Arrêté royal portant création de l’Institut fédéral pour le Développement durable auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre
Made 2014-02-21 · Text as of 2026-10-01
Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.
About this law
- Language
- French; Dutch
- Kind
- Regulation
- Country
- Belgium
- Subjects
- Environment
- Keywords
- institution, legal proceedings/administrative proceedings, environmental planning, environmental impact assessment (EIA), policy/planning, governance
Where to read it
Text
The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.
FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER EN FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGE ZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2014/11144] 21 FEBRUARI 2014. — Koninklijk besluit houdende oprichting van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling bij de Fede rale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, richt het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling op bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling zijn diverse instellingen en organen verantwoordelijk voor fases van het beleidsproces dienaangaande. Bij koninklijk besluit van 25 februari 2002 werd de Programmato rische federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling opgericht. Programmatorische federale overheidsdiensten hebben echter slechts een tijdelijk karakter. Hun bestaan dient bij de aanvang van elke legislatuur bevestigd te worden. In het licht van de beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling die de regering recent goedkeurde, dringt een definitieve keuze zich op voor de institutionele thuisbasis van het federale duurzame-ontwikkelingsbeleid. De regering heeft er daarom voor gekozen om een Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling op te richten dat belast wordt met de voorbereiding en de coördinatie van de uitvoering van het beleid inzake duurzame ontwikkeling. Het wordt opgericht bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister naar analogie met de Dienst voor Administratie Vereenvoudiging. Dit biedt een grotere garantie op stabiliteit en continuïteit. Het Instituut zal optreden als een kruispunt van expertise en zal dan ook over een eigen personeelsplan- en enveloppe beschikken. Het personeel van het Instituut zal bestaan uit de ter beschikking gestelde statutaire ambtenaren van de opgeheven POD Duurzame Ontwikke ling en dit via de ambtshalve mobiliteit door toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt, en de ter beschikking gestelde andere personeelsleden van de opgeheven POD Duurzame Ontwikkeling die worden overgedragen aan het Instituut. Daarnaast kan er ook tijdelijk een beroep gedaan worden op ambtenaren van andere federale en programmatorische overheidsdiensten met het oog op het inzetten van hun expertise. Op hun beurt zullen de personeelsleden van het Instituut ook de mogelijk heid hebben om tijdelijk in cellen duurzame ontwikkeling van deze federale overheidsdiensten te werken. Deze uitwisseling van ervaring moet eveneens het duurzame-ontwikkelingsbeleid verder versterken. De FOD Kanselarij van de Eerste Minister zal de nodige financiële middelen voorzien. Net als de Dienst voor Administratie Vereenvoudiging zal het Instituut beschouwd worden als een operationele dienst in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst. Gelet op de administratieve en logistieke ondersteuning, zal het Instituut zich, voor wat zijn werking betreft, volledig inschrijven in het interne controlesysteem binnen de FOD Kanselarij van de Eerste Minister. Dit ontwerp beoogt dan ook : 1° de oprichting van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwik keling; 2° de afschaffing van de Programmatorische federale Overheids dienst Duurzame Ontwikkeling; SERVICE PUBLIC FEDERAL CHANCELLERIE DU PREMIER MINIS TRE ET SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECU RITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2014/11144] 21 FEVRIER 2014. — Arrêté royal portant création de l’Institut fédéral pour le Développement durable auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre RAPPORT AU ROI Sire, Le projet d’arrêté que nous avons l’honneur de soumettre à la signature de Votre Majesté, crée l’Institut fédéral pour le Développe ment durable auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre. Depuis l’entrée en vigueur de la loi relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable, divers institutions et organes sont responsables pour des phases du processus politique y afférent. Par arrêté royal du 25 février 2002 le Service public fédéral de Programmation Développement Durable a été créé. Cependant, les services fédéraux de programmation n’ont qu’un caractère temporaire. Leur existence doit être confirmée au début de chaque législature. Dans la lumière de la vision stratégique à long terme en matière de développement durable récemment approuvée par le gouvernement, un choix définitif s’impose pour l’ancrage institutionnel de la politique fédérale de développement durable. C’est la raison pour laquelle le gouvernement a opté pour créer un Institut fédéral pour le développement durable chargé de la prépara tion et de la coordination de l’exécution de la politique en matière de développement durable. Il est créé auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre par analogie avec l’Agence pour la Simplification Administrative. Ceci offre une plus grande garantie sur le plan de la stabilité et de la continuité. L’Institut se présentera comme un carrefour d’expertise et disposera de son propre plan de personnel et enveloppe. Le personnel de l’Institut se composera des agents statutaires mis à disposition du SPP Dévelop pement durable supprimé et ce via la mobilité d’office en application de l’article 34 de l’arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative, et les autres membres du personnel mis à disposition du SPP Développe ment durable supprimé qui sont transférés à l’Institut. En outre, il pourra également temporairement être fait appel à des agents d’autres services publics fédéraux et de programmation en vue de leur apport en expertise. Les membres du personnel de l’Institut auront à leur tour la possibilité de travailler temporairement auprès des cellules de développement durable de ces services publics fédéraux. Cet échange d’expérience doit également renforcer davantage la politique de développement durable. Le SPF Chancellerie du Premier Ministre prévoira les moyens financiers