Skip to content
Nelum
Laws of Netherlands

Groundwater Act

Made 1981 · Text as of 2026-10-01

Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.

research.laws.repealedOn

About this law

Language
Dutch
Kind
Act
Organisation
European Union
Country
Netherlands
Subjects
Water
Keywords
basic legislation, groundwater, institution, water abstraction, authorization/permit, registration, legal proceedings/administrative proceedings, governance

Where to read it

    No source link is recorded for this law.

Text

The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.

  1. 217130F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ·s-Gravenhage 1992 626 Beschikking van de Minister van Justitie van 3 december 1992, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392), zoals deze luidt na wijziging krachtens de wet van 2 juli 1992, Stb. 414 De Minister van Justitie, Gelet op Artikel XXIII, vierde lid, van de wet van 2 juli 1992, Stb. 414; Besluit: de tekst van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392), zoals deze luidt na wijziging krachtens de wet van 2 juli 1992, Stb. 414, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. 's-Gravenhage, 3 december 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Staatsblad 1992 626 Uitgegeven de zeventiende december 1992 De Minister van Justitie E. M. H. Hirsch Ballir TEKST VAN DE GRONDWATERWET (5TB. 1981, 392), ZOALS DEZE LAATSTELIJK IS GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN 2 JULI 1992, STB. 414 HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN AFDELING 1. BEGRIPSBEPALING Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: «0nze Minister»: 0nze Minister van Verkeer en Waterstaat; «een inrichting»: een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater; «onttrekken van grondwater»: onttrekken van grondwater door middel van een inrichting; «infiltreren van water»: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater. 2. lnrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samen hangend geheel vormen, warden als een inrichting aangemerkt. 3. Deze wet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater: a. bij de ontwatering of afwate~ing van gronden; b. bij of ten behoeve van het ontginnen van mijnen, voorzover het onttrekken een uitvloeisel daarvan is en op een diepte van niet minder dan 500 meter - N.A.P. plaatsvindt. AFDELING 2. ADVIESORGANEN Artikel 2 1. Er is een Technische commissie grondwaterbeheer. 2. De commissie heeft tot taak: a. de rapporten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en de adviezen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, uit te brengen; b. de bezwaarschriften, bedoeld in artikel 39, eerste lid, te behan delen; c. 0nze Minister en, door tussenkomst van 0nze Minister, 0nze Ministers wie het mede aangaat, desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen over technische zaken het grondwaterbeheer betref fende. Artikel 3 1. De Technische commissie bestaat uit ten hoogste zeventien leden, die door 0nze Minister warden benoemd, geschorst en ontslagen. De leden hebben in de commissie zitting zonder last. 2. Voor elk lid van de Technische commissie kan door 0nze Minister een plaatsvervangend lid warden benoemd. 3. 0nze Minister benoemt een van de leden van de Technische commissie tot voorzitter. 4. De benoeming tot lid van de Technische commissie geschiedt voor een periode van vier jaren. Een lid wordt bij voorkeur slechts eenmaal herbenoemd. Staatsblad -1 992 626 2 Artikel 4 1. De adviezen van de Technische commissie worden opgesteld overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de !eden van de commissie. lndien een lid een afwijkende mening heeft, wordt daarvan op zijn verzoek melding gemaakt. Desgewenst kan dat lid een minder heidsnota bij het advies doen voegen. 2. De Technische commissie zendt afschrift van haar adviezen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, aan de Raad voor verkeer en waterstaat. 3. De Technische commissie houdt de stukken die zijn opgesteld ter voorbereiding van haar adviezen, ter beschikking van Onze Minister. Artikel 5 1. De Technische commissie verricht haar werkzaamheden binnen het raam van de middelen die haar jaarlijks krachtens de rijksbegroting ter beschikking worden gesteld. 2. De Technische commissie doet jaarlijks voor een door Onze Minister te bepalen datum aan Onze Minister en, door tussenkomst van Onze Minister, aan Onze Ministers wie het mede aangaat, een ontwerp begroting toekomen voor haar werkzaamheden in het komende begro tingsjaar. Artikel 6 1. Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, voorzien in het secretariaat van de Technische commissie. 