Arrêté du Gouvernement flamand concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l’agriculture
Made 2014-12-19 · Text as of 2026-10-01
Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.
About this law
- Language
- French; Dutch
- Kind
- Regulation
- Country
- Belgium · Vlaanderen
- Subjects
- Agricultural and rural development
- Keywords
- subsidy/incentive, financial agricultural measures, agricultural development
Where to read it
No source link is recorded for this law.
Text
The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.
VLAAMSE OVERHEID [C − 2015/35094] 19 DECEMBER 2014. — Besluit van de Vlaamse Regering betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw De Vlaamse Regering, Gelet op Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwpro ducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001, artikel 4; Gelet op Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 met betrekking tot steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, het laatst gewijzigd bij gedelegeerde Verordening (EU) nr. 994/2014 van de Commissie van 13 mei 2014; Gelet op Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun; Gelet op het decreet van 22 december 1993 houdende bepaling tot begeleiding van de begroting 1994, artikel 12, § 6, 1° en 2°, ingevoegd bij het decreet van 28 juni 2013; Gelet op het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 9, eerste lid, 1°, en tweede lid; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw; Gelet op het gezamenlijk advies van de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij en de Minaraad gegeven op 16 juni 2014; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 19 mei 2014; Gelet op advies 56.556/3 van de Raad van State, gegeven op 15 juli 2014 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op advies 56.793/3 van de Raad van State, gegeven op 2 december 2014 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001, artikel 4 op 16 december 2006 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd (Publicatieblad L358); Overwegende dat Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun op 24 december 2013 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd (Publicatieblad L352); Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. — Algemene bepalingen Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding : de activiteiten met betrekking tot hoevetoerisme, dagrecreatie, verwerking van zelf geteelde of gekweekte landbouwproducten tot producten die niet opgenomen zijn in bijlage 1 van het Verdrag, rechtstreekse verkoop van eigen hoeveproducten, verkoop van niet zelf geteelde, gekweekte of artisanaal verwerkte hoeveproducten via de korte keten, productie van hernieuwbare energie voor eigen verbruik, paardenpension, landschapsbeheer en zorgboerderij; 2° bedrijfsleider : de natuurlijke persoon, landbouwer die de leiding heeft van het landbouwbedrijf en de vennoten van de maatschap die het landbouwbedrijf exploiteert of de bestuurder-landbouwer van de consumentencoöperatie en de beherende vennoten, zaakvoerders of bestuurders van de rechtspersoon, landbouwer die het landbouwbedrijf exploiteert; 3° bestuurder-landbouwer : de bestuurder van wie de beroepsactiviteit in de consumentencoöperatie de belangrijkste beroepsactiviteit is, die op jaarbasis meer dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen haalt uit de activiteiten in de vennootschap en minder dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen haalt uit activiteiten buiten de vennootschap, en die geen ouderdomspensioen geniet 4° bevoegde entiteit : het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij; 5° blokperiode : een periode van maximaal drie maanden waarbinnen aanvragen voor investerings- of opstartsteun ingediend kunnen worden; 6° brutobedrijfsresultaat : het verschil tussen de bedrijfsopbrengsten en de operationele kosten bepaald op de wijze die wordt beschreven in de bijlage bij het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 betreffende bepalingen en minimumstandaard voor bedrijfseconomische boekhouding in de landbouw, dienstig als basis voor de door de Vlaamse overheid gesteunde adviseringssystemen. Het brutobedrijfsresultaat wordt ofwel vereenvoudigd berekend door de oppervlakte van de teelten en de aantallen dieren te vermenigvuldigen met een gemiddeld brutobedrijfs resultaat per eenheid en het resultaat te verhogen met inkomensvervangende steun, ofwel met controleerbare boekhoudkundige gegevens van het laatste volledige boekjaar; 7° e-loket : het elektronisch loket voor het aanvragen van steun dat ontwikkeld en beheerd wordt door de bevoegde entiteit;. 8° landbouwbedrijf : een bedrijf dat uitsluitend activiteiten met betrekking tot landbouw uitvoert, namelijk het kweken, telen, artisanaal be- en verwerken en commercialiseren van landbouwproducten die opgenomen zijn in bijlage 1 van het Verdrag, uitgezonderd producten van de visserij en de viskweek, en activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding met een voldoende brutobedrijfsresultaat per bedrijfsleider. Het brutobedrijfsresultaat van de activiteiten met betrekking tot landbouw is groter dan dat van de activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding; 9° landbouwer : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een landbouwbedrijf exploiteert, die geïdentifi ceerd is door het Departement Landbouw en Visserij, en die voldoet aan de voorwaarden om een natuurlijke persoon, landbouwer of een rechtspersoon, landbouwer te zijn; 8520 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 10° maatschap : de vennootschap, vermeld in artikel 2, § 1, van het Wetboek van Vennootschappen die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet : a) de exploitatie van een landbouwbedrijf en de commercialisatie van de voortgebrachte producten zijn de enige doelstelling van de vennootschap; b) alle vennoten zijn natuurlijke persoon, landbouwer; 11° machinecoöperatie : de handelsvennootschap, vermeld in artikel 2, § 2, van het Wetboek van Vennootschappen, die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet : a) de doelstellingen van de vennootschap houden in hoofdzaak verband met het gemeenschappelijk gebruik en stallen van landbouwmaterieel dat noodzakelijk is voor landbouwactiviteit van de vennoten; b) de vennootschap telt ten minste drie vennoten; c) de vennoten exploiteren samen ten minste twee landbouwbedrijven; d) de meerderheid van de vennoten, met een minimum van drie, is landbouwer; e) de statuten bepalen dat iedere vennoot op de algemene vergadering over ten minste één stem beschikt en dat, in geval van verschillende stemmen per vennoot, het aantal stemmen waarover een vennoot beschikt, beperkt wordt tot ten hoogste een vijfde van de stemmen die op de algemene vergadering verbonden zijn aan de vertegenwoordigde deelbewijzen; 12° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw; 13° natuurlijke persoon, landbouwer : de natuurlijke persoon die de exploitatie van een landbouwbedrijf en de commercialisatie van de voortgebrachte producten als belangrijkste beroepsactiviteit heeft. Hij haalt op jaarbasis meer dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen uit de activiteiten op dat bedrijf en minder dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen uit andere beroepsactiviteiten, en hij geniet geen ouderdomspensioen; 14° rechtspersoon, landbouwer : a) de handelsvennootschap, vermeld in artikel 2, § 2, van het Wetboek van Vennootschappen, met uitzondering van het economisch samenwerkingsverband, die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet : 1) de exploitatie van een landbouwbedrijf en de commercialisatie van de voortgebrachte producten zijn een doelstelling van de vennootschap; 2) alle zaakvoerders of bestuurders zijn natuurlijke personen; 3) voor alle zaakvoerders of bestuurders is de beroepsactiviteit in de vennootschap de belangrijkste activiteit; 4) alle zaakvoerders of bestuurders halen op jaarbasis meer dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen uit hun activiteiten in de vennootschap en minder dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen uit activiteiten buiten de vennootschap, en ze genieten geen ouderdomspensioen; 5) de zaakvoerders of bestuurders worden onder de vennoten aangewezen en bezitten elk minstens 25 % van de aandelen; 6) alle aandelen zijn op naam en zijn ingeschreven in het aandelenregister; 7) de vennootschap is opgericht voor onbepaalde duur of voor ten minste twintig jaar; b) de landbouwvennootschap, vermeld in artikel 2, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen, waarvan de beherende vennoten op jaarbasis meer dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen halen uit hun activiteiten in de vennootschap en minder dan 12.000 euro nettoberoepsinkomen uit activiteiten buiten de vennootschap, en waarvan de beherende vennoten geen ouderdomspensioen genieten; c) de sociale instelling, die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet : 1) de instelling is erkend als sociale werkplaats met toepassing van artikel 7 van het decreet van 14 juli 1998 met betrekking tot sociale werkplaatsen; 2) de exploitatie van een landbouwbedrijf en de commercialisatie van de voortgebrachte producten zijn doelstellingen van de instelling; 3) de bestuurders worden onder de leden aangewezen; 4) ten minste één bestuurder is belast met de bedrijfseconomische opvolging van het landbouwbedrijf; 5) de instelling is opgericht voor onbepaalde duur of voor ten minste twintig jaar; d) de consumentencoöperatie, namelijk een handelsvennootschap als vermeld in artikel 2, § 2, van het Wetboek van Vennootschappen, die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet : 1) de exploitatie van een landbouwbedrijf en de commercialisatie van de voortgebrachte producten zijn doelstellingen van de coöperatie; 2) de bestuurders worden onder de vennoten aangewezen; 3) de coöperatie heeft ten minste één bestuurder-landbouwer; 4) de coöperatie is opgericht voor onbepaalde duur of voor ten minste twintig jaar; 15° sociale instelling : de vereniging zonder winstoogmerk met een maatschappelijke of sociale doelstelling die een landbouwactiviteit uitoefent; 16° Verdrag : het verdrag betreffende werking van de Europese Unie. Art. 1/1. Het hoofd van de bevoegde entiteit kan de aangelegenheden die conform dit besluit en de uitvoeringsbepalingen ervan onder de bevoegdheid van de bevoegde entiteit vallen, subdelegeren aan personeelsleden van de bevoegde entiteit die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau. HOOFDSTUK 2. — Steun aan de investeringen in de landbouw Art. 2. De landbouwer die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet, kan investeringssteun verkrijgen : 1° de landbouwer exploiteert een landbouwbedrijf dat een brutobedrijfsresultaat per bedrijfsleider aantoont van minimaal 40.000 euro; 2° de landbouwer leeft alle wettelijke normen over leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening na; 8521MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 3° de landbouwer voert investeringen uit die de naleving van die normen, vermeld in punt 2°, niet in het gedrang brengen. De landbouwer die een landbouwbedrijf exploiteert dat een brutobedrijfsresultaat aantoont van meer dan 800.000 euro kan geen investeringssteun verkrijgen tenzij voor investeringen die specifiek gericht zijn op de realisatie van een primaire energiebesparing en voor investeringen die specifiek gericht zijn op de vermindering van de emissies. De machinecoöperatie kan dezelfde steun verkrijgen als de landbouwer. De minister bepaalt de wijze waarop de naleving van de wettelijke normen over leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening aangetoond wordt. Art. 3. De natuurlijke persoon, landbouwer, alle beherende vennoten, zaakvoerders of bestuurders van de rechtspersoon, landbouwer, en de bestuurder-landbouwer van de consumentencoöperatie, moeten vakbekwaam zijn. De vakbekwaamheid wordt aangetoond op een van de volgende wijzen : 1° een diploma of een getuigschrift van een basisopleiding met betrekking tot landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs; 2° een installatieattest van een startersopleiding land- en tuinbouw en ten minste twee jaar ervaring met land- en tuinbouwproductie op het tijdstip van de aanvraag voor steun; 3° een diploma of een getuigschrift van een basisopleiding die door de minister tenminste als gelijkwaardig met een startersopleiding land- en tuinbouw wordt erkend en ten minste twee jaar ervaring met land- en tuinbouw productie op het tijdstip van de aanvraag voor steun. Over de gelijkwaardigheid wordt beslist op basis van een gemotiveerde aanvraag; 4° een diploma of een getuigschrift van een basisopleiding in een ander gebied dan landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs en ten minste twee jaar beroepsactiviteit als natuurlijke persoon, landbouwer of als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van een rechtspersoon, landbouwer op het tijdstip van de aanvraag voor investeringssteun; 5° ten minste vijf jaar beroepsactiviteit als natuurlijke persoon, landbouwer, of als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van een rechtspersoon, landbouwer op het tijdstip van de aanvraag voor investeringssteun. De duur van de ervaring, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, wordt aangetoond met beroepsactiviteit als hetzij : 1° natuurlijke persoon, landbouwer of als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van een rechtspersoon, landbouwer; 2° zelfstandig helper, bedrijfsleider tweede categorie, meewerkend echtgenoot of niet betaald geregeld meewerkend familielid op een landbouwbedrijf; 3° werknemer op een landbouwbedrijf; 4° stagiair op een landbouwbedrijf. De natuurlijke persoon, landbouwer, alle beherende vennoten, zaakvoerders of bestuurders van de rechtspersoon, landbouwer, en de bestuurder-landbouwer van de consumentencoöperatie voldoen cumulatief aan de volgende voorwaarden : 1° ze zijn aangesloten bij een sociale kas voor zelfstandigen ; 2° ze zijn sociaal verzekerd op basis van hun landbouwactiviteiten; 3° ze zijn bekend bij de Administratie der Directe Belastingen met hun landbouwactiviteiten. De beroepsinkomsten worden