nécessaires. L’Institut sera considéré comme un service opérationnel au sens de l’article 4 de l’arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral, comme c’est le cas de l’Agence pour la Simplification administrative. Vu l’appui administratif et logistique, l’Institut s’inscrira, quant à son fonctionnement, totalement dans le système de contrôle interne du SPF Chancellerie du Premier Ministre. Le présent projet vise donc : 1° la création d’un Institut fédéral pour le développement durable; 2° la suppression du Service public de Programmation Développe ment durable; 20378 BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE 3° de overdracht van het personeel. Er werd rekening gehouden met de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies van 20 januari 2014. Drie artikelen werden bijgevolg toegevoegd om bestaande verwijzingen naar de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikke ling ofwel op te heffen (artikel 13) ofwel te wijzigen in “Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling” (artikelen 14 en 15). Als gevolg van diverse wijzigingen van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling hebben een aantal koninklijke besluiten of bepalingen ervan waarin naar de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ont wikkeling wordt verwezen, hun rechtsgrond verloren. Er wordt daarom voor geopteerd ze op te heffen om te verduidelijken dat ze uit de rechtsorde zijn verdwenen. Wat de opmerking van de Raad van State over de artikelen 6 tot 8 betreft, moet worden verduidelijkt dat de functie van directeur van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling geen weging behoeft. Het betreft immers een mandaat “sui generis”, naar analogie met de Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging. Daarom werd ervoor geopteerd om te bepalen dat de functie van directeur wordt gelijkge steld met een Rijksambtenaar van de klasse A4 en wordt bezoldigd in één van de weddeschalen verbonden aan die klasse. Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars. De Eerste Minister, E. DI RUPO De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Financiën, K. GEENS De Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling, S. VERHERSTRAETEN Raad van State Afdeling Wetgeving Advies 54.784/1 van 20 januari 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit ‘houdende oprichting van het Federaal Instituut voor Duur zame Ontwikkeling bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister’ Voorlopige tekst in één taal. Zolang de vertaling niet beschikbaar is, zijn formele aanpassingen nog mogelijk. Op 13 december 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 20 januari 2014, een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit ‘houdende oprichting van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister’. Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 9 januari 2014 . De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme , kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison , assessoren, en Marleen Verschraeghen , toegevoegd griffier. Het verslag is uitgebracht door Wendy Depester , adjunct-auditeur. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 20 januari 2014. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en Rechtsgrond van het ontwerp van koninklijk besluit 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling (hierna, “het Instituut”) bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister op te richten, en de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling af te schaffen. Het Instituut staat onder het gezag van de minister, bevoegd voor Duurzame Ontwikkeling en wordt belast met dezelfde opdrachten als deze die voorheen door de POD Duurzame Ontwikkeling werden uitgeoefend. 3. De rechtsgrond voor het ontwerp wordt geboden door de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet. 3° le transfert du personnel. Il a été tenu compte des remarques formulées par le Conseil d’Etat dans son avis du 20 janvier 2014. Par conséquence, trois articles ont été ajoutés pour abroger (article 13) les références existantes au Service public fédéral de Programmation Développement durable ou de les modifier (articles 14 et 15) en « Institut fédéral pour le Développement durable ». Suite à diverses modifications de la loi du 5 mai 1997 relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable, une série d’arrêtés royaux ou de dispositions de ces arrêtés dans lesquels était fait référence au Service public fédéral de programmation Développement durable avaient perdu leur fondement juridique. Il a dès lors été opté pour leur abrogation afin de préciser qu’ils ont disparu de l’ordre juridique. En ce qui concerne la remarque sur les articles 6 à 8, il y a lieu de préciser que la fonction de directeur de l’Institut fédéral pour le Développement durable ne nécessite pas de pondération. Il s’agit en effet d’un mandat « sui generis », en analogie avec l’Agence pour la Simplification administrative. Il a dès lors été choisi de décider que la fonction de directeur est assimilée à un agent de l’Etat de la classe A4 et qu’elle sera rémunérée dans une des échelles de traitement affectées à cette classe. Nous avons l’honneur d’être, Sire, de Votre Majesté, les très respectueux et les très fidèles serviteurs. Le Premier Ministre, E. DI RUPO La Ministre de la Santé publique, Mme L. ONKELINX Le Ministre des Finances, K. GEENS Le Secrétaire d’Etat au Développement durable, S. VERHERSTRAETEN Conseil d’Etat Section de législation Avis 54.784/1 du 20 janvier 2014 sur un projet d’arrêté royal ‘portant création de l’Institut fédéral pour le Développement durable auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre’ Le 13 décembre 2013 , le Conseil d’Etat, section de législation, a été invité par le Secrétaire d’Etat au Développement durables à communi quer un avis, dans un délai de trente jours, prorogé jusqu’au 20 janvier 2014, sur un projet d’arrêté royal ‘portant création de l’Institut fédéral pour le Développement durable auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre’. Le projet a été examiné par la première chambre le 9 janvier 2014 . La chambre était composée de Marnix Van Damme , président de chambre, Wilfried Van Vaerenbergh et Wouter Pas , conseillers d’Etat, Marc Rigaux et Michel Tison , assesseurs, et Marleen Verschraeghen , greffier assumé. Le rapport a été présenté par Wendy Depester , auditeur adjoint . L’avis, dont le texte suit, a été donné le 20 janvier 2014. 