Accord de coopération entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses
颁布于 2016-02-16 · 文本截至 2026-10-01
以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。
研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。
关于这部法律
- 语言
- French
- 类型
- 其他
- 国家
- 比利时 · Vlaanderen; Wallonie; Bruxelles
- 主题
- Waste and hazardous substances
- 关键词
- sub-national agreement, pollution control, hazardous substances, inspection, access-to-information, enforcement/compliance
在哪里阅读
该法律没有记录来源链接。
文本
所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。
WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2016/12077] 1 APRIL 2016. — Wet houdende instemming met het samenwerkings akkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2. Instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Gegeven te Brussel, 1 april 2016. FILIP Van Koningswege : De eerste minister, Ch. MICHEL De minister van Werk en Economie, K. PEETERS De minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Met ’s Lands zegel gezegeld : De minister van Justitie, K. GEENS Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54-1669 — 2015/2016 Integraal Verslag : 17 maart 2016. Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, artikel 6, § 1, I en II, gewijzigd door de bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993 en de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, en artikel 92bis, § 3, b), ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augus tus 1988 en gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993; Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, artikelen 4 en 42, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en van 27 maart 2006, de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, ter uitvoering van de artike len 118 en 123 van de Grondwet, de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming en de bijzondere wet van SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2016/12077] 1er AVRIL 2016. — Loi portant assentiment à l’accord de coopération du 16 février 2016 entre l’Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. La Chambre des représentants a adopté et Nous sanctionnons ce qui suit : Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. Art. 2. Assentiment est donné à l’accord de coopération du 16 février 2016 entre l’Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dange reuses. Donné à Bruxelles, le 1er avril 2016. PHILIPPE Par le Roi : Le premier ministre, Ch. MICHEL Le ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La ministre de l’Environnement, Mme M.-C. MARGHEM Scellé du sceau de l’Etat : Le ministre de la Justice, K. GEENS Note (1) Chambre des représentants (www.lachambre.be) Documents : 54-1669 — 2015/2016 Compte rendu intégral : 17 mars 2016. Accord de coopération entre l’Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses Vu la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, l’article 6, § 1er, I et II, modifié par les lois spéciales du 8 août 1988 et du 16 juillet 1993 et la loi spéciale du 6 janvier 2014 relative à la Sixième Réforme de l’Etat, et l’article 92bis, § 3, b), inséré par la loi spéciale du 8 août 1988 et modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993; Vu la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises, les articles 4 et 42, modifiés par les lois spéciales du 16 juillet 1993 et du 27 mars 2006, la loi spéciale du 6 jan vier 2014 portant modification de la loi spéciale du 12 jan vier 1989 relative aux Institutions bruxelloises, en exécution des articles 118 et 123 de la Constitution, la loi spéciale du 6 jan vier 2014 relative à la Sixième Réforme de l’Etat et la loi spéciale du 26983BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 6 januari 2014. tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augus tus 1980 tot hervorming der instellingen, de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen; Gelet op het advies nr. 1.912 van de Nationale Arbeidsraad, gegeven op 30 september 2014; Gelet op het advies van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed, gegeven op 26 november 2014; Gelet op het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken vervangt, gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006; Overwegende dat krachtens artikel 92bis, § 3, b) van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de Federale Staat en de gewesten gehouden zijn een samenwerkingsakkoord te sluiten voor de toepassing op federaal en gewestelijk vlak van de regelen die de Europese Unie heeft vastgesteld inzake de risico’s van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten; Overwegende dat die materie het voorwerp uitmaakt van richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijzi ging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG; Overwegende dat het Verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend te Helsinki op 17 maart 1992, en het Verdrag nr. 174 betreffende de voorkoming van zware industriële ongevallen, aangenomen te Genève op 22 juni 1993 door de Internationale Arbeidsorganisatie tijdens haar tachtigste zitting, betrekking hebben op dezelfde materie en dat het derhalve aangewezen is de tenuitvoerlegging ervan te verzekeren door middel van hetzelfde samenwerkingsakkoord; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van die bepalingen deels tot de bevoegdheid van de Federale Staat en deels tot deze van de gewesten behoort en dat sommige bepalingen tot beider bevoegdheid behoren; Overwegende dat een gecoördineerde en doeltreffende tenuitvoer legging van die bepalingen enerzijds, en de noodzaak de exploitanten van de door die bepalingen beoogde inrichtingen niet te confronteren met onvoldoende op elkaar afgestemde of overlappende regelgeving anderzijds, vereist dat dat gebeurt door middel van een samenwer kingsakkoord dat rechtstreeks van toepassing is; Overwegende dat alleen een samenwerkingsakkoord met kracht van wet een voldoende garantie biedt om voor het hele Belgische grondge bied een optimaal gecoördineerde regeling te treffen; Overwegende dat, met name om te beantwoorden aan de eisen van de voormelde richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 en om de nieuwe en aangepaste bepalingen op een duidelijke en samenhangende wijze te integreren, er reden is om het voormelde samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, op te heffen en te vervangen door dit samenwerkingsak koord; Overwegende dat sinds de aanname van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 de regelgeving inzake inspectie van verschillende diensten geëvolueerd en gemoderniseerd is; Overwegende dat door de relevante bepalingen van de federale en gewestelijke regelgeving inzake inspectie te importeren in dit samen werkingsakkoord rekening wordt gehouden met die evolutie en modernisering, zonder afbreuk te doen aan de samenwerkingsge dachte; Overwegende dat met het oog op een uniforme toepassing van het samenwerkingsakkoord en een optimale informatie-uitwisseling tussen de bevoegde overheden de permanente overlegstructuur, die werd opgezet onder het voormeld samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, bestendigd wordt; Overwegende dat dit samenwerkingsakkoord niet belet dat de gewesten in hun wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven de verplichting kunnen opleggen om een veiligheidsrapport of een veiligheidsstudie op te stellen met het oog op het beoordelen van een aanvraag voor het verkrijgen van een in die wetgeving bedoelde vergunning en dit op grond van de op dat ogenblik beschikbare en benodigde gegevens; Overwegende dat de gewesten erover waken dat in een dergelijk geval het rapport of de studie op zodanige manier wordt opgevat dat het rapport of de studie later kan worden aangevuld tot het veiligheids rapport zoals het in dit samenwerkingsakkoord wordt bedoeld; 6 janvier 2014 modifiant la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle et la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises; Vu l’avis n° 1.912 du Conseil National du travail, donné le 30 septembre 2014; Vu l’avis du “Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed”, donné le 26 novembre 2014; Vu l’accord de coopération du 21 juin 1999 entre l’Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impli quant des substances dangereuses, modifié par l’accord de coopération du 1er juin 2006; Considérant qu’en vertu de l’article 92bis, § 3, b), de la loi spéciale du 8 août 1980, l’état fédéral et les régions sont tenus de conclure un accord de coopération pour l’application aux niveaux fédéral et régional des règles fixées par l’Union européenne concernant les risques d’accidents majeurs de certaines activités industrielles; Considérant que cette matière fait l’objet de la directive 2012/18/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifiant puis abrogeant la directive 96/82/CE; Considérant que la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, signée à Helsinki le 17 mars 1992, et la Conven tion n° 174 concernant la prévention des accidents industriels majeurs, adoptée à Genève le 22 juin 1993 par la Conférence internationale du Travail lors de sa quatre-vingtième session, traitent de la même matière et qu’il est donc indiqué d’en assurer la mise en application au moyen du même accord de coopération; Considérant que la mise en application de ces dispositions relève en partie de la compétence de l’état fédéral et en partie de celle des régions et que certaines dispositions relèvent de compétences communes; Considérant qu’en vue d’assurer une mise en application coordonnée et efficace de ces dispositions d’une part, et de ne pas confronter les exploitants des établissements visés par ces dispositions à des régle mentations insuffisamment harmonisées ou qui se chevauchent d’autre part, il est indispensable d’agir au moyen d’un accord de coopération d’application directe; Considérant que seul un accord de coopération ayant force de loi offre une garantie suffisante pour adopter une réglementation coordon née optimale pour l’ensemble du territoire belge; Considérant que, notamment pour répondre aux exigences de la directive 2012/18/UE du 4 juillet 2012 précitée et intégrer de façon claire et cohérente les dispositions nouvelles et modifiées, il y a lieu d’abroger l’accord de coopération du 21 juin 1999 précité, et de le remplacer par le présent accord de coopération; Considérant que, depuis l’adoption de l’accord de coopération du 21 juin 1999, la réglementation en matière d’inspection des différents services a évolué et a été modernisée; Considérant qu’en important les dispositions pertinentes des régle mentations fédérale et régionale en matière d’inspection dans l’accord de coopération, il est tenu compte de cette évolution et de cette modernisation, sans nuire à la notion de coopération; Considérant qu’en vue d’une application uniforme de l’accord de coopération et d’un échange optimal d’information entre les autorités compétentes, la structure permanente de concertation qui avait été mise en place sous l’accord de coopération du 21 juin 1999 précité, demeure; Considérant que le présent accord de coopération n’exclut pas que les régions inscrivent dans leur législation sur les établissements classés comme dangereux, insalubres et incommodes, l’obligation de rédiger un rapport de sécurité ou une étude de sûreté en vue de l’évaluation de la demande de permis prévue par la législation concernée, et ce sur la base des données disponibles et nécessaires à ce moment; Considérant que les régions veillent à ce que, dans ce cas, le rapport ou l’étude soient conçus de telle manière qu’ils puissent être complétés ultérieurement pour constituer le rapport de sécurité visé par le présent accord de coopération; 26984 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Overwegende dat krachtens artikel 31 van de voormelde richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012, de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om er uiterlijk op 31 mei 2015 aan te voldoen; Overwegende dat de partijen bij dit samenwerkingsakkoord zich ertoe verbinden om onmiddellijk na de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord een gezamenlijke studie uit te voeren naar de financiering van de opdrachten van de federale en gewestelijke overheden zoals bedoeld in dit samenwerkingsakkoord; De Federale Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk en Economie, de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de Minister van Leefmilieu; Het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van haar Minister-President en de Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw; Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door de Waalse Regering, in de persoon van haar Minister-President en de Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening; Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in de persoon van haar Minister President, belast met Territoriale Ontwikkeling, en de Minister belast met Leefmilieu; Zijn overeengekomen wat volgt : HOOFDSTUK 1. — Algemene bepalingen Artikel 1. § 1. Dit samenwerkingsakkoord voorziet in de gedeelte lijke omzetting van de richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parle ment en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrok ken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van richtlijn 96/82/EG. § 2. Dit samenwerkingsakkoord is rechtstreeks toepasselijk. § 3. Dit samenwerkingsakkoord heeft betrekking op de preventie van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, en de beperking van de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu, teneinde op coherente en doeltreffende wijze een hoog niveau van bescherming in het hele land te waarborgen. Art. 2. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord wordt verstaan onder : 1° inrichting : het gehele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; inrichtingen zijn ofwel lagedrempelinrichtingen ofwel hogedrempel inrichtingen; 2° lagedrempelinrichting : een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter dan de in kolom 2 van deel 1 of kolom 2 van deel 2 van bijlage 1 vermelde hoeveelheden, die evenwel niet gelijk zijn aan of groter dan de in kolom 3 van deel 1 of in kolom 3 van deel 2 van bijlage 1 vermelde hoeveelheden, in voorkomend geval gebruikmakend van de in noot 4 bij bijlage 1 bedoelde sommatieregel; 3° hogedrempelinrichting : een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter dan de in kolom 3 van deel 1 of kolom 3 van deel 2 van bijlage 1 vermelde hoeveelheden, in voorkomend geval gebruikmakend van de in noot 4 bij bijlage 1 bedoelde sommatieregel; 4° naburige inrichting : een inrichting die zich zodanig dicht bij een andere inrichting bevindt dat het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval worden vergroot; 5° nieuwe inrichting : a) een inrichting die in bedrijf wordt gesteld op of na de datum van inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord; b) een bedrijf dat onder het toepassingsgebied van dit samenwer kingsakkoord komt door wijzigingen van haar installaties of activitei ten die leiden tot een wijziging van haar inventaris van gevaarlijke stoffen; c) een lagedrempelinrichting die een hogedrempelinrichting wordt, of omgekeerd, door wijzigingen van haar installaties of activiteiten die leiden tot een wijziging van haar inventaris van gevaarlijke stoffen. 6° bestaande inrichting : een inrichting die Considérant que selon l’article 31 de la directive 2012/18/UE du 4 juillet 2012 précitée, les Etats membres mettent en vigueur les dispositions législatives et administratives nécessaires pour s’y confor mer au plus tard le 31 mai 2015; Considérant que les parties à cet accord de coopération s’engagent à mener immédiatement après l’entrée en vigueur du présent accord de coopération, une étude conjointe sur le financement des missions des autorités fédérales et régionales visées dans le présent accord de coopération; L’Etat fédéral, représenté par le Ministre de l’Emploi et de l’Econo mie, le Ministre de la Sécurité et l’Intérieur et la Ministre de l’Environnement; La Région flamande, représentée par le Gouvernement flamand, en la personne de son Ministre-Président et de la Ministre de l’Environne ment, de la Nature et de l’Agriculture; La Région wallonne, représentée par le Gouvernement wallon en la personne de son Ministre-Président et du Ministre de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire; La Région de Bruxelles-Capitale, représentée par le Gouvernement de Bruxelles-Capitale en la personne de son Ministre-Président, chargé du Développement territorial, et de la Ministre chargée de l’Environ nement; Ont convenu ce qui suit : CHAPITRE 1er. — Dispositions générales Article 1er. § 1er. Le présent accord de coopération transpose partiellement la directive 2012/18/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifiant puis abrogeant la directive 96/82/CE. § 2. Le présent accord de coopération est d’application directe. § 3. Le présent accord de coopération a pour objet la prévention des accidents majeurs impliquant des substances dangereuses et la limita tion de leurs conséquences pour la santé humaine et l’environnement, afin d’assurer de façon cohérente et efficace dans tout le pays un niveau de protection élevé. Art. 2. Pour l’application du présent accord de coopération, l’on entend par : 1° établissement : l’ensemble du site placé sous le contrôle d’un exploitant où des substances dangereuses sont présentes dans une ou plusieurs installations, y compris les infrastructures ou les activités communes ou connexes; les établissements sont soit des établissements seuil bas, soit des établissements seuil haut; 2° établissement seuil bas : un établissement dans lequel des substances dangereuses sont présentes dans des quantités égales ou supérieures aux quantités indiquées dans la colonne 2 de l’annexe 1, partie 1 ou partie 2, mais inférieures aux quantités indiquées dans la colonne 3 de l’annexe 1, partie 1 ou partie 2, le cas échéant en appliquant la règle de cumul exposée à la note 4 relative à l’annexe 1; 3° établissement seuil haut : un établissement dans lequel des substances dangereuses sont présentes dans des quantités égales ou supérieures aux quantités figurant dans la colonne 3 de l’annexe 1, partie 1 ou partie 2, le cas échéant en appliquant la règle de cumul exposée à la note 4 relative à l’annexe 1; 4° établissement voisin : un établissement situé à une telle proximité d’un autre établissement qu’il accroît le risque ou les conséquences d’un accident majeur; 5° nouvel établissement : a) un établissement qui entre en service à la date d’entrée en vigueur du présent accord de coopération ou après celle-ci; b) un site d’exploitation qui entre dans le champ d’application du présent accord de coopération, en raison de modifications de ses installations ou activités qui entraînent un changement de son inven taire des substances dangereuses; c) un établissement seuil bas qui devient un établissement seuil haut, ou vice versa, en raison de modifications de ses installations ou activités qui entraînent un changement de son inventaire des substances dangereuses. 6° établissement existant : un établissement 26985BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE a) de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit samenwer kingsakkoord onder het toepassingsgebied viel van het samenwerkings akkoord van 21 juni 1999, en b) vanaf de datum van inwerkingtreding van het huidig samenwer kingsakkoord onder het toepassingsgebied van dit akkoord valt zonder wijziging van haar indeling als lagedrempelinrichting of hogedrempel inrichting; 7° andere inrichting : een bedrijf dat onder het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord komt of een lagedrempelinrichting die een hogedrempelinrichting wordt, of omgekeerd, om andere redenen dan die welke zijn bedoeld in 5°; 8° installatie : een technische eenheid binnen een inrichting, boven- of ondergronds, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, gebruikt, behandeld of opgeslagen, en die alle uitrusting, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, spoorwegaftakkingen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende constructies, omvat die nodig zijn voor de werking van die installatie; 9° exploitant : iedere natuurlijke of rechtspersoon die de inrichting exploiteert; 10° gevaarlijke stof : een onder deel 1 van bijlage 1 vallende of in deel 2 van bijlage 1 opgenomen stof of mengsel, onder meer onder de vorm van grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct; 11° mengsel : een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen; 12° aanwezigheid van gevaarlijke stoffen : de werkelijke of verwachte aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de inrichting, of van gevaar lijke stoffen waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat ze zouden kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen, met inbegrip van opslagactiviteiten, in installaties binnen de inrichting, in hoeveelheden, die gelijk zijn aan of groter dan de in deel 1 of deel 2 van bijlage 1 vermelde drempelwaarden; 13° zwaar ongeval : een gebeurtenis, zoals een zware emissie, brand of explosie die het gevolg is van ongecontroleerde ontwikkelingen tijdens de exploitatie van een inrichting waarop dit samenwerkingsak koord van toepassing is, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu, binnen of buiten de inrichting ontstaat en waarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn; 14° gevaar : de intrinsieke eigenschap van een gevaarlijke stof of van een fysische situatie die potentieel tot schade voor de menselijke gezondheid of het milieu kan leiden; 15° risico : de waarschijnlijkheid dat een bepaald effect zich binnen een bepaalde periode of onder bepaalde omstandigheden voordoet; 16° opslag : de aanwezigheid van een hoeveelheid gevaarlijke stoffen voor opslag, veilige bewaring of voorraadbewaring; 17° het publiek : een of meer natuurlijke of rechtspersonen, alsook hun verenigingen, organisaties of groepen; 18° inspectie : alle door de inspecteurs ondernomen acties, met inbegrip van bezoeken ter plaatse, controles van de interne maatrege len, systemen en rapporten en vervolgdocumenten, en alle noodzake lijke follow-up, om de naleving van de voorschriften van dit samen werkingsakkoord door de exploitanten te controleren, te bevorderen en indien nodig af te dwingen; 19° inspecteur : een overeenkomstig artikel 4, § 4, aangewezen personeelslid van een inspectiedienst bedoeld in artikel 4, § 3; 20° inspectieteam : alle inspecteurs bevoegd voor de inspectie van de inrichtingen gelegen op het grondgebied van een gewest; 21° extern noodplan : het bijzonder nood- en interventieplan bedoeld in artikel 2ter van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en in artikel 9 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid; 22° noodplanningszone : de zone die gedefinieerd wordt krachtens artikelen 2 en 2ter van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en artikelen 8 en 9 van de wet van 15 mei 2007 betref fende de civiele veiligheid; 23° gouverneur : de provinciegouverneurs en de krachtens artikel 48 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen bevoegde overheid van de Brusselse agglomera tie; 24° samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 : het samenwerkings akkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de a) qui relève de l’accord de coopération du 21 juin 1999 le jour précédent celui de l’entrée en vigueur du présent accord de coopéra tion, et b) qui à dater de l’entrée en vigueur du présent accord de coopération entre dans le champ d’application de cet accord, sans que soit changé son classement en tant qu’établissement seuil bas ou établissement seuil haut; 7° autre établissement : pour des raisons autres que celles mention nées au 5°, un site d’exploitation qui entre dans le champ d’application du présent accord de coopération ou un établissement seuil bas qui devient un établissement seuil haut, ou vice versa; 8° installation : une unité technique au sein d’un établissement et en surface ou sous le sol, dans laquelle des substances dangereuses sont produites, utilisées, manipulées ou stockées; elle comprend tous les équipements, structures, tuyauteries, machines, outils, embranche ments ferroviaires, quais de chargement et de déchargement, apponte ments desservant l’installation, jetées, dépôts ou structures analogues, flottantes ou non, nécessaires pour le fonctionnement de cette installa tion; 9° exploitant : toute personne physique ou morale qui exploite l’établissement; 10° substance dangereuse : une substance ou un mélange relevant de la partie 1 ou figurant dans la partie 2 de l’annexe 1, entre autres en tant que matière première, produit, produit dérivé, résidu ou intermédiaire; 11° mélange : un mélange ou une solution composé de deux substances ou plus; 12° présence de substances dangereuses : la présence réelle ou anticipée de substances dangereuses dans l’établissement, ou de substances dangereuses dont il est raisonnable de prévoir qu’elles pourraient être produites en cas de perte de contrôle des procédés, y compris des activités de stockage, dans une installation au sein de l’établissement, dans des quantités égales ou supérieures aux quantités seuils fixées dans la partie 1 ou dans la partie 2 de l’annexe 1; 13° accident majeur : un événement tel qu’une émission, un incendie ou une explosion d’importance majeure résultant de développements incontrôlés survenus au cours de l’exploitation d’un établissement couvert par le présent accord de coopération, entraînant pour la santé humaine ou pour l’environnement, un danger grave, immédiat ou différé, à l’intérieur ou à l’extérieur de l’établissement, et faisant intervenir une ou plusieurs substances dangereuses; 14° danger : la propriété intrinsèque d’une substance dangereuse ou d’une situation physique de pouvoir provoquer des dommages pour la santé humaine ou l’environnement; 15° risque : la probabilité qu’un effet spécifique se produise dans une période donnée ou dans des circonstances déterminées; 16° stockage : la présence d’une certaine quantité de substances dangereuses à des fins d’entreposage, de mise en dépôt sous bonne garde ou d’emmagasinage; 17° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales, ainsi que les associations, organisations ou groupes constitués par ces personnes; 18° inspection : toutes les actions, y compris les visites de site, les contrôles des mesures, systèmes et rapports internes et documents de suivi, ainsi que toute activité de suivi nécessaire, effectuées par les inspecteurs, pour vérifier, encourager et, le cas échéant, imposer le respect des dispositions du présent accord de coopération par les exploitants; 19° inspecteur : un membre du personnel des services d’inspection visés à l’article 4, § 3, désigné conformément à l’article 4, § 4; 20° équipe d’inspection : l’ensemble des inspecteurs compétents pour l’inspection des établissements situés sur le territoire d’une région; 21° plan d’urgence externe : le plan particulier d’urgence et d’intervention visé par l’article 2ter de la loi du 31 décembre 1963 sur la protection civile et par l’article 9 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile; 22° zone de planification d’urgence : la zone définie en vertu des articles 2 et 2ter de la loi du 31 décembre 1963 sur la protection civile et des articles 8 et 9 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile; 23° gouverneur : les gouverneurs de province et l’autorité de l’agglomération bruxelloise compétente en vertu de l’article 48 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises; 24° accord de coopération du 21 juin 1999 : l’accord de coopération du 21 juin 1999 entre l’Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des 26986 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 en opgeheven door het huidig samenwerkingsakkoord. Art. 3. § 1. Dit samenwerkingsakkoord is van toepassing op de inrichtingen bedoeld in artikel 2, 1°. De artikelen 8, 12, 13, 14, tweede lid, 15, 21, 28 en 29 zijn uitsluitend van toepassing op hogedrempelinrichtingen. § 2. Dit samenwerkingsakkoord is niet van toepassing op : 1° militaire inrichtingen, installaties of opslagplaatsen; 2° gevaren die samenhangen met ioniserende straling afkomstig van stoffen; 3° het vervoer van gevaarlijke stoffen - en de daaraan rechtstreeks gerelateerde tijdelijke opslag - over de weg, per spoor, over binnenwa teren of over zee of door de lucht, met inbegrip van laden en lossen en de overbrenging naar en van een andere vervoerswijze in havens, op kaden of op spoorwegemplacementen, buiten de door dit samenwer kingsakkoord bestreken inrichtingen; 4° het vervoer van gevaarlijke stoffen door pijpleidingen, met inbegrip van de pompstations, buiten de onder dit samenwerkingsak koord begrepen inrichtingen; 5° de exploitatie, namelijk de exploratie, winning en verwerking, van mineralen in mijnen en groeven, ook door middel van boringen; 6° de offshore exploratie en exploitatie van mineralen, met inbegrip van koolwaterstoffen; 7° de offshore ondergrondse gasopslag, met inbegrip van zowel specifieke opslaglocaties als locaties waar eveneens aan exploratie en exploitatie van mineralen, met inbegrip van koolwaterstoffen, wordt gedaan; 8° stortplaatsen voor afval, met inbegrip van ondergrondse opslag van afval. § 3. In afwijking van paragraaf 2, 5° en 8°, vallen onder het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord : 1° onshore ondergrondse gasopslag in natuurlijke aardlagen, water houdende grondlagen, zoutholtes en niet meer gebruikte mijnen; 2° chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die samenhangt met die activiteiten, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn; 3° operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen, waaronder residuvijvers of -bekkens, die gevaarlijke stoffen bevatten. Art. 4. § 1. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden aangewezen als “coördinerende dienst” : 1° de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn; 2° de door de Waalse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Waalse Gewest gelegen zijn; 3° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn. § 2. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden aangewezen als “beoordelingsdienst” : 1° de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn; 2° de door de Waalse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Waalse Gewest gelegen zijn; 3° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn; 4° de met het toezicht op de arbeidsveiligheid belaste dienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg; 5° voor inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van het algemeen reglement op de springstoffen, van de wetgeving inzake ondergrondse opslag van gas of van de wetgeving betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidin gen, de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie; 6° de door de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken aange wezen dienst; dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dange reuses, modifié par l’accord de coopération du 1er juin 2006 et abrogé par le présent accord de coopération. Art. 3. § 1er. Le présent accord de coopération s’applique aux établissements définis à l’article 2, 1°. Les articles 8, 12, 13, 14, alinéa 2, 15, 21, 28 et 29 s’appliquent uniquement aux établissements seuil haut. § 2. Le présent accord de coopération ne s’applique pas : 1° aux établissements, installations ou aires de stockage militaires; 2° aux dangers liés aux rayonnements ionisants provenant de substances; 3° au transport de substances dangereuses - et le stockage temporaire intermédiaire qui y est directement lié - par route, rail, voies navigables intérieures et maritimes ou par air, y compris les activités de chargement et de déchargement et le transfert vers et à partir d’un autre mode de transport aux quais de chargement, aux quais ou aux gares ferroviaires de triage, à l’extérieur des établissements visés par le présent accord de coopération; 4° au transport de substances dangereuses par pipelines, y compris les stations de pompage, à l’extérieur des établissements visés par le présent accord de coopération; 5° à l’exploitation, à savoir la prospection, l’extraction et le traite ment, des matières minérales dans les mines et les carrières, y compris au moyen de forages; 6° aux activités de prospection et d’exploitation offshore de matières minérales, y compris d’hydrocarbures; 7° au stockage de gaz sur des sites offshore souterrains, qu’il s’agisse de sites réservés au stockage ou de sites dans lesquels la prospection et l’exploitation de matières minérales, y compris d’hydrocarbures, ont également lieu; 8° aux décharges de déchets, y compris le stockage souterrain de déchets. § 3. Par dérogation au paragraphe 2, 5° et 8°, relèvent du champ d’application du présent accord de coopération : 1° le stockage de gaz souterrain à terre dans les strates naturelles, en aquifères, en cavités salines et dans des mines désaffectées; 2° les opérations de traitement chimique et thermique ainsi que le stockage lié à ces opérations qui entraînent la présence de substances dangereuses; 3° les installations en activité d’élimination des stériles, y compris les bassins de décantation des stériles, qui contiennent des substances dangereuses. Art. 4. § 1er. Sont désignés comme « service de coordination » pour l’application du présent accord de coopération : 1° le service désigné par le Gouvernement flamand, pour les établissements situés en Région flamande; 2° le service désigné par le Gouvernement wallon, pour les établis sements situés en Région wallonne; 3° le service désigné par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, pour les établissements situés en Région de Bruxelles Capitale. § 2. Sont désignés comme « service d’évaluation » pour l’application du présent accord de coopération : 1° le service désigné par le Gouvernement flamand, pour les établissements situés en Région flamande; 2° le service désigné par le Gouvernement wallon, pour les établis sements situés en Région wallonne; 3° le service désigné par le Gouvernement de la Région Bruxelles Capitale, pour les établissements situés en Région de Bruxelles Capitale; 4° le service chargé du contrôle de la sécurité du travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale; 5° pour les établissements relevant du champ d’application du règlement général sur les explosifs, de la législation en matière de stockage souterrain de gaz ou de la législation relative au transport de produits gazeux et autres au moyen de canalisations, le service compétent du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyen nes et Energie; 6° le service désigné par le Service public fédéral Intérieur; 26987BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 7° de bevoegde hulpverleningszone of de bevoegde brandweerdienst als die nog niet geïntegreerd is in een hulpverleningszone. § 3. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden aangewezen als “inspectiedienst” : 1° de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn; 2° de door de Waalse Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Waalse Gewest gelegen zijn; 3° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen dienst, voor de inrichtingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn; 4° de met het toezicht op de arbeidsveiligheid belaste dienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg; 5° voor inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van het algemeen reglement op de springstoffen, de wetgeving inzake onder grondse opslag van gas en de wetgeving betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen, de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. § 4. De federale en gewestelijke ministers die bevoegd zijn voor de diensten, bedoeld in paragrafen 1 tot 3, wijzen ieder voor zich, de personeelsleden van die diensten aan die in het bijzonder belast zijn met de aan deze diensten toegewezen opdrachten. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Iedere wijziging wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt. HOOFDSTUK 2. — Preventie van zware ongevallen Art. 5. De exploitant neemt alle nodige maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. De exploitant is te allen tijde in staat om aan de bevoegde diensten, in het bijzonder aan de inspectiediensten, aan te tonen dat hij alle in dit samenwerkingsakkoord aangegeven noodzakelijke maatregelen heeft genomen. Art. 6. § 1. De exploitant stelt een preventiebeleid voor zware ongevallen vast. Dit beleid staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen. § 2. De exploitant stelt een document op waarin hij dit beleid beschrijft. Het bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en een hoog beschermingsniveau te waarborgen. De exploitant houdt het document ter beschikking van de bevoegde inspectiediensten. § 3. Paragraaf 2, eerste en tweede lid, is niet van toepassing indien de exploitant een document heeft opgesteld dat het preventiebeleid voor zware ongevallen beschrijft vóór de inwerkingtreding van dit samen werkingsakkoord krachtens het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in het document beantwoordt aan paragraaf 2, tweede lid, en ongewijzigd is gebleven. § 4. De exploitant voert het preventiebeleid voor zware ongevallen uit, met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersys teem, in overeenstemming met bijlage 2. Het veiligheidsbeheersysteem is gebaseerd op de evaluatie van de risico’s en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen, de activiteiten en de complexiteit van de organisatie van de inrichting. § 5. Onverminderd artikel 10, herziet de exploitant het preventiebe leid voor zware ongevallen periodiek en ten minste om de vijf jaar. Indien nodig stuurt de exploitant het preventiebeleid bij en past het document, bedoeld in paragraaf 2, aan overeenkomstig deze bijsturing. Art. 7. § 1. De exploitant dient een kennisgeving in bij de bevoegde coördinerende dienst, die de volgende informatie bevat : 1° de naam van de exploitant, het volledige adres van de inrichting in kwestie en haar vestigingseenheidsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen; 7° la zone de secours compétente ou le service d’incendie compétent s’il n’est pas encore intégré dans une zone de secours. § 3. Sont désignés comme « service d’inspection » pour l’application du présent accord de coopération : 1° le service désigné par le Gouvernement flamand, pour les établissements situés en Région flamande; 2° le service désigné par le Gouvernement wallon, pour les établis sements situés en Région wallonne; 3° le service désigné par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, pour les établissements situés en Région Bruxelles Capitale; 4° le service chargé du contrôle de la sécurité du travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale; 5° pour les établissements relevant du champ d’application du règlement général sur les explosifs, la législation en matière de stockage souterrain de gaz et la législation relative au transport de produits gazeux et autres au moyen de canalisations, le service compétent du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie. § 4. Les ministres fédéraux et régionaux compétents pour les services visés aux paragraphes 1er à 3, désignent chacun en ce qui le concerne, les membres du personnel de ces services chargés en particulier des missions dévolues à ces services. La désignation visée au 1er alinéa est publiée au Moniteur belge. Toute modification est communiquée de la même manière. CHAPITRE 2. — Prévention des accidents majeurs Art. 5. L’exploitant prend toutes les mesures qui s’imposent pour prévenir les accidents majeurs et pour en limiter les conséquences pour la santé humaine et l’environnement. L’exploitant est à tout moment en mesure de prouver aux services compétents, en particulier aux services d’inspection, qu’il a pris toutes les mesures nécessaires prévues par le présent accord de coopération. Art. 6. § 1er. L’exploitant établit une politique de prévention des accidents majeurs. La politique de prévention des accidents majeurs assure un niveau élevé de protection de la santé humaine et de l’environnement et est proportionnée aux dangers d’accidents majeurs. § 2. L’exploitant rédige un document décrivant cette politique. Il inclut les objectifs globaux et les principes d’action de l’exploitant, le rôle et la responsabilité de la direction, ainsi que l’engagement d’améliorer en permanence la maîtrise des dangers d’accidents majeurs et d’assurer un niveau de protection élevé. L’exploitant tient le document à la disposition des services d’inspec tion compétents. § 3. Le paragraphe 2, alinéa 1er et 2, ne s’applique pas si avant l’entrée en vigueur du présent accord de coopération l’exploitant a rédigé un document définissant la politique de prévention des accidents majeurs en vertu de l’accord de coopération du 21 juin 1999 et si les informations contenues dans ce document sont conformes au paragra phe 2, alinéa 2, et demeurent inchangées. § 4. L’exploitant met en œuvre la politique de prévention des accidents majeurs par des moyens et des structures appropriés et par un système de gestion de la sécurité, conformément à l’annexe 2. Le système de gestion de la sécurité repose sur une évaluation des risques et est proportionné aux dangers d’accidents majeurs, aux activités et à la complexité de l’organisation de l’établissement. § 5. Sans préjudice de l’article 10, l’exploitant révise périodiquement et au moins tous les cinq ans, la politique de prévention des accidents majeurs. Si nécessaire, l’exploitant adapte la politique de prévention et met à jour le document visé au paragraphe 2, conformément à cette adaptation. Art. 7. § 1er. L’exploitant introduit auprès du service de coordination compétent une notification contenant les informations suivantes : 1° le nom de l’exploitant, l’adresse complète de l’établissement concerné et son numéro d’unité d’établissement dans la Banque Carrefour des Entreprises; 26988 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 2° de maatschappelijke zetel van de exploitant, het volledige adres ervan en het ondernemingsnummer in de Kruispuntbank van Onder nemingen; 3° de naam en de functie van de persoon die met de leiding van de inrichting belast is, als dat een andere is dan de persoon bedoeld in 1°; 4° voldoende gegevens om de gevaarlijke stoffen en de categorie van de gevaarlijke stoffen te identificeren die aanwezig zijn of kunnen zijn; 5° de hoeveelheid en de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen; 6° de activiteit die in de installatie of op de opslagplaats wordt uitgeoefend of is gepland; 7° de onmiddellijke omgeving van de inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met inbegrip van, in voorkomend geval, gegevens over naburige inrichtingen, alsook van bedrijven die buiten het toepassings gebied van dit samenwerkingsakkoord vallen, gebieden en ontwikke lingen die de bron kunnen zijn van het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval en van domino-effecten zouden kunnen vergroten. § 2. De exploitant dient de kennisgeving of de actualisering ervan in binnen de volgende termijnen : 1° voor nieuwe inrichtingen : uiterlijk vier maanden vóór de inbedrijfstelling van de inrichting of vóór de wijziging bedoeld in artikel 2, 5°, b) of c); 2° voor bestaande inrichtingen : uiterlijk drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord; 3° voor andere inrichtingen : uiterlijk drie maanden na de datum waarop de inrichting beantwoordt aan artikel 2, 7°. § 3. Paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de exploitant een kennisgeving heeft ingediend bij de coördinerende dienst vóór de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord krachtens het samen werkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in deze kennisgeving beantwoordt aan paragraaf 1 en ongewijzigd is gebleven. § 4. De exploitant dient de kennisgeving en de actualiseringen ervan in op papier in acht exemplaren of in elektronisch formaat. De bevoegde gewestregering kan het model, het formaat en de indieningsmodaliteiten van de kennisgeving bepalen. § 5. Zodra hij er kennis van heeft, brengt de exploitant de coördinerende dienst onmiddellijk op de hoogte van : 1° veranderingen aan de informatie bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°; 2° de definitieve sluiting of de buitengebruikstelling van de inrich ting. Art. 8. § 1. De exploitant van een hogedrempelinrichting dient bij de coördinerende dienst een veiligheidsrapport in om : 1° aan te tonen dat er een preventiebeleid voor zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem voor het uitvoeren daarvan zijn inge voerd overeenkomstig de in bijlage 2 genoemde punten; 2° aan te tonen dat de gevaren van zware ongevallen en scenario’s voor mogelijke zware ongevallen geïdentificeerd zijn en dat de nodige maatregelen zijn getroffen om dergelijke ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken; 3° aan te tonen dat het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van alle met de werking van de inrichting samenhangende installaties, opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die verband houden met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de inrichting, voldoende veilig en betrouwbaar zijn; 4° aan te tonen dat er een intern noodplan bedoeld in artikel 11 werd opgesteld en de nodige gegevens te verstrekken voor de opstelling van het extern noodplan bedoeld in artikel 13; 5° te waarborgen dat voldoende gegevens aan de coördinerende dienst worden verschaft, zodat hij adviezen kan geven over de vestiging van nieuwe activiteiten of over nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen. § 2. In het veiligheidsrapport worden ten minste de in bijlage 3 vermelde gegevens en inlichtingen opgenomen. Het rapport vermeldt tevens de relevante organisaties die betrokken zijn bij de opstelling van het rapport. § 3. De exploitant dient het veiligheidsrapport of de actualisering ervan in binnen de volgende termijnen : 2° le siège social de l’exploitant, son adresse complète et le numéro d’entreprise dans la Banque-Carrefour des Entreprises; 3° le nom et la fonction du responsable de l’établissement, s’il s’agit d’une personne autre que celle visée au 1°; 4° des informations suffisantes pour permettre d’identifier les substances dangereuses et la catégorie de substances présentes ou susceptibles d’être présentes; 5° la quantité et la forme physique de la ou des substance(s) dangereuse(s) concernée(s); 6° l’activité exercée ou prévue dans l’installation ou sur l’aire de stockage; 7° le voisinage immédiat de l’établissement et les facteurs suscepti bles de causer un accident majeur ou d’aggraver ses conséquences, y compris, lorsqu’elles sont disponibles, les données concernant des établissements voisins et des sites non couverts par le présent accord de coopération, des zones et aménagements susceptibles d’être à l’origine, ou d’accroître le risque ou les conséquences d’un accident majeur et d’effets domino. § 2. L’exploitant introduit la notification ou sa mise à jour dans les délais suivants : 1° pour les nouveaux établissements : au plus tard quatre mois avant la mise en exploitation de l’établissement ou avant la modification visée à l’article 2, 5°, b) ou c); 2° pour les d’établissements existants : au plus tard trois mois après la date de l’entrée en vigueur du présent accord de coopération; 3° pour les autres établissements : au plus tard trois mois après la date à laquelle l’établissement répond à l’article 2, 7°. § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s’appliquent pas si avant l’entrée en vigueur du présent accord de coopération l’exploitant a introduit une notification auprès du service de coordination en vertu de l’accord de coopération du 21 juin 1999 et si les informations contenues dans cette notification sont conformes au paragraphe 1er et demeurent inchangées. § 4. L’exploitant introduit la notification et ses mises à jour sous format papier en huit exemplaires ou sous format électronique. Le gouvernement régional compétent peut fixer le modèle ainsi que le format et les modalités d’introduction de la notification. § 5. Dès qu’il en a connaissance, l’exploitant informe immédiatement le service de coordination : 1° des changements dans les informations visées au paragraphe 1er, 1° à 3°; 2° de la fermeture définitive ou de la mise hors service de l’établissement. Art. 8. § 1er. L’exploitant d’un établissement seuil haut introduit auprès du service de coordination un rapport de sécurité aux fins suivantes : 1° démontrer qu’une politique de prévention des accidents majeurs et un système de gestion de la sécurité, pour son application, sont mis en œuvre conformément aux éléments figurant à l’annexe 2; 2° démontrer que les dangers d’accidents majeurs et les scénarios d’accidents majeurs possibles ont été identifiés et que les mesures nécessaires pour prévenir de tels accidents et pour en limiter les conséquences pour la santé humaine et l’environnement ont été prises; 3° démontrer que la conception, la construction, l’exploitation et l’entretien de toute installation, aire de stockage, équipement et infrastructure liés au fonctionnement de l’établissement, ayant un rapport avec les dangers d’accidents majeurs au sein de l’établissement, présentent une sécurité et une fiabilité suffisantes; 4° démontrer que le plan d’urgence interne visé à l’article 11 a été établi et fournir les éléments permettant l’élaboration du plan d’urgence externe visé à l’article 13; 5° assurer une information suffisante au service de coordination, pour lui permettre de donner des avis sur l’implantation de nouvelles activités ou de nouveaux aménagements autour des établissements. § 2. Le rapport de sécurité contient au moins les données et informations énumérées à l’annexe 3. Le rapport indique également le nom des organisations pertinentes ayant participé à l’établissement du rapport. § 3. L’exploitant introduit le rapport de sécurité ou sa mise à jour dans les délais suivants : 26989BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 1° voor nieuwe inrichtingen : uiterlijk drie maanden vóór de inbedrijfstelling van de inrichting of vóór de wijziging bedoeld in artikel 2, 5°, b) of c); 2° voor bestaande inrichtingen : uiterlijk op 1 juni 2016; 3° voor andere inrichtingen : binnen een termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum waarop de inrichting een hogedrempelin richting is geworden; 4° onverwijld na de herzieningen bedoeld in paragraaf 6; § 4. Paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing indien de exploitant al een veiligheidsrapport bij de coördinerende dienst heeft ingediend vóór de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord krachtens het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in dit veiligheidsrapport beantwoordt aan de paragrafen 1 en 2 en ongewijzigd is gebleven. § 5. De exploitant dient het veiligheidsrapport en de actualiseringen ervan in op papier in acht exemplaren of in elektronisch formaat. De bevoegde gewestregering kan het model, het formaat en de indieningsmodaliteiten van het veiligheidsrapport bepalen. § 6. Onverminderd artikel 10, herziet de exploitant het veiligheids rapport en werkt het indien nodig bij : 1° periodiek en ten minste om de vijf jaar; 2° na een zwaar ongeval in de inrichting; 3° op enig ander tijdstip, op eigen initiatief of op verzoek van de coördinerende dienst, als nieuwe feiten het rechtvaardigen of om rekening te houden met nieuwe technische kennis aangaande veilig heid die bijvoorbeeld verkregen is na analyse van ongevallen of, voor zover mogelijk, van bijna-ongevallen, of met ontwikkelingen in de kennis inzake de evaluatie van gevaren. Art. 9. § 1. De coördinerende dienst bepaalt aan de hand van de door de exploitant overeenkomstig de artikelen 7 en 8 verstrekte informatie en, in voorkomend geval, de informatie verstrekt door de coördinerende diensten van de andere gewesten of door een inspectie dienst, voor welke lagedrempel- en hogedrempelinrichtingen of groe pen inrichtingen het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval groter kunnen zijn ten gevolge van de geografische situatie, de nabijheid van die inrichtingen en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. § 2. Als de coördinerende dienst over bijkomende informatie beschikt naast de overeenkomstig artikel 7, § 1, 7° door de exploitant verstrekte informatie, stelt hij deze informatie ter beschikking van die exploitant, als dit nodig is voor