Skip to content
Nelum
Laws of Netherlands

Decree no. BWBR0026872 containing rules with regard to the management and use of water systems (Water Decree)

Made 2009-11-30 · Text as of 2026-10-01

Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.

About this law

Original title
Besluit nr. BWBR0026872 houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterbesluit).
Language
Dutch
Kind
Regulation
Country
Netherlands
Subjects
Energy, Fisheries and aquaculture, Sea, Water
Keywords
inland fisheries, flood, freshwater pollution, groundwater, hydropower generation, surface water, water resources management, waterworks, effluent waste water/discharge, inspection, water shortage/drought, water supply, access-to-information, environmental standards, water quality standards, policy/planning, waste non-domestic sources, pollution control, recreational water use, early warning system, risk assessment/management, waste domestic sources, subsidy/incentive, water rights, standards, protection of environment, hazards, renewable energy, energy conservation/energy production, coastal zone management, EEZ-Exclusive Economic Zone, marine spatial planning, maritime zone, territorial sea, marine pollution, hazardous waste, drainage/land reclamation

Where to read it

Text

The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.

  1. Artikel 1.1 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: dijkdeel: gedeelte van een andere dan primaire waterkering in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 3.2, dat afzonderlijk genormeerd is; drinkwaterrichtlijn: Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020, betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (PbEU L 435/1); gesloten bodemenergiesysteem: installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig; grondwaterrichtlijn: richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU L 372); hoofdwater: oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen in bijlage II, onderdeel 1, bij dit besluit; kaderrichtlijn mariene strategie: richtlijn nr. 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (PbEU L 164); kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning: richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (PbEU 2014, L 257); mariene strategie voor de Noordzee: strategie als bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn mariene strategie ten aanzien van de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone; maritieme ruimtelijke planning: proces in het kader waarvan menselijke activiteiten in mariene gebieden worden geanalyseerd en georganiseerd om ecologische, economische en sociale doelstellingen te bereiken; maritiem ruimtelijk plan: plan als bedoeld in artikel 4.5a, eerste lid; Nederlandse mariene wateren: Nederlandse territoriale zee, Nederlandse exclusieve economische zone en kustwateren als bedoeld in artikel 2, punt 7, van de kaderrichtlijn water; open bodemenergiesysteem: installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening; overstromingsrisicobeheerplan: plan als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico’s; Protocol: op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 34); richtlijn overstromingsrisico’s: richtlijn nr. 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s (PbEU L 288); richtlijn prioritaire stoffen: richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PbEU L 348); Verdrag: op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, 16); wet: Waterwet; zijwater: oppervlaktewaterlichaam dat in open verbinding staat met een van de hoofdwateren. 2 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder oppervlaktewaterlichaam mede begrepen een gedeelte van een oppervlaktewaterlichaam. § 2. Stroomgebieddistricten

  2. Artikel 1.2 1 De onderlinge grenzen tussen de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten Eems, Maas, Rijn en Schelde zijn aangegeven op de in bijlage I bij dit besluit opgenomen kaarten. 2 De onder de stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde gelegen grondwaterlichamen zijn toegewezen aan de desbetreffende stroomgebieddistricten, met dien verstande dat een grondwaterlichaam dat zich bevindt onder twee stroomgebieddistricten over die stroomgebieddistricten verdeeld is met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde grenzen. § 3. Overig

  3. Artikel 1.3 Dit besluit berust mede op de artikelen 7.23, vijfde lid, en 7.24, vijfde lid, onderdeel c, van de wet. Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen § 1. Rangorde bij watertekorten

  4. Artikel 2.1 1 In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften bij het beheer de volgende rangorde van behoeften in acht genomen: 1°. het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade; 2°. nutsvoorzieningen; 3°. kleinschalig hoogwaardig gebruik; 4°. overige behoeften. 2 Bij de in het eerste lid, onder 1°, bedoelde behoeften wordt achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: 1°. de stabiliteit van waterkeringen; 2°. het voorkomen van klink en zettingen; 3°. natuur, voor zover het gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade. 3 Bij de in het eerste lid, onder 2°, bedoelde behoeften wordt achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: 1°. drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid; 2°. energievoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid. 4 Bij de in het eerste lid, onder 3°, bedoelde behoeften wordt, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn, prioriteit toegekend aan: a. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen; b. het verwerken van industrieel proceswater. 5 Bij de in het eerste lid, onder 4°, bedoelde overige behoeften wordt, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn, prioriteit toegekend aan: a. scheepvaart; b. landbouw; c. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade; d. industrie; e. waterrecreatie; f. binnenvisserij; g. drinkwatervoorziening, voor zover het niet gaat om de behoefte, bedoeld in het derde lid, onder 1°; h. energievoorziening, voor zover het niet gaat om de behoefte, bedoeld in het derde lid, onder 2°; i. overige belangen.