20379BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE Onderzoek van de tekst Aanhef 4. Het vierde lid van de aanhef is overbodig en kan worden geschrapt. Het vijfde lid van de aanhef dient te worden aangevuld met de datum van 5 november 2013 aangezien de inspectie van financiën twee adviezen heeft uitgebracht. Artikel 1 5. De definitie van “wet” in artikel 1, 4°, van het ontwerp is overbodig aangezien deze term verder in het ontwerp niet wordt gebruikt. Artikel 3 6. Omwille van de duidelijkheid is het aan te bevelen artikel 3, tweede lid, tweede streepje, van het ontwerp als volgt te formuleren, analoog met het huidige artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 25 februari 2002 ‘houdende oprichting van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame ontwikkeling’ : “- de financiële middelen waarin binnen de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister voorzien is of die toegekend worden voor de opdrachten van het Instituut”. Artikel 4 7. Omwille van de duidelijkheid is het aan te bevelen aan artikel 4, § 1, van het ontwerp een lid toe te voegen, dat analoog met artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 februari 2002, bepaalt dat het Instituut zijn opdrachten uitoefent “onverminderd de opdrachten die aan de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling en aan het Federaal Planbureau door de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federaal beleid inzake duurzame ontwikkeling toegekend zijn”. Artikel 5 8. Omwille van de duidelijkheid wordt artikel 5, § 1, van het ontwerp best als volgt geredigeerd : “Art. 5. § 1. De betrekkingen waarin het personeelsplan van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling voorziet, worden afgeschaft. Deze betrekkingen worden overgenomen in het personeelsplan van het Instituut, met uitzondering van de betrekking van de voorzitter. De ambtenaren en personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, die titularis zijn van één van de overgenomen betrekkingen bedoeld in het eerste lid, worden overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 12 overgedragen naar het Instituut.” 9. In antwoord op de vraag naar de betekenis van het begrip “personeelsleden” in artikel 5, § 3, van het ontwerp, antwoordt de gemachtigde het volgende : “Het begrip ‘personeelsleden’ in artikel 5, § 3, slaat enkel op de statutaire personeelsleden en kan dus inderdaad beter vervangen worden door ‘ambtenaren’.” Hiermee kan worden ingestemd. Artikelen 6 tot 8 10. De artikelen 6 tot 8 bevatten specifieke bepalingen voor de rechtspositie van de directeur van het Instituut. Het ontwerp houdt aldus een regeling in die afwijkt van de algemene regels die voortvloeien uit het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 ‘betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten’. Meer in het bijzonder bepaalt artikel 6, § 3, van het ontwerp dat de weddeschaal verbonden aan het mandaat van directeur wordt gelijkgesteld met deze van een houder van een betrekking van de klasse A4. Tegelijk blijkt evenwel uit de nota aan de Ministerraad dat “[o]m de weddeschaal te kunnen vaststellen, [...] de functiebeschrijving van de Directeur naar het wegingscomité van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie [is] gestuurd”. Het is geen logische werkwijze om een ontwerp van koninklijk besluit op te stellen met een specifieke regeling voor de directeur, en in het bijzonder een bepaalde weddeschaal vast te leggen, terwijl er nog geen standpunt van het wegingscomité bekend is. Overeenkomstig de artikelen 20bis tot 20octies van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 ‘betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel’ zal de functie van de directeur immers na de weging door een wegingscomité, door de Minister, bevoegd voor Ambtenarenzaken, worden geclassificeerd in een klasse van A1 tot A5 (en zal het koninklijk besluit van 20 december 2007 ‘houdende de classificatie van de functies van niveau A’ dienovereenkomstig moeten worden aangevuld). De stellers van het ontwerp dienen er bovendien rekening mee te houden dat indien tengevolge van de bedoelde weging het ontwerp moet worden herzien, het ontwerp van koninklijk besluit opnieuw voor advies aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, zal moeten worden voorgelegd. Artikel 9 11. De toevoeging in artikel 9 van het ontwerp van de woorden “, hierna de “POD Duurzame Ontwikkeling” genoemd,” is overbodig. Artikel 13 12. Artikel 13 van het ontwerp heft enkele bepalingen op in het koninklijk besluit van 23 mei 2001 ‘houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu’, en heft het koninklijk besluit van 25 februari 2002 op. De stellers van het ontwerp moeten nagaan, gelet op het feit dat de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling wordt afgeschaft, of ook niet in andere koninklijke besluiten de verwijzing naar deze POD Duurzame Ontwikkeling moet worden opgeheven of moet worden vervangen door een verwijzing naar het Instituut. Bij wijze van voorbeeld kan gewezen worden op de volgende koninklijke besluiten en bepalingen : de artikelen 1, 2°, c) en 8 van het koninklijk besluit van 22 september 2004 ‘houdende oprichting van cellen duurzame ontwikkeling in de federale overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten en het Ministerie van Landsverdediging’; bijlage bij het koninklijk besluit van 28 september 1984 ‘tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’; artikel 1, b) van het koninklijk besluit van 9 januari 2000 ‘tot bepaling van de algemene regels van de raadpleging van de bevolking over het voorontwerp van federaal plan inzake duurzame ontwikkeling’; koninklijk besluit van 25 februari 2007 ‘houdende vaststelling van de taalkaders van de Programmato rische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling’; artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 19 maart 2007 ‘houdende vaststelling van de algemene regels inzake de organisatie en de werking van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling’. 20380 BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE Artikel 15 13. Een staatssecretaris mag niet aangewezen worden om koninklijke besluiten uit te voeren, zelfs indien hij ze heeft voorgedragen of medeondertekend. In de uitvoeringsbepaling moeten de ministers door middel van een omschrijving van hun bevoegdheid met betrekking tot de geregelde aangelegenheid worden vermeld (bijvoorbeeld “de minister bevoegd voor volksgezondheid”). (1) Artikel 15 van het ontwerp dient op deze twee punten te worden aangepast. De griffier, Le greffier, M. Verschraeghen M. Verschraeghe De Voorzitter, Le Président, M. Van Damme M. Van Damme Nota (1) Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, blz. 100, nr. 167. 