Decree of 5 June 2014, containing rules regarding animal keepers (Animal Keepers Decree)
Made 2014-06-05 · Text as of 2026-10-01
Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.
About this law
- Original title
- Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren).
- Language
- Dutch
- Kind
- Regulation
- Country
- Netherlands
- Subjects
- Livestock, Food and nutrition, Wild species and ecosystems
- Keywords
- animal health, animal production, animal reproduction, animal welfare, drugs, cattle, sheep/goats, poultry, swine, grazing, classification/declassification, dangerous animal/harmful animal, pests/diseases, transport/storage, internal trade, international trade, registration, animal feed/feedstuffs, rodents, antimicrobial resistance (AMR), birds, pet animals, food safety and quality, disinfection/disinfestation, slaughtering, authorization/permit, captive wild animals, protection of species, wild fauna, biodiversity
- Categories
- *
Where to read it
Text
The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.
Wettenbank Besluit houders van dieren Geraadpleegd op 23-11-2023. Gebruikte datum 'geldig op' 22-11-2023 en zichtdatum 22-11-2023. Geldend van 07-10-2023 t/m heden Origineel opschrift en aanhef Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 19 oktober 2012, nr. 291872, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303), verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 47), van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 10); van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182), van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311), van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203), van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PbEG 1999, L 94), van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG 1998, L 221), van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß agonisten en tot intrekking van de , en (PbEG 1996, L 125), van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de en en de beschikkingen en //EE (PbEG 1996, L 12523), van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 092), de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, 1) en de , , , , , , , , , , , , en ; verordening (EG) nr. 1099/2009 Richtlijn 2001/82/EG richtlijn 2008/120/EG richtlijn 2008/119/EG richtlijn 2007/43/EG richtlijn 2001/82/EG richtlijn 1999/74/EG richtlijn 1999/22/EG richtlijn 98/58/EG richtlijn 96/22/EG richtlijnen 81/602/EEG 88/146/EEG 88/299/EEG richtlijn 96/23/EG richtlijnen 85/358/EEG 86/469/EEG 89/187/EEG 91/664 richtlijn 90/167/EEG artikelen 2.1, derde en vijfde lid 2.2, tweede, derde, zevende, negende en tiende lid 2.3, tweede en vierde lid, onderdeel a 2.8, tweede en vierde lid 2.9, derde lid 2.10, eerste tot en met vierde lid 2.16, eerste lid 7.1 7.2, eerste lid 7.3, vijfde lid 7.5, vierde lid 7.8, eerste lid 10.4, eerste lid, van de Wet dieren De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 januari 2013, no. W15.12.0441/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken 4 juni 2014, nr. WJZ / 14038273; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: https://www.overheid.nl/ https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32009R1099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32009R1099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0120 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0120 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0119 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0119 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0074 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0074 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0022 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0022 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31998L0058 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31998L0058 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31996L0022 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31996L0022 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31981L0602 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31981L0602 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31988L0146 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31988L0146 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31988L0299 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31988L0299 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31996L0023 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31996L0023 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31985L0358 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31985L0358 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31986L0469 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31986L0469 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31989L0187 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31989L0187 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31991L0664 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31991L0664 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31990L0167 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31990L0167 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.8&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.16&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.8&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.4&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.4&g=2023-11-22&z=2023-11-22 een overzicht dat specifiek is voor een bedrijf, waarin aandoeningen en ziektes zijn opgenomen die voorkomen of waarvan het aannemelijk is dat deze voor kunnen komen bij door een houder gehouden dieren en waarbij is weergegeven op welke wijze de aandoeningen en ziektes worden behandeld; bedrijfsbehandelplan: een plan dat specifiek is voor een bedrijf, bestaande uit:bedrijfsgezondheidsplan: een analyse van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren en van de toepassing van diergeneesmiddelen bij door een houder gehouden dieren; 1°. een overzicht van te treffen maatregelen ter verbetering van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren; 2°. varken vanaf de geboorte tot aan het spenen;big: datgene dat daaronder wordt verstaan in artikel 2, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009; daarmee verband houdende activiteiten: land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; derde land: runderen, varkens, schapen, geiten of hertachtigen;evenhoevigen: zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil; gezelschapsdier: hoenderachtigen, eenden of ganzen;pluimvee: van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van van de Raad (PbEU 2003, L 325); richtlijn nr. 2003/99/EG: richtlijn 2003/99/EG Richtlijn 92/117/EEG inrichting voor levende producten waar sperma wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen; spermawininrichting: varken dat kennelijk wordt gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij;varken: verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEU 2002, L 31); verordening (EG) nr. 178/2002: verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303); verordening (EG) nr. 1099/2009: verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PbEU 2012, L 178); verordening (EU) nr. 576/2013: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L84); verordening (EU) nr. 2016/429: van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150); verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 inrichting voor het verzamelen van hoefdieren of pluimvee van waaruit dieren worden verplaatst of die dieren ontvangt; verzamelcentrum: ;wet: Wet dieren varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen, kennelijk bestemd voor de fokkerij. zeug: Artikel 1.2. Verhouding met Wet op de dierproeven Dit besluit is met uitzondering van de en niet van toepassing op dieren waarop de van toepassing is. artikelen 1.19 1.20 Wet op de dierproeven Artikel 1.3. Verboden gedragingen ten aanzien van dieren Als gedragingen als bedoeld in worden aangewezen:artikel 2.1, derde lid, van de wet het zich ontdoen van een dier;a. het schoppen van een dier;b. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft;c. het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof;d. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land; e. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is; f. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31992L0117 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31992L0117 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31992L0117 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp waarmee het dier door middel van scherpe uitsteeksels pijn kan worden toegebracht; g. het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, met uitzondering van: h. het gebruik daarvan bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen;1°. het gebruik daarvan in de uitvoering van de taak van de politie of de politietaken van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in , onderscheidenlijk , in de uitvoering van de taken van de krijgsmacht, bedoeld in , in de uitvoering van een overheidstaak in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel of bij het trainen ten behoeve van de uitvoering van deze taken door de betrokken overheidsorganisatie, voor zover het met dat gebruik beoogde doel dit rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt; 2°. artikel 3 artikel 4, van de Politiewet 2012 artikel 97 van de Grondwet het gebruik van elektrische afrastering.3°. Artikel 1.4. Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieën op positieflijst De criteria, bedoeld in , zijn:1 artikel 2.2, tweede lid, van de wet dieren:a. van de desbetreffende diersoort of diercategorie kunnen zonder specialistische kennis en vaardigheden worden gehouden, gelet op: 1° de mate waarin het dier behoefte heeft aan bewegen en een specifieke leefomgeving;i de gemiddelde grootte van het dier op volwassen leeftijd;ii de behoefte van het dier aan periodes van activiteit of inactiviteit gedurende een dag of een seizoen;iii de behoeften van het dier met betrekking tot foerageren en eten, waaronder de rantsoensamenstelling;iv de mate waarin het dier behoefte heeft aan veiligheid en schuilgelegenheid;v de behoeften van het dier met betrekking tot voortplanting en grootbrengen van jongen;vi de behoefte van het dier met betrekking tot schoonmaakgedrag;vii de sociale of biosociale behoeften van het dier;viii de mate waarin het dier behoefte heeft aan prikkels en afleiding, ofix behoren tot een diersoort of diercategorie die bij zijn aangewezen, of2° artikel 2.1 het houden van dieren van de desbetreffende diersoort of diercategorie:b. levert geen onaanvaardbare mate van gevaar op voor mens of dier,1° is niet verboden bij , of , in samenhang met artikel 3.2, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 3.6, derde lid, van die wet en krachtens , onderscheidenlijk verleende ontheffingen of vrijstellingen, en is niet verboden op grond van bij of krachtens , of , gestelde regels, in samenhang met krachtens verleende ontheffingen of vrijstellingen, of 2°. artikel 3.2, eerste lid 3.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming artikel 3.3, derde lid 3.8, derde lid, van die wet artikel 3.37 3.38 3.39 van de Wet natuurbescherming artikel 3.40 van die wet levert gelet op de subonderdelen i tot en met ix van onderdeel a, onder 1°, geen onaanvaardbare aantasting op van het welzijn of de gezondheid van die dieren. 3° Het verbod, bedoeld in , is uitsluitend van toepassing op zoogdieren.2 artikel 2.2, eerste lid, van de wet § 2. Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen Artikel 1.5. Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen.1 , is tevens van toepassing op insecten.2 Artikel 1.6, vierde lid Artikel 1.6. Houden van dieren De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht. 1 Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.2 Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren. 3 De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen. 4 Artikel 1.7. Verzorgen van dieren Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier: wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden; a. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;b. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;c. https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=97&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.8&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.37&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.38&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.39&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.39&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.40&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;d. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier; e. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen; f. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.g. Artikel 1.8. Behuizing Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen. 1 Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden. 2 In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier. 3 De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.4 § 3. Doden van dieren Artikel 1.9. Toepassingsbereik Als diercategorieën als bedoeld in worden aangewezen ganzen, honden en katten. artikel 2.10, eerste lid, van de wet Artikel 1.10. Gevallen waarin dieren mogen worden gedood Als gevallen als bedoeld in worden aangewezen gevallen waarin:artikel 2.10, eerste lid, van de wet een dier wordt gedood ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier;a. een dierenarts heeft vastgesteld dat doden in het belang van het dier is;b. dat doden bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of ingevolge een EU-verordening is voorgeschreven; c. een dier wordt gedood ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier;d. een dier wordt gedood vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken.e. Artikel 1.11. Reikwijdte De zijn van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën en vogels.artikelen 1.12 tot en met 1.14 Artikel 1.12. Besparen vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bespaard. Artikel 1.13. Methoden Een dier wordt gedood door middel van een methode die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vóórdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt. 1 In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood: 2 ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier ofa. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier.b. Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid. 3 Artikel 1.14. Kennis Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren. 1 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kennis en vaardigheden. 2 § 4. Voortplantingstechnieken Artikel 1.15. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: handeling of direct met elkaar samenhangende handelingen, bestemd om geslachtsproducten te winnen, bevruchting tot stand te brengen met behulp van gewonnen geslachtsproducten, of dracht tot stand te brengen op andere dan natuurlijke wijze, alsmede handelingen die bijdragen aan het tot stand brengen van dracht; voortplantingstechniek: sperma, eicellen en embryo's alsmede delen daarvan.geslachtsproducten: https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Artikel 1.16. Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën en vogels. Artikel 1.17. Voortplantingstechnieken Voortplantingstechnieken worden toegepast op zodanige wijze dat bij het dier niet onnodig pijn, letsel, stress of ander ongerief wordt veroorzaakt. 1 Het is verboden sperma te winnen door middel van elektrische prikkeling.2 Het tweede lid geldt niet voor spermawinning ten behoeve van een door de European Association of Zoos and Aquaria gecoördineerd Europees fokprogramma, mits het dier onder algehele narcose is gebracht en de elektrische prikkeling geschiedt door of onder toezicht van een dierenarts. 3 § 5. Overige bepalingen Artikel 1.18. Verbod gebruik van levend aas Het is verboden bij het vissen in de wateren, bedoeld in , levende vissen, amfibieën, reptielen, vogels of zoogdieren als aas te gebruiken. artikel 1, vierde lid, onderdelen c en d, van de Visserijwet 1963 Artikel 1.19. Reikwijdte scheiden dieren van ouderdier Als diercategorieën als bedoeld in worden aangewezen honden, katten, konijnen, papegaaiachtigen, apen behorende tot de soort van de Chimpansee, de Rhesus-aap, de Beermakaak, de Java-aap, de Marmoset, de Doeroecoeli of de Doodshoofdaap, varkens en nertsen. artikel 2.2, zevende lid, van de wet Artikel 1.20. Leeftijd scheiden van dieren De leeftijd, bedoeld in , is voor:1 artikel 2.2, zevende lid, van de wet honden: 7 weken;a. katten: 7 weken;b. konijnen: 6 weken;c. papegaaiachtigen: de voor de desbetreffende soort papegaaiachtigen in bij dit besluit vermelde leeftijd; d. bijlage I Chimpansees: 4,5 jaar;e. Rhesus-apen: 1 jaar;f. Beermakaken: 1 jaar;g. Java-apen: 1 jaar;h. Marmosets: 1 jaar;i. Doeroecoeli’s: 1,5 jaar;j. Doodshoofdapen: 9 maanden;k. varkens: 28 dagen;l. nertsen: 8 weken.m. In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in voor konijnen: 2 artikel 2.2, zevende lid, van de wet 4 weken, indien de konijnen op het geboortebedrijf verblijven totdat zij ten minste de leeftijd, bedoeld in het eerste lid, hebben bereikt; a. 5 weken, indien de konijnen na hun geboorte worden vervoerd vanaf het geboortebedrijf naar een ander bedrijf waar zij worden gehouden tot aan het moment waarop zij worden gedood met het oog op de productie van dierlijke producten. b. In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in , voor varkens 21 dagen, indien de biggen naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die: 3 artikel 2.2, zevende lid, van de wet volledig worden leeggemaakt en grondig zijn gereinigd en ontsmet voordat een nieuwe groep biggen is binnengebracht, en a. gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen zijn gehouden om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken. b. Ingeval apen vallen onder het bepaalde in , is in afwijking van het eerste lid, de leeftijd, bedoeld in , voor: 4 artikel 1b, eerste lid, van de Wet op de dierproeven artikel 2.2, zevende lid, van de wet Chimpansees: 4 jaar;a. Rhesus-apen: 2 jaar;b. Beermakaken: 2 jaar;c. Java-apen: 2 jaar;d. Marmosets: 1 jaar;e. Doeroecoeli’s: 1,5 jaar;f. Doodshoofdapen: 9 maanden.g. Indien de apen, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk na het scheiden worden ondergebracht in groepen met soortgenoten, is, in afwijking van het vierde lid, de leeftijd, bedoeld in , voor: 5 artikel 2.2, zevende lid, van de wet https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=1b&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Chimpansees: 3 jaar;a. Rhesus-apen: 1 jaar;b. Beermakaken: 1 jaar;c. Java-apen: 1 jaar;d. Marmosets: 6 maanden;e. Doeroecoeli’s: 1 jaar;f. Doodshoofdapen: 7 maanden.g. , is niet van toepassing indien de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier. 6 Artikel 2.2, zevende lid, van de wet § 6. Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen Artikel 1.21. Verrichten van ingrepen door de houder Als lichamelijke ingreep als bedoeld in wordt aangewezen het door de houder van een dier bij dat dier toepassen van een diergeneesmiddel, voor zover: artikel 2.9, derde lid, van de wet toepassing van het diergeneesmiddel niet met toepassing van artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 is voorbehouden aan een dierenarts; a. de lichamelijke ingreep onderdeel is van de voor dat diergeneesmiddel in de bijsluiter voorgeschreven toedieningswijze en toedieningsweg; b. de toepassing subcutaan of intramusculair plaatsvindt; enc. de handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.d. Artikel 1.22. Aanwezig hebben van diergeneesmiddelen of gemedicineerde diervoeders Een houder van een dier heeft geen diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder aanwezig in de ruimte, op het terrein waar dieren worden gehouden of in de nabijheid van de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden, indien toepassing van dit diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder bij deze dieren: is voorbehouden aan een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen op grond van artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022; of a. niet is toegestaan volgens de informatie die krachtens verordening (EU) nr. 2019/6 is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder of bij deze verpakking is gevoegd. b. Artikel 1.23. Bevoegdheid houders van dieren [Vervallen per 11-03-2022] Artikel 1.24. Nadere aanwijzingen door de dierenarts [Vervallen per 11-03-2022] Artikel 1.25. Administratie diergeneesmiddelen door houders van dieren Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de administratie van de ontvangst en toepassing van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders door de houder van een dier en over het administreren van gegevens inzake het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders. Artikel 1.26. Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen Het is degene die een dier houdt verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld in toe te passen, indien uit de in dat lid bedoelde gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn. artikel 5.7, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen Artikel 1.27. Melding aangewezen diergeneesmiddelen in register Een houder van dieren die bij ministeriële regeling aan te wijzen diergeneesmiddelen ontvangt, doet in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen melding in een register dat daartoe door Onze Minister is aangewezen. 1 De beheerder van een register verstrekt aan de houder van dieren, op basis van de melding, informatie over het gebruik van de betreffende diergeneesmiddelen. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:3 de gegevens die bij de melding worden verstrekt;a. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;b. de aard van de informatie die wordt verstrekt.c. Tarieven voor een vergoeding die de beheerder van een register in rekening brengt voor het verwerken van een melding als bedoeld in het eerste lid, en het verstrekken van informatie als bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:5 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=5.7&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=5.7&g=2023-11-22&z=2023-11-22 de voorwaarden voor aanwijzing van registers en de gevallen waarin een aanwijzing kan worden ingetrokken, dan wel geschorst; a. goedkeuring van tarieven en de gevallen waarin een besluit tot goedkeuring kan worden ingetrokken, dan wel geschorst. b. Artikel 1.28. Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan Een houder van dieren draagt er in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen zorg voor dat er overeenkomstig een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan worden opgesteld. 1 artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen Een houder van dieren handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken. 2 is van toepassing.3 Artikel 5.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen § 7. Melding en bewaking dierziekten en zoönosen Artikel 1.29. Melding ziekten verordening (EU) nr. 2016/429 Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429 bij een dier aanwezig is, meldt dat onmiddellijk bij een krachtens aangewezen ambtenaar. 1 artikel 5.9, eerste lid, van de wet Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, bij een dier aanwezig is, meldt dat zo snel als praktisch mogelijk bij een krachtens aangewezen ambtenaar. 2 artikel 5.9, eerste lid, van de wet Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die in het kader van werkzaamheden in een laboratorium gevallen van ziekten als bedoeld in die leden opmerkt. 3 Artikel 1.30. Melding artikel 5.3-ziekten of andere ziekten Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier besmet is met een dierziekte of zoönose, drager is van een ziekteverwekker of een ziekteverschijnsel vertoont, meldt dat zo snel als praktisch mogelijk bij een krachtens aangewezen ambtenaar indien sprake is van: 1 artikel 5.9, eerste lid, van de wet een dierziekte of zoönose als bedoeld in , anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, of een ziekteverwekker; a. artikel 5.3, tweede lid, van de wet een bij ministeriële regeling aan te wijzen dierziekte, zoönose of ziekteverwekker.b. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op eenieder die in het kader van werkzaamheden in een onderzoeksinstelling gevallen van ziekten als bedoeld in het eerste lid opmerkt. 2 Artikel 1.31. Melding ziekteverschijnselen Een houder van dieren of een dierenarts meldt bij een krachtens aangewezen ambtenaar: 1 artikel 5.9, eerste lid, van de wet ziekteverschijnselen als bedoeld in ;a. artikel 5.3 van de wet bij ministeriële regeling aan te wijzen ziekteverschijnselen.b. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een melding als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt of achterwege kan blijven. 2 Bij ministeriële regels kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin een houder een dierenarts consulteert en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt. 3 Artikel 1.32. Implementatie richtlijn 2003/99/EG Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van .1 richtlijn 2003/99/EG Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de implementatie van over de aanwezigheid van zoönosen en zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en andere verwekkers die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, met betrekking tot: 2 richtlijn 2003/99/EG het doen van onderzoek;a. het bewaren van gegevens, enb. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten.c. De regels, bedoeld in het tweede lid, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 3 Artikel 1.33. Onderzoek zoönosen levensmiddelenbedrijf Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002, die onderzoek doet naar de aanwezigheid van zoönosen of zoönoseverwekkers die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van worden bewaakt:richtlijn 2003/99/EG houdt de resultaten van dat onderzoek bij:a. https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=5.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=5.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003L0099 bewaart de onderzoeksgegevens en de relevante isolaten gedurende twee jaar, enb. stelt de onderzoeksresultaten of relevante isolaten op verzoek ter beschikking aan Onze Minister.c. § 8. Bijeenbrengen van dieren § 8.1. Algemeen Artikel 1.34. Verzamelen op vervoermiddel Het is toegestaan om hoefdieren te verzamelen op een vervoermiddel als bedoeld in artikel 133, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid. 1 Het eerste lid is niet van toepassing op varkens, met uitzondering van varkens die kennelijk bestemd zijn voor de slacht. 