aangetoond met het laatst beschikbare aanslagbiljet van de personenbelasting. De natuurlijke persoon, landbouwer, of de rechtspersoon, landbouwer, vermeld in artikel 1, 3°, b), die opteert voor de personenbelasting houdt een bedrijfseconomische of een bewijskrachtige fiscale boekhouding bij. Voor handelsven nootschappen of vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, volstaat het bijhouden van een boekhouding met een stelsel van boeken en rekeningen met inachtneming van de regels van het dubbelboekhouden. De uitvoering van de investering verloopt planmatig. Daarvoor wordt een bedrijfsplan opgesteld. De minister bepaalt de criteria waaraan de bedrijfseconomische boekhouding moet voldoen, de voorwaarden waaronder een bewijskrachtige fiscale boekhouding aanvaard wordt, en de wijze waarop het bedrijfsplan opgesteld wordt. Art. 4. § 1. De investeringssteun kan een of meer van de volgende maatregelen omvatten : 1° de steun in de vorm van een investeringspremie; 2° de steun in de vorm van een rentesubsidie; 3° de steun in de vorm van een waarborg, als vermeld in artikel 12, § 5, van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. § 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder steunintensiteit : de totale actuele waarde van de steun, uitgedrukt in een percentage van het subsidiabele investeringsbedrag. De steunintensiteit bedraagt maximaal : 1° 30 % voor investeringen die op basis van de behaalde scores volgens de selectiecriteria, vermeld in artikel 7, vijfde lid, 2° tot 4°, van dit besluit, een bovengemiddelde bijdrage leveren aan de verbetering van de duurzaamheid van de land- en tuinbouwproductie; 2° 15 % voor de overige subsidiabele investeringen. De investeringen die voor de investeringssteun in aanmerking komen, en de steunintensiteit die van toepassing is, zijn opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. § 3. De consumentencoöperatie of de sociale instelling kan de waarborg, vermeld in artikel 12, § 5, van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 niet verkrijgen. § 4. De machinecoöperatie kan uitsluitend steun verkrijgen voor machineloodsen en machines, met inbegrip van machines voor agrarisch natuurbeheer, die gemeenschappelijk gebruikt worden door de vennoten. 8522 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 5. § 1. De steunregeling, vermeld in artikel 4, van dit besluit, kan betrekking hebben op investeringen die gericht zijn op : 1° het voldoen aan nieuwe wettelijke normen over hygiëne of om een bovenwettelijke verbetering van de hygiënische omstandigheden waarin geproduceerd wordt te verkrijgen; 2° een efficiënter gebruik van energie en water; 3° de verbetering van de luchtkwaliteit, onder meer via de reductie van de uitstoot van broeikasgassen, fijn stof en ammoniak; 4° de herlokalisatie van een landbouwbedrijf of het milderen van de impact van het landbouwbedrijf op ecosystemen, als dat past in een plan om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen; 5° het voldoen aan nieuwe wettelijke normen over dierenwelzijn of om een bovenwettelijke verbetering van het dierenwelzijn te verkrijgen; 6° de verhoging van de kwaliteit van de producten onder meer via investeringen in geavanceerde bewaartech nieken; 7° de introductie van een innovatieve technologie; 8° arbeidsrationalisatie en de verhoging van de arbeidsveiligheid; 9° het voldoen aan nieuwe eisen van commercialisatie- en distributiebedrijven; 10° het voorkomen of verminderen van erosie; 11° de verlaging van de productiekosten om het inkomen en de concurrentiepositie te verbeteren; 12° de heroriëntatie van de productie; 13° de uitoefening van activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding. De investeringen die betrekking hebben op het bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen, in het bijzonder voor de huisvesting van dieren, mogen niet meebrengen dat op het bedrijf een productiecapaciteit ontstaat die groter is dan de toegestane capaciteit, vermeld in de milieuvergunning, of die groter is dan de capaciteit, verkregen op basis van de nutriëntenemissierechten van het bedrijf. Alleen investeringen die uitgevoerd worden op een landbouwexploitatie die in het Vlaamse Gewest ligt, kunnen in aanmerking komen voor de steun, vermeld in dit besluit. Wanneer een investering uitgevoerd wordt door een groepering van landbouwers kan elk lid van de groepering een aanvraag voor investeringssteun indienen die betrekking heeft op de fractie van die investering die door dat lid gefinancierd wordt. Die fractie stemt overeen met het aandeel in het functioneel nut van het investeringsgoed voor het bedrijf van de aanvrager. In deze paragraaf wordt verstaan onder een groepering van landbouwers : een vereniging van ten minste twee landbouwers die elk een landbouwbedrijf exploiteren. Voor het verkrijgen van de investeringssteun gelden voor de volgende investeringen de volgende bijzondere beperkingen : 1° nieuwe fruitvariëteiten zijn de appelvariëteiten Evelina, Nicoter (Kanzi®),Diwa (Junami®), Fresco (Wellant®), Santana en Delcorf mutant Sissired®, Zari, Joly Red (Red Toro), ras 44 (Fresh Surprise®), ras 45 (Sweet Surprise®) en RockitTM (PremA96) en de perenvariëteiten Rode Doyenné Van Doorn (Sweet Sensation®), Saels (Corina), Dicolor, Celina en Cepuna; 2° geavanceerde spuitmachines zijn een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit met groendetectiesensoren, reflectie schermen of collectors, een spuit met luchtondersteuning, een spuit met afgeschermde spuitbomen en een rijen- of beddenspuit; 3° verwarmingsinstallaties op hernieuwbare brandstoffen zijn installaties waarbij koolzaadolie, biogas, korte omloophout, afvalhout of stro gebruikt wordt als brandstof. Voor installaties en landbouwmachines die werken op aangekochte hernieuwbare brandstoffen moet de producent van de brandstoffen garanderen dat bij de productie voldaan werd aan de duurzaamheidscriteria in uitvoering van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG; 4° investeringen voor de productie van hoeveproducten zijn de specifieke afwerking van bedrijfsgebouwen, de vaste uitrusting van die gebouwen en de machines en het materieel die specifiek bestemd zijn voor die activiteit; 5° investeringen voor de verkoop van hoeveproducten omvatten een hoevewinkel met uitrusting, een verbruikerslokaal, een verkoopautomaat en een koel- en marktwagen. De producten worden verkocht op de hoeve zelf, op een boerenmarkt, via voedselteams, groenteabonnementen of in coöperatief verband; 6° hoevetoerisme is verblijfstoerisme op een actieve hoeve. De investeringen kunnen betrekking hebben op het verbouwen, uitrusten en inrichten van bestaande landbouwbedrijfsgebouwen in het kader van een functiewijziging; 7° sleufsilo’s zijn voorzien van een recuperatiesysteem voor silosappen; 8° installaties voor buitenberegening en fertigatie maken geen gebruik van grondwater; 9° windmolens produceren niet meer elektriciteit dan wat op jaarbasis verbruikt wordt op het bedrijf. § 2. De volgende investeringen komen niet in aanmerking voor investeringssteun als vermeld in artikel 4 van dit besluit : 1° de aankoop van grond; 2° het bouwen van varkens- en pluimveestallen die niet voorkomen op de lijst van ammoniakemissiearme stallen opgenomen in bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen met betrekking tot milieuhygiëne; 3° de verbouwing en uitrusting van bestaande veestallen, behalve als de investeringen gericht zijn op het voldoen aan nieuwe wettelijke normen over het leefmilieu, de hygiëne en het dierenwelzijn, op het verkrijgen van een bovenwettelijke verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en dierenwelzijn, op arbeidsrationalisatie of op de verhoging van de arbeidsveiligheid, of als ze passen in een plan om de instandhoudingsdoelstellingen te halen; 4° de verwerving van immateriële activa, zoals productie-, emissie- en betalingsrechten; 8523MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 5° de aankoop van bedrijfsgebouwen; 6° de investeringen in mestverwerking; 7° de investeringen in bijkomende mestopslagcapaciteit, tenzij voor de realisatie van een bovenwettelijke mestopslag op het veebedrijf van mest van de veestapel van het bedrijf, tot een opslagcapaciteit voor maximaal één jaar of tenzij in het kader van een emissiebeperkende opslag; 8° de gewone vervangingsinvesteringen; 9° het aanleggen van een boorput voor diep grondwater en investeringen die gericht zijn op het gebruik van dat water; 10° de investeringen in zonnecellen, warmte-krachtinstallaties en vergisting van biomassa op basis van energiegewassen; 11° de aankoop van dieren; 12° de aankoop van tweedehandse bedrijfsuitrusting en tweedehands- en demonstratiematerieel; 13° investeringen die economisch onverantwoord zijn in het licht van de structuur en de financieel-economische toestand van het bedrijf; 14° investeringen die gesubsidieerd worden in het kader van een gemeenschappelijke marktordening (GMO); 15° de aankoop van eenjarig plantgoed en de plantkosten. 16° investeringen die de milieudruk aantoonbaar laten stijgen. In het eerste lid, 8°, wordt verstaan onder gewone vervangingsinvestering : een investering voor de eenvoudige vervanging van onroerende goederen die minder dan tien jaar oud zijn of van roerende goederen die minder dan vijf jaar oud zijn. Art. 6. De totale omvang van de subsidiabele investeringen bedraagt voor de periode 2015-2020 maximaal 1.000.000 euro per landbouwbedrijf of 2.000.000 euro per bedrijf als de investeringen passen in een plan van herlokalisatie van twee bedrijven die ophouden te bestaan. Voor de waarborg kan maximaal 2.000.000 euro subsidiabele investeringen per bedrijf aanvaard worden. De steun wordt uitsluitend verleend aan investeringen gefinancierd met : 1° een investeringskrediet; 2° eigen middelen van de landbouwer; 3° een win-winlening. De rentesubsidie bedraagt maximaal 3 %. De steun wordt verleend onder de vorm van : 1° hetzij een investeringspremie van 15 of 30 % van het subsidiabele investeringsbedrag afhankelijk van de steunintensiteit voor de subsidiabele investering in kwestie; 2° hetzij een investeringspremie van 15 % van het subsidiabele investeringsbedrag, aangevuld met een rentesubsidie en een investeringspremie, als de kredietinstelling daarom verzoekt voor investeringen waarvoor de steunintensiteit 30% bedraagt en die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden met krediet, aangegaan bij een door het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds erkende kredietinstelling. De som van de investeringspremies en de actuele waarde van de rentesubsidie bedraagt 30% van het subsidiabele investeringsbedrag; 3° een waarborg voor investeringskredieten, aangegaan bij een door het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds erkende kredietinstelling, die aangewend werden voor de financiering van subsidiabele investeringen die in het kader van de aanvraag om steun zijn aangemeld. In het derde lid, 2°, wordt verstaan onder de actuele waarde van de rentesubsidie : het bedrag aan steun dat verkregen wordt door alle in de tijd gespreide betalingen van rentesubsidie te actualiseren aan de hand van het percentage en de duur van de rentesubsidie, de duur van de vrijstelling van kapitaalaflossing, het aantal kapitaalaflossingen per jaar en een actualisatievoet. De actualisatievoet is gelijk aan de actualisatievoet die door de Europese Unie bepaald wordt voor België en van toepassing was op 1 januari van het jaar van de aanvraag van steun. Art. 7. De landbouwer die de investeringssteun, vermeld in artikel 4, van dit besluit, wil verkrijgen, dient daarvoor een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Voor een investering die gefinancierd wordt met investeringskrediet met het oog op het verkrijgen van een rentesubsidie of een waarborg, moet die aanvraag ingediend worden door tussenkomst van een kredietinstelling als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinves teringsfonds. Een aanvraag wordt uitsluitend ingediend via het e-loket. Het investeringsproject wordt beschreven aan de hand van een selectie van de voorgenomen investeringen uit de limitatieve lijst van subsidiabele investeringen. Per kalenderjaar kunnen maximaal twee aanvragen voor investeringssteun per bedrijf ingediend worden. In het kalenderjaar waarin opstartsteun gevraagd wordt door een natuurlijke persoon, landbouwer of door een beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van een rechtspersoon, landbouwer kunnen vervolgens in datzelfde kalenderjaar nog twee aanvragen om investeringssteun ingediend worden. De aanvraag verschaft informatie over de geraamde investeringsbedragen en de financiering ervan. Per blokperiode worden de investeringen waarvoor de steun aangevraagd is, gerangschikt van hoog naar laag volgens de mate waarin ze bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van de steunmaatregel voor verduurzaming, verjonging en doelmatigheid. De mate waarin een investering bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen wordt uitgedrukt in een doelmatigheidsscore als een som van vijf scores die resulteren uit een beoordeling van de investering op basis van de volgende criteria : 1° een criterium dat uitdrukt in welke mate het uitvoeren van de investering bepaald wordt door het verkrijgen van steun met inachtneming van de terugverdientijd; 2° een criterium dat uitdrukt in welke mate de investering innovatief is, bijdraagt tot de creatie van toegevoegde waarde, een verbeterd inkomen of een verbeterde concurrentiepositie; 3° een criterium dat uitdrukt in welke mate de investering gericht is op een verminderd of rationeler gebruik van energie, water, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, een verbetering van het klimaat, een verhoogde biodiversiteit, een betere plant- en diergezondheid en voorkoming van erosie; 8524 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 4° een criterium dat uitdrukt in welke mate de investering bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, het imago en het maatschappelijk draagvlak van de sector, arbeidsrationalisatie en -veiligheid en voedselveiligheid; 5° een criterium leeftijd dat jonge landbouwers onderscheidt van gevestigde. De scores worden vastgesteld door de bevoegde entiteit op basis van actuele kennis over het effect van de investeringen en blijven onveranderd gedurende een lopende blokperiode. Art. 8. Binnen het beschikbare budget worden de hoogst gerangschikte investeringen in aanmerking genomen voor het verkrijgen van steun. Als er voor een blokperiode meer budget beschikbaar is dan noodzakelijk om alle aanvragen in te willigen, dan wordt het beschikbare budget teruggebracht tot 98% van het budget dat noodzakelijk is om alle aanvragen in te willigen. Een aanvraag die in aanmerking komt voor steun moet aansluitend binnen de maximumtermijnen, bepaald door de minister, vervolledigd worden met gegevens en documenten die noodzakelijk zijn voor de afhandeling van het dossier, als de bevoegde entiteit daarom verzoekt. HOOFDSTUK 3. — Steun aan de overname in de landbouw Art. 9. De natuurlijke persoon, landbouwer die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt, of voor het eerst beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder wordt van een rechtspersoon, landbouwer en die op het tijdstip van de aanvraag voor steun jonger is dan veertig jaar, kan mits het aantonen van opstartverrichtingen een opstartpremie verkrijgen die in aanmerking komt voor cofinanciering uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) of staatssteun die in overeenstemming is met de bepalingen, vermeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001. Als de landbouwer zich voor het eerst vestigt als mede-exploitant in een maatschap of als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van een rechtspersoon-landbouwer, mogen het contract van maatschap of de statuten van de vennootschap, geen bepalingen bevatten die de bevoegdheden van de landbouwer beperken. De landbouwer die zich voor het eerst vestigt als mede-exploitant in een maatschap wordt gevolmachtigd om de maatschap te verbinden. Het landbouwbedrijf waar de landbouwer zich voor het eerst als bedrijfshoofd vestigt, voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden : 1° het behaalt een brutobedrijfsresultaat per bedrijfsleider dat groter is dan 40.000 euro per bedrijfsleider en kleiner is dan 600.000 euro per bedrijfsleider; 2° op het bedrijf worden de wettelijke normen over leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening nageleefd; 3° het bedrijf toont voldoende bedrijfszekerheid aan. De opstartverrichtingen die in aanmerking genomen kunnen worden voor de opstartsteun zijn : 1° de overname van de bedrijfsbekleding van een of meer bestaande bedrijven in het Vlaamse Gewest, op basis van geregistreerde overnamecontracten en gedetailleerde inventarissen van de overgenomen goederen. Voor het materieel en de aanplantingen wordt de leeftijd vermeld; 2° de aankoop van dieren, nieuwe machines, nieuw materieel en voorraden, gericht op het vervolledigen van de bekleding van een of meer bestaande bedrijven in het Vlaamse Gewest die niet of gedeeltelijk in productie zijn, of de vervanging van dieren, machines en materieel die niet overgenomen worden; 3° de aankoop van dieren en voorraden ter gelegenheid van de ingebruikname van een nieuw bedrijf in het Vlaamse Gewest, ter vervanging van een of meer veebedrijven die hun activiteiten stopzetten en waarvan de nutriëntenemissierechten overgenomen zijn; 4° de aankoop van landbouwbedrijfsgebouwen die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest, inclusief de vaste uitrusting en constructies in onroerende staat die minder dan vijftien jaar oud zijn; 5° de overname van aandelen van een rechtspersoon, landbouwer met minstens één volledig werkingsjaar en één afgesloten boekjaar, die een landbouwbedrijf exploiteert in het Vlaamse Gewest en die voldoet aan de bepalingen van artikel 1, 3°, a) en b), van dit besluit, in het kader van de vestiging als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van die rechtspersoon, landbouwer op basis van een geregistreerde overeenkomst over de overname van aandelen; 6° de overname van aandelen van een rechtspersoon, landbouwer met minder dan één volledig werkingsjaar, die een landbouwbedrijf in het Vlaamse Gewest exploiteert en die voldoet aan de bepalingen van artikel 1, 3°, a) en b), van dit besluit, in het kader van de vestiging als beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder van die rechtspersoon, landbouwer, op basis van een geregistreerde overeenkomst over de overname van aandelen. De balans van de rechtspersoon geeft een getrouw beeld van de activa en de passiva van het landbouwbedrijf in exploitatie dat beschikt over de noodzakelijke milieuvergunning, productie- en emissierechten. De minister bepaalt de wijze waarop de naleving van de wettelijke normen over leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening aangetoond wordt, en de wijze waarop voldoende bedrijfszekerheid aangetoond wordt. Art. 10. De natuurlijke persoon, landbouwer die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt, of voor het eerst beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder wordt van een rechtspersoon, landbouwer moet beschikken over een minimale vakbekwaamheid voor zijn eerste vestiging. De vakbekwaamheid wordt aangetoond op een van de volgende wijzen : 1° een diploma of een getuigschrift van een basisopleiding met betrekking tot landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs; 2° een installatieattest van een startersopleiding land- en tuinbouw en op het tijdstip van de aanvraag voor steun bovendien ten minste twee jaar ervaring met land- en tuinbouwproductie; 3° een diploma of een getuigschrift van een basisopleiding die door de minister tenminste als gelijkwaardig met een startersopleiding land- en tuinbouw wordt erkend en op het tijdstip van de aanvraag voor steun bovendien ten minste twee jaar ervaring met land- en tuinbouwproductie. Over de gelijkwaardigheid wordt beslist op basis van een gemotiveerde aanvraag. De duur van de ervaring, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, wordt aangetoond met beroepsactiviteit als hetzij : 1° zelfstandig helper, bedrijfsleider tweede categorie, meewerkend echtgenoot of niet betaald geregeld meewerkend familielid op een landbouwbedrijf; 8525MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 2° werknemer op een landbouwbedrijf; 3° stagiair op een landbouwbedrijf. De natuurlijke persoon, landbouwer die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt, of voor het eerst beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder wordt van een rechtspersoon, landbouwer, voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden : 1° hij is aangesloten bij een sociale kas voor zelfstandigen; 2° hij is sociaal verzekerd op basis van zijn landbouwactiviteiten; 3° hij is bekend bij de Administratie der Directe Belastingen met zijn landbouwactiviteiten . De beroepsinkomsten worden aangetoond met het aanslagbiljet van de personenbelasting. De natuurlijke persoon, landbouwer of de rechtspersoon, landbouwer die opteert voor de personenbelasting houdt een bedrijfseconomische of een bewijskrachtige fiscale boekhouding bij. Voor handelsvennootschappen of vennoot schappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, volstaat het bijhouden van een boekhouding met een stelsel van boeken en rekeningen met inachtneming van de regels van het dubbelboekhouden. De eerste vestiging als bedrijfshoofd verloopt planmatig. Daarvoor wordt een opstartplan opgesteld. De minister bepaalt de criteria waaraan de bedrijfseconomische boekhouding moet voldoen, de voorwaarden waaronder een bewijskrachtige fiscale boekhouding aanvaard wordt, en de wijze waarop het opstartplan opgesteld wordt. Art. 11. De opstartsteun kan een of meer van de volgende maatregelen omvatten : 1° de steun in de vorm van een opstartpremie; 2° de steun in de vorm van een waarborg, als vermeld in artikel 12, § 5, van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. De opstartpremie bedraagt 40.000 euro. Hij bedraagt 55.000 euro wanneer het brutobedrijfsresultaat van het bedrijf waarop de landbouwer zich voor het eerst vestigt minstens vijf maal het minimaal vereist brutobedrijfsresultaat bedraagt en 70.000 euro wanneer het brutobedrijfsresultaat van het bedrijf minstens acht maal het minimaal vereist brutobedrijfsresultaat bedraagt. De waarborg kan verkregen worden op kredieten, aangegaan bij een door het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds erkende kredietinstelling, die aangewend werden voor de financiering van opstartver richtingen die in het kader van de aanvraag om steun zijn aangemeld. Art. 12. De landbouwer, die de opstartpremie, vermeld in artikel 11, eerste lid, 1°, van dit besluit, wil verkrijgen, dient daarvoor een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Voor een investering die gefinancierd wordt met krediet waarvoor steun gevraagd wordt in de vorm van een waarborg als vermeld in artikel 11, eerste lid, 2°, van dit besluit, moet die aanvraag ingediend worden door tussenkomst van een kredietinstelling als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Een aanvraag wordt uitsluitend ingediend via het e-loket. De aard van de opstartverrichtingen wordt beschreven aan de hand van een selectie van de voorgenomen opstartverrichtingen uit de limitatieve lijst van opstartverrichtingen die in aanmerking genomen kunnen worden voor de opstartsteun. Indien steun in de vorm van een waarborg gevraagd wordt verschaft de aanvraag informatie over de geraamde opstartkosten en de financiering ervan. Per blokperiode worden de opstartprojecten waarvoor de steun aangevraagd is, gerangschikt van hoog naar laag volgens de mate waarin ze bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van de steunmaatregel voor de aanmoediging van de generatiewissel. De mate waarin de voorgenomen opstartverrichting bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen wordt uitgedrukt in een doelmatigheidsscore als een som van twee scores die resulteren uit een beoordeling van de verrichting op basis van de volgende criteria : 1° een criterium dat uitdrukt welk aandeel de landbouwer die zich voor het eerst vestigt als bedrijfshoofd heeft in het geheel van het landbouwbedrijf; 2° een criterium dat uitdrukt in welke mate de verrichting samengaat met een aantoonbare generatiewissel. De scores worden vastgesteld door de bevoegde entiteit op basis van vaststellingen over het aantal bedrijfsleiders op het bedrijf waar de landbouwer zich voor het eerst vestigt als bedrijfshoofd en in voorkomend geval de beroepsactiviteiten van de overlater voor en na de eerste vestiging. Art. 13. Binnen het beschikbare budget worden de hoogst gerangschikte vestigingsprojecten in aanmerking genomen voor het verkrijgen van steun. Als er voor een blokperiode meer budget beschikbaar is dan noodzakelijk om alle aanvragen in te willigen, dan wordt het beschikbare budget teruggebracht tot 98 % van het budget dat noodzakelijk is om alle aanvragen in te willigen. Een aanvraag die in aanmerking komt voor steun, moet aansluitend binnen de maximumtermijnen, bepaald door de minister, vervolledigd worden met gegevens en documenten die noodzakelijk zijn voor de afhandeling van het dossier, als de bevoegde entiteit daarom verzoekt. HOOFDSTUK 4. — Slotbepalingen Art. 14. De steun aan de investeringen in de landbouw wordt verleend met inachtneming van de volgende voorwaarden : 1° de maximale duur van de rentesubsidie bedraagt zeven jaar; 2° de rentesubsidie houdt geen rekening met vrijstelling van kapitaalaflossing. De erkende kredietinstelling kan, voor kredieten die rentesubsidie genieten, tijdens de periode waarin de steun loopt, ambtshalve maximaal drie jaar vrijstelling van aflossing toestaan zonder bijkomende steun. De rentesubsidie wordt voortgezet zoals werd opgenomen in de definitieve beslissing; 3° de maximale duur van de waarborg bedraagt tien jaar. Als de financieel-economische toestand van het bedrijf dat verantwoordt, kan de periode waarin de waarborg verleend wordt, met goedkeuring van de minister, maximaal drie keer met één jaar verlengd worden. Over het verlengen van de waarborg, wordt beslist op basis van een gemotiveerde aanvraag; 8526 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 4° de investeringspremie wordt in twee gelijke delen betaald. Als de investeringspremie kleiner is dan 5.000 euro, wordt die in één keer betaald. De premie wordt uitbetaald na het beëindigen van de investering en na controle van de investerings- en betalingsbewijzen, op voorwaarde dat de opgelegde voorwaarden vervuld zijn. Als de premie in twee delen wordt uitbetaald, worden de delen met een tussentijd van één jaar uitbetaald. De opstartsteun wordt verleend met inachtneming van de volgende voorwaarden : 1° de opstartpremie wordt in vijf gelijke delen betaald, gespreid over maximaal vijf jaren die volgen op de toekenning van de opstartsteun, en de betaling ervan. Vóór de betaling van de laatste schijf wordt een controle uitgevoerd op de naleving van de voorwaarden voor het verkrijgen van de steun; 2° de maximale duur van de waarborg bedraagt tien jaar. Het minimale bedrag aan subsidiabele investeringskosten bedraagt netto 15.000 euro. Het subsidiabele bedrag moet verantwoord worden met bewijsstukken van de investeringen die vermeld zijn in de steunaanvraag, die gedateerd zijn binnen een termijn van twee jaar na het afsluiten van de blokperiode waarin de aanvraag geregistreerd werd, die betrekking hebben op subsidiabele kosten van meer dan honderd euro en die geen andere vorm van investeringssteun krijgen van de overheid. Investeringskosten die betaald werden met contant geld, met middelen die verkregen zijn bij een vrijwillige verkoop van productiemiddelen of als vergoeding in het kader van een onteigening van het geheel of een deel van het landbouwbedrijf, of met middelen die verkregen zijn als compensatie voor geleden schade, worden niet in rekening gebracht. De steun verleend in het kader van dit besluit kan niet gecumuleerd worden met andere vormen van overheidssteun. In dat verband legt de landbouwer die de steunmaatregelen, vermeld in dit besluit, wil verkrijgen, een verklaring op erewoord af waarin vermeld wordt dat geen andere steun aangevraagd is of aangevraagd zal worden bij een andere overheidsinstantie van welke aard ook voor de investeringen