21 FEBRUARI 2014. — Koninklijk besluit houdende oprichting van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling bij de Fede rale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de Grondwet, artikelen 37 en 107, tweede lid; Gelet op het koninklijk besluit van 9 januari 2000 tot bepaling van de algemene regels van de raadpleging van de bevolking over het voorontwerp van federaal plan inzake duurzame ontwikkeling; Gelet op het koninklijk besluit van 23 mei 2001 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu; Gelet op het koninklijk besluit van 25 februari 2002 houdende oprichting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Duur zame Ontwikkeling; Gelet op het koninklijk besluit van 22 september 2004 houdende oprichting van cellen duurzame ontwikkeling in de federale overheids diensten, de programmatorische federale overheidsdiensten en het Ministerie van Landsverdediging; Gelet op het koninklijk besluit van 19 maart 2007 houdende vaststelling van de algemene regels inzake de organisatie en de werking van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikke ling; Gelet op het koninklijk besluit van 19 januari 2011 houdende ontslag en benoeming van de leden van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling; Gelet op het koninklijk besluit van 26 september 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven; Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 2013 tot oprichting van een netwerk van federale armoedeambtenaren; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 en 5 november 2013; Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Ambte narenzaken, gegeven op 13 november 2013; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 12 november 2013; Gelet op het protocol nr. 691 van 6 december 2013 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdien sten; Gelet op het advies nr. 54.784/1 van de Raad van State, gegeven op van 20 januari 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Eerste Minister, van de Minister van Volksgezondheid, van de Minister van Financiën, belast met Ambtena renzaken, en van de Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. — Definities Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° “cellen duurzame ontwikkeling” : de cellen duurzame ontwikke ling, opgericht door het koninklijk besluit van 22 september 2004 houdende oprichting van cellen duurzame ontwikkeling in de federale 21 FEVRIER 2014. — Arrêté royal portant création de l’Institut fédéral pour le Développement durable auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la Constitution, les articles 37 et 107, 2e alinéa; Vu l’arrêté royal du 9 janvier 2000 fixant les règles générales pour la consultation de la population sur l’avant-projet de plan fédéral de développement durable; Vu l’arrêté royal du 23 mai 2001 portant création du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environ nement; Vu l’arrêté royal du 25 février 2002 portant création du Service public fédéral de Programmation Développement durable; Vu l’arrêté royal du 22 septembre 2004 portant création des cellules de développement durable au sein des services publics fédéraux, des services publics fédéraux de programmation et du Ministère de la Défense; Vu l’arrêté royal du 19 mars 2007 fixant les règles générales relatives à l’organisation et au fonctionnement de la Commission interdéparte mentale pour le Développement durable; Vu l’arrêté royal du 19 janvier 2011 portant démission et nomination des membres de la Commission interdépartementale pour le Dévelop pement durable; Vu l’arrêté royal du 26 septembre 2011 relatif à l’autorité compétente pour l’accueil des navires ayant besoin d’assistance; Vu l’arrêté royal du 13 novembre 2012 relatif à l’institution d’une commission consultative et à la procédure d’adoption d’un plan d’aménagement des espaces marins dans les espaces marins belges; Vu l’arrêté royal du 21 décembre 2013 portant création d’un réseau de fonctionnaires fédéraux pauvreté; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné les 4 et 5 novem bre 2013; Vu l’accord du Secrétaire d’Etat à la Fonction publique, donné le 13 novembre 2013; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 12 novembre 2013; Vu le protocole n° 691 du 6 décembre 2013 du Comité des services publics fédéraux, communautaires et régionaux; Vu l’avis n° 54.784/1 du Conseil d’Etat, donné le du 20 janvier 2014, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973; Sur la proposition du Premier Ministre, de la Ministre de la Santé publique, du Ministre des Finances, chargé de la Fonction publique, et du Secrétaire d’Etat au Développement durable et de l’avis des Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE 1er. — Définitions Article 1er. Pour l’application du présent arrêté, on entend par : 1° « cellules de développement durable » : les cellules de dévelop pement durable, créées par l’arrêté royal du 22 septembre 2004 portant création des cellules de développement durable au sein des services 20381BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten en het Ministerie van Landsverdediging; 2° “Commissie” : de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling, opgericht door artikel 16 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling; 3° “Minister” : de Minister of de Staatssecretaris bevoegd voor duurzame ontwikkeling; HOOFDSTUK 2. — Oprichting van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling Art. 2. Bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister wordt het Federaal Instituut voor Duurzame ontwikkeling, hierna “het Instituut” genoemd, opgericht. Voor de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst, wordt het Instituut beschouwd als een operationele dienst. Art. 3. Het Instituut staat onder gezag van de Minister. Voor de uitvoering van zijn opdrachten, doet het Instituut een beroep op : 1° de administratieve en logistieke ondersteuning van de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister 2° de financiële middelen waarin binnen de Federale Overheids dienst Kanselarij van de Eerste Minister voorzien is of die toegekend worden voor de opdrachten van het Instituut. Art. 4. § 1. Het Instituut heeft tot opdracht : de voorbereiding van het beleid inzake duurzame ontwikkeling; de coördinatie van de uitvoering van het beleid inzake duurzame