  5. Artikel 2.2 Onverminderd artikel 2.1, kunnen bij of krachtens provinciale verordening voor regionale wateren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1, vierde en vijfde lid, genoemde behoeften in geval van een watertekort. § 1a. Normen waterkering

  6. Artikel 2.2a 1 Een dijkdeel wordt aan twee zijden begrensd door een lijn loodrecht op het dijkdeel door een punt waarvan de rijksdriehoekscoördinaten zijn opgenomen in bijlage IA. 2 Dijkdelen worden weergegeven op de landkaarten in bijlage IB. 3 Bijlage IA vermeldt voor elk dijkdeel de veiligheidsnorm, aangegeven als gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop het moet zijn berekend, mede gelet op de overige het waterkerend vermogen bepalende factoren. 4 Voor waterkerende kunstwerken in een in bijlage IB weergegeven ingegraven dijkdeel bedraagt de veiligheidsnorm 1:100. § 2. Meten en beoordelen

  7. Artikel 2.3 1 Het bevoegd gezag controleert het brengen van stedelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam vanuit een zuiveringtechnisch werk op de naleving van de eisen gesteld krachtens de artikelen 3.5e en 3.5f van het Activiteitenbesluit milieubeheer in ieder geval overeenkomstig de in artikel 3.5g, eerste lid, van dat besluit bedoelde regels. 2 Het bevoegd gezag controleert oppervlaktewaterlichamen waarin vanuit een zuiveringtechnisch werk stedelijk afvalwater wordt gebracht of waarin bedrijfsafvalwater wordt gebracht afkomstig van een bij ministeriële regeling aangewezen categorie van bedrijven of bedrijfsactiviteiten, in ieder geval wanneer mag worden verwacht dat de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam in betekenende mate zal worden beïnvloed. 3 Het bevoegd gezag legt binnen vier maanden na ontvangst van een verzoek daartoe de resultaten van de in het eerste en tweede lid bedoelde controles over aan Onze Minister. Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer § 1. Toedeling beheer

  8. Artikel 3.1 1 Het beheer van oppervlaktewaterlichamen die zijn vermeld in bijlage II bij dit besluit berust bij het Rijk, met uitzondering van de onderdelen van beheer van bepaalde oppervlaktewaterlichamen die zijn gelegen buiten de desbetreffende bij ministeriële regeling vastgestelde beheergrenzen. 2 Voorts berust bij het Rijk het beheer van de zijwateren, met uitzondering van de onderdelen van beheer van bepaalde zijwateren die zijn gelegen buiten de desbetreffende bij ministeriële regeling vastgestelde beheergrenzen. 3 Het beheer van de oppervlaktewaterlichamen die ingevolge het eerste lid in beheer zijn bij het Rijk, omvat mede het beheer van de daarin gelegen ondersteunende kunstwerken.

  9. Artikel 3.2 Het beheer van de primaire waterkeringen en andere waterkeringen die zijn vermeld in bijlage III bij dit besluit berust bij het Rijk. § 2. Begrenzing oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden

  10. Artikel 3.3 Bij regeling van Onze Minister worden: a. de grenzen van de in artikel 3.1 van dit besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen vastgesteld; b. de drogere oevergebieden aangewezen die zijn gelegen binnen bepaalde in artikel 3.1 van dit besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen. § 3. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie

  11. Artikel 3.4 1 Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verrichten gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders de analyses en beoordelingen, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water. 2 Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verstrekken gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders Onze Minister: a. de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen; b. de resultaten van de analyses en beoordelingen, bedoeld in het eerste lid; c. gegevens omtrent de voortgang van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water. 3 De gegevens en resultaten, bedoeld in het tweede lid, worden elektronisch verstrekt. Bij ministeriële regeling wordt een website aangewezen die voor de gegevensverstrekking wordt gebruikt. 4 Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verstrekken gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders Onze Minister de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de overstromingsrisicobeheerplannen. 5 Ten aanzien van hun onderscheiden aandeel in het waterbeheer verstrekken het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders aan gedeputeerde staten de gegevens die nodig zijn voor de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten, bedoeld in artikel 4.9. 6 Gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders verstrekken op verzoek van Onze Minister ten behoeve van het door hem uit te oefenen toezicht op het waterbeheer de bij dat verzoek omschreven gegevens. 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevensverstrekking. Hoofdstuk 4. Plannen § 1. Het nationale waterplan

  12. Artikel 4.1 1 De voorbereiding van het nationale waterplan en de documenten die ten behoeve van het opstellen van dat plan afzonderlijk worden vastgesteld, geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat zienswijzen op het ontwerp naar voren kunnen worden gebracht door een ieder, gedurende een termijn van zes maanden. 2 Het ontwerp van het nationale waterplan wordt ten minste een jaar voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft ter inzage gelegd. 3 De ontwerpen van het nationale waterplan en de documenten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens ter inzage gelegd bij de provincies. 4 Ten behoeve van de voorbereiding van het nationale waterplan 2016–2021 worden een voorlopig maatregelenprogramma en een aanvullend monitoringsprogramma als bedoeld in artikel 3, lid 1bis, onder ii, van de richtlijn prioritaire stoffen opgesteld en uiterlijk op 22 december 2018 door Onze Minister toegezonden aan de Europese Commissie.

  13. Artikel 4.2 In afwijking van artikel 4.1, eerste lid, geldt een termijn van zes weken voor het naar voren brengen van zienswijzen op het ontwerp van tussentijdse wijzigingen van het nationale waterplan, voor zover die wijzigingen geen betrekking hebben op een stroomgebiedbeheerplan of overstromingsrisicobeheerplan.