of de opstartverrichtingen. Met betrekking tot de steunverlening, vermeld in artikel 4 en 11, stelt de minister de uiterste termijnen vast om te voldoen aan de voorwaarden, de eventueel in aanmerking te nemen maximale subsidiabele investeringsbedragen per oppervlakte- of volume-eenheid of dierplaats,. Art. 15. De steun, vermeld in dit besluit, kan alleen verkregen worden voor investeringen en vestigingen die van start gegaan zijn nadat het aangemelde investerings- of opstartproject principieel aanvaard is op basis van de selectieprocedure, vermeld in artikel 7 en 12 van dit besluit. Een investering is van start gegaan op het tijdstip dat de landbouwer zich contractueel verbonden heeft tot de realisatie ervan. Die verbintenis blijkt uit een ondertekende overeenkomst, de instemming met een offerte, een verkoopovereenkomst of gelijksoortige documenten. De datum van de eerste factuur die betrekking heeft op de investeringen waarvoor steun gevraagd wordt, is de uiterste startdatum. Een vestiging is van start gegaan op het tijdstip dat de landbouwer voor het eerst als zodanig geïdentificeerd wordt door de bevoegde entiteit. Voorbereidende acties, zoals de aankoop van grond, de aanvraag van een stedenbouw kundige vergunning of een milieuvergunning of de aanvraag van advies of een prijsofferte, worden niet beschouwd als de start van de investering. Behalve in geval van overmacht moeten de investeringen beëindigd worden binnen twee jaar na de beslissing over de principiële aanvaarding van het aangemelde investeringsproject op basis van de selectieprocedure, vermeld in artikel 7. De uitvoering wordt aangetoond met investerings- en betalingsbewijzen. Het einde van de investeringen wordt bepaald als de datum van de laatste factuur of, van de akte bij verwerving van een onroerend goed. De gevallen van overmacht waarbij de investering niet noodzakelijk beëindigd moet zijn binnen twee jaar na de beslissing over het principieel aanvaarden van het aangemelde investeringsproject op basis van de selectieprocedure zijn : 1° niet te voorziene problemen bij het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden namelijk vroegtijdig geconstateerde constructiefouten of faling van het aannemingsbedrijf; 2° niet te voorziene familiale of persoonlijke problemen; 3° niet te voorziene uitzonderlijke problemen van financiële of bedrijfseconomische aard. De opstartverrichtingen kunnen uitsluitend betrekking hebben op verrichtingen die plaatsvinden binnen een periode van één jaar nadat de landbouwer zich voor het eerst vestigt als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf en als zodanig geïdentificeerd is door de bevoegde entiteit. Art. 16. De steunmaatregelen vermeld in dit besluit, kunnen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd als de aanvrager : 1° een verklaring afgelegd heeft die na onderzoek geheel of gedeeltelijk vals werd bevonden; 2° een landbouwbedrijf exploiteert dat beschouwd wordt als een onderneming in moeilijkheden; 3° de voorwaarden voor het verkrijgen van de steun kunstmatig geschapen heeft en daarmee ingaat tegen de doelstellingen van de steunmaatregelen. In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder onderneming in moeilijkheden : een landbouwbedrijf, geëxploiteerd door een rechtspersoon, landbouwer, met een negatief eigen vermogen of een landbouwbedrijf, geëxploiteerd door een natuurlijke persoon, landbouwer of een maatschap, waarvan de kredieten opgezegd zijn of waarvan er beslag op de inkomsten gelegd werd. De voorwaarden die van kracht waren bij de aanvraag van de steun, moeten bij het verkrijgen van opstartsteun of steun voor investeringen in onroerende staat gedurende een termijn van zeven jaar na de aanvraag voor steun vervuld blijven. Voor de overige investeringen bedraagt die termijn vijf jaar. De landbouwer moet gedurende de voormelde periode van zeven of vijf jaar : 1° de wettelijke normen respecteren over leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening; 2° een bedrijfseconomische boekhouding, een bewijskrachtige fiscale boekhouding of in voorkomend geval een vennootschapsboekhouding bijhouden; 3° de bevoegde entiteit informeren over een wijziging van de juridische structuur van het landbouwbedrijf of een wijziging van exploitant; 4° de bevoegde entiteit informeren over de stopzetting van de landbouwactiviteiten of bij een vervreemding of buitengebruikstelling van de gesubsidieerde goederen; 8527MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 5° geen andere aanvraag voor steun indienen bij een andere overheidsinstantie voor dezelfde investeringen of vestigingsverrichtingen of voor een gedeelte ervan; 6° toelating geven voor het opvragen bij andere overheidsdiensten van noodzakelijke informatie in het kader van de dossierafhandeling of opvolging; 7° zowel interne Vlaamse als externe controle met betrekking tot de ontvangen steun aanvaarden. De landbouwer die investeringssteun verkregen heeft, komt de communicatieverplichtingen na. Bij investerings steun van meer dan 50.000 euro wordt op het bedrijf een informatieplakkaat aangebracht met een beschrijving van de gesubsidieerde investeringen, het ontvangen steunbedrag, de Europese vlag, het logo van de Vlaamse overheid en de slogan “Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling : Europa investeert in zijn platteland”. Behalve in geval van overmacht kan de verleende steun vanaf het tijdstip dat de voorwaarden niet meer vervuld zijn, geheel of gedeeltelijk stopgezet worden. De investerings- of opstartpremie wordt herberekend en pro rato teruggevorderd voor de periode waarin de voorwaarden niet meer vervuld zijn, vanaf de eerste dag die volgt op de blokperiode waarin de steunaanvraag geregistreerd is. De voorwaarden moeten minstens één jaar vervuld geweest zijn. Op voorwaarde dat de bevoegde entiteit uiterlijk zes maanden na het ontstaan van de toestand van overmacht met bewijskrachtige documenten schriftelijk geïnformeerd werd, geven de volgende gevallen van overmacht geen aanleiding tot het terugvorderen van de steun : 1° de stopzetting van het landbouwbedrijf ingevolge het overlijden of volledig werkonbekwaam worden van de bedrijfsleider, maar zonder dat de gesubsidieerde goederen vervreemd worden; 2° het geheel of gedeeltelijk teloorgaan van het gesubsidieerde goed door een natuurfenomeen; 3° het buiten gebruik stellen of het verlies van een gesubsidieerd goed door een epizoötie; 4° de onvoorziene onteigening van een aanzienlijk deel van het bedrijf waarbij de gesubsidieerde goederen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld worden. Art. 17. Bij een wijziging van exploitant van het landbouwbedrijf kan de steun voortgezet worden in de volgende gevallen : 1° als de natuurlijke persoon, landbouwer of de maatschap die steun geniet voor investeringen, de exploitatie van het landbouwbedrijf overdraagt aan een nieuwe rechtspersoon, landbouwer als vermeld in artikel 1, 3°, a) en b), van dit besluit, kan de steun voortgezet worden als de goederen die het voorwerp zijn van die steun, en de kredieten voor de financiering van die goederen, vóór het afsluiten van het eerste boekjaar in de vorm van een inbreng in natura, een kapitaalverhoging of een quasi-inbreng, in volle eigendom en onverdeeld overgedragen worden aan de nieuwe rechtspersoon, landbouwer, waarvan de overdrager gedurende de resterende duur van de steun beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder blijft; 2° als de natuurlijke persoon, landbouwer die opstartsteun geniet, de exploitatie van het landbouwbedrijf overdraagt aan een nieuwe rechtspersoon, landbouwer als vermeld in artikel 1, 3°, a) en b), van dit besluit, kan de natuurlijke persoon, landbouwer, de opstartsteun behouden als hij gedurende de resterende duur van de steun beherend vennoot, zaakvoerder of bestuurder blijft en voor de overdracht vergoed wordt in kapitaal; 3° als de natuurlijke persoon, landbouwer die steun geniet, de exploitatie van het landbouwbedrijf overdraagt aan een maatschap, kan de steun voortgezet worden als de goederen die het voorwerp zijn van die steun, zonder overdreven vergoeding ter beschikking gesteld worden van de maatschap en als de natuurlijke persoon landbouwer blijft en de goederen in eigendom behoudt gedurende de resterende duur van de steun; 4° als de natuurlijke persoon, landbouwer die steun geniet voor investeringen, de exploitatie van het landbouwbedrijf overdraagt aan de echtgenoot, kan de steun voortgezet worden als de goederen die het voorwerp zijn van die steun, al in onverdeeldheid eigendom waren van de echtgenoot en die echtgenoot kan beschouwd worden als natuurlijke persoon, landbouwer gedurende de resterende duur van de steun. Behalve in geval van overmacht kan, bij andere wijzigingen van exploitant, de verleende steun teruggevorderd worden naar rato van de termijn waarin niet aan de voorwaarden voldaan is, vanaf de eerste dag die volgt op de blokperiode waarin de steunaanvraag geregistreerd is. De gevallen van overmacht die bij verandering van exploitant geen aanleiding geven tot het terugvorderen van de steun zijn : 1° het overlijden van de begunstigde, op voorwaarde dat de gesubsidieerde goederen in exploitatie blijven bij de echtgenoot; 2° het volledig stopzetten van de beroepsactiviteiten van de begunstigde ingevolge ziekte of invaliditeit, op voorwaarde dat de gesubsidieerde goederen in exploitatie blijven bij de echtgenoot. Art. 18. Het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2013 wordt opgeheven. Art. 19. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015. Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 19 december 2014. De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE 8528 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD Bijlage. Overzicht van de subsidiabele investeringen en de overeenstemmende steunintensiteit Investeringen met een steunintensiteit van 30 % Investeringen gericht op de verbetering van de bodemkwaliteit Investeringen gericht op de verbetering van de waterkwaliteit of -kwantiteit Investeringen gericht op de verbetering van de biodiversiteit Investeringen die specifiek gericht zijn op de vermindering van de emissies van ammoniak, fijn stof en stikstofoxiden Specifieke investeringen in de biologische landbouw Investeringen in hernieuwbare energie Materieel en installaties die functioneren op hernieuwbare energie Investeringen die specifiek gericht zijn op de realisatie van een primaire energiebesparing Investeringen gericht op de vermindering van de hoeveelheid afval en de voedselverliezen De extra uitrusting van tractors en landbouwwerktuigen met het oog op precisielandbouw Investeringen gericht op de verbetering van het dierenwelzijn die verder gaan dan de wettelijke normen Investeringen in automatisatie gericht op een verhoging van de arbeidsproductiviteit Investeringen gericht op het uitoefenen van activiteiten met betrekking tot landbouwverbreding Investeringen gericht op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit Investeringen gericht op de verbetering van de voedselveiligheid Investeringen gericht op de verbetering van de arbeidskwaliteit en de arbeidsveiligheid Investeringen gericht op bijzondere dierlijke productie Aanplant van nieuwe beloftevolle fruitvariëteiten Investeringen met een steunintensiteit van 15 % Investeringen om te voldoen aan nieuwe wettelijke normen met betrekking tot dierenwelzijn Investeringen in onroerend goed gericht aan voldoen aan wettelijke normen met betrekking tot mestopslag Investeringen in onroerend goed gericht op de realisatie van een structuurverbetering Investeringen in roerend goed met een minimale bijdrage aan de verduurzaming Aankoop meerjarig plantgoed Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en de overname in de landbouw. Brussel, 19 december 2014. De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2015/35094] 19 DECEMBRE 2014. — Arrêté du Gouvernement flamand concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l’agriculture Le Gouvernement flamand, Vu le Règlement (CE) n° 1857/2006 de la Commission du 15 décembre 2006 concernant l’application des arti cles 87 et 88 du Traité CE aux aides en faveur des petites et moyennes entreprises intervenant dans la production, la transformation et la commercialisation des produits agricoles et modifiant le Règlement (CE) n° 70/2001, l’article 4 ; Vu le Règlement (CE) n° 1305/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 relatif au soutien au développement rural par le Fonds européen agricole pour le développement rural (Feader) et abrogeant le Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil, modifié en dernier lieu par le Règlement délégué (CE) n° 994/2014 de la Commission du 13 mai 2014 ; Vu le Règlement (CE) n° 1407/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l’application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne aux aides de minimis ; Vu le décret du 22 décembre 1993 contenant diverses mesures d’accompagnement du budget 1994, notamment l’article 12, § 6, 1° et 2°, inséré par le décret du 28 juin 2013 ; 8529MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD Vu le décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l’agriculture et de la pêche, l’article 9, alinéa premier, 1°, et alinéa deux ; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2000 concernant les aides aux investissements et à l’installation dans l’agriculture ; Vu l’avis commun du Conseil consultatif stratégique pour l’Agriculture et la Pêche et du Conseil Mina, rendu le 16 juin 2014 ; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du budget, donné le 19 mai 2014 ; Vu l’avis 56.556/3 du Conseil d’Etat, donné le 15 juillet 2014, en application de l’article 84, § 1 er , alinéa premier, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat du 12 janvier 1973 ; Vu l’avis 56.793/3 du Conseil d’Etat, donné le 2 décembre 2014, en application de l’article 84, § 1 er , alinéa premier, 2°, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat du 12 janvier 1973 ; Considérant que le Règlement (CE) n° 1857/2006 de la Commission du 15 décembre 2006 concernant l’application des articles 87 et 88 du Traité CE aux aides en faveur des petites et moyennes entreprises intervenant dans la production, la transformation et la commercialisation des produits agricoles et modifiant le Règlement (CE) n° 70/2001, l’article 4, a été publié le 16 décembre 2006 dans le Journal officiel de l’Union européenne (Journal officiel L358) ; Considérant que le Règlement (CE) n° 1407/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l’application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne aux aides de minimis a été publié le 24 décembre 2013 dans le Journal officiel de l’Union européenne (Journal officiel L352) ; Sur la proposition de la Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture ; Après délibération, Arrête : CHAPITRE 1 er . — Dispositions générales Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par : 1° activités relatives à l’expansion agricole : les activités relatives au tourisme à la ferme, à la récréation de jour, à la transformation de produits agricoles proprement cultivés vers des produits non repris à l’annexe 1re du Traité, à la vente directe des propres produits fermiers, à la vente de produits fermiers proprement cultivés ou transformés de façon artisanale à chaîne courte, à la production d’énergie renouvelable pour propre consommation, à des pensions pour chevaux, à la gestion du paysage et à la ferme thérapeutique ; 2° exploitant : la personne physique, agriculteur dirigeant l’entreprise agricole et les associés de la société exploitant l’entreprise agricole ou l’administrateur-agriculteur de la coopération des consommateurs et les associés gérants, gérants ou administrateurs de la personne morale, agriculteur exploitant l’entreprise agricole ; 3° administrateur-agriculteur : l’administrateur dont l’activité professionnelle dans la coopération des consomma teurs constitue la principale activité professionnelle, qui retire, sur base annuelle, plus de 12.000 euros de son revenu professionnel net des activités dans la société et moins de 12.000 euros de son revenu professionnel net des activités en dehors de la société et qui ne bénéficie pas d’une pension de retraite. 