ontwikkeling; de terbeschikkingstelling van expertise. Het oefent de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit onverminderd de opdrachten die aan de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling en aan het Federaal Planbureau door de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling toegekend zijn. Het vervult deze opdracht in nauwe samenwerking met de cellen duurzame ontwikkeling. § 2. Het Instituut wordt geleid door een directeur. Hij is van rechtswege de voorzitter van de Commissie. De directeur van het Instituut, hierna “de directeur” genoemd, wordt door Ons benoemd op voorstel van de Minister voor een hernieuwbaar mandaat van 6 jaar. Het mandaat kan hoogstens 2 keer verlengd worden. Wanneer de functie van directeur door de Minister vacant wordt verklaard en de houder ervan, van wie het mandaat verstrijkt, zijn kandidatuur stelt, krijgt hij een nieuw mandaat, voor zover hij minimaal de eindvermelding “voldoet aan de verwachtingen” kreeg na het eerste mandaat en “uitzonderlijk” na het tweede mandaat. Art. 5. § 1. De betrekkingen waarin het personeelsplan van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikke ling voorziet, worden afgeschaft. Deze betrekkingen worden overgeno men in het personeelsplan van het Instituut, met uitzondering van de betrekking van de voorzitter. De ambtenaren en personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, die titularis zijn van één van de overgenomen betrekkingen bedoeld in het eerste lid, worden overeenkomstig de artikelen 10 tot 12 overgedragen naar het Instituut. § 2. Het aantal betrekkingen, bedoeld in § 1, kan worden uitgebreid met 4 betrekkingen voor ambtenaren die via een verlof voor opdracht van algemeen belang overkomen vanuit andere federale en program matorische overheidsdiensten, binnen de grenzen van de personeels enveloppe van het Instituut. Een oproep tot de kandidaten voor de functie van opdrachthouder, waarin een functiebeschrijving en competentieprofiel is opgenomen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Op advies van de directeur worden deze personeelsleden aangewe zen door de Minister. De personeelsleden, bedoeld in § 2, 1ste lid, oefenen hun opdrachten binnen het Instituut volledig onafhankelijk van hun overheidsdienst van herkomst uit. § 3. De ambtenaren, bedoeld in § 1, kunnen ter beschikking worden gesteld van één van de cellen duurzame ontwikkeling. publics fédéraux, des services publics fédéraux de programmation et du Ministère de la Défense; 2° « Commission » : la Commission interdépartementale pour le Développement durable, créée par la loi du 5 mai 1997 relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable; 3° « Ministre » : le Ministre ou le Secrétaire d’Etat qui a le Développement durable dans ses attributions; CHAPITRE 2. — Création de l’Institut fédéral pour le Développement durable Art. 2. Auprès du Service public fédéral de la Chancellerie du Premier Ministre est créé l’Institut fédéral pour le Développement durable, ci-après dénommé « l’Institut ». Pour l’application de l’arti cle 4 de l’arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral, l’Institut est considéré comme un service opérationnel. Art. 3. L’Institut est placé sous l’autorité du Ministre. Pour l’exécution de ses missions, l’Institut fait appel : 1° à l’appui administratif et logistique du Service public fédéral de la Chancellerie du Premier Ministre 2° aux moyens financiers au sein du Service public fédéral Chancel lerie du Premier Ministre qui sont prévus ou sont octroyés pour l’exercice des missions de l’Institut. Art. 4. § 1er. L’Institut a pour mission : la préparation de la politique en matière de développement durable; la coordination de l’exécution de la politique en matière de développement durable; la mise à disposition d’expertise Il exerce les missions visées au premier alinéa sans préjudice des missions attribuées à la Commission interdépartementale pour le Développement durable et au Bureau fédéral du Plan par la loi du 5 mai 1997 relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable. Il remplit cette mission en étroite collaboration avec les cellules de développement durable. § 2. L’Institut est dirigé par un directeur. Il est de droit le président de la Commission. Le directeur de l’Institut, ci-après dénommé « le directeur » est nommé par Nous sur proposition du Ministre pour un mandat renouvelable de 6 ans. Le mandat peut être renouvelé au maximum 2 fois. Au moment où la fonction de directeur est déclarée vacante par le Ministre et que le titulaire duquel le mandat prend fin, pose sa candidature, celui-ci obtient un nouveau mandat pour autant qu’il ait obtenu comme mention finale au minimum « répond aux attentes » après le premier mandat et « exceptionnel » après le deuxième mandat. Art. 5. § 1er. Les emplois prévus dans le plan de personnel du Service public fédéral de Programmation Développement durable sont supprimés. Ces emplois sont repris dans le plan de personnel de l’Institut à l’exception de l’emploi du président. Les agents et membres du personnel du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, titulaires d’un des emplois repris visés à l’alinéa 1er sont transférés à l’Institut conformément aux articles 10 à 12. § 2. Le nombre d’emplois, visé au § 1er, peut être élargi de 4 emplois pour des agents qui au moyen d’un congé pour mission d’intérêt général proviennent d’autres services publics fédéraux et de program mation en tant que chargés de mission, dans les limites de l’enveloppe de personnel de l’Institut. Un appel aux candidats comportant une description de fonction et un profil de compétence, est publié au Moniteur belge. Sur avis du directeur, ces agents sont désignés par le Ministre. Les agents visés au § 2, 1er alinéa, exercent leurs missions au sein de l’Institut en toute indépendance par rapport à leur service public d’origine. § 3. Les agents, visés au § 1er, peuvent être mis à disposition d’une des cellules de développement durable. 