de toepassing van dit artikel. § 3. De exploitanten van de overeenkomstig paragraaf 1 aangewezen inrichtingen wisselen toereikende informatie uit om elkeen in staat te stellen rekening te houden met de aard en de omvang van het totale gevaar van een zwaar ongeval in hun preventiebeleid voor zware ongevallen, hun veiligheidsbeheersysteem, hun kennisgeving, hun veiligheidsrapport en hun intern noodplan. De exploitanten werken samen met het oog op de voorlichting van het publiek en de naburige bedrijven die buiten het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord vallen en op het verstrekken van informatie aan de gouverneur. Art. 10. Alvorens over te gaan tot een wijziging van de inrichting, van een installatie, van een proces of van de aard, de fysische vorm of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen, die voor de gevaren van zware ongevallen belangrijke gevolgen kan hebben, herziet de exploitant het preventiebeleid voor zware ongevallen, het veiligheidsbeheersysteem, de kennisgeving en het veiligheidsrapport opnieuw en werkt ze indien nodig bij. De exploitant dient de bijwerking van de kennisgeving en het veiligheidsrapport in bij de coördinerende dienst voorafgaand aan de wijziging. Als door de wijziging de lagedrempelinrichting een hogedrempelin richting wordt, of omgekeerd, gelden in afwijking van het tweede lid de indieningstermijnen voor nieuwe inrichtingen, bedoeld in de artike len 7 en 8. HOOFDSTUK 3 — Noodplannen Art. 11. § 1. De exploitant stelt een intern noodplan op om : 1° incidenten te bedwingen en te beheersen om de effecten ervan tot een minimum te herleiden en de schade voor de menselijke gezond heid, milieu en goederen te beperken; 2° de binnen de inrichting te nemen maatregelen voor de bescher ming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de gevolgen van zware ongevallen uit te voeren; 1° pour les établissements nouveaux : au plus tard trois mois avant la mise en exploitation de l’établissement ou avant la modification visée à l’article 2, 5°, b) ou c); 2° pour les établissements existants : au plus tard le 1er juin 2016; 3° pour les autres établissements : dans un délai de deux ans à compter de la date à laquelle l’établissement devient un établissement seuil haut; 4° sans délai après les révisions visées au paragraphe 6; § 4. Les paragraphes 1er à 3 ne s’appliquent pas si avant l’entrée en vigueur du présent accord de coopération l’exploitant a introduit un rapport de sécurité auprès du service de coordination en vertu de l’accord de coopération du 21 juin 1999 et si les informations contenues dans ce rapport de sécurité sont conformes aux paragraphes 1er et 2 et demeurent inchangées. § 5. L’exploitant introduit le rapport de sécurité et ses mises à jour sous format papier en huit exemplaires ou sous format électronique. Le gouvernement régional compétent peut fixer le modèle ainsi que le format et les modalités d’introduction du rapport de sécurité. § 6. Sans préjudice de l’article 10, l’exploitant révise le rapport de sécurité et, si nécessaire, le met à jour : 1° périodiquement et au moins tous les cinq ans; 2° à la suite d’un accident majeur dans l’établissement; 3° à n’importe quel autre moment, à son initiative ou à la demande du service de coordination, lorsque des faits nouveaux le justifient ou pour tenir compte de nouvelles connaissances techniques relatives à la sécurité, découlant, par exemple, de l’analyse des accidents ou, dans la mesure du possible, des quasi-accidents, ainsi que de l’évolution des connaissances en matière d’évaluation des dangers. Art. 9. § 1er. En s’appuyant sur les informations reçues des exploi tants, conformément aux articles 7 et 8 et, le cas échéant, d’informations fournies par le service de coordination d’autres régions, ou encore par un service d’inspection, le service de coordination identifie tous les établissements, seuil bas ou haut, ou groupes d’établissements dans lesquels le risque ou les conséquences d’un accident majeur peuvent être accrus du fait de la situation géographique, de la proximité de ces établissements et de la présence de substances dangereuses. § 2. Lorsque le service de coordination dispose d’informations complémentaires à celles fournies par l’exploitant conformément à l’article 7, § 1er, 7°, il met ces informations à la disposition de cet exploitant, en cas de nécessité pour l’application du présent article. § 3. Les exploitants des établissements identifiés conformément au paragraphe 1er échangent des informations adéquates pour permettre à chacun de prendre en compte la nature et l’étendue du danger global d’accident majeur dans leur politique de prévention des accidents majeurs, leur système de gestion de la sécurité, leur notification, leur rapport de sécurité et leur plan d’urgence interne. Les exploitants coopèrent pour l’information du public et des sites voisins non couverts par le présent accord de coopération et pour la communication des informations au gouverneur. Art. 10. Avant de procéder à une modification de l’établissement, d’une installation, d’un procédé ou de la nature, de la forme physique ou de la quantité de substances dangereuses, pouvant avoir des conséquences importantes sur le plan des dangers d’accidents majeurs, l’exploitant révise et, si nécessaire, met à jour la politique de prévention des accidents majeurs, le système de gestion de la sécurité, la notification et le rapport de sécurité. L’exploitant introduit la mise à jour de la notification et du rapport de sécurité auprès du service de coordination avant la modification. Par dérogation à l’alinéa 2, si l’établissement seuil bas devient un établissement seuil haut, ou vice versa, à cause de la modification, les délais visés aux articles 7 et 8 pour les nouveaux établissements sont d’application. CHAPITRE 3. — Plans d’urgence Art. 11. § 1er. L’exploitant élabore un plan d’urgence interne dans le but de : 1° contenir et maîtriser les incidents de façon à en minimiser les effets et à limiter les dommages causés à la santé humaine, à l’environnement et aux biens; 2° mettre en œuvre les mesures à prendre à l’intérieur de l’établisse ment pour protéger la santé humaine et l’environnement contre les effets d’accidents majeurs; 26990 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 3° aan de betrokken interventiediensten en overheden de vereiste informatie te verstrekken; 4° na een zwaar ongeval in herstel en schoonmaak van het milieu te voorzien. De interne noodplannen van de hogedrempelinrichtingen bevatten de in bijlage 4, 1°, bedoelde gegevens. § 2. De exploitant stelt het intern noodplan binnen de volgende termijnen op : 1° voor nieuwe inrichtingen : uiterlijk drie maanden vóór de inbedrijfstelling van de inrichting of vóór de wijziging bedoeld in artikel 2, 5°, b) of c); 2° voor bestaande inrichtingen : uiterlijk op 1 juni 2016; 3° voor andere inrichtingen : binnen een termijn van één jaar, gerekend vanaf de datum waarop de inrichting beantwoordt aan artikel 2, 7°. § 3. Onverminderd de wettelijke bevoegdheden van het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk krachtens de wet van 4 augus tus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, raadpleegt de exploitant dit Comité bij het opstellen van het intern noodplan. Bij ontstentenis van een comité, raadpleegt de exploitant de vak bondsafvaardiging en bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging de werknemers zelf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet, bedoeld in het eerste lid. De exploitant raadpleegt tevens het betrokken personeel van onder aannemers met langlopende contracten bij het opstellen van het intern noodplan. § 4. Paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing indien de exploitant een intern noodplan heeft opgesteld krachtens het samenwerkingsak koord van 21 juni 1999 en de informatie vervat in dat plan beantwoordt aan paragraaf 1 en ongewijzigd is gebleven. Art. 12. Met het oog op het vaststellen van de noodplanningszone, bepaalt de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, na het advies van de gewestregeringen te hebben gevraagd, met welke grenswaarden, ongevallentypes, weersomstandigheden en scenario’s de exploitant moet rekening houden bij het afbakenen, in het veilig heidsrapport, van de zones die door een zwaar ongeval zouden kunnen worden getroffen, overeenkomstig bijlage 3, 2, d). Art. 13. § 1. Binnen een termijn van twee jaar, te tellen vanaf het doorsturen van het veiligheidsrapport, zoals bepaald in artikel 27, stelt de gouverneur voor elke hogedrempelinrichting op zijn grondgebied een extern noodplan op voor de buiten de inrichting te nemen maatregelen. Wanneer de noodplanningszone zich uitstrekt tot op het grondgebied van andere gouverneurs, werken de betrokken gouverneurs samen bij het opstellen van het extern noodplan, in voorkomend geval, overeen komstig de instructies van de federale minister bevoegd voor Binnen landse Zaken. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken met een gemotiveerde beslissing, in het licht van de gegevens die zijn vervat in het veiligheidsrapport, de gouverneur vrijstelling verlenen van de verplichting tot het opstellen van een extern noodplan. Als de betrokken inrichting zich dicht bij het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, brengt de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken de bevoegde overheid van de betrokken Staat op de hoogte van zijn gemotiveerde beslissing. § 3. De externe noodplannen worden opgesteld om : 1° incidenten te bedwingen en te beheersen, de effecten ervan tot een minimum te herleiden en de schade voor de menselijke gezondheid, het milieu en goederen te beperken; 2° maatregelen ten uitvoer te leggen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de gevolgen van zware ongevallen; 3° aan het publiek en aan de betrokken diensten en overheden relevante informatie te verstrekken; 4° na een zwaar ongeval in herstel en schoonmaak van het milieu te voorzien. De externe noodplannen bevatten de informatie bedoeld in bijlage 4, 2°, en worden opgesteld overeenkomstig de onderrichtingen van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en, wat het in het eerste lid, 4°, vermelde betreft, overeenkomstig de onderrichtingen verstrekt door de bevoegde gewestregering. 3° communiquer les informations nécessaires aux services d’inter vention et aux autorités concernés; 4° prévoir la remise en état et le nettoyage de l’environnement après un accident majeur. Les plans d’urgence internes des établissements seuil haut contien nent les informations visées à l’annexe 4, 1°. § 2. L’exploitant élabore le plan d’urgence interne dans les délais suivants : 1° pour les nouveaux établissements : au plus tard trois mois avant la mise en exploitation de l’établissement ou avant la modification visée à l’article 2, 5°, b) ou c); 2° pour les établissements existants : au plus tard le 1er juin 2016; 3° pour les autres établissements : dans un délai d’un an à compter de la date à laquelle l’établissement répond à l’article 2, 7°. § 3. Sans préjudice des compétences légales du Comité pour la Prévention et la Protection au travail en vertu de la loi du 4 août 1996 rela tive au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, l’exploitant consulte ce Comité lors de l’élaboration du plan d’urgence interne. A défaut d’un comité, l’exploitant consulte la délégation syndicale et à défaut de délégation syndicale, les travailleurs eux-mêmes, confor mément aux dispositions de l’article 53 de la loi visée à l’alinéa 1er. L’exploitant consulte également le personnel sous-traitant concerné travaillant à long terme sur le site lors de l’élaboration du plan d’urgence interne. § 4. Les paragraphes 1er à 3 ne s’appliquent pas si l’exploitant a déjà élaboré un plan d’urgence interne en vertu de l’accord de coopération du 21 juin 1999 et que les informations contenues dans ce plan sont conformes au paragraphe 1er et demeurent inchangées. Art. 12. En vue de déterminer la zone de planification d’urgence, le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions détermine, après avoir demandé l’avis des gouvernements régionaux, les valeurs limites, types d’accidents, conditions atmosphériques et scénarios à prendre en considération par l’exploitant pour délimiter, dans le rapport de sécurité, les zones susceptibles d’être affectées par un accident majeur, conformément à l’annexe 3, 2, d). Art. 13. § 1er. Dans un délai de deux ans à compter de la transmission du rapport de sécurité prévue à l’article 27, le gouverneur rédige pour chaque établissement seuil haut présent sur son territoire un plan d’urgence externe pour ce qui est des mesures à prendre à l’extérieur de l’établissement. Lorsque la zone de planification d’urgence s’étend sur le territoire d’autres gouverneurs, les gouverneurs concernés collaborent à l’élabo ration du plan d’urgence externe, le cas échéant, conformément aux instructions du ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions peut, par décision motivée et à la lumière des données reprises dans le rapport de sécurité, dispenser le gouverneur de l’obligation de rédaction d’un plan d’urgence externe pour un établissement déterminé. Lorsque l’établissement concerné est proche du territoire d’un autre Etat membre, le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions informe l’autorité compétente de l’Etat concerné de sa décision motivée. § 3. Les plans d’urgence externes sont établis en vue des objectifs suivants : 1° contenir et maîtriser les incidents de façon à en minimiser les effets et à limiter les dommages causés à la santé humaine, à l’environnement et aux biens; 2° mettre en œuvre les mesures nécessaires pour protéger la santé humaine et l’environnement contre les effets d’accidents majeurs; 3° communiquer les informations nécessaires au public et aux services et autorités concernés; 4° prévoir la remise en état et le nettoyage de l’environnement après un accident majeur. Les plans d’urgence externes contiennent les informations visées à l’annexe 4, 2°, et sont élaborés conformément aux instructions du ministre qui a l’Intérieur dans ses attributions et, pour ce qui est de l’alinéa 1er, 4°, conformément aux instructions du gouvernement régional compétent. 26991BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE § 4. De gouverneur zorgt ervoor dat het publiek dat kan worden getroffen door een zwaar ongeval in een vroeg stadium zijn advies kan geven bij de opstelling of de substantiële wijziging van de extern noodplannen, overeenkomstig de onderrichtingen van de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. § 5. Als de noodplanningszone zich uitstrekt tot buiten de grenzen van het Rijk, deelt de gouverneur de noodzakelijke gegevens mee aan de bevoegde overheid van de betrokken Staat en zorgt hij ervoor dat het extern noodplan in overeenstemming gebracht wordt met het noodplan van deze Staat. Zo mogelijk wordt een gemeenschappelijk noodplan opgesteld als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Verdrag inzake de grensover schrijdende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Hel sinki op 17 maart 1992. § 6. De federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken waakt erover dat er in de externe noodplannen rekening wordt gehouden met de noodzaak om versterkte samenwerking te vergemakkelijken tussen de lidstaten in het kader van civiele veiligheid bij ernstige noodsitua ties. Art. 14. De exploitant herziet, test en werkt, indien nodig, het intern noodplan bij met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar, en waakt in het geval van een hogedrempelinrichting daarbij steeds over de samenhang met het extern noodplan. De gouverneur herziet, test en werkt, indien nodig, de externe noodplannen bij met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar. Deze herzieningen houden rekening met veranderingen die zich in de betrokken inrichtingen of bij de betrokken diensten of overheden hebben voorgedaan, met nieuwe technische kennis en met inzichten omtrent de maatregelen die moeten worden genomen bij zware ongevallen. Art. 15. § 1. De exploitant van een hogedrempelinrichting werkt samen met de gouverneur : 1° bij de opstelling van het extern noodplan; 2° bij oefeningen en actualiseringen van het extern noodplan; 3° als het extern noodplan wordt afgekondigd. De federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken bepaalt de modaliteiten van deze samenwerking na het advies van de gewestre geringen te hebben gevraagd. § 2. De exploitant van een hogedrempelinrichting bezorgt aan de gouverneur, op diens vraag en in aanvulling op het veiligheidsrapport, alle voor de opstelling van het extern noodplan noodzakelijke gege vens. De gouverneur stelt de termijn vast waarbinnen de exploitant de gevraagde gegevens bezorgt. HOOFDSTUK 4 — Optreden bij en na een zwaar ongeval Art. 16. § 1. De exploitant voert onverwijld het intern noodplan uit, wanneer er : 1° zich een zwaar ongeval voordoet; 2° zich een onbeheerste gebeurtenis van zodanige aard voordoet dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij tot een zwaar ongeval leidt. § 2. Als het zware ongeval of de onbeheerste gebeurtenis een gecoördineerde actie van de hulp- en interventiediensten vergt, kondigt de gouverneur het extern noodplan af en stelt het in werking overeenkomstig de wetgeving betreffende de civiele veiligheid en de ter zake geldende onderrichtingen van de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. Art. 17. § 1. In de in artikel 16, § 1, 1° of 2° bedoelde omstandighe den, verwittigt de exploitant onmiddellijk het 112-centrum en het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering. De operator van het 112-centrum verwittigt de overheden en de hulp en interventiediensten die meewerken aan het betrokken extern noodplan, volgens de procedure zoals bepaald in dat plan. § 2. Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering verwittigt minstens : 1° de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken; 2° de federale minister bevoegd voor Arbeidsveiligheid; 3° de federale minister bevoegd voor Economie, in het geval van een inrichting die onder het toepassingsgebied valt van het algemeen reglement op de springstoffen, van de wetgeving inzake ondergrondse § 4. Le gouverneur veille à ce que le public susceptible d’être touché par un accident majeur puisse donner son avis en temps utile lors de l’élaboration ou de la modification substantielle des plans d’urgence externes, conformément aux instructions du ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions. § 5. Si la zone de planification d’urgence s’étend hors des frontières du Royaume, le gouverneur transmet les données nécessaires à l’autorité compétente de l’Etat concerné et veille à ce que le plan d’urgence externe soit mis en concordance avec le plan d’urgence de cet Etat. Dans la mesure du possible, un plan d’urgence commun est établi, conformément à l’article 8, alinéa 3, de la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, faite à Helsinki le 17 mars 1992. § 6. Le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions veille à ce qu’il soit tenu compte dans les plans d’urgence externes de la nécessité de faciliter une coopération accrue entre les Etats membres en matière de secours relevant de la sécurité civile en cas de situation d’urgence majeure. Art. 14. L’exploitant révise, teste et, si nécessaire, met à jour le plan d’urgence interne à des intervalles appropriés qui n’excèdent pas trois ans, et dans le cas d’un établissement seuil haut, en veillant toujours à la mise en concordance avec le plan d’urgence externe. Le gouverneur révise, teste et, si nécessaire, met à jour les plans d’urgence externes à des intervalles appropriés qui n’excèdent pas trois ans. Ces révisions tiennent compte des modifications intervenues dans les établissements concernés ou à l’intérieur des services ou autorités concernés, ainsi que des nouvelles connaissances techniques et des connaissances relatives aux mesures à prendre en cas d’accidents majeurs. Art. 15. § 1er. L’exploitant d’un établissement seuil haut collabore avec le gouverneur : 1° lors de l’élaboration du plan d’urgence externe; 2° lors des exercices et des mises à jour du plan d’urgence externe; 3° lorsque le plan d’urgence externe est déclenché. Le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions fixe les modalités de cette collaboration après avoir demandé l’avis des gouvernements régionaux. § 2. L’exploitant d’un établissement seuil haut fournit au gouverneur, à la demande de ce dernier et en complément du rapport de sécurité, toute information nécessaire à l’élaboration du plan d’urgence externe. Le gouverneur fixe le délai laissé à l’exploitant pour transmettre les informations demandées. CHAPITRE 4. — Intervention lors et après un accident majeur Art. 16. § 1er. L’exploitant met en œuvre sans délai le plan d’urgence interne : 1° lors d’un accident majeur; 2° lors d’un événement non maîtrisé dont on peut raisonnablement attendre, en raison de sa nature, qu’il conduise à un accident majeur. § 2. Si l’accident majeur ou l’événement non maîtrisé exige une action coordonnée des services de secours et d’intervention, le gouverneur déclenche et exécute le plan d’urgence externe conformément à la législation sur la sécurité civile et aux instructions en la matière du ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions. Art. 17. § 1er. Dans les conditions visées à l’article 16, § 1er, 1° ou 2°, l’exploitant prévient immédiatement le centre 112 et le Centre gouver nemental de Coordination et de Crise. L’opérateur du centre 112 avertit les autorités et les services de secours et d’intervention qui participent au plan d’urgence externe concerné, selon la procédure prévue dans ce plan. § 2. Le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise avertit au minimum : 1° le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions; 2° le ministre fédéral qui a la Sécurité du Travail dans ses attributions; 3° le ministre fédéral qui a l’Economie dans ses attributions, dans le cas d’un établissement relevant du champ d’application du règlement général sur les explosifs, de la législation en matière de stockage 26992 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE opslag van gas of van de wetgeving betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen; 4° van het betrokken gewest, de gewestelijke minister bevoegd voor Leefmilieu; 5° de bevoegde coördinerende dienst; 6° de bevoegde inspectiediensten. § 3. Als het zwaar ongeval of de onmiddellijke dreiging daarvan gevolgen buiten de grenzen van het Rijk heeft of zou kunnen hebben, brengt het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering onverwijld de bevoegde overheid van de betrokken Staat op de hoogte. Als het zwaar ongeval of de onmiddellijke dreiging daarvan gevolgen heeft of zou kunnen hebben op het grondgebied van meer dan één gewest, brengt het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering onverwijld de bevoegde overheid van elk betrokken gewest op de hoogte. Art. 18. § 1. De exploitant verstrekt zo spoedig mogelijk na een zwaar ongeval het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten de volgende inlichtingen : 1° de omstandigheden van het ongeval; 2° de daarbij betrokken gevaarlijke stoffen; 3° de beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het ongeval voor de menselijke gezondheid, het milieu en goederen kunnen worden geëvalueerd; 4° de getroffen noodmaatregelen. Na het ongeval te hebben onderzocht, stelt de exploitant het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten ook in kennis van de voorgenomen maatregelen om : 1° de gevolgen op middellange en lange termijn van het ongeval te beperken; 2° herhaling van het ongeval te voorkomen. De exploitant werkt de verstrekte informatie bij, als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die die informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen en bezorgt de bijwerkte informa tie aan het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten. § 2. Het bevoegde inspectieteam zorgt ervoor dat de inspecteurs overeenkomstig artikelen 31 en 33 : 1° de benodigde gegevens verzamelen voor een volledige analyse van de technische, organisatorische en beheersaspecten van het onge val; 2° passende stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat de exploitant de noodzakelijke corrigerende acties neemt; 3° aanbevelingen doen voor toekomstige preventieve maatregelen; 4° erop toe zien dat de exploitant alle nodige dringende maatregelen alsook de nodige maatregelen op middellange en lange termijn treft. § 3. Na een zwaar ongeval verschaft de gouverneur de betrokken personen informatie over het ongeval dat zich heeft voorgedaan en, in voorkomend geval, over de getroffen maatregelen om de gevolgen ervan te beperken. Art. 19. § l. Het bevoegde inspectieteam brengt de Europese Com missie in kennis van zware ongevallen die zich in het Rijk hebben voorgedaan en die beantwoorden aan de criteria van bijlage 5. Het inspectieteam verstrekt daarbij de volgende gegevens : 1° de lidstaat en naam en adres van de voor de opstelling van het rapport verantwoordelijke inspectiedienst; 2° datum, tijd en plaats van het zware ongeval, met de volledige naam van de exploitant en het adres van de inrichting in kwestie; 3° een beknopte beschrijving van de omstandigheden van het ongeval, met vermelding van de daarbij betrokken gevaarlijke stoffen en de onmiddellijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu; 4° een beknopte beschrijving van de getroffen noodmaatregelen en van de onmiddellijk te treffen maatregelen om herhaling van het ongeval te voorkomen; 5° de resultaten van hun analyse en aanbevelingen. § 2. Het bevoegde inspectieteam verstrekt, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een jaar na het ongeval, de in paragraaf 1 bedoelde informatie gebruikmakend van de databank van de Europese Commis sie. souterrain de gaz ou de la législation relative au transport de produits gazeux et autres au moyen de canalisations; 4° de la région concernée, le ministre régional qui a l’Environnement dans ses attributions; 5° le service de coordination compétent; 6° les services d’inspection compétents. § 3. Si l’accident majeur ou la menace d’un accident majeur a, ou pourrait avoir, des conséquences hors des frontières du Royaume, le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise avertit sans délai l’autorité compétente de l’Etat concerné. Si l’accident majeur ou la menace d’un accident majeur a, ou pourrait avoir, des conséquences sur le territoire de plusieurs régions, le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise avertit sans délai l’autorité compétente de chacune des régions concernées. Art. 18. § 1er. Dès que possible après un accident majeur, l’exploitant communique les informations suivantes au Centre gouvernemental de Coordination et de Crise et aux services d’inspection compétents : 1° les circonstances de l’accident; 2° les substances dangereuses en cause; 3° les données disponibles pour évaluer les effets de l’accident sur la santé humaine, l’environnement et les biens; 4° les mesures d’urgence prises. Après avoir enquêté sur l’accident, l’exploitant informe le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise et les services d’inspection compétents également des mesures envisagées pour : 1° limiter les effets à moyen et à long terme de l’accident; 2° éviter que l’accident se reproduise. L’exploitant met à jour les informations fournies si une enquête plus approfondie révèle des éléments nouveaux modifiant ces informations ou les conclusions qui en ont été tirées et transmet la mise à jour au Centre gouvernemental de Coordination et de Crise et aux services d’inspection compétents. § 2. L’équipe d’inspection compétente veille à ce que les inspecteurs, conformément aux articles 31 et 33 : 1° recueillent les informations nécessaires pour une analyse complète des aspects techniques, organisationnels et de gestion de l’accident; 2° entreprennent les démarches appropriées pour que l’exploitant prenne les actions correctives nécessaires; 3° font des recommandations au sujet de futures mesures de prévention; 4° veillent à ce que l’exploitant prenne toutes les mesures urgentes nécessaires ainsi que les mesures nécessaires à moyen et à long terme. § 3. Après un accident majeur, le gouverneur fournit aux personnes impliquées des informations sur l’accident qui est survenu et, le cas échéant, sur les mesures prises pour atténuer ses conséquences. Art. 19. § ler. L’équipe d’inspection compétente informe la Commis sion européenne des accidents majeurs survenus dans le Royaume et qui répondent aux critères de l’annexe 5. L’équipe d’inspection fournit les précisions suivantes : 1° l’Etat membre, le nom et l’adresse du service d’inspection chargé d’établir le rapport; 2° la date, l’heure et le lieu de l’accident majeur, avec le nom complet de l’exploitant et l’adresse de l’établissement en cause; 3° une brève description des circonstances de l’accident, avec indication des substances dangereuses en cause et des effets immédiats sur la santé humaine et l’environnement; 4° une brève description des mesures d’urgence prises et des mesures immédiatement nécessaires pour éviter que l’accident se reproduise. 