  14. Artikel 4.3 1 Ter voorbereiding van het nationale waterplan leggen Onze Ministers ter inzage: a. een tijdschema en een werkprogramma voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, ten minste drie jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft; b. een tussentijds overzicht van belangrijke waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in de stroomgebieddistricten, ten minste twee jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft; c. het ontwerp van een samenvatting van de volgende elementen van de mariene strategie voor de Noordzee: 1°. de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn mariene strategie; 2°. de omschrijving van de goede milieutoestand, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van die richtlijn; 3°. de milieudoelen en bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van die richtlijn; 4°. het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van die richtlijn; en 5°. het programma van maatregelen, bedoeld in de artikelen 13, eerste tot en met vierde, zevende en achtste lid, en 14 van die richtlijn. 2 Onze Ministers leggen, tegelijk met ontwerp van het nationale waterplan, ter inzage: a. het ontwerp van de stroomgebiedbeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; en b. het ontwerp van de overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; c. de initiële beoordeling en het monitoringsprogramma, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 1° respectievelijk 4°. 3 Op een overstromingsrisicobeheerplan is artikel 4.3, tweede lid, van de wet van overeenkomstige toepassing. 4 Het ontwerp van een samenvatting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt telkens ten minste zes weken voor het tijdstip waarop zij wordt vastgesteld ter inzage gelegd.

  15. Artikel 4.4 1 Bij de voorbereiding van het nationale waterplan raadplegen Onze Ministers: a. vertegenwoordigers uit de kring van de provincies, de waterschappen en de gemeenten; b. ten aanzien van stroomgebiedbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen: gedeputeerde staten van de provincies en het dagelijks bestuur van de waterschappen, op wiens grondgebied het Nederlandse deel van het stroomgebieddistrict mede is gelegen; c. ten aanzien van de uitvoering van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico’s: de bevoegde autoriteiten van andere staten in de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems; d. ten aanzien van het Noordzeebeleid: de bevoegde autoriteiten van de staten die partij zijn bij het Verdrag. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen organisaties en overlegstructuren worden aangewezen die bij de voorbereiding van het nationale waterplan worden geraadpleegd met betrekking tot de mariene strategie voor de Noordzee.

  16. Artikel 4.5 1 Het nationale waterplan omvat mede: a. de overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, voor zover die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; b. de aanwijzing van de oppervlaktewaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water die in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van die richtlijn. 2 Een stroomgebiedbeheerplan omvat de informatie, bedoeld in bijlage VII bij de kaderrichtlijn water en de artikelen 3, vijfde en zesde lid, 4, vierde lid, 5, vierde en vijfde lid, en deel C van bijlage II van de grondwaterrichtlijn, betreffende het Nederlandse deel van het stroomgebieddistrict, en de informatie, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de richtlijn prioritaire stoffen en de inventaris, bedoeld in artikel 5 van die richtlijn. 3 Een overstromingsrisicobeheerplan voldoet aan artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. Het plan heeft geen betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels.

  17. Artikel 4.5a 1 Het nationale waterplan omvat mede een plan voor de Nederlandse mariene wateren dat overeenkomstig artikel 5 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning beoogt bij te dragen aan de in dat artikel bedoelde doelstellingen. 2 In het maritiem ruimtelijk plan wordt de ruimtelijke en temporele verdeling van bestaande en toekomstige activiteiten en gebruiksfuncties in de Nederlandse mariene wateren geïdentificeerd, waarbij onverminderd artikel 2, derde lid, van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning de relevante wisselwerkingen van activiteiten en gebruiksfuncties in aanmerking zijn genomen. 3 Het maritiem ruimtelijk plan bevat een weergave van de procedurele stappen die zijn of worden genomen om aan de in artikel 5 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning bedoelde doelstellingen bij te dragen, waarbij rekening is gehouden met relevante activiteiten in en gebruiksfuncties van de mariene wateren. Daartoe bevat het plan tenminste een beschrijving van de wijze waarop in het kader van maritieme ruimtelijke planning: a. rekening is gehouden met: i. de bijzonderheden van de mariene regio waarvan de Noordzee deel uitmaakt, ii. de relevante bestaande en toekomstige activiteiten en gebruiksfuncties en het effect daarvan op het milieu, alsmede de natuurlijke rijkdommen, iii. de wisselwerking tussen land en zee, iv. de ecologische, economische, sociale en veiligheidsaspecten; b. ernaar wordt gestreefd de samenhang tussen maritieme ruimtelijke planning en andere planprocessen te bevorderen; c. overeenkomstig artikel 10 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning het gebruik van de beste beschikbare gegevens, alsmede de uitwisseling van informatie, is georganiseerd; d. overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning de grensoverschrijdende samenwerking heeft plaatsgevonden. 4 In afwijking van het eerste lid betreft het maritiem ruimtelijk plan niet de kustwateren, bedoeld in artikel 2, punt 7, van de kaderrichtlijn water, voor zover die wateren deel uitmaken van een gemeente of een provincie en dit in het maritiem ruimtelijk plan is vermeld.

