidemiologisch onderzoek uit. Afhankelijk van de resultaten van het epidemiologisch onderzoek kan het Agentschap aanvullende maatregelen nemen of opleggen om een mogelijke verspreiding van de ziekte te voorkomen. Art. 14. § 1. Op een inrichting onder verdenking zijn de volgende maatregelen van toepassing: 1°. alle dieren in de inrichting moeten binnen acht dagen nadat zij onder verdenking zijn geplaatst, door de (bedrijfs)dierenarts serolo gisch worden getest; 2°. elke af- en aanvoer van dieren van of naar de inrichting onder verdenking is verboden; 3°. In afwijking van 2°: is de rechtstreekse afvoer van dieren naar een door het Agentschap aangeduid binnenlands slachthuis toegelaten mits ze vergezeld zijn van een door het Agentschap afgegeven vervoervergunning; kan het Agentschap toestemming geven voor het vervoer van mannelijke kalveren van minder dan zes weken oud van een melkproductie-eenheid naar een afmestbedrijf, waarvan de status ook zal worden opgeschort overeenkomstig artikel 23 van gedelegeerde verordening (EU) 2020/689; 4°. elk “dier verdacht aangetast door brucellose” dient op de inrichting in isolatie geplaatst te worden ; 5°. het is verboden om dierlijke producten, uitgezonderd melk of dierlijke bijproducten, of materiaal dat mogelijks in contact geweest is met de dieren alvorens deze de inrichting verlaten hebben of afvalstof fen af te voeren van de inrichting onder verdenking, tenzij mits een schriftelijke toelating van het Agentschap; 6°. de toegang tot de inrichting, met uitzondering van de woning, is verboden voor alle diensten en personen, tenzij noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, waaronder de levering van veevoeder of grondstoffen, het dierenartsbezoek, de melkophaling. Een bezoekersregister wordt dagelijks bijgehouden voor alle profes sionele bezoeken (vermelding van de reden, naam van personen en kentekens van voertuigen). § 2. Op een inrichting onder verdenking, dient het beheer van de melk en de melkproducten te voldoen aan de volgende maatregelen: 1° in afwachting van de resultaten van de opsporingstests naar brucellose, mogen melk en melkproducten van dieren van een inrich ting onder verdenking gebruikt worden voor menselijke of dierlijke consumptie op voorwaarde dat zij eerst een adequate warmtebehande ling hebben ondergaan die de inactivatie van het pathogeen garandeert. Indien dit niet mogelijk is, dienen de melk en de melkproducten vernietigd te worden; 2° de melk van dieren die een niet-negatief resultaat verkregen met een opsporingstests naar brucellose, mag worden gebruikt voor de dieren die in de inrichting worden gehouden, op voorwaarde dat deze vooraf een adequate warmtebehandeling heeft ondergaan die de inactivering van de ziekteverwekker garandeert. Indien dit niet mogelijk is, dient de melk vernietigd te worden; CHAPITRE 5. — Programme de surveillance Art. 11. § 1er. L’Agence organise le programme de surveillance contre la brucellose. § 2. Le programme de surveillance contre la brucellose chez les bovins est décrit à l’annexe . § 3. L’Agence met en place un programme de surveillance contre la brucellose chez les ovins et caprins afin de se conformer aux exigences du règlement délégué (UE) 2020/689. CHAPITRE 6. — Mesures de lutte Section 1re. — Mesures en cas de suspicion de brucellose dans un établissement Art. 12. L’Agence peut, en fonction de la situation épidémiologique, placer un établissement sous suspicion si un résultat positif d’une méthode visée à l’article 5,§ 2, est trouvé sur un animal, sur un groupe d’animaux, ou sur le lait de tank. Art. 13. L’Agence prend les mesures suivantes dans l’établissement sous suspicion : 1°. le statut «indemne de brucellose » des troupeaux appartenant à l’établissement est suspendu dans Sanitel ; 2°. elle informe l’opérateur et le vétérinaire (d’exploitation) de la date de suspension, précise le délai maximal de la suspension du statut indemne de brucellose et décrit les mesures visées à l’article 14 ; 3°. elle réalise une enquête épidémiologique. En fonction des résultats de l’enquête épidémiologique, l’Agence peut prendre ou imposer des mesures supplémentaires pour prévenir une extension éventuelle de la maladie. Art. 14. § 1er. Dans un établissement sous suspicion, les mesures suivantes sont d’application : 1°. tous les animaux présents dans l’établissement font l’objet d’un bilan sérologique réalisé par le vétérinaire (d’exploitation) dans les huit jours suivant la mise sous suspicion ; 2°. tout mouvement d’animaux à partir de ou vers l’établissement sous suspicion est interdit ; 3°. Par dérogation au 2° : le transport direct d’animaux vers un abattoir national désigné par l’Agence est autorisé si les animaux sont accompagnés d’une autorisa tion de transport délivrée par l’Agence ; l’Agence peut autoriser les mouvements de veaux mâles de moins de six semaines d’une unité de production laitière vers un centre d’engraissement, dont le statut sera suspendu conformément à l’arti cle 23 du règlement délégué (UE) 2020/689 ; 4°. chaque « animal suspect d’être atteint de brucellose » doit être mis en isolement dans l’établissement ; 5°. il est interdit de sortir de l’établissement des produits animaux, à l’exception du lait, des sous-produits animaux, du matériel ayant potentiellement été en contact avec les animaux ou des déchets, sauf autorisation écrite de l’Agence ; 6°. l’accès à l’établissement, à l’exception de l’habitation, est interdit à tous services et personnes, à moins d’être nécessaire à la gestion de l’entreprise tel que la livraison d’aliments pour bétail ou de matières premières, la visite du vétérinaire, la collecte de lait. Un registre de visite est tenu à jour pour toutes les visites professionnelles (motifs, nom des personnes et plaque des véhicules). § 2. Dans un établissement sous suspicion, la gestion du lait et des produits laitiers se fait conformément aux mesures suivantes : 1° en attendant les résultats des tests de dépistage de brucellose, le lait et les produits laitiers provenant des animaux issus d’un établisse ment sous suspicion, peuvent être utilisés pour la consommation humaine ou animale pour autant qu’ils aient subi au préalable un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène. Si cela n’est pas possible, le lait et les produits laitiers doivent être détruits ; 2° le lait des animaux ayant eu un résultat non négatif aux tests de dépistage de la brucellose peut être utilisé pour les animaux détenus dans l’établissement pour autant qu’il ait subi au préalable un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène. Si cela n’est pas possible, le lait doit être détruit; 121044 MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD 3° melk van dieren die negatief reageren op een opsporingstest naar brucellose, mag voor menselijke of dierlijke consumptie worden gebruikt op voorwaarde dat zij eerst een adequate warmtebehandeling heeft ondergaan die de inactivatie van het pathogeen garandeert. § 3. Het Agentschap kan bijkomende maatregelen opleggen die het nuttig acht om een eventuele uitbreiding van de brucellose te voorkomen. § 4. Het Agentschap heft de verdenking op de inrichting op indien alle in 1°. van dit artikel bedoelde onderzoeken volgens de in artikel 5, § 1, bedoelde methoden voor alle beslagen negatieve resultaten hebben opgeleverd. De beslagen behorend tot de inrichting herwinnen het statuut “brucellose vrij” in Sanitel. Afdeling 2. — Maatregelen bij verdenking van brucellose in een contactinrichting Art. 15. § 1. De contactinrichtingen, aangeduid door het Agentschap op basis van de resultaten van het epidemiologisch onderzoek van een haard van brucellose, worden onder verdenking geplaatst en dienen binnen acht dagen na de kennisgeving een serologisch onderzoek uit te voeren. § 2. In afwachting van de resultaten van de analyses zoals bedoeld in paragraaf 1, wordt het statuut “brucellose vrij” van de beslagen behorend tot de contactinrichtingen opgeschort. § 3. Elke af- en aanvoer van dieren van of naar de contactinrichting is verboden voor een termijn van dertig dagen. In afwijking van lid 1 is de rechtstreekse afvoer van dieren naar een door het Agentschap toegelaten binnenlands slachthuis toegelaten mits ze vergezeld zijn van een door het Agentschap afgegeven vervoersver gunning. § 4. De melk geproduceerd in de contactinrichtingen mag in de handel gebracht worden voor menselijke consumptie zolang aan de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 2 zijn voldaan. § 5. Het Agentschap heft de verdenking op indien alle in artikel 14, 1°, bedoelde onderzoeken volgens de in artikel 5, § 1 bedoelde methoden negatieve resultaten hebben opgeleverd. § 6. Het Agentschap stelt de exploitant en zijn (bedrijfs)dierenarts schriftelijk in kennis van dit besluit en heft de in toepassing van paragraaf 2 genomen maatregelen op. De beslagen behorend tot de inrichting herwinnen het statuut “brucellose vrij” in Sanitel. Afdeling 3. — Maatregelen in geval an een haard van brucellose in een inrichting Onderafdeling 1. — Haard Art. 16. Zodra de analyses van het N.R.L. bevestigen dat een dier “aangetast door brucellose” aanwezig is op de inrichting, verklaart het Agentschap de inrichting tot haard en bepaalt er de grenzen van. Het statuut “brucellose vrij” van alle beslagen behorend tot de inrichting wordt “ingetrokken”. Het Agentschap brengt de exploitant en zijn (bedrijfs)dierenarts (en), mondeling en schriftelijk op de hoogte van de bevestiging van de haard en deelt hen de maatregelen mee die zijn voorgeschreven in de haard. Art. 17. § 1. In de haard zijn de volgende maatregelen van toepas sing: 1° er dient een serologisch onderzoek te worden uitgevoerd door de (bedrijfs)dierenarts op alle dieren aanwezig op de inrichting, en dit ten laatste binnen de acht dagen op zijn laatst na de officiële kennisgeving. Deze bilan is niet vereist wanneer deze reeds werd opgemaakt in toepassing van artikel 14,1°; 2° alle dieren “aangetast door brucellose” en dieren die een niet negatief resultaat hebben vertoond in de onderzoeken bedoeld in de bepaling onder 1° van dit artikel dienen afgeslacht te worden. Deze dieren worden, in afwachting van hun afslachting, in isolatie geplaatst; 3° na een risicobeoordeling worden mest, stro, diervoeder of andere materialen en stoffen die in contact zijn gekomen met een dier “aangetast door brucellose” of met besmet materiaal, verzameld en zo spoedig mogelijk verwijderd, of opgeslagen en verwerkt volgens de technische bepalingen van het Agentschap; 4° levende producten en colostrum die in de inrichting worden verzameld en aanwezig zijn, moeten worden vernietigd ; 3° le lait des animaux ayant eu un résultat négatif aux tests de dépistage de la brucellose peut être utilisé pour la consommation humaine ou animale pour autant qu’il ait subi au préalable un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène. § 3. L’Agence peut imposer les mesures supplémentaires qu’elle juge utiles pour prévenir une extension éventuelle de la brucellose. § 4. L’Agence lève la suspicion dans l’établissement si l’ensemble des examens visés au point 1° du présent article, conformément aux méthodes mentionnées à l’article 5, § 1er, ont donné des résultat négatifs pour l’ensemble des troupeaux. Les troupeaux appartenant à l’établissement reçoivent de nouveau le statut « indemne de brucellose » dans Sanitel. Section 2. — Mesures en cas de suspicion de brucellose dans un établissement de contact Art. 15. § 1er. Les établissements de contact désignés par l’Agence suite aux résultats de l’enquête épidémiologique d’un foyer de brucellose sont placés sous suspicion et font l’objet d’un bilan sérologioque dans les huit jours suivant la notification. § 2. Dans l’attente des résultats des analyses visées au paragraphe 1er, le statut ″ indemne de brucellose″ des troupeaux appartenant à l’établissement est suspendu. § 3. Tout mouvement d’animaux à partir de ou vers l’établissement de contact est interdit durant un délai de trente jours. Par dérogation à l’alinéa 1, le transport direct d’animaux vers un abattoir national autorisé par l’Agence est autorisé si les animaux sont accompagnés d’une autorisation écrite de transport délivrée par l’Agence. § 4. Le lait produit dans les établissements de contact peut être commercialisé pour la consommation humaine pour autant que les mesures visées à l’article 14, § 2 soient respectées. § 5. La suspicion est levée par l’Agence si l’ensemble des examens visés à l’article 14, 1°, conformément aux méthodes visées à l’article 5, § 1er, ont donné des résultats négatifs. § 6. L’Agence informe par écrit l’opérateur et son vétérinaire (d’exploitation) de cette décision et lève les mesures prises et imposées en application du paragraphe 2. Les troupeaux appartenant à l’établissement reçoivent de nouveau le statut « indemne de brucellose » dans Sanitel. Section 3. — Mesures en cas de foyer de brucellose dans un établissement Sous-section 1. — Foyer Art. 16. Dès que les analyses du L.N.R. confirment qu’un animal est « atteint de brucellose », l’Agence déclare l’établissement comme foyer et en définit les limites. Le statut «indemne de brucellose » de tous les troupeaux appartenant à l’établissement est « retiré » . L’Agence notifie oralement et par écrit à l’opérateur et à son vétérinaire (d’exploitation) la confirmation du foyer et les informe des mesures prescrites dans le foyer. Art. 17. § 1. Les mesures suivantes sont d’application dans le foyer : 1° un bilan sérologique est effectué par le vétérinaire (d’exploitation) sur tous les animaux présents dans l’établissement, au plus tard dans les huit jours suivant l’information officielle. Ce bilan n’est pas nécessaire dans le cas où celui-ci a déjà été effectué en application de l’article 14, 1° ; 2° tous les animaux « atteints de brucellose » et les animaux qui ne présentent pas un résultat négatif lors des examens visés au 1° du présent article, sont abattus. Ces animaux sont placés en isolement en attendant l’abattage ; 3° après une évaluation des risques, le fumier, la paille, les aliments pour animaux ou toute autre matière et substance ayant été en contact avec un cas confirmé ou avec du matériel contaminé sont collectés et éliminés dès que possible ou stockés et soumis à un traitement selon les modalités techniques de l’Agence ; 4° les produits germinaux et le colostrum qui sont collectés et présents dans l’établissement doivent être détruits ; 121045MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD 5° de verzameling en verwijdering van foetussen, doodgeboren dieren, dieren die na de geboorte zijn gestorven als gevolg van brucellose en placenta’s moet worden afgevoerd van de inrichting door een erkend destructiebedrijf voor dierlijke materialen en kadavers waarbij de afhaling als laatste plaats op de ronde moet gebeuren. Het Agentschap kan bijkomende maatregelen opleggen die het nuttig acht om een eventuele uitbreiding van de ziekte te voorkomen; 6° elke af- en aanvoer van dieren van of naar de haard is verboden; In afwijking van voorgaande alinea is de rechtstreekse afvoer van dieren naar een door het Agentschap toegelaten binnenlands slachthuis toegelaten mits ze vergezeld zijn van een door het Agentschap afgegeven vervoervergunning. § 2. Op een inrichting die tot haard werd verklaard, dient het beheer van de melk en de melkproducten te voldoen aan de volgende maatregelen: 1° in geval van totale afslachting: a. de verkoop, levering of gebruik van melk afkomstig van dieren waarvoor een ‘afslachtingsbevel’ is uitgevaardigd is verboden; b. in afwijking van het bepaalde in punt a., en overeenkomstig artikel 28, lid 1, a) van verordening (EU) 2020/689, mag de melk afkomstig van dieren waarvoor een afslachtingsbevel werd uitgevaar digd, alleen worden toegediend aan dieren die in dezelfde inrichting worden gehouden op voorwaarde dat melk eerst een adequate warmtebehandeling heeft ondergaan die de inactivatie van het patho geen garandeert. Indien dit niet mogelijk is, dient de melk vernietigd te worden. 2° in geval van gedeeltelijke afslachting: a. de verkoop, levering of gebruik van melk afkomstig van dieren waarvoor een ‘afslachtingsbevel’ is uitgevaardigd is verboden; b. in afwijking van het bepaalde in punt a., en overeenkomstig artikel 28, lid 1, a) van verordening (EU) 2020/689, mag de melk afkomstig van dieren waarvoor een afslachtingsbevel werd uitgevaar digd, alleen worden toegediend aan dieren die in dezelfde inrichting worden gehouden op voorwaarde dat melk eerst een adequate warmtebehandeling heeft ondergaan die de inactivatie van het patho geen garandeert. Indien dit niet mogelijk is, dient de melk vernietigd te worden; c. melk van dieren die negatief reageren op een opsporingstest naar brucellose, mag voor menselijke of dierlijke consumptie worden gebruikt, op voorwaarde dat de melk eerst een adequate warmtebe handeling heeft ondergaan die de inactivatie van het pathogeen garandeert. Onderafdeling 2. — Afslachting op bevel Art. 18. § 1. Op basis van het epidemiologisch onderzoek en de risicoanalyse stelt het Agentschap een plan van afvoer op en besluit tot een volledige of een partiële afslachting van de dieren aanwezig op de inrichting. § 2. Het Agentschap overhandigt het bevel tot afslachting van de dieren opgenomen in het plan van afvoer, aan de exploitant van de inrichting. Art. 19. § 1. Elk dier waarvoor een slachtbevel is uitgevaardigd, wordt geïsoleerd van de andere dieren van de inrichting en dient, zoals bedoeld in artikel 18, § 2, geslacht te zijn uiterlijk dertig kalenderdagen na het uitvaardigen van het slachtbevel. § 2. Het verzegeld vervoer naar het aangewezen slachthuis dient te gebeuren volgens de bepalingen van de artikelen 35 tot en met 37 van het koninklijk besluit van 17 januari 2021 betreffende de bestrijding van rundertuberculose. Onderafdeling 3. — Beschermingsgebied Art. 20. § 1. Op basis van het epidemiologisch onderzoek en de risicoanalyse kan het Agentschap een beschermingsgebied afbakenen rond de haard. Het Agentschap stelt de exploitanten van de inrichtin gen in het beschermingsgebied en de betrokken (bedrijfs)dierenartsen hiervan officieel in kennis. Het Agentschap kan in het beschermingsgebied specifieke of bijko mende maatregelen opleggen en stelt de exploitanten en de (bedrijfs )dierenartsen hiervan officieel in kennis. § 2. Het Agentschap heft de maatregelen in het beschermingsgebied op wanneer alle inrichtingen in het beschermingsgebied conforme resultaten hebben bekomen. Het Agentschap stelt de exploitanten en de bedrijfsdierenartsen hiervan officieel in kennis. 