Arrêté royal concernant la prévention et la réparation des dommages environnementaux lors de la mise sur le marché d’organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant
Made 2007-08-03 · Text as of 2026-10-01
Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.
About this law
- Original title
- Koninklijk besluit betreffende de preventie en het herstel van milieuschade bij het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten.
- Language
- French; Dutch
- Kind
- Regulation
- Country
- Belgium
- Subjects
- Environment
- Keywords
- pollution control, transport/storage, liability/compensation, genetically modified organism (GMO), polluter pays principle, protection of environment, public health
Where to read it
Text
The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.
FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2007/23299]N. 2007 — 3873 3 AUGUSTUS 2007. — Koninklijk besluit betreffende de preventie en het herstel van milieuschade bij het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten VERSLAG AAN DE KONING Sire, 1. Doel van het koninklijk besluit Dit koninklijk besluit strekt ertoe de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstel len van milieuschade (1) om te zetten in Belgisch recht voor wat betreft preventie en herstel van milieuschade bij het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten. De Richtlijn streeft preventie en herstel van milieuschade na op basis van het beginsel de ″vervuiler betaalt″. Hiertoe voert de Richtlijn een administratiefrechtelijk systeem van preventie- en herstelplichten in, die rusten op de exploitant wiens activiteiten milieuschade of een onmiddellijke dreiging van milieuschade veroorzaken. In eerste instan tie geldt er voor de exploitant een zelfstandige verplichting om de nodige preventie- en/of herstelmaatregelen te ondernemen. De over heid kan de exploitant ook bevelen de nodige maatregelen te treffen en desnoods – bijv. in geval van verzuim – zelf preventie- en herstelmaat regelen uitvoeren. De exploitant draagt de kosten van de preventie- en/of herstelmaat regelen. Indien de overheid (noodgedwongen) zelf preventie- en/of herstelmaatregelen uitvoert, verhaalt ze haar kosten op de exploitant die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroor zaakt. De exploitant zal evenwel niet in alle omstandigheden moeten instaan voor de kosten. Dit is het geval wanneer één van de verweermiddelen (de zgn. derdeschadeveroorzaker, de dwingende overheidsinstructie en de permit en state of the art defences) kan worden ingeroepen, van toepassing op herstelmaatregelen. Het voormeld regime geldt niet voor alle milieuschadetypes die worden veroorzaakt door om het even welke activiteit of gebeurtenis. Zowel wat de schade als wat de schadeveroorzakende activiteit betreft, gelden er beperkingen. Onder de Richtlijn wordt enkel schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, schade aan wateren en bodemschade als milieuschade weerhouden. Ook moet een beroepsac tiviteit aan de oorzaak van de milieuschade liggen. In bijlage III van de Richtlijn wordt op indirecte wijze – door verwijzing naar (bijlagen van) andere Europese Richtlijnen – een reeks milieugevaarlijke beroepsacti viteiten opgesomd. Welnu, het regime van preventie- en herstelplichten treedt vooreerst in werking wanneer (een onmiddellijke dreiging voor) schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, schade aan wateren of bodemschade wordt veroorzaakt door de in bijlage III bedoelde beroepsactiviteiten. De exploitanten van deze milieugevaar lijke beroepsactiviteiten dienen hierbij niet noodzakelijk een fout te hebben gemaakt. Tevens vindt de Richtlijn toepassing wanneer de exploitant van een andere (niet in bijlage III genoemde) beroeps activiteit door fout of nalatigheid schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats of een onmiddellijke dreiging daartoe veroorzaakt. De Richtlijn zal geen toepassing vinden wanneer de (onmiddellijke dreiging voor) milieuschade het gevolg is van een overmachtsituatie (natuurrampen, oorlog,) of wanneer de milieuschade al binnen de werkingssfeer valt van één van de in bijlage IV en V genoemde internationale aansprakelijkheidsovereenkomsten inzake transport van gevaarlijke stoffen, olieverontreiniging en nucleaire activiteiten. Tevens werkt de Richtlijn niet retroactief. Tot slot is de Richtlijn niet van toepassing op schade veroorzaakt door een emissie, gebeurte nis of incident die/dat meer dan 30 jaar geleden heeft plaats gevonden. De lidstaten dienen één of meerdere overheidsinstanties aan te duiden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de taken waarin de Richtlijn voorziet. SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2007/23299]F. 2007 — 3873 3 AOUT 2007. — Arrêté royal concernant la prévention et la