4° entité compétente : le Département de l’Agriculture et de la Pêche du Ministère flamand de l’Agriculture et de la Pêche ; 5° période bloc : une période de trois mois au maximum dans laquelle les demandes d’aides aux investissements ou d’aides au démarrage peuvent être introduites ; 6° résultat brut d’exploitation : la différence entre les produits d’exploitation et les frais opérationnels fixée suivant les modalités prévues à l’annexe à l’arrêté ministériel du 1er octobre 1997 concernant les dispositions et socle minimal pour une comptabilité de gestion dans l’agriculture utile comme base pour les systèmes-conseil soutenus par l’autorité flamande. Le résultat brut d’exploitation est calculé de manière simplifiée en multipliant la superficie des cultures et les nombres des animaux soit par le résultat brut d’exploitation moyen par unité et en majorant le résultat par des aides de remplacement de revenus, soit par les données comptables contrôlables du dernier exercice comptable complet ; 7° guichet électronique : le guichet électronique pour la demande d’aides qui est développé et géré par l’entité compétente ; 8° entreprise agricole : une entreprise effectuant exclusivement des activités relatives à l’agriculture, notamment l’élevage, la culture, la préparation et la transformation artisanales et la commercialisation de produits agricoles qui sont repris à l’annexe 1re du Traité, à l’exception des produits de la pêche et d’activités piscicoles, et les activités relatives à l’expansion agricole ayant un résultat brut d’exploitation suffisant par exploitant. Le résultat brut d’exploitation des activités relatives à l’agriculture est supérieure au celui des activités relatives à l’expansion agricole ; 9° agriculteur : la personne physique ou morale exploitant une entreprise agricole, qui est identifiée par le Département de l’Agriculture et de la Pêche, et qui répond aux conditions pour être une personne physique, agriculteur ou une personne morale, agriculteur ; 10° la société : la société telle que visée à l’article 2, § 1er, du Code des sociétés, qui répond aux conditions cumulatives suivantes : a) l’exploitation d’une entreprise agricole et la commercialisation des produits provenant de cette exploitation constituent le seul objectif de la société ; b) tous les associés sont des personnes physiques, agriculteurs ; 11° le cercle de machines : la société commerciale telle que visée à l’article 2, § 2 du Code des sociétés, qui répond aux conditions cumulatives suivantes : a) les objectifs de la société ont principalement trait à l’usage commun et à l’entreposage de matériels agricoles qui sont nécessaires pour l’activité agricole des associés ; 8530 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD b) la société compte au moins trois associés ; c) les associés exploitent ensemble au moins deux entreprises agricoles ; d) la majorité des associés, avec un minimum de trois, est agriculteur ; e) les statuts stipulent que chaque associé dispose d’au moins une voix lors de l’assemblée générale et que, au cas où un associé disposerait de plusieurs voix, le nombre de voix, dont dispose un associé, est limité à au maximum un cinquième des voix liées aux parts représentées à l’assemblée générale ; 12° Ministre : le Ministre flamand chargé de l’agriculture ; 13° personne physique, agriculteur : la personne physique ayant comme principale activité professionnelle l’exploitation d’une entreprise agricole et la commercialisation des produits provenant de l’exploitation. Sur base annuelle, l’agriculteur retire plus de 12.000 euros de revenu professionnel net des activités dans la société, et moins de 12.000 euros de revenu professionnel net d’autres activités professionnelles et il ne bénéficie pas d’une pension de retraite ; 14° la personne morale, agriculteur : a) la société commerciale, visée à l’article 2, § 2, du Code des sociétés, à l’exception du partenariat économique, qui répond de manière cumulative aux conditions cumulatives suivantes : a) l’exploitation d’une entreprise agricole et la commercialisation des produits provenant de cette exploitation constituent le seul objectif de la société ; 2) tous les gérants ou administrateurs sont des personnes physiques ; 3) l’activité professionnelle dans la société constitue l’activité principale de tous les gérants ou administrateurs ; 4) sur base annuelle, tous les gérants ou administrateurs retirent plus de 12.000 euros de revenu professionnel net de leurs activités dans la société, et moins de 12.000 euros de revenu professionnel net d’activités en dehors de la société, et ils ne bénéficient pas d’une pension de retraite ; 5) les gérants ou administrateurs sont désignés parmi les associé, et possèdent chacun au moins 25% des actions ; 6) toutes les actions sont nominatives et inscrites au registre des actions ; 7) la société est constituée pour une durée indéterminée ou pour au moins vingt ans ; b) la société agricole, visée à l’article 2, § 3, du Code des sociétés, dont les associés gérants retirent, sur base annuelle, plus de 12.000 euros de revenu professionnel net de leurs activités dans la société et moins de 12.000 euros de revenu professionnel net d’activités en dehors de la société, et donc les associés gérants ne bénéficient pas d’une pension de retraite ; c) l’établissement social, qui répond de manière cumulative aux conditions suivantes : 1) l’établissement est agréé comme atelier social en application de l’article 7 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux ; a) l’exploitation d’une entreprise agricole et la commercialisation des produits provenant de cette exploitation constituent les objectifs de l’établissement ; 3) les administrateurs sont désignés parmi les membres ; 4) au moins un administrateur est chargé du suivi économique de l’exploitation agricole ; 5) l’établissement est constitué pour une durée indéterminée ou pour au moins vingt ans ; d) la coopération de consommateurs, à savoir une société commerciale telle que visée à l’article 2, § 2 du Code des sociétés, qui répond de manière cumulative aux conditions suivantes : 1) l’exploitation d’une entreprise agricole et la commercialisation des produits provenant de cette exploitation constituent les objectifs de la coopération ; 2) les administrateurs sont désignés parmi les associés ; 3) la coopération a au moins un administrateur-agriculteur ; 4) la coopération est constituée pour une durée indéterminée ou pour au moins vingt ans ; 15° institution sociale : la société sans but lucratif ayant un objet social ou sociétal qui exerce une activité agricole ; 16° Traité : le traité sur le fonctionnement de l’Union européenne. Art. 1/1. Le chef de l’entité compétente peut sous-déléguer les affaires qui relèvent, conformément au présent arrêté et à ses modalités d’application, de la compétence de l’entité compétente, aux membres du personnel de l’entité compétente relevant de son autorité hiérarchique, jusqu’au niveau le plus fonctionnel. CHAPITRE 2. — Aide aux investissements dans l’agriculture Art. 2. L’agriculteur qui répond de manière cumulative aux conditions suivantes, peut obtenir des aides aux investissements : 1° l’agriculteur exploite une entreprise agricole démontrant un résultat brut d’exploitation par exploitant d’au moins 40.000 euros ; 2° l’agriculteur respecte toutes les dispositions légales sur l’environnement, l’hygiène, le bien-être animal et l’aménagement du territoire ; 3° l’agriculteur réalise des investissements qui ne compromettent pas le respect de ces normes, visées au point 2°. L’agriculteur qui exploite une entreprise agricole démontrant un résultat brut d’exploitation supérieur à 800.000 euros ne peut obtenir aucune aide aux investissements sauf pour les investissements axés spécifiquement sur la réalisation d’une économie d’énergie primaire et pour les investissements axés spécifiquement sur la réduction des émissions. 8531MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD Le cercle de machines peut bénéficier de la même aide que l’agriculteur. Le Ministre arrête la manière dont le respect des normes légales au niveau de l’environnement, de l’hygiène, du bien-être animal et de l’aménagement du territoire est démontré. Art. 3. La personne physique, agriculteur et tous les associés gérants, gérants ou administrateurs de la personne morale, agriculteur, et de l’administrateur-agriculteur la coopération des consommateurs doivent être qualifiés. La qualification est démontrée d’une des façons suivantes : 1° un diplôme ou certificat d’une formation initiale relative à l’agriculture, l’horticulture ou à un domaine connexe au niveau de l’enseignement secondaire supérieur, de l’enseignement supérieur non universitaire ou de l’enseignement universitaire ; 2° une attestation d’installation d’une formation pour débutants en agriculture et horticulture et au moins deux ans d’expérience dans la production agricole et horticole au moment de la demande d’aide ; 3° un diplôme ou un certificat d’une formation initiale qui est au moins reconnue par le ministre comme équivalente à une formation pour débutants en agriculture et horticulture et au moins deux ans d’expérience dans la production agricole et horticole au moment de la demande d’aide. Il est décidé sur l’équivalence sur la base d’une demande motivée ; 4° un diplôme ou un certificat d’une formation de base dans un domaine autre que l’agriculture, l’horticulture ou une formation connexe au au niveau de l’enseignement secondaire supérieur, de l’enseignement supérieur non universitaire ou de l’enseignement universitaire et au moins deux ans d’activité professionnelle comme personne physique, agriculteur ou associé gérant, gérant ou administrateur d’une personne morale, agriculteur au moment de la demande d’aide aux investissements ; 5° au moins cinq ans d’activité professionnelle comme personne physique, agriculteur, ou comme associé gérant, gérant ou administrateur d’une personne morale, agriculteur au moment de la demande d’aide aux investissements. La durée de l’expérience, visée à l’alinéa premier, 2° et 3°, est démontrée par une activité professionnelle soit : 1° comme personne physique, agriculteur ou gérant associé, gérant ou administrateur d’une personne morale, agriculteur ; 2° assistant indépendant, exploitant deuxième catégorie, conjoint aidant ou membre de famille aidant non payé sur une entreprise agricole ; 3° travailleur sur une entreprise agricole ; 4° stagiaire sur une entreprise agricole ; La personne physique, agriculteur, tous les associés gérants, gérants ou administrateurs de la personne morale, agriculteur, et de l’administrateur-agriculteur de la coopération des consommateurs doivent répondre cumulativement aux conditions suivantes : 1° ils sont affiliés à une caisse d’assurance sociale pour indépendants ; 2° ils sont affiliés à une assurance sociale sur la base de leurs activités agricoles ; 3° leurs activités agricoles sont connues par l’Administration des Contributions directes. Les revenus profession nels sont démontrés à l’aide de la dernière feuille d’imposition avertissement-extrait de rôle des impôts des personnes physiques. La personne physique, agriculteur ou la personne morale, agriculteur, visées à l’article 1 er , 3°, b), qui opte pour les impôts des personnes physiques tient une comptabilité d’entreprise ou une comptabilité fiscale probante. Pour les sociétés commerciales ou les sociétés ayant adopté le statut de société commerciale, il suffit de tenir une comptabilité selon un système de livres et de comptes conformément aux règles de la comptabilité en partie double. L’investissement se réalise suivant le plan. A cet effet, un plan d’entreprise est établi. Le Ministre arrêté les critères auxquels doit répondre la comptabilité d’entreprise, les conditions auxquelles une comptabilité fiscale probante est acceptée et les modalités d’établissement du plan d’entreprise. Art. 4. § 1er. L’aide aux investissements peut comprendre une ou plusieurs des mesures suivantes : 1° l’aide sous forme d’une prime d’investissement ; 2° l’aide sous forme d’une subvention-intérêt ; 3° l’aide sous forme d’une garantie telle que visée à l’article 12, § 5, du décret