20382 BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE § 4. In afwijking van artikel 109 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, kunnen de betrekkingen van de ambtenaren bedoeld in § 2 niet vacant worden verklaard in hun dienst van oorsprong. Art. 6. § 1. Om als directeur te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat : 1° houder zijn van een diploma van de 2e cyclus van het universitair onderwijs of van het hoger onderwijs van academisch niveau of daarmee gelijkgesteld; 2° beschikken over minstens 6 jaar managementervaring in de overheids- en/of privésector of 9 jaar nuttige beroepservaring; 3° vertrouwd zijn met het vakgebied duurzame ontwikkeling; 4° een goede kennis hebben van de werking van de overheidsdien sten. De anciënniteit in de klassen A3 en A4 van het federaal administratief openbaar ambt of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de Gewest- en de Gemeenschapsregeringen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschapscommissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de managementervaring en de nuttige beroepservaring, bedoeld in het eerste lid, 2°. § 2. De Minister organiseert de selectieprocedure voor de directeur via SELOR, Selectiebureau van de Federale Overheid. § 3. De directeur wordt gelijkgesteld met een Rijksambtenaar van de klasse A4 en wordt bezoldigd in één van de weddeschalen verbonden aan die klasse, overeenkomstig de principes vervat in het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Art. 7. § 1. Indien de directeur reeds de hoedanigheid van Rijksamb tenaar in een andere federale overheidsdienst bezit, wordt hij er ambtshalve in verlof geplaatst met een opdracht van algemeen belang voor de duur van zijn mandaat. In afwijking van artikel 109 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, kan zijn betrekking niet vacant worden verklaard en kan enkel worden ingevuld door toedoen van hogere functies. § 2. Onverminderd de bepalingen van onderhavig besluit, wordt hij, voor de duur van zijn mandaat, onderworpen aan de bepalingen van het statuut van het rijkspersoneel in verband met : 1° de rechten, plichten en onverenigbaarheden; 2° de persoonlijke verantwoordelijkheid; 3° de controle van de fysieke geschiktheid; 4° de administratieve standen; 5° de verloven; 6° de dienstanciënniteit; 7° de uitkeringen en vergoedingen van alle aard; 8° het syndicaal statuut; 9° de evaluatie; 10° de schorsing in het belang van de dienst; 11° het tuchtregime; 12° de beëindiging van de functies. Art. 8. Indien de directeur niet valt onder de toepassing van artikel 7, § 1, is hij onderworpen aan het sociaal zekerheidsstelsel van de contractuele personeelsleden van de Staat en aan de andere voorschriften vermeld in artikel 7, § 2. HOOFDSTUK 3. — Afschaffing van de Programmatorische federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling en overdracht van haar personeel Art. 9. De Programmatorische federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling wordt afgeschaft. Art. 10. § 1. Met toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt bekomen de federale statutaire ambtenaren, titularissen van de betrekkingen bedoeld in artikel 5, § 1, ambtshalve mobiliteit van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu naar het Instituut. § 4. Par dérogation à l’article 109 de l’arrêté royal du 19 novem bre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l’Etat, les emplois des agents visés au § 2 ne peuvent pas être déclaré vacants dans leur service d’origine. Art. 6. § 1er. Pour pouvoir être nommé directeur, le candidat doit : 1° être porteur d’un diplôme du 2ème cycle de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supérieur du niveau académique ou équivalent; 2° disposer d’une expérience de management d’au moins six ans dans le secteur public et/ou privé ou 9 ans d’expérience professionnelle utile; 3° être familier avec le domaine du développement durable; 4° avoir une bonne connaissance du fonctionnement des services publics. L’ancienneté dans les classes A3 et A4 de la fonction publique fédérale ou d’un grade de rang ou d’une classe équivalent dans les services des gouvernements de Communautés et des Régions ou de la Commission communautaire commune ou de la Commission commu nautaire flamande ou de la Commission communautaire française ou des personnes morales de droit public qui en dépendent, est prise en considération pour le calcul de l’expérience de management et de l’expérience professionnelle, visées au premier alinéa, 2°. § 2. Le Ministre organise la procédure de sélection du directeur via le SELOR, Bureau de sélection de l’Administration fédérale. § 3. Le directeur est assimilé à un agent de l’Etat de la classe A4 et est rémunéré dans une des échelles de traitement affectées à cette classe, conformément aux principes repris dans l’arrêté royal du 25 octo bre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale. Art. 7. § 1er. Si le directeur a déjà la qualité d’agent nommé à titre définitif dans un autre service public fédéral, il y est placé d’office en mission d’intérêt général pour la durée de son mandat. Par dérogation à l’article 109 de l’arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administra tions de l’Etat, son emploi ne peut être déclaré vacant et il ne peut y être pourvu que par l’octroi de fonctions supérieures. § 2. Sans préjudice des dispositions du présent arrêté, il est soumis, pendant la durée de son mandat, aux dispositions du statut des agents de l’Etat concernant : 1° les droits, les devoirs et les incompatibilités; 2° la responsabilité personnelle; 3° le contrôle des aptitudes physiques; 4° les positions administratives; 5° les congés; 6° l’ancienneté de service; 7° les allocations et indemnités de toute nature; 8° le statut syndical; 9° l’évaluation; 10° la suspension dans l’intérêt du service; 11° le régime disciplinaire; 12° la cessation des fonctions. Art. 8. Si le directeur ne tombe pas sous l’application de l’article 7, § 1er, il est soumis au régime de sécurité sociale des membres du personnel contractuel de l’Etat et aux autres prescriptions énoncées à l’article 7, § 2. CHAPITRE 3. — Suppression du Service public fédéral de programmation Développement durable et transfert de son personnel Art. 9. Le Service Public fédéral de Programmation Développement durable est supprimé. Art. 10. § 1er. En application de l’article 34 de l’arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative, les agents statutaires fédé raux, titulaires des emplois visés à l’article 5, § 1er, bénéficient de la mobilité d’office du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement à l’Institut. 