5° les résultats de leur analyse et leurs recommandations. § 2. L’équipe d’inspection compétente fournit les informations visées au paragraphe 1er dès que possible et au plus tard dans un délai d’un an après l’accident, en utilisant la base de données de la Commis sion européenne. 26993BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE De mededeling van die gegevens kan slechts uitgesteld worden om de uitkomst van een gerechtelijke procedure af te wachten, als verstrekking van de gegevens die procedure kan beïnvloeden. Voor de in paragraaf 1, tweede lid, 5° bedoelde informatie, wanneer enkel voorlopige informatie verstrekt kan worden binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, werkt het bevoegde inspectieteam deze informatie bij wanneer de resultaten van verdere analyses of aanbeve lingen beschikbaar zijn. § 3. Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering stelt de Europese Commissie in kennis van de naam en het adres van elke organisatie of dienst die over informatie betreffende zware ongevallen zou kunnen beschikken en die aan de bevoegde overheden van andere lidstaten die bij een dergelijk ongeval moeten ingrijpen advies kan verlenen. HOOFDSTUK 5. — Informatie voor het publiek Art. 20. De volgende diensten houden de informatie bedoeld in bijlage 6 permanent beschikbaar voor het publiek, onder meer elektro nisch : 1° de coördinerende dienst : de punten 1 tot 4 en 7 van deel 1 alsook het punt 1 van deel 2 van bijlage 6; 2° de aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Binnen landse Zaken : het punt 5 van deel 1 en de punten 2 tot 4 van deel 2 van bijlage 6; 3° de aangewezen inspectiedienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg : het punt 6 van deel 1 van bijlage 6. Deze diensten werken waar nodig de informatie bij, onder meer als deze diensten in kennis worden gesteld van een wijziging bedoeld in artikel 10. Art. 21. § 1. Voor de hogedrempelinrichtingen draagt de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken er zorg voor dat duidelijke en begrijpelijke informatie over de bij een zwaar ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en de in dat geval te volgen gedragslijn regelmatig en in de meest aangewezen vorm ambtshalve wordt verstrekt aan alle personen, aan alle door het publiek gebruikte gebouwen en gebieden, met inbegrip van scholen en ziekenhuizen, en aan alle naburige inrichtingen en naburige bedrijven die buiten het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord vallen, die kunnen worden getroffen door een zwaar ongeval. Wanneer de gevolgen zich kunnen uitstrekken buiten de grenzen van het Rijk, stelt de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken deze informatie ter beschikking van de bevoegde overheid van de Staat die erdoor zou kunnen worden getroffen. De informatie bedoeld in het eerste lid omvat ten minste de informatie bedoeld in bijlage 6. § 2. De federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken draagt er zorg voor dat de informatie : 1° ten minste om de 5 jaar wordt verstrekt; 2° periodiek wordt herzien en, indien nodig, wordt bijgewerkt, in elk geval na wijzigingen in de zin van artikel 10. Art. 22. Ter wille van de transparantie stellen de bevoegde diensten de informatie, die zij op grond van dit samenwerkingsakkoord in hun bezit hebben, ter beschikking van alle natuurlijke of rechtspersonen die daarom verzoeken, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. De openbaarmaking van de informatie kan door de bevoegde diensten worden geweigerd of beperkt onder de voorwaarden zoals voorzien in de in het eerste lid bedoelde toepasselijke wetgeving. Art. 23. § 1. De veiligheidsrapporten, met inbegrip van de inventaris van gevaarlijke stoffen, zijn bij de coördinerende dienst op verzoek ter beschikking van het publiek. § 2. De coördinerende dienst kan de openbaarheid van een deel van de informatie weigeren om redenen zoals voorzien in de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. De exploitant kan de coördinerende dienst verzoeken om bepaalde delen van het veiligheidsrapport of de inventaris van gevaarlijke stoffen niet openbaar te maken om redenen zoals voorzien in de wetgeving zoals bedoeld in het eerste lid. § 3. In het geval bepaalde delen niet openbaar worden gemaakt in toepassing van paragraaf 2, verstrekt de exploitant de coördinerende dienst een aangepast veiligheidsrapport of een aangepaste inventaris waaruit die delen zijn weggelaten. La communication de ces informations ne peut être différée que pour permettre la poursuite de procédures judiciaires jusqu’à leur aboutis sement, dans le cas où cette communication risquerait d’en affecter le cours. Pour les informations visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 5°, lorsque seules des informations préliminaires peuvent être fournies dans le délai visé à l’alinéa 1er, l’équipe d’inspection met ces informations à jour une fois que les résultats d’une analyse plus approfondie ou que de nouvelles recommandations sont disponibles. § 3. Le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise commu nique à la Commission européenne le nom et l’adresse de tout organisme ou tout service qui pourrait disposer d’informations sur des accidents majeurs et qui serait en mesure de conseiller les autorités compétentes d’autres Etats membres tenues d’agir en cas de survenance d’un tel accident. CHAPITRE 5. — Information du public Art. 20. Les services suivants tiennent les informations visées à l’annexe 6 en permanence à la disposition du public, notamment électroniquement : 1° le service de coordination : les points 1 à 4 et 7 de la partie 1 ainsi que le point 1 de la partie 2 de l’annexe 6; 2° le service désigné par le Service public fédéral Intérieur : le point 5 de la partie 1 et les points 2 à 4 de la partie 2 de l’annexe 6; 3° le service d’inspection désigné du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale : le point 6 de la partie 1 de l’annexe 6; Ces services mettent à jour, si nécessaire, ces informations, notam ment lorsqu’ils sont informés d’une modification visée à l’article 10. Art. 21. § 1er. Pour les établissements seuil haut, le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions veille à ce que des informations claires et compréhensibles concernant les mesures de sécurité à prendre et la conduite à tenir en cas d’accident majeur soient fournies d’office régulièrement et selon la forme la plus appropriée, à toutes les personnes, à tous les bâtiments et zones fréquentés par le public, y compris les écoles et les hôpitaux, et à tous les établissements voisins et les sites voisins non couverts par le présent accord de coopération, susceptibles d’être touchés par un accident majeur. Lorsque les conséquences peuvent s’étendre hors des frontières du Royaume, le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions met ces informations à la disposition de l’autorité compétente de l’Etat pouvant être touché. Les informations visées à l’alinéa 1er comprennent au moins les informations visées à l’annexe 6. § 2. Le ministre fédéral qui a l’Intérieur dans ses attributions veille à ce que l’information : 1° soit fournie au minimum tous les 5 ans; 2° soit régulièrement révisée et, si nécessaire, mise à jour au moins en cas de modifications au sens de l’article 10. Art. 22. Dans un but de transparence, les services compétents mettent les informations dont ils disposent en application du présent accord de coopération à la disposition de toute personne physique ou morale qui en fait la demande, conformément à la législation concer nant l’accès du public à l’information en matière d’environnement. La mise à disposition de l’information peut être refusée ou limitée par les services compétents selon les conditions prévues par la législation applicable visée à l’alinéa 1er. Art. 23. § 1er. Les rapports de sécurité, y compris l’inventaire des substances dangereuses, sont mis à la disposition du public, sur demande auprès du service de coordination. § 2. Le service de coordination peut refuser la mise à disposition d’une partie de ces informations pour des motifs visés par la législation concernant l’accès du public à l’information en matière d’environne ment. L’exploitant peut demander au service de coordination de ne pas divulguer certaines parties du rapport de sécurité, ou de l’inventaire des substances dangereuses pour les motifs prévus par la législation visée à l’alinéa 1er. § 3. En cas de refus de mise à disposition de certaines parties en application du paragraphe 2, l’exploitant fournit au service de coordi nation un rapport de sécurité ou un inventaire modifiés dont ces parties sont exclues. 26994 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Het aangepaste veiligheidsrapport bevatten ten minste algemene informatie over gevaren van zware ongevallen en hun mogelijke effecten op de menselijke gezondheid en het milieu. Art. 24. Iedereen die verzoekt om informatie in toepassing van de artikelen 22, eerste lid, of 23, § 1, kan beroep instellen tegen een weigering of bij een ontstentenis van een beslissing overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. HOOFDSTUK 6. — Ruimtelijke ordening en betrokkenheid van het publiek bij de besluitvorming Art. 25. § 1. De gewesten zorgen ervoor dat de ten doel gestelde preventie van zware ongevallen en beperking van de gevolgen van dergelijke ongevallen voor de menselijke gezondheid en het milieu in hun beleid inzake ruimtelijke ordening of in andere relevante beleids domeinen in aanmerking worden genomen. Zij streven die doelstellin gen na door toezicht op : 1° de vestiging van nieuwe inrichtingen; 2° de in artikel 10 bedoelde wijzigingen van inrichtingen; 3° nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen zoals transportroutes, door het publiek bezochte plaatsen en woongebieden, wanneer de locatie van of de ontwikkelingen zelf de bron kunnen zijn van een zwaar ongeval of het risico ervan kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken. § 2. De gewesten zorgen ervoor dat er in hun beleid inzake ruimtelijke ordening of hun beleid op andere relevante domeinen alsmede in de procedures voor de uitvoering van die beleidsdomeinen rekening wordt gehouden met de noodzaak om op lange termijn : 1° een voldoende veiligheidsafstand te laten bestaan tussen enerzijds de onder dit akkoord vallende inrichtingen en anderzijds woongebie den, door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, recreatiegebie den en, voor zover mogelijk, grote transportroutes; 2° waardevolle natuurgebieden en bijzonder kwetsbare gebieden in de nabijheid van inrichtingen te beschermen, indien nodig door een voldoende veiligheidsafstand te laten bestaan of door andere passende maatregelen; 3° voor bestaande en andere inrichtingen, aanvullende technische maatregelen te treffen overeenkomstig artikel 5, teneinde de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu niet te vergroten. § 3. De gewesten voeren passende adviesprocedures in om de tenuitvoerlegging van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgestelde beleidsmaatregelen te vergemakkelijken. Deze procedures worden zodanig opgezet dat de exploitanten voldoende informatie verstrekken over de aan de inrichting verbonden risico’s en dat technisch advies inzake deze risico’s beschikbaar is, hetzij op basis van een studie van het specifieke geval, hetzij op basis van algemene criteria, op het tijdstip waarop de beslissingen worden genomen. De gewesten zorgen ervoor dat de exploitanten van lagedrempelin richtingen, op verzoek van de bevoegde overheid, voor de doeleinden van de ruimtelijke ordening voldoende informatie verstrekken over de aan de inrichting verbonden risico’s. Art. 26. § 1. De gewesten treffen maatregelen zodat het betrokken publiek in een vroeg stadium de kans krijgt zijn mening te geven over specifieke individuele projecten met betrekking tot : 1° de vestiging van nieuwe inrichtingen overeenkomstig artikel 25; 2° aanzienlijke wijzigingen van inrichtingen als bedoeld in artikel 10, indien op de voorgenomen wijzigingen de in artikel 25 vervatte verplichtingen van toepassing zijn; 3° nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen wanneer de locatie ervan of de ontwikkelingen zelf het risico van een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, overeenkomstig artikel 25. Met betrokken publiek wordt het publiek bedoeld dat wordt getroffen of waarschijnlijk zal worden getroffen door, of dat een belang heeft bij de besluitvorming inzake een van de aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid. Niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van het milieu en die aan de toepasselijke voorwaarden volgens de gewestelijke regelgeving voldoen, worden geacht belanghebbende te zijn. De gewesten treffen eveneens maatregelen opdat het betrokken publiek in de gevallen bedoeld in het eerste lid toegang heeft tot beroepsprocedures. Le rapport de sécurité modifié contient au minimum l’information générale concernant les dangers d’accident majeur et leurs effets potentiels sur la santé humaine et l’environnement. Art. 24. Toute personne qui demande des informations en applica tion des articles 22, alinéa 1er, ou 23, § 1er, dispose d’un recours contre la décision de refus ou l’absence de décision conformément à la législation concernant l’accès du public à l’information en matière d’environnement. CHAPITRE 6. — Maîtrise de l’urbanisation et participation du public à la prise de décisions Art. 25. § 1er. Les régions veillent à ce que les objectifs de prévention d’accidents majeurs et de limitation des conséquences de tels accidents pour la santé humaine et l’environnement soient pris en compte dans leur politique de maîtrise de l’urbanisation ou dans d’autres politiques pertinentes. Elles poursuivent ces objectifs par un contrôle : 1° de l’implantation des nouveaux établissements; 2° des modifications des établissements visées à l’article 10; 3° des nouveaux aménagements réalisés autour d’établissements, notamment des voies de transport, des lieux fréquentés par le public et des zones d’habitation, lorsque le lieu d’implantation ou les aménage ments sont susceptibles d’être à l’origine, ou d’accroître le risque ou les conséquences d’un accident majeur. § 2. Les régions veillent à ce que leur politique de maîtrise de l’urbanisation ou d’autres politiques pertinentes ainsi que les procédu res de mise en œuvre de ces politiques tiennent compte de la nécessité, à long terme : 1° de maintenir des distances de sécurité appropriées entre, d’une part, les établissements visés par le présent accord et, d’autre part, les zones d’habitation, les bâtiments et les zones fréquentés par le public, les zones de loisirs et, dans la mesure du possible, les principales voies de transport; 2° de protéger les zones présentant un intérêt naturel particulier ou ayant un caractère particulièrement sensible, situées à proximité d’établissements, en prévoyant, le cas échéant, des distances de sécurité adéquates ou d’autres mesures appropriées; 3° dans le cas d’établissements existants et d’autres établissements, de prendre des mesures techniques supplémentaires conformément à l’article 5, de façon à ne pas accroître les risques pour la santé humaine et l’environnement. § 3. Les régions introduisent des procédures de consultation appro priées pour faciliter la mise en œuvre des politiques arrêtées confor mément au paragraphe 1. Les procédures sont conçues pour que, au moment de prendre les décisions, des informations suffisantes aient été fournies par les exploitants sur les risques liés à l’établissement, et que des conseils techniques sur ces risques soient disponibles, soit au cas par cas, soit sur la base de critères généraux. Les régions veillent à ce que les exploitants des établissements seuil bas fournissent, à la demande de l’autorité compétente, des informa tions suffisantes sur les risques liés à l’établissement aux fins de maîtrise de l’urbanisation. Art. 26. § 1er. Les régions prennent les dispositions pour donner au public concerné, en temps voulu, la possibilité de donner son avis sur des projets individuels spécifiques ayant trait aux questions suivantes : 1° l’implantation de nouveaux établissements, conformément à l’article 25; 2° des modifications significatives d’établissements au sens de l’article 10, lorsque les modifications envisagées sont soumises aux exigences prévues à l’article 25; 3° de nouveaux aménagements réalisés autour d’établissements lorsque le lieu d’implantation ou les aménagements sont susceptibles d’accroître le risque ou les conséquences d’un accident majeur, conformément à l’article 25. L’on entend par public concerné, les personnes touchées ou qui risquent d’être touchées par une décision sur toute question couverte par l’alinéa 1er, ou qui ont un intérêt à faire valoir à cet égard. Les organisations non gouvernementales qui œuvrent en faveur de la protection de l’environnement et qui remplissent les conditions pou vant être applicables selon la réglementation régionale sont réputées avoir un intérêt. Les régions prennent également les dispositions nécessaires pour que des procédures de recours soient accessibles au public concerné dans les cas visés à l’alinéa 1er. 26995BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE § 2. Wanneer er algemene plannen of programma’s worden opgesteld met betrekking tot kwesties als bedoeld in paragraaf 1, 1° of 3°, treffen de gewesten maatregelen zo dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden krijgt deel te nemen aan de voorbereiding en wijziging of herziening hiervan. De gewesten wijzen het publiek aan dat voor de toepassing van het eerste lid recht op inspraak heeft, waaronder betrokken niet gouvernementele organisaties die aan relevante voorschriften krach tens de gewestelijke regelgeving voldoen, zoals die welke zich inzetten voor milieubescherming. HOOFDSTUK 7. — Gegevensdoorstroming Art. 27. De coördinerende dienst bezorgt, onmiddellijk na ontvangst van een kennisgeving of een veiligheidsrapport, een exemplaar aan : 1° de bevoegde beoordelingsdiensten; 2° de bevoegde inspectiediensten; 3° de bevoegde gouverneur; 4° de bevoegde burgemeester. De gegevens in deze documenten kunnen ter beschikking gesteld worden in een databank die toegankelijk is voor alle betrokken diensten. Art. 28. § 1. De beoordelingsdiensten beoordelen, ieder wat hen betreft, de ontvangen veiligheidsrapporten en bezorgen de coördine rende dienst hun gebeurlijke opmerkingen : 1° in het geval van een nieuwe inrichting : binnen een termijn van twee maanden nadat zij het veiligheidsrapport hebben ontvangen; 2° in de andere gevallen : binnen de door de coördinerende dienst bepaalde termijn van ten minste drie maanden. § 2. De coördinerende dienst bezorgt de exploitant de conclusies van de beoordeling van het veiligheidsrapport : 1° in het geval van een nieuwe inrichting : uiterlijk drie maanden nadat de coördinerende dienst het veiligheidsrapport heeft ontvangen; 2° in de andere gevallen : binnen een termijn van negen maanden nadat de coördinerende dienst het veiligheidsrapport heeft ontvangen. In voorkomend geval geeft de coördinerende dienst aan welke wijzigingen of aanvullingen moeten aangebracht worden binnen een redelijke termijn die hij bepaalt. De coördinerende dienst bezorgt de conclusies en de gevraagde wijzigingen en aanvullingen ter informatie aan de diensten bedoeld in artikel 27. § 3. De exploitant bezorgt het in toepassing van paragraaf 2, tweede lid, gewijzigde of aangevulde veiligheidsrapport aan de coördinerende dienst, die voor verspreiding zorgt op de wijze bepaald in artikel 27. Het gewijzigde of aangevulde veiligheidsrapport wordt beoordeeld overeenkomstig de paragrafen 1 en 2. § 4. In het kader van de beoordeling van een veiligheidsrapport roept de coördinerende dienst een beoordelingscommissie samen : 1° als hij dat nodig acht; 2° op vraag van een beoordelingsdienst; 3° als een beoordelingsdienst aangeeft dat, wat hem betreft, de maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken, duidelijk onvoldoende zijn. De beoordelingscommissie is samengesteld uit de betrokken beoor delingsdiensten. De coördinerende dienst kan, indien nodig, ook de bevoegde inspectiediensten uitnodigen. Het voorzitterschap en het secretariaat van de beoordelingscommis sie worden waargenomen door de coördinerende dienst. De beoordelingscommissie onderzoekt de ontvangen opmerkingen en stelt gemeenschappelijke conclusies vast. De exploitant wordt op zijn vraag gehoord. § 5. Binnen de termijnen vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bezorgt de coördinerende dienst in voorkomend geval en overeenkomstig arti kel 34, de bevoegde vergunningverlenende overheid het gemotiveerd verzoek van de beoordelingscommissie of van een beoordelingsdienst om de inbedrijfstelling of de voortzetting van de exploitatie van de betrokken inrichting of een deel ervan te verbieden. § 6. De beoordelingsdiensten plegen op regelmatige basis overleg met het oog op een zo eenvormig mogelijke toepassing van dit samenwerkingsakkoord. § 2. Lors de l’établissement de plans ou programmes généraux ayant trait aux questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° ou 3°, les régions prennent les dispositions nécessaires pour donner au public, en temps voulu, des possibilités effectives de participer à leur préparation et à leur modification ou leur révision. Les régions déterminent le public habilité à participer aux fins de l’alinéa 1er, y compris les organisations non gouvernementales compé tentes qui remplissent toutes les conditions pertinentes prévues par la réglementation régionale, telles que celles œuvrant en faveur de la protection de l’environnement. CHAPITRE 7. — Transmission de données Art. 27. Immédiatement après réception d’une notification ou un rapport de sécurité, le service de coordination en transmet un exemplaire : 1° aux services d’évaluation compétents; 2° aux services d’inspection compétents; 3° au gouverneur compétent; 4° au bourgmestre compétent. Les données de ces documents peuvent être mises à disposition dans une banque de données accessible à tous les services concernés. Art. 28. § 1er. Les services d’évaluation évaluent, chacun pour ce qui les concerne, les rapports de sécurité reçus et transmettent leurs remarques éventuelles au service de coordination : 1° dans le cas d’un nouvel établissement : dans les deux mois à dater du jour où ils ont reçu le rapport de sécurité; 2° dans les autres cas : dans un délai d’au moins trois mois fixé par le service de coordination. § 2. Le service de coordination transmet à l’exploitant les conclusions relatives à l’évaluation du rapport de sécurité : 1° dans le cas d’un nouvel établissement : au plus tard trois mois après la réception du rapport de sécurité par le service de coordination; 2° dans les autres cas : dans un délai de neuf mois après la réception du rapport de sécurité par le service de coordination. Le cas échéant, le service de coordination indique les modifications ou compléments à apporter au rapport, dans un délai raisonnable qu’il détermine. Le service de coordination transmet pour information les conclusions et les modifications et compléments demandés aux services visés à l’article 27. § 3. L’exploitant communique le rapport de sécurité modifié en application du paragraphe 2, alinéa 2, au service de coordination qui se charge de sa distribution selon les modalités prévues à l’article 27. Le rapport de sécurité modifié ou complété est évalué conformément aux paragraphes 1er et 2. § 4. Dans le cadre de l’évaluation d’un rapport de sécurité, le service de coordination réunit une commission d’évaluation : 1° s’il le juge opportun; 2° à la demande d’un service d’évaluation; 3° si un service d’évaluation indique que, en ce qui le concerne, les mesures pour prévenir les accidents majeurs et pour en limiter les conséquences, sont nettement insuffisantes. La commission d’évaluation est constituée des services d’évaluation concernés. Le service de coordination peut également inviter, si nécessaire, les services d’inspection compétents. La présidence et le secrétariat de la commission d’évaluation sont assurés par le service de coordination. La commission d’évaluation examine les remarques reçues et dépose des conclusions communes. L’exploitant est entendu à sa demande. § 5. Le cas échéant et conformément à l’article 34, le service de coordination transmet à l’autorité compétente pour délivrer le permis la demande motivée de la commission d’évaluation ou d’un service d’évaluation, d’interdire la mise en exploitation ou la poursuite de l’exploitation de tout ou d’une partie de l’établissement concerné, et ce dans les délais visés au paragraphe 2, alinéa 1er. § 6. Les services d’évaluation se concertent régulièrement en vue d’une application aussi uniforme que possible du présent accord de coopération. 