réparation des dommages environnementaux lors de la mise sur le marché d’organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant RAPPORT AU ROI Sire, 1. Objet de l’arrêté royal Cet arrêté royal vise à transposer la Directive 2004/35/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 sur la responsabilité environnementale en ce qui concerne la prévention et la réparation des dommages environnementaux (1) en droit belge pour ce qui est de la prévention et de la réparation des dommages environnementaux lors de la mise sur le marché d’organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant. La Directive a pour objet la prévention et la réparation des dommages environnementaux fondées sur le principe ″pollueur payeur″. A cette fin, la Directive instaure un système administratif d’obligations de prévention et de réparation, qui incombent à l’exploi tant dont l’activité cause un dommage environnemental ou une menace imminente de dommage. En premier lieu, une obligation autonome d’entreprendre les actions nécessaires de prévention et/ou de répara tion s’applique à l’exploitant. L’autorité peut aussi lui ordonner de prendre les mesures nécessaires et, le cas échéant – en cas d’omissions, par exemple - elle peut exécuter elle-même des mesures de prévention et de réparation. L’exploitant supporte les coûts des mesures de prévention et/ou de réparation. Si l’autorité exécute elle-même (par la force des choses) des mesures de prévention ou de réparation, elle en recouvre le coût auprès de l’exploitant qui a causé les dommages ou la menace imminente de dommages. Cependant, l’exploitant ne devra pas supporter les coûts en toutes circonstances. Ce sera le cas lorsqu’un des moyens de défense (le ″tiers responsable du dommage″, l’instruction impérative de l’autorité et les ’permit et state-of-the-art defences’) peut être invoqué, s’appliquant aux mesures de réparation. Le régime précité ne s’applique pas à tous les types de dommages environnementaux dus à n’importe quelle activité ou événement. Il existent des restrictions tant en ce qui concerne le dommage que l’activité dommageable. La Directive ne retient que les dommages aux espèces et habitats naturels protégés, les dommages affectant les eaux et les sols en tant que dommages environnementaux. De même, une activité professionnelle doit être à l’origine du dommage environne mental. L’annexe III de la Directive énumère indirectement – par référence à (des annexes) d’autres Directives européennes – une série d’activités professionnelles dangereuses pour l’environnement. Or, le régime des obligations de prévention et de réparation n’entre en vigueur que si un dommage (ou une menace imminente de dommage) est causé à des espèces et des habitats naturels protégés ou affecte les eaux ou les sols du fait d’activités professionnelles visées à l’annexe III. À cet égard, les exploitants de ces activités professionnelles dangereu ses pour l’environnement ne doivent pas nécessairement avoir commis une faute. De même, la Directive s’applique lorsque l’exploitant d’une autre activité professionnelle (non citée à l’annexe III) a causé par sa faute ou sa négligence un dommage ou une menace imminente de dommage à des espèces et des habitats naturels protégés. La Directive ne s’appliquera pas lorsque le dommage environnemen tal (ou la menace imminente de dommage) résulte d’une force majeure (catastrophes naturelles, guerre, etc.) ou lorsque le dommage environ nemental relève déjà du champ d’application de l’une des conventions internationales en matière de responsabilité citées aux annexes IV et V dans le domaine du transport des substances dangereuses, de la pollution par les hydrocarbures et des activités nucléaires. De même, la Directive n’a pas d’effet rétroactif. Enfin, elle ne s’applique pas aux dommages causés par une émission, un événement ou un incident survenus plus de 30 ans auparavant. Les Etats membres doivent désigner une ou plusieurs autorités publiques responsables de l’exécution des tâches prévues par la Directive. 49665MONITEUR BELGE — 20.09.2007 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Nu de bescherming van het milieu – een publiek goed – in eerste instantie door de overheid moet worden ter harte genomen, is ervoor geopteerd derden-belanghebbenden (schadelijders en milieuorganisa ties) geen rechtstreekse vorderingsmogelijkheid tegen de milieuveront reiniger te verschaffen. Wel wordt de schadelijders een inspraakmoge lijkheid verleend. Meer bepaald, kunnen schadelijders aan de bevoegde overheidsinstantie opmerkingen maken inzake verontreinigingsgeval len en haar verzoeken om maatregelen te treffen. De betrokkene kan het handelen of het verzuim van de overheid aanvechten via een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie. Wanneer milieuschade de