20383BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE § 2. De in § 1 vermelde ambtenaren behouden alle verloven waarop zij recht hadden, overeenkomstig de reglementering die op hen van toepassing was op het moment van hun overdracht en vanaf de datum waarop dit recht werd verworven. Art. 11. De personeelsleden die door het ministerieel besluit van 30 augustus 2006 werden overgedragen van het Federaal Planbureau naar de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, titularissen van de betrekkingen bedoeld in artikel 5, § 1, worden overgedragen naar het Instituut bij een ministerieel besluit genomen door de Minister en de Minister van Volksgezondheid. Zij behouden de hoedanigheid en de rechten die hen werden toegekend krachtens het koninklijk besluit van 22 augus tus 2006 tot uitvoering van artikel 352 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen en slechts in zoverre de voorwaarden voor de toekenning ervan behouden blijven. Hun overdracht vormt geen benoeming. Art. 12. De personeelsleden aangeworven met arbeidsovereenkomst door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, titularissen van de betrekkingen bedoeld in artikel 5, § 1, worden overgedragen naar het Instituut bij een ministerieel besluit genomen door de Minister en de Minister van Volksgezondheid. Zij behouden de hoedanigheid, de graad of de klasse overeenstemmend met de betrekking waarvoor zij werden aangewor ven, de geldelijke anciënniteit en de weddenschaal die hen werd toegekend. Zij behouden ook de toelagen, de vergoedingen, de premies en de andere voordelen waarvan zij genoten overeenkomstig de reglementering die op hen van toepassing was. Zij behouden de voordelen die verbonden zijn aan hun functie slechts in zoverre de voorwaarden voor de toekenning ervan behouden blijven. De overdrachten, bedoeld in het eerste lid, vormen geen benoeming. HOOFDSTUK 4. — Slotbepalingen Art. 13. Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 9 januari 2000 tot bepaling van de algemene regels van de raadpleging van de bevolking over het voorontwerp van federaal plan inzake duurzame ontwikkeling; 2° artikel 2, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Volksgezond heid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, ingevoegd bij koninklijk besluit van 8 oktober 2004; 3° het koninklijk besluit van 25 februari 2002 houdende oprichting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Duurzame Ont wikkeling, gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 oktober 2004; 4° artikel 1, 2°, c), en artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 september 2004 houdende oprichting van cellen duurzame ontwikkeling in de federale overheidsdiensten, de program matorische federale overheidsdiensten en het Ministerie van Landsver dediging; 5° het koninklijk besluit van 19 maart 2007 houdende vaststelling van de algemene regels inzake de organisatie en de werking van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling; 6° artikel 2, 16e gedachtestreepje, van het koninklijk besluit van 19 januari 2011 houdende ontslag en benoeming van de leden van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling; 7° artikel 2, 10°, van het koninklijk besluit van 26 september 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven. Art. 14. In artikel 8, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 22 september 2004 houdende oprichting van cellen duurzame ontwikkeling in de federale overheids-diensten, de programmatorische federale overheidsdiensten en het Ministerie van Landsverdediging worden de woorden “de Programmatorische Federale Overheids dienst Duurzame Ontwikkeling” vervangen door de woorden “het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling”. Art. 15. In artikel 1, § 1, 11°, van het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden worden de woorden “de Program matorische Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling” vervangen door de woorden “het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling”. § 2. Les agents, visés au § 1er, conservent l’ensemble des congés dont ils bénéficiaient conformément à la réglementation qui leur était applicable au moment de leur transfert et à partir de la date à laquelle ce droit leur était acquis. Art. 11. Les membres du personnel qui ont été transférés par l’arrêté ministériel du 30 août 2006 du Bureau fédéral du Plan au Service Public Fédéral Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environne ment, titulaires des emplois visés à l’article 5, § 1er, sont transférés à l’Institut par un arrêté ministériel pris par le Ministre et le Ministre de la Santé publique. Ils conservent la qualité et les droits qui leurs ont été attribués en vertu de l’arrêté royal du 22 août 2006 exécutant l’article 352 de la loi du 20 juillet 2006 portant dispositions diverses et pour autant que les conditions de l’octroi de ceux-ci subsistent. Leur transfert ne constitue pas une nomination. Art. 12. Les membres du personnel engagés par contrat de travail par le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, titulaires des emplois visés à l’article 5, § 1er, sont transférés à l’Institut par un arrêté ministériel pris par le Ministre et le Ministre de la Santé publique. Ils conservent leur qualité, le grade ou la classe correspondant à l’emploi pour lequel ils ont été engagés, leur ancienneté pécuniaire et l’échelle de traitement qui leur ont été accordées. Ils conservent également les allocations, les indem nités, les primes et les autres avantages dont ils bénéficiaient confor mément à la réglementation qui leur était applicable. Ils ne conservent les avantages liés à leur fonction que pour autant que les conditions de l’octroi de ceux-ci subsistent. Les transferts, visés à l’alinéa 1er, ne constituent pas une nomination. CHAPITRE 4. — Dispositions finales Art. 13. Sont abrogés : 1° l’arrêté royal du 9 janvier 2000 fixant les règles générales pour la consultation de la population sur l’avant-projet de plan fédéral de développement durable; 2° l’article 2, § 1er, 4°, de l’arrêté royal du 23 mai 2001 portant création du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, inséré par l’arrêté royal du 8 octo bre 2004; 3° l’arrêté royal du 25 février 2002 portant création du Service public fédéral de Programmation Développement durable, modifié par l’arrêté royal du 8 octobre 2004; 4° l’article 1er, 2°, c), et l’article 8, premier et deuxième alinéa, de l’arrêté royal du 22 septembre 2004 portant création des cellules de développement durable au sein des services publics fédéraux, des services publics fédéraux de programmation et du Ministère de la Défense; 5° l’arrêté royal du 19 mars 2007 fixant les règles générales relatives à l’organisation et au fonctionnement de la Commission interdéparte mentale pour le Développement durable; 6° l’article 2, 16e tiret de l’arrêté royal du 19 janvier 2011 portant démission et nomination des membres de la Commission interdépar