26996 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Art. 29. Als de gevolgen van een zwaar ongeval in een hogedrem pelinrichting zich kunnen uitstrekken tot buiten de grenzen van het Rijk, bezorgt de coördinerende dienst een exemplaar van het veilig heidsrapport aan de bevoegde overheid van de betrokken Staat indien deze laatste partij is bij het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Helsinki op 17 maart 1992 en zulks met het oog op de toepassing van de procedure als bedoeld in Bijlage III van dat Verdrag, tenzij die procedure al werd toegepast in het kader van de vergunningverlening. Als de gevolgen zich kunnen uitstrekken tot buiten het grondgebied van het gewest waar de inrichting is gelegen, bezorgt de coördinerende dienst een exemplaar van het veiligheidsrapport aan de coördinerende dienst van het gewest of van de gewesten die kunnen worden getroffen. Art. 30. Het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering treedt op als verbindingsorgaan voor meldingen van industriële ongevallen overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag inzake de grensoverschrij dende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Helsinki op 17 maart 1992 en als verbindingsorgaan, voor de wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 12 van dat verdrag. HOOFDSTUK 8. — Inspectie Art. 31. § 1. De inspecteurs zien toe op de naleving van de voorschriften van dit samenwerkingsakkoord door de exploitanten. Ze bevorderen de naleving en dwingen die, indien nodig, af. § 2. Om niet-naleving te vermijden of te stoppen kunnen zij : 1° de exploitanten aansporen tot het nemen van noodzakelijke corrigerende acties; 2° ten aanzien van de exploitant dwingende maatregelen treffen of daartoe verzoeken aan de bevoegde overheid; 3° inbreuken vaststellen in een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel is bewezen. § 3. Voor de uitoefening van de opdracht en voor de bevoegdheden van de inspecteurs, bedoeld in paragrafen 1 en 2, en voor het beroep tegen de dwingende maatregelen zijn : 1° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de dienst, bedoeld in artikel 4, § 3, 1°, de bepalingen van de artikelen 16.3.10 tot en met 16.3.22, de artikelen 16.3.24 tot en met 16.3.27, de artikelen 16.4.1 tot en met 16.4.17 met betrekking tot de bestuurlijke maatregelen, de artike len 16.5.1 tot en met 16.5.4 wat de kosten betreft voor de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen en de veiligheidsmaatregelen, en de artikelen 16.7.1 tot en met 16.7.9 van het decreet van 5 april 1995 hou dende algemene bepalingen inzake milieubeleid en zijn uitvoeringsbe sluiten van overeenkomstige toepassing; 2° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de dienst, bedoeld in artikel 4, § 3, 2°, de bepalingen van boek I van het Milieuwetboek, decretaal deel, deel VIII en zijn uitvoeringsbesluiten van toepassing; 3° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de dienst, bedoeld in artikel 4, § 3, 3°, de bepalingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu en haar uitvoerings besluiten van overeenkomstige toepassing; 4° voor de inspecteurs die deel uitmaken van de diensten, bedoeld in artikel 4, § 3, 4° en 5°, de bepalingen van boek I van het Sociaal Strafwetboek en van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht en hun uitvoeringsbesluiten van overeenkomstige toepassing. Art. 32. § 1. De inspectiediensten richten een inspectieteam per gewest op. § 2. De inspectiedienst van de Federale Overheidsdienst Werkgele genheid, Arbeid en Sociaal overleg verzekert de coördinatie binnen elk inspectieteam en de algemene coördinatie over de verschillende inspectieteams. De modaliteiten van deze coördinatie zijn nader omschreven in bijlage 7. Art. 33. § 1. De inspectieteams zetten in overleg een inspectiesys teem op, dat de elementen bedoeld in de paragrafen 2 tot 8, omvat. § 2. De inspectieteams stellen een inspectieplan op dat alle inrichtin gen bestrijkt en de volgende elementen omvat : 1° een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties; 2° het geografische gebied dat het inspectieplan bestrijkt; 3° de lijst van de inrichtingen die onder het plan vallen; 4° de lijst van groepen inrichtingen met mogelijke domino-effecten; Art. 29. Si les conséquences d’un accident majeur survenu dans un établissement seuil haut peuvent s’étendre hors des frontières du Royaume, le service de coordination transmet un exemplaire du rapport de sécurité à l’autorité compétente de l’Etat concerné si celui-ci est partie à la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, faite à Helsinki le 17 mars 1992 et ce, en vue de l’application de la procédure prévue à l’ Annexe III de cette Convention, à moins que cette procédure n’ait déjà été appliquée dans le cadre de l’attribution du permis d’exploitation. Si les conséquences peuvent s’étendre en dehors de la région où l’établissement est situé, le service de coordination transmet un exemplaire du rapport de sécurité au service de coordination de la région ou des régions qui peuvent être atteintes. Art. 30. Le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise fait fonction d’organe de liaison pour la notification d’accidents industriels conformément à l’article 10 de la Convention sur les effets transfron tières des accidents industriels faite à Helsinki le 17 mars 1992 et comme organe de liaison pour l’assistance mutuelle conformément à l’article 12 de ladite convention. CHAPITRE 8. — Inspection Art. 31. § 1er. Les inspecteurs contrôlent le respect des dispositions du présent accord de coopération par les exploitants. Ils encouragent ce respect et, le cas échéant, l’imposent. § 2. Pour éviter ou faire cesser des cas de non-respect, ils peuvent : 1° inciter les exploitants à prendre les actions correctives nécessaires; 2° prendre des mesures de contrainte à l’égard des exploitants ou en faire la demande aux autorités compétentes; 3° constater des infractions par procès-verbal qui fait foi jusqu’à preuve du contraire. § 3. Pour l’exercice de la mission et pour les pouvoirs des inspecteurs visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi que pour le recours contre les mesures de contrainte : 1° les dispositions des articles 16.3.10 jusqu’à 16.3.22, 16.3.24 jusqu’à 16.3.27, 16.4.1 jusqu’à 16.4.17 relatives aux mesures administratives, 16.5.1 jusqu’à 16.5.4 pour ce qui concerne les frais pour l’exécution des mesures administratives et des mesures de sécurité, et 16.7.1 jusqu’à 16.7.9 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement et ses arrêtés d’exécution s’appliquent par analogie pour les inspecteurs qui font partie du service visé à l’article 4 § 3, 1°; 2° les dispositions du livre Ier du Code de l’Environnement, partie décrétale, partie VIII et ses arrêtés d’exécution s’appliquent pour les inspecteurs qui font partie du service visé à l’article 4 § 3, 2°; 3° les dispositions de l’ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d’environnement et ses arrêtés d’exécution s’appliquent par analogie pour les inspecteurs qui font partie du service visé à l’article 4 § 3, 3°; 4° les dispositions du livre Ier du Code pénal social et de l’article 2 de la loi du 2 juin 2010 relative à des dispositions de droit pénal social et leurs arrêtés d’exécution s’appliquent par analogie pour les inspecteurs qui font partie des services visés à l’article 4 § 3, 4° et 5°. Art. 32. § 1er. Les services d’inspection mettent en place une équipe d’inspection par région. § 2. Le service d’inspection du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale assure la coordination au sein de chaque équipe d’inspection et la coordination générale des différentes équipes d’ins pection. Les modalités de cette coordination sont précisées à l’annexe 7. Art. 33. § 1er. Les équipes d’inspection organisent en concertation un système d’inspections, qui comprend les éléments visés aux paragra phes 2 à 8. § 2. Les équipes d’inspection établissent un plan d’inspection couvrant tous les établissements et comportant les éléments suivants : 1° une évaluation générale des questions de sécurité pertinentes; 2° la zone géographique couverte par le plan d’inspection; 3° la liste des établissements couverts par le plan; 4° la liste de groupes d’établissements présentant un risque d’effets domino; 26997BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 5° de lijst van inrichtingen waar specifieke externe risico’s of gevarenbronnen het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval zouden kunnen vergroten; 6° de programma’s voor de routinematige controles, bedoeld in paragraaf 3, en procedures voor dergelijke controles; 7° procedures voor de niet-routinematige controles, bedoeld in paragraaf 6; 8° bepalingen inzake de samenwerking tussen de inspectiediensten. De inspectieteams herzien het inspectieplan geregeld en werken het indien nodig bij. § 3. Op basis van het inspectieplan stellen de inspectieteams programma’s voor routinematige controles voor alle inrichtingen op. De programma’s maken ten minste melding van : 1° de aard van de geplande controles en de toe te passen methodiek; 2° de voorziene frequentie voor de bezoeken ter plaatse; 3° de inspectiediensten die worden belast met de concrete uitvoering van de controles. De inspectiediensten staan in voor de uitvoering van de controles waarmee zij door de programma’s worden belast. De inspectiediensten kunnen gezamenlijke controles voorzien. Ze coördineren de controles waar mogelijk met controles krachtens andere relevante regelgeving. § 4. De inspectieteams bepalen de inhoud van de programma’s, in het bijzonder de frequentie voor de bezoeken ter plaatse, en sturen ze bij uitgaande van een systematische beoordeling van de gevaren van de inrichtingen die gebaseerd is op ten minste de volgende criteria : 1° de mogelijke effecten van de betrokken inrichtingen op de menselijke gezondheid en het milieu; 2° gegevens betreffende de naleving van de voorschriften van dit samenwerkingsakkoord door de exploitanten. Voor zover passend, houden de inspectieteams ook rekening met de relevante bevindingen van controles uitgevoerd krachtens andere relevante regelgeving. § 5. De controles zijn niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten. Ze zijn afgestemd op het type betrokken inrichting en zijn zodanig opgezet, dat ze een planmatig en systematisch onderzoek toelaten van de in de inrichting gebruikte systemen van technische, organisatorische en bedrijfskundige aard om in het bijzonder te verzekeren dat : 1° de exploitant in staat is aan te tonen dat hij, gelet op de activiteiten van de inrichting, passende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen; 2° de exploitant in staat is aan te tonen dat hij passende maatregelen heeft getroffen om de gevolgen van zware ongevallen op en buiten de inrichting te beperken; 3° de gegevens en informatie vervat in het veiligheidsrapport of in een ander ingediend rapport, de situatie in de inrichting getrouw weergeven. § 6. De inspecteurs voeren, in overleg, niet-routinematige controles uit om ernstige klachten, ongevallen, incidenten en bijna-ongevallen en gevallen van niet-naleving van de voorschriften van dit samenwer kingsakkoord zo snel mogelijk te onderzoeken. § 7. Na iedere controle delen de betrokken inspecteurs binnen de vier maanden de exploitant de conclusies van de controle mee, alsook de noodzakelijke corrigerende acties. De betrokken inspecteurs ondernemen passende stappen om ervoor te zorgen dat de exploitant binnen een redelijke termijn al die noodzakelijke corrigerende acties neemt. § 8. Als de inspecteurs bij een controle een belangrijk geval van niet-naleving van de voorschriften van dit samenwerkingsakkoord vaststellen, voeren ze binnen de zes maanden een aanvullende controle uit. Onverminderd artikel 31, richten de betrokken inspectiediensten overeenkomstig artikel 34 een met redenen omkleed verzoek aan de bevoegde vergunningverlenende overheid om de inbedrijfstelling of de voortzetting van de exploitatie van de betrokken inrichting of een deel ervan te verbieden als de inspecteurs van oordeel zijn dat de door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen daarvan duidelijk onvoldoende zijn, en in het bijzonder als de exploitant ernstig tekortschiet in het nemen van de noodzakelijke corrigerende acties. 5° la liste d’établissements dans lesquels des sources particulières de risques ou de danger externes pourraient accroître le risque ou les conséquences d’un accident majeur; 6° les programmes pour les contrôles de routine visés au paragraphe 3 et des procédures pour de tels contrôles; 7° des procédures pour les contrôles non programmés, visés au paragraphe 6; 8° des dispositions concernant la coopération entre les services d’inspection. Les équipes d’inspection révisent régulièrement le plan d’inspection et, le cas échéant, le mettent à jour. § 3. Sur la base du plan d’inspection les équipes d’inspection établissent des programmes de contrôles de routine pour tous les établissements. Les programmes mentionnent au minimum : 1° la nature des contrôles prévus et la méthode appliquée; 2° la fréquence prévue pour les visites sur site; 3° les services d’inspection chargés de l’exécution concrète des contrôles. Chaque service d’inspection est responsable de l’exécution des contrôles dont les programmes les chargent. Les services d’inspection peuvent prévoir des contrôles conjoints. Lorsque c’est possible, ils coordonnent les contrôles avec des contrôles en vertu d’autres régle mentations pertinentes. § 4. Les équipes d’inspection déterminent le contenu des program mes, en particulier la fréquence des visites sur site et les adaptent à partir d’une évaluation systématique des dangers des établissements fondée au moins sur les critères suivants : 1° les incidences potentielles des établissements concernés sur la santé humaine et l’environnement; 2° les résultats en matière de respect des dispositions du présent accord de coopération par les exploitants. Les équipes d’inspections tiennent le cas échéant également compte des constatations pertinentes des contrôles effectués en vertu d’autres réglementations pertinentes. § 5. Les contrôles ne dépendent pas de la réception du rapport de sécurité ou d’autres rapports présentés. Ils sont adaptés au type d’établissement concerné et sont conçus de façon à permettre un examen planifié et systématique des systèmes techniques, des systèmes d’organisation et des systèmes de gestion appliqués dans l’établissement afin d’assurer en particulier que : 1° l’exploitant est en mesure de prouver qu’il a pris des mesures appropriées, compte tenu des activités de l’établissement, en vue de prévenir tout accident majeur; 2° l’exploitant est en mesure de prouver qu’il a pris des mesures appropriées pour limiter les conséquences d’accidents majeurs sur le site et hors de l’établissement; 3° les données et les informations contenues dans le rapport de sécurité ou dans un autre rapport présenté reflètent fidèlement la situation de l’établissement. § 6. Les inspecteurs effectuent en concertation des contrôles non programmés afin d’examiner dans les meilleurs délais les plaintes sérieuses, les incidents, les accidents et les quasi-accidents, ainsi que les cas de non-respect des dispositions du présent accord de coopération. § 7. Dans un délai de quatre mois suivant chaque contrôle, les inspecteurs concernés communiquent à l’exploitant les conclusions du contrôle, ainsi que les actions correctives nécessaires. Les inspecteurs concernés entreprennent les démarches appropriées pour que l’exploitant prenne toutes les actions correctives nécessaires dans un délai raisonnable. § 8. Lorsque les inspecteurs constatent un cas important de non respect des dispositions du présent accord de coopération lors d’un contrôle, ils effectuent un contrôle supplémentaire dans un délai de six mois. Sans préjudice de l’article 31, les services d’inspection concernés adressent à l’autorité compétente pour délivrer le permis, conformé ment à l’article 34, une demande motivée, afin d’interdire la mise en exploitation ou la poursuite de l’exploitation de tout ou d’une partie de l’établissement concerné lorsque les inspecteurs estiment que les mesures prises par l’exploitant pour prévenir les accidents majeurs et pour en limiter les conséquences sont nettement insuffisantes et en particulier s’il y a des manquements graves de la part de l’exploitant à prendre les actions correctives nécessaires. 26998 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK 9. — Exploitatieverbod Art. 34. § 1. Onverminderd artikel 31, verbiedt de bevoegde vergun ningverlenende overheid de inbedrijfstelling of de verdere exploitatie van de inrichting of van een gedeelte daarvan overeenkomstig de wetgeving inzake vergunningverlening die van toepassing is op de betrokken inrichting als de door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen daarvan duidelijk onvoldoende zijn. De bevoegde overheid neemt haar beslissing : 1° hetzij ambtshalve; 2° hetzij na een met redenen omkleed verzoek daartoe van een beoordelingsdienst of van de beoordelingscommissie; 3° hetzij na een met redenen omkleed verzoek daartoe van een inspectiedienst. § 2. Tegen de beslissingen van de bevoegde overheid kan beroep worden aangetekend overeenkomstig de wetgeving inzake vergunning verlening die van toepassing is op de betrokken inrichting. HOOFDSTUK 10. — Strafbepalingen Art. 35. § 1. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen, de exploitant die : 1° in strijd met artikel 5, niet alle nodige maatregelen neemt om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken of niet in staat is aan te tonen dat hij alle in dit samenwerkingsakkoord aangegeven nood zakelijke maatregelen heeft genomen; 2° in strijd met de artikelen 6 of 10, geen preventiebeleid voor zware ongevallen vaststelt, het niet beschrijft in een document, het niet uitvoert met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheer systeem in overeenstemming met bijlage 2 van dit samenwerkingsak koord, of het niet herziet en dienovereenkomstig niet bijstuurt; 3° in strijd met de artikelen 7 of 10, geen kennisgeving of actualisering ervan indient, of ze niet herziet en dienovereenkomstig niet bijwerkt; 4° in strijd met de artikelen 8, 10 of 28, geen veiligheidsrapport of actualisering ervan indient, het veiligheidsrapport niet herziet en dienovereenkomstig niet bijwerkt, of geen gewijzigd of aangevuld veiligheidsrapport bezorgt volgend op de beoordeling van het veilig heidsrapport; 5° in strijd met artikel 9, geen informatie uitwisselt indien de inrichting werd aangewezen als deel uitmakend van inrichtingen of een groep van inrichtingen waarvoor het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval groter kan zijn ten gevolge van de geografische situatie, de nabijheid van die inrichtingen en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen; 6° in strijd met de artikelen 11 of 14, geen intern noodplan opstelt, of het intern noodplan niet herziet, niet test en dienovereenkomstig niet bijwerkt; 7° in strijd met artikel 15, de voor de opstelling van het extern noodplan noodzakelijke aanvullende gegevens niet verstrekt; 8° in strijd met de artikelen 16 of 17, het intern noodplan niet onverwijld uitvoert wanneer er zich een zwaar ongeval of een onbeheerste gebeurtenis van zodanige aard dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij tot een zwaar ongeval leidt, voordoet, of het 112-centrum en het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering in die omstandigheden niet verwittigt; 9° in strijd met artikel 18, na een zwaar ongeval de vereiste inlichtingen niet verstrekt aan het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten, hen niet in kennis stelt van de voorgenomen maatregelen, de verstrekte informatie niet bijwerkt of de bijgewerkte informatie niet bezorgt aan het Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering en de bevoegde inspectiediensten. § 2. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 100 tot 100.000 euro of met een van die straffen alleen, de exploitant die : 1° de inspecteurs verhindert of belemmert bij de uitvoering van hun opdracht; 2° de dwingende maatregelen niet naleeft. CHAPITRE 9. — Interdiction d’exploitation Art. 34. § 1er. Sans préjudice de l’article 31, l’autorité compétente pour délivrer le permis interdit la mise en exploitation ou la poursuite de l’exploitation de tout, ou d’une partie de l’établissement, conformé ment à la législation régissant le permis d’exploitation de l’établisse ment concerné, lorsque les mesures prises par l’exploitant pour prévenir les accidents majeurs et pour en limiter les conséquences sont nettement insuffisantes. L’autorité compétente prend sa décision : 1° soit d’office; 2° soit sur demande motivée à cette fin d’un service d’évaluation ou de la commission d’évaluation; 3° soit sur demande motivée à cette fin d’un service d’inspection. § 2. Il peut être fait appel de la décision de l’autorité compétente conformément à la législation régissant le permis d’exploitation de l’établissement concerné. CHAPITRE 10. — Dispositions pénales Art. 35. § 1er. Est puni d’une peine d’emprisonnement d’un mois à cinq ans et d’une amende de 100 à 500.000 euros ou de l’une de ces peines seulement, l’exploitant qui : 1° en violation de l’article 5, ne prend pas toutes les mesures qui s’imposent pour prévenir les accidents majeurs et pour en limiter les conséquences pour la santé humaine et l’environnement ou n’est pas en mesure de démontrer qu’il a pris toutes les mesures nécessaires prévues par le présent accord de coopération; 2° en violation des articles 6 ou 10, n’établit pas la politique de prévention des accidents majeurs, ne la décrit pas dans un document, ne la met pas en œuvre par des moyens et des structures appropriés et par un système de gestion de la sécurité conformément à l’annexe 2, ou ne la révise et ne l’adapte pas suite à la révision; 3° en violation des articles 7 ou 10, n’introduit pas la notification ou sa mise à jour, ou ne la révise pas et ne la met pas à jour suite à la révision; 4° en violation des articles 8, 10 ou 28, n’introduit pas le rapport de sécurité ou sa mise à jour, ne le révise pas et ne le met pas à jour suite à la révision, ou ne communique pas le rapport de sécurité modifié ou complété suite à l’évaluation du rapport de sécurité; 5° en violation de l’article 9, n’échange pas les informations lorsque l’établissement est identifié comme faisant partie d’établissements ou d’un groupe d’établissements dans lesquels le risque ou les conséquen ces d’un accident majeur peuvent être accrus du fait de la situation géographique, de la proximité de ces établissements et la présence de substances dangereuses; 6° en violation des articles 11 ou 14, n’établit pas le plan d’urgence interne, ou ne le révise pas, ne le teste pas et ne le met pas à jour suite à la révision et aux tests; 7° en violation de l’article 15, ne fournit pas les informations complémentaires nécessaires à la l’élaboration du plan d’urgence externe; 8° en violation des articles 16 ou 17, ne met pas en œuvre sans délai le plan d’urgence interne lors d’un accident majeur ou lors d’un événement non maîtrisé dont on peut raisonnablement attendre, en raison de sa nature, qu’il conduise à un accident majeur, ou ne prévient pas dans de telles conditions le centre 112 et le Centre gouvernemental de Coordination et de Crise; 9° en violation de l’article 18, suite à un accident majeur, ne communique pas les informations requises au Centre gouvernemental de Coordination et de Crise et aux services d’inspection compétents, ne les informe pas des mesures envisagées, ne met pas à jour les informations fournies, ou ne transmet pas la mise à jour au Centre gouvernemental de Coordination et de Crise et aux services d’inspec tion compétents. § 2. Est puni d’une peine d’emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 100 à 100.000 euros ou de l’une de ces peines seulement, l’exploitant qui : 1° s’oppose ou fait entrave aux missions des inspecteurs; 2° ne respecte pas les mesures de contrainte. 