  18. Artikel 4.6 1 De in het nationale waterplan op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval: a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn; c. maatregelen als bedoeld in artikel 8, vierde lid, en artikel 13, achtste lid, onderdeel a, van de drinkwaterrichtlijn, voor zover dit geen maatregelen zijn als bedoeld in onderdeel a of b; d. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. Met betrekking tot de in het nationale waterplan op te nemen doelstellingen en maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden tot het verlenen van vrijstellingen, respectievelijk toestemmingen als bedoeld in artikel 11, derde lid, onderdeel e, laatste volzin, respectievelijk onderdeel j, van de kaderrichtlijn water, alsmede artikel 6, tweede lid, van de grondwaterrichtlijn en van de mogelijkheid tot het toepassen van uitzonderingen als bedoeld in het derde lid, onder a tot en met f, van dat artikel. 2 Het in het nationale waterplan op te nemen Noordzeebeleid omvat mede de volgende elementen van de mariene strategie voor de Noordzee: a. de omschrijving van de goede milieutoestand van de Noordzee, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie en de reeks milieudoelen en bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van die richtlijn; en b. een programma van maatregelen, opgesteld overeenkomstig de eisen gesteld in de artikelen 13, eerste tot en met vierde, zevende en achtste lid, en 14, van de kaderrichtlijn mariene strategie. 3 De onderdelen van het nationale waterplan die dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn water, de richtlijn overstromingsrisico’s en de kaderrichtlijn mariene strategie vormen afzonderlijke delen van dat plan. Hieronder vallen in ieder geval: a. de doelstellingen en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, alsmede een overzicht van de financiële middelen die voor de uitvoering van die maatregelen nodig zijn, en b. de goede milieutoestand, de milieudoelen met bijbehorende indicatoren en het programma van maatregelen, bedoeld in het tweede lid. 4 Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water dienen uiterlijk drie jaren na de in artikel 4.8, eerste lid, van de wet bedoelde zesjaarlijkse herziening operationeel te zijn. 5 Het programma van maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is uiterlijk een jaar na de in artikel 4.8, eerste lid, van de wet bedoelde zesjaarlijkse herziening operationeel.

  19. Artikel 4.6a Onze Ministers herzien de initiële beoordeling en het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 1° respectievelijk 4°, eenmaal in de zes jaren.

  20. Artikel 4.7 Onze Ministers leggen in het nationale waterplan de functie drinkwateronttrekking vast voor de rijkswateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken, dan wel van waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen.

  21. Artikel 4.8 1 Onze Ministers leggen in het nationale waterplan de functie zwemwater vast: a. indien de maatregelen ter verwezenlijking van de op grond van artikel 1, derde lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden voorgeschreven klasse «aanvaardbaar» naar hun oordeel uitvoerbaar en niet onevenredig kostbaar zijn; b. voor zover die functie verenigbaar is met de andere aan het water toegekende functies. 2 De functie zwemwater wordt niet vastgelegd, indien een op grond van artikel 10b, tweede lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden aangewezen locatie gedurende vijf achtereenvolgende jaren in de klasse «slecht» is ingedeeld. 3 Onze Ministers houden bij de vaststelling van de functie zwemwater rekening met het oordeel van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden. 4 Indien voor een rijkswater toepassing wordt gegeven aan artikel 11, tweede lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zijn Onze Ministers bevoegd om de functie zwemwater niet langer vast te leggen in het nationale waterplan. 5 Voor zover de in het nationale waterplan vastgelegde functie zwemwater heeft geleid tot een aanwijzing op grond van artikel 10b, tweede lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, wordt deze functie gedurende het badseizoen niet ongedaan gemaakt.

  22. Artikel 4.9 1 Gedeputeerde staten van de provincies dragen zorg voor de productie, de actualisatie en de elektronische publicatie van overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten, overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn overstromingsrisico’s, ten minste twee jaren voor de vaststelling van het overstromingsrisicobeheerplan. De kaarten hebben geen betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels. 2 De in het eerste lid bedoelde kaarten worden ten minste eenmaal in de zes jaren herzien. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden over de op de kaarten op te nemen informatie en de productie, de actualisatie en de vormgeving van die kaarten. § 2. Regionale waterplannen

  23. Artikel 4.10 Een regionaal waterplan omvat mede: a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water die niet in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van die richtlijn; b. de aanwijzing van grondwaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water.

  24. Artikel 4.11 1 De in het regionale waterplan op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval: a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn; c. voor regionale wateren waarvoor de functie «drinkwateronttrekking» is vastgelegd overeenkomstig artikel 4.12, maatregelen als bedoeld in artikel 8, vierde lid, en artikel 13, achtste lid, onderdeel a, van de drinkwaterrichtlijn, voor zover dit geen maatregelen zijn als bedoeld in onderdeel a of b, en d. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. 2 Artikel 4.6, eerste lid, laatste volzin, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de onderdelen die dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie.

