跳到主要内容
Nelum
库拉索的法律

Decree concerning rules for the prevention of pollution caused by ships

颁布于 1993-11-03 · 文本截至 2026-10-01

以研究形式发布的公开法律与官方指引,不构成法律、税务或金融建议。

研究内容本身以英文撰写。标题和标签已翻译,调查结果和引文未翻译。

关于这部法律

原标题
Landsverordening van de 3de november 1993 houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen).
语言
Dutch
类型
法令
国家
库拉索
主题
Sea, Environment
关键词
marine pollution, pollution control, liability/compensation, enforcement/compliance, legal proceedings/administrative proceedings, international agreement-implementation

在哪里阅读

    该法律没有记录来源链接。

文本

所收录的法律原文,按条款排列。每个条款都有自己的链接。

  1. PUBLICATIEBLAD A° 1993 N° 108 LANDSVERORDENING van de 3de november 1993 houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen) IN NAAM DER KONINGIN! DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, In overweging genomen hebbende: dat het noodzakelijk is in verband met de bekrachtiging van het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen met Protocollen en Bijlagen met Aanhangels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), zoals gewijzigd bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188), regelen vast te stellen teneinde uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van dit Verdrag, het Protocol en de latere wijzigingen; Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg der Staten, vastgesteld onderstaande landsverordening: INHOUD PREAMBULE HOOFDSTUK I BEGRIPSOMSCHRIJVING. art. 1 HOOFDSTUK II TOEPASSING. art. 2 t/m art. 5 HOOFDSTUK III ALGEMENE BEPALINGEN. §1- Lozingsverbod en voorzieningen art. 6 t/m art. 7 §2- Regelen voor schepen art. 8 t/m art. 12 §3- Verplichtingen van de kapitein art. 13 en art. 14 §4- Verlaten van een haven art. 15 HOOFDSTUK IV TOEZICHT EN AANHOUDING. §1- Toezicht art. 16 t/m art. 21 §2- Aanhouding art. 22 t/m art. 28 §2- Aanhouding art. 22 t/m art. 28 HOOFDSTUK V VERDERE BEPALINGEN. §1- Bezwaar art. 29 en art. 30 §2- Onderzoek van voorvallen art. 31 §3- Medewerking en geheimhouding art. 32 t/m art. 35 §4- Ontheffing art. 36 en art. 37 HOOFDSTUK VI STRAFBEPALINGEN EN BORGSOM art. 38 t/m art. 40 HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN. art. 41 t/m art. 44. HOOFDSTUK I - BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#1#1 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#1#1 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#1#1 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#2#2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#2#2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#2#2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3b#3b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3b#3b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3d#3d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3d#3d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4b#4b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4b#4b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5b#5b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5b#5b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5c#5c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5c#5c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5d#5d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5d#5d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#6#6 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#6#6 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#6#6 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 Artikel 1 In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. minister : de Minister van Verkeer en Vervoer; b. hoofd van de Scheepvaartinspectie : de inspecteur voor de scheepvaart, bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening van de 25ste Juni 1953 tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, werkzaam in het district de Nederlandse Antillen (P.B. 1953, no. 107); c. ambtenaar van de Scheepvaartinspectie : een ambtenaar bij de Scheepvaartinspectie als be-doeld in artikel 1 van de in onderdeel b genoemde landsverordening; d. Verdrag : het op 2 november 1973 te Londen tot stand geko-men Internationaal Verdrag ter voorkoming van ver-ontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188); e. territoriale wateren van de Nederlandse Antillen : de territoriale zee van de Nederlandse Antillen en de wateren die daarmee in verbinding staan, niet zijnde de volle zee. f. schip : elk vaartuig, van welk type ook, waaronder begrepen draagvleugelboten, luchtkussenvoertuigen, af- zinkbare vaartuigen en drijvend materieel, alsmede installaties gedurende de tijd dat zij drijven, of wanneer het schip als hierboven bedoeld boven de zeebodem is geplaatst voor het instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen of voor het winnen daarvan; g. Nederlands-Antilliaans schip : een schip in de zin van artikel 3 van hetCuraçaosch Zeebrievenbesluit (P.B. 1933, no. 41) en schepen waarvan de bruto-inhoud minder dan 20 kubieke meter of het bruto tonnage minder dan 6 bedraagt die zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 5 van de Vaartuigenlandsveror-dening (P.B. 1930, no. 72); h. buitenlands schip : een schip dat geen Nederlands-Antilliaans schip is; i. schadelijke stof : een stof die, indien zij in zee terecht komt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan het mariene milieu, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee en die vermeld is in het Verdrag; j. lozen : elk vrijkomen van stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, waaronder begrepen ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, weglekken, pompen of ledigen; k. voorval : een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat in zee of in de ter-ritoriale wateren van de Nederlandse Antillen een schadelijke stof wordt geloosd; l. haven : een rede, pier, steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kun nen hebben of waar opvarenden en zaken inge-scheept of ontscheept kunnen worden; m. eigenaar degene aan wie het schip in eigendom toebehoort of, met betrekking tot een teboekgesteld schip, degene die in het register als eigenaar van het schip staat ingeschreven. HOOFDSTUK II - TOEPASSING Artikel 2 Het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde is, tenzij in artikelen van deze lands-verordening uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op Nederlands-Antilliaanse schepen. Artikel 3 Het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een staat ten tijde dat zij uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden. Artikel 4 Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van een of meer bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels en voorschriften worden uitgezonderd. Artikel 5 1. Een verplichting die ingevolge deze landsverordening rust op de eigenaar van een schip, rust tevens op de rompbevrachter van dat schip. 2. De rompbevrachter is de partij bij een overeenkomst tot exploitatie van een schip, de rompbevrachtingsovereenkomst, jegens wie de wederpartij, de rompvervrachter, zich ver bindt een zeeschip zonder bemanning voor een bepaalde tijd ter beschikking te stellen, zonder daarover nog enige zeggenschap te houden. HOOFDSTUK III - ALGEMENE BEPALINGEN §1. Lozingsverbod en voorzieningen Artikel 6 1. Het is verboden vanaf een schip een schadelijke stof in zee te lozen behoudens in de gevallen en op de wijze vastgegesteld in het Verdrag. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op buitenlandse schepen gedurende de tijd dat deze zich in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen bevinden. Artikel 7 1. De beheerders,of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen havens zijn verplicht zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van schade lijke stoffen afkomstig van schepen waarop het lozingsverbod, bedoeld in artikel 6, van toepassing is, zodanig dat onnodig oponthoud aan deze schepen wordt voorkomen. 2. De beheerders, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van de havens zijn ter uitvoering van de hun in het eerste lid opgelegde verplichting bevoegd regels te geven krachtens welke de beheerders van bepaalde los- en laadplaatsen en scheepsreparatiewer ven in hun havens worden verplicht zorg te dragen voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, voor zover schepen gebruik maken van die los- en laadplaatsen of scheeps reparatiewerven. 3. De kosten verbonden aan het in ontvangst nemen, opslaan en verwerken van restanten van schadelijke stoffen, afgegeven door schepen als bedoeld in het eerste lid, worden verhaald op degenen die deze restanten afgeven. 4. Bij of krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit, worden nadere regels gegeven ter uitvoering van dit artikel. 5. De afgifte bedoeld in het eerste lid mag niet anders geschieden dan op een wijze aange geven bij of krachtens dat landsbesluit. §2. Regelen voor schepen Artikel 8 Een schip dient te voldoen aan de eisen die in het Verdrag zijn gesteld voor de bouw, de inrichting en uitrusting van een schip ter voorkoming dan wel beperking van het lozen van schadelijke stoffen. Artikel 9 1. Aan een schip, dat na een onderzoek genoegzaam blijkt te voldoen aan de in artikel 8 bedoelde eisen, wordt ten blijke daarvan een certificaat afgegeven. 2. De minister stelt het model van het certificaat vast. 3. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt onder meer vastgesteld: a. aan welke onderzoeken schepen ter verkrijging van het certificaat of tijdens de geldigheidsduur daarvan zijn onderworpen, alsmede de wijze en inhoud van die onderzoeken; b. de aanvraag tot het verkrijgen van het certificaat en de daarbij over te leggen bescheiden; c. de geldigheidsduur van het certificaat en de verlenging daarvan. Artikel 10 1. Certificaten worden afgegeven door of namens het hoofd van de Scheepvaartinspectie. 2. Met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 9, derde lid, onderdeel a, zijn belast, de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie. Daarnaast kan de minister deze taken of onderdelen daarvan aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen opdragen. 3. Ten aanzien van het verrichten van onderzoek kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels worden gegeven. Artikel 11 1. Certificaten vervallen, wanneer: a. het tijdvak waarvoor zij gelden, is verstreken; b. tijdens de geldigheidsduur daarvan, de verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden; c. het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen waaraan een dergelijk certificaat wordt verstrekt; d. het schip wordt verbouwd dan wel in de inrichting of de uitrusting van het schip ingrijpende wijzigingen worden aangebracht; e. het schip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvraag nieuwe certificaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak waarvoor de vervallen certificaten hebben gegolden; of f. het schip een buitenlands schip wordt. 2. Certificaten kunnen door de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie worden ingetrokken, wanneer blijkt dat de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate afwijkt van de gegevens die op het certificaat zijn vermeld. 3. Het vervallen of ingetrokken certificaat dient door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie te worden gezonden. Artikel 12 Aan boord van een schip dienen de voorschriften te worden nageleefd, die in het Verdrag zijn gegeven met betrekking tot: a. de aanwezigheid van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen; b. de stuwage, de wijze van verpakking en de etikettering van schadelijke stoffen alsmede de daarop betrekking hebbende ladingdocumenten; c. de aanwezigheid en hoedanigheid van meet- en registratieapparatuur, alsmede het gebruik daarvan; en d. het verrichten van handelingen met betrekking tot schadelijke stoffen en restanten daarvan alsmede de daarmee verband houdende bedrijfsvoering. §3. Verplichtingen van de kapitein Artikel 13 1. De kapitein van een schip waarop ingevolge het Verdrag aan boord een journaal dient te worden bijgehouden, draagt zorg dat de ingevolge het Verdrag vereiste aantekeningen worden gemaakt in het journaal en het journaal wordt bewaard zoals voorgeschreven in het Verdrag. 