5° la collecte et l’élimination des fœtus, des animaux mort-nés, des animaux morts après la naissance des suites de la brucellose et des placentas doivent être effectuées à partir de l’établissement par une entreprise d’équarrissage agréée pour les produits animaux et les cadavres et doivent être enlevés en dernière place dans la tournée. L’Agence peut imposer les mesures supplémentaires qu’elle juge utiles pour prévenir l’extension éventuelle de la maladie; 6° tout mouvement d’animaux à partir du ou vers le foyer est interdit ; Par dérogation à l’alinéa précédent, le transport direct d’animaux à partir du foyer vers un abattoir national autorisé par l’Agence est autorisé s’ils sont accompagnés d’une autorisation de transport déli vrée par l’Agence. § 2. Dans un établissement déclaré foyer, la gestion du lait et des produits laitiers se fait conformément aux mesures suivantes : 1° en cas d’abattage total : a. la vente, la fourniture ou l’utilisation de lait provenant d’animaux pour lesquels un « ordre d’abattage » a été délivré, est interdite ; b. par dérogation au point a. , et conformément à l’article 28, paragraphe 1, a) du règlement (UE) 2020/689, le lait provenant des animaux munis d’un ordre d’abattage peut être administré uniquement aux animaux détenus dans le même établissement pour autant qu’il ait subi au préalable un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène. Si cela n’est pas possible, le lait doit être détruit. 2° en cas d’abattage partiel : a. la vente, la fourniture ou l’utilisation de lait provenant d’animaux pour lesquels un « ordre d’abattage » a été délivré, est interdite ; b. par dérogation au point a. , et conformément à l’article 28, paragraphe 1, a) du règlement (UE) 2020/689, le lait provenant des animaux munis d’un ordre d’abattage peut être administré uniquement aux animaux détenus dans le même établissement pour autant qu’il ait subi au préalable un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène . Si cela n’est pas possible, le lait doit être détruit ; c. le lait des animaux ayant eu un résultat négatif aux tests de dépistage de la brucellose peut être utilisé pour la consommation humaine ou animale pour autant qu’il ait subi au préalable un traitement thermique adéquat garantissant l’inactivation de l’agent pathogène. Sous-section 2. — Abattage par ordre Art. 18. § 1er . Sur base de l’enquête épidémiologique et de l’analyse de risque, l’Agence établit un plan d’assainissement et décide de l’abattage total ou partiel des animaux présents dans l’établissement. § 2. L’Agence remet à l’opérateur de l’établissement l’ordre d’abat tage des animaux repris dans le plan d’assainissement. Art. 19. § 1er. Tout animal pour lequel un ordre d’abattage est délivré, est isolé des autres animaux de l’établissement et abattu au plus tard dans les trente jours calendrier qui suivent la remise de l’ordre d’abattage visé à l’article 18, § 2. § 2. Le transport scellé vers l’abattoir désigné se déroule conformé ment aux dispositions visées aux articles 35 à 37 de l’arrêté royal du 17 janvier 2021 relatif à la lutte contre la tuberculose bovine. Sous-section 3. — Zone de protection Art. 20. § 1er . Sur base de l’enquête épidémiologique et de l’analyse de risque, l’Agence peut délimiter une zone de protection autour du foyer. L’Agence en informe officiellement les opérateurs des établisse ments situés dans la zone de protection et les vétérinaires (d’exploita tions) concernés. L’Agence peut imposer des mesures spécifiques ou supplémentaires dans la zone de protection et en informe officiellement les opérateurs et les vétérinaires (d’exploitations). § 2. L’Agence lève les mesures dans la zone de protection lorsque tous les établissements repris dans la zone de protection ont eu des résultats conformes. L’Agence en informe officiellement les opérateurs et les vétérinaires d’exploitation. 121046 MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD Onderafdeling 4. — Vrijgeven van de haard Art. 21. § 1. Het Agentschap heft de maatregelen in de haard op en beslist tot vrijgave van de haard wanneer: 1° alle dieren in de haard zijn afgeslacht en; 2° de in artikel 23 bedoelde reinigings- en ontsmettingsmaatregelen werden nageleefd. § 2. De weiden waar de “dieren aangetast door brucellose” zouden verbleven hebben, mogen slechts opnieuw worden gebruikt nadat een periode van ten minste zestig dagen is verstreken sedert de verwijde ring van de aangetaste dieren uit die weiden. Art. 22. § 1. Wanneer niet alle dieren zijn afgeslacht moet de exploitant, na de afslachting van het laatste dier opgenomen in het plan van afvoer, zijn beslag door de (bedrijfs)dierenarts laten onderzoeken. Alle runderen van twaalf maanden of ouder en alle schapen en geiten van zes maanden of ouder worden onderworpen aan twee serologische onderzoeken : 1° het eerste onderzoek moet worden uitgevoerd op monsters die ten vroegste 3 maanden na de afvoer van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat positief testte bij een immunologische test, zijn genomen; 2° het tweede onderzoek moet worden uitgevoerd op monsters die ten vroegste zes maanden en ten laatste twaalf maanden na de datum van de in de bepaling onder 1° bedoelde bemonstering zijn genomen. § 2. Totdat alle beslagen op de inrichting weer het statuut “brucellose vrij” verworven hebben, moeten alle dieren naar het toegelaten slachthuis worden vervoerd onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in artikel 19, § 2. § 3. Het Agentschap heft de maatregelen op en geeft de haard vrij wanneer het resultaat van de analyses bedoeld in paragraaf 1 de afwezigheid van brucellose bevestigt en dat de in artikel 23 bedoelde reinigings- en ontsmettingsmaatregelen worden nageleefd. § 4. De weiden waar de “dieren aangetast door brucellose” zouden verbleven hebben, mogen pas zestig dagen volgend op het verwijderen van deze dieren uit deze weiden hergebruikt worden. § 5. Van zodra het Agentschap de maatregelen opheft en de haard vrij geeft, stelt het de exploitant en de (bedrijfs)dierenarts daarvan monde ling en schriftelijk in kennis. De beslagen behorend tot de inrichting herwinnen het statuut “brucellose vrij” in Sanitel. Afdeling 4. — Reiniging en ontsmetting en andere maatregelen om de uitbreiding van de besmetting te voorkomen Art. 23. § 1. Elke exploitant van een inrichting die tot haard verklaard werd of een inrichting die dieren heeft binnengebracht uit een inrichting die door het Agentschap op basis van het epidemiolo gisch onderzoek aangeduid is als haard, dient de volgende maatregelen te nemen: 1° een grondige reiniging en ontsmetting, onmiddellijk na het afvoeren van alle vermoedelijke en bevestigde gevallen en vóór de herbevolking, van: alle delen en structuren van de inrichting waar vermoedelijke en bevestigde gevallen verbleven hebben; alle voorzieningen, vervoermiddelen, laadkisten, kooien of laadman den en uitrusting, na het vervoer van dieren of producten vanuit besmette inrichtingen; laad-of losplaatsen voor dieren. 