du 22 décembre 1993 contenant des mesures d’accompagnement du budget 1994. § 2. Au présent paragraphe il est entendu par intensité des aides : la valeur totale actuelle des aides, exprimée en un pourcentage du montant d’investissement subventionnable. L’intensité des aides s’élève au maximum à : 1° 30 % pour les investissements qui apportent, sur la base des scores obtenus suivant les critères de sélection, visés à l’article 7, alinéa cinq, 2° à 4°, du présent arrêté, une contribution supérieure à la moyenne à l’amélioration de la durabilité de la production agricole et horticole ; 2° 15 % pour les autres investissements subventionnables. Les investissements éligibles à l’aide aux investissements, et l’intensité des aides applicable, sont repris à l’annexe jointe au présent arrêté. § 3. La coopération de consommateurs ou l’institution sociale ne peut pas bénéficier de la garantie visée à l’article 12, § 5, du décret du 22 décembre 1993 contenant des mesures d’accompagnement du budget 1994. § 4. Le cercle de machines ne peut bénéficier d’une aide que pour les entrepôts de machines et les machines, y compris les machines pour la gestion agricole respectueuse de l’environnement, qui sont utilisés en commun par les associés. Art. 5. § 1er. Le régime d’aide, visé à l’article 4 du présent arrêté, peut avoir trait aux investissements visant à : 1° la satisfaction aux nouvelles normes légales relatives à l’hygiène ou visant à obtenir une amélioration extralégale des conditions hygiéniques de production ; 8532 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 2° une utilisation plus efficace d’énergie et d’eau ; 3° l’amélioration de la qualité de l’air, entre autres par la réduction des émissions de gaz à effet de serre, de fines poussières et d’ammoniac ; 4° la relocalisation d’une entreprise agricole ou la réduction de l’impact de l’entreprise agricole sur les écosystèmes, si ceci répond à un plan visant à obtenir les objectifs de conservation ; 5° la satisfaction aux nouvelles normes relatives au bien-être animal ou à obtenir une amélioration extralégale du bien-être animal ; 6° l’augmentation de la qualité des produits, entre autres au moyen d’investissements dans les techniques de conservation avancées ; 7° l’introduction d’une technologie innovante ; 8° la rationalisation du travail et l’augmentation de la sécurité du travail ; 9° la satisfaction aux nouvelles exigences des entreprises de commercialisation et de distribution ; 10° la prévention ou la réduction de l’érosion ; 11° la diminution des coûts de production en vue de l’amélioration du revenu et de la compétitivité ; 12° la réorientation de la production ; 13° l’exercice d’activités relatives à l’expansion agricole. Les investissements ayant trait à la construction, la transformation et l’équipement de bâtiments d’entreprise, notamment en ce qui concerne le logement d’animaux, ne peuvent pas résulter en une capacité de production à l’entreprise qui est supérieure à la capacité autorisée, mentionnée dans l’autorisation écologique, ou qui est supérieure à la capacité obtenue sur la base des droits d’émission d’éléments nutritionnels de l’entreprise. Sont seulement éligibles à l’aide, visée au présent arrêté, les investissements exécutés à une exploitation agricole située en Région flamande. Lorsqu’un investissement est effectué par un groupement d’agriculteurs, chaque membre du groupement peut introduire une demande d’aide à l’investissement relative à la fraction de cet investissement financée par ledit membre. Cette fraction correspond à la partie dans l’intérêt fonctionnel du bien d’investissement pour l’exploitation du demandeur. Dans le présent paragraphe, il est entendu par un groupement d’agriculteurs : une association d’au moins deux agriculteurs qui exploitent chacun une entreprise agricole. Pour l’obtention de l’aide aux investissements, les restrictions suivantes particulières sont applicables pour les investissements suivants : 1° les nouvelles variétés de fruits sont les variétés de pommes Evelina, Nicoter (Kanzi®),Diwa (Junami®), Fresco (Wellant®), Santana et Delcorf mutant Sissired®, Zari, Joly Red (Red Toro), race 44 (Fresh Surprise®), race 45 (Sweet Surprise®) et RockitTM (PremA96) et les variétés Doyenné Rouge Van Doorn (Sweet Sensation®), Saels (Corina), Dicolor, Celina et Cepuna ; 2° parmi les pulvérisateurs avancés sont un pulvérisateur sous tunnel, un pulvérisateur à flux d’air horizontal équipés de détecteurs de végétation, avec plaques déflectrices ou collecteurs, un pulvérisateur avec assistance d’air, un pulvérisateur avec des bouches d’échappement individuelles et un pulvérisateur en lignes ou bandes ; 3° les installations de chauffage sur des combustibles renouvelables sont des installations utilisant l’huile de colza, le biogaz, le taillis à courte rotation, les déchets de bois ou la paille sont utilisés comme combustibles. Pour les installations et les machines agricoles actionnées par des combustibles renouvelables, le producteur de combustibles doit garantir qu’il a été satisfait lors de la production aux critères de durabilité en exécution de la Directive 2009/28/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à la promotion de l’utilisation de l’énergie produite à partir de sources renouvelables et modifiant puis abrogeant les Directives 2001/77/CE et 2003/30/CE ; 4° les investissements pour la production de produits fermiers sont le parachèvement spécifique des immeubles d’exploitation, l’équipement fixe de ces immeubles et les machines et le matériel spécifiquement destinés à cette activité ; 5° les investissements pour la vente de produits fermiers comprennent un magasin de produits fermiers avec équipements, une salle de consommation, une machine automatique de vente, un camion frigorifique et camion de marché. Les produits sont vendus à la ferme même, à un marché paysan, par des équipes alimentaires, des abonnements aux paniers de légumes ou sous forme de coopération ; 6° le tourisme à la ferme est le tourisme de séjour sur une ferme active. Les investissements peuvent concerner la transformation, l’équipement et l’aménagement de bâtiments d’exploitation agricole existants dans le cadre d’une modification de fonction ; 7° les silos tranchés sont pourvus d’un système de récupération pour des jus de silo ; 8° les installations d’arrosage extérieur et de fertigation n’utilisent pas d’eaux souterraines : 9° les éoliennes ne produisent pas plus d’électricité que la consommation de l’entreprise sur base annuelle. § 2. Les investissements suivants ne sont pas éligibles aux aides aux investissements telles que visées à l’article 4 du présent arrêté : 1° l’achat de terres ; 2° la construction de porcheries et de poulaillers ne figurant pas sur la liste des étables pauvres en émissions ammoniacales reprise à l’annexe Ire à l’arrêté ministériel du 19 mars 2004 fixant la liste des systèmes d’étables en exécution des articles 1.1.12 et 5.9.2.1bis de l’arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière de l’hygiène de l’environnement; 3° la transformation et l’équipement d’étables existants pour les bovins, sauf si les investissements sont axés sur la satisfaction aux nouvelles normes légales relatives à l’environnement, l’hygiène et le bien-être animal, sur l’obtention d’une amélioration extralégale de l’environnement, de l’hygiène et du bien-être animal, sur la rationalisation du travail ou l’augmentation de la sécurité du travail, ou s’ils s’inscrivent dans un plan visant à atteindre les objectifs de conservation ; 4° l’acquisition d’actifs immatériels, tels que les droits de production, d’émission et de paiement ; 5° l’achat d’immeubles d’exploitation ; 8533MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 6° les investissements en transformation d’engrais ; 7° les investissements dans une capacité supplémentaire de stockage d’engrais sauf pour la réalisation d’un stockage d’engrais du cheptel de l’entreprise, jusqu’à une capacité de stockage pour un an au maximum ou sauf dans le cadre d’un stockage de réduction des émissions ; 8° les investissements de remplacement ordinaires ; 9° l’aménagement d’un puits foré dans une nappe aquifère profonde destiné à l’utilisation de cette eau ; 10° les investissements dans des cellules solaires, des installations de cogénération et de fermentation de biomasse sur la base de cultures énergétiques ; 11° l’achat d’animaux ; 12° l’achat de équipement d’entreprise d’occasion, de matériel d’occasion et de matériel de démonstration ; 13° les investissements qui sont économiquement injustifiés à la lumière de la structure et de la situation financière-économique de l’entreprise ; 14° les investissements subventionnés dans le cadre de l’organisation commune de marché (OCM) ; 15° l’achat de plants annuels et les frais de plantation. 16° les investissements qui font augmenter la pression environnementale de manière démontrable. A l’alinéa premier, 8°, on entend par investissement de remplacement ordinaire : un investissement qui a pour but le simple remplacement de biens immobiliers qui ont moins de dix ans d’âge ou de biens mobiliers qui ont moins de cinq ans d’âge. Art. 6. Le volume global des investissements subventionnables pour la période 2015-2020 s’élève à 1.000.000 euros par exploitation agricole ou 2.000.000 euros par exploitation si les investissements s’inscrivent dans un plan de relocalisation de deux exploitations qui cessent d’exister. Pour la garantie, au maximum 2.000.000 euros d’investisse ments subventionnables par exploitation peuvent être acceptés. L’aide est uniquement accordée aux investissements financés par : 1° un crédit à l’investissement ; 2° les propres moyens de l’agriculteur ; 3° un prêt gagnant-gagnant. La subvention d’intérêt s’élève au maximum à 3 %. L’aide est octroyée sous la forme de : 1° soit une prime à l’investissement de 15 ou 30 % du montant d’investissement subventionnable, en fonction de l’intensité des aides pour l’investissement subventionnable concerné ; 2° soit une prime à l’investissement de 15% du montant d’investissement subventionnable, complétée par une subvention d’intérêt et une subvention à l’investissement, lorsque l’institution de crédit en fait la demande pour les investissements dont l’intensité des aides s’élève à 30 % et qui sont financés entièrement ou partiellement par un crédit, contracté auprès d’une institution de crédit agréée par le « Vlaams Landbouwinvesteringsfonds » (Fonds flamand d’investissement agricole). La somme des primes à l’investissement et la valeur actuelle de la subvention d’intérêt s’élève à 30 % du montant d’investissement subventionnable ; 3° une garantie pour les crédits d’investissements, contractés auprès d’une institution de crédit agréée par le « Vlaams Landbouwinvesteringsfonds », qui était affectée au financement d’investissements subventionnables qui sont notifiés dans le cadre de la demande d’aide. A l’alinéa trois, 2°, on entend par la valeur actuelle de la subvention d’intérêt : le montant d’aide obtenu par l’actualisation de tous les paiements de subventions d’intérêts étalés dans le temps à l’aide du pourcentage et de la durée de la subvention d’intérêt, de la durée de l’exemption de l’amortissement du capital, du nombre d’amortissements de capital par an et d’un taux d’actualisation. Le taux d’actualisation égale le taux d’actualisation déterminé par l’Union européenne pour la Belgique et qui était applicable le 1er janvier de l’année de la demande d’aide. Art. 7. L’agriculteur qui souhaite obtenir l’aide aux investissements, visées à l’article 4, du présent arrêté, introduit une demande auprès du « Vlaamse Landbouwinvesteringsfonds ». Pour un investissement qui est financé par un crédit d’investissement en vue de l’obtention d’une subvention d’intérêt ou une garantie, la demande doit être introduite par intervention d’une institution de crédit telle que visée à l’article 13 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 1996 réglant le fonctionnement et la gestion du « Vlaams Landbouwinvesteringsfonds ». Une demande est introduite uniquement via le guichet électronique. Le projet d’investissement est décrit à l’aide d’une sélection d’investissements prévus de la liste limitative d’investissements subventionnables Par année calendaire, au maximum deux demandes d’aides aux investissements peuvent être introduites par entreprise. Dans l’année calendaire dans laquelle l’aide de démarrage est demandée par une personne physique, agriculteur ou un associé gérant, un gérant ou un administrateur d’une personne morale, agriculteur, encore deux demandes d’aide aux investissements peuvent être introduites dans la même année calendaire. La demande fournit des informations sur les montants d’investissement estimés et leur financement. Par période, les investissements faisant objet de la demande d’aide, sont classés par ordre dégressif en fonction de la mesure selon laquelle ils contribuent à la réalisation des objectifs de la mesure d’aide pour la durabilisation, régénération et efficacité. La mesure dans laquelle un investissement contribue à la réalisation des objectifs est exprimée en un score d’efficacité comme étant une somme de cinq scores résultant d’une évaluation de l’investissement sur la base des critères suivants : 1° un critère exprimant la mesure dans laquelle la réalisation de l’investissement est déterminée par l’obtention de l’aide dans le respect du délai de récupération ; 2° un critère exprimant la mesure dans laquelle l’investissement est innovant, contribue à la création de la valeur ajoutée, d’un revenu amélioré ou d’une compétitivité améliorée ; 3° un critère exprimant la mesure dans laquelle l’investissement est axé sur une utilisation réduite ou plus rationnelle d’énergie, d’eau, d’engrais, de produits phytopharmaceutiques, sur une amélioration du climat, une biodiversité élevée, une meilleure santé des plantes et des animaux et sur la prévention d’érosion ; 8534 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 4° un critère exprimant la mesure dans laquelle l’investissement contribue à l’amélioration de la qualité spatiale, l’image et l’assise sociale du secteur, la rationalisation et la sécurité du travail et la sécurité