landsgrenzen overschrijdt of dreigt te overschrijden, voorziet de Richtlijn in samenwerkings- en informatie plichten tussen de lidstaten. Lidstaten kunnen desgewenst strengere bepalingen dan de Richtlijn handhaven of invoeren. Zoals gezegd zijn de milieugevaarlijke beroepsactiviteiten die onder het objectief aansprakelijkheidsregime van de Richtlijn vallen opge somd in bijlage III bij de Richtlijn. In bijlage III punt 10 en punt 11 worden verschillende activiteiten met GGO’s omschreven : enerzijds het ingeperkt gebruik, met inbegrip van het vervoer, van GGO’s, anderzijds de doelbewuste introductie van GGO’s, daarin begrepen het vervoer en het in de handel brengen van GGO’s. In de federale bevoegdheidsstudie (2) en het advies van de Raad van State (3) werd aangegeven dat het in de handel brengen van GGO’s tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Voornaamste aanknopingspunt hiervoor is de bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen (artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1° BWHI). De gewesten worden weliswaar betrokken bij het in de handel brengen van GGO’s ingevolge het gemeenschappelijk evaluatiesysteem inge steld door het Samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 (4) en de te volgen procedure voor het in de handel brengen van GGO’s als product of in producten zoals geregeld door het koninklijk besluit van 21 februari 2005 (5). Gezien de federale bevoegdheid op basis van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1° BWHI, oordeelde de Raad van State dat de federale overheid bevoegd moet worden geacht inzake het voorko men en herstellen van milieuschade, tot het nemen van preventieve maatregelen en van herstelmaatregelen die betrekking hebben op het enkele feit van het in de handel brengen van GGO’s. Met betrekking tot de doelbewuste introductie in het leefmilieu van GGO’s oordeelde de Raad van State dat, aangezien deze beroepsacti viteit niet valt onder de federale milieubevoegdheden opgesomd onder artikel 6, § 1, II, tweede lid en III BWHI (maar eerder een bevoegdheid inzake volksgezondheid uitmaakt), de federale overheid niet de bevoegde overheid is om de Richtlijn inzake milieuaansprakelijkheid voor deze beroepsactiviteit om te zetten. De Raad oordeelt verder dat niets er zich evenwel tegen verzet dat, als de federale overheid een activiteit regelt op grond van haar bevoegdheid, anders dan in het domein van het leefmilieu en het natuurbehoud (bijvoorbeeld volksgezondheid), ze rekening houdt met milieuoverwegingen, in het bijzonder om milieuschade te voorkomen die dergelijke activiteit mogelijks kan veroorzaken. Aldus zal zij, indien het een activiteit betreft die valt onder de toepassing van de Richtlijn milieuschade, noodgedwongen bijdragen tot een wezenlijke toepassing van die Richtlijn. Op basis van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten, regelt de federale overheid de beroepsactiviteit die doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu omvat. De autorisaties omvatten per definitie ook preven tieve bepalingen. In het licht van de opmerkingen van de Raad van State dient daarom, in dit Verslag aan de Koning, opgemerkt te worden dat deze preventieve bepalingen geen afbreuk mogen doen aan de reglementering die de gewesten voorzien met betrekking tot preventie van milieuschade veroorzaakt door bewuste introductie van GGO’s in het leefmilieu. Gezien het voorgaande en het advies van de Raad van State, zou het nuttig zijn een nieuw samenwerkingsakkoord of wijziging van het bestaand samenwerkingakkoord te sluiten ten einde de praktische gevallen coherent te regelen. 2. Toelichting bij een aantal artikelen. Art. 2. Gezien het risico in de toekomst op onvolledigheid en achterhaalde bepalingen, lijkt het aangewezen om bij de definities in artikel 2, 3°, 5° tot 7°, de interne omzettingswetgeving van de gewesten niet expliciet op te lijsten, maar in algemene termen te verwijzen naar de omzettings bepalingen in België. Dès lors que les pouvoirs publics, en premier lieu, doivent avoir à cœur la protection de l’environnement – un bien public-, on a choisi de ne pas donner à des tiers intéressés (victimes de dommages et organisations environnementales) une possibilité d’agir directement contre le pollueur. Certes, une possibilité de participation est attribuée aux victimes de dommages. Les victimes de dommages peuvent formuler des remarques à l’autorité publique compétente sur des cas de pollution et l’inviter à prendre des mesures. L’intéressé peut contester les actes ou les omissions de l’autorité par le biais d’une procédure devant un tribunal ou toute autre instance publique indépendante et impartiale. Lorsqu’un dommage environnemental dépasse ou menace de dépas ser les frontières nationales, la Directive prévoit des obligations de collaboration