2. Er is een secretaris, die leiding geeft aan het secretariaat. De secre taris is geen lid van de Technische commissie. Hij heeft evenwel in de vergaderingen van de commissie een adviserende stem. 3. Het secretariaat is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Technische commissie. Artikel 6a 1. Telkens binnen een periode van vijf jaren brengt de Technische commissie een rapport uit aan Onze Minister waarin de taakvervulling van de commissie aan een nader onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor daarin gewenste veranderingen. 2. In het rapport wordt in ieder geval aandacht besteed aan de taak, samenstelling, inrichting en werkwijze van de Technische commissie. Artikel 6b Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de artikelen 2 tot en met 6a van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van bedoelde artikelen de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Artikel 6c Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de Technische commissie. Staatsbla.d 1992 626 3 AFDELING 4. REGISTRATIE Artikel 11 1. Hij die grondwater onttrekt is verplicht: a. de inrichting op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies, waarin de inrichting is gelegen; b. de hoeveelheden grondwater die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden; c. telkenmale in de maand januari gedeputeerde staten van de provincie of provincies, waarin de inrichting is gelegen, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden grondwater; d. bij de onder c. bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a., verstrekte gegevens. 2. Voor hem die water infiltreert gelden de in het eerste lid omschreven verplichtingen op overeenkomstige wijze. Voorts is hij verplicht de kwaliteit van het te infiltreren water te meten, te registreren en daarvan aan gedeputeerde staten opgave te doen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze van meting en registratie. 3. Provinciale staten kunnen bij verordening gevallen aanwijzen, waarvoor de in het eerste lid omschreven verplichting niet geldt. 4. Gedeputeerde staten zenden een verordening die krachtens het derde lid is vastgesteld, onverwijld aan Onze Minister. De verordening treedt niet eerder in werking dan drie maanden nadat zij aan Onze Minister is gezonden. Artikel 12 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de bij de opgave te verstrekken gegevens, de meting en het houden van aantekening dienaangaande. Onze Minister hoort de Technische commissie grondwaterbeheer omtrent de voordracht tot deze algemene maatregel van bestuur. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij verordening bepalen dat voor door hen aangewezen gebieden of categorieen van inrichtingen de opgave van de onttrokken hoeveelheden grondwater ook op andere tijdstippen of over kortere perioden zal geschieden dan die vermeld in artikel 11, eerste lid, onder c. Onze Minister en de Technische commissie grondwa terbeheer wordt een afschrift van die verordening toegezonden. Artikel 13 1. Gedeputeerde staten houden ter provinciale griffie een register bij waarin de inrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de verstrekte gegevens. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. 2. Het register ligt ter provinciale griffie kosteloos voor een ieder ter inzage. Staatsblad 19-9.2 626 4 AFDELING 5. VERBODSBEPALING Artikel 14 1. Het is verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend. 2. Aan de vergunning kunnen voorschriften warden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. 3. Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van de vergunning wordt rekening gehouden met de in het artikel 7 van de Wet op de waterhuis houding bedoelde plan. 4. In de vergunning warden vermeld de hoeveelheden grondwater of de hoeveelheden water die per een of meer tijdseenheden mogen warden onttrokken onderscheidenlijk ge·infiltreerd alsmede het doel waarvoor het te onttrekken water is bestemd. 5. De vergunning geldt voor de rechtsopvolgers van de vergunning houder. Binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de rechtsop volging dient wijziging van de tenaamstelling te warden gevraagd. Artikel 14a 1. Een vergunning voor het infiltreren van water, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt slechts verleend, indien er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater. Bij het beoordelen van dat gevaar warden de regels in acht genomen, daaromtrent te stellen bij algemene maatregel van bestuur op grand van artikel 13a van de Wet bodembe scherming {Stb. 1986, 374). 2. Onverminderd artikel 14, tweede lid, warden aan de vergunning voorschriften verbonden volgens regels te stellen bij de in het eerste lid bedoelde maatregel. 