tementale pour le Développement durable; 7° l’article 2, 10°, de l’arrêté royal du 26 septembre 2011 relatif à l’autorité compétente pour l’accueil des navires ayant besoin d’assis tance. Art. 14. Dans l’article 8, troisième et quatrième alinéa, de l’arrêté royal du 22 septembre 2004 portant création des cellules de dévelop pement durable au sein des services publics fédéraux, des services publics fédéraux de programmation et du Ministère de la Défense, les mots « le Service public fédéral de programmation Développement durable » sont remplacés par les mots « l’Institut fédéral pour le développement durable » . Art. 15. Dans l’article 1er, § 1er, 11°, de l’arrêté royal du 13 novem bre 2012 relatif à l’institution d’une commission consultative et à la procédure d’adoption d’un plan d’aménagement des espaces marins dans les espaces marins belges, les mots « le Service public de programmation Développement durable » sont remplacés par les mots « l’Institut fédéral pour le développement durable ». 20384 BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE Art. 16. In de bijlage van het koninklijk besluit van 21 decem ber 2013 tot oprichting van een netwerk van federale armoedeambte naren worden de woorden “POD Duurzame Ontwikkeling” vervangen door de woorden “Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling”. Art. 17. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2014. Art. 18. De Eerste Minister, de Minister bevoegd voor Volksgezond heid en de Minister bevoegd voor Duurzame Ontwikkeling zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 21 februari 2014. FILIP Van Koningswege : De Eerste Minister, E. DI RUPO De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken, K. GEENS De Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling, S. VERHERSTRAETEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN [C − 2014/03013] 26 JANUARI 2014. — Koninklijk besluit tot wijziging van de deelnemingsvoorschriften aan de openbare loterijen, genaamd « Pick 3 », « Euro Millions », « Keno », « Lotto », « Joker+ » en de algemene deelnemingsvoorschriften aan de openbare loterijen en wedstrijden georganiseerd door de Nationale Loterij met behulp van de instrumenten van de informatiemaatschappij FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij, artikel 3, § 1, eerste lid, gewijzigd bij de Programmawet I van 24 december 2002 en de wet van 10 januari 2010, en artikel 6, § 1, 1°, gewijzigd bij de Programmawet I van 24 december 2002; Gelet op het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 houdende het reglement van de « Pick-3 », openbare loterij georganiseerd door de Nationale Loterij; Gelet op het koninklijk besluit van 7 september 2004 tot bepaling van de vorm en de algemene voorwaarden van de door de Nationale Loterij georganiseerde openbare loterijen « Euro Millions » en « Joker+ »; Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 2008 houdende het reglement van de « Keno », een door de Nationale Loterij georgani seerde openbare loterij; Gelet op het koninklijk besluit van 24 november 2009 tot bepaling van de algemene deelnemingsvoorschriften aan de openbare loterijen en wedstrijden georganiseerd door de Nationale Loterij met behulp van de instrumenten van de informatiemaatschappij; Gelet op het koninklijk besluit van 14 juli 2011 houdende het reglement van de Lotto en de Joker+, openbare loterijen georganiseerd door de Nationale Loterij, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 september 2004 tot bepaling van de vorm en de algemene voorwaarden van de door de Nationale Loterij georganiseerde open bare loterijen « Euro Millions » en « Joker+ »; Gelet op het koninklijk besluit van 10 juli 2012 tot bepaling van de algemene deelnemingsvoorschriften aan de openbare instantloterijen georganiseerd door de Nationale Loterij met behulp van de instrumen ten van de informatiemaatschappij; Art. 16. Dans l’annexe de l’arrêté royal du 21 décembre 2013 portant création d’un réseau de fonctionnaires fédéraux pauvreté les mots « SPP Développement durable » sont remplacés par les mots « Institut fédéral de Développement durable ». Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er mars 2014. Art. 18. Le Premier Ministre, la Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions et le Ministre qui a le Développement durable dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 21 février 2014. PHILIPPE Par le Roi : Le Premier Ministre, E. DI RUPO La Ministre de la Santé publique, Mme L. ONKELINX Le Ministre des Finances, chargé de la Fonction publique, K. GEENS Le Secrétaire d’Etat au Développement durable, S. VERHERSTRAETEN SERVICE PUBLIC FEDERAL FINANCES [C − 2014/03013] 26 JANVIER 2014. — Arrêté royal modifiant les règles de participa tion aux loteries publiques appelées « Pick-3 », « Euro Millions », « Keno », « Lotto », « Joker+ » et les modalités générales de la participation aux loteries publiques et concours organisés par la Loterie Nationale au moyen des outils de la société de l’informa tion PHILIPPE, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du fonctionne ment et de la gestion de la Loterie Nationale, l’article 3, § 1er, alinéa 1er, modifié par la Loi-programme I du 24 décembre 2002 et la loi du 10 janvier 2010, et l’article 6, § 1er, 1°, modifié par la Loi-programme I du 24 décembre 2002; Vu l’arrêté royal du 9 août 2002 portant le règlement du « Pick-3 », loterie publique organisée par la Loterie Nationale; Vu l’arrêté royal du 7 septembre 2004 fixant la forme et les modalités générales des loteries publiques « Euro Millions » et « Joker+ » organisées par la Loterie Nationale; Vu l’arrêté royal du 18 janvier 2008 portant le règlement du « Keno », loterie publique organisée par la Loterie Nationale; Vu l’arrêté royal du 24 novembre 2009 fixant les modalités générales de la participation aux loteries publiques et concours organisés par la Loterie Nationale au moyen des outils de la société de l’information; Vu l’arrêté royal du 14 juillet 2011 portant le règlement du Lotto et du Joker+, loteries publiques organisées par la Loterie Nationale et modifiant l’arrêté royal du 7 septembre 2004 fixant la forme et les modalités générales des loteries publiques « Euro Millions et « Joker+ » organisées par la Loterie Nationale; Vu l’arrêté royal du 10 juillet 2012 fixant les modalités générales de la participation aux loteries publiques instantanées organisées par la Loterie Nationale au moyen des outils de la société de l’information; 20385BELGISCH STAATSBLAD — 10.03.2014 — MONITEUR BELGE