  25. Artikel 4.12 1 Provinciale staten leggen de volgende bijzondere functies voor regionale wateren vast in een regionaal waterplan: a. de functie zwemwater; b. de functie drinkwateronttrekking voor de regionale wateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken, dan wel van waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen. 2 Artikel 4.8 is van overeenkomstige toepassing op de vastlegging van de functie zwemwater in een regionaal waterplan, met dien verstande dat voor «Onze Ministers» wordt gelezen: provinciale staten. 3 Een besluit tot tussentijdse herziening van een regionaal waterplan waarbij uitsluitend voor een watersysteem of onderdeel daarvan de functie zwemwater wordt vastgelegd dan wel een zodanige functietoekenning wordt ingetrokken, kan worden vastgesteld door gedeputeerde staten.

  26. Artikel 4.13 Indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inhoud van regionale waterplannen. § 3. Beheerplannen

  27. Artikel 4.14 1 De voorbereiding van het beheerplan voor de rijkswateren geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat zienswijzen op het ontwerp naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. 2 Het ontwerp van het beheerplan voor de rijkswateren wordt tevens ter inzage gelegd bij de provincies. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van het beheerplan voor de rijkswateren.

  28. Artikel 4.15 1 Bij de voorbereiding van het beheerplan voor de rijkswateren raadpleegt Onze Minister: a. gedeputeerde staten van de provincies op wiens grondgebied de rijkswateren of een gedeelte daarvan, waarop het plan betrekking heeft, zijn gelegen; b. het dagelijks bestuur van de waterschappen die watersystemen beheren die samenhangen of samen kunnen hangen met de rijkswateren of een gedeelte daarvan waarop het plan betrekking heeft; c. de bevoegde Belgische, Duitse en Britse autoriteiten, voor zover het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren; d. de bevoegde autoriteiten van de staten die partij zijn bij het Verdrag, voor zover het plan betrekking heeft op de uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen organisaties en overlegstructuren worden aangewezen die bij de voorbereiding van het beheerplan voor de rijkswateren worden geraadpleegd met betrekking tot de mariene strategie voor de Noordzee.

  29. Artikel 4.16 1 De in het beheerplan voor de rijkswateren op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval: a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; b. maatregelen als bedoeld in artikel 8, vierde lid, en artikel 13, achtste lid, onderdeel a, van de drinkwaterrichtlijn, voor zover dit geen maatregelen zijn als bedoeld in onderdeel a; c. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s; d. aanvullende maatregelen op het programma van maatregelen, bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, onderdeel b. 2 Artikel 4.6, eerste lid, laatste volzin, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de onderdelen die dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie.

  30. Artikel 4.17 Voor zover het nationale waterplan voorziet in aanvullende toekenning van de functie zwemwater in het beheerplan voor de rijkswateren, is artikel 4.8 van overeenkomstige toepassing op die toekenning, met dien verstande dat voor «Onze Ministers» wordt gelezen: Onze Minister.

  31. Artikel 4.18 Indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inhoud van beheerplannen. Hoofdstuk 5. Beheer van waterstaatswerken § 1. Vrijstelling leggerplicht

  32. Artikel 5.1 Van de in artikel 5.1, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen wordt vrijstelling verleend met betrekking tot de volgende waterstaatswerken of delen daarvan: a. de oppervlaktewaterlichamen Noordzee, Waddenzee, Eems-Dollard, Westerschelde en IJsselmeer, met inbegrip van het Zwarte Meer en Ketelmeer; b. de krachtens artikel 6.16, eerste lid, in bijlage IV aangewezen gebieden binnen de begrenzing van rivieren, en c. de krachtens artikel 6.16, tweede lid, aangewezen gebieden. § 2. Aanwijzing rijkswateren peilbesluit

  33. Artikel 5.2 1 Onze Minister stelt peilbesluiten vast voor de volgende rijkswateren of onderdelen daarvan: a. Noordzeekanaal, Afgesloten IJ, Amsterdam-Rijnkanaal; b. Grevelingenmeer; c. Veerse Meer; d. Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal, Schelde-Rijnverbinding tussen het Volkerak-Zoommeer en de Kreekraksluizen; e. IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Buiten-IJ, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer, Drontermeer. 2 De voorbereiding van een peilbesluit geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat Onze Minister binnen acht weken na afloop van de termijn, genoemd in artikel 3.11, vierde lid, van die wet, het peilbesluit vaststelt. 3 Bij het vaststellen van een peilbesluit houdt Onze Minister rekening met het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren. § 3. Regels ten aanzien van het calamiteitenplan

  34. Artikel 5.3 Het door de beheerder vast te stellen calamiteitenplan, bedoeld in artikel 5.29 van de wet, bevat ten minste: a. een overzicht van de soorten calamiteiten die zich in de watersystemen of onderdelen daarvan kunnen voordoen, waaronder een inventarisatie van de daarmee gepaard gaande risico’s; b. een overzicht van te nemen maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die voortkomen uit de voor de betreffende watersystemen geldende overstromingsrisicobeheerplannen, en het beschikbare materieel, benodigd om de onderscheidene calamiteiten het hoofd te bieden; c. een overzicht van de diensten, instanties en organisaties, die bij gevaar kunnen worden ingeschakeld; d. een beschrijving van het moment en de wijze van het door de beheerder informeren van burgemeesters en wethouders van de gemeenten waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan zijn gelegen; e. een schema met betrekking tot de calamiteitenorganisatie van de beheerder; f. een meld- en alarmeringsprocedure; g. een overzicht waaruit blijkt op welke wijze de beheerder de kwaliteit van de calamiteitenorganisatie waarborgt. § 4. Risicobeoordeling en risicobeheer conform de drinkwaterrichtlijn