2. De kapitein van een schip waarop ingevolge het Verdrag aan boord een journaal dient te worden bijgehouden, is verplicht de autoriteiten, bedoeld in artikel 16, op hun verzoek inzage in het journaal te verlenen en dient hen toe te staan van elke in het journaal geplaatste aantekening een eensluidend afschrift te maken. Desgevraagd dient de kapitein het afschrift voor eensluidend te waarmerken. 3. Elk aldus vervaardigd en voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een aantekening in het journaal zal in een gerechtelijke procedure in de Nederlandse Antillen als bewijs van de feiten, vermeld in de aantekening, worden toegelaten. 4. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse schepen die zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevinden. Artikel 14 1. De kapitein van een schip is verplicht een voorval in de gevallen waarin het Verdrag voorziet, onverwijld te melden aan de autoriteiten van de dichtsbijzijnde kuststaat. 2. De kapitein is verplicht een voorval als bedoeld in het eerste lid te melden op de wijze, voorgeschreven in Protocol I bij het Verdrag. 3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden ook ten aanzien van een buitenlands schip, indien het voorval plaatsvindt in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen. 4. De minister wijst de autoriteiten aan, aan wie een voorval moet worden gemeld indien de Nederlandse Antillen de dichtstbijzijnde kuststaat zijn. 5. De autoriteiten aan wie krachtens het vierde lid een voorval wordt gemeld, dienen de Scheepvaartinspectie, het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de diensten belast met milieuzorg van de betrokken eilandgebieden onverwijld op de hoogte te stellen. §4. Verlaten van een haven Artikel 15 1. Het is verboden met een schip dat ingevolge het Verdrag voorzien moet zijn van een gel-dig certificaat, een haven te verlaten zonder dat bedoeld certificaat aan boord is 2. Het is verboden met een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag voorzien moet zijn van een geldig certificaat, een Nederlands-Antilliaanse haven te verlaten, zonder dat bedoeld certificaat aan boord is. HOOFDSTUK IV - TOEZICHT EN AANHOUDING §1. Toezicht. Artikel 16 1. De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde. Zij oefenen hun taak overal ter wereld uit.D 2. De minister kan voor bepaalde door hem aan te wijzen taken verband houdende met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, ambtenaren van andere diensten ter beschikking van de Scheepvaartinspectie stellen. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft res sorterende onder een ander ministerie dan dat van de minister, wordt het desbetreffende besluit genomen door de minister in overeenstemming met de minister van het andere ministerie. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft ressorterende onder het bestuurscollege van een eilandgebied, dan wordt het desbetreffende besluit genomen door de minister in overeenstemming met het betreffende bestuurscollege. 3. Een krachtens het tweede lid vastgesteld besluit wordt in de Curaçaosche Courant gepubliceerd. 4. De minister kan regels geven betreffende de taakuitoefening van de in dit artikel bedoelde ambtenaren. Artikel 17 1. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de ver-vulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd schepen en andere plaatsen te betreden. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen van daartoe door hen aangewezen personen. Zonodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm. 2. Indien het schip of de andere plaats mede een woning omvat, of alleen toegankelijk is door een woning, treden de in artikel 16 bedoelde ambtenaren niet binnen zonder toestemming van de bewoner, tenzij op vertoon van een bijzondere schriftelijke last van een officier van justitie of een hulp-officier van justitie. 3. Van dit binnentreden zonder toestemming van de bewoner wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vierentwintig uren aan de bewoner, in afschrift wordt medegedeeld. In dit proces-verbaal wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt. 4. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd inzage te verlangen en afschrift te nemen van bescheiden die betrekking hebben op de fabricage, het vervoer, de opslag en de lozing van schadelijke stoffen, alsmede de hiermee verband houdende documenten. 5. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd stoffen die zij aantreffen op plaatsen waar zij ingevolge het eerste lid toegang hebben aan een onderzoek te onderwerpen of te doen onderwerpen en daarvan monsters te nemen of te doen nemen. Artikel 18 De kapitein is verplicht de in artikel 16 bedoelde ambtenaren desgevraagd behoorlijke en veilige toegang tot het schip en zijn ruimten te verschaffen. Voorts stelt de kapitein op een daartoe strekkend verzoek van een zodanige ambtenaar, alle personele middelen en hulp-middelen ter beschikking, welke naar het oordeel van de ambtenaar redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek aan boord. Artikel 19 Het bepaalde in de artikelen 17 en 18 is eveneens van toepassing ten aanzien van een buitenlands schip dat zich bevindt: a. in een Nederlands-Antilliaanse haven of; b. in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen, op weg naar of komende vanuit een Nederlands-Antilliaanse haven. Artikel 20 1. Een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag een certificaat behoeft kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan controle door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, teneinde na te gaan of het schip is voorzien van een geldig certificaat. 2. Indien een in het eerste lid bedoeld schip niet is voorzien van een geldig certificaat of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de bouw, inrichting of uitrusting van het schip niet in overeenstemming is met de gegevens van het certificaat, kan het schip worden onderworpen aan een nader onderzoek. 3. Een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft of een buiten-lands schip dat de vlag voert van een Staat die geen partij is bij het Verdrag, kan in een Nederlands Antilliaanse haven worden onderworpen aan controle door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie teneinde na te gaan of het schip zonder gevaar voor veront-reiniging van het mariene milieu naar zee kan vertrekken. 4. Een buitenlands schip kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan een controle door een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 teneinde na te gaan of voldaan wordt aan het in artikel 12 bepaalde. Artikel 21 Een buitenlands schip kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan een onderzoek door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, teneinde na te gaan of in strijd met het Verdrag schadelijke stoffen zijn geloosd in zee of in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen. §2. Aanhouding Artikel 22 Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden: a. indien het schip niet is voorzien van de ingevolge het Verdrag vereiste certificaten; b. indien het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen; c. indien met betrekking tot het schip niet wordt voldaan aan het in artikel 12 bepaalde; d. waar het een schip betreft dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft, indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor ver-ontreiniging van het mariene milieu; of e. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak. Artikel 23 1. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip, dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt en dat de vlag voert van een Staat die partij is bij het Verdrag, aan te houden: a. indien het schip niet is voorzien van alle ingevolge het Verdrag vereiste, geldige certificaten; b. indien het schip in belangrijke mate niet voldoet aan de eisen, gesteld ter verkrijging van een certificaat; c. waar het een schip betreft dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft, indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu; d. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak; of e. indien daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde autoriteiten van de vlagge staat van dit schip wegens een overtreding van de in die staat ter uitvoering van het Verdrag gestelde wettelijke regelen. 2. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip, dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt en dat de vlag voert van een Staat die geen partij is bij het Verdrag, aan te houden: a. indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu; of b. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak. 3. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt, aan te houden indien met betrekking tot het schip niet wordt voldaan aan het in artikel 12 bepaalde. Artikel 24 1. De aanhouding geschiedt door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie door middel van overhandiging aan de kapitein van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving, waarin de reden van de aanhouding staat vermeld. Wanneer naar het oordeel van die ambtenaar overhandiging niet mogelijk is, geschiedt de aanhouding mondeling door een kennisgeving aan de naar zijn oordeel daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door overhandiging van de schriftelijke kennisgeving aan de kapitein. 2. De havenbeheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar van de haven, alsmede de naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in aanmerking komende diensten, worden onverwijld van het bevel tot aanhouding in kennis gesteld. Indien de aanhouding geschiedt omdat er gevaar bestaat dat het schip het mariene milieu verontreinigt, worden het Departement voor Volksgezondheid en Milieuhygiene en de Milieudienst van het betreffende eilandgebied ingelicht. Artikel 25 1. De kapitein van een aangehouden schip is verplicht zijn schip na de aanhouding ligplaats te doen nemen op de door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in overeen-stemming met de havenbeheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar van de haven, aan te wijzen plaats. 2. Zolang de aanhouding voortduurt, is het de kapitein verboden het schip te doen verplaatsen zonder voorafgaande toestemming van een ambtenaar van de Scheepvaart-inspectie. 3. Zonder deze toestemming weigeren alle betrokken ambtenaren hun medewerking bij het verplaatsen en het uitklaren van het schip. 4. Indien een schip in een buitenlandse haven door een bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van het Verdrag is aangehouden, is het de kapitein verboden de haven te verlaten. 5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt. Artikel 26 De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, zijn bevoegd ter uitvoering en handhaving van de aanhouding de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven. Artikel 27 1. Zodra er geen reden is de aanhouding langer te laten voortduren en de mogelijk op grond 2. van artikel 41 verschuldigde kosten zijn voldaan of de voldoening daarvan voldoende zeker is gesteld, heft de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, de aanhouding op. 3. Opheffing geschiedt door overhandiging aan de kapitein van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving. Op deze opheffing en kennisgeving is artikel 24 van overeenkomstige toepassing. Artikel 28 De artikelen 24, 26 en 27 zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt, met dien verstande dat van de aanhouding en de opheffing daarvan tevens de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger en, bij diens afwezigheid, de regering van de Staat waarvan het schip de vlag voert, onverwijld op de hoogte wordt gesteld. HOOFDSTUK V - VERDERE BEPALINGEN §1. Bezwaar Artikel 29 1. Degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een beslissing genomen krachtens deze landsverordening, kan daartegen een bezwaarschrift indienen bij de minister binnen 30 dagen na de dag waarop die beslissing is verzonden of uitgereikt aan degene tot wie zij is gericht. 2. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd zijn en gesteld in de Nederlandse of Engelse taal. 3. Het bezwaarschrift wordt schriftelijk, telegrafisch, per telex of per telefax ingediend. 4. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de werking van de beslissing niet, tenzij de minister anders bepaalt. Artikel 30 1. De minister beslist binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift. Alvorens hij een beslissing neemt, kan hij advies inwinnen bij de Commissie van Onderzoek, be-doeld in artikel 26bis van de Schepenwet (Stb. 1909, 219). Wat betreft de samenstelling, de bevoegdheden en de werkwijze van de Commissie bij de uitvoering van deze taak, als-mede de schadeloosstelling van door de Commissie gehoorde getuigen en deskundigen en van leden van de Commissie zelve, zijn de desbetreffende bepalingen van de Schepen-wet van toepassing. 2. Degene die het bezwaarschrift heeft ingediend kan de Commissie verzoeken te worden gehoord alvorens het advies wordt uitgebracht. 3. De minister kan zijn beslissing voor ten hoogste zestig dagen verdagen indien de Commissie van Onderzoek om advies is verzocht. 4. Een beslissing van de minister wordt schriftelijk aan betrokkene bekendgemaakt en is met redenen omkleed. §2. Onderzoek van voorvallen Artikel 31 1. Door of namens het hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt een onderzoek ingesteld naar voorvallen van betekenis, overkomen aan schepen, teneinde na te gaan of hieruit lering kan worden getrokken, dan wel of het wenselijk is regelen te stellen ter voorkoming van voorvallen. 2. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop een onderzoek naar een in het eerste lid bedoeld voorval wordt ingesteld. §3. Medewerking en geheimhouding Artikel 32 1. De minister kan organisaties of personen machtigen bepaalde door hem aangewezen werkzaamheden ter uitvoering van het bepaalde in deze landsverordening te verrichten. 2. Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt in de Curaçaosche Courant bekendgemaakt. Artikel 33 Een ieder die betrokken is bij de fabricage, de invoer, de opslag, het vervoer of het lozen van schadelijke stoffen is verplicht aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 16, alle medewerking te verlenen en inlichtingen te verstrekken die zij bij de uitvoering van de hun op grond van deze landsverordening opgedragen taak behoeven. Artikel 34 Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voorzover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van mede-werking weigeren, voor zover hun plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt. Artikel 35 Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschik-king krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, be-houdens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. §4. Ontheffing Artikel 36 In bijzondere gevallen kan het hoofd van de Scheepvaartinspectie aan een schip dat niet is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in artikel 15 ontheffing verlenen van het in dat artikel genoemde verbod: a. indien hem genoegzaam is gebleken dat het schip voldoet aan de voor de verkrijging van dat certificaat gestelde eisen; of b. indien het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van dat certificaat gestelde eisen, teneinde het in staat te stellen zich naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiehaven te begeven met het doel aldaar in het ontbrekende te voorzien. Artikel 37 1. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, ontheffing verlenen van de eisen, ingevolge het Verdrag gesteld aan de bouw, inrichting of uitrusting van een schip. 2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 3. Een gedraging in strijd met de in het tweede lid bedoelde beperkingen en voorschriften is verboden. HOOFDSTUK VI - STRAFBEPALINGEN EN BORGSOM Artikel 38 1. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 12, 14, eerste, tweede en derde lid, en 25, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, worden voor zover zij opzettelijk zijn begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste ¦. 1.000.000,--. 2. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 7, vierde lid, 11 derde lid, 12, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 15, 18, 19, 25, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 33 en 37, derde lid, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste ¦. 100.000, 3. De in het eerste lid strafbaar gestelde gedragingen zijn misdrijven en de in het tweede lid strafbaar gestelde gedragingen zijn overtredingen. Artikel 39 1. Bij vermoeden van overtreding van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6, 7, vierde lid, 12, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 15, 18, 19, 25, eerste, tweede en vijfde lid, 33 en 37, derde lid, kan aan de kapitein bevel worden gege-ven dat het schip een Nederlands-Antilliaanse haven of binnenwater niet zal verlaten dan nadat op een bij dat bevel aan te wijzen plaats een daarbij te bepalen geldsom is gestort, waarop terzake van die strafbare gedraging op te leggen geldboete zal kunnen worden verhaald. Het bevel wordt zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer gelegd. 2. Het in het eerste lid bedoelde bevel wordt op vordering van de Officier van Justitie gege-ven door de rechter voor wie de zaak wordt of zal worden vervolgd. De kapitein wordt vooraf gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar en wordt onverwijld aan de kapitein betekend. 3. Van het bevel of de beschikking tot afwijzing van de vordering kan de verdachte binnen drie dagen na de betekening en het Openbaar Ministerie binnen drie dagen nadat het be-vel of de beschikking is genomen, in beroep komen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. 4. Zodra het in de strafzaak gewezen vonnis onherroepelijk is geworden, wordt de gestorte geldsom wederom ter beschikking van de rechthebbende gesteld, nadat daarop een bij dat vonnis opgelegde geldboete in mindering is gebracht. Tot dat tijdstip en te rekenen van de dag dat de geldsom werd gestort, wordt over die som de wettelijke rente vergoed. Artikel 40 1. Indien een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedraging wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen uitgesproken hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat doelvermogen, hetzij tegen hen die tot de gedraging opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen hen gezamenlijk. 2. Een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedraging wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, indien zij begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde handelen in de sfeer van de rechts persoon, de vennootschap, de vereniging of doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk de strafbare gedraging hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van die gedraging aanwezig zijn. 3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze respectievelijk dit tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder of indien er meer bestuurders zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; hij kan alsdan mede-brenging gelasten. 4. Voor wat betreft de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedragingen worden rechtspersonen voor de toepassing van artikel 20 van het Wetboek van Straf vordering van de Nederlandse Antillen geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn. 5. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, geschieden de in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen voorgeschreven betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen of andere mededelingen aan de persoon of de woonplaats van de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, aan een van deze of op de plaats waar het bestuur zitting of kantoor houdt, behoudens, indien het een dagvaarding betreft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 130, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen. HOOFDSTUK VII - SLOTBEPALINGEN Artikel 41 Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de vergoedingen worden geregeld, verschuldigd door degenen, ten behoeve van wie: a. werkzaamheden of diensten door het Land zijn verricht; b. werkzaamheden of diensten zijn verricht door andere personen, aan wie op grond van deze landsverordening die werkzaamheden of diensten zijn overgedragen. Artikel 42 De Landsverordening voorkoming zeeverontreiniging door olie (P.B. 1959, no. 72) wordt ingetrokken. Artikel 43 Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip. Artikel 44 Deze landsverordening kan worden aangehaald als "Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen". Gegeven te Curaçao, 3 november 1993 J.M. SALEH De Minister van Verkeer en Vervoer, D.W.A. NISBETH De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, C.M. MARSERA Uitgegeven de 26ste november 1993 De Minister van Algemene Zaken, M.PH. LIBERIA-PETERS PUBLICATIEBLAD A° 1993 N° 108 LANDSVERORDENING van de 3de november 1993 houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen) IN NAAM DER KONINGIN! DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen, In overweging genomen hebbende: dat het noodzakelijk is in verband met de bekrachtiging van het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen met Protocollen en Bijlagen met Aanhangels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), zoals gewijzigd bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188), regelen vast te stellen teneinde uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van dit Verdrag, het Protocol en de latere wijzigingen; Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg der Staten, vastgesteld onderstaande landsverordening: INHOUD PREAMBULE HOOFDSTUK I BEGRIPSOMSCHRIJVING. art. 1 HOOFDSTUK II TOEPASSING. art. 2 t/m art. 5 HOOFDSTUK III ALGEMENE BEPALINGEN. §1- Lozingsverbod en voorzieningen art. 6 t/m art. 7 §2- Regelen voor schepen art. 8 t/m art. 12 §3- Verplichtingen van de kapitein art. 13 en art. 14 §4- Verlaten van een haven art. 15 HOOFDSTUK IV TOEZICHT EN AANHOUDING. §1- Toezicht art. 16 t/m art. 21 §2- Aanhouding art. 22 t/m art. 28 §2- Aanhouding art. 22 t/m art. 28 HOOFDSTUK V VERDERE BEPALINGEN. http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#1#1 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#1#1 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#1#1 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#2#2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#2#2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#2#2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3#3 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3b#3b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3b#3b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3d#3d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3d#3d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4#4 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4b#4b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#4b#4b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#3c#3c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 §1- Bezwaar art. 29 en art. 30 §2- Onderzoek van voorvallen art. 31 §3- Medewerking en geheimhouding art. 32 t/m art. 35 §4- Ontheffing art. 36 en art. 37 HOOFDSTUK VI STRAFBEPALINGEN EN BORGSOM art. 38 t/m art. 40 HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN. art. 41 t/m art. 44. HOOFDSTUK I - BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. minister : de Minister van Verkeer en Vervoer; b. hoofd van de Scheepvaartinspectie : de inspecteur voor de scheepvaart, bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening van de 25ste Juni 1953 tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, werkzaam