2° een veilige verwijdering van de inrichting van alle diervoeders, mest, strooisel, materialen, stoffen en uitrusting gebruikt die mogelijk zijn besmet ; § 2. Het protocol voor reiniging en ontsmetting moet voordien door het Agentschap goedgekeurd worden. § 3 In geval van een sanitaire leegstand als gevolg van een afslachting, ruiming of verdelging op bevel moet de reiniging en ontsmetting van de inrichting zo snel mogelijk worden uitgevoerd nadat het het laatste dier waarop het slachtbevel of het bevel tot verdelging betrekking heeft is verwijderd en uiterlijk binnen een termijn van maximaal eenentwintig dagen. Na afloop van de reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden moet een leegstand van eenentwintig dagen worden gerespecteerd. Sous-section 4. — Libération du foyer Art. 21. § 1er . L’Agence lève les mesures dans le foyer et décide la libération du foyer lorsque : 1° tous les animaux du foyer sont abattus et ; 2°. les mesures de nettoyage et désinfection visées à l’article 23 sont respectées . § 2. Les pâturages où auraient précédemment séjourné les « animaux atteints de brucellose » ne peuvent être réutilisés qu’après le respect d’un délai de minimum soixante jours suivant le retrait des animaux atteints de ces pâturages. Art. 22. § 1er. Lorsque tous les animaux ne sont pas abattus, l’opérateur est tenu, après l’abattage du dernier animal repris dans le plan d’assainissement, de faire examiner tout son troupeau par le vétérinaire (d’exploitation). Tous les bovins âgés de douze mois ou plus et tous les ovins et caprins âgés de six mois ou plus sont soumis à deux bilans sérologiques : 1° le premier bilan doit être effectué sur des échantillons prélevés au plus tôt trois mois après l’enlèvement du dernier cas confirmé et du dernier animal ayant répondu positivement à un test immunologique ; 2° le second bilan doit être effectué sur des échantillons prélevés au plus tôt six mois et au plus tard douze mois après la date de prélèvement visée au 1°. § 2. Tant que tous les troupeaux de l’établissement n’ont pas retrouvé leur statut «indemne de brucellose », tout animal est transporté vers l’abattoir autorisé sous les mêmes conditions que celles visées à l’article 19, § 2. § 3. L’Agence lève les mesures et libère le foyer lorsque le résultat des analyses visées au paragraphe 1er confirme l’absence de la brucellose et que les mesures de nettoyage et désinfection visées à l’article 23 sont respectées. § 4. Les pâturages où auraient précédemment séjourné les « animaux atteints de brucellose » ne peuvent être réutilisés qu’après le respect d’un délai de soixante jours suivant le retrait des animaux atteints de ces pâturages. § 5. Dès que l’Agence lève les mesures et décide de la libération du foyer, elle en informe oralement et par écrit l’opérateur et le vétérinaire (d’exploitation). Les troupeaux appartenant à l’établissement reçoivent de nouveau le statut « indemne de brucellose » dans Sanitel. Section 4. — Nettoyage, désinfection et autres mesures permettant de prévenir la propagation de l’infection Art. 23. § 1. Tout opérateur d’ un établissement déclaré comme foyer ou ayant introduit des animaux en provenance d’un établissement déclaré comme foyer par l’Agence sur base de l’enquête épidémiologi que, prend les mesures suivantes : 1° un nettoyage et une désinfection en profondeur directement après l’enlèvement des cas suspects et confirmés et avant le repeuple ment, de : toutes les parties et structures de l’établissement où des cas suspects ou confirmés ont séjourné ; toutes les installations, moyens de transport, bacs, cages ou paniers de chargement et équipements, à la suite du transport d’animaux ou de produits provenant d’établissements infectés ; des zones de chargement ou déchargement des animaux. 2° une élimination sûre de l’établissement de tous les aliments pour animaux, fumiers, litières, matériaux, substances et équipements qui pourraient avoir été contaminés ; § 2. Le protocole de nettoyage et de désinfection doit être approuvé au préalable par l’Agence. § 3. En cas de vide sanitaire suite à un ordre d’abattage ou de destruction, le nettoyage et la désinfection de l’établissement doivent être réalisés le plus vite possible après l’élimination du dernier animal concerné par l’ordre d’abattage ou de destruction et au plus tard dans un délai maximal de vingt-et-un jour. Un vide sanitaire de vingt-et-un jours doit être respecté après la fin des opérations de nettoyage et de désinfection. 121047MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 24. Indien in een tot haard verklaarde inrichting honden of katten aanwezig zijn, kan het Agentschap een diagnostische test op brucellose bij deze dieren opleggen, alsmede de maatregelen die moeten worden genomen in geval van een positief resultaat. De test en de kosten in verband met deze maatregelen komen ten laste van de exploitant. HOOFDSTUK 7. — Verplaatsingen en verhandeling Art. 25. § 1. Elk dier uit een beslag met een statuut “vrij van brucellose” mag worden binnengebracht in een beslag met een statuut “vrij van brucellose” . § 2. Bij het verwerven van een rund ouder dan twaalf maanden uit een Lidstaat of regio die niet officieel vrij is van brucellose, of uit elke Lidstaat die het voorwerp heeft uitgemaakt van een risicoanalyse uitgevoerd door het Agentschap of bij import uit een derde land, moet de exploitant binnen de achtenveertig uur beroep doen op zijn bedrijfsdierenarts om onderzoeken te verrichten, bloedmonsters te nemen en, zo nodig, andere stoffen af te nemen die nodig zijn voor de diagnose van brucellose. De aangevoerde dieren worden in isolatie geplaatst tot alle resultaten van de verplichte aankooponderzoeken gekend zijn. HOOFDSTUK 8. — Bijzondere bepalingen Art. 26. De exploitant en de (bedrijfs)dierenarts volgen de verplich tingen beschreven in artikel 61 en 62 van het koninklijk besluit van 17 januari 2021 betreffende de bestriijding van rundertuberculose. HOOFDSTUK 9. — Vergoedingen Art. 27. § 1. Binnen