  35. Artikel 5.4 1 Met de risicobeoordeling respectievelijk het risicobeheer van onttrekkingsgebieden voor waterwinlocaties, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 8, eerste, tweede en vierde lid, van de drinkwaterrichtlijn, voor grond- en oppervlaktewaterlichamen waarvoor de functie «drinkwateronttrekking» is aangewezen in een nationaal of regionaal waterplan of het beheerplan voor de rijkswateren, zijn belast: a. het waterschapsbestuur voor de regionale wateren of delen daarvan die krachtens artikel 3.2 van de wet in beheer zijn bij het waterschap; b. het provinciebestuur voor de regionale wateren of delen daarvan in beheer bij provincie of voor grondwaterlichamen met de functie «waterwinning» voor drinkwateronttrekking waarvoor het provinciebestuur op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een grondwaterbeschermingsgebied heeft vastgesteld; c. Onze Minister voor de watersystemen of delen daarvan die krachtens artikel 3.1 van de wet en artikel 3.1 van dit besluit in beheer zijn bij het Rijk. 2 De risicobeoordeling en het risicobeheer van de onttrekkingsgebieden voor waterwinlocaties, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de eerste maal uiterlijk op 12 juli 2027 uitgevoerd en vervolgens elke zes jaar geactualiseerd, of tussentijds indien wijzigingen in de omstandigheden daartoe aanleiding geven. 3 Als dat noodzakelijk is in het belang van de gezondheid worden zo nodig eerder maatregelen getroffen. 4 De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, zorgen ervoor dat de drinkwaterbedrijven, bedoeld in artikel 1.1 van de Drinkwaterwet, toegang hebben tot de informatie, bedoeld in de artikelen 8, vijfde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn. Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen § 1. Algemeen

  36. Artikel 6.1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is; bouwen: een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; emissiegrenswaarde: emissiegrenswaarde als bedoeld in artikel 2, onderdeel 40, van de kaderrichtlijn water; exploitant: natuurlijke of rechtspersoon die een windpark opricht of exploiteert; exportkabel: kabel die het transformatorstation van een windpark verbindt met een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998; huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden; inwoner-equivalent (i.e.): biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per etmaal; totaal-stikstof: om van totaal Kjeldahl-stikstof (organisch N + NH3), nitraat (NO3)-stikstof en nitriet (NO2)-stikstof; windpark: samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind; zuiveringsrendement: percentage van het totaal-fosfaat onderscheidenlijk totaal-stikstof dat uit het stedelijk afvalwater wordt verwijderd dat op de onder de zorg van eenzelfde bestuursorgaan staande gezamenlijke zuiveringtechnische werken wordt aangevoerd.

  37. Artikel 6.1a Bij het verlenen van een watervergunning houdt het bevoegd gezag rekening met de ingevolge de artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de wet vastgestelde plannen, die betrekking hebben op het betreffende watersysteem of onderdeel daarvan. § 2. Algemene bepalingen over het lozen

  38. Artikel 6.1b Op de voorbereiding van een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet zijn de afdelingen 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, indien het lozen plaatsvindt: a. vanuit een inrichting, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b. anders dan vanuit een inrichting in de zin van artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

  39. Artikel 6.1c* Op de voorbereiding van een beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing.

  40. Artikel 6.1c Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen waaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen plaatsvinden in het kader van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  41. Artikel 6.2 Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat: a. in een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet wordt bepaald dat zij geldt voor een bij die vergunning vast te stellen termijn van ten hoogste een bij die regeling vast te stellen aantal jaren; b. het bevoegd gezag met een bij die regeling vast te stellen frequentie beziet of een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet nog toereikend is, gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  42. Artikel 6.3 Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling emissiegrenswaarden worden vastgesteld voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk. Bij die regeling kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van het meten van die stoffen.

  43. Artikel 6.3a [Vervallen per 01-01-2013] § 3. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen

  44. Artikel 6.4 [Vervallen per 01-03-2014]

  45. Artikel 6.5 [Vervallen per 01-03-2014]

  46. Artikel 6.6 [Vervallen per 01-03-2014]

  47. Artikel 6.7 [Vervallen per 01-03-2014] § 4. Verontreinigende handelingen in het zeegebied

  48. Artikel 6.8 1 Een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 van de wet kan slechts worden verleend in overeenstemming met het Protocol en het Verdrag. 2 Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en tweede en derde lid, van de wet, zijn vrijgesteld handelingen die noodzakelijk zijn voor de veiligheid van mensenlevens of voor de veiligheid van vaartuigen, luchtvaartuigen of op de zeebodem opgerichte werken in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor vaartuigen, luchtvaartuigen of op de zeebodem opgerichte werken, mits: a. het ernaar uitziet dat de handeling de enige oplossing is om de dreiging af te wenden; b. door de handeling naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt; en c. de handeling zodanig geschiedt dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. 3 In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, maakt de kapitein van het vaartuig of de gezagvoerder van het luchtvaartuig van het voorval melding in het scheepsdagboek of het journaal. Tevens doet hij van dit voorval onverwijld mededeling aan Onze Minister. 4 Het derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing op de gebruiker van een op de zeebodem opgericht werk.