3. Aan de vergunning warden in ieder geval voorschriften verbonden ter verzekering van de controle op de kwaliteit van het grondwater. Artikel 15 1. Het in artikel 14, eerste lid, omschreven verbod geldt niet ten aanzien van het onttrekken van grondwater in de door provinciale staten bij verordening aangewezen gevallen. 2. Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. Het in artikel 14, eerste lid, omschreven verbod, geldt niet voor het infiltreren van water dat geschiedt ter voldoening aan een voorschrift, verbonden aan een vergunning tot het onttrekken van grondwater. 4. Artikel 14a is van overeenkomstige toepassing op de verlening van een vergunning voor het onttrekken van grondwater, waaraan een voorschrift tot het infiltreren van water wordt verbonden, als bedoeld in het derde lid. HOOFDSTUK II. VERGUNNINGEN AFDELING 1. VERLENING OF WIJZIGING VAN EEN VERGUNNING Artikel 16 1. De aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt schriftelijk ingediend bij gedeputeerde staten van de provincie waarin de aanvrager de onttrekking of de infiltratie wil verrichten, dan wel waarin hij deze verricht. Staatsblad 1992 626 5 2. Provinciale staten bepalen bij verordening welke gegevens en bescheiden de aanvrager moet overleggen; daarbij kunnen tevens nadere regelen worden gegeven betreffende de wijze waarop de nodige onder zoekingen moeten worden verricht ter beoordeling van de vergunning aanvraag. Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 17 Met betrekking tot de totstandkoming van een vergunning en de wijziging van een vergunning is afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing. Artikel 18 1. Gedeputeerde staten zenden de aanvraag onverwijld aan de Technische commissie grondwaterbeheer met het verzoek daarover advies uit te brengen. 2. De commissie brengt haar advies uit binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek daartoe. Gedeputeerde staten kunnen deze termijn op een daartoe strekkend verzoek van de commissie, waarin de redenen worden meegedeeld waarom zij haar advies niet binnen zes maanden kan uitbrengen, eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen. 3. In gevallen waarin gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 13.21 van de Wet milieubeheer, kunnen zij andere termijnen in de plaats stellen van de in het tweede lid genoemde. 4. Provinciale staten bepalen bij verordening voor welke onttrekkingen de Technische commissie grondwaterbeheer niet behoeft te worden verzocht advies uit te brengen over de aanvraag. Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 19 1. lndien gedeputeerde staten de Technische commissie grondwater beheer hebben verzocht een advies uit te brengen, schorten zij de verdere behandeling van de aanvraag op totdat het advies is uitgebracht. De overeenkomstig de artikelen 13.5, 13.10, eerste lid, 13.19 en 13.21 van de Wet milieubeheer geldende termijnen lopen niet zolang de behan deling is opgeschort. 2. lndien de aanvraag overeenkomstig hoofdstuk 14 van de Wet milieubeheer gecoordineerd wordt behandeld met aanvragen om andere beschikkingen, waarop de in het eerste lid, tweede volzin, genoemde bepalingen van toepassing zijn, is het eerste lid ten aanzien van de behandeling van die aanvragen van overeenkomstige toepassing. Artikel 20 1. Gedeputeerde staten stellen de provinciale grondwatercommissie en de daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen rijksamb tenaren in de gelegenheid hun advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. 2. De besturen van de gemeenten, waterschappen en waterleidingbe drijven, binnen welker gebied, onderscheidenlijk winningsgebied de beoogde onttrekking of infiltratie zal geschieden of naar het oordeel van gedeputeerde staten van invloed kan zijn, het bestuur van het Landbouw schap, alsmede, indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de onttrekking of infiltratie mede in een andere provincie van invloed kan zijn, het bestuur van die provincie, worden - anders dan als adviseurs overeenkomstig de Wet milieubeheer eveneens bij de totstandkoming Staatsblad 1992 626 6 van de beschikking op de aanvraag betrokken. De besturen van waterlei dingbedrijven en van het Landbouwschap worden daarbij met overheids organen gelijkgesteld. 3. Provinciale staten bepalen bij verordening voor welke onttrekkingen van grondwater de provinciale grondwatercommissie - in afwijking van het eerste lid - niet in de gelegenheid wordt gesteld van advies te dienen. Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 21 lndien ten tijde van de behandeling van de aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning de gevolgen van het onttrekken van grond water of het infiltreren van water onvoldoende kunnen worden beoor deeld, kan de vergunning voor een proefperiode worden verleend. Na afloop van die periode kan de vergunning een of meerdere malen opnieuw voor een proefperiode worden verleend. De proefperiode wordt in de vergunning ten hoogste op vijf jaren gesteld, met dien verstande, dat de gezamenlijke proefperioden een periode van tien jaren niet mogen overtreffen. AFDELING 2. WIJZIGING OF INTREKKING VAN VERGUNNINGVOOR SCHRIFTEN; INTREKKING VAN DE VERGUNNING Artikel 22 1. Op aanvraag van de vergunninghouder kunnen gedeputeerde staten voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden. 2. Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing, en zijn de artikelen 18-20 van deze wet van overeenkom stige toepassing. Artikel 23 1. Uit eigen beweging of op verzoek van een belanghebbende, niet zijnde de vergunninghouder, kunnen gedeputeerde staten de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden, indien de bescherming van de bij het grondwater betrokken belangen dat vordert. 2. Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 13.3 van de Wet milieubeheer van toepassing, en is artikel 20 van deze wet van overeenkomstige toepassing. Artikel 24 1. Gedeputeerde staten kunnen hetzij uit eigen beweging hetzij op verzoek van belanghebbenden de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien blijkt van omstandigheden of feiten, waardoor in verband met de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen de onttrekking of infiltratie in haar geheel dan wel gedeeltelijk niet langer toelaatbaar wordt geacht. 2. Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 13.3 van de Wet milieubeheer van toepassing, en is artikel 20 van deze wet van overeenkomstige toepassing. Staatsblad 1992 626 7 Artikel 25 1. Gedeputeerde staten trekken de vergunning in, indien de vergun ninghouder schriftelijk verklaart daarvan geen gebruik te maken. 2. Gedeputeerde staten kunnen de vergunning intrekken indien: a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvol ledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. daarvan gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt; c. aan het onttrokken water een andere bestemming wordt gegeven dan in de vergunning staat vermeld; d. de aan de vergunning verbonden voorschriften niet in acht worden genomen. 3. Een beschikking krachtens het eerste of het tweede lid vermeldt de gronden waarop zij wordt gegeven. Gedeputeerde staten zenden een exemplaar van de beschikking aan de vergunninghouder en de adviseurs. 4. Gedeputeerde staten gaan tot intrekking van een vergunning krachtens het tweede lid, onder b en c, niet over zonder de vergunning houder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van ten minste twee weken schriftelijk of mondeling bezwaren tegen de intrekking kenbaar te maken. AFDELING 3. VERDERE BEPALINGEN INZAKE VERGUNNINGEN Artikel 28 lndien een inrichting is gelegen in meer dan een provincie, kunnen de colleges van gedeputeerde staten van deze provincies bij gemeenschap pelijke beschikking bepalen dat de gegevens bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c, voor deze inrichting slechts behoeven te worden verstrekt aan een van deze colleges. Artikel 29 lndien de inrichting door middel waarvan wordt of zal worden onttrokken, zich bevindt in een gebied dat in meer dan een provincie is gelegen, of indien het infiltreren in een zodanig gebied plaats vindt of zal vinden, worden de beschikkingen krachtens de artikelen 14, 22-25, 31 en 40-42, door de betrokken colleges van gedeputeerde staten gemeen schappelijk genomen. lndien deze colleges niet tot overeenstemming kunnen komen, doen zij hiervan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een jaar na de indiening van de aanvraag of het verzoek mededeling aan Onze Minister, die alsdan de beschikking neemt. Deze beschikking wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een beschikking van gedeputeerde staten. Artikel 30 De artikelen 8.27 en 21.1 en hoofdstuk 19 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen en wijzigen van vergunningen, het wijzigen van vergunningvoorschriften en het intrekken van vergunningen, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 8.27 onder «Onze Minister» wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Staatsblad 1-992 626 8 HOOFDSTUK Ill. GEDOOGPLICHTEN Artikel 31 1. lndien gedeputeerde staten in verband met de toepassing van deze wet een onderzoek ter plaatse nodig oordelen, zijn zij bevoegd de recht hebbenden ten aanzien van gronden of wateren waar dat onderzoek wordt ingesteld, de verplichting op te leggen het verrichten van het onderzoek, zomede het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het verwijderen van de voor dat onderzoek nodige middelen te gedogen, onverminderd het recht van deze rechthebbenden op schadevergoeding. 