alimentaire ; 5° un critère ’âge’ distinguant les jeunes agriculteurs des agriculteurs établis. Les scores sont établis par l’entité compétente sur la base des connaissances actuelles sur l’effet des investissements et ils restent invariables pendant la période en cours. Art. 8. Dans les limites du budget disponible, les investissements le plus haut classés sont pris en compte pour l’obtention des aides. Si, pour une certaine période, le budget disponible est plus élevé que nécessaire pour satisfaire à toutes les demandes, le budget disponible est réduit à 98 % du budget qui est nécessaire pour satisfaire à toutes les demandes. Une demande qui est éligible aux aides doit être complétée dans les délais maximaux fixés par le Ministre, par les informations et documents nécessaires au bon traitement du dossier, lorsque l’entité compétente les demande. CHAPITRE 3. — Aide à la reprise dans l’agriculture Art. 9. La personne physique, agriculteur qui s’établit pour la première fois comme chef d’exploitation sur une entreprise agricole, ou devient pour la première fois associé gérant, gérant ou administration d’une personne morale, agriculteur et qui au moment de la demande d’aide a moins de quarante ans, peut obtenir, moyennant la présentation d’une preuve démontrant des opérations de démarrage, une prime de démarrage qui est éligible au cofinancement par le Fonds européen agricole pour le Développement rural (FEADER) par des aides d’Etat conformément aux dispositions de l’article 7 du Règlement (CE) n° 1857/2006 concernant l’application des articles 87 et 88 du traité aux aides d’État accordées aux petites et moyennes entreprises actives dans la production de produits agricoles et modifiant le Règlement (CE) n° 70/2001. Lorsque l’agriculteur s’établit pour la première fois comme co-exploitant dans une société ou comme associé gérant, gérant ou administrateur d’une personne morale, agriculteur le contrat de la société ou les statuts de la société ne peuvent comprendre aucune disposition limitant les compétences de l’agriculteur. L’agriculteur qui s’établit pour la première fois comme co-exploitant dans une société est mandaté à engager la société. L’exploitation agricole où l’agriculteur s’établit pour la première fois comme chef d’exploitation, répond de manière cumulative aux conditions suivantes : 1° l’exploitation réalise un résultat brut d’exploitation supérieur à 40.000 euros par chef d’exploitation et inférieur à 600.000 euros par chef d’exploitation ; 2° les dispositions légales relatives à l’environnement, à l’hygiène, au bien-être animal et à l’aménagement du territoire sont respectées à l’entreprise ; 3° l’entreprise démontre une sécurité d’exploitation suffisante. Les opérations de démarrage qui peuvent être prises en compte pour l’aide de démarrage sont : 1° la reprise de l’équipement de l’exploitation d’une ou plusieurs entreprises existantes en Région flamande, sur la base des contrats de reprise enregistrés et des inventaires détaillés des biens repris. L’âge est mentionné pour le matériel et les plantations ; 2° l’achat de bétail, nouvel outillage, nouveau matériel et nouvelles réserves visant à compléter l’équipement d’une ou plusieurs entreprises existantes en Région flamande qui ne sont pas ou en partie en exploitation, ou le remplacement de bétail, machines et matériel qui n’est pas repris ; 3° l’achat de bétail et réserves à l’occasion de la mise en exploitation d’une nouvelle entreprise en Région flamande, en remplacement d’un ou plusieurs élevages qui cessent leurs activités et dont les droits d’émission d’éléments nutritionnels ont été repris ; 4° l’achat de bâtiments d’exploitation agricole situés en Région flamande, y compris l’équipement fixe et les constructions immobilières qui ont moins de quinze ans ; 5° la reprise d’actions d’une personne morale, agriculteur avec au moins une année d’activité entière et un exercice clôturé, exploitant une entreprise agricole en Région flamande et qui répond aux dispositions de l’article 1er, 3°, a) et b), du présent arrêté, dans le cadre de l’établissement comme associé gérant, gérant ou administrateur de cette personne morale, agriculteur sur la base d’une convention enregistrée sur la reprise d’actions ; 6° la reprise d’actions d’une personne morale, agriculteur ayant moins d’une année d’activité entière, exploitant une entreprise agricole en Région flamande et qui répond aux dispositions de l’article 1er, 3°, a) et b), du présent arrêté, dans le cadre de l’établissement comme associé gérant, gérant ou administrateur de cette personne morale, agriculteur sur la base d’une convention enregistrée sur la reprise d’actions. Le bilan de la personne morale donne une image véridique de l’actif et du passif de l’entreprise agricole en exploitation disposant de l’autorisation écologique, des droits de production et d’émission requis. Le Ministre arrête la manière dont le respect des normes légales au niveau de l’environnement, de l’hygiène, du bien-être animal et de l’aménagement du territoire est démontré. Art. 10. La personne physique, agriculteur qui s’établit pour la première fois comme chef d’exploitation sur une entreprise agricole, ou devient pour la première fois associé gérant, gérant ou administration d’une personne morale, agriculteur doit disposer de qualifications professionnelles minimales pour son premier établissement. La qualification est démontrée d’une des façons suivantes : 1° un diplôme ou certificat d’une formation initiale relative à l’agriculture, l’horticulture ou à un domaine connexe au niveau de l’enseignement secondaire supérieur, de l’enseignement supérieur non universitaire ou de l’enseignement universitaire ; 2° une attestation d’installation d’une formation pour débutants en agriculture et horticulture et disposer d’au moins deux ans d’expérience dans la production agricole et horticole au moment de la demande d’aide ; 3° un diplôme ou un certificat d’une formation initiale qui est au moins reconnue par le Ministre comme équivalent à une formation pour débutants en agriculture et horticulture et au moins deux ans d’expérience dans la production agricole et horticole au moment de la demande d’aide. Il est décidé sur l’équivalence sur la base d’une demande motivée. La durée de l’expérience, visée à l’alinéa premier, 2° et 3°, est démontrée par une activité professionnelle soit : 1° comme assistant indépendant, exploitant deuxième catégorie, conjoint aidant ou membre de famille non payé aidant régulièrement sur une entreprise agricole ; 8535MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 2° comme travailleur sur une entreprise agricole ; 3° comme stagiaire sur une entreprise agricole. La personne physique, agriculteur qui s’installe pour la première fois comme chef d’exploitation sur une exploitation agricole, ou devient pour la première fois associé gérant, gérant ou administration d’une personne morale, agriculteur répond de manière cumulative aux conditions suivantes : 1° il est affilié à une caisse d’assurance sociale pour indépendants ; 2° il est affilié à une assurance sociale sur la base de ses activités agricoles ; 3° ses activités agricoles sont connues par l’Administration des Contributions directes. Les revenus professionnels sont démontrés à l’aide de la feuille d’imposition des impôts des personnes physiques. La personne physique, agriculteur ou la personne morale, l’agriculteur qui opte pour les impôts des personnes physiques tient une comptabilité d’entreprise ou une comptabilité fiscale probante. Pour les sociétés commerciales ou les sociétés ayant adopté le statut de société commerciale, il suffit de tenir une comptabilité selon un système de livres et de comptes conformément aux règles de la comptabilité en partie double. Le premier établissement comme chef d’exploitation se réalise suivant le plan. A cet effet, un plan de démarrage est établi. Le Ministre arrêté les critères auxquels doit répondre la comptabilité d’entreprise, les conditions auxquelles une comptabilité fiscale probante est acceptée et les modalités d’établissement du plan de démarrage. Art. 11. L’aide de démarrage peut comprendre une ou plusieurs des mesures suivantes : 1° l’aide sous forme d’une prime de démarrage ; 2° l’aide sous forme d’une garantie, telle que visée à l’article 12, § 5, du décret du 22 décembre 1993 contenant des mesures d’accompagnement du budget 1994. La prime de démarrage s’élève à 40.000 euros. Elle s’élève à 55.000 euros lorsque le résultat brut d’exploitation de l’entreprise où l’agriculteur s’établit pour la première fois s’élève au moins à cinq fois le résultat brut d’exploitation minimal requis et à 70.000 euros lorsque le résultat brut d’exploitation de l’entreprise s’élève au moins à huit fois le résultat brut d’exploitation minimal requis. La garantie peut être obtenue sur les crédits, contractés auprès d’une institution de crédit agréée par le « Vlaams Landbouwinvesteringsfonds », qui étaient affectés au financement des opérations de démarrage qui sont notifiées dans le cadre de la demande d’aide. Art. 12. L’agriculteur qui souhaite obtenir la prime de démarrage visée à l’article 11, alinéa premier, 1°, du présent arrêté, introduit une demande auprès du « Vlaams Landbouwinvesteringsfonds ». Pour un investissement qui est financé par un crédit faisant l’objet d’une demande d’aide sous la forme d’une garantie telle que visée à l’article 11, alinéa premier, 2°, du présent arrêté, cette demande doit être introduite par intervention d’une institution de crédit telle que visée à l’article 13 de l’arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 1996 réglant le fonctionnement et la gestion du « Vlaams Landbouwinvesteringsfonds ». Une demande ne peut être introduite que via le guichet électronique. La nature des opérations de démarrage est décrite à l’aide d’une sélection des opérations de démarrage prévues de la liste limitative d’opérations de démarrage qui peuvent être prises en compte pour l’aide de démarrage. Lorsque l’aide est demandée sous forme d’une garantie, la demande fournit des informations sur les coûts de démarrage estimés et sur leur financement. Par période, les projets de démarrage faisant objet de la demande d’aide sont classés par ordre dégressif en fonction de la mesure dans laquelle ils contribuent à la réalisation des objectifs de la mesure d’aide pour l’encouragement du changement de génération. La mesure dans laquelle une opération de démarrage prévue contribue à la réalisation des objectifs est exprimée en un score d’efficacité comme étant une somme de deux scores résultant d’une évaluation de l’opération sur la base des critères suivants : 1° un critère exprimant quelle est la part de l’agriculteur qui s’établit pour la première fois comme chef d’exploitation dans l’ensemble de l’exploitation agricole ; 2° un critère exprimant la mesure dans laquelle l’opération va de pair avec un changement de génération démontrable. Les scores sont fixés par l’entité compétente sur la base des constatations sur le nombre de chefs d’exploitation à l’exploitation sur laquelle l’agriculteur s’établit pour la première fois comme chef d’exploitation et, le cas échéant, les activités professionnelles du cédant avant et après le premier établissement. Art. 13. Dans les limites du budget disponible, les projets d’investissement le plus haut classés sont pris en compte pour l’obtention de l’aide. Si, pour une certaine période, le budget disponible est plus élevé que nécessaire pour satisfaire à toutes les demandes, le budget disponible est réduit à 98% du budget qui est nécessaire pour satisfaire à toutes les demandes. Une demande qui est éligible à l’aide doit être complétée dans les délais maximaux fixés par le Ministre, par les informations et documents nécessaires au bon traitement du dossier, lorsque l’entité compétente les demande. Chapitre 4. — Dispositions finales Art. 14. L’aide aux investissements dans l’agriculture est octroyée en respectant les conditions suivantes : 1° la durée maximale de la subvention d’intérêt est de sept ans ; 2° la subvention d’intérêt ne tient pas compte de la dispense de l’amortissement de capital. L’institution de crédit agréée peut accorder, pour les crédits bénéficiant d’une subvention d’intérêt, pendant la période dans laquelle l’aide est octroyée, une dispense d’amortissement sans aides supplémentaires pour trois ans au maximum. La subvention d’intérêt est continuée telle qu’elle a été reprise à la décision définitive ; 3° la durée maximale de la garantie est de dix ans. Lorsque la situation financière-économique de l’entreprise le justifie, la période dans laquelle la garantie est octroyée peut, moyennant l’accord du ministre, être prolongée trois fois par une année. Il est décidé sur la prolongation de la garantie sur la base d’une demande motivée ; 8536 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD 4° la prime d’investissement est payée en deux parties égales. Lorsque la prime d’investissement est inférieure à 5.000 euros, elle est payée en une fois. La prime est payée après la fin de l’investissement et après contrôle des preuves d’investissement de paiement, à condition que les conditions imposées soient remplies. Lorsque la prime est payée en deux parties, les parties sont payées en respectant un intervalle d’un an. L’aide de démarrage est octroyée en respectant les conditions suivantes : 1° la prime de démarrage est payée en cinq parties égales, étalée sur cinq années au maximum suivant l’octroi de l’aide de démarrage et leur paiement. Avant le paiement de la dernière tranche, un contrôle est effectué sur le respect des conditions pour l’obtention de l’aide ; 2° la durée maximale de la garantie est de dix ans. Le montant minimal de frais d’investissements subventionnables est de 15.000 euros net. Le montant subventionnable doit être justifié à l’aide de pièces justificatives des investissements mentionnés dans la demande d’aide, qui sont datées dans un délai de deux ans suivant la clôture de la période dans laquelle la demande a été enregistrée, qui ont trait aux frais subventionnables supérieurs à cent euros et ne bénéficiant d’aucune autre forme d’aide aux investissements des autorités. Les frais d’investissement