Arrêté royal fixant les conditions d’agrément des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence
Made 2006-11-26 · Text as of 2026-10-01
Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.
About this law
- Language
- French
- Kind
- Regulation
- Country
- Belgium
- Subjects
- Livestock
- Keywords
- cattle, pests/diseases, animal health, institution, subsidy/incentive, governance
Where to read it
No source link is recorded for this law.
Text
The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.
176e JAARGANG 176e ANNEEN. 397 DONDERDAG 7 DECEMBER 2006 JEUDI 7 DECEMBRE 2006 TWEEDE EDITIE DEUXIEME EDITION INHOUD Wetten, decreten, ordonnanties en verordeningen Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 17 OKTOBER 2006. — Wet houdende instemming met de Overeen komst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005, bl. 68387. Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie 14 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit ter bepaling van de vergoedingsvoorwaarden van de leden van de Hoge Raad voor Normalisatie, bl. 68390. 20 JULI 2006. — Wet tot wijziging van de wet van 13 juli 1976 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake een internatio naal energieprogramma, en van de Bijlage, opgemaakt te Parijs op 18 november 1974. Erratum, bl. 68391. Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken 3 OKTOBER 2006. — Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van bepalingen van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk met betrekking tot de Codex over het welzijn op het werk en van het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 tot wijziging van dit besluit, bl. 68391. 23 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot het verlenen van een subsidie aan de vereniging zonder winstoogmerk « Institut de Sécurité Incendie – Instituut voor Brandveiligheid », afgekort : « I.S.I.B. », om bij te dragen in de kosten van laboratoria belast met onderzoeken betreffende de brandvoorkoming, bl. 68426. SOMMAIRE Lois, décrets, ordonnances et règlements Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopé ration au Développement 17 OCTOBRE 2006. — Loi portant assentiment à l’Accord entre le Royaume de Belgique et le Gouvernement du Canada relatif au programme vacances-travail, signé à Bruxelles le 29 avril 2005, p. 68387. Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie 14 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal déterminant les conditions d’indemnités des membres du Conseil supérieur de la Normalisation, p. 68390. 20 JUILLET 2006. — Loi portant modification de la loi du 13 juillet 1976 portant approbation de l’Accord relatif à un programme international de l’énergie, et de l’Annexe, faits à Paris le 18 novem bre 1974. Erratum, p. 68391. Service public fédéral Intérieur 3 OCTOBRE 2006. — Arrêté royal établissant la traduction officielle en langue allemande de dispositions de l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail ayant trait au Code sur le bien-être au travail et de l’arrêté royal du 11 octobre 2002 modifiant cet arrêté, p. 68391. 23 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal accordant une subvention à l’association sans but lucratif « Institut de Sécurité Incendie – Instituut voor Brandveiligheid », en abrégé : « I.S.I.B. », à titre d’intervention dans les frais de laboratoires effectuant des recherches relatives à la prévention en matière d’incendie, p. 68426. 214 bladzijden/pages BELGISCH STAATSBLAD MONITEUR BELGE Publicatie overeenkomstig artikelen 472 tot 478 van de programmawet van 24 december 2002, gewijzigd door de artikelen 4 tot en met 8 van de wet houdende diverse bepalingen van 20 juli 2005. Le Moniteur belge peut être consulté à l’adresse : www.moniteur.be Bestuur van het Belgisch Staatsblad, Leuvenseweg 40-42, 1000 Brussel - Adviseur : A. Van Damme Gratis tel. nummer : 0800-98 809 Publication conforme aux articles 472 à 478 de la loi-programme du 24 décembre 2002, modifiés par les articles 4 à 8 de la loi portant des dispositions diverses du 20 juillet 2005. Dit Belgisch Staatsblad kan geconsulteerd worden op : www.staatsblad.be Direction du Moniteur belge, rue de Louvain 40-42, 1000 Bruxelles - Conseiller : A. Van Damme Numéro tél. gratuit : 0800-98 809 Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur, bl. 68427. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg 15 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 novem ber 2005, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, houdende diverse bepalingen, bl. 68435. 24 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2005, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de organisatie van opleidings- en tewerkstellingsstelsels voor 2005 tot 2009, bl. 68437. 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor de houthandel, betreffende de arbeidsvoorwaarden, de bevordering van de werkgele genheid en de vormingsinitiatieven ten behoeve van risicogroepen, bl. 68452. 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 mei 2005, gesloten in het Paritair Subcomité voor de privé ziekenhuizen, betreffende het voltijds conventioneel brugpensioen vanaf 56 jaar, bl. 68457. 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 juni 2005, gesloten in het Paritair Subcomité voor het marokijnwerk en de handschoennijverheid, betreffende de arbeidsvoorwaarden, bl. 68459. 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 maart 2006, gesloten in het Paritair Subcomité voor de luchtvaart maatschappijen andere dan de NV SABENA, betreffende de omzetting van de Europese richtlijn 2000/79/EG betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart, bl. 68464. 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen, inzake de voorwaarden tot gelijkstelling van een tewerkstellingscel opgericht door een Gewest met een federale tewerkstellingscel, bl. 68465. 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Hulpkas voor werk loosheidsuitkeringen titularis kunnen zijn en houdende vereenvoudi ging van de loopbaan van sommige ambtenaren van die instelling, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 tot vaststelling van de weddenschalen van de bijzondere graden van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, bl. 68467. 26 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, bl. 68469. Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid 22 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en de wijze van verdeling van de rijkstoela gen voor de dienst voor geneeskundige verzorging georganiseerd door de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, bl. 68471. Service public fédéral Mobilité et Transports 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant les structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire, p. 68427. Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale 15 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 24 novembre 2005, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épar gne et de capitalisation, portant des dispositions diverses, p. 68435. 24 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 24 juin 2005, conclue au sein de la Commission paritaire de la construction, relative à l’organisation des régimes de formation et d’emploi pour les années 2005 à 2009, p. 68437. 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 28 juin 1999, conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois, relative aux conditions de travail, à la promotion de l’emploi, à la sauvegarde préventive de la compétitivité et aux initiatives de formation en faveur des groupes à risque, p. 68452. 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 30 mai 2005, conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour les hôpitaux privés, relative à la prépension conventionnelle à temps plein à partir de 56 ans, p. 68457. 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 21 juin 2005, conclue au sein de la Sous-commission paritaire de la maroquinerie et de la ganterie, concernant les conditions de travail, p. 68459. 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 30 mars 2006, conclue au sein de la Sous-commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA, concernant la transposition de la directive euro péenne 2000/79/EG concernant l’organisation du temps de travail du personnel mobile dans l’aviation commerciale, p. 68464. 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations, en ce qui concerne les conditions d’assimilation d’une cellule Emploi créée par une Région à une cellule d’emploi fédéral, p. 68465. 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 23 juin 1998 relatif au classement hiérarchique des grades que peuvent porter les agents de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage et portant simplification de la carrière de certains agents de cet organisme, et modifiant l’arrêté royal du 23 juin 1998 fixant les échelles de traitement des grades particuliers de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage, p. 68467. 26 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal portant exécution de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d’infraction à certaines lois sociales, p. 68469. Service public fédéral Sécurité sociale 22 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 29 octobre 2001 déterminant les conditions d’octroi et le mode de répartition des subventions de l’Etat pour le service des soins de santé, organisé par les mutualités et les unions nationales de mutualités, p. 68471. 68382 BELGISCH STAATSBLAD − 07.12.2006 − Ed. 2 − MONITEUR BELGE Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu 20 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, bl. 68472. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu en Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen 26 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit houdende voorwaarden voor de erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten en het hun toevertrouwen van taken die tot de bevoegd heid van het Agentschap behoren, bl. 68474. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu en Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie 22 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot aanvulling van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 betreffende de benamingen en de kenmerken van de biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstof fen voor motorvoertuigen en voor niet voor de weg bestemde mobiele machines, bl. 68475. Gemeenschaps- en Gewestregeringen Vlaamse Gemeenschap Vlaamse overheid 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering houdende de toekenning van VIA-subsidies aan de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, bl. 68479. 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2001 ter uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk, bl. 68481. 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg, bl. 68484. 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidiëring van bepaalde personeelskosten, van management en van kwaliteitsondersteunende maatregelen voor voorzieningen en diensten, gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, bl. 68487. 29 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, bl. 68492. 6 OKTOBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden, bl. 68493. 10 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorwaarden voor de overname van personeels leden van de VZW Info-Toerisme door het intern verzelfstandigd agentschap Toerisme Vlaanderen, bl. 68496. Franse Gemeenschap Ministerie van de Franse Gemeenschap 15 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de criteria en de nadere regels voor de toekenning van werkingssubsidies aan lokale televisiezenders, bl. 68505. Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement 20 NOVEMBRE 2006. — Arrêté ministériel approuvant le règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, p. 68472. Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire 26 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal fixant les conditions d’agré ment des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence, p. 68474. Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie 22 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal complétant l’arrêté royal du 4 mars 2005 relatif aux dénominations et aux caractéristiques des biocarburants et d’autres carburants renouvelables pour les véhicules à moteur et pour les engins mobiles non routiers, p. 68475. Gouvernements de Communauté et de Région Communauté flamande Autorité flamande 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand attribuant des subventions VIA aux Centres de santé mentale, p. 68480. 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2001 portant exécu tion du décret du 19 décembre 1997 relatif à l’aide sociale générale, p. 68482. 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1997 réglant l’agrément et le subventionnement des centres d’aide intégrale aux familles, p. 68485. 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand portant subventionnement de certains frais de personnel, de l’aide à la gestion et de mesures appuyant la qualité pour des structures et services subventionnés par l’agence « Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap », p. 68490. 29 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modi fiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d’agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d’accueil, p. 68493. 6 OCTOBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l’agrément et au subventionnement de partenariats régionaux, p. 68495. 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand établis sant les conditions de la reprise des membres du personnel de l’ASBL ″Info Toerisme″ par l’agence autonomisée interne ″Toerisme Vlaanderen″ (Tourisme Belgique Flandre & Bruxelles), p. 68498. Communauté française Ministère de la Communauté française 15 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement de la Commu nauté française fixant les critères et modalités d’octroi des subventions de fonctionnement aux télévisions locales, p. 68499. 68383BELGISCH STAATSBLAD − 07.12.2006 − Ed. 2 − MONITEUR BELGE Waals Gewest Ministerie van het Waalse Gewest 23 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van Boek II van het Leefmilieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, bl. 68509. Gemeinschafts- und Regionalregierungen Wallonische Region Ministerium der Wallonischen Region 23. NOVEMBER 2006 — Erlass der Wallonischen Regierung zur Abänderung des Buches II des Umweltgesetzbuches, welches das Wassergesetzbuch bildet, S. 68508. Andere besluiten Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Raad van State. Ontslag, bl. 68511. — Personeel. Pensionering, bl. 68511. — Personeel. Pensionering, bl. 68511. Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer Personeel. Benoemingen, bl. 68511. — Personeel. Benoeming. Erratum, bl. 68512. Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot goedkeuring van de wijziging van de statuten van de « Algemene Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen Het Gezin », bl. 68512. Burgerlijke Invaliditeitscommissie. Benoeming, bl. 68518. — Arbeids rechtbank te Nijvel. Benoemingen, bl. 68518. — Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Technische geneeskundige raad, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging. Hernieuwing van mandaten en benoeming van leden, bl. 68519. — Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Ontslag en benoeming van een lid, bl. 68519. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu 26 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit tot erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten, bl. 68519. Federale Overheidsdienst Justitie Rechterlijke Orde, bl. 68520. Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie 14 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot benoeming van de leden van de Nationale Raad voor de Coöperatie, bl. 68521. Gemeenschaps- en Gewestregeringen Vlaamse Gemeenschap Vlaamse overheid Vervanging van een lid van de Praktijkcommissie van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming. Syntra Vlaanderen, bl. 68523. — Provincie Vlaams-Brabant. Ruimtelijke ordening. Gemeentelijk ruimte lijk structuurplan, bl. 68523. Cultuur, Jeugd, Sport en Media 28 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit houdende de tijdelijke erkenning van de procedure van monsterneming voor dopingcontrole van de Europese Atletiek Associatie (E.A.A.) en de « International Association of Athletics Federations (I.A.A.F.) » in het kader van de medisch verantwoorde sportbeoefening, bl. 68523. Région wallonne Ministère de la Région wallonne 23 NOVEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement wallon modifiant le Livre II du Code de l’Environnement contenant le Code de l’Eau, p. 68506. Autres arrêtés Service public fédéral Intérieur Conseil d’Etat. Démission, p. 68511. — Personnel. Mise à la retraite, p. 68511. — Personnel. Mise à la retraite, p. 68511. Service public fédéral Mobilité et Transports Personnel. Nominations, p. 68511. — Personnel. Nomination. Erratum, p. 68512. Service public fédéral Sécurité sociale 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal portant approbation de la modification des statuts de l’« Algemene Verrekenkas voor Gezinsver goedingen Het Gezin », p. 68512. Commissions civiles d’invalidité. Nomination, p. 68518. — Tribunal du travail de Nivelles. Nominations, p. 68518. — Institut national d’assurance maladie-invalidité. Conseil technique médical, institué auprès du Service des soins de santé. Renouvellement de mandats et nomination de membres, p. 68519. — Institut national d’assurance maladie-invalidité. Comité général de gestion de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité. Démission et nomination d’un membre, p. 68519. Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement 26 NOVEMBRE 2006. — Arrêté ministériel agréant des associations de lutte contre les maladies des animaux, p. 68519. Service public fédéral Justice Ordre judiciaire, p. 68520. Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie 14 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal portant nomination de membres du Conseil national de la Coopération, p. 68521. Gouvernements de Communauté et de Région 68384 BELGISCH STAATSBLAD − 07.12.2006 − Ed. 2 − MONITEUR BELGE Franse Gemeenschap Ministerie van de Franse Gemeenschap 20 OKTOBER 2006. — Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de samenstelling van de delegatie van de overheid in het comité voor het overleg tussen de Regering van de Franse Gemeenschap en de vertegenwoordigings- en coördinatie organen van de inrichtende machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS-centra die erkend worden door de Regering, bl. 68525. Waals Gewest Waals Ministerie van Uitrusting en Vervoer 14 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit tot onteigening van goederen en onroerende goederen in Komen-Waasten, bl. 68526. Brussels Hoofdstedelijk Gewest Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Privétewerkstellingsagentschap. Erkenningen, bl. 68527. Officiële berichten Raad van State Twee mandaten van Franstalig assessor zijn te begeven bij de afdeling wetgeving van de Raad van State, bl. 68531. Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen 20 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen tot wijziging van de lijst van de naamloze vennootschappen en de commanditaire vennootschappen op aandelen die een openbaar beroep op het spaarwezen doen of gedaan hebben, bl. 68531. 28 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen tot wijziging van de lijst van beleggings ondernemingen waaraan in België een vergunning is verleend, bl. 68532. Toestemming voor de fusie tussen twee beleggingsondernemingen (artikelen 73 en 74 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs), bl. 68532. — Einde van het mandaat van een speciale commissaris en een plaatsvervangende speciale commissaris aangesteld door het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen met toepassing van artikel 104, § 1, 1°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, bl. 68533. Rechterlijke Macht Rechtbank van eerste aanleg te Luik, bl. 68533. SELOR. — Selectiebureau van de Federale Overheid Selectie van de voorzitter (m/v) van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Budget & Beheerscontrole (ANG06722), bl. 68534. Selectie van een administrateur-generaal (m/v) voor de Regie der Gebouwen (ANG06724), bl. 68535. Selectie van een directeur-generaal (m/v) « Klantenbeheer » voor de Regie der Gebouwen (ANG06725), bl. 68536. Selectie van een directeur-generaal (m/v) « Strategie & Vastgoed beheer » voor de Regie der Gebouwen (ANG06726), bl. 68537. Selectie van een directeur-generaal (m/v) « Operationele diensten » voor de Regie der Gebouwen (ANG06727), bl. 68539. Selectie van een directeur (m/v) « Stafdiensten » voor de Regie der Gebouwen (ANG06728), bl. 68540. Selectie van een administrateur-generaal (m/v) voor de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie (RJV) (ANG06723), bl. 68541. Communauté française Ministère de la Communauté française 20 OCTOBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement de la Communauté française fixant la composition de la délégation de l’autorité au sein du Comité de concertation créé entre le Gouvernement de la Communauté française et les organes de représentation et de coordination des pouvoirs organisateurs de l’enseignement et des Centres PMS subven tionnés reconnus par le Gouvernement, p. 68524. Région wallonne Ministère wallon de l’Equipement et des Transports 14 NOVEMBRE 2006. — Arrêté ministériel relatif à l’expropriation de biens et immeubles à Comines-Warneton, p. 68525. Région de Bruxelles-Capitale Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale Agence d’emploi privée. Agréments, p. 68527. Avis officiels Conseil d’Etat Deux mandats d’assesseur d’expression française sont à conférer au Conseil d’Etat, auprès de la section de législation, p. 68531. Commission bancaire, financière et des Assurances 20 NOVEMBRE 2006. — Arrêté de la Commission bancaire, finan cière et des Assurances modifiant la liste des sociétés anonymes et des sociétés en commandite par actions faisant ou ayant fait publiquement appel à l’épargne, p. 68531. 28 NOVEMBRE 2006. — Arrêté de la Commission bancaire, finan cière et des Assurances modifiant la liste des entreprises d’investisse ment agréées en Belgique, p. 68532. Autorisation de fusion entre deux entreprises d’investissement (articles 73 et 74 de la loi du 6 avril 1995 relative au statut des entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements), p. 68532. — Fin du mandat d’un commis saire spécial et d’un commissaire spécial suppléant désignés par le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances en application de l’article 104, § 1er, 1°, de la loi du 6 avril 1995 relative aux entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements, p. 68533. Pouvoir judiciaire Tribunal de première instance de Liège, p. 68533. SELOR. — Bureau de Sélection de l’Administration fédérale Sélection du président du Comité de Direction (m/f) du SPF Budget et Contrôle de la Gestion (AFG06722), p. 68534. Sélection de l’administrateur général (m/f) de la Régie des Bâtiments (AFG06724), p. 68535. Sélection du directeur général (m/f) Gestion Clients pour la Régie des Bâtiments (AFG06725), p. 68536. Sélection du directeur général (m/f) Stratégie et Gestion immobilière pour la Régie des Bâtiments (AFG06726), p. 68537. Sélection du directeur général (m/f) des Services opérationnels pour la Régie des Bâtiments (AFG06727), p. 68539. Sélection du directeur (m/f) des Services d’Encadrement pour la Régie des Bâtiments (AFG06728), p. 68540. 68385BELGISCH STAATSBLAD − 07.12.2006 − Ed. 2 − MONITEUR BELGE Federale Overheidsdienst Financiën Administratie van de BTW, registratie en domeinen (Vervreemding onroerende domeingoederen), bl. 68542. — Administratie van de BTW, registratie en domeinen (Vervreemding onroerende domeingoederen), bl. 68542. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Aanpassing op 1 januari 2007 van de loonbedragen bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aan het algemene indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden (artikel 131), bl. 68543. Federale Overheidsdienst Justitie Rechterlijke Orde. Vacante betrekkingen, bl. 68543. De Wettelijke Bekendmakingen en Verschillende Berichten wor den niet opgenomen in deze inhoudsopgave en bevinden zich van bl. 68545 tot bl. 68594. Service public fédéral Finances Administration de la T.V.A., de l’enregistrement et des domaines (Aliénation d’immeubles domaniaux), p. 68542. — Administration de la T.V.A., de l’enregistrement et des domaines (Aliénation d’immeubles domaniaux), p. 68542. Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale Adaptation au 1er janvier 2007 des montants de rémunération prévus par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail à l’indice général des salaires conventionnels pour employés (article 131), p. 68543. Service public fédéral Justice Ordre judiciaire. Places vacantes, p. 68543. Ordres du jour Parlement francophone bruxellois, p. 68544. Les Publications légales et Avis divers ne sont pas repris dans ce sommaire mais figurent aux pages 68545 à 68594. 68386 BELGISCH STAATSBLAD − 07.12.2006 − Ed. 2 − MONITEUR BELGE WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS FEDERALE OVERHEIDSDIENST BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING [C − 2006/15156]N. 2006 — 4896 17 OKTOBER 2006. — Wet houdende instemming met de Overeen komst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005 (1) (2) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2. De Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, onderte kend te Brussel op 29 april 2005, zal volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met ’s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 17 oktober 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL De Minister van Sociale Zaken, R. DEMOTTE De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Met ’s Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Nota’s (1) Zitting 2005-2006. Senaat. Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 12 april 2006, nr. 3-1656/1. - Verslag, nr. 3-1656/2. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 15 juni 2006. Stemming, vergadering van 15 juni 2006. Kamer. Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-2561/1. Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-2561/2. Parlementaire Handelingen. - Bespreking,vergadering van 13 juli 2006. Stemming, vergadering van 13 juli 2006. (2) Overeenkomstig haar artikel 9, treedt deze Overeenkomst in werking op 1 januari 2007. SERVICE PUBLIC FEDERAL AFFAIRES ETRANGERES, COMMERCE EXTERIEUR ET COOPERATION AU DEVELOPPEMENT [C − 2006/15156]F. 2006 — 4896 17 OCTOBRE 2006. — Loi portant assentiment à l’Accord entre le Royaume de Belgique et le Gouvernement du Canada relatif au programme vacances-travail, signé à Bruxelles le 29 avril 2005 (1) (2) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Les Chambres ont adopté et Nous sanctionnons ce qui suit : Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’article 77 de la Constitution. Art. 2. L’Accord entre le Royaume de Belgique et le Gouvernement du Canada relatif au programme vacances-travail, signé à Bruxelles le 29 avril 2005, sortira son plein et entier effet. Promulguons la présente loi, ordonnons qu’elle soit revêtue du sceau de l’Etat et publiée par le Moniteur belge. Donné à Bruxelles, le 17 octobre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires étrangères, K. DE GUCHT Le Ministre de l’Intérieur, P. DEWAEL Le Ministre des Affaires sociales, R. DEMOTTE Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Scellé du sceau de l’Etat : La Ministre de la Justice, Mme L. ONKELINX Notes (1) Session 2005-2006. Sénat. Documents. - Projet de loi déposé le 12 avril 2006, n° 3-1656/1. Rapport n° 3-1656/2. Annales parlementaires. - Discussion, séance du 15 juin 2006. - Vote, séance du 15 juin 2006. Chambre. Documents. - Projet transmis par le Sénat, n° 51-2561/1. - Texte adopté en séance plénière et soumis à la sanction royale, n° 51-2561/2. Annales parlementaires. - Discussion, séance du 13 juillet 2006. - Vote, séance du 13 juillet 2006. (2) Conformément à son article 9, cet Accord entre en vigueur le 1er janvier 2007. 68387BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma Het Koninkrijk België en De Regering van Canada, hierna genoemd « de Partijen », Verlangend de nauwe samenwerking tussen hun beide landen te bevorderen, Geleid door de wens hun jonge onderdanen de kans te geven de cultuur en de samenleving van het andere land te leren waarderen, ook door er te werken, en aldus een beter wederzijds begrip tussen beide landen te bevorderen, Overtuigd van het belang deze jongerenuitwisseling te vergemakke lijken, Zijn het volgende overeengekomen : ARTIKEL 1 1. Beide Partijen komen overeen een werkvakantieprogramma tot stand te brengen dat jonge onderdanen van beide Staten in de gelegenheid stelt individueel in de andere Staat te verblijven met de bedoeling er een vakantie door te brengen en er tevens tijdelijk betaalde arbeid te verrichten en aldus de financiële middelen waarover ze beschikken, aan te vullen. 2. Om als begunstigde van deze Overeenkomst in aanmerking te komen, moeten jongeren die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, een aanvraag indienen bij de voor immigratiezaken bevoegde diplo matieke of consulaire vertegenwoordiging van de andere Staat, met name de zending van Canada in Parijs of het consulaat-generaal van België in Montreal. Zij moeten de volgende voorwaarden vervullen : a) voldoen aan de toelatingscriteria en aan andere voorwaarden die voortvloeien uit de immigratiewetgeving en het immigratiebeleid van Canada en België, voor zover het criteria betreft die niet in de letters b) tot i) zijn opgegeven; b) tussen 18 en 30 jaar oud zijn ten tijde van de indiening van de aanvraag; c) nog nooit van dit programma gebruik hebben gemaakt; d) in het bezit zijn van een geldig Canadees of Belgisch paspoort en van een geldig retourticket dan wel van voldoende middelen om dergelijk ticket te kopen; e) bij het begin van hun verblijf over voldoende financiële middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien; f) een verzekering hebben afgesloten voor het geheel van risico’s voor de duur van het toegestane verblijf en, wanneer zij niet kunnen aangesloten worden bij het stelsel van sociale bescherming van het gastland, het bewijs leveren van een verzekering die de arbeidsonge vallen en de gezondheidszorg dekt, voor de periode van het toegestane verblijf, hospitalisatie en repatriëring inbegrepen; g) voor de Canadese of Belgische visumambtenaar aannemelijk maken dat een reis naar Canada of België maken het hoofddoel en de mogelijkheid er te werken van bijkomstige aard is; h) bereid zijn de vereiste rechten te betalen; en i) op het ogenblik van de aanvraag zijn woonplaats hebben in Canada of België 3. De kandidaten kunnen slechts éénmaal genieten van de bepalingen van dit akkoord. De duur van het verblijf mag de periode van toegelaten verblijf, die 12 maanden bedraagt, niet overschrijden. ARTIKEL 2 1. Onder voorbehoud van overwegingen van openbare orde, geven beide Partijen aan de onderdanen van de andere Staat, een document af dat toegang geeft tot hun grondgebied, waarvan de geldigheidsduur de toegelaten verblijfsduur niet overschrijdt en dat de reden van het verblijf vermeldt. Voor Canada is dit document de introductiebrief. Voor het Koninkrijk België plaatst de bevoegde Belgische zending een machtiging tot voorlopig verblijf in het paspoort van de Canadese kandidaat. 2. Na afhandeling van de inschrijvingsformaliteiten bij de gemeen teadministratie geeft de door België afgegeven machtiging tot verblijf de houder het recht tijdelijk in België te verblijven voor een periode van maximum twaalf maanden. De verblijfstitel geeft gedurende deze twaalf maanden eveneens het recht op meervoudige binnenkomsten in België. Accord entre le Royaume de Belgique et le Gouvernement du Canada relatif au programme vacances-travail Le Royaume de Belgique et Le Gouvernement du Canada, ci-après dénommés « les Parties », Soucieux de promouvoir des relations d’étroite coopération entre leurs pays, Désireux de favoriser les occasions pour leurs jeunes ressortissants, d’apprécier la culture et la société de l’autre pays, y compris à travers le travail, et ainsi de promouvoir une compréhension mutuelle entre les deux pays, et Convaincus de l’intérêt de faciliter ces échanges de jeunes, Sont convenus des dispositions suivantes : ARTICLE 1er 1. Les deux Parties s’accordent pour la création d’un programme Vacances-travail destiné à permettre à de jeunes ressortissants de chacun des deux Etats de séjourner dans l’autre, à titre individuel, dans le but d’y passer des vacances, en ayant la possibilité d’y occuper un emploi salarié occasionnel afin de compléter les moyens financiers dont ils disposent. 2. Pour être admis à bénéficier du présent accord, les jeunes, qui rencontrent les objectifs du premier paragraphe, adressent une demande à la représentation diplomatique ou consulaire compétente en matière d’immigration de l’autre Etat, c’est-à-dire la mission canadienne à Paris ou le Consulat général de Belgique à Montréal. Ils doivent remplir les conditions suivantes : a) satisfaire aux critères d’admissibilité et autres conditions découlant des lois et des politiques canadiennes et belges en matière d’immigra tion, pour tout critère non indiqué dans les sous-paragraphes b) à i); b) être âgés de 18 à 30 ans révolus à la date du dépôt de la demande; c) ne pas avoir bénéficié antérieurement de ce programme; d) être titulaires d’un passeport canadien ou belge en cours de validité et en possession d’un billet de retour ou de ressources suffisantes pour acheter un tel titre de transport; e) disposer de ressources financières nécessaires pour subvenir à leurs besoins au début de leur séjour; f) avoir souscrit à une assurance couvrant l’ensemble des risques, valable durant la période de séjour autorisée et justifier, lorsqu’ils ne peuvent être affiliés au régime de protection sociale du pays d’accueil, d’une assurance couvrant les accidents de travail et les soins de santé, y compris l’hospitalisation et le rapatriement pour la période du séjour autorisée; g) établir à la satisfaction de l’agent canadien ou belge des visas que le but premier est de voyager au Canada ou en Belgique et que travailler n’est qu’un but accessoire plutôt que la raison principale de la visite; h) être prêts à payer les droits requis; et i) être domiciliés au Canada ou en Belgique lors de la demande. 3. Les candidats peuvent être admis une fois au bénéfice des dispositions du présent accord. La durée de séjour ne peut dépasser la période de séjour autorisée, qui est de 12 mois ARTICLE 2 1. Sous réserve de considérations d’ordre public, les deux Parties délivrent aux ressortissants de l’autre Etat un document d’accès sur leur territoire d’une durée de validité qui ne dépasse pas la période de séjour autorisée et portant le motif de séjour. Ce document est, pour ce qui concerne le Canada, une lettre d’introduction. Pour ce qui concerne le Royaume de Belgique, une autorisation de séjour provisoire sera apposée dans le passeport du candidat canadien par la mission belge compétente. 2. L’autorisation de séjour accordée par la Belgique permettra à son titulaire, dès que toutes les formalités d’inscription auprès des autorités communales compétentes auront été accomplies, de séjourner en Belgique à titre temporaire pour une période ne dépassant pas douze mois. Le titre de séjour autorisera également des entrées multiples en Belgique au cours de ladite période de douze mois. 68388 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE ARTIKEL 3 1. De werkvergunningen die de Regering van Canada afgeeft op grond van een introductiebrief zijn geldig op het grondgebied van Canada; de visa met betrekking tot deze Overeenkomst die door de bevoegde Belgische autoriteiten zijn afgegeven, zijn geldig in het Koninkrijk België. 2. Elke Partij geeft de onderdanen van de andere Staat de toestem ming tot verblijf op grond van het in artikel 2 bedoelde document voor de duur van de toegestane periode die ingaat op de datum van binnenkomst, evenals de toestemming om op bedoeld grondgebied arbeid te verrichten waarmee ze hun financiële middelen kunnen aanvullen. 3. De onderdanen van elk van beide Staten die op het grondgebied van de andere Staat verblijven uit hoofde van het werkvakantiepro gramma mogen hun verblijf niet verlengen na de toegestane periode van verblijf en mogen de aard van de activiteit die ze tijdens hun verblijf verrichten, niet wijzigen. ARTIKEL 4 1. De Canadese onderdanen die onder deze overeenkomst vallen, zijn vrijgesteld van de verplichting om een werkvergunning te bekomen. 2. De onderdanen van het Koninkrijk België die van het bevoegde Canadese Immigratiebureau een introductiebrief hebben ontvangen, krijgen bij aankomst op het Canadese grondgebied een werkvergun ning voor de toegestane periode van verblijf, zonder dat de situatie op de arbeidsmarkt hen kan worden tegengeworpen. ARTIKEL 5 De onderdanen elk van beide Staten die in het kader van het werkvakantieprogramma op het grondgebied van de andere Staat verblijven, moeten de wetgeving die in de ontvangststaat van kracht is naleven, met name die welke van toepassing is op de uitoefening van gereglementeerde beroepen. ARTIKEL 6 De Partijen moedigen de bevoegde instanties in hun respectieve landen aan mee te werken aan de toepassing van deze Overeenkomst, inzonderheid door gepast advies te verstrekken aan de onderdanen van de andere Staat die mogen deelnemen aan het werkvakantiepro gramma. ARTIKEL 7 1. Met betrekking tot de sociale zekerheid, is het stelsel van de ontvangststaat van toepassing. 2. De begunstigden van deze Overeenkomst hebben inzake arbeids voorwaarden en bezoldiging recht op eenzelfde behandeling als de onderdanen. 3. Wanneer de deelnemers een activiteit uitoefenen, zijn de wetten en voorschriften die in het ontvangstland gelden op het gebied van arbeidsvoorwaarden, bezoldiging, veiligheid en gezondheid op het werk op hen van toepassing. 4. De deelnemers en hun werkgevers moeten de voorschriften naleven die op het gebied van sociale zekerheid in het ontvangstland van kracht zijn. ARTIKEL 8 1. De Partijen bepalen in onderling overleg het minimumbedrag van de uit hoofde van lid 2.e) van artikel 1 vereiste financiële middelen. 2. De aftelling van het deelnemersquotum loopt vanaf de aanvangs datum van het programma tot het einde van het lopende jaar en daarna op jaarbasis van 1 januari tot 31 december. ARTIKEL 9 1 Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde duur gesloten. 2. Elk van de Partijen stelt de andere Partij langs diplomatieke weg ervan in kennis dat aan de interne procedures voor de inwerkingtre ding van deze Overeenkomst is voldaan. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving. 3. Elk van de Partijen kan de toepassing van deze Overeenkomst tijdelijk opschorten door de ander Partij drie maanden op voorhand langs diplomatieke weg hiervan in kennis te stellen. 4. Elk van de Partijen kan deze Overeenkomst opzeggen door de andere Partij drie maanden op voorhand langs diplomatieke weg hiervan in kennis te stellen. De opzegging of de tijdelijke opschorting van deze Overeenkomst tast het recht op verblijf van de personen die tot het werkvakantieprogramma zijn toegelaten, niet aan. ARTICLE 3 1. Les permis de travail délivrés par le Gouvernement du Canada suite à la délivrance d’une lettre d’introduction sont valables pour le territoire du Canada; les visas se référant au présent accord délivrés par les autorités compétentes belges sont valables pour le Royaume de Belgique. 2. Chaque Partie autorise les ressortissants de l’autre Etat à séjourner sous couvert du document visé à l’article 2 durant la période de séjour autorisée à compter de la date d’entrée et à occuper dans les territoires mentionnés un emploi susceptible de compléter les moyens financiers dont ils disposent. 3. Les ressortissants de chacun des deux Etats qui séjournent sur le territoire de l’autre Etat au titre du programme Vacances-travail ne peuvent prolonger leur séjour au-delà de la période de séjour autorisée, ni changer le statut de leur activité durant ce séjour. ARTICLE 4 1. Les ressortissants canadiens bénéficiant du présent accord seront exemptés de l’obligation d’obtenir un permis de travail. 2. Les ressortissants du Royaume de Belgique qui se sont vu délivrer une lettre d’introduction par le Bureau de l’immigration canadien compétent reçoivent dès leur arrivée sur le territoire canadien, sans leur opposer la situation de l’emploi, un permis de travail valable pour la période du séjour autorisée. ARTICLE 5 Les ressortissants de chacun des deux Etats qui séjournent dans l’autre Etat dans le cadre du programme Vacances-travail sont tenus de se conformer à la législation en vigueur dans l’Etat d’accueil concernant notamment l’exercice des professions réglementées. ARTICLE 6 Les Parties encouragent les organismes concernés de leur pays respectif à apporter leur concours à l’application du présent accord, notamment à donner les conseils appropriés aux ressortissants de l’autre Etat admis à participer au programme Vacances-travail. ARTICLE 7 1. En matière de sécurité sociale, le régime applicable est celui de l’Etat d’accueil. 2. Les bénéficiaires du présent accord jouissent de l’égalité de traitement avec les nationaux en matière de conditions de travail et de rémunération. 3. Dans le cas où les participants exercent une activité, les lois et les règlements en vigueur dans le pays d’accueil concernant les conditions de travail, de rémunération, de sécurité et d’hygiène en matière d’emploi leur seront applicables. 4. Les participants et leurs employeurs sont tenus de se conformer aux prescriptions en vigueur dans le pays d’accueil en matière de sécurité sociale. ARTICLE 8 1. Le montant minimal des ressources exigibles en vertu de l’article premier, paragraphe 2.e) est fixé d’un commun accord entre les Parties. 2. Le décompte des participants au présent programme s’effectue à compter de la date d’entrée en vigueur de celui-ci jusqu’à la fin de l’année en cours puis annuellement, du 1er janvier au 31 décembre. ARTICLE 9 1. Le présent accord est conclu pour une durée indéterminée. 2. Chacune des Parties notifiera à l’autre Partie par la voie diplomatique que les formalités internes requises pour l’entrée en vigueur du présent accord ont été accomplies. Le présent accord entrera en vigueur le premier jour du troisième mois suivant la date de réception de la dernière notification. 3. Chaque Partie peut suspendre temporairement l’application du présent accord en le notifiant à l’autre Partie par voie diplomatique avec un préavis de trois mois. 4. Chaque Partie peut dénoncer le présent accord en le notifiant par voie diplomatique avec un préavis de trois mois à l’autre Partie. La dénonciation ou la suspension temporaire du présent accord ne remet pas en cause le droit au séjour des personnes admises au Programme Vacances-travail. 68389BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 5. Latere wijzigingen kunnen aan dit akkoord aangebracht worden ten gevolge van een overeenkomst tussen Partijen. Dergelijke wijzigin gen worden uitgevoerd volgens de interne juridische procedures van elk van de Partijen. Ten blijke waarvan, de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend. Gedaan in tweevoud, te Brussel, op 29 april 2005, in de Engelse, de Nederlandse en de Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE [C − 2006/11518]N. 2006 — 4897 14 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit ter bepaling van de vergoedingsvoorwaarden van de leden van de Hoge Raad voor Normalisatie ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 3 april 2003 betreffende de normalisatie, inzonderheid op artikel 30; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 februari 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 11 oktober 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat op 28 maart 2006 de eerste vergadering heeft plaatsgehad en dat, voor de goede werking van de Hoge Raad voor Normalisatie, de door zijn leden gedane kosten zo spoedig mogelijk moeten worden terugbe taald; Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De leden van de Hoge Raad voor Normalisatie worden niet bezoldigd. Zij ontvangen evenmin zitpenningen. Art. 2. De vergoeding van de verplaatsingskosten van de leden die deelnemen aan een zitting van de Hoge Raad voor Normalisatie wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, en dit overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor de perso neelsleden van niveau A. Het gebruik van een fiets geeft recht op de vergoeding bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 april 1999 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van sommige federale overheidsdiensten. Art. 3. De leden van de Hoge Raad voor Normalisatie ontvangen geen verblijfsvergoeding. Art. 4. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2006. Art. 5. Onze Minister van Economie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 14 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, M. VERWILGHEN 5. Des modifications subséquentes peuvent être apportées au présent accord suite à des ententes entre les Parties. De telles modifications sont effectuées selon les procédures juridiques internes de chacune des Parties. En foi de quoi, les soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs gouvernements respectifs, ont signé le présent accord. Fait à Bruxelles, en deux exemplaires originaux, le 29 avril 2005, en langues française, anglaise et néerlandaise, chaque version faisant également foi. SERVICE PUBLIC FEDERAL ECONOMIE, P.M.E., CLASSES MOYENNES ET ENERGIE [C − 2006/11518]F. 2006 — 4897 14 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal déterminant les conditions d’indemnités des membres du Conseil supérieur de la Normalisa tion ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 3 avril 2003 relative à la normalisation, notamment l’article 30; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 17 février 2006; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 11 octobre 2006; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence motivée par le fait que le 28 mars 2006, la première réunion a eu lieu et que, pour le bon fonctionnement du Conseil supérieur de Normalisation, il y a lieu de rembourser le plus rapidement possible les frais exposés par ses membres; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Economie, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Les membres du Conseil supérieur de la Normalisation ne sont pas rémunérés. Ils ne reçoivent pas non plus de jetons de présence. Art. 2. Les indemnités de déplacement des membres participant à une séance du Conseil supérieur de la Normalisation sont calculées conformément aux dispositions de l’arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours, et ceci conformément aux dispositions valables pour les agents de niveau A. L’utilisation d’une bicyclette donne droit à l’indemnité visée à l’article 6 de l’arrêté royal du 20 avril 1999 accordant une indemnité pour l’utilisation de la bicyclette aux membres du personnel de certains services publics fédéraux. Art. 3. Les membres du Conseil supérieur de la Normalisation ne reçoivent pas d’indemnités pour frais de séjour. Art. 4. Le présent produit ses effets le 1er mars 2006. Art. 5. Notre Ministre de l’Economie est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 14 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Economie, M. VERWILGHEN 68390 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE [C − 2006/11542]N. 2006 — 4898 (2006 — 3900) 20 JULI 2006. — Wet tot wijziging van de wet van 13 juli 1976 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake een interna tionaal energieprogramma, en van de Bijlage, opgemaakt te Parijs op 18 november 1974. — Erratum In het Belgisch Staatsblad van 4 oktober 2006, blz. 53110, moet men in de Nederlandse versie van artikel 6 lezen « Art. 5. De Koning bepaalt de datum waarop de artikelen 2, 3 en 4 in werking treden » in plaats van « Art. 5. De Koning bepaalt de datum waarop de artikelen 2, 3 en 4. » Bijkomend worden in hetzelfde artikel 6 twee woorden gewijzigd, namelijk « maanden » wordt « maand » en « de » wordt « deze ». * FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN [C − 2006/00675]N. 2006 — 4899 3 OKTOBER 2006. — Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van bepalingen van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk met betrekking tot de Codex over het welzijn op het werk en van het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 tot wijziging van dit besluit ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op arti kel 76, § 1, 1°, en § 3, vervangen bij de wet van 18 juli 1990; Gelet op de ontwerpen van officiële Duitse vertaling — van de artikelen 1 tot 61 en 63 tot 64 en van de bijlagen van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk, — van het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk, opgemaakt door de Centrale dienst voor Duitse vertaling bij het Adjunct-arrondissementscommissariaat in Malmedy; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De bij dit besluit respectievelijk in bijlagen 1 en 2 gevoegde teksten zijn de officiële Duitse vertaling : — van de artikelen 1 tot 61 en 63 tot 64 en van de bijlagen van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk; — van het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk. Art. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 3 oktober 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL SERVICE PUBLIC FEDERAL ECONOMIE, P.M.E., CLASSES MOYENNES ET ENERGIE [C − 2006/11542]F. 2006 — 4898 (2006 — 3900) 20 JUILLET 2006. — Loi portant modification de la loi du 13 juillet 1976 portant approbation de l’Accord relatif à un programme interna tional de l’énergie, et de l’Annexe, faits à Paris le 18 novembre 1974. — Erratum Au Moniteur belge du 4 octobre 2006, à la page 53110, il faut lire dans la version néerlandaise de l’article 6 : « Art. 5. De Koning bepaalt de datum waarop de artikelen 2, 3 en 4 in werking treden » au lieu de « Art. 5. De Koning bepaalt de datum waarop de artikelen 2, 3 en 4. » En outre, il faut changer deux mots dans le même article 6, à savoir « maanden » devient « maand » et « de » devient « deze ». SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR [C − 2006/00675]F. 2006 — 4899 3 OCTOBRE 2006. — Arrêté royal établissant la traduction officielle en langue allemande de dispositions de l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail ayant trait au Code sur le bien-être au travail et de l’arrêté royal du 11 octobre 2002 modifiant cet arrêté ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, notamment l’article 76, § 1er, 1°, et § 3, remplacé par la loi du 18 juillet 1990; Vu les projets de traduction officielle en langue allemande — des articles 1er à 61 et 63 à 64 et des annexes de l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail, — de l’arrêté royal du 11 octobre 2002 modifiant l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail, établis par le Service central de traduction allemande auprès du Commissariat d’arrondissement adjoint à Malmedy; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Intérieur, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Les textes figurant respectivement aux annexes 1re et 2 du présent arrêté constituent la traduction officielle en langue alle mande : — des articles 1 à 61 et 63 à 64 et des annexes de l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail; — de l’arrêté royal du 11 octobre 2002 modifiant l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail. Art. 2. Notre Ministre de l’Intérieur est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 3 octobre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, P. DEWAEL 68391BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bijlage 1 - Annexe 1re MINISTERIUM DER BESCHÄFTIGUNG UND DER ARBEIT 11. MÄRZ 2002 - Königlicher Erlass über den Schutz der Gesundheit und der Sicherheit der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische Agenzien am Arbeitsplatz ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Aufgrund des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit, insbesondere des Artikels 4 § 1, abgeändert durch das Gesetz vom 7. April 1999, und des Artikels 80; Aufgrund der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung, gebilligt durch die Erlasse des Regenten vom 11. Februar 1946 und 27. September 1947, insbesondere des Titels II Kapitel IIbis «Bestimmungen in Bezug auf den Schutz der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische, physikalische und biologische Agenzien», der die Artikel 103ter bis 103octies, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 20. November 1987 und abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Dezember 1991, 14. September 1992, 11. April 1995 und 4. August 1996, umfasst, der Anlage I «In Artikel 103sexies Nr. 4 Buchstabe c) erwähnte Referenzmethode» zu Titel II Kapitel IIbis, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 18. Dezember 1991 und abgeändert durch den Königlichen Erlass vom 11. April 1995, der Anlage II «Liste der Grenzwerte für die Exposition gegenüber chemischen Agenzien» zu Titel II Kapitel IIbis, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 11. April 1995 und abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 10. August 1998, 3. Mai 1999 und 20. Februar 2002, der Anlage II «Medizinische Überwachung der Arbeitnehmer, die dem Risiko von Berufskrankheiten ausgesetzt sind» zu Titel II Kapitel III Abschnitt I, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 10. April 1974, 20. Juli 1979, 7. November 1988, 31. Januar 1990, 8. Oktober 1990, 5. Dezember 1990, 10. April 1991, 26. September 1991, 17. Juni 1993, 4. August 1996 und 25. April 1997, des Artikels 135quater, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 7. November 1988, der Anlage XIII «Verfahren für die Messung der in Artikel 135quater 2 erwähnten biologischen Indikatoren» zu Titel II Kapitel III Abschnitt I, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 7. November 1988, der Anlage XIV «Praktische Empfehlungen für die medizinische Überwachung der in Artikel 135quater 5 erwähnten Arbeitnehmer» zu Titel II Kapitel III Abschnitt I, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 7. November 1988, des Artikels 148decies 2.2 «Bekämpfung der Verschmutzung der Arbeitsstätten», eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 23. Mai 1972 und abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 21. April 1975 und 11. April 1995, des Artikels 148decies 2.6 «Bekämpfung der durch Blei und seine Ionenverbindungen verursachten Risiken», eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 7. November 1988, der Anlage II «Indikative Liste der in Artikel 148decies 2.6.3.2 erwähnten Tätigkeiten» zu Titel II Kapitel III Abschnitt II, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 7. November 1988, der Anlage III «In Artikel 148decies 2.6.4.1 erwähnte technische Spezifikationen» zu Titel II Kapitel III Abschnitt II, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 7. November 1988, der Artikel 395 und 396, des Artikels 696, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 5. November 1990 und 2. Dezember 1993, des Titels III Kapitel III «Gefährliche Stoffe und Zubereitungen», der die Artikel 723bis 1 bis 723bis 21 umfasst, und der Anlagen I bis VI, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 3. Oktober 1973 und abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 29. Mai 1978, 9. April 1980, 13. Februar 1981, 27. Februar 1986, 17. September 1987, 6. Oktober 1987, 24. Dezember 1987, 5. März 1990, 17. April 1990, 5. November 1990, 10. Oktober 1991 und 4. Mai 1999, der Artikel 723ter 1 Absatz 2 und 723ter 2, 3 und 4, eingefügt durch den Königlichen Erlass vom 15. Dezember 1978; Aufgrund des Gutachtens des Hohen Rates für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz vom 28. Februar 2001; Aufgrund des Beschlusses des Ministerrates in Bezug auf den Antrag auf Begutachtung seitens des Staatsrates innerhalb einer Frist von höchstens einem Monat; Aufgrund des Gutachtens Nr. 32.568/1 des Staatsrates vom 21. Februar 2002, abgegeben in Anwendung von Artikel 84 Absatz 1 Nr. 1 der koordinierten Gesetze über den Staatsrat; Auf Vorschlag Unseres Ministers der Beschäftigung Haben Wir beschlossen und erlassen Wir: Abschnitt I — Anwendungsbereich und Begriffsbestimmungen Artikel 1 - Vorliegender Erlass ist die Umsetzung in belgisches Recht der Richtlinie 98/24/EG des Rates der Europäischen Union vom 7. April 1998 zum Schutz von Gesundheit und Sicherheit der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische Arbeitsstoffe bei der Arbeit (vierzehnte Einzelrichtlinie im Sinne des Artikels 16 Absatz 1 der Richtlinie 89/391/EWG). Art. 2 - Vorliegender Erlass findet Anwendung auf Arbeitgeber und Arbeitnehmer sowie ihnen gleichgestellte Personen, die in Artikel 2 des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit erwähnt sind. Art. 3 - Vorliegender Erlass findet Anwendung, wenn chemische Agenzien, die Risiken darstellen, die tatsächlich oder möglicherweise eine Folge der Wirkungen dieser Agenzien sind, am Arbeitsplatz vorhanden sind oder vorhanden sein können oder wenn eine berufliche Tätigkeit mit chemischen Agenzien ausgeübt wird. Art. 4 - Vorliegender Erlass beeinträchtigt nicht die Bestimmungen über chemische Agenzien, die aufgrund des Königlichen Erlasses vom 20. Juli 2001 zur Festlegung einer allgemeinen Ordnung über den Schutz der Bevölkerung, der Arbeitnehmer und der Umwelt gegen die Gefahren ionisierender Strahlungen Strahlenschutzmaßnahmen unterliegen. Art. 5 - Vorliegender Erlass findet Anwendung auf krebserregende Agenzien unbeschadet strengerer und/oder spezifischer Bestimmungen des Königlichen Erlasses vom 2. Dezember 1993 über den Schutz der Arbeitnehmer vor Gefährdung durch Aussetzung gegenüber krebserregenden Agenzien am Arbeitsplatz. Art. 6 - Vorliegender Erlass findet Anwendung auf die Beförderung gefährlicher chemischer Agenzien unbescha det strengerer oder spezifischer Bestimmungen: 1. der Erlasse, die in Anwendung der Richtlinie 94/55/EG des Rates vom 21. November 1994 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten für den Gefahrguttransport auf der Straße und der Richtlinie 96/49/EG des Rates vom 23. Juli 1996 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten für die Eisenbahnbeförderung gefährlicher Güter ergangen sind, 2. des Internationalen Codes für die Beförderung gefährlicher Güter mit Seeschiffen (IMDG-Code), 3. des Internationalen Codes der IMO für den Bau und die Ausrüstung von Schiffen, die gefährliche Chemikalien als Massengut befördern (IBC-Code), 68392 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4. des Internationalen Codes der IMO für den Bau und die Ausrüstung von Schiffen, die Flüssiggas als Massengut befördern (IGC-Code), 5. des Europäischen Übereinkommens über die internationale Beförderung gefährlicher Güter auf Binnenwasser straßen und der Verordnung über die Beförderung gefährlicher Güter auf dem Rhein, wie sie in Gemeinschaftsrecht übernommen worden sind, 6. der technischen Vorschriften für die sichere Beförderung gefährlicher Güter in der von der Internationalen Zivilluftfahrt-Organisation veröffentlichten Fassung. Art. 7 - Für die Anwendung des vorliegenden Erlasses versteht man unter: 1. chemischen Agenzien: alle chemischen Elemente und Verbindungen, einzeln oder in einem Gemisch, wie sie in der Natur vorkommen oder durch eine berufliche Tätigkeit hergestellt, verwendet oder freigesetzt werden – einschließlich der Freisetzung als Abfall –, unabhängig davon, ob sie absichtlich oder unabsichtlich erzeugt und ob sie in Verkehr gebracht werden, 2. gefährlichen chemischen Agenzien: a) alle chemischen Agenzien, die die Kriterien für die Einstufung als «gefährlicher Stoff» im Sinne des Königlichen Erlasses vom 24. Mai 1982 zur Regelung des In-Verkehr-Bringens von Stoffen, die eine Gefahr für den Menschen oder seine Umwelt darstellen, erfüllen, unabhängig davon, ob diese Stoffe gemäß diesem Erlass als solche eingestuft werden; dies gilt nicht für Stoffe, die lediglich die Kriterien für die Einstufung als «umweltgefährlich» erfüllen, b) alle chemischen Agenzien, die die Kriterien für die Einstufung als «gefährliche Zubereitung» im Sinne des Königlichen Erlasses vom 11. Januar 1993 zur Regelung der Einstufung, Verpackung und Kennzeichnung gefährlicher Zubereitungen im Hinblick auf deren In-Verkehr-Bringen oder Verwendung erfüllen, unabhängig davon, ob diese Zubereitungen gemäß diesem Erlass als solche eingestuft werden; dies gilt nicht für Zubereitungen, die lediglich die Kriterien für die Einstufung als «umweltgefährlich» erfüllen, c) alle chemischen Agenzien, die die Kriterien für die Einstufung als «gefährlicher Stoff oder gefährliche Zubereitung» nach den Nummern 1 und 2 [sic, zu lesen ist: nach den Buchstaben a) und b)] nicht erfüllen, aber aufgrund ihrer physikalisch-chemischen, chemischen oder toxikologischen Eigenschaften und der Art und Weise, wie sie am Arbeitsplatz verwendet werden oder dort vorhanden sind, für die Sicherheit und die Gesundheit der Arbeitnehmer ein Risiko darstellen können; dies gilt auch für alle chemischen Agenzien, denen im Rahmen von Artikel 47 ein Arbeitsplatzgrenzwert zugewiesen wurde, 3. Stoffen: chemische Elemente und ihre Verbindungen in natürlicher Form oder hergestellt durch ein Herstellungsverfahren, einschließlich der zur Wahrung der Produktstabilität notwendigen Zusatzstoffe und der bei dem Herstellungsverfahren unvermeidbaren Verunreinigungen, mit Ausnahme jedoch von Lösungsmitteln, die von dem Stoff ohne Beeinträchtigung seiner Stabilität und ohne Änderung seiner Zusammensetzung abgetrennt werden können, 4. Zubereitungen: Gemenge, Gemische und Lösungen, die aus zwei oder mehreren Stoffen bestehen, 5. Tätigkeit mit chemischen Agenzien: jede Arbeit, bei der chemische Agenzien im Rahmen eines Prozesses einschließlich Herstellung, Handhabung, Lagerung, Beförderung, Entsorgung und Behandlung verwendet werden oder verwendet werden sollen oder bei dieser Arbeit auftreten, 6. Arbeitsplatzgrenzwert: sofern nicht anders angegeben, den Grenzwert für die zeitlich gewichtete durchschnitt liche Konzentration eines chemischen Agens in der Luft im Atembereich eines Arbeitnehmers in Bezug auf einen gegebenen Referenzzeitraum, 7. Referenzzeitraum: die mit der Bestimmung des Grenzwerts eines Agens verbundene Dauer, 8. biologischem Grenzwert: den Grenzwert für die Konzentration in dem entsprechenden biologischen Material für das jeweilige Agens, seine Metaboliten oder einen Beanspruchungsindikator, 9. Gesundheitsüberwachung: die Beurteilung eines einzelnen Arbeitnehmers, mit der sein Gesundheitszustand in Bezug auf die Exposition gegenüber spezifischen chemischen Agenzien am Arbeitsplatz festgestellt werden soll, 10. Gefahr: die einem chemischen Agens innewohnende Eigenschaft, potentiell Schaden zu verursachen, 11. Risiko: die Wahrscheinlichkeit, dass der potentielle Schaden unter den gegebenen Verwendungs- oder Expositionsbedingungen auftritt, 12. Atembereich: das Volumen rund um das Gesicht des Arbeitnehmers, in dem er atmet und das anhand der in Artikel 48 Absatz 3 [sic, zu lesen ist: Absatz 2] erwähnten Kriterien festgelegt ist, 13. Exposition: Maß, in dem Körperkontakt mit dem chemischen Agens über folgende Wege besteht: respiratorisches System, Haut, Schleimhäute oder Verdauungssystem, 14. Messung: die Probenahme, die Analyse und die Ergebnisberechnung, 15. zugelassenem Labor: das Labor, das zugelassen ist in Anwendung des Königlichen Erlasses vom 31. März 1992 zur Festlegung der Zulassungsbedingungen sowie der Kriterien für die Ausrüstung und Arbeitsweise der Labore und Dienste, die in Artikel 148decies 1 § 6 Absatz 2 der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung und in Artikel 64nonies Absatz 2 der Allgemeinen Ordnung über die Maßnahmen im Bereich der Hygiene und Gesundheit der Arbeitnehmer in Bergwerken, Gruben und Steinbrüchen unter Tage erwähnt sind, 16. Königlichem Erlass über die Politik des Wohlbefindens: den Königlichen Erlass vom 27. März 1998 über die Politik des Wohlbefindens der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit, 17. Ausschuss: den Ausschuss für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz oder in dessen Ermangelung die Gewerkschaftsvertretung oder in deren Ermangelung die Arbeitnehmer selbst gemäß den Bestimmungen von Artikel 53 des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit. 68393BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Abschnitt II — Risikoabschätzung Art. 8 - Bei der Anwendung der im Königlichen Erlass über die Politik des Wohlbefindens erwähnten Verpflichtungen und insbesondere der Artikel 8 und 9 dieses Erlasses stellt der Arbeitgeber zunächst fest, ob gefährliche chemische Agenzien am Arbeitsplatz vorhanden sind oder sein können. Ist dies der Fall, so unterzieht er alle Risiken, die sich aufgrund des Vorhandenseins dieser chemischen Agenzien am Arbeitsplatz für die Sicherheit und die Gesundheit der Arbeitnehmer ergeben, einer Abschätzung. Er trägt folgenden Aspekten Rechnung: 1. den gefährlichen Eigenschaften, 2. den Informationen über die Sicherheit und die Gesundheit, die er beim Lieferanten einholen muss, wie zum Beispiel dem entsprechenden Sicherheitsdatenblatt, das in Artikel 9 § 2 des Königlichen Erlasses vom 24. Mai 1982 zur Regelung des In-Verkehr-Bringens von Stoffen, die eine Gefahr für den Menschen oder seine Umwelt darstellen, oder in Artikel 12 des Königlichen Erlasses vom 11. Januar 1993 zur Regelung der Einstufung, Verpackung und Kennzeichnung gefährlicher Zubereitungen im Hinblick auf deren In-Verkehr-Bringen oder Verwendung erwähnt ist, 3. dem Niveau, der Art und der Dauer der Exposition über das respiratorische System, die Haut oder andere Expositionsarten, 4. den Arbeitsbedingungen im Zusammenhang mit solchen Agenzien, einschließlich ihrer Menge, 5. den in Anlage I erwähnten eventuellen Arbeitsplatzgrenzwerten oder den biologischen Grenzwerten, 6. den Wirkungen der getroffenen oder zu treffenden Gefahrenverhütungsmaßnahmen, 7. soweit vorhanden, den aus einer bereits durchgeführten Gesundheitsüberwachung zu ziehenden Schlussfolge rungen. Der Arbeitgeber sorgt dafür, dass er sich die für eine Risikoabschätzung notwendigen zusätzlichen Informationen beim Lieferanten oder bei anderen ohne weiteres zugänglichen Quellen beschafft. Wenn die Risikoabschätzung es erfordert, umfassen diese Informationen auch die besondere Abschätzung hinsichtlich des Risikos für die Benutzer, die auf der Grundlage von europäischen Rechtsvorschriften für chemische Agenzien erstellt wird. Art. 9 - Der Arbeitgeber ist im Besitz einer Risikoabschätzung gemäß den Bestimmungen von Artikel 10 § 1 Absatz 2 Nr. 1 und 2 des Königlichen Erlasses über die Politik des Wohlbefindens und vermerkt dort außerdem die Gefahrenverhütungsmaßnahmen, die in Anwendung der Artikel 13 bis 22 getroffen worden sind. Die Risikoabschätzung ist in geeigneter Form zu dokumentieren. Wenn eine detailliertere Risikoabschätzung nicht vorhanden ist, liefert der Arbeitgeber eine schriftliche Begründung, in der er den Nachweis erbringt, dass eine detailliertere Risikoabschätzung aufgrund der Art und des Umfangs der Risiken im Zusammenhang mit chemischen Agenzien nicht erforderlich ist. Die Risikoabschätzung ist insbesondere dann zu aktualisieren, wenn Veränderungen eingetreten sind, so dass sie veraltet sein könnte, oder wenn sich eine Aktualisierung aufgrund der Ergebnisse der Gesundheitsüberwachung als erforderlich erweist. Art. 10 - In der Risikoabschätzung sind bestimmte spezifische Tätigkeiten innerhalb des Unternehmens oder Betriebs, zum Beispiel Wartungsarbeiten, einzubeziehen, bei denen vorherzusehen ist, dass auch nach Ausschöpfung sämtlicher technischer Maßnahmen die Möglichkeit einer maßgeblichen Exposition besteht, oder die sich aus anderen Gründen schädlich auf die Sicherheit und Gesundheit auswirken können. Art. 11 - Im Fall von Tätigkeiten, die mit einer Exposition gegenüber verschiedenen gefährlichen chemischen Agenzien verbunden sind, ist die Risikoabschätzung anhand des Risikos vorzunehmen, das sämtliche betreffenden chemischen Agenzien kombiniert darstellen. In diesem Fall wird die Wirkung der Agenzien als kumulativ betrachtet und muss folgende Formel angewandt werden: wobei: Ki die Konzentration des Agens «i» in der Luft ist, GWi der Grenzwert für das Agens «i» ist. Diese Formel wird nicht angewandt, wenn anhand der wissenschaftlichen Daten eine bessere Ermittlung der Exposition ermöglicht wird. Art. 12 - Im Fall einer neuen Tätigkeit mit gefährlichen chemischen Agenzien darf diese erst aufgenommen werden, nachdem eine Abschätzung des Risikos dieser Tätigkeit vorgenommen worden ist und die nötigen Gefahrenverhütungsmaßnahmen ergriffen worden sind. Abschnitt III — Allgemeine Gefahrenverhütungsmaßnahmen Art. 13 - Der Arbeitgeber wendet im Rahmen seiner Verpflichtung, die Gesundheit und die Sicherheit der Arbeitnehmer bei allen Tätigkeiten mit gefährlichen chemischen Agenzien sicherzustellen, die Gefahrenverhütungs maßnahmen, die in Artikel 9 des Königlichen Erlasses über die Politik des Wohlbefindens erwähnt sind, und die allgemeinen Gefahrenverhütungsgrundsätze, die in Artikel 5 § 1 des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit erwähnt sind, sowie die im vorliegenden Erlass erwähnten Maßnahmen an. 68394 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 14 - Die Risiken für die Gesundheit und die Sicherheit der Arbeitnehmer bei Arbeiten mit gefährlichen chemischen Agenzien werden durch folgende Vorkehrungen ausgeschaltet oder auf ein Mindestmaß verringert: 1. Gestaltung des Arbeitsplatzes und Arbeitsorganisation, 2. Bereitstellung geeigneter Arbeitsmittel für den Umgang mit chemischen Agenzien und entsprechende Wartungsverfahren zur Gewährleistung der Gesundheit und Sicherheit der Arbeitnehmer bei der Arbeit, 3. Begrenzung der Anzahl der Arbeitnehmer, die den chemischen Agenzien ausgesetzt sind oder ausgesetzt sein können, auf ein Mindestmaß, 4. Begrenzung der Dauer und Intensität der Exposition auf ein Mindestmaß, 5. angemessene Hygienemaßnahmen, 6. Begrenzung der Menge der am Arbeitsplatz vorhandenen chemischen Agenzien auf das für die Art der betreffenden Arbeit erforderliche Mindestmaß, 7. geeignete Arbeitsverfahren, einschließlich Vorkehrungen für die sichere Handhabung, Lagerung und Beförderung von gefährlichen chemischen Agenzien und von Abfällen, die derartige chemische Agenzien enthalten, am Arbeitsplatz, 8. Nicht-Benutzung für gefährliche Stoffe und Zubereitungen von Verpackungen mit einer Aufmachung oder Bezeichnung, die für Lebensmittel, Futter, Arzneimittel und Kosmetika verwendet wird. Art. 15 - Ergibt sich aus den Ergebnissen der in Artikel 8 erwähnten Abschätzung ein Risiko für die Sicherheit und die Gesundheit der Arbeitnehmer, so sind die spezifischen Schutz-, Gefahrenverhütungs- und Überwachungs maßnahmen der Abschnitte IV, V und IX anzuwenden. Art. 16 - Ergibt sich aus den Ergebnissen der in Artikel 8 erwähnten Risikoabschätzung, dass aufgrund der am Arbeitsplatz vorhandenen Mengen eines gefährlichen chemischen Agens nur ein geringfügiges Risiko für die Sicherheit und Gesundheit der Arbeitnehmer besteht, und reichen die gemäß den Artikeln 13 und 14 ergriffenen Maßnahmen zur Verringerung dieses Risikos aus, so sind die in den Abschnitten IV, V und IX aufgeführten Maßnahmen nicht anwendbar. Abschnitt IV — Spezifische Gefahrenverhütungsmaßnahmen Art. 17 - Der Arbeitgeber hat dafür zu sorgen, dass das durch ein gefährliches chemisches Agens bedingte Risiko für die Sicherheit und die Gesundheit der Arbeitnehmer am Arbeitsplatz ausgeschaltet oder auf ein Mindestmaß verringert wird. Art. 18 - Bei der Anwendung von Artikel 17 ist eine Substitution vorzunehmen; dabei hat der Arbeitgeber die Verwendung eines gefährlichen chemischen Agens zu vermeiden und dieses durch ein chemisches Agens oder ein Verfahren zu ersetzen, das unter den jeweiligen Verwendungsbedingungen für die Sicherheit und Gesundheit der Arbeitnehmer – je nach Fall – nicht oder weniger gefährlich ist. Lässt sich unter Berücksichtigung der Tätigkeit und der in den Artikeln 8 bis 12 erwähnten Risikoabschätzung das Risiko aufgrund der Art der Tätigkeit nicht durch Substitution ausschalten, so sorgt der Arbeitgeber dafür, dass das Risiko durch Anwendung von Schutz- und Gefahrenverhütungsmaßnahmen, die mit der in Anwendung der Artikel 8 bis 12 vorgenommenen Risikoabschätzung im Einklang stehen, auf ein Mindestmaß verringert wird. Zu diesen Maßnahmen gehören in der angegebenen Rangordnung: 1. Gestaltung geeigneter Arbeitsverfahren und technischer Maßnahmen sowie Verwendung geeigneter Arbeits mittel und Materialien, um die Freisetzung gefährlicher chemischer Agenzien, die für die Sicherheit und die Gesundheit der Arbeitnehmer am Arbeitsplatz ein Risiko darstellen können, zu vermeiden oder möglichst gering zu halten, 2. Durchführung kollektiver Schutzmaßnahmen an der Gefahrenquelle, wie zum Beispiel angemessene Be- und Entlüftung und geeignete organisatorische Maßnahmen, 3. sofern eine Exposition nicht mit anderen Mitteln verhütet werden kann, Durchführung individueller Schutzmaßnahmen, die auch eine individuelle Schutzausrüstung umfassen. Art. 19 - Die in Artikel 18 erwähnten Maßnahmen werden durch eine Gesundheitsüberwachung gemäß den Bestimmungen von Abschnitt IX ergänzt, sofern dies aufgrund der Art des Risikos angemessen ist. Art. 20 - Sofern der Arbeitgeber nicht mittels anderer Abschätzungen eindeutig nachweist, dass eine optimale Gefahrenverhütung und ein optimaler Schutz für die Arbeitnehmer gemäß Artikel 18 gewährleistet worden sind, führt er in Bezug auf chemische Agenzien, die für die Gesundheit der Arbeitnehmer am Arbeitsplatz ein Risiko darstellen können, insbesondere im Hinblick auf die Arbeitsplatzgrenzwerte die erforderlichen regelmäßigen Messungen durch; diese Messungen sind auch durchzuführen, wenn sich die Bedingungen ändern, welche die Exposition der Arbeitnehmer gegenüber chemischen Agenzien beeinflussen können. Unter Berücksichtigung der Art und des Niveaus der Exposition legt der Arbeitgeber die Periodizität für die Durchführung der in Absatz 1 erwähnten Messungen fest. Dazu wendet er die Regeln an, die in der letzten Auflage der Norm NBN EN 689 «Arbeitsplatzatmosphäre - Anleitung zur Ermittlung der inhalativen Exposition gegenüber chemischen Stoffen zum Vergleich mit Grenzwerten und Messstrategie» erwähnt sind. Der Arbeitgeber lässt außerdem Messungen der Exposition oder Analysen der verwendeten Stoffe und Zubereitungen auf Antrag des zuständigen Gefahrenverhütungsberaters oder der Arbeitnehmervertreter im Ausschuss vornehmen. Bei Beanstandung oder bei Zweifeln in Bezug auf die Zuverlässigkeit der Messungen oder der Ergebnisse der Analysen oder auf Antrag des mit der Überwachung beauftragten Beamten oder wenn der Arbeitgeber über keine zuverlässigen Mess- und Analyseausrüstungen verfügt, muss Letzterer diese Messungen oder Analysen von einem zugelassenen Labor, dessen Zulassung sich auf diesen spezifischen Vorgang bezieht, vornehmen lassen. Art. 21 - Der Arbeitgeber berücksichtigt bei der Erfüllung der in den Artikeln 8 bis 12 erwähnten oder sich aus den Artikeln 8 bis 12 ergebenden Verpflichtungen die Ergebnisse der in Artikel 20 erwähnten Verfahren. Bei einer Überschreitung des Arbeitsplatzgrenzwerts, so wie er in Anlage I festgelegt worden ist, trifft der Arbeitgeber auf jeden Fall sofort Gefahrenverhütungs- und Schutzmaßnahmen, um Abhilfe zu schaffen. 68395BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 22 - Auf der Grundlage der umfassenden Risikoabschätzung im Sinne der Artikel 8 bis 12 und der allgemeinen Gefahrenverhütungsgrundsätze im Sinne der Artikel 13 bis 16 ergreift der Arbeitgeber der Art der Tätigkeit angemessene technische oder organisatorische Maßnahmen, einschließlich Lagerung, Handhabung und Trennung unvereinbarer chemischer Agenzien, um die Arbeitnehmer gegen die aufgrund der physikalisch-chemischen Eigenschaften chemischer Agenzien auftretenden Gefahren zu schützen. Insbesondere trifft er Maßnahmen in der angegebenen Rangordnung, um: 1. das Auftreten gefährlicher Konzentrationen von entzündlichen Stoffen beziehungsweise gefährlicher Mengen von chemisch instabilen Stoffen an der Arbeitsstätte zu verhindern; sollte die Art der Tätigkeit dies nicht zulassen, so gilt Folgendes: 2. Das Auftreten von Zündquellen, die zu Bränden und Explosionen führen könnten, oder von ungünstigen Bedingungen, durch die chemisch instabile Stoffe oder Stoffgemische zu Unfällen mit schlimmen physikalischen Wirkungen führen könnten, ist zu vermeiden, und 3. die schädlichen Auswirkungen auf die Gesundheit und Sicherheit der Arbeitnehmer im Fall eines Brandes oder einer Explosion aufgrund der Entzündung entzündlicher Stoffe oder schlimme physikalische Wirkungen, die von chemisch instabilen Stoffen oder Stoffgemischen ausgehen, sind zu verringern. Arbeitsmittel und Schutzsysteme, die der Arbeitgeber zum Schutz der Arbeitnehmer zur Verfügung stellt, entsprechen im Hinblick auf die Gesundheit und Sicherheit den Bestimmungen über die Auslegung, die Herstellung und das In-Verkehr-Bringen, die im Königlichen Erlass vom 31. Dezember 1992 zur Ausführung der Richtlinie des Rates der Europäischen Gemeinschaften vom 21. Dezember 1989 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten für persönliche Schutzausrüstungen und im Königlichen Erlass vom 7. August 1995 über die Benutzung individueller Schutzausrüstungen festgelegt sind. Vom Arbeitgeber ergriffene technische oder organisatorische Maßnahmen werden unter Berücksichtigung der Einteilung der Gerätegruppen in Kategorien im Sinne des Königlichen Erlasses vom 22. Juni 1999 zur Festlegung der Sicherheitsgarantien, die Geräte und Schutzsysteme zur Verwendung in explosionsgefährdeten Bereichen bieten müssen, und in Übereinstimmung mit dieser Einteilung festgelegt. Der Arbeitgeber ergreift Maßnahmen für eine wirksame Kontrolle von Anlagen, Geräten und Maschinen oder sieht Explosionsschutzeinrichtungen beziehungsweise Vorkehrungen zur Explosionsdruckentlastung vor. Abschnitt V — Bei Unfällen, Zwischenfällen und Notfällen anwendbare Maßnahmen Art. 23 - Um die Sicherheit und den Gesundheitsschutz der Arbeitnehmer bei einem Unfall, Zwischenfall oder Notfall zu gewährleisten, der mit dem Vorhandensein gefährlicher chemischer Agenzien am Arbeitsplatz in Verbindung steht, legt der Arbeitgeber unbeschadet der Verpflichtungen der Artikel 22 bis 25 des Königlichen Erlasses über die Politik des Wohlbefindens nach vorheriger Stellungnahme des Ausschusses Notfallpläne fest, in denen Verfahren festgelegt werden, die beim Eintreten eines derartigen Ereignisses angewandt werden können, damit angemessene Maßnahmen ergriffen werden. In diesen Notfallplänen werden die in Artikel 22 des Königlichen Erlasses über die Politik des Wohlbefindens erwähnten Grundsätze berücksichtigt und diese Pläne umfassen alle einschlägigen Sicherheitsübungen, die in regelmäßigen Abständen durchzuführen sind, sowie die Bereitstellung angemessener Erste-Hilfe-Einrichtungen. Art. 24 - Tritt eines der in Artikel 23 erwähnten Ereignisse ein, so ergreift der Arbeitgeber sofort Maßnahmen zur Minderung der Auswirkungen des Ereignisses und zur Information der betroffenen Arbeitnehmer. Zur Wiederherstellung der normalen Situation: 1. ergreift der Arbeitgeber so bald wie möglich geeignete Abhilfemaßnahmen, 2. dürfen nur diejenigen Arbeitnehmer, die für Instandsetzungsarbeiten und sonstige notwendige Tätigkeiten unbedingt benötigt werden, in dem betroffenen Bereich arbeiten. Art. 25 - Die Arbeitnehmer, die in dem betroffenen Bereich arbeiten dürfen, sind mit geeigneter Schutzkleidung, individueller Schutzausrüstung, speziellen Sicherheitseinrichtungen und besonderen Arbeitsmitteln auszustatten, die sie so lange benutzen müssen, wie die anormale Situation fortbesteht; diese Situation darf kein Dauerzustand sein. Ungeschützte Personen dürfen nicht in dem betroffenen Bereich verbleiben. Art. 26 - Unbeschadet der Artikel 22 bis 25 des Königlichen Erlasses über die Politik des Wohlbefindens ergreift der Arbeitgeber die nötigen Maßnahmen, um Warn- und sonstige Kommunikationssysteme zur Verfügung zu stellen, die erforderlich sind, um ein erhöhtes Risiko für die Sicherheit und die Gesundheit anzuzeigen, so dass eine angemessene Reaktion möglich ist und Abhilfemaßnahmen sowie Hilfs-, Evakuierungs- und Rettungsmaßnahmen im Bedarfsfall sofort eingeleitet werden können. Art. 27 - Der Arbeitgeber sieht das Nötige, wie zum Beispiel Notduschen, Augenduschen, Neutralisierungsmittel und Adsorptionsmittel, vor, um die Folgen einer unbeabsichtigten Freisetzung chemischer Agenzien möglichst zu begrenzen. Die unbeabsichtigt freigesetzten Produkte und das für die Reinigung verwendete Material müssen so schnell wie möglich von den Arbeitsplätzen entfernt werden, so dass sie im oder außerhalb des Unternehmens keine Gefahr für Mensch und Umgebung darstellen. Art. 28 - Der Arbeitgeber stellt sicher, dass Informationen über Notfallmaßnahmen in Bezug auf gefährliche chemische Agenzien zur Verfügung stehen. Die internen und externen Dienste, die bei Unfällen und Notfällen eingreifen, erhalten eine Abschrift dieser Informationen, die in einem Dokument, das Teil des Notfallplans ist, festgehalten werden. Zu diesen Informationen zählen: 1. Vorabmitteilung von einschlägigen Gefahren bei der Arbeit, von Vorkehrungen zur Feststellung von Gefahren, von Vorsichtsmaßregeln und Verfahren, damit die Notfalldienste ihre eigenen Abhilfemaßnahmen und Sicherheitsvor kehrungen vorbereiten können und 2. alle verfügbaren Informationen über spezifische Gefahren, die bei einem Unfall oder Notfall auftreten oder auftreten können, einschließlich Informationen über die gemäß den Artikeln 23 bis 28 vorbereiteten Verfahren. 68396 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Abschnitt VI — Information und Ausbildung der Arbeitnehmer Art. 29 - Unbeschadet der Artikel 17 bis 21 des Königlichen Erlasses über die Politik des Wohlbefindens stellt der Arbeitgeber sicher, dass der Ausschuss und die betreffenden Arbeitnehmer Folgendes erhalten: 1. die gemäß den Artikeln 8 bis 12 gewonnenen Daten sowie weitere Informationen, wenn eine Veränderung am Arbeitsplatz zu einer Änderung dieser Daten führt, 2. Informationen über die am Arbeitsplatz auftretenden gefährlichen chemischen Agenzien, wie zum Beispiel Bezeichnung der Agenzien und Orte, an denen sie sich befinden, Risiken für die Sicherheit und die Gesundheit, relevante Arbeitsplatzgrenzwerte und sonstige Gesetzesbestimmungen, 3. Ausbildung und Informationen über angemessene Vorsichtsmaßregeln und Vorkehrungen, die der Arbeitneh mer zu seinem eigenen Schutz und zum Schutz der anderen Arbeitnehmer am Arbeitsplatz zu treffen hat, 4. Zugang zu allen Sicherheitsdatenblättern, die in Artikel 9 § 2 des Königlichen Erlasses vom 24. Mai 1982 zur Regelung des In-Verkehr-Bringens von Stoffen, die eine Gefahr für den Menschen oder seine Umwelt darstellen, und in Artikel 12 des Königlichen Erlasses vom 11. Januar 1993 zur Regelung der Einstufung, Verpackung und Kennzeichnung gefährlicher Zubereitungen im Hinblick auf deren In-Verkehr-Bringen oder Verwendung erwähnt und vom Lieferanten erhalten worden sind. Auf einfachen Antrag der Arbeitnehmervertreter im Ausschuss wird ihnen eine Abschrift davon besorgt, 5. den in Artikel 59 erwähnten Messbericht. Diese Information wird: 1. in einer Form zur Verfügung gestellt, die dem Ergebnis der in den Artikeln 8 bis 12 erwähnten Risikoabschätzung Rechnung trägt, wobei die Spanne der Informationsmöglichkeiten je nach Art und Umfang des Risikos, das im Zuge der Abschätzung nach den vorerwähnten Bestimmungen festgestellt worden ist, von mündlicher Mitteilung bis hin zu individueller Schulung und Ausbildung, verbunden mit schriftlicher Information, reichen kann, 2. ständig aktualisiert, um veränderten Gegebenheiten Rechnung zu tragen. Art. 30 - Sind Behälter und Rohrleitungen, die für gefährliche chemische Agenzien am Arbeitsplatz verwendet werden, nicht gemäß dem Königlichen Erlass vom 24. Mai 1982 zur Regelung des In-Verkehr-Bringens von Stoffen, die eine Gefahr für den Menschen oder seine Umwelt darstellen, oder dem Königlichen Erlass vom 11. Januar 1993 zur Regelung der Einstufung, Verpackung und Kennzeichnung gefährlicher Zubereitungen im Hinblick auf deren In-Verkehr-Bringen oder Verwendung gekennzeichnet, so stellt der Arbeitgeber unbeschadet der in den vorgenannten Rechtsvorschriften vorgesehenen Abweichungen sicher, dass der Inhalt der Behälter und Rohrleitungen sowie die Art des Inhalts und die davon ausgehenden Gefahren anhand einer Kennzeichnung, die der durch die beiden vorerwähnten Erlasse vorgesehenen Kennzeichnung entspricht, eindeutig identifizierbar sind. Für festverbundene Tanks mit einem Inhalt von mehr als 500 Litern wird diese Verpflichtung eingehalten, wenn auf jeder Abzapfvorrichtung ein Etikett mit der Bezeichnung des Stoffes oder der Zubereitung, dem Gefahrensymbol, den Hinweisen auf besondere Gefahren (R-Sätze) und den Sicherheitsempfehlungen (S-Sätze) angebracht wird. Für Glaswaren für Laboratorien wird diese Verpflichtung eingehalten, wenn sie derart identifiziert worden sind, dass die Information über den Inhalt und dessen eventuelle Gefahren für die Arbeitnehmer sofort zur Verfügung stehen. Abschnitt VII — Verbotsbestimmungen Art. 31 - Zum Schutz der Arbeitnehmer vor einer Gesundheitsgefährdung durch bestimmte chemische Agenzien oder Tätigkeiten mit chemischen Agenzien sind die Herstellung und Verarbeitung der in Anlage III genannten chemischen Agenzien, ihre Verwendung bei der Arbeit sowie die dort genannten Tätigkeiten in dem angegebenen Umfang verboten. Art. 32 - Der für Beschäftigung und Arbeit zuständige Minister kann Abweichungen von dem in Artikel 31 erwähnten Verbot gewähren. Die Genehmigung wird nur in folgenden Fällen und unter der Bedingung, dass der Arbeitgeber die in Absatz 3 erwähnten Maßnahmen ergreift, erteilt: 1. für ausschließlich wissenschaftliche Forschungs-, Versuchs- und Analysezwecke, 2. für Tätigkeiten zur Beseitigung von chemischen Agenzien in Form von Neben- oder Abfallprodukten, 3. für die Herstellung der in Artikel 31 erwähnten chemischen Agenzien als Zwischenprodukte und für deren Verwendung als Zwischenprodukte. Eine Exposition der Arbeitnehmer gegenüber den in Artikel 31 erwähnten chemischen Agenzien ist insbesondere dadurch zu vermeiden, dass Sorge dafür getragen wird, dass die Herstellung und die möglichst baldige Verwendung dieser chemischen Agenzien als Zwischenprodukte in einem einzigen geschlossenen System erfolgen, dem sie nur entnommen werden dürfen, soweit dies für die Kontrolle des Arbeitsvorgangs oder für die Wartung des Systems erforderlich ist. Die Genehmigungen, vom Verbot abzuweichen, werden individuell erteilt und sind nur unter folgenden Bedingungen übertragbar: — Die Verwendungsbedingungen bleiben unverändert. — Die Übertragung wird dem für Beschäftigung und Arbeit zuständigen Minister mit einer Abschrift der Protokolle der Versammlung des Ausschusses, während deren die Stellungnahme in Bezug auf die Übertragung eingeholt worden ist, und mit der schriftlichen Stellungnahme des zuständigen Gefahrenverhütungsberaters notifiziert. — Es liegt eine günstige Stellungnahme des mit der Überwachung beauftragten Beamten vor. 68397BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 33 - Wenn gemäß Artikel 32 Abweichungen beantragt werden, muss der Arbeitgeber der Verwaltung der Betriebshygiene und der Arbeitsmedizin folgende Angaben übermitteln: 1. Grund für die Beantragung der Abweichung, 2. jährlich zu verwendende Menge des chemischen Agens, 3. betroffene Tätigkeiten oder Reaktionen oder Verfahren, 4. Zahl der voraussichtlich betroffenen Arbeitnehmer, 5. geplante Sicherheitsvorkehrungen zur Gewährleistung der Sicherheit und des Gesundheitsschutzes der betroffenen Arbeitnehmer, 6. getroffene technische und organisatorische Maßnahmen zur Verhütung der Exposition von Arbeitnehmern, 7. Stellungnahme des Ausschusses und des zuständigen Gefahrenverhütungsberaters. Art. 34 - Es ist verboten, Streichhölzer, die weißen Phosphor enthalten, herzustellen, zu verwenden und vorrätig zu haben. Art. 35 - Es ist verboten, Lösungsmittel, die mehr als 1 Volumenprozent Schwefelkohlenstoff enthalten, zu verwenden. Art. 36 - Es ist verboten, Berylliumverbindungen bei der Herstellung von Beleuchtungslampen, Leuchtstoffröh ren und Leuchtschirmen sowie Elektronenröhren zu verwenden. Art. 37 - §1 - Es ist verboten, Sand oder andere Granulate, die mehr als 1% freie Kieselerde enthalten, bei Granulatstrahlungs- oder Entsandungsarbeiten zu verwenden. Für die Anwendung dieser Bestimmungen versteht man unter: 1. granulatstrahlen: Granulate mit hoher Geschwindigkeit auf Gegenstände spritzen, um diese zu reinigen oder ihre Oberfläche zu behandeln, mit Ausnahme der Behandlungen, bei denen sie mit einem Material beschichtet werden, 2. entsanden: Gegenstände zwecks Entfernung des anhaftenden Sandes granulatstrahlen. § 2 - Die Granulatstrahlungs- und die Entsandungsarbeiten, bei denen Sand oder andere Granulate verwendet werden, die mehr als 1% freie Kieselerde enthalten, sind jedoch nicht verboten, wenn sie in hermetisch abgeschlossenen Räumen, Kabinen oder Einrichtungen stattfinden, die für diesen Zweck bestimmt sind, sofern: 1. diese so beschaffen sind, dass kein Arbeitnehmer während der Behandlung hineingehen oder sich dort aufhalten muss, 2. diese erst nach Beseitigung der in der Luft schwebenden Staubpartikel geöffnet werden, 3. die Entstaubungssysteme ausreichend wirksam sind, um jede Verunreinigung der Atmosphäre am Arbeitsplatz zu vermeiden; dies wird durch geeignete Messungen des Staubgehalts überprüft. § 3 - Der für Beschäftigung und Arbeit zuständige Minister kann einem Arbeitgeber erlauben, Granulatstrahlungs und Entsandungsarbeiten unter freiem Himmel durchzuführen, wenn die Behandlung große Flächen oder Festbauten wie Gebäudefassaden, Schiffsrümpfe, Metallgerüste oder Maste betrifft und wenn es technisch unmöglich ist, das Produkt, das freie Kieselerde enthält, durch ein weniger schädliches Produkt zu ersetzen. Die betreffenden Arbeiten müssen unter der Leitung des Arbeitgebers selbst oder eines von ihm namentlich bestimmten Angestellten stattfinden. Diese Genehmigung wird von dem für Beschäftigung und Arbeit zuständigen Minister für einen bestimmten Zeitraum nach Stellungnahme der Verwaltung der Betriebshygiene und der Arbeitsmedizin erteilt. Der für Beschäftigung und Arbeit zuständige Minister kann diese Genehmigung an die Einhaltung sämtlicher Bedingungen knüpfen, die zum Schutz der Gesundheit der Arbeitnehmer als notwendig erachtet werden. Die Genehmigung wird widerrufen, wenn der Arbeitgeber die auferlegten Bedingungen nicht einhält. Abschnitt VIII — Herstellung und Verwendung mit obligatorischer Notifikation Art. 38 - Hydrogencyanid, seine organischen und anorganischen Cyanverbindungen und die Zubereitungen, die diese Stoffe enthalten, dürfen, sofern diese Stoffe und Zubereitungen als «sehr giftig» oder «giftig» eingestuft worden sind, nur verwendet werden, nachdem dies der Regionaldirektion der Ärztlichen Arbeitsinspektion des Amtsbereiches schriftlich notifiziert worden ist. Diese Notifikation umfasst folgende Angaben: 1. die Bezeichnung des Stoffes, 2. die Tätigkeit, für die der Stoff verwendet wird, die Adresse, wo die Tätigkeit verrichtet wird, und den Namen des Arbeitgebers, 3. die Anzahl der durch diese Tätigkeit betroffenen Arbeitnehmer, 4. eine Beschreibung der in Artikel 23 des vorliegenden Erlasses erwähnten Maßnahmen bei Unfällen, Zwischenfällen und Notfällen, 5. das Ergebnis der in den Artikeln 8 bis 12 erwähnten Risikoabschätzung, 6. die in den Artikeln 13 bis 22 erwähnten ergriffenen Gefahrenverhütungsmaßnahmen. Abschnitt IX — Gesundheitsüberwachung Art. 39 - Die Arbeitnehmer, die gefährlichen chemischen Agenzien ausgesetzt sind, unterliegen einer angemes senen Gesundheitsüberwachung, es sei denn, die Ergebnisse der Risikoabschätzung lassen kein Risiko für ihre Gesundheit erkennen. In den Fällen, in denen ein verbindlicher biologischer Grenzwert nach Anlage II festgelegt wurde, ist die Gesundheitsüberwachung für Arbeiten mit dem betreffenden Agens gemäß den in Anlage II vorgesehenen Verfahren eine zwingend vorgeschriebene Anforderung. Die Arbeitnehmer sind von dieser Anforderung in Kenntnis zu setzen, bevor ihnen eine Arbeit zugewiesen wird, die mit dem Risiko einer Exposition gegenüber dem angegebenen gefährlichen chemischen Agens verbunden ist. 68398 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 40 - Die Gesundheitsüberwachung wird gemäß den Bestimmungen von Titel II Kapitel III Abschnitt I Unterabschnitt II der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung ausgeführt. Die geeignetsten Techniken zur Früherkennung von Indikatoren für die Krankheit oder die gesundheitsschädli chen Auswirkungen werden angewandt. Anlage IV enthält eine als Beispiel angeführte Liste dieser Techniken und die minimale Anwendungshäufigkeit. Der für Beschäftigung und Arbeit zuständige Minister kann diese Anlage dem Entwicklungsstand der Wissenschaft anpassen. Art. 41 - Die Gesundheitsüberwachung, deren Ergebnisse bei der Durchführung von präventiven Maßnahmen an dem konkreten Arbeitsplatz zu berücksichtigen sind, ist in den Fällen angemessen, in denen: 1. die Exposition der Arbeitnehmer gegenüber einem gefährlichen chemischen Agens mit einer bestimmbaren Krankheit oder gesundheitsschädlichen Auswirkung zusammenhängen kann und 2. eine Wahrscheinlichkeit besteht, dass die Krankheit oder Auswirkung unter den besonderen Arbeitsbedingun gen des Arbeitnehmers auftritt, und 3. das Risikopotential der Untersuchungstechnik für die Arbeitnehmer so gering ist, dass es nicht mit dem Gesundheitsrisiko zu vergleichen ist, das man eingehen würde, wenn die Untersuchungstechnik nicht angewandt würde, 4. anerkannte Techniken zur Früherkennung der Krankheit beziehungsweise Auswirkung zur Verfügung stehen. Art. 42 - Für jeden Arbeitnehmer, der der Gesundheitsüberwachung nach Artikel 39 unterliegt, wird eine medizinische Akte gemäß den Artikeln 146quinquies bis 146decies der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung erstellt und fortgeschrieben. Art. 43 - Diese medizinischen Akten enthalten die Ergebnisse der durchgeführten Gesundheitsüberwachung und sämtliche für die individuelle Exposition der Arbeitnehmer repräsentativen Überwachungsdaten. Die durchgeführte biologische Überwachung und damit zusammenhängende Anforderungen sind Teil der Gesundheitsüberwachung. Die Expositionsdaten sind Teil der medizinischen Akte und werden unter Einhaltung der ärztlichen Schweige pflicht von der mit der medizinischen Überwachung beauftragten Abteilung des Dienstes für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz aufbewahrt. Falls unter Berücksichtigung der Anzahl exponierter Arbeitnehmer die ärztliche Schweigepflicht gewährleistet werden kann, stellt der Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarzt dem Ausschuss anonymisierte Expositionsdaten zur Verfügung. Die medizinischen Akten werden gemäß den Artikeln 146quinquies bis 146decies der Allgemeinen Arbeitsschutz ordnung aufbewahrt, und zwar in einer Form, die ihre spätere Einsichtnahme ermöglicht. Die Ärzte-Arbeitsinspektoren der Ärztlichen Arbeitsinspektion des Ministeriums der Beschäftigung und der Arbeit haben Zugang zu den medizinischen Akten und erhalten auf Antrag eine Abschrift davon. Jeder Arbeitnehmer hat auf seinen Antrag hin Zugang zu seiner medizinischen Akte. Stellt ein Unternehmen seine Tätigkeiten ein, werden die medizinischen Akten weiterhin von der mit der medizinischen Überwachung beauftragten Abteilung des Dienstes für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz gemäß den Bestimmungen der Artikel 146quinquies bis 146decies der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung aufbewahrt beziehungsweise bearbeitet. Art. 44 - Der Arbeitnehmer wird von dem Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarzt über die ihn persönlich betreffenden Ergebnisse informiert, wozu auch Informationen und Beratung über Gesundheitsüberwachungsmaßnah men, denen er sich nach Abschluss der Exposition unterziehen sollte, zählen, wenn sich aus der Gesundheitsüberwa chung ergibt, dass: 1. ein Arbeitnehmer an einer bestimmbaren Krankheit leidet oder dass sich bei ihm eine gesundheitsschädliche Auswirkung zeigt, die nach Auffassung des Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarztes das Ergebnis der Exposition gegenüber einem gefährlichen chemischen Agens am Arbeitsplatz ist, oder 2. ein verbindlicher biologischer Grenzwert überschritten worden ist. Art. 45 - In den in Artikel 44 vorgesehenen Fällen ergreift der Arbeitgeber folgende Maßnahmen: 1. Er überprüft sofort die gemäß Artikel 8 vorgenommene Risikoabschätzung. 2. Er überprüft sofort die gemäß den Artikeln 13 bis 22 vorgesehenen Maßnahmen zur Ausschaltung oder Verringerung des Risikos. 3. Er berücksichtigt die Stellungnahme des Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarztes und gegebenenfalls des mit der Überwachung beauftragten Beamten bei der Durchführung aller nötigen Maßnahmen zur Ausschaltung oder Verringerung des Risikos gemäß den Artikeln 17 bis 22, wozu auch die Möglichkeit zählt, dem Arbeitnehmer eine andere Tätigkeit zuzuweisen, bei der kein Risiko einer weiteren Exposition besteht. 4. Er trifft Vorkehrungen für eine kontinuierliche Gesundheitsüberwachung und sorgt für eine Überprüfung des Gesundheitszustands aller anderen Arbeitnehmer, die in ähnlicher Weise exponiert waren. In diesen Fällen kann der Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarzt oder der mit der Überwachung beauftragte Beamte vorschlagen, dass exponierte Personen einer ärztlichen Untersuchung unterzogen werden. 68399BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Abschnitt X — Arbeitsplatzgrenzwerte Art. 46 - Der Arbeitgeber muss die Exposition möglichst niedrig halten. Auf jeden Fall ist es verboten, die in Anlage I aufgeführten Grenzwerte zu überschreiten. Art. 47 - Bei der Festlegung der Grenzwerte bezieht man sich auf einen bestimmten Referenzzeitraum. Vorbehaltlich anders lautender Bestimmungen beträgt dieser 8 Stunden. Wenn die Arbeitszeit weniger als 8 Stunden beträgt, wird sie der Referenzzeitraum. Für bestimmte Agenzien kann bei einer Kurzzeitexposition ein Referenzzeitraum von 15 Minuten festgelegt werden. In diesem Fall wird der Grenzwert «Kurzzeitwert» genannt. Wenn ein Kurzzeitwert festgelegt ist, dürfen Expositionen mit einem Zahlenwert, der höher als der über 8 Stunden gewichtete Grenzwert ist, nur vier Mal pro Tag stattfinden, jedes Mal während eines Zeitraums von höchstens fünfzehn Minuten. Zwischen diesen Zeiträumen mit hoher Exposition müssen mindestens sechzig Minuten vergehen. Für bestimmte Agenzien können Grenzwerte mit einem Referenzzeitraum festgelegt werden, dessen Dauer sich von den hier oben erwähnten Dauern unterscheidet. Diese Referenzzeiträume sind dann explizit in Anlage I angegeben. Für Kontrollmessungen wird dann auf die über diesen Referenzzeitraum gewichtete Konzentration verwiesen. Wenn Arbeitnehmer gemäß einem Schema exponiert sind, das deutlich vom normalen Schema abweicht (wie ein Arbeitstag von mehr als 8 Stunden, eine Arbeitswoche von mehr als 40 Stunden oder eine Arbeitswoche von mehr als 5 Tagen), formuliert der Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarzt einen mit Gründen versehenen Vorschlag über den einzuhaltenden Grenzwert. Dieser Vorschlag wird dem Ausschuss des betreffenden Betriebs zur Stellungnahme vorgelegt und der Direktion der Ärztlichen Arbeitsinspektion des Amtsbereiches notifiziert. Art. 48 - Die Exposition über die Atemwege kann durch Messung der Konzentration des chemischen Agens im Atembereich ermittelt werden. Dieses Volumen wird aus technischen Gründen wie eine sich vor dem Gesicht erstreckende Halbkugel mit einem Radius von 30 cm definiert. Der Mittelpunkt dieser Halbkugel ist die Mitte der Verbindungslinie zwischen den Ohren. Die Grundfläche dieser Halbkugel ist die Fläche, die durch diese Linie, den höchsten Punkt des Kopfes und den Kehlkopf läuft. Diese Definition ist nicht anwendbar, wenn eine Atemschutzausrüstung benutzt wird. Art. 49 - Ist das Auftreten eines oder mehrerer Agenzien als Gas, Dampf oder Schwebstoff in der Luft am Arbeitsplatz nicht sicher auszuschließen, so ist eine Ermittlung vorzunehmen, um festzustellen, ob die Grenzwerte eingehalten sind. Bei dieser Ermittlung sind sorgfältige Erhebungen anzustellen über alles, was einen Einfluss auf die Exposition haben kann, zum Beispiel: 1. die eingesetzten oder entstehenden Agenzien, 2. die Tätigkeiten, die technischen Einrichtungen und die Herstellungsverfahren, 3. die zeitliche und räumliche Verteilung der Konzentration der Agenzien. Art. 50 - § 1 - Ein Grenzwert ist eingehalten, wenn die Ermittlung ergibt, dass die Exposition den Grenzwert nicht überschreitet. Reichen die zusammengetragenen Angaben nicht aus, um zuverlässig feststellen zu können, ob die Grenzwerte eingehalten sind, so sind sie durch Messungen am Arbeitsplatz zu erweitern. § 2 - Ergibt die Ermittlung, dass ein Grenzwert nicht eingehalten ist: 1. müssen sofort die Ursachen der Grenzwertüberschreitung festgestellt und Abhilfemaßnahmen durchgeführt werden, 2. muss die Ermittlung erneut vorgenommen werden. § 3 - Ergibt die Ermittlung, dass die Grenzwerte eingehalten sind, müssen dann Kontrollmessungen in angemessenen, in Konzertierung mit dem Ausschuss und dem zuständigen Dienst für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz festgelegen Zeitabständen durchgeführt werden. Die Kontrollmessungen sind umso häufiger vorzunehmen, je näher die gemessene Konzentration am Grenzwert liegt. § 4 - Ergibt die Ermittlung, dass die Grenzwerte aufgrund der Gestaltung des Arbeitsprozesses langfristig eingehalten werden, und ist bei den Bedingungen am Arbeitsplatz keine wesentliche Änderung eingetreten, die zu einer Änderung der Exposition der Arbeitnehmer führen könnte, so kann die Häufigkeit der Kontrolle der Einhaltung der Grenzwerte durch Messungen eingeschränkt werden. In diesem Fall ist jedoch regelmäßig zu prüfen, ob die Ermittlung, die zu der Feststellung geführt hat, noch zutreffend ist. Die Einschränkung der Häufigkeit dieser Kontrollmessungen erfolgt gemäß den in Artikel 20 Absatz 2 festgelegten Regeln. Art. 51 - Die im Rahmen der Ermittlung der Exposition gegenüber chemischen Agenzien am Arbeitsplatz durchgeführten Messungen müssen den in den Artikeln 52 bis 60 erwähnten Anforderungen genügen. Art. 52 - Bei der Wahl des Messverfahrens werden die in Anlage I Punkt B Nr. 1 erwähnten technischen Regeln eingehalten. 68400 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 53 - Die Probenahme wird vorgenommen: 1. vom Arbeitgeber oder 2. vom Gefahrenverhütungsberater oder 3. von dem/den Beauftragten des zugelassenen Labors, wenn ein solches Labor für die Messungen in Anspruch genommen wird. Die Arbeitnehmer und der Ausschuss werden bei der Organisation und der Durchführung der Probenahmen aktiv einbezogen und konsultiert, so dass ihnen unter anderem ermöglicht wird, die Repräsentativität der Messungen bei normalen Arbeitsbedingungen zu überprüfen. Bei Beanstandung in Bezug auf die Probenahmen werden Letztere einem zugelassenen Labor anvertraut. Art. 54 - Bei der Planung der Messungen muss dafür gesorgt werden, dass eine gute Repräsentativität gewährleistet wird. Dies beinhaltet dass: 1. die Produktionsniveaus, die Umgebungsfaktoren und die Tätigkeiten nicht manipuliert oder optimiert werden, 2. die Messungen willkürlich auf eine ausreichende Anzahl Tage verteilt werden, um den Schwankungen infolge der verschiedenen Produktionszyklen und Jahreszeiten Rechnung zu tragen. Wenn die Bestimmungen der oben erwähnten Nummern 1 und 2 aus praktischen Gründen nicht eingehalten werden können, muss damit Rechnung getragen werden, dass die Wirklichkeit und das Bild, das man sich von ihr macht, weit auseinander liegen können. Art. 55 - Die Person, die die Probenahme vornimmt, verfügt über eine spezifische Ausbildung zu diesem Zweck und über die erforderliche Qualifikation, um die Probenahme vorzunehmen. Sie verfügt außerdem über schriftliche Anweisungen für den Gebrauch der eingesetzten Geräte. Sie ist ebenfalls über die Möglichkeiten und die Grenzen der verwendeten Technik informiert. Bei einer aktiven Probenahme mit Pumpen gelten die Vorschriften von Anlage I Punkt C. Die notwendigen Maßnahmen werden ergriffen, damit die Proben sicher und ohne Kontaminationsrisiko transportiert und aufbewahrt werden. Die für die korrekte Durchführung der Analyse notwendigen Daten werden von der Person, die mit den Probenahmen beauftragt ist, aufgezeichnet und werden dem Labor übermittelt. Über diese Angelegenheit findet eine vorherige Konzertierung mit dem Labor statt. Diese Daten werden in den Anweisungen für die Person, die die Proben entnimmt, aufgenommen. Art. 56 - Während der Probenahme werden die Daten aufgezeichnet, die für die Erstellung des Messberichts und die Bewertung der Repräsentativität der Probenahme notwendig sind. Diese Daten werden während mindestens fünf Jahren aufbewahrt. Art. 57 - Die Analyse der entnommenen Proben werden vorgenommen von: 1. dem Labor des Arbeitgebers oder 2. einem Labor, das für die Messung des betreffenden Agens zugelassen oder akkreditiert ist. Bei Beanstandung in Bezug auf die Ergebnisse der Analysen werden sie einem von dem für Beschäftigung und Arbeit zuständigen Minister zu diesem Zweck zugelassenen Dienst oder Labor anvertraut. Art. 58 - Wenn sich ergibt, dass die Probenahme nicht richtig durchgeführt worden ist, zum Beispiel infolge der Verwendung eines unangemessenen Probenahmemediums oder eines unangemessenen Durchflusses, weigert sich das Labor, die Analyse durchzuführen. Das Labor erhält sämtliche zur korrekten Durchführung der Analyse notwendigen Daten. Das Labor bewahrt sämtliche Grundlagendaten über die Analyse während mindestens fünf Jahren auf. Wenn sich ergibt, dass das Labor den allgemeinen Qualitätsanforderungen nicht genügt hat, wiederholt es die Analyse der Proben oder gleichwertiger Proben kostenlos für den Kunden. Die Qualitätsanforderungen werden vorab von dem Kunden und dem Labor schriftlich festgehalten aufgrund von Bewertungsverfahren, Arbeitsweisen und Messungen, die den allgemeinen Leistungsanforderungen genügen und es ermöglichen, zuverlässige und brauchbare Ergebnisse zu erhalten. Art. 59 - Der Arbeitgeber erstellt einen Bericht über die Messungen, die dazu bestimmt sind, die Exposition mit dem Grenzwert zu vergleichen. Wenn für das betreffende Agens kein Grenzwert festgelegt ist, wird als Referenz der Grenzwert eines Agens benutzt, dessen physikalisch-chemische und toxikologische Eigenschaften gemäß dem aktuellen Kenntnisstand der Wissenschaft so ähnlich sind, dass dieser Grenzwert als Referenz benutzt werden kann. Wenn für die Messungen ein zugelassenes Labor in Anspruch genommen wird, ist der Bericht des Labors integraler Bestandteil des Berichts des Arbeitgebers. Der Inhalt des Messberichts muss den Anforderungen des benutzten Messverfahrens und der Norm NBN EN 689 genügen. Der Bericht umfasst unter anderem die in Anlage I Punkt D aufgenommenen Punkte. Falls die Analyse einem Drittlabor in Auftrag gegeben wird, ist das externe Labor verantwortlich für den Analysebericht. Der Arbeitgeber ist verantwortlich für den vollständigen Messbericht, es sei denn, er hat einem zugelassenen Drittlabor die Messung in Auftrag gegeben. 68401BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 60 - Die Labors, die Analysen solcher Art Proben durchführen, nehmen auf Antrag der Verwaltung der Betriebshygiene und der Arbeitsmedizin an Ringvergleichen oder Eignungsprogrammen teil oder führen Analysen von Testproben durch. Wenn die Ergebnisse der Teilnahme eines Labors an diesen Tests oder Programmen unzureichend sind, können die von diesem Labor erstellten Berichte für ungültig erklärt werden, wobei die entsprechenden Messungen kostenlos für den Kunden wiederholt werden müssen. Die Messungen werden nur wiederholt, nachdem das Labor nachgewiesen hat, dass es die Analysetechnik beherrscht. Die Kriterien für die Bewertung der Ergebnisse der Tests werden vor dem Test festgelegt. Abschnitt XI — Schlussbestimmungen Art. 61 - Mit der Überwachung der Einhaltung der Bestimmungen des vorliegenden Erlasses sind beauftragt: — die Ärzte-Arbeitsinspektoren, die Sozialkontrolleure und die Inspektoren des Labors für Industrietoxikologie der Ärztlichen Arbeitsinspektion der Verwaltung der Betriebshygiene und der Arbeitsmedizin, — die Ingenieure, Industrieingenieure, technischen Ingenieure und technischen Kontrolleure der Technischen Inspektion der Verwaltung der Sicherheit im Arbeitsbereich. (...) Art. 63 - Die Bestimmungen der Artikel 2 bis 60 des vorliegenden Erlasses und seiner Anlagen bilden Titel V Kapitel I des Gesetzbuches über das Wohlbefinden bei der Arbeit mit folgenden Überschriften: 1. «Titel V - Chemische, krebserregende und biologische Agenzien», 2. «Kapitel I - Chemische Agenzien». Art. 64 - Unser Minister der Beschäftigung ist mit der Ausführung des vorliegenden Erlasses beauftragt. Gegeben zu Brüssel, den 11. März 2002 ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX Anlage I ARBEITSPLATZGRENZWERTE Der Grenzwert für Gase und Dämpfe wird in der von den Zustandsgrößen Temperatur und Luftdruck unabhängigen Dimension ml/m3 (ppm) sowie in der von den Zustandsgrößen abhängigen Dimension mg/m3 für eine Temperatur von 20 °C und einen Barometerstand von 101,3 kPa angegeben. Der Grenzwert für Schwebstoffe wird in mg/m3 für die am Arbeitsplatz herrschenden Druck- und Temperatur bedingungen angegeben. Vorbehaltlich anders lautender Bestimmungen wird nur die einatembare Fraktion berück sichtigt. A. Liste der Grenzwerte für die Exposition gegenüber chemischen Agenzien (...) B. Wahl des Messverfahrens Für die Durchführung der Messungen benutzt man vorzugsweise die nachstehenden Methoden in der angegebenen Rangordnung: 1. Referenzmethoden: durch Vorschriften auferlegte Methoden, 2. normalisierte Methoden: von den Normungsinstituten auf nationaler oder internationaler Ebene veröffentlichte Methoden, 3. Methoden, die von den auf Arbeitshygiene spezialisierten Instituten veröffentlicht werden, 4. eigene, validierte Methoden: ganz oder zum Teil im Labor entwickelte oder angepasste Methoden, für die erwiesen ist, dass sie den einschlägigen Anforderungen der angewandten Messtechnik genügen. Nachfolgende europäische Normen werden benutzt, sofern sie für die durchgeführten Messungen und Analysen relevant sind: Nummer Gegenstand EN 481 Begriffsbestimmungen - Teilchengrößenverteilung EN 13205 Bewertung der Leistungsfähigkeit von Geräten für die Messung luftgetragener Partikel EN 482 Allgemeine Anforderungen an Messverfahren EN 689 Messstrategie EN 838 Diffusionssammler für Gase und Dämpfe EN 1076 Pumpenbetriebene Sammelröhrchen für Gase und Dämpfe EN 1231 Kurzzeitprüfröhrchen EN 1232 Pumpen für die personenbezogene Probenahme EN 1540 Terminologie EN 45544-1 bis EN 4544-4 Elektrische Geräte für die direkte Messung (4 Teile) 68402 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE C. Benutzung von Pumpen Die Durchflussmenge der Pumpen muss vor der Probenahme kalibriert und nach der Probenahme kontrolliert werden, und zwar vorzugsweise mit einem Seifenblasen-Strömungsmesser oder einem anderen Gerät, dessen Rückverfolgbarkeit in Bezug auf nationale oder internationale Normen nachgewiesen werden kann. Bei der Kalibrierung und der Kontrolle werden ein Filterhalter und ein Filter, der repräsentativ für den bei der Probenahme benutzten Filter ist, mit einem Durchflussmesser in Reihe geschaltet. Die Länge und der Durchmesser der Leitungen sind vergleichbar mit denen der Leitungen, die für die Probenahme verwendet worden sind. Die Durchflussmenge wird anhand einer Serie von mindestens sechs Messwerten bestimmt. Die Standardabwei chung bei dieser Serie von Messungen beträgt höchstens 2,5% oder weniger, je nach den Spezifikationen der Pumpe. Die Differenz zwischen dem arithmetischen Mittel der Serie von Messwerten vor der Probenahme und demjenigen nach der Probenahme beträgt höchstens 5% oder weniger, je nach den Spezifikationen der Pumpe. Mit den benutzten Geräten muss die Überprüfung der Einhaltung der oben erwähnten Anforderungen ermöglicht werden. Die bei der Berechnung der Konzentration benutzte Durchflussmenge entspricht dem arithmetischen Mittel der Durchflussmengen vor und nach der Probenahme. Wenn bei der Kalibrierung andere Geräte als der Seifenblasen-Strömungsmesser benutzt werden, müssen quantitative Kriterien für die Beurteilung der Kurzzeitvariabilität (die der Standardabweichung entspricht) und der Langzeitvariabilität (die der Differenz zwischen der Durchflussmenge vor und derjenigen nach der Probenahme entspricht) festgelegt werden. Wenn es große Temperatur- und/oder Druckunterschiede zwischen den Kalibrierungs- und den Probenahmebe dingungen gibt, muss bei Benutzung eines Rotameters eine Korrektur aufgrund folgender Formel angewandt werden: in der: Qtats. die tatsächliche Durchflussmenge ist, QKal die durch die Kalibrierung festgelegte Durchflussmenge ist, PKal und TKal der Druck und die Temperatur während der Kalibrierung und PPN und TPN der Druck und die Temperatur während der Probenahme sind. In der Praxis wird nur eine Temperaturkorrektur vorgenommen, es sei denn, extreme Druckunterschiede treten auf (extremer Unterdruck oder große Höhendifferenzen). D. Inhalt des Messberichts Der Messbericht umfasst: 1. eine kurze Beschreibung des Prinzips der Methode und eventuell einen Verweis auf das Verfahren, 2. den Namen und die Qualifikation der Person, die die Proben entnommen und sie einem Labor anvertraut hat, 3. das Datum, den Zeitpunkt des Beginns und der Beendigung der Probenahme, 4. im Fall einer personenbezogenen Probenahme, die Funktion des Arbeitnehmers, bei dem eine Probe entnommen wird, und seine Tätigkeit während der Probenahme, 5. im Fall einer stationären Probenahme, den Ort der Probenahme, 6. wenn Messergebnisse einer stationären Probenahme für die Ermittlung der individuellen Exposition verwendet werden, eine Begründung, weshalb, keine personenbezogene Probenahme durchgeführt worden ist, 7. eine Beschreibung der Umstände, unter denen die Probenahme vorgenommen worden ist, 8. eine kurze Beschreibung der Probenahmegeräte, 9. den Analysebericht mit Angabe der verwendeten Methode, 10. das Messergebnis und den Vergleich der Exposition mit dem Grenzwert und eine Beurteilung der Messunsicherheit, ausgedrückt als Konfidenzintervall. Der Arbeitgeber, der den Nachweis erbringen will, dass seine Arbeitnehmer keinen Konzentrationen über dem Grenzwert ausgesetzt sind, muss die obere Grenze des Konfidenz intervalls (die Messunsicherheit wird zum Messergebnis addiert) anwenden. Der mit der Überwachung beauftragte Beamte, der eine Überschreitung des Grenzwerts nachweisen will, muss die untere Grenze des Konfidenzintervalls (die Messunsicherheit wird vom Messergebnis abgezogen) anwenden, 11. eventuell jede zusätzliche Angabe, die für eine korrekte Auswertung der Ergebnisse notwendig ist. Gesehen, um Unserem Erlass vom 11. März 2002 beigefügt zu werden ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX 68403BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Anlage II VERBINDLICHE BIOLOGISCHE GRENZWERTE UND GESUNDHEITSÜBERWACHUNGSMASSNAHMEN 1. Blei und seine Ionenverbindungen a) Die biologische Überwachung umfasst die Messung des Blutbleispiegels (PbB) durch Absorptionsspektroskopie oder ein gleichwertiges Verfahren; der entsprechende biologische Grenzwert beträgt: 70 µg Pb/100 ml Blut. b) Eine Gesundheitsüberwachung wird in folgenden Fällen durchgeführt: — Exposition gegenüber einer Konzentration von mehr als 0,075 mg/m3 Blei in der Luft, berechnet als zeitlich gewichteter Mittelwert bezogen auf 40 Stunden pro Woche, oder — Höhe des individuellen Blutbleispiegels der Arbeitnehmer von mehr als 40 µg Pb/100 ml Blut. Gesehen, um Unserem Erlass vom 11. März 2002 beigefügt zu werden ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX Anlage III VERBOTE Die Herstellung und Verarbeitung der nachstehend genannten chemischen Agenzien, ihre Verwendung bei der Arbeit sowie die entsprechenden Tätigkeiten sind verboten. Das Verbot gilt nicht, wenn das chemische Agens in einem anderen chemischen Agens oder als Bestandteil von Abfällen vorliegt, sofern seine einzelne Konzentration unter folgender Freistellungsgrenze liegt. a) Chemische Agenzien EINECS-Nummer (1) CAS-Nummer (2) Bezeichnung des Agens Konzentrationsgrenzefür Freistellung 202-080-4 91-59-8 2-Naphthylamin und seine Salze 0,1 % w/w 202-177-1 92-67-1 4-Aminobiphenyl und seine Salze 0,1 % w/w 202-199-1 92-87-5 Benzidin und seine Salze 0,1 % w/w 202-204-7 92-93-3 4-Nitrobiphenyl 0,1 % w/w (1) EINECS: European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances (Europäisches Verzeichnis der auf dem Markt vorhandenen chemischen Stoffe) (2) CAS: Chemical Abstracts Service b) Tätigkeiten Keine. Gesehen, um Unserem Erlass vom 11. März 2002 beigefügt zu werden ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX Anlage IV NACHWEISTECHNIKEN Für jedes aufgeführte Agens wird unter Buchstabe a) die Nachweistechnik und unter Buchstabe b) die minimale Anwendungshäufigkeit angegeben. Die Nachweistechnik darf durch eine andere Technik ersetzt werden, wenn der Stand der Wissenschaft ein gleichwertiges oder besseres Ergebnis gewährleistet. In diesem Fall informiert der Gefahrenverhütungsberater Arbeitsarzt den Ausschuss darüber. Die Häufigkeit muss gegebenenfalls gemäß den Ergebnissen der in den Artikeln 8 bis 13 erwähnten Risikoabschätzung angepasst werden. I. Liste von chemischen Agenzien, die Vergiftungen verursachen können Für jedes Agens wird Folgendes angegeben: unter Buchstabe a) eine Beispielliste der besonderen Untersuchungen, unter Buchstabe b) die Häufigkeit der periodischen medizinischen Überwachung. Der Gefahrenverhütungsberater-Arbeitsarzt wählt eine Technik, deren Sensitivität und Art den Anforderungen der Lage genügen. In Ermangelung einer spezifischen biologischen Untersuchung führt der Gefahrenverhütungsberater Arbeitsarzt eine gezielte klinische Untersuchung des beziehungsweise der besonders gefährdeten Organe durch. 