de perken van de budgettaire kredieten en voor zover een rund wordt afgeslacht overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3, kent het Sanitair Fonds aan de exploitant een vergoeding toe die berekend wordt volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 november 1991 betreffende de schatting van en de vergoeding voor runderen afgeslacht in het kader van de gezondheidspolitie. § 2. Onverminderd de toepassing van de strafbepalingen verliest de exploitant elk recht op vergoeding indien de bepalingen van dit besluit niet werden nageleefd of technische bepalingen van het Agentschap in uitvoering van dit besluit niet werden opgevolgd. Art. 28. § 1. Binnen de perken van de budgettaire kredieten en voor zover een schaap of geit wordt afgeslacht overeenkomstig de bepalin gen van afdeling 3, kent het Sanitair Fonds aan de exploitant een vergoeding toe die gelijk is aan de waarde van het dier. De waarde van het te slachten dier wordt door een deskundige bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 77 van het konink lijk besluit van 10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer. § 2. Onverminderd de toepassing van de strafbepalingen verliest de exploitant elk recht op vergoeding indien de bepalingen van dit besluit niet werden nageleefd of de technische bepalingen van het Agentschap in uitvoering van dit besluit niet werden opgevolgd. Art. 29. § 1. Binnen de perken van het daartoe bestemde begrotings artikel kent het Sanitair Fonds aan de producent van de uit de handel genomen melk en een vergoeding toe, voor zover deze het bewijs levert van de juiste hoeveelheid die uit de handel werd genomen. § 2. Bij de berekening van de waarde van de vernietigde rauwe melk geldt de Belgische reële nettomelkprijs voor de maand waarin de vernietiging plaatsvond als referentie. De in de vorige alinea bedoelde nettoprijs is de gemiddelde uitbetaalde prijs per kilo op basis van het reële vet- en eiwitgehalte van de rauwe melk die gedurende die maand werd geleverd. Deze gegevens worden genoteerd door de Europese Commissie volgens verordening (EU) 2017/1185, artikel 12, a) in annex II.7 (a) en gepubliceerd op hun website. § 3. De tussenkomst van het Sanitair Fonds wordt beperkt tot het tijdvak waarin de melkproductie-eenheid onder verdenking is geplaatst of wordt verklaard als een haard van brucellose. § 4. De tussenkomst van het Sanitair Fonds bedoeld in dit arti kel heeft enkel betrekking op rauwe melk van koeien. Art. 24. En cas de présence de chiens ou chats dans un établissement déclaré comme foyer, l’Agence peut imposer un test de diagnostic de la brucellose sur ces animaux ainsi que les mesures à mettre en place cas de résultat positif. Le test et les frais liés à ces mesures sont à charge de l’opérateur. CHAPITRE 7. — Déplacements et commercialisation Art. 25. § 1er . Tout animal provenant d’un troupeau possédant le statut « indemne de brucellose » peut être introduit dans un troupeau « indemne de brucellose » . § 2. Lors de l’acquisition de tout bovin âgé de plus de douze mois provenant d’un Etat membre ou d’une région non officiellement indemne de brucellose, de tout Etat membre qui a fait l’objet d’une analyse de risque par l’Agence ou importé d’un pays-tiers, l’opérateur est tenu de faire appel à son vétérinaire d’exploitation dans les quarante-huit heures afin de réaliser les examens, les prélèvements sanguins et le cas échéant, de tout autre substance nécessaire au diagnostic de la brucellose. Les animaux nouvellement arrivés sont placés en isolement jusqu’à ce que tous les résultats des examens obligatoires à l’achat soient connus. CHAPITRE 8. — Dispositions particulières Art. 26. L’opérateur et le vétérinaire (d’exploitation) suivent les obligations décrites aux articles 61 et 62 de l’arrêté royal du 17 jan vier 2021 relatif à la lutte contre la tuberculose bovine. CHAPITRE 9. — Indemnisations Art. 27. § 1er Dans les limites des crédits budgétaires et pour autant qu’un bovin soit abattu conformément aux dispositions de la section 3, le Fonds Sanitaire octroie à l’opérateur une indemnité calculée selon les dispositions de l’arrêté royal du 28 novembre 1991 relatif à l’expertise et à l’indemnisation des bovins abattus dans le cadre de la police sanitaire. § 2. Sans préjudice de l’application des dispositions pénales, l’opérateur perd tout droit à l’indemnité s’il ne respecte pas les dispositions du présent arrêté ou s’il ne respecte pas les modalités techniques données par l’Agence. Art. 28. § 1er Dans les limites des crédits budgétaires et pour autant qu’un ovin ou caprin soit abattu conformément aux dispositions de la section 3, le Fonds Sanitaire octroie à l’opérateur une indemnité égale à la valeur de l’animal. La valeur de l’animal à abattre est fixée par un expert selon les dispositions de l’article 77 de l’arrêté royal du 10 octobre 2005 relatif à la lutte contre la fièvre aphteuse. § 2. Sans préjudice de l’application des dispositions pénales, l’opérateur perd tout droit à l’indemnité s’il ne respecte pas les dispositions du présent arrêté ou s’il ne respecte pas les modalités techniques données par l’Agence. Art. 29. § 1er. Dans les limites de l’article budgétaire prévu à cette fin, le Fonds Sanitaire octroie une indemnisation au producteur du lait retiré du marché pour autant qu’il fournisse la preuve de la quantité exacte qui est retirée du marché. § 2. Lors du calcul de la valeur du lait cru détruit, le prix net réel du lait belge pour le mois au cours duquel la destruction a eu lieu fait office de référence. Le prix net visé à l’alinéa précédent est le prix moyen payé par kilo sur base des teneurs réelles en matière grasse et protéine du lait cru qui a été livré pendant ce mois. Ces données sont notées par la Commis sion européenne conformément au règlement (UE) 2017/1185, arti cle 12, a) de l’annexe II.7 (a) et publié sur leur site internet. § 3. L’intervention du Fonds Sanitaire est limitée à la période au cours de laquelle l’unité de production laitière est considérée comme sous suspicion ou déclarée foyer de brucellose. § 4. L’intervention du Fonds Sanitaire visée à cet article se limite au lait de vache cru. 121048 MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 30. § 1. Binnen de perken van het daartoe bestemde begrotings artikel kent het Sanitair