et d’information entre les Etats membres. Le cas échéant, les Etats membres peuvent maintenir ou adopter des dispositions plus strictes que celles de la Directive. Comme cela a été dit, les activités professionnelles dangereuses pour l’environnement, qui relèvent du régime objectif de responsabilité de la Directive, sont énumérées à l’annexe III de la Directive. Les points 10 et 11 de l’annexe III définissent différentes activités avec des OGM : d’une part, l’utilisation confinée, y compris le transport, d’OGM, d’autre part, la dissémination volontaire, y compris le transport et la mise sur le marché, d’OGM. L’étude relative aux compétences fédérales (2) et l’avis du Conseil d’Etat (3) ont indiqué que la mise sur le marché d’OGM relève de la compétence de l’autorité fédérale. A cet égard, le critère de rattache ment est la compétence en matière de fixation de normes de produits (article 6, § 1er, II, deuxième alinéa, 1°, BWHI). Il est vrai que les régions sont associées à la mise sur le marché d’OGM au travers du système d’évaluation commun instauré par l’accord de coopération du 25 avril 1997 (4) et de la procédure à suivre pour la mise sur le marché d’OGM en tant que produit(s) régi(s) par l’arrêté royal du 21 février 2005 (5). Etant donné la compétence fédérale sur la base de l’article 6, § 1er, II, second alinéa, 1° de la LSRI, le Conseil d’Etat est d’avis que l’Etat fédéral doit être estimé compétent pour la prévention et la réparation des dommages environnementaux, pour la prise de mesures de prévention et de réparation portant sur le seul fait de la mise sur le marché d’OGM. S’agissant de la dissémination volontaire d’OGM dans l’environne ment, le Conseil d’Etat a estimé que, comme cette activité profession nelle ne relève pas des compétences environnementales fédérales énumérées à l’article 6, § 1er, II, second alinéa et III de la LSRI (mais constitue plutôt une compétence de santé publique), l’autorité fédérale n’est pas l’autorité compétente pour transposer la Directive sur la responsabilité environnementale pour cette activité professionnelle. Le Conseil est également d’avis que rien ne s’oppose cependant à ce que l’autorité fédérale, lorsqu’elle réglemente une activité sur la base de sa compétence dans un autre domaine que l’environnement et la conservation de la nature (par exemple la santé publique), prenne en compte des considérations environnementales en particulier pour prévenir les dommages environnementaux qu’une telle activité pour rait provoquer. S’il s’agit d’une activité qui relève de l’application de la Directive sur les dommages environnementaux, elle va ainsi, par la force des choses, contribuer à une application effective de ladite Directive. Sur la base de l’arrêté royal du 21 février 2005 réglementant la dissémination volontaire dans l’environnement, ainsi que la mise sur le marché d’organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant, l’autorité fédérale réglemente l’activité professionnelle qui consiste en la dissémination volontaire d’OGM dans l’environnement. Les autorisations comprennent, par définition, aussi des dispositions préventives. A la lumière des remarques du Conseil d’Etat, il est par conséquent recommandé d’indiquer dans ce Rapport au Roi que ces dispositions préventives ne peuvent pas porter préjudice à la réglemen tation prévue par les régions en matière de prévention des dommages environnementaux provoqués par la dissémination volontaire d’OGM dans l’environnement. Vu les remarques ci-dessus et l’avis du Conseil d’Etat, il serait utile de conclure un nouvel accord de coopération ou de modifier un accord de coopération existant en vue de traiter de manière cohérente les cas pratiques. 2. Commentaire de quelques articles. Art. 2. Vu le risque à l’avenir de mesures incomplètes et dépassées, il semble préférable, aux définitions 3°, 5° à 7° de l’article 2, de ne pas lister explicitement les réglementations régionales de transposition mais de parler en termes généraux des mesures transposées par la Belgique. 49666 MONITEUR BELGE — 20.09.2007 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Met betrekking tot de definitie van exploitant dient gezegd dat de Richtlijn een zeer brede omschrijving hanteert, die in de nationale omzettingswetgeving niet kan worden verengd. De definitie hanteert enerzijds een feitelijk criterium (diegene die de beroepsactiviteit verricht of regelt of een doorslaggevende economische zeggenschap heeft over het technisch functioneren ervan) en anderzijds een formeel criterium (de vergunninghouder of diegene die de activiteit laat registreren of er kennisgeving van doet). Derhalve is het denkbaar dat in bepaalde gevallen verschillende personen of instanties als ’exploi tant’ zouden kunnen worden aangeduid, hetgeen de werkbaarheid (met in het bijzonder de snelle en efficiënte uitvoering van preventie maatregelen) niet steeds zal ten goede komen. Er mag worden aangenomen dat ten behoeve van de administratieve praktijk richtsnoe ren voor het richten van een preventiebevel aan één van de potentiële exploitanten kunnen worden geformuleerd (in een M.B. of een omzendbrief). Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan een cascade systeem. Enkel moet men er zorg voor dragen dat geen personen of instanties worden uitgesloten die mogelijkerwijs worden geviseerd door de exploitantdefinitie uit de Richtlijn. Art. 3. In artikel 3 wordt verduidelijkt in welke omstandigheden dit koninklijk besluit van toepassing is. Het koninklijk besluit is van toepassing op preventie- en herstelmaat regelen bij schade veroorzaakt door beroepsactiviteiten die bestaan uit het in de handel brengen van GGO’s. Art. 4. Artikel 4 formuleert in vier paragrafen de uitzonderingen op het toepassingsgebied. Wat betreft diffuse verontreiniging (verontreiniging die uit ontelbare bronnen (bijv. auto’s) voorkomt), die in principe niet onder het toepassingsgebied valt, tenzij daadwerkelijk een causaal verband kan worden aangetoond tussen de onmiddellijke dreiging van milieu schade en de activiteiten van individuele exploitanten, dient te worden vastgesteld dat men doorgaans niet meer te doen heeft met diffuse verontreiniging’ wanneer één welbepaalde schadeveroorzakende exploi tant kan worden aangeduid. Toch is het niet ondenkbaar dat bepaalde verontreinigende én diffuus verspreide substanties toch aan één of meerdere exploitanten kunnen worden toegeschreven, zodat deze bepaling weldegelijk zin heeft. Art. 5. Artikel 5, bevat de zelfstandige preventieplicht voor exploitanten van beroepsactiviteiten die het in de handel brengen van GGO’s omvatten. De tekst werd overgenomen uit artikel 5.1 van de Richtlijn. De vermelding van de term ’onverwijld’ is een uitdrukking van de urgentie van het optreden door de exploitant en start vanaf het moment dat de exploitant kennis had of behoorde te hebben van de onmiddel lijke dreiging van milieuschade. Art. 6. Artikel 6, § 1, bevat, in geval van onmiddellijkdreigende milieu schade, de zelfstandige informatieplicht voor exploitanten van een beroepsactiviteit die het in de handel brengen van GGO’s omvat. De tekst sluit aan bij artikel 5.2 van de Richtlijn. Artikel 6, § 2, omschrijft op algemene wijze de mogelijkheden waarover de bevoegde instantie beschikt om tot preventie van milieu schade te komen in geval van onmiddellijk dreigende schade veroor zaakt door de een beroepsactiviteit die het in de handel brengen van GGO’s omvat. De tekst komt overeen met artikel 5.3 van de Richtlijn. Gelet op de specificiteit van GGO’s is het aangewezen dat een gespecialiseerde instantie als de DBB wordt geraadpleegd met betrek king tot de nodige preventieve maatregelen ingeval van dreigende schade ingevolge het in de handel brengen van GGO’s. Artikel 6, § 3, voorziet daartoe dat de DBB verplicht om advies wordt gevraagd. Art 7, 8 en 9 Naar aanleiding van het advies van de Raad van State (zie voetnoot 3) wordt een nieuw Hoofdstuk V ″Herstelmaatregelen″ gecreëerd. Artikel 7 voorziet in de informatieplicht en de herstelplicht voor de exploitanten van beroepsactiviteiten die het in de handel brengen van GGO’s omvatten. Artikel 8 bepaalt de maatregelen die de bevoegde instantie zelf kan nemen naar aanleiding van milieuschade veroorzaakt door dergelijke beroepsactiviteiten. Artikel 9 verplicht de bevoegde instantie om, teneinde de herstel maatregelen te bepalen, de DBB te raadplegen. De DBB heeft een adviserende rol. S’agissant de la définition d’exploitant, il convient de préciser que la Directive applique une définition très large, qui ne peut être réduite dans la législation nationale de transposition. La définition utilise, d’une part, un critère de fait (celui qui exerce ou contrôle une activité professionnelle ou qui a reçu par délégation un pouvoir économique important sur le fonctionnement technique) et, d’autre part, un critère formel (le titulaire d’un permis ou d’une autorisation pour une telle activité, ou la personne faisant enregistrer ou notifiant une telle activité). Par conséquent, il est concevable que dans certains cas, plusieurs personnes ou instances puissent être désignées comme ’exploitants’, ce qui ne favorisera pas toujours l’opérationnalité (en particulier l’exécution rapide et efficace des mesures préventives). On peut admettre que pour la pratique administrative, des instructions puissent être formulées (dans un AM ou une circulaire) pour adresser un ordre de prévention à l’un des exploitants potentiels. On peut songer, par exemple, à un système de cascade. La seule chose à laquelle il faut veiller est de n’exclure aucune personne ou instance pouvant être