26999BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK 11. — De Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki Art. 36. § 1. Een permanente overlegstructuur, “Samenwerkingscom missie Seveso-Helsinki” genaamd, wordt opgezet met het oog op de goede werking van het samenwerkingsakkoord. § 2. De Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki is samengesteld uit een vertegenwoordiger van elke dienst bedoeld in artikel 4 van dit samenwerkingsakkoord en van de dienst bevoegd inzake ruimtelijke ordening van elk gewest. De Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki beslist bij consensus na beraadslaging onder de vertegenwoordigde diensten. De Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki kan niet vertegenwoordigde overheidsdiensten en experten uitnodigen om de beraadslagingen bij te wonen en om een advies te verlenen over punten waarvoor zij een specifieke bevoegdheid of deskundigheid hebben. Als er geen consensus kan worden bereikt, wordt de behandelde materie voorgelegd aan de Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu, die met de andere betrokken federale en gewestelijke ministers wordt uitgebreid. Bij gebrek aan consensus in deze Conferen tie, wordt de kwestie voorgelegd aan het Overlegcomité bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. § 3. De Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki is belast met de volgende taken : 1° waken over een uniforme toepassing van dit samenwerkingsak koord over het gehele grondgebied van het Rijk; 2° harmoniseren onder de diensten van de uitwisseling van informa tie en van de beslissingscriteria voor de toepassing van dit samenwer kingsakkoord; 3° coördineren onder de diensten van de initiatieven en verspreiden van de onderzoeks- en ontwikkelingsresultaten met betrekking tot het beheersen van de risico’s van een zwaar ongeval; 4° zoeken naar coherente oplossingen voor problemen van specifieke inrichtingen en opbouwen van een bestuurspraktijk; 5° aanmoedigen van de diensten tot uitwisseling van ervaring op Belgisch en Europees vlak en coördineren van de Belgische vertegen woordiging in de commissies, conferenties, comités en werkgroepen met betrekking tot de beheersing van de gevaren van zware ongevallen of aanverwante onderwerpen; 6° verzekeren van de samenwerking tussen de diensten voor de tenuitvoerlegging van artikel 20, met het oog op een coherente informatieverstrekking aan het publiek; 7° coördineren van de aan de Europese Commissie te verstrekken gegevens, met name over de inrichtingen en over de tenuitvoerlegging van dit samenwerkingsakkoord; 8° coördineren van acties en bepalen van het standpunt in het internationale beleid met betrekking tot de beheersing van de gevaren van zware ongevallen. § 4. De Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki houdt minstens vier plenaire vergaderingen per jaar. Voor elke vergadering worden een agenda en een verslag opgesteld, die te zijner tijd aan alle leden worden gestuurd. De standpunten over het internationaal beleid worden gericht aan de Voorzitter van het Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid. Het voorzitterschap en het secretariaat worden waargenomen door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. HOOFDSTUK 12. — Slotbepalingen Art. 37. Gelijkwaardige gegevens, die door de exploitant werden ingediend overeenkomstig andere regelgeving, worden geaccepteerd voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord, voor zover de verstrekte gegevens beantwoorden aan de bepalingen van dit samen werkingsakkoord. In dergelijke gevallen dragen de diensten bedoeld in artikel 4 er zorg voor dat wordt voldaan aan de voorschriften van dit samenwerkings akkoord. Art. 38. De bijlagen 1 tot 6 van dit samenwerkingsakkoord kunnen worden gewijzigd bij samenwerkingsakkoord dat niet onderworpen is aan de wetgevende instemming , als het uitsluitend wijzigingen overeenkomstig de Europese regelgeving betreft. CHAPITRE 11. — La Commission de coopération Seveso-Helsinki Art. 36. § 1er. Une structure permanente de concertation dénommée « Commission de coopération Seveso-Helsinki », est instituée en vue du bon fonctionnement du présent accord de coopération. § 2. La Commission de coopération Seveso-Helsinki est composée d’un représentant de chaque service visé à l’article 4 du présent accord de coopération et du service compétent en matière d’aménagement du territoire de chaque région. La Commission de coopération Seveso-Helsinki décide par consen sus après délibération entre les services représentés. La Commission de coopération Seveso-Helsinki peut inviter des services publics non représentés et des experts pour participer aux délibérations et pour fournir un avis sur des points pour lesquels ils disposent d’une compétence ou d’une expertise spécifique. Si le consensus ne peut être atteint, la matière traitée sera soumise à la Conférence interministérielle de l’Environnement, élargie aux autres ministres fédéraux et régionaux concernés. En l’absence de consensus au sein de cette Conférence, la question est soumise au Comité de concertation visé à l’article 31 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles. § 3. La Commission de coopération Seveso-Helsinki est chargée des missions suivantes : 1° veiller à une application uniforme, sur tout le territoire du Royaume, du présent accord de coopération; 2° harmoniser, entre les services, les échanges d’informations et les critères de décision pour l’application du présent accord; 3° coordonner, entre les services, les initiatives et diffuser les résultats en matière de recherche et de développement relatifs à la maîtrise des risques d’accident majeur; 4° rechercher des solutions cohérentes aux problèmes que posent des établissements particuliers et constituer une jurisprudence administra tive; 5° encourager les services à partager les expériences au niveau belge et européen et coordonner la représentation de la Belgique au sein des commissions, conférences, comités et groupes de travail, en ce qui concerne la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs ou à des matières apparentées; 6° assurer la coopération entre les services pour la mise en œuvre de l’article 20, en vue d’une information du public cohérente; 7° coordonner les données à communiquer à la Commis sion européenne, notamment concernant les établissements et la mise en œuvre du présent accord de coopération. 8° coordonner les actions et les prises de position en matière de politique internationale, en ce qui concerne la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs. § 4. La Commission de coopération Seveso-Helsinki tient au moins quatre assemblées plénières par an. Chaque réunion fait l’objet d’un ordre du jour et d’un procès-verbal diffusés en temps utile à tous les membres. Les prises de position relatives à la politique internationale sont adressées au Président du Comité de Coordination de la Politique Internationale de l’Environnement. La présidence et le secrétariat sont assurés par le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale. CHAPITRE 12. — Dispositions finales Art. 37. Des informations équivalentes soumises par l’exploitant conformément à d’autres réglementations, sont acceptées aux fins du présent accord de coopération pour autant qu’elles répondent aux exigences du présent accord de coopération. Dans de tels cas, les services visés à l’article 4 s’assurent du respect des exigences du présent accord de coopération. Art. 38. Les annexes 1 à 6 du présent accord de coopération peuvent être modifiées par accord de coopération non soumis à l’assentiment législatif lorsqu’il s’agit uniquement de modifications conformes à la réglementation européenne. 27000 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Art. 39. De leden van het rechtscollege, bedoeld in artikel 92bis, § 5, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en belast met de beslechting van geschillen met betrekking tot de uitlegging of de uitvoering van dit samenwerkings akkoord, worden respectievelijk aangewezen door de Ministerraad, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. De werkingskosten van het rechtscollege worden gelijkmatig ver deeld tussen de bij het geschil betrokken partijen. Art. 40. Het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, gewijzigd door het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006, wordt opgeheven. Art. 41. De verwijzingen naar het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 in de federale en gewestelijke wetgevende en reglementaire bepalingen gelden tot hun eventuele wijziging als verwijzingen naar dit samenwerkingsakkoord. Art. 42. Dit samenwerkingsakkoord treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste instemmingsakte en ten vroegste op 1 juni 2015. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT Art. 39. Les membres de la juridiction visée à l’article 92bis, § 5, alinéa 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles et chargée de trancher les litiges d’interprétation ou d’exécution du présent accord de coopération, sont désignés respectivement par le Conseil des ministres, le Gouvernement flamand, le Gouvernement wallon et le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. Les frais de fonctionnement de la juridiction seront répartis d’une manière égale entre les parties concernées par le litige. Art. 40. L’accord de coopération du 21 juin 1999 entre l’Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifié par l’accord de coopération du 1 juin 2006, est abrogé. Art. 41. Jusqu’à leur modification éventuelle, les références faites à l’accord de coopération du 21 juin 1999 par les dispositions des législations et réglementations, fédérales et régionales, s’entendent comme faites au présent accord de coopération. Art. 42. Le présent accord de coopération entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du dernier acte d’assentiment et au plus tôt le 1er juin 2015. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT 27001BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Bijlage 1 Gevaarlijke stoffen Voor gevaarlijke stoffen die vallen onder de gevarencategorieën opgenomen in kolom 1 van deel 1 gelden de in de kolommen 2 en 3 van deel 1 opgenomen drempelwaarden. Wanneer een gevaarlijke stof onder deel 1 valt en ook is opgenomen in deel 2, zijn de in de kolommen 2 en 3 van deel 2 opgenomen drempelwaarden van toepassing. DEEL 1 — Categorieën gevaarlijke stoffen Dit deel beslaat alle gevaarlijke stoffen die in de in kolom 1 vermelde gevarencategorieën vallen : 27002 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27003BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27004 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27005BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27006 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE NOTEN BIJ BIJLAGE 1 1. Stoffen en mengsels worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 ingedeeld. 2. Mengsels worden behandeld als zuivere stoffen, mits zij binnen de concentratiegrenzen blijven die zijn vastgesteld aan de hand van hun eigenschappen krachtens de in noot 1 vermelde Verordening (EG) nr. 1272/2008 of de meest recente aanpassing daarvan aan de technische vooruitgang, tenzij specifiek een samenstellingspercentage of een andere beschrijving wordt gegeven. 3. De bovenstaande drempelwaarden gelden per inrichting. De voor de toepassing van de betreffende artikelen in aanmerking te nemen hoeveelheden zijn de maximumhoeveelheden die op enig moment aanwezig zijn of kunnen zijn. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2 % of minder van de vermelde drempelwaarde in een inrichting aanwezig zijn, worden bij de berekening van de totale aanwezige hoeveelheid buiten beschouwing gelaten, indien zij zich op een zodanige plaats in de inrichting bevinden dat zij niet de oorzaak van een zwaar ongeval elders binnen die inrichting kunnen zijn of de gevolgen van een ongeval kunnen vergroten. 4. De onderstaande regels voor het optellen van gevaarlijke stoffen of categorieën gevaarlijke stoffen zijn eventueel van toepassing : 27007BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE In het geval van een inrichting waar geen afzonderlijke gevaarlijke stof aanwezig is in een hoeveelheid van meer dan of gelijk aan de vermelde drempelwaarden, wordt de onderstaande regel toegepast om te bepalen of de inrichting onder de bepalingen van dit samenwerkingsakkoord valt. Dit samenwerkingsakkoord is van toepassing op hogedrempelinrichtingen indien de som : q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3 + q4/QU4 + q5/QU5 + ... groter is dan of gelijk is aan 1, waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage, en QUX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 3 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde. Dit samenwerkingsakkoord is van toepassing op lagedrempelinrichtingen indien de som: q1/QL1 + q2/QL2 + q3/QL3 + q4/QL4 + q5/QL5 + ... groter is dan of gelijk is aan 1, waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage, en QLX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 2 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde. Deze regel wordt gebruikt ter beoordeling van de gezondheidsgevaren, fysische gevaren en milieugevaren. De regel moet daarom driemaal worden toegepast : a) eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen welke in acute toxiciteitscategorie 1, 2 of 3 (inademingblootstellingsroutes) of STOT SE categorie 1 zijn ingedeeld, samen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek H, posten H1 tot en met H3 van deel 1, vallen; b) eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen welke ontplofbare stoffen, ontvlambare gassen, ontvlambare aerosolen, oxiderende gassen, ontvlambare vloeistoffen, zelfontledende stoffen en mengsels, organische peroxiden, pyrofore vloeistoffen en vaste stoffen, oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen zijn, samen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek P, posten P1 tot en met P8 van deel 1, vallen; c) eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen die onder gevaarlijk voor het aquatisch milieu, acute categorie 1, chronische categorie 1 of chronische categorie 2 vallen, samen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek E, posten E1 en E2 van deel 1, vallen. De desbetreffende bepalingen van dit samenwerkingsakkoord zijn van toepassing zodra het sommeringsre sultaat van a), b) of c) groter is dan of gelijk is aan 1. 5. Gevaarlijke stoffen die niet onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen, waaronder afvalstoffen, maar niettemin in een inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn en onder de in de inrichting heersende omstandigheden gelijkwaardige eigenschappen hebben of kunnen hebben wat de mogelijkheden van een zwaar ongeval betreft, worden voorlopig toegewezen aan de meest gelijkende categorie of met naam genoemde gevaarlijke stof die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt. 6. Voor gevaarlijke stoffen die zodanige eigenschappen hebben dat ze op verscheidene wijzen kunnen worden ingedeeld, is voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord de laagste drempelwaarde van toepassing. Wat evenwel de toepassing van de in noot 4 bedoelde regel betreft, wordt de laagste drempelwaarde voor elke groep categorieën in noot 4, onder a), b) en c), welke met de indeling in kwestie overeenkomt, gebruikt. 7. Gevaarlijke stoffen die vallen onder acuut toxisch categorie 3 (orale blootstellingsroutes, H 301), vallen onder de rubriek H2 ACUUT TOXISCH wanneer noch de indeling acute toxiciteit bij inademing noch de indeling acute dermale toxiciteit kunnen worden afgeleid, bijvoorbeeld door een gebrek aan concluderende gegevens betreffende toxiciteit bij inademing en dermale toxiciteit. 8. Onder de gevarenklasse ontplofbare stoffen vallen ontplofbare voorwerpen (zie punt 2.1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008). Indien de hoeveelheid van ontplofbare stoffen of mengsels in het voorwerp bekend is, wordt met die hoeveelheid rekening gehouden voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord. Indien de hoeveelheid van ontplofbare stoffen of mengsels in het voorwerp niet bekend is, wordt het gehele voorwerp voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord als ontplofbaar aangemerkt. 9. Testen naar de ontplofbare eigenschappen van stoffen en mengsels is alleen nodig indien de screeningproce dure volgens aanhangsel 6, deel 3, van de United Nations Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria („UN Manual of Tests and Criteria”) (1) uitwijst dat de stof of het mengsel mogelijk ontplofbare eigenschappen heeft. 10. Indien ontplofbare stoffen van subklasse 1.4 uitgepakt of opnieuw ingepakt zijn, worden ze in rubriek P1a ingedeeld, tenzij aangetoond wordt dat het gevaar nog overeenstemt met subklasse 1.4 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008. 11. 1. Ontvlambare aerosolen worden ingedeeld overeenkomstig het koninklijk besluit van 31 juli 2009 betreffende aerosols. „Zeer licht ontvlambare” en „ontvlambare” aerosolen volgens dit besluit komen overeen met ontvlambare aerosolen van respectievelijk categorie 1 of 2 volgens Verordening (EG) nr. 1272/2008. 11. 2. Om deze vermelding te kunnen gebruiken, moet geregistreerd worden dat de aerosolhouder geen ontvlambaar gas van categorie 1 of 2, noch ontvlambare vloeistof van categorie 1 bevat. 12. Overeenkomstig punt 2.6.4.5 in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 behoeven vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 35 °C niet in categorie 3 te worden ingedeeld indien negatieve resultaten werden behaald bij de test inzake onderhouden verbrandbaarheid L.2, Part III, section 32 van de UN Manual of Tests and Criteria. Dit geldt echter niet onder omstandigheden als verhoogde temperatuur of druk en daarom vallen dergelijke vloeistoffen onder deze vermelding. 13. Ammoniumnitraat (5 000/10 000) : meststoffen die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding Dit is van toepassing op gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen (een gemengde/samengestelde meststof bevat ammoniumnitraat met fosfaat en/of kaliumcarbonaat) die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding overeenkomstig de VN-goottest (zie Manual of Tests and Criteria, Part III, sub-section 38.2) en waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat : gelegen is tussen 15,75 (2) en 24,5 (3) gewichtsprocent en die niet meer dan 0,4 % in totaal aan brandbare/organische stoffen bevatten of die voldoen aan de voorschriften van bijlage III-2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen; 15,75 gewichtsprocent of minder en een onbeperkte hoeveelheid brandbare stoffen. 27008 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 14. Ammoniumnitraat (1 250/5 000) : meststofkwaliteit Dit is van toepassing op enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en op gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen die voldoen aan de eisen van bijlage III-2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003, waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat : hoger is dan 24,5 gewichtsprocent, met uitzondering van mengsels van enkelvoudige ammoniumnitraat meststoffen en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90 %; hoger is dan 15,75 gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat; hoger is dan 28 (4) gewichtsprocent voor mengsels van enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90 %. 15. Ammoniumnitraat (350/2 500) : technisch zuivere stof Dit is van toepassing op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatmengsels waarin het stikstofgehalte, afkomstig van het ammoniumnitraat : gelegen is tussen 24,5 en 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,4 % aan brandbare stoffen bevatten; hoger is dan 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,2 % aan brandbare stoffen bevatten. Dit is ook van toepassing op waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraatconcentratie van meer dan 80 gewichtsprocent. 16. Ammoniumnitraat (10/50) : „off-specs”-materiaal en meststoffen die niet voldoen aan de eisen van de detonatietest Dit is van toepassing op : afgekeurd materiaal afkomstig uit het fabricageproces en op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatmeng sels, enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststof fen als bedoeld in de noten 14 en 15, die van de eindgebruiker zijn of worden teruggestuurd aan een fabrikant, een installatie voor tijdelijke opslag of een herverwerkingsinstallatie voor herverwerking, recycling of behandeling met het oog op een veilig gebruik, omdat de stoffen niet langer voldoen aan de specificaties van de noten 14 en 15; meststoffen als bedoeld in de noot 13, eerste streepje, en noot 14 bij deze bijlage die niet voldoen aan de voorschriften van bijlage III-2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003. 17. Kaliumnitraat (5 000/10 000) Dit is van toepassing op samengestelde meststoffen op basis van kaliumnitraat (in de vorm van prills of granules) die dezelfde gevaarlijke eigenschappen als zuiver kaliumnitraat hebben. 18. Kaliumnitraat (1 250/5 000) Dit is van toepassing op samengestelde meststoffen op basis van kaliumnitraat (in kristalvorm) die dezelfde gevaarlijke eigenschappen als zuiver kaliumnitraat hebben. 19. Opgewaardeerd biogas Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord kan opgewaardeerd biogas worden ingedeeld onder rubriek 18 van deel 2 van bijlage I wanneer het verwerkt is in overeenstemming met de toepasselijke normen voor gezuiverd en opgewaardeerd biogas waardoor een kwaliteit gewaarborgd is die overeenkomt met die van aardgas, met inbegrip van de hoeveelheid methaan, en het ten hoogste 1 % zuurstof bevat. 20. Polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen De hoeveelheden polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen worden berekend aan de hand van de volgende wegingsfactoren : WHO 2005 TEF 2,3,7,8-TCDD 1 2,3,7,8-TCDF 0,1 1,2,3,7,8-PeDD 1 2,3,4,7,8-PeCDF 0,3 1,2,3,7,8-PeCDF 0,03 1,2,3,4,7,8-HxCDD 0,1 1,2,3,6,7,8-HxCDD 0,1 1,2,3,4,7,8-HxCDF 0,1 1,2,3,7,8,9-HxCDD 0,1 1,2,3,7,8,9-HxCDF 0,1 1,2,3,6,7,8-HxCDF 0,1 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 0,01 2,3,4,6,7,8-HxCDF 0,1 OCDD 0,0003 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 0,01 1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 0,01 OCDF 0,0003 (T = tetra, P = penta, Hx = hexa, Hp = hepta, O = octa) Referentie — Van den Berg et al: The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds 27009BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 21. Wanneer deze gevaarlijke stof eveneens onder categorie P5a ontvlambare vloeistoffen of P5b ontvlambare vloeistoffen valt, geldt voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord de laagste drempelwaarde. Nota’s (1) Verdere richtsnoeren voor het afzien van de test zijn beschikbaar in de beschrijving van methode A.14, zie Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (2) Een stikstofgehalte van 15,75 gewichtsprocent, afkomstig van het ammoniumnitraat, komt overeen met 45 % ammoniumnitraat. (3) Een stikstofgehalte van 24,5 gewichtsprocent, afkomstig van het ammoniumnitraat, komt overeen met 70 % ammoniumnitraat. (4) Een stikstofgehalte van 28 gewichtsprocent, afkomstig van het ammoniumnitraat, komt overeen met 80 % ammoniumnitraat. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT Bijlage 2 In artikel 6, § 4, en artikel 8, § 1, bedoelde informatie betreffende het veiligheidsbeheersysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen De exploitant houdt bij de uitwerking van het veiligheidsbeheersysteem rekening met onderstaande factoren. 1. Het veiligheidsbeheersysteem omvat het gedeelte van het volledige beheersysteem van de inrichting dat betrekking heeft op de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de processen, de procedures, de praktijken en de middelen die het mogelijk maken om het preventiebeleid voor zware ongevallen vast te leggen en uit te voeren, rekening houdende met de beste praktijken. 2. De volgende elementen en activiteiten komen aan bod in het veiligheidsbeheersysteem en de nodige procedures, die vastleggen hoe deze elementen en activiteiten georganiseerd worden binnen de inrichting, worden opgesteld, goedgekeurd en toegepast : i) de organisatie en het personeel : a) de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat betrokken is bij het beheersen van de gevaren van zware ongevallen op alle niveaus van de organisatie; b) de maatregelen die worden genomen om het bewustzijn dat voortdurende verbetering nodig is te doen toenemen; c) de identificatie van de opleidingsbehoeften van het personeel en de organisatie van die opleiding; d) het werken met derden voor werkzaamheden die vanuit veiligheidsopzicht belangrijk zijn; e) de betrokkenheid van het eigen personeel en dat van deze derden; ii) de identificatie en evaluatie van de gevaren van zware ongevallen : a) de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen die zich kunnen voordoen bij normale of abnormale werking, en in voorkomend geval bij activiteiten die door derden worden verricht; b) de evaluatie van de daaraan verbonden risico’s; c) het vastleggen en implementeren van de maatregelen om deze risico’s te beheersen; iii) de ontwerpbeheersing : 27010 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE a) het ontwerpen van installaties en processen; b) het plannen en uitvoeren van wijzigingen van bestaande installaties en processen; iv) de operationele controle : a) de veilige exploitatie van de installaties en dit in alle omstandigheden zoals bij normale werking, bij opstart, bij tijdelijke stilstand en bij onderhoud; b) het alarmbeheer; c) het verzekeren van de goede staat en werking van de maatregelen die werden geïmplementeerd om de risico’s van zware ongevallen te beheersen, omvattende : — de bepaling en uitvoering van de strategie en methodologie voor de monitoring en de controle van de goede staat en werking van deze maatregelen; — de bepaling en uitvoering van de nodige tegenmaatregelen bij niet-conformiteiten; d) de beheersing van de risico’s van zware ongevallen als gevolg van degradatie van de installatieonderdelen, zoals veroudering en corrosie, omvattende : — de inventarisatie van de betrokken installatieonderdelen; — de inventarisatie van de mogelijke degradatiefenomenen; — bepaling en uitvoering van de strategie en methodologie voor de monitoring en de controle van de staat van de installatieonderdelen; — de bepaling en uitvoering van de acties op basis van deze monitoring en controle om de goede staat van het installatieonderdeel te verzekeren, zoals herstelling of vervanging van het installatieonderdeel of het aanpassen van de werkingscondities; v) de noodplanning : a) de systematische identificatie van voorzienbare noodsituaties; b) het opstellen, testen, herzien en bijwerken van een intern noodplan voor deze noodsituaties; c) het verzorgen van specifieke opleiding voor alle betrokken personeel dat in de inrichting werkt, inclusief derden; vi) het onderzoek van ongevallen en incidenten : a) de melding en registratie van zware ongevallen en van incidenten, in het bijzonder incidenten waarbij de aanwezige maatregelen hebben gefaald; b) de analyse van deze ongevallen en incidenten; c) het vastleggen en implementeren van corrigerende maatregelen om herhaling te vermijden; vii) de audit en herziening : a) de permanente beoordeling van de inachtneming van de doelstellingen van het preventiebeleid voor zware ongevallen en van het veiligheidsbeheersysteem, en invoering van regelingen voor onderzoek en correctie bij niet-inachtneming waartoe ook prestatie-indicatoren kunnen behoren zoals veiligheidsprestatie indicatoren of andere relevante indicatoren; b) de systematische en periodieke beoordeling van de geschiktheid en doeltreffendheid van het preventiebe leid voor zware ongevallen en het veiligheidsbeheersysteem, omvattende een gedocumenteerde directie beoordeling van de resultaten van het gevoerde beleid en het veiligheidsbeheersysteem en van de bijsturing daarvan, inclusief de overweging en integratie van de noodzakelijke wijzigingen die volgen uit de audit en herziening. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT 27011BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Bijlage 3 Gegevens en minimuminlichtingen die in het in artikel 8 bedoelde veiligheidsrapport aan de orde moeten komen 1. Inlichtingen over het beheerssysteem en de organisatie van de inrichting, met het oog op de preventie van zware ongevallen. Deze inlichtingen dienen de in bijlage 2 aangegeven punten te bestrijken. 2. Presentatie van de omgeving van de inrichting : a) beschrijving van de plaats en zijn omgeving, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens en, in voorkomend geval, de voorgeschiedenis; b) identificatie van de installaties en andere activiteiten binnen de inrichting die een gevaar van een zwaar ongeval met zich kunnen brengen; c) op basis van de beschikbare informatie, identificatie van naburige inrichtingen, alsmede andere bedrijven die buiten het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord vallen, zones en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van, of het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval en domino-effecten kunnen verhogen; d) beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval zouden kunnen worden getroffen. 3. Beschrijving van de installatie : a) beschrijving van de voornaamste werkzaamheden en producten uit de gedeelten van de inrichting die belangrijk zijn uit het oogpunt van de veiligheid, van de mogelijke oorzaken van risico’s van zware ongevallen en van de omstandigheden waarin zo’n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve maatregelen; b) beschrijving van de processen, met name de werkwijzen; indien van toepassing, rekening houdend met de beschikbare informatie betreffende beste praktijken; c) beschrijving van de gevaarlijke stoffen : i. inventaris van de gevaarlijke stoffen met : — de beschrijving van de gevaarlijke stoffen : chemische naam, CAS-nummer, naam volgens de IUPAC-nomenclatuur, — de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stof(fen) die aanwezig is (zijn) of kan (kunnen) zijn, ii. fysische, chemische en toxicologische kenmerken en gegevens over zowel de onmiddellijk als de later optredende gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu, iii. het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij een voorzienbaar ongeval. 4. Identificatie en analyse van de ongevallenrisico’s en preventiemiddelen : a) gedetailleerde beschrijving van de scenario’s voor mogelijke zware ongevallen en de omstandigheden waarin deze zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van deze scenario’s een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen, met name : i. operationele oorzaken; ii. externe oorzaken, bijvoorbeeld met betrekking tot domino-effecten, andere bedrijven die buiten het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord vallen, zones en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van, of het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; iii. natuurlijke oorzaken, bijvoorbeeld aardbevingen of overstromingen; b) beoordeling van de omvang en de ernst van de gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen met inbegrip van kaarten, beelden of, indien nuttig, gelijkwaardige beschrijvingen waarop de gebieden zijn aangegeven die bij door de inrichting veroorzaakte ongevallen kunnen getroffen worden; c) evaluatie van ongevallen en incidenten uit het verleden waarbij dezelfde stoffen en processen werden gebruikt, beschouwing van de daaruit getrokken lessen en expliciete vermelding van de getroffen specifieke maatregelen om dergelijke ongevallen te voorkomen; d) beschrijving van de technische parameters en van de uitrusting die van belang is voor de veiligheid van de installaties. 5. Beschermings -en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken : a) beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken, inclusief de middelen om de omvang en verspreiding van een accidentele vrijzetting te beperken, zoals detectiesystemen, afsluitventielen, noodop vangsystemen, bluswateropvang watersproeiers, dampschermen; b) organisatie van het alarm en de interventie; 27012 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE c) beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen; d) beschrijving van alle technische en niet-technische maatregelen die de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen beperken. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT Bijlage 4 In de in artikel 11 en 13 bedoelde noodplannen op te nemen gegevens en inlichtingen 1° Interne noodplannen : a) De naam of functie van de personen die bevoegd zijn om de procedures van het intern noodplan in werking te laten treden en van de persoon die belast is met de leiding en coördinatie van de interventie op de inrichting; b) De naam of functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het extern noodplan verantwoordelijke overheid; c) Voor te voorziene omstandigheden of gebeurtenissen die een doorslaggevende rol zouden kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of de gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen daarvan, met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en middelen; d) De maatregelen ter beperking van het risico voor de op de inrichting aanwezige personen, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm; e) De regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor de inwerkingstelling van het extern noodplan bij een ongeval snel in te lichten, het soort inlichtingen dat onmiddellijk moet worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van meer uitvoerige inlichtingen, wanneer deze beschikbaar zijn; f) De regelingen om het personeel op te leiden voor het vervullen van de taken die ervan verwacht worden en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe interventiediensten; g) De regelingen voor de verlening van steun aan interventie buiten de inrichting. 2° Externe noodplannen : a) De naam of functie van de personen die bevoegd zijn om de procedures van het extern noodplan in werking te laten treden en van de personen die belast zijn met de leiding en coördinatie van de maatregelen buiten de inrichting; b) De regelingen om snel op de hoogte te worden gesteld van eventuele incidenten, waaronder de alarmeringsprocedures; c) De regelingen voor de coördinatie van de middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het extern noodplan; d) De regelingen voor de verlening van steun aan interventie op de inrichting; e) De regelingen voor interventie buiten de inrichting, in het kader van de respons op scenario’s voor zware ongevallen die in het extern noodplan op basis van het veiligheidsrapport weerhouden zijn en rekening houdend met mogelijke domino-effecten; f) De regelingen voor het verstrekken van specifieke informatie over het ongeval en de te volgen gedragslijn aan alle personen, aan alle door het publiek gebruikte gebouwen en gebieden met inbegrip van scholen en ziekenhuizen en aan alle naburige inrichtingen en naburige bedrijven die buiten het toepassingsgebied vallen van dit samenwerkingsakkoord, die kunnen worden getroffen door een zwaar ongeval; 27013BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE g) De regelingen voor het verstrekken van informatie aan de bevoegde overheden van andere lidstaten bij een zwaar ongeval met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT Bijlage 5 Criteria voor de kennisgeving van een ongeval aan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 19, § 1 I. Elk zwaar ongeval dat onder punt 1 valt of dat ten minste één van de in onderstaande punten 2, 3, 4 of 5 omschreven gevolgen heeft, wordt ter kennis van de Europese Commissie gebracht. 1. Betrokken gevaarlijke stoffen Elke brand, explosie of emissie van gevaarlijke stoffen waarbij een hoeveelheid is betrokken van ten minste 5 % van de in kolom 3 van deel 1 of van deel 2 van bijlage 1 vermelde drempelwaarde. 2. Schade aan personen of goederen a) een sterfgeval; b) zes gewonden binnen de inrichting, die in het ziekenhuis worden opgenomen en daar ten minste 24 uur blijven; c) een persoon buiten de inrichting, die in het ziekenhuis wordt opgenomen en daar ten minste 24 uur blijft; d) een woning buiten de inrichting, beschadigd en onbruikbaar ten gevolge van het ongeval; e) evacuatie of isolering van personen gedurende meer dan twee uur, met een aantal mensuren van ten minste 500; f) onderbreking van de voorziening van drinkwater, elektriciteit, gas of telefoonverkeer gedurende meer dan twee uur, met een totaal aantal mensuren van ten minste 1 000. 3. Onmiddellijke schade voor het milieu a) permanente of langdurige schade aan landhabitats : — 0,5 ha of meer van een voor het milieu of de instandhouding belangrijke en wettelijk beschermde habitat; — 10 ha of meer van een meer uitgebreide habitat, inclusief landbouwgrond; b) significante of langdurige schade aan zoetwater- of mariene habitats : — 10 km of meer van een stroom, een kanaal of een rivier; — 1 ha of meer van een vijver of een meer; — 2 ha of meer van een delta; — 2 ha of meer van een kustzone of van de zee; c) significante schade aan een watervoerende laag of aan het grondwater : — 1 ha of meer. 4. Materiële schade a) materiële schade in de inrichting : vanaf 2 000 000 euro; b) materiële schade buiten de inrichting : vanaf 500 000 euro. 5. Grensoverschrijdende schade Elk zwaar ongeval waarbij rechtstreeks een gevaarlijke stof betrokken is die de oorzaak is van gevolgen buiten het Belgisch grondgebied. 27014 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE II. Ongevallen of bijna-ongevallen die naar het oordeel van de bevoegde dienst technische aspecten vertonen voor de preventie van zware ongevallen en voor de beperking van de gevolgen daarvan en die niet aan bovengenoemde kwantitatieve criteria voldoen, worden ter kennis van de Europese Commissie gebracht. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT Bijlage 6 Aan het publiek in kader van de toepassing van artikel 20 te verstrekken informatie DEEL 1 Voor alle inrichtingen : 1. De naam of de handelsnaam van de exploitant en het volledige adres van de betreffende inrichting; 2. Een bevestiging dat de inrichting zich aan de voorschriften en/of bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering van dit samenwerkingsakkoord moet houden en dat de in artikel 7, paragraaf 1, genoemde kennisgeving of het in artikel 8, paragraaf 1, genoemde veiligheidsrapport bij de bevoegde autoriteit is ingediend; 3. Een begrijpelijke toelichting op de activiteit of activiteiten van de inrichting; 4. De gewone benaming of, in geval van gevaarlijke stoffen die onder deel 1 van bijlage 1 vallen, de algemene naam of algemene gevarenklasse van de relevante gevaarlijke stoffen in de inrichting die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken, onder vermelding van de belangrijkste gevaarlijke eigenschappen in eenvoudige bewoordingen; 5. Algemene gegevens over de wijze waarop het betrokken publiek zal worden gewaarschuwd, indien nodig; toereikende informatie over de te volgen gedragslijn bij een zwaar ongeval of een indicatie waar deze informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; 6. De datum van het laatste bezoek ter plaatse in overeenstemming met artikel 33, paragraaf 3, of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; inlichtingen over de wijze waarop er op verzoek meer gedetailleerde gegevens over de controle en het betreffende inspectieplan kunnen worden bekomen, onder voorbehoud van de uitzonderingsgronden bedoeld in de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie; 7. Bijzonderheden over de wijze waarop alle ter zake dienende inlichtingen kunnen worden ingewonnen, onder voorbehoud van de uitzonderingsgronden bedoeld in de wetgeving inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. 27015BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE DEEL 2 Voor hogedrempelinrichtingen, naast de in deel 1 genoemde inlichtingen : 1. Algemene gegevens inzake de aard van de risico’s van zware ongevallen, waaronder de mogelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu en beknopte gegevens van de voornaamste soorten scenario’s voor zware ongevallen en de controlemaatregelen om deze aan te pakken; 2. Een bevestiging dat de exploitant verplicht is toereikende regelingen op de inrichting te treffen en contact te nemen met de interventiediensten, om zware ongevallen het hoofd te bieden en de gevolgen daarvan tot een minimum te beperken; 3. Passende inlichtingen uit het externe noodplan dat opgesteld is ter bestrijding tegen eventuele effecten die een ongeval buiten de inrichting kan hebben, waaronder de aansporing om bij een ongeval de instructies of adviezen te volgen en gehoor te geven aan verzoeken van de interventiediensten; 4. Een indicatie, waar van toepassing, of de inrichting zich nabij het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, waardoor een zwaar ongeval grensoverschrijdende gevolgen kan hebben, krachtens het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, opgemaakt te Helsinki op 17 maart 1992. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT Bijlage 7 Nadere omschrijving van de modaliteiten van de coördinatie bedoeld in artikel 32, § 2 De in artikel 32, § 2, bedoelde coördinatie houdt de volgende taken in : 1° organiseren van overleg tussen de verschillende inspectieteams, met het oog op het opzetten van een inspectiesysteem bedoeld in artikel 33 en het opstellen van een inspectieplan bedoeld in artikel 33, § 2, en dit op een coherente wijze over het ganse Rijk; 2° organiseren van overleg binnen elk inspectieteam, met het oog op het opstellen van de programma’s voor routinematige controles, bedoeld in artikel 33, § 3, voor de inrichtingen gelegen in het betrokken gewest en het geregeld evalueren en actualiseren van die programma’s; 3° verzekeren dat de gezamenlijke controles bedoeld in artikel 33, § 3, worden georganiseerd; 4° bewerkstelligen van informatie-uitwisseling over relevante inspectie-ervaringen, nieuwe ontwikkelingen op het vlak van inspectietechnieken en alle andere informatie die nuttig is voor de uitvoering van de inspectieopdrachten; 27016 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 5° informeren van de coördinerende dienst over vastgestelde feiten, conclusies uit ongevalsonderzoeken of andere nieuwe inzichten, wanneer deze naar het gezamenlijk oordeel van de inspectiediensten, een herziening of bijwerking van het veiligheidsrapport vereisen overeenkomstig artikel 8, § 6; 6° maken van praktische afspraken binnen de inspectieteams voor de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 18, § 2, in geval van een zwaar ongeval; 7° verzekeren van de rapportering aan de Europese Commissie van zware ongevallen, overeenkomstig artikel 19, § 1 en § 2; 8° organiseren van overleg indien één van de inspectiediensten van oordeel is dat de door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan duidelijk onvoldoende zijn; 9° organiseren van alle andere acties die door de inspectiediensten in gezamenlijk overleg worden afgesproken. Gedaan te Brussel, op 16 februari 2016, in één origineel exemplaar. Voor de Federale Staat : De Eerste Minister, Ch. MICHEL De Minister van Werk en Economie, K. PEETERS De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Leefmilieu, Mevr. M.-C. MARGHEM Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Mevr. J. SCHAUVLIEGE Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE De Waalse Minister van Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening, C. DI ANTONIO Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Mevr. C. FREMAULT 27017BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Annexe 1 Substances dangereuses Les substances dangereuses relevant des catégories de danger énumérées dans la colonne 1 de la partie 1 sont soumises aux quantités seuils précisées dans les colonnes 2 et 3 de la partie 1. Lorsqu’une substance dangereuse relève de la partie 1 et est également énumérée dans la partie 2, les quantités seuils précisées dans les colonnes 2 et 3 de la partie 2 s’appliquent. PARTIE 1. — Catégories de substances dangereuses Cette partie couvre toutes les substances dangereuses relevant des catégories de danger énumérées dans la colonne 1 : 27018 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27019BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27020 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27021BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 27022 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE NOTES RELATIVES A L’ANNEXE 1 1. Les substances et mélanges sont classés conformément au règlement (CE) n° 1272/2008. 2. Les mélanges sont assimilés à des substances pures pour autant que les limites de concentration fixées en fonction de leurs propriétés dans le règlement (CE) n° 1272/2008, ou sa dernière adaptation au progrès technique soient respectées, à moins qu’une composition en pourcentage ou une autre description ne soit spécifiquement donnée. 3. Les quantités seuils qui sont indiquées ci-dessus s’entendent par établissement. Les quantités qui doivent être prises en considération pour l’application des articles concernés sont les quantités maximales qui sont présentes ou sont susceptibles d’être présentes à n’importe quel moment. Les substances dangereuses présentes dans un établissement en quantités inférieures ou égales à 2 % seulement de la quantité seuil pertinente ne sont pas prises en compte dans le calcul de la quantité totale présente si leur localisation à l’intérieur de l’établissement est telle que les substances ne peuvent déclencher un accident majeur ailleurs dans cet établissement ou qu’elles ne peuvent augmenter les conséquences d’un accident. 4. Les règles ci-après, qui régissent le cumul des substances dangereuses, ou des catégories de substances dangereuses, s’appliquent, le cas échéant : 27023BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Dans le cas d’un établissement dans lequel aucune substance individuelle dangereuse n’est présente en quantité supérieure ou égale à la quantité seuil indiquée, la règle ci-après est appliquée pour déterminer si l’établissement est soumis aux exigences du présent accord de coopération. Le présent accord de coopération s’applique aux établissements seuil haut si la somme obtenue par la formule : q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3 + q4/QU4 + q5/QU5 + ... est supérieure ou égale à 1, où qx désigne la quantité de la substance dangereuse x (ou de la catégorie de substances dangereuses) relevant de la partie 1 ou de la partie 2 de la présente annexe, et QUX désigne la quantité seuil pertinente pour la substance dangereuse ou la catégorie x, qui est indiquée dans la colonne 3 de la partie 1 ou de la partie 2 de la présente annexe. Le présent accord de coopération s’applique aux établissements seuil bas si la somme obtenue par la formule : q1/QL1 + q2/QL2 + q3/QL3 + q4/QL4 + q5/QL5 + ... est supérieure ou égale à 1, où qx désigne la quantité de la substance dangereuse x (ou de la catégorie de substances dangereuses) relevant de la partie 1 ou 2 de la présente annexe, et QLX désigne la quantité seuil pertinente pour la substance dangereuse ou la catégorie x, qui est indiquée dans la colonne 2 de la partie 1 ou 2 de la présente annexe. Cette règle est utilisée pour évaluer les dangers pour la santé, les dangers physiques et les dangers pour l’environnement. Elle doit donc être appliquée trois fois, à savoir : a) pour faire la somme des substances dangereuses figurant à la partie 2 qui sont classées dans la catégorie 1, 2 ou 3 de toxicité aiguë (par inhalation) ou en STOT SE catégorie 1, et des substances dangereuses qui relèvent de la section H, rubriques H1 à H3 de la partie 1; b) pour faire la somme des substances dangereuses figurant à la partie 2 qui sont explosibles, des gaz inflammables, des aérosols inflammables, des gaz comburants, des liquides inflammables, des substances et mélanges autoréactifs, des peroxydes organiques, des liquides et solides pyrophoriques, des liquides et solides comburants, et des substances dangereuses qui relèvent de la section P, rubriques P1 à P8 de la partie 1; c) pour faire la somme des substances dangereuses figurant à la partie 2 qui sont dangereuses pour l’environnement aquatique, aiguë catégorie 1, chronique catégorie 1 ou chronique catégorie 2, et des substances dangereuses qui relèvent de la section E, rubriques E1 et E2 de la partie 1. Les dispositions pertinentes du présent accord de coopération s’appliquent dès lors que l’une des sommes obtenues en a), b) ou c) est supérieure ou égale à 1. 5. Dans le cas des substances dangereuses qui ne sont pas couvertes par le règlement (CE) n° 1272/2008, y compris les déchets, et qui sont néanmoins présentes, ou susceptibles d’être présentes, dans un établissement et qui présentent, ou sont susceptibles de présenter, dans les conditions régnant dans l’établissement, des propriétés équivalentes pour ce qui est de leur potentiel d’accidents majeurs, ces substances sont provisoirement affectées à la catégorie la plus proche ou la substance dangereuse désignée relevant du présent accord de coopération. 6. Dans le cas des substances dangereuses présentant des propriétés qui donnent lieu à plusieurs classifications, les quantités seuils, aux fins du présent accord de coopération, sont les quantités les plus faibles. Cependant, aux fins de l’application de la règle exposée dans la note 4, la quantité seuil la plus faible pour chaque groupe de catégories figurant à la note 4, points a), b) et c) correspondant à la classification concernée est utilisée. 7. Les substances dangereuses relevant de la catégorie TOXICITE AIGUË, catégorie 3, exposition par voie orale (H 301), sont inscrites sous la rubrique H2 TOXICITE AIGUË dans les cas où ni la classification de toxicité aiguë par inhalation, ni la classification de toxicité aiguë par voie cutanée ne peuvent être établies, par exemple en raison de l’absence de données de toxicité par inhalation et par voie cutanée concluantes. 8. La classe de danger Explosibles comprend les articles explosibles [voir l’annexe I, section 2.1, du règlement (CE) n° 1272/2008]. Si la quantité de substance ou mélange explosible contenue dans l’article est connue, c’est cette quantité qui est prise en considération aux fins du présent accord de coopération. Si la quantité de substance ou mélange explosible contenue dans l’article n’est pas connue, c’est l’article entier qui sera considéré comme étant explosible aux fins du présent accord de coopération. 9. La réalisation d’essais visant à mettre en évidence les propriétés explosibles des substances et mélanges n’est nécessaire que si la procédure de sélection prévue à l’appendice 6, partie 3, des Recommandations des Nations unies relatives au transport de marchandises dangereuses, Manuel d’épreuves et de critères (1) (ci-après dénommé « Manuel d’épreuves et de critères des Nations unies ») détermine que la substance ou le mélange est susceptible de présenter des propriétés explosibles. 10. Les explosibles de la division 1.4 déballés ou réemballés sont classés dans la catégorie P1a, à moins qu’il ne soit démontré que le danger correspond toujours à la division 1.4, conformément au règlement (CE) n° 1272/2008. 11. 1. Les aérosols inflammables sont classés conformément à l’arrête royal du 31 juillet 2009 relatif aux générateurs aérosols. Les aérosols « extrêmement inflammables » et « inflammables » de cet arrêté correspondent respectivement aux aérosols inflammables des catégories 1 et 2 du règlement (CE) n° 1272/2008. 11. 2. Pour pouvoir recourir à cette classification, il doit être démontré que le générateur d’aérosol ne contient pas de gaz inflammable de catégorie 1 ou 2 ni de liquide inflammable de catégorie 1. 12. Conformément au paragraphe 2.6.4.5 de l’annexe I du règlement (CE) n° 1272/2008, il n’est pas nécessaire de classer les liquides ayant un point d’éclair supérieur à 35°C dans la catégorie 3 si l’épreuve de combustion entretenue du point L.2, partie III, section 32, du Manuel d’épreuves et de critères des Nations unies a donné des résultats négatifs. Toutefois, cette remarque n’est pas valable en cas de conditions élevées, telles qu’une température ou une pression élevée, et ces liquides doivent alors être classés dans cette catégorie. 13. Nitrate d’ammonium (5 000/10 000) : engrais susceptibles de subir une décomposition autonome S’applique aux engrais composés/complexes à base de nitrate d’ammonium (les engrais composés/complexes à base de nitrate d’ammonium contiennent du nitrate d’ammonium et du phosphate et/ou de la potasse) qui sont susceptibles de subir une décomposition autonome selon l’épreuve de décomposition en gouttière des Nations unies (voir Manuel d’épreuves et de critères des Nations unies, partie III, sous-section 38.2), dont la teneur en azote due au nitrate d’ammonium est : 27024 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE comprise entre 15,75 % (2) et 24,5 % (3) en poids et qui contiennent au maximum 0,4 % de combustibles/matières organiques au total, ou satisfont aux conditions de l’annexe III-2 du règlement (CE) n° 2003/2003 du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 relatif aux engrais, inférieure ou égale à 15,75 % en poids, sans limitation de teneur en matières combustibles. 