qui ont été payés en espèces, au moyen de ressources provenant d’une vente volontaire de biens de production ou comme indemnisation dans le cadre d’une expropriation de l’ensemble ou d’une partie de l’exploitation agricole, ou au moyen de ressources obtenues comme compensation pour des dommages subis, ne sont pas pris en compte. L’aide accordée dans le cadre du présent arrêté ne peut être pas être cumulée avec d’autres formes d’aide publique. Dans ce contexte, l’agriculteur qui souhaite obtenir les mesure d’aide visées au présent arrêté, fait une déclaration sur l’honneur mentionnant qu’aucune autre aide n’est demandée ou sera demandée auprès de quelconque autre instance publique pour les investissements ou les opérations de démarrage. En ce qui concerne l’aide, visée aux articles 4 et 11, le Ministre arrête les délais pour répondre aux conditions, aux montants maximums d’investissements subventionnables éventuellement à prendre en considération par unité de superficie ou de volume ou par emplacement pour animaux. Art. 15. L’aide visée au présent arrêté, ne peut être obtenue que pour les investissements et établissements qui ont débuté après l’acceptation du projet d’investissement ou de démarrage notifié sur la base de la procédure de sélection visée aux articles 7 et 12 du présent arrêté. Un investissement a débuté au moment où l’agriculteur s’est engagé contractuellement à sa réalisation. Cet engagement ressort d’une convention signée, d’un assentiment à une offre, d’un contrat de vente ou de documents analogues. La date de la première facture ayant trait aux investissements faisant l’objet de la demande d’aide, est la date limite de début. Un établissement a débuté au moment où l’agriculteur est identifié pour la première fois comme tel par l’entité compétente Des actions préparatoires, comme l’achat de terres, la demande d’une autorisation urbanistique ou d’une autorisation écologique ou la demande d’avis ou d’une offre de prix ne sont pas considérées comme le début de l’investissement. Sauf en cas de force majeure, les investissements doivent être terminés dans les deux ans suivant la décision sur l’acceptation de principe du projet d’investissement notifié sur la base de la procédure de sélection, visée à l’article 7. La réalisation est démontrée au moyen de preuves d’investissement et de paiement. La fin des investissements est déterminée comme étant la date de la dernière facture, ou de l’acte en cas d’acquisition d’un bien immobilier. Les cas de force majeure où l’investissement ne doit pas nécessairement être terminé dans les deux ans suivant la décision sur l’acceptation de principe du projet d’investissement notifié sur la base de procédure de sélection sont : 1° des problèmes imprévisibles lors de l’exécution des travaux de construction, à savoir des signes précoces de défauts de construction ou la faillite de l’entrepreneur général ; 2° des problèmes familiaux ou personnels imprévisibles ; 3° des problèmes exceptionnels imprévisibles de nature financière ou économique. Les opérations de démarrage peuvent uniquement concerner les opérations effectuées dans une période d’un an après que l’agriculteur s’installe pour la première fois comme chef d’exploitation sur une exploitation agricole et après qu’il soit identifié comme tel par l’entité compétente Art. 16. Les mesures d’aide visées au présent arrêté peuvent être refusées entièrement ou partiellement lorsque le demandeur : 1° a fait une déclaration s’étant révélée entièrement ou partiellement fausse après un contrôle ; 2° exploite une entreprise agricole qui est considérée comme une entreprise en difficultés ; 3° a créé artificiellement les conditions pour l’obtention de l’aide et va ainsi à l’encontre contre les objectifs des mesures d’aide. A l’alinéa premier, 2°, on entend par entreprise en difficultés : une entreprise agricole, exploitée par une personne morale, agriculteur avec un capital propre négatif ou une entreprise agricole, exploitée par une personne physique, agriculteur ou une société, dont les crédits sont résiliés ou dont les revenus ont fait l’objet d’une saisie. Les conditions qui étaient applicables lors de la demande de l’aide doivent demeurer remplies lors de l’obtention de l’aide de démarrage ou de l’aide pour investissements en état immobilier pendant un délai de sept ans suivant la demande d’aide. Pour les autres investissements, ce délai est de cinq ans. Pendant la période précitée de sept ou cinq ans, l’agriculteur : 1° doit respecter les dispositions légales sur l’environnement, l’hygiène, le bien-être animal et l’aménagement du territoire ; 2° doit tenir une comptabilité d’entreprise, une comptabilité fiscale probante ou, le cas échéant, une comptabilité des sociétés ; 3° doit informer l’entité compétente sur une modification de la structure juridique de l’exploitation agricole ou une modification d’exploitant ; 4° doit informer l’entité compétente sur la cessation des activités agricoles ou lors d’une aliénation ou mise hors service des biens subventionnés ; 5° ne peut introduire aucune autre demande d’aide auprès d’une autre instance publique pour les mêmes investissements ou des opérations d’établissement ou pour une partie ; 6° autoriser la demande d’informations nécessaires auprès d’autres services publics dans le cadre du traitement ou du suivi du dossier ; 7° accepter un contrôle relatif à l’aide reçue, tant au niveau interne flamand qu’au niveau externe. 8537MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD L’agriculteur ayant obtenu une aide aux investissements remplit les obligations de communication. En cas d’une aide aux investissements supérieure à 50.000 euros un panneau d’informations est affiché sur l’entreprise avec une description des investissements subventionnés, le montant d’aide reçu, le drapeau européen, le logo de l’Autorité flamande et le slogan « Fonds européen agricole pour le développement rural : l’Europe investit dans les zones rurales ». Sauf en cas de force majeure, l’aide octroyée peut être cessée intégralement ou partiellement à partir du moment où les conditions ne sont plus remplies. La prime d’investissement ou de démarrage est recalculée et recouvrée au prorata pour la période dans laquelle les conditions ne sont plus remplies, à partir du premier jour suivant la période dans laquelle la demande d’aide est enregistrée. Les conditions doivent avoir été remplies pendant au moins une année. A condition que l’entité compétente ait été informée par écrit au plus tard six mois après le début de la situation de force majeure à l’aide de documents probants, les cas suivants de force majeure ne donnent pas lieu à un recouvrement de l’aide : 1° la cessation de l’exploitation agricole suite au décès ou à l’incapacité de travail entière de l’exploitant, mais sans que les biens subventionnés soient aliénés ; 2° la destruction entière ou partielle du bien subventionné par un phénomène de la nature ; 3° la mise hors service ou la perte d’un bien subventionné par une épizootie ; 4° l’expropriation imprévue d’une partie substantielle de l’entreprise, mettant les biens subventionnés entièrement ou partiellement hors service. Art. 17. Lors d’une modification d’exploitant de l’entreprise agricole, l’aide peut être continuée dans les cas suivants : 1° lorsque la personne physique, agriculteur ou la société bénéficiant d’une aide aux investissements, transfère l’exploitation de l’entreprise agricole à une nouvelle personne morale, agriculteur tel que mentionné à l’article 1 er , 3°, a) et b), du présent arrêté, l’aide peut être continuée lorsque les biens faisant l’objet de l’aide et les crédits pour le financement de ces biens sont transférés avant la clôture du premier exercice sous la forme d’un apport en nature, une augmentation de capital ou un quasi-apport, en pleine propriété ou pour la part indivise, à la nouvelle personne morale, agriculteur, dont le cédant reste associé gérant, gérant ou administrateur pendant la durée restante de l’aide ; 2° lorsque la personne physique, agriculteur, bénéficiaire d’une aide au démarrage, transfère l’exploitation de son entreprise agricole à une nouvelle personne morale, agriculteur tel que mentionné à l’article 1 er , 3°, a) et b), du présent arrêté, la personne physique, agriculteur, peut maintenir l’aide au démarrage lorsqu’il reste associé gérant, gérant ou administrateur pendant la durée restante de l’aide et lorsqu’il est rémunéré en capital pour le transfert ; 3° lorsque la personne physique, agriculteur, bénéficiaire de l’aide, transfère l’exploitation de l’entreprise agricole à une société, l’aide peut être continuée lorsque les biens faisant l’objet de cette aide, sont mis à disposition de la société sans rémunération excessive et lorsque la personne physique reste agriculteur et restera le propriétaire des biens pendant la durée restante de l’aide ; 4° lorsque la personne physique, agriculteur, bénéficiaire des investissements, transfère l’exploitation de l’entreprise agricole au conjoint, l’aide peut être continuée lorsque les biens faisant l’objet de cette aide, étaient déjà la propriété en indivision du conjoint et lorsque ce conjoint peut être considéré comme personne physique, agriculteur pendant la durée restante de l’aide. Sauf en cas de force majeure, l’aide octroyée peut, en cas d’autres changements d’exploitant, être recouverte au prorata du délai dans lequel les conditions n’ont pas été remplies, à partir du premier jour suivant la période dans laquelle la demande d’aide est enregistrée. Les cas de force majeure ne donnant pas lieu au recouvrement de l’aide en cas de changement d’exploitant sont : 1° le décès du bénéficiaire, à condition que les biens subventionnés restent en exploitation du conjoint ; 2° la cessation entière des activités professionnelles du bénéficiaire suite à une maladie ou invalidité, à condition que les biens subventionnés restent en exploitation du conjoint. Art. 18. L’arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2000 concernant les aides aux investissements et à l’installation dans l’agriculture, modifié en dernier lieu par l’arrêté du Gouvernement flamand du 8 mai 2013 est abrogé. Art. 19. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2015. Art. 20. Le Ministre flamand ayant l’agriculture dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 19 décembre 2014. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, J. SCHAUVLIEGE Annexe. Aperçu des investissements subventionnables et l’intensité de l’aide correspondante Investissements avec une intensité d’aide de 30 % Investissements visant à améliorer la qualité du sol Investissements visant à améliorer la qualité ou la quantité de l’eau Investissements visant à améliorer la biodiversité Investissements spécifiquement axés sur la réduction des émissions d’ammoniac, de fines poussières et d’oxydes d’azote Investissements spécifiques dans l’agriculture biologique Investissements dans l’énergie renouvelable 8538 MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD Matériel et installations actionnés par l’énergie renouvelable Investissements spécifiquement axés sur la réalisation d’une économie d’énergie primaire Investissements axés sur la réduction de la quantité des déchets et des pertes alimentaires Les équipements supplémentaires de tracteurs et machines agricoles en vue de l’agriculture de précision Investissements visant à améliorer le bien-être animal qui vont au-delà des normes légales Investissements dans l’automatisation visant à augmenter la productivité du travail Investissements axés sur l’exercice des activités relatives à l’expansion agricole Investissements visant à améliorer la qualité spatiale Investissements visant à améliorer la sécurité alimentaire Investissements visant à améliorer la qualité et la sécurité du travail Investissements axés sur la production animale particulière Plantation de nouvelles variétés de fruits prometteuses Investissements avec une intensité d’aide de 15 % Investissements pour répondre aux nouvelles normes légales relatives au bien-être animal Investissements en biens immobiliers visant à répondre aux normes légales relatives au stockage de fumier Investissements en biens immobiliers visant la réalisation d’une amélioration structurelle Investissements en biens mobiliers avec une contribution minimale à la durabilisation Achat de plants pluriannuels Vu pour être annexé à l’arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l’agriculture Bruxelles, le 19 décembre 2014. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, G. BOURGEOIS La Ministre flamande de l’Environnement, de la Nature et de l’Agriculture, J. SCHAUVLIEGE * VLAAMSE OVERHEID [C − 2015/35073] 9 JANUARI 2015. — Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang De Vlaamse Regering, Gelet op de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, artikel 2, § 4, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 23 december 1969, 30 juli 1971 en 17 juli 1975; Gelet op het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 28 november 2014; Gelet op advies nr. 56.844/3 van de Raad van State, gegeven op 19 december 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. In artikel 1 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt: “1° Minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, of, alleen voor zover dit besluit betrekking heeft op de rust- en verzorgingstehuizen, de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;”; 2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt: “2° instellingen voor bejaardenopvang: de dagverzorgingscentra, de centra voor kortverblijf, de groepen van assistentiewoningen, de woonzorgcentra en de rust- en verzorgingstehuizen;”; 3° er wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt: “6° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap ″Zorg en Gezondheid.”. Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede “bij aangetekend schrijven met bericht van ontvangst toegezonden aan de Prijzendienst, Koning Albert II-laan, 16, 1000 Brussel” vervangen door de woorden “elektronisch ingediend bij het agentschap”; 2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt: 8539MONITEUR BELGE — 02.02.2015 — BELGISCH STAATSBLAD