68404 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 1.1 Arsen und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen (mit Ausnahme von Arsenwasserstoff) a) Bestimmung des Gehalts im Urin b) Halbjährlich 1.2 Beryllium und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Röntgenaufnahme der Lunge, Messung der Vitalkapazität oder Bestimmung des Gehalts im Urin b) Halbjährlich für die Vitalkapazität und jährlich für die Röntgenaufnahme oder die Bestimmung des Gehalts im Urin 1.3.1 Kohlenstoffmonoxid a) Bestimmung des Carboxyhämoglobingehalts. In der Beurteilung berücksichtigt der Gefahrenverhütungsberater Arbeitsarzt die außerberuflichen Ursachen (Tabak, Stadtverkehr) b) Jährlich 1.3.2 Phosgen a) Gezielte Untersuchung (respiratorisches System) b) Jährlich 1.3.3 Hydrogencyanid, Cyane und Cyanverbindungen a) Bestimmung des Thiocyanatgehalts im Urin b) Jährlich 1.4 Cadmium und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Cadmiumgehalts im Urin b) Halbjährlich 1.5 Chrom und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Chromgehalts im Urin b) Jährlich 1.6 Als gefährlich eingestufte organische Zinnverbindungen a) Gezielte Untersuchung (Haut, Nervensystem) b) Jährlich 1.7 Stoffe mit hormonaler Wirkung a) Bestimmung des Gehalts im Blut oder im Urin b) Halbjährlich 1.8 Quecksilber und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Gehalts im Blut oder im Urin b) Halbjährlich 1.9 Mangan und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Mangangehalts im Urin b) Halbjährlich 1.10.1 Salpetersäure a) Gezielte Untersuchung (Augen, respiratorisches System) b) Jährlich 1.10.2 Stickstoffmonoxid a) Gezielte Untersuchung (Augen, respiratorisches System) b) Jährlich 1.10.3 Ammoniak a) Gezielte Untersuchung (Augen, respiratorisches System) b) Jährlich 1.11 Nickel und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Röntgenaufnahme der Lunge für Nickelcarbonyl b) Jährlich 1.12 Ozon a) Messung der Vitalkapazität b) Jährlich 1.13.1 Phosphor und seine als gefährlich eingestuften anorganischen Verbindungen a) Ermittlung von biologischen Anzeichen für Leber- oder Nierenerkrankungen für weißen Phosphor b) Halbjährlich 1.13.2 Als gefährlich eingestufte organische Phosphorverbindungen a) Bestimmung des Cholinesterasegehalts im Serum oder des Paranitrophenolgehalts im Urin (Parathion) b) Halbjährlich 68405BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 1.14.1 Metallisches Blei und seine Ionenverbindungen (anorganische und organische Verbindungen, mit Ausnahme der Bleialkyle) a) Bestimmung des Bleigehalts im Blut, eventuell durch die Untersuchung eines beziehungsweise mehrerer der folgenden biologischen Indikatoren ergänzt: — Delta-Aminolävulinsäure im Urin (ALA-U) — Zinkprotoporphyrin (ZPP) — Delta-Aminolävulin-Dehydratase (ALA-D) b) Halbjährlich 1.14.2 Als gefährlich eingestufte organische Bleiverbindungen, die keine Ionenverbindungen sind (zum Beispiel Bleialkyle): a) Bestimmung des Blei- oder Koproporphyringehalts im Urin b) Halbjährlich 1.15 Selen und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Selengehalts im Urin b) Jährlich 1.16.1 Schwefelkohlenstoff a) Bestimmung des Gehalts an 2-Thiothiazolidin-4-carboxylsäure im Urin b) Halbjährlich 1.16.2 Hydrogensulfid a) Gezielte Untersuchung (Augen, respiratorisches System) b) Jährlich 1.16.3 Schwefelsäureester a) Gezielte Untersuchung (respiratorisches System) b) Jährlich 1.17 Thallium und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Thalliumgehalts im Urin b) Halbjährlich 1.18 Vanadium und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Vanadiumgehalts im Urin b) Halbjährlich 1.19 Als gefährlich eingestufte Zinkverbindungen a) Gezielte Untersuchung (Haut, respiratorisches System) b) Jährlich 1.20.1 Chlor und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Gezielte Untersuchung (Haut, respiratorisches System) b) Jährlich 1.20.2 Brom und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Gezielte Untersuchung (Haut, respiratorisches System) b) Jährlich 1.20.3 Iod und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Gezielte Untersuchung (Haut) b) Jährlich 1.20.4 Fluor und seine als gefährlich eingestuften Verbindungen a) Bestimmung des Fluorgehalts im Urin b) Jährlich 1.21 Aliphatische oder alizyklische Kohlenwasserstoffe a) Gezielte Untersuchung (Haut) Für n-Hexan: Bestimmung des 2-Hexanol- und/oder 2,5-Hexandiongehalts im Urin Für Cyclohexan: Bestimmung des Cyclohexanolgehalts im Urin b) Halbjährlich 1.22.1 Halogenderivate von aliphatischen und alizyklischen Kohlenwasserstoffen a) Gezielte Untersuchung der Haut, der Leberfunktion und des Nervensystems Für Dichlormethan: Bestimmung des Carboxyhämoglobingehalts im Blut Für Vinylchlorid: Bestimmung des Thiodiglykolsäuregehalts im Urin Für Trichlorethylen: Bestimmung des Trichlorethanol- und/oder Trichloressigsäuregehalts Für 1,1,1-Trichlorethan: Bestimmung des Trichlorethanolgehalts in Kombination oder nicht mit der Bestimmung des Trichloressigsäuregehalts im Urin Für Perchlorethylen: Bestimmung des Perchlorethylengehalts im Blut Für Halothan: Bestimmung des Trifluoressigsäuregehalts im Urin b) Halbjährlich 1.22.2 Aminoderivate von aliphatischen und alizyklischen Kohlenwasserstoffen a) Gezielte Untersuchung (Haut, Augen, respiratorisches System) Für Triethylamin: Bestimmung des Triethylamingehalts im Urin b) Halbjährlich 1.23.1 Methanol, höhere Alkohole und Halogenderivate von Alkohol a) Bestimmung des Methanolgehalts im Urin; gezielte Untersuchung (Nervensystem) b) Jährlich 68406 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 1.23.2 Glykole und Halogenderivate a) Urinuntersuchung; Bestimung des Oxalsäuregehalts im Urin (Ethylenglykol) b) Jährlich 1.23.3 Ether und Derivate a) Für Ethylenglykolmonomethylether und sein Acetat: Bestimmung des Methoxyessigsäuregehalts im Urin Für Ethylenglykolmonoethylether und sein Acetat: Bestimmung des Ethoxyessigsäuregehalts im Urin Für Ethylenglykolmonobutylether und sein Acetat: Bestimmung des Butoxyessigsäuregehalts im Urin b) Jährlich 1.23.4 Ketone und Halogenderivate a) Gezielte Untersuchung (Haut, Augen) Für Aceton: Bestimmung des Acetongehalts im Urin Für Methylethylketon: Bestimmung des Methylethylketongehalts im Urin Für Methyl-n-butylketon: Bestimmung des Gehalts an 2,5-Hexandion und an 4,5-Dihydroxy-2-hexanon im Urin b) Jährlich 1.23.5 Organische Ester und Halogenderivate a) Für Glykoletheracetate: siehe Rubrik 1.23.3 Für phosphororganische Ester: siehe Rubrik 1.13.2 Für Carbamat-Insektizide: Bestimmung der Cholinesterasewirkung im Blut b) Jährlich 1.24.1 Als gefährlich eingestufte organische Säuren a) Gezielte Untersuchung (Haut, Augen), Nierentests (Oxalsäure) b) Jährlich 1.24.2 Aldehyde, Halogen- und Amidderivate a) Gezielte Untersuchung (Haut, Augen, respiratorisches System) Für Dimethylformamid: Bestimmung des N-Methylformamidgehalts im Urin b) Jährlich 1.24.3 Aromatische Anhydride und Halogenderivate a) Gezielte Untersuchung (Haut, respiratorisches System) b) Jährlich 1.25.1 Nitroderivate von aliphatischen Kohlenwasserstoffen a) Lebertests b) Jährlich 1.25.2 Salpetersäureester a) EKG b) Jährlich 1.26.1 Benzol und Homologe a) Für Benzol: Bestimmung des Phenolgehalts im Urin Für Toluol: Bestimmung des Hippursäure- und/oder Orthokresolgehalts im Urin Für Ethylbenzol: Bestimmung des Mandelsäuregehalts im Urin Für Cumol (Isopropylbenzol): Bestimmung des 2-Phenylpropanolgehalts im Urin Für Styrol (Vinylbenzol): Bestimmung des Mandelsäure- und/oder Phenylglyoxylsäuregehalts im Urin Für Xylol: Bestimmung des Methylhippursäuregehalts im Urin Für Hexachlorbenzol: Bestimmung des Hexachlorbenzolgehalts im Blutserum Für Gamma-Hexachlorcyclohexan: Bestimmung des Hexachlorcyclohexangehalts im Blut oder im Blutserum b) Vierteljährlich für Benzol Halbjährlich für Homologe des Benzols, die Kraftstoffverteilung und den Unterhalt und die Wartung von Kraftfahrzeugen 1.26.2 Naphthalin und Homologe a) Gezielte Untersuchung (Sehschärfe, Blutuntersuchung) b) Halbjährlich 1.26.3 Diphenyl, Dekalin, Tetralin, Diphenyloxid a) Gezielte Untersuchung (Haut, respiratorisches System) b) Jährlich 1.27 Halogenderivate von aromatischen Kohlenwasserstoffen a) Gezielte Untersuchung (Augen, Haut, Leberfunktion, Nierenfunktion) b) Halbjährlich 1.28.1.1 Phenole und Homologe und ihre Halogenderivate a) Für Phenol: Bestimmung des Phenolgehalts im Urin Für paratertiäres Butylphenol: Bestimmung des Gehalts an p-tertiärem Butylphenol im Urin Für Pentachlorphenol: Bestimmung des Pentachlorphenolgehalts im Urin b) Jährlich 1.28.1.2 Thiophenole und Homologe und ihre Halogenderivate a) Gezielte Untersuchung (Augen, Haut, Leberfunktion, Nierenfunktion) b) Jährlich 1.28.1.3 Naphthole und Homologe und ihre Halogenderivate a) Gezielte Untersuchung (Augen, Haut) b) Jährlich 68407BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 1.28.2 Halogenderivate von Alkyl-, Aryl- und Alkylaryloxiden und von Alkylarylsulfiden a) Ermittlung von Chloressigsäure im Urin (Oxyderivate); gezielte Untersuchung (Haut, Augen, respiratorisches System) b) Jährlich 1.28.3 Benzochinon und Oxydationsprodukte von Hydrochinon a) Gezielte Untersuchung (Haut, Augen) b) Jährlich 1.29 Aromatische Amine und Hydrazine und ihre Halogen-, Phenol-, Nitroso-, Nitro- und Sulfoderivate a) Bestimmung des Methämoglobingehalts im Blut Für Anilin: Bestimmung des para-Aminophenolgehalts im Blut b) Vierteljährlich 1.30 Nitroderivate von aromatischen Kohlenwasserstoffen und von Phenolen a) Bestimmung des Methämoglobingehalts im Blut Für Nitrobenzol: Bestimmung des Paranitrophenolgehalts im Urin b) Jährlich II. Liste von chemischen Agenzien, die Hautkrankheiten verursachen können Die Gefahr einer Berufskrankheit besteht für Personen, die an Orten arbeiten oder sich an Orten aufhalten, wo eines der hiernach erwähnten Agenzien in der Form von Staub, Gas, Dampf, Rauch, Nebeln von flüssigen oder festen Teilchen, pflanzlichen oder tierischen Stoffen vorhanden ist. Die spezifische ärztliche Untersuchung umfasst eine dermatologische Untersuchung (eventuell Kutan-, Epikutan und immunologische Tests) Die periodische Untersuchung wird jährlich vorgenommen. Die Mindestdauer der Risikoexposition, die eine medizinische Überwachung erforderlich macht, beträgt dreißig Tage pro Jahr. 2.1 Ruß, Teer, Bitumen, Teerpech, Anthrazen, Asphalt, Mineralöle, Rohparaffin, Verbindungen, Fraktionierungs produkte und Rückstände dieser Stoffe 2.2.1.1 Metalle, Metalloide und ihre Verbindungen: Nickel, Cobalt, Quecksilber, Vanadium, Arsen, Beryllium, sechswertiges Chrom 2.2.1.2 Alkalien: Zemente, verschiedene Waschmittel, Reinigungsmittel, Oxydantien, Bleichmittel 2.2.1.3 Organische Lösungsmittel im Allgemeinen, Organochlor-Derivate, Terpentin und andere Terpene, Alkylderivate von Cumol (para-Methylisopropylbenzol) und ihre Ersatzstoffe 2.2.1.4 Formaldehyd, Hexamethylentetramin, bestimmte Ausgangs- und Zwischenprodukte von Phenol-, Styrol-, Epoxydharzen und bestimmte andere Ausgangs- und Zwischenprodukte, Hilfsstoffe und Füllstoffe für Kunststoffe 2.2.1.5 Bestimmte Halogen-, Nitro-, Chlornitro-, Amino-, Azo-, Hydroxyl- und Sulfoderivate von aromatischen Kohlenwasserstoffen 2.2.1.6 Bestimmte synthetische Farbstoffe 2.2.1.7 Bestimmte Arzneimittel, wie Phenothiazinderivate (Chlorpromazin) und Antibiotika (Streptomycin, Chloramphenicol, Penicillin, Neomycin usw.) 2.2.1.8 Bestimmte Hilfsstoffe für die Herstellung von Kautschuk, wie Tetramethylthiuramdisulfid, Dithiocarba mate, Mercaptobenzothiazol 2.2.1.9 Bestimmte Pestizide, wie organische Phosphor-, Arsen-, Quecksilber- und Schwefelderivate und im Allgemeinen sämtliche Organochlor-Insektizide 2.2.1.10 Bestimmte pflanzliche Stoffe, wie diejenigen, die in der Vanille, der Primel, den exotischen Hölzern, dem Chinin, den Blumenzwiebeln vorhanden sind 2.2.1.11 Metalle für Goldschmiedekunst: Silber, Platin III. Liste von chemischen Agenzien, die durch Einatmen Krankheiten verursachen können 3.1.1 Freie Kieselerde Darin einbegriffen sind unter anderem: Quarz, Tridymit, Cristobalit, Sandstein, Silex, Quarzit, Arkose, Schiefer, Tonschiefer, Wetzstein (coticula), Porphyr a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs b) Jährlich 3.1.2 Asbeststäube Darin einbegriffen sind unter anderem: Serpentin- oder Chrysotilasbeste, Hornblende- oder Amphibolasbeste (Krokydolith, Amosit, Aktinolith, Tremolit, Anthophyllit, Hornblende usw.) a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Sputumuntersuchung b) Jährlich 3.1.3 Silikatstäube (mit Ausnahme von Asbest) Darin einbegriffen sind unter anderem: — die einfachen Silikate: Bentonit, Kaolin, Talk, Sepiolit, Steatit, Zircon, Willemit, Natriumorthosilikate und Natriummetasilikate usw. — die Doppelsilikate: Glimmer, Topase, Jade, Feldspat, Bimsstein, Permutite a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 3.1.4 Eisenstäube a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 3.1.5 Zinnstäube a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 68408 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 3.1.6 Bariumstäube a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 3.2 Staub oder Rauch von Aluminium oder seinen Verbindungen a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 3.3 Stäube von gesinterten oder zementierten Metallcarbiden a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 3.3bis Cobaltstäube a) Jährliche gezielte Untersuchung: Röntgenuntersuchung des Brustkorbs und Lungenfunktionsprüfungen Halbjährliche gezielte Untersuchung: Bestimmung des Cobaltgehalts im Urin; b) Halbjährlich 3.4 Thomasmehl a) Röntgenuntersuchung des Brustkorbs. Lungenfunktionsprüfungen b) Jährlich 3.5.1 Erzeugnisse pflanzlichen oder tierischen Ursprungs: Tierhaare, Leder, Federn, Baumwolle, Hanf, Leinen, Jute, Sisal, Bagasse, Perlmutt a) Gezielte Untersuchung b) Jährlich 3.5.2 Folgende chemische Agenzien: Diisocyanate, Acrolein, Chlorplatinate, Formaldehyd, Paraphenylendiamin, Diazomethan, Phthalsäureanhydrid, Polymer(staub), Polyvinylchlorid a) Gezielte Untersuchung b) Jährlich Gesehen, um Unserem Erlass vom 11. März 2002 beigefügt zu werden ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 oktober 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL Bijlage 2 — Annexe 2 MINISTERIUM DER BESCHÄFTIGUNG UND DER ARBEIT 11. OKTOBER 2002 — Königlicher Erlass zur Abänderung des Königlichen Erlasses vom 11. März 2002 über den Schutz der Gesundheit und der Sicherheit der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische Agenzien am Arbeitsplatz ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Aufgrund des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit, insbesondere des Artikels 4 § 1, abgeändert durch das Gesetz vom 7. April 1999; Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 11. März 2002 über den Schutz der Gesundheit und der Sicherheit der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische Agenzien am Arbeitsplatz; Aufgrund der Stellungnahme des Hohen Rates für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz vom 12. April 2002; Aufgrund der Dringlichkeit, begründet durch die mit Gründen versehene Stellungnahme der Kommission der Europäischen Gemeinschaften, durch die der belgische Staat dazu aufgefordert wird, die erforderlichen Maßnahmen zur Beachtung der vorerwähnten Stellungnahme innerhalb einer Frist von zwei Monaten ab dem 26. Juni 2002 zu ergreifen und in der Erwägung, dass es daher dringend erforderlich ist, die notwendigen Maßnahmen unverzüglich zu treffen, damit die Verantwortlichkeit des Belgischen Staates unberührt bleibt; Aufgrund des Gutachtens Nr. 34.057/1/V des Staatsrates vom 29. August 2002, abgegeben in Anwendung von Artikel 84 Absatz 1 Nr. 2 der koordinierten Gesetze über den Staatsrat; Auf Vorschlag Unseres Ministers der Beschäftigung Haben Wir beschlossen und erlassen Wir: Artikel 1 - Vorliegender Erlass ist die Umsetzung in belgisches Recht der Richtlinie 2000/39/EG der Kommission der Europäischen Gemeinschaften vom 8. Juni 2000 zur Festlegung einer ersten Liste von Arbeitsplatz Richtgrenzwerten in Durchführung der Richtlinie 98/24/EG des Rates zum Schutz von Gesundheit und Sicherheit der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische Arbeitsstoffe bei der Arbeit. Vu pour être annexé à Notre arrêté du 3 octobre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, P. DEWAEL 68409BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 2. Punkt A «Liste der Grenzwerte für die Exposition gegenüber chemischen Agenzien» der Anlage I «Arbeitsplatzgrenzwerte» zum Königlichen Erlass vom 11. März 2002 über den Schutz der Gesundheit und der Sicherheit der Arbeitnehmer vor der Gefährdung durch chemische Agenzien am Arbeitsplatz wird durch die Anlage zum vorliegenden Erlass ersetzt. Art. 3. Unser Minister der Beschäftigung ist mit der Ausführung des vorliegenden Erlasses beauftragt. Gegeben zu Brüssel, den 11. Oktober 2002. ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX Anlage E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 200-836-8 00075-07-0 Acetaldehyd 25 46 * * M 203-564-8 00108-24-7 Acetanhydrid 5 21 * * 200-662-2 00067-64-1 Aceton 500 1210 1000 2420 200-835-2 00075-05-8 Acetonitril 40 68 60 102 202-708-7 00098-86-2 Acetophenon 10 50 * * 200-816-9 00074-86-2 Acetylen * * * * A 201-191-5 00079-27-6 Acetylentetrabromid 1 14 * * 200-064-1 00050-78-2 O-Acetylsalicylsäure * 5 * * 203-453-4 00107-02-8 Acrolein 0,1 0,23 0,3 0,70 201-173-7 00079-06-1 Acrylamid * 0,03 * * C, D 203-466-5 00107-13-1 Acrylonitril 2 4,4 * * C, D 201-177-9 00079-10-7 Acrylsäure 2 6,0 * * D 204-673-3 00124-04-9 Adipinsäure * 5 * * 203-896-3 00111-69-3 Adiponitril 2 8,9 * * D 206-215-8 00309-00-2 Aldrin * 0,25 * * D 203-470-7 00107-18-6 Allylalkohol 2 4,8 4 9,6 D 203-457-6 00107-05-1 Allylchlorid 1 3 2 6 203-442-4 00106-92-3 Allylglycidylether 5 23 10 48 218-550-7 02179-59-1 Allylpropyldisulfid 2 12 3 18 231-072-3b 07429-90-5 Aluminium (Alkylverbindungen) (als Al) * 2 * * 231-072-3 07429-90-5 Aluminium (Metall) * 10 * * 231-072-3 07429-90-5 Aluminium (pyrophores Pulver) * 5 * * - Aluminium (lösliche Salze) (als Al) * 2 * * 231-072-3 07429-90-5 Aluminium (Schweißrauch) * 5 * * 215-691-6 01344-28-1 Aluminiumoxid (als Al) * 10 * * 200-579-1 00064-18-6 Ameisensäure 5 9,5 10 19 Amiant (Asbest): siehe «Asbestfasern» 202-635-3 00092-67-1 4-Aminobiphenyl * * * * D 207-988-4 00504-29-0 2-Aminopyridin 0,5 1,9 * * 200-521-5 00061-82-5 Amitrol * 0,2 * * 231-635-3 07664-41-7 Ammoniak 20 14 50 36 235-186-4 12125-02-9 Ammoniumchlorid (Rauch) * 10 * 20 223-320-4 03825-26-1 Ammoniumpentadecafluoroctanoat * 0,01 * * D 231-786-5 07727-54-0 Ammoniumpersulfat * 0,1 * * 68410 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 231-871-7 07773-06-0 Ammoniumsulfamat * 10 * * 200-539-3 00062-53-3 Anilin und Homologe 2 7,7 * * D 249-496-2 29191-52-4 Anisidin (o- und p-Isomere) 0,1 0,5 * * D 231-146-5 07440-36-0 Antimon und Verbindungen (als Sb) * 0,5 * * 07803-52-3 Antimonwasserstoff (Stibin) 0,1 0,52 * * 201-706-3 00086-88-4 ANTU * 0,3 * * 07440-37-1 Argon * * * * A 231-148-6 07440-38-2 Arsen und anorganische Verbindungen (als As) * 0,1 * * C 232-066-3 07784-42-1 Arsin 0,05 0,16 * * Asbest (Amiant): siehe «Asbestfasern» - Asbestfasern (Aktinolith, Anthophyllit, Kroky dolith, Tremolit, Amosit) * 150.000 * * C, F - Asbestfasern (Chrysotil) * 500.000 * * C, F 232-490-9 08052-42-4 Asphalt (Rauch) * 5 * * 217-617-8 01912-24-9 Atrazin * 5 * * 201-676-1 00086-50-0 Azinphos-methyl * 0,2 * * D 231-149-1 07440-39-3 Barium (lösliche Verbindungen) (als Ba) * 0,5 * * 231-784-4 07727-43-7 Bariumsulfat * 10 * * 241-775-7 17804-35-2 Benomyl 0,84 10 * * 202-199-1 00092-87-5 Benzidin * * * * D 232-349-1 08006-61-9 Benzin, natürliches (Kraftstoff für Personen kraftwagen) 300 903 500 1501 200-028-5 00050-32-8 Benzo(a)pyren * * * * 200-753-7 00071-43-2 Benzol 1 3,25 * * C, D 210-933-7 00626-17-5 Benzol-1,3-dicarbonitril * 5 * * 202-710-8 00098-88-4 Benzoylchlorid * * 0,5 2,8 M 205-399-7 00140-11-4 Benzylacetat 10 62 * * 231-150-7 07440-41-7 Beryllium und Verbindungen (als Be) * 0,002 * * C 202-163-5 00092-52-4 Biphenyl 0,2 1,3 * * 53469-21-9 Chlorierte Biphenyle (42 % Cl) * 1 * * D 11097-69-1 Chlorierte Biphenyle (54 % Cl) * 0,5 * * D 231-100-4 07439-92-1 Blei, anorganisch (Staub und Rauch) (als Pb) * 0,15 * * 231-846-0 07758-97-6 Bleichromat (als Cr) * 0,012 * * 231-846-0 07758-97-6 Bleichromat (als Pb) * 0,05 * * 232-064-2 07784-40-9 Bleihydrogenarsenat (als PbHAsO4) * 0,15 * * 01303-96-4 Borax (Natriumtetraborat, Anhydrat) * 1 * * 01303-96-4 Borax (Natriumtetraborat, Decahydrat) * 5 * * 01303-96-4 Borax (Natriumtetraborat, Pentahydrat) * 1 * * 233-657-9 10294-33-4 Bortribromid 1 10 * * M 231-569-5 07637-07-2 Bortrifluorid * * 1 3 M 204-427-5 00120-80-9 Brenzcatechin 5 23 * * D 231-778-1 07726-95-6 Brom 0,1 0,67 0,2 1,3 206-245-1 00314-40-9 Bromacil * 10 * * 200-826-3 00074-97-5 Bromchlormethan 200 1075 * * 200-825-8 00074-96-4 Bromethan 5 22 * * D 200-813-2 00074-83-9 Brommethan 5 19 * * D 200-854-6 00075-25-2 Bromoform 0,5 5,3 * * D 68411BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 232-157-8 07789-30-2 Brompentafluorid 0,1 0,73 * * 200-887-6 00075-63-8 Bromtrifluormethan 1000 6178 * * 203-450-8 00106-99-0 1,3-Butadien 2 4,5 * * C 203-448-7 00106-97-8 Butan 800 1928 * * 203-705-3 00109-79-5 Butan-1-thiol 0,5 1,8 * * 200-751-6 00071-36-3 1-Butanol 50 154 * * D, M 201-158-5 00078-92-2 2-Butanol 100 307 * * 201-159-0 00078-93-3 Butanon-2 200 600 300 900 203-905-0 00111-76-2 2-Butoxyethanol 20 98 50 246 D 203-933-3 00112-07-2 2-Butoxyethylacetat 20 133 50 333 D 204-658-1 00123-86-4 n-Butylacetat 150 723 200 964 203-300-1 00105-46-4 sec-Butylacetat 200 964 * * 208-760-7 00540-88-5 tert-Butylacetat 200 964 * * 205-480-7 00141-32-2 n-Butylacrylat 2 11 10 53 200-889-7 00075-65-0 tert-Butylalkohol 100 307 * * 203-699-2 00109-73-9 n-Butylamin 5 15 * * D, M 01189-85-1 tert-Butylchromat (als Cr03) * 0,1 * * D, M 219-376-4 02426-08-6 n-Butylglycidylether 25 135 * * 205-316-4 00138-22-7 n-Butyllactat 5 30 * * 216-653-1 01634-04-4 (tert-Butyl)methylether 40 146 * * 201-933-8 00089-72-5 2-sec-Butylphenol 5 31 * * D 202-675-9 00098-51-1 p-tert-Butyltoluol 1 6,2 * * 231-152-8 07440-43-9 Cadmium und Verbindungen (alveolengängi ge Partikeln) (als Cd) * 0,002 * * C 231-152-8 07440-43-9 Cadmium und Verbindungen (einatembare Partikeln) (als Cd) * 0,01 * * C 244-344-1 21351-79-1 Caesiumhydroxid * 2 * * 237-366-8 13765-19-0 Calciumchromat (als Cr) * 0,001 * * C 205-861-8 00156-62-7 Calciumcyanamid * 0,5 * * 209-740-0 00592-01-8 Calciumcyanid * * * 5 D, M 215-137-3 01305-62-0 Calciumhydroxid * 5 * * 215-138-9 01305-78-8 Calciumoxid * 2 * * 231-900-3 13397-24-5 Calciumsulfat * 10 * * 200-945-0 00076-22-2 Campfer (synthetisch) 2 12 3 19 232-283-3 08001-35-2 Camphechlor (60 % Cl) * 0,5 * 1 D 203-313-2 00105-60-2 epsilon-Caprolactam (Dampf) 2,2 10 8,7 40 203-313-2 00105-60-2 epsilon-Caprolactam (Stäube) * 1 * 3 219-363-3 02425-06-1 Captafol * 0,1 * * C, D 205-087-0 00133-06-2 Captan * 5 * * 200-500-0 00063-25-2 Carbaryl * 5 * * 210-353-0 01563-66-2 Carbofuran * 0,1 * * 206-534-2 00353-50-4 Carbonylfluorid 2 5,5 5 13 232-674-9 09004-34-6 Cellulose * 10 * * 203-405-2 00106-51-4 Chinon 0,1 0,45 * * 231-959-5 07782-50-5 Chlor 0,5 1,5 1 2,9 202-809-6 00100-00-5 1-Chlor-4-nitrobenzol 0,1 0,65 * * D 209-990-0 00600-25-9 1-Chlor-1-nitropropan 2 10 * * 203-472-8 00107-20-0 Chloracetaldehyd * * 1 3,2 M 68412 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 201-161-1 00078-95-5 Chloraceton 1 3,9 * * D, M 208-531-1 00532-27-4 2-Chloracetophenon 0,05 0,32 * * 201-171-6 00079-04-9 Chloracetylchlorid 0,05 0,23 0,15 0,70 203-628-5 00108-90-7 Chlorbenzol 10 47 20 94 204-818-0 00126-99-8 2-Chlorbuta-1,3-dien 10 37 * * D 200-349-0 00057-74-9 Chlordan * 0,5 * * D 200-871-9 00075-45-6 Chlordifluormethan 1000 3600 * * 233-162-8 10049-04-4 Chlordioxid 0,1 0,28 0,3 0,84 203-459-7 00107-07-3 2-Chlorethanol * * 1 3,3 D, M 203-870-1 00111-44-4 Bis(2-chlorethyl)ether 5 29 10 59 D 208-832-8 00542-88-1 Bis(chlormethyl)ether 0,001 0,0048 * * C 200-663-8 00067-66-3 Chloroform 2 10 * * D 200-938-2 00076-15-3 Chlorpentafluorethan 1000 6412 * * 220-278-9 02698-41-1 ((2-Chlorphenyl)methylen)malononitril 0,05 0,40 * * D, M 209-952-3 00598-78-7 2-Chlorpropionsäure 0,1 0,45 * * D 220-864-4 02921-88-2 Chlorpyrifos * 0,2 * * D 215-557-7 02039-87-4 o-Chlorstyrol 50 287 75 431 202-853-6 00100-44-7 alpha-Chlortoluol 1 5,3 * * C 202-424-3 00095-49-8 2-Chlortoluol 50 263 * * 232-230-4 07790-91-2 Chlortrifluorid * * 0,1 0,39 M - Chrom VI (bestimmte wasserunlösliche Verbin dungen) als Cr (nicht anderswo eingestuft) * 0,01 * * C - Chrom VI (wasserlösliche Verbindungen) als Cr (nicht anderswo eingestuft) * 0,05 * * C - Chromit (Erzaufbereitung) (als Cr) * 0,05 * * 231-157-5 07440-47-3 Chrommetall und anorganische Verbindungen (mit Ausnahme der Cr VI-Verbindungen) * 0,5 * * 239-056-8 14977-61-8 Chromoxychlorid 0,025 0,16 * * 221-008-2 02971-90-6 Clopidol * 10 * * 16842-03-8 Cobaltcarbonylwasserstoff (als Co) * 0,1 * * 231-158-0 07440-48-4 Cobaltmetall (Rauch und Stäube) (als Co) * 0,02 * * 204-647-1 04170-30-3 Crotonaldehyd 2 5,8 * * 206-083-1 00299-86-5 Crufomat * 5 * * 202-704-5 00098-82-8 Cumol 20 100 50 250 D 206-992-3 00420-04-2 Cyanamid * 2 * * 208-052-8 00506-77-4 Cyanogenchlorid 0,3 0,76 * * M 203-806-2 00110-82-7 Cyclohexan 300 1045 * * 203-630-6 00108-93-0 Cyclohexanol 50 209 * * D 203-631-1 00108-94-1 Cyclohexanon 10 40,8 20 81,6 D 203-807-8 00110-83-8 Cyclohexen 300 1025 * * 203-629-0 00108-91-8 Cyclohexylamin 10 42 * * 208-335-4 00542-92-7 Cyclopentadien 75 206 * * 206-016-6 00287-92-3 Cyclopentan 600 1745 * * 236-049-1 13121-70-5 Cyhexatin * 5 * * 202-361-1 00094-75-7 2,4-D * 10 * * 200-024-3 00050-29-3 DDT (Dichlordiphenyltrichlorethan) * 1 * * 241-711-8 17702-41-9 Decaboran 0,05 0,25 0,15 0,76 D 08065-48-3 Demeton (Gemisch O+S) 0,01 0,11 * * D 68413BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 08022-00-2 Demetonmethyl (Gemisch O+S) * 0,5 * * D 204-881-4 00128-37-0 2,6-Di-tert-butyl-p-kresol * 10 * * 202-525-2 00096-69-5 6,6’-Di-tert-butyl-4,4’-thiodi-m-kresol * 10 * * 206-373-8 00333-41-5 Diazinon * 0,1 * * D 206-382-7 00334-88-3 Diazomethan 0,2 0,34 * * C 202-327-6 00094-36-0 Dibenzoylperoxid * 5 * * 215-135-2 01304-82-1 Dibismuttritellurid (als Bi2Te3) * 10 * * 215-135-2 01304-82-1 Dibismuttritellurid (mit Se dotiert) (als Bi2Te3) * 5 * * 242-940-6 19287-45-7 Diboran 0,1 0,11 * * 215-125-8 01303-86-2 Dibortrioxid * 10 * * 200-885-5 00075-61-6 Dibromdifluormethan 100 870 * * 203-057-1 00102-81-8 2-Dibutylaminoethanol 0,5 3,6 * * D 02528-36-1 Dibutylphenylphosphat 0,3 3,6 * * D 203-509-8 00107-66-4 Dibutylphosphat 1 8,7 2 17 201-557-4 00084-74-2 Dibutylphthalat * 5 * * 204-258-7 00118-52-5 1,3-Dichlor-5,5-dimethylhydantoin * 0,2 * 0,4 209-854-0 00594-72-9 1,1-Dichlor-1-nitroethan 2 12 * * 200-937-7 00076-14-2 1,2-Dichlor-1,1,2,2-tetrafluorethan 1000 7092 * * 07572-29-4 Dichloracetylen * * 0,1 0,40 M 202-109-0 00091-94-1 3,3’-Dichlorbenzidin * * * * D 202-425-9 00095-50-1 1,2-Dichlorbenzol 20 122 50 306 D 203-400-5 00106-46-7 1,4-Dichlorbenzol 10 61 50 306 212-121-8 00764-41-0 1,4-Dichlorbut-2-en 0,005 0,025 * * C, D 200-893-9 00075-71-8 Dichlordifluormethan 1000 5022 * * 200-863-5 00075-34-3 1,1-Dichlorethan 100 412 * * D 200-864-0 00075-35-4 1,1-Dichlorethylen 5 20 20 80 208-750-2 00540-59-0 1,2-Dichlorethylen 200 805 * * 200-869-8 00075-43-4 Dichlorfluormethan 10 43 * * 201-152-2 00078-87-5 1,2-Dichlorpropan 75 352 110 515 208-826-5 00542-75-6 1,3-Dichlorpropen 1 4,6 * * D 200-923-0 00075-99-0 2,2-Dichlorpropionsäure 1 5,9 * * 200-547-7 00062-73-7 Dichlorvos 0,1 0,9 * * D 233-514-0 10210-68-1 Dicobaltoctacarbonyl (als Co) * 0,1 * * 205-494-3 00141-66-2 Dicrotophos * 0,25 * * D 201-052-9 00077-73-6 Dicyclopentadien 5 27 * * 200-484-5 00060-57-1 Dieldrin * 0,25 * * D 203-868-0 00111-42-2 Diethanolamin 0,46 2 * * D 203-716-3 00109-89-7 Diethylamin 5 15 15 46 D 202-845-2 00100-37-8 2-Diethylaminoethanol 2 9,7 * * D 203-865-4 00111-40-0 Diethylentriamin 1 4,3 * * D 200-467-2 00060-29-7 Diethylether 100 308 200 616 202-490-3 00096-22-0 Diethylketon 200 715 * * 201-550-6 00084-66-2 Diethylphthalat * 5 * * 218-802-6 02238-07-5 Diglycidether 0,1 0,54 * * 231-978-9 07783-07-5 Dihydrogenselenid 0,02 0,07 0,05 0,17 209-544-5 00584-84-9 2,4-Diisocyanattoluol (TDI) 0,005 0,037 0,02 0,14 203-558-5 00108-18-9 Diisopropylamin 5 21 * * D 68414 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 203-560-6 00108-20-3 Diisopropylether 250 1055 310 1319 203-714-2 00109-87-5 Dimethoxymethan 1000 3155 * * 204-826-4 00127-19-5 N,N-Dimethylacetamid 10 36 20 72 D 204-697-4 00124-40-3 Dimethylamin 2 3,8 5 9,4 204-493-5 00121-69-7 N,N-Dimethylanilin 5 25 10 51 D 204-358-0 00119-93-7 3,3’-Dimethylbenzidin (o-Tolidin) * * * * D 203-621-7 00108-84-9 1,3-Dimethylbutylacetat 50 299 * * 204-065-8 00115-10-6 Dimethylether 1000 1920 * * 200-679-5 00068-12-2 N,N-Dimethylformamid 10 30 * * D 203-620-1 00108-83-8 2,6-Dimethylheptan-4-on 25 147 * * 200-316-0 00057-14-7 N,N-Dimethylhydrazin 0,01 0,025 * * C, D 200-549-8 00062-75-9 Dimethylnitrosoamin * * * * C, D 205-011-6 00131-11-3 Dimethylphthalat * 5 * * 00625-16-1 1,1-Dimethylpropylacetat 50 270 100 540 201-058-1 00077-78-1 Dimethylsulfat 0,1 0,53 * * C, D 231-673-0 07681-57-4 Dinatriumdisulfit * 5 * * 205-706-4 00148-01-6 Dinitolmid * 5 * * 208-601-1 00534-52-1 4,6-Dinitro-o-kresol * 0,2 * * D 246-673-6 25154-54-5 Dinitrobenzol (alle Isomere) 0,15 1 * * D 246-836-1 25321-14-6 Dinitrotoluol (alle Isomere) * 0,15 * * C, D 204-661-8 00123-91-1 1,4-Dioxan 25 91 * * D 201-107-7 00078-34-2 Dioxathion * 0,2 * * D 204-539-4 00122-39-4 Diphenylamin * 10 * * 202-981-2 00101-84-8 Diphenylether (Dampf) 1 7 2 14 31242-93-0 Chloriertes Diphenyloxid * 0,5 * * 201-599-4 02764-72-9 Diquat (alveolengängige Fraktion) * 0,1 * * D 201-599-4 02764-72-9 Diquat (einatembare Fraktion) * 0,5 * * D 233-036-2 10025-67-9 Dischwefeldichlorid * * 1 5,6 M 233-032-0 10024-97-2 Distickstoffoxid 50 91 * * 202-607-8 00097-77-8 Disulfiram * 2 * * 206-054-3 00298-04-4 Disulfoton * 0,1 * * D 215-238-2 01314-61-0 Ditantalpentaoxid (als Ta) * 5 * * 206-354-4 00330-54-1 Diuron * 10 * * 215-325-5 01321-74-0 Divinylbenzol 10 54 * * - Eisen (lösliche Salze) (als Fe) * 1 * * 215-168-2 01309-37-1 Eisen(III)-oxid (Rauch) (als Fe) 2 5 * * 204-079-4 00115-29-7 Endosulfan * 0,1 * * D 200-775-7 00072-20-8 Endrin * 0,1 * * D 237-553-4 13838-16-9 Enfluran 75 574 * * 203-439-8 00106-89-8 Epichlorhydrin 2 7,7 * * C, D 270-704-2 68476-85-7 Erdölgase, verflüssigt 1000 1826 * * 200-580-7 00064-19-7 Essigsäure 10 25 15 38 200-814-8 00074-84-0 Ethan * * * * A 203-473-3 00107-21-1 Ethandiol 20 52 40 104 D, M 205-483-3 00141-43-5 Ethanolamin 3 7,6 6 15 209-242-3 00563-12-2 Ethion * 0,4 * * D 14857-34-2 Ethoxydimethylsilan 0,5 2,1 1,5 6,5 68415BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 203-804-1 00110-80-5 2-Ethoxyethanol 5 18 * * D 203-839-2 00111-15-9 2-Ethoxyethylacetat 5 27 * * D 218-276-8 02104-64-5 O-Ethyl -O-4-ni t rophenylphenyl thiophosphonat (EPN) * 0,1 * * D 205-500-4 00141-78-6 Ethylacetat 400 1461 * * 205-438-8 00140-88-5 Ethylacrylat 5 20 15 62 200-578-6 00064-17-5 Ethylalkohol 1000 1907 * * 200-834-7 00075-04-7 Ethylamin 5 9,4 15 28,2 D 202-849-9 00100-41-4 Ethylbenzol 100 442 125 551 D 200-830-5 00075-00-3 Ethylchlorid 100 268 * * D 200-815-3 00074-85-1 Ethylen * * * * A 203-458-1 00107-06-2 Ethylenchlorid 10 41 * * C 203-468-6 00107-15-3 Ethylendiamin 10 25 * * D 203-444-5 00106-93-4 Ethylendibromid * * * * D 211-063-0 00628-96-6 Ethylendinitrat 0,05 0,31 * * D 205-793-9 00151-56-4 Ethylenimin 0,5 0,89 * * C, D 200-849-9 00075-21-8 Ethylenoxid 1 1,8 * * C 203-721-0 00109-94-4 Ethylformiat 100 307 * * 204-211-0 00117-81-7 Bis(2-ethylhexyl)phthalat * 5 * 10 240-347-7 16219-75-3 5-Ethyliden-8,9,10-trinorborn-2-en 5 25 * * M 200-837-3 00075-08-1 Ethylmercaptan 0,5 1,3 * * 202-885-0 00100-74-3 4-Ethylmorpholin 5 24 * * D - Fasern (anorganische synthetische amorphe Fasern einschließlich der feuerfesten Keramik fasern) * 1.000.000 * * F - Fasern (anorganische synthetische kristalline Fasern) * 500.000 * * F - Fasern (Kohlefasern) * 2.000.000 * * F 244-848-1 22224-92-6 Fenamiphos * 0,1 * * D 206-082-6 00299-84-3 Fenchlorphos (Ronnel) * 10 * * 204-114-3 00115-90-2 Fensulfothion * 0,1 * * 200-231-9 00055-38-9 Fenthion * 0,2 * * D 238-484-2 14484-64-1 Ferbam * 10 * * 201-039-3 00102-54-5 Ferrocen * 10 * * 12604-58-9 Ferrovanadium (Stäube) * 1 * 3 231-954-8 07782-41-4 Fluor 1 1,58 2 3,16 - anorganische Fluoride (als F) * 2,5 * * 213-408-0 00944-22-9 Fonofos * 0,1 * * D 200-001-8 00050-00-0 Formaldehyd * * 0,3 0,38 M 200-842-0 00075-12-7 Formamid 10 18 * * D 202-627-7 00098-01-1 2-Furaldehyd 2 8,0 * * D 202-626-1 00098-00-0 Furfurylalkohol 10 41 15 61 D 231-961-6 07782-65-2 Germaniumtetrahydrid 0,2 0,64 * * - Getreide (Stäube) * 4 * * - Glas (Fasern und Staub) * 10 * * 12001-26-2 Glimmer * 3 * * 203-856-5 00111-30-8 Glutaraldehyd 0,2 0,83 * * M 200-289-5 00056-81-5 Glycerin (Nebel) * 10 * * 209-128-3 00556-52-5 Glycidol 2 6,2 * * 68416 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 231-955-3 07782-42-5 Graphit (mit Ausnahme von Fasern) (alveolen gängige Fraktion) * 2 * * 233-166-4 07440-58-6 Hafnium * 0,5 * * 205-796-5 00151-67-7 Halothan 50 410 * * 200-962-3 00076-44-8 Heptachlor * 0,05 * * D 213-831-0 01024-57-3 Heptachlorepoxid * 0,05 * * D 205-563-8 00142-82-5 Heptan 400 1664 500 2085 203-767-1 00110-43-0 Heptan-2-on 50 238 100 475 D 203-388-1 00106-35-4 Heptan-3-on 20 95 * * 204-608-9 00123-19-3 Heptan-4-on 50 236 * * 204-273-9 00118-74-1 Hexachlorbenzol * 0,025 * * C, D 201-765-5 00087-68-3 Hexachlorbuta-1,3-dien 0,02 0,21 * * D 201-029-3 00077-47-4 Hexachlorcyclopentadien 0,01 0,11 * * 200-666-4 00067-72-1 Hexachlorethan 1 9,8 * * D 216-641-3 01335-87-1 Hexachlornaphthalin * 0,2 * * D 211-676-3 00684-16-2 Hexafluoraceton 0,1 0,69 * * D 204-679-6 00124-09-4 Hexamethylendiamin 0,5 2,3 * * 212-485-8 00822-06-0 Hexamethylendiisocyanat 0,005 0,034 * * 211-653-8 00680-31-9 Hexamethylphosphorsäuretriamid * * * * C, D 203-777-6 00110-54-3 n-Hexan 50 179 * * 73513-42-5 Hexan, andere Isomere als n-Hexan 500 1786 1000 3551 209-731-1 00591-78-6 Hexan-2-on 5 20 * * D 204-500-1 00121-82-4 Hexogen * 1,5 * * D - Holz (Hartholzstaub) (einatembare Fraktion) * 3 * * C - Holzstaub (einatembare Fraktion) * 3 * * 206-114-9 00302-01-2 Hydrazin 0,01 0,013 * * C, D 204-617-8 00123-31-9 Hydrochinon * 2 * * 233-113-0 10035-10-6 Hydrogenbromid * * 2 6,7 231-595-7 07647-01-0 Hydrogenchlorid 5 8 10 15 200-821-6 00074-90-8 Hydrogencyanid * * 4,7 5 D, M 231-634-8 07664-39-3 Hydrogenfluorid 1,8 1,5 3 2,5 M 231-977-3 07783-06-4 Hydrogensulfid 10 14 15 21 204-626-7 00123-42-2 4-Hydroxy-4-methylpentan-2-on 50 241 * * 200-909-4 00075-86-5 2-Hydroxy-2-methylpropionitril * * 4,7 5,1 D, M 213-663-8 00999-61-1 2-Hydroxypropylacrylat 0,5 2,8 * * D 202-393-6 00095-13-6 Inden 10 49 * * 231-180-0 07440-74-6 Indium und Verbindungen (als In) * 0,1 * * 231-442-4 07553-56-2 Iod 0,1 1 * * M 200-819-5 00074-88-4 Iodmethan 2 12 * * D 200-874-5 00075-47-8 Iodoform 0,6 10 * * 204-633-5 00123-51-3 iso-Amylalkohol 100 366 125 459 203-745-1 00110-19-0 Isobutylacetat 150 723 * * 248-133-5 26952-21-6 Isooctan-1-ol 50 270 * * D 204-662-3 00123-92-2 Isopentylacetat 50 270 100 540 201-126-0 00078-59-1 Isophoron * * 5 28 M 223-861-6 04098-71-9 Isophorondiisocyanat 0,005 0,046 * * D 203-685-6 00109-59-1 2-Isopropoxyethanol 25 108 * * D 68417BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 203-561-1 00108-21-4 Isopropylacetat 250 1055 310 1309 200-661-7 00067-63-0 Isopropylalkohol 400 997 500 1248 200-860-9 00075-31-0 Isopropylamin 5 12 10 24 211-397-7 00768-52-5 N-Isopropylanilin 2 11 * * D 223-672-9 04016-14-2 iso-Propylglycidether 50 241 75 361 205-792-3 00151-50-8 Kaliumcyanid * * * 5 D, M 215-181-3 01310-58-3 Kaliumhydroxid * * * 2 M 07727-21-1 Kaliumperoxodisulfat * 0,1 * * 215-279-6 01317-65-3 Kalkstein * 10 * * 01332-58-7 Kaolin (alveolengängige Fraktion) * 2 * * 207-336-9 00463-51-4 Keten 0,5 0,87 1,5 2,6 215-710-8 01344-95-2 Kieselsäure, Calciumsalz (synthetisch) * 10 * * 262-373-8 60676-86-0 amorphe Kieselsäuren: Kieselglas (alveolengän giger Staub) * 0,1 * * 61790-53-2 amorphe Kieselsäuren: ungebrannte Kieselgur (alveolengängige Fraktion) * 3 * * 61790-53-2 amorphe Kieselsäuren: ungebrannte Kieselgur (einatembare Fraktion) * 10 * * 112926-00-8 amorphe Kieselsäuren: im Nassverfahren her gestellte Kieselsäuren (Kieselsäuregel) * 10 * * 60676-86-0 amorphe Kieselsäuren: Rauch (alveolengängi ge Fraktion) * 2 * * 14464-46-1 kristalline Kieselsäuren: Cristobalit (alveolen gängiger Staub) * 0,05 * * 14808-60-7 kristalline Kieselsäuren: Quarz (alveolengän giger Staub) * 0,1 * * 239-487-1 15468-32-3 kristalline Kieselsäuren: Tridymit (alveolengän giger Staub) * 0,05 * * 231-487-1 01317-95-9 kristalline Kieselsäuren: Tripoli (alveolengän giger Quarzstaub) * 0,1 * * - Kohlenstaub * 2 * * 204-696-9 00124-38-9 Kohlenstoffdioxid 5000 9131 30000 54784 200-843-6 00075-15-0 Kohlenstoffdisulfid 10 31 * * D 211-128-3 00630-08-0 Kohlenstoffmonoxid 25 29 * * 215-609-9 01333-86-4 Kohlenstoffschwarz * 3,6 * * 203-992-5 01302-74-5 Korund, Faserstäube * 10 * * 215-293-2 01319-77-3 Kresole (alle Isomere) 5 22 * * D 231-159-6 07440-50-8 Kupfer (Rauch) (als Cu) * 0,2 * * 231-159-6 07440-50-8 Kupfer (Stäube und Nebel) (als Cu) * 1 * * 200-401-2 00058-89-9 Lindan * 0,5 * * D 237-018-5 07580-67-8 Lithiumhydrid * 0,025 * * 208-915-9 00546-93-0 Magnesiumcarbonat * 10 * * 215-171-9 01309-48-4 Magnesiumoxid (Rauch) * 10 * * 204-479-7 00121-75-5 Malathion * 10 * * D 203-571-6 00108-31-6 Maleinsäureanhydrid 0,25 1 * * 231-105-1 07439-96-5 Mangan und Verbindungen (als Mn) * 0,2 * * 205-769-8 00150-76-5 Mequinol * 5 * * 203-604-4 00108-67-8 Mesitylen (Trimethylbenzole) 20 100 * * 204-817-5 00126-98-7 Methacrylonitril 1 2,7 * * D 201-204-4 00079-41-4 Methacrylsäure 20 71 * * 200-812-7 00074-82-8 Methan * * * * A 68418 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 240-815-0 16752-77-5 Methomyl * 2,5 * * 203-603-9 00108-65-6 1-Methoxy-2-propylacetat 50 275 100 550 D 200-779-9 00072-43-5 Methoxychlor * 10 * * 203-713-7 00109-86-4 2-Methoxyethanol 5 16 * * D 203-772-9 00110-49-6 2-Methoxyethylacetat 5 24 * * D 252-104-2 34590-94-8 (2-Methoxymethylethoxy)propanol 50 308 D 203-539-1 00107-98-2 1-Methoxypropan-2-ol 100 375 150 568 D 74222-97-2 Methyl-2-(((((4,6-dimethyl-2-pyrimidinyl) amino)carbonyl)amino)sulfonyl)benzoat * 5 * * 207-531-9 00479-45-8 N-Methyl-N,2,4,6-tetranitroanilin (Tetryl) * 1,5 * * 201-185-2 00079-20-9 Methylacetat 200 615 250 768 200-828-4 00074-99-7 Methylacetylen 1000 1664 * * - Methylacetylen-Propadien (Gasgemisch) 1000 1664 1250 2080 202-500-6 00096-33-3 Methylacrylat 10 36 * * D 200-659-6 00067-56-1 Methylalkohol 200 266 250 333 D 202-870-9 00100-61-8 N-Methylanilin 0,5 2,2 * * D 203-528-1 00563-80-4 3-Methylbutan-2-on 200 715 * * 210-946-8 00626-38-0 1-Methylbutylacetat 50 270 100 540 200-817-4 00074-87-3 Methylchlorid 50 104 100 210 D 205-275-2 00137-05-3 Methylcyanacrylat 2 9,2 4 18 203-624-3 00108-87-2 Methylcyclohexan 400 1633 * * 247-152-6 25639-42-3 Methylcyclohexanol 50 237 * * 209-513-6 00583-60-8 2-Methylcyclohexanon 50 232 75 349 D 202-918-9 00101-14-4 4,4’-Methylenbis(2-chloranilin) 0,01 0,11 * * C, D 200-838-9 00075-09-2 Methylenchlorid 50 177 * * 202-974-4 00101-77-9 4,4’-Methylendianilin 0,1 0,82 * * C, D 225-863-2 05124-30-1 4,4’-Methylendicyclohexyl-diisocyanat 0,005 0,055 * * 202-966-0 00101-68-8 4,4’-Methylendiphenyldiisocyanat (MDI) 0,005 0,052 * * 215-661-2 01338-23-4 Methylethylketonperoxid 0,2 1,5 * * M 203-481-7 00107-31-3 Methylformiat 100 250 150 373 208-793-7 00541-85-5 5-Methylheptan-3-on 10 53 20 107 203-737-8 00110-12-3 5-Methylhexan-2-on 20 95 * * 200-471-4 00060-34-4 Methylhydrazin 0,01 0,019 * * D 210-866-3 00624-83-9 Methylisocyanat 0,02 0,048 * * D 200-822-1 00074-93-1 Methylmercaptan 0,5 0,99 * * 201-297-1 00080-62-6 Methylmethacrylat 100 416 * * 205-502-5 00141-79-7 4-Methylpent-3-en-2-on 15 61 25 101 203-489-0 00107-41-5 2-Methylpentan-2,4-diol 25 123 * * M 203-551-7 00108-11-2 4-Methylpentan-2-ol 25 106 40 169 D 203-550-1 00108-10-1 4-Methylpentan-2-on 20 83 50 208 201-148-0 00078-83-1 2-Methylpropan-1-ol 50 154 * * 202-705-0 00098-83-9 alpha-Methylstyrol 50 246 100 492 244-209-7 21087-64-9 Metribuzin * 5 * * 232-095-1 07786-34-7 Mevinphos 0,01 0,093 0,03 0,27 D 232-384-2 08012-95-1 Mineralöle (Nebel) * 5 * 10 231-107-2 07439-98-7 Molybdän (lösliche Verbindungen) (als Mo) * 5 * * 231-107-2 07439-98-7 Molybdän (unlösliche Verbindungen) (als Mo) * 10 * * 68419BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 230-042-7 06923-22-4 Monocrotophos * 0,25 * * D 200-820-0 00074-89-5 Monomethylamin 5 6,6 15 19 07803-62-5 Monosilan 5 6,7 * * 203-815-1 00110-91-8 Morpholin 20 72 * * D 206-098-3 00300-76-5 Naled * 3 * * D 202-049-5 00091-20-3 Naphthalin 10 53 15 80 247-852-1 26628-22-8 Natriumazid * 0,1 * 0,3 D, M 205-599-4 00143-33-9 Natriumcyanid * * * 5 D, M 200-548-2 00062-74-8 Natriumfluoracetat * 0,05 * * D 231-548-0 07631-90-5 Natriumhydrogensulfit * 5 * * 215-185-5 01310-73-2 Natriumhydroxid * 2 * * M 07775-27-1 Natriumperoxodisulfat * 0,1 * * 231-767-1 07722-88-5 Natriumpyrophosphat * 5 * * 07440-01-9 Neon * * * * A 231-111-4 07440-02-0 Nickel (Metall) * 1 * * 07440-02-0 Nickel (lösliche Verbindungen) (als Ni) * 0,1 * * 07440-02-0 Nickel (unlösliche Verbindungen) (als Ni) * 1 * * 234-349-7 11113-75-0 Nickelsulfid, Rauch und Staub (als Ni) * 1 * * 200-193-3 00054-11-5 Nicotin * 0,5 * * D 217-682-2 01929-82-4 Nitrapyrin * 10 * 20 202-810-1 00100-01-6 4-Nitroanilin * 3 * * D 202-716-0 00098-95-3 Nitrobenzol 1 5 * * D 202-204-7 00092-93-3 4-Nitrobiphenyl * * * * D 201-188-9 00079-24-3 Nitroethan 100 311 * * 200-140-8 00055-63-0 Nitroglycerin 0,05 0,47 * * D 200-876-6 00075-52-5 Nitromethan 20 51 * * 203-544-9 00108-03-2 1-Nitropropan 25 92 * * 201-209-1 00079-46-9 2-Nitropropan 10 37 * * C 215-311-9 01321-12-6 Nitrotoluol (alle Isomere) 2 11 * * D 203-913-4 00111-84-2 Nonan 200 1065 * * 218-778-7 02234-13-1 Octachlornaphthalin * 0,1 * 0,3 D 203-892-1 00111-65-9 Octan 300 1420 375 1775 244-058-7 20816-12-0 Osmiumtetraoxid (als Os) 0,0002 0,0016 0,0006 0,0048 207-306-5 00460-19-5 Oxalonitril 10 21 * * 205-634-3 00144-62-7 Oxalsäure * 1 * 2 233-069-2 10028-15-6 Ozon * * 0,1 0,2 M 232-315-6 08002-74-2 Paraffinwachse (Rauch) * 2 * * 225-141-7 04685-14-7 Paraquat (alveolengängige Fraktion) * 0,1 * * 200-271-7 00056-38-2 Parathion * 0,1 * * D 206-050-1 00298-00-0 Parathion-methyl * 0,2 * * D - nicht anderswo eingestufte Partikeln (alveolen gängige Fraktion) * 3 * * - nicht anderswo eingestufte Partikeln (einatem bare Fraktion) * 10 * * 232-361-7 65996-93-2 Pech, Kohlenteer, Hochtemperatur (aus Koh lenteer stammende Partikeln, mit Cyclohexan extrahierbar) * 0,2 * * C 243-194-4 19624-22-7 Pentaboran(9) 0,005 0,013 0,015 0,04 236-670-8 13463-40-6 Pentacarbonyleisen (als Fe) 0,1 0,23 0,2 0,46 68420 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 215-320-8 01321-64-8 Pentachlornaphthalin * 0,5 * * D 201-778-6 00087-86-5 Pentachlorphenol * 0,5 * * D 204-104-9 00115-77-5 Pentaerythritol * 10 * * 203-692-4 00109-66-0 Pentan 600 1796 750 2242 203-528-1 00107-87-9 Pentan-2-on 200 715 250 894 211-047-3 00628-63-7 n-Pentylacetat 50 270 100 540 00620-11-1 3-Pentylacetat 50 270 100 540 204-825-9 00127-18-4 Perchlorethylen 25 172 100 695 209-840-4 00594-42-3 Perchlormethylmercaptan 0,1 0,77 * * 231-526-0 07616-94-6 Perchlorylfluorid 3 13 6 25 00382-21-8 Perfluorisobutylen * * 0,01 0,08 M 93763-70-3 Perlit * 10 * * 08032-32-4 Petrolether (Siedebereich 100 - 160 °C) 300 1390 * * - Pflanzenöle (Nebel) * 10 * * 203-632-7 00108-95-2 Phenol 2 7,8 * * D 202-196-5 00092-84-2 Phenothiazin * 5 * * D 216-032-5 01477-55-0 m-Phenylenbis(methylamin) * * * 0,1 D, M 203-584-7 00108-45-2 m-Phenylendiamin * 0,1 * * 202-430-6 00095-54-5 o-Phenylendiamin * 0,1 * * 203-404-7 00106-50-3 p-Phenylendiamin * 0,1 * * 204-557-2 00122-60-1 Phenylglycidylether 0,1 0,6 * * C, D 202-873-5 00100-63-0 Phenylhydrazin 0,1 0,45 * * C, D 211-325-4 00638-21-1 Phenylphosphin 0,05 0,23 * * M 206-052-2 00298-02-2 Phorat * 0,05 * 0,2 D 200-870-3 00075-44-5 Phosgen 0,02 0,08 0,1 0,4 232-260-8 07803-51-2 Phosphin 0,3 0,43 1 1,4 231-768-7 07723-14-0 Phosphor, weißer 0,02 0,1 * * 233-060-3 10026-13-8 Phosphorpentachlorid 0,1 0,86 * * 215-242-4 01314-80-3 Phosphorpentasulfid * 1 * 3 215-236-1 01314-56-3 Phosphorpentoxid * 1 * * 231-633-2 07664-38-2 Phosphorsäure * 1 * 2 231-749-3 07719-12-2 Phosphortrichlorid 0,2 1,1 0,5 2,8 233-046-7 10025-87-3 Phosphoryltrichlorid 0,1 0,64 * * 201-607-5 00085-44-9 Phthalsäureanhydrid 1 6,2 * * 217-636-1 01918-02-1 Picloram * 10 * * 201-865-9 00088-89-1 Pikrinsäure * 0,1 * * 201-462-8 00083-26-1 Pindon * 0,1 * * 203-808-3 00110-85-0 Piperazin 0,1 0,3 205-551-2 00142-64-3 Piperazindihydrochlorid * 5 * * 231-116-1 07440-06-4 Platin (Metall) * 1 * * - Platin (lösliche Salze) (als Pt) * 0,002 * * 266-043-4 65997-15-1 Portlandzement * 10 * * 200-827-9 00074-98-6 Propan * * * * A 229-180-0 06423-43-4 Propan-1,2-diyldinitrat 0,05 0,34 * * D 203-471-2 00107-19-7 Propargylalkohol 1 2,3 * * D 200-340-1 00057-57-8 Propiolacton 0,5 1,5 * * C 201-176-3 00079-09-4 Propionsäure 10 31 20 62 68421BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 204-043-8 00114-26-1 Propoxur * 0,5 * * 203-686-1 00109-60-4 Propylacetat 200 847 250 1055 200-746-9 00071-23-8 Propylalkohol 200 499 250 623 D 204-062-1 00115-07-1 Propylen * * * * A 200-878-7 00075-55-8 Propylenimin 2 4,8 * * C, D 200-878-7 00075-56-9 Propylenoxid 20 49 * * C 210-985-0 00627-13-4 n-Propylnitrat 25 109 40 174 08003-34-7 Pyrethrum * 5 * * 203-809-9 00110-86-1 Pyridin 5 16 * * 231-106-7 07439-97-6 Quecksilber (anorganisch und metallisch) * 0,025 * * D 231-106-7 07439-97-6 Quecksilber (Alkylverbindungen) (als Hg) * 0,01 * 0,03 D 231-106-7 07439-97-6 Quecksilber (Arylverbindungen) (als Hg) * 0,1 * * D 210-435-0 00082-68-8 Quintozen * 0,5 * * 203-585-2 00108-46-3 Resorcin 10 46 20 91 - Rhodium (Metall) (Staub) * 1 * * - Rhodium (lösliche Verbindungen) (als Rh) * 0,01 * * 231-125-0 07440-16-6 Rhodium (unlösliche Verbindungen) (als Rh) * 1 * * - Rohbaumwolle (Thorakalstäube) * 0,2 * * 201-501-9 00083-79-4 Rotenon * 5 * * 200-334-9 00057-50-1 Saccharose * 10 * * 231-714-2a 07697-37-2 Salpetersäure 2 5,3 4 10 231-996-7 07783-41-7 Sauerstoffdifluorid * * 0,05 0,11 M 231-195-2 07446-09-5 Schwefeldioxid 2 5,3 5 13 219-854-2 02551-62-4 Schwefelhexafluorid 1000 6057 * * 227-204-4 05714-22-7 Schwefelpentafluorid * * 0,01 0,1 M 231-639-5 07664-93-9 Schwefelsäure * 1 * 3 232-013-4 07783-60-0 Schwefeltetrafluorid * * 0,1 0,45 M - Schweißrauch (anderswo nicht angegeben) * 5 * * 231-957-4 07782-49-2 Selen und Verbindungen (als Se) * 0,2 * * 07783-79-1 Selenhexafluorid (als Se) 0,05 0,16 * * 00136-78-7 Sesone (Disul-Natriumsalz) * 10 * * 231-131-3 07440-22-4 Silber (Metall) * 0,1 * * 231-131-3 07440-22-4 Silber (lösliche Verbindungen) (als Ag) * 0,01 * * 231-130-8 07440-21-3 Silicium * 10 * * 206-991-8 00409-21-2 Siliciumcarbid * 10 * * 232-679-6 09005-25-8 Stärke * 10 * * - Stearate * 10 * * - Steatit (alveolengängiger Staub) * 3 * * - Steatit (einatembarer Staub) * 6 * * 07727-37-9 Stickstoff * * * * A 233-272-6 10102-44-0 Stickstoffdioxid 3 5,7 5 9,5 10102-43-9 Stickstoffmonoxid 25 31 * * 68422 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 232-007-1 07783-54-2 Stickstofftrifluorid 10 29 * * 232-142-6 07789-06-2 Strontiumchromat (als Cr) * 0,0005 * * C 200-319-7 00057-24-9 Strychnin * 0,15 * * 202-851-5 00100-42-5 Styrol 50 216 100 432 D 01395-21-7 Subtilisin (proteolytische Enzyme) * 0,00006 * * M 222-995-2 03689-24-5 Sulfotep * 0,1 * * D 220-281-5 02699-79-8 Sulfuryldifluorid 5 21 10 43 252-545-0 35400-43-2 Sulprofos * 1 * * 202-273-3 00093-76-5 2,4,5-T * 10 * * 238-877-9 14807-96-6 Talk (ohne Asbestfaser) * 2 * * 231-135-5 07440-25-7 Tantal (Metall) * 5 * * 236-813-4 13494-80-9 Tellur und Verbindungen (als Te) * 0,1 * * 232-027-0 07783-80-4 Tellurhexafluorid (als Te) 0,02 0,1 * * 222-191-1 03383-96-8 Temephos * 10 * * 203-495-3 00107-49-3 TEPP 0,004 0,048 * * D 202-830-0 00100-21-0 Terephthalsäure * 10 * * 232-350-7 08006-64-2 Terpentinöl 100 564 * * 247-477-3 26140-60-3 Terphenyl * * 0,53 5 M 262-967-7 61788-32-7 Terphenyl, hydriert 0,5 5,0 * * 209-189-6 00558-13-4 Tetrabrommethan 0,1 1,4 0,3 4,2 236-669-2 13463-39-3 Tetracarbonylnickel (als Ni) 0,05 0,12 * * 200-934-0 00076-11-9 1,1,1,2-Tetrachlor-2,2-difluorethan 500 4231 * * 200-935-6 00076-12-0 1,1,2,2-Tetrachlor-1,2-difluorethan 500 4231 * * 201-197-8 00079-34-5 1,1,2,2-Tetrachlorethan 1 7,0 * * D 200-262-8 00056-23-5 Tetrachlormethan 5 31 10 64 D 215-642-9 01335-88-2 Tetrachlornaphthalin * 2 * * 201-075-4 00078-00-2 Tetraethylblei (als Pb) * 0,1 * * D 201-083-8 00078-10-4 Tetraethylorthosilikat 10 86 * * 203-726-8 00109-99-9 Tetrahydrofuran 50 150 100 300 D 200-897-0 00075-74-1 Tetramethylblei (als Pb) * 0,15 * * D 211-656-4 00681-84-5 Tetramethylorthosilikat 1 6 * * 03333-52-6 Tetramethylsuccinnitril 0,5 2,8 * * D 208-094-7 00509-14-8 Tetranitromethan 0,005 0,04 * * 231-138-1 07440-28-0 Thallium (lösliche Verbindungen) (als Tl) * 0,1 * * D 200-677-4 00068-11-1 Thioglykolsäure 1 3,9 * * D 231-748-8 07719-09-7 Thionylchlorid 1 5,0 * * M 203-635-3 00108-98-5 Thiophenol 0,5 2,3 * * 205-286-2 00137-26-8 Thiram * 1 * * 236-675-5 13463-67-7 Titandioxid * 10 * * 203-583-1 00108-44-1 m-Toluidin 2 8,9 * * D 202-429-0 00095-53-4 o-Toluidin 2 8,9 * * C, D 203-403-1 00106-49-0 p-Toluidin 2 8,9 * * D 233-625-9 00108-88-3 Toluol 50 191 * * D 204-800-2 00126-73-8 Tributylphosphat 0,2 2,2 * * 68423BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 235-142-4 12079-65-1 Tricarbonyl(eta-cyclopentadienyl)mangan (als Mn) * 0,1 * * D 235-166-5 12108-13-3 Tricarbonyl(methylcyclopentadienyl)mangan (als Mn) * 0,2 * * D 200-936-1 00076-13-1 1,1,2-Trichlor-1,2,2-trifluorethan 1000 7781 1250 9729 204-428-0 00120-82-1 1,2,4-Trichlorbenzol 2 15,1 5 37,8 D, M 200-927-2 00076-03-9 Trichloressigsäure 1 6,8 * * 200-756-3 00071-55-6 1,1,1-Trichlorethan 100 555 200 1110 201-166-9 00079-00-5 1,1,2-Trichlorethan 10 56 * * D 201-167-4 00079-01-6 Trichlorethylen 50 273 100 545 C 200-892-3 00075-69-4 Trichlorfluormethan 1000 5702 * * M 215-321-3 01321-65-9 Trichlornaphthalin * 5 * * D 200-930-9 00076-06-2 Trichlornitromethan 0,1 0,68 * * 202-486-1 00096-18-4 1,2,3-Trichlorpropan 10 61 * * D 203-049-8 00102-71-6 Triethanolamin * 5 * * 204-469-4 00121-44-8 Triethylamin 1 4,2 3 12,6 D 201-103-5 00078-30-8 o,o,o-Trikresylphosphat * 0,1 * * D 209-008-0 00552-30-7 Trimellitsäureanhydrid * * * 0,04 M 200-875-0 00075-50-3 Trimethylamin 5 12 15 37 247-099-9 25551-13-7 Trimethylbenzol (alle Isomere) 20 100 * * 204-471-5 00121-45-9 Trimethylphosphit 2 10 * * 204-289-6 00118-96-7 2,4,6-Trinitrotoluol * 0,5 * * D 210-035-5 00603-34-9 Triphenylamin * 5 * * 204-112-2 00115-86-6 Triphenylphosphat * 3 * * 231-170-6 07440-61-1 Uran (natürlich und Uranverbindungen) (als U) * 0,2 * 0,6 233-784-4 00110-62-3 Valeraldehyd 50 179 * * 231-171-1 01314-62-1 Vanadiumpentoxid (alveolengängige Fraktion und Rauch) (als V2O5) * 0,05 * * 203-437-7 00106-87-6 4-Vinyl-1,2-cyclohexendiepoxid 0,1 0,58 * * D 203-545-4 00108-05-4 Vinylacetat 10 36 15 54 209-800-6 00593-60-2 Vinylbromid 5 22 * * 200-831-0 00075-01-4 Vinylchlorid (Monomer) 3 7,77 C 203-437-7 00106-87-6 Vinylcyclohexandiepoxid 0,1 0,58 * * D 202-848-9 00100-40-3 4-Vinylcyclohexen 0,1 0,45 * * D 246-562-2 25013-15-4 Vinyltoluol (alle Isomere) 50 246 100 490 201-377-6 00081-81-2 Warfarin * 0,1 * * 215-605-7 01333-74-0 Wasserstoff * * * * A 231-765-0 07722-84-1 Wasserstoffperoxid 1 1,4 * * 232-489-3 08052-41-3 White Spirit 100 533 * * 231-143-9 07440-33-7 Wolfram (lösliche Verbindungen) (als W) * 1 * 3 231-143-9 07440-33-7 Wolfram (unlösliche Verbindungen) (als W) * 5 * 10 215-091-4 01300-73-8 Xylidin (alle Isomere) 0,5 2,5 * * D 215-535-7 01330-20-7 Xylol, Isomerengemisch, rein 50 221 100 442 D 203-576-3 00108-38-3 m-Xylol 50 221 100 442 D 68424 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE E IN E C S N u m m er (1 ) C A S N u m m er (2 ) B ez ei ch n u n g d es A g en s G re n zw er t p p m (3 ) (5 ) G re n zw er t m g / m 3 (3 ) (6 ) K u rz ze it w er t p p m (4 ) (5 ) K u rz ze it w er t m g / m 3 (4 ) (6 ) Z u sä tz li ch e E in st u fu n g (7 ) 202-422-2 00095-47-6 o-Xylol 50 221 100 442 D 203-396-5 00106-42-3 p-Xylol 50 221 100 442 D 231-174-8 07440-65-5 Yttrium (Metall und Verbindungen) (als Y) * 1 * * 231-592-0 07646-85-7 Zinkchlorid (Rauch) * 1 * 2 236-878-9 13530-65-9 Zinkchromat (als Cr) * 0,01 * * C 215-222-5 01314-13-2 Zinkoxid (Rauch) * 5 * 10 215-222-5 01314-13-2 Zinkoxid (Staub) * 10 * * 231-141-8 07440–31-5 Zinn (Metall) * 2 * * D 231-141-8 07440–31-5 Zinn (organische Zinnverbindungen) (als Sn) * 0,1 * 0,2 D 231-141-8 07440–31-5 Zinn (Oxid und anorganische Zinnverbindun gen) (mit Ausnahme von SnH4) (als Sn) * 2 * * D 231-176-9 07440-67-7 Zirconiumverbindungen (als Zr) * 5 * 10 Fußnoten (1) Einecs: European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances (Europäisches Verzeichnis der auf dem Markt vorhandenen chemischen Stoffe) (2) CAS: Chemical Abstracts Service Registry Number (3) Zeitlich gewichteter Mittelwert, gemessen oder berechnet für einen Referenzzeitraum von acht Stunden (4) Expositionsgrenzwert, der nicht überschritten werden soll. Soweit nicht anders angegeben, bezieht er sich auf eine Zeitdauer von 15 Minuten (5) ppm: Volumenteile pro Million in Luft (ml/m3) (6) mg/m3: Milligramm pro Kubikmeter Luft bei 20 °C und 101,3 KPa. (7) Zusätzliche Einstufung: — Der Vermerk «A» bedeutet, dass das Agens Gas oder Dampf freisetzt, das beziehungsweise der selbst keine physiologische Wirkung hat, wohl aber den Sauerstoffgehalt in der Luft verringern kann. Wenn der Sauerstoffgehalt unter 17-18 % (vol/vol) sinkt, verursacht der Sauerstoffmangel eine Erstickung, die auftritt, ohne dass Symptome vorausgehen. — Der Vermerk «C» bedeutet, dass das betreffende Agens in den Anwendungsbereich des Königlichen Erlasses vom 2. Dezember 1993 über den Schutz der Arbeitnehmer vor Gefährdung durch Aussetzung gegenüber krebserregenden und erbgutverändernden Agenzien am Arbeitsplatz fällt. — Der Vermerk «D» bedeutet, dass die Aufnahme des Agens über die Haut, die Schleimhäute oder die Augen einen wichtigen Teil der Gesamtexposition bildet. Diese Aufnahme kann sowohl durch direkten Kontakt als infolge des Vorhandenseins des Agens in der Luft erfolgen. — Der Vermerk «F» bedeutet, dass die Exposition gegenüber dem betreffenden Agens durch Fasern erfolgt. Unter Faser versteht man jede Partikel mit einer Länge von mehr als 5 m, einem Durchmesser von weniger als 3 ìm und einem Länge-Durchmesser-Verhältnis von mehr als 3. In Abweichung von den erwähnten Konzentrationseinheiten (mg/m3) wird die Faserkonzentration in der Anzahl Fasern pro Kubikmeter ausgedrückt. — Der Vermerk «M» gibt an, dass bei einer Exposition über den Grenzwert Reizungen auftreten oder eine akute Vergiftungsgefahr besteht. Das Arbeitsverfahren muss so ausgearbeitet werden, dass die Exposition den Grenzwert nie überschreitet. Bei den Messungen muss der Probenahmezeitraum so kurz wie möglich sein, damit zuverlässige Messungen durchgeführt werden können. Das Messergebnis bezieht sich auf den Probenahmezeitraum. Gesehen, um Unserem Erlass vom 11. Oktober 2002 beigefügt zu werden ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung Frau L. ONKELINX Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 oktober 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL Vu pour être annexé à Notre arrêté du 3 octobre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, P. DEWAEL 68425BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN [C − 2006/00967]N. 2006 — 4900 23 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot het verlenen van een subsidie aan de vereniging zonder winstoogmerk « Institut de Sécurité Incendie – Instituut voor Brandveiligheid », afgekort : « I.S.I.B. », om bij te dragen in de kosten van laboratoria belast met onderzoeken betreffende de brandvoorkoming ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, inzonderheid op de artikelen 46, 55, 56, 57 en 58; Gelet op de wet van 20 december 2005 houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2005, inzonderheid op artikel 2.13.2; Gelet op het koninklijk besluit nr. 5 van 18 april 1967 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van de toelagen; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 oktober 2006; Overwegende dat punt 2.1 van de bijlagen 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, de installatie van rook- en warmteafvoersystemen (RWA) voorziet die voldoen aan de normen en regels van goed vakmanschap die erkend zijn door de Minister van Binnenlandse Zaken; Overwegende dat de VZW « Institut de Sécurité Incendie – Instituut voor Brandveiligheid », afgekort : « I.S.I.B. », onderzoeken uitvoert teneinde de gevalideerde berekeningsmethodes en hun gebruiksbeper kingen te identificeren, een ontwerp van bestek op te stellen voor de keuringsinstellingen van rook- en warmteafvoersystemen; Overwegende dat die werkzaamheden het mogelijk zullen maken om de voorwaarden en de procedure vast te stellen voor de goedkeu ring van de normen inzake rook- en warmteafvoer; Overwegende derhalve dat de activiteiten van de voormelde instel ling het verlenen van een subsidie als tegemoetkoming van de Staat in hun kosten, verantwoorden; Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Een subsidie van 41.000 euro wordt verleend aan de v.z.w. Institut de Sécurité Incendie – Instituut voor Brandveiligheid, afgekort « I.S.I.B. », om bij te dragen in de kosten van de onderzoeken, betreffende het invoeren van berekeningsmethoden inzake rook- en warmteafvoer, die de v.z.w. uitvoert. Art. 2. Het onderzoeksprogramma wordt bepaald in overeenstem ming met de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid. Art. 3. De in artikel 1 bedoelde subsidie wordt gestort nadat aan de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid een afschrift is overge maakt van de bewijsstukken die de aard en het bedrag van de uitgaven aantonen en een kopie van het verslag van de uitgevoerde onderzoe ken. Art. 4. De in artikel 3 bedoelde documenten moeten ten laatste op 30 juni 2007 bezorgd worden. Art. 5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 23 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR [C − 2006/00967]F. 2006 — 4900 23 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal accordant une subvention à l’association sans but lucratif « Institut de Sécurité Incendie – Instituut voor Brandveiligheid », en abrégé : « I.S.I.B. », à titre d’intervention dans les frais de laboratoires effectuant des recher ches relatives à la prévention en matière d’incendie ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu les lois sur la comptabilité de l’Etat coordonnées le 17 juillet 1991, notamment les articles 46, 55, 56, 57 et 58; Vu la loi du 20 décembre 2005 contenant le budget général des dépenses pour l’année budgétaire 2005, notamment l’article 2.13.2; Vu l’arrêté royal n° 5 du 18 avril 1967 relatif au contrôle de l’octroi et de l’emploi des subventions; Vu l’arrêté royal du 16 novembre 1994 relatif au contrôle administra tif et budgétaire; Vu l’avis de l’Inspection des Finances, donné le 27 octobre 2006; Considérant que le point 2.1 des annexes 2, 3 et 4 de l’arrêté royal du 7 juillet 1994 fixant les normes de base en matière de prévention contre l’incendie et l’explosion, auxquelles les bâtiments nouveaux doivent satisfaire prévoit l’installation de systèmes d’évacuation de fumées et de chaleur (EFC) qui répondent à des normes et règles de l’art agréées par le Ministre de l’Intérieur; Considérant que l’ ASBL « Institut de Sécurité Incendie- Instituut voor Brandveiligheid », en abrégé : « I.S.I.B. », effectue des recherches en vue d’identifier les méthodes de calcul validées et leurs limites d’utilisation, d’établir un projet de cahier des charges pour les organismes d’inspection des systèmes d’évacuation de fumées et de chaleur; Considérant que ces travaux permettront de déterminer les condi tions et la procédure selon lesquelles les normes en matière d’évacua tion de fumée et de chaleur peuvent être approuvées; Considérant dès lors, que les activités de l’organisme précité justifient l’octroi d’une subvention à titre d’intervention de l’Etat dans leurs frais; Sur la proposition du Ministre de l’Intérieur, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Il est accordé à l’ a.s.b.l. Institut de Sécurité Incendie Instituut voor Brandveiligheid, en abrégé « I.S.I.B. », une subvention de 41.000 euros afin de contribuer aux frais des recherches, relatives à l’introduction de méthodes de calcul en matière d’évacuation de fumées et de chaleur, qu’elle effectue. Art. 2. Le programme de recherche est fixé en accord avec la Direction générale de la Sécurité civile. Art. 3. La subvention visée à l’article 1er est versée après la transmission à la Direction générale de la Sécurité civile d’une copie des documents justificatifs prouvant la nature et le montant des dépenses et d’une copie du rapport des recherches effectuées. Art. 4. Les documents visés à l’article 3 doivent être transmis au plus tard le 30 juin 2007. Art. 5. Notre Ministre de l’Intérieur est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 23 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, P. DEWAEL 68426 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [C − 2006/14273]N. 2006 — 4901 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter onderteke ning voor te leggen, vindt zijn rechtsgrond in de artikelen 363 en 364 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen. Deze bepalingen machtigen de Koning om maatregelen te treffen die nodig zijn om het juridisch statuut van het Fonds voor Spoorweginfra structuur te wijzigen alsook de voorwaarden voor de terbeschikking stelling van de spoorweginfrastructuur door dat Fonds, teneinde de verwezenlijking te bevorderen van de hervorming van de beheersstruc turen van de spoorweginfrastructuur. Deze hervorming volgt uit de ex ante procedure die is opgestart met Eurostat nadat deze instantie om een verdere verduidelijking van deze hervorming had verzocht. Met voorliggend besluit wordt het Fonds voor spoorweginfrastruc tuur omgevormd tot een autonoom overheidsbedrijf dat onder de toepassing valt van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Met deze hervorming wordt aan dit Fonds, waaraan de voornaamste spoorweg infrastructuur is getransfereerd bij de opsplitsing van de vroegere NMBS op 1 januari 2005, een grotere autonomie en in het verlengde een grotere verantwoordelijkheid toegekend bij het beheer van deze spoorweginfrastructuur en de onderliggende financiering. Zo zal het Fonds als gevolg van deze omvorming in plaats van een kasboekhouding een volledige commerciële boekhouding voeren. Aangezien deze hervorming terugwerkt tot 1 januari 2005, brengt dit mee dat het Fonds voor het boekjaar 2005 een volledige jaarrekening op deze basis zal moeten vaststellen. Een andere implicatie is dat het Fonds ervoor zal moeten zorgen om de afbouw van zijn financiële schuld en het afschrijvingsritme van zijn activa beter op elkaar af te stemmen. Uiteraard wordt deze evolutie van de afschrijvingen beïnvloed door het meerjarig investeringsplan voor de spoorweginfrastructuur, zoals bedoeld in artikel 200 van vermelde wet van 21 maart 1991. Om die reden zal het Fonds geraadpleegd worden aangaande dit plan. Indien evenwel alsnog door de Staat wordt beslist tot vervangingsinvesterin gen die tot uitzonderlijke afschrijvingen van bestaande spoorweginfra structuur van het Fonds leiden, dan krijgt het Fonds de mogelijkheid om het balansimpact van die uitzonderlijke afschrijvingen te neutrali seren door een corresponderende schuldvordering te boeken op de Staat. Deze schuldvordering betreft het deel van de toekomstige begrotingsdotaties dat overeenstemt met de delging van het betreffend gedeelte van de financiële schulden van het Fonds (zie hierna de toelichting bij het voorgestelde artikel 237 van de wet van 21 maart 1991), en vormt derhalve geen bron van bijkomende uitgaven voor de Staat. Een en ander zal nader worden geregeld in het beheerscontract tussen de Staat en het Fonds. In opvolging van de wetgevingstechnische opmerkingen van de Raad van State is de wijziging van het Wetboek van inkomstenbelas tingen (artikel 5) uit de wet van 21 maart 1991 gelicht en de bepaling inzake eventuele omvorming in naamloze vennootschap van publiek recht (artikel 245 ingevoegd door artikel 3 van het ontwerp) in deze wet geïntegreerd. Artikelsgewijze commentaar Artikel 1 hervormt het Fonds voor Spoorweginfrastructuur tot autonoom overheidsbedrijf, onderworpen aan de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrij ven. Hoewel volgens het advies van de Raad van State deze omvorming eveneens volgt uit de samenlezing van artikelen 3 en 7 van het besluit, lijkt het omwille van rechtszekerheid en leesbaarheid van dit besluit beter deze bepaling te behouden. Er wordt wel ingegaan op de opmerking van de Raad van State om de retroactieve werking van deze bepaling te beperken tot 1 januari 2005. SERVICE PUBLIC FEDERAL MOBILITE ET TRANSPORTS [C − 2006/14273]F. 2006 — 4901 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant les structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire RAPPORT AU ROI Sire, L’arrêté que nous avons l’honneur de soumettre à la signature de Votre majesté trouve son fondement juridique dans les articles 363 et 364 de la loi du 20 juillet 2006 portant des dispositions diverses. Ces dispositions autorisent le Roi à prendre les mesures nécessaires pour modifier le statut juridique du Fonds de l’infrastructure ferro viaire et à fixer les conditions de la mise à disposition par celui-ci de l’infrastructure ferroviaire, afin de promouvoir la mise en œuvre de la réforme des structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire. Cette réforme découle de la procédure ex ante lancée avec Eurostat à la suite de la demande de cette instance visant à obtenir des précisions relatives à cette réforme. Le présent arrêté transforme le Fonds de l’infrastructure ferroviaire en une entreprise publique autonome tombant sous l’application de la loi du 21 mars 1991 relative à la réforme de certaines entreprises publiques économiques. Cette réforme accorde à ce Fonds, auquel les principales infrastructures ferroviaires ont été transférées lors de scission de l’ancienne SNCB au 1er janvier 2005, une plus grande autonomie et, partant, une plus grande responsabilité au niveau de la gestion de cette infrastructure ferroviaire et du financement sous-jacent. Ainsi, à la suite de cette transformation, le Fonds tiendra une comptabilité commerciale au lieu d’une comptabilité de caisse. Etant donné que cette réforme a un effet rétroactif au 1er janvier 2005, cela implique que le Fonds devra établir, pour l’exercice comptable 2005, des comptes annuels complets sur cette base. Une autre implication est que le Fonds devra veiller à mieux harmoniser la réduction de sa dette financière et le rythme d’amortissement de ces actifs. Il va sans dire que cette évolution des amortissements est influencée par le plan d’investissement pluriannuel pour l’infrastructure ferro viaire, visé à l’article 200 de la loi précité du 21 mars 1991. Pour cette raison, le Fonds devra être consulté en ce qui concerne ce plan. Toutefois, si l’Etat décidait de procéder à des investissements de remplacement entraînant des amortissements exceptionnels d’infras tructures ferroviaires existantes du Fonds, celui-ci reçoit la possibilité de neutraliser l’impact de ces amortissements exceptionnels sur le bilan par une créance correspondante à imputer sur l’Etat. Cette créance concerne la partie des futures dotations budgétaires correspondant à l’amortissement de la partie concernée des dettes financières du Fonds (voir ci-après le commentaire relatif à la proposition d’article 237 de la loi du 21 mars 1991), et ne constitue dès lors pas une source de dépenses supplémentaires pour l’Etat. Ces éléments seront réglés plus avant dans le contrat de gestion entre l’Etat et le Fonds. Faisant suite aux remarques d’ordre légistique émises par le Conseil d’Etat, la modification du Code de l’Impôt sur les revenus (article 5) a été extraite de la loi du 21 mars 1991 et la disposition relative à la transformation éventuelle en société anonyme de droit public (article 245 inséré par l’article 3 du projet) a été intégrée dans cette loi. Commentaire des articles L’article 1er transforme le Fonds de l’infrastructure ferroviaire en entreprise publique autonome régie par la loi du 21 mars 1991 relative à la réforme de certaines entreprises publiques économiques. Bien que, selon l’avis du Conseil d’Etat, cette transformation découle également de la lecture conjointe des articles 3 et 7 de l’arrêté, il semble préférable, en vue de la sécurité juridique et de la lisibilité du présent arrêté, de maintenir cette disposition. En revanche, la remarque du Conseil d’Etat visant à limiter l’effet rétroactif de cette disposition au 1er janvier 2005, a été prise en compte. 68427BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Artikel 2 voegt een titel X in voornoemde wet van 21 maart 1991 in, die de bijzondere bepalingen van toepassing op het Fonds stipuleert. Artikel 234 bepaalt dat het Fonds als autonoom overheidsbedrijf onderworpen is aan de bepalingen van titel I van de wet van 21 maart 1991, met enige beperkte uitzonderingen. Zo is het bij de beperkte omvang van het personeel van het Fonds niet aangewezen om een afzonderlijk personeels- en syndicaal statuut te bepalen en een eigen paritair comité in te richten. In navolging van het advies van de Raad van State is in artikel 234 opgenomen dat, naast de mogelijkheid van detachering van ambtenaren, het Fonds ook personeelsleden kan aanwerven bij arbeidscontract. Deze mogelijkheid is bij wijze van overgangsmaatregel, vermits niet wordt verwacht dat het Fonds belangrijke personeelsbehoeften zal hebben. Artikel 235 definieert het maatschappelijk doel van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. Dit blijft in hoofdzaak bestaan uit het aanhou den van de spoorweginfrastructuur die aan het Fonds is getransfereerd naar aanleiding van de opsplitsing van de vroegere NMBS op 1 januari 2005, en de terbeschikkingstelling ervan aan de door of krachtens de wet aangestelde spoorweginfrastructuurbeheerder. Dit vormt tevens de enige opdracht van openbare dienst van het Fonds. Daarnaast omvat het doel van het Fonds om de op 1 januari 2005 overgedragen terreinen te valoriseren, alsmede de spoorweginfrastruc tuur van het Fonds die buiten gebruik wordt gesteld. Tenslotte wordt het Fonds toegelaten om andere activiteiten inzake vastgoed te verrichten die verenigbaar zijn met haar opdracht van openbare dienst. Wat de terbeschikkingstelling van de spoorweginfrastructuur aan spoorweginfrastructuurbeheerders – tot op heden is deze taak enkel aan Infrabel toevertrouwd – betreft, zullen de voorwaarden en modaliteiten daarvan niet langer bij koninklijk besluit worden bepaald. Deze worden voortaan vastgelegd in een contract tussen het Fonds en de spoorweginfrastructuurbeheerder, waarvan artikel 236 enkel bepaalt dat het een huurcontract van lange termijn moet zijn. Gelet op het belang van deze terbeschikkingstelling van de spoorweginfrastructuur wordt ter zake wel een goedkeuringstoezicht georganiseerd. Artikel 237 voorziet in een budgettaire dotatie ter dekking van de lasten die voortvloeien uit de opdracht van openbare dienst van het Fonds en die niet kunnen worden gedekt door de inkomsten van de haar op grond van artikel 14 van het koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot hervorming van de beheersstructuren van de spoorweginfrastruc tuur overgedragen spoorweginfrastructuur en terreinen. In antwoord op de vraag van de Raad van State of bij de bepaling van deze dotatie niet alleen rekening moet worden gehouden met de uitgaande en inkomende kasstromen verbonden aan de opdracht van openbare dienst, dient er op te worden gewezen dat de tegenwaarde van de schulden die aan het FSI werden toegewezen bij de herstructurering van de vroegere NMBS, bestaat uit de combinatie van de overgedragen spoorweginfrastructuur en terreinen. Het is dan ook logisch dat de opbrengst van het beheer en de tegeldemaking van deze terreinen bijdraagt tot de aflossing van de schulden, zelfs al wordt deze activiteit niet als openbare dienst aangeduid. Artikel 238 verleent de basis voor de vermelde schuldvordering die het Fonds mag boeken ten aanzien van de Staat indien het meerjarig investeringsplan voor spoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 200 van voornoemde wet van 21 maart 1991, tot uitzonderlijke afschrijvin gen van bestaande spoorweginfrastructuur van het Fonds zou leiden. Artikel 239 schept de rechtsgrond voor het toekennen van de Staatswaarborg in het kader van de eventuele herfinanciering van bestaande leningen van het Fonds. De bestaande leningen van het Fonds genieten van de Staatswaarborg ingevolge het koninklijk besluit van 16 december 2004. In antwoord op de vraag van de Raad van State om een plafond voor de toe te kennen Staatswaarborgen vast te stellen, dient te worden opgemerkt dat ook onder de vigerende wetgeving voor het Fonds en evenmin voor Infrabel zulke begrenzing wordt gesteld. Daarenboven is er een impliciete beperking doordat het FSI een ″gesloten″ fonds blijft zonder bijkomende spoorweginfrastructuur en dat enkel nieuwe leningen in aanmerking komen die dienen tot herfinanciering van bestaande leningen (zie overigens de verwijzing in artikel 239 naar artikel 237, § 2, 1°, a), die allemaal door een Staatswaarborg zijn gedekt. Net zoals Infrabel wordt het Fonds door artikel 240 in combinatie met artikel 5 vrijgesteld van de vennootschapsbelasting alsook van de provinciale en gemeentelijke heffingen. Het Fonds is onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. L’article 2 insère un titre X dans la loi précitée du 21 mars 1991, qui stipule des dispositions particulières applicables au Fonds. L’article 234 dispose qu’en tant qu’entreprise publique autonome, le Fonds est soumis aux dispositions du titre Ier de la loi du 21 mars 1991, moyennant certaines exceptions limitées. Ainsi, en raison de l’effectif de personnel limité du Fonds, il n’est pas indiqué de définir un statut de personnel et un statut syndical distincts ni d’instituer une commission paritaire propre. Faisant suite à l’avis du Conseil d’Etat, il est stipulé, dans l’article 234, qu’outre la possibilité de détacher des fonctionnaires, le Fonds peut également recruter des agents sous contrat de travail. Cette possibilité est prévue à titre de mesure transitoires, du fait que l’on ne s’attend pas à ce que le Fonds ait d’importants besoins en personnel. L’article 235 définit l’objet social du Fonds de l’infrastructure ferroviaire. Celui continue de consister principalement à détenir l’infrastructure ferroviaire transférée au Fonds à la suite de la scission de l’ancienne SNCB au 1er janvier 2005 et à mettre celle-ci à la disposition du gestionnaire de l’infrastructure ferroviaire désigné par la loi ou en vertu de celle-ci. Cela constitue par ailleurs la seule mission de service public du Fonds. En outre, l’objet du Fonds consiste à valoriser les terrains transférés au 1er janvier 2005 ainsi que l’infrastructure ferroviaire du Fonds mise hors service. Enfin, le Fonds est autorisé à réaliser d’autres activités immobilières compatibles avec sa mission de service public. En ce qui concerne la mise à disposition de l’infrastructure ferroviaire aux gestionnaires de l’infrastructure ferroviaire – à ce jour, cette tâche est confiée exclusivement à Infrabel - les conditions et les modalités y afférentes ne seront plus déterminées par arrêté royal. Dorénavant, elles seront fixées dans un contrat conclu entre le Fonds et le gestionnaire de l’infrastructure ferroviaire, dont l’article 236 dispose seulement qu’il doit s’agir d’un contrat de location à long terme. Etant donné l’importance de cette mise à disposition de l’infrastructure ferroviaire, un contrôle d’approbation est organisé en la matière. L’article 237 prévoit une dotation budgétaire destinée à couvrir les charges découlant des missions de service public du Fonds et ne pouvant être couvertes par les recettes relatives à l’infrastructure ferroviaire et aux terrains qui lui ont été transférés en vertu de l’article 14 de l’arrêté royal du 14 juin 2004 portant réforme des structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire. En réponse à la question du Conseil d’Etat de savoir si la fixation de cette dotation ne devrait pas tenir compte uniquement des entrées de caisse et et des sorties liées à la mission de service public, il convient de signaler que la contrepartie des dettes attribuées au FIF lors de la restructuration de l’ancienne SNCB, se compose de la combinaison de l’infrastructure ferroviaire et des terrains transférés. Il est dès lors logique que le produit de la gestion et de la réalisation de ces terrains contribue à l’amortissement des dettes, même si cette activité n’est pas qualifiée de service public. L’article 238 confère la base pour la créance précitée que le Fonds peut imputer sur l’Etat au cas où le plan d’investissement pluriannuel pour l’infrastructure ferroviaire, visé à l’article 200 de la loi précité du 21 mars 1991, aboutirait à des amortissements exceptionnels d’infras tructures ferroviaires existantes du Fonds. L’article 239 procure le fondement juridique pour l’octroi de la Garantie d’Etat dans le cadre du refinancement éventuel d’emprunts existants du Fonds. Ceux-ci bénéficient de la Garantie d’Etat à la suite de l’arrêté royal du 16 décembre 2004. En réponse à la demande du Conseil d’Etat visant à fixer un plafond pour les garanties d’Etat à accorder, il convient de faire remarquer que la législation en vigueur ne prévoit pas davantage une telle limitation, ni pour le Fonds, ni pour Infrabel. En outre, il existe une limitation implicite du fait que le FIF reste un fonds « fermé » sans infrastructure ferroviaire complémentaire et que seuls entrent en ligne de compte les nouveaux emprunts destinés au refinancement d’emprunts existants couverts par une garantie d’Etat (voir d’ailleurs le renvoi, dans l’article 239, à l’article 237, § 2, 1°, a) Tout comme pour Infrabel, l’article 240, en combinaison avec l’article 5, exonère le Fonds de l’impôt sur les sociétés ainsi que des taxes provinciales et communales. Le Fonds est soumis à l’impôt sur les personnes morales. 68428 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Artikelen 241 en 242 regelen de bijzonderheden betreffende het bestuur van het Fonds. Zo wordt inzonderheid bepaald dat met uitzondering van de gedelegeerd bestuurder alle bestuurders niet uitvoerend zijn en dat zij, rekening houdend met een man/vrouw verhouding, moeten worden gekozen op grond van de complementa riteit van deskundigheid in voor het Fonds relevante gebieden. Cruciaal is bovendien dat alle bestuurder en directieleden onafhanke lijk moeten zijn van elke spoorweginfrastructuurbeheerder, spoorweg onderneming en de N.M.B.S. Holding volgens de criteria bepaald in artikel 524, § 4, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen. In het licht van de continuïteit van de huidige organen wordt door artikel 243 voorzien in een verderzetting van de aanwezigheid van twee regeringscommissarissen. Artikel 244 verleent de Koning de bevoegdheid om de voorlopige regels betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 3, § 2, van voornoemde wet van 21 maart 1991 vast te stellen tot de inwerkingtre ding van het eerste beheerscontract gesloten in overeenstemming met artikel 4 van dezelfde wet. Dit is nodig omdat de omvorming niet slechts volgt na het afsluiten van het eerste beheerscontract. Eenzelfde techniek werd toegepast bij de drie andere entiteiten die uit de opsplitsing van de NMBS op 1 januari 2005 voortsproten. Artikel 3 voorziet de mogelijkheid voor de Staat om bij een eventuele omzetting van het Fonds tot naamloze vennootschap van publiek recht een deel van zijn schuldvordering ingevolge terugbetaling van finan ciële schulden van het Fonds in 2005, in kapitaal om te zetten. Artikel 4 behoeft geen nadere commentaar. Artikel 5 regelt de vermelde raadpleging van het Fonds ten aanzien van het meerjarig investeringsplan voor de spoorweginfrastructuur zoals bedoeld in artikel 200 van voornoemde wet van 21 maart 1991. Artikel 6 heft de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 juni 2004 op die voor de omzetting tot autonoom overheidsbedrijf het statuut en de werking van het Fonds voor spoorweginfrastructuur regelden. Zoals artikel 363 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen toelaat, zal het besluit uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2005. In het belang van de rechtszekerheid bepaalt artikel 7 evenwel dat dit geen afbreuk doet aan de geldigheid van de handelin gen die het Fonds vóór de bekendmaking van dit besluit heeft gesteld, noch aan de rechten die derden daaruit hebben verworven. Artikel 8 behoeft geen verdere commentaar. Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Consumentenzaken, Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE De Staatssectaris voor Overheidsbedrijven, B. TUYBENS ADVIES 41.456/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 10 okto ber 2006 door de Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven toegevoegd aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Consumen tenzaken verzocht hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit ″tot wijziging van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur″, heeft op 16 oktober 2006 het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, en vervangen bij de wet van 2 april 2003, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. Les articles 241 et 242 règlent les modalités spécifiques de l’adminis tration du Fonds. Ainsi, il est notamment stipulé qu’à l’exception de l’administrateur délégué, tous les administrateurs sont non exécutifs et qu’ils doivent être choisis, compte tenu du rapport hommes/femmes, en fonction de la complémentarité en matière d’expertise dans des domaines pertinents pour le Fonds. Il est en outre essentiel que tous les administrateurs et membres de la direction soient indépendants de tout gestionnaire d’infrastructure ferroviaire, de toute entreprise ferroviaire et de la SNCB Holding, selon les critères définis dans l’article 524, § 4, alinéa deux, du Code des sociétés. En vue de la continuité des organes actuels, l’article 243 prévoit, comme avant, la présence de deux commissaires du gouvernement. L’article 244 confère au Roi le pouvoir de fixer les règles provisoires relatives aux matières prévues dans l’article 3, § 2, de la loi précitée du 21 mars 1991 jusqu’à l’entrée en vigueur du premier contrat de gestion conclu conformément à l’article 4 de la même loi. Cela est nécessaire du fait que la transformation ne découle pas seulement de la conclusion du premier contrat de gestion. Une même technique a été appliquée pour les trois autres entités nées de la scission de la SNCB au 1er janvier 2005. L’article 3 prévoit la possibilité pour l’Etat, lors d’une transformation éventuelle du Fonds en société anonyme de droit public, de convertir en capital une partie de sa créance découlant du remboursement de certaines dettes financières du Fonds en 2005. L’article 4 n’appelle aucun commentaire. L’article 5 règle la consultation précitée du Fonds à l’égard du plan d’investissement pluriannuel pour l’infrastructure ferroviaire, tel que visé à l’article 200 de la loi précité du 21 mars 1991. L’article 6 abroge les dispositions de l’arrêté royal du 14 juin 2004 qui règlaient, avant la transformation en entreprise publique autonome, le statut et le fonctionnement du Fonds de l’infrastructure ferroviaire Tel que l’autorise l’article 363 de la loi du 20 juillet 2006 portant des dispositions diverses, l’arrêté produira ses effets à partir du 1er jan vier 2005. Dans l’intérêt de la sécurité juridique, l’article 7 dispose toutefois que cela ne porte pas atteinte à la validité des actes posés par le Fonds avant la publication du présent arrêté, ni aux droits acquis par des tiers à la suite de ceux-ci. L’article 8 n’appelle aucun commentaire. Nous avons l’honneur d’être, Sire, de Votre Majesté, les très respectueux et très fidèles serviteurs, Vice-Première Ministre et Ministre du Budget et de la Protection de la Consommation, Mme F. VAN DEN BOSSCHE Le Secrétaire d’Etat aux Entreprises Publiques, B. TUYBENS AVIS 41.456/4 DE LA SECTION DE LEGISLATION DU CONSEIL D’ETAT Le Conseil d’Etat, section de législation, quatrième chambre, saisi par le Secrétaire d’Etat aux Entreprises publiques, adjoint à la Vice Première Ministre et Ministre du Budget et de la Protection de la Consommation, le 10 octobre 2006, d’une demande d’avis, dans un délai de cinq jours ouvrables, sur un projet d’arrêté royal ″modifiant les structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire″, a donné le 16 octobre 2006 l’avis suivant : Suivant l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2/, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat, inséré par la loi du 4 août 1996 et remplacé par la loi du 2 avril 2003, la demande d’avis doit spécialement indiquer les motifs qui en justifient le caractère urgent. 68429BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE In het onderhavige geval luidt de motivering in de brief met de adviesaanvraag als volgt : « [...] Dit verzoek om spoedbehandeling wordt gemotiveerd door de noodzaak om binnen de door Eurostat gestelde termijn tegemoet te komen aan de technische en statistische opmerkingen die voortvloeien uit de «ex ante» procedure betreffende de hervorming van de beheersstructuren van de Belgische spoorweginfrastructuur. » Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het vervangen is bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördi neerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Het aldus onderzochte ontwerp geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen. Voorafgaande vormvereiste Op de vraag naar het bestaan van een verplichting om, voor zover het gaat om overheidssteun, kennis te geven van het ontwerp van koninklijk besluit dat ter fine van onderzoek aan de Raad van State is voorgelegd, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord : « Naar ons oordeel betreft het enkel een technische correctie die geenszins terugkomt op oorspronkelijke hervormingen die grondig met de Commissie zijn besproken. Het KB versterkt enkel de autonomie van het Fonds waaraan de schulden zijn toegekend. Deze werd overigens besproken met de Commissie. Stricto sensu slaat artikel 9 van richtlijn 91/440 overigens enkel op maatregelen genomen ten voordele van spoorwegondernemingen, i.e. waarvan de voornaamste activiteiten bestaat in het verlenen van spoorwegvervoersdiensten. Dit is niet het geval voor het Fonds voor Spoorweginfrastructuur. Vermits er geen nieuwe maatregelen ter financiële sanering van de ″oude NMBS″, noch ten aanzien van de ″nieuwe NMBS″ worden genomen, oordelen we dat het KB niet onder toepassing valt van vermeld artikel 9. » Binnen de korte termijn die haar is toegemeten om een advies te geven, heeft de afdeling wetgeving de relevantie van dat antwoord niet kunnen onderzoeken. Rechtsgrond Algemene opmerkingen 1. De opbouw van het ontwerp dient grondig te worden herzien, rekening houdend met de volgende opmerkingen. a) Het geheel van op zichzelf staande bepalingen in het ontwerp moet gescheiden worden van de wijzigingsbepalingen. Fundamenteler nog zou het verkieslijk zijn om, met uitzondering natuurlijk van de bepaling omtrent de inwerkingtreding en de uitvoeringsbepaling, geen op zichzelf staande bepalingen te behouden in het ontwerp. b) De wijzigingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven moeten worden aangegeven volgens de volgorde op nummer van de artikelen van deze wet (1). c) Het ontworpen artikel 240, eerste zin, van de voornoemde wet van 21 maart 1991 dient te worden weggelaten en vervangen door een rechtstreekse wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. 2. Volgens de gemachtigde ambtenaar is artikel 1 verantwoord doordat krachtens artikel 1, §§ 1 en 3, van de voormelde wet van 21 maart 1991 het plaatsen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van een instelling op de lijst vervat in paragraaf 4 eerst mogelijk is met ingang van de datum van inwerking treding van het eerste beheerscontract. De bedoeling van de steller van het ontwerp bestaat er evenwel in van deze regel af te wijken, aangezien het eerste beheerscontract nog niet gesloten is (2). Die bepaling is overbodig. Het beoogde resultaat wordt immers bereikt door de werking van de artikelen 4 en 7 van het ontwerp samen; zulks geldt evenwel onder voorbehoud van de bijzondere opmerking die bij artikel 4 zal worden gemaakt. Bijgevolg dient artikel 1 te vervallen (3). En l’occurrence, cette motivation, telle qu’elle figure dans la lettre de demande d’avis, est la suivante : « [...] Dit verzoek om spoedbehandeling wordt gemotiveerd door de noodzaak om binnen de door Eurostat gestelde termijn tegemoet te komen aan de technische en statistische opmerkingen die voortvloeien uit de «ex ante» procedure betreffende de hervorming van de beheersstructuren van de Belgische spoorweginfrastructuur. » Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2/, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat, tel qu’il est remplacé par la loi du 2 avril 2003, la section de législation limite son examen au fondement juridique du projet, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées. Le projet ainsi examiné appelle les observations ci-après. Formalité préalable Interrogé quant à l’existence d’une obligation de notifier, au titre d’aide d’Etat, le projet d’arrêté royal soumis à l’examen du Conseil d’Etat, le délégué du ministre a répondu ce qui suit : « Naar ons oordeel betreft het enkel een technische correctie die geenszins terugkomt op oorspronkelijke hervormingen die grondig met de Commissie zijn besproken. Het KB versterkt enkel de autonomie van het Fonds waaraan de schulden zijn toegekend. Deze werd overigens besproken met de Commissie. Stricto sensu slaat artikel 9 van richtlijn 91/440 overigens enkel op maatregelen genomen ten voordele van spoorwegondernemingen, i.e. waarvan de voornaamste activiteiten bestaat in het verlenen van spoorwegvervoersdiensten. Dit is niet het geval voor het Fonds voor Spoorweginfrastructuur. Vermits er geen nieuwe maatregelen ter financiële sanering van de ″oude NMBS″, noch ten aanzien van de ″nieuwe NMBS″ worden genomen, oordelen we dat het KB niet onder toepassing valt van vermeld artikel 9. » Dans le bref délai qui lui est imparti pour donner son avis, la section de législation n’a pas pu examiner la pertinence de cette réponse. Fondement légal Observations générales 1. La structure du projet doit être fondamentalement revue en tenant compte des observations suivantes. a) Il faut séparer l’ensemble des dispositions autonomes contenues dans le projet des dispositions modificatives. Plus fondamentalement, il serait préférable, à l’exception bien entendu du fixant vigueur et de l’exécutoire, de ne pas maintenir de dispositions autonomes dans le projet. b) Les modifications de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques doivent être présentées dans l’ordre numérique des articles de cette loi (1). c) L’article 240, première phrase, en projet de la loi du 21 mars 1991 précitée doit être omis et remplacé par une modification directe du Code des impôts sur le revenu. 2. Selon le fonctionnaire délégué, l’article 1er se justifie par le fait qu’en vertu de l’article 1er, §§ 1er et 3, de la loi du 21 mars 1991 précitée, le classement, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, d’un organisme dans la liste du paragraphe 4 ne peut se faire qu’à partir de la date d’entrée en vigueur du premier contrat de gestion. Toutefois la volonté de l’auteur du projet est de déroger à cette règle, le premier contrat de gestion n’étant pas encore conclu (2). Cette disposition est inutile. En effet, le résultat recherché est obtenu par la combinaison des articles 4 et 7 du projet, ceci sous réserve de l’observation particulière qui sera formulée sous l’article 4. En conséquence l’article 1er doit être omis (3). 68430 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bijzondere opmerkingen Aanhef Er behoort te worden nagegaan welke wijzigingen die artikel 1, § 4, van de voornoemde wet van 21 maart 1991 heeft ondergaan nu nog gelden. De wijziging die bij het koninklijk besluit van 30 september 1992 is ingevoerd, is vervangen door die welke bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 tot stand is gebracht. Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 4 van het ontwerp (4). Dispositief Artikel 2 Ontworpen artikel 234 van de wet van 21 maart 1991 Krachtens het ontworpen artikel 234 is het FSI niet onderworpen aan titel I, hoofdstuk VIII, van de voormelde wet van 21 maart 1991, welk hoofdstuk betrekking heeft op het personeel. In het verslag aan de Koning wordt als reden voor die afwijking opgegeven dat ″het bij de beperkte omvang van het personeel van het Fonds niet aangewezen (is) om een afzonderlijk personeels- en syndicaal statuut te bepalen en een eigen paritair comité in te richten″. Met het oog op de rechtszekerheid behoort in het ontwerp te worden aangegeven of het personeel van het FSI in dienst zal worden genomen op basis van een arbeidsovereenkomst of overeenkomstig een statuut en, in laatstgenoemd geval wat het toepasselijke statuut zal zijn. Ontworpen artikel 237 van de wet van 21 maart 1991 1. Het lijkt tegenstrijdig dat in de ontworpen paragraaf 1 bepaald wordt dat de jaarlijkse toelage verstrekt wordt ″binnen de grenzen bepaald in het beheerscontract″, terwijl in paragraaf 2 de berekenings wijze van die jaarlijkse toelage wordt voorgeschreven. 2. De jaarlijkse toelage aan het FSI komt overeen met het verschil tussen een aantal uitgaande kasstromen en een aantal inkomende kasstromen. De afdeling wetgeving van de Raad van State vraagt zich af of niet alleen rekening behoeft te worden gehouden met de uitgaande en inkomende kasstromen verbonden aan de opdracht van openbare dienst van het FSI en niet met die welke betrekking hebben op de overige activiteiten ervan. Ze heeft meer bepaald vragen in verband met het feit dat in geval van omzetting van het FSI in een naamloze vennootschap, een redelijke marge voor de vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal door een toelage zal worden gefinancierd. Deze bepaling maakt op zijn minst een gedetailleerde verantwoor ding in het verslag aan de Koning noodzakelijk. Ontworpen artikel 239 van de voormelde wet van 21 maart 1991 Het staat aan de wetgever het plafond vast te stellen ten belope waarvan de staatswaarborg kan worden toegekend voor de verbinte nissen van het FIS, gelet op de weerslag van deze waarborg op de rijksbegroting (5) Ontworpen artikel 241 van de voornoemde wet van 21 maart 1991 In de ontworpen paragraaf 1 moeten de woorden ″niet-uitvoerende bestuurders″ worden vervangen door de woorden ″bestuurders die geen lid zijn van het directiecomité″. Artikel 4 Ontworpen artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 1. Doordat de in onderdeel 1° voorgestelde wijziging niet uitsluitend op het FIS betrekking heeft, maar op alle autonome overheidsbedrijven, wordt de machtiging overschreden die bij artikel 363 van de voormelde wet van 20 juli 2006 wordt verleend. Observations particulières Préambule Il y a lieu de vérifier les modifications encore en vigueur subies par l’article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 précitée. La modification introduite par l’arrêté royal du 30 septembre 1992 a été remplacée par celle introduite par l’arrêté royal du 18 octobre 2004. La même observation vaut pour l’article 4 du projet (4). Dispositif Article 2 Article 234 en projet de la loi du 21 mars 1991 En vertu de l’article 234, en projet, le FIF n’est pas soumis au chapitre VIII du titre premier de la loi du 21 mars 1991 précitée qui concerne le personnel. Le rapport au Roi explique cette dérogation par le fait qu’″en raison de l’effectif de personnel limité du Fonds, il n’est pas indiqué de définir un statut du personnel et un statut syndical distincts ni d’instituer une commission paritaire propre″. Il appartient dans un but de sécurité juridique de préciser dans le projet si le personnel du FIF sera engagé sous contrat ou sous statut et, dans ce dernier cas, quel sera le statut applicable. Article 237 en projet de la loi du 21 mars 1991 1. Il semble contradictoire de prévoir, au paragraphe 1er, en projet, que la dotation est accordée ″dans les limites prévues par le contrat de gestion″ et, au paragraphe 2, de prévoir le mode de calcul de cette dotation. 2. La dotation du FIF correspond à la différence entre un certain nombre de sorties de caisse et un certain nombre d’entrées de caisse. La section de législation du Conseil d’Etat se demande s’il ne conviendrait pas de prendre en considération uniquement les sorties et les entrées liées à la mission de service public du FIF et non à ses autres activités. Elle s’interroge spécialement sur le fait qu’en cas de transformation du FIF en société anonyme une marge équitable destinée à rémunérer le capital investi sera financée par la dotation. Cette disposition nécessite, à tout le moins, une justification détaillée dans le rapport au Roi. Article 239 en projet de la loi du 21 mars 1991 précitée Il appartient au législateur de fixer le plafond à concurrence duquel la garantie de l’Etat peut être octroyée aux engagements du FIF, eu égard à l’incidence de cette garantie sur le budget de l’Etat (5). Article 241 en projet de la loi du 21 mars 1991 précitée Au paragraphe 1er en projet, il y a lieu de remplacer les mots ″administrateurs non exécutifs″ par les mots ″administrateurs qui ne sont pas membres du comité de direction″. Article 4 Article 1er, § 4, en projet de la loi du 21 mars 1991 1. Dès lors que la modification proposée au 1° ne concerne pas uniquement le FIF mais l’ensemble des entreprises publiques autono mes, elle excède l’habilitation conférée par l’article 363 de la loi du 20 juillet 2006 précitée. 68431BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 2. Gelet op algemene opmerking nr. 2, dient in artikel 1 van de voornoemde wet van 21 maart 1991 een nieuwe paragraaf 5 te worden toegevoegd waarin het Fonds voor Spoorweginfrastructuur als auto noom overheidsbedrijf wordt vermeld, in plaats van een onderdeel 5° in te voegen in paragraaf 4 van hetzelfde artikel. De kamer was samengesteld uit : de heren : R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State. P. LIENARDY, P. VANDERNOOT, staatsraden. Mevr. C. GIGOT, griffier. Het verslag werd uitgebracht door de H. A. LEFEBVRE, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. P. VANDERNOOT. De Griffier, De Eerste Voorzitter, C. GIGOT. R. ANDERSEN. Nota’s (1) Raad van State, Wetgevingstechniek. Aanbevelingen en formu les, november 2001, nr. 8.6.14. (2) En a fortiori was dat contract nog niet gesloten op 1 januari 2005, de datum met ingang waarvan het besluit uitwerking heeft. (3) Voor zover in artikel 1 wordt bepaald dat de indeling bij de autonome overheidsbedrijven ingaat vanaf de oprichting van het Fonds voor Spoorweginfrastructuur, is die bepaling hoe dan ook onwettig, aangezien de terugwerking die aan dat artikel wordt gegeven, krach tens artikel 363 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, niet verder terug kan reiken dan tot 1 januari 2005. (4) In de Franse tekst van dit artikel 4 behoort de nummering ″§ 1er″ te worden geschrapt. (5) In dezelfde zin, zie advies 24.108/9 gegeven op 8 maart 1995 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 6 april 1995 betreffende het beheer van psychiatrische ziekenhuizen in het Waalse Gewest (Gedr. St., Waalse Gewestraad, 1994-1995, nr. 332/1), advies 29.782/2, gegeven op 17 januari 2000 over een voorontwerp van decreet betreffende de toekenning van een waarborg van het Gewest aan bepaalde bedrijven die door de dioxinecrisis van 1999 werden getroffen, welk voorontwerp heeft geleid tot het decreet van 24 maart 2000 waarbij een waarborg van het Gewest wordt verleend aan bepaalde bedrijven die door de dioxinecrisis van 1999 werden getroffen (Gedr. St., Waalse Gewestraad, 1999-2000, nr. 87/1) en advies 33.120/2, gegeven op 24 april 2002 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 11 juli 2002 houdende organisatie van het statuut van de Waalse maatschappij voor de financiering en de waarborg van de kleine en middelgrote ondernemingen, afgekort als ″SOWALFIN″ (Gedr. St., Waalse Gewestraad, 2001-2002, nr. 371/1, blz. 19-25). Zie eveneens advies 30.997/2, gegeven op 11 december 2000, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, over een voorontwerp dat heeft geleid tot de ordonnantie van 28 juni 2001 betreffende het Fonds voor de financiering van het waterbeleid (Gedr. St., BHR, 2000-2001, nr. A-175/1, blz. 12-15). 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, inzonderheid op artikel 363, 1° en 4°; Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, inzonderheid artikel 1, § 4, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1992, 14 septem ber 1992, 25 augustus 1998, 27 mei 2004 en 18 oktober 2004, en artikel 200, § 4; Gelet op het koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot hervorming van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur, inzonderheid artikel 6, artikel 7, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 okto ber 2004, artikelen 8, 9, 10, eerste lid, 11, 12 en 13 en artikel 14, § 5, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 oktober 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 4 oktober 2006; Gelet op het advies 41.456/4 van de Raad van State, gegeven op 16 oktober 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; 2. Compte tenu de l’observation générale n° 2, il y a lieu d’ajouter dans l’article 1er de la loi précitée du 21 mars 1991, un paragraphe 5 nouveau mentionnant le Fonds de l’infrastructure ferroviaire comme entreprise publique autonome au lieu d’insérer un 5° dans le paragra phe 4 du même article. La chambre était composée de : MM. : R. ANDERSEN, premier président du Conseil d’Etat. P. LIENARDY, P. VANDERNOOT, conseillers d’Etat. Mme C. GIGOT, greffier. Le rapport a été présenté par M. A. LEFEBVRE, auditeur. Le Greffier, Le Premier Président, C. GIGOT. R. ANDERSEN. Notes (1) Conseil d’Etat, Légistique Formelle. Recommandations et Formu les, novembre 2001, n° 8.6.14. (2) Et, a fortiori, il n’était pas encore conclu le 1er janvier 2005, date à laquelle le projet produit ses effets. (3) En toute hypothèse, l’article 1er, en tant qu’il prévoit que le classement parmi les entreprises publiques autonomes a lieu dès la création du Fond de l’infrastructure ferroviaire, est illégal, l’effet rétroactif donné à cet article ne pouvant aller, en vertu de l’article 363 de la loi du 20 juillet 2006 portant des dispositions diverses, en deça du 1er janvier 2005. (4) Dans la version française de cet article 4, il y a lieu de supprimer la numérotation ″§ 1er″. (5) Dans le même sens, voir l’avis 24.108/9, donné le 8 mars 1995 sur un avant-projet devenu le décret du 6 avril 1995 relatif à la gestion des hôpitaux psychiatriques de la Région wallonne, (Doc. C.R.W., 1994 1995, n° 332/1), l’avis 29.782/2, donné le 17 janvier 2000 sur un avant-projet de décret relatif à l’octroi d’une garantie de la Région à certaines entreprises touchées par la crise de la dioxine, devenu le décret du 24 mars 2000 relatif à l’octroi d’une garantie de la Région à certaines entreprises touchées par la crise de la dioxine de 1999 (Doc. C.R.W., 1999-2000, n° 87/1) et l’avis 33.120/2, donné le 24 avril 2002 sur un avant-projet devenu le décret du 11 juillet 2002 organisant le statut de la Société Wallonne de Financement et de Garantie des petites et moyennes entreprises en abrégé «SOWALFIN», (Doc. Parl. wal., 2001-2002, n° 371/1, p. 19-25). Voir également l’avis 30.997/2, donné le 11 décembre 2000, dans un délai ne dépassant pas trois jours, sur un avant-projet devenu l’ordonnance du 28 juin 2001 relative au Fonds pour le financement de la politique de l’eau (Doc. Parl. R.B.C., 2000-2001, n° A-175/1, p. 12-15). 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant les structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 20 juillet 2006 portant des dispositions diverses, notamment l’article 363, 1° et 4°; Vu la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, notamment l’article 1er, § 4, modifié par les arrêtés royaux des 19 août 1992, 14 septembre 1992, 25 août 1998, 27 mai 2004 et 18 octobre 2004, et l’article 200, § 4; Vu l’arrêté royal du 14 juin 2004 portant réforme des structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire, notamment l’article 6, l’article 7, modifié par l’arrêté royal du 18 octobre 2004, les articles 8, 9, 10, premier alinéa, 11, 12 et 13 et l’article 14, § 5, inséré par l’arrêté royal du 18 octobre 2004; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 4 octobre 2006; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 4 octobre 2006; Vu l’avis 41.456/4 du Conseil d’Etat, donné le 16 octobre 2006, en application de l’article 84, § 1er, premier alinéa, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Vu l’urgence; 68432 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Overwegende dat de dringende noodzakelijkheid voortvloeit uit de noodzaak om binnen de door Eurostat gestelde termijn tegemoet te komen aan de technische en statistische opmerkingen die voortvloeien uit de « ex ante » procedure betreffende de hervorming van de beheersstructuren van de Belgische spoorweginfrastructuur; Op de voordracht van Onze Minister van Begroting en Consumen tenzaken en de Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, en op het advies van Onze in Raad vergaderde ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Het Fonds voor spoorweginfrastructuur, opgericht bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot hervorming van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur, wordt ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven onderworpen aan de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Art. 2. In dezelfde wet wordt een titel X ingevoegd, die luidt als volgt: « Titel X. Fonds voor spoorweginfrastructuur Art. 234. Het Fonds voor spoorweginfrastructuur, afgekort het « FSI », is een autonoom overheidsbedrijf dat ressorteert onder de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven. Het FSI is onderworpen aan titel I, met uitzondering van de bepalingen van de hoofdstukken VIII, XI en XII en de andere afwijkingen bepaald in deze titel X, doch met dien verstande dat: 1° artikel 36, § 1, van toepassing is op het FSI; 2° de overige bepalingen van hoofdstuk VIII van toepassing worden zodra het FSI meer dan 50 personeelsleden telt. In afwachting daarvan kan het FSI, onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, personeel aanwerven en tewerkstellen onder arbeidsovereenkomst. Art. 235. § 1. Het FSI heeft tot doel: 1° het aanhouden van de spoorweginfrastructuur die aan het FSI is overgedragen met toepassing van artikel 14, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot hervorming van de beheersstructuren van de spoorweginfrastructuur, en de terbeschikkingstelling van deze activa aan de bij of krachtens wet aangeduide spoorweginfrastructuur beheerder in de zin van richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap; 2° het beheer en de tegeldemaking van de terreinen die aan het FSI zijn overgedragen met toepassing van artikel 14, § 1, 1°, van hetzelfde besluit, van buiten gebruik gestelde spoorweginfrastructuur en, in voorkomend geval, van andere onroerende goederen die daartoe aan het FSI worden overgedragen; 3° alle commerciële activiteiten op het gebied van de aankoop en verkoop, het beheer of de financiering van vastgoed welke verenigbaar zijn met zijn opdrachten van openbare dienst. § 2. De taken bedoeld in § 1, 1°, zijn opdrachten van openbare dienst. Art. 236. Het FSI stelt zijn spoorweginfrastructuur ter beschikking van de spoorweginfrastructuurbeheerder op grond van een huurcon tract op lange termijn. Dit contract wordt door de minister bevoegd voor de spoorwegen goedgekeurd. Art. 237. § 1. De Staat verstrekt aan het FSI een jaarlijkse toelage tot dekking van de lasten die voor het FSI voortvloeien uit zijn opdrachten van openbare dienst, en die niet worden gedekt door zijn inkomsten uit de in artikel 235, § 1, 1° en 2°, bedoelde verrichtingen. § 2. De in § 1 bedoelde toelage stemt overeen met het verschil tussen: 1° de uitgaande kasstromen bestaande uit: a) de interesten en terugbetaling van de leningen die op het FSI zijn overgegaan met toepassing van artikel 14, § 1, 2°, van voornoemd koninklijk besluit van 14 juni 2004 of door het FSI zijn uitgegeven of aangegaan tot herfinanciering ervan; b) de noodzakelijke andere uitgaven in verband met de opdrachten van openbare dienst, binnen de grenzen bepaald in het beheerscontract; Considérant que cette urgence découle de la nécessité de tenir compte, dans le délai imparti par Eurostat, des remarques techniques et statistiques découlant de la procédure « ex ante » relative à la réforme des structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire belge; Sur la proposition de Notre Ministre du Budget et de la Protection de la Consommation et du Secrétaire d’Etat aux Entreprises publiques, et de l’avis de Nos ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Le Fonds de l’infrastructure ferroviaire, créé par l’article 6 de l’arrêté royal du 14 juin 2004 portant réforme des structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire, est classé parmi les entreprises publiques autonomes soumises à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. Art. 2. Il est inséré dans la même loi un titre X, rédigé comme suit: « Titre X. Fonds de l’infrastructure ferroviaire Art. 234. Le Fonds de l’infrastructure ferroviaire, en abrégé le « FIF », est une entreprise publique autonome qui relève du ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions. Le FIF est soumis au titre Ier, à l’exception des dispositions des chapitres VIII, XI et XII et des autres dérogations prévues au présent titre X, étant entendu que: 1° l’article 36, § 1er, s’applique au FIF; 2° les autres dispositions du chapitre VIII s’appliqueront dès que le FIF compte plus de 50 membres du personnel. Dans l’intervalle, le FIF peut, aux conditions définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, recruter et employer du personnel en vertu d’un contrat de travail. Art. 235. § 1er. Le FIF a pour objet: 1° la détention de l’infrastructure ferroviaire transférée au FIF en application de l’article 14, § 1er, 1°, de l’arrêté royal du 14 juin 2004 portant réforme des structures de gestion de l’infrastructure ferroviaire, et la mise à disposition de ces actifs au gestionnaire de l’infrastructure ferroviaire, désigné par ou en vertu de la loi, au sens de la directive 91/440/CEE du Conseil du 29 juillet 1991 relative au développement de chemins de fer communautaires; 2° la gestion et la valorisation des terrains transférés au FIF en application de l’article 14, § 1er, 1°, du même arrêté, d’infrastructures ferroviaires désaffectées et, le cas échéant, d’autres biens immeubles qui sont transférés au FIF à cet effet; 3° toutes activités commerciales dans le domaine de l’achat et de la vente, de la gestion ou du financement de l’immobilier qui sont compatibles avec ses missions de service public. § 2. Les tâches visées au § 1er, 1°, constituent des missions de service public. Art. 236. Le FIF met son infrastructure ferroviaire à la disposition du gestionnaire de l’infrastructure ferroviaire sur la base d’un contrat de location à long terme. Ce contrat est approuvé par le ministre qui a les chemins de fer dans ses attributions. Art. 237. § 1er. L’Etat accorde au FIF une dotation annuelle pour la couverture des charges qui découlent pour le FIF de ses missions de service public, et qui ne sont pas couvertes par les revenus des activités visées à l’article 235, § 1er, 1° et 2°. § 2. La dotation visée au § 1er correspond à la différence entre: 1° les sorties de caisse comprenant: a) les intérêts et le remboursement des emprunts qui ont été transférés au FIF en application de l’article 14, § 1er, 2°, de l’arrêté royal du 14 juin 2004 précité ou qui ont été émis ou contractés par le FIF en vue de leur refinancement; b) les autres dépenses nécessaires liées aux missions de service public, dans les limites prévues par le contrat de gestion; 68433BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 2° de inkomende kasstromen bestaande uit: a) de inkomsten uit de in artikel 236 bedoelde verhuring; b) de netto-opbrengsten uit de in artikel 235, § 1, 2°, bedoelde verrichtingen. § 3. Het beheerscontract bepaalt de nadere regels inzake de berekening en de betalingswijze van de in § 1 bedoelde toelage. Deze regels zijn gericht op een optimale beheersing van de kosten, met een daadwerkelijke verantwoordelijkheid van het FSI voor het evenwicht van zijn rekeningen. Art. 238. Onder de nadere voorwaarden bepaald in het beheerscon tract mag het FSI een schuldvordering op de Staat boeken ten belope van uitzonderlijke afschrijvingen op onderdelen van spoorweginfra structuur die in uitvoering van het meerjarig investeringsplan bedoeld in artikel 200, § 2, 1°, vóór de normale afschrijvingstermijn buiten gebruik worden gesteld. Art. 239. De Koning kan, tegen de voorwaarden die Hij bepaalt, de Staatswaarborg toekennen aan de verbintenissen van het FSI ingevolge de leningen bedoeld in artikel 237, § 2, 1° a), of ingevolge overeenkom sten tot dekking van de wisselkoers- en interestrisico’s betreffende deze leningen. Art. 240. Het FSI is vrijgesteld van alle belastingen, heffingen en rechten ten voordele van de provincies, de gemeenten en de agglome raties en federaties van gemeenten. Art. 241. § 1. In afwijking van artikel 18, § 1, bestaat de raad van bestuur van het FSI behalve de gedelegeerd bestuurder enkel uit bestuurders die geen lid zijn van het directiecomité. § 2. Ten minste één derde van de bestuurders van het FSI moet van het andere geslacht zijn dan dat van de andere bestuurders. De bestuurders worden gekozen op grond van de complementariteit van hun competentie inzake financiële analyse, boekhouding, kennis van de vervoersector en juridische aspecten. Art. 242. De leden van de raad van bestuur en van het directiecomité van het FSI moeten onafhankelijk zijn van elke spoorweginfrastructuur beheerder, spoorwegonderneming en de N.M.B.S. Holding volgens de criteria bepaald in artikel 524, § 4, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen. Art. 243. In afwijking van artikel 23 wordt de controlebevoegdheid van de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven, zoals bepaald in hetzelfde artikel, uitgeoefend door bemiddeling van twee Regerings commissarissen. Art. 244. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de voorlopige regels betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 3, § 2, die gelden als eerste beheerscontract voor het FSI tot de inwerkingtreding van het beheerscontract gesloten overeen komstig artikel 4. Art. 245. In geval van omzetting van het FSI in naamloze vennoot schap van publiek recht overeenkomstig artikel 38, mag de Staat, onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een deel van zijn schuldvordering uit hoofde van de terugbetaling van bepaalde leningen van het FSI in 2005, inbrengen in het kapitaal van de FSI ten belope van maximum 750 miljoen euro. » Art. 3. In artikel 1, § 4, van voornoemde wet van 21 maart 1991, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1992, 14 septem ber 1992, 25 augustus 1998, 27 mei 2004 en 18 oktober 2004, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden « overeenkomstig § 3 » vervallen; 2° een 5° wordt toegevoegd, luidende: « 5° het Fonds voor spoorweginfrastructuur ». Art. 4. Artikel 200, § 4, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt: « Tevens raadpleegt de minister het Fonds voor spoorweginfrastruc tuur omtrent de mogelijke implicaties van het ontwerp van meerjarig investeringsplan op het ondernemingsplan van het Fonds, inzonder heid met het oog op de eventuele toepassing van artikel 238. » Art. 5. In artikel 180 van het Wetboek van de inkomstenbelastin gen 1992 wordt een 13° toegevoegd, luidende: « 13° het Fonds voor spoorweginfrastructuur ». 2° les entrées de caisse comprenant: a) les revenus de la location visée à l’article 236; b) les revenus nets des activités visées à l’article 235, § 1er, 2°. § 3. Le contrat de gestion détermine les modalités relatives au calcul et au mode de paiement de la dotation visée au § 1er. Ces modalités visent à réaliser une maîtrise optimale des coûts, en prévoyant une responsabilité effective du FIF de l’équilibre de ses comptes. Art. 238. Selon les modalités définies dans le contrat de gestion, le FIF peut comptabiliser une créance sur l’Etat à concurrence des amortisse ments exceptionnels sur des parties d’infrastructure ferroviaire qui, en application du plan d’investissement pluriannuel visé à l’article 200, § 2, 1°, sont désaffectées avant la durée normale d’amortissement. Art. 239. Le Roi peut, aux conditions qu’Il détermine, accorder la garantie de l’Etat aux obligations du FIF en vertu des emprunts visés à l’article 237, § 2, 1° a), ou en vertu de conventions visant à couvrir les risques de change ou de taux d’intérêt afférents à ces emprunts. Art. 240. Le FIF est exempt de tous impôts, taxes et droits au profit des provinces, communes et agglomérations et fédérations de commu nes. Art. 241. § 1er. Par dérogation à l’article 18, § 1er, le conseil d’administration du FIF est, sauf l’administrateur délégué, composé uniquement d’administrateurs qui ne sont pas membres du comité de direction. § 2. Un tiers des administrateurs au moins du FIF doivent être de sexe différent que les autres administrateurs. Les administrateurs sont choisis en fonction de la complémentarité de leurs compétences en matière d’analyse financière, de comptabilité, de connaissance du secteur du transport et de questions juridiques. Art. 242. Les membres du conseil d’administration et du comité de direction du FIF doivent être indépendants de tout gestionnaire de l’infrastructure ferroviaire, de toute entreprise ferroviaire et de la S.N.C.B. Holding selon les critères définis à l’article 524, § 4, alinéa 2, du Code des sociétés. Art. 243. Par dérogation à l’article 23, le pouvoir de contrôle du ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions, comme défini dans le même article, est exercé à l’intervention de deux Commissaires du gouvernement. Art. 244. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les règles provisoires relatives aux matières visées à l’article 3, § 2, qui valent comme premier contrat de gestion du FIF jusqu’à l’entrée en vigueur du contrat de gestion conclu conformément à l’article 4. Art. 245. En cas de transformation du FIF en société anonyme de droit public conformément à l’article 38, l’Etat peut, aux conditions détermi nées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, apporter une partie de sa créance du chef du remboursement de certains emprunts du FIF en 2005, au capital du FIF, et ce à concurrence de maximum 750 millions euros. » Art. 3. A l’article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 précitée, modifiée par les arrêtés royaux des 19 août 1992, 14 septembre 1992, 25 août 1998 et 27 mai 2004 et 18 octobre 2004, sont apportées les modifications suivantes: 1° les mots « conformément au § 3 » sont supprimés; 2° il est inséré un 5°, rédigé comme suit: « 5° le Fonds de l’infrastructure ferroviaire ». Art. 4. L’article 200, § 4, de la même loi est complété comme suit: « De plus, le ministre consultera le Fonds de l’infrastructure ferroviaire concernant les implications possibles du projet de plan d’investisse ment pluriannuel sur le plan d’entreprise du Fonds, notamment en vue de l’application éventuelle de l’article 238. » Art. 5. A l’article 180 du Code des impôts sur les revenus 1992, il est ajouté un 13°, rédigé comme suit. « 13° le Fonds de l’infrastructure ferroviaire ». 68434 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 6. In voornoemd koninklijk besluit van 14 juni 2004 worden opgeheven: 1° de artikelen 6, 8, 9, 10, eerste lid, 11, 12 en 13; 2° artikel 7, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004; 3° artikel 14, § 5, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 okto ber 2004. Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2005. Dit doet geen afbreuk aan de geldigheid van de handelingen die het Fonds voor spoorweginfrastructuur heeft gesteld vóór de bekendma king van dit besluit, noch aan de rechten die derden daaruit hebben verkregen. Art. 8. Onze Minister van Begroting en de Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoe ring van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 november 2006. ALBERT Van Koningswege : Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Consumentenzaken, Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE De Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, B. TUYBENS * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2006/12430]N. 2006 — 4902 15 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 november 2005, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisa tie, houdende diverse bepalingen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 24 november 2005, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothe caire leningen, sparen en kapitalisatie, houdende diverse bepalingen. Art. 2. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 15 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota’s (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Art. 6. Sont abrogés dans l’arrêté royal du 14 juin 2004 précité: 1° les articles 6, 8, 9, 10, premier alinéa, 11, 12 et 13; 2° l’article 7, modifié par l’arrêté royal du 18 octobre 2004; 3° l’article 14, § 5, inséré par l’arrêté royal du 18 octobre 2004. Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2005. Ceci ne porte pas atteinte à la validité des actes accomplis par le Fonds de l’infrastructure ferroviaire avant la publication du présent arrêté, ni aux droits que des tiers en ont acquis. Art. 8. Notre Ministre du Budget et le Secrétaire d’Etat aux Entre prises publiques sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 10 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Vice-Première Ministre et Ministre du Budget et de la Protection de la Consommation, Mme F. VAN DEN BOSSCHE Le Secrétaire d’Etat aux Entreprises Publiques, B. TUYBENS SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2006/12430]F. 2006 — 4902 15 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 24 novembre 2005, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, portant des dispositions diverses (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 24 novembre 2005, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épar gne et de capitalisation, portant des dispositions diverses. Art. 2. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 15 septembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Notes (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. 68435BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bijlage Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie Collectieve arbeidsovereenkomst van 24 november 2005 Diverse bepalingen (Overeenkomst geregistreerd op 23 februari 2006 onder het nummer 78816/CO/308) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers van de ondernemingen die ressorte ren onder het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothe caire leningen, sparen en kapitalisatie. Onder ″werknemers″ wordt verstaan : het mannelijk en vrouwelijk werklieden-, bediende- en kaderpersoneel. HOOFDSTUK II. — Arbeidsorganisatie Art. 2. § 1. De werkgevers verbinden zich ertoe : 1° slechts overuren te doen presteren wanneer dit absoluut nood zakelijk is; 2° de wettelijke voorzieningen inzake procedure en inzake toeken ning van inhaalrust en betaling van overloon na te leven; 3° jaarlijks de ondernemingsraad te informeren over het aantal gepresteerde uren in de onderneming. Indien er in de onderneming geen ondernemingsraad bestaat zal deze informatie worden verstrekt aan het comité voor de preventie en de bescherming op het werk of zo dit niet bestaat aan de vakbondsafvaardiging; 4° in geval structurele overuren worden vastgesteld op basis van voornoemde informatie, alternatieve oplossingen te zoeken in overleg met de werknemersvertegenwoordiging in de betrokken overlegorga nen. § 2. Volgende afspraken worden gemaakt inzake controle op de werktijden : 1° overuren dienen zoveel mogelijk vermeden te worden, vooral als het om structurele overuren gaat; 2° de hiërarchie moet zorgen voor aanwezigheidsregistratie of voor vaste uurroosters, volgens per onderneming te bepalen modaliteiten; 3° werkoverleg en zendingen buiten de onderneming gelden als arbeidstijd; 4° overuren om een buitengewone vermeerdering van het werk op te vangen mogen slechts gepresteerd worden met akkoord van de vakbondsafvaardiging; 5° overuren die door een onvoorziene noodzakelijkheid vereist worden, mogen slechts gepresteerd worden mits het voorafgaand akkoord van de vakbondsafvaardiging of, indien de werkgever door de omstandigheden in de onmogelijkheid is het akkoord te vragen, mits mededeling en rechtvaardiging achteraf; 6° in de ondernemingen waar een systeem van flexibele werktijden van toepassing is, moeten een minimum aantal bepalingen vastgelegd worden, die deel zullen uitmaken van het arbeidsreglement of er een bijlage van zullen vormen. Deze bepalingen zullen met name handelen over : — de kerntijden tijdens dewelke de personeelsleden verplicht aan het werk moeten zijn; — de glijtijden die bepaald worden door een boven- en een ondergrens buiten de kerntijden; — een regeling bij te laat komen ingevolge overmacht; — het maximum aantal uren dat de werknemer op het einde van de maand (of een andere referentieperiode) minder mag gepresteerd hebben dan de minimaal verplicht te presteren arbeidstijd; — het aantal uren per maand (of andere referentieperiode) die naar een volgende maand (of andere referentieperiode) kunnen worden overgedragen en de modaliteiten volgens welke deze uren in compen satiedagen kunnen worden omgezet. Art. 3. De personen die met een leidende functie of met een vertrouwensfunctie bekleed zijn, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 10 februari 1965, zijn niet onderworpen aan de bepalingen inzake maximum arbeidsduur en overuren. Annexe Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation Convention collective de travail du 24 novembre 2005 Dispositions diverses (Convention enregistrée le 23 février 2006 sous le numéro 78816/CO/308) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises qui relèvent de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épar gne et de capitalisation. Par ″travailleurs″, on entend : le personnel ouvrier, employé et cadre, masculin et féminin. CHAPITRE II. — Organisation du travail Art. 2. § 1er. Les employeurs s’engagent à : 1° ne faire prester des heures supplémentaires que lorsque c’est absolument nécessaire; 2° respecter les dispositions légales en matière de procédure et en matière d’octroi de repos compensatoire et de paiement de supplé ments de salaire; 3° informer tous les ans le conseil d’entreprise à propos du nombre d’heures prestées dans l’entreprise. S’il n’existe pas de conseil d’entre prise au sein de l’entreprise, ces informations seront communiquées au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale; 4° au cas où des heures supplémentaires structurelles seraient constatées à la lumière des informations en question, chercher des solutions alternatives en concertation avec les délégués du personnel au sein des organes de concertation concernés. § 2. Les accords suivants sont pris en matière de contrôle du temps de travail : 1° les heures supplémentaires doivent être évitées dans la mesure du possible, surtout s’il s’agit d’heures supplémentaires structurelles; 2° la hiérarchie doit se charger de l’enregistrement des présences ou prévoir des horaires fixes, selon des modalités à définir par entreprise; 3° les concertations et les missions en dehors de l’entreprise sont considérées comme du temps de travail; 4° les heures supplémentaires destinées à faire face à un surcroît de travail inhabituel ne peuvent être prestées qu’avec l’accord de la délégation syndicale; 5° les heures supplémentaires nécessaires pour des raisons impré vues ne peuvent être prestées qu’avec l’accord préalable de la délégation syndicale ou, si l’employeur se trouve dans l’impossibilité de demander cet accord en raison des circonstances, moyennant une communication et une justification ultérieure; 6° dans les entreprises où un système de temps de travail flexible est appliqué, un nombre minimum de dispositions doivent être fixées et faire partie du règlement de travail ou en constituer une annexe. Ces dispositions auront notamment pour objet : — les périodes fixes au cours desquelles les membres du personnel doivent obligatoirement se trouver au travail; — les périodes variables qui sont déterminées par une limite inférieure et une limite supérieure, en dehors des périodes fixes; — des dispositions quant aux retards dus à des raisons de force majeure; — le nombre maximum d’heures que le travailleur peut avoir prestées en moins à la fin du mois (ou une autre période de référence), par rapport au temps de travail qui doit être accompli normalement; — le nombre d’heures par mois (ou autre période de référence) qui peuvent être reportées à un mois suivant (ou à une autre période de référence) et les modalités selon lesquelles ces heures peuvent être converties en jours de repos compensatoire. Art. 3. Les personnes qui exercent des fonctions de direction ou de confiance, selon les dispositions de l’arrêté royal du 10 février 1965, ne sont pas concernées par les dispositions en matière de durée maximale du travail et d’heures supplémentaires. 68436 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK III. — Diverse bepalingen Art. 4. De sociale partners binnen het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie zijn bereid om in de loop van 2006 de opportuniteit tot het ontwikkelen van een sectoraal initiatief inzake aanvullend pensioen binnen een werk groep te onderzoeken. Eén en ander dient in het kader van de wet op het aanvullend pensioen te worden bekeken. Art. 5. In de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 oktober 2005 houdende het akkoord 2005-2006 wordt na artikel 6 volgend artikel 6bis ingevoegd : « Art. 6bis. Brugpensioen De partijen verbinden zich ertoe om in een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst, die zal gelden tussen 1 januari 2008 en 31 decem ber 2008, voltijds conventioneel brugpensioen vanaf 58 jaar en halftijds conventioneel brugpensioen vanaf 56 jaar mogelijk te maken. ». HOOFDSTUK IV. — Slotbepalingen Art. 6. De partijen verbinden zich ertoe tijdens de duur van deze collectieve arbeidsovereenkomst geen bijkomende eisen te stellen over de punten die in deze overeenkomst voorkomen. Art. 7. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2005 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2006. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 15 september 2006. De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2006/12435]N. 2006 — 4903 24 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2005, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de organisatie van opleidings- en tewerk stellingsstelsels voor 2005 tot 2009 (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2005, geslo ten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de organisatie van opleidings- en tewerkstellingsstelsels voor 2005 tot 2009. Art. 2. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 24 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. CHAPITRE III. — Dispositions diverses Art. 4. Les partenaires sociaux au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation sont prêts à examiner dans le courant de 2006 l’opportunité de mettre au point au sein d’un groupe de travail une initiative sectorielle concernant les pensions complémentaires. Le tout doit être examiné dans le cadre de la loi sur les pensions complémentaires. Art. 5. Dans la convention collective de travail du 26 octobre 2005 portant l’accord 2005-2006, l’article 6bis suivant est inséré après l’article 6 : « Art. 6bis. Prépension Les parties s’engagent à permettre dans une convention collective de travail sectorielle, qui sera en vigueur entre le 1er janvier 2008 et le 31 décembre 2008, la prépension conventionnelle à plein temps à partir de 58 ans et la prépension conventionnelle à mi-temps à partir de 56 ans. ». CHAPITRE IV. — Dispositions finales Art. 6. Les parties s’engagent à ne pas poser d’exigences supplémen taires à propos des points faisant l’objet de la présente convention au cours de la durée de cette convention collective de travail. Art. 7. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 2005 et le restera jusqu’au 31 décembre 2006. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 15 septembre 2006. Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2006/12435]F. 2006 — 4903 24 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 24 juin 2005, conclue au sein de la Commission paritaire de la construction, relative à l’organisation des régimes de formation et d’emploi pour les années 2005 à 2009 (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire de la construction; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 24 juin 2005, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire de la construction, relative à l’organisation des régimes de formation et d’emploi pour les années 2005 à 2009. Art. 2. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 24 septembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. 68437BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bijlage Paritair Comité voor het bouwbedrijf Collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2005 Organisatie van opleidings- en tewerkstellingsstelsels voor 2005 tot 2009 (Overeenkomst geregistreerd op 2 september 2005 onder het nummer 76253/CO/124) TITEL I. — Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied, referenties en definities Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers van de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf ressorteren en op de arbeiders die zij tewerkstel len. Onder ″arbeiders″ wordt verstaan : de arbeiders en arbeidsters. Art. 2. § 1. Deze overeenkomst organiseert en regelt volgende regelingen ter bevordering van de opleiding en de tewerkstelling : — de regeling van het bouwleerlingwezen; — de peterschapsregeling; — de regeling van de opleidingsplanning; — der regeling van de opleiding van korte duur; — de regeling van de veiligheidsopleiding. § 2. Deze overeenkomst bepaalt en organiseert volgende bijkomende initiatieven ter bevordering van de opleiding en de tewerkstelling : — de herwaardering van de sectorale opleidingen en de ontwikke ling van specifieke opleidingsprogramma’s; — de specifieke ondersteuningsmaatregelen voor de inschakeling van de specifieke ″risicogroepen″; — de promotie van de sectorale opleidings- en tewerkstellingsrege lingen en de reorganisatie van de acties van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ op lokaal vlak. § 3. Deze overeenkomst belet niet dat andere regelingen of instru menten ter bevordering van de opleiding en de tewerkstelling worden toegepast door de ondernemingen bedoeld in artikel 1. Op voorstel van de gewestelijke oriëntatiegroepen van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ kan de raad van bestuur van het fonds bovendien beslissen om instrumenten of initiatieven voor opleiding en tewerkstelling uitgaand van de gewestelijke of gemeen schapsoverheden te erkennen als gelijkwaardig of complementair met de regelingen bedoeld in § 1. HOOFDSTUK II. — Algemene financieringsregels Art. 3. De werking van de opleidings- en tewerkstellingsregelingen, bepaald bij titel II, III en IV van deze overeenkomst, wordt, gewaar borgd door de bijdrage van 0,40 pct. overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 mei 2005 tot vaststelling van de bijdrage aan het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ en door een jaarlijkse bijkomende financiering van 6.240.000 EUR. Deze bijkomende financiering is vastgesteld voor een periode van 2 jaar die ingaat op 1 juli 2005. Art. 4. De raad van bestuur van het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf″ bepaalt : — de manier waarop de in artikel 3 bedoelde bijkomende financie ring in de begroting van het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf″ wordt opgenomen; — de wijze waarop een gedeelte van de bij artikel 3 bedoelde bijkomende financiering ter beschikking wordt gesteld van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. Art. 5. § 1. De in artikel 3 bepaalde bijkomende financiering is niet van toepassing voor de kosten van de theoretische opleidingen die in het kader van de bij hoofdstuk I van titel II van deze overeenkomst bedoelde stelsels worden verstrekt. § 2. Diezelfde financiering is niet van toepassing op de kosten die voortvloeien uit het administratief beheer van het ″Fonds voor vakopleiding inde bouwnijverheid″ van de opleidingsdossiers die worden gereglementeerd door hoofdstuk II van titel II en door titel III van deze overeenkomst. Annexe Commission paritaire de la construction Convention collective de travail du 24 juin 2005 Organisation des régimes de formation et d’emploi pour les années 2005 à 2009 (Convention enregistrée le 2 septembre 2005 sous le numéro 76253/CO/124) TITRE Ier. — Dispositions générales CHAPITRE Ier. — Champ d’application, références et définitions Article 1er. La présente convention collective de travail est applicable aux employeurs et aux ouvriers des entreprises qui ressortissent à la Commission paritaire de la construction. Par ″ouvriers″, on entend : les ouvriers et ouvrières. Art. 2. § 1er. La présente convention a pour objet d’organiser et de réglementer les régimes suivants de promotion de la formation et de l’emploi : — le régime de l’apprentissage; — le régime du parrainage; — le régime de la formation planifiée; — le régime des formations de courte durée; — le régime des formations en matière de sécurité. § 2. La présente convention définit et organise les actions complé mentaires suivantes en faveur de la promotion de la formation et de l’emploi : — la valorisation des formations sectorielles et le développement de programmes spécifiques de formation; — les mesures spécifiques de soutien à l’insertion de ″groupes à risques″ spécifiques; — la promotion des régimes sectoriels de formation et d’emploi et la réorganisation des actions du ″Fonds de formation de la construction″ au plan local. § 3. La présente convention ne fait pas obstacle à l’application par les entreprises visées à l’article 1er d’autres régimes ou instruments en faveur de l’emploi et de la formation. En outre, agissant sur proposition des groupes régionaux d’orienta tion du ″Fonds de formation de la construction″, le conseil d’adminis tration du fonds peut décider de reconnaître comme équivalents ou complémentaires aux régimes visés au § 1er des instruments ou initiatives de formation et d’emploi mis en œuvre par les pouvoirs régionaux ou communautaires. CHAPITRE II. — Règles générales de financement Art. 3. Le fonctionnement des régimes de formation et de l’emploi déterminés par les titres II, III et IV de la présente convention, est assuré par la cotisation de 0,40 p.c. établie par la convention collective de travail du 12 mai 2005 fixant le taux de la cotisation au ″Fonds de formation professionnelle de la construction″ et par un financement complémentaire de 6.240.000 EUR par année. Ce financement complé mentaire est établi pour une durée de 2 ans prenant cours le 1er juillet 2005. Art. 4. Le conseil d’administration du ″Fonds de sécurité d’existence des ouvriers de la construction″ détermine : — les modalités d’inscription au budget du ″Fonds de sécurité d’existence des ouvriers de la construction″ du financement complé mentaire visé à l’article 3; — le mode de mise à la disposition du ″Fonds de formation de la construction″ du financement complémentaire visé à l’article 3. Art. 5. § 1er. Le financement complémentaire défini à l’article 3 ne s’applique pas aux coûts résultant de l’organisation des formations théoriques dispensées dans le cadre des régimes visés au chapitre Ier du titre II de la présente convention. § 2. Ce même financement ne s’applique pas aux coûts résultant de la gestion administrative par le ″Fonds de formation de la construction″ des dossiers de formation réglementés par le chapitre II du titre II et par le titre III de la présente convention. 68438 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ mag alle andere financieringsmiddelen zoeken om de in lid 1 bedoelde taak uit te voeren. Het mag hiertoe beslissen om dossierkosten te vragen en het bedrag ervan te bepalen zonder dat dit meer dan 4,96 EUR mag zijn per uur werkelijk gevolgde opleiding in het kader van de regelingen die door titel III worden georganiseerd en van de theoretische vormingen waarin hoofdstuk II van titel II van deze overeenkomst voorziet. HOODSTUK III. — Promotie van de opleidingscultuur in de ondernemingen Art. 6. De bij deze overeenkomst bepaalde tewerkstellingsbevorde rende regelingen worden paritair georganiseerd en beheerd. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ wordt belast met de paritaire evaluatie van de regelingen ter bevordering van de tewerkstelling en opleiding die door deze overeenkomst worden georganiseerd. Art. 7. De plaatselijke representatieve werkgeversorganisaties krijgen een prioritaire rol toebedeeld bij de promotie van de opleidingscultuur in de ondernemingen bedoeld in artikel 1 en van de bij deze overeenkomst bepaalde opleidings- en tewerkstellingsregelingen. Art. 8. § 1. Om gebruik te kunnen maken van de verschillende opleidings- en tewerkstellingsregelingen die door de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst worden georganiseerd, moet de in artikel 1 bedoelde werkgever de opleidingstabel gebruiken en invullen. Wordt met de opleidingstabel gelijkgesteld de eerste aanvraag om gebruik te kunnen maken van één van de opleidingsstelsels geregeld door deze overeenkomst ingediend door een werkgever bedoeld in artikel 1. § 2. Deze opleidingstabel bedoeld in § 1, wordt verspreid door de lokale werkgeversorganisaties. De werkgever bedoeld in artikel 1 die de tabel heeft ingevuld, moet ze terugsturen naar de lokale werkgever sorganisatie, die de opleidingstabel vervolgens overmaakt aan de bevoegde FVB-regio manager. § 3. De FVB-regio manager neemt contact op met de werkgever om de opleidingsregelingen aangeduid op de opleidingstabel bedoeld in paragraaf 1 op het niveau van de onderneming in werking te stellen en om het opleidingsdossier voor de onderneming samen te stellen. Het opleidingsdossier bevat enkel de opleidingstabel bedoeld in § 1 en een kopie van de documenten nodig voor het in werking stellen van de regelingen aangeduid op de opleidingstabel. § 4. Naar analogie van artikel 8 van de collectieve arbeidsovereen komst nr. 9 van 9 maart 1972, raadpleegt de werkgever de syndicale delegatie omtrent de toepassingsmodaliteiten in de onderneming van de verschillende opleidingsregelingen aangeduid op de opleidingstabel bedoeld in § 1. TITEL II. — Opleiding en tewerkstelling van de jongeren HOOFDTUK I. — Het bouwleerlingwezen Art. 9. Er worden twee specifieke regelingen voor industrieel leerlingwezen georganiseerd in het kader van de bevordering van de tewerkstelling van jongeren overeenkomstig de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst. Het jongerenleerlingwezen (JLW) is voorbehouden aan de jongeren die aan de deeltijdse leerplicht zijn onderworpen. De alternerende bouwopleiding (ABO) richt zich tot jongeren die voldoen aan de voorwaarden van artikel 27 van deze overeenkomst. Afdeling 1. — Gemeenschappelijke bepalingen A. De leerovereenkomst Art. 10. § 1. De leerovereenkomst wordt schriftelijk opgesteld volgens het model van leerovereenkomst dat als bijlage bij deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gevoegd. § 2. De leerovereenkomst bevat de verplichte vermeldingen voorge schreven in artikel 7 van voormelde wet van 19 juli 1983. In de leerovereenkomst wordt tevens vermeld dat ze wordt gesloten ter uitvoering van voormelde wet van 19 juli 1983 en van deze collectieve arbeidsovereenkomst. Art. 11. De leerovereenkomst die gesloten wordt voor de duur van de in het leerreglement bepaalde leertijd, wordt overtekend door de bij artikel 9 bedoelde jongere, de werkgever en het ″Fonds voor vakoplei ding in de bouwnijverheid″. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ est habilité à rechercher tous autres moyens de financement pour exécuter la tâche visée à l’alinéa 1er. Il peut, à cet effet, décider de prélever des frais de dossier et en déterminer le montant sans que celui-ci puisse dépasser 4,96 EUR par heure de formation effectivement suivie dans le cadre des régimes organisés par le titre III et dans le cadre des formations théoriques prévues au chapitre II du titre II de la présente convention. CHAPITRE III. — Promotion de la culture de formation dans les entreprises Art. 6. Les régimes de promotion de l’emploi déterminés par la présente convention sont organisés et gérés de manière paritaire. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ est chargé de l’évaluation paritaire des régimes de promotion de l’emploi et de la formation organisés par la présente convention. Art. 7. Les organisations représentatives des employeurs au plan local ont un rôle prioritaire dans la promotion de la culture de formation dans les entreprises visées à l’article 1er et dans la promotion des régimes de formation et d’emploi déterminés par la présente convention. Art. 8. § 1er. Pour pouvoir accéder aux différents régimes de formation et d’emploi organisés par les dispositions de la présente convention collective de travail, l’employeur visé à l’article 1er est tenu d’utiliser et de compléter le tableau de formation. Est assimilée au tableau de formation la première demande d’accès à l’un des régimes de formation et d’emploi organisés par les dispositions de la présente convention introduite par un employeur visé à l’article 1er. § 2. Le tableau de formation visé au paragraphe 1er est diffusé par les organisations patronales. Lorsqu’il a été complété par l’employeur visé à l’article 1er, ce tableau doit être renvoyé à une organisation patronale locale. Celle-ci transmet le tableau de formation au manager régional du FFC-région compétent. § 3. Le manager régional du FFC-région prend contact avec l’employeur afin de mettre en œuvre au niveau de l’entreprise les régimes de formation désignés dans le tableau formation visé au paragraphe 1er et de constituer le dossier de formation pour l’entre prise. Le dossier de formation contient uniquement le tableau de formation visé au paragraphe 1er et la copie des documents requis par la mise en œuvre des régimes visés par le tableau de formation. § 4. Par analogie à l’article 8 de la convention collective de travail n° 9 du 9 mars 1972, l’employeur consulte la délégation syndicale sur les modalités d’application dans l’entreprise des différents régimes de formation désignés dans le tableau de formation visé au § 1er. TITRE II. — Formation et emploi des jeunes CHAPITRE Ier. — L’apprentissage construction Art. 9. Deux régimes spécifiques d’apprentissage industriels sont organisés dans le cadre de la promotion de l’emploi des jeunes en application de la loi du 19 juillet 1983 sur l’apprentissage de professions exercées par les travailleurs salariés. Le régime de l’apprentissage des jeunes (RAJ) s’adresse aux jeunes qui sont soumis à l’obligation scolaire à temps partiel. Le régime de l’apprentissage construction (RAC) s’adresse aux jeunes qui répondent aux conditions fixées à l’article 27 de la présente convention. Section 1re. — Dispositions communes A. Le contrat d’apprentissage Art. 10. § 1er. Le contrat d’apprentissage est établi par écrit conformément aux modèles de contrats d’apprentissage annexés au règlement d’apprentissage. § 2. Le contrat d’apprentissage comprend les mentions imposées par l’article 7 de la loi du 19 juillet 1983 précitée. Le contrat d’apprentissage mentionne également qu’il est conclu en exécution de la loi du 19 juillet 1983 précitée et de la présente convention collective de travail. Art. 11. Le contrat d’apprentissage, conclu pour la durée de l’apprentissage définie par le règlement d’apprentissage, est signé par le jeune visé à l’article 9, l’employeur, le centre de formation agréé et le ″Fonds de formation de la construction″. 68439BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 12. De duur van de proeftijd is vastgesteld op drie maanden. De eerste maand van de proeftijd gebeurt bij voorrang in de onderneming. Voor de jongeren die voldoen aan de voorwaarden van artikel 27 omvat de proeftijd ten minste twee maanden praktische opleiding in de onderneming. Art. 13. De rechten en plichten voortvloeiend uit de relatie die tot stand komt tussen de leerling en de werkgever worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van de wet van 19 juli 1983. Deze bepalingen worden integraal opgenomen als bijlage bij de leerovereenkomstbouw. Art. 14. De praktische opleiding van de leerjongen wordt toever trouwd aan een geschoolde arbeider in de onderneming die optreedt als verantwoordelijke voor de opleiding. In afwijking van lid 1 treedt de werkgever op als verantwoordelijke voor de opleiding indien : — de onderneming geen arbeiders tewerkstelt; — geen enkele arbeider van de onderneming die nodige bekwaam heid heeft of de functie van verantwoordelijke voor de opleiding wenst uit te oefenen. Voor de verantwoordelijke voor de praktische opleiding is het aanbevolen dat hij een pedagogische opleiding in de begeleiding van jongeren heeft gevolgd. Art. 15. Bij herhaalde ongerechtvaardigde afwezigheden van de leerling tijdens de theoretische opleiding in het erkend opleidingscen trum, beslist het Paritair Leercomité, op voorstel van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, over de toepassing van de in het leerreglement bouw bepaalde sanctie. Art. 16. De collectieve arbeidsovereenkomst van 1 februari 2001 betreffende de arbeidsvoorwaarden van de industriële leerlingen is van toepassing op de werkgevers en op de leerlingen die worden tewerk gesteld in het kader van de regelingen van het bouwleerlingwezen. B. Werking van de stelsels Art. 17. § 1. Het leerreglement stelt de bepalingen inzake het leerlingwezen vast die niet worden geregeld door dit hoofdstuk. § 2. Een bijlage bij het leerreglement vermeldt, per leeftijdscategorie van de jongere, het bedrag van de volgens de bepalingen van artikel 24 en 30 vastgestelde maandelijkse vergoeding. Deze bijlage wordt bij elke aanpassing van het bij artikel 3, b van voormeld koninklijk besluit van 19 augustus 1998 bedoelde gewaarborgd gemiddeld minimum maand inkomen, bijgewerkt. Art. 18. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, dat handelt onder het toezicht van het Paritair Leercomité, is verantwoor delijk voor het opzetten van het bouwleerlingwezen. Art. 19. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ wordt gemachtigd alle handelingen te stellen met betrekking tot de organisatie, het beheer en de paritaire evaluatie van de regeling van het bouwleerlingwezen. Daartoe krijgt het meer bepaald de volgende opdrachten : — overgaan tot de erkenning van de werkgever ter uitvoering van artikel 43 van de voormelde wet van 19 juli 1983 en het koninklijk besluit van 18 juni 1986 dat, met betrekking tot het industrieel leerlingwezen, de algemene voorwaarden en modaliteiten vaststelt voor de erkenning en de intrekking van de erkenning als patroon en/of opleidingsverantwoordelijke; — overgaan tot de erkenning van de opleider in de onderneming, zoals vastgesteld in artikel 14 van de huidige collectieve arbeidsover eenkomst ter uitvoering van dezelfde bepaling; — het verloop van de theoretische en praktische opleidingen evalueren; — de organisatie van de theoretische opleidingsprojecten coördine ren; — beslissen over de verdeling van de periodes van theoretische opleiding en praktische opleiding in de gevallen bepaald in artikel 29, § 1, lid 3. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ brengt aan het Paritair Leercomité verslag uit van de handelingen die werden gesteld bij toepassing van lid 1. Art. 12. La durée de la période d’essai est fixée à trois mois. Le premier mois de la période d’essai se déroule de préférence dans l’entreprise. Pour les jeunes qui répondent aux conditions fixées à l’article 27, la période d’essai comprend au moins deux mois de formation pratique en entreprise. Art. 13. Les droits et obligations qui découlent de la relation qui s’établit entre l’apprenti et l’employeur sont déterminés conformément aux dispositions du chapitre II de la loi du 19 juillet 1983 précitée. Ces dispositions sont intégralement reprises en annexe des contrats d’apprentissage. Art. 14. La formation pratique de l’apprenti est confiée à un travailleur qualifié de l’entreprise qui agit en qualité de responsable de la formation. Par dérogation à l’alinéa 1er, l’employeur est le responsable de la formation dans les cas où : — l’entreprise n’occupe pas de travailleur; — aucun travailleur de l’entreprise ne dispose de la qualification nécessaire ou ne souhaite exercer la fonction de responsable de la formation. Il est recommandé au responsable de la formation pratique d’avoir suivi une formation pédagogique à l’accompagnement des jeunes. Art. 15. En cas d’absences injustifiées répétées de l’apprenti au cours de la formation théorique dans le centre de formation agréé, le Comité paritaire d’apprentissage, sur proposition du ″Fonds de formation de la construction″, se prononce sur l’application de la sanction prévue par le règlement d’apprentissage construction. Art. 16. La convention collective de travail du 1er février 2001 fixant les conditions de travail des apprentis industriels est d’application aux apprentis occupés dans le cadre des régimes d’apprentissage construc tion. B. Fonctionnement des régimes Art. 17. § 1er. Le règlement d’apprentissage arrête les dispositions en matière d’apprentissage qui n’ont pas été réglées par le présent chapitre. § 2. Une annexe au règlement d’apprentissage mentionne, par catégorie d’âge du jeune, le montant de l’indemnité mensuelle établi conformément aux dispositions des articles 24 et 30 de la présente convention. Cette annexe est mise à jour lors de chaque adaptation du revenu mensuel moyen minimum garanti, visé à l’article 3, b de l’arrêté royal précité du 19 août 1998. Art. 18. Le ″Fonds de formation de la construction″, agissant sous le contrôle du Comité paritaire d’apprentissage, est responsable de la mise en œuvre des régimes d’apprentissage construction. Art. 19. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ est habilité à poser tous les actes qui relèvent de l’organisation, de la gestion et de l’évaluation paritaire des régimes d’apprentissage construction. A cette fin, il est notamment chargé d’accomplir les missions suivantes : — procéder à l’agrément de l’employeur en exécution de l’article 43 de la loi du 19 juillet 1983 précitée et de l’arrêté royal du 18 juin 1986 déterminant, en matière d’apprentissage industriel, les conditions et les modalités générales d’agrément et de retrait d’agrément comme patron et/ou responsable de la formation; — procéder à l’agrément du formateur en entreprise, tel que défini par l’article 14 de la présente convention, en exécution de la même disposition; — évaluer le déroulement des formations théorique et pratique; — coordonner l’organisation des actions de formation théorique; — se prononcer sur la répartition des périodes de formation théorique et de formation pratique dans les cas prévus à l’article 29, § 1er, alinéa 3. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ rend compte au Comité paritaire d’apprentissage des actes posés en application de l’alinéa 1er. 68440 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 20. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, is verplicht, vooraf, het Paritair Leercomité te raadplegen over alle principiële vragen of interpretatiemoeilijkheden omtrent de toepassing van de regelingen van het bouwleerlingwezen die niet kunnen worden opgelost door de collectieve arbeidsovereenkomsten en de normale regels toe te passen. Afdeling 2. — Specifieke bepalingen A. Het jongerenleerlingwezen (JLW) Art. 21. De regeling is voorbehouden aan de jonger endie bij het sluiten van de overeenkomst jonger dan 18 jaar zijn. Art. 22. Het leerreglement bepaalt de duur van de leertijd voor elk van de betrokken beroepen. Art. 23. De leertijd bevat een praktische opleiding in de onderneming en een theoretische opleiding in een CDO dat door een specifieke overeenkomst gebonden is aan het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. Het programma van de theoretische opleiding in het CDO moet een opleidingsmodule veiligheid bevatten, gevolgd door een examen VCA. Het leerreglement bepaalt eveneens de duur van en de afwisseling tussen de praktische en theoretische opleidingen. Art. 24. Tijdens de eerste maand van de door artikel 12 van deze collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde proefperiode wordt het bedrag van de leervergoeding die de werkgever aan de leerling betaalt, vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 19 augustus 1998. Na de eerste maand van de proeftijd wordt het bedrag van de maandelijkse vergoeding die de werkgever aan de leerling betaalt, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van voormeld koninklijk besluit van 19 augustus 1998. Art. 25. Tijdens de leertijd krijgt de leerling op volgende tijdstippen, aanmoedigingspremies van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ : — bij het einde van de 6de maand : een premie van 250,00 EUR; — bij het einde van de 12de maand : een premie van 375,00 EUR; — bij het einde van de 18de maand : een premie van 500,00 EUR; — bij het einde van de 24ste maand : een premie van 620,00 EUR. Vanaf de maand volgend op die waarin de leerling de leeftijd van 18 jaar bereikt, ontvangt hij een maandelijkse aanmoedigingspremie van 250,00 EUR. Deze maandelijkse aanmoedigingspremie is niet cumuleerbaar met de door het eerste lid van huidig artikel bedoelde aanmoedigingspremie. Deze aanmoedigingspremie dekken eveneens bepaalde kosten die de leerling heeft tijdens de leertijd. Art. 26. De werkgever moet de in artikel 21 bedoelde leerling die op het einde van de leertijd voor de in het leerreglement vastgestelde eindproef slaagt, aanwerven met een arbeidsovereenkomst voor onbe paalde duur. B. Het bouwleerlingwezen (ABO) Art. 27. Het bouwleerlingwezen richt zich in de eerste plaats tot jonge, ongeschoolde werkzoekenden tussen 18 en 25 jaar. Dit stelsel richt zich ook tot de jonge werkzoekenden tussen 18 en 25 jaar die houder zijn van een kwalificatiegetuigschrift van een kwalificatietechniek van het buitengewoon onderwijs, erkend door het ″Fonds voor vakopleiding inde bouwnijverheid″. De in lid 1 bepaalde prioritaire doelgroep kan in een aparte collectieve arbeidsovereenkomst nader worden omschreven. Het Paritair Leercomité kan individuele afwijkingen toestaan. Art. 28. De duur van de leertijd bouw wordt voor ieder beroep vastgesteld door het leerreglement. De duur zal worden vastgesteld op basis van de vereisten van ieder beroep en zal kunnen worden aangepast volgens de bekwaamheden van de leerling. Voor ieder individueel contract bepaalt het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ de duur van de leertijd bouw op basis van de vereisten van het beroep en de bekwaamheden van de kandidaat leerling. Bij de beoordeling van de bekwaamheden wordt rekening gehouden met de (eventuele) voorafgaande eisen die voor dit bouw beroep worden gesteld. Deze leertijd mag in geen geval minder dan zes maanden en niet meer dan 18 maanden duren. Art. 20. Le ″Fonds de formation de la construction″ est tenu de consulter préalablement le Comité paritaire d’apprentissage pour toutes les questions de principes ou difficultés d’interprétation liées à l’application des régimes d’apprentissage construction qui ne peuvent être résolues par l’application des conventions collectives de travail et des règles normales. Section 2. — Dispositions spécifiques A. Le régime de l’apprentissage des jeunes (RAJ) Art. 21. L’accès au régime est réservé aux jeunes qui, au moment de la conclusion du contrat n’ont pas atteint l’âge de 18 ans. Art. 22. Le règlement d’apprentissage détermine, pour chacune des professions concernées, la durée de l’apprentissage. Art. 23. La période d’apprentissage comporte une formation pratique en entreprise et une formation théorique dans un CEFA qui est lié au ″Fonds de formation de la construction″ par une convention spécifique. Le programme de la formation théorique dans le CEFA doit comporter un module de formation en matière de sécurité suivie d’un examen VCA. Le règlement d’apprentissage détermine également la durée et l’alternance des périodes de formations théorique et pratique. Art. 24. Pour le premier mois de la période d’essai visée à l’article 12 de la présente convention, le montant de l’indemnité d’apprentissage payée par l’employeur à l’apprenti est établi conformément aux dispositions de l’article 4 de l’arrêté royal précité du 19 août 1998. Au-delà du premier mois de la période d’essai, le montant de l’indemnité mensuelle que l’employeur paie à l’apprenti est établi conformément aux dispositions des articles 2 et 3 de l’arrêté royal précité du 19 août 1998. Art. 25. Durant la période d’apprentissage, le ″Fonds de formation de la construction″ paie à l’apprenti des primes d’encouragement aux échéances suivantes : — à l’expiration du 6ème mois de la période : une prime de 250,00 EUR; — à l’expiration du 12ème mois de la période : une prime de 375,00 EUR; — à l’expiration du 18ème mois de la période : une prime de 500,00 EUR; — à l’expiration du 24ème mois de la période : une prime de 620,00 EUR. A partir du mois qui suit celui au cours duquel il atteint l’âge de 18 ans, l’apprenti reçoit une prime d’encouragement mensuelle de 250,00 EUR. Cette prime d’encouragement mensuelle n’est pas cumu lable avec la prime d’encouragement visée à l’alinéa premier du présent article. Ces primes d’encouragement couvrent également certains frais exposés par l’apprenti durant la période d’apprentissage. Art. 26. L’employeur est tenu d’engager, dans les liens d’un contrat de travail conclu pour une durée indéterminée, l’apprenti visé à l’article 21 qui, au terme de la période d’apprentissage, a réussi l’épreuve finale déterminée par le règlement d’apprentissage. B. Le régime de l’apprentissage construction (RAC) Art. 27. Le régime de l’apprentissage construction s’applique, par priorité, aux jeunes demandeurs d’emploi sans qualification âgés de 18 à 25 ans. Ce régime s’applique également aux jeunes demandeurs d’emploi âgés de 18 à 25 ans, détenteurs un certificat de qualification pour une finalité de l’enseignement spécialisé reconnue par le ″Fonds de formation de la construction″. Une convention collective de travail distincte peut préciser la notion de public cible prioritaire définie à l’alinéa 1er. Le Comité paritaire d’apprentissage peut octroyer des dérogations individuelles. Art. 28. La durée de l’apprentissage construction est déterminée pour chaque métier par le règlement d’apprentissage. Elle est définie en fonction des exigences de chaque métier et peut être adaptée en fonction des aptitudes de l’apprenti. Pour chaque contrat individuel, le ″Fonds de formation de la construction″ détermine la durée de l’apprentissage construction en fonction des exigences du métier et des aptitudes du candidat apprenti. Pour l’évaluation des aptitudes, il est tenu compte des (éventuels) pré-requis construction. En aucun cas, cette durée ne peut être inférieure à 6 mois, ni supérieure à 18 mois. 68441BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 29. § 1. Het bouwleerlingwezen bestaat uit een praktische opleiding in de onderneming en een theoretische opleiding in een opleidingscentrum dat op advies van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid ″ door het Paritair Leercomité wordt erkend. Het programma van de theoretische opleiding in het opleidingscen trum moet een opleidingsmodule veiligheid bevatten, gevolgd door een examen VCA. Voor de verdeling op jaarbasis van de uren theoretische en praktische opleiding, wordt de volgende verhouding vastgesteld : — 80 pct. voor de praktische opleiding in de onderneming; — 20 pct. voor de theoretische opleiding in een erkend opleidings centrum. In afwijking van lid 2 bepaalt het leerreglement in welke gevallen de theoretische opleidingstijd mag worden opgetrokken tot maximaal 30 pct. van het jaarlijks aantal opleidingsuren. § 2. Om de leerling een grotere continuïteit van de praktische opleiding in de onderneming te bieden, kunnen de periodes van theoretische opleiding in een erkend opleidingscentrum worden gegroe peerd tijdens minder drukke periodes in het beroep dat de leerling heeft gekozen. In overleg met de werkgever en de verantwoordelijke van het erkend opleidingscentrum, bepaalt het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ voor ieder individueel contract het tijdschema dat voldoet aan de vereisten van de praktische opleiding zoals omschreven in lid 1. Art. 30. Tijdens de eerste maand van de door artikel 12 van deze overeenkomst bedoelde proefperiode wordt het bedrag van de leerver goeding die de werkgever aan de leerling betaalt, vastgesteld overeen komstig de bepalingen van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 19 augustus 1998. Na de eerste maand van de proeftijd wordt het bedrag van de maandelijkse vergoeding die de werkgever aan de leerling betaalt, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van voormeld koninklijk besluit van 19 augustus 1998. Art. 31. Als de leertijd na de proeftijd verder loopt, betaalt het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ aan de leerling maandelijkse leerpremies met inachtneming van de volgende regels : — tijdens de eerste 12 maanden van de leertijd : een maandelijkse premie van 250,00 EUR; — van de 13de tot de 18de maand van de leertijd : een maandelijkse premie van 375,00 EUR. De in lid 1 van dit artikel vermelde premies worden voor de eerste keer ten vroegste na de in artikel 12 bedoelde proeftijd uitgereikt. Deze leerpremies dekken eveneens bepaalde kosten die de leerling heeft tijdens de leertijd. Art. 32. § 1. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ maakt een evaluatie van de praktische opleiding in de onderneming en van de theoretische opleiding in het erkend opleidingscentrum. Deze evaluatie vindt plaats tijdens de zesde maand na de datum van inwerkingtreding van de leerovereenkomst bouw. § 2. Het Paritair Leercomité spreekt zich, op voorstel van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ uit over de te nemen maatregelen bij een negatieve evaluatie van de praktische opleiding in de onderneming. § 3. Bij een negatieve evaluatie van de theoretische opleiding in het erkend opleidingscentrum kan het Paritair Leercomité, op voorstel van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, de erkenning van dit opleidingscentrum schorsen. Art. 33. De procedure voor de certificatie van de opleiding aan het einde van de leertijd wordt door het leerreglement vastgesteld. Art. 34. § 1. De leerling bedoeld in artikelen 21 en 27 kan deelnemen aan een opleiding georganiseerd in het kader van één van de opleidingsstelsels bedoeld in titel III van deze collectieve arbeidsover eenkomst, op voorwaarde dat deze opleiding plaats vindt tijdens de praktische opleiding, zoals bepaald in artikel 29. § 2. De leerling betrokken bij één van de opleiding en bedoeld in § 1 heeft ten laste van zijn werkgever recht op de betaling van de leervergoeding voor de uren vorming verstrekt in het kader van deze stelsels. § 3. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ betaalt de kosten voor de organisatie van de beroepsopleiding overeenkomstig artikel 69 van deze overeenkomst. Art. 29. § 1er. Le régime de l’apprentissage construction comporte une formation pratique en entreprise et une formation théorique dans un centre de formation agréé par le Comité paritaire d’apprentissage, sur avis du ″Fonds de formation de la construction″. Le programme de la formation théorique dans le centre de formation doit comporter un module de formation en matière de sécurité suivie d’un examen VCA. La répartition annuelle des heures de formation pratique et théorique s’établit selon le rapport suivant : — 80 p.c. pour la formation pratique en entreprise; — 20 p.c. pour la formation théorique dans un centre de formation agréé. Par dérogation à l’alinéa 2, le règlement d’apprentissage détermine les cas dans lesquels le temps consacré à la formation théorique peut être porté à 30 p.c. au maximum du nombre annuel d’heures de formation. § 2. Afin de permettre à l’apprenti de bénéficier d’une plus grande continuité dans la formation pratique en entreprise, les périodes de formation théorique en centre de formation agréé peuvent être regroupées dans les périodes de moindre activité dans le métier auquel se destine l’apprenti. En concertation avec l’employeur et le responsable du centre de formation agréé, le ″Fonds de formation de la construction″ détermine, pour chaque contrat individuel, le calendrier qui permet de répondre aux exigences de la formation pratique telles que définies à l’alinéa 1er. Art. 30. Pour le premier mois de la période d’essai visée à l’article 12 de la présente convention, le montant de l’indemnité d’apprentissage payée par l’employeur à l’apprenti est établi conformément aux dispositions de l’article 4 de l’arrêté royal précité du 19 août 1998. Au-delà du premier mois de la période d’essai, le montant de l’indemnité mensuelle que l’employeur paie à l’apprenti est établi conformément aux dispositions des articles 2 et 3 de l’arrêté royal précité du 19 août 1998. Art. 31. Lorsque l’apprentissage se poursuit au-delà de la période d’essai, le ″Fonds de formation de la construction″ paie à l’apprenti des primes mensuelles d’apprentissage selon les modalités suivantes : — pendant les douze premiers mois de la période : une prime mensuelle de 250,00 EUR; — du 13ème au 18ème mois de la période : une prime mensuelle de 375,00 EUR. Les primes visées à l’alinéa 1er du présent article sont payées pour la première fois, au plus tôt, après la fin de la période d’essai visée à l’article 12. Ces primes d’apprentissage couvrent également certains frais exposés par l’apprenti durant la période d’apprentissage. Art. 32. § 1er. Le ″Fonds de formation de la construction″ procède à une évaluation de la formation pratique en entreprise et de la formation théorique en centre de formation agréé. Cette évaluation a lieu au cours du sixième mois à compter de la date d’entrée en vigueur du contrat d’apprentissage construction. § 2. Sur proposition du ″Fonds de formation de la construction″, le Comité paritaire d’apprentissage se prononce sur les mesures à adopter en cas d’évaluation négative de la formation pratique en entreprise. § 3. En cas d’évaluation négative de la formation théorique dans le centre de formation agréé, le Comité paritaire d’apprentissage, sur proposition du ″Fonds de formation de la construction″, peut suspen dre l’agrément du centre de formation. Art. 33. La procédure de certification de la formation au terme de l’apprentissage est déterminée par le règlement d’apprentissage. Art. 34. § 1er. Un apprenti visé aux articles 21 et 27 peut participer à une formation organisée dans le cadre d’un des régimes de formation des travailleurs tels que définis au titre III de la présente convention collective de travail à la condition que cette formation se déroule pendant une période de formation pratique définie conformément à l’article 29. § 2. L’apprenti concerné par l’application d’un régime de formation visé au paragraphe 1er a droit, à charge de l’employeur, au paiement de son indemnité d’apprentissage pour les heures de formation dispensées en application de ces régimes. § 3. Le ″Fonds de formation de la construction″ prend en charge les coûts relatifs à l’organisation de cette formation professionnelle confor mément à l’article 69 de la présente convention. 68442 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK II. — De peterschapsregeling Afdeling 1. — Definitie en toepassingsgebied Art. 35. Het peterschap is een regeling van tijdelijke begeleiding van de bij artikel 36 bedoelde jonge arbeiders die een betere integratie van deze jongeren in de onderneming beoogt. De peterschapsregeling is, mits instemming van de partijen, van toepassing op de bij artikel 1 bedoelde werkgevers en op de jonge afgestudeerden uit het bouwonderwijs die door deze werkgevers met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur in dienst worden genomen. De in lid 2 bedoelde jonge afgestudeerde uit het bouwonderwijs wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk, de jonge arbeider genoemd. De peterschapsregeling is van toepassing voor een periode van 12 maanden die aanvangt bij het begin van de uitvoering van de in lid 2 bedoelde arbeidsovereenkomst. Art. 36. § 1. De jonge afgestudeerde van het bouwonderwijs : 1 moet in het bezit zijn van één van de volgende kwalificatiegetuig schriften uit het voltijds dagonderwijs : — een kwalificatiegetuigschrift van een kwalificatietechniek van het buitengewoon onderwijs, erkend door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″; — een kwalificatiegetuigschrift van een studierichting van het beroepssecundair onderwijs, erkend door het ″Fonds voor vakoplei ding in de bouwnijverheid″; — een diploma van een studierichting van het technisch secundair onderwijs, erkend door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnij verheid″; 2° mag niet als arbeider tewerkgesteld zijn geweest in een onder neming bedoeld in artikel 1 van deze overeenkomst gedurende een periode van meer dan 6 maanden; 3° mag niet ouder zijn dan 23 jaar bij het sluiten van de arbeidsover eenkomst bedoeld in artikel 35, lid 2. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ kan voor jonge arbeiders die niet ouder dan 25 jaar zijn, afwijken van de in lid 1, 3° vastgestelde leeftijdsgrens. § 2. De jongere die met succes een leertijd heeft beëindigd in een onderneming bedoeld in artikel 1 van deze overeenkomst wordt gelijkgesteld met de jonge arbeider bedoeld in paragraaf 1 voor zover hij voldoet aan de door de raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ vastgestelde voorwaarden. Afdeling 2. — De peter Art. 37. § 1. De verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de jonge arbeider wordt toevertrouwd aan een geschoolde arbeider van de onderneming die als peter van de jonge arbeider optreedt. Voor de verantwoordelijke voor de praktische opleiding is het aanbevolen dat hij een pedagogische opleiding in de begeleiding van jongeren heeft gevolgd. De geschoolde arbeider van de onderneming die optreedt als peter van de jonge arbeider moet aan de volgende voorwaarden voldoen : — ten minste 25 jaar oud zijn; — ten minste 7 jaar beroepservaring hebben; — erkend zijn door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijver heid″ op voorlegging van een inlichtingenblad waarvan de inhoud door het fonds wordt vastgesteld. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ spreekt zich uit over de gemotiveerde aanvragen om vrijstelling van de toepassing van de leeftijds- en anciënniteitsvoor waarden bepaald in lid 2. § 2. De bij artikel 1 van deze overeenkomst bedoelde werkgever, die voldoet aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 1, kan de functie van peter van de jonge arbeider op zich nemen ingeval : — de onderneming geen geschoolde arbeider heeft die voldoet aan de voorwaarden van § 1 of die de functie van peter op zich wenst te nemen; — de jonge arbeider de eerste werknemer van de onderneming is. Art. 38. § 1. De peter is verplicht alle noodzakelijke initiatieven te nemen voor de praktische opleiding van de jonge arbeider waarvoor hij staat. De initiatieven die de peter neemt, moeten de jonge arbeider in staat stellen na afloop van de peterschapsperiode, zijn beroep autonoom uit te oefenen met dezelfde bekwaamheid en hetzelfde rendement als een geoefende arbeider. CHAPITRE II. — Le parrainage Section 1re. — Définition et champ d’application Art. 35. Le parrainage est un régime d’accompagnement temporaire des jeunes ouvriers visés à l’article 36, qui a pour objet de faciliter leur intégration dans l’entreprise. Le régime du parrainage est applicable, moyennant accord des parties, aux employeurs visés à l’article 1er et aux jeunes diplômés de l’enseignement construction que ces employeurs engagent dans les liens d’un contrat de travail à temps plein conclu pour une durée indéterminée. Le jeune diplômé de l’enseignement construction visé à l’alinéa 2 est dénommé, pour l’application du présent chapitre, le jeune ouvrier. La période d’application du régime du parrainage a une durée de 12 mois qui prend cours à la date de début d’exécution du contrat de travail visé à l’alinéa 2. Art. 36. § 1er. Le jeune diplômé de l’enseignement construction : 1° doit être détenteur d’un des certificats de qualification suivants de l’enseignement de jour à temps plein : — un certificat de qualification pour une finalité de l’enseignement spécialisé reconnue par le ″Fonds de formation de la construction″; — un certificat de qualification d’une option de base groupée de l’enseignement professionnel reconnue par le ″Fonds de formation de la construction″; — un diplôme d’une option de base groupée de l’enseignement technique de qualification reconnue par le ″Fonds de formation de la construction″; 2° ne peut pas avoir été occupé en qualité d’ouvrier dans une entreprise visée à l’article 1er de la présente convention pendant une période qui excède 6 mois; 3° ne peut pas être âgé de plus de 23 ans au moment de la conclusion du contrat de travail visé à l’article 35, alinéa 2. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ peut déroger à la limite d’âge visée à l’alinéa 1er, 3° en faveur des jeunes ouvriers qui ne sont pas âgés de plus de 25 ans. § 2. Le jeune qui a terminé avec succès un apprentissage dans une entreprise visée à l’article 1er de la présente convention est assimilé au jeune ouvrier visé au paragraphe 1er pour autant qu’il satisfasse aux conditions déterminées par le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″. Section 2. — Le parrain Art. 37. § 1er. La responsabilité de l’encadrement et du suivi du jeune ouvrier est confiée à un travailleur qualifié de l’entreprise qui agit en qualité de parrain du jeune ouvrier. Il est recommandé au responsable de la formation pratique d’avoir suivi une formation pédagogique à l’accompagnement des jeunes. Ce travailleur qualifié de l’entreprise, qui agit en qualité de parrain du jeune ouvrier, doit satisfaire aux conditions d’agrément suivantes : — être âgé d’au moins 25 ans; — disposer d’une expérience professionnelle d’au moins 7 années; — être agréé par le ″Fonds de formation de la construction″, sur présentation d’une feuille de renseignements, dont le contenu est établi par le fonds. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ se prononce sur les demandes motivées de dispense de l’applica tion des conditions d’âge et d’ancienneté déterminées à l’alinéa 2. § 2. L’employeur visé à l’article 1er de la présente convention, qui satisfait aux conditions déterminées par le paragraphe 1er, peut exercer la fonction de parrain du jeune ouvrier dans les cas où : — l’entreprise ne compte pas de travailleur qualifié satisfaisant aux conditions du § 1er ou désireux d’exercer la fonction de parrain; — le jeune ouvrier est le premier travailleur occupé dans l’entreprise. Art. 38. § 1er. Le parrain est tenu de développer toutes les actions nécessaires à la formation pratique du jeune ouvrier dont il a la responsabilité. Les actions entreprises par le parrain ont pour objet de permettre au jeune ouvrier, parvenu au terme de la période de parrainage, d’exercer son métier de manière autonome et selon les niveaux de compétence et de rendement d’un travailleur spécialisé. 68443BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE § 2. De werkgever ziet erop toe dat de peter op dezelfde arbeidsplaats wordt tewerkgesteld als de jonge arbeider waarvoor hij in staat. De werkgever moet de peter die gedurende een aaneengesloten periode van zes weken afwezig is, vervangen en er het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ over inlichten. Afdeling 3. — Het peterschapsbeding en de bijlage bij de arbeidsovereenkomst Art. 39. § 1. De bij artikel 35, lid 2, bedoelde arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk opgesteld en bevat een peterschapsbeding. § 2. Het peterschapsbeding bevat de volgende meldingen : 1° de vermelding dat de arbeidsovereenkomst gedurende de eerste twaalf maanden van haar uitvoering onderworpen is aan de toepassing van de peterschapsregeling, bepaald door hoofdstuk II van titel II van deze collectieve arbeidsovereenkomst; 2° de verbintenis van de ondertekenaars van de arbeidsovereen komst de regels en verplichtingen, bepaald door hoofdstuk II van titel II van deze overeenkomst en in de bijlagen bij de arbeidsovereen komst, in acht te nemen; 3° de vermelding van het uurloon van de jonge arbeider, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen, van artikel 42, lid 1, van deze overeen komst. Art. 40. § 1. Binnen 30 dagen na de dag waarop de arbeidsovereen komst werd gesloten, moet een bijlage bij deze overeenkomst worden opgesteld. Deze bijlage wordt getekend door de werkgever, de jonge arbeider en het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. § 2. Deze bijlage bevat ten minste volgende vermeldingen : — de identiteit van de werkgever en de jonge arbeider die de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 35 van de huidige overeen komst ondertekenen; — de identiteit van de peter van de jonge arbeider; — de verplichtingen van de werkgever en van de jonge arbeider, bepaald in artikel 41 van de huidige overeenkomst; — de verplichtingen van de peter bepaald in artikel 38 van de huidige overeenkomst; — de belangrijkste toepassingsmodaliteiten van de peterschapsrege ling, met inbegrip van de opdrachten van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″; — de modaliteiten voor de toekenning en de betaling van de peterschapspremie bepaald in afdeling 6 van hoofdstuk II van titel II van huidige overeenkomst; § 3. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ stelt het model op van de in § 1 bedoelde bijlage. Afdeling 4. — Rechten en plichten van de partijen Art. 41. De peterschapsregeling verplicht : — de werkgever erover te waken dat de jonge arbeider de nodige begeleiding en opleiding krijgt om de specifieke beroepstechnieken en procédés aan te leren; — de jonge arbeider een aanvullende theoretische opleiding te volgen die verband houdt met de uitoefening van zijn beroep. Art. 42. § 1. Gedurende de toepassingsperiode van de peterschaps regeling wordt het loon van de jonge arbeider als volgt vastgesteld : — gedurende de eerste zes maanden geniet hij een uurloon gelijk aan het uurloon van een arbeider van de categorie I (ongeschoolde); — tijdens de laatste zes maanden wordt dit loon verhoogd tot het rekenkundige gemiddelde van het uurloon van een arbeider van de categorie I (ongeschoolde) en het uurloon van een arbeider van de categorie II (geoefende). § 2. Bij het einde van de peterschapsregeling is het loon van de jonge arbeider gelijk aan 100 pct. van het loon van een arbeider van de categorie II (geoefende). Afdeling 5. — Organisatie van de aanvullende theoretische opleiding Art. 43. De bij artikel 41 bedoelde aanvullende theoretische opleiding duurt minstens 40 en maximaal 180 uur. De aanvullende theoretische opleiding wordt verstrekt in een opleidingscentrum dat is erkend door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. Binnen de grenzen, bepaald in lid 1, wordt de duur ervan bij overeenkomst tussen het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ en de werkgever vastgesteld. § 2. L’employeur veille à ce que le parrain soit occupé sur le même lieu de travail que le jeune ouvrier dont il a la responsabilité. L’employeur est tenu de remplacer le parrain qui est absent de l’entreprise pendant une période continue de plus de six semaines et d’en informer le ″Fonds de formation de la construction″. Section 3. — La clause de parrainage et l’annexe au contrat de travail Art. 39. § 1er. Le contrat de travail visé à l’article 35, alinéa 2 est établi par écrit et comporte une clause de parrainage. § 2. La clause de parrainage comporte les mentions suivantes : 1° l’indication selon laquelle le contrat de travail est soumis, durant les douze premiers mois de son exécution, à l’application du régime du parrainage déterminé par le chapitre II du titre II de la présente convention collective de travail; 2° l’engagement des parties signataires du contrat de travail de respecter les règles et obligations déterminées par le chapitre II du titre II de la présente convention et par l’annexe jointe au contrat de travail; 3° l’indication du salaire horaire du jeune ouvrier, établi conformé ment aux dispositions de l’article 42, alinéa 1er de la présente convention. Art. 40. § 1er. Une annexe à ce contrat de travail est établie dans les 30 jours qui suivent la date de la conclusion de ce contrat. Cette annexe est signée par l’employeur, le jeune ouvrier et le ″Fonds de formation de la construction″. § 2. Cette annexe comporte au moins les mentions suivantes : — l’identité de l’employeur et du jeune ouvrier signataires du contrat de travail visé à l’article 35 de la présente convention; — l’identité du parrain du jeune ouvrier; — les obligations de l’employeur et du jeune ouvrier définies par l’article 41 de la présente convention; — les obligations du parrain déterminées par l’article 38 de la présente convention; — les principales modalités d’application du régime du parrainage, en ce compris les mission du ″Fonds de formation de la construction″; — les modalités d’octroi et de paiement de la prime de parrainage déterminées par la section 6 du chapitre II du titre II de la présente convention. § 3. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ établit le modèle de l’annexe visée au § 1er. Section 4. — Droits et obligations des parties Art. 41. Le régime du parrainage comporte l’obligation : — pour l’employeur, de veiller à ce que le jeune ouvrier bénéficie de l’encadrement et de la formation nécessaires à l’acquisition des techniques et procédés propres à l’exercice de son métier; — pour le jeune ouvrier, de suivre une formation théorique complémentaire en rapport avec l’exercice de son métier. Art. 42. § 1er. Durant la période d’application du régime du parrainage, le salaire du jeune ouvrier est déterminé comme suit : — pendant les six premiers mois il bénéficie d’un salaire horaire égal au salaire horaire d’un ouvrier de la catégorie I (manœuvre); — pendant les six derniers mois, ce salaire est porté à la moyenne arithmétique du salaire horaire d’un ouvrier de la catégorie I (manœu vre) et du salaire d’un ouvrier de la catégorie II (spécialisé). § 2. Au terme de la période d’application du régime du parrainage, le salaire du jeune ouvrier équivaut à 100 p.c. de la rémunération d’un travailleur de la catégorie II (spécialisé). Section 5. — Organisation de la formation théorique complémentaire Art. 43. La formation théorique complémentaire visée à l’article 41 a une durée minimale de 40 heures et une durée maximale de 180 heures. La formation théorique complémentaire est dispensée dans un centre de formation agréé par le ″Fonds de formation de la construction″. Sa durée est établie, dans les limites déterminées par l’alinéa 1er, par un accord conclu entre le ″Fonds de formation de la construction″ et l’employeur. 68444 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 44. § 1. Uiterlijk op het einde van de 7e maand van de peterschapsperiode stuurt de werkgever van ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ een voorstel van opleidingsprogramma dat is opgesteld op basis van de theoretische kennis die de jonge arbeider moet verwerven of vergroten voor de uitoefening van zijn beroep in de onderneming. § 2. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ spreekt zich uit over de voorstellen bedoeld in § 1, stelt het definitieve opleidingsprogramma vast en coördineert de activiteiten met betrek king tot de organisatie van de theoretische opleiding. De theoretische opleiding wordt verstrekt uiterlijk in de 10e maand van de peterschapsperiode. § 3. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ is belast met de coördinatie van de initiatieven met betrekking tot de organisatie van de bij artikel 41 bedoelde aanvullende theoretische opleiding en met de controle op de naleving van de krachtens deze afdeling vastgestelde toepassingvoorwaarden en -modaliteiten van de peter schapsregeling. Art. 45. § 1. Voor de uren aanvullende theoretische opleiding conform artikel 44 heeft de jonge arbeider recht op de betaling, door de werkgever, van zijn normaal loon. § 2. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ betaalt aan de werkgever 20,00 EUR terug van elk uur dat de jonge arbeider de aanvullende theoretische opleiding heeft gevoegd. § 3. De werkgever voor wie de toepassing van het in artikel 91, § 2, vermelde sectoraal systeem geldt, heeft recht op een voorafbetaling van de bedragen die volgens dit systeem verschuldigd zijn. Afdeling 6. — Toekenning van de peterschapspremie Art. 46. De werkgever geniet een premie die jaarlijkse 2.500,00 EUR per jonge werknemer en per bij artikel 37 bedoelde peter bedraagt. Deze peterschapspremie wordt toegekend binnen de grenzen van het budgettair beschikbare van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. Art. 47. Voor de vaststelling van het bedrag van de peterschapspre mie gaat men ervan uit dat de jonge arbeiders, ongeacht het aantal in de onderneming aangeduide peters, onder de verantwoordelijkheid van één enkele peter worden geplaatst per groep van drie jonge arbeiders. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ kan afwijken van de regel in lid 1 indien de werkgever bewijst dat de aanstelling van meer peters dan de verhouding bepaald in lid 1 verantwoord is, hetzij : — door de uiteenlopende beroepen die de jonge arbeiders uitoefe nen; — door de verschillende arbeidsplaatsen waar jonge arbeiders met hetzelfde beroep worden tewerkgesteld. Art. 48. Wanneer één peter instaat voor de begeleiding en de opleiding van verschillende jonge arbeiders in de onderneming, wordt het bedrag van de jaarlijkse peterschapspremie als volgt vastgesteld : — 2.500,00 EUR voor de eerste jonge arbeider; — 2.000,00 EUR voor de tweede jonge arbeider; — 1.500,00 EUR vanaf de derde jonge arbeider. Art. 49. Het maximum aantal peterschapspremies waarop de werk gever tijdens eenzelfde peterschapsperiode aanspraak kan maken, is vastgesteld op : — 2 premies in ondernemingen met minder dan 10 werknemers; — 3 premies in ondernemingen met 10 tot 20 werknemers; — 15 pct. van het totaal aantal arbeiders in ondernemingen met meer dan 20 werknemers, met een maximum van 15 premies. Voor de toepassing van lid 1 wordt het aantal werknemers vastge steld op basis van het aantal in het elektronisch personeelsbestand ingeschreven werknemers bij de indiensttreding van de eerste jonge arbeider. Art. 50. De jaarlijkse peterschapspremie wordt in vier keer uitbetaald op de tijdstippen bepaald in de bijlage bij de arbeidsovereenkomst die wordt omschreven in artikel 40 van deze overeenkomst. Bij voortijdig vertrek van de jonge arbeider, wordt het bedrag van de jaarlijkse premie berekend op basis van het aantal maanden aanwezig heid van de jonge arbeider in de onderneming. Indien de begeleiding van de jonge arbeider in de onderneming negatief wordt geëvalueerd, kan de raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ de betaling van de jaarlijkse peterschapspremie opschorten. Art. 44. § 1er. L’employeur communique au ″Fonds de formation de la construction″, au plus tard à la fin du 7e mois de la période de parrainage, une proposition de programme de formation établie en fonction des connaissances théoriques que le jeune ouvrier doit assimiler ou approfondir pour l’exercice de son métier dans l’entre prise. § 2. Le ″Fonds de formation de la construction″ se prononce sur les propositions visées au § 1er, établit le programme de formation définitif et coordonne les actions relatives à l’organisation de la formation théorique. La formation théorique est dispensée, au plus tard, dans le courant du 10ème mois de la période de parrainage. § 3. Le ″Fonds de formation de la construction″ est chargé de la coordination des actions relatives à l’organisation de la formation théorique complémentaire visée à l’article 41 et du contrôle du respect des conditions et modalités d’application du régime de parrainage déterminées en vertu de la présente section. Art. 45. § 1er. Pour les heures de la formation théorique complémen taire organisée conformément aux dispositions de l’article 44, le jeune ouvrier a droit, à charge de l’employeur, au paiement de sa rémunéra tion normale. § 2. Le ″Fonds de formation de la construction″ rembourse à l’employeur une somme de 20,00 EUR pour chaque heure pendant laquelle le jeune ouvrier a suivi la formation théorique complémentaire. § 3. L’employeur qui bénéficie de l’application du système sectoriel mentionné à l’article 91, § 2, a droit à un paiement anticipé des sommes dues en application de ce système. Section 6. — Octroi de la prime de parrainage Art. 46. L’employeur bénéficie d’une prime d’un montant annuel de 2.500,00 EUR par jeune ouvrier et par parrain visé à l’article 37. Cette prime de parrainage est payée dans les limites des disponibi lités budgétaires du ″Fonds de formation de la construction″. Art. 47. Pour la détermination du montant de la prime de parrainage, les jeunes travailleurs sont, nonobstant le nombre de parrains désignés dans l’entreprise, réputés être placés sous la responsabilité d’un seul parrain par groupe de trois jeunes travailleurs. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ peut déroger à la règle de l’alinéa 1er dans les cas où l’employeur établit que la désignation d’un nombre de parrains plus élevé que le rapport visé à l’alinéa 1er est justifiée, soit : — par la différence des métiers exercés par les jeunes travailleurs; — par la diversité des lieux de travail où sont occupés des jeunes travailleurs exerçant le même métier. Art. 48. Lorsqu’un parrain assure l’encadrement et la formation de plusieurs jeunes travailleurs dans l’entreprise, le montant de la prime annuelle de parrainage est établi comme suit : — 2.500,00 EUR pour le premier jeune ouvrier; — 2.000,00 EUR pour le deuxième jeune ouvrier; — 1.500,00 EUR à partir du troisième jeune ouvrier. Art. 49. Le nombre maximum de primes de parrainage auxquelles un employeur peut prétendre au cours d’une même période de parrainage est fixé à : — 2 primes dans les entreprises de moins de 10 travailleurs; — 3 primes dans les entreprises de 10 à 20 travailleurs; — 15 p.c. du nombre total d’ouvriers dans les entreprises de plus de 20 travailleurs, avec un nombre maximum de 15 primes. Pour l’application de l’alinéa 1er, le nombre de travailleurs est déterminé en fonction du nombre de travailleurs inscrits dans le fichier électronique du personnel au moment de l’entrée en service du premier jeune ouvrier. Art. 50. La prime annuelle de parrainage est payée en quatre tranches aux époques fixées dans l’annexe au contrat de travail définie par l’article 40 de la présente convention. En cas de départ anticipé du jeune ouvrier, le montant de la prime annuelle est calculé en fonction du nombre de mois de présence du jeune ouvrier dans l’entreprise. En cas d’évaluation négative de l’accompagnement du jeune ouvrier dans l’entreprise, le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ peut interrompre le paiement de la prime annuelle de parrainage. 68445BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 51. Deze afdeling is niet van toepassing op de peterschapsrege ling die wordt georganiseerd in het kader van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de jonge arbeider bedoel in artikel 36, § 2 van deze overeenkomst, behoudens indien de jonge arbeider aangeworven wordt door een andere onderneming dan deze waar hij zijn leertijd met vrucht heeft beëindigd. TITEL III. — Opleidings- en tewerkstellingsregelingen HOOFDSTUK I. — Algemene bepalingen Art. 52. De opleidingsregelingen zijn sectorale regelingen ter bevor dering van de beroepsopleiding van de arbeiders die door de bij artikel 1 bedoelde ondernemingen worden tewerkgesteld, door een jaarlijks krediet van 640 000 opleidingsuren ter beschikking van deze ondernemingen te stellen. De jaarlijkse afrekening van de gebruikte uren wordt gemaakt over de periode gaande van 1 september tot 31 augustus van het volgende jaar. Art. 53. § 1. Zonder afbreuk te doen aan het erkende initatiefrecht van de arbeiders of hun vertegenwoordigers, behoort de toepassingsmoge lijkheid van de door deze titel georganiseerde opleidingsregelingen in de onderneming tot de beoordelingsbevoegdheid van de werkgever. Arbeiders van de bij artikel 1 bedoelde ondernemingen die laagge schoold zijn of die niet over voldoende beroepsbekwaamheid beschik ken, hebben voorrang bij de toegang tot de opleidingsregelingen die door deze titel worden georganiseerd. § 2. De werkgever kan eveneens deelnemen aan de opleiding georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van deze titel. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ betaalt de kosten voor de organisatie van de beroepsopleiding overeenkomstig artikel 69 van deze overeenkomst. Art. 54. De arbeider, die betrokken is bij de toepassing van een conform deze titel georganiseerde opleidingsregeling in de onder neming, heeft, ten laste van zijn werkgever, recht op de betaling van zijn normale loon voor de uren opleiding die in toepassing van deze regelingen worden verstrekt. HOOFDSTUK II. — De opleidingsplanning Art. 55. De opleidingsplanning heeft tot doel de voortdurende opleiding van de arbeiders te bevorderingen door het opstellen van opleidingsplannen in de bij artikel 1 van deze overeenkomst bedoelde ondernemingen. De opleidingsplanning heeft eveneens tot doel de efficiëntie van de programmering en de organisatie van de door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ erkende opleidingen te verbeteren. Art. 56. § 1. Het opleidingsplan bepaalt, rekening houdend met de collectieve noden van de onderneming op het vlak van de opleiding van de arbeiders : — de in onderneming uitgeoefende beroepen of functies waarvoor een nood aan opleiding zich manifesteert; — per beroep of functie, het aantal arbeiders dat betrokken is bij het opleidingsplan; — de programma’s en het aantal opleidingsuren voor elk van de in het plan bedoelde beroepen of functies; — het ogenblik, binnen de periode van één jaar, waarop de verschillende opleidingsprogramma’s zullen doorgaan. § 2. Elk opleidingsprogramma dat in het opleidingsplan van de onderneming is vastgesteld, bedraagt minimaal 32 en maximaal 180 uren. Een opleidingsprogramma kan samengesteld zijn uit verschillende modules van technische vorming, algemene vorming of veiligheidsop leiding op voorwaarde dat die modules verband houden met de taken die in de onderneming worden uitgevoerd en dat zij behoren tot de categorieën opleiding die door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ worden erkend. De verschillende opleidingsmodules mogen korter duren dan de minimale duur die artikel 1 voorschrijft, op voorwaarde dat zij samen deze minimumduur bereiken. § 3. Het geheel van opleidingsprogramma’s, vastgesteld door dit opleidingsplan, mag niet meer bedragen dan 180 uren per arbeider en per jaar. Het jaar loopt van 1 september tot 31 augustus van het volgende jaar. Art. 51. La présente section n’est pas applicable au régime du parrainage organisé dans le cadre du contrat de travail conclu entre l’employeur et le jeune ouvrier visé à l’article 36, § 2 de la présente convention, sauf si ce jeune ouvrier est engagé dans une autre entreprise que celle où il a terminé avec succès son apprentissage. TITRE III. — Régimes de formation et d’emploi des travailleurs CHAPITRE Ier. — Dispositions générales Art. 52. Les régimes de formation des travailleurs sont des régimes sectoriels qui assurent la promotion de la formation professionnelle des ouvriers occupés dans les entreprises visées à l’article 1er par la mise à disposition de ces entreprises d’un crédit annuel de 640 000 heures de formation. Le décompte annuel des heures utilisées est établi sur la période allant du 1er septembre au 31 août de l’année suivante. Art. 53. § 1er. Sans préjudice du droit d’initiative reconnu aux travailleurs ou à leurs représentants, le recours dans l’entreprise aux régimes de formation organisés par le présent titre relève du pouvoir d’appréciation de l’employeur. Un accès prioritaire aux régimes de formation organisés par le présent titre est réservé à ceux des ouvriers occupés dans les entreprises visées à l’article 1er qui sont peu qualifiés ou qui ne disposent pas d’une qualification suffisante. § 2. L’employeur peut également prendre part à une formation organisée conformément aux dispositions du présent titre. Le ″Fonds de formation de la construction″ prend en charge les coûts relatifs à l’organisation de cette formation professionnelle conformément à l’article 69 de la présente convention. Art. 54. L’ouvrier concerné par l’application d’un régime de forma tion organisé conformément aux dispositions du présent titre a droit, à charge de l’employeur, au paiement de sa rémunération normale pour les heures de formation dispensées en application de ces régimes. CHAPITRE II. — Le régime de la formation planifiée Art. 55. Le régime de la formation planifiée a pour objet de promouvoir la formation permanente des ouvriers par l’adoption de plans de formation au sein des entreprises visées à l’article 1er de la présente convention. Le régime de la formation planifiée a également pour but d’accroître l’efficacité de la programmation et de l’organisation des formations agréées par le ″Fonds de formation de la construction″. Art. 56. § 1er. Tenant compte des besoins collectifs de l’entreprise en matière de formation des ouvriers, le plan de formation détermine : — les types de métiers ou de fonctions exercés dans l’entreprise, pour lesquels un besoin de formation se manifeste; — le nombre de travailleurs, par type de métier ou de fonction, concernés par le plan de formation; — les programmes et le nombre d’heures de formation pour chacun des métiers ou fonctions dis-tincts visés par le plan; — les moments de la période annuelle prévus pour l’application des divers programmes de formation. § 2. Chaque programme de formation déterminé par le plan de formation de l’entreprise a une durée minimale de 32 heures et une durée maximale de 180 heures. Un programme de formation peut être composé de différents modules de formation technique, de formation générale et/ou de formation en matière de sécurité à la condition que ces modules se rapportent aux tâches qui sont exécutées dans l’entreprise et qu’ils relèvent des catégories de formations reconnues par le ″Fonds de formation de la construction″. Les différents modules de formation peuvent avoir une durée inférieure à la durée minimale prévue à l’alinéa 1er pour autant que leur regroupement permette d’atteindre la durée minimale prévue à l’alinéa 1er. § 3. L’ensemble des programmes de formation déterminé par le plan de formation ne peut excéder une durée de 180 heures par travailleur et par année débutant le 1er septembre et se terminant le 31 août de l’année civile suivante. 68446 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 57. Ten behoeve van de kleine en middelgrote ondernemingen stel het fonds modellen van opleidingsprogramma’s op die in de opleidingsplannen, die in de ondernemingen worden aangenomen, kunnen worden ingevoegd. De bij artikel 1 bedoelde ondernemingen kunnen tot de geprogrammeerde opleidingen van de F.V.B.-regio’s toetreden door het aannemen van een vereenvoudigd opleidingsplan. Het vereenvoudigd opleidingsplan wordt opgesteld voor de duur van de geprogrammeerde opleiding. Dit plan vermeldt de bij de opleiding betrokken beroepen of functies, het aantal aan de opleiding deelnemende arbeiders en de periode waarin deze opleiding zal worden verstrekt. HOOFDTUK III. — Het stelsel van de opleidingen van korte duur Art. 58. Het toepassingen van het stelsel van de opleidingen van korte duur is slechts toegestaan voor de organisatie van beroepsoplei dingsmodules die verband houden met de uitvoering van de taken van de in artikel 1 bedoelde onderneming of van modules voor de opleiding inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. Art. 59. De in artikel 58 bedoelde opleidingsmodules mogen niet langer duren dan 32 uren per arbeider en per jaar dat begint op 1 augustus van het volgende kalenderjaar. Art. 60. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ bepaalt : — de opleidingsmodules die kunnen worden toegepast in het kader van het stelsel van de opleidingen van korte duur; — de erkenningsvoorwaarden van de opleidingscentra die belast zijn met de uitvoering van deze opleidingsmodules; — de voorwaarden waarbij de uitzendkrachten technische- of beroepsopleidingen kunnen volgen tijdens de duur tijd van hun uitzendcontract. HOOFDSTUK IV. — Specifieke regels voor de opleidingen inzake veiligheid Art. 61. Een in artikel 55 bedoeld opleidingsprogramma of een in artikel 58 bedoelde opleiding van korte duur mag geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de veiligheid van de werknemers voor zover : — de opleidingsmodules inzake veiligheid behoort tot de categorie van door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, na advies van het Nationale Actiecomité voor de Veiligheid in de Bouwnijverheid (NAVB), erkende opleidingen; — de opleidingsmodule inzake veiligheid gegeven wordt in een door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ erkend opleidings centrum. Art. 62. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, in samenspraak met de raad van bestuur van het Nationaal Actiecomité voor de veiligheid in het bouwbedrijf, keurt de lijst goed van de opleidingsmodules met betrekking tot de veiligheid van de werknemers die in het kader van artikelen 55 en 58 kunnen worden toegepast. De bij lid 1 bedoelde lijst bevat meer bepaald de modules, gericht op de aangeworven jonge werknemers in de onderneming. Art. 63. Voor de uitwerking van de opleidingsmodules met betrek king tot de gezondheid, de veiligheid en de hygiëne van de werkne mers, kan het Nationaal Actiecomité voor de veiligheid in de bouwnij verheid de opleiding organiseren. Art. 64. De arbeiders die geen 5 jaren anciënniteit in de sector hebben, volgen een veiligheidsopleiding van minimaal 16 uren. Deze opleiding wordt verdeeld in 8 uren theoretische veiligheidsopleiding en 8 uren veiligheidsopleiding die specifiek gericht is op het beroep dat de arbeider in de onderneming uitoefent. Art. 65. Een specifieke collectieve arbeidsovereenkomst regelt de toepassing en de eventuele vrijstelling van de regels van artikel 64. HOOFDSTUK V. — Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 1. — Bepalingen inzake opleiding Art. 66. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ is belast met de organisatie van en de controle op de toepassing van de door deze titel georganiseerde opleidingsstelsels. § 2. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ stelt jaarlijks een evaluatieverslag op met de volgende gegevens : — de deelname van alle looncategorieën en leeftijdscategorieën aan de opleidingen; — de VCA-opleidingen en de kost ervan; — een actieprogramma voor het volgende jaar. Art. 57. Le fonds détermine, à l’intention des petites et moyennes entreprises, des modèles de programme de formation pouvant être insérés dans les plans de formation adoptés au sein de ces entreprises. Les entreprises visées à l’article 1er peuvent accéder aux régimes des formations programmées des régions F.F.C. par l’adoption d’un plan de formation simplifié. Le plan de formation simplifié est établi pour la durée de la formation programmée. Ce plan mentionne les métiers ou fonctions concernés par la formation, le nombre de travailleurs participant à la formation et la période au cours de laquelle cette formation sera donnée. CHAPITRE III. — Le régime des formations de courte durée Art. 58. Le recours au régime des formations de courte durée n’est autorisé que pour l’organisation de modules de formation profession nelle se rapportant à l’exécution des tâches exercées dans l’entreprise visée à l’article 1er, ou de modules de formation en matière de santé, sécurité et hygiène des travailleurs. Art. 59. Les modules de formation visés à l’article 58 ne peuvent excéder une durée de 32 heures par travailleur et par année débutant le 1er septembre et se terminant le 31 août de l’année civile suivante. Art. 60. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ détermine : — les modules de formation pouvant être appliqués dans le cadre du régime des formations de courte durée; — les conditions d’agrément des centres de formation chargés de la mise en œuvre de ces modules de formation; — les conditions selon lesquelles les travailleurs intérimaires pour ront suivre des formations techniques ou professionnelles pendant la durée de leur contrat de travail intérimaire. CHAPITRE IV. — Règles spécifiques aux formations en matière de sécurité Art. 61. Un programme de formation visé à l’article 55 ou une formation de courte durée visée à l’article 58 peuvent se rapporter, en tout ou en partie, à la formation en matière de sécurité des travailleurs, pour autant que : — le module de formation en matière de sécurité relève des catégories de formations agréées par le ″Fonds de formation de la construction″, après avis du Comité national d’action pour la sécurité dans la construction (CNAC); — le module de formation en matière de sécurité soit donné dans un centre de formation agréé par le ″Fonds de formation de la construc tion″. Art. 62. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ approuve, en accord avec le conseil d’administration du Comité national d’action pour la sécurité dans la construction, la liste des modules de formation en matière de sécurité des travailleurs qui peuvent être appliqués dans le cadre des articles 55 et 58. La liste visée à l’alinéa 1er comporte notamment des modules de formation à l’attention des jeunes travailleurs engagés dans les entreprises. Art. 63. Pour la mise en œuvre des modules de formation en matière de sécurité des travailleurs, le Comité national d’action pour la sécurité dans la construction peut organiser la formation. Art. 64. Les ouvriers qui n’ont pas 5 ans d’ancienneté dans le secteur bénéficient d’une formation en matière de sécurité d’une durée minimale de 16 heures. Cette formation se répartit en 8 heures de formation théorique à la sécurité et en 8 heures de formation à la sécurité spécifique au métier que l’ouvrier exerce dans l’entreprise. Art. 65. Les modalités d’application et de dispense éventuelle aux règles établies par l’article 64 font l’objet d’une convention collective de travail spécifique. CHAPITRE V. — Dispositions communes Section 1re. — Dispositions relatives à la formation Art. 66. § 1er. Le ″Fonds de formation de la construction″ est chargé de l’organisation et du contrôle de l’application des régimes de formation organisés par le présent titre. § 2. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ établira un rapport d’évaluation annuel qui contiendra les données suivantes : — la participation de toutes les catégories salariales et de toutes les catégories d’âge aux formations; — les formations VCA, y compris leur coût; — un programme d’action pour l’année suivante. 68447BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Afdeling 2. — Gedeeltelijke terugbetaling van het loon van de vormingsdagen Art. 67. § 1. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ betaalt de werkgever, volgens de voorwaarden van dit artikel en binnen de grenzen van de beschikbare middelen, een bedrag van 20,00 EUR per uur effectief gevolgde opleiding. § 2. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ stelt de modaliteiten en de termijn van de in § 1 bedoelde terugbetaling vast. Art. 68. De effectieve deelname van de arbeiders wordt door het bevoegde opleidingscentrum bewezen of in geval van opleiding in de onderneming door een bij de raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ aangeduide verantwoordelijke instantie. Art. 69. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ betaalt de kosten voor de organisatie van de beroepsopleiding in het bevoegde vormingscentrum terug tot 10,00 EUR per uur. Indien de werkgever de kosten betaald voor het behalen van een certificaat van verworven competenties of attest VCA, dient de arbeider deze kosten terug te betalen indien hij tijdens het jaar na het behalen van het certificaat of attest de onderneming vrijwillig verlaat of ontslagen wordt wegens dringende reden. Art. 70. De werkgever voor wie de toepassing van het in artikel 91, § 2, vermelde sectoraal systeem geldt, heeft recht op een voorafbetaling van de bedragen die volgens dit systeem verschuldigd zijn. Afdeling 3. — Procedureregels Art. 71. Een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst regelt de bijzondere voorwaarden voor de toepassing van de door deze titel georganiseerde opleidingsstelsels. TITEL IV. — Aanvullende stelsels en maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling HOOFDSTUK I. — Valorisatie van de sectorale opleidingen en ontwikkeling van specifieke opleidingsprogramma’s Afdeling 1. — Het opleidingspasje Art. 72. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ geeft de arbeiders van de in artikel 1 bedoelde ondernemingen die een door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ erkende opleiding volgden, een opleidingspasje. Het opleidingspasje vermeldt met name het type en de duur van de gevolgde opleidingen alsook de perioden waarin en de plaats waar de opleidingen werden verstrekt. Art. 73. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ stelt het model van opleidingspasje vast. Deze raad stelt eveneens de bijkomende modaliteiten voor de afgifte van het opleidingspasje vast. Afdeling 2. — De opleiding van de ongeschoolde arbeiders Art. 74. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ stelt specifieke opleidingsmodules op die afgestemd zijn op de arbeiders van de in artikel 1 bedoelde ondernemingen die geen enkele beroeps bekwaamheid hebben. De raad van bestuur van het fonds spreekt zich uit over de natuur en de duur van deze bij lid 1 bedoelde specifieke modules. De specifieke opleidingsmodules kunnen vanaf 1 september 2005 worden gebruikt. Afdeling 3. — De winteropleidingen Art. 75. De werkgever die het initiatief neemt om beroep te doen op de winteropleidingen, waarvan de uitvoering wordt gecoördineerd door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, kan deze regeling slechts toepassen na uitputting van het recht van de onderne ming op de toepassing van de door titel III van deze collectieve arbeidsovereenkomst georganiseerde opleidingsregelingen. Section 2. — Remboursement partiel de la rémunération des journées de formation Art. 67. § 1er. Dans les conditions déterminées par le présent article et dans les limites des disponibilités budgétaires, le ″Fonds de formation de la construction″ rembourse à l’employeur un montant de 20,00 EUR par heure de formation effectivement suivie. § 2. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ arrête les modalités et délai du remboursement visé au § 1er. Art. 68. La participation effective des ouvriers est attestée par le centre de formation compétent ou, en cas de formation dans l’entre prise, par une autorité déterminée par le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″. Art. 69. Le ″Fonds de formation de la construction″ prend en charge les coûts relatifs à l’organisation de la formation professionnelle dans le centre de formation compétent jusqu’à concurrence de 10,00 EUR par heure. Si, à l’occasion de l’obtention d’un certificat de compétences acquises ou d’une attestation VCA, le coût de ce certificat ou de cette attestation a été pris en charge par l’employeur, l’ouvrier est tenu de rembourser ce coût si, dans l’année à compter à partir de l’obtention de ce certificat ou de cette attestation, il quitte volontairement l’entreprise ou est licencié pour motif grave. Art. 70. L’employeur qui bénéficie de l’application du système sectoriel mentionné à l’article 91, § 2 a droit à un paiement anticipé des sommes dues en application de ce système. Section 3. — Règles de procédure Art. 71. Une convention collective de travail distincte détermine les modalités particulières d’application des régimes de formation orga nisés par le présent titre. TITRE IV. — Régimes et mesures complémentaires de promotion de l’emploi CHAPITRE Ier. — La valorisation des formations sectorielles et le développement de programmes spécifiques de formation Section 1re. — Le passeport de formation Art. 72. Le ″Fonds de formation de la construction″ délivre un passeport de formation aux ouvriers des entreprises visées à l’article 1er qui ont suivi une formation agréée par le ″Fonds de formation de la construction″. Le passeport de formation mentionne notamment le type et la durée des formations suivies ainsi que les périodes et endroits où les formations ont été dispensées. Art. 73. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ arrête le modèle du passeport de formation. Ce conseil détermine également les modalités complémentaires de délivrance du passeport de formation. Section 2. — Formation des travailleurs non qualifiés Art. 74. Le ″Fonds de formation de la construction″ établit des modules spécifiques de formation adaptés aux ouvriers des entreprises visées à l’article 1er qui ne disposent d’aucune qualification profession nelle. Le conseil d’administration du fonds se prononce sur la nature et la durée des modules spécifiques visés à l’alinéa 1er. Les modules spécifiques de formation peuvent être utilisés à partir du 1er septem bre 2005. Section 3. — Les formations hivernales Art. 75. L’employeur qui prend l’initiative du recours au régime des formations hivernales, dont la mise en œuvre est coordonnée par le ″Fonds de formation de la construction″, ne peut bénéficier de l’application de ce régime qu’après épuisement du droit de l’entreprise à l’application des régimes de formation organisés par le titre III de la présente convention. 68448 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Afdeling 4. — De tewerkstellings- en opleidingspremies Art. 76. § 1. Een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst regelt de toekenning van tewerkstellings- of opleidingspremies aan de werkgevers van de bouw en aan hun arbeiders. § 2. Voor de opleidingsdagen die worden georganiseerd bij toepas sing van de bij titel III van deze overeenkomst bepaalde regelingen hebben de arbeiders geen recht op de premies voorzien in de bij paragraaf 1 bedoelde collectieve arbeidsvoorwaarden. § 3. De bij de artikelen 46 en 67, § 1 van dezeovereenkomst bedoelde voordelen mogen niet worden gecumuleerd met de premies die werden vastgesteld bij de in paragraaf 1 bedoelde collectieve arbeidsovereen komst. HOOFDSTUK II. — De initiatieven ten voordele van de risicogroepen Art. 77. De inspanningen ten voordele van de ″risicogroepen bouw″ die worden geleverd in toepassing van de opeenvolgende overeenkom sten over de duurzame beroepsintegratie, herintegratie en opleiding van risicogroepen, worden voortgezet gedurende de toepassingspe riode van deze overeenkomst. De in lid 1 bedoelde inspanningen hebben hoofdzakelijk betrekking op de inschakeling van ongeschoolde of laaggeschoolde jongeren, op de opleiding van laaggeschoolde arbeiders en op de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven met het onderwijs. Een collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de integratie, her integratie en opleiding van risicogroepen omschrijft de inhoud van de in de vorige leden bedoelde inspanningen nader. Art. 78. Tijdens de toepassingsperiode van deze overeenkomst zullen bijkomende inspanningen worden geleverd ten voordele van volgende specifieke categorieën van de ″risicogroepen bouw″ : — de personen die zich in de situatie bevinden van opleiding door werken of van inschakeling in initiatieven die tot de sociale economie behoren; — de langdurig werklozen die een basisopleiding bouw volgen; — de werkzoekenden van minstens 45 jaar die een basisopleiding bouw volgen. De bepalingen van dit hoofdstuk stellen de algemene beginselen vast van de initiatieven die moeten worden genomen ten voordele van de in lid 1 bedoelde specifieke categorieën; deze beginselen worden uitge voerd door de bepalingen van de in artikel 77, lid 3 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst. Afdeling 1. — De initiatieven in het vlak van de sociale economie Art. 79. De in toepassing van deze afdeling te ontwikkelen initiatie ven hebben tot doel de overgang te stimuleren en te organiseren van personen die een opleiding of een inschakeling volgen in een project van de sociale economie, hierna ″de stagiairs in opleiding of inschake ling″ genoemd, naar een volledige beroepsopleiding van de bouwsector en naar de tewerkstelling in een in artikel 1 bedoelde onderneming. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ coördineert de initiatieven die aan het in lid 1 bepaalde objectief van overgang beantwoorden. Art. 80. Bij het uitdenken en organiseren van de bij artikel 79 bedoelde overgangsinitiatieven, moet rekening worden gehouden met de verschillen in opleidings- of vooropleidingsniveau in de groepen van stagiairs in opleiding of inschakeling. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ bepaalt, rekening houdend met de in artikel 79 bepaalde doelstelling, de natuur van voormelde overgangsinitiatieven. Art. 81. De in toepassing van deze afdeling georganiseerde over gangsinitiatieven zijn van toepassing op de stagiairs in opleiding of inschakeling in een organisme van de sociale economie dat een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. De in lid 1 bedoelde overeenkomst bepaalt met name de verplichtin gen die de promotor van het project van de sociale economie heeft in het kader van zijn actieve medewerking aan de realisatie van het overgangsobjectief dat nagestreefd wordt door de samenwerkingsover eenkomst. De in lid 1 bedoelde overeenkomst moet, op eenparig advies van het uitvoerend bureau van de bevoegde F.V.B.-regio, worden goedgekeurd door de raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″. Section 4. — Les primes à l’emploi ou à la formation Art. 76. § 1er. Une convention collective de travail distincte régle mente l’octroi de primes à l’emploi ou à la formation aux employeurs de la construction et à leurs ouvriers. § 2. Pour les journées de formation organisées en application des régimes de formation définis par le titre III de la présente convention, les ouvriers n’ont pas droit à l’octroi des primes déterminées par la convention collective de travail visée au paragraphe 1er. § 3. Les avantages visés aux articles 46 et 67, § 1er de la présente convention ne peuvent pas être cumulés avec les primes déterminées par la convention collective de travail visée au § 1er. CHAPITRE II. — Les actions en faveur de groupes à risques spécifiques Art. 77. Les efforts en faveur des ″groupes à risques construction″, entrepris en application des conventions successives relatives à l’inser tion durable, la réinsertion et la formation professionnelle des groupes à risques, seront poursuivis durant la période d’application de la présente convention. Les efforts visés à l’alinéa 1er portent principalement sur l’insertion des jeunes peu ou non qualifiés, sur la formation des travailleurs peu qualifiés et sur le développement d’actions de partenariat avec les réseaux d’enseignement. Une convention collective de travail relative à l’insertion, la réinser tion et la formation professionnelle des groupes à risques précise le contenu des efforts, visés aux alinéas précédents. Art. 78. Au cours de la période d’application de la présente convention, des efforts supplémentaires seront développés en faveur des catégories spécifiques suivantes des ″groupes à risques construc tion″ : — les personnes en situation de formation par le travail ou d’insertion dans des initiatives relevant du domaine de l’économie sociale; — les chômeurs de longue durée qui suivent une formation de base construction; — les demandeurs d’emploi âgés de 45 ans au moins qui suivent une formation de base construction. Les dispositions du présent chapitre déterminent les principes généraux des actions à entreprendre en faveur des catégories spécifi ques, visées à l’alinéa 1er; ces principes sont mis en œuvre par les dispositions de la convention collective de travail visée à l’article 77, alinéa 3. Section 1ère. — Les actions dans le domaine de l’économie sociale Art. 79. Les actions à développer en application de la présente section ont pour objet de stimuler et d’organiser la transition des personnes en situation de formation ou d’insertion dans des projets relevant de l’économie sociale, ci-après dénommées ″les stagiaires en formation ou insertion″, vers une formation professionnelle complète du secteur de la construction et vers l’emploi dans une entreprise visée à l’article 1er. Le ″Fonds de formation de la construction″ coordonne les actions qui répondent à l’objectif de transition défini à l’alinéa 1er. Art. 80. Les actions de transition, visées à l’article 79 doivent être conçues et organisées en tenant compte des différences de niveaux de formation ou de préformation au sein des groupes de stagiaires en formation ou insertion. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ détermine la nature des actions de transition précitées, en tenant compte de l’objectif défini à l’article 79. Art. 81. Les actions de transition organisées en application de la présente section sont applicables aux stagiaires en formation ou insertion dans une institution d’économie sociale qui a conclu une convention de collaboration avec le ″Fonds de formation de la construction″. La convention, visée à l’alinéa 1er, détermine notamment les obliga tions qui s’imposent au promoteur du projet d’économie sociale dans le cadre de sa participation active à la réalisation de l’objectif de transition poursuivi par la convention de collaboration. La convention visée à l’alinéa 1er est soumise à l’approbation du conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″, sur avis unanime du bureau exécutif de la région F.F.C. compétente. 68449BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Afdeling 2. — Hulp bij de opleiding van de langdurig werklozen Art. 82. De initiatieven die in toepassing van deze afdeling worden ontwikkeld, hebben tot doel de overgang van de bij artikel 83 bedoelde langdurig werklozen en werkzoekenden van minstens 45 jaar naar een tewerkstelling in een bij artikel 1 bedoelde onderneming te bevorderen. Art. 83. de langdurig werklozen die onder de toepassing van deze afdeling vallen, zijn de reeds minstens 6 maanden werkloze werkzoe kenden die met succes een basisopleiding bouw van minimum 344 uren hebben gevolgd in een door het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ erkend opleidingscentrum. Het programma van deze basisopleiding bouw moet een opleidingsmodule veiligheid bevatten, gevolgd door een examen VCA. Art. 84. Het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ kent het voormelde erkende opleidingscentrum een doorstromingspremie van 250,00 EUR toe per in artikel 83 bedoelde langdurig werkloze die wordt aangeworven in een bij artikel 1 bedoelde onderneming. De bij artikel 77, lid 3 vermelde collectieve arbeidsovereenkomst omschrijft de toekenningsmodaliteiten van de in lid 1 bedoelde doorstromingspremie nader. Art. 85. De bij artikel 84 bedoelde doorstromingspremie is van toepassing vanaf 1 september 2005. HOOFDSTUK III. — Bevordering van de sectorale opleidings- en tewerk stellingsstelsels en organisatie van de initiatieven van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ op lokaal vlak Afdeling 1. — De regionale cellen van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ Art. 86. § 1. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″, is, voor de uitvoering van de bij paragraaf 2 bedoelde taken, belast met het hergroeperen van de regionale cellen van het fonds, hierna de ″F.V.B.-regio’s″ genoemd, in eenheden die over een uitgestrektere territoriale bevoegdheid beschikken. Deze eenheden, hierna ″de F.V.B.-regio’s″ genoemd, waarvan het aantal wordt beslist door de raad van bestuur van het fonds, behouden de benaming FVB-regio en worden onder de verantwoordelijkheid van een regionale manager en een uitvoerend bureau gebracht. Dit bureau is paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de patronale en syndicale organisaties van de bouwsector. § 2. De taken van de F.V.B.-regio’s worden als volgt omschreven : — de samenwerking met het dagonderwijs met volledig leerplan; — de samenwerking in het kader van de organisatie en opvolging van het jongerenleerlingwezen, het bouwleerlingwezen en de peter schapsregeling; — de samenwerking in het kader van de toepassing van de opleidingen van korte duur en de opleidingsplanning; — de samenwerking voor de ontwikkeling van de sectorale initiatie ven ten voordele van de ″risicogroepen bouw″; — de verzameling van alle nuttige inlichtingen inzake de provinciale sectorale arbeidsmarkt en de bouwinterim alsook het regelmatig opstellen van een lijst van de vraag naar bouwcompetenties die niet konden beantwoord worden op de arbeidsmarkt. § 3. De bij artikel 77, lid 3 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst omschrijft nader de inhoud van de samenwerking in het kader van de initiatieven ten voordele van de ″risicogroepen bouw″. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ bepaalt de inhoud van de andere bij § 1 bedoelde groepen van taken. Hij kan eveneens een voorrangsregeling vaststellen in de uitvoering van de verschillende taken. § 4. Naast de uitvoering van de hen in toepassing van § 2 toegewezen taken, spannen de gehergroepeerde F.V.B.-regio’s zich in het algemeen in voor de bevordering van de bouwopleidingen en om de beroeps oriëntale van met name de jongeren naar de bouwsector te stimuleren. De F.V.B.-regio’s spannen zich eveneens in om de bijzonderheden van de plaatselijke arbeidsmarkt te analyseren en er de gevolgen uit te trekken voor de volbrenging van de bij lid 1 bedoelde algemene promotieactie. Section 2. — L’aide à la formation des chômeurs de longue durée Art. 82. L’action développée en application de la présente section a pour objet de promouvoir la transition des chômeurs de longue durée et des demandeurs d’emplois âgés de 45 ans au moins, visés à l’article 83, vers un emploi dans une entreprise visée à l’article 1er. Art. 83. Les chômeurs de longue durée concernés par l’application de la présente section sont les demandeurs d’emploi en chômage depuis 6 mois au moins qui ont suivi avec succès une formation de base construction de 344 heures minimum auprès d’un centre de formation agréé par le ″Fonds de formation de la construction″. Le programme de cette formation de base construction doit comporter un module de formation en matière de sécurité suivie d’un examen VCA. Art. 84. Le ″Fonds de formation de la construction″ octroie au centre de formation agréé précité une prime de transition de 250,00 EUR par chômeur de longue durée, visé à l’article 83, qui est engagé dans une entreprise, visée à l’article 1er. La convention collective de travail mentionnée à l’article 77, alinéa 3 précise les modalités d’octroi de la prime de transition, visée à l’alinéa 1er. Art. 85. Le régime de la prime de transition déterminé par l’article 84 est applicable à partir du 1er septembre 2005. CHAPITRE III. — La promotion des régimes sectoriels de formation et d’emploi et l’organisation des actions du ″Fonds de formation de la construction″ au plan local Section 1re. — Les cellules régionales du ″Fonds de formation de la construction″ Art. 86. § 1er. Pour l’exécution des missions visées au paragraphe 2, le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ est chargé de regrouper les cellules régionales du fonds, ci-après dénommées ″les régions F.F.C. » en unités disposant d’une compétence territoriale plus étendue. Ces unités, ci-après dénommées ″les régions F.F.C. » , dont le nombre est arrêté par le conseil d’administration du fonds, sont placées sous la responsabilité d’un manager régional et d’un bureau exécutif, composé, de manière paritaire, de représentants des organisations patronales et syndicales du secteur de la construction. § 2. Les missions des régions F.F.C. sont réparties comme suit : — les missions de collaboration avec l’enseignement de jour de plein exercice; — les missions de collaboration dans le cadre de l’organisation et du suivi des régimes de l’apprentissage des jeunes, de l’apprentissage construction et du parrainage; — les missions de collaboration dans le cadre de l’application des régimes des formations courtes et de la formation planifiée; — les missions de collaboration au développement des actions sectorielles en faveur des ″groupes à risques construction″; — la collecte de toute l’information utile sur le marché du travail sectoriel provincial et sur l’intérim construction, ainsi que l’établisse ment régulier d’une liste des offres d’emploi qui n’ont pas pu trouver de candidats sur le marché du travail. § 3. La convention collective de travail, visée à l’article 77, alinéa 3, précise le contenu des missions de collaboration menées dans le cadre des actions en faveur des ″groupes à risque construction″. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construc tion″ détermine le contenu des autres groupes de missions visés au § 1er. Il peut également déterminer un ordre de priorité dans l’accomplissement des diverses missions. § 4. En marge de l’exercice des missions qui leur sont confiées en application du § 2, les régions F.F.C. s’efforcent de manière générale de promouvoir la formation dans les métiers de la construction et de stimuler l’orientation professionnelle, notamment des jeunes, vers les emplois dans le secteur de la construction. Les régions F.F.C. s’efforcent également d’analyser les particularités du marché local du travail et d’en tirer les enseignements pour l’accomplissement de l’action générale de promotion visée à l’alinéa 1er. 68450 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Afdeling 2. — De bevordering van de sectorale opleidings entewerkstellingsregelingen Art. 87. De lokale patronale en syndicale organisaties van de bouwsector werken mee aan de door de FVB-regio’s en de gehergroe peerde F.V.B.-regio’s ontwikkelde initiatieven. Deze organisaties dienen met name, overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, de opleiding stabellen van de ondernemingen in. De bij lid 1 bedoelde organisaties voeren eveneens specifieke informatieacties over de sectorale opleidings- en tewerkstellingsrege lingen, met name ter attentie van hun leden. Art. 88. De raad van bestuur van het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ spreekt zich uit over het bedrag van de financiële middelen die kunnen worden toegekend voor de bij artikel 87 bedoelde samenwerkingen en specifieke acties. Deze raad bepaalt tevens de voorwaarden en toekenningsmodaliteiten van de financiële tussenkom sten aan de organisaties die deze samenwerkingen en specifieke acties opzetten. HOOFDSTUK IV. — Verbetering van de doorstroming van de afgestudeerden naar de bouwsector Art. 89. § 1. Na consultatie van de regionale oriëntatiegroepen binnen het F.V.B. zal de raad van bestuur van het F.V.B. een nieuwe samenwerkingsovereenkomst met het onderwijs opstellen, met als voornaamste doelstelling de doorstromingscijfers van afgestudeerden naar de bouwsector te verbeteren. Deze samenwerkingsovereenkomst dient te voorzien in twee soorten overeenkomsten. — het uitgebreide convenant, voor de scholen die voldoen aan een aantal kwaliteitscriteria (onder andere minimale bezettingsgraad, 9 weken stages en stagebegeleiding); — het basisconvenant voor die scholen of secties die aan deze kwaliteitscriteria niet voldoen. Ook wordt voorzien in een overgangs regeling van twee jaar. In beide gevallen worden de financiële middelen vooral gebaseerd op de doorstromingscijfers. § 2. Opdat deze doorstroming naar de bouwsector optimaal zou verlopen en opdat de stages in optimale omstandigheden zou verlopen, leggen de werkgeversorganisaties een databank aan met de gegevens van de werkgevers uit de bouwsector. Art. 90. Ten einde de doorstroomcijfers en de dooraan verbonden financiële steun correct te berekenen, zullen de scholen met een samenwerkingsovereenkomst met de sector aan het F.V.B. bij het begin van het schooljaar een opgave overmaken van de leerlingen in de 3de graad. TITEL V. — Slotbepalingen Art. 91. § 1. Onder voorbehoud van bekrachtiging door het Paritair Comité voor het bouwbedrijf erkent het ″Fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid″ de theoretische opleidingen die worden georgani seerd in uitvoering van hoofdstuk II van titel II en van hoofdstuk II van titel III met het oog op de toepassing van de regeling betaald educatief verlof. § 2. Een sectoraal stelsel van ″terugbetaling-indeplaatsstelling″ wordt ingevoerd in het kader van de toepassing van de bij paragraaf 1 bepaalde regelingen. De werkgevers die schuldenaar zijn van het ″Fonds voor bestaanze kerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf″, inclusief het stelsel van de weerverlet- en getrouwheidszegels, zijn uitgesloten van de toepas sing van het bij deze paragraaf bedoelde sectorale stelsel. De raad stemt in met de toepassing van de in § 1 bedoelde terugbetaling aan de werkgevers die schuldenaar geworden zijn van het ″Fonds voor bestaanszekerheid van werklieden uit het bouwbe drijf″ en hun toestand in orde hebben gebracht. Art. 92. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten voor een bepaalde duur. Ze treedt in werking op 1 juli 2005 en loopt af op 31 augustus 2009. § 2. Ze behoudt echter haar uitwerking tijdens de looptijd van de overeenkomsten die tijdens de in lid 1 vastgestelde geldigheidsperiode werden gesloten overeenkomstig de bepalingen van titel II. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 24 september 2006. De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Section 2. — La promotion des régimes sectoriels de formation et d’emploi Art. 87. Les organisations patronales et syndicales du secteur de la construction, établies au plan local, collaborent aux actions développées par les régions F.F.C.. Ces organisations introduisent notamment les tableaux de formation des entreprises, conformément aux dispositions de l’article 8. Les organisations visées à l’alinéa 1er mènent également des actions spécifiques d’information sur les régimes sectoriels de formation et d’emploi, notamment à l’intention de leurs membres. Art. 88. Le conseil d’administration du ″Fonds de formation de la construction″ se prononce sur le montant des moyens budgétaires pouvant être affectés aux collaborations et actions spécifiques visées à l’article 87. Ce conseil arrête également les conditions et modalités d’octroi des interventions financières aux organisations qui mènent ces collaborations et actions spécifiques. CHAPITRE IV. — L’amélioration de la transition des diplômés de l’enseignement vers le secteur de la construction Art. 89. § 1er. Après consultation des groupes d’orientation régionaux du F.F.C., le conseil d’administration du F.F.C. élaborera une nouvelle convention de partenariat avec l’enseignement, avec pour principal objectif d’améliorer les chiffres relatifs à la transition des jeunes diplômés vers le secteur de la construction. Cette convention de partenariat doit prévoir deux sortes de conven tions : — l’accord de partenariat pour les écoles qui satisfont à une série de critères de qualité (entre autres degré minimal d’occupation, stages de 9 semaines et accompagnement des stagiaires); — la convention d’accompagnement pour les écoles ou sections qui ne satisfont pas à ces critères de qualité. Un régime transitoire de deux ans est également prévu. Dans les deux cas, les moyens financiers seront liés aux statistiques de transition. § 2. Pour que cette transition des jeunes vers le secteur et que les stages se déroulent dans des conditions optimales, les organisations patronales constitueront une banque de données reprenant les coordon nées des employeurs de la construction. Art. 90. Afin de déterminer correctement les statistiques d’insertion et les moyens financiers qui y sont liés, les écoles liées par une convention de partenariat transmettent au F.F.C. au début de l’année scolaire un relevé des élèves du 3ème degré. TITRE V. — Dispositions finales Art. 91. § 1er. Sous réserve de ratification par la Commission paritaire de la construction, le ″Fonds de formation de la construction″ procède à la reconnaissance des formations théoriques organisées en exécution du chapitre II du titre II et du chapitre II du titre III en vue de l’application du régime du congé-éducation payé. § 2. Un système sectoriel de ″remboursement-subrogation″ est mis en œuvre dans le cadre de l’application des régimes visés au para graphe 1er. Les employeurs qui sont débiteurs envers le ″Fonds de sécurité d’existence des ouvriers de la construction″, en ce compris le régime des timbres fidélité et intempéries, sont exclus de l’application du système sectoriel visé par le présent paragraphe. Le conseil autorise l’application du remboursement visé au § 1er aux employeurs qui, devenus débiteurs envers le ″Fonds de sécurité d’existence des ouvriers de la construction″, ont régularisé leur situation. Art. 92. § 1er. La présente convention collective de travail est conclue pour une durée déterminée. Elle entre en vigueur le 1er juillet 2005 et prend fin le 31 août 2009. § 2. Elle maintient toutefois ses effets pendant la durée de validité des conventions conclues en application des dispositions du titre II pendant la période de validité déterminée à l’alinéa 1er. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 24 septembre 2006. Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN 68451BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2006/203097]N. 2006 — 4904 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor de houthandel, betreffende de arbeidsvoorwaarden, de bevordering van de werkgelegenheid en de vormingsinitiatieven ten behoeve van risicogroepen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor de houthandel; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 1999, geslo ten in het Paritair Subcomité voor de houthandel, betreffende de arbeidsvoorwaarden, de bevordering van de werkgelegenheid en de vormingsinitiatieven ten behoeve van risicogroepen. Art. 2. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 27 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Subcomité voor de houthandel Collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 1999 Arbeidsvoorwaarden, bevordering van de werkgelegenheid en vor mingsinitiatieven ten behoeve van risicogroepen (Overeenkomst geregistreerd op 14 juli 1999 onder het nummer 51466/CO/125.03) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers die onder het Paritair Subcomité voor de houthandel ressorteren alsook op hun werklieden. Met ″werklieden″ bedoelt men : de werklieden en werksters. HOOFDSTUK II. — Juridisch kader Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten in uitvoe ring van hoofdstuk IV van titel III van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, in uitvoering van afdeling IV van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkge legenheid 1998 en houdende verschillende bepalingen en van het koninklijk besluit van 4 juni 1999. De collectieve arbeidsovereenkomst houdt eveneens rekening met de bepalingen van het interprofessioneel akkoord van 8 december 1998. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2006/203097]F. 2006 — 4904 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 28 juin 1999, conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois, relative aux conditions de travail, à la promotion de l’emploi, à la sauvegarde préventive de la compétitivité et aux initiatives de formation en faveur des groupes à risque (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 28 juin 1999, reprise en annexe, conclue au sein de la Sous commission paritaire pour le commerce du bois, relative aux conditions de travail, à la promotion de l’emploi, à la sauvegarde préventive de la compétitivité et aux initiatives de formation en faveur des groupes à risque. Art. 2. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Sous-commission paritaire pour le commerce du bois Convention collective de travail du 28 juin 1999 Conditions de travail, promotion de l’emploi, sauvegarde préventive de la compétitivité et initiatives de formation en faveur des groupes à risque (Convention enregistrée le 14 juillet 1999 sous le numéro 51466/CO/125.03) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs qui ressortissent à la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois, ainsi qu’à leurs ouvriers. Par ″ouvriers″, on entend : les ouvriers et ouvrières. CHAPITRE II. — Cadre juridique Art. 2. La présente convention collective de travail est conclue en exécution du chapitre IV du titre III de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l’emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, en exécution de la section IV de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d’action belge pour l’emploi 1998 et portant des dispositions diverses et de l’arrêté royal du 4 juin 1999. La convention collective de travail tient également compte des dispositions de l’accord interprofessionnel du 8 décembre 1998. 68452 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK III. — Loonsverhoging en wijziging van het indexeringsmechanisme Art. 3. Tijdens de duurtijd van deze collectieve arbeidsovereenkomst worden de lonen als volgt aangepast : — op 1 juli 1999 worden de lonen verhoogd met 2 BEF; — op 1 juli 2000 worden de lonen verhoogd met 3 BEF. Art. 4. Vanaf 1 juli 1999 worden de artikelen 2 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 augustus 1975 betreffende de koppeling van de lonen aan het indexcijfer, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 15 december 1975 (Belgisch Staatsblad van 14 februari 1976) als volgt aangevuld en vervangen : ″Art. 2. Vanaf 1 juli 1999 zijn de minimumuurlonen, alsook het gedeelte van de lonen dat daarboven wordt betaald, gebonden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen zoals het maandelijks bekendge maakt wordt voor het Rijk door het Ministerie van Economische Zaken en gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Art. 10. Indien vanaf 1 juli 1999 de toepassing van de indexering een negatief bedrag zou geven, wordt dit bedrag niet toegepast, maar aangerekend op toekomstige positieve indexeringen. In dat geval worden de minimumlonen van het volgend kwartaal aangepast, rekening houdend met het feit dat de noemer van de breuk gevormd wordt door de noemer dienstig voor de berekening van de lonen van het voorafgaand kwartaal. » HOOFDSTUK IV. — Syndicale premie Art. 5. Het bedrag van de syndicale premie, zoals vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 mei 1997 wordt verhoogd met 1 000 BEF en wordt vanaf 1999 gebracht op 4 500 BEF. Art. 6. Voor diegenen die een vergoeding van bijkomend pensioen genieten, alsook voor diegenen die genieten van het brugpensioen, wordt de syndicale premie verhoogd met 75 BEF per maand en aldus op 375 BEF per maand gebracht vanaf 1 juli 1999. HOOFDSTUK V. — Aanvangsloon Art. 7. Vanaf 1 juli 1999 wordt een aanvangsloon ingevoerd. Een beginnend ongeschoold arbeider, van 21 jaar of ouder, zonder enige kwalificatie noch beroepservaring in een van de sectoren van het hout, zal gedurende de eerste 9 maanden van zijn tewerkstelling een uurloon ontvangen dat 15 BEF lager ligt dan het uurloon van een ongeschoold arbeider. HOOFDSTUK VI. — Maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid Art. 8. De ondertekenende partijen bevelen maatregelen aan op ondernemingsvlak : — toegang tot halftijds brugpensioen vanaf 55 jaar; — bijkomende vorming en opleiding van de werknemers tijdens de werkuren. HOOFDSTUK VII. — Brugpensioen Art. 9. Overeenkomstig artikel 10, § 2 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, wordt de leeftijd voor het brugpensioen voor de arbeiders en arbeidsters vastgesteld op 58 jaar, en dit onder de voorwaarden zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 mei 1997, afgesloten in het Paritair Subcomité voor de houthandel. Om aanspraak te kunnen maken op de bijkomende vergoeding brugpensioen geregeld bij deze collectieve arbeidsovereenkomst, moet de afgedankte oudere werkman de volgende voorwaarden vervullen : — tenminste 58 jaar oud zijn op de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst die hem met een werkgever, bedoeld onder artikel 1, bindt; — afgedankt zijn, behalve om dringende redenen, door een werk gever bedoeld onder artikel 1 van deze collectieve arbeidsovereen komst; — de werkloosheidsvergoedingen genieten; — het wettelijk statuut van bruggepensioneerde genieten; — iedere door de reglementering betreffende het brugpensioen niet toegelaten beroepsactiviteit hebben stopgezet; — voor de oudere werklieden die geen zestig jaar zijn op de datum van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst : a) een tewerkstelling bewijzen van minstens tien jaren bij één of meerdere werkgevers die ressorteren onder één van de paritaire subcomités van het Paritair Comité voor de houtnijverheid (125.01, 125.02 en 125.03); CHAPITRE III. — Augmentation salariale et modification du mécanisme d’indexation Art. 3. Pour la durée de validité de cette convention collective de travail, les salaires sont adaptés comme suit : — au 1er juillet 1999, les salaires sont augmentés de 2 BEF; — au 1er juillet 2000, les salaires sont augmentés de 3 BEF. Art. 4. A partir du 1er juillet 1999, les articles 2 et 10 de la convention collective de travail du 20 août 1975 relative à la liaison des salaires à l’indice, rendue obligatoire par arrêté royal du 15 décembre 1975 (Moniteur belge du 14 février 1976), sont complétés et remplacés comme suit : ″Art. 2. A partir du 1er juillet 1999, les salaires minimums, ainsi que la partie des salaires qui est payée en sus, sont liés à l’indice des prix à la consommation comme établi mensuellement pour le Royaume par le Ministère fédéral des Affaires économiques et publié au Moniteur belge. Art. 10. Si, à partir du 1er juillet 1999, l’application de l’indexation donnait un montant négatif, ce montant n’est pas appliqué, mais sera imputé sur les indexations positives ultérieures. Dans ce cas, les salaires minimums du trimestre suivant sont adaptés, en tenant compte du fait que le dénominateur de la fraction est composé par le dénominateur servant au calcul des salaires du trimestre précédent. » . CHAPITRE IV. — Prime syndicale Art. 5. Le montant de la prime syndicale, comme fixé à la convention collective de travail du 6 mai 1997 est majoré de 1 000 BEF et porté à 4 500 BEF à partir de 1999. Art. 6. Pour ceux qui bénéficient d’une indemnité complémentaire de pension, ainsi que ceux qui bénéficient de la prépension, la prime syndicale est majorée de 75 BEF par mois et portée ainsi à 375 BEF par mois à partir du 1er juillet 1999. CHAPITRE V. — Salaires de départ Art. 7. A partir du 1er juillet 1999, un salaire de départ est instauré. Un ouvrier non qualifié débutant, de 21 ans ou plus, sans aucune qualification ni expérience professionnelle dans un des secteurs du bois recevra durant les 9 premiers mois de son engagement un salaire horaire inférieur de 15 BEF au salaire horaire d’un ouvrier non qualifié. CHAPITRE VI. — Mesures en faveur de l’emploi Art. 8. Les parties signataires recommandent les mesures suivantes au niveau de l’entreprise : — accès à la prépension à mi-temps à partir de 55 ans; — formation complémentaire des travailleurs pendant les heures de travail. CHAPITRE VII. — Prépension Art. 9. Conformément à l’article 10, § 2 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l’emploi, l’âge de la prépension des ouvriers et ouvrières est fixé à 58 ans, dans les conditions prévues par la convention collective de travail du 6 mai 1997, conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois. Pour pouvoir prétendre à l’octroi de l’indemnité complémentaire de prépension régie par la présente convention collective de travail, l’ouvrier âgé licencié doit répondre aux conditions suivantes : — être âgé d’au moins 58 ans au moment où le contrat de travail le liant à un employeur visé à l’article 1er prend fin; — être licencié par un employeur visé à l’article 1er de la présente convention collective de travail, sauf pour motif grave; — bénéficier des allocations de chômage; — bénéficier du statut légal de prépensionné; — avoir cessé toute activité professionnelle non autorisée par la réglementation relative à la prépension; — pour les travailleurs âgés qui n’ont pas atteint l’âge de soixante ans au moment où leur contrat de travail prend fin : a) prouver une occupation d’au moins dix ans auprès d’un ou de plusieurs employeurs ressortissant à une des sous-commissions pari taires de la Commission paritaire de l’industrie du bois (125.01, 125.02 et 125.03); 68453BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE b) minstens zeven sociale voordelen, toegekend door één van de fondsen voor bestaanszekerheid opgericht door één van de paritaire subcomités van het Paritair Comité voor de houtnijverheid, hebben ontvangen in de loop van de tien jaren die hun intrede in het brugpensioen voorafgaan. HOOFDSTUK VIII. — Bedrag van de bijkomende vergoeding brugpensioen Art. 10. De werkgever die een werkman afdankt die aan de criteria bepaald onder artikel 9 van deze collectieve arbeidsovereenkomst beantwoordt is er toe gehouden hem de bijkomende vergoeding brugpensioen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad, te betalen. Deze bijkomende vergoeding mag niet lager zijn dan het bedrag bepaald door artikel 12 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. In de gevallen waarin het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel″ tussenkomt om het geheel of een gedeelte van de bijkomende vergoeding brugpensioen ten laste te nemen, betaalt de werkgever enkel het verschil tussen de bij toepassing van alinea 1 van dit artikel verschuldigde bedrag en de tussenkomst van het fonds voor bestaanszekerheid. Art. 11. De bijkomende vergoeding brugpensioen vastgesteld over eenkomstig de bepalingen van artikel 10 van deze collectieve arbeids overeenkomst evolueert overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 gesloten op 19 decem ber 1974 in de Nationale Arbeidsraad. HOOFDSTUK IX. — Tussenkomst van het fonds voor bestaanszekerheid Art. 12. Op voorwaarde dat de oudere werkman minstens tien jaar beroepsactiviteit in de sector in de hoedanigheid van loontrekkende bij één of meerdere werkgevers, ressorterend onder één van de paritaire subcomités van het Paritair Comité voor de houtnijverheid bewijst en hij minstens zeven sociale voordelen in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de intrede in het brugpensioen heeft ontvangen, komt het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel″ tussen in de betaling van de bijkomende vergoeding brugpensioen verschuldigd krachtens de artikelen 10 en 11 van deze collectieve arbeidsovereen komst a rato van een maandelijks forfaitair bedrag vastgesteld op : — tot 31 maart 1997 : 3 800 BEF; — vanaf 1 april 1997 : 4 000 BEF. Art. 13. Het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel″ neemt de hoofdelijke bijdrage, voortvloeiend uit het brugpensioen en verschuldigd aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening en aan de Rijksdienst voor pensioenen, ten laste. HOOFDSTUK X. — Procedure en algemene bepalingen Art. 14. De aanvragen tot tussenkomst moeten aan het fonds voor bestaanszekerheid door toedoen van een vakbond of rechtstreeks door de werkman worden overgemaakt. Ze moeten vergezeld zijn van alle bewijsstukken omtrent het recht op de bijkomende vergoeding brugpensioen. Art. 15. De bijzondere gevallen, die niet overeenkomstig de bepalin gen van deze collectieve arbeidsovereenkomst kunnen opgelost wor den, worden door de meest gerede partij aan het beheerscomité van het fonds voor bestaanszekerheid voorgelegd. Art. 16. De forfaitaire vergoeding die aan de arbeider door het fonds voor bestaanszekerheid wordt toegekend is onderworpen aan de afhouding wegens administratieve onkosten zoals bepaald door de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 mei 1997 betreffende de bijko mende sociale voordelen toegekend door het ″Fonds voor bestaansze kerheid van de houthandel″. De bepalingen van de hoofdstukken VII, VIII, IX en X zijn eveneens van toepassing voor de oudere werknemers die ontslagen zijn en die een vergoeding genieten van aanvullend brugpensioen ten gevolge van een vroegere collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in het Paritair Subcomité voor de houthandel. De bepalingen van de hoofdstukken VII, VIII, IX en X van deze collectieve arbeidsovereenkomst blijven van kracht na 31 decem ber 2000 ten aanzien van de werklieden die op die datum van deze overeenkomst genieten. b) avoir reçu au moins sept avantages sociaux, octroyés par un des fonds de sécurité d’existence institué par une des sous-commissions paritaires de la Commission paritaire de l’industrie du bois, au cours des dix années précédant leur entrée en prépension. CHAPITRE VIII. — Montant de l’indemnité complémentaire de prépension Art. 10. L’employeur qui licencie un ouvrier répondant aux critères définis à l’article 9 de la présente convention collective de travail est tenu de lui payer une indemnité complémentaire de prépension déterminée conformément aux dispositions de la convention collective de travail no 17 conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail. Cette indemnité complémentaire ne peut être inférieure au montant fixé à l’article 12 de la présente convention collective de travail. Lorsque le ″Fonds de sécurité d’existence du commerce du bois″ intervient dans la prise en charge de tout ou partie de l’indemnité complémentaire de prépension, l’employeur paye uniquement la différence entre l’indemnité due en vertu de l’alinéa 1er du présent article et l’intervention du fonds de sécurité d’existence. Art. 11. L’indemnité complémentaire de prépension déterminée conformément aux dispositions de l’article 10 de la présente convention collective de travail évolue conformément aux dispositions de l’article 8 de la convention collective de travail no 17 conclue le 19 décem bre 1974 au sein du Conseil national du travail. CHAPITRE IX. — Intervention du fonds de sécurité d’existence Art. 12. Pour autant que l’ouvrier âgé justifie dix ans d’activité professionnelle en qualité de salarié chez un ou plusieurs employeurs ressortissant à une des sous-commissions paritaires de la Commission paritaire de l’industrie du bois et qu’il ait bénéficié au moins de sept avantages sociaux au cours des dix années précédant l’entrée en prépension, le ″Fonds de sécurité d’existence du commerce du bois″ intervient dans le payement de l’indemnité complémentaire de prépen sion due en application des articles 10 et 11 de la présente convention collective de travail à concurrence d’un montant forfaitaire mensuel fixé à : — jusqu’au 31 mars 1997 : 3 800 BEF; — à partir du 1er avril 1997 : 4 000 BEF. Art. 13. Le ″Fonds de sécurité d’existence du commerce du bois″ prend en charge les cotisations capitatives dues au profit de l’Office national de l’emploi et de l’Office national des pensions du fait de la prépension. CHAPITRE X. — Procédure et dispositions générales Art. 14. Les demandes d’intervention doivent être adressées au fonds de sécurité d’existence à l’intervention d’une organisation syndicale ou directement par l’ouvrier. Elles doivent être accompagnées des documents justificatifs du droit à l’indemnité complémentaire de prépension. Art. 15. Les cas particuliers qui ne peuvent être résolus conformé ment aux dispositions de la présente convention collective de travail sont soumis, par la partie la plus diligente, au comité de gestion du fonds de sécurité d’existence. Art. 16. L’indemnité forfaitaire octroyée à l’ouvrier par le fonds de sécurité d’existence est soumise à la retenue pour frais administratifs déterminée par la convention collective de travail du 6 mai 1997 relative aux avantages sociaux complémentaires octroyés par le ″Fonds de sécurité d’existence du commerce du bois″. Les dispositions des chapitres VII, VIII, IX et X s’appliquent également aux travailleurs âgés licenciés et qui bénéficient d’une prépension complémentaire suite à une convention collective de travail précédente conclue à la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois. Les dispositions des chapitres VII, VIII, IX et X de la présente convention collective de travail restent en vigueur après le 31 décem bre 2000 à l’égard des ouvriers bénéficiaires de cette convention à cette date. 68454 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 17. De mogelijkheid wordt geboden aan de werklieden om hun arbeidsprestaties te halveren, op voorwaarde dat zij op het ogenblik van de vermindering van hun arbeidsprestaties de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, en dit in uitvoering van artikel 26 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1996), en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen met betrekking tot het halftijds brugpensioen. De aanvullende vergoeding, ingesteld in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55 van 13 juli 1993, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot instelling van een regeling van aanvullende vergoe ding voor sommige oudere werknemers in geval van halvering van de arbeidsprestaties (Belgisch Staatsblad van 4 december 1993), wordt toegekend aan de in artikel 1 bedoelde werknemers die met hun werkgever een akkoord bereiken om hun arbeidsprestaties te halveren, op voorwaarde dat zij op het ogenblik van de vermindering van hun arbeidsprestaties de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben. Om aanspraak te kunnen maken op de bijkomende vergoeding brugpensioen geregeld bij deze collectieve arbeidsovereenkomst, moet de werknemer de volgende voorwaarden vervullen : — minstens 55 jaar oud zijn op het ogenblik dat de werkman zijn arbeidsprestaties halveert; — de werkloosheidsvergoedingen genieten; — het wettelijk statuut van bruggepensioneerde genieten; — iedere door de reglementering betreffende het brugpensioen niet toegelaten beroepsactiviteit hebben stopgezet; — een tewerkstelling bewijzen van minstens tien jaren bij één of meerdere werkgevers die ressorteren onder één van de paritair subcomités van het Paritair Comité voor de houtnijverheid (125.01, 125.02 en 125.03); — minstens zeven sociale voordelen, toegekend door één van de fondsen voor bestaanszekerheid opgericht door één van de paritaire subcomités van het Paritair Comité voor de houtnijverheid, hebben ontvangen in de loop van de tien jaren die zijn intrede in het halftijdse brugpensioen voorafgaat. Zij moeten bovendien voldoen aan de overige toelaatbaarheidsvoor waarden, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 (Belgisch Staatsblad van 10 augustus 1994) betreffende het halftijds brugpensioen. Zij moeten met name werkloosheidsuitkering genieten waarin de reglementering inzake werkloosheidsverzekering voor deze categorie van werknemers voorziet, en zij moeten 25 jaar beroepsver leden als loontrekkende (of gelijkgestelde dagen) kunnen rechtvaardi gen. Het aantal arbeidsuren van de deeltijdse arbeidsregeling, na vermin dering, moet per arbeidscyclus gemiddeld gelijk zijn aan de helft van het aantal arbeidsuren van een normale voltijdse arbeidsregeling in de onderneming. De aanvullende vergoeding wordt berekend zoals bepaald in artikel 5 tot en met artikel 10 van voormelde collectieve arbeidsover eenkomst nr 55 van 13 juli 1993, gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55bis van 7 februari 1995, gesloten in de Nationale Arbeidsraad. Het bedrag van de aanvullende vergoeding valt ten laste van de werkgever van de betrokken werknemer en wordt maandelijks betaald. De betrokken werknemer heeft recht op de aanvullende vergoeding voor sommige oudere werknemers indien hij wordt ontslagen, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de collectieve arbeidsover eenkomst nr. 17 van 19 december 1974, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoe ding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, en in het kader van de sectorale overeenkomst van 28 juni 1999 indien hij op de datum van het ontslag de leeftijd van het voltijds brugpensioen bereikt. Indien hij op dat ogenblik de leeftijd van het voltijds brugpensioen niet heeft bereikt, kan de opzegging pas ingaan op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens dewelke hij die leeftijd heeft bereikt. Ingeval de werknemer van de bepalingen van artikel 10 kan genieten, wordt de aanvullende vergoeding voor sommige oudere werknemers indien zij worden ontslagen, berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet heeft verminderd. Art. 17. Il est offert aux ouvriers la possibilité de réduire de moitié leurs prestations de travail, à condition qu’au moment de la réduction de leurs prestations de travail ils aient atteint l’âge de 55 ans, en exécution de l’article 26 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l’emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité (Moniteur belge du 1er août 1996) et de l’arrêté royal du 27 janvier 1997 portant des mesures relatives à la prépension à mi-temps. L’indemnité complémentaire, instaurée dans le cadre de la conven tion collective de travail no 55 du 13 juillet 1993, conclue au sein du Conseil national du travail, instituant un régime d’indemnité complé mentaire pour certains travailleurs âgés, en cas de réduction des prestations de travail à mi-temps (Moniteur belge du 4 décembre 1993) est octroyée aux travailleurs visés à l’article 1er, qui ont un accord avec l’employeur de réduire leurs prestations de travail à mi-temps, à condition qu’ils aient atteint, au moment où la réduction de leurs prestations de travail prend cours l’âge de 55 ans. Pour pouvoir prétendre à l’octroi de l’indemnité complémentaire de prépension régie par la présente convention collective de travail, l’ouvrier doit répondre aux conditions suivantes : — être âgé d’au moins 55 ans au moment où l’ouvrier réduit ses prestations de travail à mi-temps; — bénéficier des allocations de chômage; — bénéficier du statut légal de prépensionné; — avoir cessé toute activité professionnelle non autorisée par la réglementation relative à la prépension; — prouver une occupation d’au moins dix ans auprès d’un ou plusieurs employeurs ressortissant à une des sous-commissions pari taires de la Commission paritaire de l’industrie du bois (125.01, 125.02 et 125.03); — avoir reçu au moins sept avantages sociaux, octroyés par un des fonds de sécurité d’existence institué par une des sous-commissions paritaires de la Commission paritaire de l’industrie du bois, au cours des dix années précédant son entrée en prépension à mi-temps. De plus, ils doivent satisfaire aux autres conditions d’admissibilité, reprises à l’article 2 de l’arrêté royal du 30 juillet 1994 (Moniteur belge du 10 août 1994) relatif à la prépension à mi-temps. Ils doivent notamment bénéficier des allocations de chômage prévues pour cette catégorie de travailleurs par la réglementation en matière d’assurance-chômage, et ils doivent pouvoir justifier 25 ans de carrière professionnelle en tant que travailleur salarié (ou journées assimilées). Le nombre d’heures de travail du régime de travail à temps partiel, après réduction, doit, par cycle de travail, être égal en moyenne à la moitié du nombre d’heures de travail comprises dans un régime de travail à temps plein normal dans l’entreprise. L’indemnité complémentaire est calculée de la façon définie aux articles 5 jusqu’à 10 inclus de la convention collective de travail no 55 précitée du 13 juillet 1993, modifiée par la convention collective de travail no 55bis du 7 février 1995, conclue au sein du Conseil national du travail. Le paiement de l’indemnité complémentaire est à charge de l’employeur du travailleur concerné et a lieu mensuellement. L’ouvrier concerné a droit à l’indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement, sous les conditions fixées par la convention collective de travail no 17 du 19 décembre 1974, conclue au Conseil national du travail, instituant un régime d’indem nité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licencie ment et dans le cadre de la convention sectorielle du 28 juin 1999 s’il atteint l’âge de la prépension à temps plein à la date du licenciement. S’il n’a pas atteint l’âge de la prépension à temps plein à ce moment, le préavis ne peut prendre cours que le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il a atteint cet âge. Dans le cas où le travailleur peut bénéficier des dispositions de l’article 10, l’indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement est calculée comme s’il n’avait pas réduit ses prestations de travail. 68455BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Daartoe wordt het brutoloon dat de werknemer voor zijn halftijdse prestaties ontvangt vermenigvuldigd met twee. De besluiten die de Koning neemt ter uitvoering van artikel 25 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, en die tot doel hebben de opzegtermijn of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode in te korten bij overgang van halftijds brugpensioen naar voltijds brugpensioen, zijn van toepassing. HOOFDSTUK XI. — Bijkomende vorming en opleiding van de werknemers tijdens de werkuren Art. 18. De modaliteiten zullen vastgelegd worden in de schoot van het beheerscomité van het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel″. HOOFDSTUK XII. — Vormingsinitiatieven ten behoeve van risicogroepen Art. 19. Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen tot bevordering van de werk gelegenheid, in toepassing van artikel 7, § 2 van de wet van 26 juli 1996, wordt er voorzien om via het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel″, de inspanning van 0,10 pct. van de niet begrensde brutolonen in 1999 en 2000 te gebruiken om opleidings- en herscho lingsacties voor de arbeiders. Art. 20. In toepassing van artikel 3 van zijn statuten wordt het ″Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel″ belast met de uitvoering van de desbetreffende bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst, met de inning van de bijdragen en met de organisatie van de opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven ten behoeve van de risicogroepen. Art. 21. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder ″risicogroepen″ bedoeld de personen die aan één van de volgende criteria beantwoorden : — de laaggeschoolde of onvoldoend geschoolde jongeren; — de werkzoekenden; — de werklieden van de sector die door ondernemingen tewerkge steld zijn en die getroffen worden door economische werkloosheid; — de laaggeschoolde of onvoldoend geschoolde werklieden van de sector; — de werklieden van de sector die minstens 50 jaar oud zijn; — de werklieden met een handicap; — de werklieden van de sector wier beroepskwalificatie aan de technische vooruitgang niet meer is aangepast of het risico lopen het niet meer te zijn. HOOFDSTUK XII. — Classificatie, veiligheid, preventie en psycho-sociale belasting Art. 22. De problemen inzake functieclassificatie, veiligheid, preventie en psycho-sociale belasting zullen het voorwerp uitmaken van een bespreking in een paritair samengestelde werkgroep. Deze moet uiterlijk op 31 decem ber 1999 een verslag uitbrengen aan het paritair comité. HOOFDSTUK XIII. — Klein verlet Art. 23. Het recht op klein verlet wordt uitgebreid tot samenwonen den. HOOFDSTUK XIV. — Fonds voor bestaanszekerheid Art. 24. Teneinde de verhoging van de vergoeding voor vorming en de verhoging van de syndicale premie mogelijk te maken worden de patronale bijdrage aan het fonds voor bestaanszekerheid verhoogd met 0,775 pct. vanaf 1 juli 1999, om aldus een totaal te bereiken van 7,90 pct.. De syndicale premie van 4 500 BEF die eind 1999 betaald wordt, zal gefinancierd worden vanuit de reserves. De vergoeding van 15 BEF voor vorming die berekend wordt op de effectieve prestaties in 1999 is van toepassing vanaf 1 januari 1999 en zal uitbetaald worden eind 2000. Voor de prestaties in het jaar 2000 gebeurt dit eind 2001. HOOFDSTUK XV. — Slotbepalingen en geldigheidsduur Art. 25. De ondertekenende partijen verbinden er zich toe om gedurende de looptijd van deze collectieve arbeidsovereenkomst geen nieuwe eisen te stellen inzake de inhoud van deze overeenkomst en de sociale vrede te bewaren. Art. 26. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2000, behalve de hoofdstukken VII, VIII, IX en X die van toepassing blijven voor diegenen die er van genieten na 31 december 2000. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 27 september 2006. De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN A cet effet, la rémunération brute du travailleur afférente à ses prestations à mi-temps, est multipliée par deux. Les arrêtés pris par le Roi en exécution de l’article 25 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l’emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, et visant à réduire le délai de préavis ou la période couverte par l’indemnité de préavis lors du passage de la prépension à mi-temps vers la prépension à temps plein, sont d’application. CHAPITRE XI. — Formation complémentaire des travailleurs pendant les heures de travail Art. 18. Les modalités seront fixées au sein du comité de gestion du ″Fonds de sécurité d’existence du commerce du bois″. CHAPITRE XII. — Initiatives de formation en faveur des groupes à risque Art. 19. Conformément à l’article 2 de l’arrêté royal du 27 janvier 1997 portant des mesures visant à promouvoir l’emploi, en application de l’article 7, § 2 de la loi du 26 juillet 1996, l’effort de 0,10 p.c. des salaires brut non plafonnés sera affecté en 1999 et 2000 à des actions de formation et de recyclage pour les ouvriers par l’intermédiaire du ″Fonds de sécurité d’existence du commerce du bois″. Art. 20. En application de l’article 3 de ses statuts, le ″Fonds de sécurité d’existence pour le commerce du bois″ est chargé de l’exécu tion des dispositions considérées de la présente convention collective de travail, de la perception des cotisations et de l’organisation des initiatives de formation et d’emploi en faveur des groupes à risque. Art. 21. Pour l’application du présent chapitre, on entend par ″groupes à risque″ les personnes qui répondent à l’un des critères suivants : — les jeunes peu ou insuffisamment qualifiés; — les demandeurs d’emploi; — les ouvriers du secteur occupés par des entreprises touchées par le chômage économique; — les ouvriers du secteur peu ou insuffisamment qualifiés; — les ouvriers du secteur âgés d’au moins 50 ans; — les ouvriers handicapés; — les ouvriers du secteur dont la qualification professionnelle n’est plus adaptée au progrès technique ou qui risque de ne plus l’être. CHAPITRE XII. — Classification, sécurité, prévention et charge psycho-sociale Art. 22. Les problèmes en matière de classification de fonctions, sécurité, prévention et charge psycho-sociale feront l’objet d’une discussion au sein d’un groupe de travail composé paritairement. Celui-ci doit faire rapport à la commission paritaire au plus tard au 31 décembre 1999. CHAPITRE XIII. — Petits chômages Art. 23. Le droit aux petits chômages est étendu aux cohabitants. CHAPITRE XIV. — Fonds de sécurité d’existence Art. 24. Afin de permettre l’augmentation de l’indemnité pour formation et l’augmentation de la prime syndicale, la cotisation patronale au fonds de sécurité d’existence est augmentée de 0,775 p.c. à partir du 1er juillet 1999, pour ainsi atteindre un total de 7,90 p.c.. La prime syndicale de 4 500 BEF qui sera payée fin 1999 sera financée à charge des réserves. L’indemnité pour formation de 15 BEF est calculée sur la base des prestations effectives en 1999 et sera payée fin 2000. Pour les prestations de l’année 2000, le paiement se fera fin 2001. CHAPITRE XV. — Dispositions finales et durée de validité Art. 25. Les parties signataires s’engagent pour la durée de la présente convention collective de travail à ne pas présenter de nouvelles revendications relatives au contenu de la présente convention et à garder la paix sociale. Art. 26. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 1999 et cesse d’être en vigueur le 31 décembre 2000, exceptés les chapitres VII, VIII, IX et X qui resteront d’application après le 31 décembre 2000 pour ceux qui en bénéficient. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 27 septembre 2006. Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN 68456 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2006/203172]N. 2006 — 4905 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 mei 2005, gesloten in het Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen, betreffende het voltijds conventioneel brug pensioen vanaf 56 jaar (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor de privé ziekenhuizen; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 30 mei 2005, geslo ten in het Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen, betreffende het voltijds conventioneel brugpensioen vanaf 56 jaar, met uitzondering van de bepalingen in strijd met artikel 4, § 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen. Art. 2. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 27 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen Collectieve arbeidsovereenkomst van 30 mei 2005 Voltijds conventioneel brugpensioen vanaf 56 jaar (Overeenkomst geregistreerd op 23 juni 2005 onder het nummer 75321/CO/305.01) Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers van de inrichtingen die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen. Onder ″werknemers″ wordt verstaan : het mannelijk en vrouwelijk werklieden- en bediendepersoneel. Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten in het raam van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.17, gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling voor aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen en van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuit keringen in geval van conventioneel brugpensioen. Art. 3. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de ontslagen werknemers die werkloosheidsuitkeringen genieten en die gedurende de geldigheid van deze collectieve arbeidsovereenkomst de leeftijd van 56 jaar of meer bereiken op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die op dat ogenblik 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende kunnen rechtvaardigen, berekend en gelijkgesteld overeenkomstig artikel 23 van de wet van 26 juli 1996. § 2. Deze werknemers moeten bovendien kunnen aantonen dat zij op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst minimaal 20 jaar gewerkt hebben in een arbeidsregeling zoals voorzien in artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46sexies, gesloten op 9 januari 1995 in de Nationale Arbeidsraad tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990 betreffende SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2006/203172]F. 2006 — 4905 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 30 mai 2005, conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour les hôpitaux privés, relative à la prépension conventionnelle à temps plein à partir de 56 ans (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Sous-commission paritaire pour les hôpitaux privés; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 30 mai 2005, reprise en annexe, conclue au sein de la Sous commission paritaire pour les hôpitaux privés, relative à la prépension conventionnelle à temps plein à partir de 56 ans, à l’exception des dispositions contraires à l’article 4, § 2 de la convention collective de travail no 17 du 19 décembre 1974 instituant un régime d’indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement. Art. 2. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Sous-commission paritaire pour les hôpitaux privés Convention collective de travail du 30 mai 2005 Prépension conventionnelle à temps plein à partir de 56 ans (Convention enregistrée le 23 juin 2005 sous le numéro 75321/CO/305.01) Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des établissements ressortissant à la Sous-commission paritaire pour les hôpitaux privés. Par ″travailleurs″, on entend : le personnel ouvrier et employé, masculin et féminin. Art. 2. La présente convention collective de travail est conclue dans le cadre de la convention collective de travail no17, conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail, instituant un régime d’indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement et de l’arrêté royal du 7 décembre 1992 relatif à l’octroi d’allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle. Art. 3. § 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux travailleurs licenciés qui bénéficient des allocations de chômage et qui, pendant la durée de validité de la présente convention collective de travail atteignent l’âge de 56 ans ou plus au moment de la cessation de leur contrat de travail et qui peuvent à ce moment-là justifier un passé professionnel de 33 ans en tant que salarié, calculés et assimilés conformément à l’article 23 de la loi du 26 juillet 1996. § 2. En outre, ces travailleurs doivent prouver qu’au moment de la fin du contrat de travail ils ont travaillé au minimum pendant 20 ans dans un régime de travail tel que prévu à l’article 1er de la convention collective de travail no 46sexies, conclue le 9 janvier 1995 au sein du Conseil national du travail modifiant la convention collective de travail no 46 du 23 mars 1990 relative aux mesures d’encadrement du travail en 68457BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE de begeleidingsmaatregelen voor ploegenarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 8 maart 1995, te weten, gewoonlijk tewerkgesteld zijn geweest in een arbeidsregeling met prestaties tussen 20 uur en 6 uur, met uitsluiting van : de prestaties die zich uitsluitend situeren tussen 6 uur en 24 uur; de prestaties die gewoonlijk beginnen vanaf 5 uur. Art. 4. De regeling van dit conventioneel brugpensioen geldt voor de werknemers van 56 jaar en ouder en die, rekening houdend met de in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeids raad voorziene overlegprocedure, worden ontslagen, behalve om dringende redenen. De datum die in acht moet worden genomen om de leeftijd en de anciënniteitsvoorwaarden te bepalen is deze waarop de arbeidsover eenkomst effectief verstrijkt. De opzeggingstermijnen zijn deze die bepaald zijn volgens de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Art. 5. De werknemers bedoeld in artikel 2 kunnen aanspraak maken op een aanvullende vergoeding ten laste van de werkgever op voorwaarde dat zij het bewijs leveren dat zij recht hebben op werkloosheidsuitkeringen. De aanvullende vergoeding zal door de werkgever niet meer betaald worden vanaf het ogenblik dat de betrokken werknemer zijn recht op de werkloosheidsuitkeringen verliest. In geen geval zal de werkgever de verandering of de afschaffing van de werkloosheidsuitkeringen compenseren met een hogere vergoeding. Art. 6. De aanvullende vergoeding ten laste van de werkgever bedraagt de helft van het verschil van het laatste nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkeringen. Het laatste brutomaandloon, berekend en geplafonneerd volgens de bepalingen voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad, wordt als refertemaand genomen voor de berekening van het laatste nettomaandloon. Het laatste brutomaandloon omvat enerzijds de wedde van de kalendermaand die het einde van de arbeidsovereenkomst voorafgaat en anderzijds 1/12de van de contractuele premies die rechtstreeks verbonden zijn aan de door de werknemers verrichte prestaties en waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid werden gedaan en waarvan de periodiciteit geen maand overschrijdt, 1/12de van het dubbel vakantiegeld en van de eindejaarspremie. Bij de vaststelling van het laatste brutomaandloon verstaat men onder : de gemiddelde premie voor bedienden : het gemiddelde van de premies van de laatste twaalf maanden; de maandwedde voor werklieden : het gemiddeld loon berekend op een kwartaal, premies inbegrepen; in geval van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, beroepsloopbaan onderbreking of halftijds brugpensioen : het in acht te nemen bruto maandloon is het loon dat overeenstemt met het loon van de vorige arbeidsduurregeling. Deze aanvullende vergoeding is in elk geval de maximale tussen komst ten laste van de werkgever voor wat deze collectieve arbeids overeenkomst betreft. Op deze bijkomende vergoeding worden, voor wat deze collectieve arbeidsovereenkomst betreft, desgevallend de wettelijke afhoudingen verricht en zij zijn steeds ten laste van de werknemer. Art. 7. De aanvullende vergoeding wordt aan de betrokken werkne mers maandelijks betaald tot zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, tenzij de werknemer voor die tijd zou overlijden. De aanvullende vergoeding wordt geïndexeerd volgens de bepalin gen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad. Art. 8. De bruggepensioneerde wordt overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 vervangen door een uitkeringsgerechtigde werkloze. Deze vervanging dient niet noodzake lijk te gebeuren in dezelfde dienst of dezelfde functie als die van de bruggepensioneerde. Nochtans kan in uitvoering van artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 vrijstelling van de vervangingsplicht toegestaan worden door de directeur van het bevoegde werkloosheids bureau. Art. 9. Voor alles wat niet uitdrukkelijk in deze collectieve arbeids overeenkomst is voorzien, gelden de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, gesloten op 19 december 1974 in de équipes comportant des prestations de nuit ainsi que d’autres formes de travail comportant des prestations de nuit, rendue obligatoire par arrêté royal du 8 mars 1995, à savoir, avoir été occupé habituellement dans un régime de travail comportant des prestations entre 20 heures et 6 heures à l’exclusion : des prestations se situant exclusivement entre 6 heures et 24 heures; des prestations débutant habituellement à partir de 5 heures. Art. 4. Les règles de la présente prépension conventionnelle s’appli quent aux travailleurs de 56 ans et plus et qui sont licenciés suivant la procédure de concertation prévue dans la convention collective de travail no 17 du Conseil national du travail, à l’exception du motif grave. La date à prendre en considération pour déterminer l’âge et les conditions relatives à l’ancienneté est celle à laquelle le contrat de travail prend effectivement fin. Les délais de préavis sont ceux déterminés conformément à la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail. Art. 5. Les travailleurs visés à l’article 2 peuvent prétendre à une indemnité complémentaire à charge de l’employeur à condition qu’ils apportent la preuve de leur droit aux allocations de chômage. L’indemnité complémentaire ne sera plus payée par l’employeur dès le moment où le travailleur concerné aura perdu son droit aux allocations de chômage. En aucun cas, l’employeur ne compensera la modification ou la suppression des allocations de chômage par une indemnité plus élevée. Art. 6. L’indemnité complémentaire à charge de l’employeur corres pond à la moitié de la différence entre la dernière rémunération nette de référence et les allocations de chômage. Le dernier salaire mensuel brut, calculé et plafonné suivant les dispositions prévues dans la convention collective de travail no 17 du Conseil national du travail, sert de mois de référence pour la détermination de la dernière rémunération nette de référence. Le dernier salaire brut mensuel comporte d’une part le salaire du mois civil précédant la fin du contrat de travail et d’autre part 1/12ème des primes contractuelles directement liées aux prestations fournies par le travailleur et sur lesquelles sont effectuées des retenues de sécurité sociale et dont la périodicité n’excède pas un mois, 1/12ème du double pécule de vacances et de la prime de fin d’année. Lors de la détermination de la dernière rémunération mensuelle brute, on entend par : la prime moyenne pour employés : la moyenne des primes des douze derniers mois; le salaire mensuel pour ouvriers : le salaire mensuel moyen calculé sur un trimestre, primes incluses; en cas de crédit-temps, de diminution de carrière et de réduction des prestations de travail à mi-temps, d’interruption de carrière ou de prépension à mi-temps : la rémunération mensuelle brute à prendre en considération est celle correspondante à la rémunération du régime de la durée du travail antérieur. En tout état de cause, cette indemnité complémentaire constitue l’intervention maximale à charge de l’employeur pour ce qui concerne la présente convention collective de travail. Les retenues légales sont, le cas échéant, pour ce qui concerne la présente convention collective de travail, prélevées sur cette indemnité complémentaire et sont toujours à charge du travailleur. Art. 7. L’indemnité complémentaire est payée mensuellement aux travailleurs concernés jusqu’à la prise de cours de la pension légale, sauf si le travailleur décède entre-temps. L’indemnité complémentaire est indexée suivant les dispositions de la convention collective de travail no 17 du Conseil national du travail. Art. 8. Le travailleur prépensionné est remplacé par un chômeur indemnisé en application de l’article 4 de l’arrêté royal du 7 décem bre 1992. Ce remplacement ne doit pas nécessairement intervenir dans la même fonction ou le même service que ceux du travailleur prépensionné. Toutefois une dispense de l’obligation de remplacement pourra être accordée par le directeur du bureau de chômage compétent sur la base de l’article 4, § 2 de l’arrêté royal du 7 décembre 1992. Art. 9. Pour tout ce qui n’est pas expressément prévu par la présente convention collective de travail, on applique les dispositions de la convention collective de travail no 17, conclue le 19 décembre 1974 au 68458 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Nationale Arbeidsraad, evenals alle wettelijke en reglementaire bepa lingen die hierop van toepassing zijn, zoals onder meer de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 december 1992, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 1995. Art. 10. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten voor een bepaalde duur. Zij treedt in werking op 1 januari 2005 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2006. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 27 september 2006. De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2006/203131]N. 2006 — 4906 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 juni 2005, gesloten in het Paritair Subcomité voor het marokijnwerk en de handschoennijverheid, betreffende de arbeids voorwaarden (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor het marokijn werk en de handschoennijverheid; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 21 juni 2005, geslo ten in het Paritair Subcomité voor het marokijnwerk en de handschoen nijverheid, betreffende de arbeidsvoorwaarden. Art. 2. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 27 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Subcomité voor het marokijnwerk en de handschoennijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 21 juni 2005 Arbeidsvoorwaarden (Overeenkomst geregistreerd op 27 juli 2005 onder het nummer 75797/CO/128.03) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters, hierna aangeduid met ″werklieden″, tewerkgesteld in de ondernemingen van de hand schoennijverheid die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor het marokijnwerk en de handschoennijverheid. Onder ″handschoennijverheid″ wordt verstaan : de handschoenma kerij in leder, snij- en naaiwerk inbegrepen; de vervangingsartikelen worden gelijkgesteld met lederartikelen voor zover een gelijkaardige beroepskennis is vereist. sein du Conseil national du travail, de même que toutes les dispositions légales et réglementaires applicables en la matière, à savoir notamment les dispositions de l’arrêté royal du 7 décembre 1992, modifié par l’arrêté royal du 6 avril 1995. Art. 10. La présente convention collective de travail est conclue pour une durée déterminée. Elle entre en vigueur le 1er janvier 2005 et cesse d’être en vigueur le 31 décembre 2006. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 27 septembre 2006. Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2006/203131]F. 2006 — 4906 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 21 juin 2005, conclue au sein de la Sous-commission paritaire de la maroquinerie et de la ganterie, concernant les conditions de travail (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Sous-commission paritaire de la maroquinerie et de la ganterie; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 21 juin 2005, reprise en annexe, conclue au sein de la Sous-commission paritaire de la maroquinerie et de la ganterie, concernant les conditions de travail. Art. 2. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Sous-commission paritaire de la maroquinerie et de la ganterie Convention collective de travail du 21 juin 2005 Conditions de travail (Convention enregistrée le 27 juillet 2005 sous le numéro 75797/CO/128.03) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux ouvriers et ouvrières, ci-après désignés par ″ouvriers″, occupés dans les entreprises de l’industrie de la ganterie ressortissant à la Sous-commission paritaire de la maroquinerie et de la ganterie. On entend par ″industrie de la ganterie″ : la fabrication de gants en cuir en y comprenant la coupe et la couture; les articles de remplace ment sont assimilés aux articles en cuir pour autant qu’une connais sance professionnelle similaire soit requise. 68459BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK II. — Lonen A. Vaststelling van de minimumlonen voor stukwerk Art. 2. De minimumlonen voor stukwerk worden vanaf 1 april 2005 als volgt vastgesteld : I. Lonen voor het naaien. a) Het stikken : Per dozijn 1. Zakwanten zonder boord en rabatje : 20,9490 EUR 2. Zakwanten met gestikte boorden en rabatje : 26,4485 EUR 3. Met drukknoopje en rabatje : 28,9455 EUR 4. Met knoopje en rabatje : 31,3465 EUR b) Handschoenen met de hand genaaid : 1. Zakwanten zonder boord met rabatje : 69,7655 EUR 2. Zakwanten met boorden en rabatje : 79,4965 EUR 3. Met drukknoopje, boorden en rabatje : 84,3560 EUR 4. Met knoopje, boorden en rabatje : 86,7875 EUR c) Het borduurwerk op handschoenen : 1. Vier rijen of twee nerven : 3,7270 EUR 2. Zes rijen : 5,6065 EUR 3. Biezen en rondstep : 6,0735 EUR d) Het innaaien van voering : 1. Flanel : 10,1260 EUR 2. Flanel met vork : 14,5045 EUR 3. Konijn of schapevel : 17,5315 EUR 4. Gebreide voering : 4,8770 EUR II. Lonen voor het snijden : a) Amadishandschoenen uit geborsteld, ondergedompeld, suède (geite-, lams-, gems-, doeskinleder), gelooid glacéleder (geite-, ree-, lams-, schapeleder) : De onderstaande tabel geeft de lonen per dozijn aan : Hoogte (in duimen) Hauteur (en pouces) Handschoenen uit geiteleder Gants en chevreau Gelooide handschoenen Gants tannés EUR EUR 2,5 33,3905 36,4370 3 34,5365 37,5990 4 36,7855 39,9080 6 40,5845 43,4235 8 45,5405 47,8755 10 50,7670 53,1915 12 61,2865 64,7710 16 80,4765 83,9910 18/20 92,7180 96,2410 1. Bovenstaande prijzen omvatten het schaven, het dopseren, het gereedsnijden van de handschoenstukken en het plaatsen van de ″ridelle″. 2. Voor de geschaafde huiden worden de voormelde lonen verlaagd met 17,5 pct. CHAPITRE II. — Salaires A. Fixation des salaires minimums à la pièce Art. 2. Les salaires minimums à la pièce sont fixés comme suit à partir du 1er avril 2005 : I. Salaires pour la couture. a) Le piqué : Par douzaine 1. Saxe sans finition ni carabin : 20,9490 EUR 2. Saxe avec bords piqués et carabin : 26,4485 EUR 3. Avec fermeture pression et carabin : 28,9455 EUR 4. Avec fermeture bouton et carabin : 31,3465 EUR b) Gants cousus à la main : 1. Saxe sans bord avec carabin : 69,7655 EUR 2. Saxe avec bords et carabin : 79,4965 EUR 3. Avec fermeture pression, bords et carabin : 84,3560 EUR 4. Avec fermeture bouton, bords et carabin : 86,7875 EUR c) La broderie sur gants : 1. Quatre rangs ou deux nervures : 3,7270 EUR 2. Six rangs : 5,6065 EUR 3. Broderie impériale : 6,0735 EUR d) Le fourré : 1. Flanelle : 10,1260 EUR 2. Flanelle avec fourchette : 14,5045 EUR 3. Lapin ou mouton : 17,5315 EUR 4. Tricot : 4,8770 EUR II. Salaires pour la coupe : a) Gants amadis en cuir glacé brossé, plongé, suède (chevreau, agneau, chamois, doeskin), tanné (chevreau, chevrette, agneau, mou ton) : Le tableau ci-après indique les salaires par douzaine : 1. Les prix ci-dessus s’entendent pour le dôlage, le depsage, l’étavillon et la pose de la ″ridelle″. 2. Pour les peaux dôlées, les salaires précités sont diminués de 17,5 p.c. 68460 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE b) Amadishandschoenen uit twee delen : 1. Wanneer de huiden tenminste 50 pct. gehele handschoenen opleveren, wordt een verhoging met 30 pct. op al de hierboven aangegeven lonen toegepast. 2. Wanneer de huiden minder dan 50 pct. gehele handschoenen opleveren, wordt een verhoging met 50 pct. op al de hierboven aangegeven lonen toegepast. c) Amadishandschoenen uit pekari : De in II, a), voor de gelooide handschoenen voorzien bedragen zijn hier van toepassing, evenwel met een verhoging van 8,4610 EUR vanaf 1 april 2005. d) herenhandschoenen : Per dozijn 1. Uit lams-, schape-, geite, suède-, gems-, geitjes-, doeskinleder; de vorken zijn niet gesne den : 46,6660 EUR 2. Uit pekari : 54,2025 EUR e) Jongens en meisjeshandschoenen uit lams-, geitjes-, suède-, en gelooid leder : 34,3875 EUR. f) Het loon voor het maken van de vorken wordt vastgesteld op 10 pct. van het loon voor het snijden. g) Het loon voor het rechtmaken wordt eenvormig vastgesteld op : 2,8080 EUR. h) Het loon voor het afronden wordt eenvormig vastgesteld op : 3,2100 EUR. i) Het loon voor het zwarten wordt eenvormig vastgesteld op : 5,9085 EUR. B. Minimumuurlonen Art. 3. a) Meerderjarige werklieden : de minimumuurlonen worden vastgesteld als volgt vanaf 1 april 2005 : EUR Trieren - categorie I 8,6105 Kavelingen maken - categorie II 8,3930 Snijden - categorie III 8,2430 Stansen - categorie IV 7,7795 Ongeschoolden - categorie V 7,6300 Vorken, snijden, rechtmaken, stikken, bordu ren, zwarten, inpakken, afronden - categorie VI 7,3500 b) Minderjarige werklieden : De minimumuurlonen van de aan het snijden, afronden, rechtmaken en zwarten tewerkgestelde minderjarige werklieden, worden aan de volgende percentages van de onder a), van dit artikel bepaalde lonen vastgesteld : Leeftijden/Ages Percentages/Pourcentages 16 60 16,5 65 17 70 17,5 75 18 80 18,5 85 19 90 19,5 95 20 100 Art. 4. De minderjarige werkman heeft recht op het volledige loon dat voor het uitgevoerde werk is vastgesteld zodra hij de voor de uitoefening ervan vereiste bekwaamheid bezit, met dien verstande dat het loon voor het snijden wordt toegepast na drie jaar stage in de industrie en het loon van stanser na drie maanden leertijd. b) Gants amadis en deux pièces : 1. Si les peaux donnent au moins 50 p.c. de gants entiers, une majoration de 30 p.c. est appliquée sur tous les salaires indiqués ci-dessus. 2. Si les peaux donnent moins de 50 p.c. de gants entiers, une majoration de 50 p.c. est appliquée sur tous les salaires indiqués ci-dessus. c) Gants amadis en pécari : Les montants prévus au II, a), pour les gants tannés s’appliquent ici, cependant avec une majoration de 8,4610 EUR à partir du 1er avril 2005. d) Gants pour hommes : Par douzaine 1. En agneau, mouton, chèvre, suède, chamois, chevreau, doeskin; la coupe des fourchettes n’est pas faite : 46,6660 EUR 2. En pécari : 54,2025 EUR e) Gants pour garçonnets et fillettes, en agneau, chevreau, suède et tanné : 34,3875 EUR. f) Le salaire pour la confection des fourchettes est fixé à 10 p.c. du salaire de la coupe. g) Le salaire pour le dressage est fixé uniformément à : 2,8080 EUR. h) Le salaire pour le raffilage est fixé uniformément à : 3,2100 EUR. i) Le salaire pour le noircissage est fixé uniformément à : 5,9085 EUR. B. Salaires horaires minimums Art. 3. a) Ouvriers majeurs : les salaires horaires minimums sont fixés comme suit à partir du 1er avril 2005 : EUR Triage - catégorie I 8,6105 Lotissage - catégorie II 8,3930 Coupe - catégorie III 8,2430 Fendre - catégorie IV 7,7795 Non-qualifiés - catégorie. V 7,6300 Fourchetter, couper, dresser, piquer, broder, noircir, emballer, raffiler - catégorie VI 7,3500 b) Ouvriers mineurs d’âge : Les salaires horaires minimums des ouvriers mineurs d’âge occupés à la coupe, au raffilage, dressage et noircissage sont fixés aux pourcentages suivants des salaires définis au a), du présent article : Art. 4. L’ouvrier mineur d’âge a droit au salaire complet prévu pour le travail qu’il exécute dès qu’il répond à la qualification voulue pour l’exercice de celui-ci, étant entendu que le salaire de coupe est appliqué après trois ans de stage dans l’industrie et le salaire de fendeur après trois mois d’apprentissage. 68461BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 5. De jongens en meisjes van 14 en 15 jaar, die regelmatig de leergangen aan een vakschool van de handschoenmakerij volgen, hebben recht op het voor de 16-jarige vastgestelde loon, zodra zij naar het tweede studiejaar gaan. C. Conventionele verhoging Art. 5bis. De minimumlonen en de werkelijk betaalde lonen worden verhoogd met 0,05 EUR per uur op 1 oktober 2005 en met 0,03 EUR per uur op 1 oktober 2006. HOOFDSTK III. — Vergoedingen voor bestaanszekerheid A. Vergoedingen bij werkloosheid Art. 6. De werkgevers verbinden zich ertoe alle maatregelen te treffen om, zoveel mogelijk, werkloosheid te vermijden. Art. 7. Wanneer het niet mogelijk is werkloosheid te vermijden, voeren de werkgevers een regeling van werkloosheid met beurtwisse ling in. Art. 8. De werkloos gestelde werklieden hebben recht op een bestaanszekerheidsvergoeding per dag onvrijwillige werkloosheid. Deze is nochtans niet verschuldigd wanneer de werkloosheid aan een geval van overmacht te wijten is. Art. 9. Het dagelijks bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende tabel vanaf 1 april 2005 : Leeftijd/Age Cat. I à/tot V Cat. VI EUR EUR 20 jaar en ouder/20 ans et plus 6,4685 5,9455 van 18 tot jonger dan 20 jaar de 18 à moins de 20 ans 5,8490 5,4125 Art. 10. De betaling van deze vergoeding valt ten laste van de werkgever. Art. 11. De bestaanszekerheidsvergoeding is, per werkman, verschul digd ten belope van maximum 70 dagen onvrijwillige werkloosheid per kalenderjaar. Art. 12. Voor de werkman die in dienst is getreden bij een werkgever in de loop van het jaar, zijn de bestaanszekerheidsvergoedingen verschuldigd ten belope van het aantal dagen onvrijwillige werkloos heid in verhouding tot het aantal volle maanden tewerkstelling bij deze werkgever in de loop van de referteperiode. Art. 13. De vergoedingen voor bestaanszekerheid worden betaald op de in de onderneming van kracht zijnde gebruikelijke betaaldag, op voorlegging van de stempelkaart van de werkloos gestelde werkman. Zij worden door de werkgever op de individuele rekening van de werkman ingeschreven. Bij elke betaling wordt aan de betrokkene een loonstrook overhan digd. B. Ontslag in geval van noodzaak Art. 14. De werkgevers verbinden zich ertoe, zoveel mogelijk, ontslag te vermijden. Art. 15. Wanneer het blijkt dat er in een groep voortdurend werkloosheid is, wat op een teveel aan arbeidskrachten wijst, en voor zover de werkgever ze niet in een andere groep kan tewerkstellen, mogen de overtollige werklieden worden ontslagen. Alvorens tot dit ontslag over te gaan, laat de werkgever dit aan de ondernemingsraad weten of, bij ontstentenis ervan, aan de vakbondsafvaardiging of, wanneer er geen bestaat, aan de werkliedenafgevaardigden van de representatieve werknemersorganisaties. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de sociale en economische factoren, zoals de leeftijd van de werklieden, hun diensttijd, hun technische bekwaamheid enz... Tijdens de periode van werkloosheid met beurtwisseling en gedurende de opzeggingstermijn mogen geen werklieden in dienst worden genomen om de opgezegde werklieden of degenen die aan beurtwisseling deelnemen, te vervan gen. Art. 16. Na het verstrijken van de wettelijke opzeggingstermijn betekend door de werkgever, heeft de ontslagen werkman, als afscheids vergoeding, recht op vergoedingen voor bestaanszekerheid waarvan het bedrag is bepaald bij artikel 9 en dit voor een aantal gecontroleerde werkloosheidsdagen waarvan de duur is vastgesteld volgens het aantal jaren ononderbroken dienst in de onderneming, zijnde : 50 dagen voor een dienstanciënniteit van één tot en met 5 jaar; 75 dagen voor een dienstanciënniteit van zes tot en met 10 jaar; 3 dagen voor ieder jaar dienst boven het tiende. Nochtans zijn de vergoedingen enkel verschuldigd voor de dagen waarvoor de werkman bewijst dat hij volledig werkloos was. De perioden van werkloosheid mogen al dan niet worden gescheiden door werkperioden gelegen in een periode van drie of zes maanden naargelang de werkman minder of meer dan 5 jaar dienst telt. Art. 5. Les jeunes gens et jeunes filles âgés de 14 à 15 ans, qui suivent régulièrement les cours d’une école professionnelle de la ganterie, ont droit au salaire fixé pour ceux âgés de 16 ans, dès qu’ils passent en seconde année d’études. C. Augmentation conventionnelle Art. 5bis. Les salaires minimums et les salaires effectifs payés sont augmentés de 0,05 EUR par heure au 1er octobre 2005 et de 0,03 EUR par heure au 1er octobre 2006. CHAPITRE III. — Indemnité de sécurité d’existence A. Indemnités en cas de chômage Art. 6. Les employeurs s’engagent à prendre toutes les mesures pour éviter, autant que possible, le chômage. Art. 7. Lorsqu’il n’est pas possible d’éviter le chômage, les employeurs instaurent un système de mise en chômage par roulement. Art. 8. Les ouvriers mis en chômage ont droit à une indemnité de sécurité d’existence par journée de chômage involontaire. Toutefois, celle-ci n’est pas due lorsque le chômage résulte du fait d’un cas de force majeure. Art. 9. Le montant journalier de cette indemnité est fixé conformé ment au tableau ci-après à partir du 1er avril 2005 : Art. 10. Le paiement de cette indemnité est à charge de l’employeur. Art. 11. L’indemnité de sécurité d’existence est due, par ouvrier, à raison de 70 jours maximum de chômage involontaire par année civile. Art. 12. Pour l’ouvrier entré au service d’un employeur dans le courant de l’année, les indemnités de sécurité d’existence sont dues à raison du nombre de journées de chômage involontaire proportionnel lement au nombre de mois entiers d’occupation au service dudit employeur au cours de la période de référence. Art. 13. Les indemnités de sécurité d’existence sont payées au jour habituel de paie en vigueur dans l’entreprise, sur présentation de la carte de pointage de l’ouvrier mis en chômage. Elles ont inscrites par l’employeur au compte individuel de l’ouvrier. A chaque paiement, il est remis à l’intéressé une souche de salaire. B. Licenciement en cas de nécessité Art. 14. Les employeurs s’engagent à éviter, autant que possible, les licenciements. Art. 15. Lorsqu’il s’avère qu’il y a du chômage constant dans un groupe, révélant un excédent de main-d’œuvre dans ce groupe et pour autant que l’employeur ne puisse les occuper dans un autre groupe, les ouvriers excédentaires peuvent être licenciés. Avant de procéder à ce licenciement, l’employeur en informe le conseil d’entreprise ou, à défaut de celui-ci, la délégation syndicale ou, si celle-ci n’existe pas, les délégués ouvriers des organisations représentatives des travailleurs. Il est tenu compte, dans toute la mesure du possible, des facteurs sociaux et économiques, tels que l’âge des ouvriers, la durée de leurs services, leur capacité technique, etc. Durant la période de mise en chômage par roulement et pendant le délai de préavis, il ne peut être procédé à des recrutements d’ouvriers pour remplacer les ouvriers en préavis ou participant au roulement. Art. 16. Après l’expiration du préavis légal donné par l’employeur, l’ouvrier licencié a droit, à titre d’indemnité de séparation, à des indemnités de sécurité d’existence, dont le montant est fixé à l’article 9, pour un nombre de journées contrôlées de chômage dont la durée est déterminée suivant les années de service ininterrompu dans l’entreprise, soit : 50 jours pour une ancienneté de service de un à et y compris 5 ans; 75 jours pour une ancienneté de service de six à et y compris 10 ans; 3 jours pour chaque année de service au-delà de la dixième. Toutefois, les indemnités ne sont dues que pour les jours pour lesquels l’ouvrier apporte la preuve qu’il a été en chômage complet. Les périodes de chômage peuvent être séparées ou non par des périodes de travail se situant dans une période de trois mois ou de six mois suivant que l’ouvrier a moins ou plus de 5 ans de service. 68462 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij het verstrijken van de wettelijke opzeggingstermijn, moet de afscheidsvergoeding, zoals voorzien in het 1ste lid, volledig en onmiddelijk worden uitbetaald aan de werklieden die ten minste 5 jaar dienst tellen in de onderneming, zonder rekening te houden met het aantal dagen dat deze werklieden na hun ontslag werkloos zijn gebleven. Art. 17. De ontslagen werkman minder dan één jaar ononderbroken dienst in de onderneming heeft geen recht op de in artikel 16 voorziene vergoedingen. Art. 18. Wanneer het de werkgever niet meer mogelijk is een werkman in zijn oorspronkelijke groep tewerk te stellen, mag hij hem zijn overplaatsing naar een andere groep voorstellen, met behoud van zijn loon gedurende zes maanden, waarna enkel het regelingsloon van de nieuwe functie is verschuldigd. Wanneer een dergelijke overplaat sing wordt geweigerd, mag de betrokken werkman worden ontslagen met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn. Art. 19. Het ontslag van een werkman, gerechtvaardigd door dringende redenen, valt niet onder de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst. C. Huisarbeiders Art. 20. De huisarbeiders en -arbeidsters hebben recht op de in artikel 9 voorziene bestaanszekerheidsvergoedingen voor elke behoor lijk gecontroleerde werkloosheidsdag van een lopende maand, op voorwaarde de vorige maand een loon te hebben verdiend, dat gelijk is aan 90 pct. van het loon van een werkman in de werkplaats die is ingedeeld in dezelfde categorie van functies als de betrokkenen. Art. 21. Het in artikel 20 bedoelde loon wordt vastgesteld door het minimumuurloon van de werkman of de werkster in de werkplaats te vermenigvuldigen met het aantal gepresteerde uren tijdens de voor gaande maand, verminderd met het aantal verloren uren wegens ziekte, bevalling, legerdienst, betaalde vakantie, ongeval, dagen werk loosheid, tijdens de in aanmerking genomen periode. D. Algemene bepalingen Art. 22. In geval een wet of een interprofessioneel paritair akkoord, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit, houdende invoe ring van een stelsel voor bestaanszekerheid gelijkwaardig aan dat van deze collectieve arbeidsovereenkomst, in werking zou treden gedu rende de geldigheidsperiode van deze collectieve arbeidsovereen komst, zou deze laatste ambtshalve door de nieuwe wettelijke of reglementaire bepalingen worden vervangen. Nochtans blijven de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereen komsten die voor de werklieden gunstiger zijn, van toepassing. In geen geval mag de last, die voortkomt uit de samenvoeging van de voordelen toegekend door deze collectieve arbeidsovereenkomst en door de wet, deze voorzien in deze collectieve arbeidsovereenkomst te boven gaan. Art. 23. In geval van betwisting nopens de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst, onderzoekt de werkgever het geval met de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, met de vakbonds afvaardiging of wanneer er geen bestaat, met de werkliedenafgevaar digden van de representatieve werknemersorganisaties. HOOFDSTUK IV. — Koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen Art. 24. De lonen en de bestaanszekerheidsvergoedingen zijn gekop peld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 oktober 2001 van het Paritair Comité voor het huiden- en lederbedrijf en vervangingsproducten. HOOFDSTUK V. — Eindejaarspremie Art. 25. Een eindejaarspremie die gelijk is aan 166 maal het brutouurloon op einde november, wordt einde december betaald aan alle werklieden van het handschoenbedrijf, met inbegrip van de huisarbeiders en -arbeidsters, die gedurende het ganse jaar arbeidspres taties hebben geleverd. Art. 26. Voor de stukwerkers wordt het uurloon berekend op basis van het gemiddelde loon van de maanden september, okto ber en november die de vervaldag van de premie voorafgaan. Art. 27. De werklieden, andere dan deze bedoeld in artikel 26, ontvangen een premie in verhouding tot de duur van hun arbeidspres taties. Elke begonnen maand geeft recht op 1/12de van het totale bedrag van de premie. HOOFDSTUK VI. — Arbeidsduur Art. 28. De normale wekelijkse arbeidsduur bedraagt 38 uren, verspreid over vijf dagen. HOOFDSTUK VII. — Arbeidsongevallen Art. 29. In geval van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval heeft de werkman ten laste van de werkgever recht op een vergoeding tijdens de periode van 23 dagen, volgend op de periode van 7 dagen arbeidsongeschiktheid tot de 30ste dag inbegrepen. A l’expiration du préavis légal, l’indemnité de séparation doit, comme prévu au premier alinéa, être complètement et immédiatement payée aux ouvriers ayant au moins 5 ans de service dans l’entreprise, sans tenir compte du nombre de jours où ces ouvriers sont restés en chômage après le licenciement. Art. 17. L’ouvrier licencié ayant moins d’une année de service ininterrompu dans l’entreprise n’a pas droit aux indemnités prévues à l’article 16. Art. 18. L’employeur n’ayant plus la possibilité d’occuper un ouvrier dans son groupe original, peut lui proposer son transfert dans un autre groupe avec maintien de son salaire pendant six mois, après lesquels le salaire conventionnel de la nouvelle fonction est seul dû. En cas de refus de pareil transfert, l’ouvrier en cause peut être licencié moyen nant le respect du préavis légal. Art. 19. Le licenciement d’un ouvrier, justifié par des motifs graves, ne tombe pas sous l’application de la présente convention collective de travail. C. Travailleurs à domicile Art. 20. Les travailleurs et travailleuses à domicile, ont droit aux indemnités de sécurité d’existence prévues à l’article 9 pour chaque journée de chômage, dûment contrôlée, d’un mois en cours à la condition d’avoir gagné, le mois précédent, un salaire égal à 90 p.c. du salaire d’un ouvrier à l’atelier, classé dans la même catégorie de fonctions que les intéressés. Art. 21. Le salaire visé à l’article 20 s’établit en multipliant le salaire horaire minimum de l’ouvrier ou l’ouvrière à l’atelier par le nombre d’heures travaillées durant le mois précédent, déduction faite du nombre d’heures perdues par suite de maladie, accouchement, service militaire, congés payés, accident, jours de chômage, pendant la période considérée. D. Dispositions générales Art. 22. Dans le cas où une loi ou un accord paritaire national interprofessionnel, rendu obligatoire par arrêté royal, instaurant un système de sécurité d’existence similaire à celui de la présente convention collective de travail, entrerait en vigueur pendant la période de validité de la présente convention collective de travail, celle-ci serait remplacée d’office par les nouvelles dispositions légales ou réglementaires. Néanmoins, les dispositions de la présente convention collective de travail qui sont plus favorables pour les ouvriers restent d’application. La charge résultant du cumul des avantages accordés par la présente convention collective de travail et par la loi ne peut, en aucun cas, être supérieure à celle prévue dans la présente convention collective de travail. Art. 23. En cas de contestation au sujet de l’application de la présente convention collective de travail, l’employeur examine le cas avec le conseil d’entreprise ou, à son défaut, avec la délégation syndicale ou, si celle-ci n’existe pas, avec les délégués ouvriers des organisations représentatives des travailleurs. CHAPITRE IV. — Rattachement à l’indice des prix à la consommation Art. 24. Les salaires et les indemnités de sécurité d’existence sont rattachés à l’indice des prix à la consommation, conformément à la convention collective de travail du 2 octobre 2001 de la Commission paritaire de l’industrie des cuirs et peaux et des produits de remplace ment. CHAPITRE V. — Prime de fin d’année Art. 25. Une prime de fin d’année, égale à 166 fois le salaire horaire brut de fin novembre, est payée à tous les ouvriers de l’industrie de la ganterie à la fin de décembre, en ce compris les travailleurs et travailleuses à domicile, qui ont fourni des prestations de travail durant toute l’année. Art. 26. Pour les ouvriers travaillant à la pièce, le salaire horaire est calculé sur la base du salaire moyen des mois de septem bre, octobre et novembre qui précèdent l’échéance de la prime. Art. 27. Les ouvriers autres que ceux visé à l’article 26 reçoivent une prime proportionnelle à la durée de leurs prestations de travail. Chaque mois commencé donne droit à 1/12e du montant total de la prime. CHAPITRE VI. — Durée du travail Art. 28. La durée hebdomadaire normale du travail effectif est fixée à 38 heures, réparties sur cinq jours. CHAPITRE VII. — Accidents de travail Art. 29. En cas d’incapacité de travail résultant d’un accident de travail, l’ouvrier a droit, à charge de l’employeur, à une indemnité pendant la période de 23 jours qui suit la période de 7 jours d’incapacité de travail jusqu’au 30ème jour inclus. 68463BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Deze vergoeding is een aanvulling op de vergoedingen die worden uitbetaald door de verzekeraar inzake arbeidsongevallen ten einde de werkman een bezoldiging te waarborgen die overeenstemt met het nettoloon dat hij zou hebben ontvangen indien hij verder had gewerkt. Art. 30. De werkgever betaalt, als voorschot, aan de werkman een bedrag dat gelijk is aan het normale loon voor de beschouwde periode. Het slachtoffer stelt de werkgever, op diens verzoek, in zijn plaats, voor zijn rechten op de vergoedingen die voor deze periode zijn verschuldigd door de verzekeraar inzake arbeidsongevallen. Art. 31. Het normale loon wordt vastgesteld overeenkomstig de wetgeving op de betaalde feestdagen. HOOFDSTUK VIII. — Geldigheid Art. 32. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2005 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2006. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 27 september 2006. De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2006/203029]N. 2006 — 4907 27 SEPTEMBER 2006. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 maart 2006, gesloten in het Paritair Subcomité voor de luchtvaartmaatschappijen andere dan de NV SABENA, betreffende de omzetting van de Europese richtlijn 2000/79/EG betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burger luchtvaart (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor de luchtvaart maatschappijen andere dan de NV SABENA; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 30 maart 2006, gesloten in het Paritair Subcomité voor de luchtvaartmaatschappijen andere dan de NV SABENA, betreffende de omzetting van de Europese richtlijn 2000/79/EG betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart. Art. 2. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 27 september 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Cette indemnité constitue un complément aux indemnités versées par l’assureur en matière d’accidents du travail de manière à garantir à l’ouvrier une rémunération correspondant au salaire net qu’il aurait obtenu s’il avait continué à travailler. Art. 30. L’employeur paie à l’ouvrier, à titre d’avance, un montant égal au salaire normal de la période considérée. La victime subroge l’employeur, à la demande de ce dernier, dans ses droits aux indemnités dues pour cette période par l’assureur en matière d’accidents du travail. Art. 31. Le salaire normal est déterminé conformément à la législa tion sur les jours fériés payés. CHAPITRE VIII. — Validité Art. 32. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 2005 et cesse d’être en vigueur le 31 décembre 2006. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 27 septembre 2006. Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2006/203029]F. 2006 — 4907 27 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven tion collective de travail du 30 mars 2006, conclue au sein de la Sous-commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA, concernant la transposition de la directive euro péenne 2000/79/EG concernant l’organisation du temps de travail du personnel mobile dans l’aviation commerciale (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Sous-commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 30 mars 2006, reprise en annexe, conclue au sein de la Sous commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA, concernant la transposition de la directive européenne 2000/79/EG concernant l’organisation du temps de travail du person nel mobile dans l’aviation commerciale. Art. 2. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. 68464 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bijlage Paritair Subcomité voor de luchtvaartmaatschappijen andere dan de NV SABENA Collectieve arbeidsovereenkomst van 30 maart 2006 Omzetting van de Europese richtlijn 2000/79/EG betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burger luchtvaart (Overeenkomst geregistreerd op 30 mei 2006 onder het nummer 79926/CO/315.02) Artikel 1. Toepassingsgebied Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers van de ondernemingen, die onder de bevoegdheid vallen van het Paritair Subcomité voor de luchtvaartmaat schappijen andere dan de NV SABENA. Art. 2. De voorschriften van de Europese richtlijn 2000/79/EG van de raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingtreding van de Europese overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van het mobiel personeel in de burgerluchtvaart, gesloten door de AEA, DE, ETF, de ECA, de ERA en de IACA, zijn tenvolle van toepassing. Art. 3. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 december 2005 en is gesloten voor onbepaalde duur. De collectieve arbeidsovereenkomst kan door elk van de contracte rende partijen worden opgezegd mits een opzeggingstermijn van drie maanden, betekend bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Subcomité voor de luchtvaartmaatschap pijen andere dan de NV SABENA en aan de er in vertegenwoordigde organisaties. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 27 september 2006. De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2006/203846]N. 2006 — 4908 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen, inzake de voorwaarden tot gelijkstel ling van een tewerkstellingscel opgericht door een Gewest met een federale tewerkstellingscel VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit besluit heeft, voor wat betreft de voortzetting van het activerend beleid bij herstructureringen ter uitvoering van artikel 33 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, tot doel het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen te vervolledigen. Voor wat het Waals Gewest betreft, wordt een reconversiecel, ingesteld bij het decreet van 29 januari 2004 betreffende het begelei dingsplan van reconversies, gelijkgesteld met een tewerkstellingscel zoals bedoeld in artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit van 9 maart 2006. Voor wat het Vlaams Gewest betreft, wordt een tewerkstellingscel opgericht door de VDAB overeenkomstig artikel 5, § 1, 2o, d) van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap « Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding » gelijkgesteld met een tewerkstellingscel zoals bedoeld in artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit van 9 maart 2006. Hetzelfde is van toepassing voor het Gewest Brussel Hoofdstad voor wat betreft de tewerkstellingscellen opgericht krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van de Brusselse gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en gezamen lijk beheerd door die Dienst en de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de beroepsopleiding bevoegde diensten. Deze gelijkstelling is echter afhankelijk van de voorwaarde dat de werkgever in herstructurering effectief participeert in deze reconversie cel of tewerkstellingscel. Het actief betrekken van de werkgever in herstructurering bij de inspanningen tot herplaatsing van de werkne mers die hij ontslaat, is, in het ganse federale opzet van activerend beleid bij herstructureringen een sleutelelement, en moet dus behouden blijven. Bij relatief kleine herstructureringen kan de werkgever in Annexe Sous-commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA Convention collective de travail du 30 mars 2006 Transposition de la directive européenne 2000/79/EG concernant l’organisation du temps de travail du personnel mobile dans l’aviation commerciale (Convention enregistrée le 30 mai 2006 sous le numéro 79926/CO/315.02) Article 1er. Champ d’application La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises ressortissant au champ d’application de la Sous-commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA. Art. 2. Les prescriptions de la directive européenne 2000/79/CE du conseil du 27 novembre 2000 en matière de mise en vigueur de la convention européenne concernant l’organisation du temps de travail du personnel mobile dans l’aviation commerciale conclue pour l’AEA, DE, ETF, le ECA, le ERA et la IACA, sont d’application dans leur entièreté. Art. 3. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er décembre 2005 et est conclue pour une durée indéterminée. Elle peut être dénoncée par chacune des parties contractantes moyennant un préavis de trois mois par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Sous-commission paritaire des compagnies aériennes autres que la SA SABENA et aux organisations y représen tées. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 27 septembre 2006. La Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2006/203846]F. 2006 — 4908 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations, en ce qui concerne les conditions d’assimilation d’une cellule Emploi créée par une Région à une cellule d’emploi fédéral RAPPORT AU ROI Sire, En ce qui concerne la poursuite de l’élaboration de la politique d’activation en cas de restructurations, en exécution de l’ article 33 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, cet arrêté a pour objectif de compléter l’arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations. En ce qui concerne la Région wallonne, une cellule de reconversion instituée par le décret du 29 janvier 2004 relatif au plan d’accompagne ment des reconversions, est assimilée à une cellule d’emploi comme visée à l’article 5 de l’arrête royal du 9 mars 2006 précité. En ce qui concerne la Région flamande, une cellule emploi, créée par le V.D.A.B, en vertu de l’article 5, § 1er, 2o, d) du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l’agence autonomisée externe de droit public « Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding » est assimilée à une cellule d’emploi, comme visée à l’article 5 de l’arrêté royal du 9 mars 2006 précité. La même mesure est appliquée en ce qui concerne la Région Bruxelles Capitale pour les cellules d’emploi créées en vertu de l’article 4 de l’ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonction nement de l’Office régional bruxellois de l’Emploi et cogérée par cet Office et les organismes compétents pour la formation professionnelle en Région de Bruxelles-Capitale. Toutefois, cet assimilation dépend de la condition que l’employeur en restructuration participe effectivement à cette cellule de reconversion ou cette cellule emploi. L’association active de l’employeur en restruc turation aux efforts de reclassement des travailleurs qu’il licencie est, dans la conception fédérale de la gestion active des restructurations un élément-clé, et doit donc être retenu. En cas de restructurations relativement moins importantes, l’employeur en restructuration peut 68465BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE herstructurering vertegenwoordigd worden door een of meerdere representatieve werkgeversorganisaties. Tot slot moet er op gewezen worden dat deze gelijkstelling niet inhoudt dat de regels van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006 niet meer van toepassing zouden zijn op deze reconver siecellen of tewerkstellingscellen. Zo zijn bijvoorbeeld de artikelen 6 (taak tewerkstellingscel), 7 (periode waarin de cel actief moet zijn) en 10 (werking tewerkstellingscel en ontslagregels werkgever) eveneens van toepassing op de reconversiecellen en tewerkstellingscellen, wanneer deze genieten van de gelijkstelling die met dit wijzigend koninklijk besluit wordt gerealiseerd. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige En zeer getrouwe dienaar, De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen, inzake de voorwaarden tot gelijkstel ling van een tewerkstellingscel opgericht door een Gewest met een federale tewerkstellingscel ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, inzonderheid op artikel 33; Gelet op het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen, inzonderheid op artikel 8; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 juni 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 30 juni 2006; Gelet op advies 41.134/1/V van de Raad van State, gegeven op 7 september 2006 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1o, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Werk en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen wordt aange vuld met de volgende §§ : « § 3. Voor wat betreft het Waals Gewest wordt een reconversiecel, zoals voorzien bij het decreet van 29 januari 2004 betreffende het begeleidingsplan van reconversies gelijkgesteld met de tewerkstellings cel, bedoeld in artikel 5, in zoverre de werkgever deelneemt aan de reconversiecel. Bij gebreke van de oprichting van een reconversiecel, zoals bedoeld in het eerste lid, dient de werkgever over te gaan tot het oprichten van een tewerkstellingscel in toepassing van dit besluit. § 4. Wat het Vlaams Gewest betreft wordt de deelname aan een tewerkstellingscel opgericht door de VDAB overeenkomstig artikel 5, § 1, 2o, d) van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap « Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding » gelijkgesteld met de deelname aan een tewerkstellingscel zoals bedoeld in artikel 5. Bij gebreke van de oprichting van een tewerkstellingscel zoals bedoeld in het eerste lid, dient de werkgever over te gaan tot het oprichten van een tewerkstellingscel in toepassing van dit besluit. § 5. Voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt de deelname aan een tewerkstellingscel, opgericht krachtens de bepalin gen van artikel 4 van de Ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van de Brusselse gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en gezamenlijk beheerd door die Dienst en de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de beroepsopleiding bevoegde diensten, gelijkgesteld met de deelname aan een tewerkstellingscel zoals bedoeld in artikel 5. être représenté par une ou plusieurs organisations représentatives des employeurs. Pour finir il faut attirer l’attention sur le fait que cette assimilation n’implique pas que les règles de l’arrêté royal du 9 mars 2006 précité ne seraient plus d’application à ces cellules de reconversion ou cellules emploi. Ainsi, par exemple, les articles 6 (tâche de la cellule d’emploi), 7 (période pendant laquelle la cellule doit être active) et 10 (fonction nement de la cellule d’emploi et règles de licenciement pour l’employeur) sont également d’application aux cellules de reconversion ou cellules emploi, lorsqu’il bénéficient de l’assimilation réalisée par le présent arrêté modificatif. Nous avons l’honneur d’être, Sire, De Votre Majesté, le très respectueux et très fidèle serviteur, Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations, en ce qui concerne les conditions d’assimilation d’une cellule Emploi créée par une Région à une cellule d’emploi fédéral ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 23 décembre 2005 relative au Pacte de solidarité entre les générations, notamment l’article 33; Vu l’arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations, notamment l’article 8; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 19 juin 2006; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget du 30 juin 2006 ; Vu l’avis 41.134/1/V du Conseil d’Etat, donné le 7 septembre 2006 en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1o des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi et sur avis de nos Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. L’article 8 de l’Arrêté royal du 9 mars 2006 relatif à la gestion active des restructurations, est complété par les §§ suivants : « § 3. En ce qui concerne la Région wallonne, une cellule de reconversion, telle que prévue par le décret du 29 janvier 2004 relatif au plan d’accompagnement des reconversions, est assimilée à la cellule pour l’emploi visée à l’article 5 pour autant que l’employeur participe à la cellule de reconversion. A défaut de mise en place d’une cellule de reconversion, telle que visée à l’alinéa 1er, l’employeur doit procéder à la création d’une cellule pour l’emploi en application du présent arrêté. § 4. En ce qui concerne la Région flamande, la participation à une cellule emploi créée par le V.D.A.B. en vertu de l’article 5, § 1er, 2o, d) du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l’agence autonomisée externe de droit public « Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding » est assimilée à la participation à une cellule pour l’emploi visée à l’article 5. A défaut de mise en place d’une cellule emploi, telle que visée à l’alinéa 1er, l’employeur doit procéder à la création d’une cellule pour l’emploi en application du présent arrêté. § 5. En ce qui concerne la Région Bruxelles Capitale la participation à une cellule d’emploi, créée en vertu de l’article 4 de l’Ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement de l’Office régional bruxellois de l’Emploi et cogérée par cet Office et les organismes compétents pour la formation professionnelle en Région de Bruxelles-Capitale, est assimilée à la participation à la cellule pour l’emploi visée à l’article 5. 68466 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij gebreke van de oprichting van een tewerkstellingscel zoals bedoeld in het eerste lid, dient de werkgever over te gaan tot het oprichten van een tewerkstellingscel in toepassing van dit besluit. § 6 Bij toepassing van § 3, § 4 en § 5 van dit artikel kan, in afwijking van artikel 5, tweede lid, voor wat de samenstelling van de tewerkstel lingscel betreft, de werkgever in herstructurering vertegenwoordigd worden door één of meerdere representatieve werkgeversorganisaties, indien : 1o ofwel de onderneming minder dan 100 werknemers tewerkstelt; 2o ofwel de onderneming overgaat tot het collectief ontslag van minder dan 20 werknemers. » Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 31 maart 2006 en is van toepassing op de ontslagen die deel uitmaken van een collectief ontslag ten vroegste aangekondigd vanaf deze datum. Art. 3. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [S − C − 2006/12526]N. 2006 — 4909 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen titularis kunnen zijn en houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van die instelling, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 tot vaststelling van de weddenschalen van de bijzondere graden van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatrege len met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, overeenkomstig artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op artikel 21 § 1; Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het geldelijk statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 3, §1, 5°, hersteld bij het koninklijk besluit van 5 september 2002; Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het geldelijk statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 3, § 1, 3°, ingevoegd door het koninklijk besluit van 10 mei 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, en 4°, ingevoegd door het koninklijk besluit van 10 mei 1976 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 april 1995 en 5 september 2002, en op artikel 7, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 mei 1976 en de wet van 22 juli 1993; Gelet op het koninklijk besluit van 23 juni 1998 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen titularis kunnen zijn en hou dende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van die instelling, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augus tus 2002; Gelet op het koninklijk besluit van 23 juni 1998 tot vaststelling van de weddenschalen van de bijzondere graden van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001; Gelet op het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbe sturen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 september 2003; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 29 januari 2003; Gelet op het advies van het Beheerscomité; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 19 november 2003; A défaut de mise en place d’une cellule emploi, telle que visée à l’alinéa 1er, l’employeur doit procéder à la création d’une cellule pour l’emploi en application du présent arrêté. § 6. En cas d’application du § 3, § 4 et § 5 du présent article, l’employeur en restructuration peut, en ce qui concerne la composition de la cellule pour l’emploi, par dérogation à l’article 5, alinéa 2, être représenté par une ou plusieurs organisations représentatives des employeurs si : 1o soit l’entreprise occupe moins de 100 travailleurs; 2o soit l’entreprise procède au licenciement collectif de moins de 20 travailleurs. » Art. 2. Le présent arrêt̂é produit ses effets le 31 mars 2006 et est d’application aux licenviements qui font partie d’un licenciement collectif annoncé au plus tôt à partir de cette date. Art. 3. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêt̂é. Donné à Bruxelles, le 10 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [S − C − 2006/12526]F. 2006 — 4909 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 23 juin 1998 relatif au classement hiérarchique des grades que peuvent porter les agents de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage et portant simplification de la carrière de certains agents de cet organisme, et modifiant l’arrêté royal du 23 juin 1998 fixant les échelles de traitement des grades particuliers de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu l’arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l’article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, notamment l’article 21 § 1er; Vu l’arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d’intérêt public, notamment l’article 3, § 1er, 5°, rétabli par l’arrêté royal du 5 septembre 2002; Vu l’arrêté royal du 8 janvier 1973 portant le statut pécuniaire du personnel de certains organismes d’intérêt public, notamment l’article 3, § 1er, 3°, inséré par l’arrêté royal du 10 mai 1976 et modifié par l’arrêté royal du 5 septembre 2002, et 4°, inséré par l’arrêté royal du 10 mai 1976 et modifié par les arrêtés royaux des 10 avril 1995 et 5 septembre 2002, et l’article 7, modifié par l’arrêté royal du 10 mai 1976 et la loi du 22 juillet 1993; Vu l’arrêté royal du 23 juin 1998 relatif au classement hiérarchique des grades que peuvent porter les agents de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage et portant simplification de la carrière de certains agents de cet organisme, modifié par l’arrêté royal du 28 août 2002; Vu l’arrêté royal du 23 juin 1998 fixant les échelles de traitement des grades particuliers de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage, modifié par l’arrêté royal du 4 décembre 2001; Vu l’arrêté royal du 5 septembre 2002 portant réforme de la carrière de certains agents des administrations de l’Etat, modifié par l’arrêté royal du 28 septembre 2003; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 29 janvier 2003; Vu l’avis du Comité de gestion; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 19 novembre 2003; 68467BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenaren zaken van 15 oktober 2003; Gelet op het protocol van 24 februari 2004 van het Sectorcomité XX; Gelet op het advies van het College van de Openbare Instellingen van sociale zekerheid, gegeven op 27 mei 2005; Gelet op het advies 37.684/1 van de Raad van State, gegeven op 5 oktober 2004, met toepassing van artikel 84, eerste lid, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat de hervorming tot doel heeft de federale over heidsdienst om te vormen tot een dynamische organisatie die niet alleen een betere dienstverlening aan de gebruiker beoogt maar ook een betere werkgever wil zijn; Overwegende dat een radicale verandering van de oriëntatie in het personeelsbeleid één van de peilers is van de genoemde hervorming en dat de modernisering van de loopbanen van de ambtenaren hiervan een essentieel element uitmaakt; Overwegende dat de hervorming van de bijzondere loopbanen van het personeel bij de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen zo vlug mogelijk moet worden gerealiseerd, gebaseerd op de bepalingen van het voornoemd koninklijk besluit van 5 september 2002; Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. — Wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen titularis kunnen zijn en houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van die instelling Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen titularis kunnen zijn en houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van die instelling, worden de woorden ″afdelin gen en rangen″ geschrapt. Art. 2. Artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 2002, wordt vervangen als volgt : «Art. 2. In afwijking van het artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, omvat het niveau C de afgeschafte graad van diensthoofd van een buiten dienst. » . Art. 3. De artikelen 3 en 4 van hetzelfde besluit worden opgeheven. Art. 4. In de bijlage gevoegd bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden ″niveau 2 - rang 22 : diensthoofd van een buiten dienst″ worden geschrapt; 2° de woorden ″niveau C : diensthoofd van een buitendienst″ worden ingevoegd onder de titel ″afgeschafte graad″. HOOFDSTUK II. — Wijziging van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 tot vaststelling van de weddenschalen van de bijzondere graden van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen Art. 5. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 juni 1998 tot vaststelling van de weddenschalen van de bijzondere graden van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001, wordt vervangen als volgt : « Artikel 1. De ambtenaren titularis van de afgeschafte graad van diensthoofd van een buitendienst en begunstigde van de hierna vermelde weddenschaal, behouden deze weddenschaal : 19.567,64 - 28.743,63 3/1 x 267,31 2/2 x 356,34 2 /2 x 712,64 10/2 x 623,61 (Kl. 20 j. - N. C - G. A) ». Art. 6. De artikelen 3 en 4 van hetzelfde besluit worden opgeheven. Vu l’accord de Notre Ministre de la Fonction publique, donné le 15 octobre 2003; Vu le protocole du 24 février 2004 du Comité de secteur XX; Vu l’avis du Collège des Institutions Publiques de sécurité sociale, donné le 27 mai 2005; Vu l’avis 37.684/1 du Conseil d’Etat, donné le 5 octobre 2004, en application de l’article 84, alinéa 1er, § 1er, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Considérant que la réforme a pour objectif de faire du service public fédéral une organisation dynamique soucieuse non seulement de proposer de meilleurs services à ses utilisateurs mais aussi de devenir un meilleur employeur; Considérant qu’un changement radical d’orientation dans la politi que du personnel est un des piliers de ladite réforme et que la modernisation de la carrière des agents en est un élément essentiel; Considérant que la réforme des carrières particulières du personnel auprès de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage doit être réalisée aussi vite que possible, basée sur les dispositions de l’arrêté royal du 5 septembre 2002 précité; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE Ier. — Modification de l’arrêté royal du 23 juin 1998 relatif au classement hiérarchique des grades que peuvent porter les agents de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage et portant simplification de la carrière de certains agents de cet organisme Article 1er. A l’article 1er de l’arrêté royal du 23 juin 1998 relatif au classement hiérarchique des grades que peuvent porter les agents de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage et portant simplification de la carrière de certains agents de cet organisme, les mots « sections et rangs » sont rayés. Art. 2. L’article 2 du même arrêté, modifié par l’arrêté royal du 28 août 2002, est remplacé par la disposition suivante : « Art. 2. En dérogation à l’article 3, § 1er, de l’arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l’Etat, le niveau C comprend le grade supprimé de chef de service extérieur. ». Art. 3. Les articles 3 et 4 du même arrêté sont abrogés. Art. 4. A l’annexe jointe au même arrêté, sont apportées les modifi cations suivantes : 1° les mots « niveau 2 - rang 22 : chef de service extérieur » sont rayés; 2° les mots « niveau C : chef de service extérieur » sont insérés sous le titre « grade supprimé ». CHAPITRE II. — Modification de l’arrêté royal du 23 juin 1998 fixant les échelles de traitement des grades particuliers de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage Art. 5. L’article 1er de l’arrêté royal du 23 juin 1998 fixant les échelles de traitement des grades particuliers de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage, modifié par l’arrêté royal du 4 décem bre 2001, est remplacé par la disposition suivante : « Article 1er. Les agents titulaires du grade supprimé de chef de service extérieur et bénéficiaires de l’échelle de traitement mentionnée ci-dessous, conservent cette échelle de traitement : 19.567,64 - 28.743,63 3/1 x 267,31 2/2 x 356,34 2/2 x 712,64 10/2 x 623,61 (Cl. 20 a. - N. C - G. A)″. Art. 6. Les articles 3 et 4 du même arrêté sont abrogés. 68468 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 7. Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001 wordt vervangen als volgt : « Art. 5. In afwijking van artikel 1, behouden de ambtenaren titularis van de afgeschafte graad van diensthoofd van een buitendienst en begunstigde, bij wijze van overgangsmaatregel, van de hierna vermelde weddenschaal, het voordeel van deze weddenschaal : 20.869,91 - 30.045,90 3/1 x 267,31 2/2x356,34 2/2x712,64 10 / 2 x 623,61 (Kl. 20j. - N. C - G. A). ». Art. 8. De bijlage gevoegd bij hetzelfde besluit wordt opgeheven. HOOFDSTUK III. — Overgangs- en slotbepalingen Art. 9. De ambtenaren titularis van de afgeschafte graad van diensthoofd van een buitendienst of laureaat van de proef van beroepsbekwaamheid voor bevordering tot de graad van diensthoofd van een buitendienst, ingericht vóór of lopende op 1 juni 2002, worden vrijgesteld van de algemene proef van een vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van administratief deskundige in niveau B bij de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Art. 10. § 1. De procedures inzake bevordering tot de graad van diensthoofd van een buitendienst lopende op de datum van bekend making van dit besluit, worden verder geregeld door de bepalingen zoals die van kracht waren vóór 31 mei 2002. § 2. De benoemingen die het resultaat zijn van de in § 1 bedoelde procedures, gebeuren in de afgeschafte graad van diensthoofd van een buitendienst. Art. 11. Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van : 1° de bepalingen die de overgang van de niveaus 4 en 3 naar het niveau D verzekeren, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2002; 2° de bepalingen die de overgang van het niveau 2 naar het niveau C verzekeren, die uitwerking hebben met ingang van 1 juni 2002. Art. 12. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2006/12458]N. 2006 — 4910 26 NOVEMBER 2006. – Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepas selijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, inzonderheid op de artikelen 4, tweede lid, gewijzigd bij de wet van 30 december 1988, 6, eerste lid, 7, §§ 1 en 2, 10, gewijzigd bij de wet van 30 december 1988, en 13bis, ingevoegd bij de wet van 23 decem ber 2005; Gelet op de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, inzonderheid op artikel 71; Gelet op het koninklijk besluit van 30 december 1991 tot uitvoering van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten; Art. 7. L’article 5 du même arrêté, modifié par l’ arrêté royal du 4 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante : « Art. 5. En dérogation à l’article 1er, les agents titulaires du grade supprimé de chef de service extérieur et bénéficiaires, à titre transitoire, de l’échelle de traitement mentionnée ci-dessous, conservent le bénéfice de cette échelle de traitement : 20.869,91 - 30.045,90 3/1 x 267,31 2/2 x 356,34 2/2x712,64 10/2x623,61 (Cl. 20 a. - N. C - G. A). » . Art. 8. L’annexe jointe au même arrêté est abrogé. CHAPITRE III. — Dispositions transitoires et finales Art. 9. Les agents titulaires du grade supprimé de chef de service extérieur ou lauréats de l’épreuve de vérification d’aptitude profession nelle pour promotion au grade de chef de service extérieur, organisée avant ou en cours d’organisation le 1er juin 2002, sont dispensés de l’épreuve générale d’une sélection comparative pour l’accession au grade d’expert administratif du niveau B à la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage. Art. 10. § 1er. Les procédures de promotion au grade de chef de service extérieur en cours à la date de parution du présent arrêté restent régies par les dispositions telles qu’elles étaient en vigueur au 31 mai 2002. § 2. Les nominations qui résultent des procédures visées au § 1er ont lieu dans le grade supprimé de chef de service extérieur. Art. 11. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l’exception : 1° des dispositions qui assurent la transition des niveaux 4 et 3 vers le niveau D, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2002; 2° des dispositions qui assurent la transition du niveau 2 vers le niveau C, qui produisent leurs effets le 1er juin 2002. Art. 12. Notre Ministre de l’Emploi est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 10 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2006/12458]F. 2006 — 4910 26 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal portant exécution de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d’infraction à certaines lois sociales (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d’infraction à certaines lois sociales, notamment les articles 4, alinéa 2, modifié par la loi du 30 décembre 1988, articles 6, alinéa 1er, 7, §§ 1er et 2, 10, modifié par la loi du 30 décembre 1988, et 13bis, inséré par la loi du 23 décembre 2005; Vu la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, notamment l’article 71; Vu l’arrêté royal du 30 décembre 1991 portant exécution de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d’infraction à certaines lois sociales; 68469BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Gelet op het advies nr. 40.971/1 van de Raad van State, gegeven op 21 augustus 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. In dit koninklijk besluit wordt verstaan onder : 1° « de wet » : de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten; 2° de administratieve geldboete : de administratieve geldboete bedoeld in artikel 4 van de wet en de administratieve geldboete bedoeld in artikel 13bis van de wet. Art. 2. De Directeur-generaal van de Afdeling van de juridische studiën, de documentatie en de geschillen van de Federale Overheids dienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wordt aangewezen om een exemplaar in ontvangst te nemen van de processen-verbaal bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 13bis, § 2, eerste lid, van de wet en om kennis te nemen van de beslissingen van het openbaar ministerie bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 2, van de wet. Diezelfde ambtenaar of, wanneer deze verhinderd is, de ambtenaar behorende tot ten minste klasse A3, die hem vervangt, wordt aange wezen voor het opleggen van de administratieve geldboete. Art. 3. De administratieve geldboete moet betaald worden binnen een termijn van drie maanden die een aanvang neemt de dag van de kennisgeving van de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd. Art. 4. De administratieve geldboete wordt voldaan door storting of overschrijving op de postrekening van de Directie van de administra tieve geldboeten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Art. 5. Het koninklijk besluit van 30 december 1991 tot uitvoering van de wet wordt opgeheven. Art. 6. Op de eerste dag van de derde maand na die waarop ze dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad treden in werking : 1° artikel 46 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact; 2° dit besluit. Art. 7. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Napels, 26 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, R. DEMOTTE De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN Nota’s (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, Belgisch Staatsblad van 13 juli 1971; Programmawet van 30 december 1988, Belgisch Staatsblad van 5 januari 1989; Wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, Belgisch Staatsblad van 30 december 2005. Vu l’avis n° 40.971/1 du Conseil d’Etat, donné le 21 août 2006 en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales et Notre Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Dans le présent arrêté royal il faut entendre par : 1° « la loi » : la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d’infraction à certaines lois sociales; 2° l’amende administrative : l’amende administrative visée à l’arti cle 4 de la loi et l’amende administrative visée à l’article 13bis de la loi. Art. 2. Le Directeur général de la Division des études juridiques, de la documentation et du contentieux du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est désigné pour recevoir un exemplaire des procès-verbaux visés aux articles 6, alinéa 1er, et 13bis, § 2, alinéa 1er, de la loi et pour prendre connaissance des avis du ministère public visés à l’article 7, §§ 1er et 2, de la loi. Ce même fonctionnaire ou, lorsque celui-ci est empêché, le fonction naire appartenant au moins à la classe A3, qui le remplace, est désigné pour infliger l’amende administrative. Art. 3. L’amende administrative doit être acquittée dans le délai de trois mois à compter du jour de la notification de la décision infligeant l’amende administrative. Art. 4. L’amende administrative est acquittée par versement ou virement au compte de chèques postaux de la Direction des amendes administratives du Service public fédéral Emploi, Travail et Concerta tion sociale. Art. 5. L’arrêté royal du 30 décembre 1991 portant exécution de la loi est abrogé. Art. 6. Entrent en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit la publication du présent arrêté au Moniteur belge : 1° l’article 46 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations; 2° le présent arrêté. Art. 7. Notre Ministre des Affaires sociales et Notre Ministre de l’Emploi sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Donné à Naples, le 26 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, R. DEMOTTE Le Ministre de l’Emploi, P. VANVELTHOVEN Notes (1) Références au Moniteur belge : Loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d’infraction à certaines lois sociales, Moniteur belge du 13 juillet 1971; Loi-programme du 30 décembre 1988, Moniteur belge du 5 jan vier 1989; Loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, Moniteur belge du 30 décembre 2005. 68470 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [C − 2006/23253]N. 2006 — 4911 22 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en de wijze van verdeling van de rijkstoelagen voor de dienst voor geneeskundige verzorging geor ganiseerd door de ziekenfondsen en de landsbonden van zieken fondsen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, inzonderheid op artikel 27bis, vierde lid, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en de wijze van verdeling van de rijkstoelagen voor de dienst voor geneeskundige verzorging georganiseerd door de ziekenfondsen en de landsbonden van zieken fondsen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 december 2001, 21 oktober 2002, 4 november 2003, 23 november 2004 en 10 novem ber 2005; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 17 augustus 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 27 september 2006; Gelet op het advies nr. 41.428/1 van de Raad van State, gegeven op 26 oktober 2006, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. In artikel 1, §1, van het koninklijk besluit van 29 okto ber 2001 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en de wijze van verdeling van de rijkstoelagen voor de dienst voor genees kundige verzorging georganiseerd door de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen gewijzigd door de koninklijke beslui ten van 10 december 2001 en 23 november 2004, worden de woorden « basisallocatie 52.11.31.12 » vervangen door de woorden « basisallo catie 58.42.31.12 ». Art. 2. Artikel 1, §2, eerste lid, van hetzelfde besluit vervangen door het koninklijk besluit van 10 november 2005 wordt vervangen als volgt : « De Rijkstoelagen van de jaren 1997 tot en met 2000 worden verdeeld onder de landsbonden op basis van de in artikel 3 bepaalde normatieve verdeelsleutel, voor elk jaar vastgesteld, op voorstel van de Raad van de Controledienst overgemaakt aan de Minister van Sociale Zaken. De Rijkstoelagen van het jaar 2001 worden verdeeld onder de landsbonden op basis van de in artikel 3bis bepaalde normatieve verdeelsleutel op voorstel van de Raad van de Controledienst overgemaakt aan de Minister van Sociale Zaken. De Rijkstoelagen van de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 worden verdeeld onder de landsbonden op basis van de in artikel 3ter bepaalde normatieve verdeelsleutel op voorstel van de Raad van de Controledienst overgemaakt aan de Minister van Sociale Zaken. De Rijkstoelagen van de jaren 2006 en volgende worden verdeeld onder de landsbonden op basis van de in artikel 4 bepaalde normatieve verdeelsleutel, voor elk jaar vastgesteld, op voorstel van de Raad van de Controledienst overgemaakt aan de Minister van Sociale Zaken. ». Art. 3. In artikel 3ter van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 november 2005 worden de volgende wijzigin gen aangebracht : — in §1, worden de woorden « van de jaren 2002, 2003 en 2004 » vervangen door de woorden « van de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 »; — § 3 wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de toepassing van het eerste lid op de berekening van de toelage voor het jaar 2005 moet worden verstaan onder : — nm het aantal rechthebbenden voor het ziekenfonds m op 31 december van het in aanmerking genomen jaar, met inbegrip van de rechthebbenden die tijdens het beschouwde jaar zijn overleden — n het aantal rechthebbenden van het geheel van de zieken fondsen op 31 december van het in aanmerking genomen jaar, met inbegrip van de rechthebbenden die tijdens het beschouwde jaar zijn overleden.» SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [C − 2006/23253]F. 2006 — 4911 22 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 29 octobre 2001 déterminant les conditions d’octroi et le mode de répartition des subventions de l’Etat pour le service des soins de santé, organisé par les mutualités et les unions nationales de mutualités ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, notamment l’article 27bis, alinéa 4, inséré par la loi du 22 février 1998; Vu l’arrêté royal du 29 octobre 2001 déterminant les conditions d’octroi et le mode de répartition des subventions de l’Etat pour le service des soins de santé, organisé par les mutualités et par les unions nationales de mutualités, modifié par les arrêtés royaux des 10 décem bre 2001, 21 octobre 2002, 4 novembre 2003, 23 novembre 2004 et 10 novembre 2005; Vu l’avis de l’Inspection des Finances, émis le 17 août 2006; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 27 septem bre 2006; Vu l’avis n° 41.428/1 du Conseil d’Etat donné le 26 octobre 2006, en application de l’article 84, §1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Dans l’article 1er, §1er, de l’arrêté royal du 29 octo bre 2001 déterminant les conditions d’octroi et le mode de répartition des subventions de l’Etat pour le service des soins de santé, organisé par les mutualités et par les unions nationales de mutualités modifié par les arrêtés royaux des 10 décembre 2001 et 23 novembre 2004, les mots « allocation de base 52.11.31.12 » sont remplacés par les mots « allocation de base 58.42.31.12 » Art. 2. L’article 1er, §2, alinéa 1er, du même arrêté remplacé par l’arrêté royal du 10 novembre 2005 est remplacé par la disposition suivante : « Les subventions des années 1997 à 2000 incluses sont réparties entre les unions nationales sur la base de la clé de répartition normative, définie à l’article 3, fixée pour chaque année sur proposition du Conseil de l’Office de contrôle transmise au Ministre des Affaires sociales. Les subventions de l’année 2001 sont réparties entre les unions nationales sur la base de la clé de répartition normative, définie à l’article 3bis, fixée sur proposition du Conseil de l’Office de contrôle transmise au Ministre des Affaires sociales. Les subventions des années 2002, 2003, 2004 et 2005 sont réparties entre les unions nationales sur la base de la clé de répartition normative, définie à l’article 3ter, fixée sur proposition du Conseil de l’Office de contrôle transmise au Ministre des Affaires sociales. Les subventions des années 2006 et suivantes sont réparties entre les unions nationales sur la base de la clé de répartition normative, définie à l’article 4, fixée pour chaque année sur proposition du Conseil de l’Office de contrôle transmise au Ministre des Affaires sociales. » Art. 3. Dans l’article 3ter, du même arrêté, modifié par l’arrêté royal du 10 novembre 2005, sont apportées les modifications suivantes : — au § 1er, les mots « des années 2002, 2003 et 2004 » sont remplacés par les mots « des années 2002, 2003, 2004 et 2005 »; — le § 3 est complété par l’alinéa suivant : « Pour l’application de l’alinéa 1er au calcul de la subvention de l’année 2005, il y a lieu d’entendre par: — nm le nombre de bénéficiaires de la mutualité m au 31 décem bre de l’année considérée, en ce compris les bénéficiaires décédés au cours de l’année considérée — n le nombre de bénéficiaires de l’ensemble des mutualités au 31 décembre de l’année considérée en ce compris les bénéficiai res décédés au cours de l’année considérée . » 68471BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 4. In artikel 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 november 2005, worden de woorden « jaren 2005 » vervangen door de woorden « jaren 2006 ». Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. Art. 6. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 22 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Ministre van Sociale zaken, R. DEMOTTE * FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2006/23212]N. 2006 — 4912 20 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten De Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid, Gelet op de wet van 17 maart 1993 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten; Gelet op het koninklijk besluit van 28 oktober 2004 betreffende de organisatie, de samenstelling en de werkwijze van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, inzonderheid op artikel 12; Gelet op het ministerieel besluit van 25 januari 1995 betreffende de goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten; Gelet op de beslissing van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten van 14 september 2006, Besluit : Artikel 1. Het huishoudelijk reglement van de Raad van het Begro tingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, waarvan de tekst bij dit besluit gevoegd is, wordt goedgekeurd. Art. 2. Het ministerieel besluit van 25 januari 1995 betreffende de goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, wordt opgeheven. Brussel, 20 november 2006. R. DEMOTTE Bijlage Huishoudelijk reglement van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten Artikel 1. De Voorzitter van de Raad bepaalt de plaats, de dag en het uur van de vergadering. Hij stelt eveneens de agenda vast. Wanneer tenminste vijf leden er om verzoeken, is hij gehouden de Raad binnen de dertig dagen bijeen te roepen en de punten die in het verzoek tot bijeenroeping zijn opgegeven op de agenda te plaatsen. Art. 2. De Voorzitter, of in opdracht een secretaris, roept de effectieve leden van de Raad en de plaatsvervangers op bij gewone brief, per fax of per e-mail ten minste zeven werkdagen vóór de vergadering. De oproeping vermeldt de agenda. Bij de oproeping wordt in voorkomend geval een dossier met de werkdocumenten gevoegd. In dringende gevallen kunnen de werkdocumenten tijdens de zitting worden uitgedeeld. Art. 4. Dans l’article 4, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par l’arrêté royal du 10 novembre 2005, les mots « années 2005 » sont remplacés par les mots « années 2006 ». Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006. Art. 6. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 22 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, R. DEMOTTE SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2006/23212]F. 2006 — 4912 20 NOVEMBRE 2006. — Arrêté ministériel approuvant le règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la produc tion et la protection des végétaux et des produits végétaux Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, Vu la loi du 17 mars 1993 relative à la création d’un Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux; Vu l’arrêté royal du 28 octobre 2004 relatif à l’organisation, à la composition et au fonctionnement du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, notamment l’article 12; Vu l’arrêté ministériel du 25 janvier 1995 relatif à l’approbation du règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux; Vu la décision du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux du 14 septem bre 2006, Arrête : Article 1er. Le règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, dont le texte est annexé au présent arrêté, est approuvé. Art. 2. L’arrêté ministériel du 25 janvier 1995 relatif à l’approbation du règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, est abrogé. Bruxelles, le 20 novembre 2006. R. DEMOTTE Annexe Règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux Article 1er. Le Président du Conseil fixe l’endroit, le jour et l’heure de la réunion. Il fixe également l’ordre du jour. Lorsqu’au moins cinq membres le demandent, il est tenu de convoquer le Conseil dans les trente jours et d’inscrire à l’ordre du jour les points faisant l’objet de la demande de réunion. Art. 2. Le Président, ou par mandat un secrétaire, convoque les membres effectifs du Conseil et les suppléants par simple lettre, par fax ou par e-mail au moins sept jours ouvrables avant la réunion. La convocation mentionne l’ordre du jour. Le cas échéant, un dossier avec les documents de travail est joint à la convocation. En cas d’urgence, les documents de travail peuvent être distribués en séance. 68472 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 3. In geval van hoogdringendheid wordt : — ofwel de in artikel 2 bedoelde termijn van oproeping verminderd tot ten minste drie dagen. In voorkomend geval worden de oproeping en de agenda door de Voorzitter, of in opdracht door een secretaris, per fax of per e-mail aan de effectieve leden en de plaatsvervangers toegestuurd; — ofwel de raadpleging van de effectieve leden schriftelijk georga niseerd. Art. 4. Ieder effectief lid dat een vergadering niet kan bijwonen, verzoekt onmiddellijk zijn plaatsvervanger hem op deze vergadering te vervangen. De aanwezigheid van een plaatsvervanger is enkel toegelaten bij afwezigheid van het overeenstemmend effectief lid. Ieder lid ondertekent tijdens de vergadering de aanwezigheidslijst die aan de notulen ervan wordt toegevoegd. Art. 5. De Raad kan niet beraadslagen over punten die niet op de agenda voorkomen, tenzij bij de aanwezige leden een meerderheid van zowel de vertegenwoordigers van de overheid als van de vertegen woordigers van de beroepssectoren, zich akkoord verklaart met de agendawijziging. Art. 6. De Voorzitter opent en sluit de vergadering. Hij leidt de besprekingen en organiseert de stemming indien geen consensus wordt bereikt. De Raad kan slechts geldig beraadslagen als de meerderheid van de leden aanwezig is. Als deze voorwaarde niet is vervuld, zal de Voorzitter de Raad binnen de dertig dagen opnieuw samenroepen met dezelfde agenda. Deze vergadering beslist rechtsgeldig ongeacht het aantal aanwezige leden. Art. 7. De secretarissen staan de Voorzitter bij. Ze maken de notulen van de vergadering. Ze bewaren het archief van de Raad. Indien een secretaris niet beschikbaar is, duidt de Voorzitter een vervanger aan. Art. 8. Bij het begin van elke vergadering worden de notulen van de vorige vergadering aan de Raad ter goedkeuring voorgelegd. In geval van hoogdringendheid kan de Voorzitter, of in opdracht een secretaris, de notulen schriftelijk ter goedkeuring aan de leden voor leggen. De goedgekeurde notulen worden door de Voorzitter en de secreta rissen ondertekend. Art. 9. De in de Raad vertegenwoordigde verenigingen en beroeps sectoren moeten de Voorzitter onmiddellijk schriftelijk op de hoogte brengen van het eventueel herroepen van het mandaat van hun effectieve of plaatsvervangende vertegenwoordiger. Indien een plaats vacant is, waakt de Voorzitter er over dat een nieuw lid wordt aangeduid. Art. 10. De Voorzitter kan aan de Raad de oprichting van werkgroe pen voorstellen. De Raad kiest de voorzitter van elke werkgroep. Elk lid van de Raad kan deelnemen aan de werkzaamheden van de werkgroepen. De secretarissen van de Raad verzorgen ook het secretariaat van de werkgroepen. De werkgroepen formuleren voorstellen en leggen ze ter goedkeu ring aan de Raad voor. Art. 11. De uitnodigingen en de notulen van de vergaderingen worden aan de effectieve leden en aan de plaatsvervangers in het Nederlands en het Frans overgemaakt. Andere documenten worden overgemaakt in de taal van de auteur. De vergaderingen zijn tweetalig. Ieder lid drukt zich uit in zijn eigen taal. Art. 12. De functie van lid van de Raad geeft geen recht op enige vergoeding. Art. 13. Voor alles wat niet in dit reglement is bepaald, regelt de Voorzitter de procedure. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 20 november 2006 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Raad van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten. De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE Art. 3. En cas d’urgence : — soit le délai de convocation visé à l’article 2 est ramené à trois jours au minimum. Le cas échéant, la convocation et l’ordre du jour sont communiqués par le Président, ou par mandat par un secrétaire, aux membres effectifs ainsi qu’aux suppléants par fax ou par e-mail; — soit la consultation des membres effectifs est organisée par écrit. Art. 4. Tout membre effectif empêché d’assister à une réunion invite immédiatement son suppléant à le remplacer à cette réunion. La présence d’un membre suppléant n’est autorisée qu’en cas d’absence du membre effectif correspondant. Chaque membre signe pendant la réunion la liste de présence qui est jointe au procès-verbal de celle-ci. Art. 5. Le Conseil ne peut délibérer sur des points qui ne sont pas mis à l’ordre du jour sauf si, parmi les membres présents une majorité tant parmi les représentants de l’autorité que parmi les représentants des secteurs professionnels, approuve la modification de l’ordre du jour. Art. 6. Le Président ouvre et clôt la réunion. Il mène les débats et organise les votes si aucun consensus n’est atteint. Le Conseil ne peut délibérer valablement que si la majorité des membres est présente. Si cette condition n’est pas remplie, le Président convoquera à nouveau le Conseil dans les trente jours avec le même ordre du jour. Cette réunion statue valablement quel que soit le nombre de membres présents. Art. 7. Les secrétaires assistent le Président. Ils rédigent le procès verbal de la réunion. Ils conservent les archives du Conseil. En cas d’indisponibilité d’un secrétaire, le Président désigne un remplaçant. Art. 8. A l’ouverture de chaque réunion, le procès-verbal de la réunion précédente est soumis à l’approbation du Conseil. En cas d’urgence, le Président, ou par mandat un secrétaire, peut soumettre le procès-verbal à l’approbation des membres par écrit. Les procès-verbaux approuvés sont signés par le Président et les secrétaires. Art. 9. Les associations et secteurs professionnels représentés au Conseil doivent signaler immédiatement par écrit au Président la révocation éventuelle du mandat de leur représentant effectif ou suppléant. En cas de poste vacant, le Président veille à ce qu’un nouveau membre soit désigné. Art. 10. Le Président peut proposer au Conseil la constitution de groupes de travail. Le Conseil choisit le président de chaque groupe de travail. Chaque membre du Conseil peut participer aux travaux des groupes de travail. Les secrétaires du Conseil assurent également le secrétariat des groupes de travail. Les groupes de travail font des propositions et les soumettent à l’approbation du Conseil. Art. 11. Les convocations et les procès-verbaux des réunions sont communiqués aux membres effectifs et suppléants en néerlandais et en français. Les autres documents sont communiqués dans la langue de l’auteur. Les réunions sont bilingues. Chaque membre s’explique dans sa propre langue. Art. 12. La fonction de membre du Conseil ne donne lieu à aucune indemnité. Art. 13. Le Président règle la procédure de tout ce qui n’est pas prévu par ce règlement. Vu pour être annexé à l’arrêté ministériel du 20 novembre 2006 approuvant le règlement d’ordre intérieur du Conseil du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux. Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, R. DEMOTTE 68473BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU EN FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN [C − 2006/23274]N. 2006 — 4913 26 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit houdende voorwaarden voor de erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten en het hun toevertrouwen van taken die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990; Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, inzon derheid op artikel 4, § 5; Gelet op het koninklijk besluit van 7 mei 1963 houdende inrichting van de bestrijding der veeziekten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 januari 1992, 10 januari 1995, 24 september 1997 en 13 juli 2001; Gelet op het advies van het Wetenschappelijk Comité ingesteld bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 9 september 2005; Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale Overheid op 16 december 2005; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 23 december 2005; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 augustus 2005; Gelet op advies 39.995/3 van de Raad van State, gegeven op 28 maart 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksge zondheid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. — Algemene bepalingen Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° Minister : de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegd heid heeft; 2° Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; 3° CODA : Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agro chemie, opgericht bij koninklijk besluit van 20 juni 1997 houdende oprichting van het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie als wetenschappelijke inrichting van de Staat. Art. 2. In het kader van de dierenziektenbestrijding kan het Agent schap een aantal taken laten verrichten door onder de voorwaarden van artikel 3 erkende verenigingen. HOOFDSTUK II. — De erkende verenigingen Art. 3. § 1. Om te worden erkend moet een vereniging tot bestrijding van dierenziekten zoals bedoeld in artikel 3 van de Dierengezondheids wet van 24 maart 1987, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° zij moet opgericht zijn onder de vorm van een vzw waarvan de statuten goedgekeurd zijn door de Minister; 2° zij moet als doelstelling hebben : — deelnemen aan de organisatie, de omkadering, de begeleiding en het toezicht op de identificatie en de registratie van de dieren; — deelnemen aan de uitvoering van preventie- en bestrijdingsmaat regelen tegen dierenziekten; — de taken die haar door het Agentschap in dit kader worden toevertrouwd, uitvoeren; 3° haar territoriale bevoegdheid moet minstens 4 provincies omvat ten; 4° zij moet zich onderwerpen aan het toezicht en de richtlijnen van het Agentschap, de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veilig heid van de Voedselketen en Leefmilieu en het CODA; SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT ET AGENCE FEDERALE POUR LA SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE [C − 2006/23274]F. 2006 — 4913 26 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal fixant les conditions d’agrément des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, notamment l’article 3, modifié par la loi du 29 décembre 1990; Vu la loi du 4 février 2000 relative à la création de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, notamment l’article 4, § 5; Vu l’arrêté royal du 7 mai 1963 portant organisation de la lutte contre les maladies du bétail, modifié par les arrêtés royaux des 21 jan vier 1992, 10 janvier 1995, 24 septembre 1997 et 13 juillet 2001; Vu l’avis du Comité Scientifique institué auprès de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, donné le 9 septembre 2005; Vu la concertation entre les Gouvernements régionaux et l’Autorité fédérale du 16 décembre 2005; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 23 décembre 2005; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 10 août 2005; Vu l’avis 39.995/3 du Conseil d’Etat, donné le 28 mars 2006, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et de l’avis de Nos Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE Ier. — Dispositions générales Article 1er. Pour l’application du présent arrêté, on entend par : 1° Ministre : le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions; 2° Agence : l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimen taire; 3° CERVA : Centre d’Etude et de Recherches vétérinaires et agrochi miques créé par l’arrêté royal du 20 juin 1997 créant le Centre d’Etude et de Recherches vétérinaires et agrochimiques en tant qu’établissement scientifique de l’Etat. Art. 2. Dans le cadre de la lutte contre les maladies animales, l’Agence peut faire exécuter un nombre de tâches par des associations agréées sous les conditions de l’article 3. CHAPITRE II. — Les associations agréées Art. 3. § 1er. Pour être agréée, une association de lutte contre les maladies animales, telle que visée à l’article 3 de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, doit satisfaire aux conditions suivantes : 1° elle doit être constituée sous forme d’une asbl dont les statuts sont approuvés par le Ministre; 2° elle doit avoir pour objet : — de participer à l’organisation, l’encadrement, la guidance et la supervision de l’identification et l’enregistrement des animaux; — de participer à l’exécution des mesures de prévention et de lutte contre les maladies des animaux; — d’exécuter les missions qui lui sont confiées par l’Agence dans ce cadre; 3° sa compétence territoriale doit couvrir au moins 4 provinces; 4° elle doit se soumettre à la surveillance et aux directives de l’Agence, du Service Public Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et du CERVA; 68474 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 5° zij dient over de nodige logistiek en infrastructuur te beschikken om de haar toevertrouwde taken binnen de gestelde of redelijke termijnen naar behoren uit te voeren, namelijk : a) op minstens één vaste locatie een permanent centrum voor preventie en diergeneeskundige begeleiding bestaande uit een admini stratieve ruimte, laboratoriuminfrastructuur en -uitrusting, evenals een autopsieruimte; b) de mogelijkheid hebben om, op ieder moment, op aanvraag van het Agentschap, minstens één tijdelijk bijkomend centrum voor preven tie en diergeneeskundige begeleiding op te richten, dat minstens een bewaarplaats voor kadavers en een autopsieruimte bevat, evenals voldoende infrastructuur en logistiek om stalen in ontvangst te nemen met het oog op hun behandeling in het kader van een crisisbeheer. § 2. De beslissingen van de bestuursorganen van de erkende verenigingen moeten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, aan de Minister worden voorgelegd. De beslissingen van de Minister zijn bindend voor de erkende verenigingen die geen beslissingen mogen nemen die strijdig zijn met het beschikkend gedeelte of de motivering ervan. Art. 4. Het Agentschap vergoedt, binnen de perken van het daartoe bestemde begrotingsartikel, de verenigingen voor de prestaties die door hen in het kader van de hun toevertrouwde taken worden uitgevoerd. De modaliteiten van betaling worden tussen partijen overeengekomen. HOOFDSTUK III. — Slotbepalingen Art. 5. Het koninklijk besluit van 7 mei 1963 houdende inrichting van de bestrijding der veeziekten, wordt opgeheven. Art. 6. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Napels, 26 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE * FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIG HEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU EN FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MID DENSTAND EN ENERGIE [C − 2006/23250]N. 2006 — 4914 22 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot aanvulling van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 betreffende de benamingen en de kenmerken van de biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen voor motorvoertuigen en voor niet voor de weg bestemde mobiele machines ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, inzonderheid op artikel 14, § 1, b); Gelet op de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, inzonder heid op artikel 5, § 1, eerste lid, 2° en 3°; Gelet op het koninklijk besluit van 4 maart 2005 betreffende de benamingen en de kenmerken van de biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen voor motorvoertuigen en voor niet voor de weg bestemde mobiele machines, inzonderheid op de artikelen 1 en 3; Gelet op de Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrand stoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 31 mei 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 8 juni 2006; Gelet op de beslissing van de Ministerraad van 9 juni 2006; Gelet op het advies van de Raad voor het Verbruik, gegeven op 30 juni 2006; Gelet op het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, gegeven op 4 juli 2006; 5° elle doit disposer de la logistique et de l’infrastructure nécessaires afin d’effectuer, dans les délais fixés ou raisonnables et de manière appropriée, les tâches qui lui sont confiées, à savoir : a) sur au moins un site fixe, un centre permanent de prévention et de guidance vétérinaire comprenant un espace administratif, les structures et équipements de laboratoire ainsi qu’une salle d’autopsie; b) disposer de la capacité d’ouvrir, à tout moment sur demande de l’Agence, au moins un centre supplémentaire temporaire de prévention et de guidance vétérinaire comprenant au moins un lieu de dépôt des cadavres, une salle d’autopsie ainsi qu’une infrastructure et la logisti que adéquate à la réception des échantillons en vue de leur traitement dans la gestion d’une crise. § 2. Les décisions des organes de direction des associations agréées sont soumises au Ministre, conformément à l’article 5 de la loi du 24 mars relative à la santé des animaux. Les décisions du Ministre lient les associations agréées qui ne peuvent prendre des décisions contraires tant aux motifs qu’aux dispositifs de celles-ci. Art. 4. L’Agence rétribue, dans les limites de l’article budgétaire y affecté, les associations pour les prestations effectuées dans le cadre des tâches qui leur sont confiées. Les modalités de paiement de ces prestations sont fixées de commun accord par les parties. CHAPITRE III. — Dispositions finales Art. 5. L’arrêté royal du 7 mai 1963 portant organisation de la lutte contre les maladies du bétail, est abrogé. Art. 6. Notre Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Naples, le 26 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, R. DEMOTTE SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT ET SERVICE PUBLIC FEDERAL ECONOMIE, P.M.E., CLASSES MOYENNES ET ENERGIE [C − 2006/23250]F. 2006 — 4914 22 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal complétant l’arrêté royal du 4 mars 2005 relatif aux dénominations et aux caractéristiques des biocarburants et d’autres carburants renouvelables pour les véhicules à moteur et pour les engins mobiles non routiers ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l’information et la protection du consommateur, notamment l’article 14, § 1er, b); Vu la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion des modes de production et de consommation durables et la protection de l’environnement et de la santé, notamment l’article 5, § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°; Vu l’arrêté royal du 4 mars 2005 relatif aux dénominations et aux caractéristiques des biocarburants et d’autres carburants renouvelables pour les véhicules à moteur et pour les engins mobiles non routiers, notamment les articles 1er et 3; Vu la Directive 2003/30/CE du Parlement européen et du Conseil du 8 mai 2003 visant à promouvoir l’utilisation de biocarburants ou autres carburants renouvelables dans les transports; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 31 mai 2006; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 8 juin 2006; Vu la décision du Conseil des Ministres du 9 juin 2006; Vu l’avis du Conseil de la Consommation, donné le 30 juin 2006; Vu l’avis du Conseil central de l’Economie, donné le 4 juillet 2006; 68475BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Gelet op het advies van de Federale Raad voor Duurzame Ontwik keling, gegeven op 13 juli 2006; Gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 2 augustus 2006; Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwer pen van dit besluit betrokken zijn; Gelet op het advies n° 40.943/1/V van de Raad van State, gegeven op 24 juli 2006 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Energie, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Landbouw, Onze Minister van Consumentenzaken, en Onze Minister van Leefmilieu, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 betreffende de benamingen en de kenmerken van de biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen voor motorvoertuigen en voor niet voor de weg bestemde mobiele machines wordt als volgt gewijzigd : 1° 18° wordt als volgt vervangen : « De bevoegde overheden zijn : — Algemene Directie Energie : de Algemene directie Energie van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie; — Het Directoraat-generaal Leefmilieu : het Directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu »; 2° het artikel wordt als volgt aangevuld : « 20° Eindgebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon die de in dit Besluit bedoelde biobrandstoffen gebruikt; 21° Betrokken partij : elke natuurlijke of rechtspersoon die producent of eindgebruiker is van de in dit Besluit bedoelde biobrandstof. » Art. 2. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt als volgt gewijzigd : 1° De eerste paragraaf wordt aangevuld met de volgende zin : « Bij ontstentenis van een CEN- norm voor een biobrandstof kunnen de Ministers van Energie en Leefmilieu beslissen tot het ontwikkelen van een Belgische NBN-norm. Een biobrandstof waarvoor een Belgische NBN- norm bestaat, dient aan deze norm te voldoen. » 2° De tweede paragraaf wordt vervangen door de volgende bepalin gen : « § 2. Een biobrandstof die afwijkt van de bestaande CEN- of NBN norm of waarvoor geen CEN- of NBN- norm bestaat, mag enkel op de markt gebracht worden indien de natuurlijke personen of rechtsperso nen die deze motorbrandstof op de markt wensen te brengen een beslissing tot afwijking bekomen hebben vanwege de bevoegde overheden. Deze beslissing tot afwijking kan gegeven worden : 1° voor niet-genormeerde motorbrandstoffen wanneer ze verhandeld worden tussen een beperkt aantal welbepaalde partijen in het kader van een specifiek project en onder de voorwaarden gedefinieerd in § 3; 2° voor het op de markt brengen met als doel de verkoop aan de eindgebruiker van koolzaadolie van de GN-code 1514 onder de voorwaarden gedefinieerd in § 4. » 3° Een derde en vierde paragraaf worden ingevoegd, luidend als volgt : « § 3. Een biobrandstof die afwijkt van de bestaande CEN- of NBN norm of waarvoor geen CEN- of NBN- norm bestaat, mag enkel verhandeld worden tussen een beperkt aantal welbepaalde partijen in het kader van een specifiek project op voorwaarde dat de betrokken partijen hiervoor een beslissing tot afwijking van de bevoegde overhe den hebben gekregen. Vu l’avis du Conseil fédéral du Développement durable, donné le 13 juillet 2006; Vu l’avis du Conseil supérieur d’Hygiène, donné le 2 août 2006; Vu l’association des gouvernements régionaux à l’élaboration du présent arrêté; Vu l’avis n° 40.943/1/V du Conseil d’Etat, donné le 24 juillet 2006 en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre des Finances, de Notre Ministre de l’Energie, de Notre Ministre de la Santé publique, de Notre Ministre de l’Agriculture, de Notre Ministre de la Protection de la Consomma tion, et de Notre Ministre de l’Environnement, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. L’article 1er de l’arrêté royal du 4 mars 2005 relatif aux dénominations et aux caractéristiques des biocarburants et d’autres carburants renouvelables pour les véhicules à moteur et pour les engins mobiles non routiers est modifié comme suit : 1° 18° est remplacé comme suit : « Les autorités compétentes sont : — La Direction générale Energie : La Direction générale Energie du SPF Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie; — La Direction générale Environnement : la Direction générale Environnement du SPF Santé Publique, Sécurité de la chaîne alimen taire et Environnement; » 2° l’article est complété comme suit : « 20° L’utilisateur final : personne physique ou morale qui utilise le biocarburant visé dans le présent arrêté; 21° : Partie concernée : toute personne physique ou morale, produc teur ou utilisateur final de biocarburant visé dans le présent arrêté. » Art. 2. Article 3 du même arrêté est modifié comme suit : 1° Le premier paragraphe est complété par la phrase suivante : « En absence d’une norme CEN pour un biocarburant, les Ministres de l’Energie et de l’Environnement peuvent décider du développement d’une norme belge NBN. Un biocarburant pour lequel une norme belge NBN existe doit répondre à cette norme. » 2° Le deuxième paragraphe est remplacé par les dispositions suivantes : « § 2. Un biocarburant qui déroge à la norme CEN ou NBN existante ou pour laquelle aucune norme CEN ou NBN n’existe, peut unique ment être mis sur le marché si les personnes physiques ou morales qui veulent mettre ce biocarburant sur le marché ont obtenu une décision de dérogation des autorités compétentes. Cette décision de dérogation peut être octroyée : 1° pour des biocarburants non-normés quand ils sont vendus entre un nombre limité de parties précisées dans le cadre d’un projet spécifique et sous les conditions définies au § 3; 2° pour la mise sur le marché avec comme but la vente au consommateur final d’huile de colza du code NC 1514 sous les conditions définies au § 4. » 3° Un troisième et quatrième paragraphe sont insérés, libellés comme suit : « § 3. Un biocarburant qui déroge à la norme CEN ou NBN existante ou pour lequel aucune norme CEN ou NBN n’existe, peut uniquement être vendu entre un nombre limité de parties précisées dans le cadre d’un projet spécifique, pour autant que les parties concernées en obtiennent la décision de dérogation des services compétents. 68476 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Behoudens enige andere voorwaarde die de bevoegde overheden mogelijk opleggen, wordt de beslissing tot afwijking vanwege de bevoegde overheden tot het op de markt brengen beperkt tot de betrokken partijen. Deze laatsten mogen de biobrandstof in geen geval aanbieden aan een distributiepunt dat toegankelijk is voor andere eindgebruikers dan deze die expliciet betrokken zijn in het specifieke project of aan enige andere eindgebruiker die niet in de aanvraag is vermeld. De verdeler voorziet een etikettering, die op het distributie punt wordt aangebracht. De verdeler waarschuwt de eindgebruiker met behulp van een label over de mogelijke gevolgen bij het gebruik van de biobrandstof in niet aangepaste voertuigen. De voornoemde beslissing tot afwijking geldt voor een periode van drie jaar. Ze kan telkens met 3 jaar worden verlengd op basis van een nieuwe aanvraag. Ze kan worden ingetrokken bij niet-naleving van de voorwaarden van de toelating. Om een beslissing tot afwijking voor het verhandelen van een niet-genormeerde biobrandstof te bekomen, dienen de bij het project betrokken partijen per aangetekende brief een aanvraag in bij de Algemene Directie Energie. De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat volgende elementen bevat : 1° een nauwkeurige omschrijving van de biobrandstof en zijn technische specificaties; 2° een nauwkeurige omschrijving van het specifieke project, de lijst van de bij het project betrokken partijen en de voorwaarden waarop de biobrandstof tussen deze partijen mag worden verhandeld; 3° de looptijd van het project. « Het goedkeuringsformulier projecten of captieve vloten» is beschik baar bij de bevoegde overheden. De Algemene Directie Energie bezorgt binnen 10 kalenderdagen een kopie van de aanvraag aan het Directoraat-generaal Leefmilieu. De Algemene Directie Energie deelt de gezamenlijke beslissing van de twee directoraten-generaal per aangetekende brief binnen een termijn van drie maand na de aanvraag mee. Zowel een beslissing van afwijking als de weigering van een dergelijke afwijking wordt hierbij met redenen omkleed. De Algemene Directie Energie beoordeelt de aanvraag op de technische kenmerken van de biobrandstof en op de wijze van verhandeling ervan. Het Directoraat-generaal Leefmilieu beoordeelt de aanvraag op het vlak van leefmilieu. De aanvraag kan alleen gunstig worden beoordeeld als beide bevoegde overheden akkoord gaan. Deze modaliteiten beschreven in deze § 3 zijn eveneens van toepassing : 1° voor koolzaadolie van de GN-code 1514 geproduceerd als motorbrandstof; 2° voor motorbrandstoffen met een hoger gehalte aan biobrandstof dan toegelaten door de Europese norm EN 590 voor diesel en de Europese norm EN 228 voor benzine; Voor de gewestelijke vervoersmaatschappijen wordt de termijn voor de mededeling van de gezamenlijke beslissing teruggebracht naar 6 weken. » « § 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 en van de Programmawet van 27 december 2004, inzonderheid artikel 419bis, § 3, ingevoegd door de Programmawet van 11 juli 2005 en van de Programmawet van 11 juli 2005, inzonderheid artikelen 33 en 34, mag koolzaadolie van de GN-code 1514 geproduceerd als motorbrandstof op de markt gebracht worden op voorwaarde dat de natuurlijke of rechtspersonen die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen 1° een beslissing tot afwijking hiertoe van de bevoegde overheden hebben verkregen en 2° het kwaliteitscertificaat voor koolzaadolie als motorbrandstof ondertekenen. De beslissing tot afwijking bedoeld in 1° bepaalt, bij afwezigheid van een Belgische norm voor koolzaadolie als motorbrandstof, de kwali teitseisen waaraan deze motorbrandstof dient te voldoen en eventuele andere voorwaarden en beperkingen voor het in verbruik stellen. De beslissing tot afwijking geldt voor een periode van drie jaar. Ze kan telkens voor 3 jaar worden verlengd op basis van een nieuwe aanvraag. Ze kan worden ingetrokken bij niet-naleving van de voorwaarden van de beslissing. Outre les conditions éventuelles fixées par les autorités compétentes, la décision de dérogation des autorités compétentes restreint la mise sur le marché aux seules parties concernées. Ces dernières ne pourront en aucun cas distribuer le biocarburant dans un point de distribution accessible pour d’autres utilisateurs finaux que ceux qui sont explici tement impliqués dans le projet spécifique ou à tout autre utilisateur final non précisé lors de la demande. Le distributeur prévoit un étiquetage, qui s’opère au point de distribution. Le distributeur avertit l’utilisateur final, au moyen d’un label, des conséquences possibles de l’utilisation du biocarburant dans des véhicules inadaptés. La décision de dérogation précitée est valable pour une période de trois ans. Elle peut être prolongée pour une période de trois ans sur base d’une nouvelle demande. Elle peut être retirée en cas de non-respect des conditions de l’autorisation. Afin d’obtenir une décision de dérogation pour vendre un bio carburant, les parties impliquées dans le projet introduisent une demande par lettre recommandée auprès de la Direction générale de l’Energie. La demande est introduite au moyen d’un formulaire qui contient les éléments suivants : 1° une description précise du biocarburant et ses spécifications techniques; 2° une description précise du projet spécifique, l’énumération des parties impliquées et les conditions pour la vente de biocarburant entre ces parties; 3° la durée du projet. « Le formulaire d’autorisation projet ou flottes captives » est dispo nible auprès des autorités compétentes. La Direction générale Energie envoie une copie de la demande dans les dix jours calendrier à la Direction générale Environnement. La Direction générale Energie notifie la décision commune des deux directions générales par lettre recommandée dans un délai de 3 mois suivant la demande. Tant une décision de dérogation que le refus d’une telle dérogation seront motivés. La Direction générale Energie juge la demande sur la base des caractéristiques techniques du biocarburant et sur la manière de mettre en vente. La Direction générale Environnement juge la demande d’un point de vue environnemental. La demande ne peut être accueillie favorablement qu’avec l’accord conjoint des autorités compétentes. Ces modalités décrites dans ce § 3 sont également d’application : 1° à l’huile de colza du code NC 1514, produite comme carburant; 2° aux carburants avec une teneur en biocarburant plus élevée que celle autorisée par la norme EN 590 pour le diesel et à la norme EN 228 pour l’essence; Pour les sociétés de transport en commun régionales la notification de la décision commune est repportée à un délai de six semaines. » « § 4. Sans préjudice des dispositions du § 3 et des dispositions de la loi programme du 27 décembre 2004, notamment l’article 419bis, § 3, inséré par la loi-programme du 11 juillet 2005 et de la loi-programme du 25 juillet 2005, notamment les articles 33 et 34, l’ huile de colza du code NC 1514 produite comme carburant peut être mise sur le marché, à condition que les personnes physiques ou morales qui veulent mettre ce biocarburant sur le marché : 1° en aient obtenu la décision de dérogation préalable des autorités compétentes et 2° signent le certificat de qualité pour l’huile de colza comme carburant. La décision de dérogation préalable visée au 1° fixe, en cas d’absence d’une norme belge, les exigences de qualité auxquelles ce biocarburant doit répondre et les autres conditions et restrictions éventuelles pour la mise à la consommation. La décision de dérogation précitée est valable pour une période de trois ans. Elle peut être prolongée par période de trois ans sur base d’une nouvelle demande. Elle peut être retirée en cas de non-respect des conditions de la décision. 68477BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Om een beslissing tot afwijking voor het in verbruik stellen van koolzaadolie als motorbrandstof te verkrijgen, richten de natuurlijke of rechtspersonen die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen een aanvraag aan de Algemene Directie Energie aan de hand van « het goedkeuringsformulier koolzaadolie voor landbouwers » dat beschik baar is op de website van de bevoegde diensten. De Algemene Directie Energie bezorgt binnen 10 kalenderdagen een kopie van de aanvraag aan het Directoraat-generaal Leefmilieu. De Algemene Directie Energie deelt de gezamenlijke beslissing van de twee directoraten-generaal per aangetekende brief binnen een termijn van 6 weken na de aanvraag mee. Zowel een beslissing van afwijking als de weigering van een dergelijke afwijking wordt hierbij met redenen omkleed. De Algemene Directie Energie beoordeelt de aanvraag op de technische kenmerken van de biobrandstof en op de wijze van verhandeling ervan. Het Directoraat-generaal Leefmilieu beoordeelt de aanvraag op het vlak van leefmilieu. De aanvraag kan alleen gunstig worden beoordeeld als beide bevoegde overheden akkoord gaan. Het kwaliteitscertificaat bedoeld in 2° wordt opgesteld door de bevoegde overheden. Het bevat engagementen vanwege de aan vragende partijen. Deze engagementen betreffen : 1° de kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie; 2° de controle van de kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie; 3° de wijze van aanbieding van deze koolzaadolie; 4° de informatie aan de eindgebruiker. Het kwaliteitscertificaat wordt aangevuld met een technische bijlage waarin de hierboven vermelde engagementen worden toegelicht. De Ministers van de bevoegde overheden bepalen het kwaliteitscer tificaat. Het kwaliteitscertificaat wordt door de aanvragende partijen in tweevoud en ondertekend aan de bevoegde overheden bezorgd. Een modelexemplaar van het kwaliteitscertificaat, van zijn technische bijlage, evenals de lijst van de natuurlijke en rechtspersonen die koolzaadolie geproduceerd als motorbrandstof op de markt brengen volgens de voorwaarden bedoeld in deze paragraaf is beschikbaar op de websites van de bevoegde overheden. » Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 4. Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Energie, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Landbouw, Onze Minister van Consumentenzaken, Onze Minister van Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Art. 5. Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Energie, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Landbouw, Onze Minister van Consumentenzaken, Onze Minister van Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 22 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. REYNDERS De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en van Consumentenzaken, Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Economie, Buitenlandse Handel, Wetenschapsbeleid en Energie, M. VERWILGHEN De Minister van Leefmilieu, B. TOBBACK De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Middenstand en Landbouw, Mevr. S. LARUELLE Afin d’obtenir une décision de dérogation pour la mise à la consommation d’huile de colza comme carburant, les personnes physiques ou morales voulant mettre ce biocarburant sur le marché, adressent une demande auprès de la Direction générale Energie par moyen du « formulaire d’autorisation huile de colza pour agriculteurs » disponible sur le site internet des services compétents. La Direction générale Energie envoie une copie de la demande dans les dix jours calendrier à la Direction Générale Environnement. La Direction générale Energie notifie la décision commune des deux directions générales par lettre recommandée dans un délai de 6 semaines suivant la demande. Tant une décision de dérogation que le refus d’une telle dérogation seront motivés. La Direction générale Energie juge la demande sur les caractéristi ques techniques du biocarburant et sur la manière de le mettre en vente. La Direction générale Environnement juge la demande d’un point de vue environnemental. La demande ne peut être accueillie favorable ment qu’avec l’accord des deux autorités compétentes. Le certificat de qualité visé au 2° est rédigé par les autorités compétentes. Il contient des engagements de la part des parties demanderesses. Ces engagements, portent sur : 1° la qualité de l’huile de colza offerte; 2° le contrôle de la qualité de l’huile de colza offerte; 3° la manière d’offrir cette huile de colza; 4° l’information au consommateur final. Le certificat de qualité est complété par une annexe technique dans laquelle les engagements cités ci-dessus sont expliqués. Les Ministres des autorités compétentes fixent le certificat de qualité. Le certificat de qualité est envoyé signé par les parties demanderesses en deux exemplaires aux autorités compétentes. Un exemplaire du certificat de qualité, de son annexe technique, ainsi que la liste des personnes physiques et morales mettant sur le marché l’huile de colza produite comme carburant dans les conditions visées dans ce paragraphe sont disponibles sur les sites internet des autorités compétentes. » Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Art. 4. Notre Ministre des Finances, Notre Ministre de l’Energie, Notre Ministre de la Santé publique, Notre Ministre de l’Agriculture, Notre Ministre de la Protection de la Consommation, et Notre Ministre de l’Environnement sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Art. 5. Notre Ministre des Finances, Notre Ministre de l’Energie, Notre Ministre de la Santé publique, Notre Ministre de l’Agriculture, Notre Ministre de la Protection de la Consommation, et Notre Ministre de l’Environnement sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 22 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances, D. REYNDERS La Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget et de la Protection de la Consommation, Mme F. VAN DEN BOSSCHE Le Ministre de l’Economie, du Commerce Extérieur, de la Politique scientifique et de l’Energie, M. VERWILGHEN Le Ministre de l’Environnement, B. TOBBACK Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, R. DEMOTTE La Ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture, Mme S. LARUELLE 68478 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN VLAAMSE GEMEENSCHAP — COMMUNAUTE FLAMANDE VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36733]N. 2006 — 4915 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering houdende de toekenning van VIA-subsidies aan de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg, gewijzigd bij de decreten van 22 december 1999, 6 juli 2000 en 25 november 2005; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 8 september 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat aan het Vlaams intersectoraal akkoord van 6 juni 2005 voor de social profit voor 2006-2011 uitvoering gegeven moet worden voor de sector Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Aan de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg worden voor de periode 2006-2010 aanvullende subsidies toegekend in het kader van het Vlaams Intersectoraal Akkoord 2006-2010 van 6 juni 2005 voor de social profit. Art. 2. Die subsidies worden toegekend voor de uitvoering van de maatregelen eindejaarspremie, management ondersteuning en werkdrukvermindering, vermeld in het Vlaams Intersectoraal Akkoord. Art. 3. Voor de uitvoering van de maatregel eindejaarspremie zal vanaf 2006 tot en met 2010 jaarlijks een subsidie worden toegekend aan de sector Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg voor de verhoging van het vaste en het variabele gedeelte van de eindejaarspremie,met de volgende bedragen : 1° 2006 : 125.882 euro; 2° 2007 : 150.633 euro nieuwe middelen (+ 125.000 euro recurrente middelen); 3° 2008 : 150.614 euro nieuwe middelen (+ 276.515 euro recurrente middelen); 4° 2009 : 149.395 euro nieuwe middelen (+ 427.129 euro recurrente middelen); 5° 2010 : 150.613 euro nieuwe middelen (+ 576.524 euro recurrente middelen). Art. 4. Voor de uitvoering van de maatregel managementondersteuning zullen de kredieten voor de sector Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg vanaf 2006 tot 2010 jaarlijks verhogen met 28.240 euro. In 2010 zal voor de uitvoering van die maatregel in de CGG-sector een recurrent krediet opgebouwd zijn van 141.200 euro. De Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg zullen die middelen inzetten voor de versterking van het management, het VTO-beleid en de verbetering van het statuut van het directiepersoneel. Art. 5. Voor de uitvoering van de maatregel werkdrukvermindering zal vanaf 2006 tot en met 2010 jaarlijks een subsidie worden toegekend aan de sector Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg voor vervangende tewerkstelling bij de toekenning van aanvullende vakantiedagen voor personeelsleden vanaf vijfenveertig jaar. Die subsidie bedraagt : 1° 2006 : 164.000 euro; 2° 2007 : 165.000 euro nieuwe middelen (+ 164.000 euro recurrente middelen); 3° 2008 : 136.000 euro nieuwe middelen (+ 329.000 euro recurrente middelen); 4° 2009 : 110.000 euro nieuwe middelen (+ 465.000 euro recurrente middelen); 5° 2010 : 112.000 euro nieuwe middelen (+ 575.000 euro recurrente middelen). Art. 6. De subsidies uit het Vlaams Intersectoraal Akkoord worden jaarlijks toegevoegd aan de subsidie enveloppe van de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, toegekend ter uitvoering van artikel 24 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg. Art. 7. De subsidies zullen worden aangerekend op programma 42.1, basisallocatie 34.27. Art. 8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 8 september 2006. De minister–president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, I. VERVOTTE 68479BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36733]F. 2006 — 4915 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand attribuant des subventions VIA aux Centres de santé mentale Le Gouvernement flamand, Vu le décret du 8 mai 1999 relatif au secteur de la santé mentale, modifié par les décrets des 22 décembre 1999, 6 juillet 2000 et 25 novembre 2005; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du Budget, donné le 8 septembre 2006; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant qu’il importe d’exécuter l’Accord intersectoriel flamand du 6 juin 2005 pour le secteur non marchand 2006-2011 pour le secteur des Centres de Santé mentale; Sur la proposition de la Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille; Après délibération, Arrête : Article 1er. Il est accordé aux Centres de santé mentale, pour la période 2006-2010, des subventions complémentaires dans le cadre de l’Accord intersectoriel flamand 2006-2010 du 6 juin 2005 pour le secteur non marchand. Art. 2. Ces subventions sont accordées pour l’exécution des mesures sur le plan de la prime de fin d’année, de l’aide à la gestion et de la réduction de la pression du travail, mentionnées dans l’Accord intersectoriel flamand. Art. 3. Pour l’exécution de la mesure sur le plan de la prime de fin d’année, il sera alloué annuellement une subvention au secteur des Centres de santé mentale pour l’augmentation de la partie fixe et de la partie variable de la prime de fin d’année, des montants suivants : 1° 2006 : 125.882 euros; 2° 2007 : 150.633 euros de fonds nouveaux (+ 125.000 euros de moyens récurrents); 3° 2008 : 150.614 euros de fonds nouveaux (+ 276.515 euros de moyens récurrents); 4° 2009 : 149.395 euros de fonds nouveaux (+ 427.129 euros de moyens récurrents); 5° 2010 : 150.613 euros de fonds nouveaux (+ 576.524 euros de moyens récurrents). Art. 4. Pour l’exécution de la mesure sur le plan de l’aide à la gestion, les crédits pour le secteur des Centres de santé mentale augmenteront annuellement à partir de 2006 jusqu’à 2010 de 28.240 euros. En vue de l’exécution de cette mesure dans le secteur CGG (Centres de santé mentale), un crédit récurrent de 141.200 euros sera constitué en 2010. Les Centres de santé mentale affecteront ces moyens au renforcement de la gestion, à la politique VTO et à l’amélioration du statut du personnel dirigeant. Art. 5. En vue de l’exécution de la mesure sur le plan de la réduction de la pression du travail, il sera alloué annuellement, à partir de 2006 jusqu’à 2010, une subvention au secteur des Centres de santé mentale pour des emplois de remplacement lors de l’octroi de jours de congé pour les membres du personnel à partir de quarante-cinq ans. Cette subvention s’élève à : 1° 2006 : 164.000 euros; 2° 2007 : 165.000 euros de fonds nouveaux (+ 164.000 euros de moyens récurrents); 3° 2008 : 136.000 euros de fonds nouveaux (+ 329.000 euros de moyens récurrents); 4° 2009 : 110.000 euros de fonds nouveaux (+ 465.000 euros de moyens récurrents); 5° 2010 : 112.000 euros de fonds nouveaux (+ 575.000 euros de moyens récurrents). Art. 6. Les subventions allouées dans le cadre de l’Accord intersectoriel flamand seront ajoutées annuellement à l’enveloppe de subventions des Centres de santé mentale, en exécution de l’article 24 du décret du 18 mai relatif au secteur de santé mentale. Art. 7. Ces subventions seront imputées au programme 42.1, allocation de base 34.27. Art. 8. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006. Art. 9. La Ministre flamande qui a la Politique en matière de santé dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 8 septembre 2006. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME La Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille, I. VERVOTTE 68480 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36736]N. 2006 — 4916 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2001 ter uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, inzonderheid op artikel 5, § 1, II, 1°; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2001 ter uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 januari 2004; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 8 september 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de vertaling van het Vlaams intersectoraal akkoord voor de social-profit/non-profit 2006-2011 naar hogere subsidiebedragen onverwijld moet plaatsvinden zodat de overeengekomen cao’s kunnen worden uitgevoerd; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Aan artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2004 ter uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk, worden een § 7, § 8, § 9 en § 10 toegevoegd, die luiden als volgt : « § 7. Ter uitvoering van de bepalingen van het Vlaams akkoord voor de social-profit/non-profit 2006-2011, gesloten op 6 juni 2005, worden voor de eindejaarspremie de enveloppen aan de centra voor algemeen welzijnswerk als volgt verhoogd : 1° in het jaar 2006 met 232.204,00 euro; 2° in het jaar 2007 met 277.860,00 euro; 3° in het jaar 2008 met 277.823,00 euro; 4° in het jaar 2009 met 275.575,00 euro; 5°in het jaar 2010 met 277.824,00 euro. Die verhogingen hebben een recurrent karakter. Ze worden verdeeld per centrum naar rato van het aantal subsidiabele personeelsleden, zoals bepaald in het erkenningsbesluit. § 8. Ter uitvoering van de bepalingen van het akkoord, vermeld in § 7, worden voor de managementondersteuning de enveloppen aan de centra voor algemeen welzijnswerk als volgt verhoogd : 1° in het jaar 2006 met 59.440,00 euro; 2° in het jaar 2007 met 59.440,00 euro; 3° in het jaar 2008 met 59.440,00 euro; 4° in het jaar 2009 met 59.440,00 euro; 5° in het jaar 2010 met 59.440,00 euro. Die verhogingen hebben een recurrent karakter. Ze worden verdeeld per centrum naar rato van het aantal subsidiabele personeelsleden, zoals bepaald in het erkenningsbesluit. § 9. Ter uitvoering van de bepalingen van het akkoord, vermeld in § 7, worden voor de werkdrukvermindering de enveloppen aan de centra voor algemeen welzijnswerk als volgt verhoogd : 1° in het jaar 2006 met 19.988,00 euro; 2° in het jaar 2007 met 19.988,00 euro; 3° in het jaar 2008 met 39.977,00 euro; 4° in het jaar 2009 met 59.965,00 euro; 5° in het jaar 2010 met 60.898,00 euro. Die verhogingen hebben een recurrent karakter. Ze worden verdeeld per centrum naar rato van het aantal subsidiabele personeelsleden, zoals bepaald in het erkenningsbesluit. § 10. De subsidiebedragen, vermeld in § 7, § 8 en § 9, zijn uitgedrukt tegen 100 % op basis van de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2006, en ze worden elk jaar aangepast aan de spilindex, vermeld in artikel 21, § 1. » Art. 2. Aan artikel 35 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2004 ter uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk, worden een § 6, § 7, § 8 en § 9 toegevoegd, die luiden als volgt : « § 6. Ter uitvoering van de bepalingen van het Vlaams Akkoord voor de social-profit/non-profit 2006-2011, gesloten op 6 juni 2005, worden voor de eindejaarspremie de forfaitaire bedragen, vermeld in § 3, cumulatief verhoogd met de volgende bedragen : 1° in het jaar 2006 met 156,26 euro; 2° in het jaar 2007 met 186,99 euro; 3° in het jaar 2008 met 186,96 euro; 4° in het jaar 2009 met 185,45 euro; 68481BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 5° in het jaar 2010 met 186,96 euro. § 7. Ter uitvoering van de bepalingen van het akkoord, vermeld in § 6, worden voor de managementondersteuning de forfaitaire bedragen, vermeld in § 3, cumulatief verhoogd met de volgende bedragen : 1° in het jaar 2006 met 40 euro; 2° in het jaar 2007 met 40 euro; 3° in het jaar 2008 met 40 euro; 4° in het jaar 2009 met 40 euro; 5° in het jaar 2010 met 40 euro. § 8. Ter uitvoering van de bepalingen van het akkoord, vermeld in § 6, worden voor de werkdrukvermindering de forfaitaire bedragen, vermeld in § 3, cumulatief verhoogd met de volgende bedragen : 1° in het jaar 2006 met 13,45 euro; 2° in het jaar 2007 met 13,45 euro; 3° in het jaar 2008 met 26,90 euro; 4° in het jaar 2009 met 40,35 euro; 5° in het jaar 2010 met 40,98 euro. § 9. De subsidiebedragen, vermeld in § 6, § 7 en § 8, zijn uitgedrukt tegen 100 % op basis van de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2006, en ze worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de spilindex, vermeld in artikel 21, § 1. » Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. Art. 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 8 september 2006. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, I. VERVOTTE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36736]F. 2006 — 4916 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2001 portant exécution du décret du 19 décembre 1997 relatif à l’aide sociale générale Le Gouvernement flamand, Vu la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, notamment l’article 5, § 1er, II, 1°; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2001 portant exécution du décret du 19 décembre 1997 relatif à l’aide sociale générale, modifié par l’arrêté du Gouvernement flamand du 9 janvier 2004; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du Budget, donné le 8 septembre 2006; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant que la transposition de l’Accord intersectoriel flamand pour le secteur non marchand 2006-2011 à des montants de subvention plus élevés doit s’effectuer sans délai pour que les CCT convenues puissent être exécutées; Sur la proposition de la Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille; Après délibération, Arrête : Article 1er. Il est ajouté à l’article 20 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2004 portant exécution du décret du 19 décembre 1997 relatif à l’aide sociale générale, des §§ 7, 8, 9 et 10, rédigés comme suit : « § 7. En exécution des dispositions de l’Accord flamand pour le secteur non marchand 2006-2011, conclu le 6 juin 2005, les enveloppes pour la prime de fin d’année octroyées aux centres d’aide sociale générale sont augmentées comme suit : 1° de 232.204,00 euros pour l’année 2006; 2° de 277.860,00 euros pour l’année 2007; 3° de 277.823,00 euros pour l’année 2008; 4° de 275.575,00 euros pour l’année 2009; 5° de 277.824,00 euros pour l’année 2010. Ces augmentations ont un caractère récurrent. Elles sont réparties par centre au prorata du nombre de membres du personnel subsidiables, tels que définis dans l’arrêté d’agrément. § 8. En exécution des dispositions de l’accord visé au § 7, les enveloppes octroyées aux centres d’aide sociale générale pour l’aide à la gestion sont augmentées comme suit : 1° de 59.440,00 euros pour l’année 2006; 2° de 59.440,00 euros pour l’année 2007; 3° de 59.440,00 euros pour l’année 2008; 68482 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4° de 59.440,00 euros pour l’année 2009; 5° de 59.440,00 euros pour l’année 2010. Ces augmentations ont un caractère récurrent. Elles sont réparties par centre au prorata du nombre de membres du personnel subsidiables, tels que définis dans l’arrêté d’agrément. § 9. En exécution des dispositions de l’accord visé au § 7, les enveloppes octroyées aux centres d’aide sociale générale pour la réduction de la pression du travail sont augmentées comme suit : 1° de 19.988,00 euros pour l’année 2006; 2° de 19.988,00 euros pour l’année 2007; 3° de 39.977,00 euros pour l’année 2008; 4° de 59.965,00 euros pour l’année 2009; 5° de 60.898,00 euros pour l’année 2010. Ces augmentations ont un caractère récurrent. Elles sont réparties par centre au prorata du nombre de membres du personnel subsidiables, tels que définis dans l’arrêté d’agrément. § 10. Les montants de subvention, mentionnés aux §§ 7, 8 et 9, sont exprimés à 100 % sur la base de l’indice pivot applicable le 1er janvier 2006, et sont ajustés annuellement à l’indice pivot mentionné à l’article 21, § 1er. » Art. 2. Il est ajouté à l’article 35 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2004 portant exécution du décret du 19 décembre 1997 relatif à l’aide sociale générale, des §§ 6, 7, 8 et 9, rédigés comme suit : « § 6. En exécution des dispositions de l’Accord flamand pour le secteur non marchand 2006-2011, conclu le 6 juin 2005, les montants forfaitaires pour la prime de fin d’année, mentionnés au § 3, sont augmentées cumulativement des montants suivants : 1° de 156,26 euros pour l’année 2006; 2° de 186,99 euros pour l’année 2007; 3° de 186,96 euros pour l’année 2008; 4° de 185,45 euros pour l’année 2009; 5° de 186,96 euros pour l’année 2010. § 7. En exécution des dispositions de l’accord visé au § 6, les montants forfaitaires pour l’aide à la gestion, mentionnés au § 3, sont augmentés cumulativement des montants suivants : 1° de 40 euros pour l’année 2006; 2° de 40 euros pour l’année 2007; 3° de 40 euros pour l’année 2008; 4° de 40 euros pour l’année 2009; 5° de 40 euros pour l’année 2010. § 8. En exécution des dispositions de l’accord visé au § 6, les montants forfaitaires pour la réduction de la pression du travail, mentionnés au § 3, sont augmentés cumulativement des montants suivants : 1° de 13,45 euros pour l’année 2006; 2° de 13,45 euros pour l’année 2007; 3° de 26,90 euros pour l’année 2008; 4° de 40,35 euros pour l’année 2009; 5° de 40,98 euros pour l’année 2010. § 9. Les montants de subvention, mentionnés aux §§ 6, 7 et 8, sont exprimés à 100 % sur la base de l’indice pivot applicable le 1er janvier 2006, et sont ajustés annuellement le 1er janvier à l’indice pivot mentionné à l’article 21, § 1er. » Art. 3. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006. Art. 4. La Ministre flamande qui a l’Assistance aux personnes dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 8 septembre 2006. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME La Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille, I. VERVOTTE 68483BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36739]N. 2006 — 4917 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, inzonderheid op artikel 5, § 1, II, 1°; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, 21 januari 2000, 17 juli 2000, 30 maart 2001, 10 juli 2001, 23 november 2001, 25 oktober 2002, 7 november 2003, 22 juli 2005, 31 maart 2006 en 28 april 2006; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 8 september 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de vertaling van het Vlaams intersectoraal akkoord voor de social profit naar hogere subsidiebedragen onverwijld moet plaatsvinden zodat de overeengekomen cao’s kunnen worden uitgevoerd; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Aan artikel 13, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001, worden een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt : « Ter uitvoering van de bepalingen van het Vlaams Akkoord voor de social profit/non-profit 2006-2011, gesloten op 6 juni 2005, wordt voor de maatregel eindejaarspremie de hiernavolgende aanvullende cumulatieve subsidie toegekend : 1° voor de basiserkenning die verbonden is aan de minimumcapaciteit, vermeld in artikel 2, § 3, een forfaitair bedrag van : a) 1.742,98 euro per jaar in 2006; b) 2.085,71 euro per jaar in 2007; c) 2.085,48 euro per jaar in 2008; d) 2.068,45 euro per jaar in 2009; e) 2.085,48 euro per jaar in 2010; 2° voor de eerste drie extra schijven van vier erkende eenheden een forfaitair bedrag van : a) 232,40 euro per jaar in 2006; b) 278,10 euro per jaar in 2007; c) 278,06 euro per jaar in 2008; d) 275,79 euro per jaar in 2009; e) 278,06 euro per jaar in 2010; 3° voor de vierde schijf en de volgende extra schijven van vier erkende eenheden een forfaitair bedrag van : a) 232,40 euro per jaar in 2006; b) 278,10 euro per jaar in 2007; c) 278,06 euro per jaar in 2008; d) 275,79 euro per jaar in 2009; e) 278,06 euro per jaar in 2010. Ter uitvoering van de bepalingen van het akkoord wordt voor de maatregel managementondersteuning de hiernavolgende aanvullende cumulatieve subsidie toegekend : 1° voor de basiserkenning die verbonden is aan de minimumcapaciteit, vermeld in artikel 2, § 3, een forfaitair bedrag van : a) 452,38 euro per jaar in 2006; b) 452.38 euro per jaar in 2007; c) 452,38 euro per jaar in 2008; d) 452,38 euro per jaar in 2009; e) 452,38 euro per jaar in 2010; 68484 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 2° voor de eerste drie extra schijven van vier erkende eenheden een forfaitair bedrag van : a) 60,32 euro per jaar in 2006; b) 60,32 euro per jaar in 2007; c) 60,32 euro per jaar in 2008; d) 60,32 euro per jaar in 2009; e) 60,32 euro per jaar in 2010; 3° voor de vierde schijf en de extra schijven van vier erkende eenheden een forfaitair bedrag van : a) 60,32 euro per jaar in 2006; b) 60,32 euro per jaar in 2007; c) 60,32 euro per jaar in 2008; d) 60,32 euro per jaar in 2009; e) 60,32 euro per jaar in 2010. Ter uitvoering van de bepalingen van het akkoord wordt voor de maatregel werkdrukvermindering de hiernavolgende aanvullende cumulatieve subsidie toegekend : 1° voor de basiserkenning die verbonden is aan de minimumcapaciteit, vermeld in artikel 2, § 3, een forfaitair bedrag van : a) 152,14 euro per jaar in 2006; b) 152,02 euro per jaar in 2007; c) 304,29 euro per jaar in 2008; d) 456,31 euro per jaar in 2009; e) 463,57 euro per jaar in 2010; 2° voor de eerste drie extra schijven van vier erkende eenheden een forfaitair bedrag van : a) 20,29 euro per jaar in 2006; b) 20,27 euro per jaar in 2007; c) 40,57 euro per jaar in 2008; d) 60,84 euro per jaar in 2009; e) 61,81 euro per jaar in 2010; 3° voor de vierde schijf en de volgende extra schijven van vier erkende eenheden een forfaitair bedrag van : a) 20,29 euro per jaar in 2006; b) 20,27 euro per jaar in 2007; c) 40,57 euro per jaar in 2008; d) 60,84 euro per jaar in 2009; e) 61,81 euro per jaar in 2010. » Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. Art. 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 8 september 2006. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, I. VERVOTTE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36739]F. 2006 — 4917 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1997 réglant l’agrément et le subventionnement des centres d’aide intégrale aux familles Le Gouvernement flamand, Vu la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, notamment l’article 5, § 1er, II, 1°; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1997 réglant l’agrément et le subventionnement des centres d’aide intégrale aux familles, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 8 décembre 1998, 21 janvier 2000, 17 juillet 2000, 30 mars 2001, 10 juillet 2001, 23 novembre 2001, 25 octobre 2002, 7 novembre 2003, 22 juillet 2005, 31 mars 2006 et 28 avril 2006; 68485BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Vu l’accord du Ministre flamand chargé du Budget, donné le 8 septembre 2006; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant que la transposition de l’Accord intersectoriel flamand pour le secteur non marchand à des montants de subvention plus élevés doit s’effectuer sans délai pour que les CCT convenues puissent être exécutées; Sur la proposition de la Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille; Après délibération, Arrête : Article 1er. A l’article 13, § 2 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1997 réglant l’agrément et le subventionnement des centres d’aide intégrale aux familles, remplacé par l’arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2001 sont ajoutés un deuxième, un troisième et un quatrième alinéas rédigés comme suit : En exécution des dispositions de l’Accord flamand pour le secteur non marchand 2006-2011, conclu le 6 juin 2005, la subvention cumulative complémentaire suivante est octroyée pour la mesure sur le plan de la prime de fin d’année : 1° pour l’agrément de base lié à la capacité minimum, visée à l’article 2, § 3, un montant forfaitaire de : a) 1.742,98 euros par an en 2006; b) 2.085,71 euros par an en 2007; c) 2.085,48 euros par an en 2008; d) 2.068,45 euros par an en 2009; e) 2.085,48 euros par an en 2010; 2° pour les trois premières tranches supplémentaires de quatre unités agréées, un montant forfaitaire de : a) 232,40 euros par an en 2006; b) 278,10 euros par an en 2007; c) 278,06 euros par an en 2008; d) 275,79 euros par an en 2009; e) 278,06 euros par an en 2010; 3° pour la quatrième tranche et les tranches supplémentaires suivantes de quatre unités agréées, un montant forfaitaire de : a) 232,40 euros par an en 2006; b) 278,10 euros par an en 2007; c) 278,06 euros par an en 2008; d) 275,79 euros par an en 2009; e) 278,06 euros par an en 2010. En exécution des dispositions de l’accord, la subvention cumulative complémentaire suivante est octroyée pour la mesure sur le plan de l’aide à la gestion : 1° pour l’agrément de base lié à la capacité minimum, visée à l’article 2, § 3, un montant forfaitaire : a) 452,38 euros par an en 2006; b) 452,38 euros par an en 2007; c) 452,38 euros par an en 2008; d) 452,38 euros par an en 2009; e) 452,38 euros par an en 2010; 2° pour les trois premières tranches supplémentaires de quatre unités agréées, un montant forfaitaire de : a) 60,32 euros par an en 2006; b) 60,32 euros par an en 2007; c) 60,32 euros par an en 2008; d) 60,32 euros par an en 2009; e) 60,32 euros par an en 2010; 3° pour la quatrième tranche et les tranches supplémentaires de quatre unités agréées, un montant forfaitaire de : a) 60,32 euros par an en 2006; b) 60,32 euros par an en 2007; 68486 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE c) 60,32 euros par an en 2008; d) 60,32 euros par an en 2009; e) 60,32 euros par an en 2010. En exécution des dispositions de l’accord, la subvention cumulative complémentaire suivante est octroyée pour la mesure sur le plan de la réduction de la pression du travail : 1° pour l’agrément de base lié à la capacité minimum, visée à l’article 2, § 3, un montant forfaitaire : a) 152,14 euros par an en 2006; b) 152,02 euros par an en 2007; c) 304,29 euros par an en 2008; d) 456,31 euros par an en 2009; e) 463,57 euros par an en 2010; 2° pour les trois premières tranches supplémentaires de quatre unités agréées, un montant forfaitaire de : a) 20,29 euros par an en 2006; b) 20,27 euros par an en 2007; c) 40,57 euros par an en 2008; d) 60,84 euros par an en 2009; e) 61,81 euros par an en 2010; 3° pour la quatrième tranche et les tranches supplémentaires suivantes de quatre unités agréées, un montant forfaitaire de : a) 20,29 euros par an en 2006; b) 20,27 euros par an en 2007; c) 40,57 euros par an en 2008; d) 60,84 euros par an en 2009; e) 61,81 euros par an en 2010. Art. 2. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006. Art. 3. La Ministre flamande qui a l’Assistance aux personnes dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 8 septembre 2006. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME La Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille, I. VERVOTTE * VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36771]N. 2006 — 4918 8 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidiëring van bepaalde personeels kosten, van management en van kwaliteitsondersteunende maatregelen voor voorzieningen en diensten, gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoon lijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, inzonderheid op artikel 8, 2°; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoor waarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, §1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1996 betreffende de erkenning van thuisbegeleidingsdiensten voor personen met een handicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 maart 2000, 15 december 2000, 13 juli 2001, 23 november 2001 en 18 juli 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 1998 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor ontwikkelingsstoornissen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2004; 68487BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 tot subsidiëring van management en vorming ten bate van voorzieningen, gesubsidieerd door het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002 tot vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van erkenning en subsidiëring van organisaties inzake aangepaste vrijetijdsbesteding voor personen met een handicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juli 2003 en 17 december 2004; Gelet op het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004; Gelet op het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 8 september 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat een goede werking van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap vereist dat zonder uitstel uitvoering wordt gegeven aan sommige bepalingen van het Vlaams intersectoraal akkoord voor de social profitsector 2006-2011, die vanaf 1 januari 2006 uitwerking hebben; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Voor de voorzieningen voor residentiële en semi-residentiële opvang van personen met een handicap, de diensten voor thuisbegeleiding, voor begeleid wonen, voor beschermd wonen, voor zelfstandig wonen en de organisaties voor aangepaste vrijetijdsbesteding voor personen met een handicap, die erkend zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, wordt het bedrag van de subsidie voor de personeelskosten van het personeel dat volgens de geldende personeelsnormen subsidieerbaar is, in het kader van de kwaliteitsverbetering van de tewerkstelling in de sector gehandicaptenzorg en met het oog op de subsidiëring van vervangende tewerkstelling, verhoogd met de volgende percentages : 1° voor het jaar 2006 met 0,030 %; 2° voor het jaar 2007 met 0,060 %; 3° voor het jaar 2008 met 0,120 %; 4° voor het jaar 2009 met 0,209 %; 5° vanaf het jaar 2010 met 0,300 %. Voor de vaststelling van het bedrag van de subsidie voor de personeelskosten waarop de percentages, vermeld in het eerste lid, worden toegepast, worden de navolgende personeelskosten niet meegerekend : 1° de personeelskosten die verband houden met het vervangend personeel dat wordt aangeworven met de aanvullende middelen, vermeld in het eerste lid en in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2001 houdende verscheidene bepalingen tot regeling en subsidiëring van arbeid en vakantie van het personeel, tewerkgesteld in door voorzieningen gesubsidieerd door het Vlaams Fonds; 2° het vakantiegeld bij uitdiensttreding; 3° de in de respectievelijk van toepassing zijnde reglementeringen vastgestelde forfaitaire subsidies voor bepaalde werkgeverslasten en vergoedingen. Art. 2. In artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 1998 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor ontwikkelingsstoornissen, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001, 15 juli 2002, 28 mei 2004 en 17 december 2004, wordt een § 2bis ingevoegd, die luidt als volgt : § 2bis « Het subsidiebedrag per capaciteitseenheid, vermeld in § 2, wordt verhoogd met volgende bedragen : 1° voor het jaar 2006 met 1,84 euro; 68488 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 2° voor het jaar 2007 met 4,21 euro; 3° voor het jaar 2008 met 6,59 euro; 4° voor het jaar 2009 met 8,96 euro; 5° vanaf het jaar 2010 met 11,34 euro. De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden geïndexeerd overeenkomstig de indexformule, vermeld in artikel 17. Voor de toepassing van die indexformule zijn ze gekoppeld aan het spilindexcijfer dat geldt op 1 januari 2006. » Art. 3. Aan artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 tot subsidiëring van management en vorming ten bate van voorzieningen, gesubsidieerd door het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap worden de volgende woorden toegevoegd : « 1° vanaf het jaar 2006 : 167,10 euro; 2° vanaf het jaar 2007 : 207,10 euro; 3° vanaf het jaar 2008 : 247,10 euro; 4° vanaf het jaar 2009 : 287,10 euro; 5° vanaf het jaar 2010 : 327,10 euro. » Voor de ex dac-projecten die niet geïntegreerd zijn in een reglementering, zijn de bedragen per voltijds equivalent respectievelijk, 40 euro, 80 euro, 120 euro, 160 euro en 200 euro. Art. 4. Aan artikel 3, § 1, 4, van hetzelfde besluit worden de volgende woorden toegevoegd : « a) vanaf het jaar 2006 : 3.596,64 euro; b) vanaf het jaar 2007 : 4.396,64 euro c) vanaf het jaar 2008 : 5.196,64 euro; d) vanaf het jaar 2009 : 5.996,64 euro; e) vanaf het jaar 2010 : 6.796,64 euro. Art. 5. Aan artikel 6 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking van het eerste lid zijn de bedragen, vermeld in artikel 2, tweede lid, en in artikel 3, § 1, 4°, tweede lid, die van toepassing zijn vanaf het jaar 2006, gekoppeld aan het spilindexcijfer dat van toepassing is op 1 januari 2006. » Art. 6. Aan artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002 tot vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van erkenning en subsidiëring van organisaties inzake aangepaste vrijetijdsbesteding voor personen met een handicap, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan § 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoogd met volgende bedragen : 1° voor het jaar 2006 met 150 euro; 2° voor het jaar 2007 met 327 euro; 3° voor het jaar 2008 met 505 euro; 4° voor het jaar 2009 met 681 euro; 5° voor het jaar 2010 met 859 euro; » 2° aan §4 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking van het eerste lid is de basisindex voor de bedragen, vermeld in artikel 10, § 2, tweede lid, de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2006. » Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 8 september 2006. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, I. VERVOTTE 68489BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36771]F. 2006 — 4918 8 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand portant subventionnement de certains frais de personnel, de l’aide à la gestion et de mesures appuyant la qualité pour des structures et services subventionnés par l’agence « Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap » Le Gouvernement flamand, Vu le décret du 7 mai 2004 portant création de l’agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique ″Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap″ (Agence flamande pour les Personnes handicapées), notamment l’article 8, 2°; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand fixant les conditions d’agrément ainsi que les modalités de fonctionnement et de subventionnement des services pour handicapés habitant chez eux de manière autonome visés à l’article 3, § 1erbis de l’arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 créant un Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés, notamment l’article 3, modifié par l’arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1996 relatif à l’agrément services d’aide à domicile pour handicapés, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 mars 2000, 15 décembre 2000, 13 juillet 2001, 23 novembre 2001 et 18 juillet 2003; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 1998 réglant l’octroi de subventions aux centres pour troubles du développement, modifié en dernier lieu par l’arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2004; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l’agrément et au subventionnement des services d’habitations protégées pour personnes handicapées, modifié par l’arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2003; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2001 réglant l’octroi de subventions à la gestion et la formation au bénéfice des structures subventionnées par le « Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap »; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 relatif à l’agrément et au subventionnement des services de logement assisté pour personnes handicapées, modifié par l’arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2002 fixant les conditions et modalités d’agrément et de subventionnement d’organisations relatives aux loisirs adaptés pour personnes handicapées, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juillet 2003 et 17 décembre 2004; Vu l’arrêté ministériel du 24 avril 1973 déterminant, en ce qui concerne le Ministère de la Santé publique et de la Famille, les règles particulières à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l’entretien et le traitement des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l’arrêté du Gouvernement flamand du 4 juin 2004; Vu l’arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l’intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l’entretien, du traitement et de l’éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat, modifié en dernier lieu par l’arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du Budget, donné le 8 septembre 2006; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, modifié par les lois des 4 juillet 1989 et 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant que le bon fonctionnement de l’agence « Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap » nécessite l’exécution immédiate de certaines dispositions de l’Accord intersectoriel flamand pour le secteur non marchand 2006-2011, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2006; Sur la proposition de la Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille; Après délibération, Arrête : Article 1er. Pour les structures organisant l’accueil résidentiel et semi-résidentiel de personnes handicapées, les services d’aide à domicile, de logement assisté, d’habitation protégée, de logement autonome, et les organisations organisant des loisirs adaptés pour personnes handicapées, agréés par l’agence « Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap », le montant de la subvention pour frais de personnel du personnel subsidiable suivant les normes en vigueur, dans le cadre de l’amélioration de la qualité de l’emploi dans le secteur de l’aide aux handicapés et en vue du subventionnement d’emplois de remplacement, est majoré des pourcentages suivants : 1° pour l’année 2006 de 0,030 %; 2° pour l’année 2007 de 0,060 %; 3° pour l’année 2008 de 0,120 %; 68490 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4° pour l’année 2009 de 0,209 %; 5° à partir de l’année 2010 de 0,300 %. Pour la fixation du montant de la subvention pour frais de personnel auquel sont appliqués les pourcentages mentionnés au premier alinéa, les frais de personnel suivants ne sont pas pris en compte : 1° les frais de personnel concernant le personnel de remplacement engagés à l’aide des moyens et complémentaires mentionnés au premier alinéa et dans l’arrêté du Gouvernement flamand du 30 mars 2001 portant des dispositions diverses de réglementation et de subventionnement du travail et des vacances du personnel employé par des structures subventionnées par le « Vlaams Fonds »; 2° le pécule de vacances lors du départ; 3° les réglementations applicables en matière de subventions forfaitaires pour certaines charges patronales et indemnités. Art. 2. Dans l’article 14 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 1998 réglant l’agrément et le subventionnement des centres pour troubles du développement, remplacé par l’arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2000 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juillet 2001, 15 juillet 2002, 28 mai 2004 et 17 décembre 2004, il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit : § 2bis « Le montant de la subvention par unité de capacité visé au § 2 est majoré des montants suivants : 1° pour l’année 2006 de 1,84 euros; 2° pour l’année 2007 de 4,21 euros; 3° pour l’année 2008 de 6,59 euros; 4° pour l’année 2009 de 8,96 euros; 5° à partir de l’année 2010 de 11,34 euros. Les montants mentionnés dans le premier alinéa sont indexés selon la formule de l’indice visé à l’article 17. Pour l’application de la formule de l’indice ils sont liés à l’indice pivot en vigueur le 1er janvier 2006. » Art. 3. A l’article 2 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2001 réglant l’octroi de subventions à la gestion et la formation au bénéfice des structures subventionnées par le « Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap » il est ajouté les mots suivants : « 1° à partir de l’année 2006 : 167,10 euros; 2° à partir de l’année 2007 : 207,10 euros; 3° à partir de l’année 2008 : 247,10 euros; 4° à partir de l’année 2009 : 287,10 euros; 5° à partir de l’année 2010 : à 327,10 euros. » Pour les anciens projets TCT qui ne sont pas intégrés dans une réglementation, les montants par équivalent à temps plein sont respectivement de 40 euros, 80 euros, 120 euros, 160 euros et 200 euros. Art. 4. A l’article 3, § 1er, 4 du même arrêté, les mots suivants sont ajoutés : « a) à partir de l’année 2006 : à 3 596,64 euros; b) à partir de l’année 2007 : 4 396,64 euros c) à partir de l’année 2008 : à 5 196,64 euros; d) à partir de l’année 2009 : à 5 996,64 euros; e) à partir de l’année 2010 : 6 796,64 euros. » Art. 5. A l’article 6 du même arrêté, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit : « Par dérogation au premier alinéa, les montants mentionnés à l’article 2, deuxième alinéa, et à l’article 3, § 1er, 4°, deuxième alinéa, applicables à partir de l’année 2006, sont liés à l’indice pivot applicable le 1er janvier 2006. » Art. 6. A l’article 10 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2002 fixant les conditions et modalités d’agrément et de subventionnement d’organisations relatives aux loisirs adaptés pour personnes handicapées, il est apporté les modifications suivantes : 1° au § 2, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit : « Le montant de la subvention mentionné dans le premier alinéa est majoré des montants suivants : 1° pour l’année 2006, de 150 euros; 2° pour l’année 2007 de 327 euros; 3° pour l’année 2008 de 505 euros; 68491BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4° pour l’année 2009 de 681 euros; 5° pour l’année 2010 de 859 euros; » 2° au § 1er, il est ajouté un alinéa trois, rédigé comme suit : « Par dérogation au premier alinéa, l’indice de base pour les montants mentionnés à l’article 10, § 2, deuxième alinéa, est l’indice pivot applicable le 1er janvier 2006. » Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006. Art. 8. La Ministre flamande qui a l’Assistance aux personnes dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 8 septembre 2006. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME La Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille, I. VERVOTTE * VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36876]N. 2006 — 4919 29 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, inzonderheid op artikel 12; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, gewijzigd bij de besluiten van 10 juli 2001, 14 december 2001, 1 februari 2002, 13 december 2002, 28 maart 2003, 21 november 2003, 20 mei 2005 en 27 mei 2005; Gelet op het advies van het Raadgevend Comité van Kind en Gezin, gegeven op 28 juni 2006; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 21 september 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat dringend een aanvullende subsidie moet kunnen worden toegekend aan bepaalde diensten voor opvanggezinnen, voor wie door toename van het aantal opvanggezinnen en van het aantal plaatsingsdagen per opvanggezin, het maximum aan plaatsingsdagen waarvoor ze een subsidie voor de kostenvergoeding van de opvanggezinnen kunnen krijgen, overschreden worden; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Aan artikel 21, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De dienst die het maximum aantal subsidiabele plaatsingsdagen, vermeld in het tweede lid, overschrijdt, kan uitzonderlijk voor effectieve plaatsingsdagen boven op dat maximum voor de werkingsjaren 2005-2006 een subsidie voor het vergoeden van die opvangkosten ontvangen. Kind en Gezin beslist op basis van een gemotiveerde aanvraag die de dienst bij Kind en Gezin indient. » Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. De subsidie bedoeld in art.1 wordt uiterlijk op 31 december 2007 uitbetaald. Art. 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 29 september 2006. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, I. VERVOTTE 68492 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36876]F. 2006 — 4919 29 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d’agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d’accueil Le Gouvernement flamand, Vu le décret du 30 avril 2004 portant création de l’agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique ″Kind en Gezin″ (Enfance et Famille), notamment l’article 12; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d’agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d’accueil, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juillet 2001, 14 décembre 2001, 1er février 2002, 13 décembre 2002, 28 mars 2003, 21 novembre 2003, 20 mai 2005 et 27 mai 2005; Vu l’avis du comité consultatif de ″Kind en Gezin″, rendu le 28 juin 2006; Vu l’accord du Ministre flamand compétent pour le Budget, donné le 21 septembre 2006; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant qu’il y a lieu de pouvoir accorder d’urgence une subvention complémentaire à certains services pour familles d’accueil pour lesquels, en raison d’une augmentation du nombre de familles d’accueil et du nombre de jours de placement par famille d’accueil, le nombre maximal de jours de placement pour lesquels ils peuvent recevoir une subvention pour l’indemnisation des familles d’accueil, est dépassé; Sur la proposition de la Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille; Après délibération, Arrête : Article 1er. A l’article 21, § 2, de l’arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d’agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d’accueil, modifié par l’arrêté du Gouvernement flamand du 13 décembre 2002, il est inséré un alinéa trois, rédigé comme suit : « Le service qui dépasse le nombre maximal de jours de placement subventionnables visé à l’alinéa deux, peut exceptionnellement recevoir pour des jours de placement effectifs, une subvention pour l’indemnisation des frais d’accueil en plus de ce nombre maximum pour les années d’activité 2005-2006. L’agence ″Kind en Gezin″ décide sur la base d’une demande motivée introduite par le service auprès de ″Kind en Gezin″. » Art. 2. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2006. La subvention visée à l’article 1er est payée au plus tard le 31 décembre 2007. Art. 3. Le Ministre flamand qui a l’Assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 29 septembre 2006 Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME La Ministre flamande du Bien-Etre, de la Santé publique et de La Famille, I. VERVOTTE * VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36867]N. 2006 — 4920 6 OKTOBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal economische overlegcomités, inzonderheid op artikel 6, § 3, 9, § 2, 31, § 2, 33, § 2, § 3 en § 4 en 39; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende organisatie van de arbeidsbemid deling en de beroepsopleiding, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005; Gelet op de convenants projectontwikkeling Evenredige Arbeidsdeelname en diversiteit 2005-2006 gesloten tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid en de beroepsomscholing– en bijscholing, met de ERSV’s; Gelet op het advies 41.113/1/V van de Raad Van State, gegeven, op 11 september 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 19 juli 2006; 68493BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Op voorstel van de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel en de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden worden punt 5°, 6°, 7° en 9° vervangen door wat volgt : « 5° de sociaal-economische raad van de regio : de sociaal-economische raad van de regio, afgekort SERR, die overeenkomstig hoofdstuk III van het decreet binnen de vereniging wordt ingericht; « 6° het regionale sociaal-economische overlegcomité : het regionale sociaal -economische overlegcomité, afgekort RESOC, dat overeenkomstig hoofdstuk IV van het decreet binnen de vereniging wordt opgericht; « 7° het erkend regionaal samenwerkingsverband : het regionale samenwerkingsverband, afgekort ERSV, dat door de Vlaamse Regering overeenkomstig hoofdstuk II van het decreet werd erkend; » « 9° het Departement : het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie en het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse Overheid; ». Art. 2. In artikel 1 van hetzelfde besluit wordt een punt 10° toegevoegd dat luidt als volgt : « 10° streekpact : het document als gedefinieerd in artikel 2, 15° van het decreet; » Art. 3. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de woorden « de administratie » vervangen door de woorden « het Departement ». Art. 4. In artikel 3 van hetzelfde besluit wordt § 2 vervangen door wat volgt : « § 2. De projecten en taken ter uitvoering van en ter ondersteuning van het beleid inzake evenredige arbeidsdeelname en diversiteit, geconcretiseerd in de convenants projectontwikkeling Evenredige Arbeidsdeelname en Diversiteit, gesloten tussen het erkend regionaal samenwerkingsverband en de Vlaamse Minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid en de beroepsomscholing- en bijscholing, uitgevoerd door het aantal voltijdse projectontwikke laars die overeenkomstig het convenant in kwestie worden tewerkgesteld, worden geacht in overeenstemming te zijn met § 1. » Art. 5. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden § 1, § 2 en § 3 vervangen door wat volgt : « § 1. De Minister kan binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare middelen jaarlijks een subsidie toekennen aan de erkende regionale samenwerkingsverbanden ter financiering van de SERR- en RESOC-werking. Deze jaarlijkse subsidie wordt toegekend op voorwaarde dat er een aanvraag wordt ingediend vergezeld van een jaarprogramma zoals bedoeld in artikel 5. Het erkend regionale samenwerkingsverband wendt de werkingssubsidie gedurende het kalenderjaar, dat ingaat op 1 januari en eindigt op 31 december, aan voor een effectieve en efficiënte bijdrage aan sociaal-economische streekontwikkeling, die kadert binnen de taken en opdrachten van zijn statutaire maatschappelijke doel, als bedoeld in artikel 6 van het decreet en die overeenstemt met het overeenkomstig artikel 5 ingediende jaarprogramma. § 2. De subsidie wordt uitbetaald in twee schijven : 1° een eerste voorschot van 80 % van de maximale subsidie wordt uitbetaald na vastlegging van het ondertekende subsidiebesluit; 2° het saldo van 20 % van de maximale subsidie wordt uitbetaald nadat het erkende regionale samenwerkings verband aan het Departement een inhoudelijk en een financieel eindrapport heeft bezorgd. Het erkend regionaal samenwerkingsverband verantwoordt aan de hand van een financieel eindrapport de aanwending van de subsidie. Het erkend regionaal samenwerkingsverband stelt het Departement in kennis van de locatie waar de originele verantwoordingsstukken ter beschikking worden gehouden voor verificatie. Het erkend regionaal samenwerkingsverband geeft aan de hand van een inhoudelijk eindrapport toelichting inzake diens bijdrage aan de sociaal-economische streekontwikkeling, als bedoeld in artikel 4, § 1, 2° lid. Het inhoudelijk eindrapport omvat een omschrijving van de geleverde werkzaamheden. Het inhoudelijke eindrapport en het financiële eindrapport worden jaarlijks uiterlijk zes maanden na de voorbije subsidieperiode ingediend bij het Departement. De minister kan nadere regelen bepalen inzake de concrete informatie die moet worden verstrekt. § 3. Het erkend regionaal samenwerkingsverband toont op eenvoudig verzoek van het Departement aan dat de met het subsidiebesluit beoogde werkzaamheden effectief en efficiënt worden uitgevoerd tijdens de subsidieperiode. Het erkend regionaal samenwerkingsverband werkt op constructieve wijze mee aan de controle die de Vlaamse overheid ten allen tijde kan uitoefenen. » Art. 6. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de woorden « en het begrotingsvoorstel » geschrapt. Art. 7. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de woorden « 1 januari 2006 » vervangen door de woorden « 1 januari 2007 ». 68494 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 8. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007. Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Tewerkstellingsbeleid en de beroepsomscholing,en –bijscholing en de Vlaamse minister, bevoegd voor het economisch beleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 6 oktober 2006. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, F. MOERMAN De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36867]F. 2006 — 4920 6 OCTOBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l’arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l’agrément et au subventionnement de partenariats régionaux Le Gouvernement flamand, Vu le décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux, notamment les articles 6, § 3, 9, § 2, 31, § 2, 33, §§ 2, 3 et 4, et 39; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l’agrément et au subventionnement de partenariats régionaux; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l’Office flamand de l’Emploi et de la Formation professionnelle, modifié en dernier lieu par l’arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2005; Vu les accords développement de projet ’Participation proportionnelle et diversité 2005-2006’ conclus entre le Ministre flamand ayant la politique de l’emploi et la reconversion et le recyclage professionnels dans ses attributions d’une part et les ERSV d’autre part; Vu l’avis n° 41.113/1/V du Conseil d’Etat, donné le 11 septembre 2006, par application de l’article 84, § 1er, premier alinéa, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du Budget, donné le 19 juillet 2006; Sur la proposition de la Ministre flamande de l’Economie, de l’Entreprise, des Sciences, de l’Innovation et du Commerce extérieur et du Ministre flamand de l’Emploi, de l’Enseignement et de la Formation; Après délibération, Arrête : Article 1er. Dans l’article 1er de l’arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l’agrément et au subventionnement de partenariats régionaux, les points 5°, 6°, 7° et 9° sont remplacés par ce qui suit : « 5° le conseil socio-économique de la région : le conseil socio-économique de la région, en abrégé SERR, créé, conformément au chapitre III du décret, au sein de l’association; » « 6° le comité socio-économique régional : le comité socio-économique régional, en abrégé RESOC, créé, conformément au chapitre IV du décret, au sein de l’association; « 7° le partenariat régional agréé : le partenariat régional agréé, en abrégé ERSV, agréé par le Gouvernement flamand conformément au chapitre II du décret; » « 9° le Département : le Département de l’Economie, des Sciences et de l’Innovation et le Département de l’Emploi et de l’Economie sociale de l’Autorité flamande; » Art. 2. Dans l’article 1er du même arrêté, il est inséré un point 10°, rédigé comme suit : « 10° pacte régional : le document tel que défini à l’article 2, 15°, du décret; » Art. 3. A l’article 2 du même arrêté, les mots « l’administration » sont remplacés par les mots « le département ». Art. 4. Dans l’article 3 du même arrêté, le § 2 est remplacé par la disposition suivante : « § 2. Les projets et tâches mis sur pied en exécution et à l’appui de la politique en matière de l’emploi et de diversité, concrétisés par des accords développement de projet « Participation proportionnelle et diversité », conclus entre le partenariat régional agréé et le Ministre flamand ayant la politique de l’emploi et la reconversion et le recyclage professionnels dans ses attributions, exécutés par le nombre de promoteurs de projet à temps plein étant mis au travail conformément à l’accord en question, sont censés être conformes au § 1er. » 68495BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 5. Dans l’article 4 du même arrêté, les §§ 1er, 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit : « § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires de la Communauté flamande disponibles à cette fin, le Ministre peut octroyer annuellement une subvention aux partenariats régionaux agréés pour le financement du fonctionnement des SERR et RESOC. Cette subvention annuelle est octroyée à condition qu’une demande soit introduite, assortie d’un programme annuel tel que visé à l’article 5. Le partenariat régional agréé affecte la subvention de fonctionnement, pendant l’année calendaire prenant cours le 1er janvier et prenant fin le 31 décembre, à une contribution effective et efficace au développement socio-économique de la région s’inscrivant dans le cadre des tâches et missions de son but social statutaire, tel que visé à l’article 6 du décret, et correspondant au programme annuel introduit conformément à l’article 5. § 2. La subvention est versée en deux tranches : 1° une première avance de 80 % de la subvention maximale est versée après engagement de l’arrêté de subvention signé; 2° le solde de 20 % de la subvention maximale est versé après la présentation, par le partenariat régional agréé au Département, d’un rapport final financier. Le partenariat régional agréé justifie l’affectation de la subvention au moyen d’un rapport final financier. Le partenariat régional agréé informe le Département du lieu où les originaux des pièces justificatives sont tenus à la disposition pour vérification. Par le biais d’un rapport final de fond, le partenariat régional agréé explique sa contribution au développement socio-économique régional, tel que visé à l’article 4, § 1er, alinéa deux. Le rapport final de fond contient une description des activités réalisées. Le rapport final de fond et le rapport financier final sont présentés annuellement, au plus tard six mois de la fin de la période de subventions écoulée, auprès du Département. Le Ministre peut arrêter les modalités relatives aux informations concrètes à fournir. » § 3. Sur simple demande du Département, le partenariat régional agréé est tenu de démontrer que les activités envisagées par l’arrêté de subvention ont été réalisées effectivement et efficacement pendant la période de subventionnement. Le partenariat régional agréé coopère d’une manière constructive au contrôle que l’autorité flamande peut effectuer en tout temps. » Art. 6. Dans l’article 5 du même arrêté, les mots ″et la proposition de budget″ sont supprimés. Art. 7. Dans l’article 8 du même arrêté, les mots « le 1er janvier 2006 » sont remplacés par les mots « le 1er janvier 2007 ». Art. 8. L’article 6 du même arrêté est abrogé. Art. 9. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2007. Art. 10. Le Ministre flamand compétent pour la Politique de l’emploi et pour la reconversion et le recyclage professionnels, et le Ministre flamand compétent pour la politique économique sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 6 octobre 2006. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME La Ministre flamande de l’Economie, de l’Entreprise, des Sciences, de l’Innovation et du Commerce extérieur, F. MOERMAN Le Ministre flamand de l’Emploi, de l’Enseignement et de la Formation, F. VANDENBROUCKE * VLAAMSE OVERHEID [C − 2006/36905]N. 2006 — 4921 10 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorwaarden voor de overname van personeelsleden van de VZW Info-Toerisme door het intern verzelfstandigd agentschap Toerisme Vlaanderen De Vlaamse Regering, Gelet op het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004 en 15 juli 2005, inzonderheid op artikel 7, tweede lid, en op artikel 10, § 4; Gelet op het decreet van 31 maart 2006 tot overname van personeelsleden van de VZW Info-Toerisme door het intern verzelfstandigd agentschap Toerisme Vlaanderen; Gelet op het advies GSM/MVW/06/00464 van de Inspectie van Financiën, gegeven op 1 juni 2006; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 13 juli 2006; Gelet op protocol nr. 238.763 van 18 september 2006 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap en Vlaams Gewest; Gelet op het advies 41.403/3 van de Raad van State, gegeven op 10 oktober 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 68496 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Op voorstel van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° de personeelsleden : de personeelsleden die bij arbeidsovereenkomst zijn aangeworven bij VZW Info-Toerisme; 2° de VZW Info-Toerisme : VZW, opgericht bij de oprichtingsakte van 21 november 1991 onder de naam van VZW Info-Toerisme; 3° Toerisme Vlaanderen : het IVA met rechtspersoonlijkheid Toerisme Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 19 maart 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Toerisme Vlaanderen. Art. 2. § 1. Toerisme Vlaanderen biedt de personeelsleden die geslaagd zijn voor een objectieve selectieproef een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur aan. De arbeidsvoorwaarden, vermeld in deze arbeidsovereenkomst, zijn dezelfde als die waaronder het contractuele personeel van Toerisme Vlaanderen wordt tewerkgesteld. Uitsluitend de personeelsleden die geslaagd zijn voor een objectieve selectieproef en die de hun aangeboden arbeidsovereenkomst sluiten, worden door Toerisme Vlaanderen in dienst genomen. § 2. Overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 31 maart 2006 tot overname van personeelsleden van de VZW Info-Toerisme door het intern verzelfstandigd agentschap Toerisme Vlaanderen, behouden de personeelsleden die een arbeidsovereenkomst met Toerisme Vlaanderen sluiten het salaris dat ze op de datum van hun overname verworven hadden bij de VZW Info-Toerisme, tot ze bij Toerisme Vlaanderen een salaris verkrijgen dat ten minste daaraan gelijk is. Hun salaris wordt aangepast volgens de indexregeling waaronder de personeelsleden van Toerisme Vlaanderen vallen. § 3. De voltijdse prestaties van de personeelsleden bij de VZW Info-Toerisme worden in aanmerking genomen als voorgaande prestaties voor de toekenning van salarisverhogingen. § 4. Voor zover ze ten minste de helft van een normale beroepsbezigheid in beslag nemen, worden de verrichte deeltijdse prestaties in aanmerking genomen zoals hieronder vastgesteld : 1° de verrichte prestaties tussen 1 januari 1994 en 30 juni 2002 : a) voor 50 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 50 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 80 %; b) voor 80 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 80 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 90 %; c) voor 90 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 90 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 100 %; 2° de verrichte prestaties vanaf 1 juli 2002 : de verrichte deeltijdse prestaties worden in aanmerking genomen a rato van de prestatieregeling. Art. 3. De objectieve selectieproef vermeld in artikel 2, § 1, bestaat uit een competentiegericht interview en een selectie-interview in overeenstemming met het functieprofiel. Geen van die twee onderdelen van de selectieproef leidt afzonderlijk tot de uitsluiting van een kandidaat. In het competentiegerichte interview worden de kandidaten getest op de essentiële competenties van de functie. Tijdens het interview wordt nagegaan of het profiel van de kandidaten overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. In het interview wordt aan de kandidaten ook de mogelijkheid gegeven om hun professionele ervaring en hun curriculum vitae toe te lichten. Het competentiegerichte interview wordt afgenomen door een extern selectiebureau. In het selectie-interview wordt ingegaan op de motivatie van de kandidaten, hun inzicht in de materie en hun betrokkenheid bij de toeristische sector. Het selectie-interview wordt afgenomen door een jury, bestaande uit vertegenwoordigers van de toeristische sector en personeelsleden van Toerisme Vlaanderen, aangesteld door de leidend ambtenaar van Toerisme Vlaanderen. Op basis van het competentiegerichte interview en het selectie-interview worden bij de leidend ambtenaar van Toerisme Vlaanderen gemotiveerde adviezen uitgebracht over elke kandidaat. De leidend ambtenaar van Toerisme Vlaanderen neemt de beslissing over de indienstneming op basis van de geformuleerde adviezen. Art. 4. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Toerisme, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 10 november 2006. De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, G. BOURGEOIS 68497BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2006/36905]F. 2006 — 4921 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement flamand établissant les conditions de la reprise des membres du personnel de l’ASBL ″Info Toerisme″ par l’agence autonomisée interne ″Toerisme Vlaanderen″ (Tourisme Belgique Flandre & Bruxelles) Le Gouvernement flamand, Vu le décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003, modifié par les décrets des 7 mai 2004 et 15 juillet 2005, notamment l’article 7, alinéa deux et l’article 10, § 4; Vu le décret du 31 mars 2006 portant reprise des membres du personnel de l’ASBL ″Info-Toerisme″ par l’agence autonomisée interne ″Toerisme Vlaanderen; Vu l’avis GSM/MVM/06/00464 de l’Inspection des Finances, donné le 1er juin 2006; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du Budget, donné le 13 juillet 2006; Vu le protocole n° 238.763 du 18 septembre 2006 du Comité sectoriel XVIII – Communauté flamande – Région flamande; Vu l’avis 41.403/3 du Conseil d’Etat, donné le 10 octobre 2006, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition du Ministre flamand des Affaires administratives, de la Politique extérieure, des Médias et du Tourisme; Après délibération, Arrête : Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par : 1° membres du personnel : les membres du personnel engagés sous contrat de travail par l’ASBL ″Info Toerisme″; 2° l’ASBL ″Info Toerisme″ : l’ASBL créée par l’acte constitutif du 21 novembre 1991 sous le nom ASBL ″Info Toerisme″; 3° ″Toerisme Vlaanderen″ : L’AAI dotée de la personnalité juridique ″Toerisme Vlaanderen″, créée par le décret du 19 mars 2004 portant création de l’agence autonomisée interne ″Toerisme Vlaanderen″; Art. 2. § 1er. ″Toerisme Vlaanderen″ offre aux membres du personnel qui ont réussi une épreuve de sélection objective, un contrat de travail de durée indéterminée. Les conditions de travail prévues par ce contrat de travail sont les mêmes que celles applicables aux personnel contractuel de ″Toerisme Vlaanderen″. Seuls les membres du personnel qui ont réussi l’épreuve de sélection objective et qui concluent le contrat de travail qui leur est proposé, sont engagés par ″Toerisme Vlaanderen″. § 2. Conformément à l’article 2 du décret du 31 mars 2006 portant reprise des membres du personnel de l’ASBL ″Info-Toerisme″ par l’agence autonomisée interne ″Toerisme Vlaanderen″, les membres du personnel qui concluent un contrat de travail avec ″Toerisme Vlaanderen″ conservent le traitement qu’ils avaient acquis à la date de la reprise auprès de l’ASBL ″Info Toerisme″ jusqu’à ce qu’ils perçoivent un traitement au moins égal auprès de ″Toerisme Vlaanderen″. Leur traitement suit le régime d’indice applicable aux membres du personnel de ″Toerisme Vlaanderen″. § 3. Les prestations à temps plein des membres du personnel de l’ASBL ″Info-Toerisme″ sont prises en compte comme des prestations antérieures pour l’octroi de hausses salariales. § 4. Dans la mesure où elles constituent au moins la moitié d’une activité professionnelle normale, les prestations à temps partiel sont prises en compte comme il est prévu ci-dessous : 1° les prestations effectuées entre le 1er janvier 1994 et le 30 juin 2002 : a) pour 50 % : les prestations dont la durée est égale ou supérieure à 50 % d’une durée du travail à temps plein et inférieure à 80 %; b) pour 80 % : les prestations dont la durée est égale ou supérieure à 80 % d’une durée du travail à temps plein et inférieure à 90 %; c)pour 90 % : les prestations dont la durée est égale ou supérieure à 90 % d’une durée du travail à temps plein et inférieure à 100 %; 2° les prestations effectuées à partir du 1er juillet 2002 : les prestations à temps partiel effectuées sont prises en compte au prorata du régime de prestations. Art. 3. L’épreuve de sélection objective citée à l’article 2, § 1er, consiste en une entrevue consacrée aux compétences et une entrevue de sélection conforme au profil fonctionnel. Aucune des deux parties de l’épreuve de sélection conduit séparément à l’exclusion d’un candidat. 68498 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE L’entrevue des compétences vise à tester les candidats sur les compétences essentielles de la fonction. Au cours de l’entrevue il est vérifié si le profil des candidats correspond aux exigences spécifiques de la fonction. Au cours de l’entrevue, les candidats auront la possibilité d’exposer leur expérience professionnelle et leur curriculum vitae. L’entrevue des compétences est confiée à un bureau de sélection externe. L’entrevue de sélection est consacrée à la motivation des candidats, leur compréhension de la matière et leur association au secteur touristique. L’entrevue de sélection est confiée à un jury composé de représentants du secteur touristique et de membres du personnel de ″Toerisme Vlaanderen″ désignés par le fonctionnaire dirigeant de ″Toerisme Vlaanderen″. Sur la base de l’entrevue des compétences et de l’entrevue de sélection, des avis motivés sur chaque candidat sont donnés au fonctionnaire dirigeant de ″Toerisme Vlaanderen″. Le fonctionnaire dirigeant de ″Toerisme Vlaanderen″ prend la décision sur l’engagement sur la base des avis formulés. Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Art. 5. Le Ministre flamand qui a le Tourisme dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 10 novembre 2006. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Y. LETERME Le Ministre flamand des Affaires administratives, de la Politique extérieure, des Médias et du Tourisme, G. BOURGEOIS COMMUNAUTE FRANÇAISE — FRANSE GEMEENSCHAP MINISTERE DE LA COMMUNAUTE FRANÇAISE [2006/203790]F. 2006 — 4922 15 SEPTEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement de la Communauté française fixant les critères et modalités d’octroi des subventions de fonctionnement aux télévisions locales Le Gouvernement de la Communauté française, Vu le décret 27 février 2003 sur la radiodiffusion, notamment l’article 74; Vu l’avis de l’Inspection des Finances, donné le 21 avril 2006; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 28 avril 2006; Vu la délibération du Gouvernement de la Communauté française du 28 avril 2006 sur la demande d’avis à donner par le Conseil d’Etat dans un délai ne dépassant pas un mois; Vu l’avis no 40.490/4 du Conseil d’Etat donné le 12 juin 2006, en application de l’article 84, 1er, 1o des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur proposition de la Ministre de l’Audiovisuel; Après délibération du Gouvernement du 15 septembre 2006, Arrête : Article 1er. Pour l’application du présent arrêté, il faut entendre par : 1o Décret : le décret de la Communauté française du 27 février 2003 sur la radiodiffusion; 2o Gouvernement : le Gouvernement de la Communauté française; 3o Ministre : le Ministre ayant l’audiovisuel dans ses attributions; 4o Secrétariat général : le secrétariat général du Ministère de la Communauté française; 5o Coproduction en première diffusion : production réalisée en partie par la télévision locale en partenariat avec d’autres personnes morales ou physiques et répondant aux missions de services publics des télévisions locales décrites à l’article 64 du décret; 6o Echange de programmes : l’acquisition d’un programme de productions propres par une télévision locale en contrepartie de la fourniture concomitante d’un autre programme de productions propres en vertu d’un contrat d’échange. Art. 2. L’octroi de la subvention de fonctionnement visée à l’article 74, § 1er, du décret est subordonné à la présentation par la télévision locale des documents suivants : 1o Les comptes et bilan arrêtés au 31 décembre de l’exercice écoulé et approuvés en assemblée générale. Ces documents sont présentés conformément aux dispositions légales et réglementaires déterminant la teneur et la présentation d’un plan comptable; 2o Le rapport d’activité visé à l’article 66, § 1er, 14o, du décret relatif à l’année écoulée présenté conformément au modèle joint en annexe du présent arrêté; 3o Une grille horaire des programmes diffusés au cours de l’année écoulée permettant de vérifier leur adéquation avec les missions de service public visées à l’article 64 du décret et telles que spécifiées dans la convention conclue avec le Gouvernement; 68499BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4o. Un projet de budget pour l’exercice auquel la subvention de fonctionnement se rapporte. Ces documents sont transmis au Ministre ainsi qu’au secrétariat général du Ministère de la Communauté française. Art. 3. § 1er. En vue du calcul du montant de sa subvention de fonctionnement, la télévision locale est tenue de transmettre les informations suivantes : 1o. le volume hebdomadaire moyen de production propre calculé en minute sur une période de référence de deux ans courant à partir du 1er janvier de la 2e année précédant l’année de l’exercice budgétaire au cours duquel la subvention sera octroyée, ainsi que toute information permettant de vérifier l’adéquation entre ces programmes de production propre et l’exécution des missions de service public visées à l’article 64 du décret et telles que spécifiées dans la convention conclue avec le Gouvernement; 2o. le volume d’emploi en équivalent temps plein. Ce volume est arrêté au 1er janvier de l’année au cours de laquelle la subvention sera octroyée et comprend les postes occupés depuis au moins six mois. Ces informations sont communiquées au Ministre ainsi qu’au secrétariat général du Ministère de la Communauté française. § 2. Lorsqu’elle transmet l’information visée au § 1er, 1o, du présent article, la télévision locale indique également : le volume total, calculé en minute, de production propre au cours des deux années de référence en précisant pour chaque programme produit, la date de première diffusion, la durée et la fréquence de production; le volume total, calculé en minute, des coproductions en première diffusion réalisées au cours des deux années de référence en précisant pour chaque coproduction, la date de première diffusion, la durée et la part d’investissement de la télévision locale dans celle-ci; le volume total, calculé en minute, des productions propres que la télévision locale a acquises au cours des deux années de référence auprès de télévisions locales tierces dans le cadre d’un échange de programmes et diffusées pour la première fois au cours des deux années visées à l’article 3, § 1er, ceci en précisant pour chaque production propre acquise sa date de première diffusion. Par échange, on entend l’acquisition d’un programme en contrepartie de la fourniture concomitante d’un autre programme. La télévision locale apporte les éléments probants de chaque échange. Art. 4. Le Gouvernement octroie annuellement les subventions de fonctionnement aux télévisions locales sur la base des principes suivants : 1o. Chaque télévision locale autorisée reçoit une part de subvention forfaitaire fixée à 75.000 euros; 2o. Le solde des crédits disponibles après soustraction du total des subventions forfaitaires attribuées en application de l’alinéa 1er, 1o, est réparti entre les télévisions locales autorisées sur la base des critères quantitatifs suivants : le volume hebdomadaire moyen de production propre visé à l’article 3 avec une pondération de 80 %; le volume de l’emploi en équivalent temps plein visé à l’article 3, § 1er, 2o, avec une pondération de 20 %. Le forfait visé à l’alinéa 1er, 1o, est adapté annuellement et pour la première fois en 2008 sur la base de l’indice 1.1.2006 = 100 en fonction de l’évolution de l’indice des prix à la consommation ordinaire défini par la loi du 2 août 1971. Art. 5. Par dérogation à l’article 3, § 1er, 1o, le volume hebdomadaire moyen de production propre calculé en minutes pris pour référence pour le calcul des subventions des exercices 2006 et 2007 est fixé sur la base de l’année 2003. Par dérogation à l’article 3, § 1er, 2o, le volume d’emploi en équivalent temps plein pris pour référence pour le calcul des subventions de l’exercice 2006 est fixé sur la base de l’année 2005. Par dérogation à l’article 3, § 2, alinéa 1er, la date de fourniture des informations destinées au calcul de la subvention de fonctionnement en 2006 est fixée au trentième jour qui suit la publication du présent arrêté au Moniteur belge. Art. 6. L’application du présent arrêté fera l’objet d’un avis du Collège d’autorisation et de contrôle du Conseil supérieur de l’audiovisuel, visé à l’article 133 du décret, et formulera, s’il échet, au Gouvernement, toute recommandation utile pour son application. Cet avis sera rendu avant le 1er octobre 2008 et portera sur les années 2006 et 2007. Art. 7. Sont abrogés : L’arrêté de l’Exécutif du 7 décembre 1987 relatif aux modalités d’octroi de subventions aux télévisions locales et communautaires; L’arrêté de l’Exécutif du 7 décembre 1987 relatif au classement des télévisions locales et communautaires; L’arrêté de l’Exécutif du 7 décembre 1987 relatif au subventionnement des télévisions locales et communautaires. 68500 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 8. Le présent arrêté produit ses effets au 1er janvier 2006. Art. 9. Le Ministre qui a l’Audiovisuel dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 15 septembre 2006. Par le Gouvernement de la Communauté française : La Ministre de la Culture, de l’Audiovisuel et de la Jeunesse, Mme F. LAANAN ANNEXE A L’ARRETE DU GOUVERNEMENT DE LA COMMUNAUTE FRANÇAISE FIXANT LES CRITERES ET MODALITÉS D’OCTROI DES SUBVENTIONS DE FONCTIONNEMENT AUX TELEVISIONS LOCALES. MODELE DE RAPPORT D’ACTIVITE D’UNE TELEVISION LOCALE Le rapport d’activité de la télévision locale comprend au minimum les informations suivantes : I. IDENTIFICATION Mentionner le nom et les références légales de l’ASBL ou de la société à finalité sociale. Décrire la zone de réception si elle est plus étendue que la zone de couverture. II. MISSION II.1. Réalisations en matière d’information, d’animation, de développement culturel et d’éducation permanente (art. 64 du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion) Expliquer quels sont les objectifs éditoriaux de la télévision pour répondre à sa mission de service public. Donner une estimation de la répartition (première diffusion et rediffusions), en durée et en pourcentage par rapport à la durée annuelle des programmes, des différentes catégories (information, animation, développement culturel, éducation permanente). II.2. Participation active de la population (art.64 du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion) Quelles sont les réalisations de la télévision locale pour promouvoir la participation active de la population de sa zone de couverture ? II.3. Valorisation du patrimoine (art. 67, § 2, du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion) Quelles sont les réalisations de la télévision locale pour valoriser le patrimoine de la Communauté française et les spécificités locales ? Fournir la durée annuelle et quotidienne moyenne de diffusion de ces programmes (d’une part en première diffusion et d’autre part rediffusions comprises) et le pourcentage qu’elle représente par rapport à la durée annuelle de diffusion des programmes (d’une part en première diffusion et d’autre part rediffusions comprises). II.4. Enjeux démocratiques et renforcement des valeurs sociales (art. 67, § 1er, du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion) Quelles sont les réalisations de la télévision locale qui contribuent à mettre en avant la diversité culturelle, à provoquer le débat et à clarifier les enjeux démocratiques ? III. CONDITIONS DE MAINTIEN DE L’AUTORISATION (art. 66, § 1er, du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion) III.1. Journalistes professionnels Donner la liste des journalistes professionnels (avec no de carte de presse) ou des personnes travaillant dans des conditions qui permettent de le devenir, qui font partie du personnel de la télévision locale. III.2. Production propre Donner, pour l’année considérée, le temps de production propre et la part qu’il représente dans le temps de diffusion de l’ensemble des programmes à l’exclusion des rediffusions. Pour rappel, conformément à l’article 66, § 1er, du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion : une coproduction assurée par une télévision locale est assimilée à de la production propre au prorata du budget réellement engagé par celle-ci; les échanges de productions propres entre télévisions locales sont assimilés à des productions propres au prorata de l’investissement réellement engagé par la télévision locale Concernant ce dernier point, ne sont pris en compte que les programmes qui font l’objet d’un contrat d’échange. Donner, pour l’année considérée : le volume total, calculé en minute, de production propre au cours des deux années de référence en précisant pour chaque programme produit, la date de première diffusion, la durée et la fréquence de production; le volume total, calculé en minute, des coproductions en première diffusion réalisées au cours des deux années de référence en précisant pour chaque coproduction, la date de première diffusion, la durée et la part d’investissement de la télévision locale dans celle-ci; le volume total, calculé en minute, des production propres que la télévision locale a acquises au cours des deux années de référence auprès de télévisions locales tierces dans le cadre d’un échange de programmes et diffusées pour la première fois au cours des deux années de référence, ceci en précisant pour chaque production propre acquise sa date de première diffusion. Par échange, on entend l’acquisition d’un programme en contrepartie de la fourniture concomitante d’un autre programme. La télévision locale apporte les éléments probants de chaque échange (contrat ponctuel, accord général,...). 68501BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE III.3. Société interne de journalistes Donner les éléments probants quant à l’existence et la reconnaissance d’une société interne de journalistes en qualité d’interlocutrice (statuts, décision de l’instance compétente de la télévision,...). Quelle est la composition de cette société de journalistes ? Quelles sont les questions précises sur lesquelles la société de journalistes a été consultée au cours de l’exercice considéré ? III.4. Règlement d’ordre intérieur La télévision locale est tenue de joindre au rapport d’activité une copie du règlement d’ordre intérieur relatif à l’objectivité dans le traitement de l’information. Elle doit attester que ce règlement a bien été adopté par l’instance compétente de la télévision. III.5. Responsabilité de la programmation et maîtrise éditoriale de l’info Quels sont les dispositifs existants visant à garantir la maîtrise éditoriale par la télévision locale ? La télévision locale a-t-elle connu au cours de l’exercice considéré des difficultés en la matière ? Si oui, lesquelles ? III.6. Equilibre entre les diverses tendances idéologiques Quels sont les dispositifs existants visant à garantir dans le traitement de l’information un équilibre entre les diverses tendances idéologiques présentes dans la zone de couverture ? La télévision locale a-t-elle connu au cours de l’exercice considéré des difficultés en la matière ? Si oui, lesquelles ? III.7. Indépendance Quels sont les dispositifs existants visant à assurer, dans sa programmation, l’indépendance de la télévision locale par rapport aux gouvernements, aux autorités communales et provinciales, aux organismes publics et intercommu naux, aux distributeurs de services de radiodiffusion, aux partis politiques, aux organisations représentatives des employeurs ou de travailleurs et aux mouvements philosophiques ou religieux ? La télévision locale a-t-elle connu au cours de l’exercice considéré des difficultés en la matière ? Si oui, lesquelles ? III.8. Ecoute et suivi des plaintes Quels sont les dispositifs existants visant à assurer l’écoute des téléspectateurs et le suivi de leurs plaintes ? Présenter un bilan des plaintes enregistrées au cours de l’exercice considéré et du suivi apporté. III.9. Droits d’auteur Fournir toute documentation relative à la mise en œuvre des procédures destinées à respecter la législation sur les droits d’auteur et droits voisins. IV. PROGRAMMATION IV.1. Grille de programmes La télévision locale est tenue de fournir la grille des programmes de l’exercice considéré et la liste des programmes, publicité comprise, sur la base des quatre semaines d’échantillon fixées par le Conseil supérieur de l’audiovisuel, présentée dans l’ordre chronologique de diffusion à l’antenne (play list) et détaillant pour chaque programme le titre, le jour et l’heure de diffusion, la durée de diffusion, le genre de programme, l’origine (production propre, coproduction, échange...) le producteur, la part prise dans la production, s’il s’agit ou non d’une rediffusion. Cette liste intègrera également les espaces de diffusion éventuellement consacrés au vidéotexte. Fournir la durée annuelle et quotidienne moyenne de diffusion des programmes (d’une part en première diffusion et d’autre part rediffusions comprises). IV.2. Production propre Décrire les programmes de production propre (nature, fréquence, durée, contenu). IV.3. Coproduction Décrire les programmes coproduits (nature, fréquence, durée, contenu). Citer pour chacun le(s) partenaire(s). Donner pour chacun la forme (apport d’une équipe technique, d’un car régie, etc.) et la part de coproduction de la télévision locale. IV.4. Echanges de programmes Décrire les programmes échangés (nature, fréquence, durée, contenu). Citer la (les) télévision locale productrice(s) des programmes échangés. Citer la (les) télévision locale concernée(s) par l’échange. Pour chaque programme, quelle est la nature de l’échange (objet du contrat d’échange) ? IV.5. Programmes mis à disposition des autres télévisions locales Le cas échéant, lister et décrire les programmes mis gratuitement à disposition du réseau des télévisions locales, sans autres formes de contrepartie. IV.6. Achats et commandes de programmes La télévision locale a-t-elle recouru durant l’exercice considéré à des achats et/ou des commandes de programmes ? Si oui, décrire le(s) programme(s) concerné(s) (nature, fréquence, durée, contenu). Donner le budget total consacré à ce poste. IV. 7. Publicité Donner la durée annuelle totale, réelle ou estimée (biffer la mention inutile), des publicités V. SERVICES V.1. Vidéotexte La télévision locale possède-t-elle un système de vidéotexte ? Décrire le service (nature des infos disponibles, rubriques). 68502 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Ce service est-il développé avec un (des) partenaire(s) ? Si oui, le(s)quel(s) ? Donner la durée annuelle totale, réelle ou estimée (biffer la mention inutile), du vidéotexte Le service diffuse-t-il de la publicité ? Donner la durée annuelle totale, réelle ou estimée (biffer la mention inutile), de la publicité diffusée par le biais du vidéotexte Quelles sont les recettes commerciales liées à ce service ? V.2. Télétexte La télévision locale possède-t-elle un système de télétexte ? Décrire le service (nature des infos disponibles, rubriques). Ce service est-il développé avec un (des) partenaire(s) ? Si oui, le(s)quel(s) ? Le service diffuse-t-il de la publicité ? Quelles sont les recettes commerciales liées à ce service ? V.3. Internet La télévision locale possède-t-elle un site internet ? Si oui, quelle est son adresse ? Décrire le service (nature des infos disponibles, rubriques). Ce service est-il développé avec un (des) partenaire(s) ? Si oui, le(s)quel(s) ? Le service diffuse-t-il de la publicité ? Quelles sont les recettes commerciales liées à ce service ? Le cas échéant, donner des information sur la fréquentation du site ? VI. COLLABORATIONS VI.1. Avec les autres télévisions locales (art. 69) Quelles ont été les synergies réalisées au cours de l’exercice considéré avec les autres télévisions locale sen matière : d’échanges d’images, de reportages et de programmes ? de coproduction ? de diffusion ? de prestations techniques et de services ? de participation à des manifestations régionales ? de prospection et diffusion publicitaires ? VI.2. Avec la RTBF (art. 69) Quelles ont été les synergies réalisées au cours de l’exercice considéré avec la RTBF en matière : d’échanges d’images, de reportages et de programmes ? de coproduction ? de diffusion ? de prestations techniques et de services ? de participation à des manifestations régionales ? VI.3. Avec d’autres médias (télévision, radio, presse écrite,...) La télévision locale a-t-elle développé des collaborations avec d’autres médias ? Si oui, les décrire et en donner une appréciation ? VI.4. Avec des associations culturelles ou d’éducation permanente La télévision locale a-t-elle développé des collaborations avec des associations culturelles ou d’éducation permanente? Si oui, pouvez-vous les décrire et en donner une appréciation ? VII. EMPLOI VII.1. Organigramme La télévision locale est tenue de fournir un organigramme. VII.2. Personnel La télévision locale est tenue de fournir la liste des travailleurs avec pour chacun : son nom son titre et sa fonction (journaliste, technicien, administratif) le cas échéant, l’aide à l’emploi dont il bénéficie son occupation temporelle (temps plein, 4/5 temps, 3/4 temps, mi-temps,...) VII.3. Pige La télévision locale recourt-elle à la pige et/ou au système intérimaire ? Dans quel volume annuel (en ETP et/ou budget consacré) ? Dans quelles circonstances ? VIII. TECHNIQUE VIII.1. Distribution Quel(s) est (sont) les distributeurs de services par câble distribuant le programme de la télévision locale sur sa zone de couverture (donner également le nom et les coordonnées du représentant de chaque distributeur) ? A quel(s) opérateur(s) de réseau ce(s) distributeur(s) de services par câble a (ont)-t-il(s) recours ? le cas échéant, quel(s) est (sont) le(s) distributeur(s) de services par câble distribuant le programme de la télévision locale sur sa zone de réception autre que sa zone de couverture ? 68503BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE A quel(s) opérateur(s) de réseau ce(s) distributeur(s) de services par câble a(ont)-t-il(s) recours ? Quelles sont les communes desservies par chaque distributeur de services par câble et chaque opérateur de réseau de télédistribution ? Par quel(s) moyen(s) technique(s) le signal est-il injecté sur le(s) réseau(x) de télédistribution (fibre optique, faisceau hertzien,...) ? Le programme de la télévision locale est-il distribué par l’intermédiaire d’un autre réseau de radiodiffusion que le câble ? Si oui, le(s)quel(s) ? Qui en est le distributeur (donner également le nom et les coordonnées du représentant du distributeur) et l’opérateur de réseau ? Quelle est la zone couverte par ce réseau de radiodiffusion ? VIII.2. Matériel Décrire le matériel technique de la télévision locale (unité de montage, caméras, serveur, car de captation...). Quels sont les standards techniques utilisés ? Une évolution est-elle prévue ? Si oui, dans quels délais ? IX. ELEMENTS BUDGETAIRES IX.1. Recettes IX.1.1. Chiffre d’affaires Quel est le chiffre d’affaires de la télévision locale ? IX.1.2. Subventions Détailler les subventions perçues par la télévision locale, notamment : rappeler les subventions de la Communauté française ? les subventions éventuelles de la Région wallonne, de la Région de Bruxelles-Capitale ? Préciser (APE,...) les subventions éventuelles de la (des) Province(s) ? Préciser (fonctionnement, autre) les subventions éventuelles des Villes et communes ? Préciser (fonctionnement, autre) les subventions éventuelles autres ? Préciser (Union européenne, distributeurs, intercommunales...) Distinguer le cas échéant les subventions ordinaires et extraordinaires IX.1.3. Publicité Quelles sont les recettes publicitaires brutes et nettes réalisées au cours de l’année ? Préciser la nature de ces recettes (écrans, vidéotexte, internet,...) Avez-vous eu recours au parrainage durant l’année considérée ? Si oui, dans quel volume (recettes) ? Avez-vous eu recours aux échanges durant l’année considérée ? Si oui, dans quel volume (recettes) ? IX.1.4. Autres activités commerciales Décrire les activités commerciales de la télévision locale (prestations de services, commandes,...). Quel est le volume de ces activités (recettes) ? Prévoyez-vous des développements en la matière ? IX.1.5. Distributeurs de services A combien se chiffre, pour chaque distributeur de services concerné, la contribution prévue à l’article 80 du décret du 27 février 2003 sur la radiodiffusion pour l’année considérée ? Le distributeur de services contribue-t-il d’une autre manière ou davantage au financement de la télévision locale ? Si oui, préciser. IX.2. Charges IX.2.1. Charges salariales Quel est le montant consacré par la télévision locale aux charges salariales ? Que représente ce montant par rapport au budget de la télévision locale ? IX.2.2. Autres Quelles sont les autres charges les plus importantes pour la télévision locale ? X. ORGANISATION X.1. Conseil d’administration Quelle est la composition du conseil d’administration de la télévision locale ? Pour chaque membre, donner la nature du mandat occupé (associatif/culturel ou public avec identification politique), préciser s’il a, ou non, voix délibérative, s’il exerce un mandat ou une fonction dans des sociétés du secteur de la radiodiffusion ou d’autres secteurs des médias. Fournir la liste des administrateurs publiée au Moniteur belge (ou à défaut de publication, la copie soumise à publication) X.2. Comité de programmation (le cas échéant) Quelle est la composition du comité de programme ? Quelles ont été les principales décisions de cet organe durant l’année considérée ? X.3. Observateur du Gouvernement Le cas échéant, quel est l’observateur désigné par le Gouvernement ? Vu pour être annexé à l’arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 septembre 2006 fixant les critères et modalités d’octroi des subventions de fonctionnement aux télévisions locales. Par le Gouvernement de la Communauté française : La Ministre de la Culture, de l’Audiovisuel et de la Jeunesse, Mme F. LAANAN 68504 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE VERTALING MINISTERIE VAN DE FRANSE GEMEENSCHAP [2006/203790]N. 2006 — 4922 15 SEPTEMBER 2006. — Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de criteria en de nadere regels voor de toekenning van werkingssubsidies aan lokale televisiezenders De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op het decreet van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep, inzonderheid op artikel 74; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 april 2006; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 28 april 2006; Gelet op de beraadslaging van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 april 2006 over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van hoogstens één maand; Gelet op het advies nr. 40.490/4 van de Raad van State, gegeven op 12 juni 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, 1o, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van de Audiovisuele sector; Na beraadslaging van de Regering van 15 september 2006, Besluit : Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1o Decreet : het decreet van de Franse Gemeenschap van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep; 2o Regering : de Regering van de Franse Gemeenschap; 3o Minister : de Minister van de Audiovisuele sector; 4o Secretariaat-generaal : het secretariaat-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap; 5o coproductie in eerste uitzending : productie gedeeltelijk gemaakt door de lokale televisiezender in partnerschap met andere rechtspersonen of natuurlijke personen en die beantwoorden aan de opdrachten van openbare dienst van de lokale televisiezenders bedoeld in artikel 64 van het decreet; 6o uitwisseling van programma’s : de aanschaffing van een programma van eigen producties door een lokale televisiezender in ruil voor het bijkomende aanbieden van een ander programma van eigen producties overeenkomstig een uitwisselingscontract. Art. 2. De toekenning van de werkingssubsidie bedoeld in artikel 74, § 1, van het decreet hangt af van de voorlegging door de lokale televisiezender van de volgende documenten : 1o de rekeningen en de balans vastgesteld op 31 december van het afgelopen boekjaar en goedgekeurd door de algemene vergadering. Deze documenten worden voorgelegd overeenkomstig de wets- en verordeningsbepalingen die de inhoud en de voorstelling van een rekeningstelsel vastleggen; 2o het activiteitenverslag bedoeld in artikel 66, § 1, 14o, van het decreet betreffende het afgelopen jaar, dat voorgesteld wordt overeenkomstig het model gevoegd bij dit besluit; 3o een uurregeling van de programma’s uitgezonden tijdens het afgelopen jaar waarbij hun adequatie met de opdrachten van openbare dienst bedoeld in artikel 64 van het decreet wordt nagekeken en zoals bepaald in de overeenkomst afgesloten met de Regering; 4o een ontwerp van begroting voor het boekjaar waarop de werkingssubsidie betrekking heeft. Deze documenten worden overgebracht aan de Minister, alsook aan het secretariaat-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap. Art. 3. § 1. Met het oog op de berekening van het bedrag van zijn werkingssubsidie is de lokale televisiezender ertoe gehouden de volgende informatie te bezorgen : 1o het gemiddelde wekelijkse volume eigen productie berekend in minuten over een referentieperiode van twee jaar die loopt vanaf 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarin de subsidie zal worden toegekend, alsook elke informatie waarbij de adequatie wordt nagekeken tussen deze programma’s van eigen productie en de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst bedoeld in artikel 64 van het decreet en zoals bepaald in de overeenkomst afgesloten met de Regering; 2o het aantal betrekkingen in voltijds equivalent. Dit aantal wordt vastgesteld op 1 januari van het jaar waarin de subsidie zal worden toegekend en omvat de betrekkingen bekleed sinds ten minste zes maanden. Deze informatie wordt meegedeeld aan de Minister, alsook aan het secretariaat-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap. § 2. Wanneer de lokale televisiezender de informatie bedoeld in § 1, 1o, van dit artikel bezorgt, vermeldt hij ook : het totaal volume, berekend in minuten, eigen productie tijdens de twee referentiejaren met vermelding voor elk uitgezonden programma, van de datum van de eerste uitzending, de duur en de frequentie van de productie; het totaal volume, berekend in minuten, van de coproducties in eerste uitzending gemaakt tijdens de twee referentiejaren met vermelding, voor elke coproductie, van de datum van de eerste uitzending, de duur en het gedeelte van de investering van de lokale televisiezender in deze; het totaal volume, berekend in minuten, eigen productie die de lokale televisiezender heeft bereikt tijdens de twee referentiejaren bij de derde lokale televisiezenders in het kader van een uitwisseling van programma’s en uitgezonden voor de eerste keer tijdens de twee jaren bedoeld in artikel 3, § 1, en dit, met vermelding, voor elke aangeschafte eigen productie, van de datum van de eerste uitzending. Onder uitwisseling wordt verstaan, de aanschaffing van een programma in ruil voor het bijkomende aanbieden van een ander programma. De lokale televisiezender geeft de bewijselementen voor elke uitwisseling. 68505BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 4. De Regering kent jaarlijks de werkingssubsidies toe aan de lokale televisiezenders op basis van de volgende principes : 1o Elke toegelaten lokale televisiezender krijgt een gedeelte van de vaste subsidie dat op 75.000 euro wordt vastgesteld; 2o Het saldo van de beschikbare kredieten na aftrekking van het totaal van de vaste subsidies toegekend met toepassing van het eerste lid, 1o, wordt verdeeld tussen de toegelaten lokale televisiezenders op basis van de volgende kwantitatieve criteria : het gemiddelde wekelijkse volume eigen productie bedoeld in artikel 3 met een wegingcoëfficiënt van 80 % ; het aantal betrekkingen in voltijds equivalent bedoeld in artikel 3, § 1, 2o, met een wegingcoëfficiënt van 20 %. Het vast bedrag bedoeld in het eerste lid, 1o, wordt jaarlijks aangepast en voor de eerste keer in 2008 op basis van het indexcijfer 1.1.2006 = 100 in functie van de evolutie van het gewone indexcijfer van de consumptieprijzen bedoeld in de wet van 2 augustus 1971. Art. 5. In afwijking van artikel 3, § 1, 1o, wordt het gemiddelde wekelijkse volume eigen productie, berekend in minuten en genomen als referentie voor de berekening van de subsidies van de boekjaren 2006 en 2007, vastgesteld op basis van het jaar 2003. In afwijking van artikel 3, § 1, 2o, wordt het aantal betrekkingen in voltijds equivalent genomen als referentie voor de berekening van de subsidies van het boekjaar 2006, vastgesteld op basis van het jaar 2005. In afwijking van artikel 3, § 2, eerste lid, wordt de datum van het verschaffen van de informatie bestemd voor de berekening van de werkingssubsidie in 2006, vastgesteld op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. Art. 6. De toepassing van dit besluit zal een advies van het College voor vergunning en controle van de Hoge Raad voor de Audiovisuele sector bedoeld in artikel 133 van het decreet vereisen, die de Regering, in voorkomend geval, elke aanbeveling zal formuleren die nuttig is voor de toepassing ervan. Dit advies zal vóór 1 oktober 2008 uitgebracht worden en zal betrekking hebben op de jaren 2006 en 2007. Art. 7. Opgeheven worden : Het besluit van de Executieve van 7 december 1987 betreffende de nadere regelen voor de toekenning van toelagen aan de plaatselijke en communautaire televisies; Het besluit van de Executieve van 7 december 1987 betreffende de rangschikking van de plaatselijke en communautaire televisies; Het besluit van de Executieve van 7 december 1987 betreffende de betoelaging van de plaatselijke en communautaire televisies. Art. 8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006. Art. 9. De Minister tot wier bevoegdheid de Audiovisuele sector behoort, wordt belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 15 september 2006. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap, De Minister van Cultuur, de Audiovisuele sector en Jeugd, Mevr. F. LAANAN REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST MINISTERE DE LA REGION WALLONNE [2006/203938]F. 2006 — 4923 23 NOVEMBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement wallon modifiant le Livre II du Code de l’Environnement contenant le Code de l’Eau Le Gouvernement wallon, Vu le Livre II du Code de l’Environnement contenant le Code de l’Eau; Vu l’avis de la Commission consultative de l’Eau, rendu le 22 février 2006; Vu l’avis de l’Inspection des Finances, donné le 3 février 2006; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 14 novembre 2006; Vu l’avis 41.101/4 du Conseil d’Etat, donné le 31 juillet 2006 en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1o, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Sur la proposition du Ministre de l’Agriculture, de la Ruralité, de l’Environnement et du Tourisme; Après délibération, Arrête : Article 1er. Le présent article apporte les modifications suivantes à la partie réglementaire du Code de l’Eau dans le but de simplifier les rapports entre les usagers et l’Administration, notamment en ce qui concerne les modalités de transmission de documents : 1o aux articles R.244, § 1er, et R.246 du Code de l’Eau, les mots ″par lettre recommandée à la poste″ sont remplacés par les mots ″par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l’envoi″; 2o aux articles R.324 et R.353, alinéa 2, du Code de l’Eau, les mots ″par pli recommandé à la poste″ sont remplacés par les mots ″par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l’envoi″; 3o aux articles R.199, § 7, alinéa 6, R.200, § 8, alinéa 6, R.201, § 3, alinéa 6, R.214, § 4, R.216, § 1er, R.218, §§ 1er et 2, 1o, R.221, § 2, R.231, alinéa 2, R.393, R.400, R.412, § 1er, alinéa 2, et R.448 du Code de l’Eau les mots ″par lettre recommandée″ sont remplacés par les mots ″par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l’envoi″; 4o dans l’article R.431 du Code de l’Eau, les mots ″sous pli recommandé à la poste″ sont remplacés par les mots ″par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l’envoi″; 68506 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 5o dans l’article R.231, alinéa 2, du Code de l’Eau, les mots ″ou de toute modalité conférant date certaine à l’envoi″ sont ajoutés après les mots ″de la lettre recommandée précitée″; 6o dans l’article R.244, § 3, du Code de l’Eau, les mots ″par envoi recommandé à la poste″ sont remplacés par les mots ″par lettre recommandée ou par toute modalité conférant date certaine à l’envoi″; 7o dans l’article R.412, § 1er, alinéa 3, du Code de l’Eau, les mots ″ou de toute modalité conférant date certaine à l’envoi″ sont ajoutés après les mots ″de la lettre recommandée″; 8o dans l’article R.450, alinéa 1er, du Code de l’Eau, les mots ″l’envoi recommandé.″ sont remplacés par les mots ″la lettre recommandée ou de toute modalité conférant date certaine à l’envoi.″; 9o dans l’article R.29 du Code de l’Eau, à l’alinéa 1er, les mots ″par lettre recommandée″ sont remplacés par les mots ″par pli simple″. A l’alinéa 2, 4o, les mots ″l’envoi recommandé″ sont remplacés par les mots ″la demande″. A l’alinéa 4, les mots ″par envoi recommandé,″ sont remplacés par les mots ″par pli simple″; 10o dans les articles R.199, § 7, alinéas 1er et 4, R.200, § 8, alinéas 1er et 4, R.201, § 3, alinéas 1er et 4, R.391, alinéa 1er, du Code de l’Eau, les mots ″par lettre recommandée″ sont remplacés par les mots ″par pli simple″; 11o dans l’article R.243, alinéa 1er, du Code de l’Eau, les mots ″, par pli recommandé à la poste.″ sont remplacés par les mots ″, par pli simple.″; 12o dans les articles R.328, alinéa 4, et R.357, alinéa 4, du Code de l’Eau, les mots ″du pli recommandé″ sont remplacés par les mots ″de la lettre recommandée ou de toute modalité conférant date certaine à l’envoi″; 13o dans l’article R.411, § 1er, du Code de l’Eau, les mots ″par lettre recommandée ou remise contre récépissé″ sont remplacés par les mots ″par pli simple″; 14o dans l’article R.412, § 1er, alinéa 3, du Code de l’Eau, les mots ″par envoi recommandé ou par remise contre récépissé″ sont remplacés par les mots ″par pli simple″; 15o dans les articles R.387, alinéa 4, d), et R.404, alinéa 4, d), du Code de l’Eau, les mots ″certifiée conforme″ sont supprimés; 16o dans l’article R.146, alinéa 3, les mots ″31 janvier″ sont remplacés par les mots ″31 mars″; 17o dans les articles R.152 et R.162, l’alinéa suivant est ajouté entre les alinéas 2 et 3 : ″Les délais d’enquête publique sont suspendus du 16 juillet au 15 août inclus.″; 18o dans l’article R.429, alinéa 3, les mots ″30 mars″ sont remplacés par les mots ″31 mars″. Art. 2. Le présent article apporte les modifications suivantes à la partie réglementaire du Livre II du Code de l’Environnement contenant le Code de l’Eau : 1o à l’article R.110, §§ 1er et 2, les mots ″l’article 94″ sont remplacés par les mots ″l’article 109″; 2o à l’article R.114, les mots ″l’article 50, dernier alinéa″ sont remplacés par les mots ″l’article 8, dernier alinéa de l’arrêté royal du 5 août 1970 portant règlement général de police des cours d’eau non navigables″; 3o à l’article R.116, les mots ″31 décembre 2005″ sont remplacés par les mots ″31 décembre 2006″; 4o à l’article R.160, les mots ″articles 158 et 159″ sont remplacés par les mots ″articles 157 et 159″; 5o à l’article R. 161, § 1er, le mot ″Gouvernement″ est remplacé par le mot ″Ministre″; 6o à l’article R.233, 16o, les mots ″et rejetant des eaux urbaines résiduaires″ sont ajoutés après le mot ″C.W.A.T.U.P.″; 7o dans l’intitulé du Chapitre VII du Titre II de la Partie III, de la partie réglementaire du Code de l’Eau et à l’article R.386 du Code de l’Eau, les mots ″ou du C.V.A.″ sont ajoutés après les mots ″de la taxe sur le déversement des eaux usées domestiques″; 8o aux articles R.388 et R.389 alinéas 1er et 2 les mots ″ou du C.V.A.″ sont ajoutés après les mots ″la taxe″; 9o aux articles R.386, 1o et 2o, R.387, alinéas 1er, 2 et 3, et R.404, alinéas 1er, 2 et 3, les mots ″formulaire unique″ sont remplacés par les mots ″formulaire intégré″; 10o à l’article R.396, 3o, les mots ″à l’article 399″ sont remplacés par les mots ″à l’article 398″; 11o à l’article R.402, § 3, 1o et 2o, les mots ″,taxe sur la valeur ajoutée comprise,″ sont ajoutés après les mots ″du montant total des factures″; 12o à l’article R.402, § 4, alinéa 2, les mots ″paragraphe 2″ sont remplacés par les mots ″paragraphe 3″; 13o les articles R.405 à R.407 sont abrogés; 14o à l’article R.429, alinéa 1er, ajouter les mots ″de la partie décrétale″ après les mots ″l’article 328, § 1er″; 15o à l’article R.468, les mots ″401 à 417″ sont remplacés par les mots ″R.401 à R.408″. Art. 3. Le Ministre de l’Environnement est chargé de l’exécution du présent arrêté. Namur, le 23 novembre 2006. Le Ministre-Président, E. DI RUPO Le Ministre de l’Agriculture, de la Ruralité, de l’Environnement et du Tourisme, B. LUTGEN 68507BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE ÜBERSETZUNG MINISTERIUM DER WALLONISCHEN REGION [2006/203938]D. 2006 — 4923 23. NOVEMBER 2006 — Erlass der Wallonischen Regierung zur Abänderung des Buches II des Umweltgesetzbuches, welches das Wassergesetzbuch bildet Die Wallonische Regierung, Aufgrund des Buches II des Umweltgesetzbuches, welches das Wassergesetzbuch bildet; Aufgrund des am 22. Februar 2006 abgegebenen Gutachtens des Beratungsausschusses für Wasser; Aufgrund des am 3. Februar 2006 abgegebenen Gutachtens der Finanzinspektion; Aufgrund des am 14. November 2006 gegebenen Einverständnisses des Ministers des Haushalts; Aufgrund des am 31. Juli 2006 in Anwendung des Artikels 84, § 1, Absatz 1, 1o der koordinierten Gesetze über den Staatsrat abgegebenen Gutachtens 41.101/4 des Staatsrats; Auf Vorschlag des Ministers der Landwirtschaft, der ländlichen Angelegenheiten, der Umwelt und des Tourismus; Nach Beratung, Beschließt: Artikel 1 - Durch den vorliegenden Artikel werden im verordnungsrechtlichen Teil des Wassergesetzbuches die nachstehenden Abänderungen zwecks der Vereinfachung der Beziehungen zwischen den Benutzern und der Verwaltung, insbesondere was die Modalitäten zur Übermittlung von Unterlagen betrifft, vorgenommen: 1o in den Artikeln R.244, § 1 und R.246 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreiben″ durch die Wörter ″per Einschreiben oder durch jede andere Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ ersetzt; 2o in den Artikeln R.324 und R.353 Absatz 2 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per bei der Post aufgegebenen Einschreibebrief″ durch die Wörter ″per Einschreiben oder durch jede andere Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ ersetzt; 3o in den Artikeln R.199 § 7 Absatz 6, R.200 § 8 Absatz 6, R.201 § 3 Absatz 6, R.214 § 4 R.216 § 1, R.218 §§ 1 und 2 1o, R.221 § 2, R.231 Absatz 2, R.393, R.400, R.412 § 1 Absatz 2 und R.448 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreibebrief″ bzw. ″per Einschreiben″ bzw. ″mit einem Einschreibebrief″ bzw. ″durch einen Einschreibebrief″ durch die Wörter ″per Einschreiben oder durch jede andere Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ ersetzt; 4o in Artikel R.431 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreiben oder durch jede andere Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ hinter das Wort ″Zahlungsbescheids″ gesetzt. 5o in Artikel R.231, Absatz 2 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″oder jeder anderen Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht″ hinter die Wörter ″des vorerwähnten Einschreibens″ gesetzt. 6o in Artikel R.244, § 3 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreiben″ durch die Wörter ″per Einschreiben oder durch jede andere Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ ersetzt. 7o in Artikel R.412, § 1, Absatz 3 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″oder jeder anderen Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht″ hinter die Wörter ″des Einschreibens″ gesetzt. 8o in Artikel R.450, Absatz 1 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″des Einschreibebriefs″ durch die Wörter ″des Einschreibens oder jeder anderen Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ ersetzt. 9o in Artikel R.29 des Wassergesetzbuches werden in Absatz 1 die Wörter ″per Einschreibebrief″ durch die Wörter ″per einfaches Schreiben″ ersetzt. In Absatz 2 4o werden die Wörter ″des Einschreibebriefs″ durch die Wörter ″des Antrags″ ersetzt. In Absatz 4 werden die Wörter ″per Einschreibebrief″ durch die Wörter ″per einfaches Schreiben″ ersetzt. 10o in den Artikeln R.199 § 7 Absätze 1 und 4, R.200 § 8 Absätze 1 und 4, R.201 § 3 Absätze 1 und 4, R.391 Absatz 1 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreibebrief″ bzw. ″per Einschreiben″ durch die Wörter ″per einfaches Schreiben″ ersetzt. 11o in Artikel R.243 Absatz 1 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreibebrief″ durch die Wörter ″per einfaches Schreiben″ ersetzt. 12o in den Artikeln R.328 Absatz 4 und R.357 Absatz 4 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″Einschreibebrief bei der Post aufgegeben worden ist″ durch die Wörter ″Einschreiben oder nach jeder anderen Modalität, die der Einsendung ein sicheres Datum verleiht,″ ersetzt. 13o in Artikel R.411 § 1 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreiben oder Aushändigung gegen eine Aufgabe- bzw. Empfangsbescheinigung″ durch die Wörter ″per einfaches Schreiben″ ersetzt. 14o in Artikel R.412 § 1 Absatz 3 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″per Einschreiben oder Aushändigung gegen Aufgabe- bzw. Empfangsbescheinigung″ durch die Wörter ″per einfaches Schreiben″ ersetzt. 15o in den Artikeln R.387 Absatz 4 d) und R.404 Absatz 4 d) des Wassergesetzbuches wird das Wort ″gleichlautende″ gestrichen. 16o in Artikel R.146, Absatz 3 werden die Wörter ″31. Januar″ durch die Wörter ″1. März″ ersetzt. 17o in den Artikeln R.152 und R.162 wird folgender Absatz zwischen den Absätzen 2 und 3 eingefügt : ″Die Fristen der öffentlichen Untersuchung werden zwischen dem 16. Juli und dem 15. August einschließlich ausgesetzt.″ 18o in Artikel R.429 Absatz 3 werden die Wörter ″30. März″ durch die Wörter ″31. März″ ersetzt. Art. 2 - Durch den vorliegenden Artikel werden im verordnungsrechtlichen Teil des Wassergesetzbuches die nachstehenden Abänderungen vorgenommen: 1o in Artikel R.110 werden in § 1 die Wörter ″des Artikels 94″durch die Wörter ″des Artikels 109″ und in § 2 die Wörter ″in Artikel 94″ durch die Wörter ″in Artikel 109″ersetzt. 2o in Artikel R.114 werden die Wörter ″dem letzten Absatz des Artikels 50″ durch die Wörter ″dem letzten Absatz des Artikels 8 des Königlichen Erlasses vom 5. August 1970 zur allgemeinen Polizeiverordnung für nicht schiffbare Wasserläufe″ ersetzt. 3o in Artikel R.116 werden die Wörter ″31. Dezember 2005″ durch die Wörter ″31. Dezember 2006″ ersetzt. 68508 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4o in Artikel R.160, werden die Wörter ″den Artikeln 158 und 159″ durch die Wörter ″den Artikeln 157 und 159″ ersetzt. 5o in Artikel R. 161 § 1 wird das Wort ″Regierung″ durch das Wort ″Minister″ ersetzt. 6o in Artikel R.233 16o, werden im französichen Text die Wörter ″et rejetant des eaux urbaines résiduaires″ hinter das Wort «C.W.A.T.U.P.» gesetzt. 7o in der Überschrift des Kapitels VII des Titels II des Teils III des verordnungsrechtlichen Teils und in Artikel R.386 des Wassergesetzbuches werden die Wörter ″oder vom TKAR (tatsächlicher Kostenpreis für die Abwasserreinigung)″ hinter die Wörter ″von der Abgabe für die Einleitung von nicht industriellem Abwasser″ gesetzt. 8o in Artikel R.388 werden die Wörter ″oder den TKAR″ hinter die Wörter ″die Abgabe″ und in Artikel 389, Absätze 1 und 2 werden die Wörter ″oder vom TKAR″ hinter die Wörter ″von der Abgabe″ gesetzt. 9o in den Artikeln R.386, 1o und 2o, R.387 Absätze 1, 2 und 3 und R.404 Absätze 1, 2 und 3 wird das Wort ″Einheitsformular″ durch die Wörter ″integriertes Formular″ ersetzt. 10o in Artikel R.396 3o werden die Wörter ″in Artikel 399″ durch die Wörter ″in Artikel 398″ ersetzt. 11o in Artikel R.402 § 3 1o und 2o werden die Wörter ″einschließlich der Mehrwertsteuer″ hinter die Wörter ″des Gesamtbetrags der Rechnungen″ gesetzt. 12o in Artikel R.402 § 4 Absatz 2 werden die Wörter ″§ 2″ durch die Wörter ″§ 3″ ersetzt. 13o die Artikel R.405 bis R.407 werden außer Kraft gesetzt. 14o in Artikel R.429, Absatz 1 werden die Wörter ″des dekretbezogenen Teils″ hinter die Wörter ″Art. 328, § 1″ gesetzt. 15o in Artikel R.468 werden die Wörter ″401 bis 417″ durch die Wörter ″R.401 bis R.408″ ersetzt. Art. 3 - Der Minister der Umwelt wird mit der Durchführung des vorliegenden Erlasses beauftragt. Namur, den 23. November 2006 Der Minister-Präsident, E. DI RUPO Der Minister der Landwirtschaft, der ländlichen Angelegenheiten, der Umwelt und des Tourismus, B. LUTGEN VERTALING MINISTERIE VAN HET WAALSE GEWEST [2006/203938]N. 2006 — 4923 23 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van Boek II van het Leefmilieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt De Waalse Regering, Gelet op boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt; Gelet op het advies van de ″Commission consultative de l’Eau″ (Commissie van advies voor Water), uitgebracht op 22 februari 2006; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 3 februari 2006; Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 14 november 2006; Gelet op advies 41.101/4 van de Raad van State, gegeven op 31 juli 2006, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Dit artikel brengt volgende wijzigingen aan in het regelgevende deel van het Waterwetboek, met als doel de relaties tussen de gebruikers en het bestuur eenvoudiger te maken, meer bepaald wat betreft de wijze waarop stukken worden overgezonden : 1o in de artikelen R.244, § 1, en R.246 van het Waterwetboek worden de woorden ″door een ter post aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 2o in de artikelen R.324 en R.353, lid 2, van het Waterwetboek, worden de woorden ″door een ter post aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 3o in de artikelen R.199, § 7, lid 6, R.200, § 8, lid 6, R.201, § 3, lid 6, R.214, § 4, R.216, § 1, R.218, §§ 1 en 2, 1o, R. 221, § 2, R.231, lid 2, R.393, R.400, R.412, § 1, lid 2, en R.448 van het Waterwetboek worden de woorden ″door een ter post aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 4o in artikel R.431 van het Waterwetboek worden de woorden ″bij een ter post aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 5o in artikel R.231, lid 2, van het Waterwetboek worden de woorden ″of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″ toegevoegd na de woorden″voornoemd aangetekend schrijven″; 6o in artikel R.244, § 3, van het Waterwetboek worden de woorden ″door een ter post aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″door een aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 68509BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 7o in artikel R.412, § 1, lid 3, van het Waterwetboek worden de woorden ″of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″ toegevoegd na de woorden ″aangetekend schrijven″; 8o in artikel R.450, lid 1, van het Waterwetboek worden de woorden ″de aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″de aangetekende brief of op enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 9o in artikel R.29 van het Waterwetboek, in lid 1, worden de woorden ″bij aangetekend schrijven″ vervangen door de woorden ″bij eenvoudig schrijven″. In lid 2, 4o, worden de woorden ″het aangetekend schrijven″ vervangen door de woorden ″de aanvraag″. In lid 4 worden de woorden ″bij aangetekend schrijven″ vervangen door de woorden ″bij eenvoudig schrijven″; 10o in de artikelen R.199, § 7, leden 1 en 4, R.200, § 8, leden 1 en 4, R.201, § 3, leden 1 en 4, R.391, lid 1, van het Waterwetboek worden de woorden ″bij aangetekend schrijven″ vervangen door de woorden ″bij eenvoudig schrijven″; 11o in artikel R.243, lid 1, van het Waterwetboek worden de woorden ″door een ter post aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″bij eenvoudig schrijven″; 12o in de artikelen R.328, lid 4, en R.357, lid 4, van het Waterwetboek, worden de woorden ″de aangetekende brief″ vervangen door de woorden ″de aangetekende brief of enige andere wijze waarop een vaste dagtekening aan de zending verleend wordt″; 13o in artikel R.411, § 1, van het Waterwetboek wordt de zin ″De erkenningsaanvraag wordt door de producent of de gemachtigde exploitant bij aangetekend schrijven aan het secretariaat van het Comité gericht of tegen ontvangbewijs overgemaakt″ vervangen door de zin ″De erkenningsaanvraag wordt door de producent of de gemachtigde exploitant bij eenvoudig schrijven aan het secretariaat van het Comité gericht″; 14o in artikel R.412, § 1, lid 3, van het Waterwetboek worden de woorden ″bij aangetekend schrijven of tegen ontvangstbewijs″ vervangen door de woorden ″bij eenvoudig schrijven″; 15o in de artikelen R.387, lid 4, d), en R.404, lid 4, d), van het Waterwetboek worden de woorden ″voor eensluidend verklaard″ geschrapt; 16o in artikel R.146, lid 3, worden de woorden ″31 januari″ vervangen door de woorden ″31 maart″; 17o in de artikelen R.152 en R.162 wordt volgend lid toegevoegd tussen leden 2 en 3 : ″De termijnen voor het openbaar onderzoek worden opgeschort van 16 juli tot en en 15 augustus.″; 18o in artikel R.429, lid 3, worden de woorden ″30 maart″ vervangen door de woorden ″31 maart″. Art. 2. Dit artikel brengt volgende wijzgingen aan in het regelgevend deel van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt : 1o in artikel R.110, §§ 1 en 2, worden de woorden ″artikel 94″ vervangen door de woorden ″artikel 109″; 2o in artikel R.114 worden de woorden ″artikel 50, laatste lid″ vervangen door de woorden ″artikel 8, laatste lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen″; 3o in artikel R.116 worden de woorden ″31 december 2005″ vervangen door de woorden ″31 december 2006″; 4o in artikel R.160 worden de woorden ″artikelen 158 en 159″ vervangen door de woorden ″artikelen 157 en 159″; 5o in artikel R.161, § 1, wordt, in de Franse versie, het woord ″Gouvernement″ vervangen door het woord ″Ministre″; 6o in artikel R.233, 16o, worden de woorden ″die stedelijk afvalwater loost″ toegevoegd na de woorden ″Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium″; 7o in het opschrift van Hoofdstuk VII van Titel II van Deel III van het regelgevend deel van het Waterwetboek en in artikel R.386 van het Waterwetboek worden de woorden ″of van de reële kostprijs van de sanering″ toegevoegd na de woorden ″van de belasting op het lozen van ander afvalwater dan industrieel afvalwater″; 8o in de artikelen R.388 en R.389, leden 1 en 2, worden de woorden ″of de reële kostprijs van de sanering″ toegevoegd na de woorden ″de belasting″; 9o in de artikelen R.386, 1o en 2o, R.387, leden 1, 2 en 3, en R.404, leden 1, 2 en 3 worden de woorden ″enige formulier″ vervangen door de woorden ″geïntegreerde formulier″; 10o in artikel R.396, 3o, worden de woorden ″in artikel 399″ vervangen door de woorden ″in artikel 398″; 11o in artikel R.402, § 3, 1o en 2o, worden de woorden ″, belasting over de toegevoegde waarde meegerekend″ toegevoegd na de woorden″van het totaalbedrag van de facturen″; 12o in artikel R.402, § 4, lid 2, worden de woorden ″in § 2″ vervangen door de woorden ″in § 3″; 13o de artikelen R.405 tot en met R.407 worden opgeheven; 14o in artikel R.429, lid 1, worden de woorden ″van het decreetgevend deel″ toegevoegd na de woorden ″in artikel 328, § 1,″; 15o in artikel R.468 worden de woorden ″401 tot en met 417″ vervangen door de woorden ″R.401 tot en met R.408″. Art. 3. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 23 november 2006. De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN 68510 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE ANDERE BESLUITEN — AUTRES ARRETES FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN [2006/00925] Raad van State. — Ontslag Bij koninklijk besluit van 23 november 2006 wordt aan de heer Georges Vandersanden, assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad van State, met ingang van 1 november 2006 op zijn verzoek eervol ontslag uit zijn ambt verleend. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN [2006/00954] Personeel. — Pensionering Bij koninklijk besluit van 1 september 2006 wordt, met ingang van 1 januari 2007 de heer Raymond Vanrusselt, adviseur bij het departe ment, toegelaten tot het vervroegd pensioen. Het is betrokkene vergund zijn pensioenaanspraken te doen gelden en de titel van zijn ambt eershalve te voeren. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN [2006/00953] Personeel. — Pensionering Bij koninklijk besluit van 10 november 2006 wordt, met ingang van 1 februari 2007 de heer Peter Thienpont, attaché bij het departement, toegelaten tot het vervroegd pensioen. Het is betrokkene vergund zijn pensioenspraken te doen gelden en de titel van zijn ambt eershalve te voeren. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [2006/14246] Personeel. — Benoemingen Bij koninklijk besluit van 23 maart 2006 wordt Mevr. Nathalie Gendarme, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 december 2004 en uitwerking op 1 december 2005. Bi j koninkli jk besluit van 22 maart 2006 wordt de heer Pierre-Christophe Gabelica, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 januari 2005 en uitwerking op 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit van 22 maart 2006 wordt de heer Laurent Tasquin, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 januari 2005 en uitwerking op 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit van 22 maart 2006 wordt de heer Thierry Peeters, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 februari 2005 en uitwerking op 1 februari 2006. SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR [2006/00925] Conseil d’Etat. — Démission Par arrêté royal du 23 novembre 2006, qui produit ses effets le 1er novembre 2006, démission honorable de ses fonctions est accordée, à sa demande, à M. Georges Vandersanden, assesseur de la section de législation du conseil d’Etat. SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR [2006/00954] Personnel. — Mise à la retraite Par arrêté royal du 1er septembre 2006, M. Raymond Vanrusselt, conseiller au département, est admis à la pension anticipée à partir du 1er janvier 2007. L’Intéressé est autorisé à faire valoir ses droits à la pension de retraite et à porter le titre honorifique de ses fonctions. SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR [2006/00953] Personnel. — Mise à la retraite Par arrêté royal du 10 novembre 2006, M. Peter Thienpont, attaché au département, est admis à la pension anticipée à partir du 1er février 2007. L’intéressé est autorisé à faire valoir ses droits à la pension de retraite et à porter le titre honorifique de ses fonctions. SERVICE PUBLIC FEDERAL MOBILITE ET TRANSPORTS [2006/14246] Personnel. — Nominations Par arrêté royal du 23 mars 2006, Mme Nathalie Gendarme, est nommée à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er décembre 2004 et effet au 1er décembre 2005. Par arrêté royal du 22 mars 2006, M. Pierre-Christophe Gabelica, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er janvier 2005 et effet au 1er janvier 2006. Par arrêté royal du 22 mars 2006, M. Laurent Tasquin, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er janvier 2005 et effet au 1er janvier 2006. Par arrêté royal du 22 mars 2006, M. Thierry Peeters, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er février 2005 et effet au 1er février 2006. 68511BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij koninklijk besluit van 5 april 2006 wordt de heer Gauthier, Melin, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 februari 2005 en uitwerking op 1 februari 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt Mevr. Gaby Houdez, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 april 2005 en uitwerking op 1 april 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt de heer Serge Delfosse, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 april 2005 en uitwerking op 1 april 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt de heer Jean-Pol Danguy, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 april 2005 en uitwerking op 1 april 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt de heer Pierre Sohier, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 april 2005 en uitwerking op 1 april 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt de heer Miguel, Louis, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 juni 2005 en uitwerking op 1 juni 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt de heer Robert Vilmos, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 juni 2005 en uitwerking op 1 juni 2006. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt de heer Robert Louvet, in de klasse A1, met de titel van attaché, met ranginneming op 1 maart 2005 en uitwerking op 1 maart 2006. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [2006/14266] Personeel. — Benoeming. — Erratum In het Belgisch Staatsblad n° 368 van 16 november 2006, 2e editie, pagina 61556, dient in de eerste paragraaf de naam « ’T Kindt » te worden vervangen door « T’Kindt ». * FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [C − 2006/23197] 10 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot goedkeuring van de wijziging van de statuten van de « Algemene Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen Het Gezin » ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, inzonderheid op artikel 26, derde lid; Par arrêté royal du 5 avril 2006, M. Gauthier Melin, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er février 2005 et effet au 1er février 2006. Par arrêté royal du 15 septembre 2006, Mme Gaby Houdez, est nommée à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er avril 2005 et effet au 1er avril 2006. Par arrêté royal du 15 septembre 2006, M. Serge Delfosse, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er avril 2005 et effet au 1er avril 2006. Par arrêté royal du 15 septembre 2006, M. Jean-Pol Danguy, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er avril 2005 et effet au 1er avril 2006. Par arrêté royal du 15 septembre 2006, M. Pierre Sohier, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er avril 2005 et effet au 1er avril 2006. Par arrêté royal du 15septembre 2006, M. Miguel, Louis, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er juin 2005 et effet au 1er juin 2006. Par arrêté royal du 15 septembre 2006, M. Robert Vilmos, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d’attaché avec prise de rang au 1er juin 2005 et effet au 1er juin 2006. Par arrêté royal du 15 septembre 2006, M. Robert Louvet, est nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre au grade d’attaché avec prise de rang au 1er mars 2005 et effet au 1er mars 2006. SERVICE PUBLIC FEDERAL MOBILITE ET TRANSPORTS [2006/14266] Personnel. — Nomination. — Erratum Au Moniteur belge n° 368 du 16 novembre 2006, 2e édition, page 61556, au premier paragraphe le nom de « ’T Kindt » doit être remplacé par « T’Kindt ». SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [C − 2006/23197] 10 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal portant approbation de la modification des statuts de l’« Algemene Verrekenkas voor Gezins vergoedingen Het Gezin » ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu les lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, notamment l’article 26, alinéa 3; 68512 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Gelet op de beslissing van de algemene vergadering van de « Algemene Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen Het Gezin » van 11 mei 2006; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De wijziging van de statuten van de « Algemene Verre kenkas voor Gezinsvergoedingen Het Gezin », zoals aangenomen bij beslissing van zijn algemene vergadering van 11 mei 2006 wordt goedgekeurd. Art. 2. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, R. DEMOTTE Statuten « Kinderbijslagfonds Horizon Het Gezin vzw » Algemene vergadering 11 mei 2006 HOOFDSTUK I. — Benaming, zetel, doel, duur Artikel 1. De vereniging zonder winstoogmerk heeft in het Neder lands als naam « Kinderbijslagfonds Horizon Het Gezin » vzw. De naam van de vereniging luidt in het Frans : « Caisse d’allocations familiales Horizon » asbl. Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen en andere stukken die uitgaan van de vereniging, vermelden de naam van de vereninging, onmiddellijk voorafgegaan of gevolgd door de woorden « vereniging zonder winstoogmerk » of door de afkorting « vzw », en het adres van de zetel van de vereniging. Art. 2. De maatschappelijke zetel van de vereniging is gevestigd te Brugge, Hoefijzerlaan 12, gelegen in het gerechtelijk arrondissement Brugge. De algemene vergadering is bevoegd om het adres van de maatschappelijke zetel te wijzigen. Alle correspondentie van en in verband met de algemene vergade ring en raad van bestuur verloopt via de maatschappelijke zetel van de vereniging. Art. 3. De vereniging is opgericht voor onbepaalde duur. Art. 4. De vereniging heeft tot doel de gezinsbijslag overeenkomstig de samengeordende wetten te betalen. HOOFDSTUK II. — De leden van de vereniging Art. 5. De aangesloten werkgevers dienen tenminste vijftig in getal te zijn. Art. 6. Elke werkgever, natuurlijke of rechtspersoon die onder de toepassing van de samengeordende wetten valt, kan lid worden van de vereniging. De toetreding mag niet geweigerd worden aan een werkgever die zich er toe verbindt alle bepalingen van de statuten en reglementen na te leven, op voorwaarde dat hij behoort tot de categorie van werkgevers waarvan in het voorgaande lid sprake is en hij bij geen ander kinderbijslagfonds uitgesloten werd wegens tekortkoming aan zijn verplichtingen. Art. 7. De aanvraag tot toetreding behelst de verbintenis om alle bepalingen van de statuten en de reglementen van de vereniging na te leven. De beslissing wordt per gewone brief ter kennis van de belanghebbende gebracht. Vu la décision de l’assemblée générale de l’« Algemene Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen Het Gezin » du 11 mai 2006; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est approuvée la modification des statuts de l’« Algeme ne Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen Het Gezin », telle qu’adoptée par décision de son assemblée générale du 11 mai 2006. Art. 2. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 10 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, R. DEMOTTE Statuts « Caisse d’allocations familiales Horizon asbl » Assemblée générale du 11 mai 2006 CHAPITRE Ier. — Dénomination, siège, objet, durée Article 1er. L’association sans but lucratif est dénommée en néerlan dais « Kinderbijslagfonds Horizon Het Gezin″ vzw et en français : « Caisse d’allocations familiales Horizon » asbl. Tous les actes, factures, annonces, publications et autres documents émanant de l’association sans but lucratif mentionnent la dénomination de l’association, précédée ou suivie immédiatement des mots « asso ciation sans but lucratif » ou du sigle « asbl » ainsi que l’adresse du siège de l’association. Art. 2. Le siège social de l’association est situé à Bruges, Hoefijzer laan 12, dans l’arrondissement judiciaire de Bruges. L’assemblée générale est habilitée à modifier l’adresse du siège social. Toute la correspondance de l’assemblée générale et du conseil d’administration, et toute la correspondance les concernant s’opèrent via le siège social de l’association. Art. 3. L’association est créée pour une durée illimitée. Art. 4. L’association a pour objet de payer les allocations familiales conformément aux lois coordonnées. CHAPITRE II. — Les membres de l’association Art. 5. Les employeurs affiliés seront au nombre de cinquante, au moins. Art. 6. Tout employeur, personne physique ou morale soumise à l’application des lois coordonnées, peut devenir membre de l’associa tion. L’adhésion ne peut pas être refusée à un employeur qui s’engage à respecter toutes les dispositions des statuts et des règlements, pour autant qu’il appartienne à la catégorie d’employeurs dont il est question à l’alinéa ci-avant et qu’il n’ait pas été exclu d’une autre caisse d’allocations familiales en raison d’un manquement à ses obligations. Art. 7. La demande d’adhésion englobe l’engagement de respecter toutes les dispositions des statuts et des règlements de l’association. La décision sera portée à la connaissance de l’intéressé par courrier ordinaire. 68513BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 8. Elk lid kan door de raad van bestuur, met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, uit de vereniging worden gesloten wanneer deze ernstige tekortkomingen vertoont bij het naleven van de wettelijke en statutaire verplichtingen. De voorlo pige beslissing wordt bij aangetekend schrijven aan het uitgesloten lid meegedeeld. In dit schrijven wordt de mogelijkheid vermeld om binnen de twintig dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven gehoord te worden door de raad van bestuur. De uitsluiting wordt pas definitief indien de periode van twintig dagen verlopen is zonder hoorzitting of indien de raad van bestuur na kennisname van de argumenten van betrokkene tot uitsluiting beslist. De definitieve beslissing wordt per aangetekend schrijven meegedeeld. De uitsluiting heeft uitwerking op het einde van het kwartaal in de loop waarvan de definitieve beslissing aangetekend werd verstuurd. Het lidmaatschap van een lid eindigt indien schriftelijk ontslag wordt ingediend overeenkomstig de samengeordende wetten. Niemand kan zijn ontslag indienen voor het einde van de wettelijk voorgeschreven termijn van vier jaar. Het ontslag moet worden ingediend rekening houdende met een opzeggingstermijn van dertig dagen. Het ontslag wordt van kracht op het einde van het kwartaal waarin de opzeggingstermijn eindigt. Art. 9. De ontslagnemende of uitgesloten leden, alsook hun erfge namen of de erfgenamen van de overleden leden verzaken aan elke vermogensrechtelijke aanspraak op het maatschappelijk bezit van de vereniging. Ze kunnen evenmin de eventueel door henzelf of door hun rechtsvoorganger betaalde bedragen terugvorderen. Art. 10. Op de zetel van de vereniging wordt door de raad van bestuur een register van de leden gehouden dat alle wettelijk verplichte vermeldingen bevat. Het register van de leden, die ter griffie van de rechtbank van koophandel van de zetel der vereniging werd neergelegd, wordt elk jaar aangevuld door vermelding in alfabetische volgorde van de wijzigingen die bij de leden zijn voorgekomen. Bij toetreding, ontslag of uitsluiting moet het register aangepast worden binnen de dertig dagen na de datum van inwerkingtreding van de toetreding, het ontslag of de uitsluiting. Art. 11. Onverminderd artikel 29, 3°, betalen de leden geen bijdra gen. HOOFDSTUK III. — De algemene vergadering Art. 12. De algemene vergadering is het soevereine gezag van de vereniging en is samengesteld uit alle leden van de vereniging. Ieder lid mag zich laten vertegenwoordigen door een schriftelijk gevolmach tigde, eveneens lid van de vereniging. Het aantal volmachten per aanwezige is beperkt tot vijf. De leden met rechtspersoonlijkheid kunnen verschijnen door een lid van hun raad van bestuur, door een vennoot of door een schriftelijk aangeduid lid van hun kaderpersoneel. De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door de eerste ondervoorzitter, bij diens afwezigheid door de tweede ondervoorzitter. Bij hun afwezigheid door de bestuur der met het oudste mandaat. Art. 13. De algemene vergadering beschikt over volgende bevoegd heden : 1° het wijzigen van de statuten; 2° de benoeming en afzetting van de bestuurders; 3° het goedkeuren van begrotingen en rekeningen; 4° de vrijwillige ontbinding van de vereniging; 5° de benoeming, afzetting en het eventueel bepalen van de bezoldiging van de commissarissen; 6° de kwijting aan bestuurders en commissarissen; 7° de oprichting van administratieve zetels of bijhuizen in andere plaatsen van het land; 8° alle gevallen waarin de statuten en de wettelijke bepalingen een besluit van de algemene vergadering vereisen. Art. 8. Tout membre peut être exclu de l’association par le conseil d’administration, à une majorité des deux tiers des voix émises, lorsque celui-ci se rend coupable de sérieux manquements dans le respect des obligations légales et statutaires. La décision provisoire sera notifiée au membre exclu par lettre recommandée. Cette lettre mentionnera la possibilité d’être entendu par le conseil d’administration dans les vingt jours de la réception de la lettre recommandée. L’exclusion ne devient définitive que si la période de vingt jours s’est écoulée sans audition ou si le conseil d’administration décide d’exclure l’intéressé après avoir pris connaissance de ses arguments. La décision définitive sera notifiée par lettre recommandée. L’exclusion prendra effet à la fin du trimestre au cours duquel la décision définitive a été envoyée par lettre recommandée. L’adhésion d’un membre prend fin si une démission écrite est déposée conformément aux lois coordonnées. Personne ne peut démissionner avant la fin de la période de quatre ans prescrite par la loi. La démission doit être introduite en tenant compte d’un délai de préavis de trente jours. La démission entre en vigueur à la fin du trimestre au cours duquel le délai de préavis se termine. Art. 9. Les membres démissionnaires ou exclus, ainsi que leurs héritiers ou les héritiers des membres décédés, renoncent à toute revendication patrimoniale sur les avoirs sociaux de l’association. Ils ne peuvent pas non plus réclamer les montants versés le cas échéant par eux-mêmes ou leur prédécesseur. Art. 10. Au siège de l’association, le conseil d’administration tiendra un registre des membres, qui comportera toutes les mentions imposées par la loi. Le registre des membres, déposé au greffe du tribunal de commerce du siège de l’association, sera complétée tous les ans par l’indication, dans l’ordre alphabétique, des changements survenus chez les mem bres. En cas d’adhésion, de démission ou d’exclusion, le registre devra être adapté dans les trente jours qui suivent la date de l’entrée en vigueur de l’adhésion, de la démission ou de l’exclusion. Art. 11. Sous réserve des dispositions de l’article 29, 3°, les membres ne paieront pas de cotisations. CHAPITRE III. — L’assemblee generale Art. 12. L’assemblée générale est l’autorité souveraine de l’associa tion et se compose de tous les membres de l’association. Chaque membre peut se faire représenter par un mandataire écrit, également membre de l’association. Le nombre de procurations par personne présente est limité à cinq. Les membres dotés de la personnalité juridique, peuvent comparaître par un membre de leur conseil d’administration, par un associé ou par un membre, désigné par écrit, de leurs cadres. L’assemblée générale est présidée par le président du conseil d’administration. En son absence, la présidence sera assurée par le premier vice-président, en l’absence de celui-ci, par le deuxième vice-président et, en leur absence, par l’administrateur ayant le mandat le plus ancien. Art. 13. L’assemblée générale dispose des pouvoirs suivants : 1° modifier les statuts; 2° nommer et révoquer les administrateurs; 3° approuver les budgets et les comptes; 4° dissoudre volontairement l’association; 5° nommer et révoquer les commissaires, fixer éventuellement leurs émoluments; 6° donner décharge aux administrateurs et aux commissaires; 7° créer des sièges administratifs ou des succursales en d’autres lieux du pays; 8° tous les cas dans lesquels les statuts et les dispositions légales exigent une résolution de l’assemblée générale. 68514 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 14. De vereniging maakt gebruik van de vrijstelling tot oproe ping van de gewone algemene vergadering op basis van artikel 21, § 2, van de samengeordende wetten. Elk jaar wordt een gewone algemene vergadering gehouden de tweede vrijdag van de maand juni om 10u op de maatschappelijke zetel. De raad van bestuur brengt er verslag uit over de verrichtingen van de vereniging en legt er de rekening van het voorbije dienstjaar en de begroting van volgend dienstjaar voor. De agenda van de gewone algemene vergadering kan vijftien dagen voor de vergadering bekomen worden op de maatschappelijke zetel. Op deze gewone jaarlijkse algemene vergadering kan niet beslist worden over een statutenwijziging of over punten die niet op de agenda staan. Art. 15. De leden van de algemene vergadering worden door middel van een gewoon schrijven opgeroepen tot de algemene vergadering die niet bedoeld is in artikel 14. De oproepingsbrief dient de leden tenminste acht dagen voor de vergadering te bereiken, de poststempel geldt als datum. De algemene vergadering wordt door de raad van bestuur samen geroepen telkens als hij het nuttig acht voor de belangen van de vereniging. Zij zal binnen de dertig dagen samengeroepen worden op uitdrukkelijk schriftelijk verzoek van een vijfde der leden gericht aan de voorzitter van de raad van bestuur. Art. 16. De algemene vergadering beraadslaagt over de voorstellen die haar door de raad van bestuur of door de leden gedaan worden en die op de agenda ingeschreven zijn. Elk voorstel ondertekend door tenminste een twintigste van de leden moet op de agenda gebracht worden, mits dit geschreven voorstel minstens tien dagen voor de algemene vergadering op de maatschappelijke zetel is neergelegd. Art. 17. De algemene vergadering is geldig samengesteld welke ook het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden is; de beslissingen worden genomen bij meerderheid van de stemmen van het aantal aanwezige en vertegenwoordigde leden. De leden beschikken in de algemene vergadering elk over één stem. Ten behoeve van de aangesloten werkgevers wordt per 50 rechtheb benden, uit hoofde waarvan op 31 december van het laatst afgesloten dienstjaar effectief kinderbijslag verschuldigd was, één bijkomende stem toegekend, met een maximum van 24 bijkomende stemmen per aangesloten werkgever. Art. 18. Onthoudingen en blancostemmen worden niet meegere kend bij de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. Een bijzondere meerderheid van tweederde van de aanwezige of vertegenwoordigde leden is vereist voor de ontbinding van de vereniging. Is deze voorwaarde niet vervuld, dan kan een tweede vergadering samen geroepen worden die geldig beraadslaagt welk ook het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden is. Geen beslissing is aangenomen tenzij zij gestemd is met een meerderheid van viervijfde van de aanwezige en vertegenwoordigde leden. Art. 19. Beslissingen van de algemene vergadering inzake de wijzi ging van de statuten, de wijziging van het maatschappelijk doel, de benoeming en de afzetting van de bestuurders en commissarissen en de ontbinding van de vereniging, moeten door minimum een vierde van de werkende leden worden goedgekeurd, met dien verstande dat een quotum van vijf werkende leden voldoende is. Het verkregen quotiënt moet desgevallend naar beneden worden afgerond. Met werkende leden zijn bedoeld, leden, al dan niet werkgever, die tevens in de raad van bestuur van de vereniging zetelen. Art. 20. De beslissingen van de algemene vergadering worden in een register opgetekend dat op de zetel van de vereniging bewaard wordt. HOOFDSTUK IV. — Het bestuur Art. 21. De vereniging wordt bestuurd door een raad van bestuur van minstens drie en maximum vijftien leden die door de algemene vergadering, bij gewone meerderheid, benoemd en eventueel afgezet worden. De bestuurders worden benoemd voor een termijn van drie jaar en hun mandaat verstrijkt met het afsluiten van een jaarvergade ring. De uittredende leden zijn herverkiesbaar. Ingeval een lid van de raad tijdens zijn mandaat overlijdt of zijn functie stopzet, kan de raad in zijn vervanging voorzien door de voorlopige aanstelling van een nieuw lid wiens benoeming tijdens de eerstvolgende algemene verga dering ter bekrachtiging voorgelegd wordt; dit lid voltooit het mandaat van zijn voorganger. Art. 22. Het mandaat van de bestuurders is onbezoldigd. Zij hebben evenwel recht op terugbetaling van hun reiskosten, alsmede op presentiegeld waarvan het bedrag door de algemene vergadering wordt vastgesteld. Art. 14. L’association a recours à la dispense de convocation de l’assemblée générale ordinaire sur la base de l’article 21, § 2, des lois coordonnées. Chaque année se tiendra une assemblée générale ordi naire le deuxième vendredi du mois de juin à 10 heures, au siège social. Le conseil d’administration fait rapport sur les opérations de l’associa tion et présente les comptes de l’exercice écoulé et le budget de l’exercice suivant. L’ordre du jour de l’assemblée générale ordinaire peut être obtenu quinze jours avant l’assemblée au siège social. A cette assemblée générale annuelle ordinaire, aucune décision ne peut être prise sur une modification aux statuts ou sur des points qui ne figurent pas à l’ordre du jour. Art. 15. Les membres de l’assemblée générale sont convoqués par pli ordinaire à l’assemblée générale qui n’est pas visée à l’article 14. La lettre de convocation doit parvenir aux membres au moins huit jours avant l’assemblée, le cachet de la poste faisant foi. L’assemblée générale sera convoquée par le conseil d’administration chaque fois que celui-ci le juge utile pour les intérêts de l’association. Elle sera convoquée dans les trente jours à la demande expresse et écrite d’un cinquième des membres, adressée au président du conseil d’administration. Art. 16. L’assemblée générale délibère sur les propositions qui lui sont faites par le conseil d’administration ou par les membres, et qui sont inscrites à l’ordre du jour. Toute proposition signée par un vingtième au moins des membres, doit être portée à l’ordre du jour, pour autant que cette proposition écrite ait été déposée au moins dix jours avant l’assemblée générale au siège social. Art. 17. L’assemblée générale est valablement constituée quel que soit le nombre de membres présents ou représentés; les décisions se prennent à la majorité des voix du nombre de membres présents et représentés. Chacun des membres dispose à l’assemblée générale d’une voix. Pour les employeurs affiliés, une voix supplémentaire est octroyée par 50 attributaires, du chef desquels des allocations familiales étaient effectivement dues au 31 décembre du dernier exercice clôturé, avec un maximum de 24 voix supplémentaires par employeur affilié. Art. 18. Les abstentions et les votes blancs ne sont pas pris en compte dans le calcul des voix émises. En cas de partage des voix, la voix du président sera prépondérante. Une majorité spéciale des deux tiers des membres présents ou représentés est requise pour la dissolution de l’association. Si cette condition n’est pas remplie, les membres peuvent être convoqués à une seconde réunion où ils pourront valablement délibérer quel que soit le nombre de membres présents ou représentés. Aucune décision n’est adoptée si elle n’a pas recueilli une majorité des quatre cinquièmes des membres présents et représentés. Art. 19. Les décisions de l’assemblée générale concernant la modi fication des statuts, la modification de l’objet social, la nomination et la révocation des administrateurs et commissaires et la dissolution de l’association doivent être approuvées par au moins un quart des membres actifs, étant entendu qu’un quota de cinq membres actifs suffit. Le cas échéant, le quotient obtenu doit être arrondi vers le bas. Par membres actifs, il faut entendre les membres, employeurs ou non, qui siègent également au conseil d’administration de l’association. Art. 20. Les décisions de l’assemblée générale sont consignées dans un registre, conservé au siège de l’association. CHAPITRE IV. — L’administration Art. 21. L’association sera administrée par un conseil d’administra tion composé de trois membres au minimum et de quinze membres au maximum, qui sont nommés et, éventuellement, révoqués par l’assem blée générale, à la majorité simple. Les administrateurs sont nommés pour une période de trois ans et leur mandat expire à la clôture d’une assemblée annuelle. Les membres sortants sont rééligibles. Si un membre du conseil décède pendant son mandat ou met un terme à sa fonction, le conseil pourra pourvoir à son remplacement en désignant provisoirement un nouveau membre dont la nomination sera soumise à l’entérinement de l’assemblée générale suivante; ce membre achèvera le mandat de son prédécesseur. Art. 22. Le mandat des administrateurs n’est pas rémunéré. Ils ont toutefois droit au remboursement de leurs frais de déplacement, ainsi qu’à un jeton de présence dont le montant est fixé par l’assemblée générale. 68515BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 23. De raad van bestuur beschikt over alle bevoegdheden die voor het beheer van de vereniging noodzakelijk zijn. De raad van bestuur duidt onder het personeel een directeur en een onderdirecteur aan. Samen met de voorzitter en de ondervoorzitter krijgen ze het dagelijks bestuur toevertrouwd. Onder dagelijks bestuur worden verstaan : alle handelingen die nodig zijn tot het vervullen van de opdrachten waarmede de vereni ging belast is, volgens de statuten en de reglementen of door de algemene vergadering opgedragen. Deze handelingen omvatten o.m. : — alle financiële verrichtingen, in ontvangst nemen van en kwijting of ontlasting geven voor alle waarden, brieven en documenten bestemd voor de vereniging, tegenover financiële instellingen, De Post, openbare en particuliere instellingen of personen. Voor de financiële verrichtin gen zal de raad van beheer bepalen in welke gevallen een tweede handtekening is vereist; — alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen stellen voor de verdediging van de belangen van de vereniging. In rechte wordt opgetreden zowel als eiser als verweerder in naam van de vereniging door de raad van bestuur vertegenwoordigd door de voorzitter of door een afgevaardigde van deze laatste, behalve in vorderingen bij de arbeidsrechtbank; — bij hoogdringendheid alle bewarende maatregelen treffen ter vrijwaring van de rechten en belangen van de vereniging. De uitoefening van het dagelijks bestuur gebeurt gezamenlijk door de directeur en de voorzitter en bij ontstentenis door de onderdirecteur en de ondervoorzitter. Worden niet als daden van dagelijks bestuur beschouwd en derhalve voorbehouden aan de raad van bestuur : — alle onroerende handelingen; — het openen van financiële rekeningen; — aanwerving, benoeming, bevordering of ontslag van personeel; — het verlenen van bijzondere volmachten aan één of meer van zijn leden of aan derden; — het opstellen van de reglementen van inwendige orde; — het onderzoek van de opmerkingen door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers gericht tot de vereniging betreffende haar administratief en financieel beheer alsmede het antwoord op die opmerkingen; — alle daden die niet als courante verbintenissen ten behoeve van het dagelijks bestuur zouden kunnen beschouwd worden. Alle akten die de vereniging verbinden, andere dan deze die betrekking hebben op het dagelijks bestuur, moeten, behoudens uitdrukkelijke afvaardiging, door twee bestuurders ondertekend wor den. Art. 24. De raad van bestuur kiest in zijn schoot een voorzitter en een eerste en tweede ondervoorzitter. De raad van bestuur duidt daarnaast een secretaris aan. De raad van bestuur wordt ingeval van afwezigheid van de voorzitter door de eerste ondervoorzitter voorgezeten, bij diens afwezigheid door de tweede ondervoorzitter. Bij ontstentenis van een ondervoorzitter, wordt de raad door de langst in functie zijnde bestuurder voorgezeten. De directeur en bij zijn afwezigheid de onderdirecteur woont de vergadering van de raad van bestuur en de algemene vergadering bij met raadgevende stem. Art. 25. De raad van bestuur vergadert op bijeenroeping van de voorzitter of twee bestuurders. Hij vergadert slechts geldig indien tenminste de helft van de bestuurders aanwezig is. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van stemmen. Bij gelijkheid van stemmen is de stem van de voorzitter van de vergadering beslissend. Art. 26. De notulen van de vergadering van de raad van bestuur worden door de secretaris van de vergadering en door de vergaderings voorzitter, of ingeval deze belet is, door tenminste twee bestuurders die aan de vergadering deelnamen, getekend. De uittreksels uit of de afschriften van deze notulen worden door de voorzitter, of ingeval deze belet is, door tenminste twee bestuurders waarachtig en eensluidend verklaard. Art. 23. Le conseil d’administration dispose de tous les pouvoirs nécessaires à la gestion de l’association. Le conseil d’administration désigne parmi le personnel un directeur et un sous-directeur. Avec le président et le vice-président, ils assurent la gestion journalière.. Par gestion journalière, on entend toute opération nécessaire à l’accomplissement des missions dont l’association est chargée, selon les statuts et les règlements, ou confiée par l’assemblée générale. Cela comprend entre autres : — réaliser toutes les opérations financières, recevoir, donner décharge et quittance pour toutes valeurs, toutes lettres et tous documents destinés à l’association, vis-à-vis des institutions financières, de La Poste, des organismes publics et privés ou des personnes. Pour les opérations financières, le conseil d’administration fixera les cas dans lesquels une deuxième signature est nécessaire; — poser tous les actes judiciaires et extrajudiciaires pour la défense des intérêts de l’association. En justice, le conseil d’administration représenté par le président ou par un délégué de ce dernier, sauf dans le cas d’actions menées devant le tribunal du travail, intervient en demandant ou en défendant au nom de l’association. — en cas d’urgence, prendre toutes les mesures conservatoires en vue de garantir les droits et les intérêts de l’association. La gestion journalière est conjointement exercée par le directeur et le président, et en leur absence, par le sous-directeur et le vice-président. Ne sont pas considérés comme des actes de gestion journalière et sont dès lors réservés au conseil d’administration : — tous les actes immobiliers; — ouvrir des comptes financiers; — engager, nommer, promouvoir ou licencier du personnel; — donner procuration spéciale à un ou plusieurs de ses membres ou à des tiers; — établir les règlements d’ordre intérieur; — examiner les remarques adressées par l’Office national d’alloca tions familiales pour travailleurs salariés à l’association au sujet de sa gestion administrative et financière, ainsi que répondre à ces remar ques; — tous les actes qui ne pourraient pas être considérés comme des engagements courants pour les besoins de la gestion journalière. Tous les actes qui engagent l’association, autres que ceux qui se rapportent à la gestion journalière, doivent, sauf délégation expresse, être signés par deux administrateurs. Art. 24. Le conseil d’administration choisit en son sein un président, ainsi qu’un premier et un deuxième vice-président. Le conseil d’admi nistration désigne ensuite un secrétaire. Le conseil d’administration sera présidé, en cas d’absence du président, par le premier vice-président, en l’absence de celui-ci, par le deuxième vice-président. A défaut de vice-président, le conseil sera présidé par l’administrateur en fonction depuis le plus longtemps. Le directeur, et, en son absence, le sous-directeur, assiste à la réunion du conseil d’administration et à l’assemblée générale avec une voix consultative. Art. 25. Le conseil d’administration se réunit sur convocation du président ou de deux administrateurs. Il ne se réunit valablement que si la moitié au moins des administrateurs est présente. Les décisions se prennent à la majorité simple des voix. En cas de parité des voix, la voix du président de la réunion est prépondérante. Art. 26. Le procès-verbal de la réunion du conseil d’administration sera signé par le secrétaire de la réunion et par le président de la réunion, ou, si celui-ci est empêché, par au moins deux administrateurs qui ont participé à cette réunion. Les extraits ou les copies de ces procès-verbaux seront certifiés authentiques et conformes par le président ou, si celui-ci est empêché, par deux administrateurs au moins. 68516 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 27. De bestuurders gaan geen persoonlijke verplichting aan uit hoofde van hun mandaat. Zij hebben zich slechts voor de uitvoering van hun mandaat en voor de fouten begaan in hun bestuur te verantwoorden. De jaarlijkse algemene vergadering zal de goedkeuring hechten voor handelingen van de raad van bestuur, voor de jaarlijkse rekeningen en de begroting van het volgende dienstjaar. Art. 28. Het toezicht op de vereniging wordt toevertrouwd aan een commissaris, lid van het instituut van bedrijfsrevisoren, benoemd door de algemene vergadering voor drie jaar. De commissaris brengt schriftelijk een verantwoord verslag uit over zijn opdracht bij de algemene vergadering. HOOFDSTUK V. — Financiele bepalingen Art. 29. De inkomsten van de vereniging bestaan uit : 1° bedragen die haar toekomen bij toepassing van de wetgeving op de sociale zekerheid; 2° toelagen, giften of alle andere bedragen die zij zou kunnen genieten hetzij krachtens deze wetgeving, hetzij uit hoofde om het even welke andere titel; 3° de aanvullende bijdrage die de vereniging bij beslissing van de raad van bestuur van haar leden kan vragen om de dekking van de administratiekosten te verzekeren indien de administratieve reserve ontoereikend is. Het bedrag van de ontoereikendheid wordt vermenig vuldigd met het aantal rechthebbenden ingeschreven bij de aangesloten werkgever op 31 december van het laatst afgesloten dienstjaar. Dit product wordt gedeeld door het aantal rechthebbenden ingeschreven op dezelfde datum bij het kinderbijslagfonds. Art. 30. De vereniging stelt samen : 1° een reservefonds; 2° een thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag; 3° een fonds voor dekking van de administratiekosten en 4° een administratieve reserve overeenkomstig de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers en hun uitvoe ringsbesluiten en wendt die volgens de bij deze wetten en besluiten vastgestelde regelen aan. Art. 31. Elk toetredend lid is verplicht aan de vereniging de inlichtingen te verstrekken welke zij nodig heeft om haar opdracht te vervullen. Bovendien moet elk toetredend lid ter beschikking houden van haar afgevaardigden, alle rechtvaardigende en alle boekhoudkun dige stukken, die het mogelijk moeten maken de juistheid van de verklaringen vast te stellen. Indien het toetredend lid de nodige inlichtingen niet verstrekt, kan de vereniging deze ter plaatse inwinnen op kosten van het in gebreke zijnde lid. Art. 32. Elke bedrieglijke verklaring geeft aanleiding tot de toepas sing van de sancties bepaald bij het reglement waarvan sprake in artikel 24 van de samengeordende wetten betreffende de gezinsbijslag voor werknemers. Bovendien, kan de persoon die bedrog pleegt, uit de vereniging gesloten worden, onverminderd de verplichting de onbetaald gebleven bijdragen en boeten, te betalen. Het in gebreke gebleven lid moet de bij de samengeordende wetten en de reglementen bepaalde verhogingen, verwijlintresten en boeten betalen. Art. 33. Het maatschappelijk dienstjaar begint op 1 januari en eindigt op 31 december van elk jaar. De raad van bestuur is verplicht elk jaar de rekening van het voorbije dienstjaar en de begroting van het volgend dienstjaar ter goedkeuring aan de algemene vergadering voor te leggen. De goedkeuring van de rekeningen door de algemene vergadering geldt als kwijting voor de raad van bestuur. HOOFDSTUK VI. — Ontbinding, vereffening, samensmelting Art. 34. De algemene vergadering kan de ontbinding van de vereniging slechts uitspreken, overeenkomstig de bijzondere meerder heid bepaald in artikel 18, tweede lid. De tweede algemene vergadering waarvan sprake in artikel 18, tweede lid mag niet binnen de 15 erop volgende dagen worden gehouden en haar beslissing dient niet gehomologeerd te worden door de rechtbank. Art. 27. Les administrateurs n’assument pas la moindre obligation personnelle du chef de leur mandat. Ils doivent seulement répondre de l’exécution de leur mandat et des fautes commises dans leur gestion. L’assemblée générale annuelle approuvera les actes du conseil d’admi nistration, les comptes annuels et le budget de l’exercice suivant. Art. 28. Le contrôle de l’association est confié à un commissaire, membre de l’institut des réviseurs d’entreprises, nommé par l’assem blée générale pour trois ans. Le commissaire rédige un rapport circonstancié sur sa mission en vue de l’assemblée générale. CHAPITRE V. — Dispositions financieres Art. 29. Les revenus de l’association se composent : 1° des montants qui lui reviennent en application de la législation sur la sécurité sociale; 2° de subventions, de dons ou de tous autres montants dont l’association pourrait bénéficier soit en vertu de cette législation, soit à n’importe quel autre titre; 3° de la cotisation supplémentaire que l’association peut réclamer à ses membres sur décision du conseil d’administration pour couvrir les frais administratifs si la réserve administrative est insuffisante. Le montant de l’insuffisance sera multiplié par le nombre d’attributaires inscrits auprès de l’employeur affilié au 31 décembre du dernier exercice clôturé. Ce produit sera divisé par le nombre d’attributaires inscrits à la même date auprès de la caisse d’allocations familiales. Art. 30. L’association constitue : 1° un fonds de réserve; 2° un fonds de roulement pour le paiement des allocations familiales; 3° un fonds destiné à couvrir les frais administratifs et 4° une réserve administrative, conformément aux lois coordonnées sur les allocations familiales pour travailleurs salariés et à leurs arrêtés d’exécution, et les utilise selon les règles fixées dans ces lois et ces arrêtés. Art. 31. Tout membre adhérent est obligé de communiquer à l’association les informations dont elle a besoin pour remplir sa mission. En outre, tout membre adhérent doit tenir à la disposition de ses délégués, toutes les pièces justificatives et comptables qui doivent permettre de constater l’exactitude des déclarations. Si le membre adhérent ne fournit pas les informations nécessaires, l’association peut les recueillir sur place aux frais du membre défaillant. Art. 32. Toute déclaration frauduleuse donne lieu à l’application des sanctions fixées dans le règlement dont il est question à l’article 24 des lois coordonnées sur les allocations familiales pour travailleurs salariés. De surcroît, la personne qui commet la fraude, sera exclue de l’association, sans préjudice à l’obligation de payer les amendes et les cotisations impayées. Le membre en défaut sera tenu de payer les majorations, les intérêts de retard et les amendes fixés dans les lois coordonnées et les règlements. Art. 33. L’exercice social commence le 1er janvier et se termine le 31 décembre de chaque année. Le conseil d’administration est tenu de soumettre chaque année les comptes de l’exercice écoulé et le budget de l’exercice suivant à l’approbation de l’assemblée générale. L’approbation des comptes par l’assemblée générale vaut décharge pour le conseil d’administration. CHAPITRE VI. — Dissolution, liquidation, fusion Art. 34. L’assemblée générale ne peut prononcer la dissolution de l’association que conformément à la majorité spéciale stipulée à l’article 18, deuxième alinéa. La seconde assemblée générale dont question à l’article 18, deuxième alinéa, ne peut être tenue moins de 15 jours après la première réunion, et sa décision ne doit pas être homologuée par le tribunal. 