in het district de Nederlandse Antillen (P.B. 1953, no. 107); c. ambtenaar van de Scheepvaartinspectie : een ambtenaar bij de Scheepvaartinspectie als be-doeld in artikel 1 van de in onderdeel b genoemde landsverordening; d. Verdrag : het op 2 november 1973 te Londen tot stand geko-men Internationaal Verdrag ter voorkoming van ver-ontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188); e. territoriale wateren van de Nederlandse Antillen : de territoriale zee van de Nederlandse Antillen en de wateren die daarmee in verbinding staan, niet zijnde de volle zee. f. schip : elk vaartuig, van welk type ook, waaronder begrepen draagvleugelboten, luchtkussenvoertuigen, af- zinkbare vaartuigen en drijvend materieel, alsmede installaties gedurende de tijd dat zij drijven, of wanneer het schip als hierboven bedoeld boven de zeebodem is geplaatst voor het instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen of voor het winnen daarvan; g. Nederlands-Antilliaans schip : een schip in de zin van artikel 3 van hetCuraçaosch Zeebrievenbesluit (P.B. 1933, no. 41) en schepen waarvan de bruto-inhoud minder dan 20 kubieke meter of het bruto tonnage minder dan 6 bedraagt die zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 5 van de Vaartuigenlandsveror-dening (P.B. 1930, no. 72); h. buitenlands schip : een schip dat geen Nederlands-Antilliaans schip is; i. schadelijke stof : een stof die, indien zij in zee terecht komt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan het mariene milieu, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee en die vermeld is in het Verdrag; j. lozen : elk vrijkomen van stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, waaronder begrepen ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, weglekken, pompen of ledigen; k. voorval : een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat in zee of in de ter-ritoriale wateren van de Nederlandse Antillen een schadelijke stof wordt geloosd; l. haven : een rede, pier, steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kun nen hebben of waar opvarenden en zaken inge-scheept of ontscheept kunnen worden; m. eigenaar degene aan wie het schip in eigendom toebehoort of, met betrekking tot een teboekgesteld schip, degene die in het register als eigenaar van het schip staat ingeschreven. HOOFDSTUK II - TOEPASSING Artikel 2 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5#5 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5b#5b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5b#5b http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5c#5c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5c#5c http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5d#5d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#5d#5d http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#6#6 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#6#6 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#6#6 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 http://www.mina.vomil.an/policy/legislation/na schepen.php#7#7 Het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde is, tenzij in artikelen van deze lands-verordening uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op Nederlands-Antilliaanse schepen. Artikel 3 Het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een staat ten tijde dat zij uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden. Artikel 4 Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van een of meer bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels en voorschriften worden uitgezonderd. Artikel 5 1. Een verplichting die ingevolge deze landsverordening rust op de eigenaar van een schip, rust tevens op de rompbevrachter van dat schip. 2. De rompbevrachter is de partij bij een overeenkomst tot exploitatie van een schip, de rompbevrachtingsovereenkomst, jegens wie de wederpartij, de rompvervrachter, zich ver bindt een zeeschip zonder bemanning voor een bepaalde tijd ter beschikking te stellen, zonder daarover nog enige zeggenschap te houden. HOOFDSTUK III - ALGEMENE BEPALINGEN §1. Lozingsverbod en voorzieningen Artikel 6 1. Het is verboden vanaf een schip een schadelijke stof in zee te lozen behoudens in de gevallen en op de wijze vastgegesteld in het Verdrag. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op buitenlandse schepen gedurende de tijd dat deze zich in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen bevinden. Artikel 7 1. De beheerders,of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen havens zijn verplicht zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van schade lijke stoffen afkomstig van schepen waarop het lozingsverbod, bedoeld in artikel 6, van toepassing is, zodanig dat onnodig oponthoud aan deze schepen wordt voorkomen. 2. De beheerders, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van de havens zijn ter uitvoering van de hun in het eerste lid opgelegde verplichting bevoegd regels te geven krachtens welke de beheerders van bepaalde los- en laadplaatsen en scheepsreparatiewer ven in hun havens worden verplicht zorg te dragen voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, voor zover schepen gebruik maken van die los- en laadplaatsen of scheeps reparatiewerven. 3. De kosten verbonden aan het in ontvangst nemen, opslaan en verwerken van restanten van schadelijke stoffen, afgegeven door schepen als bedoeld in het eerste lid, worden verhaald op degenen die deze restanten afgeven. 4. Bij of krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit, worden nadere regels gegeven ter uitvoering van dit artikel. 5. De afgifte bedoeld in het eerste lid mag niet anders geschieden dan op een wijze aange geven bij of krachtens dat landsbesluit. §2. Regelen voor schepen Artikel 8 Een schip dient te voldoen aan de eisen die in het Verdrag zijn gesteld voor de bouw, de inrichting en uitrusting van een schip ter voorkoming dan wel beperking van het lozen van schadelijke stoffen. Artikel 9 1. Aan een schip, dat na een onderzoek genoegzaam blijkt te voldoen aan de in artikel 8 bedoelde eisen, wordt ten blijke daarvan een certificaat afgegeven. 2. De minister stelt het model van het certificaat vast. 3. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt onder meer vastgesteld: a. aan welke onderzoeken schepen ter verkrijging van het certificaat of tijdens de geldigheidsduur daarvan zijn onderworpen, alsmede de wijze en inhoud van die onderzoeken; b. de aanvraag tot het verkrijgen van het certificaat en de daarbij over te leggen bescheiden; c. de geldigheidsduur van het certificaat en de verlenging daarvan. Artikel 10 1. Certificaten worden afgegeven door of namens het hoofd van de Scheepvaartinspectie. 2. Met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 9, derde lid, onderdeel a, zijn belast, de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie. Daarnaast kan de minister deze taken of onderdelen daarvan aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen opdragen. 3. Ten aanzien van het verrichten van onderzoek kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels worden gegeven. Artikel 11 1. Certificaten vervallen, wanneer: a. het tijdvak waarvoor zij gelden, is verstreken; b. tijdens de geldigheidsduur daarvan, de verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden; c. het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen waaraan een dergelijk certificaat wordt verstrekt; d. het schip wordt verbouwd dan wel in de inrichting of de uitrusting van het schip ingrijpende wijzigingen worden aangebracht; e. het schip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvraag nieuwe certificaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak waarvoor de vervallen certificaten hebben gegolden; of f. het schip een buitenlands schip wordt. 2. Certificaten kunnen door de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie worden ingetrokken, wanneer blijkt dat de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate afwijkt van de gegevens die op het certificaat zijn vermeld. 3. Het vervallen of ingetrokken certificaat dient door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie te worden gezonden. Artikel 12 Aan boord van een schip dienen de voorschriften te worden nageleefd, die in het Verdrag zijn gegeven met betrekking tot: a. de aanwezigheid van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen; b. de stuwage, de wijze van verpakking en de etikettering van schadelijke stoffen alsmede de daarop betrekking hebbende ladingdocumenten; c. de aanwezigheid en hoedanigheid van meet- en registratieapparatuur, alsmede het gebruik daarvan; en d. het verrichten van handelingen met betrekking tot schadelijke stoffen en restanten daarvan alsmede de daarmee verband houdende bedrijfsvoering. §3. Verplichtingen van de kapitein Artikel 13 1. De kapitein van een schip waarop ingevolge het Verdrag aan boord een journaal dient te worden bijgehouden, draagt zorg dat de ingevolge het Verdrag vereiste aantekeningen worden gemaakt in het journaal en het journaal wordt bewaard zoals voorgeschreven in het Verdrag. 2. De kapitein van een schip waarop ingevolge het Verdrag aan boord een journaal dient te worden bijgehouden, is verplicht de autoriteiten, bedoeld in artikel 16, op hun verzoek inzage in het journaal te verlenen en dient hen toe te staan van elke in het journaal geplaatste aantekening een eensluidend afschrift te maken. Desgevraagd dient de kapitein het afschrift voor eensluidend te waarmerken. 3. Elk aldus vervaardigd en voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een aantekening in het journaal zal in een gerechtelijke procedure in de Nederlandse Antillen als bewijs van de feiten, vermeld in de aantekening, worden toegelaten. 4. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse schepen die zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevinden. Artikel 14 1. De kapitein van een schip is verplicht een voorval in de gevallen waarin het Verdrag voorziet, onverwijld te melden aan de autoriteiten van de dichtsbijzijnde kuststaat. 2. De kapitein is verplicht een voorval als bedoeld in het eerste lid te melden op de wijze, voorgeschreven in Protocol I bij het Verdrag. 3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden ook ten aanzien van een buitenlands schip, indien het voorval plaatsvindt in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen. 4. De minister wijst de autoriteiten aan, aan wie een voorval moet worden gemeld indien de Nederlandse Antillen de dichtstbijzijnde kuststaat zijn. 5. De autoriteiten aan wie krachtens het vierde lid een voorval wordt gemeld, dienen de Scheepvaartinspectie, het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de diensten belast met milieuzorg van de betrokken eilandgebieden onverwijld op de hoogte te stellen. §4. Verlaten van een haven Artikel 15 1. Het is verboden met een schip dat ingevolge het Verdrag voorzien moet zijn van een gel-dig certificaat, een haven te verlaten zonder dat bedoeld certificaat aan boord is 2. Het is verboden met een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag voorzien moet zijn van een geldig certificaat, een Nederlands-Antilliaanse haven te verlaten, zonder dat bedoeld certificaat aan boord is. HOOFDSTUK IV - TOEZICHT EN AANHOUDING §1. Toezicht. Artikel 16 1. De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde. Zij oefenen hun taak overal ter wereld uit.D 2. De minister kan voor bepaalde door hem aan te wijzen taken verband houdende met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, ambtenaren van andere diensten ter beschikking van de Scheepvaartinspectie stellen. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft res sorterende onder een ander ministerie dan dat van de minister, wordt het desbetreffende besluit genomen door de minister in overeenstemming met de minister van het andere ministerie. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft ressorterende onder het bestuurscollege van een eilandgebied, dan wordt het desbetreffende besluit genomen door de minister in overeenstemming met het betreffende bestuurscollege. 