14. Nitrate d’ammonium (1 250/5 000) : qualité engrais S’applique aux engrais simples à base de nitrate d’ammonium et aux engrais composés/complexes à base de nitrate d’ammonium qui satisfont aux conditions de l’annexe III-2 du règlement (CE) n° 2003/2003 et dont la teneur en azote due au nitrate d’ammonium est : supérieure à 24,5 % en poids, sauf pour les mélanges d’engrais simple à base de nitrate d’ammonium avec de la dolomie, du calcaire et/ou du carbonate de calcium, dont la pureté est d’au moins 90 %, supérieure à 15,75 % en poids pour les mélanges de nitrate d’ammonium et de sulfate d’ammonium, supérieure à 28 % (4) en poids pour les mélanges d’engrais simple à base de nitrate d’ammonium avec de la dolomie, du calcaire et/ou du carbonate de calcium, dont la pureté est d’au moins 90 %. 15. Nitrate d’ammonium (350/2 500) : qualité technique S’applique au nitrate d’ammonium et aux mélanges de nitrate d’ammonium dans lesquels la teneur en azote due au nitrate d’ammonium est : comprise entre 24,5 % et 28 % en poids et qui ne contiennent pas plus de 0,4 % de substances combustibles, supérieure à 28 % en poids et qui ne contiennent pas plus de 0,2 % de substances combustibles. S’applique également aux solutions aqueuses de nitrate d’ammonium dans lesquelles la concentration de nitrate d’ammonium est supérieure à 80 % en poids. 16. Nitrate d’ammonium (10/50) : matières « off-specs » (hors spécifications) et engrais ne satisfaisant pas à l’essai de détonation. S’applique aux : matières rejetées durant le processus de fabrication ainsi qu’au nitrate d’ammonium et aux mélanges de nitrate d’ammonium, d’engrais simples à base de nitrate d’ammonium et d’engrais composés/complexes à base de nitrate d’ammonium visés dans les notes 14 et 15, qui sont ou ont été renvoyés par l’utilisateur final à un fabricant, à une installation de stockage temporaire ou une usine de retraitement en vue d’un recyclage ou d’un traitement destiné à garantir leur sécurité d’utilisation, parce qu’ils ne satisfont plus aux spécifications des notes 14 et 15, engrais visés dans la note 13, premier tiret, et dans la note 14 de la présente annexe qui ne satisfont pas aux conditions de l’annexe III-2 du règlement (CE) n° 2003/2003. 17. Nitrate de potassium (5 000/10 000) S’applique aux engrais composés à base de nitrate de potassium (sous forme de comprimés ou de granulés) qui présentent les mêmes propriétés dangereuses que le nitrate de potassium pur. 18. Nitrate de potassium (1 250/5 000) S’applique aux engrais composés à base de nitrate de potassium (sous forme de cristaux) qui présentent les mêmes propriétés dangereuses que le nitrate de potassium pur. 19. Biogaz affiné Pour la mise en œuvre du présent accord de coopération, le biogaz affiné peut être classé sous la rubrique 18 de la partie 2 de l’annexe I lorsqu’il a été traité conformément aux normes applicables en matière de biogaz purifié et affiné, en assurant une qualité équivalente à celle du gaz naturel, y compris pour ce qui est de la teneur en méthane, et qu’il a une teneur maximale de 1 % en oxygène. 20. Polychlorodibenzofuranes et polychlorodibenzodioxines Les quantités de polychlorodibenzofuranes et de polychlorodibenzodioxines se calculent à l’aide des facteurs d’équivalence toxique (TEF) suivants : TEF - OMS 2005 2,3,7,8-TCDD 1 2,3,7,8-TCDF 0,1 1,2,3,7,8-PeDD 1 2,3,4,7,8-PeCDF 0,3 1,2,3,7,8-PeCDF 0,03 1,2,3,4,7,8-HxCDD 0,1 1,2,3,6,7,8-HxCDD 0,1 1,2,3,4,7,8-HxCDF 0,1 1,2,3,7,8,9-HxCDD 0,1 1,2,3,7,8,9-HxCDF 0,1 1,2,3,6,7,8-HxCDF 0,1 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 0,01 2,3,4,6,7,8-HxCDF 0,1 OCDD 0,0003 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 0,01 1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 0,01 OCDF 0,0003 (T = tetra, P = penta, Hx = hexa, Hp = hepta, O = octa) Référence - Van den Berg et al.: The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds 27025BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 21. Dans les cas où cette substance dangereuse relève également de la rubrique P5a liquides inflammables ou P5b liquides inflammables, les quantités seuils les plus faibles s’appliquent aux fins du présent accord de coopération. Notes (1) Des orientations plus précises sur les dispenses d’essais sont fournies dans la description de la méthode A.14; voir le règlement (CE) n° 440/2008 de la Commission du 30 mai 2008 établissant des méthodes d’essai conformément au règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil concernant l’enregistrement, l’évaluation et l’autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH) (2) Une teneur en azote de 15,75 % en poids due au nitrate d’ammonium correspond à 45 % de nitrate d’ammonium. (3) Une teneur en azote de 24,5 % en poids due au nitrate d’ammonium correspond à 70 % de nitrate d’ammonium. (4) Une teneur en azote de 28 % en poids due au nitrate d’ammonium correspond à 80 % de nitrate d’ammonium Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT Annexe 2 Informations visées à l’article 6, § 4, et à l’article 8, § 1, relatives au système de gestion de la sécurité et à l’organisation de l’établissement en vue de la prévention des accidents majeurs Pour la mise en œuvre du système de gestion de la sécurité élaboré, l’exploitant tient compte des éléments suivants : 1. Le système de gestion de la sécurité englobe la partie du système général de gestion de l’établissement qui contient la structure organisationnelle, les responsabilités, les pratiques, les procédures, les procédés et les ressources qui permettent de déterminer et de mettre en œuvre la politique de prévention des accidents majeurs, en tenant compte des meilleures pratiques disponibles. 2. Les éléments et activités suivants sont à prendre en considération dans le système de gestion de la sécurité et dans les procédures définissant comment ces éléments et activités sont élaborés, adoptés et mis en œuvre au sein de l’entreprise : i) l’organisation et le personnel : a) les rôles et responsabilités du personnel impliqué dans la gestion des risques d’accidents majeurs à tous les niveaux de l’organisation; b) les mesures prises pour sensibiliser à la nécessité d’une amélioration permanente; c) l’identification des besoins en formation du personnel et l’organisation de cette formation; d) la collaboration avec les tiers pour des activités importantes du point de vue de la sécurité; e) l’implication du personnel de l’entreprise, ainsi que de celui de ces tiers. ii) l’identification et l’évaluation des dangers d’accidents majeurs : a) l’identification systématique des dangers d’accidents majeurs pouvant survenir dans des conditions de fonctionnement normales ou anormales, y compris, s’il y a lieu, lors d’activités effectuées par des tiers; b) l’évaluation des risques associés à ces dangers; c) la définition et l’implémentation de mesures permettant de maîtriser ces risques. iii) la maîtrise de la conception : 27026 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE a) la conception d’installations et de procédés; b) la planification et la réalisation de modifications aux installations et procédés existants; iv) le contrôle opérationnel : a) la sécurité d’exploitation des installations en toutes circonstances, par exemple, en fonctionnement normal, mais aussi au démarrage, lors d’arrêts temporaires ou lors des entretiens; b) la gestion des alarmes; c) l’assurance de l’état et du fonctionnement correct des mesures mises en place pour gérer le risque d’accidents majeurs, en ce compris : — la définition et la mise en œuvre de la stratégie et de la méthodologie pour le suivi et le contrôle du bon état et du fonctionnement correct de ces mesures; — la définition et la mise en œuvre des contre-mesures nécessaires en cas de non-conformité; d) le contrôle des risques d’accidents majeurs consécutifs aux dégradations des équipements, tels que le vieillissement ou la corrosion, en ce compris : — l’inventaire des équipements concernés; — l’inventaire des phénomènes de dégradation possibles; — la définition et la mise en œuvre de la stratégie et de la méthodologie de suivi et de contrôle de l’état de ces équipements; — la définition et la mise en œuvre des actions à entreprendre, sur base de ce suivi et de ce contrôle, pour préserver le bon état des équipements, telles que réparation ou remplacement d’équipements, ou encore adaptation des conditions de travail; v) la planification d’urgence : a) l’identification systématique des situations d’urgence prévisibles ; b) l’élaboration, test, révision et mise à jour d’un plan d’urgence interne pour ces situations d’urgence; c) l’organisation d’une formation spécifique à tout le personnel concerné travaillant dans l’établissement, en ce compris les tiers; vi) l’enquête sur les accidents et incidents : a) la déclaration et enregistrement des accidents majeurs et des incidents, en particulier des incidents au cours desquels les mesures en place ont fait défaut; b) l’analyse de ces accidents et incidents; c) l’élaboration et mise en œuvre de mesures correctrices pour éviter la répétition de ces accidents et incidents; vii) l’audit et la révision : a) l’évaluation permanente du respect des objectifs de la prévention des accidents majeurs et du système de gestion de la sécurité, ainsi que l’introduction de mécanismes d’enquête et de correction en cas de non-conformité; cela peut comprendre des indicateurs de performance, tels que des indicateurs de performance de sécurité ou d’autres indicateurs pertinents; b) l’évaluation systématique et périodique de l’adéquation et de l’efficacité de la politique de prévention des accidents majeurs et du système de gestion de la sécurité; cela inclut une évaluation documentée, effectuée par la direction, des résultats de la politique appliquée, du système de gestion de la sécurité et des ajustements qui en découlent, y compris prise en considération et intégration des modifications nécessaires qui résultent de l’audit et la révision. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT 27027BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Annexe 3 Données et informations minimales à prendre en considération dans le rapport de sécurité prévu à l’article 8 1. Informations sur le système de gestion et l’organisation de l’établissement en vue de la prévention des accidents majeurs. Ces informations doivent couvrir les éléments contenus dans l’annexe 2. 2. Présentation du voisinage de l’établissement : a) description du site et de son voisinage comprenant la situation géographique, les données météorologiques, géologiques, hydrographiques et, le cas échéant, son historique; b) identification des installations et autres activités au sein de l’établissement qui peuvent présenter un danger d’accident majeur; c) sur la base des informations disponibles, recensement des établissements voisins, ainsi que des sites non couverts par le présent accord de coopération, zones et aménagements susceptibles d’être à l’origine, ou d’accroître le risque ou les conséquences d’un accident majeur et d’effets domino; d) description des zones susceptibles d’être affectées par un accident majeur. 3. Description de l’installation : a) description des principales activités et productions des parties de l’établissement qui sont importantes du point de vue de la sécurité, des sources de risque d’accidents majeurs et des conditions dans lesquelles cet accident majeur pourrait intervenir, accompagnée d’une description des mesures préventives prévues; b) description des procédés, notamment les modes opératoires, en tenant compte, le cas échéant, des informations disponibles sur les meilleures pratiques; c) description des substances dangereuses : i. inventaire des substances dangereuses : — l’identification des substances dangereuses : désignation chimique, numéro CAS, le nom selon la nomenclature IUPAC, — la quantité maximale de la (des) substance(s) présente(s) ou qui peut (peuvent) être présente(s), ii. caractéristiques physiques, chimiques et toxicologiques et indication des dangers, aussi bien immédiats que différés pour la santé humaine ou l’environnement, iii. comportement physique ou chimique dans des conditions normales d’utilisation ou dans des conditions accidentelles prévisibles. 4. Identification et analyse des risques d’accident et moyens de prévention : a) description détaillée des scénarios d’accidents majeurs possibles et des conditions d’occurrence comprenant le résumé des événements pouvant jouer un rôle dans le déclenchement de chacun de ces scénarios, que les causes soient d’origine interne ou externe à l’installation; en particulier, que les causes soient : i. opérationnelles; ii. externes, par exemple par effets domino ou du fait de sites non couverts par le présent accord de coopération, zones et aménagements, susceptibles d’être à l’origine, ou d’accroître le risque ou les conséquences d’un accident majeur; iii. naturelles, par exemple séismes ou inondations. b) évaluation de l’étendue et de la gravité des conséquences des accidents majeurs identifiés, y compris cartes, images ou, le cas échéant, descriptions équivalentes faisant apparaître les zones susceptibles d’être affectées par des tels accidents impliquant l’établissement; c) inventaire des accidents et incidents passés impliquant les mêmes substances et les mêmes procédés, examen des enseignements tirés de ces événements et référence explicite à des mesures spécifiques prises pour éviter ces accidents; d) description des paramètres techniques et équipements installés pour la sécurité des installations. 5. Mesures de protection et d’intervention pour limiter les conséquences d’un accident majeur : a) description des équipements mis en place dans l’installation pour limiter les conséquences des accidents majeurs pour la santé humaine et l’environnement, y compris les dispositifs visant à limiter l’ampleur et la dispersion des rejets accidentels, tels que les systèmes de détection, les vannes d’arrêt, les systèmes de collecte d’urgence, les systèmes de rétention des eaux d’incendie, les dispositifs de pulvérisation d’eau, les écrans de vapeur; b) organisation de l’alerte et de l’intervention; c) description des moyens mobilisables internes ou externes; 27028 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE d) description de toute mesure technique et non technique utile pour la réduction des conséquences d’un accident majeur. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT Annexe 4 Données et informations devant figurer dans les plans d’urgence prévus aux articles 11 et 13 1° Plans d’urgence internes : a) Nom ou fonction des personnes habilitées à déclencher les procédures du plan d’urgence interne et de la personne responsable de l’intervention à l’intérieur de l’établissement et de la coordination des mesures d’intervention; b) Nom ou fonction du responsable des liaisons avec l’autorité responsable du plan d’urgence externe; c) Pour chaque situation ou événement prévisible qui pourrait jouer un rôle déterminant dans le déclenchement d’un accident majeur, description des mesures à prendre pour maîtriser cette situation ou cet événement et pour en limiter les conséquences, cette description devant s’étendre à l’équipement de sécurité et aux ressources disponibles; d) Mesures visant à limiter les risques pour les personnes se trouvant à l’intérieur de l’établissement, y compris système d’alerte et conduite à tenir lors du déclenchement de l’alerte; e) Dispositions prises pour que, en cas d’incident, l’autorité responsable du déclenchement du plan d’urgence externe soit informée rapidement, type d’informations à fournir immédiatement et mesures concernant la communication d’informations plus détaillées au fur et à mesure qu’elles deviennent disponibles; f) Dispositions prises pour former le personnel aux tâches dont il sera censé s’acquitter et, le cas échéant, coordination de cette action avec les services d’intervention externes; g) Dispositions visant à soutenir l’intervention en dehors de l’établissement. 2° Plans d’urgence externes : a) Nom ou fonction des personnes habilitées à déclencher les procédures du plan d’urgence externe et des personnes habilitées à diriger et à coordonner les mesures prises en dehors de l’établissement; b) Dispositions prises pour être informé rapidement d’incidents éventuels, notamment les procédures d’alerte; c) Dispositions visant à coordonner les moyens nécessaires à la mise en œuvre du plan d’urgence externe; d) Dispositions visant à soutenir l’intervention à l’intérieur de l’établissement; 27029BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE e) Dispositions concernant l’intervention en dehors de l’établissement, dans le cadre de la réponse aux scénarios d’accidents majeurs retenus dans le plan d’urgence externe sur la base du rapport de sécurité, et compte tenu d’éventuels effets domino; f) Dispositions visant à fournir à toutes les personnes, à tous les bâtiments et zones fréquentés par le public, y compris les écoles et les hôpitaux, et à tout établissement voisin et site voisin non couvert par le présent accord de coopération, susceptibles d’être touchés par un accident majeur, des informations spécifiques relatives à l’accident et à la conduite à tenir; g) Dispositions visant à assurer l’information des autorités compétentes des autres Etats membres en cas d’accident majeur pouvant avoir des conséquences au-delà des frontières. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT Annexe 5 Critères pour la notification d’un accident à la Commission européenne prévue à l’article 19, § 1er I. Tout accident majeur relevant du point 1 ou ayant au moins l’une des conséquences décrites aux points 2, 3, 4 ou 5 est notifié à la Commission européenne. 1. Substances dangereuses en cause Tout feu ou explosion ou rejet accidentel de substances dangereuses impliquant une quantité au moins égale à 5% de la quantité seuil indiquée dans la colonne 3 de la partie 1 ou de la partie 2 de l’annexe 1. 2. Atteintes aux personnes ou aux biens a) un mort; b) six personnes blessées à l’intérieur de l’établissement et hospitalisées pendant au moins 24 heures; c) une personne située à l’extérieur de l’établissement hospitalisée pendant au moins 24 heures; d) logement(s) extérieur(s) à l’établissement endommagé(s) et indisponible(s) du fait de l’accident; e) l’évacuation ou le confinement de personnes pendant plus de 2 heures (personnes x heures) : la valeur est au moins égale à 500; f) l’interruption des services d’eau potable, d’électricité, de gaz ou du trafic téléphonique pendant plus de 2 heures (personnes x heures) : la valeur est au moins égale à 1.000. 27030 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE 3. Atteintes immédiates à l’environnement a) dommages permanents ou à long terme causés aux habitats terrestres : — 0,5 hectare ou plus d’un habitat important du point de vue de l’environnement ou de la conservation et protégé par la législation; — 10 hectares ou plus d’un habitat plus étendu, y compris terres agricoles; b) dommages significatifs ou à long terme causés à des habitats d’eau de surface ou à des habitats marins : — 10 kilomètres ou plus d’un fleuve, d’un canal ou d’une rivière; — 1 hectare ou plus d’un lac ou d’un étang; — 2 hectares ou plus d’un delta; — 2 hectares ou plus d’une zone côtière ou de la mer; c) dommages significatifs causés à une couche aquifère ou à l’eau souterraine : — 1 hectare ou plus. 4. Dommages matériels a) dommages matériels dans l’établissement : à partir de 2 000 000 euros; b) dommages matériels à l’extérieur de l’établissement : à partir de 500 000 euros. 5. Dommages transfrontières Tout accident majeur impliquant directement une substance dangereuse à l’origine d’effets à l’extérieur du territoire belge. II. Les accidents et quasi-accidents qui, de l’avis du service compétent, présentent un intérêt technique particulier pour la prévention des accidents majeurs et pour la limitation des conséquences de ceux-ci et qui ne répondent pas aux critères quantitatifs cités ci-dessus, sont notifiés à la Commission européenne. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT 27031BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Annexe 6 Eléments d’information à communiquer au public en application de l’article 20 PARTIE 1 Pour tous les établissements : 1. Le nom ou la dénomination sociale de l’exploitant et l’adresse complète de l’établissement concerné; 2. La confirmation du fait que l’établissement est soumis aux dispositions réglementaires et/ou administratives d’application du présent accord de coopération et que la notification prévue à l’article 7, paragraphe 1er, ou le rapport de sécurité prévu à l’article 8, paragraphe 1er, a été transmis(e) à l’autorité compétente; 3. Une explication, donnée en termes simples, de la ou des activités de l’établissement; 4. La dénomination commune ou, dans le cas de substances dangereuses relevant de l’annexe I, partie 1, le nom générique ou la catégorie de danger des substances dangereuses concernées se trouvant dans l’établissement qui pourraient donner lieu à un accident majeur, avec indication de leurs principales caractéristiques dangereuses dans des termes simples; 5. Des informations générales sur la façon dont le public concerné sera averti, si nécessaire; des informations adéquates sur le comportement approprié à adopter en cas d’accident majeur ou l’indication de l’endroit où ces informations peuvent être consultées électroniquement; 6. La date de la dernière visite sur site conformément à l’article 33, paragraphe 3, ou la référence à l’endroit où cette information peut être consultée électroniquement; des informations sur l’endroit où il est possible d’obtenir, sur demande, des informations plus détaillées sur le contrôle et le plan d’inspection qui y est lié, sous réserve des motifs d’exception visés par la législation concernant l’accès du public à l’information en matière d’environnement; 7. Les précisions relatives aux modalités d’obtention de toute autre information pertinente, sous réserve des motifs d’exception visés par la législation concernant l’accès du public à l’information en matière d’environnement. PARTIE 2 Pour les établissements seuil haut, outre les informations visées à la partie 1 : 1. Des informations générales relatives à la nature des dangers liés aux accident majeurs, y compris leurs effets potentiels sur la santé humaine et l’environnement et un résumé des principaux types de scénarios d’accidents majeurs et des mesures de maîtrise des dangers permettant d’y faire face; 2. La confirmation de l’obligation qui est faite à l’exploitant de prendre des mesures adéquates à l’intérieur de l’établissement et de prendre contact avec les services d’intervention pour faire face à des accidents majeurs et en limiter le plus possible les effets; 3. Des informations adéquates sur le plan d’urgence externe établi pour lutter contre les éventuels effets en dehors de l’établissement d’un accident, y compris l’invitation à suivre les instructions ou consignes et de répondre aux demandes des services d’intervention en cas d’accident; 4. Le cas échéant, des informations indiquant si l’établissement se trouve à proximité du territoire d’un autre Etat membre susceptible de subir les effets transfrontaliers d’un accident majeur conformément à la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, faite à Helsinki le 17 mars 1992. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT 27032 BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE Annexe 7 Précisions quant aux modalités de la coordination visée à l’article 32, § 2 La coordination visée à l’article 32, § 2, comprend les tâches suivantes : 1° organiser la concertation entre les différentes équipes d’inspection, en vue d’organiser un système d’inspections visé à l’article 33 et d’établir un plan d’inspection visé à l’article 33, § 2, et ce, de manière cohérente sur l’ensemble du Royaume; 2° organiser la concertation au sein de chaque équipe d’inspection, en vue d’établir pour les établissements situés sur le territoire de la région concernée les programmes pour les contrôles de routine visés à l’article 33, § 3, et d’évaluer et d’actualiser les programmes de façon régulière; 3° assurer l’organisation des contrôles conjoints visés à l’article 33, § 3; 4° permettre l’échange d’informations sur des expériences pertinentes en matière d’inspection, sur de nouveaux développements sur le plan des techniques d’inspection et sur toute autre information utile pour l’exécution des missions d’inspection; 5° informer le service de coordination sur des faits constatés, sur les conclusions tirées des analyses des accidents ou d’autres nouvelles optiques, lorsque ceux-ci peuvent exiger, après avis commun des services d’inspection, une révision ou une mise à jour du rapport de sécurité, conformément à l’article 8, § 6; 6° établir des accords pratiques au sein des équipes d’inspection pour l’exécution des tâches visées à l’article 18, § 2, en cas d’accident majeur; 7° assurer le rapportage à la Commission européenne des accidents majeurs, conformément à l’article 19, § 1 et § 2; 8° organiser une concertation lorsqu’un service d’inspection estime que les mesures prises par l’exploitant pour prévenir les accidents majeurs ou pour limiter les conséquences sont nettement insuffisantes; 9° organiser toutes autres actions convenues de commun accord par les services d’inspection. Fait à Bruxelles, le 16 février 2016, en un exemplaire original. Pour l’Etat fédéral : Le Premier Ministre, Ch. MICHEL Le Ministre de l’Emploi et de l’Economie, K. PEETERS Le Ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, J. JAMBON La Ministre de l’Environnement, Mme. M.-C. MARGHEM Pour la Région flamande : Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, Mme. J. SCHAUVLIEGE Pour la Région wallonne : Le Ministre-Président du Gouvernement wallon, P. MAGNETTE Le Ministre wallon de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, C. DI ANTONIO Pour la Région de Bruxelles-Capitale : Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé du Développement territorial, R. VERVOORT La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargée de l’Environnement, Mme. C. FREMAULT 27033BELGISCH STAATSBLAD — 20.04.2016 − Ed. 3 — MONITEUR BELGE