visée par la définition d’exploitant au sens de la Directive. Art. 3. L’article 3 précise les conditions d’application de cet arrêté royal. L’arrêté royal est applicable aux mesures de prévention et de réparation des dommages causés par les activités professionnelles consistant en la mise sur le marché d’OGM. Art. 4. L’article 4 formule en quatre paragraphes les exceptions au champ d’application. En ce qui concerne la pollution diffuse (pollution provoquée par un nombre incalculable de sources – par exemple les voitures) qui ne relève pas en principe du champ d’application, sauf si un lien de causalité effectif peut être établi entre la menace imminente de dommages environnementaux et les activités des différents exploitants, Il faut constater qu’il n’est en général plus question de ’pollution diffuse’ lorsqu’il est possible d’identifier un exploitant déterminé qui a causé le dommage. Néanmoins, il n’est pas impensable que certaines substances polluantes et répandues de manière diffuse puissent être imputées à un seul ou plusieurs exploitants, de sorte que cette disposition a bel et bien un sens. Art. 5. L’article 5, contient l’obligation autonome de prévention pour les exploitants d’activités professionnelles consistant en la mise sur le marché d’OGM. Le texte a été repris de l’article 5.1 de la Directive. Le mention du terme ’sans retard’ est une expression de l’urgence de l’intervention de l’exploitant et débute au moment auquel l’exploitant a connaissance ou aurait dû avoir connaissance de la menace immi nente du dommage environnemental. Art. 6. L’article 6, § 1er, prévoit, en cas de menace imminente de dommages environnementaux, l’obligation autonome d’information pour les exploi tants d’une activité professionnelle consistant en la mise sur le marché d’OGM. Ce texte se rattache à l’article 5.2 de la Directive. L’article 6, § 2, décrit en termes généraux les possibilités dont dispose l’autorité compétente pour prévenir les dommages environnementaux en cas d’une menace imminente de dommages environnementaux provoquée par une activité professionnelle consistant en la mise sur le marché d’OGM. Le texte correspond à l’article 5.3 de la Directive. Eu égard à la spécificité des OGM, il est indiqué qu’une instance spécialisée telle que le SBB soit consultée, au sujet des mesures préventives nécessaires en cas de menace imminente de dommages environnementaux provoquée par la mise sur le marché d’OGM. L’article 6, § 3, prévoit à cet effet que l’avis du SBB doit obligatoirement être demandé. Art 7, 8 en 9 Comme suite à l’avis du Conseil d’Etat (voir note 3), un nouveau Chapitre V ″Mesures de réparation″ est introduit. L’article 7 prévoit l’obligation d’information et de réparation pour les exploitants des activités professionnelles consistant en la mise sur le marché d’OGM. L’article 8 détermine les mesures que l’autorité compétente peut prendre elle-même suite aux dommages environnementaux provoqués par de telles activités professionnelles. L’article 9 oblige l’autorité compétente à consulter le SBB, afin de définir les mesures de réparation. Le SBB a un rôle consultatif. 49667MONITEUR BELGE — 20.09.2007 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 10 Artikel 10, § 1, bepaalt dat de exploitant instaat voor de kosten van de preventieve maatregelen en de herstelmaatregelen, dit geheel conform het vervuiler betaalt-beginsel. De tekst sluit aan bij artikel 8.1 van de Richtlijn. In het verlengde van artikel 10, § 1, voorziet artikel 10, § 2, dat de bevoegde instantie de kosten van zelf ondernomen preventieve maat regelen verhaalt op de schadeveroorzakende exploitant. Net zoals in artikel 8.2 van de Richtlijn, wordt eveneens gespecificeerd dat daartoe een zakelijke zekerheid of een andere geschikte waarborg kan worden ingeroepen. De ministers kunnen, na overleg op de Ministerraad, bepalen welke zekerheden en waarborgen kunnen worden aangespro ken en hoe dit zal gebeuren. Omtrent de kwestie van de financiële zekerheden dient gezegd dat er verschillende types zekerheden of waarborgen denkbaar zijn. — Wanneer men aanneemt dat een zakelijke zekerheid pas uitwer king moet hebben wanneer een vordering tot terugbetaling wordt ingesteld, kan gedacht worden aan een wettelijk voorrecht. — Wanneer men aanneemt dat de zekerheid moet worden gesteld op het ogenblik waarop schade is veroorzaakt en de bevoegde overheid de nodige instructies geeft nopens de te treffen maatregelen, kan een gelijkaardig systeem als in het Vlaamse bodemsaneringsdecreet wor den aangenomen (bankgarantie als zekerheid voor de kosten van de saneringswerken), niettegenstaande dit in de praktijk niet echt nuttig blijkt te zijn. — Ook kunnen financiële zekerheden worden vereist in de vroegst mogelijke fase, nl. in het kader van de vergunningsprocedure. Dit vormt