3. Een krachtens het tweede lid vastgesteld besluit wordt in de Curaçaosche Courant gepubliceerd. 4. De minister kan regels geven betreffende de taakuitoefening van de in dit artikel bedoelde ambtenaren. Artikel 17 1. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de ver-vulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd schepen en andere plaatsen te betreden. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen van daartoe door hen aangewezen personen. Zonodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm. 2. Indien het schip of de andere plaats mede een woning omvat, of alleen toegankelijk is door een woning, treden de in artikel 16 bedoelde ambtenaren niet binnen zonder toestemming van de bewoner, tenzij op vertoon van een bijzondere schriftelijke last van een officier van justitie of een hulp-officier van justitie. 3. Van dit binnentreden zonder toestemming van de bewoner wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vierentwintig uren aan de bewoner, in afschrift wordt medegedeeld. In dit proces-verbaal wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt. 4. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd inzage te verlangen en afschrift te nemen van bescheiden die betrekking hebben op de fabricage, het vervoer, de opslag en de lozing van schadelijke stoffen, alsmede de hiermee verband houdende documenten. 5. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd stoffen die zij aantreffen op plaatsen waar zij ingevolge het eerste lid toegang hebben aan een onderzoek te onderwerpen of te doen onderwerpen en daarvan monsters te nemen of te doen nemen. Artikel 18 De kapitein is verplicht de in artikel 16 bedoelde ambtenaren desgevraagd behoorlijke en veilige toegang tot het schip en zijn ruimten te verschaffen. Voorts stelt de kapitein op een daartoe strekkend verzoek van een zodanige ambtenaar, alle personele middelen en hulp-middelen ter beschikking, welke naar het oordeel van de ambtenaar redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek aan boord. Artikel 19 Het bepaalde in de artikelen 17 en 18 is eveneens van toepassing ten aanzien van een buitenlands schip dat zich bevindt: a. in een Nederlands-Antilliaanse haven of; b. in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen, op weg naar of komende vanuit een Nederlands-Antilliaanse haven. Artikel 20 1. Een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag een certificaat behoeft kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan controle door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, teneinde na te gaan of het schip is voorzien van een geldig certificaat. 2. Indien een in het eerste lid bedoeld schip niet is voorzien van een geldig certificaat of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de bouw, inrichting of uitrusting van het schip niet in overeenstemming is met de gegevens van het certificaat, kan het schip worden onderworpen aan een nader onderzoek. 3. Een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft of een buiten-lands schip dat de vlag voert van een Staat die geen partij is bij het Verdrag, kan in een Nederlands Antilliaanse haven worden onderworpen aan controle door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie teneinde na te gaan of het schip zonder gevaar voor veront-reiniging van het mariene milieu naar zee kan vertrekken. 4. Een buitenlands schip kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan een controle door een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 teneinde na te gaan of voldaan wordt aan het in artikel 12 bepaalde. Artikel 21 Een buitenlands schip kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan een onderzoek door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, teneinde na te gaan of in strijd met het Verdrag schadelijke stoffen zijn geloosd in zee of in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen. §2. Aanhouding Artikel 22 Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden: a. indien het schip niet is voorzien van de ingevolge het Verdrag vereiste certificaten; b. indien het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen; c. indien met betrekking tot het schip niet wordt voldaan aan het in artikel 12 bepaalde; d. waar het een schip betreft dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft, indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor ver-ontreiniging van het mariene milieu; of e. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak. Artikel 23 1. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip, dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt en dat de vlag voert van een Staat die partij is bij het Verdrag, aan te houden: a. indien het schip niet is voorzien van alle ingevolge het Verdrag vereiste, geldige certificaten; b. indien het schip in belangrijke mate niet voldoet aan de eisen, gesteld ter verkrijging van een certificaat; c. waar het een schip betreft dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft, indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu; d. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak; of e. indien daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde autoriteiten van de vlagge staat van dit schip wegens een overtreding van de in die staat ter uitvoering van het Verdrag gestelde wettelijke regelen. 2. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip, dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt en dat de vlag voert van een Staat die geen partij is bij het Verdrag, aan te houden: a. indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu; of b. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak. 3. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt, aan te houden indien met betrekking tot het schip niet wordt voldaan aan het in artikel 12 bepaalde. Artikel 24 1. De aanhouding geschiedt door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie door middel van overhandiging aan de kapitein van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving, waarin de reden van de aanhouding staat vermeld. Wanneer naar het oordeel van die ambtenaar overhandiging niet mogelijk is, geschiedt de aanhouding mondeling door een kennisgeving aan de naar zijn oordeel daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door overhandiging van de schriftelijke kennisgeving aan de kapitein. 2. De havenbeheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar van de haven, alsmede de naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in aanmerking komende diensten, worden onverwijld van het bevel tot aanhouding in kennis gesteld. Indien de aanhouding geschiedt omdat er gevaar bestaat dat het schip het mariene milieu verontreinigt, worden het Departement voor Volksgezondheid en Milieuhygiene en de Milieudienst van het betreffende eilandgebied ingelicht. Artikel 25 1. De kapitein van een aangehouden schip is verplicht zijn schip na de aanhouding ligplaats te doen nemen op de door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in overeen-stemming met de havenbeheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar van de haven, aan te wijzen plaats. 2. Zolang de aanhouding voortduurt, is het de kapitein verboden het schip te doen verplaatsen zonder voorafgaande toestemming van een ambtenaar van de Scheepvaart-inspectie. 3. Zonder deze toestemming weigeren alle betrokken ambtenaren hun medewerking bij het verplaatsen en het uitklaren van het schip. 4. Indien een schip in een buitenlandse haven door een bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van het Verdrag is aangehouden, is het de kapitein verboden de haven te verlaten. 5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt. Artikel 26 De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, zijn bevoegd ter uitvoering en handhaving van de aanhouding de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven. Artikel 27 1. Zodra er geen reden is de aanhouding langer te laten voortduren en de mogelijk op grond 2. van artikel 41 verschuldigde kosten zijn voldaan of de voldoening daarvan voldoende zeker is gesteld, heft de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, de aanhouding op. 3. Opheffing geschiedt door overhandiging aan de kapitein van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving. Op deze opheffing en kennisgeving is artikel 24 van overeenkomstige toepassing. Artikel 28 De artikelen 24, 26 en 27 zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt, met dien verstande dat van de aanhouding en de opheffing daarvan tevens de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger en, bij diens afwezigheid, de regering van de Staat waarvan het schip de vlag voert, onverwijld op de hoogte wordt gesteld. HOOFDSTUK V - VERDERE BEPALINGEN §1. Bezwaar Artikel 29 1. Degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een beslissing genomen krachtens deze landsverordening, kan daartegen een bezwaarschrift indienen bij de minister binnen 30 dagen na de dag waarop die beslissing is verzonden of uitgereikt aan degene tot wie zij is gericht. 2. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd zijn en gesteld in de Nederlandse of Engelse taal. 3. Het bezwaarschrift wordt schriftelijk, telegrafisch, per telex of per telefax ingediend. 4. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de werking van de beslissing niet, tenzij de minister anders bepaalt. Artikel 30 1. De minister beslist binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift. Alvorens hij een beslissing neemt, kan hij advies inwinnen bij de Commissie van Onderzoek, be-doeld in artikel 26bis van de Schepenwet (Stb. 1909, 219). Wat betreft de samenstelling, de bevoegdheden en de werkwijze van de Commissie bij de uitvoering van deze taak, als-mede de schadeloosstelling van door de Commissie gehoorde getuigen en deskundigen en van leden van de Commissie zelve, zijn de desbetreffende bepalingen van de Schepen-wet van toepassing. 2. Degene die het bezwaarschrift heeft ingediend kan de Commissie verzoeken te worden gehoord alvorens het advies wordt uitgebracht. 3. De minister kan zijn beslissing voor ten hoogste zestig dagen verdagen indien de Commissie van Onderzoek om advies is verzocht. 4. Een beslissing van de minister wordt schriftelijk aan betrokkene bekendgemaakt en is met redenen omkleed. §2. Onderzoek van voorvallen Artikel 31 1. Door of namens het hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt een onderzoek ingesteld naar voorvallen van betekenis, overkomen aan schepen, teneinde na te gaan of hieruit lering kan worden getrokken, dan wel of het wenselijk is regelen te stellen ter voorkoming van voorvallen. 2. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop een onderzoek naar een in het eerste lid bedoeld voorval wordt ingesteld. §3. Medewerking en geheimhouding Artikel 32 1. De minister kan organisaties of personen machtigen bepaalde door hem aangewezen werkzaamheden ter uitvoering van het bepaalde in deze landsverordening te verrichten. 2. Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt in de Curaçaosche Courant bekendgemaakt. Artikel 33 Een ieder die betrokken is bij de fabricage, de invoer, de opslag, het vervoer of het lozen van schadelijke stoffen is verplicht aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 16, alle medewerking te verlenen en inlichtingen te verstrekken die zij bij de uitvoering van de hun op grond van deze landsverordening opgedragen taak behoeven. Artikel 34 Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voorzover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van mede-werking weigeren, voor zover hun plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt. Artikel 35 Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschik-king krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, be-houdens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. §4. Ontheffing Artikel 36 In bijzondere gevallen kan het hoofd van de Scheepvaartinspectie aan een schip dat niet is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in artikel 15 ontheffing verlenen van het in dat artikel genoemde verbod: a. indien hem genoegzaam is gebleken dat het schip voldoet aan de voor de verkrijging van dat certificaat gestelde eisen; of b. indien het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van dat certificaat gestelde eisen, teneinde het in staat te stellen zich naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiehaven te begeven met het doel aldaar in het ontbrekende te voorzien. Artikel 37 1. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, ontheffing verlenen van de eisen, ingevolge het Verdrag gesteld aan de bouw, inrichting of uitrusting van een schip. 2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 3. Een gedraging in strijd met de in het tweede lid bedoelde beperkingen en voorschriften is verboden. HOOFDSTUK VI - STRAFBEPALINGEN EN BORGSOM Artikel 38 1. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 12, 14, eerste, tweede en derde lid, en 25, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, worden voor zover zij opzettelijk zijn begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste ¦. 1.000.000,--. 2. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 7, vierde lid, 11 derde lid, 12, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 15, 18, 19, 25, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 33 en 37, derde lid, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste ¦. 100.000, 3. De in het eerste lid strafbaar gestelde gedragingen zijn misdrijven en de in het tweede lid strafbaar gestelde gedragingen zijn overtredingen. Artikel 39 1. Bij vermoeden van overtreding van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6, 7, vierde lid, 12, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 15, 18, 19, 25, eerste, tweede en vijfde lid, 33 en 37, derde lid, kan aan de kapitein bevel worden gege-ven dat het schip een Nederlands-Antilliaanse haven of binnenwater niet zal verlaten dan nadat op een bij dat bevel aan te wijzen plaats een daarbij te bepalen geldsom is gestort, waarop terzake van die strafbare gedraging op te leggen geldboete zal kunnen worden verhaald. Het bevel wordt zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer gelegd. 2. Het in het eerste lid bedoelde bevel wordt op vordering van de Officier van Justitie gege-ven door de rechter voor wie de zaak wordt of zal worden vervolgd. De kapitein wordt vooraf gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar en wordt onverwijld aan de kapitein betekend. 3. Van het bevel of de beschikking tot afwijzing van de vordering kan de verdachte binnen drie dagen na de betekening en het Openbaar Ministerie binnen drie dagen nadat het be-vel of de beschikking is genomen, in beroep komen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. 4. Zodra het in de strafzaak gewezen vonnis onherroepelijk is geworden, wordt de gestorte geldsom wederom ter beschikking van de rechthebbende gesteld, nadat daarop een bij dat vonnis opgelegde geldboete in mindering is gebracht. Tot dat tijdstip en te rekenen van de dag dat de geldsom werd gestort, wordt over die som de wettelijke rente vergoed. Artikel 40 1. Indien een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedraging wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen uitgesproken hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat doelvermogen, hetzij tegen hen die tot de gedraging opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen hen gezamenlijk. 2. Een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedraging wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, indien zij begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde handelen in de sfeer van de rechts persoon, de vennootschap, de vereniging of doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk de strafbare gedraging hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van die gedraging aanwezig zijn. 3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze respectievelijk dit tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder of indien er meer bestuurders zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; hij kan alsdan mede-brenging gelasten. 4. Voor wat betreft de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedragingen worden rechtspersonen voor de toepassing van artikel 20 van het Wetboek van Straf vordering van de Nederlandse Antillen geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn. 5. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, geschieden de in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen voorgeschreven betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen of andere mededelingen aan de persoon of de woonplaats van de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, aan een van deze of op de plaats waar het bestuur zitting of kantoor houdt, behoudens, indien het een dagvaarding betreft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 130, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen. HOOFDSTUK VII - SLOTBEPALINGEN Artikel 41 Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de vergoedingen worden geregeld, verschuldigd door degenen, ten behoeve van wie: a. werkzaamheden of diensten door het Land zijn verricht; b. werkzaamheden of diensten zijn verricht door andere personen, aan wie op grond van deze landsverordening die werkzaamheden of diensten zijn overgedragen. Artikel 42 De Landsverordening voorkoming zeeverontreiniging door olie (P.B. 1959, no. 72) wordt ingetrokken. Artikel 43 Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip. Artikel 44 Deze landsverordening kan worden aangehaald als "Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen". Gegeven te Curaçao, 3 november 1993 J.M. SALEH De Minister van Verkeer en Vervoer, D.W.A. NISBETH De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, C.M. MARSERA Uitgegeven de 26ste november 1993 De Minister van Algemene Zaken, M.PH. LIBERIA-PETERS HOOFDSTUK I - BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. minister : de Minister van Verkeer en Vervoer; b. hoofd van de Scheepvaartinspectie : de inspecteur voor de scheepvaart, bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening van de 25ste Juni 1953 tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, werkzaam in het district de Nederlandse Antillen (P.B. 1953, no. 107); c. ambtenaar van de Scheepvaartinspectie : een ambtenaar bij de Scheepvaartinspectie als be-doeld in artikel 1 van de in onderdeel b genoemde landsverordening; d. Verdrag : het op 2 november 1973 te Londen tot stand geko-men Internationaal Verdrag ter voorkoming van ver-ontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188); e. territoriale wateren van de Nederlandse Antillen : de territoriale zee van de Nederlandse Antillen en de wateren die daarmee in verbinding staan, niet zijnde de volle zee. f. schip : elk vaartuig, van welk type ook, waaronder begrepen draagvleugelboten, luchtkussenvoertuigen, af- zinkbare vaartuigen en drijvend materieel, alsmede installaties gedurende de tijd dat zij drijven, of wanneer het schip als hierboven bedoeld boven de zeebodem is geplaatst voor het instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen of voor het winnen daarvan; g. Nederlands-Antilliaans schip : een schip in de zin van artikel 3 van hetCuraçaosch Zeebrievenbesluit (P.B. 1933, no. 41) en schepen waarvan de bruto-inhoud minder dan 20 kubieke meter of het bruto tonnage minder dan 6 bedraagt die zijn ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 5 van de Vaartuigenlandsveror-dening (P.B. 1930, no. 72); h. buitenlands schip : een schip dat geen Nederlands-Antilliaans schip is; i. schadelijke stof : een stof die, indien zij in zee terecht komt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan het mariene milieu, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee en die vermeld is in het Verdrag; j. lozen : elk vrijkomen van stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, waaronder begrepen ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, weglekken, pompen of ledigen; k. voorval : een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat in zee of in de ter-ritoriale wateren van de Nederlandse Antillen een schadelijke stof wordt geloosd; l. haven : een rede, pier, steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kun nen hebben of waar opvarenden en zaken inge-scheept of ontscheept kunnen worden; m. eigenaar degene aan wie het schip in eigendom toebehoort of, met betrekking tot een teboekgesteld schip, degene die in het register als eigenaar van het schip staat ingeschreven. HOOFDSTUK II - TOEPASSING Artikel 2 Het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde is, tenzij in artikelen van deze lands-verordening uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op Nederlands-Antilliaanse schepen. Artikel 3 Het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een staat ten tijde dat zij uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden. Artikel 4 Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van een of meer bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels en voorschriften worden uitgezonderd. Artikel 5 1. Een verplichting die ingevolge deze landsverordening rust op de eigenaar van een schip, rust tevens op de rompbevrachter van dat schip. 2. De rompbevrachter is de partij bij een overeenkomst tot exploitatie van een schip, de rompbevrachtingsovereenkomst, jegens wie de wederpartij, de rompvervrachter, zich ver bindt een zeeschip zonder bemanning voor een bepaalde tijd ter beschikking te stellen, zonder daarover nog enige zeggenschap te houden. HOOFDSTUK III - ALGEMENE BEPALINGEN §1. Lozingsverbod en voorzieningen Artikel 6 1. Het is verboden vanaf een schip een schadelijke stof in zee te lozen behoudens in de gevallen en op de wijze vastgegesteld in het Verdrag. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op buitenlandse schepen gedurende de tijd dat deze zich in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen bevinden. Artikel 7 1. De beheerders,of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen havens zijn verplicht zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van schade lijke stoffen afkomstig van schepen waarop het lozingsverbod, bedoeld in artikel 6, van toepassing is, zodanig dat onnodig oponthoud aan deze schepen wordt voorkomen. 2. De beheerders, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van de havens zijn ter uitvoering van de hun in het eerste lid opgelegde verplichting bevoegd regels te geven krachtens welke de beheerders van bepaalde los- en laadplaatsen en scheepsreparatiewer ven in hun havens worden verplicht zorg te dragen voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, voor zover schepen gebruik maken van die los- en laadplaatsen of scheeps reparatiewerven. 3. De kosten verbonden aan het in ontvangst nemen, opslaan en verwerken van restanten van schadelijke stoffen, afgegeven door schepen als bedoeld in het eerste lid, worden verhaald op degenen die deze restanten afgeven. 4. Bij of krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit, worden nadere regels gegeven ter uitvoering van dit artikel. 5. De afgifte bedoeld in het eerste lid mag niet anders geschieden dan op een wijze aange geven bij of krachtens dat landsbesluit. §2. Regelen voor schepen Artikel 8 Een schip dient te voldoen aan de eisen die in het Verdrag zijn gesteld voor de bouw, de inrichting en uitrusting van een schip ter voorkoming dan wel beperking van het lozen van schadelijke stoffen. Artikel 9 1. Aan een schip, dat na een onderzoek genoegzaam blijkt te voldoen aan de in artikel 8 bedoelde eisen, wordt ten blijke daarvan een certificaat afgegeven. 2. De minister stelt het model van het certificaat vast. 3. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt onder meer vastgesteld: a. aan welke onderzoeken schepen ter verkrijging van het certificaat of tijdens de geldigheidsduur daarvan zijn onderworpen, alsmede de wijze en inhoud van die onderzoeken; b. de aanvraag tot het verkrijgen van het certificaat en de daarbij over te leggen bescheiden; c. de geldigheidsduur van het certificaat en de verlenging daarvan. Artikel 10 1. Certificaten worden afgegeven door of namens het hoofd van de Scheepvaartinspectie. 2. Met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 9, derde lid, onderdeel a, zijn belast, de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie. Daarnaast kan de minister deze taken of onderdelen daarvan aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen opdragen. 3. Ten aanzien van het verrichten van onderzoek kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels worden gegeven. Artikel 11 1. Certificaten vervallen, wanneer: a. het tijdvak waarvoor zij gelden, is verstreken; b. tijdens de geldigheidsduur daarvan, de verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden; c. het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen waaraan een dergelijk certificaat wordt verstrekt; d. het schip wordt verbouwd dan wel in de inrichting of de uitrusting van het schip ingrijpende wijzigingen worden aangebracht; e. het schip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvraag nieuwe certificaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak waarvoor de vervallen certificaten hebben gegolden; of f. het schip een buitenlands schip wordt. 2. Certificaten kunnen door de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie worden ingetrokken, wanneer blijkt dat de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate afwijkt van de gegevens die op het certificaat zijn vermeld. 3. Het vervallen of ingetrokken certificaat dient door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie te worden gezonden. Artikel 12 Aan boord van een schip dienen de voorschriften te worden nageleefd, die in het Verdrag zijn gegeven met betrekking tot: a. de aanwezigheid van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen; b. de stuwage, de wijze van verpakking en de etikettering van schadelijke stoffen alsmede de daarop betrekking hebbende ladingdocumenten; c. de aanwezigheid en hoedanigheid van meet- en registratieapparatuur, alsmede het gebruik daarvan; en d. het verrichten van handelingen met betrekking tot schadelijke stoffen en restanten daarvan alsmede de daarmee verband houdende bedrijfsvoering. §3. Verplichtingen van de kapitein Artikel 13 1. De kapitein van een schip waarop ingevolge het Verdrag aan boord een journaal dient te worden bijgehouden, draagt zorg dat de ingevolge het Verdrag vereiste aantekeningen worden gemaakt in het journaal en het journaal wordt bewaard zoals voorgeschreven in het Verdrag. 2. De kapitein van een schip waarop ingevolge het Verdrag aan boord een journaal dient te worden bijgehouden, is verplicht de autoriteiten, bedoeld in artikel 16, op hun verzoek inzage in het journaal te verlenen en dient hen toe te staan van elke in het journaal geplaatste aantekening een eensluidend afschrift te maken. Desgevraagd dient de kapitein het afschrift voor eensluidend te waarmerken. 3. Elk aldus vervaardigd en voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een aantekening in het journaal zal in een gerechtelijke procedure in de Nederlandse Antillen als bewijs van de feiten, vermeld in de aantekening, worden toegelaten. 4. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse schepen die zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevinden. Artikel 14 1. De kapitein van een schip is verplicht een voorval in de gevallen waarin het Verdrag voorziet, onverwijld te melden aan de autoriteiten van de dichtsbijzijnde kuststaat. 2. De kapitein is verplicht een voorval als bedoeld in het eerste lid te melden op de wijze, voorgeschreven in Protocol I bij het Verdrag. 3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden ook ten aanzien van een buitenlands schip, indien het voorval plaatsvindt in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen. 4. De minister wijst de autoriteiten aan, aan wie een voorval moet worden gemeld indien de Nederlandse Antillen de dichtstbijzijnde kuststaat zijn. 5. De autoriteiten aan wie krachtens het vierde lid een voorval wordt gemeld, dienen de Scheepvaartinspectie, het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de diensten belast met milieuzorg van de betrokken eilandgebieden onverwijld op de hoogte te stellen. §4. Verlaten van een haven Artikel 15 1. Het is verboden met een schip dat ingevolge het Verdrag voorzien moet zijn van een gel-dig certificaat, een haven te verlaten zonder dat bedoeld certificaat aan boord is 2. Het is verboden met een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag voorzien moet zijn van een geldig certificaat, een Nederlands-Antilliaanse haven te verlaten, zonder dat bedoeld certificaat aan boord is. HOOFDSTUK IV - TOEZICHT EN AANHOUDING §1. Toezicht. Artikel 16 1. De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde. Zij oefenen hun taak overal ter wereld uit.D 2. De minister kan voor bepaalde door hem aan te wijzen taken verband houdende met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, ambtenaren van andere diensten ter beschikking van de Scheepvaartinspectie stellen. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft res sorterende onder een ander ministerie dan dat van de minister, wordt het desbetreffende besluit genomen door de minister in overeenstemming met de minister van het andere ministerie. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft ressorterende onder het bestuurscollege van een eilandgebied, dan wordt het desbetreffende besluit genomen door de minister in overeenstemming met het betreffende bestuurscollege. 3. Een krachtens het tweede lid vastgesteld besluit wordt in de Curaçaosche Courant gepubliceerd. 4. De minister kan regels geven betreffende de taakuitoefening van de in dit artikel bedoelde ambtenaren. Artikel 17 1. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de ver-vulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd schepen en andere plaatsen te betreden. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen van daartoe door hen aangewezen personen. Zonodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm. 2. Indien het schip of de andere plaats mede een woning omvat, of alleen toegankelijk is door een woning, treden de in artikel 16 bedoelde ambtenaren niet binnen zonder toestemming van de bewoner, tenzij op vertoon van een bijzondere schriftelijke last van een officier van justitie of een hulp-officier van justitie. 3. Van dit binnentreden zonder toestemming van de bewoner wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vierentwintig uren aan de bewoner, in afschrift wordt medegedeeld. In dit proces-verbaal wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt. 4. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd inzage te verlangen en afschrift te nemen van bescheiden die betrekking hebben op de fabricage, het vervoer, de opslag en de lozing van schadelijke stoffen, alsmede de hiermee verband houdende documenten. 5. De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd stoffen die zij aantreffen op plaatsen waar zij ingevolge het eerste lid toegang hebben aan een onderzoek te onderwerpen of te doen onderwerpen en daarvan monsters te nemen of te doen nemen. Artikel 18 De kapitein is verplicht de in artikel 16 bedoelde ambtenaren desgevraagd behoorlijke en veilige toegang tot het schip en zijn ruimten te verschaffen. Voorts stelt de kapitein op een daartoe strekkend verzoek van een zodanige ambtenaar, alle personele middelen en hulp-middelen ter beschikking, welke naar het oordeel van de ambtenaar redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek aan boord. Artikel 19 Het bepaalde in de artikelen 17 en 18 is eveneens van toepassing ten aanzien van een buitenlands schip dat zich bevindt: a. in een Nederlands-Antilliaanse haven of; b. in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen, op weg naar of komende vanuit een Nederlands-Antilliaanse haven. Artikel 20 1. Een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag een certificaat behoeft kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen 1. van de Scheepvaartinspectie, teneinde na te gaan of het schip is voorzien van een geldig certificaat. 2. Indien een in het eerste lid bedoeld schip niet is voorzien van een geldig certificaat of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de bouw, inrichting of uitrusting van het schip niet in overeenstemming is met de gegevens van het certificaat, kan het schip worden onderworpen aan een nader onderzoek. 3. Een buitenlands schip dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft of een buiten-lands schip dat de vlag voert van een Staat die geen partij is bij het Verdrag, kan in een Nederlands Antilliaanse haven worden onderworpen aan controle door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie teneinde na te gaan of het schip zonder gevaar voor veront-reiniging van het mariene milieu naar zee kan vertrekken. 4. Een buitenlands schip kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan een controle door een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 teneinde na te gaan of voldaan wordt aan het in artikel 12 bepaalde. Artikel 21 Een buitenlands schip kan in een Nederlands-Antilliaanse haven worden onderworpen aan een onderzoek door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, teneinde na te gaan of in strijd met het Verdrag schadelijke stoffen zijn geloosd in zee of in de territoriale wateren van de Nederlandse Antillen. §2. Aanhouding Artikel 22 Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden: a. indien het schip niet is voorzien van de ingevolge het Verdrag vereiste certificaten; b. indien het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen; c. indien met betrekking tot het schip niet wordt voldaan aan het in artikel 12 bepaalde; d. waar het een schip betreft dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft, indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor ver-ontreiniging van het mariene milieu; of e. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak. Artikel 23 1. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip, dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt en dat de vlag voert van een Staat die partij is bij het Verdrag, aan te houden: a. indien het schip niet is voorzien van alle ingevolge het Verdrag vereiste, geldige certificaten; b. indien het schip in belangrijke mate niet voldoet aan de eisen, gesteld ter verkrijging van een certificaat; c. waar het een schip betreft dat ingevolge het Verdrag geen certificaat behoeft, indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu; d. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak; of e. indien daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde autoriteiten van de vlagge staat van dit schip wegens een overtreding van de in die staat ter uitvoering van het Verdrag gestelde wettelijke regelen. 2. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip, dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt en dat de vlag voert van een Staat die geen partij is bij het Verdrag, aan te houden: a. indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust, dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu; of b. indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak. 3. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt, aan te houden indien met betrekking tot het schip niet wordt voldaan aan het in artikel 12 bepaalde. Artikel 24 1. De aanhouding geschiedt door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie door middel van overhandiging aan de kapitein van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving, waarin de reden van de aanhouding staat vermeld. Wanneer naar het oordeel van die ambtenaar overhandiging niet mogelijk is, geschiedt de aanhouding mondeling door een kennisgeving aan de naar zijn oordeel daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door overhandiging van de schriftelijke kennisgeving aan de kapitein. 