2. De rechthebbenden worden tenminste twee weken v66r de aanvang van het onderzoek schriftelijk in kennis gesteld van de op hen gelegde verplichting. Artikel 32 1. lndien de aanvrager of de houder van een vergunning of hij die voornemens is een aanvraag in te dienen, ter verkrijging van de gegevens bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderzoekingen moet verrichten in de gronden of wateren ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan hij gedeputeerde staten verzoeken de rechthebbenden daartoe een gedoogplicht overeenkomstig artikel 31 op te leggen. 2. Hij legt hiertoe over een opgave van de ligging van de gronden of wateren, van de namen en woonplaatsen van de rechthebbenden daarvan, zomede van de aard der onderzoekingen. 3. Gedeputeerde staten stellen bij het opleggen van de gedoogplicht zodanige voorwaarden dat de vergoeding van schade aan de rechtheb benden op voldoende wijze is verzekerd. Artikel 33 Rechthebbenden ten aanzien van enige onroerende zaak, waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of een infiltratie krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, zijn verplicht die onttrekking of die infiltratie te gedogen, onverminderd het bepaalde in artikel 35, eerste, tweede en derde lid. HOOFDSTUK IV. SCHADEVERGOEDING Artikel 34 De schade tengevolge van het in de artikelen 31 en 32 bedoelde onderzoek wordt vergoed door de provincie onderscheidenlijk door degene op wiens verzoek voor het onderzoek een gedoogplicht is opgelegd. De vordering tot schadevergoeding staat ter kennisneming van de rechter van het kanton, waarin de gronden of wateren ten aanzien waarvan een gedoogplicht is opgelegd geheel of gedeeltelijk zijn gelegen. Artikel 35 1. De schade aan een onroerende zaak, welke is veroorzaakt door een onttrekking of infiltratie krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt door de vergunninghouder, indien en voorzover dit redelijkerwijze kan worden gevergd, ondervangen. Staatsblad 1992 626 9 2. lndien en voorzover de schade niet is ondervangen, is de vergunninghouder desgevorderd verplicht jegens ieder die enig recht op het gebruik of het genot van de onroerende zaak heeft, die schade te vergoeden. 3. Niettemin kan een eigenaar van de onroerende zaak, indien door de aard of de omvang van de schade de eigendom van die zaak voor hem van te geringe betekenis is geworden, vorderen dat de vergunninghouder de onroerende zaak in eigendom overneemt. 4. De in het vorige lid bedoelde vordering kan worden gedaan zowel bij niet-aanvaarding van een als schadevergoeding aangeboden som als na aanvaarding daarvan. 5. De vorderingen, op grond van het eerste, het tweede en het derde lid, staan ter kennisneming van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de onroerende zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Artil<el 36 1. lngeval de rechtbank de vordering, bedoeld in artikel 35, derde lid, gegrond acht, veroordeelt zij de vergunninghouder tot overneming en tot betaling van de overnemingssom. Tegen het vonnis staat geen ander rechtsmiddel open dan beroep in cassatie. Het beroep in cassatie moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen ervan worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2. Ten aanzien van de vaststelling van de overnemingssom vinden de artikelen 27, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede en derde lid, 29-35 en 37, eerste lid, der Onteigeningswet overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de rechtbank in plaats van een of een oneven aantal deskundigen ook twee deskundigen kan benoemen. 3. Het vonnis waarbij de vergunninghouder tot overneming is veroor deeld, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan. Door inschrijving van het vonnis gaat de eigendom op de vergunninghouder over. Artil<el 37 1. Hij, die op grond van artikel 35, eerste, tweede of derde lid, een vordering kan doen, kan eerst de Technische commissie grondwater beheer verzoeken een onderzoek in te stellen. Dit verzoek moet schrif telijk worden ingediend bij gedeputeerde staten van de provincie, waarbinnen de onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen. Deze zenden het verzoek voorzover nodig door aan het college van gedepu teerde staten dat de vergunning heeft verleend en geven daarvan in dat geval kennis aan de verzoeker. 2. Gedeputeerde staten stellen het verzoek in handen van de Technische commissie grondwaterbeheer en zenden een afschrift daarvan aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen hiervan mededeling aan de verzoeker. 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid stellen gedeputeerde staten een ieder op zijn verzoek de gegevens beschikbaar van de ingevolge de vergunningvoorschriften verrichte metingen van het grond waterpeil. Artil<el 38 1. In het in artikel 37, eerste lid, bedoelde geval brengt de Technische commissie grondwaterbeheer zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van de schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak. Sta&tsblad 1992 626 10 2. De Technische commissie grondwaterbeheer zendt haar advies bij aangetekende brief aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld, zomede aan de betrokken vergunninghouder of vergunning houders. Gedeputeerde staten ontvangen een afschrift van het advies. Artikel 39 1. Gedurende dertig dagen na de verzending van het advies kunnen de in artikel 38, tweede lid, bedoelde personen schriftelijk bezwaren indienen bij de Technische commissie grondwaterbeheer. De commissie stelt degenen, die dit bij hun bezwaarschrift verlangen, in de gelegenheid hun bezwaren in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen. 2. Van het behandelde ter zitting, bedoeld in het eerste lid, wordt een proces-verbaal opgemaakt dat aan de betrokkenen die hun bezwaren hebben toegelicht, in afschrift wordt toegezonden. 3. lndien de commissie in de bezwaren aanleiding heeft gevonden haar aanvankelijk advies te wijzigen, zendt zij haar nader advies gelijk tijdig met het proces-verbaal aan de betrokkenen, overeenkomstig artikel 38, tweede lid. Artikel 40 lndien een onroerende zaak is gelegen in een gebied waarin de grond waterstand invloed ondergaat van meer dan een onttrekking en blijkens het onderzoek van de Technische commissie grondwaterbeheer niet of niet binnen redelijke termijn is vast te stellen door welke onttrekking de schade die die onroerende zaak ondervindt, wordt veroorzaakt, kennen gedeputeerde staten de rechthebbende ten aanzien van die onroerende zaak op zijn verzoek een vergoeding van de kosten van ondervanging der schade of schadevergoeding toe. De rechthebbende is in dat gevaf gehouden tot overdracht van de rechten welke hij tegenover derden mocht kunnen doen gelden. Artikel 41 1. lndien de houder van een vergunning door gehele of gedeeltelijke intrekking van zijn vergunning of door wijziging van de daaraan verbonden voorschriften schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen gedeputeerde staten hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadever goeding toe. 2. lndien gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of wijziging van de daaraan verbonden voorschriften nodig is ten behoeve van een nationaal belang, met het oog waarop door Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, is gegeven, wordt de in het eerste lid bedoelde schadevergoeding toegekend door Onze Minister, door wie dat belang wordt behartigd. Artikel 42 1. lndien de gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of wijziging van de daaraan verbonden voorschriften nodig is om gunstig te kunnen beschikken op de aanvraag tot verlening of uitbreiding van een andere vergunning, kunnen gedeputeerde staten indien zij op grond van artikel 41, eerste lid, schadevergoeding toekennen, deze geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager brengen. lndien schadever Staatsb~ad 1992 626 11 goeding is toegekend door Onze in artikel 41, tweede lid, bedoelde Minister kunnen gedeputeerde staten deze op diens verzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager brengen. 2. In de in het eerste lid bedoelde gevallen worden de beschikkingen op deze aanvraag en de beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de daarbij betrokken vergunning of tot wijziging van de daaraan verbonden voorschriften, alsmede de daarmede verband houdende beschikkingen tot toekenning van de schadevergoeding en tot verhaal daarvan zoveel mogelijk gelijktijdig genomen. 3. Elk van de in het tweede lid bedoelde beschikkingen treedt - in afwijking van de artikelen 43, tweede lid, 44, tweede lid, en 45, derde lid, van deze wet juncto de artikelen 20.10, 20.16 onderscheidenlijk 20.21 van de Wet milieubeheer - eerst in werking wanneer deze beschik kingen alle onherroepelijk zijn geworden en vervolgens de deswege verschuldigde schadevergoeding is betaald. Voor het bewijs van betaling is artikel 59, tweede lid, der Onteigeningswet van overeenkomstige toepassing. 4. lndien door een beslissing in beroep op een der beschikkingen, bedoeld in het tweede lid, de overige beschikkingen niet meer in stand kunnen of behoeven te worden gehouden, worden deze ingetrokken. 5. De in het tweede lid bedoelde beschikkingen worden eveneens ingetrokken, indien degene te wiens laste de schadevergoeding geheel of gedeeltelijk is gebracht, heeft verklaard het bedrag daarvan niet voor zijn rekening te willen nemen, dan wel indien hij dat bedrag niet heeft voldaan binnen twee maanden na een daartoe aan hem bij aangetekende brief gedane aanmaning tot betaling. HOOFDSTUK V. BEROEP Artikel 43 1. Tegen een beschikking: a. houdende de beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 16 tot verlening of wijziging van een vergunning, daaronder niet begrepen een besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvrager, b. houdende de beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 22, betreffende de aan een vergunning te verbinden of reeds verbonden voorschriften, kan beroep worden ingesteld. 2. Paragraaf 20.2 van de Wet milieubeheer is op een beroep ingevolge dit artikel van toepassing. Artikel 44 1. Tevens kan beroep worden ingesteld tegen een beschikking: a. houdende een beslissing als bedoeld in artikel 23, betreffende de aan een vergunning te verbinden of reeds verbonden voorschriften; b. houdende een beslissing als bedoeld in artikel 24, tot intrekking van een vergunning. 2. Paragraaf 20.3 van de Wet milieubeheer is op een beroep ingevolge dit artikel van toepassing. Artikel 45 1. Voorts kan - behoudens het bepaalde in het tweede lid en in artikel 46 - beroep worden ingesteld tegen de ingevolge deze wet gegeven beschikkingen waartegen niet al ingevolge de artikelen 43 en 44 beroep kan worden ingesteld, dan wel ingevolge hoofdstuk IV of hoofdstuk VI een andere voorziening openstaat. Staatsblad 1992 626 12 2. Niet vatbaar voor afzonderlijk beroep is een beschikking als bedoeld in artikel 30, houdende een aanwijzing overeenkomstig artikel 8.27 van de Wet milieubeheer. 3. Paragraaf 20.4 van de Wet milieubeheer is op een beroep ingevolge dit artikel van toepassing. Artikel 46 Niet vatbaar voor beroep is een beschikking, houdende een aanwijzing krachtens artikel 1 0. HOOFDSTUK VI. HEFFINGEN Artikel 48 1. Provinciale staten zijn bevoegd bij wijze van provinciale belasting een heffing in te stellen wegens het onttrekken van grondwater, ter bestrijding van de ten laste van de provincie komende kosten die zijn verbonden aan de voor het grondwaterbeheer noodzakelijke onderzoe kingen alsmede aan de vergoeding van schade ingevolge de artikelen 34, 40 en 41, eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de kosten welke kunnen worden aangemerkt als kosten die zijn verbonden aan de voor het grond waterbeheer noodzakelijke onderzoekingen. Onze Minister hoort de Technische commissie grondwaterbeheer omtrent de voordracht tot deze algemene maatregel van bestuur. 2. Aan een heffing worden onderworpen de bij de verordening aan te wijzen houders van inrichtingen, welke zijn ingeschreven in het in artikel 13 bedoelde register. 3. Als grondslag voor de heffing geldt de onttrokken hoeveelheid grondwater. lndien op grond van de vergunningvoorschriften water wordt ge·infiltreerd, wordt daarmede rekening gehouden bij het opleggen van de heffing aan de vergunninghouder. HOOFDSTUK VIA. VERDERE BEPALINGEN Artikel 48a Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Artikel 48b In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden ten aanzien van personen of colleges met enig openbaar gezag bekleed, de hun als zodanig toevertrouwde belangen, en ten aanzien van privaatrechtelijke organisaties de belangen met het oog waarop zij in het leven zijn geroepen, als hun belangen beschouwd. Staatsblad 199-2 626 13 HOOFDSTUK VII. TOEZICHT- EN STRAFBEPALINGEN Artikel 49 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen ambte naren. 2. Deze ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd alle plaatsen, met uitzondering van woningen, te betreden, teneinde de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken of de hoeveelheid water, die wordt ge·1nfiltreerd, alsmede de daarmede verband houdende grondwaterstand te meten. Zij kunnen zich daarbij doen vergezellen van door hen aangewezen personen. Artikel 50 leder is verplicht aan de krachtens de artikelen 49 en 52 aangewezen ambtenaren inzage te geven in de bescheiden die betrekking hebben op het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water en hun ook verder al die medewerking te verlenen die zij bij de uitvoering van de hun op grond van deze wet opgedragen taak redelijkerwijs behoeven. Artikel 51 1. Handelen in strijd met het in artikel 14 omschreven verbod of met de voorschriften van een krachtens deze wet verleende vergunning wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de vierde categorie. 