uiteraard de sterkste waarborg voor de overheid en lijkt best in overeenstemming te zijn met de doelstellingen van de Richtlijn en het beginsel de vervuiler betaalt. Het biedt immers de grootste zekerheid, maar brengt ook de hoogste kosten en administratieve lasten met zich mee. Zij vereist een goed uitgebouwde administratie met kennis en ervaring inzake financiële zekerheden. Het komt aan de minister toe om hieromtrent een keuze te maken. Art. 11 Artikel 11, § 1, vormt de omzetting van artikel 8.3 van de Richtlijn en bevat de zgn. verweermiddelen ’derde schadeveroorzaker’ en ’dwin gende overheidsinstructie’. De tekst werd omzeggens letterlijk overge nomen uit de Richtlijn. Voor de orde moet worden meegegeven dat op de exploitant nog steeds de verplichting rust om preventieve maatregelen te nemen wanneer hij één van de voormelde verweermiddelen kan inroepen. Evenwel zal hij (uiteindelijk) niet moeten instaan voor de kosten, reden waarom de overheid de exploitant in staat moet stellen om in dergelijke gevallen de kosten terugbetaald te krijgen. Conform artikel 11, § 2, zullen de ministers de regels en procedures vaststellen om de exploitant in staat te stellen de gemaakte kosten te recupereren, dit geheel conform artikel 8.3, laatste alinea, van de Richtlijn. Art. 14 Artikel 14, § 1, kent een verzoekrecht toe aan natuurlijke personen of rechtspersonen voorzien in artikel 12.1. a) van de Richtlijn, die milieuschade lijden of dreigen te lijden. Art. 15 Artikel 15 inzake samenwerking zet artikel 15 van de Richtlijn inzake ″samenwerking tussen de lidstaten″ om. Hierbij worden de verplich tingen uit artikel 15 van de Richtlijn overgenomen en worden deze samenwerkings- en informatieverplichtingen bovendien uitgebreid tot de gevallen van (dreigende) schade die enkel effecten hebben op het Belgisch grondgebied, maar waarbij meerdere diensten binnen de federale overheid betrokken zijn of niet alleen de federale overheid maar ook één of meerdere gewesten betrokken zijn. Voor de goede orde zij opgemerkt dat lidstaten de verplichtingen uit de Richtlijn kunnen verstrengen of uitbreiden (artikel 16 Richtlijn). Art. 10 L’article 10, § 1er, stipule que l’exploitant supporte les coûts liés aux mesures préventives et aux mesures de réparation, ceci en parfaite conformité avec le principe ″pollueur-payeur″. Le texte a été rédigé dans le respect de l’article 8.1 de la Directive. Dans le prolongement de l’article 10, § 1er, l’article 10, § 2, prévoit que l’autorité compétente recouvre auprès de l’exploitant qui a causé le dommage les coûts des mesures préventives qu’elle a entreprises elle-même. Comme à l’article 8.2 de la Directive, il est également précisé qu’une caution ou toute autre garantie appropriée peut être invoquées à cet effet. Les ministres peuvent, après délibération en Conseil de Ministres, déterminer quelles cautions et garanties peuvent être exigées et comment cela peut se faire. Concernant la question des garanties financières, il convient de préciser que différents types de cautions ou de garanties sont conceva bles : — Si on admet qu’une caution ne doit produire ses effets que lorsqu’une action en remboursement est intentée, on peut songer à un privilège légal. — Si on admet que la caution doit être fournie au moment où le dommage a été provoqué et où l’autorité compétente donne les instructions nécessaires quant aux mesures à prendre, on peut envisa ger un système similaire à celui visé dans le décret flamand sur l’assainissement des sols (garantie bancaire à titre de caution pour le coût des travaux d’assainissement), malgré le fait que, dans la pratique, cela ne semble pas réellement utile. — Des garanties financières peuvent aussi être requises dans la phase la plus précoce possible, à savoir dans le cadre de la procédure d’autorisation. Il s’agit pour l’autorité de la plus forte garantie qui paraît mieux correspondre aux objectifs de la Directive et au principe ″pollueur-payeur″. Elle offre en effet la plus grande sécurité, mais entraîne aussi les frais et les charges administratives les plus élevées. Elle requiert une administration bien développée avec des connaissan ces et une expérience en sûretés financières. Il appartient au ministre, de faire un choix à ce propos. Art.11 L’article 11, § 1er, est la transposition de l’article 8.3 de la Directive et contient les moyens de défense ’tiers responsable du dommage’ et ’instruction impérative de l’autorité’. Le texte a été repris pour ainsi dire textuellement de la Directive. Pour le bon ordre, il faut reconnaître que l’obligation de prendre des mesures préventives incombe toujours à l’exploitant lorsqu’il peut invoquer un des moyens de défense précités. Cependant, il ne devra pas (en définitive) supporter les coûts, raison pour laquelle l’autorité doit permettre à