2. De havenbeheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar van de haven, alsmede de naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in aanmerking komende diensten, worden onverwijld van het bevel tot aanhouding in kennis gesteld. Indien de aanhouding geschiedt omdat er gevaar bestaat dat het schip het mariene milieu verontreinigt, worden het Departement voor Volksgezondheid en Milieuhygiene en de Milieudienst van het betreffende eilandgebied ingelicht. Artikel 25 1. De kapitein van een aangehouden schip is verplicht zijn schip na de aanhouding ligplaats te doen nemen op de door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in overeen-stemming met de havenbeheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar van de haven, aan te wijzen plaats. 2. Zolang de aanhouding voortduurt, is het de kapitein verboden het schip te doen verplaatsen zonder voorafgaande toestemming van een ambtenaar van de Scheepvaart-inspectie. 3. Zonder deze toestemming weigeren alle betrokken ambtenaren hun medewerking bij het verplaatsen en het uitklaren van het schip. 4. Indien een schip in een buitenlandse haven door een bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van het Verdrag is aangehouden, is het de kapitein verboden de haven te verlaten. 5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt. Artikel 26 De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, zijn bevoegd ter uitvoering en handhaving van de aanhouding de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven. Artikel 27 1. Zodra er geen reden is de aanhouding langer te laten voortduren en de mogelijk op grond 2. van artikel 41 verschuldigde kosten zijn voldaan of de voldoening daarvan voldoende zeker is gesteld, heft de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, de aanhouding op. 3. Opheffing geschiedt door overhandiging aan de kapitein van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving. Op deze opheffing en kennisgeving is artikel 24 van overeenkomstige toepassing. Artikel 28 De artikelen 24, 26 en 27 zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in een Nederlands-Antilliaanse haven bevindt, met dien verstande dat van de aanhouding en de opheffing daarvan tevens de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger en, bij diens afwezigheid, de regering van de Staat waarvan het schip de vlag voert, onverwijld op de hoogte wordt gesteld. HOOFDSTUK V - VERDERE BEPALINGEN §1. Bezwaar Artikel 29 1. Degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een beslissing genomen krachtens deze landsverordening, kan daartegen een bezwaarschrift indienen bij de minister binnen 30 dagen na de dag waarop die beslissing is verzonden of uitgereikt aan degene tot wie zij is gericht. 2. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd zijn en gesteld in de Nederlandse of Engelse taal. 3. Het bezwaarschrift wordt schriftelijk, telegrafisch, per telex of per telefax ingediend. 4. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de werking van de beslissing niet, tenzij de minister anders bepaalt. Artikel 30 1. De minister beslist binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift. Alvorens hij een beslissing neemt, kan hij advies inwinnen bij de Commissie van Onderzoek, be-doeld in artikel 26bis van de Schepenwet (Stb. 1909, 219). Wat betreft de samenstelling, de bevoegdheden en de werkwijze van de Commissie bij de uitvoering van deze taak, als-mede de schadeloosstelling van door de Commissie gehoorde getuigen en deskundigen en van leden van de Commissie zelve, zijn de desbetreffende bepalingen van de Schepen-wet van toepassing. 2. Degene die het bezwaarschrift heeft ingediend kan de Commissie verzoeken te worden gehoord alvorens het advies wordt uitgebracht. 3. De minister kan zijn beslissing voor ten hoogste zestig dagen verdagen indien de Commissie van Onderzoek om advies is verzocht. 4. Een beslissing van de minister wordt schriftelijk aan betrokkene bekendgemaakt en is met redenen omkleed. §2. Onderzoek van voorvallen Artikel 31 1. Door of namens het hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt een onderzoek ingesteld naar voorvallen van betekenis, overkomen aan schepen, teneinde na te gaan of hieruit lering kan worden getrokken, dan wel of het wenselijk is regelen te stellen ter voorkoming van voorvallen. 2. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop een onderzoek naar een in het eerste lid bedoeld voorval wordt ingesteld. §3. Medewerking en geheimhouding Artikel 32 1. De minister kan organisaties of personen machtigen bepaalde door hem aangewezen werkzaamheden ter uitvoering van het bepaalde in deze landsverordening te verrichten. 2. Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt in de Curaçaosche Courant bekendgemaakt. Artikel 33 Een ieder die betrokken is bij de fabricage, de invoer, de opslag, het vervoer of het lozen van schadelijke stoffen is verplicht aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 16, alle medewerking te verlenen en inlichtingen te verstrekken die zij bij de uitvoering van de hun op grond van deze landsverordening opgedragen taak behoeven. Artikel 34 Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voorzover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van mede-werking weigeren, voor zover hun plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt. Artikel 35 Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschik-king krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, be-houdens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. §4. Ontheffing Artikel 36 In bijzondere gevallen kan het hoofd van de Scheepvaartinspectie aan een schip dat niet is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in artikel 15 ontheffing verlenen van het in dat artikel genoemde verbod: a. indien hem genoegzaam is gebleken dat het schip voldoet aan de voor de verkrijging van dat certificaat gestelde eisen; of b. indien het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van dat certificaat gestelde eisen, teneinde het in staat te stellen zich naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiehaven te begeven met het doel aldaar in het ontbrekende te voorzien. Artikel 37 1. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, ontheffing verlenen van de eisen, ingevolge het Verdrag gesteld aan de bouw, inrichting of uitrusting van een schip. 2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 3. Een gedraging in strijd met de in het tweede lid bedoelde beperkingen en voorschriften is verboden. HOOFDSTUK VI - STRAFBEPALINGEN EN BORGSOM Artikel 38 1. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 12, 14, eerste, tweede en derde lid, en 25, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, worden voor zover zij opzettelijk zijn begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste ¦. 1.000.000,--. 2. Overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 7, vierde lid, 11 derde lid, 12, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 15, 18, 19, 25, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 33 en 37, derde lid, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste ¦. 100.000, 3. De in het eerste lid strafbaar gestelde gedragingen zijn misdrijven en de in het tweede lid strafbaar gestelde gedragingen zijn overtredingen. Artikel 39 1. Bij vermoeden van overtreding van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6, 7, vierde lid, 12, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste, tweede en derde lid, 15, 18, 19, 25, eerste, tweede en vijfde lid, 33 en 37, derde lid, kan aan de kapitein bevel worden gege-ven dat het schip een Nederlands-Antilliaanse haven of binnenwater niet zal verlaten dan nadat op een bij dat bevel aan te wijzen plaats een daarbij te bepalen geldsom is gestort, waarop terzake van die strafbare gedraging op te leggen geldboete zal kunnen worden verhaald. Het bevel wordt zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer gelegd. 2. Het in het eerste lid bedoelde bevel wordt op vordering van de Officier van Justitie gege-ven door de rechter voor wie de zaak wordt of zal worden vervolgd. De kapitein wordt vooraf gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar en wordt onverwijld aan de kapitein betekend. 3. Van het bevel of de beschikking tot afwijzing van de vordering kan de verdachte binnen drie dagen na de betekening en het Openbaar Ministerie binnen drie dagen nadat het be-vel of de beschikking is genomen, in beroep komen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. 4. Zodra het in de strafzaak gewezen vonnis onherroepelijk is geworden, wordt de gestorte geldsom wederom ter beschikking van de rechthebbende gesteld, nadat daarop een bij dat vonnis opgelegde geldboete in mindering is gebracht. Tot dat tijdstip en te rekenen van de dag dat de geldsom werd gestort, wordt over die som de wettelijke rente vergoed. Artikel 40 1. Indien een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedraging wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen uitgesproken hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat doelvermogen, hetzij tegen hen die tot de gedraging opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen hen gezamenlijk. 2. Een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedraging wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, indien zij begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde handelen in de sfeer van de rechts persoon, de vennootschap, de vereniging of doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk de strafbare gedraging hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van die gedraging aanwezig zijn. 3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze respectievelijk dit tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder of indien er meer bestuurders zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; hij kan alsdan mede-brenging gelasten. 4. Voor wat betreft de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde gedragingen worden rechtspersonen voor de toepassing van artikel 20 van het Wetboek van Straf vordering van de Nederlandse Antillen geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn. 5. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, geschieden de in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen voorgeschreven betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen of andere mededelingen aan de persoon of de woonplaats van de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, aan een van deze of op de plaats waar het bestuur zitting of kantoor houdt, behoudens, indien het een dagvaarding betreft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 130, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen. HOOFDSTUK VII - SLOTBEPALINGEN Artikel 41 Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de vergoedingen worden geregeld, verschuldigd door degenen, ten behoeve van wie: a. werkzaamheden of diensten door het Land zijn verricht; b. werkzaamheden of diensten zijn verricht door andere personen, aan wie op grond van deze landsverordening die werkzaamheden of diensten zijn overgedragen. Artikel 42 De Landsverordening voorkoming zeeverontreiniging door olie (P.B. 1959, no. 72) wordt ingetrokken. Artikel 43 Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip. Artikel 44 Deze landsverordening kan worden aangehaald als "Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen". Gegeven te Curaçao, 3 november 1993 J.M. SALEH De Minister van Verkeer en Vervoer, D.W.A. NISBETH De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, C.M. MARSERA Uitgegeven de 26ste november 1993 De Minister van Algemene Zaken, M.PH. LIBERIA-PETERS

Decree concerning rules for the prevention of pollution caused by ships · Nelum