  49. Artikel 6.9 1 Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing, indien: a. de aanvraag betrekking heeft op het in het buitenland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig nemen van stoffen, met het oogmerk die stoffen te storten; en b. de Staat op wiens grondgebied dat aan boord nemen geschiedt, partij is bij het Protocol of het Verdrag. 2 Voorts kan Onze Minister bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn indien de aanvraag betrekking heeft op stoffen waarvan door een ongewoon voorval de afvoer op korte termijn nodig is.

  50. Artikel 6.10 1 Degene aan wie gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven met het oogmerk deze te doen storten is verplicht elke zodanige afgifte te melden aan de krachtens artikel 10.40 van de Wet milieubeheer aangewezen instantie. Op de melding zijn de regels die zijn vastgesteld krachtens artikel 10.41 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing. 2 Het is een persoon als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid verboden gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer worden verstrekt. § 5. Onttrekkingen en infiltraties

  51. Artikel 6.10a 1 Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder b, van de wet, grondwater te onttrekken of water te infiltreren onder oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, voor zover dat beheer inhoudt het uitvoeren en handhaven van bij of krachtens de wet gestelde regels ten aanzien van peilbesluiten of het brengen van water in of het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen (waterkwantiteitsbeheer). 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is voor daarbij aan te wijzen categorieën van gevallen waarin het onttrekken of infiltreren een daarbij vastgestelde hoeveelheidsgrens niet overschrijdt.

  52. Artikel 6.11 1 Degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet, artikel 6.10a of een verordening van het waterschap, meldt dit bij het bevoegd gezag. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die bij de melding worden verstrekt. 2 Degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het bevoegd gezag in de voorschriften van de vergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water of, indien geen vergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. 3 Degene die water infiltreert, meet de kwaliteit van dat water volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. 4 Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, wordt opgave gedaan aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. 5 Bij provinciale verordening, voor zover het betreft het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet, dan wel bij verordening van het waterschap, voor zover het betreft het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water in andere gevallen dan bedoeld in dat artikel, kunnen gevallen worden aangewezen waarin de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, niet gelden. § 5a. Het installeren en in werking hebben van een open bodemenergiesysteem

  53. Artikel 6.11a 1 Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet voor het onttrekken van grondwater voor een open bodemenergiesysteem de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 6.11b tot en met 6.11g. 2 Bij ministeriële regeling kunnen ter bescherming van de in artikel 2.1 van de wet bedoelde doelstellingen en belangen nadere regels worden gesteld indien dit wenselijk is in het belang van een goede uitvoering van deze paragraaf.

  54. Artikel 6.11b 1 De temperatuur van het grondwater dat door een open bodemenergiesysteem in de bodem wordt teruggebracht, bedraagt niet meer dan 25°C. 2 In afwijking van het eerste lid kan in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie een hogere temperatuur worden toegestaan, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet.

  55. Artikel 6.11c 1 Een open bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikneming een moment waarop geen sprake is van een warmteoverschot en herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt. 2 Van een warmteoverschot is sprake indien de totale hoeveelheid warmte groter is dan de totale hoeveelheid koude, die, uitgedrukt in MWh, vanaf de datum van ingebruikneming door het systeem aan de bodem zijn toegevoegd. 3 In afwijking van het eerste lid kan ten behoeve van een doelmatig gebruik van bodemenergie het koudeoverschot dat het systeem mag veroorzaken worden beperkt. 4 In afwijking van het eerste lid kan ten behoeve van een doelmatig gebruik van bodemenergie een warmteoverschot worden toegestaan, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet. 5 Indien de hoeveelheid warmte en de hoeveelheid koude die vanaf de datum van ingebruikneming door het systeem aan de bodem zijn toegevoegd, zodanig van elkaar verschillen dat het niet aannemelijk is dat aan het eerste of derde lid kan worden voldaan, wordt op verzoek van het bevoegd gezag binnen drie maanden een plan van aanpak ingediend waarin is vastgelegd op welke wijze en binnen welke termijn aan het eerste lid, onderscheidenlijk derde lid, zal worden voldaan. Nadat het bevoegd gezag daarmee heeft ingestemd, maakt het plan van aanpak deel uit van de vergunning.

  56. Artikel 6.11d 1 Met betrekking tot het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem wordt een registratie bijgehouden die de volgende gegevens bevat: a. de temperatuur van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggebracht; b. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum van ingebruikneming aan de bodem zijn toegevoegd, op zodanige wijze dat daaruit de data kunnen worden afgelezen, waarop aan artikel 6.11c is voldaan; c. het energierendement dat jaarlijks vanaf de datum van ingebruikneming is behaald. 2 De geregistreerde gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar toegezonden aan het bevoegd gezag.

  57. Artikel 6.11e Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een open bodemenergiesysteem vindt plaats overeenkomstig de daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocumenten door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

  58. Artikel 6.11f 1 Het voornemen om het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem te beëindigen, wordt ten minste vier weken voor de beëindiging aan het bevoegd gezag gemeld. 2 Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het gebruik van een open bodemenergiesysteem wordt het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.