68517BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Geen beslissing is aangenomen tenzij zij gestemd is met een meerderheid van viervijfde van de aanwezige en vertegenwoordigde leden. De algemene vergadering bepaalt terzelfdertijd de vereffening die onder de controle van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werkne mers moet gebeuren. De algemene vergadering benoemt een of meer vereffenaars die hun opdracht in bestendige samenwerking met genoemde Rijksdienst uitvoeren; zij stelt hun bevoegdheden vast en bepaalt eventueel hun bezoldigingen. Art. 35. De algemene vergadering kan de ontbinding uitspreken overeenkomstig de bepalingen van de geldende wet op de verenigin gen zonder winstoogmerk. Zij regelt terzelfdertijd de vorm waarin de vereffening van de vereniging gebeurt, duidt één of meer vereffenaars aan en stelt hun bevoegdheden en desgevallend hun bezoldiging vast. Bij ontbinding, hetzij vrijwillige, hetzij gerechtelijke, beslist de algemene vergadering over de aanwending of bestemming van het activasaldo van de vereniging. Art. 36. Tot de samensmelting met een ander kinderbijslagfonds kan door de algemene vergadering besloten worden onder dezelfde voorwaarden als die gesteld voor de ontbinding vermeld in artikelen 34 en 35. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 10 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, R. DEMOTTE * FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [2006/23225] Burgerlijke Invaliditeitscommissie. — Benoeming Ministerieel besluit van 31 oktober 2006 : 1. bij de Burgerlijke Invaliditeitscommissie van Brussel, Kamer I : in de hoedanigheid van effectief voorzitter, de heer Remy Doncker wolcke; 2. bij de Burgerlijke Invaliditeitscommissie van Antwerpen : in de hoedanigheid van plaatsvervangend voorzitter, de heer Remy Donckerwolcke; 3. bij de Burgerlijke Invaliditeitscommissie van Gent : in de hoedanigheid van plaatsvervangend voorzitter, de heer Remy Donckerwolcke; 4. bij de Speciale Invaliditeitscommissie van Brussel, Kamer 2 : in de hoedanigheid van effectief voorzitter, de heer Remy Doncker wolcke. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [C − 2006/23276] Arbeidsrechtbank te Nijvel. — Benoemingen Bij koninklijk besluit van 10 november 2006 worden de volgende personen benoemd tot rechter in sociale zaken, als zelfstandige, bij de arbeidsrechtbank te Nijvel : Mevr. Adam, Michèle, wonende te 1400 Nijvel; De heer Cousin, Jean, wonende te 1300 Waver; De heer Martin, Michel, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode; De heer Meulemans, René, wonende te 1320 Bevekom; Mevr. Oger, Myriam, wonende te 1050 Brussel; De heer Pirnay, Georges, wonende te 1450 Blanmont; De heer Roggeman, Alain, wonende te 1420 Ophain. Hun mandaat eindigt op 31 oktober 2007. Aucune décision n’est adoptée si elle n’a pas recueilli une majorité des quatre cinquièmes des membres présents et représentés. L’assemblée générale prononce en même temps la liquidation, qui doit se faire sous le contrôle de l’Office national d’allocations familiales pour travailleurs salariés. L’assemblée générale nomme un ou plusieurs liquidateurs qui exécutent leur mission en collaboration permanente avec l’Office national précité; elle fixe leurs pouvoirs et, le cas échéant, leurs émoluments. Art. 35. L’assemblée générale peut prononcer la dissolution confor mément aux dispositions de la loi en vigueur sur les associations sans but lucratif. Elle règle en même temps les modalités de la liquidation de l’association, désigne un ou plusieurs liquidateurs et fixe leurs pouvoirs et, le cas échéant, leurs émoluments. En cas de dissolution, qu’elle soit volontaire ou judiciaire, l’assemblée générale décide de l’utilisation ou de l’affectation du solde de l’actif de l’association. Art. 36. L’assemblée générale peut décider de la fusion avec une autre caisse d’allocations familiales aux mêmes conditions que celles fixées pour la dissolution aux articles 34 et 35. Vu pour être annexé à Notre arrêté du 10 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, R. DEMOTTE SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [2006/23225] Commissions civiles d’invalidité. — Nomination Par arrêté ministériel du 31 octobre 2006 : 1. près la Commission civile d’invalidité de Bruxelles, Chambre I : en qualité de président effectif, M. Remy Donckerwolcke; 2. près la Commission civile d’invalidité d’Anvers : en qualité de président suppléant, M. Remy Donckerwolcke; 3. près la Commission civile d’invalidité de Gand : en qualité de président suppléant, M. Remy Donckerwolcke; 4. près la Commission spéciale d’invalidité de Bruxelles, deuxième chambre : en qualité de président effectif, M. Remy Donckerwolcke. SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [C − 2006/23276] Tribunal du travail de Nivelles. — Nominations Par arrêté royal du 10 novembre 2006, les personnes suivantes sont nommées en qualité de juge social, au titre de travailleur indépendant, près le tribunal du travail de Nivelles : Mme Adam, Michèle, domiciliée à 1400 Nivelles; M. Cousin, Jean, domicilié à 1300 Wavre; M. Martin, Michel, domicilié à 1620 Rhode-Saint-Genèse; M. Meulemans, René, domicilié à 1320 Beauvechain; Mme Oger, Myriam, domiciliée à 1050 Bruxelles; M. Pirnay, Georges, domicilié à 1450 Blanmont; M. Roggeman, Alain, domicilié à 1420 Ophain. Leur mandat expire le 31 octobre 2007. 68518 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [2006/23240] Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. — Technische geneeskundige raad, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging. — Hernieuwing van mandaten en benoeming van leden Bij koninklijk besluit van 22 november 2006, dat in werking treedt vanaf 30 september 2006, worden hernieuwd voor een termijn van vier jaar, als leden van de Technische geneeskundige raad, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de mandaten van : 1° Mevr. Hut, F. en de heren Bouffioux, Ch., Deprez, P., De Waele, M. en Van Nooten, G., in de hoedanigheid van werkende leden en de dames De Valeriola, D., De Vos, M., Ectors, N. en Latinne, D. en de heren Gillet, P. en Van den Brande, P., in de hoedanigheid van plaatsvervangende leden, als vertegenwoordigers van faculteiten der geneeskunde van Belgische universiteiten; 2° de dames Duyck, M., Feron, D. en Zamurovic, D. en de heren Devillers, J., Hanon, A., Van den Oever, R., Van Houte, Y. en Willems, J., in de hoedanigheid van werkende leden en Mevr. Goovaerts, C. en de heren Boly, J., Cools, L., Debbaut, B., Faley, F., Galloo, P. en Vanstechel man, R. in de hoedanigheid van plaatsvervangende leden, als verte genwoordigers van verzekeringsinstellingen. Bij hetzelfde besluit, worden benoemd tot leden bij genoemde raad, de dag van deze bekendmaking voor een termijn verstrijkend op 29 september 2010 : 1° Mevr. Ieven, M. en de heer Weekers, F., in de hoedanigheid van werkende leden en de heer De Hert, S., in de hoedanigheid van plaatsvervangend lid, als vertegenwoordigers van faculteiten der geneeskunde van Belgische universiteiten; 2° Mevr. De Temmerman, D., in de hoedanigheid van werkend lid en de dames Bonnewyn, C. en Wyffels, A., in de hoedanigheid van plaatsvervangende leden, als vertegenwoordigsters van verzekering sinstellingen. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [2006/23256] Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. — Algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeits verzekering. — Ontslag en benoeming van een lid Bij koninklijk besluit van 22 november 2006, dat in werking treedt de dag van deze bekendmaking, eervol ontslag uit zijn mandaat bij het Algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor ziekte- en invali diteitsverzekering, wordt verleend aan de heer De Leeuw, R., werkend lid. Bij hetzelfde besluit, wordt benoemd bij voornoemd comité, de heer Van Lancker, E., in de hoedanigheid van werkend lid, als vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van de werk nemers, ter vervanging van de heer De Leeuw, R., wiens mandaat hij zal voleindigen. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2006/23275] 26 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit tot erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Gelet op de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, inzonderheid artikel 3, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990; SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [2006/23240] Institut national d’assurance maladie-invalidité. — Conseil techni que médical, institué auprès du Service des soins de santé. — Renouvellement de mandats et nomination de membres Par arrêté royal du 22 novembre 2006, qui entre en vigueur à partir du 30 septembre 2006, sont renouvelés pour un terme de quatre ans, en qualité de membres du Conseil technique médical, institué auprès du Service des soins de santé de l’Institut national d’assurance maladie invalidité, les mandats de : 1° Mme Hut, F. et MM. Bouffioux, Ch., Deprez, P., De Waele, M. et Van Nooten, G., en qualité de membres effectifs et Mmes De Vale riola, D., De Vos, M., Ectors, N. et Latinne, D. et MM. Gillet, P. et Van den Brande, P., en qualité de membres suppléants, au titre de représentants de facultés de médecine des universités de Belgique; 2° Mmes Duyck, M.; Feron, D. et Zamurovic, D. et MM. Devillers, J., Hanon, A., Van den Oever, R., Van Houte, Y. et Willems, J., en qualité de membres effectifs et Mme Goovaerts, C. et MM. Boly, J., Cools, L., Debbaut, B., Falez, F., Galloo, P. et Vanstechelman, R., en qualité de membres suppléants, au titre de représentants d’organismes assureurs. Par le même arrêté, sont nommés membres dudit Conseil, le jour de la présente publication pour un terme expirant le 29 septembre 2010 : 1° Mme Ieven, M. et M. Weekers, F., en qualité de membres effectifs et M. De Hert, S., en qualité de membre suppléant, au titre de représentants de facultés de médecine des universités de Belgique; 2° Mme De Temmerman, D., en qualité de membre effectif et Mmes Bonnewyn, C. et Wyffels, A., en qualité de membres suppléants, au titre de représentantes d’organismes assureurs. SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [2006/23256] Institut national d’assurance maladie-invalidité. — Comité général de gestion de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité. — Démission et nomination d’un membre Par arrêté royal du 22 novembre 2006, qui entre en vigueur le jour de la présente publication, démission honorable de son mandat au Comité général de gestion de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité, est accordée à M. De Leeuw, R., membre effectif. Par le même arrêté, est nommé audit Comité, M. Van Lancker, E., en qualité de membre effectif, au titre de représentant d’une organisation représentative de l’ensemble des travailleurs salariés, en remplacement de M. De Leeuw, R., dont il achèvera le mandat. SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2006/23275] 26 NOVEMBRE 2006. — Arrêté ministériel agréant des associations de lutte contre les maladies des animaux Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, Vu la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, notamment l’article 3, modifié par la loi du 29 décembre 1990; 68519BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 2006 houdende voorwaarden voor de erkenning van de verenigingen voor de bestrij ding van dierenziekten en het hun toevertrouwen van taken die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, inzonderheid artikel 2, Besluit : Enig artikel. Worden erkend als vereniging voor de bestrijding van dierenziekten, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 november 2006 houdende voorwaarden voor de erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten en het hun toevertrouwen van taken die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren : 1. de vereniging «Dierengezondheidszorg Vlaanderen», afgekort « DGZ Vlaanderen », met zetel te 9031 Drongen, Deinse Horsweg 1; 2. de vereniging « Association régionale de Santé et d’Identification animales », afgekort « ARSIA », met zetel te 5590 Ciney, allée des Artisans 2. Brussel, 26 november 2006. R. DEMOTTE * FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE [C − 2006/09978] Rechterlijke Orde Bij koninklijk besluit van 23 november 2006 is benoemd tot adjunct griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, Mevr. Moesen, I., beambte bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Dit besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging. Bij koninklijk besluit van 26 november 2006 is voorlopig benoemd tot referendaris in het ressort van het hof van beroep te Bergen, de heer Dupuis, G., licentiaat in de rechten. Dit besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging. Bij koninklijk besluit van 26 november 2006, benoemd tot griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Bergen, Mevr. Manbré, M.-A., eerstaanwezend adjunct-griffier bij deze rechtbank. Dit besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging, welke niet kan geschieden vóór 1 januari 2007. Bij koninklijk besluit van 26 november 2006 is benoemd tot griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Bergen, de heer Mercier, P., eerstaanwezend adjunct-griffier bij deze rechtbank. Dit besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging. Bij koninklijk besluit van 26 november 2006, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2006, is benoemd tot eerstaanwezend adjunct griffier bij de rechtbank van koophandel te Brugge, Mevr. Neels, Tina, adjunct-griffier bij deze rechtbank. Bij koninklijk besluit van 23 november 2006 is benoemd tot secretaris bij het parket van het hof van beroep te Luik, Mevr. Vanoirbeck, N., eerstaanwezend adjunct-secretaris bij dit parket. Dit besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging. Vu l’arrêté royal du 26 novembre 2006 fixant les conditions d’agré ment des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence, notamment l’article 2, Arrête : Article unique. Sont agréées comme associations de lutte contre les maladies des animaux, conformément à l’article 2 de l’arrêté royal du 26 novembre 2006 fixant les conditions d’agrément des associations de lutte contre les maladies des animaux et leur confiant des tâches relevant de la compétence de l’Agence : 1. l’association « Dierengezondheidszorg Vlaanderen », en abrégé « DGZ Vlaanderen », ayant son siège à 9031 Drongen, Deinse Hor sweg 1; 2. l’association « Association régionale de Santé et d’Identification animales », en abrégé : « ARSIA », ayant son siège à 5590 Ciney, allée des Artisans 2. Bruxelles, le 26 novembre 2006. R. DEMOTTE SERVICE PUBLIC FEDERAL JUSTICE [C − 2006/09978] Ordre judiciaire Par arrêté royal du 23 novembre 2006, est nommée greffier adjoint au tribunal de première instance d’Hasselt, Mme Moesen, I., employée au greffe du tribunal de première instance d’Hasselt. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de la prestation de serment. Par arrêté royal du 26 novembre 2006, est nommé référendaire à titre provisoire dans le ressort de la cour d’appel de Mons, M. Dupuis, G., licencié en droit. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de la prestation de serment. Par arrêté royal du 26 novembre 2006, est nommée greffier au tribunal de première instance de Mons, Mme Manbré, M.-A., greffier adjoint principal à ce tribunal. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de la prestation de serment, laquelle ne peut avoir lieu avant le 1er janvier 2007. Par arrêté royal du 26 novembre 2006, est nommé greffier au tribunal de première instance de Mons, M. Mercier, P., greffier adjoint principal à ce tribunal. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de la prestation de serment. Par arrêté royal du 26 novembre 2006, produisant ses effets le 1er novembre 2006, est nommée greffier adjoint principal au tribunal de commerce de Bruges, Mme Neels, Tina, greffier adjoint à ce tribunal. Par arrêté royal du 23 novembre 2006, est nommée secrétaire au parquet de la cour d’appel de Liège, Mme Vanoirbeck, N., secrétaire adjoint principal à ce parquet. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de la prestation de serment. 68520 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij ministerieel besluit van 26 november 2006 is de heer Dupuis, G., referendaris in het ressort van het hof van beroep te Bergen, aangewe zen om zijn functies uit te oefenen bij dit hof. Bij koninklijk besluit van 26 november 2006 is aangewezen tot griffier-hoofd van dienst bij de rechtbank van koophandel te Dender monde, voor een nieuwe termijn van drie jaar met ingang van 1 januari 2007, Mevr. Borms, C., griffier bij deze rechtbank. Het beroep tot nietigverklaring van de voormelde akten met individuele strekking kan voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht binnen zestig dagen na deze bekendmaking. Het verzoekschrift dient bij ter post aangetekende brief aan de Raad van State (adres : Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel), te worden toegezonden. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE [C − 2006/11511] 14 NOVEMBER 2006. — Koninklijk besluit tot benoeming van de leden van de Nationale Raad voor de Coöperatie ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, inzonderheid op de artikelen 2 en 7; Gelet op de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid; Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1958 tot vaststelling van de modaliteiten inzake voordracht van de vaste en plaatsvervan gende leden van de Nationale Raad voor de Coöperatie, inzonderheid op de artikelen 1 tot 6; Gelet op het koninklijk besluit van 3 februari 2006 tot benoeming van de leden der commissies bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie; Overwegende dat dubbele lijsten van kandidaten aan Onze Minister van Economie werden voorgelegd; Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Worden tot vaste leden van de Nationale Raad voor de Coöperatie benoemd voor een termijn van vier jaar, de hierna vermelde personen : a) op voordracht van de commissie der verbruikscoöperaties : de heer BEDDEGENOOTS Joachim; Mevr. D’HULSTERE Delphine; de heer DE PRINS Frans; Mevr. DE MUYLDER Sarah; Mevr. OTTOY Marijken; b) op voordracht van de commissie der landbouwcoöperaties : de heer DEBERGH Renaat; Mevr. VERTENTEN Christel; de heer VAN KEERBERGHEN Georges; Mevr. LE BORNE Christine; de heer VRANCKEN Pierre; Par arrêté ministériel du 26 novembre 2006, M. Dupuis G., référen daire dans le ressort de la cour d’appel de Mons, est désigné près cette cour en vue d’y exercer ses fonctions. Par arrêté royal du 26 novembre 2006, est désignée greffier-chef de service au tribunal de commerce de Termonde, pour un nouveau terme de trois ans à partir du 1er janvier 2007, Mme Borms, C., greffier à ce tribunal. Le recours en annulation des actes précités à portée individuelle peut être soumis à la section administration du Conseil d’Etat endéans les soixante jours après cette publication. La requête doit être envoyée au Conseil d’Etat (adresse : rue de la Science 33, 1040 Bruxelles), sous pli recommandé à la poste. SERVICE PUBLIC FEDERAL ECONOMIE, P.M.E., CLASSES MOYENNES ET ENERGIE [C − 2006/11511] 14 NOVEMBRE 2006. — Arrêté royal portant nomination de membres du Conseil national de la Coopération ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 20 juillet 1955 portant institution d’un Conseil national de la Coopération, notamment les articles 2 et 7; Vu la loi du 20 juillet 1990 visant à promouvoir la présence équilibrée d’hommes et de femmes dans les organes possédant une compétence d’avis; Vu l’arrêté royal du 8 août 1958 déterminant les modalités de présentation des membres effectifs et suppléants du Conseil national de la Coopération, notamment les articles 1er à 6; Vu l’arrêté royal du 3 février 2006 portant nomination des membres des commissions visées à l’article 2 de la loi du 20 juillet 1955 portant institution d’un Conseil national de la Coopération; Considérant que des listes doubles de candidats ont été présentées à Notre Ministre de l’Economie; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Economie, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Sont nommés membres effectifs du Conseil national de la Coopération pour un délai de quatre ans, les personnes désignées ci-après : a) sur proposition de la commission des coopératives de consomma tion : M. BEDDEGENOOTS Joachim; Mme D’HULSTERE Delphine; M. DEPRINS Frans; Mme DE MUYLDER Sarah; Mme OTTOY Marijken; b) sur proposition de la commission des coopératives agricoles : M. DEBERGH Renaat; Mme VERTENTEN Christel; M. VAN KEERBERGHEN Georges; Mme LE BORNE Christine; M. VRANCKEN Pierre; 68521BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE c) op voordracht van de commissie der productie- en distributie coöperaties : de heer MATTELAER Bruno; de heer FOULON Luc; de heer DE LAET Marc; d) op voordracht van de commissie der dienstencoöperaties : de heer VANHOVE Matthieu; de heer LOOS Frank; de heer FRANÇOIS Luc; de heer VERSELE Luc; Mevr. ’t KINT Dominique. Art. 2. Worden tot plaatsvervangende leden van de Nationale Raad voor de Coöperatie benoemd voor een termijn van vier jaar, de hierna vermelde personen : a) op voordracht van de commissie der verbruikscoöperaties : Mevr. ROBERT Françoise; Mevr. MATHIS Agnès; de heer KUYPS Jan; de heer JANSSENS William; de heer CORNELY Marc-Henri; b) op voordracht van de commissie der landbouwcoöperaties : de heer VEYS Guido; de heer BAGUETTE Christian; Mevr. DE BECKER Sonja; Mevr. JANSSENS Anne-Sophie; de heer TORFS Koen; c) op voordracht van de commissie der productie- en distributie coöperaties : de heer ERNENS Eugène; de heer COENE Frank; Mevr. WICKLER Christiane; d) op voordracht van de commissie der dienstencoöperaties : Mevr. MATHIEU Christine; Mevr. BORMS Maria; de heer BUDD Erik; Mevr. MANNES Martine; de heer MATERNE Michel. Art. 3. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 4. Onze Minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 14 november 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, M. VERWILGHEN c) sur proposition de la commission des coopératives de production et de distribution : M. MATTELAER Bruno; M. FOULON Luc; M. DE LAET Marc; d) sur proposition de la commission des coopératives de services : M. VANHOVE Matthieu; M. LOOS Frank; M. FRANÇOIS Luc; M. VERSELE Luc; Mme ’t KINT Dominique. Art. 2. Sont nommés membres suppléants du Conseil national de la Coopération pour un délai de quatre ans, les personnes désignées ci-après : a) sur proposition de la commission des coopératives de consomma tion : Mme ROBERT Françoise; Mme MATHIS Agnès; M. KUYPS Jan; M. JANSSENS William; M. CORNELY Marc-Henri; b) sur proposition de la commission des coopératives agricoles : M. VEYS Guido; M. BAGUETTE Christian; Mme DE BECKER Sonja; Mme JANSSENS Anne-Sophie; M. TORFS Koen; c) sur proposition de la commission des coopératives de production et de distribution : M. ERNENS Eugène; M. COENE Frank; Mme WICKLER Christiane; d) sur proposition de la commission des coopératives de services : Mme MATHIEU Christine; Mme BORMS Maria; M. BUDD Erik; Mme MANNES Martine; M. MATERNE Michel. Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur Belge. Art. 4. Notre Ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 14 novembre 2006. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Economie, M. VERWILGHEN 68522 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN VLAAMSE GEMEENSCHAP — COMMUNAUTE FLAMANDE VLAAMSE OVERHEID [2006/36928] Vervanging van een lid van de Praktijkcommissie van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming Syntra Vlaanderen Bij besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 wordt het volgende bepaald : Artikel 1. Aan Mevr. Kelly Linsen, wordt eervol ontslag verleend als lid van de Praktijkcommissie van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming — Syntra Vlaanderen. Art. 2. Mevr. Goele Kerckhofs, wordt benoemd als lid van de Praktijkcommissie van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming — Syntra Vlaanderen als vertegenwoordiger van de representatieve middenstands-, zelfstandigen en werkgeversorganisaties, ter vervanging van Mevr. Kelly Linsen, wier mandaat zij zal beëindigen. Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 november 2006. Art. 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Beroepsomscholing en Bijscholing, is belast met de uitvoering van dit besluit. * VLAAMSE OVERHEID [2006/36959] Provincie Vlaams-Brabant. — Ruimtelijke ordening. — Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan TIENEN. — Bij besluit van 9 november 2006 heeft de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Tienen, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 7 september 2006, bestaande uit een informatief, een richtinggevend en een bindend gedeelte, goedgekeurd. De vooropgestelde planningsprocessen en inhoudelijke opties genomen in het gemeentelijk ruimtelijk structuur plan Tienen die raken aan planningsopdrachten en inhoudelijke concepten van het ruimtelijk beleid van de Vlaamse en provinciale overheid moeten worden opgevat als suggesties aan de bevoegde beleidsniveaus. * VLAAMSE OVERHEID Cultuur, Jeugd, Sport en Media [C − 2006/36938] 28 NOVEMBER 2006. — Ministerieel besluit houdende de tijdelijke erkenning van de procedure van monsterneming voor dopingcontrole van de Europese Atletiek Associatie (E.A.A.) en de « International Association of Athletics Federations (I.A.A.F.) » in het kader van de medisch verantwoorde sportbeoefening De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, Gelet op het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, gewijzigd bij de decreten van 20 december 1996 en 19 maart 2004; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, inzonderheid op artikel 54; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2004, 23 december 2005, 19 mei 2006 en 30 juni 2006; Overwegende dat gelet op de aanvraag en op de voormelde wetgeving en reglementering de tijdelijke erkenning kan worden toegestaan op voorwaarde van inachtneming van een aantal procedurevoorschriften conform de voormelde wetgeving en reglementering, Besluit : Artikel 1. De procedure voor dopingcontrole, uitgevoerd overeenkomstig de reglementering van de E.A.A. en de I.A.A.F., wordt erkend als gelijkwaardig met de bepalingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, mits inachtname van de procedurevoorschriften vermeld in artikel 2. De lijst van de internationale atletiekevenementen waarbij dopingcontroles worden bevolen door de E.A.A. en de I.A.A.F. is opgenomen als bijlage bij dit besluit. 68523BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Art. 2. § 1. De dopingcontrole moet worden uitgevoerd door een controlearts die erkend is door de Vlaamse minister, bevoegd voor de medisch verantwoorde sportbeoefening. § 2. Een kopie van elk proces-verbaal van monsterneming, met vermelding van de gebruikte codes, moet onmiddellijk na de meeting, gestuurd worden naar het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media. § 3. Een kopie van elk analyseverslag van het erkende laboratorium moet binnen acht dagen na de opmaak van het analyseverslag gestuurd worden naar het Vlaams ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media. Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2006. Brussel, 28 november 2006. B. ANCIAUX Antidopingcontroles 2006-2007 Lijst controles volgens procedure van monsterneming E.A.A. en I.A.A.F. 26 november 2006 Lotto Crosscup van West-Vlaanderen EAA permitmeeting Schierveldestation in Roeselare 4 februari 2007 Flanders Indoor Gent Topsporthal Vlaanderen BLOSO, Zuiderlaan in Gent COMMUNAUTE FRANÇAISE — FRANSE GEMEENSCHAP MINISTERE DE LA COMMUNAUTE FRANÇAISE [2006/203918] 20 OCTOBRE 2006. — Arrêté du Gouvernement de la Communauté française fixant la composition de la délégation de l’autorité au sein du Comité de concertation créé entre le Gouvernement de la Communauté française et les organes de représentation et de coordination des pouvoirs organisateurs de l’enseignement et des Centres PMS subventionnés reconnus par le Gouvernement Le Gouvernement de la Communauté française, Vu le décret du 20 juillet 2006 relatif à la concertation des organes de représentation et de coordination des Pouvoirs organisateurs de l’enseignement et des Centres P.M.S. subventionnés; Sur la proposition de la Ministre-Présidente chargée de l’Enseignement obligatoire et de Promotion sociale et de la Ministre de l’Enseignement supérieur, de la Recherche scientifique et des Relations internationales; Vu la délibération du Gouvernement de la Communauté française du 20 octobre 2006, Arrête : Article 1er : La délégation de l’autorité au sein du Comité de concertation est composée comme suit : Membres effectifs : Mme Lisa SALOMONOWICZ, présidente; M. Roger GODET, vice-président; M. Arthur BELLEFLAMME; M. André NERVENNE Membres suppléants : Mme Delphine POUPE; M. Patrick BEAUFORT; M. Baudouin MILIS; M. Philippe Di NUNZIO Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa signature. Art. 3. La Ministre-Présidente chargée de l’Enseignement obligatoire et de Promotion sociale est chargée de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 20 octobre 2006. Pour le Gouvernement de la Communauté française : La Ministre-Présidente chargée de l’Enseignement obligatoire et de Promotion sociale, Mme M. ARENA La Ministre de l’Enseignement supérieur, de la Recherche scientifique et des Relations internationales, Mme M.-D. SIMONET 68524 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE VERTALING MINISTERIE VAN DE FRANSE GEMEENSCHAP [2006/203918] 20 OKTOBER 2006. — Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de samenstelling van de delegatie van de overheid in het comité voor het overleg tussen de Regering van de Franse Gemeenschap en de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS-centra die erkend worden door de Regering De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op het decreet van 20 juli 2006 betreffende het overleg van de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de Inrichtende Machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS.-centra Op de voordracht van de Minister-Presidente belast met het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale Promotie en van de Minister van Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek; Gelet op de beraadslaging van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 oktober 2006, Besluit : Artikel 1. De delegatie van de overheid in het comité voor het overleg is samengesteld zoals volgt : Werkende leden : Mevr. Lisa SALOMONOWICZ, voorzitster; De heer Roger GODET, ondervoorzitter; De heer Arthur BELLEFLAMME; De heer André NERVENNE Plaatsvervangende leden : Mevr. Delphine POUPE; De heer Patrick BEAUFORT; De heer Baudouin MILIS; De heer Philippe Di NUNZIO Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het werd ondertekend. Art. 3. De Minister belast met het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale Promotie is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 20 oktober 2006. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Presidente, belast met het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale Promotie, Mevr. M. ARENA De Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST MINISTERE WALLON DE L’EQUIPEMENT ET DES TRANSPORTS [2006/203913] 14 NOVEMBRE 2006. Arrêté ministériel relatif à l’expropriation de biens et immeubles à Comines-Warneton Le Ministre du Budget, des Finances, de l’Equipement et du Patrimoine, Vu la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980, modifiée par les lois du 8 août 1988, du 5 mai 1993 et du 16 juillet 1993, notamment l’article 6, § 1er, X, 1o; Vu la loi du 26 juillet 1962 relative à la procédure d’extrême urgence en matière d’expropriation pour cause d’utilité publique, notamment l’article 5; Vu le décret du 6 mai 1988 relatif aux expropriations pour cause d’utilité publiques poursuivies ou autorisées par l’Exécutif régional wallon; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 6 octobre 2005 fixant la répartition des compétences entre les Ministres et réglant la signature des actes du Gouvernement, notamment l’article 4; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 26 août 2004 portant règlement du fonctionnement du Gouvernement, tel que modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 16 septembre 2004 et du 15 avril 2005, notamment l’article 22; Vu la loi du 17 juin 1983, portant approbation de la Convention entre le Royaume de Belgique et la République française au sujet de l’amélioration de la Lys mitoyenne entre Deulemont et Menin et ses annexes, signées à Bruxelles le 3 février 1983; Considérant qu’il est d’utilité publique de moderniser la Lys mitoyenne en élargissant et l’approfondissant afin de l’adapter à la navigation de bateaux d’un tonnage de 1 350 tonnes et de faciliter l’évacuation des eaux de crues; Considérant qu’il est d’utilité publique de créer sur la rive belge une route à deux voies destinées à contourner le centre-ville de Comines pour relier la France à la RN 515; 68525BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Considérant qu’il est indispensable de créer un terrain de dépôt pour recueillir les déblais nécessaires pour creuser la nouvelle cuvette de la rivière; Considérant que ce terrain sera, in fine, réaménagé en zone de parc de loisirs; Considérant que l’expropriation est réalisée pour cause d’utilité publique, Arrête : Article 1er. Il est indispensable, pour cause d’utilité publique, de prendre immédiatement possession des biens et immeubles, figuré(s) sous teinte jaune au plan n° 222/579 ci-annexé, visé par le Ministre du Budget, des Finances, de l’Equipement et du Patrimoine et complémentaire au plan n° A4-1625 annexé à l’arrêté royal du 7 janvier 1989. Art. 2. En conséquence, l’expropriation sera poursuivie conformément aux dispositions reprises à l’article 5 de la loi du 26 juillet 1962. Art. 3. Le plan n° 222/579 peut être consulté auprès de la Direction des Voies hydrauliques de Tournai, rue de l’Hôpital Notre-Dame 2, à 7500 Tournai. Namur, le 14 novembre 2006. M. DAERDEN VERTALING WAALS MINISTERIE VAN UITRUSTING EN VERVOER [2006/203913] 14 NOVEMBER 2006. Ministerieel besluit tot onteigening van goederen en onroerende goederen in Komen-Waasten De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 5 mei 1993 en 16 juli 1993, inzonderheid op artikel 6, § 1, X, 1o; Gelet op de wet van 26 juli 1962 betreffende de spoedprocedure met betrekking tot de onteigening voor algemeen nut, inzonderheid op artikel 5; Gelet op het decreet van 6 mei 1988 betreffende de onteigeningen voor openbaar nut vervolgd of toegelaten door de Waalse Gewestexecutieve; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 6 oktober 2005 tot vaststelling van de verdeling van de ministeriële bevoegdheden en tot regeling van de ondertekening van haar akten, inzonderheid op artikel 4; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 26 augustus 2004 tot regeling van de werking van de Regering, zoals gewijzigd bij de besluiten van 16 september 2004 en 15 april 2005, inzonderheid op artikel 22; Gelet op de wet van 17 juni 1983 houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Franse Republiek betreffende de verbetering van de Grensleie tussen Deulemont en Menen, en van de Bijlagen, ondertekend te Brussel op 3 februari 1983; Overwegende dat het van openbaar nut is de Grensleie te moderniseren door ze uit te breiden en dieper te maken om ze aan te passen aan het scheepsverkeer van schepen met een tonnage van 1 350 ton en om de lozing van hoogwater te vergemakkelijken; Overwegende dat het van openbaar nut is een tweestrooksweg op de Belgische oever aan te leggen om het stadscentrum van Komen heen te rijden teneinde Frankrijk te verbinden met RN515; Overwegende dat het onontbeerlijk is een opslagterrein aan te leggen om het puin afkomstig van de nieuwe molgoot van de rivier op te slagen; Overwegende dat dit terrein in fine heringericht zal worden als recreatiegebied; Overwegende dat de onteigening ten algemenen nutte wordt verricht, Besluit : Artikel 1. Het algemeen nut vordert de onmiddellijke inbezitneming van de goederen en onroerende goederen geel ingekleurd op het bijgaande plan nr. 222.579, getekend door de Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium en aanvullend bij het bij het koninklijk besluit van 7 januari 1989 gevoegde plan A4-1625. Art. 2. Bijgevolg wordt de onteigening voortgezet overeenkomstig de bepalingen van het artikel 5 van de wet van 26 juli 1962. Art. 3. Het plan nr. 222/579 ligt ter inzage bij de Waterwegendirectie van Doornik, rue de l’Hôpital Notre-Dame 2, te 7500 Doornik. Namen, 14 november 2006. M. DAERDEN 68526 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST — REGION DE BRUXELLES-CAPITALE MINISTERIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST [S − C − 2006/31556] Privétewerkstellingsagentschap. — Erkenningen Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, MEZQUITA & ASSOCIATES SPRL, boulevard Lambermont 418, 1030 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.041. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, PAGE INTERIM NV, Louizalaan 222, 1050 Brussel, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie; Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenningen worden toegekend voor een duur van 4 jaar en dragen het uniek identificatienummer nr. B-AA05.042. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, PDP BVBA, Drukpersstraat 4, 1000 Brussel, België, erkend als privé tewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activi teit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.043. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, PHARMA SEARCH NV, Serenadestraat 33, 1080 Brussel, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de vol gende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.044. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, ROBERT WALTERS SA, avenue Louise 149, bus 33, 1050 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.045. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, TMC INTERNATIONAL SPRL, avenue Guillaume Gilbert 63, 1050 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.046. MINISTERE DE LA REGION DE BRUXELLES-CAPITALE [S − C − 2006/31556] Agence d’emploi privée. — Agréments Par arrété du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, MEZQUITA & ASSOCIATES SPRL, boulevard Lamber mont 418, 1030 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.041. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, PAGE INTERIM NV, Louizalaan 222, 1050 Brussel, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice des activités suivantes dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection; Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Les présents agréments sont accordés pour une durée de 4 ans et portent le numéro d’identification unique n° B-AA05.042. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, PDP BVBA, Drukpersstraat 4, 1000 Brussel, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.043. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, PHARMA SEARCH NV, Serenadestraat 33, 1080 Brussel, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.044. Par arrété du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, ROBERT WALTERS SA, avenue Louise 149, bte 33, 1050 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.045. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, TMC INTERNATIONAL SPRL, avenue Guillaume Gilbert 63, 1050 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.046. 68527BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, VIVALDI’S INTERIM NV, Sint-Jacobsmarkt 92-94, 2000 Antwerpen, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten; Werving en selectie. Deze erkenningen worden toegekend voor een duur van 4 jaar en dragen het uniek identificatienummer nr. B-AA05.047. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, ATOLL INTERIM NV, square Marie Curie 50, bus 2, 1070 Brussel, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.048. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, PROCAREER SOLUTIONS BVBA, avenue de Tervuren 8, 1040 Brussel, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.049. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, REFLEX INTERIM SA, avenue De Fré 82, 1180 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de vol gende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.050. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, HUMAN RESOURCES DEVELOPMENT INTERENTREPRISES (HRD) SPRL, avenue Bois du Dimanche 23, 1150 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.051. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 april 2005, INTER OFFICE SELECT NV, Budastraat 2, 8500 Kortrijk, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de vol gende activiteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Outplacement; Bemiddeling van kunstenaars; Bemiddeling van betaalde sportbeoefenaars; Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten; Werving en selectie; Terbeschikkingstelling van interim-kunstenaars. Deze erkenningen worden toegekend voor een duur van 4 jaar en dragen het uniek identificatienummer nr. B-AA05.052. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, VIVALDI’S INTERIM NV, Sint-Jacobsmarkt 92-94, 2000 Antwerpen, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice des activités suivantes dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires; Recrutement et sélection. Les présents agréments sont accordés pour une durée de 4 ans et portent le numéro d’identification unique n° B-AA05.047. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, ATOLL INTERIM NV, square Marie Curie 50, bte 2, 1070 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.048. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, PROCAREER SOLUTIONS BVBA, avenue de Tervuren 8, 1040 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n ° B-AA05. 049. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, REFLEX INTERIM SA, avenue De Fré 82, 1180 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.050. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, HUMAN RESOURCES DEVELOPMENT INTERENTRE PRISES (HRD) SPRL, avenue Bois du Dimanche 23, 1150 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de BruxellesCapitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.051. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 avril 2005, INTER OFFICE SELECT NV, Budastraat 2, 8500 Kortrijk, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice des activités suivantes dans la Région de Bruxelles-Capitale : Outplacement; Placement d’artistes; Placement de sportifs rémunérés; Mise à disposition de travailleurs intérimaires; Recrutement et sélection; Mise à disposition d’artistes intérimaires. Les présents agréments sont accordés pour une durée de 4 ans et portent le numéro d’identification unique n° B-AA05.052. 68528 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, ARTEMIS NETWORK RECRUITMENT SOLUTIONS SA, avenue Louise 475, bus 2, 1000 Bruxelles, België, erkend als privé tewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activi teiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie; Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenningen worden toegekend voor een duur van 4 jaar en dragen het uniek identificatienummer nr. B-AA05.053. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, ASSIST INTERIM SA, rue Emile Claus 63, 1180 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.054. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, BUSSINESS INTERIM KANTOOR (BIK) NV, Grote Baan 58, 3530 Hout halen, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.055. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, EBBINGE & COMPANY BV, Prins Hendriklaan 27-29, NL-1075 AZ Amsterdam, Nederland, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.056. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, EGON ZEHNDER ASSOCIATES INTERNATIONAL SA, avenue Frank lin Roosevelt 14, 1050 Bruxelles, België, erkend als privé tewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activi teit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Werving en selectie. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.057. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, EXCEL INTERIM SA, avenue Louise 326, bus 49, 1050 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.058. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, EXPECTRA RECRUITMENT NV, Berchemstadionstraat 78, 2600 Ber chem, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Outplacement; Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten; Werving en selectie. Deze erkenningen worden toegekend voor een duur van 4 jaar en dragen het uniek identificatienummer nr. B-AA05.059. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, ARTEMIS NETWORK RECRUITMENT SOLUTIONS SA, avenue Louise 475, bte 2, 1000 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice des activités suivantes dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection; Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Les présents agréments sont accordés pour une durée de 4 ans et portent le numéro d’identification unique n° B-AA05.053. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, ASSIST INTERIM SA, rue Emile Claus 63, 1180 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n ° B-AA05.054. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, BUSSINESS INTERIM KANTOOR (BIK) NV, Grote Baan 58, 3530 Houthalen, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de BruxellesCapitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.055. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005,EBBINGE & COMPANY BV, Prins Hendriklaan 2729, NL-1075 AZ Amsterdam, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.056. Par arrété du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, EGON ZEHNDER ASSOCIATES INTERNATIONAL SA, avenue Franklin Roosevelt 14, 1050 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Recrutement et sélection. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.057. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, EXCEL INTERIM SA, avenue Louise 326, bte 49, 1050 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.058. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, EXPECTRA RECRUITMENT NV, Berchemstadionstraat 78, 2600 Berchem, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice des activités suivantes dans la Région de Bruxelles-Capitale : Outplacement; Mise à disposition de travailleurs intérimaires; Recrutement et sélection. Les présents agréments sont accordés pour une durée de 4 ans et portent le numéro d’identification unique n° B-AA05.059. 68529BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, EXPRESS INTERIM SA, boulevard de France 7, 1420 Braine-l’Alleud, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.060. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, INTERIM PARTNER PRIL, rue de l’Eté 54, 1050 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.062. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, LILIANE WEINSTADT BUREAU DE CONCERTS BVBA, Busleyden laan 59, 1020 Brussel, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Bemiddeling van kunstenaars. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.063. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, MAILPROFS SA, avenue de la Couronne 311, 1050 Bruxelles, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.064. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, MICHAEL PAGE INTERNATIONAL NV, Louizalaan 222, 1050 Brussel, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefening van de volgende activiteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Terbeschikkingstelling van uitzendkrachten; Werving en selectie. Deze erkenningen worden toegekend voor een duur van 4 jaar en dragen het uniek identificatienummer nr. B-AA05.065. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juni 2005, MUCHADA ASBL, avenue Docteur Zamenhof 20, bus 73, 1070 Bruxel les, België, erkend als privétewerkstellingsagentschap voor de uitoefe ning van de volgende activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : Bemiddeling van kunstenaars. Deze erkenning wordt toegekend voor een duur van 4 jaar en draagt het uniek identificatienummer nr. BAA05.066. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, EXPRESS INTERIM SA, boulevard de France 7, 1420 Braine l’Alleud, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.060. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, INTERIM PARTNER SPRL, rue de l’Eté 54, 1050 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.062. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, LILIANE WEINSTADT BUREAU DE CONCERTS BVBA, Busleydenlaan 59, 1020 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Placement d’artistes. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.063. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, MAILPROFS SA, avenue de la Couronne 311, 1050 Bruxel les, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n ° B-AA05.064. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, MICHAEL PAGE INTERNATIONAL NV, Louizalaan 222, 1050 Brussel, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice des activités suivantes dans la Région de Bruxelles-Capitale : Mise à disposition de travailleurs intérimaires; Recrutement et sélection. Les présents agréments sont accordés pour une durée de 4 ans et portent le numéro d’identification unique n° B-AA05.065. Par arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 juin 2005, MUCHADA ASBL, avenue Docteur Zamenhof 20, bte 73, 1070 Bruxelles, est agrée comme agence d’emploi privée pour l’exercice de l’activité suivante dans la Région de Bruxelles-Capitale : Placement d’artistes. Le présent agrément est accordé pour une durée de 4 ans et porte le numéro d’identification unique n° B-AA05.066. 68530 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE OFFICIELE BERICHTEN — AVIS OFFICIELS RAAD VAN STATE [C − 2006/00940] Twee mandaten van Franstalig assessor zijn te begeven bij de afdeling wetgeving van de Raad van State De kandidaten moeten ten minste 37 jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten zijn, een nuttige juridische beroepservaring van ten minste tien jaar kunnen doen gelden en aan een van de volgende voorwaarden voldoen : 1° geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van adjunct-auditeur en adjunct-referendaris bij de Raad van State, het vergelijkend examen van referendaris bij het Arbitragehof, het vergelijkend examen van adjunct-auditeur bij het Rekenhof of het examen inzake beroepsbe kwaamheid bedoeld in artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek; 2° een administratieve functie met minstens rang 15 of een gelijk waardige rang uitoefenen bij een Belgische overheidsdienst of bij een Belgische overheidsinstelling; 3° met goed gevolg een proefschrift tot het verkrijgen van het doctoraat in de rechtsgeleerdheid hebben verdedigd of geaggregeerde zijn voor het hoger onderwijs in de rechten; 4° in België een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van werkend rechter uitoefenen; 5° houder zijn van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit. De kandidaturen, met curriculum vitae, worden bij ter post aange tekende brief toegezonden aan de Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel, ten laatste op 8 januari 2007. Voor nadere inlichtingen kunnen de kandidaten zich wenden tot Mevr. M. de Saint-Georges op het nummer 02-234 96 58 van de Algemene Diensten. * COMMISSIE VOOR HET BANK-, FINANCIE EN ASSURANTIEWEZEN [C − 2006/03551] 20 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen tot wijziging van de lijst van de naamloze vennootschappen en de commanditaire vennootschap pen op aandelen die een openbaar beroep op het spaarwezen doen of gedaan hebben De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, Gelet op het Wetboek van vennootschappen, inzonderheid op artikel 438, derde en vierde lid; Gelet op het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, inzonderheid op de artikelen 194 tot 201; Gelet op de lijst van de vennootschappen die een openbaar beroep op het spaarwezen doen of gedaan hebben, opgemaakt op 24 oktober 2006 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 november 2006, evenals de sedertdien ingetreden wijzigingen, Besluit : Artikel 1. De op 24 oktober 2006 opgemaakte lijst van de naamloze vennootschappen en de commanditaire vennootschappen op aandelen die een openbaar beroep op het spaarwezen doen of gedaan hebben, wordt als volgt gewijzigd : In de rubriek ″Vennootschappen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten″ CONSEIL D’ETAT [C − 2006/00940] Deux mandats d’assesseur d’expression française sont à conférer au Conseil d’Etat, auprès de la section de législation Les candidats doivent être âgés d’au moins trente-sept ans, être docteurs ou licenciés en droit, justifier d’une expérience professionnelle utile de nature juridique de dix ans au moins et satisfaire à l’une des conditions suivantes : 1° avoir réussi le concours d’auditeur adjoint et de référendaire adjoint au Conseil d’Etat, le concours de référendaire à la Cour d’arbitrage, le concours d’auditeur adjoint à la Cour des comptes ou l’examen d’aptitude professionnelle prévu par l’article 259bis du Code judiciaire; 2° exercer une fonction administrative du rang 15 au moins ou équivalent dans une administration publique belge soit dans un organisme public belge; 3° avoir présenté avec succès une thèse de doctorat en droit ou être agrégé de l’enseignement supérieur en droit; 4° exercer, en Belgique, des fonctions de magistrat du ministère public ou de juge effectif; 5° être titulaire d’une charge d’enseignement du droit dans une université belge. Les candidatures, accompagnées d’un curriculum vitae, doivent être envoyées, sous pli recommandé à la poste, au Premier Président du Conseil d’Etat, rue de la Science 33, à 1040 Bruxelles, au plus tard le 8 janvier 2007. Toute autre information utile peut être obtenue auprès de Mme M. de Saint-Georges - Services généraux (tél. : 02-234 96 58). COMMISSION BANCAIRE, FINANCIERE ET DES ASSURANCES [C − 2006/03551] 20 NOVEMBRE 2006. — Arrêté de la Commission bancaire, finan cière et des Assurances modifiant la liste des sociétés anonymes et des sociétés en commandite par actions faisant ou ayant fait publiquement appel à l’épargne La Commission bancaire, financière et des Assurances, Vu le Code des sociétés, notamment l’article 438, alinéas 3 et 4; Vu l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, notamment les articles 194 à 201; Vu la liste des sociétés faisant ou ayant fait publiquement appel à l’épargne arrêtée au 24 octobre 2006, publiée au Moniteur belge le 22 novembre 2006, et les modifications intervenues depuis cette date, Arrête : Article 1er. Les modifications suivantes sont apportées à la liste au 24 octobre 2006 des sociétés anonymes et des sociétés en commandite par actions faisant ou ayant fait publiquement appel à l’épargne : A la rubrique ″Sociétés dont les titres sont admis aux négociations sur un marché réglementé au sens de l’article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers″ 68531BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Inschrijving van : B-ARENA, naamloze vennootschap, Terkamerenlaan 74, 1000 Brussel B-TRA 2006-I, naamloze vennootschap, Koningsstraat 97, 1000 Brussel. Brussel, 20 november 2006. De Voorzitter, E. WYMEERSCH. * COMMISSIE VOOR HET BANK-, FINANCIE EN ASSURANTIEWEZEN [C − 2006/03574] 28 NOVEMBER 2006. — Besluit van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen tot wijziging van de lijst van beleggingsondernemingen waaraan in België een vergunning is verleend Het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie en Assurantiewezen, Gelet op artikel 53 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs krachtens hetwelk de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen de lijst opmaakt van de beleggings ondernemingen waaraan in België een vergunning is verleend; Gelet op de lijst van de beleggingsondernemingen met vergunning in België, opgemaakt op 31 december 2005, evenals de sedertdien ingetreden wijzigingen; Overwegende dat de beursvennootschap F. Delcour, A. Van Craye beck et E. Ernould BVBA, rue de Bex 11, 4000 Luik, zal worden overgenomen door de beursvennootschap Van Moer Santerre et Cie NV, Vorstlaan 100, 1170 Brussel, en dit met boekhoudkundige werking op 1 oktober 2006; Overwegende dat het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen overeenkomstig artikel 73 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, haar toestemming heeft verleend voor deze verrichting en haar toestemming heeft bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, Besluit : De op 31 december 2005 opgemaakte lijst van de beleggingsonder nemingen waaraan in België een vergunning is verleend, wordt gewijzigd, met uitwerking op 19 december 2006, door de weglating, in de rubriek « Beursvennootschappen », van de beursvennootschap F. Delcour, A. Van Crayebeck et E. Ernould BVBA, rue de Bex 11, 4000 Luik. Brussel, 28 november 2006. De Voorzitter, E. WYMEERSCH * COMMISSIE VOOR HET BANK-, FINANCIE EN ASSURANTIEWEZEN [C − 2006/03573] Toestemming voor de fusie tussen twee beleggingsondernemingen (artikelen 73 en 74 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemidde laars en beleggingsadviseurs) Overeenkomstig artikel 73 van de wet van 6 april 1995, heeft het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assu rantiewezen haar toestemming verleend voor de fusie door overne ming, met boekhoudkundige werking op 1 oktober 2006, van de beursvennootschap F. Delcour, A Van Crayebeck et E. Ernould BVBA, rue de Bex 11, 4000 Luik, door de beursvennootschap Van Moer Santerre et Cie NV, Vorstlaan 100, 1170 Brussel. Inscription de : B-ARENA, société anonyme, boulevard de la Cambre 74, 1000 Bruxelles B-TRA 2006-I, société anonyme, rue Royale 97, 1000 Bruxelles. Bruxelles, le 20 novembre 2006. Le Président, E. WYMEERSCH. COMMISSION BANCAIRE, FINANCIERE ET DES ASSURANCES [C − 2006/03574] 28 NOVEMBRE 2006. — Arrêté de la Commission bancaire, finan cière et des Assurances modifiant la liste des entreprises d’inves tissement agréées en Belgique Le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances, Vu l’article 53 de la loi du 6 avril 1995 relative au statut des entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements en vertu duquel le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances établit la liste des entreprises d’investissement agréées en Belgique; Vu la liste des entreprises d’investissement agréées en Belgique, arrêtée au 31 décembre 2005, et les modifications intervenues depuis cette date; Considérant que la société de bourse F. Delcour, A. Van Crayebeck et E. Ernould SPRL, rue de Bex 11, 4000 Liège, va être absorbée par la société de bourse Van Moer Santerre et Cie SA, boulevard du Souverain 100, 1170 Bruxelles, et ce avec effet comptable au 1er octo bre 2006; Considérant que le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances a autorisé cette opération conformément à l’article 73 de la loi du 6 avril 1995 et qu’elle a publié son autorisation au Moniteur belge, Arrête : La liste des entreprises d’investissement agréées en Belgique, arrêtée au 31 décembre 2005, est modifiée sous le titre « Entreprises d’investis sement de droit belge » à la rubrique « Sociétés de bourse » par la radiation, avec effet au 19 décembre 2006, de la société de bourse F. Delcour, A. Van Crayebeck et E. Ernould SPRL, rue de Bex 11, 4000 Liège. Bruxelles, le 28 novembre 2006. Le Président, E. WYMEERSCH COMMISSION BANCAIRE, FINANCIERE ET DES ASSURANCES [C − 2006/03573] Autorisation de fusion entre deux entreprises d’investissement (articles 73 et 74 de la loi du 6 avril 1995 relative au statut des entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements) Conformément à l’article 73 de la loi du 6 avril 1995, le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances a autorisé la fusion par absorption, avec effet comptable au 1er octo bre 2006, de la société de bourse F. Delcour, A. Van Crayebeck et E. Ernould SPRL, rue de Bex 11, 4000 Liège, par la société de bourse Van Moer Santerre et Cie SA, boulevard du Souverain 100, 1170 Bruxelles. 68532 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Krachtens artikel 74 van de wet van 6 april 1995 is iedere overdracht tussen beleggingsondernemingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, van rechten en verplichtingen die voortkomen uit verrichtingen van de betrokken instellingen of ondernemingen, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 73 van de wet van 6 april 1995, aan derden tegenstelbaar zodra de toestemming van het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Brussel, 28 november 2006. De Voorzitter, E. WYMEERSCH * COMMISSIE VOOR HET BANK-, FINANCIE EN ASSURANTIEWEZEN [C − 2006/03566] Einde van het mandaat van een speciale commissaris en een plaatsvervangende speciale commissaris aangesteld door het Direc tiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assuran tiewezen met toepassing van artikel 104, § 1, 1°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadvi seurs Overeenkomstig artikel 104, § 1, 1°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, heeft het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, tijdens de zitting van 14 november 2006, de heren Xavier Doyen, Gachard straat 88, bus 13, te 1050 Brussel, en Dirk Smets, Gachardstraat 88, bus 16, te 1050 Brussel, aangesteld als respectievelijk speciale commis saris en plaatsvervangende speciale commissaris van Mélice & Cie NV, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Grasmarkt 105 (bus 8), vennootschap waarvan het Directiecomité de vergunning als beursven nootschap heeft herroepen. Deze beslissing is in werking getreden op de datum van kennisgeving van deze herroeping aan de vennootschap Mélice & Cie NV, zijnde 16 november 2006. Overeenkomstig artikel 104, § 1, 1°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, is deze aanstelling openbaar gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Tijdens de zitting van 28 november 2006 heeft het Directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen een einde gesteld aan het mandaat van de heren Xavier Doyen, en Dirk Smets, als respectievelijk speciale commissaris en plaatsvervangende speciale commissaris van Mélice & Cie NV. Deze beslissing is in werking getreden op het ogenblik van het in functie treden van de heer Alain Goldschmidt, als voorlopig bestuurder van Mélice & Cie NV. Brussel, 28 november 2006. De Voorzitter, E. WYMEERSCH. * RECHTERLIJKE MACHT [C − 2006/09984] Rechtbank van eerste aanleg te Luik De aanwijzing van de heer Brasseur, F., rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Luik, tot ondervoorzitter in deze rechtbank, is hernieuwd voor een termijn van drie jaar met ingang van 28 juni 2006. Aux termes de l’article 74 de la loi du 6 avril 1995, toute cession entre entreprises d’investissement ou entre de telles entreprises et d’autres institutions financières des droits et obligations résultant des opérations des sociétés ou entreprises concernées et autorisés conformément à l’article 73 de la loi du 6 avril 1995 est opposable aux tiers dès la publication au Moniteur belge de l’autorisation du Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances. Bruxelles, le 28 novembre 2006. Le Président, E. WYMEERSCH COMMISSION BANCAIRE, FINANCIERE ET DES ASSURANCES [C − 2006/03566] Fin du mandat d’un commissaire spécial et d’un commissaire spécial suppléant désignés par le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances en application de l’arti cle 104, § 1er, 1°, de la loi du 6 avril 1995 relative aux entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements Conformément à l’article 104, § 1er, 1°, de la loi du 6 avril 1995 relative aux entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements, le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances a, en sa séance du 14 novem bre 2006, désigné, MM. Xavier Doyen, rue Gachard 88, bte 13, à 1050 Bruxelles, et Dirk Smets, rue Gachard 88, bte 16, à 1050 Bruxelles, comme, respectivement, commissaire spécial et commissaire spécial suppléant de Mélice & Cie SA, rue du Marché aux Herbes 105 (boîte 8), à 1000 Bruxelles, société dont le Comité de direction a révoqué l’agrément comme société de bourse. Cette décision a pris effet à la date de la notification de cette révocation à la société Mélice & Cie SA, soit le 16 novembre 2006. Conformément à l’article 104, § 1er, 1°, de la loi du 6 avril 1995 relative aux entreprises d’investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements, cette désignation a été publiée au Moniteur belge. En sa séance du 28 novembre 2006, le Comité de direction de la Commission bancaire, financière et des Assurances a mis fin au mandat de MM. Xavier Doyen, et Dirk Smets, comme, respectivement, commis saire spécial et commissaire spécial suppléant de Mélice & Cie SA Cette décision a pris effet lors de l’entrée en fonction de M. Alain Goldschmidt, comme administrateur provisoire de la SA Mélice & Cie. Bruxelles, le 28 novembre 2006. Le Président, E. WYMEERSCH. POUVOIR JUDICIAIRE [C − 2006/09984] Tribunal de première instance de Liège La désignation de M. Brasseur, F., juge au tribunal de première instance de Liège, comme vice-président à ce tribunal, est renouvelée pour une période de trois ans prenant cours le 28 juin 2006. 68533BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08030] Selectie van de voorzitter (m/v) van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Budget & Beheerscontrole (ANG06722) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrijvingsdatum dienen de kandidaten : houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A; en over een managementervaring van minstens zes jaar te beschikken of minimaal tien jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. De jaren gepresteerd als titularis van een graad van rang 13 (of in vakklasse A3) worden in aanmerking genomen voor de berekening van de 6 jaar managementervaring. Onder nuttige professionele ervaring moet worden verstaan een ervaring als verantwoordelijke van de ontwikkeling van strategische plannen in het domein van : openbare financiën; en/of financiele beheer (inbegrepen boekhouding); en/of beheers controle. De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505.54) of via de website van SELOR. Brutoaanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 164.664,51 euro (band 7). Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21 decem ber 2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06722). 2. Vergezeld te zijn van een standaard-CV van deze management functie van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; via de SELORinfolijn (0800-505 54); op uw aanvraag via het e-mailadres ínfo@selor.be. SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2006/08030] Sélection du président du Comité de Direction (m/f) du SPF Budget et Contrôle de la Gestion (AFG06722) Conditions d’admissibilité : Les conditions de participation, sont une exigence absolue pour participer à une procédure de sélection de SELOR. A la date limite d’inscription, les candidats doivent : être porteurs d’un diplôme de base de 2ème cycle (par exemple licencié) de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supé rieur de type long ou être titulaires d’une fonction de niveau A. Lorsque cela vous sera demandé, vous devrez, dans le délai qui sera fixé, envoyer uniquement une copie de ce diplôme ou, à défaut, de votre arrêté de nomination dans une fonction de niveau A; et avoir une expérience de management d’au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle utile d’au moins dix ans. Cette expérience doit être démontrée dans le curriculum vitae standardisé et attestée par les certificats nécessaires (notamment une description détaillée de la fonction exercée, complétée par une copie du contrat avec mention de la date de début et de fin). Par expérience en management, il y a lieu d’entendre une expérience en gestion au sein d’un service public ou d’une organisation du secteur privé. Les années prestées au moins en qualité de titulaire d’un grade de rang 13 (classe de métiers A3) sont prises en considération pour le calcul des six années d’expérience de management. Par expérience professionnelle utile, il y a lieu d’entendre une expérience en tant que : responsable du développement de plans stratégiques dans le domaine : des finances publiques; et/ou de la gestion financière (en ce y compris la comptabilité); et/ou du contrôle de gestion. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de sélection que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR (ligne info 0800-505.55) ou via le site web du SELOR. Traitement annuel brut de début (indexé) : 164.664,51 euros (bande 7). Conditions de désignation : Le candidat doit remplir, à la date de sa désignation, les conditions suivantes : être Belge; jouir des droits civils et politiques; être d’une conduite répondant aux exigences de la fonction. Pour que votre candidature soit prise en compte, votre inscription doit, au plus tard à la date limite d’inscription (21 décembre 2006), remplir toutes les conditions suivantes : 1. Mentionner tous les renseignements suivants : nom; prénom; adresse complète; date de naissance; numéro de registre national; la dénomination exacte de votre diplôme le plus élevé; le numéro de référence de la procédure de sélection (AFG06722). 2. Etre accompagnée du CV standardisé de la fonction de manage ment à pourvoir de SELOR dûment et sincèrement complété (aucune autre présentation ou adaptation du curriculum vitae ne sera acceptée). Vous pouvez l’obtenir : sur le site web www.selor.be à la rubrique de la sélection; via la ligne info du SELOR (0800-505 55); ou sur demande à l’adresse e-mail info@selor.be. 68534 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : via de website www.selor.be - je dient « Mijn Selor » aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard-CV van deze managementfunctie opsturen : per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post : SELOR, Gebouw « Centre Etoile », t.a.v. « TopTeam », Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; per fax : 02-788 70 00. per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post : SELOR, gebouw « Centre Etoile », t.a.v. TopTeam, Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; via fax :02-788 70 00. Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. * SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08032] Selectie van een administrateur-generaal (m/v) voor de Regie der Gebouwen (ANG06724) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrij vingsdatum dienen de kandidaten : houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A; en over een managementervaring van minstens zes jaar te beschikken of minimaal tien jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. De jaren gepresteerd als titularis van minstens een graad van rang 13 en/of in de vakklasse A3 van het federaal administratief openbaar ambt of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de Regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschaps commissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen worden in aanmerking genomen voor de berekening van de zes jaar managementervaring. Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan ervaring in het definiëren van strategieën in het domein van de bouw, van het beheer en van de inbezithouding van onroerende activa van openbare overheden en/of grote bedrijven. De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505 54) of via de website van SELOR. Bruto aanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 143.047,82 euro (band 6). Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economische Ruimte; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. 3. Etre introduite pour le (21 décembre 2006) au plus tard soit : par le site internet www.selor.be. Vous devez créer « Mon Selor », vous inscrire en ligne, puis transmettre le CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir : par email uniquement à l’adresse TopTeamfr@selor.be; par courrier : SELOR (bâtiment « Centre Etoile », à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles); par fax (02-788 70 00), par E-mail : exclusivement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR, bâtiment ″Centre Etoile″, à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; par fax : 02-788 70 00. Faute de quoi, il ne sera pas tenu compte de votre candidature. SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2006/08032] Sélection de l’administrateur général (m/f) de la Régie des Bâtiments (AFG06724) Conditions d’admissibilité : Les conditions de participation, sont une exigence absolue pour participer à une procédure de sélection de SELOR. A la date limite d’inscription, les candidats doivent : être porteurs d’un diplôme de base de 2e cycle (par exemple licencié) de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supé rieur de type long ou être titulaires d’une fonction de niveau A. Lorsque cela vous sera demandé, vous devrez, dans le délai qui sera fixé, envoyer uniquement une copie de ce diplôme ou, à défaut, de votre arrêté de nomination dans une fonction de niveau A; et avoir une expérience de management d’au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle utile d’au moins dix ans. Cette expé rience doit être démontrée dans le curriculum vitae standardisé et attestée par les certificats nécessaires (notamment une description détaillée de la fonction exercée, complétée par une copie du contrat avec mention de la date de début et de fin). Par expérience en management, il y a lieu d’entendre une expérience en gestion au sein d’un service public ou d’une organisation du secteur privé. Les années prestées en qualité de titulaire au moins d’un grade du rang 13 et/ou de la classe de métiers A3 de la fonction publique fédérale ou d’un grade de rang ou d’une classe équivalent dans les services des Gouvernements de Communauté et de Région ou de la Commission communautaire commune ou de la Commission commu nautaire flamande ou de la Commission communautaire française ou des personnes morales de droit public qui en dépendent sont prises en considération pour le calcul des six ans d’expérience de management. Par expérience professionnelle utile, il y a lieu d’entendre une expérience dans la définition de stratégies dans le domaine de la construction, de la gestion et de la détention d’actifs immobiliers de pouvoirs publics et/ou de grandes entreprises. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de sélection que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR (ligne info 0800-505 55) ou via le site web du SELOR. Traitement annuel brut de début (indexé) : 143.047,82 euros (bande 6). Conditions de désignation : Le candidat doit remplir, à la date de sa désignation, les conditions suivantes : être Belge ou citoyen d’un autre Etat faisant partie de l’Espace économique européen; jouir des droits civils et politiques; être d’une conduite répondant aux exigences de la fonction. 68535BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21 decem ber 2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06724). 2. Vergezeld te zijn van een standaard-CV van deze management functie van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; via de SELORinfolijn 0800-505 54; op uw aanvraag via het e-mailadres info@selor.be 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : via de website www.selor.be - je dient ’Mijn Selor’ aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard CV van deze managementfunctie opsturen : per fax : 02-788 70 00; per post : SELOR, gebouw ″Centre Etoile″, t.a.v. TopTeam, Bischoffs heimlaan 15, B-1000 Brussel; per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post : SELOR, gebouw ″Centre Etoile″ t.a.v. T́opTeam, Bischoffs heimlaan 15, B-1000 Brussel; e-mail uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be via fax 02-788 70 00. Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. * SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08033] Selectie van een directeur-generaal (m/v) « Klantenbeheer » voor de Regie der Gebouwen (ANG06725) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrij vingsdatum dienen de kandidaten : houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A; en over een managementervaring van minstens zes jaar te beschikken of minimaal tien jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. De jaren gepresteerd als titularis van minstens een graad van rang 13 en/of in de vakklasse A3 van het federaal administratief openbaar ambt of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de Regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschaps commissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen worden in aanmerking genomen voor de berekening van de zes jaar managementervaring. Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan ervaring in het beheer van klantenportefeuilles in het domein van de vastgoeddiensten die aan de openbare overheden en/of grote bedrijven voorgesteld worden. Pour que votre candidature soit prise en compte, votre inscription doit, au plus tard à la date limite d’inscription (21 décembre 2006), remplir toutes les conditions suivantes : 1. Mentionner tous les renseignements suivants : nom; prénom; adresse complète; date de naissance; numéro de registre national; la dénomination exacte de votre diplôme le plus élevé; le numéro de référence de la procédure de sélection (AFG06724). 2. Etre accompagnée du CV standardisé de la fonction de manage ment à pourvoir de SELOR dûment et sincèrement complété (aucune autre présentation ou adaptation du curriculum vitae ne sera acceptée). Vous pouvez l’obtenir : sur le site web www.selor.be à la rubrique de la sélection; via la ligne info du SELOR (0800-505 55); ou sur demande à l’adresse e-mail info@selor.be 3. Etre introduite pour le (21 décembre 2006) au plus tard soit : par le site internet www.selor.be. Vous devez créer ’Mon Selor’, vous inscrire en ligne, puis transmettre le CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir : par fax : 02-788 70 00; par courrier : SELOR (bâtiment ″Centre Etoile″, à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles); par E-mail : uniquement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR bâtiment ″Centre Etoile″, à l’attention du Top Team, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; par E-mail : exclusivement à l’adresse TopTeamfr@selor.be via fax 02-788 70 00. Faute de quoi, il ne sera pas tenu compte de votre candidature. SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2006/08033] Sélection du directeur général (m/f) Gestion Clients pour la Régie des Bâtiments (AFG06725) Conditions d’admissibilité : Les conditions de participation, sont une exigence absolue pour participer à une procédure de sélection de SELOR. A la date limite d’inscription, les candidats doivent : être porteurs d’un diplôme de base de 2e cycle (par exemple licencié) de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supé rieur de type long ou être titulaires d’une fonction de niveau A. Lorsque cela vous sera demandé, vous devrez, dans le délai qui sera fixé, envoyer uniquement une copie de ce diplôme ou, à défaut, de votre arrêté de nomination dans une fonction de niveau A; et avoir une expérience de management d’au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle utile d’au moins dix ans. Cette expé rience doit être démontrée dans le curriculum vitae standardisé et attestée par les certificats nécessaires (notamment une description détaillée de la fonction exercée, complétée par une copie du contrat avec mention de la date de début et de fin). Par expérience en management, il y a lieu d’entendre une expérience en gestion au sein d’un service public ou d’une organisation du secteur privé. Les années prestées en qualité de titulaire au moins d’un grade du rang 13 et/ou de la classe de métiers A3 de la fonction publique fédérale ou d’un grade de rang ou d’une classe équivalent dans les services des Gouvernements de Communauté et de Région ou de la Commission communautaire commune ou de la Commission commu nautaire flamande ou de la Commission communautaire française ou des personnes morales de droit public qui en dépendent sont prises en considération pour le calcul des six ans d’expérience de management. Par expérience professionnelle utile, il y a lieu d’entendre une expérience dans la gestion de portefeuille de clients dans le domaine des services immobiliers proposés aux pouvoirs publics et/ou de grandes entreprises. 68536 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505 54) of via de website van SELOR. Brutoaanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 102.474,78 euro (band 4). Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economische Ruimte; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21 decem ber 2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06725). 2. Vergezeld te zijn van een standaard-CV van deze management functie van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; via de SELORinfolijn 0800-505 54; op uw aanvraag via het e-mailadres ínfo@selor.be 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : via de website www.selor.be - je dient « Mijn Selor » aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard-CV van deze managementfunctie opsturen : per email : uitsluitend naar TopteamNL@selor.be per post : SELOR – gebouw ’Centre Etoile’ t.a.v. ’TopTeam’ Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; per fax : 02-788 70 00; e-mail uitsluitend naar TopteamNL@selor.be per post : SELOR – gebouw ’Centre Etoile’ t.a.v. ’T́opTeam’, Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; via fax : 02-788 70 00. Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. * SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08034] Selectie van een directeur-generaal (m/v) « Strategie & Vastgoed beheer » voor de Regie der Gebouwen (ANG06726) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrij vingsdatum dienen de kandidaten : houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A. en over een managementervaring van minstens zes jaar te beschik ken of minimaal tien jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de sélection que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR (ligne info 0800-505 55) ou via le site web du SELOR. Traitement annuel brut de début (indexé) : 102.474,78 euros (bande 4). Conditions de désignation : Le candidat doit remplir, à la date de sa désignation, les conditions suivantes : être Belge ou citoyen d’un autre Etat faisant partie de l’Espace économique européen; jouir des droits civils et politiques; être d’une conduite répondant aux exigences de la fonction. Pour que votre candidature soit prise en compte, votre inscription doit, au plus tard à la date limite d’inscription (21 décembre 2006), remplir toutes les conditions suivantes : 1. Mentionner tous les renseignements suivants : nom; prénom; adresse complète; date de naissance; numéro de registre national; la dénomination exacte de votre diplôme le plus élevé; le numéro de référence de la procédure de sélection (AFG06725). 2. Etre accompagnée du CV standardisé de la fonction de manage ment à pourvoir de SELOR dûment et sincèrement complété (aucune autre présentation ou adaptation du curriculum vitae ne sera acceptée). Vous pouvez l’obtenir : sur le site web www.selor.be à la rubrique de la sélection; via la ligne info du SELOR (0800-505 55); ou sur demande à l’adresse e-mail info@selor.be 3. Etre introduite pour le (21 décembre 2006) au plus tard soit : par le site internet www.selor.be. Vous devez créer « Mon Selor », vous inscrire en ligne, puis transmettre le CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir : par email uniquement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR - bâtiment « Centre Etoile », à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; par fax : 02-78 80 00; par e-mail : exclusivement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR - bâtiment « Centre Etoile », à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; par fax : 02-788 70 00. Faute de quoi, il ne sera pas tenu compte de votre candidature. SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2006/08034] Sélection du directeur général (m/f) Stratégie et Gestion immobilière pour la Régie des Bâtiments (AFG06726) Conditions d’admissibilité : Les conditions de participation, sont une exigence absolue pour participer à une procédure de sélection de SELOR. A la date limite d’inscription, les candidats doivent : être porteurs d’un diplôme de base de 2e cycle (par exemple licencié) de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supérieur de type long ou être titulaires d’une fonction de niveau A. Lorsque cela vous sera demandé, vous devrez, dans le délai qui sera fixé, envoyer uniquement une copie de ce diplôme ou, à défaut, de votre arrêté de nomination dans une fonction de niveau A; et avoir une expérience de management d’au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle utile d’au moins dix ans. Cette expé rience doit être démontrée dans le curriculum vitae standardisé et attestée par les certificats nécessaires (notamment une description détaillée de la fonction exercée, complétée par une copie du contrat avec mention de la date de début et de fin). 68537BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. De jaren gepresteerd als titularis van minstens een graad van rang 13 en/of in de vakklasse A3 van het federaal administratief openbaar ambt of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschapscommissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen worden in aanmerking genomen voor de berekening van de zes jaar management ervaring. Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan ervaring in het strategisch beheer van onroerende activa van openbare overheden en/of grote bedrijven De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505 54) of via de website van SELOR. Bruto aanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 102.474,78 euro (band 4). Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economische Ruimte; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21 decem ber 2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06726). 2. Vergezeld te zijn van een standaard -CV van deze Management functie van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; via de SELORinfolijn 0800-505 54; op uw aanvraag via het e-mailadres ínfo@selor.be 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : via de website www.selor.be - je dient « Mijn Selor » aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard CV van deze managementfunctie opsturen : per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post : SELOR – gebouw « Centre Etoile » - t.a.v. TopTeam Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; per fax : 02-788 70 00; e-mail uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post SELOR – gebouw « Centre Etoile »- t.a.v. ’TopTeam’ Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; via fax 02-788 70 00. Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. Par expérience en management, il y a lieu d’entendre une expérience en gestion au sein d’un service public ou d’une organisation du secteur privé. Les années prestées en qualité de titulaire au moins d’un grade du rang 13 et/ou de la classe de métiers A3 de la fonction publique fédérale ou d’un grade de rang ou d’une classe équivalent dans les services des Gouvernements de Communauté et de Région ou de la Commission communautaire commune ou de la Commission commu nautaire flamande ou de la Commission communautaire française ou des personnes morales de droit public qui en dépendent sont prises en considération pour le calcul des six ans d’expérience de management. Par expérience professionnelle utile, il y a lieu d’entendre une expérience dans la gestion stratégique d’actifs immobiliers de pouvoirs publics et/ou de grandes entreprises. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de sélection que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR (ligne info 0800-505 55) ou via le site web du SELOR. Traitement annuel brut de début (indexé) : 102.474,78 euros (bande 4). Conditions de désignation : Le candidat doit remplir, à la date de sa désignation, les conditions suivantes : être Belge ou citoyen d’un autre Etat faisant partie de l’Espace économique européen; jouir des droits civils et politiques; être d’une conduite répondant aux exigences de la fonction. Pour que votre candidature soit prise en compte, votre inscription doit, au plus tard à la date limite d’inscription (21 décembre 2006), remplir toutes les conditions suivantes : 1. Mentionner tous les renseignements suivants : nom; prénom; adresse complète; date de naissance; numéro de registre national; la dénomination exacte de votre diplôme le plus élevé; le numéro de référence de la procédure de sélection (AFG06726). 2. Etre accompagnée du CV standardisé de la fonction de manage ment à pourvoir de SELOR dûment et sincèrement complété (aucune autre présentation ou adaptation du curriculum vitae ne sera acceptée). Vous pouvez l’obtenir : sur le site web www.selor.be à la rubrique de la sélection; via la ligne info du SELOR (0800-505 55); ou sur demande à l’adresse e-mail info@selor.be 3. Etre introduite pour le (21 décembre 2006) au plus tard soit : par le site internet www.selor.be. Vous devez créer « Mon Selor », vous inscrire en ligne, puis transmettre le CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir : par email : uniquement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : (bâtiment « Centre Etoile », a l’attention du TopTeam boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles); par fax : 02-788 70 00; par e-mail : exclusivement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR, bâtiment « Centre Etoile », à l’attention du TopTeam - boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles par fax : 02-788 70 00. Faute de quoi, il ne sera pas tenu compte de votre candidature. 68538 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08035] Selectie van een directeur-generaal (m/v) « Operationele diensten » voor de Regie der Gebouwen (ANG06727) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrij vingsdatum dienen de kandidaten : houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A. en over een managementervaring van minstens zes jaar te beschik ken of minimaal tien jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. De jaren gepresteerd als titularis van minstens een graad van rang 13 en/of in de vakklasse A3 van het federaal administratief openbaar ambt of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschapscommissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen worden in aanmerking genomen voor de berekening van de zes jaar management ervaring. Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan ervaring in het beheer van grote projecten in het bouw- of ingenieurswezen. De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505 54) of via de website van SELOR. Bruto aanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 102.474,78 euro (band 4). Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economische Ruimte; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21/12/2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06727). 2. Vergezeld te zijn van een standaard -CV van deze management functie van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; via de Selorinfolijn 0800-505 54; op uw aanvraag via het e-mailadres info@selor.be SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2006/08035] Sélection du directeur général (m/f) des Services opérationnels pour la Régie des Bâtiments (AFG06727) Conditions d’admissibilité : Les conditions de participation, sont une exigence absolue pour participer à une procédure de sélection de SELOR. A la date limite d’inscription, les candidats doivent : être porteurs d’un diplôme de base de 2e cycle (par exemple licencié) de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supérieur de type long ou être titulaires d’une fonction de niveau A. Lorsque cela vous sera demandé, vous devrez, dans le délai qui sera fixé, envoyer uniquement une copie de ce diplôme ou, à défaut, de votre arrêté de nomination dans une fonction de niveau A; et avoir une expérience de management d’au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle utile d’au moins dix ans. Cette expé rience doit être démontrée dans le curriculum vitae standardisé et attestée par les certificats nécessaires (notamment une description détaillée de la fonction exercée, complétée par une copie du contrat avec mention de la date de début et de fin). Par expérience en management, il y a lieu d’entendre une expérience en gestion au sein d’un service public ou d’une organisation du secteur privé. Les années prestées en qualité de titulaire au moins d’un grade du rang 13 et/ou de la classe de métiers A3 de la fonction publique fédérale ou d’un grade de rang ou d’une classe équivalent dans les services des Gouvernements de Communauté et de Région ou de la Commission communautaire commune ou de la Commission commu nautaire flamande ou de la Commission communautaire française ou des personnes morales de droit public qui en dépendent sont prises en considération pour le calcul des six ans d’expérience de management. Par expérience professionnelle utile, il y a lieu d’entendre expérience dans la gestion de grands projets dans le domaine du bâtiment et/ou de l’ingénierie. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de sélection que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR (ligne info 0800-505 55) ou via le site web du SELOR. Traitement annuel brut de début (indexé) : 102.474,78 euros (bande 4). Conditions de désignation : Le candidat doit remplir, à la date de sa désignation, les conditions suivantes : être Belge ou citoyen d’un autre Etat faisant partie de l’Espace économique européen; jouir des droits civils et politiques; être d’une conduite répondant aux exigences de la fonction. Pour que votre candidature soit prise en compte, votre inscription doit, au plus tard à la date limite d’inscription (21 décembre 2006), remplir toutes les conditions suivantes : 1. Mentionner tous les renseignements suivants : nom; prénom; adresse complète; date de naissance; numéro de registre national; la dénomination exacte de votre diplôme le plus élevé; le numéro de référence de la procédure de sélection (AFG06727). 2. Etre accompagnée du CV standardisé de la fonction de manage ment à pourvoir de SELOR dûment et sincèrement complété (aucune autre présentation ou adaptation du curriculum vitae ne sera acceptée). Vous pouvez l’obtenir : sur le site web www.selor.be à la rubrique de la sélection; via la ligne info du SELOR (0800-505 55); ou sur demande à l’adresse e-mail info@selor.be 68539BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : via de website www.selor.be - je dient ’Mijn Selor’ aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard CV van deze managementfunctie opsturen : per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post : SELOR, gebouw Ćentre Etoile-́ t.a.v. topTeam,́ Bischoffs heimlaan 15, B-1000 Brussel; per fax : 02/788 70 00; e-mail : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be per post : SELOR, gebouw ’Centre Etoile-́ tav ’TopTeam,́ Bischoffs heimlaan 15, B-1000 Brussel; via fax 02-788 70 00. Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. * SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08036] Selectie van een directeur (m/v) « Stafdiensten » voor de Regie der Gebouwen (ANG06728) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrijvingsdatum dienen de kandidaten : — houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A; — en minimaal vijf jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie, vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan ervaring in het ontwikkelen van strategieën in : het domein van de human resources; en/of de ontwikkeling van een organisatie; en/of het budgettair domein; en/of het veranderingsbeheer. De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505 54) of via de website van SELOR. Brutoaanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 102.474,78 euro (band 4). Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economische Ruimte; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21 decem ber 2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06728). 2. Vergezeld te zijn van een standaard-CV van deze staffunctie van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : — op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; — via de SELOR-infolijn 0800-505 54; — op uw aanvraag via het e-mailadres ínfo@selor.be 3. Etre introduite pour le (21 décembre 2006) au plus tard soit : par le site internet www.selor.be. Vous devez créer ’Mon Selor’, vous inscrire en ligne, puis transmettre le CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir : par email : uniquement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR, bâtiment ″Centre Etoile″, à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; par fax (02-788 70 00); par E-mail : exclusivement à l’adresse TopTeamfr@selor.be par courrier : SELOR, bâtiment ″Centre Etoile″, à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; par fax : 02-788 70 00. Faute de quoi, il ne sera pas tenu compte de votre candidature. SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2006/08036] Sélection du directeur (m/f) des Services d’Encadrement pour la Régie des Bâtiments (AFG06728) Conditions d’admissibilité : Les conditions de participation sont une exigence absolue pour participer à une procédure de sélection de SELOR. A la date limite d’inscription, les candidats doivent : — être porteurs d’un diplôme de base de 2e cycle (par exemple licencié) de l’enseignement universitaire ou de l’enseignement supé rieur de type long ou être titulaires d’une fonction de niveau A. Lorsque cela vous sera demandé, vous devrez, dans le délai qui sera fixé, envoyer uniquement une copie de ce diplôme ou, à défaut, de votre arrêté de nomination dans une fonction de niveau A; — et avoir une expérience professionnelle utile d’au moins cinq ans. Cette expérience doit être démontrée dans le CV standardisé et être attestée par les certificats nécessaires (notamment une description détaillée de la fonction exercée, complétée par une copie du contrat avec mention de la date de début et de fin). Par expérience professionnelle utile, on entend une expérience dans le développement de stratégies dans : le domaine des ressources humaines; et/ou le développement d’une organisation; et/ou le domaine budgétaire; et/ou la gestion du changement. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de sélection que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR (ligne info 0800-505 55) ou via le site web du SELOR. Traitement annuel brut de début (indexé) : 102.474,78 euros (bande 4). Conditions de désignation : Le candidat doit remplir, à la date de sa désignation, les conditions suivantes : être Belge ou citoyen d’un autre Etat faisant partie de l’Espace économique européen; jouir des droits civils et politiques; être d’une conduite répondant aux exigences de la fonction. Pour que votre candidature soit prise en compte, votre inscription doit, au plus tard à la date limite d’inscription (21 décembre 2006), remplir toutes les conditions suivantes : 1. Mentionner tous les renseignements suivants : nom; prénom; adresse complète; date de naissance; numéro de registre national; la dénomination exacte de votre diplôme le plus élevé; le numéro de référence de la procédure de sélection (AFG06728). 2. Etre accompagnée du CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir du SELOR dûment et sincèrement complété (aucune autre présentation ou adaptation du curriculum vitae ne sera acceptée). Vous pouvez l’obtenir : — sur le site web www.selor.be à la rubrique de la sélection; — via la ligne info du SELOR (0800-505 55); — ou sur demande à l’adresse e-mail info@selor.be 68540 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : — via de website www.selor.be - je dient ’Mijn Selor’ aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard-CV van staffunctie opsturen : — per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be — per post : SELOR – gebouw ’centre Etoile’- t.a.v. ’TopTeam’ Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; — per fax : 02-788 70 00; — e-mail uitsluitend naar TopteamNL@selor.be — per post : SELOR – gebouw ’Centre Etoile-́ t.a.v. ’TopTeam’ Bischoffsheimlaan 15, B-1000 Brussel; — via fax 02 788 70 00. Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. * SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2006/08031] Selectie van een administrateur-generaal (m/v) voor de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie (RJV) (ANG06723) Deelnemingsvoorwaarden : De deelnemingsvoorwaarden zijn een absolute voorwaarde voor deelname aan een selectieprocedure bij SELOR. Op de uiterste inschrijvingsdatum dienen de kandidaten : houder te zijn van een basisdiploma van de 2e cyclus (vb. licentiaat) van universitair onderwijs of van hoger onderwijs van het academisch niveau of titularis zijn van een functie van niveau A. Wanneer je het gevraagd wordt, moet je binnen de gestelde termijn enkel een kopie van dit diploma opsturen, of bij gebrek hieraan, van je benoemingsbesluit in een functie van niveau A. en over een managementervaring van minstens 6 jaar te beschikken of minimaal 10 jaar nuttige professionele ervaring te hebben. Deze ervaring dient aangetoond te worden aan de hand van een uitgebreid standaard curriculum vitae, vergezeld van de nodige attesten (nl. een gedetailleerde functiebeschrijving van de uitgeoefende functie vergezeld van een kopie van het contract met vermelding van begin- en einddatum). onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. onder nuttige beroepservaring wordt verstaan deze in verband met het doel van de functie. De functieomschrijving evenals de selectieprocedure zijn omstandig beschreven in het volledige selectiereglement dat u kunt bekomen bij de diensten van SELOR (infolijn 0800-505.54) of via de website van SELOR. Bruto aanvangswedde op jaarbasis, geïndexeerd : 102.474,78 euro (band 4) Aanstellingsvoorwaarden : De kandidaat moet op de datum van de aanstelling : Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economische Ruimte; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; de burgerlijke en politieke rechten genieten. Opdat uw kandidatuur in aanmerking zou worden genomen, dient uw inschrijving binnen de uiterste inschrijvingsdatum (21 december 2006) binnen te zijn en dient u : 1. Volgende inlichtingen te vermelden : naam; voornaam; volledig adres; geboortedatum; rijksregisternummer; de juiste benaming van uw hoogst behaalde diploma; het referentienummer van de selectieprocedure (ANG06723). 2. Vergezeld te zijn van een standaard-CV van deze ’Managementfunctie’ van SELOR, dat volledig en correct is ingevuld (een andere presentatie of een aanpassing van het huidige document wordt niet aanvaard). Je kan het CV ontvangen : op de website www.selor.be bij de rubriek van de selectie; via de SELORinfolijn 0800-505 54; op uw aanvraag via het e-mailadres ínfo@selor.be 3. Ingediend zijn op uiterlijk 21 december 2006 : Via de website www.selor.be - - je dient ’Mijn Selor’ aan te maken en je in te schrijven. Daarna, moet je het standaard CV van deze managementfunctie opsturen : — per post : SELOR – gebouw ’Centre Etoile-́ t.a.v. ’TopTeam-’ Bischoffsheimlaan 15 – B-1000 Brussel; — per email : uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be — per fax : 02/788 70 00; per post : SELOR – gebouw ’Centre Etoile-́ t.a.v. ’TopTeam-’ Bischoffsheimlaan 15 - B-1000 Brussel; e-mail uitsluitend naar TopTeamNL@selor.be via fax 02/788 70 00 Zoniet zal met je sollicitatie geen rekening worden gehouden. 3. Etre introduite pour le (21 décembre 2006) au plus tard soit : — par le site internet www.selor.be. Vous devez créer « Mon Selor », vous inscrire en ligne, puis transmettre le CV standardisé de la fonction d’encadrement à pourvoir : — par email : uniquement à l’adresse TopTeamfr@selor.be — par courrier : SELOR (bâtiment « Centre Etoile », à l’attention du TopTeam, - boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles); — par fax : 02-788 70 00; — par E-mail : exclusivement à l’adresse TopTeamfr@selor.be — par courrier : SELOR - bâtiment « Centre Etoile », à l’attention du TopTeam, boulevard Bischoffsheim 15, B-1000 Bruxelles; — par fax : 02-788 70 00; Faute de quoi, il ne sera pas tenu compte de votre candidature. 68541BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN [2006/03561] Administratie van de BTW, registratie en domeinen (Vervreemding onroerende domeingoederen) Bekendmaking gedaan ter uitvoering van de wet van 31 mei 1923 gewijzigd door programmawet van 6 juli 1989 Het Waalse Gewest is voornemens uit te hand te verkopen : Stad Doornik (vroeger Orcq) Een perceel grond gelegen Rijselbaan, gekadastreerd of vroeger gekadastreerd Doornik 24e afdeling, sectie B, zonder nummer, voor een oppervlakte van 2 a 5 ca volgens meting. Palend of gepaald hebbende aan de genoemde baan, aan het Waalse gebied, aan Huylenbroeck, Jean-François en Louviau, Roseline en aan Delcambe, Antoine. Prijs : 1.200 euro, buiten de kosten. Gewestplan : woongebied. Eventuele bezwaren of hogere aanbiedingen dienen binnen de maand van dit bericht overgemaakt aan het Aankoopcomité te Bergen, digue des Peupliers 71 (tel. : 065-32 75 16, fax. : 065-32 74 97) Contactpersonen : Jean-Marie Duym, administratief assistent. Michel Ricour, commissaris. Verwijzing : 57081/24/2171-2. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN [2006/03564] Administratie van de BTW, registratie en domeinen (Vervreemding onroerende domeingoederen) Bekendmaking gedaan ter uitvoering van de wet van 31 mei 1923 gewijzigd door programmawet van 6 juli 1989 Het Waalse Gewest is voornemens uit te hand te verkopen : Stad Doornik (vroeger Gaurain-Ramecroix) Een perceel grond gelegen Grand-Route, gekadastreerd of vroeger gekadastreerd Doornik, 16e afdeling, sectie B, deel van nummer 1155g4 voor een oppervlakte van 11 a 53 ca volgens meting. Palend of gepaald hebbende aan de Grote Baan (N7), aan de Bosstraat, aan de maatschappij Descarimmo en aan Tork, Ghislaine. Prijs : 35.000 euro, buiten de kosten. Gewestplan : woongebied. Eventuele bezwaren of hogere aanbiedingen dienen binnen de maand van dit bericht overgemaakt aan het Aankoopcomité te Bergen, digue des Peupliers 71. tel. : 065-32 75 16, fax. : 065-32 74 97. Contactpersonen : Jean-Marie Duym, administratief assistent. Michel Ricour, commissaris. Verwijzing : 57081/16/2236. SERVICE PUBLIC FEDERAL FINANCES [2006/03561] Administration de la T.V.A., de l’enregistrement et des domaines (Aliénation d’immeubles domaniaux) Publication faite en exécution de la loi du 31 mai 1923 modifiée par la loi programme du 6 juillet 1989 La Région wallonne se propose de vendre de gré à gré : Ville de Tournai (ex Orcq) Un terrain sis chaussée de Lille, cadastré ou l’ayant été à Tournai 24e division, section B sans numéro pour une superficie de 2 a 5 ca selon mesurage. Tenant ou ayant tenu à ladite chaussée, au domaine de la Région wallonne, à Huylenroeck, Jean-François et Louviau, Roseline et à Delcambe, Antoine. Prix : 1.200 euros, outre les frais. Plan de secteur : zone d’habitat. Les réclamations éventuelles ou les offres plus élevées doivent être adressées dans le mois du présent avis, au Comité d’Acquisition d’Immeubles à Mons, digue des Peupliers 71 (tél. : 065-32 75 16, fax. : 065-32 74 97) Personnes de contact : Jean-Marie Duym, assistant administratif. Michel Ricour, commissaire. Références : 57081/24/2171-2. SERVICE PUBLIC FEDERAL FINANCES [2006/03564] Administration de la T.V.A., de l’enregistrement et des domaines (Aliénation d’immeubles domaniaux) Publication faite en exécution de la loi du 31 mai 1923 modifiée par la loi programme du 6 juillet 1989 La Région wallonne se propose de vendre de gré à gré : Ville de Tournai (ex Gaurain-Ramecroix) Un terrain sis Grand-Route, cadastré ou l’ayant été à Tournai 16e division, section B, partie du numéro 1155g4 pour une superficie de 11 a 53 ca selon mesurage. Tenant ou ayant tenu à la Grand-Route (N7), à la rue du Bois, à la société Descarimmo et à Tork, Ghislaine. Prix : 35.000 euros, outre les frais. Plan de secteur : zone d’habitat. Les réclamations éventuelles ou les offres plus élevées doivent être adressées dans le mois du présent avis, au Comité d’Acquisition d’Immeubles à Mons, digue des Peupliers 71. tél. : 065-32 75 16, fax. : 065-32 74 97. Personnes de contact : Jean-Marie Duym, assistant administratif. Michel Ricour, commissaire. Références : 57081/16/2236. 68542 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2006/12539] Aanpassing op 1 januari 2007 van de loonbedragen bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aan het algemene indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden (artikel 131) Gezien het algemene indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester 1984 was vastgesteld op 185,9 (basis 100 in 1975) en voor het derde trimester 2005 122,75 (basis 100 in 1997) bedroeg, worden op 1 januari 2007 de loonbedragen bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangepast volgens de volgende formule : 122,75 185,9 × 0,51362 × 0,736756 Dit resultaat wordt vermenigvuldigd met de bedragen die op 1 januari 1985 van toepassing waren. 0,51362 = omzettingscoëfficiënt basis 1975-1985 0,736756 = omzettingscoëfficiënt basis 1987-1997 Op 1 januari 2007 wordt bijgevolg het bedrag van : a) 16.100 EUR, bedoeld bij de artikelen 65, 82, 84, 85 en 104, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, op 28.093 EUR gebracht; b) 19.300 EUR, bedoeld bij artikel 67, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, op 33.677 EUR gebracht; c) 32.200 EUR, bedoeld bij de artikelen 65, 69, 82 en 84, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, op 56.187 EUR gebracht. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE [C − 2006/09979] Rechterlijke Orde. — Vacante betrekkingen — hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Lier : 1, vanaf 1 februari 2007; — adjunct-griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Bergen : 2; — adjunct-secretaris bij het parket van het hof van beroep te Luik : 1. De kandidaturen voor een benoeming in de Rechterlijke Orde moeten bij een ter post aangetekend schrijven aan de FOD Justitie, Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, Dienst Personeelszaken, ROJ 212, Waterloolaan 115, 1000 Brussel, worden gericht binnen een termijn van één maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad (artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek). SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2006/12539] Adaptation au 1er janvier 2007 des montants de rémunération prévus par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail à l’indice général des salaires conventionnels pour employés (article 131) L’indice général des salaires conventionnels pour employés s’élevant à 185,9 pour le troisième trimestre 1984 (base 1975 = 100) et à 122,75 pour le troisième trimestre 2006 (base 1997 = 100), les montants de rémunération prévus par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail seront adaptés au 1er janvier 2007 selon la formule suivante : 122,75 185,9 × 0,51362 × 0,736756 Ce résultat étant multiplié par les montants en vigueur au 1er jan vier 1985. 0,51362 = coefficient de conversion de la base 1975-1985 0,736756 = coefficient de conversion de la base 1987-1997 En conséquence, au 1er janvier 2007, le montant de : a) 16.100 EUR, prévu aux articles 65, 82, 84, 85 et 104, comme modifiés par l’arrêté royal du 20 juillet 2000, sera porté à 28.093 EUR; b) 19.300 EUR, prévu à l’article 67, comme modifiés par l’arrêté royal du 20 juillet 2000, sera porté à 33.677 EUR; c) 32.200 EUR, prévu aux articles 65, 69, 82 et 84, comme modifiés par l’arrêté royal du 20 juillet 2000, sera porté à 56.187 EUR. SERVICE PUBLIC FEDERAL JUSTICE [C − 2006/09979] Ordre judiciaire. — Places vacantes — greffier en chef de la justice de paix du canton de Lier : 1, à partir du 1er février 2007; — greffier adjoint au tribunal de première instance de Mons : 2; — secrétaire adjoint au parquet de la cour d’appel de Liège : 1. Les candidatures à une nomination dans l’Ordre judiciaire doivent être adressées par lettre recommandée à la poste au SPF Justice, Direction générale de l’Organisation judiciaire, Service du personnel, ROJ 212, boulevard de Waterloo 115, 1000 Bruxelles, dans un délai d’un mois à partir de la publication de la vacance au Moniteur belge (article 287 du Code judiciaire). 68543BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE De kandidaten dienen een afschrift bij te voegen van het bewijs dat zij geslaagd zijn voor het examen voor de griffies en parketten van hoven en rechtbanken, ingericht door de Minister van Justitie, en dit voor het ambt waarvoor zij kandidaat zijn. Voor elke kandidatuurstelling dient een afzonderlijk schrijven te worden opgemaakt; de brieven mogen in eenzelfde aangetekende zending worden verstuurd. AGENDA’S — ORDRES DU JOUR PARLEMENT FRANCOPHONE BRUXELLOIS [2006/20102] Convocation (1) Vendredi 8 décembre 2006 (à l’issue de la séance plénière du matin du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale) (Rue du Lombard 69 — salle 201, 1000 Bruxelles) (Une collation sera servie aux membres de la commission.) Session ordinaire 2006-2007, n° 8 Commission du Budget, de l’Administration, des Relations internationales et des Compétences résiduaires Ordre du jour : 1. Projet de décret ajustant le budget des Voies et Moyens de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2006. Projet de décret ajustant le Budget général des dépenses de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2006. Projet de règlement ajustant le budget des Voies et Moyens de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2006. Projet de règlement ajustant le Budget général des dépenses de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2006. 2. Projet de décret contenant le budget des Voies et Moyens de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2007. Projet de décret contenant le Budget général des dépenses de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2007. Projet de règlement contenant le budget des Voies et Moyens de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2007. Projet de règlement contenant le Budget général des dépenses de la Commission communautaire française pour l’année budgétaire 2007. — Rapporteurs : Mme Julie Fiszman et M. Didier Gosuin. — Lecture et approbation du rapport. 3. Divers. (1) Dans les conditions de l’article 20 du Règlement, les réunions des commissions sont publiques. Les candidats sont priés de joindre une copie de l’attestation de réussite de l’examen organisé par la Ministre de la Justice, pour les greffes et les parquets des cours et tribunaux et ce pour l’emploi qu’ils postulent. Une lettre séparée doit être adressée pour chaque candidature; les lettres peuvent être envoyées dans une même enveloppe. 