l’exploitant d’obtenir dans pareils cas le recouvrement des coûts Conformément à l’article 11, § 2, les ministres constateront les règles et procédures pour permettre à l’exploitant de recouvrer les coûts encourus, et ce en parfaite conformité avec l’article 8.3, dernier alinéa, de la Directive. Art. 14 L’article 14, § 1er, accorde un droit de demande aux personnes physiques ou morales touchées ou risquant d’être touchées par un dommage environnemental, conformément à l’article 12.1. a) de la Directive. Art. 15 L’article 15 concernant la collaboration transpose l’article 15 de la Directive en matière de ″collaboration entre Etats membres″. Sont reprises ici les obligations découlant de l’article 15 de la Directive, ces obligations de collaboration et d’information étant, en outre, étendues aux cas de (menaces de) dommages qui n’affectent que le territoire belge, mais concernent plusieurs services de l’autorité fédérale ou pas seulement cette dernière, mais aussi une ou plusieurs régions. Pour le bon ordre, il faut noter que les Etats membres peuvent renforcer ou étendre les obligations découlant de la Directive (article 16 de la Directive). 49668 MONITEUR BELGE — 20.09.2007 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Bijlage I Bijlage I beschrijft de technieken die, indien ze toegepast zijn, al dan niet leiden tot de toepassing van de definitie van ″genetisch gemodifi ceerd organisme (GGO)″ op de betrokken gevallen. Bijlage I is een letterlijke overname van bijlage I bij het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten. Bijlage II Bijlage II bevat de criteria bedoeld in artikel 2.5°.a) van dit koninklijk besluit. Deze criteria moeten derhalve helpen bepalen of er in bepaalde schadegevallen daadwerkelijk sprake is van schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, zoals gedefinieerd in artikel 2.5° a). Bijlage II is een letterlijke overname van Bijlage I bij de Richtlijn. Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu en Pensioenen, B. TOBBACK Nota (1) Hierna: Richtlijn. (2)Onderzoek federale bevoegdheden inzake implementatie Richtlijn milieuschade – eindrapport april 2005’, UGent, bestek met kenmerk AI/MI/LIABILITY/AO/I/2004. (3) Advies 42.574/VR/3 van 17 en 24 april 2007. (4) Samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid. (5) Koninklijk besluit tot reglementering van de doelbewuste intro ductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van GGO’s of van producten die er bevatten (BS 24 februari 2005). Ingevolge dit koninklijk besluit behoort het verlenen van de toelatingen voor het in de handel brengen van GGO’s tot de bevoegdheid van de federale ministers bevoegd voor Volksgezondheid en Leefmilieu. De procedure voorziet een tussenkomst (via advies) van de Bioveiligheids raad (samengesteld uit diverse federale en gewestelijke ministeries). Annexe Ire L’Annexe Ire décrit les techniques qui, si elles sont appliquées, conduisent à l’application de la définition ″d’organisme génétiquement modifié (OGM)″ aux cas concernés. L’annexe Ire reprend textuellement l’annexe Ire de l’arrêté royal du 21 février 2005 réglementant la dissémination volontaire dans l’envi ronnement ainsi que lors de la mise sur le marché d’organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant. Annexe II L’annexe II contient les critères visés à l’article 2.5° a) du présent arrêté royal. Ces critères doivent dès lors permettre de déterminer si, lors de certains sinistres, il est bel et bien question de dommages aux espèces et habitats naturels protégés, tels que définis à l’article 2.5° a). L’annexe II reprend textuellement l’annexe Ire de la Directive. Nous avons l’honneur d’être, Sire, De Votre Majesté, Le très respectueux et très fidèle serviteur, Le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, R. DEMOTTE Le Ministre de l’Environnement et des Pensions, B. TOBBACK Note (1) Ci-après: Directive. (2) ’Onderzoek federale bevoegdheden inzake implementatie Richt lijn milieuschade - eindrapport april 2005’, UGent, cahier spécial des charges référence AI/MI/LIABILITY/AO/I/2004. (3) Avis 42.594/VR/3 du 17 et 24 avril 2007. (4) Accord de coopération entre l’Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité. (5) Arrêté royal réglementant la dissémination volontaire dans l’environnement ainsi que la mise sur le marché d’organismes généti quement modifiés ou de produits en contenant (MB 24 février 2005). Aux termes de cet arrêté royal, l’octroi des autorisations de mise sur le marché d’OGM relève des ministres fédéraux compétents pour la Santé publique et l’Environnement. La procédure prévoit une intervention (par voie d’avis) du Conseil de biosécurité (composé des divers ministères fédéraux et régionaux). 49669MONITEUR BELGE — 20.09.2007 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD