Skip to content
Nelum
Laws of Netherlands

Decree Registration Fertilizing Substances of Animal Origin

Made 1986 · Text as of 2026-10-01

Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.

About this law

Language
Dutch
Kind
Regulation
Organisation
European Union
Country
Netherlands
Subjects
Land and soil, Cultivated plants
Keywords
soil pollution/quality, fertilizers/nutrients, registration, environmental fees/charges, pollution control, plant production
Categories
agriculture

Where to read it

    No source link is recorded for this law.

Text

The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.

  1. 216531F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1992 38 Beschikking van de Minister van Justitie van 21 januari 1992, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Registratiebesluit dierlijke meststoffen (Stb. 1986, 625), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 januari 1992, Stb. 37 De Minister van Justitie, Gelet op Artikel V van het koninklijk besluit van 10 januari 1992, Stb. 37; Besluit: de tekst van het Registratiebesluit dierlijke meststoffen (Stb. 1986, 625), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 januari 1992, Stb. 37, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking. 's-Gravenhage, 21 januari 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Staatsblad 1992 38 Uitgegeven de achtentwintigste januari 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Tekst van het Registratiebesluit dierlijke meststoffen (Stb. 1986, 625), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 januari 1992 (Stb. 37) Artikel 1 1. In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: wet: Meststoffenwet (Stb. 1986, 598); jongvee: runderen tot een leeftijd van twee jaren, die bestemd zijn om als fok- of gebruiksvee te warden gehouden; producent van dierlijke meststoffen: degene die door het houden van dieren, uitscharing van rundvee of schapen of tijdelijke onderbrenging ter opfok van jongvee ofter weiding van schapen elders, dierlijke meststoffen produceert; bedrijf: het geheel van produktie-eenheden bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouw grond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw; ' · districtsbureauhouder: districtsbureauhouder ressorterend onder de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie in de provincie in wiens werkgebied het bedrijf van de producent van dierlijke meststoffen is gelegen; het Bureau: het Bureau Heffingen te Assen. 2. Met uitzondering van het in artikel 2, vierde lid, bepaalde is.dit besluit niet van toepassing op degenen die dierlijke meststoffen produ ceren in een hoeveelheid van 125 kilogram fosfaat of minder per jaar per bedrijf. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder het houden van dieren niet verstaan het ter inscharing aannemen van rundvee. 4. Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan op grand van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of waarvan op grand van andere bepaalde feiten en omstandigheden moet warden aangenomen dat zij achterwege gebleven zouden zijn indien daarmede niet de toepassing van dit besluit of de wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou warden gemaakt. Artikel 2 1. Producenten van dierlijke meststoffen zijn verplicht een door Onze Minister vastgesteld formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit ondertekend voor 1 februari 1987 te doen toekomen aan de districts bureauhouder. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de producent van dierlijke meststoffen die in J 986 jongvee ter opfok heeft aangenomen verplicht om een door Onze Minister vastgesteld formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit v66r 1 mei 1989 te doen toekomen aan het Bureau. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, zijn de producenten van dierlijke meststoffen, op wier bedrijf dierlijke meststoffen warden geproduceerd, afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten, verplicht om een door Onze Minister vastgesteld formulier volledig en naar waarheid in te vullen en dit v66r 1 maart 1992 te doen toekomen aan het Bureau. 4. In afwijking in zoverre van de artikelen 1, tweede lid, en 2, derde lid, is een ieder die door of vanwege Onze Minister een formulier toege zonden heeft gekregen, verplicht dit formulier volledig en naar waarheid Staatsblad 1992 38 2 in te vullen en dit v66r 1 maart 1992 te doen toekomen aan het Bureau. 5. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde formulieren hebben onder meer betrekking op: a. de in de aanwezige, daartoe bestemde en daarvoor geschikte ruimten - daaronder begrepen de op het land aanwezige dieren gehouden aantallen van de ingevolge artikel 1, eerste lid, van de wet, aangewezen diersoorten; b. de hoeveelheid dierlijke meststoffen die op het bedrijf als geheel als naar aangewezen diersoort en -categorie geproduceerd wordt; c. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond per 31 december 1986, dan wel, indien het een opgave van uitsluitend eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten betreft, of een opgave als bedoeld in artikel 3e, per 31 december 1991 . 6. In afwijking van het in het vijfde lid bepaalde, heeft het formulier, indien het een producent van dierlijke meststoffen betreft die eerder een opgave heeft gedaan als bedoeld in het eerste of tweede lid, resulterend in een mestproduktie boven de in artikel 14, eerste lid, van de Meststof fenwet (Stb. 1986, 598) bedoelde hoeveelheid, en die tevens eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten houdt, uitsluitend betrekking op de in het vijfde lid, onderdeel a en b, bedoelde gegevens, voor zover deze gegevens eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten betreffen. Artikel 3 1. De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren warden, indien het betreft varkens, kippen, runderen of kalkoenen, bepaald en opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1986. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan, indien de bezetting op 31 december 1986 geen getrouw beeld geeft van de gebruikelijke bezetting op het bedrijf, onverminderd een opgave van de bezetting op die datum, een bezetting op een ander tijdstip gedurende 1986 warden opgegeven. 3. De bezetting op 31 december 1986 dient door de mestproducent te kunnen warden gestaafd met bewijsstukken. De andere bezetting dient overeen te komen met de gebruikelijke bezetting en door de mestpro ducent te kunnen warden gestaafd met bewijsstukken. Artikel 3a 1. De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren warden, indien het betreft eenden of konijnen, bepaald en opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1990. 2. Het tweede en derde lid van artikel 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3b 1. De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren warden, indien het betreft vossen en nertsen, opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1990 alsmede aan de hand van de bezetting op een ander tijdstip in 1990, en bepaald door het totaal van deze opgaven, gedeeld door twee. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kunnen de in dat lid bedoelde aantallen dieren, indien de bezetting in 1990 geen getrouw beeld geeft van de gebruikelijke bezetting op het bedrijf en onverminderd een opgave van de bezetting in 1990, warden opgegeven aan de hand Staatsblad 1992 38 3 van de bezetting op 31 december 1989 alsmede aan de hand van de bezetting op een ander tijdstip in 1989, waarbij voor de bepaling van de aantallen dieren het in het eerste lid bepaalde van overeenkomstige toepassing is. 3. Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3c 1. De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft geiten, bepaald en opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1991. 2. Het tweede en derde lid van artikel 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3d 1. De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel a, bedoelde aantallen dieren worden, indien het betreft schapen, opgegeven aan de hand van de bezetting op 31 december 1991 alsmede aan de hand van de bezetting op een tijdstip in de maanden mei of juni van 1991, en bepaald door het totaal van deze opgaven, gedeeld door twee. 3. Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3e 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, dient de producent van dierlijke meststoffen door wie dierlijke meststoffen worden geproduceerd, afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten, indien hij geen opgave als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, heeft gedaan, maar door hem wel tevens dierlijke meststoffen worden geproduceerd afkomstig van varkens, kippen, runderen of kalkoenen tot ten hoogste de hoeveelheid, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet, op het in artikel 2, derde lid, bedoelde formulier naast de eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen en geiten ook de per 31 december 1991 door hem gehouden varkens, kippen, runderen en kalkoenen op te geven. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, dient de producent van dierlijke meststoffen door wie dierlijke meststoffen worden geproduceerd, afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen of geiten, indien eerder ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, opgave is gedaan van de op het bedrijf gehouden varkens, kippen, runderen of kalkoenen, resulterend in een mestproduktie beneden de hoeveelheid, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet, op het in artikel 2, derde lid, bedoelde formulier naast de eenden, vossen, nertsen, konijnen, schapen en geiten, ook de per 31 december 1991 door hem gehouden varkens, kippen, runderen en kalkoenen op te geven, voor zover deze aantallen dieren resulteren in een mestproduktie die groter is dan de geregistreerde produktie per 31 december 1986, doch die niet groter is dan de produktie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet. 3. Het tweede en derde lid van artikel 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, bedoelde hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en bepaald aan de hand van: Staatsblad 1992 38 4 a. de door 0nze Minister ingevolge artikel 8, tweede lid, van de wet, vastgestelde omvang van de mestproduktie per dier; b. de aantallen en aanwezigheid van de in artikel 3 bedoelde dieren. Artikel 5 Bij de in artikel 2, vijfde lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte dient de gemeten maat te worden opgegeven. Artikel 6 Producenten van dierlijke meststoffen dienen de gegevens van de formulieren als bedoeld in artikel 2 gedurende vijf jaren te bewaren. Artikel 7 1. Degene, die v66r 1 januari 1986 een verzoek om een andere heffingvrije hoeveelheid heeft ingediend in het kader van de Beschikking superheffing (Stcrt. 1984, 79) of de Beschikking superheffing 1985 (Stcrt. 1985, 118), dan wel degene, die een verzoek om een andere heffingvrije hoeveelheid heeft ingediend in het kader van de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties (Stcrt. 1985, 109), de Beschikking aanvulling superheffing (Stcrt. 1986, 65) of de Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting (Stcrt. 1985, 109), kan, indien de beslissing tot toewijzing van de andere heffingvrije hoeveelheid na 31 december 1985 is genomen, 0nze Minister verzoeken de hoeveelheid dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, in afwijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde opgave, met toepassing van het tweede lid vast te stellen. 2. De afwijkende hoeveelheid wordt vastgesteld door de hoeveeheid dierlijke meststoffen die voortvloeit uit de heffingvrije hoeveelheid melk waarop betrokkene op 31 december 1986 aanspraak heeft, in voorkomend geval vermeerderd met de na 31 december 1986 toege wezen extra heffingvrije hoeveelheid, te delen door 5500, de uitkomst van deze deling te vermenigvuldigen met 50 kilogram fosfaat en de uitkomst van deze vermenigvuldiging te vermeerderen met de hoeveelheid dierlijke meststoffen die voortvloeit uit het op 31 december 1985 op het bedrijf aanwezige aantal dieren van de diersoorten varkens, kalkoenen, kippen en runderen met uitzondering van de diercategorieen melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee een jaar en ouder. 3. Het verzoek dient te worden gedaan binnen een door 0nze Minister vast te stellen termijn op een volledig en naar waarheid ingevuld door 0nze Minster vastgesteld formulier op de daarbij aangegeven wijze en onder overlegging van de daarbij verzochte bescheiden. 4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kan, indien het aantal dieren op 31 december 1985 geen getrouw beeld geeft van het gebruikelijk aantal op het bedrijf, een aantal op een ander tijdstip gedurende 1985 worden opgegeven. Artikel 7a 1. Voor degenen aan wie op grond van de Beschikking superheffing SL0M-deelnemers (Stcrt. 1989, 94) een specifieke referentiehoe veelheid melk is toegewezen, wordt de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 bepaalde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van rundvee zoals deze hoeveelheid in voorkomend geval is gewijzigd door toepassing van artikel 9, vermeerderd met de overeenkomstig het tweede lid te bepalen bijzondere hoeveelheid. 2. De in het eerste lid bedoelde bijzondere hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt vastgesteld door de toegewezen specifieke referentie Staatsblad 1992 38 5 hoeveelheid melk, te delen door 5500 en de uitkomst van deze deling te vermenigvuldigen met 50 kilogram fosfaat. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bijzondere hoeveelheid dierlijke meststoffen geldt voor betrokkene slechts voor de duur van de toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid melk en vermindert, indien artikel 6, derde lid, van de Beschikking superheffing SL0M-deelnemers van toepassing is, voor betrokkene met een aan de vermindering van de specifieke referentiehoeveelheid melk evenredig gedeelte. 4. Ter uitvoering van dit artikel kunnen desgevraagd door of namens 0nze Minister binnen de daartoe gestelde termijn nadere gegevens warden verlangd. Artikel 8 1. Degene, die tot het tijdstip waarop de Regeling.verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens) (Stcrt. 1986, 66) in werking is getreden in het bezit was van een geldige vergunning als bedoeld in de Beschikking Voedsel- en slachtafvallen 1972 (Stcrt. 1972, 65) en voorts kan aantonen dat hij onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemde regaling ten minste 60% van zijn fiscaal onzuiver inkomen, berekend op jaarbasis, heeft verkregen uit het houden van varkens van de diercategorie vleesvarken die gevoederd werden met voedsel- of slachtafvallen, kan 0nze Minister verzoeken de hoeveelheid dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, in afwijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde opgave met toepassing van het tweede lid vast te stellen. 2. De afwijkende hoeveelheid bedraagt de hoeveelheid zoals die voort vloeit uit het op 7 april 1986 op het bedrijf van de verzoeker aanwezige aantal dieren van de ingevolge artikel 1, eerste lid, van de wet aange wezen diersoorten, waarbij het aantal varkens van de diercategorie vlees varken met drie wordt vermenigvuldigd met dien verstande dat het totale aantal vleesvarkens na vermenigvuldiging niet grater zal zijn dan 1200. 3. Het verzoek dient te warden gedaan binnen een door 0nze Minister vast te stellen termijn op een volledig en naar waarheid ingevuld door 0nze Minister vastgesteld formulier op de daarbij aangewezen wijze en onder overlegging van de daarbij verzochte bescheiden. 4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kan, indien het aantal dieren op 7 april 1986 geen getrouw beeld geeft van het gebrui kelijk aantal op het bedrijf, een aantal op een ander tijdstip gedurende het tijdvak aanvangende op 1 januari 1986 en eindigende op 6 april 1986 warden opgegeven. Artikel 9 lndien blijkt dat de in de formulieren als bedoeld in artkel 2, eerste, tweede en derde lid, gedane opgave in strijd met de voorschriften van dit besluit of artikel 14, vijfde lid, van de wet is gedaan, kan 0nze Minister de opgave dienovereenkomstig aanpassen. Artikel 10 1. Dit besluit kan warden aangehaald als Registratiebesluit dierlijke meststoffen. 2. Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Staatsblad 1992 38 6

Decree Registration Fertilizing Substances of Animal Origin · Nelum