2 Artikel 1.35. Overladen bij verzamelen op vervoermiddel Bij het verzamelen, bedoeld in , is het toegestaan evenhoevigen ten hoogste een keer over te laden van een vervoermiddel op een bij dat vervoermiddel behorende achterwagen, indien: 1 artikel 1.34 bij het overladen alle aanwezige dieren worden verplaatst naar de achterwagen;a. het overladen van dieren plaatsvindt op een inrichting als bedoeld in of of een andere inrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.10a gestelde regels; en b. artikel 2.10a 2.10c het lege vervoermiddel na het overladen wordt gereinigd en ontsmet.c. In afwijking van het eerste lid, aanhef is het overladen voor runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht ten hoogste twee keer toegestaan en is het hierbij, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, toegestaan mannelijke runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht en die ouder zijn dan 12 maanden niet te verplaatsen van de voorwagen naar de achterwagen en enkel de kritische delen van het vervoermiddel te reinigen en ontsmetten. 2 Artikel 1.36. Melden aanvang verzamelen De exploitant van een verzamelcentrum meldt de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden uiterlijk om 8:00 uur op de werkdag voor aanvang van die periode bij Onze Minister. Artikel 1.37. Laden en lossen op verschillende adressen Indien een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden vervoerd op verschillende adressen wordt geladen, onderscheidenlijk gelost, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1 het laden, onderscheidenlijk lossen van het vervoermiddel vindt telkens buiten de stal plaats; ena. na het laden, onderscheidenlijk lossen worden telkens de kritische delen van het vervoermiddel gereinigd en ontsmet. b. Bij ministeriële regeling kunnen per diercategorie regels worden gesteld over:2 het aantal adressen waarop ten hoogste wordt geladen en gelost;a. de inrichting waar wordt geladen en gelost;b. de aard van het vervoermiddel.c. Artikel 1.38. Bewaartermijn gegevens vervoer Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een vervoeder bijhoudt, bedoeld in artikel 104 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening, met betrekking tot: de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bijhoudt;a. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bewaart;b. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden.c. Artikel 1.39. Grondslag regels over het verblijf van dieren na het bijeenbrengen Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verblijf van evenhoevigen op een inrichting nadat die dieren of andere dieren op die inrichting zijn aangevoerd. 1 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:2 de aard en indeling van deinrichting;a. de minimale verblijfsduur op een inrichting;b. de soorten of categorieën dieren.c. § 8.2. Bijeenbrengen voor vervoer binnen Nederland Artikel 1.40. Erkenning verzamelcentra voor Nederlandse markt Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepasselijkheid van artikel 97, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens het tweede lid, onderdelen a, c, d en e, van dat artikel vastgestelde gedelegeerde verordening op inrichtingen voor de verzameling van hoefdieren van waaruit slechts dieren worden verplaatst naar een inrichting in Nederland en die slechts dieren ontvangen van een inrichting in Nederland. Artikel 1.41. Grondslag regels voor verzamelen voor Nederlandse markt Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepasselijkheid van de krachtens artikel 135 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening op het verzamelen van uit Nederland afkomstige dieren die worden vervoerd naar een inrichting in Nederland. 1 In aanvulling op de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot: 2 het verzamelen van bepaalde diersoorten of diercategorieën;a. het aantal toegestane verzamelingen;b. de herkomst, bestemming of eindbestemming van de dieren;c. het melden van bepaalde houderijen bij Onze Minister;d. de registratie van verplaatsing van dieren;e. de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden;f. de reiniging en ontsmetting na een verzamelperiode.g. Artikel 1.42. Lossen evenhoevigen en pluimvee op plaats van bestemming Artikel 126, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op het verplaatsen van evenhoevigen en pluimvee van een inrichting in Nederland naar een andere inrichting in Nederland. Artikel 1.43. Gegevens vervoer binnen Nederland In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 104 van verordening (EU) nr. 2016/429, houdt een vervoerder die hoefdieren of pluimvee telkens uitsluitend binnen Nederland vervoert, over elk vervoermiddel de volgende gegevens bij: 1 het kenteken- of registratienummer;a. de data en de tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van oorsprong worden ingeladen;b. de naam, het adres en het unieke registratie- of erkenningsnummer van elke bezochte inrichting;c. de data en tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van bestemming worden uitgeladen;d. de data en plaatsen van de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van vervoermiddelen;e. de referentienummers van de documenten die de dieren vergezellen.f. Een vervoerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, drie jaar.2 § 9. Houden van schapen of geiten Artikel 1.44. Levenslang fokverbod Het is verboden schapen of geiten te insemineren of zo te houden dat bevruchting kan plaatsvinden van schapen of geiten die op een inrichting waar een besmetting met Q-koorts is vastgesteld aanwezig zijn geweest tussen het tijdstip waarop die besmetting is vastgesteld en 1 juni 2010. 1 Het eerste lid is niet van toepassing vrouwelijke dieren, geboren op of na 1 juli 2009.2 Artikel 1.45. Geboorte lammeren Een houder van schapen of geiten zorgt ervoor dat bezoekers niet met die dieren in contact kunnen komen ten tijde van de geboorte van hun lammeren. 1 De in het eerste lid bedoelde zorgplicht houdt in ieder geval in dat de houder zorgt dat bezoekers een stal waar lammeren worden geboren niet kunnen betreden. 2 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien het bezoek noodzakelijk is in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf. 3 Artikel 1.46. Vaccinatie Q-koorts Een houder van schapen of geiten laat de dieren tegen Q-koorts vaccineren in de volgende gevallen:1 de houder houdt meer dan 50 schapen of geiten op een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk of voor de opfok ten behoeve van die productie; a. de houder houdt schapen of geiten op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren; b. de dieren worden vervoerd naar een inrichting als bedoeld in onderdeel a of b;c. de dieren worden vervoerd naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.d. De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de dieren vaccineren ten minste drie weken en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan: 2 de openstelling voor het publiek van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;a. het dekken door, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden van de dieren, indien de dieren worden gehouden op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; b. het vervoer van de dieren naar een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; ofc. het vervoer van de dieren naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.d. De houder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, laat de dieren opnieuw vaccineren binnen twaalf maanden na de vaccinatie, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens elke twaalf maanden. 3 Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schapen of geiten die:4 in hun eerste levensjaar worden geslacht en die geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of a. jonger zijn dan drie maanden.b. Artikel 1.47. Administratie Q-koortsvaccinatie Een houder meldt Onze Minister binnen een week na elke vaccinatie tegen Q-koorts op welke datum een schaap of geit is gevaccineerd. 1 De houder administreert:2 de hoeveelheid gebruikt vaccin;a. het aantal gevaccineerde dieren;b. de vaccinatiedatum;c. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden voorzien van een handtekening van de houder en de dierenarts die de vaccinatie heeft uitgevoerd. 3 De houder doet de melding, bedoeld in het eerste lid, via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 4 De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar.5 § 10. Registratie en erkenning van inrichtingen Artikel 1.48. Termijn wijziging gegevens Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in de artikelen 84, tweede lid, 87, tweede lid, 90, tweede lid, 96, tweede lid, 172, tweede lid, of 180, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429, worden verstrekt. § 11. Identificatie en registratie van dieren Artikel 1.49. en Meststoffenwet Wet milieubeheer De paragraaf en de daarop berustende bepalingen berusten mede op de en , en . artikelen 34 37 van de Meststoffenwet artikel 12.29, aanhef en onder e en f, van de Wet milieubeheer artikel 13 van de Landbouwwet § 11.1. Algemeen Artikel 1.50. Identificatie- en registratiesysteem De verantwoordelijkheid voor het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, berust bij Onze Minister. Artikel 1.51. Aanvullende gegevens identificatie- en registratiesysteem Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een exploitant ten behoeve van het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108 verordening (EU) nr. 2016/429, aan Onze Minister verstrekt, in aanvulling op de artikelen 112 tot en met 115 van verordening (EU) nr. 2016/429, met betrekking tot: de door hem gehouden dieren;a. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt; b. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt.c. Artikel 1.52. Gegevens identificatie- en registratiesysteem pluimvee Het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, verordening (EU) nr. 2016/429, bevat gegevens in verband met gehouden kippen, kalkoenen, parelhoenders en eenden. 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die een exploitant die verantwoordelijk is voor de in het eerste lid bedoelde dieren aan Onze Minister verstrekt met betrekking tot: 2 de verplaatsing van door hem gehouden dieren als bedoeld in het eerste lid;a. de inrichting waarin de dieren, bedoeld in het eerste lid, worden gehouden;b. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt; c. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt.d. Artikel 1.53. Herstel en intrekking melding Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het herstel of de intrekking van een kennisgeving, bedoeld in de en , en de voorwaarden waaronder een kennisgeving kan worden hersteld, ingetrokken of alsnog kan worden gedaan. artikelen 1.51 1.52 Artikel 1.54. Bedrijfsadministratie https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=34&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=37&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=37&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=12.29&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over gegevens die een exploitant bijhoudt, in aanvulling op artikel 102 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde gedelegeerde verordening met betrekking tot: de door hem gehouden dieren;a. de op de inrichting aanwezige identificatiemiddelen;b. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bijhoudt;c. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bewaart;d. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden.e. Artikel 1.55. Identificatie- en verplaatsingsdocument Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, en de op de artikelen 118, eerste lid, onder b, onder ii, tweede lid, onder b, c en d, en 119 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde uitvoerings- of gedelegeerde verordening met betrekking tot: de aanvraag en afgifte van een identificatiedocument, een duplicaat of een vervangend identificatiedocument; a. de instantie die identificatiedocumenten voor paardachtigen uitgeeft;b. de termijn waarbinnen aanvraag van een identificatiedocument wordt ingediend;c. de geldigheid van een identificatie- of verplaatsingsdocument.d. § 11.2. Identificatiemiddelen Artikel 1.56. Goedkeuring identificatiemiddel Een aanvraag voor een goedkeuring van een identificatiemiddel voor runderen, schapen, geiten, varkens, paardachtigen, kameelachtigen of hertachtigen wordt gedaan met een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 1 Het model van het identificatiemiddel waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, vergezelt de aanvraag.2 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of diercategorieën regels worden gesteld over de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gevallen waarin een aanvraag als bedoeld in het eerste lid door Onze Minister wordt goedgekeurd of waarin een goedkeuring wordt ingetrokken. 4 Artikel 1.57. Verstrekking identificatiemiddel Onze Minister of de leverancier van een goedgekeurd identificatiemiddel verstrekt een identificatiemiddel uitsluitend aan een exploitant die daartoe een bestelling heeft gedaan. 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:2 het middel waarmee een bestelling kan worden geplaatst bij Onze Minister;a. de door de leverancier bij te houden administratie over bestelde en geleverde identificatiemiddelen;b. de door de leverancier aan te leveren informatie aan Onze Minister;c. degene aan wie een leverancier identificatiemiddelen verstrekt;d. de identificatiemiddelen die de leverancier verstrekt.e. Artikel 1.58. Gebruik identificatiemiddel Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: het aanbrengen en het gebruik van een identificatiemiddel;a. de verwijdering, wijziging of vervanging van een identificatiemiddel;b. de vernietiging van een elektronisch identificatiemiddel;c. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder een identificatiemiddel wordt aangebracht.d. § 11.3. Injecteerbare transponders Artikel 1.58a. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314). verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 Verordening (EU) 2016/429 code als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van verordening (EU) nr. 2019/2035;identificatiecode: injecteerbare transponder als bedoeld in bijlage III, onderdeel e, van verordening (EU) nr. 2019/2035 die is voorzien van een identificatiecode die begint met de Nederlandse landcode. injecteerbare transponder: Artikel 1.58b. De injecteerbare transponder Onze Minister verstrekt de identificatiecode die op een injecteerbare transponder wordt aangebracht aan een leverancier. 1 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32035R2019 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32035R2019 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32329R2016 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32329R2016 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:2 de technische specificaties van injecteerbare transponders;a. de gegevens die in of op een injecteerbare transponder worden vermeld of vastgelegd;b. de handel in injecteerbare transponders.c. Artikel 1.58c. Leveren van een injecteerbare transponder De leverancier van een injecteerbare transponder beschikt over een erkenning van Onze Minister.1 Onze Minister erkent een leverancier indien:2 de leverancier een onderneming heeft als bedoeld in of een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd; a. artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 de leverancier aantoont dat hij gegevens elektronisch en tijdig kan uitwisselen met Onze Minister; enb. de leverancier aantoont te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens. c. Onze Minister kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien de leverancier niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het tweede lid of een ander voorschrift dat betrekking heeft op de technische specificaties van injecteerbare transponders of de handel in injecteerbare transponders. 3 Een injecteerbare transponder wordt uitsluitend overgedragen aan een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in . 4 artikel 2.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen Bij de overdracht van een injecteerbare transponder registreert de persoon die de injecteerbare transponder overdraagt de leverdatum, de identificatiecode en de naam van de exploitant die de bestelling heeft gedaan bij Onze Minister. 5 § 12. Handel Artikel 1.59. Buiten Nederland brengen van dieren Ingeval artikel 243, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is en de regelgeving of de bevoegde autoriteit van het derde land waarvoor dieren zijn bestemd, vereist dat de dieren voldoen aan door het derde land gestelde vereisten, wordt een officieel certificaat afgegeven door Onze Minister, waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan. 1 Ingeval de regelgeving of de bevoegde autoriteit van een derde land, bedoeld in het eerste lid, een bepaalde gezondheidsstatus vereist van dieren, maar geen eisen stelt aan de laboratoria waarin en de wijze waarop laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses worden uitgevoerd, vinden deze plaats in een daartoe door Onze Minister erkend laboratorium. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid ingeval er voor het onderzoek met betrekking tot een bepaalde gezondheidsstatus geen laboratorium is erkend. 3 Artikel 1.60. Binnen Nederland brengen van dieren Ingeval artikel 234, derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het binnen Nederland brengen van dieren met betrekking tot: de gezondheidsstatus van dieren;a. de begeleidende documenten die dieren vergezellen.b. § 13. Sera en entstoffen Artikel 1.61. Toepassen sera en entstoffen Het is verboden om een levende entstof toe te passen bij dieren tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten. 1 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van een bij ministeriële regeling aangewezen levende entstof tegen een in die regeling aangewezen dierziekte. 2 Het is verboden om een niet-levende entstof of serum tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten toe te passen bij dieren. 3 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen het verbod, bedoeld in het derde lid, niet van toepassing is. 4 Hoofdstuk 2. Houden van dieren voor landbouwdoeleinden § 1. Algemeen Artikel 2.1. Aanwijzing productiedieren Als diersoorten of diercategorieën als bedoeld in worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën die worden genoemd in bij dit besluit, met dien verstande dat pluimvee waarbij een lichamelijke ingreep is verricht die krachtens de wet niet is toegestaan, niet is aangewezen. artikel 2.3, tweede lid, van de wet bijlage II § 2. Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen Artikel 2.2. Reikwijdte Deze paragraaf en de en zijn van toepassing op dieren die met het oog op de productie van producten, afkomstig van die dieren of voor andere landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden, met artikelen 2.9 2.10 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 uitzondering van vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren. Artikel 2.3. Houden van productiedieren Wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, wordt het voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Artikel 2.4. Verzorging van productiedieren Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen.1 Een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar zijn welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens, wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd. 2 Een dier dat in een ander systeem wordt gehouden dan het systeem, bedoeld in het tweede lid, wordt zo vaak gecontroleerd dat lijden wordt voorkomen. 3 Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een passend onderkomen dat zo nodig is voorzien van droog strooisel. 4 Wanneer de zorg, bedoeld in , geen verbetering in de toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd. 5 artikel 1.7, aanhef en onderdeel c Een dier krijgt voedsel met ten minste de tussenpozen die bij zijn fysiologische behoeften passen.6 Het toegediende voer en drinken alsmede de wijze van toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe. 7 Artikel 2.5. Verlichting en ventilatie Onverminderd , wordt een dier niet permanent in het duister of in kunstlicht gehouden zonder dat dit voor een passende periode wordt uitgeschakeld en is, indien het beschikbare natuurlijke licht niet voldoende is voor de ethologische en fysiologische behoeften van het dier, in de ruimte waarin het dier wordt gehouden geschikt kunstlicht aanwezig. 1 artikel 1.8, eerste lid In een ruimte waarin dieren worden gehouden is voldoende verlichting aanwezig voor een grondige controle van die dieren op elk willekeurig tijdstip. 2 Het materiaal dat wordt gebruikt voor de behuizing waarin een dier wordt gehouden is niet schadelijk voor het dier en kan grondig gereinigd en ontsmet worden. 3 De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier. 4 Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. 5 Indien het ventilatiesysteem, bedoeld in het vijfde lid, uitvalt, treedt een alarmsysteem in werking.6 Voeder- of drinkinstallaties zijn zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voer en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen dieren tot een minimum worden beperkt. 7 De in dit artikel bedoelde apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van een dier wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd. 8 Indien bij de controle, bedoeld in het achtste lid, of bij de krachtens het tiende lid voorgeschreven test, defecten worden geconstateerd, worden deze onmiddellijk hersteld of, indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te stellen. 9 Het noodsysteem, bedoeld in het vijfde lid, en het alarmsysteem, bedoeld in het zesde lid, voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Deze eisen hebben in elk geval betrekking op: 10 technische aspecten van het systeem,a. het gebruik van het systeem, enb. het testen van het systeem.c. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het door de houder opstellen en bijhouden van een alarmplan en de daarin op te nemen zaken. 11 Door de houder kunnen ten behoeve van het alarmplan de navolgende persoonsgegevens worden verwerkt, voor zover die gegevens betrekking hebben op personen aan wie in het alarmplan de taak van alarmopvolger is toebedeeld: 12 naam,a. contactgegevens.b. De in het twaalfde lid bedoelde persoonsgegevens worden binnen twee weken nadat aan de desbetreffende persoon in het alarmplan niet langer de taak van alarmopvolger is toebedeeld door de houder vernietigd. 13 § 3. Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen Artikel 2.6. Verrichten van ingrepen door de houder Als handeling als bedoeld in wordt aangewezen het door de houder van het dier verrichten van de ingreep, bedoeld in . artikel 2.9, derde lid, van de wet artikel 2.5, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen Artikel 2.7. Te verstrekken inlichtingen [Vervallen per 07-10-2023] https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Artikel 2.8. Verbod afleveren met diergeneesmiddelen behandelde dieren Het is verboden een dier te verkopen, voor de verkoop aan te bieden, in de handel te brengen of af te leveren voor de slacht als voedselproducerend dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), indien het vlees van het dier een farmacologisch actieve werkzame stof bevat: Richtlijn 2001/82/EG die een maximum residulimiet overschrijdt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van deze verordening of a. waarvoor een actiedrempel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening is vastgesteld. b. Artikel 2.9. Toediening van bepaalde stoffen met hormonale werking, met een thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten Onverminderd het bepaalde bij of krachtens verordening (EU) 2019/6, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de , (PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier. richtlijn 96/22/EG richtlijnen 81/602/EEG 88/146/EEG Artikel 2.10. Bijhouden van gegevens Onverminderd en het overigens krachtens bepaalde wordt door de houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen. 1 artikel 1.25 artikel 2.2, negende of tiende lid van de wet De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar door de houder bewaard.2 § 3a. Reinigen en ontsmetten Artikel 2.10a. Reinigings- en ontsmettingsplaats houder evenhoevigen Een houder van tien of meer evenhoevigen beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats op de inrichting waar die evenhoevigen worden gehouden. 1 Het eerste lid is niet van toepassing indien:2 op die inrichting geen evenhoevigen worden aangevoerd; ofa. de inrichting is een weide, perceel of een andere plaats zonder opstal, waar geen voorzieningen aanwezig zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangelegd. b. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de aanwezige voorzieningen op een reinigings- en ontsmettingsplaats. 3 Artikel 2.10b. Medewerking houder bij reiniging en ontsmetting Een houder als bedoeld in verleent na aanvoer van evenhoevigen medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee die dieren zijn vervoerd. artikel 2.10a Artikel 2.10c. Erkenning reinigings- en ontsmettingsplaats Onze Minister erkent een reinigings- en ontsmettingsplaats, indien:1 die plaats zodanig is ingericht dat deze geschikt is om vervoermiddelen voor evenhoevigen, pluimvee, broedeieren of laadkisten voor deze dieren of broedeieren deugdelijk en efficiënt te reinigen en ontsmetten, ongeacht het type vervoermiddel en onder alle klimatologische omstandigheden; a. de exploitant de wijze van exploitatie en van reiniging en ontsmetting heeft vastgelegd in een protocol, waarin is vermeld of de plaats geschikt is voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a en waarin wordt gewaarborgd dat elk van die vervoermiddelen deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet wordt en op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt. b. Onze Minister houdt een register bij van erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen.2 Artikel 2.10d. Reiniging en ontsmetting op erkende plaats Een exploitant van een op grond van erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, een slachthuis, een broederij of een verzamelcentrum zorgt ervoor dat: 1 artikel 2.10c reiniging- en ontsmetting gebeurt volgens een daartoe opgesteld protocol als bedoeld in ; a. artikel 2.10c, eerste lid, onderdeel b de exploitant of een vertegenwoordiger van die exploitant aanwezig is bij elke reiniging- en ontsmetting.b. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32001L0082 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31996L0022 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31996L0022 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31981L0602 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31981L0602 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31988L0146 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31988L0146 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, registreert per vervoermiddel onmiddellijk:2 datum en tijdstip waarop reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden;a. het kenteken van het vervoermiddel, of, indien een kenteken ontbreekt, naam, adres en woonplaats van de vervoerder. b. De exploitant, bedoeld in het eerste lid, geeft desgevraagd een bewijs van reiniging en ontsmetting af dat is voorzien van de gegevens van: 3 respectievelijk de reinigings- en ontsmettingsplaats, het slachthuis of het verzamelcentrum;a. de datum van reiniging en ontsmetting; enb. zijn handtekening.c. De exploitant, bedoeld in het eerste lid, bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, drie jaar.4 Artikel 2.10e. Schorsen en intrekken erkenning Indien een reinigings- en ontsmettingsplaats niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in de of , kan Onze Minister de erkenning schorsen of intrekken. 1 artikel 2.10c 2.10d Onze Minister kan een schorsing beëindigen, als de exploitant heeft aangetoond aan de in het eerste lid bedoelde eisen te voldoen. 2 Artikel 2.10f. Vervoermiddelen afkomstig uit het buitenland [Vervallen per 07-10-2023] § 4. Houden van varkens voor productie § 4.1. Begripsbepalingen Artikel 2.11. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat kennelijk bestemd is voor de fokkerij;beer: varken met een leeftijd van ten minste tien weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer of gelt is geworden; gebruiksvarken: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, kennelijk bestemd voor de fokkerij; gelt: gespeend varken met een leeftijd tot 10 weken;gespeend varken: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug;spenen: ruimte bestemd voor het houden van één of meer varkens;stal: beer van 18 maanden of ouder;volwassen beer: zeug tot aan het spenen van de biggen.zogende zeug: § 4.2. Welzijnsvoorschriften Artikel 2.12. Verrichten van ingrepen door de houder Als handelingen als bedoeld in worden aangewezen het door de houder van het varken: artikel 2.9, derde lid, van de wet verrichten van de ingreep, bedoeld in , mits het dier niet ouder is dan zeven dagen; a. artikel 2.3, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in de en ; b. artikelen 2.3, onderdeel b 2.6, onderdelen a tot en met c, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in , mits dit geschiedt met betrekking tot een bepaald dier op aanwijzing van een praktiserende dierenarts. c. artikel 2.3, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen Artikel 2.13. Houden in groepen Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden.1 Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het spenen gevormd.2 Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig uit één groep gespeende varkens.3 Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd. 4 Artikel 2.14. Agressie Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens. 1 Bij tekenen van ernstige gevechten tussen varkens vindt onmiddellijk onderzoek plaats naar de oorzaken daarvan. 2 Artikel 2.15. Tijdelijke afzondering In afwijking van , is het toegestaan:1 artikel 2.13, eerste lid een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden;a. een gelt of zeug individueel te houden:b. https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 vanaf één week voor het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen;1° vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;2° gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de periode die nodig is: c. voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;1° voor het drachtigheidsonderzoek of het winnen van sperma;2° voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;3° voor voeropname;4° om de stal te reinigen;5° varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen. d. Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt. 2 Artikel 2.16. Algemene eisen stalinrichting Stallen waarin varkens worden gehouden zijn op zodanige wijze ingericht dat de varkens: toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen; a. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan;b. andere varkens kunnen zien.c. Artikel 2.17. Beschikbaar oppervlak De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, bedraagt per gelt of zeug ten minste 2,25 m . 1 2 De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht ten minste: 2 tot 15 kg: 0,20 m ;a. 2 van 15 tot 30 kg: 0,30 m ;b. 2 van 30 tot 50 kg: 0,50 m ;c. 2 van 50 tot 85 kg: 0,65 m ;d. 2 van 85 tot 110 kg: 0,80 m ;e. 2 van meer dan 110 kg: 1,0 m .f. 2 De in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte3 wordt per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in groepen van minder dan zes varkens worden gehouden, of a. kan per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden. b. De in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte kan per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van meer dan 15 kg, met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden. 4 Artikel 2.18. Vloeren De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton. 1 Indien de vloer van de in , bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer per gelt of zeug ten minste 1,3 m . 2 artikel 2.17, eerste lid 2 Indien de vloer van de in , bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer per varken ten minste 40% van de ingevolge artikel 2.17 voorgeschreven beschikbare oppervlakte per varken. 3 artikel 2.17, tweede lid Indien de vloer van de in , bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer per varken met een gemiddeld gewicht ten minste: 4 artikel 2.17, tweede lid tot 30 kg: 0,24 m ;a. 2 van 30 tot 50 kg: 0,35 m ;b. 2 van 50 tot 85 kg: 0,45 m ;c. 2 van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m ;d. 2 van meer dan 110 kg: 0,75 m .e. 2 Indien de vloer van de in bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer ten minste twee derden van de totale vloeroppervlakte. 5 artikel 2.20 Een vloer of een gedeelte daarvan, die is voorzien van gierdoorlatende openingen, wordt als dicht beschouwd indien: 6 het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer, en a. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm bedraagt. b. Artikel 2.19. Gelten en zeugen Gelten en zeugen worden niet aangebonden gehouden.1 De zijden van de stal waarin een groep gelten en zeugen wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter. 2 In een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden, heeft elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter. 3 Een stal bestemd voor een gelt of een zeug is zodanig ingericht dat achter de gelt of de zeug voldoende vrije ruimte beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen. 4 Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een bescherming voor de biggen. 5 In een stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd. 6 Artikel 2.20. Beren Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien. 1 De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste:2 voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m ;a. 2 voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m ;b. 2 voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m ;c. 2 ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m .d. 2 De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar. 3 Artikel 2.21. Roostervloeren De spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer is over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt bij stallen bestemd voor: 1 zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;a. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren; b. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren;c. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20 mm bij andere roostervloeren.d. De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer bedraagt bij een stal bestemd voor:2 biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm;a. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.b. Artikel 2.22. Verrijking en vloerbedekking Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en te manipuleren, zoals stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt. 1 Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is. 2 Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel als bedoeld in het eerste lid dan wel, voor wat betreft een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat. 3 Biggen beschikken over een dichte vloer of een vloer bedekt met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 m per toom biggen bedraagt. 4 2 Artikel 2.23. Lichtintensiteit en geluidsniveau De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag. 1 In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden. 2 Artikel 2.24. Parasietbehandeling en schoonmaak Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt. Artikel 2.25. Voedersysteem Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken. Artikel 2.26. Voederen Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.1 Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.2 Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien. 3 Artikel 2.27. Invoer vanuit derde land De invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 9 van van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEG 2009, L 47). richtlijn 2008/120/EG § 4.3. Gezondheidsvoorschriften § 4.3.1. Vervoer van en naar inrichtingen met varkens Artikel 2.27a. Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inrichting als bedoeld in ;a. A-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel a inrichting als bedoeld in ;b. B-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel b inrichting als bedoeld in ;c. C-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel c inrichting als bedoeld in ;d. D-bedrijf: artikel 2.27b, tweede lid inrichting als bedoeld in ;e. E-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel d inrichting als bedoeld in ;f. F-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel e onderzoeksinstituut dat beschikt over een instellingsvergunning als bedoeld in ; g. onderzoeksinstituut: artikel 2 van de Wet op de dierproeven inrichting als bedoeld in .h. RE-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel f Artikel 2.27b. Registratie inrichtingen met varkens Onze Minister registreert op aanvraag een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als: 1 A-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels; a. B-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen; b. C-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens of gebruiksvarkens worden opgefokt tot beer of gelt en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels; c. E-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens, slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde A-bedrijf en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels; d. F-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens en slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde B-bedrijf; e. RE-bedrijf, indien op de inrichting op elk moment ten hoogste vier of minder varkens en hun eventuele biggen worden gehouden. f. Onze Minister registreert een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als D-bedrijf, indien ten aanzien van die inrichting niet is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d, kunnen betrekking hebben op:3 de ruimte en het terrein waar dieren worden gehouden;a. de aanwezige voorzieningen;b. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0120 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0120 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 de te verrichten onderzoeken bij dieren naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten of zoönosen en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt. c. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te voegen informatie. 4 Artikel 2.27c. Uitzonderingen registratieplicht is niet van toepassing op:Artikel 2.27b een onderzoeksinstituut;a. een slachthuis;b. een spermawininrichting;c. een verzamelcentrum in Nederland.d. Artikel 2.27d. Cluster C-bedrijven Ten hoogste drie houders van varkens die zijn geregistreerd als C-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster: 1 varkens afneemt van telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf, ena. varkens afvoert naar ten hoogste 30 B-bedrijven of D-bedrijven per twaalf maanden.b. Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel:2 naam en adresgegevens van de betreffende houders;a. de verdeling van het aantal afleveradressen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.b. De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afleveradressen kunnen éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 3 Artikel 2.27e. Cluster F-bedrijven Twee houders van varkens die zijn geregistreerd als F-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster: 1 varkens afneemt van uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf, ena. varkens afvoert naar uitsluitend het B-bedrijf, bedoeld in onderdeel a, of naar ten hoogste:b. zes D-bedrijven per periode van zes weken, en1°. twaalf D-bedrijven per periode van zestien weken.2°. Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel de naam en adresgegevens van de betreffende houders. 2 De samenstelling van een cluster kan éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 3 Artikel 2.27f. Schorsen of intrekken registratie Onze Minister kan een registratie als bedoeld in , schorsen of intrekken, indien de houder: artikel 2.27b, eerste lid niet langer voldoet aan de registratievoorwaarden; ofa. in strijd handelt met de vervoersbepalingen, bedoeld in de .b. artikelen 2.27g tot en met 2.27n Artikel 2.27g. Vervoer van en naar geregistreerde inrichtingen Varkens worden slechts vervoerd vanaf of naar een inrichting die is geregistreerd op grond van , indien dat vervoer is toegestaan op grond van de . 1 artikel 2.27b artikelen 2.27h tot en met 2.27n Het eerste lid is niet van toepassing, indien een houder varkens:2 afvoert naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum;a. afvoert naar een spermawininrichting;b. afvoert naar een onderzoeksinstituut;c. afvoert naar een RE-bedrijf;d. aanvoert van of afvoert naar een inrichting in het buitenland, al dan niet via een verzamelcentrum.e. Artikel 2.27h. Vervoer A-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een A-bedrijf, indien:1 het aanvoer betreft van:a. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E bedrijf of spermawininrichting; of 1°. gespeende varkens vanaf een E-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat A-bedrijf afkomstig waren;2°. die varkens na aanvoer worden gehouden in een stal, afgescheiden van de overige stallen, totdat onderzoek van bloedmonsters is uitgevoerd waaruit blijkt dat in die monsters geen antilichamen zijn aangetroffen tegen klassieke varkenspest en geen gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky; of b. vanaf dat bedrijf in de zes weken na de dag waarop die varkens zijn aangevoerd slechts varkens worden afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum. c. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de stal waarin varkens worden gehouden en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een A-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:3 een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf;a. telkens hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in ; ofb. artikel 2.27d telkens hetzelfde E-bedrijf.c. Artikel 2.27i. Vervoer B-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een B-bedrijf, indien het aanvoer betreft van:1 gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E bedrijf of spermawininrichting, of a. gespeende varkens of gelten vanaf een F-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat B-bedrijf afkomstig waren. b. Het is toegestaan om varkens af te voeren van een B-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:2 een D-bedrijf al dan niet via hetzelfde F-bedrijf, waarbij per periode van:a. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en1°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven;2°. uitsluitend hetzelfde cluster van F-bedrijven.b. Artikel 2.27j. Vervoer C-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een C-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf. 1 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een C-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:2 een A-bedrijf;a. een B-bedrijf of D-bedrijf, waarbij:b. per twaalf maanden naar ten hoogste 40 bedrijven wordt afgevoerd; of1°. voor zover het C-bedrijf onderdeel is van een cluster van C-bedrijven als bedoeld in , per twaalf maanden door de bedrijven in dat cluster gezamenlijk naar ten hoogste 30 bedrijven wordt afgevoerd. 2°. artikel 2.27d Artikel 2.27k. Vervoer D-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een D-bedrijf, indien die dieren afkomstig zijn van een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf, waarbij per periode van zestien weken aanvoer plaatsvindt van ten hoogste zes bedrijven. Artikel 2.27l. Vervoer E-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een E-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde A-bedrijf. 1 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een E-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:2 een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf; ofa. uitsluitend hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in .b. artikel 2.27d Artikel 2.27m. Vervoer F-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een F-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf. 1 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een F-bedrijf naar:2 het B-bedrijf waarvan die dieren oorspronkelijk afkomstig waren; ofa. een D-bedrijf, waarbij voor zover het F-bedrijf onderdeel is van een cluster van F-bedrijven als bedoeld in , per periode van: b. artikel 2.27e zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en1°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.2°. Artikel 2.27n. Vervoer RE-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een RE-bedrijf, indien daarmee op het bedrijf niet meer dan vier varkens en hun eventuele biggen worden gehouden. Artikel 2.27o. Wissel vaste afnemer of leverancier Een houder van varkens als bedoeld in , of , die uitsluitend van hetzelfde bedrijf dieren ontvangt of aan hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijven dieren levert, registreert dat bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 1 artikel 2.27h, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of derde lid, onderdelen b of c artikel 2.27i, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of tweede lid Een houder als bedoeld in het eerste lid kan éénmaal per twaalf maanden wisselen van leverancier of afnemer van varkens, nadat de houder daarvan melding heeft gedaan bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 2 De wisseling, bedoeld in het tweede lid, kan voor een A-bedrijf of B-bedrijf zowel voor gelten en zeugen plaatsvinden als voor beren. 3 Artikel 2.27p. Toestemming voor vervoer Een houder van varkens voert geen varkens van zijn bedrijf af onderscheidenlijk op zijn bedrijf aan zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister. 1 Het vervoer, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zeven dagen nadat toestemming is verkregen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag en de documentatie van de toestemming, bedoeld in het eerste lid. 3 § 4.3.2. Monitoringsvoorschriften Artikel 2.27q. Monitoring varkens Een houder van varkens als bedoeld in , laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten. 1 artikel 2.27b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:2 de aard en de frequentie van het onderzoek;a. het aanleveren en bewaren van gegevens;b. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten;c. de gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.d. § 5. Houden van runderen voor productie § 5.1. Begripsbepalingen Artikel 2.28. Verrichten van ingrepen door de houder Als handelingen als bedoeld in worden aangewezen het door houder van het rund: artikel 2.9, derde lid, van de wet verrichten van de ingreep, bedoeld in , bij runderen, mits het dier jonger is dan vier weken; a. artikel 2.1, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in , mits de ingreep geschiedt op aanwijzing van een plaatselijk praktiserende dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast en voor zover deze handeling wordt verricht bij runderen jonger dan twee maanden met behulp van een elektrische of heteluchtmethode dan wel bij runderen ouder dan zes maanden door middel van een draadzaag; b. artikel 2.4, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in de , en ; c. artikelen 2.4, onderdeel b 2.6, onderdelen b en c, van het Besluit diergeneeskundigen het intraveneus toedienen aan een rund van een vloeistof die als werkzame bestanddelen uitsluitend calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 450 ml; d. openleggen van zoolzweren bij runderen.e. Artikel 2.29. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: ruimte met ten minste drie wanden bestemd voor het huisvesten van één kalf;eenlingbox: rund behorend tot de soort Bos primigenius taurus, van ten hoogste zes maanden;kalf: ruimte bestemd voor het, al dan niet in eenlingboxen, houden van één of meer kalveren;stal: kalf dat kennelijk wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten hoogste acht maanden; vleeskalf: kalf van het mannelijk geslacht dat wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten minste acht maanden. vleesstierkalf: § 5.2. Welzijnsvoorschriften voor productie gehouden kalveren Artikel 2.30. Toepassingsbereik De en zijn niet van toepassing op een kalf dat door de moeder wordt gezoogd.artikelen 2.32 2.33 Artikel 2.31. Aanbinden en muilkorven Een kalf wordt niet aangebonden gehouden.1 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.4&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.4&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om kalveren in groepshokken aan te binden tijdens het voederen van melk of een melkvervangend preparaat voor ten hoogste één uur. 2 Het aanbinden, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats met een verbindingsmiddel dat zodanig is ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij het kalf optreedt en het kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken. 3 Een verbindingsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt regelmatig geïnspecteerd en eventueel bijgesteld om te zorgen dat het gemakkelijk zit. 4 Een kalf wordt niet gemuilkorfd.5 Artikel 2.32. Huisvesting Een kalf ouder dan 8 weken wordt niet in een eenlingbox gehuisvest.1 Het eerste lid is niet van toepassing indien een dierenarts heeft bepaald dat een kalf in verband met zijn gezondheid of gedrag moet worden geïsoleerd om te worden behandeld. 2 Indien een kalf anders dan in eenlingboxen wordt gehouden, heeft een kalf met een levend gewicht van: 3 minder dan 150 kg, de beschikking over ten minste 1,5 m vloeroppervlakte;a. 2 150 kg tot 220 kg, de beschikking over ten minste 1,7 m vloeroppervlakte;b. 2 220 kg of meer, de beschikking over ten minste 1,8 m vloeroppervlakte.c. 2 Artikel 2.33. Eenlingboxen Indien een kalf in een eenlingbox wordt gehouden, heeft die eenlingbox een breedte van ten minste de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het kalf rechtop staat, en een lengte van ten minste 1,1 maal de lichaamslengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel (tuber ischii). 1 Met uitzondering van een eenlingbox die voor het isoleren van zieke dieren wordt gebruikt, zijn de wanden van een eenlingbox zodanig uitgevoerd dat naast elkaar gehouden kalveren elkaar kunnen zien en aanraken. 2 Artikel 2.34. Inrichting stal De stal is zodanig ingericht dat een kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken. 1 Indien kalveren in een stal met ligboxen worden gehouden, is het aantal ligboxen ten minste gelijk aan het aantal kalveren. 2 Artikel 2.35. Vloer De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte. 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eigenschappen van de vloer.2 Artikel 2.36. Ligruimte De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren. 1 De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.2 Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag. 3 De oppervlakte van de ligruimte bedraagt in stallen waarin de kalveren niet zijn aangebonden of niet in eenlingboxen zijn gehuisvest, voor kalveren tot een leeftijd van drie maanden ten minste 0,50 m beschikbare ruimte per kalf en voor kalveren ouder dan drie maanden ten minste 0,70 m beschikbare ruimte per kalf. 4 2 2 Artikel 2.37. Verlichting Kalveren beschikken over passend dag- of kunstlicht.1 Van passend dag- of kunstlicht is in ieder geval sprake indien de oppervlakte van lichtdoorlatend materiaal in wand of dak van een stal bestemd voor vleeskalveren ten minste 2% van de vloeroppervlakte van de stal bedraagt en van een stal bestemd voor andere kalveren dan vleeskalveren ten minste 5% bedraagt van die oppervlakte, waarbij het materiaal zodanig is aangebracht dat het licht in de stal gelijkmatig is gespreid. 2 Artikel 2.38. Voedersysteem Indien kalveren in groepshokken worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch voedersysteem worden gevoederd, is de breedte van het voerhek zodanig dat alle kalveren tegelijk kunnen eten. 1 De breedte van het voerhek bedraagt ten minste 0,40 m per kalf.2 In stallen voorzien van een systeem van voorraadvoedering beschikken kalveren over ten minste één eetplaats per drie kalveren. 3 Artikel 2.39. Voeder- en drinkinstallaties De installaties die voor het voederen en drenken worden gebruikt, zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en geplaatst en worden op zodanige wijze onderhouden, dat gevaar voor verontreiniging van het voor de kalveren bestemde voer en water wordt beperkt. Artikel 2.40. Apparatuur Maatregelen als bedoeld in , bestaan in ieder geval uit het toepassen van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat. artikel 2.5, negende lid Artikel 2.41. Voederen Kalveren worden ten minste tweemaal per dag gevoederd.1 Onverminderd de , en , beschikken kalveren over voer dat beantwoordt aan de met hun gedrag samenhangende behoeften. 2 artikelen 1.7, onderdeel e 2.4, zesde lid De voeding bevat voldoende ijzer om een gemiddeld hemoglobinegehalte van ten minste 4.5 mmol/l te bereiken. 3 Aan kalveren ouder dan twee weken wordt dagelijks een hoeveelheid vezelhoudend voer verstrekt, welke hoeveelheid voor kalveren van 8 tot 20 weken oud wordt verhoogd van 50 gram tot 250 gram per dag. 4 Artikel 2.42. Drenken In afwijking van , kunnen aan een kalf ouder dan twee weken ook andere vloeistoffen dan water worden verstrekt om in zijn behoefte aan drinken te voorzien. 1 artikel 1.7, onderdeel f Bij warm weer en voor zieke kalveren is permanent vers drinkwater beschikbaar.2 Kalveren krijgen zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen zes uur na hun geboorte, koebiest te drinken. 3 Artikel 2.43. Inspectie In afwijking van , worden op stal gehouden kalveren ten minste tweemaal per dag en in de open lucht gehouden kalveren ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd. artikel 2.4, tweede lid Artikel 2.44. Reiniging en ontsmetting De stal, eenlingboxen, uitrusting en gereedschap voor kalveren worden op passende wijze gereinigd en ontsmet teneinde kruiscontaminatie en ziekteverwekkers te voorkomen. 1 Uitwerpselen, urine en niet opgegeten of gemorst voer worden zo vaak mogelijk verwijderd, zodat de reuk zoveel mogelijk wordt beperkt en geen vliegen en knaagdieren worden aangetrokken. 2 Artikel 2.45. Zieke en gewonde dieren Het afzonderen, bedoeld in , vindt plaats in een adequate ruimte die is voorzien van droog en comfortabel strooisel en die plaats biedt aan ten minste 1% van het aantal gehouden kalveren en indien dit minder is dan één, aan ten minste één kalf. artikel 2.4, vierde lid Artikel 2.46. Invoer vanuit derde land De invoer van kalveren die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de kalveren vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 8 van van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2008, L 10). richtlijn 2008/119/EG § 5.3. Gezondheidsvoorschriften Artikel 2.46a. Monitoring brucellose Een houder van een rund, dat na een dracht van meer dan 100 dagen een of meer vruchten ter wereld heeft gebracht, laat bij dat dier binnen een week nadat die vrucht of vruchten ter wereld zijn gebracht een bloedmonster nemen en laat die monsters onderzoeken op de aanwezigheid van antilichamen tegen brucellose, indien die vrucht of vruchten spontaan meer dan 21 dagen eerder dan de gemiddelde draagtijd van het desbetreffende runderras ter wereld zijn gebracht. 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:2 de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid; ena. administratie van de bemonstering.b. § 6. Houden van pluimvee voor productie § 6.1. Welzijnsvoorschriften § 6.1.1. Algemeen Artikel 2.47. Verrichten van ingrepen door de houder Als handelingen als bedoeld in worden aangewezen het door de houder van het pluimvee: artikel 2.9, derde lid, van de wet https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0119 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32008L0119 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 verrichten van de ingreep, bedoeld in ten behoeve van het afnemen van bloed bij kippen, kalkoenen en eenden, voor zover deze handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden. a. artikel 2.1, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in artikel ; b. 2.6, onderdelen b en f, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in n, mits het dier niet ouder is dan twee dagen; c. artikel 2.6, onderdeel e, van het Besluit diergeneeskundige verrichten van de ingreep, bedoeld in .d. artikel 2.6, onderdeel n, van het Besluit diergeneeskundigen § 6.1.2. Houden van vleeskuikens voor productie Artikel 2.48. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: totale levende gewicht van vleeskuikens die tegelijkertijd in de stal per vierkante meter bruikbare oppervlakte aanwezig zijn; bezettingsdichtheid: van strooisel voorziene oppervlakte die te allen tijde voor vleeskuikens toegankelijk is; bruikbare oppervlakte: aantal vleeskuikens dat op dezelfde dag in een stal gestorven is, met inbegrip van de vleeskuikens die zijn gedood als bedoeld in , gedeeld door het aantal vleeskuikens dat op die dag in de stal aanwezig was, vermenigvuldigd met 100; dagelijkse mortaliteit: hoofdstuk 5 som van de dagelijkse mortaliteitscijfers;gecumuleerde dagelijkse mortaliteit: groep vleeskuikens die in een stal zijn ondergebracht en gelijktijdig in die stal aanwezig zijn;koppel: productieplaats waar vleeskuikens worden gehouden;pluimveebedrijf: //EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182); richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43 gebouw op een pluimveebedrijf waar een koppel vleeskuikens wordt gehouden;stal: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees.vleeskuiken: Artikel 2.49. Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op: pluimveebedrijven met minder dan 500 vleeskuikens;a. pluimveebedrijven met alleen vermeerderingsdieren;b. broederijen;c. vleeskuikens in extensieve scharrel- en vrije-uitloophouderijen als bedoeld in bijlage V onder b, c, d en e, bij verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2007, L 157); d. vleeskuikens gehouden overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening, genoemd in onderdeel d; e. vleeskuikens gehouden overeenkomstig .f. verordening (EU) 2018/848 Artikel 2.50. Toepasselijkheid voorschriften Het is verboden vleeskuikens te houden.1 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien:2 de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 33 kg/m , ena. 2 wordt voldaan aan de .b. artikelen 2.51 tot en met 2.54 In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m , indien: 3 2 de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 39 kg/m , ena. 2 wordt voldaan aan de .b. artikelen 2.55 tot en met 2.58 In afwijking van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a en het derde lid, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 39 kg/m , indien: 4 2 de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 42 kg/m , ena. 2 wordt voldaan aan het gestelde bij of krachtens de .b. artikelen 2.55 tot en met 2.64 Artikel 2.51. Houden, huisvesten en verzorgen Vleeskuikens worden gehouden, gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de punten 1 tot en met 10 van bijlage I van .richtlijn 2007/43/EG Artikel 2.52. Registratie De houder registreert voor elke stal de volgende gegevens:1 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 het aantal binnengebrachte vleeskuikens;a. de bruikbare oppervlakte;b. de kruising of het ras van de vleeskuikens, indien bekend;c. ten aanzien van iedere controle, het aantal dood aangetroffen vleeskuikens met een indicatie van de oorzaken, indien bekend, alsmede het aantal gedode vleeskuikens, met de reden, en d. het resterende aantal vleeskuikens in het koppel nadat er vleeskuikens uit zijn verwijderd voor verkoop of slacht. e. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaren bewaard en worden bij een inspectie of op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzamelen en verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de bezettingsdichtheid. 3 Artikel 2.53. Treffen welzijnsmaatregelen Wanneer een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, aan de houder en een ambtenaar als bedoeld in , gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de dagelijkse mortaliteit, de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit of de resultaten van de post mortem keuring die wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden, neemt de desbetreffende houder passende maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn. 1 artikel 8.1, eerste lid, van de wet Onze Minister treft, ingeval een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, informatie heeft verstrekt als bedoeld in het eerste lid, maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn, die onder meer kunnen inhouden: 2 een verplichting voor de houder tot het opstellen van een plan van aanpak;a. een verbod voor de houder op het houden van vleeskuikens, tenzij de bezettingsdichtheid niet hoger is dan een bij die maatregel vast te stellen gewicht per vierkante meter, gedurende een bij die maatregel bepaalde periode. b. Het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 3 Artikel 2.54. Opleiding De houder van vleeskuikens, voor zover deze een natuurlijke persoon is, is in het bezit van een door Onze Minister erkend certificaat waaruit blijkt dat hij passende cursussen heeft voltooid of gelijkwaardige ervaring heeft opgedaan. 1 Van gelijkwaardige ervaring als bedoeld in het eerste lid is in elk geval sprake wanneer de ervaring is opgedaan voor 1 februari 2011. 2 De cursussen, bedoeld in het eerste lid, zijn toegespitst op welzijnsaspecten en hebben in ieder geval betrekking op: 3 de voorschriften van bijlage I van en de en ;a. richtlijn 2007/43/EG artikelen 2.56 2.57 de fysiologie, met name de drink- en voederbehoeften, het diergedrag en het begrip stress;b. de praktische aspecten van de zorgzame omgang met vleeskuikens en van het vangen, laden en transporteren van vleeskuikens; c. eerste hulp voor vleeskuikens, het noodslachten en het doden van vleeskuikens;d. preventieve maatregelen op het gebied van bioveiligheid.e. De houder verstrekt instructies en advies over de relevante voorschriften inzake dierenwelzijn, inclusief die met betrekking tot de dodingsmethoden die op de pluimveebedrijven worden toegepast, aan de personen die hij in dienst heeft of die voor hem diensten verrichten en die voor vleeskuikens zorgen of vleeskuikens vangen en laden. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid.5 Artikel 2.55. Hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m2 De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 33 kg/m , stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn. 1 2 Indien Onze Minister daarom verzoekt, stuurt de houder een samenvatting van de informatie, bedoeld in , toe. 2 artikel 2.56, tweede lid Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt. 3 Artikel 2.56. Bijhouden gegevens productiesystemen De houder legt per stal een verzameling van documenten aan waarin de productiesystemen in detail zijn beschreven. 1 De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval informatie over technische details van de stal en de uitrusting van de stal, waaronder: 2 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0043 een plattegrond van de stal met inbegrip van de afmetingen van de door de vleeskuikens ingenomen oppervlakten; a. het ventilatiesysteem en het koel- of verwarmingssysteem en de locatie van deze systemen;b. het ventilatieschema met de beoogde parameters over luchtkwaliteit, zoals luchtstroming, luchtsnelheid en temperatuur; c. de voeder- en watervoorziening en de locatie ervan;d. de alarm- en reservesystemen die in werking treden in geval van een storing van de automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren; e. het vloertype, enf. het normaliter gebruikte strooisel.g. De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld. 3 Indien de documenten op grond van het derde lid aan Onze Minister ter beschikking zijn gesteld, brengt de houder Onze Minister onverwijld op de hoogte van eventuele wijzigingen in de beschreven stal, uitrusting of procedures die van invloed kunnen zijn op het welzijn van de dieren. 4 Artikel 2.57. Ventilatie en koelverwarmingssystemen De houder rust elke stal van zijn pluimveebedrijf uit met een ventilatiesysteem en met koel- of verwarmingssystemen, die zo zijn ontworpen en gebouwd en die zo functioneren dat: de concentratie van ammoniak niet hoger is dan 20 ppm en de concentratie van kooldioxide niet hoger is dan 3.000 ppm, gemeten ter hoogte van de kop van de vleeskuikens; a. de binnentemperatuur de buitentemperatuur met niet meer dan 3°C overschrijdt wanneer het buiten in de schaduw warmer is dan 30°C, en b. de gemiddelde relatieve vochtigheidsgraad in de stal over een periode van 48 uur niet hoger is dan 70% bij een buitentemperatuur van minder dan 10°C. c. Artikel 2.58. Documentatie De houder draagt er zorg voor dat de documentatie bij een koppel vleeskuikens dat ter slachting wordt aangeboden, gegevens bevat over: 1 de door de houder berekende dagelijkse mortaliteit en gecumuleerde dagelijkse mortaliteit ena. de kruising of het ras van de vleeskuikens.b. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt, worden onder toezicht van de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, door de exploitant van het slachthuis geregistreerd met vermelding van het pluimveebedrijf van herkomst en de stal van het desbetreffende pluimveebedrijf. De aannemelijkheid van de juistheid van de gegevens wordt door de exploitant van het slachthuis geverifieerd, rekening houdend met het aantal geslachte vleeskuikens en met het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt. 2 Artikel 2.59. Hogere bezettingsgraad dan 39 kg/m2 De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 39 kg/m , stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn. 1 2 , is van overeenkomstige toepassing.2 Artikel 2.55, tweede en derde lid Artikel 2.60. Geen tekortkomingen In de twee jaren, voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in , zijn door ambtenaren als bedoeld in op het pluimveebedrijf geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf waargenomen. 1 artikel 2.59, eerste lid artikel 8.1, eerste lid, van de wet Ingeval er op het pluimveebedrijf in de twee jaren, bedoeld in het eerste lid, geen toezicht op de naleving van deze paragraaf heeft plaatsgevonden, geldt in afwijking van het eerste lid, dat er alsnog toezicht plaatsvindt, en hierbij geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf worden waargenomen. 2 Artikel 2.61. Gidsen voor goede praktijken De houder maakt bij de bedrijfsvoering gebruik van gidsen voor goede praktijken, die aanbevelingen bevatten voor de naleving van deze paragraaf. Artikel 2.62. Gecumuleerde dagelijkse mortaliteit De gecumuleerde dagelijkse mortaliteit van ten minste zeven opeenvolgende gecontroleerde koppels van een stal bedraagt voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in , minder dan de som van: 1 artikel 2.59, eerste lid 1% ena. 0,06%, vermenigvuldigd met de slachtleeftijd van de dieren, uitgedrukt in dagen.b. https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Ingeval de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit meer bedraagt dan de som, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister besluiten het eerste lid buiten toepassing te laten, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de hogere gecumuleerde dagelijkse mortaliteit heeft verstrekt en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht. 2 Artikel 2.63. Nadere regels ter voorkoming van aandoeningen Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voorkomen van de aandoening voetzoollaesies bij vleeskuikens. 1 De houder voldoet aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften.2 Indien de houder niet kan voldoen aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften, kan Onze Minister ontheffing verlenen van het tweede lid, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de overschrijding van de norm, heeft verstrekt, en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht. 3 Artikel 2.64. Nieuw pluimveebedrijf Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een nieuw pluimveebedrijf: een pluimveebedrijf waar vleeskuikens worden gehouden en dat van start gaat na de inwerkingtreding van deze paragraaf. 1 De zijn niet van toepassing op een pluimveebedrijf waar voorafgaand aan 1 februari 2011 vleeskuikens worden gehouden tot het tijdstip waarop door een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de wet toezicht is uitgeoefend op de naleving van deze paragraaf. 2 artikelen 2.60 tot en met 2.62 De houder van een pluimveebedrijf als bedoeld in het tweede lid stelt Onze Minister binnen 15 dagen na inwerkingtreding van deze paragraaf in kennis van zijn voornemen om een zodanig aantal vleeskuikens te houden dat de bezettingsdichtheid na de inwerkingtreding van deze paragraaf hoger zal zijn dan 39 kg/m . 3 2 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op:4 een nieuw pluimveebedrijf;a. een pluimveebedrijf waar voorheen vleeskuikens werden gehouden op een wijze als bedoeld in , en dat overstapt op het houden van vleeskuikens op een wijze waarop deze paragraaf van toepassing is. b. artikel 2.49, eerste lid Artikel 2.65. Lagere bezettingsgraad dan 33 of 39 kg/m2 De houder die voornemens is wijziging aan te brengen in het door hem te houden aantal vleeskuikens, waardoor de bezettingsdichtheid lager wordt dan 33 of 39 kg/m , stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen. 1 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in , en in het eerste lid, plaatsvindt. 2 artikel 2.64, derde lid § 6.1.2a. Houden van ouderdieren van vleeskuikens voor productie Artikel 2.65a. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: een groep ouderdieren die in een stal is ondergebracht, waarbij het leeftijdsverschil tussen de oudste hen en de jongste hen ten hoogste zeven dagen is; koppel: afgescheiden ruimte voor een individueel ouderdier of een groep ouderdieren die geschikt is voor het leggen van eieren; legnest: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;ouderdier: horizontaal aangebrachte verhoging van hout of kunststof waardoor geen mest kan vallen;plateau: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand, zaagsel of ander materiaal met een losse structuur dat de dieren in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen; strooisel: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees;vleeskuiken: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout of kunststof waar het dier op kan zitten of rusten.zitstok: Artikel 2.65b. Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden ouderdieren van vleeskuikens en dieren van tien weken of ouder die worden opgefokt tot ouderdier van vleeskuikens. Artikel 2.65c. Registratie De houder van ouderdieren registreert dagelijks, voor zover van toepassing, voor elke stal de volgende gegevens: 1 het aantal binnengebrachte ouderdieren, onderscheiden naar geslacht;a. het aantal ouderdieren dat niet-levend wordt afgevoerd;b. het resterend aantal ouderdieren in het koppel dat levend wordt afgevoerd, onderscheiden naar geslacht. c. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.2 Artikel 2.65d. Huisvesting en voeding ouderdieren Een ouderdier beschikt ten minste over:1 1.300 cm vloeroppervlakte per ouderdier, waaronder het legnest, waarbij de oppervlakte van in de stal aangebrachte plateaus die zich ten minste 35 cm boven de vloeroppervlakte bevinden mogen worden meegerekend en waarvan ten minste 300 cm per ouderdier is bedekt met strooisel; a. 2 2 een hoogte van 70 cm boven de vloeroppervlakte;b. een zitstok met een lengte van ten minste 7 cm per ouderdier, met een vrije ruimte van ten minste 10 cm onder de zitstok en ten minste 35 cm daarboven; c. een voerbak waarvan de lengte van de voor ouderdieren toegankelijke kant per ouderdier ten minste 12,5 cm bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, een per ouderdier toegankelijke plek van ten minste 5 cm. d. Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, beschikken ouderdieren die in een kooi worden gehouden over een totale vloeroppervlakte van ten minste 2.850 cm . 2 2 De oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, is horizontaal en is dicht of bestaat uit roosters van hout of kunststof, niet zijnde draadroosters. 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, beschikt een ouderdier van een koppel waarvan de hennen een eindgewicht van ten hoogste 2,4 kg bereiken over ten minste 1.200 cm bruikbare oppervlakte per ouderdier. 4 2 Onverminderd de , en beschikt een ouderdier als bedoeld in het vierde lid permanent over luzerne, snijmaissilage of daarmee vergelijkbaar ruwvoer. 5 artikelen 1.7, onderdeel e 2.4, zesde lid Artikel 2.65e. Huisvesting ouderdieren tijdens opfok Een dier dat wordt opgefokt om te worden gehouden als ouderdier beschikt over een vloeroppervlakte van ten minste 666 cm per dier.2 Artikel 2.65f. Controles In afwijking van , worden ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.1 artikel 2.4, tweede lid In afwijking van , wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2 artikel 2.5, achtste lid De houder van ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.3 § 6.1.3. Houden van legkippen voor productie Artikel 2.66. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren; legkip: voorziening waarin legkippen op dezelfde wijze worden gehouden;huisvestingssysteem: afgesloten ruimte bestemd voor het houden van één of meer legkippen waarin de legkippen zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen; kooi: een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 8 graden met boven het gehele oppervlak een vrije ruimte van ten minste 45 cm hoogte. De oppervlakte van het nest wordt niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend; bruikbare oppervlakte: afgescheiden ruimte voor een individuele legkip of een groep legkippen die geschikt is voor het leggen van eieren en waarin een legkip niet in contact kan komen met bodembestanddelen die bestaan uit draadgaas; nest: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand of ander materiaal met een losse structuur dat legkippen in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen; strooisel: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout, metaal of kunststof zonder scherpe randen waar de legkip op kan zitten of rusten, in ieder geval niet bestaande uit draadgaas. zitstok: Artikel 2.67. Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 350 legkippen houden. Artikel 2.68. Toepasselijkheid voorschriften Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de , , , en . 1 artikelen 2.70 2.73 2.74, eerste en tweede lid 2.75 2.76 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.71 en . 2 artikel 2.71 2.73 tot en met 2.76 Artikel 2.69. Registratie houders https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0074 Onze Minister registreert houders van legkippen overeenkomstig artikel 7 van van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203) of overeenkomstig de op grond van dat artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen. Hij verstrekt daartoe aan houders van legkippen een nummer dat geschikt is om de voor de menselijke consumptie in de handel gebrachte eieren te kunnen traceren. 1 richtlijn 1999/74/EG Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.2 Het is verboden legkippen te houden zonder te beschikken over een nummer als bedoeld in het eerste lid. 3 Artikel 2.70. Houden en huisvesten in alternatieve huisvestingssystemen Legkippen beschikken ten minste over:1 1.111 cm bruikbare oppervlakte per legkip;a. 2 één nest per 7 legkippen dan wel een gemeenschappelijk nest van 1 m per 120 legkippen;b. 2 een met strooisel bedekte oppervlakte van 250 cm per legkip waarbij in ieder geval een derde deel van het grondoppervlak met strooisel is bedekt; c. 2 een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip die niet is aangebracht boven het strooisel. De horizontale afstand tussen de zitstokken bedraagt ten minste 30 cm en tussen de zitstokken en de wand ten minste 20 cm; d. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat;e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, ten minste 4 cm per legkip, en f. een bereikbare watervoorziening bestaande uit:g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 2,5 cm per legkip bedraagt; 1° een ronde drinkbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 1 cm per legkip bedraagt, of 2° één drinknippel of één waterbakje per 10 legkippen. Bij watervoorziening via nippels of drinkwaterbakjes zijn per legkip ten minste twee nippels of drinkwaterbakjes bereikbaar. 3° In een huisvestingssysteem waarin de legkippen zich vrij op en tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen: 2 is het aantal niveaus op enig punt boven de vloer beperkt tot vier;a. bedraagt de vrije hoogte tussen de niveaus ten minste 45 cm;b. zijn de voeder- en watervoorzieningen zo over de ruimte verdeeld dat alle legkippen er gelijke toegang toe hebben, en c. komen de uitwerpselen van de legkippen die zich op de hogere niveaus bevinden niet op de voor de legkippen toegankelijke lagere niveaus terecht. d. In een huisvestingssysteem waarin de legkippen toegang hebben tot een ruimte buiten:3 geven over de hele lengte van het gebouw verdeelde uitgangen rechtstreeks toegang tot de ruimte buiten; a. zijn de uitgangen ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed;b. hebben de beschikbare uitgangen een gezamenlijke breedte van ten minste 2 m per 1.000 legkippen;c. heeft de ruimte buiten om verontreiniging te voorkomen een grondoppervlakte die is afgestemd op de bezettingsgraad en het bodemtype, en d. is de ruimte buiten voorzien van beschutting tegen slecht weer en roofdieren, en indien nodig van passende drinkvoorzieningen. e. Een overdekte ruimte mag tot de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte worden gerekend indien de ruimte in ieder geval vanaf 6 uur na het begin van de lichtperiode in de stal onbeperkt toegankelijk is voor de legkippen, gedurende ten minste 10 uren, en de toegangen tot de ruimte ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed zijn en een gezamenlijke breedte hebben van ten minste 2 m per 1.000 legkippen. 4 De oppervlakken die tot de bruikbare oppervlakte wordt gerekend bieden steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip. 5 Artikel 2.71. Houden en huisvesten in aangepaste kooien: koloniehuisvesting Een kooi als bedoeld in , heeft:1 artikel 2.68, tweede lid een hoogte van ten minste 60 cm aan de zijde van de kooi waar de voerbak zich bevindt;a. een hoogte van ten minste 50 cm boven de bruikbare oppervlakte;b. een oppervlakte van ten minste 25.000 cm , enc. 2 ten minste twee zitstokken.d. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in , hebben ten minste de beschikking over: 2 artikel 2.68, tweede lid https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0074 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31999L0074 800 cm bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en 900 cm bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram; a. 2 2 een nest;b. een met strooisel bedekte ruimte waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;c. een zitstok met een lengte van ten minste 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van ten minste 20 cm; d. een voerbak met een lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant van ten minste 12 cm per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en van ten minste 14,5 cm per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram; e. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, enf. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn. g. De zitstokken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden op verschillende hoogtes in de kooi geplaatst. 3 Het nest, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is minder verlicht dan andere gedeelten van de kooi en heeft een oppervlak van ten minste: 4 2.700 cm , wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, ofa. 2 90 cm per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.b. 2 De met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, heeft een oppervlak van ten minste: 5 2.700 cm , wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, ofa. 2 90 cm per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.b. 2 Indien een kooi als bedoeld in , wordt gebruikt voor het houden en huisvesten van ten minste vijf en ten hoogste acht legkippen voor het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij zijn tot 1 januari 2035 niet van toepassing: 6 artikel 2.68, tweede lid het eerste lid, onderdelen a en b, met dien verstande dat de hoogte van de kooi aan de zijde waar de voerbak zich bevindt en boven de bruikbare oppervlakte ten minste 45 cm bedraagt; a. het eerste lid, onderdeel c;b. het vereiste inzake de oppervlakte van het nest, bedoeld in het vierde lid, met dien verstande dat het nest een oppervlakte heeft van ten minste 90 cm per legkip; en c. 2 het vijfde lid, met dien verstande dat de met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, een oppervlakte heeft van ten minste 90 cm per legkip. d. 2 Er is sprake van het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij, bedoeld in het zesde lid, indien:7 de legkippen nakomelingen zijn uit kruisingen van raszuivere dieren;a. het testen ten minste inhoudt dat frequent metingen en waarnemingen worden verricht ten aanzien van het aantal gelegde eieren, de sterfte en het gedrag, en b. de bij het testen verkregen gegevens ter beschikking zijn van het fokbedrijf.c. Artikel 2.72. Houden en huisvesten in aangepaste kooien: verrijkte kooien [Vervallen per 07-10-2023] Artikel 2.73. Algemene eisen huisvesting Het geluidsniveau wordt zo laag mogelijk gehouden. Aanhoudend of plotseling lawaai wordt vermeden. Constructie, opstelling, onderhoud en werking van ventilatietoestellen, voedermachines of andere apparaten veroorzaken zo weinig mogelijk lawaai. 1 Het huisvestingssysteem is zodanig opgezet dat een legkip niet kan ontsnappen.2 Artikel 2.74. Algemene eisen verzorging De legkippen worden ten minste eenmaal per dag door de houder geïnspecteerd.1 De inrichting van het huisvestingssysteem is zodanig dat alle lagen en kooien rechtstreeks en moeiteloos kunnen worden geïnspecteerd en de legkippen gemakkelijk kunnen worden verwijderd. 2 Rijen kooien zijn van elkaar gescheiden door gangen van ten minste 90 cm breed.3 De bodem van de onderste kooi is ten minste 35 cm boven de vloer van het gebouw geplaatst.4 De vorm en de grootte van de kooiopening zijn zodanig dat een volwassen legkip uit de kooi kan worden gehaald zonder dat dit lijden of verwondingen veroorzaakt. 5 Artikel 2.75. Verlichting Er is voldoende goed werkende verlichtingsapparatuur aanwezig voor een grondige inspectie van iedere legkip op elk willekeurig tijdstip. 1 Een stal waarin legkippen zijn ondergebracht is gedurende de lichtperiode zodanig verlicht dat de legkippen elkaar duidelijk kunnen zien, dat zij hun omgeving visueel kunnen verkennen en dat zij hun 2 gebruikelijke activiteiten kunnen ontplooien. In geval van verlichting met daglicht zijn de lichtopeningen zodanig gepositioneerd dat het licht gelijkmatig over de stal en de kooien wordt verdeeld. Per 24 uur is er een ononderbroken duisternisperiode van 8 uur waarin de legkippen kunnen rusten. Bij de vermindering van kunstlicht wordt een periode van halfduister in acht genomen om de legkippen de gelegenheid te geven zonder verwondingen op stok te gaan. 3 Artikel 2.76. Reiniging De uitwerpselen van legkippen worden regelmatig verwijderd. Dode legkippen worden dagelijks verwijderd. 1 Lokalen, uitrusting en gereedschappen waarmee de legkippen in aanraking komen, worden regelmatig grondig gereinigd en ontsmet, in elk geval telkens wanneer de kooien om sanitaire redenen worden leeggemaakt, en ook voordat een nieuwe partij legkippen wordt binnengebracht. Zolang de stal of de kooien bezet zijn, worden alle oppervlakken en alle installaties goed schoon gehouden. 2 § 6.1.4. Houden van vleeskalkoenen voor productie Artikel 2.76a. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: totale levend gewicht van de dieren die tegelijkertijd in de stal aanwezig zijn per vierkante meter oppervlakte die voor hen beschikbaar is; bezettingsdichtheid: een groep vleeskalkoenen van hetzelfde geslacht, waarbij het leeftijdsverschil tussen het oudste dier en het jongste dier ten hoogste zeven dagen is; koppel: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;ouderdier: het aantal dieren van een koppel dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven, gedeeld door het totaal aantal dieren waaruit het koppel aan het begin van het productieproces bestond, vermenigvuldigd met 100; uitvalpercentage: verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3); verordening (EG) nr. 1/2005: dier van de soort Meleagris gallopavo dat wordt gehouden voor de productie van vlees.vleeskalkoen: Artikel 2.76b. Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen. Artikel 2.76c. Registratie De houder van vleeskalkoenen of ouderdieren registreert per koppel de volgende gegevens:1 het aantal binnengebrachte vleeskalkoenen of ouderdieren;a. het aantal vleeskalkoenen of ouderdieren dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven of is gedood, per dag; b. het totale levend gewicht van de vleeskalkoenen of ouderdieren bij aflevering aan het slachthuis, binnen twee weken na die aflevering. c. De houder van vleeskalkoenen registreert ten hoogste een maand na aflevering van een koppel het uitvalpercentage van mannelijke en van vrouwelijke vleeskalkoenen en de oorzaak van de sterfte, indien dat percentage hoger is dan: 2 5% bij een koppel vrouwelijke dieren;a. 9% bij een koppel mannelijke dieren.b. De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden drie jaar bewaard.3 Artikel 2.76d. Bezettingsdichtheid Vleeskalkoenen worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:1 58 kg/m voor mannelijke dieren;a. 2 48 kg/m voor vrouwelijke dieren.b. 2 Dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan: 2 56 kg/m voor mannelijke dieren;a. 2 49 kg/m voor vrouwelijke dieren.b. 2 Ouderdieren worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:3 46 kg/m voor mannelijke dieren;a. 2 29 kg/m voor vrouwelijke dieren.b. 2 Indien in een stal verrijkingselementen zijn aangebracht die door de vleeskalkoenen kunnen worden aangeraakt en die geschikt zijn om ten minste 10% van die dieren in de stal tegelijkertijd afleiding te 4 bieden, bedraagt de bezettingsdichtheid voor vleeskalkoenen, in afwijking van het eerste lid: 59 kg/m voor mannelijke dieren;a. 2 49 kg/m voor vrouwelijke dieren.b. 2 Artikel 2.76e. Strooisel De houder van vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen voorziet de stalvloer die niet is gelegen onder de voedsel- of watervoorziening van strooisel. 1 Het strooisel:2 bestaat uit stro of houtkrullen en is niet verontreinigd;a. is droog en rul, en heeft een droge stofgehalte van ten minste 80% op het moment dat het in de stal wordt gebracht; b. is aangebracht in een laag die dik genoeg is om dieren de mogelijkheid te bieden om een stofbad te nemen, uitwerpselen te absorberen en de stalvloer te isoleren. c. Artikel 2.76f. Stalklimaat Indien vleeskalkoenen en ouderdieren worden gehouden in een ruimte die mechanisch wordt geventileerd bedraagt de luchtverversingscapaciteit ten minste 4 m per kg levend gewicht per uur. 1 3 Een koppel vleeskalkoenen of dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden de eerste vijf dagen na aankomst op het bedrijf waar ze worden gehouden als vleeskalkoen of worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier in een ruimte gehouden waar de temperatuur op dierhoogte 35 tot 39° Celsius bedraagt. 2 Artikel 2.76g. Verlichting Onverminderd , worden vleeskalkoenen en ouderdieren gehouden in een ruimte waar een aaneengesloten rustperiode wordt gehanteerd van ten minste acht uur per etmaal, waarin die ruimte niet of nauwelijks kunstmatig wordt verlicht. 1 artikel 2.5, eerste en tweede lid De lichtintensiteit in een ruimte bestemd voor vleeskalkoenen of ouderdieren bedraagt op dierhoogte ten minste 20 Lux, tenzij een lagere lichtsterkte tijdelijk noodzakelijk is om letsel als gevolg van pikkerij te voorkomen. 2 Artikel 2.76h. Vervoer Tijdens vervoer dat op Nederlands grondgebied begint en eindigt, worden vleeskalkoenen die zwaarder zijn dan 7 kg vervoerd in containers als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening (EG) nr. 1/2005. Artikel 2.76i. Controles In afwijking van , worden vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 1 artikel 2.4, tweede lid In afwijking van , wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2 artikel 2.5, achtste lid De houder van vleeskalkoenen en ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel. 3 § 6.2. Gezondheidsvoorschriften Artikel 2.76ia. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325). verordening (EG) nr. 2160/2003: Artikel 2.76ib. Monitoring aviaire influenza Een houder van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van aviaire influenza. 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:2 de momenten en de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt;a. de dieren waarbij het onderzoek plaatsvindt;b. de administratie van de bemonstering.c. Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts naar een andere in Nederland gelegen inrichting indien die dieren zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is. 3 Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn 4 onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is. Artikel 2.76ic. Monitoring salmonella-serotypen en mycoplasma spp In aanvulling op artikel 97, eerste lid, aanhef, onderdeel a, aanhef en onder ii, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens artikel 97, tweede lid, onderdeel b, van die verordening vastgestelde gedelegeerde verordening met voorschriften over de ziektebewaking ten aanzien van salmonella serotypen die relevant zijn voor de diergezondheid en mycoplasma spp. stelt Onze Minister nadere regels over: 1 de degene die monsters neemt;a. het aanleveren van gegevens;b. de administratie van uitslag van het onderzoek.c. De in het eerste lid bedoelde voorschriften van de gedelegeerde verordening en de krachtens het eerste lid gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op houders van per ziekte bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) 2016/429 die geen dieren verplaatsen naar een andere lidstaat, met dien verstande dat bij ministeriële regeling van de genoemde verordening afwijkende regels worden gesteld over de frequentie van de monstername en het onderzoek naar mycoplasma spp, 2 Artikel 2.76id. Vaccinatie Newcastle disease Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening (EU) nr. 2016/429 van een inrichting waar bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van die verordening of van in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening worden gehouden, zorgt ervoor dat die dieren gevaccineerd zijn tegen Newcastle disease. 1 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld over:2 de momenten waarop de vaccinatie plaatsvindt;a. administratie van de vaccinatie;b. onderzoek naar de aanwezigheid van antilichamen en naar aanleiding daarvan te treffen maatregelen.c. Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts indien ten aanzien van die dieren is voldaan aan de verplichting tot vaccinatie tegen Newcastle disease. 3 Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn gevaccineerd overeenkomstig de krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels. 4 Artikel 2.76ie. Monitoring zoönotische Salmonella Ter uitvoering van worden bij ministeriële regeling regels gesteld over monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429. 1 verordening (EG) nr. 2160/2003 In aanvulling op de krachtens vastgestelde EU-verordeningen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen andere dan de in het eerste lid genoemde diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429. 2 verordening (EG) nr. 2160/2003 De regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen betrekking hebben op:3 de momenten en de wijze waarop monsters worden genomen;a. degene die de monsters neemt;b. het onderzoek van monsters;c. administratie en rapportage van de onderzoeksresultaten.d. Artikel 2.76if. Aanvoer pluimvee op Salmonella enteritidis-positief bedrijf Het is verboden om dieren van bij ministeriële regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder «pluimvee» als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 aan te voeren op een bedrijf waar de aanwezigheid van Salmonella enteritidis is vastgesteld. 1 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien die dieren zijn gevaccineerd tegen Salmonella enteritidis. 2 § 7. Houden van schapen of geiten voor productie Artikel 2.76ig. Tankmelkonderzoek Een houder die meer dan 50 schapen of geiten houdt ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk laat maandelijks, of zo veel vaker als Onze Minister verzoekt, een monster onderzoeken van melk, die wordt bewaard in een melkkoeltank en die geen behandeling heeft ondergaan, op de aanwezigheid van Coxiella burnettii. 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 2 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003R2160 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003R2160 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003R2160 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003R2160 Artikel 2.76ih. Mestvoorschriften Het is een houder die meer dan 50 schapen of geiten houdt ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk verboden om mest van schapen of geiten uit te rijden of af te voeren, tenzij de mest: 1 direct na verwijdering uit de stal 30 dagen luchtdoorlatend afgedekt is opgeslagen, ofa. rechtstreeks en afgedekt naar een erkende composteerinrichting of erkend composteerbedrijf wordt vervoerd. b. Een houder als bedoeld in het eerste lid administreert:2 de datum waarop mest uit een stal is verwijderd;a. de begin- en einddatum van de composteringsperiode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;b. de datum waarop mest op het bedrijf is uitgereden;c. de hoeveelheid mest, uitgedrukt in kubieke meters, die is verwijderd, opgeslagen of uitgereden.d. Een houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar.3 ยง 8. Houden van konijnen voor productie Artikel 2.76j. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: mannelijk konijn dat ten minste eenmaal gedekt heeft of waarvan ten minste eenmaal sperma is afgenomen; fokram: konijn dat is gescheiden van de voedster en dat wordt gehouden om te worden geslacht of om te worden geselecteerd als opfokkonijn; gespeend konijn: dier van de soort Oryctolagus cuniculus;konijn: een groep konijnen die in dezelfde kalenderweek is gespeend;koppel: konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram;opfokkonijn: scheiden van een jong van een voedster;spenen: vrouwelijk konijn vanaf drie dagen voor het berekende tijdstip van haar eerste worp;voedster: ruimte die niet wordt belemmerd door obstakels.vrije hoogte: Artikel 2.76k. Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden: gespeende konijnen;a. opfokkonijnen;b. voedsters en fokrammen die worden gehouden voor de productie van konijnen die worden gehouden om te worden geslacht of om te worden gebruikt als opfokkonijn. c. Artikel 2.76l. Registratie algemeen De houder van konijnen registreert zich bij Onze Minister.1 De in het eerste lid bedoelde registratie vindt plaats met als doel het bevorderen van een effectief systeem van toezicht en handhaving van de op de houder van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn. 2 Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de houder de volgende gegevens:3 naam, adres en woonplaats van de houder;a. voor zover de houder een natuurlijk persoon is, de geboortedatum en het geslacht van de houder;b. voor zover de houder een rechtspersoon betreft, de datum van oprichting en het inschrijfnummer van de houder bij de kamer van Koophandel; c. adres en locatie van het bedrijf waar de dieren worden gehouden;d. de gehouden diersoort.e. Wijziging van de gegevens, bedoeld in het derde lid, wordt binnen twee weken na het ontstaan van de wijziging door de houder doorgegeven aan de hand van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 4 Artikel 2.76m. Registratie diergegevens De houder van gespeende konijnen, voedsters, fokrammen of opfokkonijnen registreert maandelijks de volgende gegevens: 1 het aantal levend geboren konijnen;a. het aantal konijnen dat gespeend is;b. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die op het bedrijf zijn aangevoerd; c. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die levend worden afgevoerd; d. de uitvalpercentages, bedoeld in ;e. artikel 2.76n, eerste lid de uitkomst van de consultatie, bedoeld in , de maatregelen, bedoeld in artikel 2.76n, derde lid, en de uitkomst van de evaluatie, bedoeld in artikel 2.76n, vierde lid. f. artikel 2.76n, tweede lid De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.2 Artikel 2.76n. Uitval De houder van konijnen berekent maandelijks het uitvalpercentage voor gespeende konijnen, voedsters en opfokkonijnen, op de volgende wijze: 1 het aantal dieren van een koppel dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door de som van het aantal dieren waaruit het koppel na het spenen bestond en het aantal dieren dat aan de groep is toegevoegd, vermenigvuldigd met 100; a. voor gespeende konijnen: het aantal voedsters of opfokkonijnen dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door het aantal voedsters of opfokkonijnen dat die maand gemiddeld op het bedrijf aanwezig was, vermenigvuldigd met 100. b. voor voedsters en opfokkonijnen: Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen hoger is dan 10%, consulteert de houder een dierenarts met als doel dat percentage te verlagen. 2 Naar aanleiding van de consultatie, bedoeld in het tweede lid, neemt de houder maatregelen om het uitvalpercentage te verlagen. 3 Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen gedurende een jaar hoger is dan 10%, evalueert de houder in samenwerking met een dierenarts de werking van de maatregelen, bedoeld in het derde lid en past de houder die maatregelen aan, indien nodig. 4 Artikel 2.76o. Huisvesting en afleidingsmateriaal Een voedster beschikt over een kooi met ten minste:1 een vloeroppervlakte van 4.500 cm per voedster, waaronder:a. 2 een van nestmateriaal voorziene nestruimte van ten minste 700 cm die verbonden is met de kooi, en1°. 2 een horizontaal plateau met een oppervlakte van ten minste 900 cm en een breedte van ten minste 20 cm; 2°. 2 een vrije hoogte van 60 cm boven een vloeroppervlakte van 950 cm ;b. 2 een doorgang van de bodem naar het plateau met een breedte van 25 cm.c. Een konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram beschikt over een kooi met ten minste:2 een vloeroppervlakte van 2.000 cm per dier;a. 2 een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte.b. Een fokram beschikt over een kooi met ten minste:3 een vloeroppervlakte van 4.000 cm per dier;a. 2 een hoogte van 60 cm.b. Een gespeend konijn wordt gehouden in een groep die bestaat uit ten minste twee konijnen en beschikt over een kooi met ten minste: 4 een vloeroppervlakte, waarbij de oppervlakte van een in de kooi aangebracht plateau van ten minste 10 cm breed kan worden meegerekend, van: a. 700 cm per dier, indien de groep bestaat uit minder dan vijf dieren;1°. 2 600 cm per dier, indien de groep bestaat uit vijf of meer dieren;2°. 2 een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte indien in de kooi geen plateau is aangebracht, of een vrije hoogte van 40 cm boven 20% van de vloeroppervlakte indien in de kooi een plateau is aangebracht. b. Indien in een kooi een plateau is aangebracht, bedraagt de afstand tussen de vloeroppervlakte en het plateau en tussen het plateau en de bovenkant van de kooi ten minste 25 cm. 5 Indien de vloeroppervlakte uit gaas bestaat:6 heeft de bovenliggende draad een diameter van ten minste 2,4 mm;a. bedraagt de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden ten minste 10 mm en ten hoogste 16 mm; b. plaatst de houder in een kooi als bedoeld in het eerste en derde lid een mat van ten minste 900 cm van plastic of van materiaal met vergelijkbare eigenschappen als plastic. c. 2 Konijnen beschikken permanent over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in hun knaagbehoefte.7 Artikel 2.76p. Minimum dekleeftijd Het is verboden om een vrouwelijk konijn te laten dekken of insemineren voordat het 15 weken oud is. Artikel 2.76q. Verlichting Onverminderd , worden konijnen gehouden in een ruimte waar een dag en nachtritme wordt gehanteerd waarbij het ten minste acht uur licht is en ten minste acht uur donker, in beide gevallen ten minste vier uur aaneengesloten. 1 artikel 2.5, eerste en tweede lid In een ruimte bestemd voor voedsters en fokrammen:2 wordt na een periode van licht alsmede na een periode van donkerte als bedoeld in het eerste lid een schemerperiode gehanteerd van ten minste een uur; a. bedraagt de lichtintensiteit op dierhoogte ten minste 20 Lux gedurende ten minste acht uur per dag.b. Artikel 2.76r. Controles In afwijking van , worden konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.1 artikel 2.4, tweede lid In afwijking van , wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de voer- en watervoorzieningen van konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2 artikel 2.5, achtste lid § 9. Houden van nertsen voor productie Artikel 2.76s. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: ruimte waarin de dieren vrij kunnen bewegen en waarin geen scheidingswanden zijn aangebracht; compartiment: dier dat gepaard heeft of een jaar of ouder is;fokdier: dier van de soort Mustela vison;nerts: slaapplaats voor nertsen;nestbox: gespeende nerts die nog niet gepaard heeft en jonger is dan één jaar;opgroeiende nerts: nog niet gespeende nerts;pup: langdurig en herhaaldelijk vertoon van dezelfde gedragingen, met uitzondering van gedrag dat normaliter wordt vertoond tijdens het uur voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden gevoerd; stereotiep gedrag: object dat door nertsen kan worden aangeraakt en dat bedoeld is om de nertsen afleiding te geven. verrijkingsobject: Artikel 2.76t. Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden nertsen. Artikel 2.76u. Registratie De houder van nertsen registreert de volgende gegevens:1 het aantal fokdieren dat op het bedrijf aanwezig was op 1 mei, 1 juli en 1 augustus;a. het aantal pups dat op het bedrijf aanwezig was op 1 juli en 1 augustus;b. het aantal opgroeiende nertsen dat op het bedrijf aanwezig was op 1 augustus;c. het aantal nertsen dat in januari of februari op het bedrijf aanwezig was en stereotiep gedrag vertoont of een kale staartpunt van ten minste 1 cm heeft; d. de handelingen die zijn verricht om stereotiep gedrag of kale staartpunten te voorkomen of te verminderen. e. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.2 Artikel 2.76v. Huisvesting Nertsen worden gehouden in een leefruimte die voldoet aan de eisen in dit artikel.1 Een leefruimte bestaat uit één of meer compartimenten, waaraan in ieder geval een nestbox is gekoppeld. 2 De leefruimte bestaat ten minste uit één compartiment met een afmeting van ten minste 85 cm lengte, 30 cm breedte en 45 cm hoogte, waarbij de hoogte wordt berekend als afstand tussen de onder- en bovenkant van het compartiment en waarbij eventueel aangebrachte plateaus niet worden meegerekend. 3 Elk fokdier beschikt over een nestbox.4 De nestbox heeft een afmeting van ten minste 20 cm lengte, 20 cm breedte en 15 cm hoogte.5 De nestbox is permanent voorzien van voldoende strooisel, dat droog is en bestaat uit stro, houtkrullen, zaagsel of ander materiaal met vergelijkbare eigenschappen. 6 Indien de leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten zijn de compartimenten horizontaal, verticaal of horizontaal en verticaal gecombineerd met elkaar geschakeld. 7 In het geval, bedoeld in het zevende lid, heeft elk compartiment ten minste een vloeroppervlakte van 1.700 cm en ten minste een hoogte van 40 cm. 8 2 Indien een leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten wordt het vloeroppervlak van de leefruimte bepaald door de som van de vloeroppervlakten van de onderscheidenlijke compartimenten, ongeacht of de compartimenten horizontaal of verticaal zijn geschakeld. 9 Artikel 2.76w. Bezetting per leefruimte en nestbox In een leefruimte worden maximaal twee fokdieren zonder pups of twee opgroeiende nertsen gehouden. 1 In afwijking van het eerste lid:2 is per extra nerts tenminste 850 cm extra vloeroppervlak beschikbaar, indien in een leefruimte meer dan twee fokdieren of meer dan twee opgroeiende nertsen worden gehouden; a. 2 is tot 1 augustus van enig jaar ten minste een vloeroppervlakte van 2.550 cm beschikbaar, indien in een leefruimte één fokdier met maximaal drie pups worden gehouden; b. 2 is tot 1 juli van enig jaar ten minste een vloeroppervlakte van 2.550 cm beschikbaar en tussen 1 juli en 1 augustus van enig jaar ten minste twee compartimenten, indien in een leefruimte één fokdier met meer dan drie pups wordt gehouden, of c. 2 is vanaf 1 augustus van enig jaar een vloeroppervlakte van 2.550 cm voor twee dieren en 850 cm extra voor elke nerts beschikbaar, indien in een leefruimte één fokdier met één of meer pups wordt gehouden. d. 2 2 Vanaf 1 augustus van enig jaar is per viertal nertsen of een gedeelte daarvan een vloeroppervlakte van de nestbox van 400 cm beschikbaar. Voor elk dier extra in de leefruimte is 100 cm extra vloeroppervlakte van de nestbox beschikbaar. 3 2 2 Artikel 2.76x. Verrijking van de leefomgeving In iedere leefruimte is tenminste één verrijkingsobject aanwezig.1 Van 1 augustus tot 1 maart van het daaropvolgende jaar is per drie of minder nertsen ten minste één verrijkingsobject aanwezig. 2 Indien als verrijkingsobject een plateau is aangebracht in de leefruimte, is de afstand tussen het plateau en de bovenzijde van het compartiment ten minste 12,5 cm, de afstand tussen het plateau en de bodem ten minste 25 cm en is de oppervlakte ten minste 450 cm . 3 2 Indien als verrijkingsobject een cilinder is aangebracht in de leefruimte, heeft die een lengte van ten minste 15 cm en een diameter van ten minste 12 cm. 4 Artikel 2.76y. Controles De houder van nertsen controleert dagelijks de kwaliteit van het strooisel. Artikel 2.76z. Actieplan De houder van nertsen beschikt over een actieplan waarin staat vermeld welke maatregelen worden getroffen om stereotiep gedrag en kale staartpunten bij nertsen te voorkomen of te verminderen. § 10. Houden van overige dieren voor productie Artikel 2.77. Verrichten van ingrepen door de houder Als handelingen als bedoeld in worden aangewezen het door de houder van een op een landbouwbedrijf gehouden dier: artikel 2.9, derde lid, van de wet verrichten van de ingreep, bedoeld in , bij geiten die worden gehouden met het oog op de melkproduktie, mits de ingreep geschiedt op aanwijzing van een dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast en voor zover deze handeling wordt verricht bij geiten jonger dan één maand met behulp van een electrische of heteluchtmethode dan wel bij geiten ouder dan zes maanden door middel van een draadzaag; a. artikel 2.5, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in , bij schapen, geiten, vissen en paarden; b. artikel 2.6, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in , bij schapen en geiten; c. artikel 2.6, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in , bij schapen en geiten; d. artikel 2.6, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in ; e. artikel 2.6, onderdelen j en k, van het Besluit diergeneeskundigen openleggen van zoolzweren bij schapen en geiten.f. Artikel 2.78 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het houden van aquacultuur ten behoeve van de biologische productie, bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van , van aquacultuur.verordening (EU) 2018/848 Hoofdstuk 3. Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden § 1. Algemeen Artikel 3.1. Verbod op vastleggen of in een ren houden van een hond https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.6&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018 Het is de eigenaren of gebruikers van erven, landerijen of andere terreinen verboden daarop een hond te houden, die: 1 aan een ketting of op andere wijze is vastgelegd, indien niet is voldaan aan ;a. artikel 3.2 is ingesloten in een ren, indien niet is voldaan aan , ofb. artikel 3.3 is ingesloten in een ren en daarin aan een ketting of op een andere wijze is vastgelegd.c. Het eerste lid is niet van toepassing indien de hond incidenteel is vastgelegd of in een ren wordt gehouden. 2 Artikel 3.2. Vastleggen van een hond Het bevestigingsmiddel, waarmee de hond is vastgelegd, en de halsband, waaraan dat middel is bevestigd, zijn zodanig ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij de hond optreedt. 1 Het bevestigingsmiddel heeft een zodanige lengte dat het dier voldoende bewegingsruimte wordt gelaten. 2 De hond wordt niet door obstakels belemmerd in de bewegingsvrijheid die hem door het bevestigingsmiddel, bedoeld in het eerste lid, wordt gelaten. 3 De hond heeft toegang tot een hok dat:4 voldoende ruimte biedt aan die hond;a. de hond bescherming biedt tegen nadelige weersinvloeden en kou;b. eenvoudig kan worden gereinigd.c. Artikel 3.3. Houden van een hond in een ren De ren, bedoeld in ;1 artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b is uitsluitend bestemd voor het verblijf van één hond of meerdere honden;a. is aan één zijde open;b. heeft voldoende oppervlak en hoogte voor de hond of honden die erin wordt gehouden.c. De bodem van de ren wordt zodanig onderhouden dat deze schoon blijft en niet drassig wordt.2 , is van toepassing.3 Artikel 3.2, vierde lid In de ren bevinden zich geen voorwerpen waaraan de hond zich kan verwonden.4 Artikel 3.3a. Overeenkomstige toepassing artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429 Artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op degene die zich niet-beroepsmatig met dieren bezighoudt. Artikel 3.4. Fokken met gezelschapsdieren Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld. 1 In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:2 ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;a. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren; b. ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;c. voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt;d. het aantal nesten of nakomelingen dat een gezelschapsdier krijgt de gezondheid of het welzijn van dat dier of de nakomelingen benadeelt. e. Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest.3 Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste twee nesten of ten hoogste drie nesten in een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden. 4 Op het fokken van paarden (inclusief pony’s) en ezels die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden, zijn het eerste en tweede lid, met uitzondering van het tweede lid, onder d, van toepassing. 5 § 2. Het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, houden ten behoeve van opvang van of fokken met gezelschapsdieren Artikel 3.5. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: degene die dagelijks leiding geeft aan in , bedoelde activiteiten;– beheerder: artikel 3.6, eerste lid aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor de in bedoelde activiteiten. – inrichting: artikel 3.6 Artikel 3.6. Verbod en uitzondering voor niet-bedrijfsmatig handelen Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf. 1 Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. 2 Artikel 3.7. Verrichten bedrijfsmatige activiteiten in inrichting of onder voorwaarden op tentoonstelling, beurs of markt De activiteiten, bedoeld in , worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstig is aangemeld. 1 artikel 3.6, eerste lid artikel 3.8 In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de , , , , en . 2 artikelen 3.8, vijfde lid 3.11, vierde lid 3.12, tweede lid 3.14, zesde lid 3.17 tot en met 3.20 Artikel 3.8. Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt De aanmelding van een inrichting geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid de in , bedoelde activiteiten worden verricht of door de beheerder, indien dat degene is onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht. Na de aanmelding wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend. 1 artikel 3.6, eerste lid Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt opgave gedaan van de volgende gegevens:2 de naam, adres, woonplaats, het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in bedoelde activiteiten worden verricht, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister; a. artikel 3.6 het adres van de inrichting en een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die voor het houden van gezelschapsdieren worden gebruikt of zullen worden gebruikt; b. de naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de beheerder;c. de onder dit besluit vallende activiteiten die in de inrichting worden verricht;d. de diergroep of diergroepen waarmee de activiteiten worden verricht;e. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in , van de op de inrichting werkzame beheerder; f. artikel 3.11, eerste lid de datum waarop met de uitoefening van de activiteiten een aanvang wordt gemaakt.g. Voor de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld. 3 Aanmelding van een inrichting geschiedt voor aanvang van de in bedoelde activiteiten.4 artikel 3.6 Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in , organiseert, doet uiterlijk twee weken voor het tijdstip waarop de tentoonstelling, beurs of markt aanvang neemt, een melding van het houden van de tentoonstelling, beurs of markt bij Onze Minister en doet daarbij opgave van de volgende gegevens: 5 artikel 3.7, tweede lid de naam, adres, woonplaats en het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de tentoonstelling, beurs of markt wordt gehouden, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister; a. het adres en plaats waar de tentoonstelling, beurs of markt plaatsvindt;b. de datum of data waarop de tentoonstelling, beurs of markt wordt georganiseerd;c. de diergroep of diergroepen die aanwezig zullen zijn op de tentoonstelling, beurs of markt;d. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de persoon die aanwezig is op de beurs of tentoonstelling, beurs of markt, bedoeld in . e. artikel 3.11, vierde lid Artikel 3.9. Wijziging gegevens Bij wijziging van één of meer van de gegevens, bedoeld in , wordt binnen vier weken na het intreden daarvan aan Onze Minister melding gemaakt van de wijziging door degene die ten tijde van het intreden van die wijziging op de inrichting verantwoordelijk is voor de in bedoelde activiteiten. 1 artikel 3.8, tweede lid artikel 3.6 Op de melding, bedoeld in het eerste lid, is , van overeenkomstige toepassing.2 artikel 3.8, derde lid Artikel 3.10. Administratie In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens: 1 naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn;a. bewijs van inenting van honden en katten.b. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar schriftelijk of digitaal in de administratie van de inrichting bewaard vanaf het tijdstip dat een dier niet meer in de inrichting aanwezig is. 2 Van het bewijs van inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gedurende een periode van twee jaar schriftelijk of digitaal een kopie in de administratie van de inrichting bewaard. 3 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op inrichtingen waar gezelschapsdieren gehouden worden ten behoeve van opvang en onbekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn. 4 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in , bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstig geregistreerd zijn. 5 artikel 3.6, eerste lid hoofdstuk 2 van het Besluit identificatie en registratie van dieren Artikel 3.11. Vakbekwaamheid In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht. 1 Een kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid wordt bij een inspectie ter naleving van dit besluit aan de daartoe aangewezen ambtenaar ter beschikking gesteld. 2 Bij langdurige ziekte, ontslag of overlijden van de beheerder kan, voor de duur van een periode van ten hoogste 12 aaneengesloten maanden, worden afgeweken van het eerste lid met dien verstande dat de persoon die dagelijks leiding in de inrichting geeft over de in bedoelde handelingen over voldoende relevante werkervaring beschikt en dit kan aantonen. 3 artikel 3.6 Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in , organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die een erkend bewijs van vakbekwaamheid bezit als bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 3.7, tweede lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid. 5 Artikel 3.12. Huisvesting en verzorging Onverminderd de wordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat: 1 artikelen 1.5 tot en met 1.8 het dier over voldoende bewegingsruimte beschikt;a. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier; b. het dier zo nodig bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s; c. bij huisvesting van een hoogdrachtig of zogend dier, het met haar jongen de beschikking heeft over voldoende en geschikte nestruimte; d. het dier niet tengevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart;e. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beïnvloedt. f. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in , organiseert, draagt zorg voor geschikte huisvesting van dieren gedurende de tentoonstelling, beurs of markt, die voldoet aan de , met dien verstande dat dieren als bedoeld in onderdeel d niet worden toegelaten. 2 artikel 3.7, tweede lid artikelen 1.5 tot en met 1.8 en het eerste lid Artikel 3.13. Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren Een inrichting beschikt over ten minste drie afzonderlijke ruimtes voor het huisvesten en verzorgen van zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren in afzondering van andere dieren, dan wel over de mogelijkheid deze ruimtes in te richten zodra dit nodig is. 1 De in het eerste lid bedoelde ruimtes zijn:2 een quarantaineruimte voor gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in de inrichting de gezondheidstatus onbekend is of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is; a. een isolatieruimte voor gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte; b. een ruimte voor huisvesting van gezelschapsdieren die ziek zijn, maar geen besmettelijke ziekte hebben of niet verdacht worden van het dragen van een besmettelijke ziekte. c. Gezelschapsdieren geplaatst in de in het tweede lid bedoelde ruimtes, worden solitair gehuisvest, tenzij dat vanuit veterinair oogpunt niet noodzakelijk is. 3 De ruimtes, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, vormen een volledig afgescheiden onderdeel van een inrichting. 4 De ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kan bestaan uit een gedeelte van het binnenverblijf dat kan worden afgescheiden van overige binnenverblijven en dieren. 5 Artikel 3.14. Gezondheid In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter 1 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009019&hoofdstuk=2&g=2023-11-22&z=2023-11-22 voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd. Indien verzorging geen of onvoldoende verbetering in de toestand van een ziek gezelschapsdier bewerkstelligt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd. 2 Gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in een inrichting de gezondheid- of vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, worden onmiddellijk in quarantaine geplaatst. 3 Gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte worden na binnenkomst in de inrichting onmiddellijk in een isolatieruimte geplaatst. 4 Een hond of kat mag de quarantaineruimte van de inrichting niet verlaten gedurende ten minste 7 dagen nadat de in , bedoelde inentingen hebben plaatsgevonden, tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft. 5 artikel 3.15, onderdeel a Degene die een tentoonstelling, beurs of markt, als bedoeld in , organiseert, draagt zorg voor een veterinaire gezondheidscontrole van de dieren voordat toegang wordt verstrekt en laat geen dieren toe verdacht van een besmettelijke ziekte of dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte. 6 artikel 3.7, tweede lid Artikel 3.15. Vaccinatie honden en katten Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot: vaccinaties voor honden en katten die in de inrichting verblijven;a. het bewijs van vaccinatie van honden en katten;b. vaccinaties die plaats vinden voordat honden en katten worden verkocht of afgeleverd.c. Artikel 3.16. Huisvesting honden Een hond wordt, passend bij zijn ethologische en fysiologische behoefte, dagelijks in de gelegenheid gesteld tijd door te brengen buiten de ruimte waarin deze gehouden wordt, indien de gezondheidstoestand van de hond zich daar niet tegen verzet. Artikel 3.17. Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen. 1 Het eerste lid is niet van toepassing indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt een overeenkomstig deze paragraaf geregistreerde inrichting, een circus of een dierentuin is. 2 De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op de verzorging, de huisvesting en het gedrag van het gezelschapsdier en de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier. 3 Artikel 3.18. Informatieverstrekking over gezondheidsstatus Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt alle relevante informatie verstrekt met betrekking tot de gezondheidsstatus van het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier, waaronder ten minste het bewijs van inenting, bedoeld in . artikel 3.15, onderdeel b Artikel 3.19. Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar Een gezelschapsdier wordt niet verkocht aan een persoon jonger dan zestien jaar. Artikel 3.20. Verpakking Indien een gezelschapsdier bij verkoop of aflevering wordt verpakt, vindt dit op zodanige wijze plaats dat het welzijn of de gezondheid van het gezelschapsdier niet onnodig worden benadeeld. Artikel 3.21. Verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte Gezelschapsdieren worden niet in een etalageruimte van een inrichting gehuisvest of tentoongesteld. Artikel 3.22. Socialisatie Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier: went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden ena. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag.b. Artikel 3.23. Huisvesting honden en katten buiten inrichting Honden en katten die tijdelijk gehouden worden ten behoeve van opvang omdat daarvan afstand is gedaan, of omdat de eigenaar op het moment van opvang onbekend is, kunnen in afwijking van , en , tijdelijk buiten de inrichting gehuisvest worden ten behoeve van artikel 3.7, eerste lid artikel 3.14, derde tot en met vijfde lid socialisatie, resocialisatie, behandeling van gedragsproblemen of intensieve zorgverlening in geval van ziekte, mits de locatie en verblijfsduur uit de administratie van de inrichting blijken. § 3. Niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren Artikel 3.24. Niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten Onze Minister wijst een punt van binnenkomst voor reizigers aan als bedoeld in artikel 3, onderdeel k, van verordening (EU) nr. 576/2013. 1 Onze Minister kan een ander punt van binnenkomst voor het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden aanwijzen als bedoeld in artikel 10, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013. 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het andere personen dan dierenartsen is toegestaan transponders als bedoeld in verordening (EU) nr. 576/2013 te implanteren. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de minimumkwalificaties van die andere personen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op verordening (EU) nr. 576/2013 regels worden gesteld over het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten met betrekking tot: 4 de uitgifte, het verstrekken of het voorhanden hebben van blanco identificatiedocumenten als bedoeld in die verordening; a. een verplichting tot vermelding van aanvullende gegevens op of in het identificatiedocument;b. de termijn waarin een gemachtigde dierenarts als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van verordening (EU) nr. 576/2013 de gegevens, bedoeld in artikel 22, derde lid, van die verordening, en onderdeel b, bewaart; c. de voorwaarden waaronder het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden als bedoeld in artikel 10, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013 plaatsvindt. d. § 4. Identificatie en registratie van honden Artikel 3.25. Begripsbepaling In deze paragraaf wordt verstaan onder: identificatiedocument als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, van verordening (EU) nr. 576/2013. identificatiedocument: Artikel 3.26. Reikwijdte De , , , en , zijn niet van toepassing op: 1 artikelen 3.27, eerste lid 3.28, eerste lid 3.29, eerste lid 3.30, eerste lid een hond die wordt gehouden overeenkomstig ; ena. artikel 13 van het Dierproevenbesluit 2014 een hond, geboren in Nederland voor 1 april 2013, tenzij de hond wordt overgedragen of wordt voorzien van een identificatiedocument. b. , is niet van toepassing op een houder die voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel de hond reeds hield, tenzij de hond wordt overgedragen. 2 Artikel 3.28, eerste lid De , en , zijn niet van toepassing op uit het buitenland afkomstige houders die korter dan drie maanden met hun hond in Nederland verblijven, tenzij de hond wordt overgedragen. 3 artikelen 3.29, eerste lid 3.30, eerste lid Artikel 3.27. Identificatieplicht Artikel 70, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 is van overeenkomstige toepassing op een houder met een hond op wie artikel 70, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 niet van toepassing is. 1 De houder, bedoeld in het eerste lid, of de exploitant, bedoeld in artikel 70 van verordening (EU) nr. 2019/2035 laat de identificatie uitvoeren door een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in of in het register, bedoeld in . 2 artikel 2.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen artikel 4.3, eerste lid, van de wet In afwijking van het tweede lid laat een houder of exploitant de identificatie uitvoeren door een dierenarts indien de houder of de exploitant een hond overgedragen heeft gekregen zonder injecteerbare transponder. 3 Artikel 3.28. Identificatiedocument Artikel 71 van is van overeenkomstige toepassing op een houder met een hond op wie artikel 71 van verordening (EU) nr. 2019/2035 niet van toepassing is. 1 verordening (EU) nr. 2019/2035 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:2 de afgifte van identificatiedocumenten;a. de termijn waarbinnen over een identificatiedocument moet worden beschikt; enb. de overdracht van identificatiedocumenten.c. Artikel 3.29. Registraties van houders van honden bij Onze Minister https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=13&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=4.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=4.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32035R2019 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32035R2019 Een houder registreert zich bij Onze Minister binnen een bij ministeriële regeling bepaalde termijn, indien: 1 de hond van de houder een nakomeling heeft voortgebracht;a. de houder een hond voor het eerst in Nederland brengt;b. de houder een hond heeft verkregen die niet is voorzien van een injecteerbare transponder of die niet is geregistreerd overeenkomstig of . c. artikel 3.30, eerste lid artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen De registratie wordt slechts gedaan indien de houder nog niet bij Onze Minister geregistreerd is.2 Artikel 3.30. Registratie van honden en houders via een portaal Een houder draagt er zorg voor dat de registratie van zijn hond, bedoeld in plaatsvindt en vult deze registratie aan. 1 artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen In afwijking van het eerste lid draagt de houder er zorg voor dat de dierenarts de volledige registratie van de hond doet, indien: 2 de hond is verkregen zonder injecteerbare transponder, identificatiedocument of registratie als bedoeld in het eerste lid; of a. de hond voor het eerst in Nederland is gebracht.b. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de registraties, bedoeld in het eerste en tweede lid en over het wijzigen van de registratie bij overdracht, vermissing of overlijden van een hond. 3 Artikel 3.31. Verbod op verkrijgen hond zonder injecteerbare transponder, identificatiedocument of registratie Een persoon verkrijgt geen hond van een houder indien de hond: niet is voorzien van een injecteerbare transponder overeenkomstig ;a. artikel 3.27 niet is voorzien van een identificatiedocument overeenkomstig ;b. artikel 3.28 niet is geregistreerd overeenkomstig de en ; of c. artikelen 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen artikel 3.30, eerste lid niet is geregistreerd overeenkomstig .d. artikel 3.30, tweede lid Artikel 3.32. Aanwijzing van portalen Onze Minister wijst de beheerder van een elektronisch portaal aan voor de registratie van honden en houders indien: 1 de beheerder van het portaal een onderneming heeft als bedoeld in of een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd; a. artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 het portaal schriftelijk en digitaal voldoende bereikbaar is voor houders;b. de beheerder van het portaal aantoont dat hij gegevens elektronisch, tijdig en correct kan registeren bij Onze Minister; en c. de beheerder handelt overeenkomstig de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens.d. De beheerder van het portaal:2 registreert de gegevens, bedoeld in en direct bij Onze Minister; en a. artikel 3.30 artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen wijzigt op verzoek van Onze Minister de wijze waarop gegevens bij Onze Minister worden geregistreerd. b. Onze Minister kan de aanwijzing schorsen dan wel intrekken indien de beheerder niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het eerste en tweede lid. 3 Met toepassing van is niet van toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht Aanwijzingen van databanken, verleend op grond van , gelden na de inwerkingtreding van dit artikel als aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid. 5 artikel 10 van het Besluit identificatie en registratie van dieren Hoofdstuk 4. Houden van dieren voor vertoning § 1. Houden van dieren in dierentuinen Artikel 4.1. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: permanente inrichting waar levende wilde dieren worden gehouden om gedurende ten minste zeven dagen per jaar te worden tentoongesteld aan het publiek, met uitzondering van circussen en dierenwinkels; dierentuin: ruimte waar dieren worden gehouden;dierenverblijf: https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=2.9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=28&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537¶graaf=4.1.3.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537¶graaf=4.1.3.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009019&artikel=10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009019&artikel=10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 dieren levend in een groep, die gelet op hun omvang en kenmerken afzonderlijk niet te individualiseren zijn; diergroep: dieren behorende tot diersoorten of diercategorieën waarvan de daartoe behorende dieren van nature in het wild leven met uitzondering van de diersoorten of diercategorieën, genoemd in bij dit besluit, en honden en katten. wilde dieren: bijlage II Artikel 4.2. Exploitatie dierentuin Het is verboden een dierentuin te exploiteren zonder een daartoe door Onze Minister verstrekte vergunning. 1 Het eerste lid is niet van toepassing op:2 inrichtingen waar wilde dieren worden gehouden van ten hoogste tien diersoorten, niet zijnde diersoorten genoemd in ; a. bijlage IIa inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften:b. naast wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten worden in hoofdzaak dieren behorend tot de diersoorten of diercategorieën, genoemd in bij dit besluit, gehouden; 1° bijlage II de dieren worden niet tijdelijk of langdurig ten behoeve van verzorging of verpleging opgevangen;2° inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften:c. er worden wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten gehouden;1° de dieren worden niet tijdelijk of langdurig ten behoeve van verzorging of verpleging opgevangen;2° het tentoonstellen van de dieren aan het publiek is van ondergeschikt belang voor de inrichting; of3° inrichtingen waar dieren gedurende ten hoogste twaalf maanden voor verzorging of verpleging worden opgevangen en waar de dieren na het verstrijken van die periode weer in vrijheid worden gesteld of elders worden ondergebracht. d. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, geldt tevens voor beperkte wijzigingen en uitbreidingen van een dierentuin, indien: 3 wordt voldaan aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften;a. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk aan Onze Minister is gemeld; en b. Onze Minister aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften. c. Artikel 4.3. Aanvraag Een vergunning als bedoeld in , wordt op aanvraag verstrekt.1 artikel 4.2, eerste lid De vergunningaanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:2 het aantal en de soorten te houden wilde dieren;a. het aantal dagen per jaar dat de diersoorten worden tentoongesteld aan het publiek;b. informatie over het aantal personeelsleden en hun kwalificatie;c. een plattegrond met een weergave van:d. de locatie van de quarantainevoorziening en de behandelruimte;1° de afmeting en inrichting van de dierenverblijven en de daarin verblijvende aantallen dieren, per diersoort;2° een afschrift van het beleidsprotocol, bedoeld in .e. artikel 4.12 Met toepassing van is niet van toepassing op de aanvraag voor een vergunning, bedoeld in het eerste lid. 3 artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 4.4. Toetsing Alvorens op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in , wordt beslist, wordt een dierentuin door Onze Minister geïnspecteerd. 1 artikel 4.2, eerste lid Een vergunning wordt verstrekt indien aan de navolgende eisen wordt voldaan:2 bij de inrichting van de dierenverblijven rekening is gehouden met:a. het soorteigen bewegingsgedrag, door het verblijf te voorzien van zoveel mogelijk elementen lijkend op de natuurlijke leefomgeving; 1° het klimaat waarin het dier van nature leeft en het soorteigen bioritme, door het verblijf te voorzien van adequate beschutting en bescherming tegen voor de desbetreffende diersoort extreme weersomstandigheden en een adequate klimaatbeheersing en verlichting; 2° het soorteigen sociale gedrag, door het verblijf te voorzien bij solitaire huisvesting van een voor de diersoort geschikte rust- en schuilplaats en bij groepshuisvesting van een rust- en schuilplaats die een 3° https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=28&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537¶graaf=4.1.3.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537¶graaf=4.1.3.3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 dier de mogelijkheid biedt zich af te zonderen van de andere dieren; het soorteigen paringsgedrag, door de dieren op adequate wijze van elkaar te scheiden of door in het verblijf waarin de dieren gedurende de paringstijd worden gehouden voorzieningen aan te brengen waardoor het soorteigen paringsgedrag mogelijk wordt gemaakt; 4° het soorteigen uitscheidingsgedrag, door het verblijf indien nodig te voorzien van een voor de diersoort geschikte mestplaats; 5° de ruimte die nodig is om het aantal dieren te houden dat blijkens de aanvraag in het verblijf zal worden gehouden; 6° de dierenverblijven zijn voorzien van een adequate afscheiding die het uitbreken van de dieren voorkomt en die een veilige barrière tussen de dieren en het publiek vormt; b. het beleidsprotocol, bedoeld in , voldoet aan de in dat artikel gestelde eisen;c. artikel 4.12 er is voorzien in een adequate quarantainevoorziening en een behandelruimte;d. er kan worden voldaan aan de , , , en .e. artikelen 1.6 1.7 1.8 4.7 4.8 Artikel 4.5. Registratie vergunningen Onze Minister registreert de vergunningen, bedoeld in , in een openbaar register.artikel 4.2, eerste lid Artikel 4.6. Nadere voorschriften en beperkingen De voorschriften en beperkingen die op grond van aan een vergunning kunnen worden verbonden, strekken tot nadere uitwerking van de . artikel 7.5, eerste lid, van de wet artikelen 4.7 tot en met 4.12 Artikel 4.7. Houden De vergunninghouder houdt de dieren op zodanige wijze dat:1 het soorteigen gedrag van de dieren wordt gerespecteerd en zoveel mogelijk in stand wordt gehouden;a. de sociale levenswijze van de dieren in het wild zo veel mogelijk tot uitdrukking komt, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier; b. rekening wordt gehouden met de behoeften van het individuele dier;c. zieke of gewonde dieren indien nodig worden afgezonderd in een passend onderkomen;d. het in een dierenverblijf verblijvende aantal dieren, bedoeld in , niet wordt overschreden. e. artikel 4.3, tweede lid, onderdeel d Van de voorschriften, bedoeld in , en in het eerste lid van dit artikel, onderdelen a, b en e, kan tijdelijk worden afgeweken indien er opvang wordt geboden aan een dier of diergroep waarvoor voldoende deskundigheid aanwezig is, maar waardoor de capaciteit van de dierentuin wordt overschreden en mits de opvang niet elders op betere wijze kan plaatsvinden. 2 artikel 1.6, eerste lid Artikel 4.8. Verzorgen De vergunninghouder verzorgt de dieren op zodanige wijze dat:1 het toedienen van het voer is afgestemd op de fysiologische behoeften van de diersoort en de natuurlijke wijze van voedselvergaring stimuleert; a. de verzorging is afgestemd op de behoeften van het dier;b. de conditie en de gezondheid van het dier dagelijks worden gecontroleerd;c. in voorkomend geval op passende wijze wordt gezorgd voor gewonde en zieke dieren, indien nodig door een dierenarts. d. Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen.2 De dierenverblijven worden zo vaak als nodig grondig gereinigd en ontsmet.3 Zwemwater, stro of ander bodembedekkend materiaal wordt naar behoefte van de diersoort vervangen.4 Artikel 4.9. Register De vergunninghouder voert een inzichtelijk register van elk dier of elke diergroep, waaruit de mutaties van de dieren en de ziektegeschiedenis blijken, en waarin in ieder geval de volgende gegevens zijn opgenomen: 1 de wetenschappelijke soortnaam en het aantal dieren dat van die soort in de dierentuin wordt gehouden; a. het geslacht, indien mogelijk en relevant;b. de datum van verkrijging of de geboortedatum;c. bij overdracht of verkrijging: de bestemming en de herkomst van de dieren en in voorkomend geval de nummers van de in- en uitvoerdocumenten en certificaten; d. de identificatie van het dier of de diergroep door het ringnummer, het tatoeagenummer, het microchipnummer of, indien een registratienummer ontbreekt, een omschrijving aan de hand van bijzondere uiterlijke kenmerken; e. bij vertrek van een dier of diergroep: de datum en de reden van vertrek en de naam en het adres van de eindbestemming; f. bij bezoek van de dierenarts: de datum van dit bezoek, alsmede de gezondheidstoestand van het dier;g. in geval van sterfte: de datum en de oorzaak van de sterfte.h. https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.5&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Het register, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste een maal per maand bijgewerkt.2 Bij vertrek gaat het dier of de diergroep vergezeld van een afschrift van alle op basis van het eerste lid bijgehouden relevante gegevens en documenten. 3 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende vijf jaar na de dood of het vertrek van het dier of de diergroep bewaard en worden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten overgelegd. 4 Artikel 4.10. Instandhouding diersoorten en educatief programma De vergunninghouder bevordert de instandhouding van de diersoorten, waartoe de door hem gehouden dieren behoren, door het uitvoeren van ten minste een van de volgende activiteiten: 1 de deelname aan onderzoek dat gunstige gevolgen heeft voor het behoud van de diersoorten, de opleiding van het personeel in voor het onderzoek relevante vaardigheden en de uitwisseling van de verkregen informatie met andere dierentuinen; a. zoveel mogelijk deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving; b. het opvangen van dieren uit opvangcentra en in beslag genomen dieren.c. In de dierentuin wordt, in het kader van een informatief en educatief programma met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten, onder meer informatie verstrekt over de tentoongestelde soorten en hun natuurlijke habitat. 2 Artikel 4.11. Overige voorschriften De vergunninghouder verzekert zich er bij een overdracht van dieren van dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een wijze die overeenkomt met de voorschriften in deze paragraaf. Artikel 4.12. Beleidsprotocol De vergunninghouder beschikt over een beleidsprotocol met daarin opgenomen: een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren;a. het beleid met betrekking tot de voeding en de preventieve en curatieve diergeneeskundige verzorging van de dieren dat is opgesteld onder begeleiding van een dierenarts; b. het doel van de activiteiten, bedoeld in , en van het programma, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid; c. artikel 4.10, eerste lid een eenduidig beleid met betrekking tot de in genoemde onderwerpen,d. artikel 4.10 en handelt dienovereenkomstig. Artikel 4.13. Sluiting, aanpassing en intrekking Indien de vergunninghouder niet voldoet aan de , of of aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften kan de dierentuin op last van Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden gesloten voor het publiek. 1 artikelen 1.6 1.7 1.8 Onze Minister kan in het geval, bedoeld in het eerste lid, de exploitant verplichten tot het aanpassen, verwijderen of aanbrengen van specifieke voorzieningen binnen de daarbij vermelde termijn, die ten hoogste twee jaar bedraagt. 2 Indien een exploitant niet binnen de gestelde termijn voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, wordt de vergunning door Onze Minister ingetrokken of gewijzigd en wordt de dierentuin geheel of gedeeltelijk gesloten. 3 § 2. Houden van dieren ten behoeve van circussen en andere optredens Artikel 4.14. Verbod op deelname met andere dan aangewezen dieren aan een circus of ander optreden en op vervoer van die dieren ten behoeve van een circus of ander optreden Het is verboden met andere zoogdieren dan die behoren tot de diersoorten, genoemd in , deel te nemen aan een circus of een ander optreden. 1 bijlage IV Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid te vervoeren ten behoeve van:2 een in Nederland gevestigd circus of een in Nederland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die met die dieren deelneemt aan een circus of een ander optreden, of a. een niet in Nederland gevestigd circus of een niet in Nederland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die met die dieren deelneemt aan een circus of een ander optreden in Nederland. b. Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet van toepassing op optredens in dierentuinen als bedoeld in . 3 artikel 4.1 § 3. Houden van evenhoevigen voor vertoning Artikel 4.15. Tentoonstellen en keuren evenhoevigen Het is verboden om evenhoevigen bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement. 1 Het eerste lid is niet van toepassing op een tentoonstelling of keuring met runderen, schapen of geiten.2 Een organisator van een tentoonstelling of keuring met runderen, schapen of geiten doet daarvan ten minste 30 dagen voorafgaand aan de dag waarop die tentoonstelling of keuring plaatsvindt melding bij Onze Minister. 3 Een houder van runderen, schapen of geiten die worden tentoongesteld of gekeurd laat die dieren in de vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring klinisch onderzoeken door een dierenarts. 4 In afwijking van het vierde lid kan het klinische onderzoek van geiten of schapen plaatsvinden op de inrichting waar de tentoonstelling of keuring wordt gehouden. 5 Een houder en een dierenarts als bedoeld in het vierde lid leggen de resultaten van het onderzoek vast met behulp van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 6 Een organisator als bedoeld in het derde lid laat slechts dieren toe tot de tentoonstelling of keuring, indien uit het onderzoek, bedoeld in het vierde of vijfde lid, blijkt dat de dieren niet besmet zijn met een dierziekte of zoönose of drager zijn van een ziekteverwekker of ziekteverschijnselen vertonen. 7 Runderen, schapen of geiten worden na afloop van een tentoonstelling of keuring zo spoedig mogelijk vervoerd naar: 8 de inrichting van herkomst; ofa. een slachthuis.b. Artikel 4.16. Nadere regels tentoonstellen en keuren van runderen, schapen of geiten Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: de gegevens die een organisator als bedoeld in overlegt;a. artikel 4.15, derde lid het vervoermiddel waarmee runderen, schapen of geiten worden aangevoerd naar of afgevoerd van een tentoonstelling of keuring; b. reiniging en ontsmetting met betrekking tot de aanvoer en afvoer van dieren en het betreden van een tentoonstelling of keuring; c. administratie van aangevoerde en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen.d. Artikel 4.17. Houden en bijeenbrengen schapen en geiten Het is verboden schapen of geiten die niet zijn gevaccineerd overeenkomstig te houden op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren, tenzij die schapen of geiten: 1 artikel 1.46 in hun eerste levensjaar worden geslacht en geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of a. jonger zijn dan drie maanden.b. Het is verboden schapen of geiten die niet zijn gevaccineerd overeenkomstig bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement. 2 artikel 1.46 Het tweede lid is niet van toepassing op lammeren, jonger dan drie maanden, die samen met het moederdier bijeen worden gebracht. 3 § 4. Houden van vogels voor vertoning Artikel 4.18. Evenementen met vogels Het is verboden om pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 of in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement waar enkel uit Nederland afkomstige dieren aanwezig zijn. 1 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om:2 in gevangenschap levende vogels bijeen te brengen voor een keuring of tentoonstelling;a. postduiven bijeen te brengen voor een wedvlucht.b. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over keuringen, tentoonstellingen en wedvluchten als bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot: 3 vaccinatie tegen besmettelijke dierziekten;a. onderzoek naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten;b. melding van het bijeenbrengen bij Onze Minister;c. bij te houden en over te leggen gegevens.d. Hoofdstuk 5. Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten § 1. Algemeen Artikel 5.1. Doden van productiedieren is niet van toepassing op het doden van dieren en op met het doden verband houdende activiteiten, waarop verordening (EG) nr. 1099/2009 van toepassing is. Paragraaf 3 van hoofdstuk 1 Artikel 5.2. Uitvoering verordening (EG) nr. 1099/2009 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van verordening (EG) nr. 1099/2009. 1 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32009R1099 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32009R1099 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:2 het aanwijzen van een bevoegde autoriteit;a. het verstrekken, schorsen en intrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid;b. het goedkeuren van opleidingsprogramma’s en de inhoud en uitvoeringsbepalingen van examens;c. het uitvoeren van controles en inspecties die relevant zijn voor de bescherming van dieren bij het doden en met het doden verband houdende activiteiten; d. gidsen voor goede praktijken;e. het doden, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren buiten een slachthuis.f. Artikel 5.3. Slachten voor particulier huishoudelijk verbruik Het is verboden buiten het slachthuis rundvee, eenhoevigen of loopvogels te slachten of te doden voor particulier huishoudelijk verbruik. 1 Varkens, geiten en schapen worden buiten het slachthuis uitsluitend gedood na voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel. 2 § 2. Doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming Artikel 5.4. Doden van dieren zonder voorgaande bedwelming Bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in , wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de en aan de terzake krachtens gestelde regels. artikel 2.10, vierde lid, van de wet artikelen 5.5 tot en met 5.9a artikel 5.2 Artikel 5.5. Registratie Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in , geschiedt slechts in een inrichting die daartoe over een registratie beschikt. artikel 5.4 Artikel 5.5a. Voorwaarde voor aanvraag registratie Een aanvraag tot registratie als bedoeld in kan slechts worden gedaan door een inrichting die op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) door Onze Minister is erkend. artikel 5.5 Artikel 5.5b. Eisen voor verlenen registratie Onze Minister besluit tot het verlenen van een registratie indien de inrichting voldoet aan:1 het bepaalde in verordening (EG) nr. 1099/2009, ena. het bepaalde in deze paragraaf.b. Het besluit tot het verlenen van een registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen op voordracht van: 2 de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische ritus; a. de Commissie Islamitisch Slachten van het Contactorgaan Moslims en Overheid voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische ritus; b. een andere organisatie die de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap vertegenwoordigen, voor zover het betreft het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische onderscheidenlijk islamitische ritus. c. Artikel 5.5c. Register Van de verleende registratie, bedoeld in , wordt voor de betreffende inrichting aantekening gemaakt in het register waarin de erkenning van de inrichtingen op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) is geregistreerd. artikel 5.5b Artikel 5.5d. Vervallen registratie Indien een erkenning op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) als bedoeld in wordt ingetrokken, vervalt de registratie, bedoeld in , van rechtswege. artikel 5.5a artikel 6.5 Artikel 5.5e. Schorsing en intrekking van de registratie De registratie, bedoeld in , kan worden geschorst dan wel ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in . artikel 5.5 artikel 5.5b Artikel 5.5f. Permanent toezicht Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming geschiedt te allen tijde in aanwezigheid van een op grond van aangewezen ambtenaar. 1 artikel 8.1 van de wet https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Onze Minister kan besluiten tot afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de permanente aanwezigheid van een ambtenaar bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, indien in het betrokken slachthuis voldoende is gewaarborgd dat het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt nageleefd. Van voldoende waarborgen kan sprake zijn in geval het slachthuis deelneemt aan een kwaliteitssysteem waarmee naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt geborgd. 2 Indien naar het oordeel van Onze Minister naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet gewaarborgd is, kan Onze Minister het besluit, bedoeld in het tweede lid, intrekken. 3 Artikel 5.6 Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in , geschiedt slechts door personen die door een organisatie als bedoeld in zijn voorgedragen om het slachtproces overeenkomstig de betrokken religieuze ritus uit te voeren, en die van die voordracht een bewijs overleggen aan de ambtenaar, bedoeld in . artikel 2.10, vierde lid, van de wet artikel 5.5b, tweede lid artikel 5.5f, eerste lid Artikel 5.7. Volgen aanwijzingen Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in , geschiedt overeenkomstig de door de op grond van aangewezen ambtenaren in het belang van de bescherming van het te doden dier gegeven aanwijzingen. 1 artikel 2.10, vierde lid, van de wet artikel 8.1, eerste lid, van de wet De in het eerste lid, bedoelde aanwijzingen kunnen betrekking hebben op:2 de gang van zaken rond het slachtproces, daaronder mede verstaan de wijze waarop en de volgorde waarin dieren worden aangeboden voor de doding; a. het aantal personen dat betrokken dient te zijn bij het fixeren, doden en verbloeden van het dier;b. het staken van het dodingsproces indien onvoldoende is gegarandeerd dat daarbij wordt voldaan aan de eisen van de verordening (EG) nr. 1099/2009 en van deze paragraaf. c. Onverminderd het tweede lid mag, naast de bij de dodingshandelingen betrokken personen en de personen die tijdens de dodingshandelingen de israëlitische of islamitische ritus verrichten, ten hoogste één persoon bij het doden aanwezig zijn. 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, hebben de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking op de godsdienstige gebruiken volgens de israëlitische en islamitische ritus bij het proces van het doden zonder voorafgaande bedwelming. 4 Artikel 5.8. Geschiktheid dier De persoon die belast is met het doden zonder voorafgaande bedwelming van een dier, beoordeelt voor elk dier of dit dier qua type, omvang, gewicht en mentale toestand geschikt is om zonder voorafgaande bedwelming te worden gedood en gaat niet over tot het doden van dat dier zonder voorafgaande bedwelming in geval dat dier daartoe ongeschikt is bevonden. Artikel 5.8a. Fixatievoorzieningen De fixatievoorzieningen en de fixatie-uitrusting voldoen in elk geval aan de volgende eisen: verkeren in een goede staat;a. bevatten geen scherpe uitsteeksels;b. bestaan uit soepel bewegende delen, zonder dat schokkende bewegingen agitatie bij het dier kunnen veroorzaken; c. veroorzaken geen geluiden die stress veroorzaken bij het dier;d. zijn geschikt voor de omvang van het te slachten dier en het diersoort;e. houden het dier voor en tijdens de fixatie in een comfortabele positie, waarbij de fixatie-uitrusting of voorzieningen voldoende druk uitoefenen om het dier gefixeerd te houden, zonder daarbij onnodige stress te veroorzaken, en f. beschikken over een vloer die antislip is, waardoor dieren op geen enkele wijze net voor en tijdens de fixatie kunnen uitglijden. g. Artikel 5.8b. Voorwaarden fixatie Het te doden dier gaat het fixatieapparaat niet eerder binnen dan nadat de slachter gereed staat met het mes om het dier te doden. 1 De fixatie van het te slachten dier wordt niet eerder opgeheven dan nadat overeenkomstig het gestelde in , zeker is gesteld dat het dier het bewustzijn heeft verloren. 2 artikel 5.9a, eerste of tweede lid Artikel 5.9. Halssnede Het toebrengen van de halssnede geschiedt met een mes dat te allen tijde zeer scherp en gaaf is.1 Het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, wordt na iedere snede gereinigd.2 De lengte van het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, is minimaal anderhalf tot twee keer de breedte van de hals. 3 De halssnede wordt met een ononderbroken, vloeiende beweging uitgevoerd, met als doel het dier zo snel mogelijk te verbloeden. 4 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Ingeval een dier een te dikke vacht heeft waardoor de halssnede minder gemakkelijk kan worden uitgevoerd, wordt de hals van het dier ter plaatse van de halssnede geschoren dan wel op een andere wijze geschikt gemaakt voor het uitvoeren van de halssnede. 5 In afwijking van het derde lid, mag de halssnede worden toegebracht met een kleiner mes, mits voorkomen wordt dat de punt van het mes in de wondrand prikt. 6 Artikel 5.9a. Periode bewustzijn Binnen een periode van 40 seconden vanaf het moment van het aanbrengen van de halssnede wordt het dier bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1099/2009. 1 Een bedwelming als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van 40 seconden door de slachter ten minste één van de volgende bewustzijnsindicatoren als negatief wordt beoordeeld: 2 de geïnduceerde ooglidreflex, ofa. de corneareflex.b. § 3. Bedwelming van aal Artikel 5.10. Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het doden van aal met het oog op de productie van dierlijke producten, tenzij dit doden plaatsvindt voor particulier huishoudelijk verbruik. Artikel 5.11. Bedwelming aal voorafgaand aan het doden Alen worden voorafgaand aan het doden bedwelmd.1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de methode waarmee de aal wordt bedwelmd. 2 Hoofdstuk 6. Overige bepalingen Artikel 6.1. Overgangsrecht vleeskalkoenen In afwijking van , bedraagt de in dat lid bedoelde luchtverversingscapaciteit in stallen die voor 1 juni 2003 zijn gebouwd en sindsdien niet zijn verbouwd ten minste 3 m per kg levend gewicht per uur. artikel 2.76f, eerste lid 3 Artikel 6.2. Overgangsrecht konijnen Tot en met 22 april 2016 is het toegestaan om een voedster als bedoeld in buiten de periode van drie dagen voor het berekende tijdstip van werpen tot en met 18 dagen na het werpen te huisvesten in een kooi als bedoeld in . 1 artikel 2.76j artikel 2.76o, tweede lid Tot en met 22 april 2016 is het degene die konijnen houdt in een huisvestingssysteem dat op 23 april 2006 reeds in gebruik was toegestaan om af te wijken van de , op voorwaarde dat de houder ten minste 50 punten behaalt volgens de tabel in bij dit besluit. 2 artikelen 2.76o, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, onderdelen b en c, tweede lid en het vierde tot en met zesde lid, onderdelen a en b bijlage III Onze Minister kan tot en met 22 april 2016 ontheffing verlenen van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, aan een konijnenhouder als bedoeld in , zoals dat luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit lid. 3 artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 Een ontheffing als bedoeld in het derde lid wordt verleend voor een periode van een jaar.4 Ontheffingen, verleend op grond van worden aangemerkt als ontheffingen als bedoeld in het derde lid. 5 artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 Het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het derde of vijfde lid, en die is ingetrokken. 6 Artikel 6.3. Overgangsrecht huisvesting gelten en zeugen , is gedurende 10 jaar na het in dat lid bedoelde tijdstip niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat: 1 Artikel 2.18, vierde lid de stal vóór het in , bedoelde tijdstip in gebruik is genomen, ena. artikel 2.18, vierde lid de stal of de vloer van de stal na het in , bedoelde tijdstip niet is verbouwd of herbouwd. b. artikel 2.18, vierde lid In afwijking van wordt in dit artikel verstaan onder stal: de kleinste eenheid waarin varkens kunnen worden gehuisvest. 2 artikel 2.11 Artikel 6.4 Aan inrichtingen waarvan de exploitant een melding heeft gedaan op grond van zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en van dit besluit. 1 artikel 5.5 5.5b Aan inrichtingen waarop artikel 6.4, eerste lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding dit artikel, van toepassing is, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de en van dit besluit. 2 artikelen 5.5 5.5b https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019560&artikel=16&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019560&artikel=16&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019560&artikel=16&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019560&artikel=16&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht. 3 Artikel 6.5. Eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten voor gezelschapsdieren De , , en , zijn gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing. 1 artikelen 3.8, vijfde lid 3.12, tweede lid 3.14, zesde lid , is ten aanzien van:2 Artikel 3.11, vierde lid honden en katten gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing; a. andere gezelschapsdieren dan honden en katten gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing. b. Artikel 6.6. Vakbekwaamheid bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren , is gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing: 1 Artikel 3.11, eerste lid indien degene die verantwoordelijk is voor de in bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat de inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van , zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit; a. artikel 3.6 artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999 ten aanzien van andere gezelschapsdieren dan honden en katten, indien degene die verantwoordelijk is voor de in bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat het een inrichting betreft waarvoor een aanmeldingsplicht bestond op basis van , zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, waar ook andere gezelschapsdieren werden gehouden dan honden en katten. b. artikel 3.6 artikel 3, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 Het erkende bewijs van vakbekwaamheid op basis van het , zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in , voor zover activiteiten worden verricht met honden en katten. 2 Honden- en kattenbesluit 1999 artikel 3.11 Artikel 6.7. Aanmelding inrichting Een aanmelding bij Onze Minister die is verricht op grond van , zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als een aanmelding als bedoeld in , voor activiteiten met honden of katten, voor zover die activiteiten bij die eerdere aanmelding zijn gemeld. 1 artikel 3, eerste lid van het Honden- en kattenbesluit 1999 artikel 3.8, eerste lid , is gedurende een periode van vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht: 2 Artikel 3.8, vierde lid artikel 3.6 desgevraagd kan aantonen dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van , en a. artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999 binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de inrichting bij Onze Minister aanmeldt. b. Artikel 6.8. Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren , en , zijn gedurende een periode van drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing. 1 Artikel 3.13, eerste lid artikel 3.14, derde en vierde lid De en , zoals dat gold onmiddellijk voor intrekking van dat besluit, blijven van toepassing, gedurende drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de en . 2 artikelen 9 10 van het Honden- en kattenbesluit 1999 artikelen 3.13 3.14 Artikel 6.9. Intrekking en uitgestelde werking Honden- en kattenbesluit in verband met wijziging Honden- en kattenbesluit 1999 Wet op de dierproeven Het wordt ingetrokken.1 Honden- en Kattenbesluit 1999 In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen van het van toepassing, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, op inrichtingen van waaruit honden en katten worden betrokken door inrichtingen die dierproeven verrichten, met inachtneming van , tot het tijdstip waarop de wijziging van de Wet op de dierproeven ter implementatie van Richtlijn 2010/63 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276) in werking is getreden. 2 Honden- en kattenbesluit 1999 artikel 27 van het Honden- en kattenbesluit 1999 Artikel 6.10. Overgangsrecht betonroostervloeren https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=3&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=9&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=10&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010200&artikel=27&g=2023-11-22&z=2023-11-22 , is niet van toepassing op betonroostervloeren indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat: Artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d de betreffende betonroostervloer voor 1 juli 2018 in gebruik is genomen;a. de betreffende betonroostervloer ten tijde van de inwerkingtreding van dat onderdeel voldeed aan , van het Besluit houders van dieren zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dat onderdeel en nadien is blijven voldoen aan die bepaling; en b. artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d de vloer van de stal niet is verbouwd of vervangen na de inwerkingtreding van dat onderdeel.c. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 7.1. Intrekking De volgende besluiten worden ingetrokken: het ;a. Besluit verbod gebruik van levend aas het ;b. Besluit welzijn productiedieren het ;c. Varkensbesluit het ;d. Kalverenbesluit het ;e. Vleeskuikenbesluit 2010 het ;f. Dierentuinenbesluit het ;g. Besluit ritueel slachten het .h. Besluit doden van dieren Artikel 7.2. Wijziging besluiten [Red: Wijzigt het Besluit diergeneesmiddelen.]1 [Red: Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.]2 [Red: Wijzigt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.]3 Artikel 7.3. Inwerkingtreding De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel 7.4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houders van dieren. Origineel slotformulier en ondertekening Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Wassenaar, 5 juni 2014 Willem-Alexander De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma Uitgegeven de negentiende juni 2014 De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten Bijlage I. als bedoeld in van het Besluit houders van dierenartikel 1.20 Soorten papegaaiachtigen en de minimum leeftijd die per soort moet worden aangehouden bij het scheiden van kuiken en ouderdier. Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Alexanderparkiet Psittacula alexandri 70 Amazoneparkiet Nannopsittaca dachilleae 52 Andespapegaai Hapalopsittaca amazonina 70 Andesparkiet Bolborhynchus orbygnesius 56 Araparkiet Rhynchopsitta pachyrhyncha 77 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008638&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010986&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006806&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006805&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027822&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013625&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008316&g=2023-11-22&z=2023-11-22 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008686&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Australische Koningsparkiet Alisterus scapularis 60 Aymaraparkiet Psilopsiagon aymara 57 Barrabandparkiet Polytelis swainsonii 52 Barrabands Papegaai Pyrilia barrabandi 54 Berglori Oreopsittacus arfaki 59 Bergvlagstaartpapegaai Prioniturus montanus 71 Biakregenbooglori Trichoglossus rosenbergii 83 Biakspechtpapegaai Micropsitta geelvinkiana 60 Bismarckvleermuisparkiet Loriculus tener 46 Blauwbaardamazone Amazona festiva 89 Blauwe Muspapegaai Forpus coelestis 46 Blauw-gele Ara Ara ararauna 139 Blauwgestreepte Lori Eos reticulata 95 Blauwgrijze Ara Anodorhynchus glaucus 146 Blauwhalspapegaai Geoffroyus simplex 75 Blauwkaplori Vini australis 75 Blauwkapvlagstaartpapegaai Prioniturus discurus 73 Blauwkeelara Ara glaucogularis 140 Blauwkeelparkiet Pyrrhura cruentata 72 Blauwkopara Primolius couloni 103 Blauwkoparatinga Thectocercus acuticaudatus 74 Blauwkroontje Loriculus galgulus 46 Blauwnekpapegaai Tanygnathus lucionensis 86 Blauwoogkaketoe Cacatua ophthalmica 102 Blauwoorlori Eos semilarvata 91 Blauwrugpapegaai Psittinus cyanurus 58 Blauwvleugelparkiet Neophema chrysostoma 45 Blauwvoorhoofdamazone Amazona aestiva 89 Blauwwangamazone Amazona dufresniana 88 Bleekkoprosella Platycercus adscitus 53 Bloesemkopparkiet Psittacula roseata 69 Blyths Parkiet Psittacula caniceps 71 Bonte Boertje Poicephalus senegalus 79 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Bonte Parkiet Pyrrhura picta 68 Borstelkoppapegaai Psittrichas fulgidus 123 Bourkes Parkiet Neopsephotus bourkii 42 Brehms Tijgerparkiet Psittacella brehmii 70 Bronsvleugelmargrietje Pionus chalcopterus 78 Bruijns Spechtpapegaai Micropsitta bruijnii 60 Bruin Margrietje Pionus fuscus 80 Bruinborstparkiet Pyrrhura calliptera 71 Bruine Raafkaketoe Calyptorhynchus lathami 171 Bruinkoppapegaai Poicephalus cryptoxanthus 80 Bruinkoptijgerparkiet Psittacella picta 65 Bruinnekpapegaai Poicephalus fuscicollis 82 Bruinoorparkiet Pyrrhura frontalis 69 Bruinrugpapegaai Touit melanonotus 58 Bruinschouderpapegaai Touit stictopterus 57 Buffons Ara Ara ambiguus 133 Burulori Charmosyna toxopei 66 Buruvlagstaartpapegaai Prioniturus mada 72 Cactusparkiet Eupsittula cactorum 60 Caicapapegaai Pyrilia caica 58 Camiguinvleermuisparkiet Loriculus camiguinensis 52 Cassins Vlagstaartpapegaai Prioniturus flavicans 72 Ceylonese Vleermuisparkiet Loriculus beryllinus 47 Chiririparkiet Brotogeris chiriri 72 Citroenparkiet Psilopsiagon aurifrons 60 Congopapegaai Poicephalus gulielmi 81 Costaricaanse Papegaai Touit costaricensis 57 Cuba-amazone Amazona leucocephala 88 Cubaanse Aratinga Psittacara euops 59 Desmarests Vijgpapegaai Psittaculirostris desmarestii 69 Devilles Parkiet Pyrrhura devillei 70 Diadeemlori Eos histrio 92 Dikbekpapegaai Tanygnathus megalorynchos 90 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Dubbeloogvijgpapegaai Cyclopsitta diophthalma 58 Ducorps’ Kaketoe Cacatua ducorpsii 97 Duyvenbodes Lori Chalcopsitta duivenbodei 83 Dwergara Ara severus 132 Dwerglori Glossopsitta pusilla 66 Dwergvleermuisparkiet Loriculus pusillus 46 Ecuadoraratinga Psittacara erythrogenys 59 Edelpapegaai Eclectus roratus 116 Edwards’ Vijgpapegaai Psittaculirostris edwardsii 68 El-Oroparkiet Pyrrhura orcesi 70 Filippijnse Kaketoe Cacatua haematuropygia 97 Filippijnse Vleermuisparkiet Loriculus philippensis 46 Finsch’ Amazone Amazona finschi 89 Finsch’ Aratinga Psittacara finschi 59 Finsch’ Parkiet Psittacula finschii 69 Finsch’ Spechtpapegaai Micropsitta finschii 60 Fischers Agapornis Agapornis fischeri 54 Floresregenbooglori Trichoglossus weberi 74 Floresvleermuisparkiet Loriculus flosculus 52 Forstens Regenbooglori Trichoglossus forsteni 80 Fuertes’ Andespapegaai Hapalopsittaca fuertesi 72 Gebrilde Muspapegaai Forpus conspicillatus 46 Geelbuikamazone Alipiopsitta xanthops 80 Geelbuikrosella Platycercus caledonicus 53 Geelgroene Lori Trichoglossus flavoviridis 76 Geelkapspechtpapegaai Micropsitta keiensis 60 Geelkopamazone Amazona oratrix 91 Geelkoplori Trichoglossus euteles 76 Geelmaskerpapegaai Poicephalus flavifrons 74 Geelnekamazone Amazona auropalliata 91 Geelnekara Primolius auricollis 99 Geeloograafkaketoe Calyptorhynchus funereus 173 Geeloorparkiet Ognorhynchus icterotis 77 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Geelschouderparkiet Psephotus chrysopterygius 47 Geelsnavelamazone Amazona collaria 88 Geelsnavellori Lorius chlorocercus 81 Geelteugelamazone Amazona xantholora 83 Geelvleugelamazone Amazona barbadensis 89 Geelvleugelara Ara macao 140 Geelvoorhoofdamazone Amazona ochrocephala 89 Geelvoorhoofdkarakiri Cyanoramphus auriceps 48 Geelwangamazone Amazona autumnalis 85 Geelwangmuspapegaai Forpus xanthops 47 Gekraagde Lori Phigys solitarius 77 Gierpapegaai Pyrilia vulturina 58 Goffins Kaketoe Cacatua goffiniana 98 Goudkaparatinga Aratinga auricapillus 66 Goudparkiet Guaruba guarouba 78 Goudpluimparkiet Leptosittaca branickii 72 Goudrugvlagstaartpapegaai Prioniturus platurus 75 Goudstaartpapegaai Touit surdus 58 Goudvoorhoofdparkiet Eupsittula aurea 61 Grasparkiet Melopsittacus undulatus 43 Grijsborstparkiet Pyrrhura griseipectus 67 Grijskopagapornis Agapornis canus 54 Grijskopmargrietje Pionus seniloides 78 Grijskopparkiet Psittacula himalayana 67 Grijze Roodstaartpapegaai Psittacus erithacus 103 Groene Aratinga Psittacara holochlorus 60 Groene Karakiri Cyanoramphus unicolor 49 Groene Muspapegaai Forpus passerinus 46 Groene Vlagstaartpapegaai Prioniturus luconensis 72 Groene Vleermuisparkiet Loriculus exilis 47 Groenvleugelara Ara chloropterus 139 Groenvleugelkoningsparkiet Alisterus chloropterus 64 Groenwangamazone Amazona viridigenalis 90 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Groenwangparkiet Pyrrhura molinae 68 Grote Alexanderparkiet Psittacula eupatria 71 Grote Amazone Amazona farinosa 89 Grote Araparkiet Rhynchopsitta terrisi 74 Grote Geelkuifkaketoe Cacatua galerita 102 Grote Vasapapegaai Coracopsis vasa 53 Guiabero Bolbopsittacus lunulatus 108 Halsbandparkiet Psittacula krameri 68 Hellmayrs Parkiet Pyrrhura amazonum 68 Helmkaketoe Callocephalon fimbriatum 86 Hemelsblauwe Lori Vini ultramarina 74 Hertoginnenlori Charmosyna margarethae 65 Hispaniola-amazone Amazona ventralis 88 Hispaniola-aratinga Psittacara chloropterus 60 Hoffmanns Parkiet Pyrrhura hoffmanni 73 Holenparkiet Cyanoliseus patagonus 94 Honinglori Charmosyna multistriata 66 Hoornparkiet Eunymphicus cornutus 64 Hyacinthara Anodorhynchus hyacinthinus 178 Illigers Ara Primolius maracana 100 Incakaketoe Lophochroa leadbeateri 108 Indische Vleermuisparkiet Loriculus vernalis 46 Irislori Psitteuteles iris 69 Ivooraratinga Eupsittula canicularis 60 Jamaica-amazone Amazona agilis 85 Jendayaparkiet Aratinga jandaya 68 Johnstones Lori Trichoglossus johnstoniae 66 Josephines Lori Charmosyna josefinae 67 Kaalkoppapegaai Pyrilia aurantiocephala 58 Kaapse Papegaai Poicephalus robustus 81 Kaka Nestor meridionalis 113 Kakapo Strigops habroptila 171 Kandavuparkiet Prosopeia splendens 82 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Kapparkiet Psephotus dissimilis 47 Kardinaallori Chalcopsitta cardinalis 83 Karmozijnbuikparkiet Pyrrhura perlata 70 Katharinaparkiet Bolborhynchus lineola 55 Kawalls Amazone Amazona kawalli 84 Kea Nestor notabilis 118 Keizeramazone Amazona imperialis 85 Kleine Geelkuifkaketoe Cacatua sulphurea 99 Kleine Tijgerparkiet Psittacella modesta 64 Kleine Vasapapegaai Coracopsis nigra 50 Kobaltvleugelparkiet Brotogeris cyanoptera 73 Kortsnavelraafkaketoe Calyptorhynchus latirostris 165 Kortstaartpapegaai Graydidascalus brachyurus 75 Kraagpapegaai Deroptyus accipitrinus 96 Kuhls Lori Vini kuhlii 72 Langsnavelparkiet Enicognathus leptorhynchus 77 Langsnavelraafkaketoe Calyptorhynchus baudinii 171 Langstaartparkiet Psittacula longicauda 69 Lears Ara Anodorhynchus leari 174 Lord Derby’s Parkiet Psittacula derbiana 73 Lori van de Blauwe Bergen Trichoglossus moluccanus 81 Maïsparkiet Eupsittula pertinax 60 Madarasz’ Tijgerparkiet Psittacella madaraszi 58 Magelhaenparkiet Enicognathus ferrugineus 74 Malabarparkiet Psittacula columboides 63 Maria-amazone Amazona tresmariae 84 Maskerparkiet Prosopeia personata 79 Mauritiusparkiet Psittacula eques 74 Maximiliaanmargrietje Pionus maximiliani 79 Meeks Lori Charmosyna meeki 65 Meeks Spechtpapegaai Micropsitta meeki 62 Mexicaanse Muspapegaai Forpus cyanopygius 46 Meyers Papegaai Poicephalus meyeri 77 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Mindanaovlagstaartpapegaai Prioniturus waterstradti 72 Molukkenkaketoe Cacatua moluccensis 108 Molukkenlori Lorius garrulus 81 Molukse Koningsparkiet Alisterus amboinensis 69 Molukse Vleermuisparkiet Loriculus amabilis 46 Monniksparkiet Myiopsitta monachus 63 Müllers Papegaai Tanygnathus sumatranus 89 Muskusparkiet Glossopsitta concinna 67 Musschenbroeks Lori Neopsittacus musschenbroekii 70 Naaktoogkaketoe Cacatua sanguinea 94 Nachtpapegaai Pezoporus occidentalis 72 Nandayparkiet Aratinga nenday 68 Niam-Niampapegaai Poicephalus crassus 74 Nyasa-agapornis Agapornis lilianae 55 Olijfkeelaratinga Eupsittula nana 61 Oostelijke Grondpapegaai Pezoporus wallicus 38 Oostelijke Langsnavelkaketoe Cacatua pastinator 95 Oranjeborstvijgpapegaai Cyclopsitta gulielmitertii 56 Oranjebuikparkiet Neophema chrysogaster 46 Oranjevleugelamazone Amazona amazonica 89 Oranjevleugelparkiet Brotogeris chrysoptera 71 Oranjevoorhoofdkarakiri Cyanoramphus malherbi 48 Ornaatlori Trichoglossus ornatus 80 Ouvéahoornparkiet Eunymphicus uvaeensis 67 Paarsbuikparkiet Triclaria malachitacea 69 Paarsstaartpapegaai Touit purpuratus 57 Pacifische Aratinga Psittacara strenuus 60 Palawanvlagstaartpapegaai Prioniturus platenae 72 Palmlori Charmosyna palmarum 65 Papoealori Charmosyna papou 68 Paradijsparkiet Psephotus pulcherrimus 47 Parelparkiet Pyrrhura lepida 70 Pennantrosella Platycercus elegans 54 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Perzikkopagapornis Agapornis roseicollis 55 Pfrimers Parkiet Pyrrhura pfrimeri 69 Pompadourparkiet Prosopeia tabuensis 83 Ponapélori Trichoglossus rubiginosus 66 Port-Lincolnparkiet Barnardius zonarius 56 Prachtlori Charmosyna placentis 63 Prachtparkiet Neophema elegans 45 Prachtrosella Platycercus eximius 53 Prins Lucians Parkiet Pyrrhura lucianii 69 Prinses-van-Walesparkiet Polytelis alexandrae 48 Pruimkopmargrietje Pionus tumultuosus 78 Pruimkopparkiet Psittacula cyanocephala 68 Puertoricaanse Amazone Amazona vittata 89 Purperbuiklori Lorius hypoinochrous 83 Purperkaplori Glossopsitta porphyrocephala 71 Regenbooglori Trichoglossus haematodus 78 Regenboogparkiet Psephotus varius 45 Regentparkiet Polytelis anthopeplus 53 Reischeks Karakiri Cyanoramphus hochstetteri 49 Rode Lori Eos bornea 89 Roodbrilamazone Amazona pretrei 84 Roodbuikara Orthopsittaca manilatus 94 Roodbuikpapegaai Poicephalus rufiventris 77 Roodbuikparkiet Northiella haematogaster 50 Roodgevlekte Lori Charmosyna rubronotata 64 Roodhalsregenbooglori Trichoglossus rubritorquis 78 Roodkappapegaai Pionopsitta pileata 71 Roodkapparkiet Purpureicephalus spurius 52 Roodkeelamazone Amazona arausiaca 93 Roodkeelaratinga Psittacara rubritorquis 59 Roodkinlori Charmosyna rubrigularis 64 Roodkopparkiet Pyrrhura rhodocephala 71 Roodkroontje Loriculus stigmatus 46 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Roodkruinamazone Amazona rhodocorytha 84 Roodkruinparkiet Pyrrhura roseifrons 68 Roodmaskeragapornis Agapornis pullarius 56 Roodmaskeraratinga Psittacara mitratus 62 Roodoorpapegaai Pyrilia haematotis 58 Roodoorparkiet Pyrrhura hoematotis 71 Roodrugparkiet Psephotus haematonotus 46 Roodschouderara Diopsittaca nobilis 77 Roodschouderpapegaai Touit huetii 57 Roodschouderparkiet Pyrrhura egregia 69 Roodsnavelmargrietje Pionus sordidus 79 Roodstaartamazone Amazona brasiliensis 86 Roodstaartraafkaketoe Calyptorhynchus banksii 172 Roodvleugelpapegaai Touit dilectissimus 57 Roodvleugelparkiet Aprosmictus erythropterus 55 Roodvoorhoofdkarakiri Cyanoramphus novaezelandiae 48 Roodwangara Ara rubrogenys 131 Roodwangpapegaai Geoffroyus geoffroyi 73 Rotsparkiet Neophema petrophila 45 Roze Kaketoe Eolophus roseicapilla 92 Rozewangpapegaai Pyrilia pulchra 58 Rüppells Papegaai Poicephalus rueppellii 80 Saffierlori Vini peruviana 76 Saffraankoppapegaai Pyrilia pyrilia 57 Salvadori's Vijgpapegaai Psittaculirostris salvadorii 64 Sangirvleermuisparkiet Loriculus catamene 47 Santa-Martaparkiet Pyrrhura viridicata 71 Schlegels Vleermuisparkiet Loriculus aurantiifrons 51 Schubbenlori Trichoglossus chlorolepidotus 75 Schubnekamazone Amazona mercenarius 84 Sclaters Muspapegaai Forpus modestus 46 Sclaters Spechtpapegaai Micropsitta pusio 60 Sint-Lucia-amazone Amazona versicolor 92 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Sint-Vincentamazone Amazona guildingii 92 Smaragdlori Neopsittacus pullicauda 62 Smaragdparkiet Psittacula calthrapae 69 Socorroaratinga Psittacara brevipes 59 Soldatenara Ara militaris 137 Spix’ Ara Cyanopsitta spixii 123 Spix’ Muspapegaai Forpus xanthopterygius 46 Splendidparkiet Neophema splendida 46 Stanleyrosella Platycercus icterotis 53 Stephens Lori Vini stepheni 74 Strepenlori Chalcopsitta scintillata 84 Sulavleermuisparkiet Loriculus sclateri 46 Suluvlagstaartpapegaai Prioniturus verticalis 72 Tepuiparkiet Nannopsittaca panychlora 52 Timorese Roodvleugelparkiet Aprosmictus jonquillaceus 55 Timorregenbooglori Trichoglossus capistratus 79 Tiricaparkiet Brotogeris tirica 71 Tolimaparkiet Bolborhynchus ferrugineifrons 59 Toviparkiet Brotogeris jugularis 68 Tucumánamazone Amazona tucumana 88 Turkooisparkiet Neophema pulchella 45 Tuiparkiet Brotogeris sanctithomae 71 Valkparkiet Nymphicus hollandicus 51 Veelkleurige Lori Psitteuteles versicolor 61 Venezuelaparkiet Pyrrhura emma 67 Violetneklori Eos squamata 91 Viooltjeslori Psitteuteles goldiei 67 Vrouwenlori Lorius domicella 85 Vuuroogandespapegaai Hapalopsittaca pyrrhops 72 Vuurvleugelparkiet Brotogeris pyrrhoptera 72 Waglers Aratinga Psittacara wagleri 60 Weddells Aratinga Aratinga weddellii 66 Westelijke Langsnavelkaketoe Cacatua tenuirostris 96 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Scheidingsleeftijd in dagen Wijnborstamazone Amazona vinacea 91 Wilhelmina’s Lori Charmosyna wilhelminae 64 Witbuikcaique Pionites leucogaster 91 Witkopmargrietje Pionus senilis 78 Witneklori Lorius albidinucha 74 Witnekparkiet Pyrrhura albipectus 70 Witoogaratinga Psittacara leucophthalmus 61 Witoorparkiet Pyrrhura leucotis 68 Witruglori Pseudeos fuscata 91 Witte Kaketoe Cacatua alba 105 Witvleugelparkiet Brotogeris versicolurus 73 Witvoorhoofdamazone Amazona albifrons 88 Zangpapegaai Geoffroyus heteroclitus 74 Zevenkleurenpapegaai Touit batavicus 50 Zonparkiet Aratinga solstitialis 66 Zwaluwpapegaai Lathamus discolor 57 Zwarte Kaketoe Probosciger aterrimus 138 Zwarte Lori Chalcopsitta atra 83 Zwartkaplori Lorius lory 82 Zwartkopcaique Pionites melanocephalus 91 Zwartkopparkiet Pyrrhura rupicola 70 Zwartkoprosella Platycercus venustus 55 Zwartkraagagapornis Agapornis swindernianus 55 Zwartmaskeragapornis Agapornis personatus 55 Zwartoormargrietje Pionus menstruus 80 Zwartstaartparkiet Pyrrhura melanura 69 Zwartstuitlori Charmosyna pulchella 67 Zwartteugelpapegaai Tanygnathus gramineus 72 Zwartvleugelagapornis Agapornis taranta 57 Zwartvleugellori Eos cyanogenia 94 Zwartvleugelpapegaai Hapalopsittaca melanotis 72 Zwartwangagapornis Agapornis nigrigenis 54 Zwavelborstparkiet Aratinga maculata 66 Bijlage II. als bedoeld in van het Besluit houders van dierenartikel 2.1 Aangewezen soorten en categorieën van in Nederland te houden dieren met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten. SOORTEN Van de klasse Mammalia (Zoogdieren): Oryctolagus cuniculus (Konijn) Rattus norvegicus (Bruine rat) Mus musculus (Tamme muis) Cavia porcellus (Cavia) Mesocricetus auratus (Goudhamster) Meriones unguiculatus (Gerbil) Mustela vison (Nerts) Equus caballus (Paard) Equus asinus (Ezel) Sus scrofa (Varken) Capra hircus (Geit) Bos taurus (Rund) Bubalus bubalis (Waterbuffel) Cervus dama dama (Damhert) Cervus elaphus (Middeneuropees edelhert) Ovis aries (Schaap) Van de klasse Aves (Vogels): Struthio camelus (Struisvogel) Dromaius novaehollandiae (Emoe) Rhea americana (Nandoe) Anas platyrhynchos (Peking eend) Anser cygnoides (Knobbelgans) Anser anser (Grauwe gans) Gallus gallus (Kip) Perdix perdix (Patrijs) Meleagris gallopavo (Kalkoen) SOORTEN Phasianus colchicus (Fazant) Numida meleagris (Helmparelhoen) Columbia livia (Vleesduif) Van de superklasse Pisces (Vissen): Osmerus eperlanus (Spiering) Salmo trutta fario (Beekforel) Salmo trutta trutta (Zeeforel) Oncorhynchus mykiss (Regenboogforel) Salmo salar (Zalm) Anguilla anguilla (Aal) Clarias gariepinus (Afrikaanse meerval) Silurus glanis (Meerval) Perca fluviatilis (Baars) Stizostedion lucioperca (Snoekbaars) Scophthalmus maximus (Tarbot) Dicentrarchus labrax (Zeebaars) Pagellus bogaraveo (Zeebrasem) Esox lucius (Snoek) Sparus aurata (Goudbrasem) Oreochromis niloticus. (Nijltilapia) Oreochromis mossambicus (Mozambique Tilapia) Hoplosternum litterale (Kwi kwi) Acipenser spp. (Steur) Solea spp. (Tong) Huso Huso (Beluga steur) Seriola spp. (Geelstaarten) Van de klasse der Crustacea (Kreeften): litopenaeus vannamei (Garnaal) Homarus gammarus (Europese zeekreeft) SOORTEN Homarus americanus (Amerikaanse zeekreeft) Astracus leptodactylus (Turkse zoetwaterkreeft) Orconectus limosus (Amerikaanse rivierkreeft) Procambarus clarkii (Louisiana- of Rode rivierkreeft) Palinurus spec. (Langoest) Eriocheir sinensis (Chinese wolhandkrab) Cancer pagurus (Noordzeekrab) Cladocera (Watervlo) Copepoda (Roeipootkreeftje) Balanus spec. (Zeepok) Artemia salina (Pekelkreeftje) Artemia franciscana (Zoutkreeftje) Artemia gracilis (Amerikaans Zoutkreeftje) Daphnia pulex (Watervlo) Moina macropoda (Japanse watervlo) Van de klasse Bivalva (Tweekleppigen): Mytilus edulis (Gewone mossel) Ostrea edulis (Gewone oester) Crassostrea gigas (Japanse oester) Crassostrea angulata (Portugese oester) Crassostrea virginica (Amerikaanse oester) Cerastoderma edule (Kokkel) Pecten maximus (St. Jacobschelp) Veneridae (Palourdes, Venusschelp, Praireschelp, Clamschelp en Vernis) Glycimeris glycimeris (Amandes) Donax trunculus (Zaagje) Donax vittatus (Zaagje) Spisula subtrunculata (Strandschelp) Van de klasse Gastropoda (Slakken): SOORTEN Helix pomatia (Wijngaardslak) Littorina littorea (Gewone alikruik) Helix aspersa (Segrijnslak) Achatina fulica (Achaatslak) Van de Insecta (Insecten): Blaberus craniifer (Doodskopkakkerlak) Blaptica dubia (Argentijnse boskakkerlak) Periplaneta americana (Amerikaanse kakkerlak) Acheta domesticus (Huiskrekel) Gryllus bimaculatus (Tweevlek krekel) Locusta migratoria (Treksprinkhaan) Schistocerca gregaria (Woestijn sprinkhaan) Carausius morosus (Indische wandelende tak) Medauroidea extradentata (Annam-wandelende tak) Pachnoda marginata peregrina (Gouden tor) Pachnoda aemula (Gouden tor) Pachnoda marginata (Gouden tor) Alphitobius diaperinus (Buffalokever) Zophobas morio (Reuzenmeeltor) Sitophilus granarius (Graanklander) Sitophilus oryzae (Rijstklander) Drosophila hydei (Fruitvlieg) Drosophila melanogaster (Fruitvlieg) Musca domestica (Krulvleugelvlieg, Huisvlieg) Galleria mellonella (Grote wasmot) Achroia grisella (Kleine wasmot) Sitotroga cerealella (Graanmot) Plodia interpunctella (Zadenmot, Indische meelmot) Pyralis farinalis (Meelmot) Apis mellifera (Honingbij) Tenebrio molitor (Meeltor) SOORTEN Lucilia sericata (Groene vleesvlieg) Calliphora vomitoria (Blauwe bromvlieg, Roodbaard-bromvlieg) Protophormia terraenovae (Blauwe keizervlieg) Van de lagere diersoorten: Lumbricus rubellus (Rode worm) Lumbricus terrestris (Dauwpier, Regenworm) Eisenia foetida (Mestpier) Arenicola marina (Zeepier) Dendrobeana veneta (Canadese bosworm) Polychaetae (Borstelworm) Brachionus spec. (Raderdier) Arenicolides ecaudata Categorieën alle kruisingen tussen de in deze bijlage genoemde soorten– de kruising tussen de Bos indicus en de Bos taurus– de kruising tussen de Heterobranchus longifilis en de Clarias gariepinus– Bijlage IIa. Diersoorten als bedoeld in .artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20); a. diersoorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992 L 206); b. diersoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); c. diersoorten als bedoeld in verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU L 286); d. diersoorten, genoemd in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308); e. diersoorten, genoemd in bijlage II bij het op 19 september 1979 te Bern tot stand gekomen Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieus (Trb. 1980, 60), naar de tekst zoals deze bij dat verdrag is vastgesteld; f. diersoorten, genoemd in bijlage I bij het op 23 juni 1979 te Bonn tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Trb. 1980, 145) naar de tekst zoals deze bij dat verdrag is vastgesteld; g. diersoorten, genoemd in .h. onderdeel A van de bijlage bij de Wet natuurbescherming Bijlage III. als bedoeld in , van het besluitartikel 6.2, tweede lid https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552?labelid=13365544&g=2023-11-22&z=2023-11-22 Artikel 2.76o Aantal punten als aan de voorschriften is voldaan 1. Eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, vijfde lid en zesde lid, onderdeel a, voor zover dat betrekking heeft op het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2 10 2. Eerste lid, onderdeel a, aanhef 10 3. Eerste lid, onderdelen b en c 10 4. Zesde lid, voor zover dat lid betrekking heeft op het oppervlak van een kooi als bedoeld in het eerste lid en voor zover het een voorschrift betreft dat niet reeds onder de reikwijdte van punt 1 van deze bijlage valt. 5 5. Tweede lid, onderdeel a 10 6. Tweede lid, onderdeel b 10 7. Zesde lid, onderdelen a en b, voor zover die betrekking hebben op een kooi als bedoeld in de aanhef van het tweede lid 5 8. Vierde lid, aanhef, voor zover die betrekking heeft op het houden van dieren in een groep 5 9. Vierde lid, onderdeel a, subonderdeel 1 respectievelijk subonderdeel 2 20 10. Vierde lid, onderdeel b, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een kooi zonder plateau 10 11. Zesde lid, onderdelen a en b, voor zover die onderdelen betrekking hebben op een kooi als bedoeld in de aanhef van het vierde lid 5 Bijlage IV. als bedoeld in van het besluitartikel 4.14 Aangewezen soorten van zoogdieren waarmee deelname aan en vervoer ten behoeve van een circus of een ander optreden is toegestaan. Soorten Equus asinus (Ezel) Equus caballus (Paard) Canis lupus familiaris (Hond) Felis catus (Kat) Bos taurus (Rund) Ovis aries (Schaap) Capra hircus (Geit) Sus scrofa (Varken) Lama glama (Guanaco familiaris) (Lama) Vicugna pacos (Alpaca) Camelus bactrianus (Kameel) Camelus dromedarius (Dromedaris) Oryctolagus cuniculus (Konijn) Soorten Rattus norvegicus (Bruine rat) Mus musculus (Tamme muis/huismuis) Cavia porcellus (Cavia) Mesocricetus auratus (Goudhamster) Meriones unguiculatus (Gerbil)