Fonds de volgende vergoedingen toe aan de (bedrijfs)dierenarts voor elke afname van bloed of een andere substan tie bij een dier met het oog op de diagnose van brucellose a. per bezoek aan een beslag : 33,44 euro exclusief btw b. voor elk bemonsterd dier : 3,33 euro exclusief btw In geval van verwerping: Bedrijfsbezoek: 33,44 euro exclusief btw Bloedname: 3,33 euro exclusief btw Staalname van cotyledonen: 3,33 euro exclusief btw Verzending van een verworpen vrucht: 9,30 euro exclusief btw Het bedrag van deze vergoedingen dekt alle kosten van bezoeken, reizen en verzending van monsters naar het erkende laboratorium. Deze vergoedingen worden rechtstreeks aan de (bedrijfs)dierenart sen betaald op basis van driemaandelijkse declaraties die door het Agentschap naar behoren worden gestaafd en voor juist worden verklaard. De kwartaaloverzichten moeten LCE bereiken binnen 60 kalenderdagen na de laatste dag van het kwartaal waarop zij betrek king hebben. De onder a., b., c. en d. vermelde vergoedingen worden jaarlijks aangepast op basis van de gezondheidsindex van de maand juli van het lopende jaar. De nieuwe indexering van de vergoedingen gaat in op 1 oktober van elk jaar. § 2. Dit artikel is niet van toepassing op de onderzoeken en noodzakelijke bemonsteringen voor de diagnose van brucellose uitge voerd bij de aankoop van een dier op vraag van de koper. Art. 31. Binnen de perken van het daartoe bestemde begrotingsarti kel kent het Sanitair Fonds aan de door de Minister aangestelde deskundige een vergoeding toe voor kosten van de schatting van de te slachten dieren zoals vastgesteld in het artikel 78 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond-en klauwzeer. HOOFDSTUK 10. — Slotbepalingen Art. 32. Worden opgeheven: 1° het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van runderbrucellose; 2° het koninklijk besluit van 6 december 1978 tot bevordering van de runderbrucellosebestrijding; 3° het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot bevordering van de bestrijding van de brucellose van schapen en geiten; 4° het ministerieel besluit van 22 oktober 1979 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose; 5° het ministerieel besluit van 8 april 1988 houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de runderbrucellose; 6° het ministerieel besluit van 28 januari 1989 houdende vastlegging van de modaliteiten voor de erkenning van vetmestingscentra en de overbrenging van runderen in het kader van de zonale bestrijding van de runderbrucellose ; 7° het ministerieel besluit van 6 augustus 1991 ter bepaling van het bedrag, de voorwaarden en de toekenningsvoorwaarden van de opstalvergoeding bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de aanmoediging van de bestrijding van de runderbrucellose. Art. 33. De minister bevoegd voor Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 11 december 2023. FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL Art. 30. § 1er . Dans les limites de l’article budgétaire prévu à cette fin, le Fonds Sanitaire octroie aux vétérinaires (d’exploitation), les indemnités suivantes pour le prélèvement de sang et de toute autre substance en vue du diagnostic de la brucellose, effectué sur des animaux : a. par visite de troupeau : 33,44 euros HT.V.A. b. pour chaque animal faisant l’objet d’un prélèvement : 3,33 euros HT.V.A. En cas d’avortement : Visite d’exploitation : 33,44 euros HT.V.A. Prise de sang : 3,33 euros HT.V.A. Prélèvement de cotylédons : 3,33 euros HT.V.A. Envoi d’avorton au laboratoire : 9,30 euros HT.V.A. Le montant de ces indemnités couvre tous les frais de vacations, déplacements et envois des échantillons au laboratoire agréé. Ces indemnités sont payées directement aux vétérinaires (d’exploi tation) au vu d’états trimestriels dûment justifiés et certifiés exacts par l’Agence. Les états trimestriels doivent parvenir à ULC dans les soixante jours calendrier suivant le dernier jour du trimestre auquel ils se rapportent. Les indemnités mentionnées aux a., b., c. et d. sont annuellement ajustées sur base de l’indice de santé du mois de juillet de l’année en cours. La nouvelle indexation des indemnités entre en application le 1er octobre de chaque année. § 2. Le présent article ne s’applique pas aux examens et prélèvements nécessaires au diagnostic de la brucellose effectués suite à l’achat d’un animal à la demande de l’acquéreur. Art. 31. Dans les limites de l’article budgétaire prévu à cette fin, le Fonds Sanitaire octroie à l’expert désigné par le Ministre des indemni tés pour les frais de l’expertise des animaux à abattre, tels que fixés à l’article 78 de l’arrêté royal du 10 octobre 2005 relatif à la lutte contre la fièvre aphteuse. CHAPITRE 10. — Dispositions finales Art. 32. Sont abrogés : 1°. L’arrêté royal du 6 décembre 1978 relatif à la lutte contre la brucellose bovine ; 2° l’arrêté royal du 6 décembre 1978 relatif à l’encouragement de la lutte contre la brucellose bovine ; 3° l’arrêté royal du 8 août 1997 relatif à l’encouragement de la lutte contre la brucellose des ovins et des caprins. ; 4° l’arrêté ministériel du 22 octobre 1979 relatif à la lutte contre la brucellose bovine ; 5° l’arrêté ministériel du 8 avril 1988 portant des mesures temporaires de lutte contre la brucellose bovine ; 6° l’arrêté ministériel du 28 janvier 1989 établissant les modalités d’agrément des centres d’engraissement et de transfert des bovins dans le cadre de la lutte zonale contre la brucellose bovine ; 7° l’arrêté ministériel du 6 août 1991 déterminant le montant, les conditions et les modalités d’octroi de l’indemnité de séquestration visée à l’article 4 de l’arrêté royal du 6 décembre 1978 relatif à l’encouragement de la lutte contre la brucellose bovine. Art. 33. Le ministre qui a l’Agriculture dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 11 décembre 2023. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL 121049MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD BIJLAGE bij het koninklijk besluit van 11 december 2023 betreffende de bestrijding van de runder-, schapen- en geitenbrucellose Bewakingsprogramma voor het behoud van de brucellosevrije status in België Bewakingsprogramma voor een inrichting waar runderen worden gehouden Afhankelijk van de epidemiologische situatie in België kan het jaarlijkse surveillanceprogramma één of meer van de volgende punten omvatten : 1. het onderzoek van runderen die verworpen hebben uitgaande van serum van de moeder, de verworpen vrucht en/of de nageboorte en elke voor de diagnose nodige substantie, dit in het kader van het abortusprotocol; 2. het opsporen en onderzoeken van onvruchtbare stieren ; 3. het opsporen van antistoffen tegen Brucella spp. in tankmelk op elk melkveebedrijf, zal worden uitgevoerd met een door het Agentschap vastgestelde frequentie ; 4. Analyses uitgevoerd op bloedmonsters genomen tijdens de winterscreening van een door het Agentschap samengestelde selectie van runderen bij beslagen die te weinig verwerpingen ten opzichte van het aantal geboorten hadden gemeld; 5. een aankooponderzoek van alle dieren ouder dan twaalf maand afkomstig uit Lidstaten die niet officieel vrij zijn van brucellose of ingevoerd uit derde landen; 6. het opvolgen van de runderen ouder dan vierentwintig maand afkomstig uit Lidstaten die niet officieel vrij zijn van brucellose of uit derde landen ingevoerd werden, gedurende drie opeenvolgende jaren na het binnenbrengen in België; 7. het ad random bemonsteren van runderen uit verschillende leeftijdscategorieën; 8. het testen van ad random geselecteerde runderen in het kader van de nationale handel; 9. het opvolgen van bedrijven waar een gedeeltelijke afslachting werd uitgevoerd als gevolg van een haard van Brucella suis; 10. het opvolgen van beslagen die sanitaire of epidemiologische banden hebben met een verdenking of een haard. Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 11 decem ber 2023 betreffende de bestrijding van de runder-, schapen- en geitenbrucellose. FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL * FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE [C − 2023/48244] 26 OKTOBER 2023. — Koninklijk besluit houdende gedeeltelijke verdeling van het provisioneel krediet ingeschreven op het pro gramma 12-58 van de Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2023 met het oog op de uitvoering van projecten met betrekking tot sensibilisering voor diversiteit bij ambtenaren en de productie van inclusieve getuigenissen en met als doel de federale maatregelen van het nationaal actieplan tegen racisme 2021 2024 ten uitvoer te leggen FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat; Gelet op de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden; Gelet op de wet van 26 december 2022 houdende de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2023, op sectie 12 – FOD Justitie, programma 58/5 – Diversiteit, Interculturaliteit en Gelijkheid van kansen; Overwegende dat op het programma 12-58 van de Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2023 een provisioneel kre diet is ingeschreven ten belope van 782 000 euro dat is bestemd tot toekenning van subsidies aan de federale departementen aangeduid in de nota ‘Go For Equality’, met het oog op de uitvoering van acties in het kader van de federale maatregelen van het nationaal actieplan tegen racisme; ANNEXE à l’arrêté royal du 11 décembre 2023 relatif à la lutte contre la brucellose bovine, ovine et caprine Programme de surveillance pour le maintien du statut indemne de brucellose en Belgique Programme de surveillance pour les établissements détenant des bovins En fonction de la situation épidémiologique de la Belgique, le programme de surveillance annuelle peut comprendre un ou plusieurs des points cités ci-dessous : 1. l’examen des bovins ayant avorté à partir d’échantillons de sérum de la mère, de l’avorton et/ou des arrière-faix et de toute substance nécessaire au diagnostic dans le cadre du protocole avortement ; 2. le dépistage et l’examen de taureaux stériles ; 3. une recherche d’anticorps dirigés contra Brucella spp. sur le lait de tank de chaque exploitation laitière, sera réalisée à une fréquence déterminée par l’Agence ; 4. des analyses réalisées sur des échantillons de sang prélevés lors du monitoring hivernal sur une sélection de bovins établie par l’Agence, parmi des troupeaux ayant notifié un nombre trop faible d’avortement par rapport au nombre de naissances ; 5. un examen à l’achat de tous les animaux de plus de douze mois provenant d’Etats membres non-officiellement indemnes de brucellose ou importés de pays-tiers ; 6. un suivi des bovins âgés de plus de vingt-quatre mois provenant d’Etats membres non-officiellement indemnes de brucellose ou impor tés de pays-tiers pendant les trois années consécutives à leur introduc tion en Belgique ; 7. un échantillonnage de bovins sélectionnés aléatoirement parmi différentes catégories d’âge ; 8. un test de bovins sélectionnés aléatoirement dans le cadre du commerce national ; 9. un suivi des exploitations dans lesquelles un abattage partiel a été réalisé suite à un foyer de brucellose à Brucella suis ; 10. le suivi des établissements ayant des liens sanitaires ou épidé miologiques avec une suspicion ou un foyer. Vu pour être annexé à Notre arrêté du 11 décembre 2023 relatif à la lutte contre la brucellose bovine, ovine et caprine. PHILIPPE Par le Roi : Le Ministre de l’Agriculture, D. CLARINVAL SERVICE PUBLIC FEDERAL JUSTICE [C − 2023/48244] 26 OCTOBRE 2023. — Arrêté royal portant répartition partielle du crédit provisionnel inscrit au programme 12-58 du Budget général des dépenses pour l’année budgétaire 2023 en vue de la réalisation de projets relatifs à la sensibilisation des fonctionnaires à la diversité et à la réalisation de témoignages inclusifs et destiné à mettre en œuvre les mesures fédérales du Plan d’action national contre le racisme PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l’Etat fédéral ; Vu la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie ; Vu la loi du 26 décembre 2022 contenant le Budget général des dépenses pour l’année budgétaire 2023, section 12 – SPF Justice, programme 58/5 – Diversité, Interculturalité et Égalité des chances ; Considérant qu’un crédit provisionnel de 782.000 euros est inscrit au programme 12-58 du Budget général des dépenses pour l’année budgétaire 2023 qui est destiné à l’attribution de subsides aux départements fédéraux identifiés dans la note « Go For Equality », pour la réalisation d’actions prévues par les mesures fédérales du Plan d’action national contre le racisme ; 121050 MONITEUR BELGE — 22.12.2023 — BELGISCH STAATSBLAD