2. Handelen in strijd met de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 11 en 50, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van de tweede categorie. 3. De in het eerste en het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel 52 1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast, behalve de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, de door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren. 2. Deze ambtenaren zijn, voorzover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd alle plaatsen, met uitzondering van woningen, te betreden, teneinde de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken of de hoeveelheid water die wordt ge·1nfiltreerd, alsmede de daarmede verband houdende grondwaterstand te meten. Zij kunnen zich daarbij doen vergezellen van door hen aangewezen personen. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm. HOOFDSTUK VIII. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 53 1. Een vergunning, verleend op grond van de Grondwaterwet Waterlei dingbedrijven, wordt voor de toepassing van deze wet beschouwd als krachtens deze wet te zijn verleend. 2. De rechten en verplichtingen, die op het tijdstip van de inwerking treding van deze wet krachtens een beschikking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven gelden met Staatsblad 1992 626 14 betrekking tot het in werking hebben van een inrichting waarvoor vergunning is verleend hetzij krachtens de Hinderwet hetzij krachtens de aan die wet voorafgaande Koninklijke besluiten, blijven gelden voorzover zodanige rechten en verplichtingen ook voortvloeien uit een krachtens deze wet verleende vergunning. Artikel 54 1. Voor een onttrekking of infiltratie, voor welke voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergunning is verleend op grond van de Hinderwet of op grond van een provinciale, waterschaps- of gemeentelijke verordening, dan wel een onttrekking of infiltratie voor welke op die datum geen vergunning is vereist en welke voor die datum geregeld heeft plaats gevonden, wordt een vergunning krachtens deze wet geacht te zijn verleend, voor zover die onttrekking of infiltratie voor een door gedeputeerde staten te stellen tijdstip, gelegen voor 1 maart 1989, schriftelijk bij gedeputeerde staten is gemeld. 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid kan de vergunning niet eerder dan een jaar nadat de melding door gedeputeerde staten is ontvangen, worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 55 In afwijking van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, sub c, betreft de daar bedoelde opgave welke plaatsvindt in de maand januari, volgende op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, alleen de vooraf gaande kwartalen sinds dat tijdstip. Artikel 56 Provinciale staten stellen het in artikel 8 bedoelde plan voor de eerste maal vast binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 58 1. De Grondwaterwet Waterleidingbedrijven wordt ingetrokken. 2. Niettemin worden ten aanzien van een aanvraag om vergunning of een verzoek om wijziging van een vergunning of van de daaraan verbonden voorschriften, ingediend v66r de inwerkingtreding van deze wet op grond van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven, de bepalingen van die wet toegepast. Hetzelfde geldt ten aanzien van een aanspraak op schadevergoeding, waarvan mededeling is gedaan op grond van artikel 19, eerste lid, van die wet. 3. Voor zover de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven krachtens het tweede lid van toepassing is, geschiedt zulks met inachtneming van de na de inwerkingtreding van deze wet inwerkinggetreden Boeken 3, 5 en 6 van Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor dering, zoals dat is gewijzigd bij de tegelijk met de Boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek inwerkinggetreden Wet van 7 mei 1986, Stb. 295. Artikel 59 1. Op de bij Ons aanhangige beroepschriften betreffende besluiten terzake van een onttrekking, welke zijn ingekomen v66r of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, binnen de in het voordien geldende recht gegeven beroepstermijn, wordt door Ons beslist met toepassing van het v66r bedoeld tijdstip geldende recht. 2. Een met toepassing van het eerste lid in beroep verleende of Staa·tsblad 1 992 626 15 gewijzigde vergunning wordt beschouwd als v66r het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet te zijn verleend. Artikel 61 Deze wet kan warden aangehaald als: Grondwaterwet. Artikel 62 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan warden gesteld. Sta-atsblad 1992 626 16

Groundwater Act · Nelum