68544 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE WETTELIJKE BEKENDMAKINGEN EN VERSCHILLENDE BERICHTEN PUBLICATIONS LEGALES ET AVIS DIVERS UNIVERSITEIT GENT Vacatures (zie http://aivwww.ugent.be/DPO/vacatures/AAP.pl) Assisterend academisch personeel Bij de Faculteit politiek en sociale wetenschappen is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van twee jaar die hernieuwbaar is. PS01 Een betrekking van voltijds assistent bij de vakgroep Communicatie wetenschappen (tel. : 09-264 68 90) - salaris à 100 % : min. S 23.468,58 max. S 39.716,10, thans uitbetaald à 140,02 %. Profiel van de kandidaat : diploma van licentiaat in de communicatiewetenschappen; grondige kennis van en aantoonbare belangstelling voor het vakge bied communicatietheorie, meer in het bijzonder het subdomein media sociologie; vertrouwd zijn met wetenschappelijk onderzoek in het hoger vernoemde subdomein; vertrouwd zijn met onderwijsondersteunende software strekt tot aanbeveling. Inhoud van de functie : bijstand bij het onderwijs van de vakgroep; wetenschappelijk onderzoek in het subdomein mediasociologie ter voorbereiding van een doctoraat (minstens 50 % van de tijd dient besteed te worden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraat); algemene logistieke taken binnen de vakgroep communicatieweten schappen. De kandidaturen, met curriculum vitae, een afschrift van het vereist diploma en een overzicht van de behaalde studieresultaten (per jaar), moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19777) Bij de Faculteit economie en bedrijfskunde is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van twee jaar die hernieuwbaar is. EB07 Een betrekking van voltijds assistent bij de vakgroep Marketing salaris à 100 % : min. S 23.468,58 - max. S 39.716, 10, thans uitbetaald à 140,02 % (tel. : 09-264 35 22). Profiel van de kandidaat : academisch diploma van licentiaat in de toegepaste economische wetenschappen, richting technische bedrijfskunde of handelsingenieur of burgerlijk ingenieur of licentiaat in de sociologie of handelsweten schappen; een aanvullend gespecialiseerd diploma in de analytische CRM (o.a. Master of Marketing Analysis) strekt tot aanbeveling; belangstelling hebben in het onderzoeksdomein van de marketing modellering binnen analytisch CRM (custom relationship manage ment). Inhoud van de functie : bijstand bij het onderwijs van de vakgroep; wetenschappelijk onderzoek in de marketingmodellering ter voorbe reiding van een doctoraat en het volgen van de daartoe nodige doctoraatsopleiding(en) (minstens 50 % van de tijd dient besteed te worden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraat); medewerking aan de dienstverlening in de vakgroep. De kandidaturen, met curriculum vitae, een afschrift van het vereist diploma en een overzicht van de behaalde studieresultaten (per jaar), moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19778) Bij de Faculteit economie en bedrijfskunde is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van één jaar die hernieuwbaar is. EB05 Een betrekking van deeltijds praktijkassistent (20 %) bij de vakgroep Accountancy en bedrijfsfinanciering (tel. : 09-264 35 31) - salaris à 100 % : min. S 23.468,58 - max. S 39.716,10, thans uitbetaald à 140,02 %. Profiel van de kandidaat : academisch diploma van handelsingenieur of licentiaat in de econo mische wetenschappen of licentiaat in de toegepaste economische wetenschappen of handelswetenschappen; een aantoonbare ervaring hebben in het vakgebied ’accounting’, meer in het bijzonder ’management accounting’; momenteel een hoofdberoepsactiviteit hebben in het vakdomein ’accounting’; overige beroepsactiviteiten uitoefenen die bijdragen tot de kwaliteit van het praktijkgebonden onderwijs. Inhoud van de functie : bijstand bij het praktijkgericht onderwijs in het vakgebied ’accoun ting’ op bachelorsniveau. De kandidaturen, met curriculum vitae en een afschrift van het vereist diploma, moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint-Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19779) Bij de Faculteit psychologie en pedagogische wetenschappen is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van twee jaar die hernieuwbaar is. PP01 Een bebekking van voltijds assistent bij de vakgroep Data-analyse (tel. : 09-264 63 80) - salaris a 100 % : min. S 23.468,58 - max. S 39.716,10 (thans uitbetaald à 140,02 %). Profiel van de kandidaat : academisch diploma van de tweede cyclus; ervaring in het gebruik van computer voor data-analyse; voldoende kennis bezitten van uni- en multivariate statistiek toege past in de psychologie en pedagogische wetenschappen. Inhoud van de functie : bijstand bij het onderwijs van de vakgroep; wetenschappelijk onderzoek m.b.t. een onderwerp dat aansluit bij een van de vakgebieden van de vakgroep, ter voorbereiding van een doctoraat (minstens 50 % van de tijd dient besteed te worden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraat). De kandidaturen, met curriculum vitae, een afschrift van het vereist diploma en een overzicht van de behaalde studieresultaten (per jaar), moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19780) 68545BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij de Faculteit psychologie en pedagogische wetenschappen is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van drie jaar die éénmaal hernieuwbaar is. PP01 Een bedrekking van voltijds doctor-assistent bij de vakgroep Data analyse (tel. :09-264 37 4) - salaris a 100 %: min. S 29.069,73 max. S 45.317,25 (thans uitbetaald à 140,02 %). Profiel van de kandidaat : diploma van doctor in de psychologie of pedagogische weten schappen (aan de diplomavoorwaarden moet voldaan zijn op datum van aanstelling); onderzoek verricht hebben op het gebied van de data-analyse enlof mathematische modellering; voor één of beide vakgebieden relevante wetenschappelijke publica ties hebben in internationale en nationale wetenschappelijke tijd schriften die een ruime verspreiding kennen en een beroep doen op deskundigen voor de beoordeling van de ingezonden manuscripten; actieve deelname aan internationale en nationale wetenschappelijke bijeenkomsten die relevant zijn in één van beide vakgebieden; ervaring hebben met de begeleiding van oefeningen en scripties in één van beide vakgebieden strekt tot aanbeveling; uitgesproken interesse hebben voor studentenbegeleiding in de academische enlof voortgezette academische opleidingen. Inhoud van de functie : wetenschappelijk onderzoek verrichten dat in de lijn ligt van de vakgebieden dataanalyse of mathematische modellering; medewerking aan het onderwijs en de oefeningen van de vakgroep; meewerken aan de begeleiding van scripties en van doctoraats studenten; minimum 70 % van de tijd dient aan wetenschappelijk onderzoek besteed te worden. De kandidaturen, met curriculum vitae en een afschrift van het vereist diploma, moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19781) Bij de Faculteit psychologie en pedagogische wetenschappen is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van twee jaar die hernieuwbaar is. PP10 Een betrekking van voltijds assistent bij de vakgroep Orthopedago giek (tel. : 09-264 64 65) - salaris a 100 % min. S 23 468,58 max. S 39.716,10 (thans uitbetaald à 140,02 %). Profiel van de kandidaat : diploma van licentiaat in de pedagogische wetenschappen, optie orthopedagogiek; vertrouwd zijn met de doelgroep ‘kinderen en adolescenten met gedrags- en/of emotionele problemen’; belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek m.b.t. de orthope dagogiek van gedrags- en/of emotionele problemen. Inhoud van de functie : bijstand bij het onderwijs van de vakgroep; wetenschappelijk onderzoek op het gebied van crisisopvang en behandeling van personen met gedrags- enlof emotionele problemen, ter voorbereiding van een doctoraat (minstens 50 % van de tijd dient besteed te worden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraat); medewerking aan de dienstverlening in de vakgroep. De kandidaturen, met curriculum vitae, een afschrift van het vereist diploma en een overzicht van de behaalde studieresultaten (per jaar), moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19782) Bij de Faculteit psychologie en pedagogische wetenschappen is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van twee jaar die hernieuwbaar is. PP53 Twee betrekkingen van deeltijds praktijkassistent bij de Dienst Onderwijsondersteuning - Monitoraat (tel. : 09-264 64 50) - salaris a 100 % : min. S 23.468,58 - max. S 39.716,10 (thans uitbetaald à 140,02 %) betrekking 1 : deeltijds praktijkassistent (50 %) Parofiel van de kandidaat : diploma van licentiaat in de psychologie of licentiaat in de pedago gische wetenschappen; overige beroepsactiviteiten uitoefenen die bijdragen tot de kwaliteit van het praktijkgebonden onderwijsleerproces; ervaring met het universitair milieu (als lid van het assisterend academisch personeel of als wetenschappelijk meewerker bijvoorbeeld) strekt tot aanbeveling; pedagogisch-didactisch onderlegd zijn met ervaring in studie- en studentenbegeleiding; over goede communicatieve en sociale vaardigheden beschikken, zich kunnen inleven in de situatie van een eerstejaarsstudent; zelfstandig en in teamverband kunnen werken en over verantwoordelijkheidszin beschikken; flexibele werkuren kunnen en willen hanteren. Inhoud van de functie : meewerken aan de (verdere) uitbouw van een goed functionerend systeem van studieondersteuning voor studenten eerste jaar Bachelor in de psychologie en in de pedagogische wetenschappen, waarbij de focus zal liggen op de studieondersteuning bij de opleidingsonderdelen Statistiek en Onderzoeksmethoden; actief participeren in de dienstver lening aan de studenten; verrichten van studiewerk rond de problematiek van studieonder steuning; meewerken aan het ontwikkelen van studieondersteunend materiaal. betrekking 2 : deeltijds praktijkassistent (30 %) Profiel van de kandidaat : diploma van licentiaat in de psychologie of licentiaat in de pedago gische wetenschappen; overige beroepsactiviteiten uitoefenen die bijdragen tot de kwaliteit van het praktijkgebonden onderwijsleerproces; ervaring met het universitair milieu (als lid van het assisterend academisch personeel of als wetenschappelijk medewerker bijvoor beeld) strekt tot aanbeveling; pedagogisch-didactisch onderlegd zijn met ervaring in studie- en studentenbegeleiding; over goede communicatieve en sociale vaardigheden beschikken, zich kunnen inleven in de situatie van een eerstejaarsstudent; zelfstandig en in teamverband kunnen werken en over verantwoordelijkheidszin beschikken; flexibele werkuren kunnen en willen hanteren. Inhoud van de functie : meewerken aan de (verdere) uitbouw van een goed functionerend systeem van studieondersteuning voor studenten eerste jaar Bachelor in de psychologie en in de pedagogische wetenschappen, waarbij de focus zal liggen op de studieondersteuning bij de opleidingsonderdelen Statistiek en Onderzoeksmethoden; actief participeren in de dienstver lening aan de studenten; 68546 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE verrichten van studiewerk rond de problematiek van studieonder steuning; meewerken aan het ontwikkelen van studieondersteunend materiaal. Kandidaten die geïnteresseerd zijn in een 80% mandaat moeten kandideren voor beide vacatures. De kandidaturen, met curriculum vitae en een afschrift van het vereist diploma moeten per aangetekend schrijven ingediend worden bij de Directie Personeel en Organisatie van de Universiteit Gent, Sint-Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiter lijk op 21 december 2006. (19783) Bij de Faculteit bio-ingenieurswetenschappen is volgend mandaat te begeven : het betreft een tijdelijke aanstelling voor een termijn van twee jaar die hernieuwbaar is. LA10 Een betrekking van voltijds assistent bij de vakgroep Toegepaste wiskunde, biometrie en procesregeling (tel. : 09-264 59 32) - salaris à 100 % : min. S 23.468,58 - max. S 39.7!8,10, thans uitbetaald à 140,02 % Profiel van de kandidaat : diploma van trio-ingenieur of burgerlijk ingenieur; kennis van modelbouw en procesregeling; sterke interesse hebben voor toepassingen op biologische processen; het nodige enthousiasme vertonen voor het vervullen van didacti sche taken. Inhoud van de functie : bijstand bij het onderwijs van de vakgroep; wetenschappelijk onderzoek verrichten ter voorbereiding van een doctoraat in het domein van modelgebaseerde analyse, optimalisatie en regeling van biologische processen (minstens 50 % van de tijd dient besteed te worden aan onderzoek in het kader van de voorbereiding van een doctoraat); medewerking aan dienstverlening in de vakgroep. De kandidaturen, met curriculum vitae, een afschrift van het vereist diploma en een overzicht van de behaalde studieresultaten (per jaar), moeten per aangetekend schrijven ingediend voorden bij de Directie Personeel en organisatie van de Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 25, 9000 Gent, uiterlijk op 21 december 2006. (19784) Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening Gemeente Zedelgem Bijzonder plan van aanleg « Zedelgem West » Openbaar onderoek Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt, overeen komstig de bepalingen van art. 19 van het decreet van 22 oktober 1996, het BPA « Zedelgem West », bestaande uit een memorie van toelichting, plan bestaande toestand, bestemmingsplan, onteigeningsplan en stedenbouwkundige voorschriften, en voorlopig aanvaard in de gemeenteraadszitting van 26 oktober 2006, aan een openbaar onder zoek. Het publiek kan vanaf 2 januari 2007 tot en met 31 januari 2007 kennis nemen van dit plan, gedurende de openingsuren van de technische dienst, op de dienst ruimtelijke planning, Torhoutse steenweg 272, te Zedelgem. Wie bezwaren en/of opmerkingen wil doen gelden tegen het ontworpen BPA, wordt verzocht deze schriftelijk en aangetekend te bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen, P.A. Vyncke plein 1, 8210 Zedelgem, en dit ten laatste op 31 januari 2007, om 17 uur, dag en uur waarop proces-verbaal van de sluiting van het onderzoek zal worden opgemaakt. (48957) Bijzonder plan van aanleg « Sint-Elooi IIc » Openbaar onderzoek Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt, overeen komstig de bepalingen van art. 19 van het decreet van 22 oktober 1996, het BPA Sint-Elooi IIc, bestaande uit een memorie van toelichting, plan bestaande toestand, bestemmingsplan en stedenbouwkundige voor schriften, en voorlopig aanvaard in de gemeenteraadszitting van 26 oktober 2006, aan een openbaar onderzoek. Het publiek kan vanaf 2 januari 2007 tot en met 31 januari 2007 kennis nemen van dit plan, gedurende de openingsuren van de technische dienst, op de dienst ruimtelijke planning, Torhoutse steenweg 272, te Zedelgem. Wie bezwaren en/of opmerkingen wil doen gelden tegen het ontworpen BPA, wordt verzocht deze schriftelijk en aangetekend te bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen, P.A. Vyncke plein 1, 8210 Zedelgem, en dit ten laatste op 31 januari 2007, om 17 uur, dag en uur waarop proces-verbaal van de sluiting van het onderzoek zal worden opgemaakt. (48958) Stad Diksmuide Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan centrum (Pervijze) Bericht van openbaar onderzoek Het college van burgemeester en schepenen, brengt ter kennis van de bevolking, dat overeenkomstig de bepaling van artikel 49, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de ruimtelijke ordening en latere wijzigingen, het ruimtelijk uitvoeringsplan Centrum (Pervijze), voor iedereen ter inzage ligt op de dienst ruimtelijke ordening van de stad Diksmuide, gedurende een termijn van zestig dagen, hetzij van 8 december 2006 tot 5 februari 2007. Het dossier bestaat uit volgende delen : blad 1 : bestaande toestand; blad 2 : bestemmingsplan; blad 3 : onteigeningsplan; memorie van toelichting en stedenbouwkundige voorschriften. Al wie omtrent het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Centrum (Pervijze) bezwaren of opmerkingen heeft, dient deze schriftelijk en aangetekend gestuurd te worden aan de Gecoro, p.a. Grote Markt 6, 8600 Diksmuide, vóór het einde van de termijn van het openbaar onderzoek, hetzij uiterijk op 5 februari 2007. Namens het college van burgemeester en schepenen. Diksmuide, 7 december 2006. (48959) Gemeente Buggenhout Ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Zonevreemde gebouwen en terreinen in de kern van Buggenhout Bekendmaking openbaar onderzoek Het college van burgemeester en schepenen, overeenkomstig artikel 49 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening maakt het college van burgemeester en schepenen bekend dat het RUP Zonevreemde gebouwen en terreinen in de kern van 23 november 2006, ter inzage ligt op de stedenbouwkundige dienst van het gemeentehuis, Nieuwstraat 2, vanaf 11 december 2006 tot en met 8 februari 2007, en dit tijdens de kantooruren van het gemeentehuis. Al wie omtrent dit plan bezwaren of opmerkingen te maken heeft, moet die bij een ter post aangetekende brief toesturen aan de gemeen telijke commissie van ruimtelijke ordening, Nieuwstraat 2, te 9255 Buggenhout, of afgeven tegen ontvangstbewijs op hetzelfde adres, uiterlijk op 8 februari 2007. Buggenhout, 27 november 2006. (48960) 68547BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Aankondigingen − Annonces VENNOOTSCHAPPEN − SOCIETES AKAR, naamloze vennootschap, Kuilstraat 23, 2480 Dessel Ondernemingsnummer 0449.934.894 Algemene vergadering op de zetel op 25/12/2006, om 11 uur. Agenda : : Verslag raad van bestuur. Goedkeuring van de jaarrekening. Bestemming resultaat. Kwijting aan bestuurders. Eventuele benoe mingen. Diversen. (49160) ANDERSON INVEST, naamloze vennootschap, Lindestraat 80, 9620 Zottegem (Velzeke) Oudenaarde RPR 0455.734.011 Bijeenroeping statutaire algemene vergadering op 23/12/2006, om 9 uur, op volgend adres : Provinciebaan 279, 9620 Zottegem. Agenda : 1. Ontslag en benoeming bestuurders. 2. Kwijting bestuurders. 3. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statu taire bepalingen. (49161) DE SPEGHEL, commanditaire vennootschap op aandelen, Vosstraat 2, 8940 Wervik 0859.613.901 De jaarvergadering zal gehouden worden op de maatschappelijke zetel op zaterdag 30/12/2006, om 18 uur. Agenda : 1. Goedkeuring van de jaarrekening per 30/06/2006. 2. Bestemming van het resultaat. 3. Kwijting zaakvoerders. 4. Rondvraag. Zich richten naar de statu ten. (49162) DELISAN, naamloze vennootschap, Sint-Denijsplaats 73, 8554 Sint-Denijs Ondernemingsnummer 0436.685.783 Algemene vergadering op de zetel op 29/12/2006, om 10 uur. Agenda : Verslag raad van bestuur. Goedkeuring van de jaarrekening. Bestemming resultaat. Kwijting aan bestuurders. Diversen. (49163) ETABLISSEMENTS STRATH, société anonyme, Rue des Pres Colins 3, 6120 Jamioulx Les actionnaires sont priés de se rendre à l’Assemblée générale des actionnaires de la SA ETABLISSEMENTS STRATH qui se tiendra en l’Etude du Notaire Jacques LEGAY, à 6530 Thuin, avenue de la Couture 29, le lundi 18 décembre 2006, à 11 heures. Ordre du Jour : 1. Dissolution et mise en liquidation de la société. 2. Désignation d’un mandataire ad hoc en vue de la requête en désignation d’un liquidateur. 3. Divers. Se conformer aux statuts. (49164) GEMA, naamloze vennootschap, Stationsstraat 103, 3620 Lanaken RPR Tongeren - Ondernemingsnummer 0432.878.435 De jaarvergadering zal gehouden worden op 29/12/2006, om 9 uur, ten maatschappelijke zetel. Agenda : 1. Bespreking en goedkeuring van de jaarrekening afgesloten per 30 juni 2006. 2. Kwijting. 3. Ontslag en benoeming. (49165) CONCORDIA, naamloze vennootschap, Vital Riethuisenlaan 73, 1083 Brussel 0427.391.205 - RPR Brussel Aangezien de eerste bijeengeroepen Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders dd. 6/12/2006 niet in quorum was, wordt een tweede buitengewone algemene vergadering van Aandeelhouders bijeenge roepen die zal gehouden worden op 22/12/2006, om 11 uur, ten kantore van notaris Patrick Van Ooteghem, te Temse, Cauwerburg 5, om te beraadslagen en te besluiten over dezelfde agendapunten : AGENDA : A. Afstand voorkeurrecht B. Verhoging maatschappelijk kapitaal met max. 93.750 euro door inbreng in geld mits aanmaak en uitgifte van max. 400 kapitaals aandelen van hetzelfde type als de heden bestaande kapitaalsaandelen, en mits betaling van een totale uitgiftepremie van max. 1.906.250 euro. Vaststelling emissievoorwaarden. Machtiging raad van bestuur tot uitvoering van beslissing aangaande het vorige. De nieuw uitgegeven aandelen zullen onmiddellijk bij de onder schrijving volledig dienen te worden volgestort of ten belope van honderd procent per aandeel, inclusief de bijhorende uitgiftepremie. C. Inschrijving en afbetaling van de nieuwe uitgegeven aandelen, met vaststelling dat de kapitaalverhoging effectief is verwezenlijkt. D. Verhoging maatschappelijk kapitaal met max. 1.906.250 euro door incorporatie van uitgiftepremies ten belope van dit bedrag zonder creatie van nieuwe aandelen. Machtiging raad van bestuur. E. Verhoging maatschappelijk kapitaal met max. 250.000 euro door incorporatie van beschikbare reserves ten belope van dit bedrag zonder creatie van nieuwe aandelen. Machtiging raad van bestuur. F. Aanpassing van de tekst van artikel 5 van de statuten om deze in overeenstemming te brengen het het nieuwe bedrag van het kapitaal. G. Machtiging aan de raad van bestuur om binnen de termijn van vijf jaar te rekenen van de datum van de bekendmaking van het besluit dat deze machtiging wordt verleend, in één of meerdere malen, op de wijze en tegen de voorwaarden die de raad zal bepalen, het kapitaal te verhogen met een maximum bedrag van 2.000.000 euro. Binnen de hierboven gestelde grenzen kan de raad van bestuur beslissen het kapitaal te verhogen, hetzij door inbrengen in geld, hetzij, onverminderd de wettelijke beperkingen, door niet-geldelijke inbrengen, hetzij door omzetting van reserves van welke aard ook en/of uitgiftepremies, met of zonder uitgifte van nieuwe aandelen. De raad kan overeenkomsten afsluiten met het oog op de volstorting van de kapitaalverhoging waartoe hij besluit over te gaan. Indien de raad naar aanleiding van zijn beslissing tot kapitaal verhoging de betaling van een uitgiftepremie vraagt, zal deze uitgifte premie van rechtswege op een onbeschikbare rekening ″uitgiftepremie″ worden geboekt, die in dezelfde mate als het maatschappelijke kapitaal tot waarborg van derden zal strekken, en die behoudens het recht van de raad van bestuur om ze te incorporeren in het kapitaal, enkel mag verminderd of afgeschaft worden bij besluit van de algemene vergade ring beraadslagend met inachtneming van de voorschriften bepaald in het Wetboek van Vennootschappen. Overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennoot schappen, is de raad van bestuur bevoegd om, in het belang van de vennootschap, het voorkeurrecht van de aandeelhouders te beperken of op te heffen; deze beperking of opheffing kan ook gedaan worden ten gunste van één of meer bepaalde personen andere dan personeels leden van de vennootschap of van haar dochtervennootschappen. 68548 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bij opheffing van het voorkeurrecht kan de raad van bestuur voor rang verlenen aan de bestaande aandeelhouders bij de toekenning van de nieuwe aandelen. H. Aanpassing van de statuten aan de genomen beslissingen. II. Machtiging aan de raad van bestuur tot uitvoering van voor gaande beslissingen. Zich richten naar de statuten. (49166) GRAND GARAGE DU NORD, société anonyme, chaussée de Bruxelles 95, 7500 Tournai TVA BE 0402.508.626 – RPM Tournai MM. les Actionnaires sont priés d’assister le jeudi 28 décembre 2006, à 15 heures, en l’étude des notaires associés Jean-Luc HACHEZ et Véronique GRIBOMONT à Tournai, boulevard du Roi Albert 8, à une assemblée générale extraordinaire avec pour ordre du jour : 1. a) Rapport du conseil d’administration sur la modification de l’objet social proposée ci-dessous, avec, en annexe, un état résumant la situation active et passive de la société au 30.09.2006. b) Rapport du commissaire sur cet état. c) Proposition de modifier l’objet social pour l’étendre à la constitu tion et à la mise en valeur d’un patrimoine immobilier pour compte propre et pour y inclure la possibilité pour la société de se porter caution hypothécaire ou autre pour toute personne liée ou non et d’accepter eet exercer toutes fonctions d’administration et de gestion et tous mandats au sein de toutes sociétés ou entreprises. 2. Modification consécutive de l’article 3 des statuts. 3. Pouvoirs à conférer au conseil d’administration pour l’exécution des résolutions ci-dessus. Le texte complet des rapports et modifications aux statuts peut être obtenu au siège de la société, sur simple demande MM. Les Action naires. (49167) Le conseil d’administration. HEDIMMO, naamloze vennootschap, Winterstraat 143, 3201 Langdorp Ondernemingsnummer 0472.784.235 Algemene vergadering op de zetel op 29/12/2006, om 16 uur. Agenda : Verslag raad van bestuur. Goedkeuring van de jaarrekening. Bestemming resultaat. Kwijting aan bestuurders. Diversen. (49168) IMMO REJO, naamloze vennootschap, Noorderlaan 20, 2970 Schilde Ondernemingsnummer 0441.703.851 Algemene vergadering op de zetel op 22/12/2006, om 14 uur. Agenda : Verslag raad van bestuur. Goedkeuring van de jaarrekening. Bestemming resultaat. Kwijting aan bestuurders. Diversen. (49169) LA JOUERIE, société anonyme, rue de la Jouerie 78A, 1495 Villers-la-Ville R.C. Nivelles 40158 - Numéro d’entreprise 0417.372.093 Le dividende attribué par l’assemblée générale ordinaire du 27 novembre 2006 sera payable à l’agence ING, rue de la Tourette 20, à 1495 Marbais, contre remise du coupon n° 5, à partir du 27 décem bre 2006. (49170) Le conseil d’administration. Marketing & Management Consultants, naamloze vennootschap, Mageleinstraat 3, 9000 Gent Ondernemingsnummer 0438.671.810 Algemene vergadering op de zetel op 30/12/2006, om 15 uur. Agenda : Verslag raad van bestuur. Goedkeuring van de jaarrekening. Bestemming resultaat. Kwijting aan bestuurders. Herbenoe ming. (49171) ″LOCASPEED″, société anonyme, 4841 Welkenraedt (Henri-Chapelle), chaussée de Liège 28 RPM Verviers – Numéro d’Entreprises : 0462.127.103 ASSEMBLEE GENERALE EXTRAORDINAIRE Les actionnaires de la société sont invités à se présenter en l’étude du notaire Jacques Rijckaert, de résidence à Eupen, rue de Verviers 10, le vendredi 22 DECEMBRE 2006, à 11 heures, pour l’assemblée générale extraordinaire dont l’ordre du jour est le suivant : réduction de capital à concurrence de 81.130,79 euro en vue d’absorber les pertes constatées Adaptation corrélative des statuts Modifications diverses des statuts en vue de se conformer aux dernières dispositions légales (BCE, Corporate Governance, Csoc). Les actionnaires désireux de participer à l’assemblée générale ou de s’y faire représenter sont tenus de se conformer aux statuts. Les rapports du CA sont disponibles dès ce jour au siège de la société et seront délivrés à tout actionnaire, contre production de son titre, conformément au Code des Sociétés. (49172) Vaniver, naamloze vennootschap, Vredelaan 24A, 8500 Kortrijk O.N. 0434.856.047 De aandeelhouders en bestuurders worden uitgenodigd tot de gewone algemene vergadering op 30/12/2006, om 13 uur, op de zetel van de vennootschap. Agenda : 1 Lezing van de jaarrekening per 31/07/2006. 2 Goedkeuring van voornoemde stukken. 3 Bestemming van het resultaat. 4 Kwijting aan de bestuurders. 5 Goedkeuring van de stand van de lopende rekeningen. 6 Varia. Zich richten naar de statuten. (49173) « LA FLECHE », société anonyme, rue de la Fèche 201, 6880 Bertrix RPM Neufchâteau 0404.351.131 — Numéro d’entreprise 0404.351.131 Les actionnaires et administrateurs sont priés d’assister à l’assemblée générale extraordinaire qui se tiendra le vendredi 22 décembre 2006, à 8 heures, en l’étude de Maître Jean Pierre Fosséprez, notaire à Libra mont, sise à 6800 Libramont, rue du Serpont 29B. L’Ordre du Jour de cette assemblée est le suivant : 1. APPROBATION DES COMPTES ANNUELS EXERCICE DEUX MILLE CINQ - DECHARGE AUX ADMINISTRATEURS ET A L’ADMI NISTRATEUR DELEGUE 2. SIEGE SOCIAL Modification de l’article des statuts de la société relatif au siège social afin de le mettre en concordance avec la décision prise par l’assemblée générale qui s’est tenue le sept avril deux mille un et dont le procès verbal a été publié par extrait aux Annexes au Moniteur belge du premier janvier deux mille deux, sous le numéro 20020101-0362. 68549BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 3. OBJET SOCIAL A. Lecture du rapport établi par le conseil d’administration, en application de l’article 559 du Code des sociétés avec, en annexe, un état comptable résumant la situation active et passive de la société arrêtée au trente septembre deux mille six. B. Modification et extension de l’objet de la société afin que l’article des statuts de la société y relatif se lise désormais comme suit : « La société a pour objet, tant en Belgique qu’à l’étranger, pour compte propre, pour compte de tiers ou en participation avec ceux-ci, toutes opérations généralement quelconques, commerciales, indus trielles, financières, mobilières ou immobilières, se rapportant directe ment ou indirectement : A. 1. au commerce en gros et/ou en détail de voitures automobiles neuves ou d’occasion, de machines, marchandises et matériels horti coles, agricoles et forestiers neufs ou d’occasion ainsi que de tous véhicules utilitaires neufs ou d’occasion et notamment, sans que la présente liste soit limitative -, la vente, l’achat, la location, la réparation, le dépannage, le remorquage et l’entretien de ces véhicules, ainsi que de leurs accessoires et pièces de rechange, et toutes pièces de carros serie, ainsi que la peinture 2. à l’importation et l’exportation de véhicules neufs ou d’occasion ainsi que l’importation et l’exportation d’accessoires et pièces de rechange relatifs à tout véhicule; 3. à toutes opérations de carrosserie et toutes opérations de démoli tion de véhicules; 4. à la construction, la vente, la location et l’achat de matériel de transports (remorques et semi-remorques), de véhicules industriels, forestiers et agricoles ainsi que la réparation et l’entretien relatifs à ces véhicules et matériels, leurs accessoires et pièces de rechange en ce compris tout travail de carrosserie et de peinture; 5. à l’exploitation de forge de maréchal ferrant et de forgeron, à la fabrication d’articles en fer forgé ainsi qu’à l’entreprise de constructions métalliques, de charpentes métalliques et divers (bennes,...) – ce point devant être pris dans son sens le plus large -; 6. à toutes opérations se rapportant directement ou indirectement à la vente et l’achat de lubrifiants, d’huiles, de produits pétroliers en ce compris le gazoil de chauffage; 7. au commerce de détail de bonbonnes de gaz; 8. à l’entreprise de placement de système au gaz sur véhicules à moteur ou L.P.G.; 9. au commerce de gros et de détail en bandages pneumatiques pour véhicules à moteur; 10. à la location de containers. B. à l’exploitation de stations-services et d’une (de) boutique(s) « shop » y annexée(s); C .au commerce (vente et achat) en gros et/ou au détail : 1. en carburants, lubrifiants, produits pétroliers divers distribués dans les stations services; 2. à toute activité de car wash ou liée au car wash; 3. en pièces détachées et accessoires pour véhicules à moteur, distribués dans les stations services; 4. de tous produits « food et non food » mis en vente dans les « shops » (boutiques de stations services) ainsi que dans les petites et moyennes surfaces commerciales; 5. en articles de papeterie, librairie, articles religieux; 6. de photocopies; 7. relatif à la publication de journaux publicitaires à distribution gratuite, à la vente de journaux et de périodiques; 8. en articles cadeaux, souvenirs et gadgets; 9. relatif à la vente de disques CD, cassettes et CD rom, piles, articles photos, etc...; 10. au négoce et commerce de meubles, machines, matériels et produits ou articles de bureau; 11. au négoce et commerce de matériel radio-électrique; 12. au négoce et commerce de jouets. D. à la fonction d’intermédiaire commercial ainsi qu’à toutes presta tions de service en général. La présente énumération est exemplative et non limitative. Elle doit être interprétée dans son sens le plus large, étant entendu que la société s’interdit les activités soumises à un monopole légal dont elle ne disposerait pas. La société pourra exploiter tous entrepôts et magasins, acquérir, louer tous terrains, immeubles ou installations, transformer lesdits immeu bles pour faciliter la réalisation de son objet. La société peut accomplir toutes opérations généralement quelcon ques, commerciales, industrielles, financières, mobilières ou immobi lières se rapportant directement ou indirectement à son objet ou pouvant en faciliter l’extension ou le développement. Elle pourra s’intéresser par toutes voies dans toutes affaires, entre prises ou sociétés, en Belgique ou à l’étranger, dont l’objet serait identique, analogue ou connexe ou qui seraient de nature à favoriser le développement de son entreprise, à lui procurer des matières premières ou à lui faciliter l’écoulement de ses produits. La présente énumération est exemplative et non limitative. La société peut exercer les fonctions d’administrateur ou de liquida teur dans d’autres sociétés. Seule l’Assemblée Générale aura pouvoir pour apprécier l’étendue de l’objet social. » 4. CAPITAL SOCIAL 1. Suppression de la valeur nominale des actions composant le capital social. 2. Modification des articles des statuts de la société relatifs d’une part au montant et à la représentation du capital social ainsi qu’à l’historique afin de le mettre en concordance : avec la décision qui sera prise relativement au point 3.1. ci-avant; avec la décision prise par l’assemblée générale qui s’est tenue le sept avril deux mille un et dont le procès-verbal a été publié par extrait aux Annexes au Moniteur belge du premier janvier deux mille deux, sous le numéro 20020101-0362. 5. ADMINISTRATION Modification de l’article des statuts relatif à la représentation de la société dans les actes et actions judiciaires afin que celui-ci se lise désormais comme suit : « La société est représentée dans tous les actes et en justice : soit par deux administrateurs agissant conjointement ou par un administrateur délégué; soit, dans les limites de la gestion journalière et des pouvoirs qui leur ont été conférés, par le délégué à cette gestion s’il n’y en a qu’un seul et par deux délégués agissant conjointement s’ils sont plusieurs. Elle est en outre valablement engagée par des mandataires spéciaux dans les limites de leurs mandats. » 6. ACTUALISATION DES STATUTS DE LA SOCIETE Modification, mise en concordance et actualisation des statuts de la société afin : A. de les mettre en conformité avec : les dispositions contenues dans le Code des sociétés; la pratique actuelle; les résolutions qui seront prises relativement aux points de l’ordre du jour repris ci-avant; B. d’assurer la cohérence de ceux-ci suite à la mise en conformité dont question ci-avant. 68550 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 7. MANDATS Renouvellement pour une durée de six ans – sauf décision ultérieure – et ce, à compter de la date de l’assemblée générale extraordinaire -, des mandats des trois administrateurs et de l’administrateur délégué en place. Pouvoirs et rémunérations éventuels à octroyer aux adminis trateurs et à l’administrateur délégué reconduits dans leur(s) fonc tion(s) respective(s). 8. POUVOIRS D’EXECUTION. (49174) Société Anonyme Fournitures et Placements de Pierre et Marbres, chaussée d’Alsemberg 95/1, 1420 Braine-l’Alleud à 1420 Braine l’Alleud, chaussée d’ Alsemberg 95 Numéro d’entreprise 0453.695.427 Les actionnaires et les obligataires sont invités à l’assemblée générale extraordinaire, à tenir le 27 décembre 2006, à 11 h 30 m, à Halle, chaussée de Lennik 9, avec l’ordre du jour suivant : ORDRE DU JOUR. I/AUGMENTATION DU CAPITAL SOCIAL. Augmentation du capital social à concurrence de CINQUANTE CINQ MILLE (55.000 euro) euros par incorporation des réserves libres sans création de nouvelles actions. II. PROJET DE SCISSION. Lecture du projet de scission, rédigé par les administrateurs de la société – déposé au greffe du tribunal de commerce de Nivelles le 13 novembre 2006 Le projet de scission contient également le projet des statuts de la société, à créer. III/SCISSION par constitution d’une nouvelle société sans que la société transférante cesse d’exister (article 677 du Code des sociétés) Suite à cette fusion : réduction du capital social de la société existante à concurrence du capital social de la nouvelle société soit cinq cent soixante mille (560.000) euros. Fixation de la rémunération, à attribuer aux actionnaires de la société existante et du nombre des actions nouvelles à créer dans la nouvelle société. IV. RAPPORT DU CONSEIL D’ADMINISTRATION. Lecture du rapport dressé par le conseil d’administration en appli cation de l’article 745 du Code des sociétés. Ce rapport fait mention du rapport révisoral visé par l’article 444 du code des sociétés. V. RAPPORT REVISORAL. Lecture du rapport révisoral sur le projet de scission. VI. RAPPORT d’un réviseur d’entreprises en vertu de l’article 444 du code des sociétés. VII. CONSTITUTION d’une nouvelle société. Fixation des disposi tions élémentaires des statuts FORME : société commerciale sous forme de société anonyme NOM : COUPALL-SIEGE : 141O Nivelles, boulevard de la Dodane 66 DUREE : constituée pour une durée illimitée CAPITAL SOCIAL : CINQ CENT SOIXANTE MILLE EUROS repré senté par vingt mille actions sans désignation de valeur nominale (13.000 actions de catégorie A et 7000 actions de catégorie B, jouissant toutes des mêmes droits et avantages, à l’exception que les actions du catégorie B jouiront, d’un droit à un dividende préférentiel de cinq euros par année et par action. OBJET : La société a pour objet : 1. La prestation, à toutes personnes physiques ou morales, entre prises publiques ou privées, de tous services de consultance et de conseil en matière de gestion générale, administrative, financière et logistique de sociétés, de promotion des ventes, de marketing et d’organisation de marchés; ces prestations pourront être effectuées dans tout domaine d’activité et sur tout marché, mais dans la mesure où ces activités ne sont pas soumises à des dispositions légales ou réglemen taires qui en réglementent l’accès; La gestion journalière d’entreprises, l’analyse de marchés; les modes d’organisation et de gestion des ressources humaines; Toutes études de marketing, expertises et conseils en matière de communication, d’acquisitions de sociétés, d’organisation, de personnel, de relations publiques et toutes opérations s’y rapportant; la fourniture de toutes études, expertises et conseils en matière d’inves tissements. Toutes prestations de conseil en matière de communication, et de relations publiques. La société peut faire toutes transactions immobilières et mobilières, notamment : acquérir, aliéner, construire, gérer, exploiter, valoriser, lotir, louer et donner en bail des biens immeubles et des biens meubles; conseiller et agir comme coordinateur lors de la réalisation de construc tions et comme agent immobilier. Elle pourra prendre des participations dans toutes sociétés et dans toutes entreprises sous forme de participation, apport, souscription, absorption, fusion et autres; elle peut aliéner ses participations, aussi partiellement. Elle peut gérer et exploiter son patrimoine mobilier et immobilier, sous la plus large acception du terme. La société peut pourvoir à l’administration (mandat de gérant/ administrateur), à la supervision et au contrôle de toutes sociétés liées ou pas. Elle pourra contracter ou consentir tous emprunts hypothécaires ou non, donner ou prendre en gage ou en caution, consentir des garanties (hypothécaires), même pour des tiers,(exception faite pour les opéra tions, réservées par la loi ou la réglementation aux banques ou aux institutions de crédit). La société pourra d’une façon générale accomplir toutes opérations commerciales, industrielles, financières, mobilières ou immobilières, se rapportant directement ou indirectement à son objet social ou qui seraient de nature à en faciliter entièrement ou partiellement la réali sation. NATURE DES TITRES. Les actions sont nominatives, dématérialisées ou au porteur. CONSEIL D’ADMINISTRATION. 1. REUNIONS. sur la convocation de son Président -deux adminis trateurs ou un administrateur délégué .Les décisions sont prises à la majorité simple Représentation par un de ses collègues 2. POUVOIRS. compétent pour tous actes d’administration, utiles ou nécessaires à l’accomplissement de l’objet social, à l’exception de ceux réservé à l’assemblée générale. 3. GESTION JOURNALIERE peut être conférée soit à un comité de direction, soit à un ou plusieurs administrateurs (administrateur délégué) ou à un ou plusieurs directeurs (directeur-délégué).Le Conseil détermine leurs attributions et leur pouvoir de représentation indivi duel ou collégial. 5. REPRESENTATION. Soit par deux administrateurs agissant conjointement, soit dans les limites de la gestion journalière, par un délégué à cette gestion ou par des mandataires spéciaux. ASSEMBLEE GENERALE. L’Assemblée Générale ordinaire se réunit annuellement le 14 juin, à 14 heures, au siège social, sauf le cas ou les convocations mentionnent un autre endroit. Admission : - les détenteurs de titres au porteur doivent les déposer avant la date prévue au siège de la société ou dans une institution financière mentionnée dans les convocations. Les propriétaires de titres dématérialisés doivent déposés sous les mêmes conditions, une attestation, établie par le teneur de comptes agréé, constatant l’indisponibilité des actions dématérialisées jusqu’à la date de l’assemblée générale. Les obligataires peuvent assister à l’assemblée avec voix consultative. 68551BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Ils seront admis à l’assemblée après la présence de leur attestation de dépôt. Les propriétaires de titres nominatifs sont libérés de cette obligation. Représentation : par procuration écrite. Les actionnaires mariés peuvent se faire représenter par leur conjoint par procuration verbale, les mineurs et les interdits par leur tuteur; les sociétés par leurs organes. Chacun doit, avant de participer à l’assemblée, signer la liste de présence. ECRITURES SOCIALES. Chaque exercice social commence le premier janvier et se termine le trente et un décembre suivant. LIQUIDATION.L’actif net sera réparti entre les actionnaires au pro rata du nombre d’actions de chacun et compte tenu de la libération de chaque action. VIII. APPROBATION des statuts de la nouvelle société. IX. Démission d’administrateurs- nomination d’administrateurs; X. Délégation spéciale à fin de signer, au nom de la société existante, l’acte constitutif de la nouvelle société issue de cette scission et de repartir les nouvelles actions entre les actionnaires de la société exis tante. XI. Dispositions transitoires. Si la portion du capital, représentée par les actionnaires présents est insuffisante, une deuxième assemblée aura lieu au 29 décembre 2006 à 11 h 30 m, même endroit, avec le même ordre du jour. Cette assemblée délibérera valablement. Se conformer aux statuts. Rudi Floridor, administrateur délégué Maria COX, administra teur. (49175) Herdisco, naamloze vennootschap, Leuvensesteenweg 72, bus 4, 3290 Diest 0466.189.819 RPR Leuven Jaarvergadering op 30/12/2006 om 18 uur ten maatschappelijke zetel. — Agenda : 1. Verslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring jaar rekening per 30/06/2006. 3. Bestemming resultaat. 4. Kwijting bestuur ders. 5. Varia. (49176) Reytec, naamloze vennootschap, Putvennestraat 51, 3500 Hasselt 0401.284.446 RPR Hasselt Jaarvergadering op 30/12/2006 om 20 u. op de zetel. Agenda : 1. Verslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring jaarrekening per 30/06/2006. 3. Bestemming resultaat. 4. Kwijting bestuurders. 5. Diverse. Zich richten naar de statuten. (49177) Topco Investments, naamloze vennootschap, Meersestraat 37-39, 9690 Kluisbergen 0862.045.433 RPR Oudenaarde Bijzondere Algemene Vergadering op vrijdag 22/12/2006 om 14 uur op de maatschappelijke zetel. Agendapunten : Ontslag bestuurders. Benoeming bestuurders. (49178) Openbare Besturen en Technisch Onderwijs Administrations publiques et Enseignement technique OPENSTAANDE BETREKKINGEN − PLACES VACANTES Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn van Herzele Het O.C.M.W. van de gemeente Herzele richt een aanwervings examen in voor volgende betrekking, met een wervingsreserve van 3 jaar : 1 Technisch hoofdmedewerker huisvestiging/sociale zaken/interne preventie (m/v) (statutair) : 1 vacante betrekking De voltijdse statutaire betrekking van technisch hoofdmedewerker huisvestiging/sociale zaken/interne preventie (m/v) wordt openver klaard. De toelatingsvoorwaarden voor de statutaire betrekking worden overeenkomstig het administratief statuut als volgt vastgesteld : 1. een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; 2. de burgerlijke en politieke rechten genieten; 3. aan de dienstplichtwetten voldoen; 4. lichamelijk geschikt zijn, de lichamelijke geschiktheid wordt vast gesteld door de Internbedrijfsgeneeskundige dienst voor openbare besturen in Oost-Vlaanderen « Progecov » te Gent; 5. de Belgische nationaliteit of een nationaliteit als onderdaan van een lidstaat van de E.U. bezitten. De aanwervingsvoorwaarden worden overeenkomstig het admini stratief statuut als volgt vastgesteld : 1. houder zijn van één van de diploma’s of studiegetuigschriften welke in aanmerking komen voor de toelating tot een betrekking van niveau 2 bij de rijksbesturen (bijlage 1 van het K.B. van 2 oktober 1937 tot vaststelling van het statuut van het Rijkspersoneel); 2. minimum 4 jaar relevante ervaring kunnen aantonen in een openbaar bestuur in een technische graad met schaal C2 met voortge zette vorming of met schaal C3 en in het bezit zijn van het getuigschrift « aanvullende vorming voor preventie-adviseur van het 2° niveau » en in het bezit zijn van het getuigschrift van Huisvestigingsconsulent; 3. over een gunstige evaluatie beschikken; 4. slagen in een aanwervingsexamen. Het bewijs dat de kandidaat voldoet aan de diplomavoorwaarden en minimuum 4 jaar ervaring heeft in een openbaar bestuur in een technische graad met schaal C2 met voortgezette vorming of met schaal C3 moet, op straf van uitsluiting van het examen, geleverd worden op de uiterste datum gesteld voor het indienen van de kandidaatstel lingen. De kandidaten die slagen voor het aanwervingsexamen worden opgenomen in de wervingsreserve voor het statutair personeel. Deze wergvingsreserve is geldig voor 3 jaar, te rekenen vanaf de maand volgend op de datum waarop het proces-verbaal van het laatste examengedeelte is afgesloten. De kandidaturen dienen samen met een curriculum vitae, een kopie van de vereiste diploma’s, het bewijs van 4 jaar ervaring in een openbaar bestuur in een technische graad met schaal C2 met voortge zette vorming of met schaal C3, aangetekend te worden gezonden aan de heer voorzitter van het O.C.M.W.-Herzele, Kloosterstraat 42, 9550 Herzele, uiterlijk op datum van 27 december 2006 (datum post stempel geldt als bewijs) of tegen ontvangstbewijs worden afgegeven op de personeelsdienst van het O.C.M.W. tot dezelfde datum. Verdere gegevens, functiebeschrijving en functievereisten kunnen bekomen op de personeelsdienst of het secretariaat, tel. : 053-60 33 02 of 053-60 33 12. (48961) 68552 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Hogeschool West-Vlaanderen De Hogeschool West-Vlaanderen heeft volgende extern vacante betrekking voor administratief personeel. Vacature : Administratief medewerker m/v Ref. nummer vacature : 2006/CD/ATP/BS/009 Niveau : C Volume : 50 % Salarisschaal : 577 Graad : C1 Plaats tewerkstelling : Departement Simon Stevin Aanstellingskenmerken : De termijn van aanstelling loopt vanaf 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2007 (verlengbaar). De kandidaten moeten voldoen aan de voorwaarden in verband met toegang tot de ambten, artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap d.d. 21 februari 2003. Algemeen profiel : In het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs; vertrouwd met courante software pakketten (office); openheid voor vernieuwing en bereidheid tot permanente interne of externe bijscholing; communi catief, open en motiverend kunnen omgaan met medewerkers en docenten; vlot kunnen werken in teamverband; zich soepel kunnen aanpassen aan een evoluerende taakinhoud; flexibiliteit in werk- en prestatieregeling. Specifieke functieomschrijving : Verkoop cursussen- didactisch materiaal : uitbating studentenwinkel. Organisatie boekenverkoop studenten : bestellingen en opvolging. Stockbeheer : didactisch materiaal, stock keuken en onderhoudspro ducten. Opmaak uitgaande facturen kopiedienst. Ondersteunende administratieve taken financiële dienst. Diplomavereisten en nuttige beroepservaring minimum diploma secundair onderwijs, nuttige beroepservaring strekt tot aanbeveling Kandidaturen dienen bezorgd te worden via een schriftelijke en gemotiveerde sollicitatie (vermelding ref. nummer vacature) en uitge breid curriculum vitae uiterlijk op 17 december 2006 t.a.v. Lucien Bollaert, wnd. algemeen directeur van de Hogeschool West Vlaanderen, Marksesteenweg 58, te 8500 Kortrijk. De selectie vindt plaats op basis van het sollicitatiedossier en persoonlijk gesprek. (48962) Gerechtelijke akten en uittreksels uit vonnissen Actes judiciaires et extraits de jugements Bekendmaking gedaan overeenkomstig artikel 490 van het Strafwetboek Publication faite en exécution de l’article 490 du Code pénal Misdrijven die verband houden met de staat van faillissement Infractions liées à l’état de faillite Tribunal de première instance de Liège Le tribunal correctionnel de Liège a condamné : Foxhal, Pierre, né le 14 janvier 1953 à Herstal, domicilié à 3920 Lommel, Hoogstraat 11, en état de récidive légale, du chef des préventions A.1, B.2, C.3, D.4 et E6 confondues à une peine unique de six mois d’emprisonnement et à une amende de 2011 euros X 5,5 ainsi portée à 1.100 euros ou 30 jours d’emprisonnement subsidiaire; lui a interdit d’exercer, personnellement ou par interposition de personne, les fonctions d’administrateur, de commissaire ou de gérant dans une société par actions, une société privée à responsabilité limitée ou une société coopérative, de même que des fonctions conférant le pouvoir d’engager l’une de ces sociétés ou les fonctions de préposé à la gestion d’un établissement belge, prévu par l’article 198, § 6, alinéa 1er, des lois sur les sociétés commerciales, coordonnées le 30 novembre 1935, ou la profession d’agent de change ou d’agent de change correspondant pendant 10 ans; lui a interdit également d’exercer une activité commerciale, person nellement ou par interposition de personne pour une durée de 10 ans; l’a condamné en outre : à payer la somme de 25 euros majorés de 45 décimes additionnels et ainsi portée à 137,5 euros à titre de contribution au fonds spécial prévu par l’article 28 die la loi du 1er août 1985, telle que modifiée par la loi du 24 décembre 1993; aux frais liquidés à la somme de 24,24 euros; lui a imposé une indemnité de 25 euros (arrêté royal du 23 décem bre 1993); a ordonné la publication du présent jugement par extrait, aux frais du condamné, au Moniteur belge, dans les formes prévues à l’article 490 du code pénal. du chef d’avoir : étant dirigeant, de droit ou de fait, de société commerciale, en l’espèce de la SPRL Foxhal Pierre, faillie dès le 9.11.2001 (voir pièces n° 16 et 44) et déclarée telle par jugement du tribunal de commerce de Liège en date du 6.5.2002, RC Liège 205204, d’avoir à Sprimont, Liège et de connexité dans l’arrondissement judiciaire de Huy A.1. Entre le 26.3.2003 et la date de la présente citation, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, commis des faux en écritures de commerce, de banque ou en écritures privées, soit par fausses signatures, soit par contrefaçon ou altération d’écritures ou de signatures, soit par fabrication de conventions, disbositions, obligations ou décharges, ou par leur insertion après coup dans les actes, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que ces actes avaient pour objet de recevoir ou de constater, et d’avoir, avec la même intention frauduleuse ou le même dessein de nuire, fait usage de ladite fausse pièce sachant qu’elle était fausse, pour avoir notamment 68553BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE rédigé des fausses factures (au nombre, à tout le moins, de six) à l’attention de la SA Ma Maison qui émanent prétendument de « Pierre Fox(h)alle » dont le n° de TVA serait le 751.279.648, dont l’immatriculation au RC serait le 39 958 et qui serait enregistré sous le n° 09.11.11; B.2. Entre le 5.5.2002 (6.5.2002 : date du jugement déclaratif de faillite) et le 24.9.2005 (pièce n° 41), avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, soustrait, en tout ou en partie, des livres ou documents comptables visés au chapitre premier de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises, en l’espèce la comptabilité de la SPRL Foxhal Pierre; C.3. Entre le 5.5.2002 et ce jour, sans empêchement légitime, omis d’exécuter les obligations prescrites par l’article 53 de la loi sur les faillites, en l’espèce : de se rendre à toutes les convocations lui faites, soit par le juge commissaire, soit par les curateurs, de fournir au juge-commissaire et aux curateurs tous les renseigne ments requis, d’aviser les curateurs de tout changement d’adresse; D.4. dès le 14.1.2002, dans l’intention de retarder la déclaration de faillite de la SPRL Foxhal Pierre, omis d’en faire l’aveu dans le mois de la cessation de ses paiements, tel que prescrit par l’article 9 de la loi sur les faillites; F.6. dès le 01.8.2001, étant gérant, administrateur ou personne chargée de la gestion de la SPRL Foxhal Pierre, contrevenu à l’article 98 du Code des sociétés prescrivant le dépôt des comptes annuels à la Banque nationale de Belgique dans les trente jours de leur approbation, en l’espèce les comptes annuels de l’année 2000; avec la circonstance qu’il a commis les faits depuis qu’il a été condamné le 19.12.2002 par jugement du Tribunal correctionnel de Liège coulé en force de chose jugée à la date des nouveaux faits à une peine de 3 ans d’emprisonnement avec sursis de 5 ans pour ce qui excède la détention préventive du chef de vols et association de malfaiteurs, peine non encore subie ou prescrite. (art. 56 CP) Lois appliquées Vu les articles 34, 40, 44, 56, 65, 79, 80, 85, 193, 196, 197, 213, 214, 489, 489bis, 489ter 490 du Code Pénal, 98 et 128 du Code des sociétés, 1 et 1bis de l’arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l’interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d’exercer certaines fonctions, professions ou activités 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale tel que modifié par la loi du 13 avril 2005 194 C.I.C La loi du 5.3.1952 modifiée par celle du 24 décembre 1993 et celle du 26 juin 2000 Les règlement (CE) n° 1103/97 et 974/98 du Conseil relatifs à l’introduction de l’euro La loi du 15 juin 1935. Pour extrait conforme délivré à Mme le procureur du Roi. Liège, le 28 novembre 2006. Le greffier-chef de service : (signé) M. Dereze. (48963) Le tribunal correctionnel de Liège a condamné : Kozlowski, Jacky, né le 21.8.1969 à Rocourt, domicilié à 4020 Liège, quai Orban 56, en état de récidive légale, du chef des préventions A.1, B.2, C.3 et D.4 confondues à une peine unique de cinq d’emprisonnement et à une amende de 150 euros X 5,5 ainsi portée à 825 euros ou 15 jours d’emprisonnement subsidiaire; lui a interdit d’exercer, personnellement ou par interposition de personne, les fonctions d’administrateur, de commissaire ou de gérant dans une société par actions, une société privée à responsabilité limitée ou une société coopérative, de mime que des fonctions conférant le pouvoir d’engager l’une de ces sociétés ou les fonctions de préposé à la gestion d’un établissement belge, prévu par l’article 198, § 6, alinéa 1er, des lois sur les sociétés commerciales, coordonnées le 30 novembre 1935, ou la profession d’agent de change ou d’agent de change correspondant pendant 10 ans; lui a interdit également d’ exercer une activité commerciale, person nellement ou par interposition de personne pour une durée de 10 ans; l’a condamné en outre : à payer la somme de 25 euros majorés de 45 décimes additionnels et ainsi portée à 137,5 euros à titre de contribution au fonds spécial prévu par l’article 28 de la loi du 1er août 1985, telle que modifiée par la loi du 24 décembre 1993, aux frais liquidés à la somme de 10,95 euros; lui a imposé une indemnité de 25 euros (arrêté royal du 23 décem bre 1993); a ordonné la publication du présent jugement par extrait, aux frais du condamné, au Moniteur belge, dans les formes prévues à l’article 490 du Code pénal. Du chef d’avoir Etant dirigeant, de droit ou de fait, de société commerciale, en l’espèce de la SPRL Global Services, faillie dès le 13.3.2002 (saisie TVA) et déclarée telle par jugement du tribunal de commerce de Liège en date du 10.11.2003, RC Liège 205487, A.1. entre le 19.10.2003 et le 7.12.2005, à plusieurs reprises, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, détourné ou dissimulé tout ou partie de l’actif, en l’espèce un véhicule de marque LANDROVER modèle Freelander d’une valeur de 26.010,57 et des amplificateurs; (art. 489ter, 1° du Code Pénal) B.2. entre le 12.3.2002 et le 27.6.2003, frauduleusement détruit ou détourné, dans l’intérêt de la SPRL Global Services, notamment des amplificateurs et du matériel informatique, objets saisis sur la SPRL Global Services par exploit de l’huissier T. Hoge, en date du 13.3.2002; (art. 507 al. 1 du Code Pénal) C.3. dès le 13.4.2002, dans l’intention de retarder la déclaration de faillite de la SPRL Global Services, omis d’en faire l’aveu dans le mois de la cessation de ses paiements, tel que prescrit par l’article 9 de la loi sur les faillites; (art. 489bis, 4° du Code Pénal) D.4. entre le 31.12.2003 et le 7.12.2005 (date de son audition), sans empêchement légitime, omis d’exécuter les obligations prescrites par l’article 53 de la loi sur les faillites, en l’espèce d’aviser les curateurs de tout changement d’adresse; (art. 489, 2° du Code Pénal, art. 53, al. 2 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites) Avec la circonstance qu’il a commis les faits depuis qu’il a été condamné le 27.6.1995 par jugement du Tribunal correctionnel de LIEGE coulé en force de chose jugée à la date des nouveaux faits à une peine de quatre ans d’emprisonnement du chef de vol avec violences, extorsion, privation de liberté illégale et arbitraire et escroquerie, et avant (expiration du délai de cinq ans depuis la date à laquelle la peine a été subie ou prescrite. Lois appliquées : Vu les articles 34, 40, 44, 56, 65, 489, 489bis, 489ter, 490, 507 du Code Pénal, 1 et 1bis de l’arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l’interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d’exercer certaines fonctions, professions ou activités 68554 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale tel que modifié par la loi du 13 avril 2005 194 C.I.C 1382 CC La loi du 5.3.1952 modifiée par celle du 24 décembre 1993 et celle du 26 juin 2000 Les règlement (CE) n° 1103/97 et 974/98 du Conseil relatifs à l’introduction de feuro La loi du 15 juin 1935. Pour extrait conforme délivré à Mme le procureur du Roi. Liège, le 28 novembre 2006. Le greffier-chef de services : (signé) M. Dereze. (48964) Bekendmaking gedaan overeenkomstig artikel 488bis e, § 1 van het Burgerlijk Wetboek Publication faite en exécution de l’article 488bis e, § 1er du Code civil Aanstelling voorlopig bewindvoerder Désignation d’administrateur provisoire Vredegerecht van het eerste kanton Antwerpen Bij vonnis van de toegevoegde vrederechter van het eerste kanton Antwerpen, verleend op 24 november 2006, werd Kuterna, Josée, geboren te Antwerpen op 4 maart 1950, wonende te 2060 Antwerpen, Walenstraat 53, opgenomen in de instelling ZNA, Campus Stuivenberg, Lange Beeldekensstraat 267, te 2060 Antwerpen, niet in staat verklaard zelf haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Christine De Block, advocaat, kantoorhoudende te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 20. Antwerpen, 30 november 2006. De griffier, (get.) Braeken, Godelieve. (72164) Vredegerecht van het eerste kanton Brugge Bij vonnis van de vrederechter van het eerste kanton Brugge, d.d. 22 november 2006, werd Mevr. Decorte, Rita, geboren te Nieuw poort op 26 januari 1954, wonende te 8310 Brugge (Sint-Kruis), Raadsherenlaan 47, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Mr. Anne Van Loocke, advocaat te 8340 Damme (Sijsele), Vossenberg 7. Brugge, 30 november 2006. De eerstaanwezend adjunct-griffier, (get.) Huyghe, Gina. (72165) Vredegerecht van het eerste kanton Houthalen-Helchteren Bij vonnis van de vrederechter van het kanton Houthalen Helchteren, verleend op 9 november 2006, werd Postelmans, Marcelle, geboren te Lummen op 3 februari 1926, wonende te 3530 Houthalen Helchteren, Notenstraat 2, verblijvende in het R.V.T. Vinkenhof, Lun straat 19, te 3530 Houthalen-Helchteren, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoer der : Thomassen, Diane, geboren te Genk op 29 juli 1955, verpleegster, wonende te 2520 Ranst, Venusstraat 45. Houthalen-Helchteren, 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de eerstaanwezend adjunct-griffier, (get.) Vrolix, Marleen. (72166) Vredegerecht van het kanton Ieper I Bij vonnis van de vrederechter van het kanton Ieper I, verleend op 23 november 2006, werd Mevr. Boutez, Maria Augusta, gepensio neerde, geboren te Boeschepe (Frankrijk) op 22 februari 1921, wonende en verblijvende in het rust- en verzorgingstehuis « Huize Zonnelied » te 8900 Ieper, G. de Stuersstraat 21, niet in staat verklaard zelf haar goederen te beheren. Zij kreeg toegewezen als voorlopige bewind voerder, haar zoon : de heer Lamacq, Joël, bruggepensioneerde, wonende te 8902 Ieper (Zillebeke), Maaldestedestraat 97. Ieper, 23 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Wilfried Van Engelandt. (72167) Bij vonnis van de vrederechter van het kanton Ieper I, verleend op 23 november 2006, werd de heer Cappelle, Kris Danny, geboren te Roeselare op 21 december 1973, wonende te 8900 Ieper, Capucienen straat 142, doch verblijvende te 8920 Langemark-Poelkapelle, Schrei boomstraat 2, niet in staat verklaard zelf zijn goederen te beheren. Hem werd toegewezen als voorlopige bewindvoerder : Mr. Ann Deschepper, advocaat te 8953 Heuvelland (Wijtschate), Ieperstraat 139a. Ieper, 23 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Wilfried Van Engelandt. (72168) Vredegerecht van het eerste kanton Oostende Bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Oostende, verleend op 18 oktober 2006, werd Lecocq, Frédy, geboren te Villers-la Ville op 19 april 1939, wonende te 8400 Oostende, Van Iseghem laan 38/2A, niet in staat verklaard zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Sauveur, Bernadette, wonende te 8400 Oostende, Van Iseghemlaan 38/2A. Oostende, 18 oktober 2006. De hoofdgriffier, (get.) Wybo, Marleen. (72169) Bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Oostende, verleend op 13 november 2006, werd Meert, Eliane, geboren te Geraardsbergen op 24 december 1928, wonende te 8450 Bredene, Prins Karellaan 13, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Vermeire, Veerle, advocaat, met kantoor te 8400 Oostende, Gentstraat 12. Oostende, 13 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Wybo, Marleen. (72170) Bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Oostende, verleend op 13 november 2006, werd Minses, Germaine, geboren op 29 januari 1920, verblijvende te 8400 Oostende, H. Hartziekenhuis, Gouwelozestraat 100, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Vermeire, Veerle, advocaat, met kantoor te 8400 Oostende, Gentstraat 12. Oostende, 13 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Wybo, Marleen. (72171) Vredegerecht van het tweede kanton Oostende Bij beschikking van de vrederechter tweede kanton Oostende, verleend op 22 november 2006, werd Delanoye, Kathleen, geboren te Oostende op 28 mei 1963, wonende te 8470 Gistel, IJzerwegstraat 34, 68555BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Lammens, Jean, advocaat, wonende te 8400 Oostende, Kemmelbergstraat 11. Oostende, 29 november 2006. De griffier, (get.) Bendels, Nico. (72172) Vredegerecht van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem, zetel Oudenaarde Beschikking d.d. 30 november 2006, verklaart Ivonne Rousseau, geboren te Bevere (Oudenaarde) op 9 januari 1913, en wonende te 9700 Oudenaarde, R.V.T. Heilig Hart, Marlboroughlaan 3, niet in staat zelf haar goederen te beheren en voegt toe als voorlopig bewindvoer der : Ignace Penninck, Volkaartbeekstraat 10, 9790 Wortegem-Petegem. Oudenaarde, 30 november 2006. De e.a. adjunct-griffier : (get.) Baguet, Filip. (72173) Vredegerecht van het eerste kanton Sint-Niklaas Bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Sint Niklaas, verleend op 30 november 2006, werd Maes, Albert, geboren te Sint-Gillis-Waas op 23 april 1918, gepensioneerde, wonende te 9170 Sint-Gillis-Waas, Klapdurp 27, verblijvende APZ Sint-Lucia, Ankerstraat 91, te 9100 Sint-Niklaas, niet in staat verklaard zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoer der : Maes, Etienne, geboren te Sint-Gillis-Waas op 8 januari 1946, lector, wonende te 3294 Molenstede, Leefkern 23. Sint-Niklaas, 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de griffier, (get.) Duquet, Astrid. (72174) Bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Sint Niklaas, verleend op 30 november 2006, werd Wauters, Godelieve, geboren op 13 januari 1932, wonende te 9250 Waasmunster, Stations straat 140, verblijvende APZ Sint-Lucia, Ankerstraat 91, te 9100 Sint Niklaas, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Thierens, Monique, geboren te Sint-Niklaas op 25 november 1948, huisvrouw, wonende te 9250 Waasmunster, Stationsstraat 173. Sint-Niklaas, 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de griffier, (get.) Duquet, Astrid. (72175) Vredegerecht van het kanton Veurne-Nieuwpoort, zetel Veurne Beschikking d.d. 29 november 2006, verklaart Leune, Delfien, geboren te Veurne op 30 september 1988, wonende te 8630 Veurne, G. Vermeerschlaan 11, niet in staat zelf haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Leune, Franky, onder wijzer, wonende te 8630 Veurne, G. Vermeerschlaan 11. Veurne, 30 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Carna, Roger. (72176) Vredegerecht van het kanton Westerlo Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Westerlo, verleend op 27 november 2006, werd De Roover, Sonia Anna, geboren op 3 maart 1959 te Leuven, wonend te 2230 Herselt, Dieperstraat 17, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopige bewindvoerder : De Roover, Roger François, geboren op 29 januari 1956 te Leuven, wonend te 2220 Heist-op-den-Berg, Mechel baan 123. Westerlo, 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de adjunct-griffier, (get.) Sandra Delaruelle. (72177) Justice de paix du troisième canton de Bruxelles Par ordonnance du juge de paix du troisième canton de Bruxelles, du 17 novembre 2006, M. Albert, Joseph, né à Bruxelles le 22 mai 1923, domicilié à 1200 Woluwe-Saint-Lambert, clos Prométhée 1/5, résidant à l’établissement « Institut Pachéco », rue du Grand Hospice 7, à 1000 Bruxelles, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Gaillard, Martine, avocat à 1050 Bruxelles, avenue Louise 391/7. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Tierens, Martine. (72178) Par ordonnance du juge de paix du troisième canton de Bruxelles, du 24 novembre 2006, Mme Ceuppens, Germaine, née à Bruxelles le 16 septembre 1917, domiciliée à 1000 Bruxelles, rue Gretry 35, bte 8, résidant à l’établissement « Institut Pachéco », rue du Grand Hospice 7, à 1000 Bruxelles, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de M. Jean Marie De Smet, docteur, rue des Piles 120, à 1420 Waterloo. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Tierens, Brigitte. (72179) Par ordonnance du juge de paix du troisième canton de Bruxelles, du 17 novembre 2006, Mme Delavie, Jeanne Cécile, née à Berchem-Sainte-Agathe le 4 août 1910, domiciliée à 1080 Bruxelles, boulevard Edmond Machtens 10/1, résidant à l’établissement « Institut Pachéco », rue du Grand Hospice 7, à 1000 Bruxelles, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un adminis trateur provisoire en la personne de Mme Martine Gaillard, avocat à 1050 Bruxelles, avenue Louise 391/7. Pour extrait conforme : le greffier adjoint délégué, (signé) Sonia Van Eyck. (72180) Justice de paix du deuxième canton de Charleroi Par ordonnance de M. le juge de paix du deuxième canton de Charleroi, en date du 29 novembre 2006, la nommée Di Palma, Maria, née à Châtelineau le 17 août 1955, domicilié à 6200 Châtelet, rue des Taillis 18, actuellement hospitalisée à la « Clinique Sainte-Thérèse », rue Trieu Kaisin 134, à 6061 Montignies-sur-Sambre, a été déclarée inca pable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire de biens, étant : Me Caroline Delmarche, avocat à 6000 Charleroi, rue de Dampremy 67/32. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Demarteau, Jean-Marie. (72181) 68556 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Justice de paix du canton de Couvin-Philippeville, siège de Couvin Suite à la requête déposée le 8 novembre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton de Couvin-Philippeville, siègeant à Couvin, rendue le 23 novembre 2006, M. Lorthioy, Cédric Charles Julien, né le 2 juillet 1982 à Tournai, sans profession, domicilié rue Camille Dépi nois 51, à 7520 Templeuve, résidant à l’établissement « Le Brasier - Les Goélands », rue de Gonrieux 27, à 5660 Pesche, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Rossi, Caroline, avocat, domicilié Dessus de la Ville 6, à 5660 Couvin. Pour extrait conforme : le greffier adjoint, (signé) Dussenne, Dominique. (72182) Justice de paix du canton d’Etalle Suite à la requête déposée le 13 novembre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton d’Etalle rendue le 23 novembre 2006, M. Kieffer, Paul, né à Athus le 12 mars 1931, époux de Mme Sterck, Marie-Rose, domicilié à 6720 Habay-la-Neuve, « Auberge du Vivier », rue de la Gare 109, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Laurent Michel, avocat, dont le cabinet est sis à 6740 Etalle, rue du Moulin 36. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Amorand, Danielle. (72183) Suite à la requête déposée le 13 novembre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton d’Etalle rendue le 23 novembre 2006, Mme Sterck, Marie-Rose, née à Charleroi le 10 juin 1936, épouse Kieffer, Paul, domiciliée à 6720 Habay-la-Neuve, « Auberge du Vivier », rue de la Gare 109, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Laurent Michel, avocat, dont le cabinet est sis à 6740 Etalle, rue du Moulin 36. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Amorand, Danielle. (72184) Justice de paix du canton de Fontaine-l’Evêque Par ordonnance du juge de paix du canton de Fontaine-l’Evêque, en date du 16 novembre 2006, le nommé Di Properzio, Giovanni, né à Rosetto Degli Abbruzzio le 12 mai 1950, domicilié et résidant à 6150 Anderlues, chaussée de Mons 165, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire, étant : Kopycka, Rosita, sans profession, domiciliée à 6150 Anderlues, chaussée de Mons 165. Pour extrait conforme : le greffier, (signé) Fabienne Bastien. (72185) Par ordonnance du juge de paix du canton de Fontaine-l’Evêque, en date du 16 novembre 2006, le nommé Strambi-Ferini, Antoine, né à Gosselies le 4 juin 1931, domicilié à 6183 Trazegnies, rue Verte 13, résidant actuellement à 6141 Forchies-la-Marche, « Résidence de la Spam », rue Lieutenant Tasse 58, été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire, étant : Sturbois, Jeannot, instituteur, domicilié à 6141 Forchies-la-Marche, rue Vander velde 81. Pour extrait conforme : le greffier, (signé) Fabienne Bastien. (72186) Justice de paix du canton de Grâce-Hollogne Par ordonnance du juge de paix du canton de Grâce-Hollogne, rendue le 9 novembre 2006, M. Alfano, Libertino, né le 8 décembre 1940, divorcé, domicilié rue André Mathy 17/1, à 4460 Grâce-Hollogne, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Charlier, Dominique, avocat, dont le cabinet est établi rue de la Station 9, à 4101 Jemeppe-sur-Meuse. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Dosseray, Simon. (72187) Par ordonnance du juge de paix du canton de Grâce-Hollogne, rendue le 14 novembre 2006, M. Peuskens, Léopold Georges Maurice, né le 5 juillet 1934 à Berg, célibataire, domicilié rue J.L. Defrêne 102, à 4340 Awans, actuellement hospitalisé à la « Clinique de l’Espérance », rue Saint-Nicolas à 4420 Montegnée, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Haenen, Anne-Françoise, avocat, juge de paix suppléant, dont le cabinet est établi avenue Blonden 74-76/012, à 4000 Liège. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Dosseray, Simon. (72188) Justice de paix du canton d’Ixelles Par ordonnance rendue le 27 novembre 2006, par Mme le juge de paix du canton d’Ixelles, M. Tihlarik, Josef, né le 27 avril 1946, domicilié à 1050 Ixelles, rue Augustin Delporte 106, a été mis hors d’état de gérer ses biens, et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Balzat, Dominique, avocat, ayant son cabinet à 1050 Bruxelles, rue Forestière 22/1. Le greffier en chef, (signé) Decoster, Jocelyne. (72189) Justice de paix du deuxième canton de Liège Suite à la requête déposée le 3 novembre 2006, une ordonnance du juge de paix du deuxième canton de Liège, rendue le 22 novembre 2006, a déclaré M. Amendt, Jozef, né le 14 janvier 1933 à Genk, domicilié à 4317 Faimes, rue Emile Vandervelde 12, résidant à l’établissement « Maison de Repos du XX Août », rue du Méry 2, à 4000 Liège, incapable de gérer ses biens, et cette personne a, en conséquence, été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Dembour, François, avocat, dont le cabinet est sis à 4000 Liège, rue Sainte-Véronique 27. Liège, le 30 novembre 2006. Pour extrait conforme : le greffier adjoint, (signé) Martin, Christine. (72190) Justice de paix du canton de Liège IV Suite à la requête déposée le 10 novembre 2006, par décision du juge de paix du canton de Liège IV, rendue le 20 novembre 2006, Mme Deweirdt, Jeanne Rosa, épouse de M. Piscart, François, née le 23 septembre 1915 à Wasmes, veuve, domiciliée rue Verte Houmeresse 17, à 4032 Chênée, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Houben, Marcel, avocat, dont les bureaux sont sis rue Vinâve 32, à 4030 Liège (Grivegnée). Pour extrait conforme : le greffier, (signé) Foges, Nicole. (72191) 68557BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Suite à la requête déposée le 8 novembre 2006, par décision du juge de paix du canton de Liège IV, rendue le 16 novembre 2006, Mme Thissen, Berthe Maria, veuve de Jadoul, François, née le 15 janvier 1920 à Maestricht, domiciliée rue la Forge 32, à 4030 Liège (Grivegnée), résidant à la « Résidence Aurore », rue Gretry 172-174, à 4020 Liège, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Drion, Xavier, avocat, dont les bureaux sont sis rue Hullos 103-105, à 4000 Liège. Pour extrait conforme : le greffier, (signé) Foges, Nicole. (72192) Justice de paix du premier canton de Mons Suite à la requête déposée le 18 septembre 2006, par ordonnance du juge de paix du premier canton de Mons, rendue le 17 novembre 2006, Mme Nelly Demanet, née à Nimy le 28 novembre 1947, résidant et domiciliée à 7020 Nimy, rue des Nations 86, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Luc Van Kerckhoven, avocat, dont le cabinet est sis à 7000 Mons, rue des Marcottes 30. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Chatelle, Christian. (72193) Suite à la requête déposée le 20 septembre 2006, par ordonnance du juge de paix du premier canton de Mons, rendue le 9 novembre 2006, M. René Galland, né à Montigny le 12 juin 1942, résidant à 7000 Mons, avenue de l’Université 59/102, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Luc Van Kerckhoven, avocat, dont le cabinet est sis à 7000 Mons, rue des Marcottes 30. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Chatelle, Christian. (72194) Suite à la requête déposée le 24 octobre 2006, par ordonnance du juge de paix du premier canton de Mons, rendue le 9 novembre 2006, M. Jean-François Marck, né à Liège le 22 octobre 1982, résidant place du Bastion Vert 2D, à 7000 Mons, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Luc Van Kerckhoven, avocat, dont le cabinet est sis à 7000 Mons, rue des Marcottes 30. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Chatelle, Christian. (72195) Suite à la requête déposée le 11 septembre 2006, par ordonnance du juge de paix du premier canton de Mons, rendue le 17 novembre 2006, Mme Julia Simon, née à Ghlin le 29 janvier 1934, résidant au « C.H.P. Le Chêne aux Haies », chemin du Chêne aux Haies 24, à 7000 Mons, domiciliée à 7331 Baudour, route de Wallonie 98, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un adminis trateur provisoire en la personne de Me Luc Van Kerckhoven, avocat, dont le cabinet est sis à 7000 Mons, rue des Marcottes 30. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Chatelle, Christian. (72196) Justice de paix du premier canton de Namur Par ordonnance du juge de paix du premier canton de Namur, prononcée en date du 27 novembre 2006 (RG. N° 06A2811), Gérard, Blanche, née à Marches-les-Dames le 21 décembre 1928, domiciliée à Namur, rue Rogier 77/5D, a été déclarée hors d’état de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, à savoir : Mme Mireille Bourgeois, domiciliée à Perwez, rue des Carrières 4, bte 4. Namur, le 28 novembre 2006. Le greffier adjoint, (signé) Angélique Capelle. (72197) Justice de paix du canton de Péruwelz-Leuze-en-Hainaut, siège de Leuze-en-Hainaut Par ordonnance de M. le juge de paix du canton de Péruwelz-Leuze-en-Hainaut, siège de Leuze-en-Hainaut, rendue le 7 novembre 2006, M. Armand Marcel Brismée, né à Pipaix le 26 août 1932, domicilié à 7904 Pipaix, chaussée de Tournai 16 B, et résidant actuellement au « Home Le Renouveau de Saint-Joseph », rue du Roi Chevalier 1, à 7904 Willaupuis, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de sa fille, Mme Brismée, Anita, domiciliée à 7904 Pipaix, ruelle du Clerc 11. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Delbecq, Jean-Claude. (72198) Justice de paix du canton de Péruwelz-Leuze-en-Hainaut, siège de Péruwelz Suite à la requête déposée le 17 octobre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton de Péruwelz-Leuze-en-Hainaut, rendue le 28 novembre 2006, Mme Malevez, Francine, née le 21 décembre 1973 à La Hestre, domiciliée à 7603 Bonsecours, rue de Saint-Amans 3/3, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un adminis trateur provisoire en la personne de Me Poncin, Corinne, avocat à 7500 Tournai, rue Barre Saint Brice 21. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Wallez, Pascale. (72199) Suite à la requête déposée le 17 octobre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton de Péruwelz-Leuze-en-Hainaut, rendue le 28 novembre 2006, M. Michel Seghin, né le 2 décembre 1969 à La Hestre, domicilié à 7603 Bonsecours, rue de Saint-Amans 3/3, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Corinne Poncin, avocat à 7500 Tournai, rue Barre Saint Brice 21. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Wallez, Pascale. (72200) Par jugement du 24 novembre 2006, prononcée par le juge de paix du canton de Seneffe, siégeant en audience publique extraordinaire, Me Lefevre, Xavier, avocat, dont le cabinet est établi à 6140 Fontaine-l’Evêque, rue du Parc 42, a été désigné en qualité d’administrateur provisoire des biens de Mme Landrain, Jacqueline, née à Quiévrain le 9 juin 1942, résidant à 6230 Pont-à-Celles, rue Wauters 49, domiciliée à 6000 Charleroi, rue d’Orléans 40/01/02, cette dernière étant hors d’état de gérer ses biens. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Nykon, Martine. (72201) Justice de paix du canton de Seraing Suite à la requête déposée le 21 novembre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton de Seraing, rendue le 29 novembre 2006, Cornelis, Jérôme Gilles, de nationalité belge, né le 1er juin 1986 à Liège, étudiant, célibataire, domicilié à 4101 Jemeppe-sur-Meuse, rue de la Station 87, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de sa mère, Galateau, Florence, née à Ay le 24 janvier 1965, épouse Migeotte, Michel, domiciliée à 4460 Grâce-Hollogne, rue Long Pré 63. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Jean-Marie Fouarge. (72202) 68558 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Justice de paix du second canton de Tournai Par ordonnance du juge de paix du second canton de Tournai, rendue le 24 novembre 2006, Mme Bojarsky, Valérie, née le 1er juin 1974 à Tournai, sans profession, domiciliée à 7500 Tournai, rue Saint-Piat 5/32, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’une administratrice provisoire en la personne de Me Vloebergs, Martine, avocate, dont le cabinet est établi à 7500 Tournai, rue de la Justice 5. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Danielle Delbart. (72203) Par ordonnance du juge de paix du second canton de Tournai, rendue le 21 novembre 2006, M. Destringuez, Marcel, né le 29 mars 1951 à Tournai, arboriculteur (indép.), domicilié à 7623 Brunehaut (Rongy), rue Rosée 45, résidant « C.H.R.T. », site « Hôpital », HS1, chambre ..., boulevard Lalaing 39, à 7500 Tournai, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Pochart, Jean-Philippe, avocat, dont les bureaux sont établis à 7500 Tournai, rue Childéric 47. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Danielle Delbart. (72204) Justice de paix du canton d’Uccle Par ordonnance du juge de paix du canton d’Uccle, en date du 24 novembre 2006, en suite de la requête déposée le 16 novembre 2006, Mme Dupont, Daisy Prescillia, née à Anderlecht le 15 décembre 1987, domiciliée à 1180 Uccle, rue de l’Equateur 18, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, étant : Me Coppieters’t Wallant, Marie-Dominique, avocate, ayant son cabinet sis à 1050 Ixelles, avenue du Pesage 61/18. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Goies, Pascal. (72205) Par ordonnance du juge de paix du canton d’Uccle, en date du 24 novembre 2006, en suite de la requête déposée le 3 novembre 2006, Mme Guillaume, Bérangère Dominique Patricia, née à Toulon (France) le 7 décembre 1948, dessinatrice, domiciliée à 1180 Uccle, avenue des Faons 39, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, étant : Me Leclerc, Patrick, avocat, dont le cabinet est situé à 1030 Bruxelles, avenue Ernest Cambier 39. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Goies, Pascal. (72206) Justice de paix du canton de Visé Par ordonnance du juge de paix du canton de Visé, rendue le 23 novembre 2006, sur requête déposée le 20 novembre 2006, M. Halit Kaya, né à Giresun (Turquie) le 1er novembre 1963, domicilié rue Entre les Maisons 84, bte 4, à 4602 Cheratte, a été déclaré incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Christian Van Langenacker, avocat, dont les bureaux sont établis rue Agimont 3, à 4000 Liège. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Sarlet, Joseph. (72208) Justice de paix du second canton de Wavre Suite à la requête déposée le 10 novembre 2006, par ordonnance du juge de paix du second canton de Wavre, rendue le 22 novembre 2006, M. Malo, Olivier, né à l’Estère (Haïti) le 3 octobre 1983, domicilié à 1348 Louvain-la-Neuve, rue de l’Hocaille 33/202, a été déclaré inca pable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire en la personne de Me Ferrière, Elisabeth, avocate à 1348 Louvain-la-Neuve, rue de la Citronnelle 4. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Jonet, Lucette. (72209) Avis rectificatif Justice de paix du premier canton de Namur Au Moniteur belge du 24 novembre 2006, page 65752, (extrait n° 71695), extrait concernant : Mme Véronique Vernimmen, née le 25 juillet 1974, il y a lieu de lire : domiciliée à Namur, rue du Wisconsin 4, au lieu de : « domiciliée en son vivant à Namur, rue du Wisconsin 4 ». Namur, le 30 novembre 2006. Pour extrait conforme : le greffier adjoint, (signé) Angélique Capelle. (72210) Mainlevée d’administration provisoire Opheffing voorlopig bewind Vredegerecht van het eerste kanton Antwerpen Bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Antwerpen, verleend op 30 november 2006, werd vastgesteld dat aan de opdracht van Yves De Schryver, advocaat, kantoorhoudende te 2018 Antwerpen, Peter Benoitstraat 32, als voorlopig bewindvoerder toegewezen aan Verresen, Petrus, geboren te Lille op 11 juni 1930, wonende in het R.V.T. De Zavel, te 2060 Antwerpen, Duinstraat 21-23, bij beschikking, verleend door de vrederechter van het eerste kanton Antwerpen, op 27 juni 2003 (rolnummer 03B190 - Rep.R. 1662/2003, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 juli 2003, bl. 36405, en onder nr. 65888), een einde is gekomen op datum van 26 november 2006, ingevolge het overlijden van de beschermde persoon op die datum. Antwerpen, 30 november 2006. De griffier, (get.) Braeken, Godelieve. (72211) Vredegerecht van het elfde kanton Antwerpen Bij beschikking van de vrederechter van het elfde kanton Antwerpen, verleend op 30 november 2006, werd voor recht gezegd dat de aanwijzing van Mevr. Anne Eliaerts, advocaat, kantoorhoudende te 2950 Kapellen, Kalmthoutsesteenweg 28, tot voorlopige bewindvoerder over Mevr. Boudou, Maria Magdalena Louisa, geboren te Antwerpen op 18 december 1910, weduwe van de heer Petrus Plaetevoet, laatst wonende te 2180 Ekeren (Antwerpen), R.V.T. Sint-Vincentius, Dorps straat 32, hiertoe aangesteld bij ons vonnis, d.d. 9 mei 2006 (06A276, Rep.R. nr. 893/2006), wordt opgeheven, daar de beschermde persoon overleden is te Antwerpen, district Ekeren, op 7 november 2006. Ekeren (Antwerpen), 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) Rosanne Daniels. (72212) 68559BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Vredegerecht van het tiende kanton Antwerpen Bij beschikking van de vrederechter van het tiende kanton Antwerpen, verleend op 29 november 2006, werd vastgesteld dat Bishop, Anthony, wonende te 2150 Borsbeek (Antwerpen), August van Putlei 82, doch geboren te Leicester (Groot-Brittannië) op 9 maart 1946, verblijvende in het A.Z. Jan Palfijn, Gallifort, Campus Jan Palfijn, 2170 Merksem (Antwerpen), Lange Bremstraat 70, over wie als bewind voerder werd aangesteld, bij vonnis van 27 september 2006 (rolnummer 06A923 - Rep.nr. 3012/2006), gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2006, bl. 55034, en onder nr. 70113, Bishop, Sam, wonende te 2140 Borgerhout (Antwerpen), Collegelaan 161, overleden is te Antwerpen (Hoboken) op 12 november 2006, en aan de opdracht van de voorlopige bewindvoerder een einde is gekomen op datum van het overlijden. Merksem (Antwerpen), 30 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Vermaelen, Rudy. (72213) Bij beschikking van de vrederechter van het tiende kanton Antwerpen, verleend op 29 november 2006, werd vastgesteld dat Robbe, Hendrika, geboren te Antwerpen op 21 augustus 1923, wonende te 2900 Schoten, Verbertstraat 25, over wie als bewindvoerder werd aangesteld, bij beschikking van 8 september 1997 (rolnummer 4410 Rep.nr. 2076), gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 september 1997, bl. 24738, en onder nr. 5526, Jan Lodewijk Mertens, kantoorhoudende te 2900 Schoten, Alice Nahonlei 74, overleden is te Schoten op 2 november 2006, en aan de opdracht van de voorlopige bewindvoerder een einde is gekomen op datum van het overlijden. Merksem (Antwerpen), 30 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Vermaelen, Rudy. (72214) Vredegerecht van het derde kanton Gent Bij beschikking van de vrederechter van het derde kanton Gent, verleend op 29 november 2006, werd Verbeest, Nadine, advocaat te 9051 Sint-Denijs-Westrem, er kantoorhoudende aan de Driekoningen straat 3, ontslagen van haar opdracht als voorlopige bewindvoerder over Dewit, Christina, geboren te Overpelt op 20 oktober 1916, wonende in het R.V.T. Sint-Jozef, Hoeksken 29, 9940 Evergem, over leden te Evergem op 30 juli 2006. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) M. Verspeet. (72215) Vredegerecht van het kanton Grimbergen Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Grimbergen, verleend op 30 november 2006, werd een einde gesteld aan de opdracht van de heer De Smet, Frans Marie, geboren te Zemst op 15 januari 1943, wonende te 5100 Jambes (Namur), rue d’Enhaive 93/6 (JB), als voor lopig bewindvoerder over Mevr. Lauwers, Gabriella, geboren te Zemst op 17 augustus 1916, verblijvende in de Seniorie « Den Bogaet », Dorps straat 1, te 1851 Humbeek (Grimbergen), overleden te Vilvoorde op 6 november 2006. Grimbergen, 30 november 2006. De griffier, (get.) De Backer, Elise. (72216) Vredegerecht van het kanton Ninove Beschikking, d.d. 30 november 2006 : Bij beschikking, verleend door de vrederechter van het kanton Ninove, op 30 november 2006, werd Meert, Emilius Roger, geboren te Denderhoutem op 6 september 1931, monteur, wonende te 9470 Denderleeuw, Ringlaan 38, opnieuw in staat verklaard zelf zijn goederen te beheren, zodat de beschikking, verleend door de vrede rechter van het kanton Ninove, op 9 maart 2006 (rolnummer 06A266 Rep.R. 590, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 april 2006, bl. 19096, en onder nr. 63564), ophoudt uitwerking te hebben en er met ingang van 30 november 2006, een einde komt aan de opdracht als voorlopig bewindvoerder van Meert, Marnix, wonende te 9404 Ninove (Aspelare), Waaldhovestraat 62. Ninove, 30 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) Poelaert, Sabine. (72217) Vredegerecht van het kanton Zandhoven Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Zandhoven, van 30 november 2006, werd een einde gesteld aan het mandaat van Mr. Mertens, Jan Lodewijk, advocaat aan de balie te Antwerpen, met kantoor te 2900 Schoten, Alice Nahonlei 74, als voorlopige bewind voerder met beperkte opdracht toegevoegd aan Bludts, Sonja Suzanne Carine, van Belgische nationaliteit, geboren te Antwerpen op 30 maart 1958, ongehuwd, voorheen verblijvende te 2390 Westmalle (Malle), Zoerselbaan 26, thans wonende en verblijvende te 9100 Sint Niklaas, Grote Markt 3, bus 2, ingevolge beschikking van de vrede rechter van het kanton Zandhoven van 17 december 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 4 januari 2002, bl. 209, nr. 60142. Zandhoven, 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) Van Thielen, Willy. (72218) Justice de paix du premier canton de Charleroi Suite à la requête déposée le 8 juin 2005, par ordonnance du juge de paix du premier canton de Charleroi, rendue le 28 novembre 2006, a été levée la mesure d’administration provisoire prise par ordonnance du 15 avril 1999, et publiée au Moniteur belge du 24 avril 1999, à l’égard de M. Charles, Simon, né à Marcinelle le 4 janvier 1940, domicilié à 6182 Souvret, rue du Général Kléber 8, cette personne étant redevenue capable de gérer ses biens, il a été mis fin, en conséquence, à la mission de son administrateur provisoire, à savoir : Me Herinne, Eric, avocat, dont le cabinet est établi à 6000 Charleroi, rue Tumelaire 23, bte 18. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Patart, Jacques. (72219) Justice de paix du deuxième canton de Liège Suite à la requête déposée le 9 novembre 2006, une ordonnance du juge de paix du deuxième canton de Liège, rendue le 29 novembre 2006, a déclaré mettre fin à la mission d’administrateur provisoire des biens de Mme Gaudry, Cindy, née le 28 janvier 1982, domiciliée à 4030 Grive gnée, rue Belvaux 258/1, confiée par ordonnance du 15 décembre 2005 à Me Collard, Pierre-Yves, avocat, dont les bureaux sont établis à 4101 Jemeppe-sur-Meuse, rue A. de Lexhy 75. Liège, le 29 novembre 2006. Pour extrait conforme : le greffier adjoint, (signé) Lefort, Carine. (72220) Suite à la requête déposée le 26 novembre 2006, une ordonnance du juge de paix du deuxième canton de Liège, rendue le 29 novembre 2006, a déclaré mettre fin, à la date du 15 décembre 2006, à la mission 68560 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE d’administrateur provisoire des biens de Mme Ruysen, Marie Christine, née le 7 janvier 1969, domiciliée à 4690 Eben-Emael, rue d’Eben 30, confiée par ordonnance du 16 novembre 2005 à Me Gillis, Marielle, avocate, dont les bureaux sont établis à 4000 Liège, rue Sainte Véronique 20. Liège, le 29 novembre 2006. Pour extrait conforme : le greffier adjoint, (signé) Lefort, Carine. (72221) Justice de paix du canton de Messancy Par ordonnance du juge de paix du canton de Messancy, en date du 29 novembre 2006, il a été mis fin au mandat de Me Leyman, Isabelle, en sa qualité d’administrateur provisoire des biens de M. Miget, Jacques, né à Pétange (Grand-Duché de Luxembourg) le 4 sep tembre 1953, domicilié place Fort Mutin 15, à F-55600 Montmédy (France). Extrait certifié conforme : le greffier, (signé) Nadia Cop. (72222) Justice de paix du canton de Vielsalm, La Roche-en-Ardenne, Houffalize, siège de Houffalize Suite à la requête déposée le 13 septembre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton de Vielsalm, La Roche-en-Ardenne et Houffa lize, siège de Houffalize, rendue le 29 novembre 2006, Mme Anciaux, Joëlle, née le 4 mars 1965 à Liège, domiciliée et résidant Beaulieu 10/1, à 6972 Tenneville, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Dale mans, Michel, avocat, dont les bureaux sont établis Thier de Luzery 1-3, à 6600 Bastogne. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Lepinois, Françoise. (72207) Remplacement d’administrateur provisoire Vervanging voorlopig bewindvoerder Vredegerecht van het eerste kanton Aalst Bij beschikking van Mevr. de vrederechter van het eerste kanton Aalst, d.d. 28 november 2006, heeft een einde gemaakt aan de opdracht van de heer Derijck, Michel, advocaat, wonende te 9473 Welle, Regen tiestraat 142, als voorlopig bewindvoerder over Mevr. Van Medegael, Rita Maria Alice Constance, wonende te 9255 Buggenhout, Lente park 60, en verblijvend in het Psychiatrisch Ziekenhuis Zoete Nood Gods, Reymeersstraat 13A, 9340 Lede. Stelt ter vervanging aan Mevr. Vleminckx, Isabelle, wonende te 2890 Sint-Amands, Larendries 54, met de bevoegdheid zoals bepaald in artikel 488bis, f, paragraaf 1 t/m paragraaf 5 B.W. Aalst, 30 november 2006. De hoofdgriffier, (get.) E. De Cremer. (72223) Vredegerecht van het derde kanton Antwerpen Bij beschikking van de vrederechter van het derde kanton Antwerpen, verleend op 23 november 2006, werd de heer Ramaekers, Paul, wonende te 2600 Berchem (Antwerpen), Diksmuidelaan 334, aangewezen bij beschikking, verleend door de vrederechter van het derde kanton Antwerpen, op 26 april 2002 (rolnummer 02B54 Rep.R. 655/2002), tot voorlopig bewindvoerder over de heer Ramae kers, Jason, geboren te Mortsel op 25 februari 1975, wonende te 2660 Hoboken (Antwerpen), Onderwijzersstraat 30, met ingang van 31 december 2006 ontslagen van zijn opdracht. Voegt toe als nieuwe voorlopig bewindvoerder : Mevr. Ramaekers, Amanda, wonende te 2650 Edegem, Volhardingsstraat 58. Er werd vastgesteld dat het verzoekschrift neergelegd werd op 30 oktober 2006. Antwerpen, 30 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) Roger Wouters. (72224) Vredegerecht van het kanton Diksmuide Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Diksmuide, verleend op 10 november 2006, werd de aanwijzing van D’Hulst, Stefaan, wonende te 8610 Kortemark, Bescheewegestraat 19, als voor lopige bewindvoerder over huyghebaert, Debby Emma Daniëlle, geboren te Knokke-Heist op 29 juni 1982, en wonende te 8610 Korte mark, Bescheewegestraat 17, opgeheven. Werd Mr. Blanckaert, Jan, advocaat, met kantoor te 8600 Diksmuide, Koning Albertstraat 8, toegevoegd als voorlopige bewindvoerder over Huyghebaert, Debby, voornoemd. Diksmuide, 14 november 2006. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) Vandamme, Jan. (72225) Justice de paix du canton d’Ath-Lessines, siège de Lessines Par ordonnance de M. le juge de paix du canton d’Ath-Lessines, siège de Lessines, en date du 27 novembre 2006, Me Nathallie Joly, dont les bureaux sont sis à Lessines, Grand-Rue 26, a été désigné administrateur provisoire des biens de Dame Josée André, née à Ostiches le 9 octobre 1928, domiciliée à Ellezelles, rue Docteur André 137, en remplacement de Me Chantal Alsters, avocat, dont les bureaux sont sis à Lessines, rue de la Halle 10, désignée par ordonnance de M. le juge de paix de ce canton du 18 mai 2003. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) J.-M. Derobert masure. (72226) Justice de paix du canton de Marche-en-Famenne-Durbuy, siège de Marche-en-Famenne Suite à la requête déposée le 16 octobre 2006, par ordonnance du juge de paix du canton de Marche-en-Famenne-Durbuy, siège de Marche en-Famenne, rendue le 23 novembre 2006, Me Géraldine Santer, avocat, dont le bureaux sont sis Allée du Monument 7, à 6900 Marche-en Famenne, a été désignée en qualité d’administrateur provisoire de Mme Siot, Anna, née le 21 mai 1909 à Jemelle, veuve, domiciliée rue des Tanneries 62/4, à 5580 Rochefort, résidant « Douce Quiétude », rue Baschamps 36, à 6900 Marche-en-Famenne, en remplacement de Me Françoise Picard, avocat, rue Victor Libert 8, à 6900 Marche-en Famenne, désignée à cette fonction par ordonnance du juge de paix de Marche-en-Famenne du 3 décembre 2002, Rép. nr. 1489. Pour extrait conforme : le greffier adjoint principal, (signé) Lebrun Jacob, Liliane. (72227) 68561BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE Bekendmaking voorgeschreven bij artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek Publication prescrite par l’article 793 du Code civil Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving Acceptation sous bénéfice d’inventaire Bij verklaring afgelegd op vijftien november tweeduizend en zes, ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, akte nr. 06 1376 Rep. Nr. 06-2811, heeft de heer Paulus, Gerry, geboren te Koersel op vijftien mei negentienhonderd eenenzeventig, wonende te 2610 Wilrijk, Egied Segerslaan 6, handelend in zijn hoedanigheid van vader, wettige beheerder over de persoon en de goederen van zijn minderjarige kinderen : 1. de heer Paulus, Arno, geboren te Wilrijk op 11 maart 1997; 2. de heer Paulus, Luka, geboren te Wilrijk (Antwerpen) op 1 oktober 1998, beide wonende bij hun vader, de nalatenschap van wijlen Mevr. Montangie, Ann Josiane Janine, geboren te Wilrijk op drieëntwintig juli negentienhonderd tweeën zeventig, echtgenote van de heer Paulus, Gerry, in leven laatst wonende te 2610 Wilrijk (Antwerpen), Egied Segerslaan 6, en overleden te Antwerpen op negen oktober tweeduizend en zes, onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht, bij aangetekend schrijven, binnen de drie maanden na deze publicatie in het Belgisch Staatsblad, hun vorderingen te doen kennen aan de heer Bogaert, Tom, notaris te Wilrijk (Antwerpen), Jules Moretuslei 342. Wilrijk, 31 november 2006. (Get.) Tom Bogaert, notaris. (48965) Op één december tweeduizend en zes, is voor ons, R. Aerts, griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, ter griffie van deze rechtbank verschenen : Pierar, Patrick Danny Marina, geboren te Antwerpen op 12 juli 1965, wonende te 2660 Antwerpen, Commandant Weynsstraat 55, handelend in zijn hoedanigheid van vader, wettige beheerder over de persoon en de goederen van zijn minderjarige kinderen : Pierar, Phaidra Els Frank, geboren te Antwerpen (Wilrijk) op 13 juli 1990; Pierar, Sonny Felix Christiane Laurent, geboren te Antwerpen (Wilrijk) op 5 september 1993, beiden wonende bij de vader. Verschijner verklaart ons, handelend in zijn voormelde hoedanig heid, de nalatenschap van wijlen Couwenberghs, Linda Suzanne Jozef, geboren te Wilrijk op 16 oktober 1965, in leven laatst wonende te 2660 Hoboken (Antwerpen), Commandant Weynsstraat 55, en over leden te Antwerpen (Wilrijk) op 8 mei 2006, te aanvaarden, onder voor recht van boedelbeschrijving. Er wordt woonstkeuze gedaan ten kantore van Hopchet, Philippe, notaris te 2018 Antwerpen, Rubenslei 19, bus 18. Verschijner legt ons de beschikking van de vrederechter van het derde kanton Antwerpen, d.d. 28 september 2006, voor waarbij hij hiertoe gemachtigd werd. Waarvan akte, datum als boven. Na voorlezing ondertekend door verschijner en ons, griffier. (Get.) P. Pierar; R. Aerts. Voor eensluidend verklaard afschrift : de griffier, (get.) R. Aerts. (48966) Op 18 oktober 2006 heeft Mevr. Lippens, Yvonne Paula, geboren te Gent op 15 december 1932, weduwe van de heer De Mey, François, wonende te 9890 Gavere, Hulstraat 2, handelend in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de heer De Mey, Charles Jacques Marie, geboren te Gent op 5 november 1961, ongehuwd, wonende te Gavere (Asper), Hulstraat 18, namens genoemde beschermde persoon, ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de verklaring afgelegd van aanvaarding, onder voorrecht van boedelbeschrijving, van de nalatenschap van de heer De Mey, François Jean Marie Augustin, geboren te Gent op 5 november 1930, in leven echtgenoot van Mevr. Lippens, Yvonne, en laatst wonende te 9890 Gavere, Hul straat 2, overleden te Gavere op 28 augustus 2006. Bijzondere machtiging tot aanvaarding, onder voorrecht van boedel beschrijving, werd verleend bij beschikking van de vrederechter van het vijfde kanton Gent, op 10 oktober 2006. Ten einde dezer wordt keuze van woonst gedaan op het kantoor van notaris François Van Innis, te 9750 Zingem, Dorpsstraat 7. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht binnen de drie maanden hun rechten te doen kennen bij aangetekend schrijven. (Get.) Van Innis, François, notaris. (48967) L’an 2006, le 24 novembre, au greffe du tribunal de première instance de Bruxelles, a comparu : Mme Michèle Bettendorf, agissant pour et au nom de son mandant, savoir : Mme Draps, Ingrid Madeleine, domici liée à 8670 Koksijde, Salviaplein 18, tutrice de l’enfant mineur : Gaspar, Christophe, né à Boussu le 21 décembre 1989, domicilié avec la tutrice à Koksijde, Salviaplein 18, autorisée par ordonnance du juge de paix du canton de Veurne-Nieuwpoort, en date du 13 octobre 2006, laquelle comparante a déclaré accepter, sous bénéfice d’inventaire, la sucession de Mme Auquier-Daps, Chantal Patricia, née à Boussu le 30 juillet 1958, domiciliée, en dernier lieu, à Bruxelles, allée des Moutons 90, et décédée à Bruxelles le 28 juillet 2006, pour compte de M. Christophe Gaspar. Dont acte, signé, lecture faite par la comparante et le greffier. Les créanciers et légataires sont invités à faire connaître leurs droits, par avis recommandé, dans un délai de trois mois de la date de l’insertion au Moniteur belge au notaire Marc Van Beneden, rue du Noyer 183, à 1000 Bruxelles. (Signé) M. Van Beneden, notaire. (48968) L’an 2006, le 28 novembre, au greffe du tribunal de première instance de Liège, a comparu : Me Dominique Jabon, avocate, à 4041 Vottem, rue de Liège 53, agissant en qualité d’administrateur provisoire de Mme Van Den Broek, Myriam, née à Ixelles le 19 décembre 1944, domiciliée à Liège, rue Coqraimot 9, et résidant actuellement rue Louis Fraigneux 41/0023 à Liège, désignée à cette fonction et autorisée par ordonnance de la justice de paix du troisième canton de Liège rendue en date du 31 octobre 2006, ordonnance produite en copie, et qui restera annexée au présent acte. Laquelle comparante a déclaré ès qualités : accepter sous bénéfice d’inventaire la succession de : Bertholet, Marcelle, née à Ixelles le 20 septembre 1918, de son vivant domiciliée à Liège, rue L. Fraigneux 41/0023, et décédée le 25 juillet 2006, à Liège. Conformément aux prescriptions du dernier alinéa de l’article 793 du Code Civil, le comparante déclare faire élection de domicile en son cabinet à 4041 Vottem, rue de Liège 53. Dont acte signé, lecture faite par la comparante et le greffier lequel certifie avoir attiré l’attention du déclarant sur les dispositions du 3ème paragraphe de l’article 793 du code civil. Pour extrait conforme : le greffier, (signé) D. Jabon, avocat. (48969) L’an 2006, le 1er décembre, au greffe du tribunal de première instance de Neufchâteau, devant nous, M. Lambert, greffier-adjoint, a comparu : Delime, Marcel Maurice, né à Tounay le 26 mai 1953, domicilié à 6832 Senseruth, Briahan 20, agissant en sa qualité de tuteur de : Delime, Raymond, né à Tournay le 18 février 1952, domicilié à 6832 Sensenruth, Briahan 20, placé sous statut de minorité prolongée par décision du tribunal de 1ère instance de Neufchâteau, en date du 25 mars 1981, et ce, dûment autorisé par ordonnance de M. le juge de paix du canton de Saint-Hubert-Bouillon-Paliseul, siège de Bouillon en date du 6 juin 2006, 68562 BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE lequel comparant a déclaré : accepter sous bénéfice d’inventaire la succession de : Nevraumont, Léona Victoire, née à Orgeo le 5 juillet 1912, de son vivant domicilié à Bouillon, Sensenruth, Briahan 20, et décédée le 23 janvier 2006 à Bouillon. Dont acte signé, lecture faite par le comparant et le greffier-adjoint, (signé) Hubert Maus de Rolley, notaire. (48970) L’an 2006, le 20 juillet, au greffe du tribunal de première instance de Nivelles, province de Brabant Wallon, a comparu : M. Petre, Michaël Alexis Alain C.M., de nationalité belge, né à Braine le-comte le 25 avril 1977, domicilié à 1400 Nivelles, Les Huttes 3, Bte 5, agissant en sa qualité de père, titulaire de l’autorité parentale sur son enfant mineur, à savoir : Petre, Baptiste Laetitia Matthieu Cathy Marie, né à Ottignies-louvain La-Neuve, le 16 avril 2006, domicilié avec son père, celui-ci étant autorisé à agir dans la présente succession par ordonnance de M. le juge de paix du canton de Nivelles en date du 14 juillet 2006. Lequel comparant, s’exprimant en français, a déclaré : accepter sous bénéfice d’inventaire la succession de : Charlier, Laetitia Sonia Cathy, née à Chimay le 11 août 1978, de son vivant domiciliée à Nivelles, Les Huttes 3, bte 5, et décédée le 22 avril 2006 à Ottignies-Louvain-la Neuve. Dont acte signé, lecture faite par le comparant et le greffier. (Signé) Jean-Louis Menne, notaire. (48971) Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen Volgens akte verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, op 1 december 2006, hebben : Thys, Gustaaf Emiel, geboren te Kessel op 7 januari 1934, wonende te 2560 Nijlen, Vonderstraat 19; Thys, Hilde Elisabeth Augusta, geboren te Duffel op 19 oktober 1962, wonende te 2560 Nijlen, Boekweitstraat 7; Thys, Christel Albertina Filomena, geboren te Duffel op 5 maart 1964, wonende te 2560 Nijlen, Broechemsesteenweg 25; Thys, Adelheid Imelda Eduarda, geboren te Duffel op 4 februari 1965, wonende te 2290 Vorselaar, Beeldekensstraat 39; Thys, Imelda Andrea, geboren te Nijlen op 28 maart 1947, wonende te 2980 Zoersel, Handelslei 87A; Noeninckx, Marina Albertina Carolina, geboren te Nijlen op 1 mei 1936, wonende te 2560 Nijlen, Schriekstraat 17; Noeninckx, Simonne Alfonsina Amelia, geboren te Nijlen op 24 maart 1940, wonende te 2560 Nijlen, Grobbendonkseweg 7; Noeninckx, Sandrina Margareta Marcella, geboren te Herentals op 17 maart 1967, wonende te 2560 Nijlen, Akkerstraat 8; verklaard onder voorrecht van boedelbeschrijving de nalatenschap te aanvaarden van wijlen Noeninckx, Melania Cecilia Francisca, geboren te Nijlen op 2 maart 1920, in leven laatst wonende te 2930 Bras schaat, Papestraat 24, en overleden te Brasschaat op 16 maart 2006. Er wordt woonstkeuze gedaan ten kantore van Van Kerkhoven, René, notaris, kantoorhoudende te 2520 Broechem, Van den Nestlaan 11. De schuldeisers en de legatarissen worden verzocht hun rechten te doen kennen, binnen de drie maanden te rekenen van deze bekendma king in het Belgisch Staatsblad, bij aangetekend bericht gericht aan de door de erfgenamen gekozen woonplaats. Antwerpen, 1 december 2006. De griffier, (get.) R. Aerts. (48972) Rechtbank van eerste aanleg te Brussel Volgens akte (akte nr. 06-2264), verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 1 december 2000. Door : Mejuffrouw Aileen Reniers, wonende te Merchtem, Drinke ling 4. In hoedanigheid van : volmachtdraagster krachtens een hierbijge voegde onderhandse volmacht gedateerd van 29 september 2006 en gegen voor de heer Michel Lorge, directeur, wonende te 1731 Asse, Dorpstraat 60, handelend ingevolge volmacht gegeven door de raad van beheer (zitting 28 juni 2006) van de stichting van openbaar nut « Unicef België », met zetel te 1070 Brussel, Lenniksebaan 451 bus 4, ingeschreven in het rechtspersonenregister van Brussel onder nummer 0407.562.029. Heeft verklaard de nalatenschap te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving van De Dapper, Marie Léonie, geboren te Sint-Jans Molenbeek op 5 november 1910, in leven wonende te Asse, Klein Veldeken 12/A18A, en overleden op 23 januari 2006 te Asse. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht, bij aangetekend bericht, hun rechten te doen kennen binnen de drie maanden, te rekenen van de datum van onderhavige opneming, gericht aan Mr. Boel, Jean-Jacques, notaris te 1730 Asse, Gemeenteplein 13. Brussel, 1 december 2006. De griffier, (get.) Philippe Mignon. (48973) Volgens akte (akte nr. 06-2240), verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 29 november 2006 : Mevr. Bouchier, Reinhilde Lutgarde A., wonende te 1190 Brussel, Vuurstraat 10; de heer Bouchier, Willem Medard Frank, wonende te 1070 Ander lecht, Potaardenbergstraat 105. Hebben verklaard de nalatenschap van de heer Bouchier, Georges Arthur, geboren te Wondelgem, heden Gent, op 25 mei 1922, in leven wonende te Vorst, Bondegenotenstraat 61, en overleden op 5 november 2006 te Brussel, te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht, bij aangetekend bericht, hun rechten te doen kennen binnen de drie maanden, te rekenen van de datum van onderhavige opneming, gericht aan Mr. Borremans, Stephan, notaris te 1030 Schaarbeek, Diamantlaan 138. Brussel, 29 november 2006. De griffier, (get.) Philippe Mignon. (48974) Rechtbank van eerste aanleg te Leuven Bij akte, verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 1 december 2006, heeft : Mevr. Decat, Mireille, advocaat met kantoor te 3090 Overijse, Brusselsesteenweg 506; handelend als gevol machtigde van de drie hierna vernoemde erfgenamen : Verdrengh, Evelien Raymonde Philomena, geboren te Elsene op 22 april 1983, wonende te 3040 Huldenberg (Ottenburg), Leuvense baan 67; handelend in eigen naam; Verdrengh, Maite Alida Willy, geboren te Elsene op 5 januari 1986, wonende te 3040 Huldenberg (Ottenburg), Leuvensebaan 67, hande lend in eigen naam; de heer Verdrengh, Filippe Marc Alfons, geboren te Sint-Agatha Berchem op 13 juli 1960, wonende te 2230 Herselt (Ramsel), Steen ovens 19; alleenstaande ouder, handelend in zijn hoedanigheid van drager van het ouderlijk gezag en wettige beheerder over de persoon en de goederen van zijn minderjarige zoon : Verdrengh, Steven, geboren te Leuven op 22 december 1990, wonende te 3040 Huldenberg (Ottenburg), Leuvensebaan 67; hierbij gemachtigd bij beschikking door de vrederechter van het kanton Leuven-3, d.d. 16 november 2006; 68563BELGISCH STAATSBLAD — 07.12.2006 − Ed. 2 — MONITEUR BELGE verklaard onder voorrecht van boedelbeschrijving de nalatenschap te aanvaarden van wijlen Pelckmans, Chantal Lucia François Eduard, geboren te Sint-Joost-ten-Node op 31 januari 1962, in leven laatst wonende te 3040 Huldenberg, Leuvensebaan 67, en overleden te Huldenberg op 13 oktober 2006. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht binnen de drie maanden, te rekenen van de datum van opneming in het Belgisch Staatsblad , hun rechten bij aangetekend schrijven te doen kennen op het kantoor van Mr. Tom Verhaegen, notaris te 3090 Overijse, Dekey serstraat 40. Leuven, 1 december 2006. De griffier, (get.) K. Grisez. (48975) Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen Bij akte, verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 1 december 2006, heeft notaris Peeters, Kathleen, wonende te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 190, handelend in hoedanig heid van bijzondere gevolmachtigde, ingevolge volmacht haar verleend te Heist-op-den-Berg (Itegem), op 23 november 2006, voor en in naam van : Onsea, Theofiel, geboren te Itegem op 30 januari 1933, wonende te 2222 Heist-op-den-Berg, Jachtlaan 8; Onsea, Fabian, geboren te Lier op 29 november 1974, wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, Westmeerbeeksesteenweg 41 : verklaard, onder voorrecht van boedelbeschrijving, de nalatenschap te aanvaarden van wijlen Onsea, Guido Raymond Maria, geboren te Lier op 1 mei 1956, in leven laatst wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, Geelhandlaan 5 bus 4, en overleden te Lier op 23 oktober 2006. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht binnen de drie maanden, te rekenen vanaf de datum van opneming in het Belgisch Staatsblad , hun rechten bij aangetekend schrijven te doen kennen op het kantoor van notaris K. Peeters, te 2222 Itegem, Sint-Guibertus plein 14. Mechelen, 1 december 2006. De griffier : (get.) D. De Koninck. (48976) Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk Bij akte, verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 1 december 2006, heeft verklaard : Vandendriessche, Pierre Omer, notarieel medewerker, geboren te Oudenaarde op 3 november 1955, en wonende te 9690 Kluisbergen, Kontrijnstraat 40, handelend als gevolmachtigde van : — De Meue, Peter Ivo Leo, geboren te Oudenaarde op 29 april 1970, en wonende te 8580 Avelgem, Langestraat 28, handelend in zijn hoedanigheid van langstlevende ouder over zijn minderjarige dochter, De Meue, Ulrike, geboren te Avelgem op 27 februari 2000, bij hem inwonend, handelend in zijn gezegde hoedanigheid, onder voorrecht van boedel beschrijving de nalatenschap te aanvaarden van wijlen Bossuyt, Patricia Myriam, geboren te Avelgem op 4 januari 1962, in leven laatst wonende te 8580 Avelgem, Langestraat 28, en overleden te Kortrijk op 6 februari 2006. Tot staving van zijn verklaring heeft de comparant ons een onder handse volmacht overhandigd, waarvan de daarop voorkomende handtekening gewettigd werd door notaris Frank Ghys, met stand plaats te Kluisbergen, en heeft hij ons tevens een afschrift vertoond van de beschikking van 14 september 2006 van de vrederechter van het tweede kanton Kortrijk, waarbij de heer De Meue, Peter Ivo Leo, voornoemd, gemachtigd werd om in naam van zijn minderjarige dochter de nalatenschap van wijlen Bossuyt, Patricia Myriam, te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. De schuldeisers en legatarissen worden verzocht binnen de drie maanden, te rekenen van de datum van opneming in het Belgisch Staatsblad, hun rechten bij aangetekend schrijven te doen kennen op het kantoor van Mr. Frank Ghys, notaris met standplaats te 9690 Kluis bergen, Berchemstraat 47. Kortrijk, 1 december 2006. De griffier, (get.) Marc Audoor. (48977) Bij akte, verleden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 1 december 2006, heeft verklaard : Mr. Vlegels, Francis Marie Honoré Remi Carlos, notaris, geboren te Ingelmunster op 18 november 1952, en wonende te 8770 Ingelmunster, Meulebekestraat 3, handelend als gevolmachtigde van : A. Elias, Arlette, geboren te Parijs (Frankrijk) op 30 september 1945, en wonende te 7943 Brugelette (Gages), rue de Silly 44; B. Vandekerckhove, Patricia Marie, geboren te Brugge op 9 maart 1956, en wonende te 9210 Saint-Cloud (Frankrijk), rue Emile Verhaeren 4; C. Vandekerckhove, Aurélie Marine Djenane Arthur, geboren te Neuilly-sur-Seine (Frankrijk) op 2 juli 1975, en wonende te 1000 Brussel, Thérèsiennestraat 19, bus 1, handelend in zijn gezegde hoedanigheid, onder voorrecht van boedel beschrijving de nalatenschap te aanvaarden van wijlen Vandekerck hove, Arthur Stephaan Camilla Euphemie, geboren te Brugge op 25 juni 1928, in leven laatst wonende te 8770 Ingelmunster, Pieter Deconinckstraat 30, en overleden te Etterbeek op 22 januari 2006. Tot staving van zijn verklaring heeft de comparant ons twee onder han