  59. Artikel 6.11g 1 Het ontwerp van een open bodemenergiesysteem is afgestemd op aard en omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet. 2 Een open bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik en goed onderhoud kan worden behaald. 3 Indien een open bodemenergiesysteem een energierendement levert dat lager is dan in de vergunningaanvraag voor de installatie is opgegeven, kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen om binnen een daarbij bepaalde termijn onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of wordt voldaan aan het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid. 4 Indien uit het onderzoek, bedoeld in het derde lid, blijkt dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen om binnen een daarbij bepaalde termijn de daarbij aangegeven maatregelen te treffen teneinde te voldoen aan het eerste lid, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, onderscheidenlijk het tweede lid. 5 Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden met betrekking tot het energierendement dat een open bodemenergiesysteem ten minste moet leveren.

  60. Artikel 6.11h 1 Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning zodanige voorschriften dat het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem niet leidt tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem, indien: a. het een open bodemenergiesysteem betreft waarvoor een vergunning is verleend krachtens artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, of dat aan het bevoegd gezag is gemeld krachtens artikel 6.6 van die wet; b. het een gesloten bodemenergiesysteem betreft dat aan het bevoegd gezag is gemeld overeenkomstig artikel 1.10 juncto artikel 1.21a, eerste of derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel artikel 1.10a, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

  61. Artikel 6.11i 1 Met betrekking tot de onderwerpen die in de artikelen 6.11b tot en met 6.11h zijn geregeld, verbindt het bevoegd gezag geen andere voorschriften aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, dan de voorschriften die daaraan moeten worden verbonden krachtens die artikelen. 2 Het bevoegd gezag kan aan de vergunning in aanvulling op de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 6.11b tot en met 6.11h, met betrekking tot onderwerpen die in die artikelen niet zijn geregeld, andere voorschriften verbinden ter bescherming van de in artikel 2.1 van de wet bedoelde doelstellingen en belangen. 3 De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede inhouden de verplichting om met betrekking tot een bodemenergiesysteem het verrichten van handelingen te melden, metingen of berekeningen uit te voeren, gegevens bij te houden en daarvan opgave te doen aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan. § 6. Gebruik van rijkswaterstaatswerken

  62. Artikel 6.12 1 Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. werken te maken of te behouden; b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het bouwen van bouwwerken, voor zover de oppervlakte daarvan niet meer dan 30 m2 bedraagt; b. het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding; c. het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken, voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht; d. het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan, mits deze niet boven het oeverland uitsteken, en het ten behoeve van de uitvoering van die werken storten, plaatsen of neerleggen van vaste substanties of voorwerpen; e. het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in rijkswateren, met uitzondering van de rijkswateren of delen van rijkswateren die zijn aangewezen bij ministeriële regeling; f. bij ministeriële regeling aan te wijzen activiteiten van ondergeschikt belang voor de veilige en doelmatige functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk; en g. ontgrondingen. 3 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat voor daarbij aan te wijzen categorieën oppervlaktewaterlichamen het tweede lid niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen bouwwerken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b.

  63. Artikel 6.13 1 Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van de Noordzee door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. de bodem op te hogen of te verharden of land aan te winnen; b. suppleties of andere handelingen die een landwaartse verplaatsing van de kustlijn tot gevolg kunnen hebben uit te voeren, anders dan op grond van artikel 2.7 van de wet; c. installaties of kabels en leidingen te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; d. te bouwen. 2 Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onderdelen c en f, is van overeenkomstige toepassing.

  64. Artikel 6.14 1 Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van waterkeringen in beheer bij het Rijk of van een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2 Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onderdelen c en f, is van overeenkomstige toepassing.

  65. Artikel 6.15 1 Degene die gebruik maakt van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk of een waterkering in beheer bij het Rijk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen, waarvoor geen vergunning krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 vereist is, draagt zorg voor: a. een zodanige situering en uitvoering van de handelingen dat geen nadelige gevolgen optreden voor het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam of het bijbehorende kunstwerk, dan wel de waterkering of een daartoe behorende beschermingszone, overeenkomstig de daaraan toegekende functies, voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam en voor het kustfundament; b. het voorkomen van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam; en c. een zo gering mogelijke waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik, alsmede het compenseren van resterende onvermijdbare waterstandseffecten. 2 Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval uitgevoerd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op: a. het compenseren van waterstandseffecten of van de afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam, alsmede de financiering en tijdige realisatie van deze compensatie; b. het melden en registreren van gegevens ten aanzien van het gebruik en de opgave daarvan aan Onze Minister. 3 Bij de in het tweede lid bedoelde regeling kan worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te wijzen aspecten van het gebruik aan de gebruiker voorschriften kan opleggen ter uitwerking van de in dat lid bedoelde regels. Daarbij kan worden bepaald dat de voorschriften kunnen afwijken van die regels.

  66. Artikel 6.16 1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de in bijlage IV bij dit besluit aangewezen gebieden binnen de begrenzing van de rivieren. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voor andere waterstaatswerken dan de rivieren gebieden worden aangewezen waarop, vanwege het ondergeschikte waterstaatkundige belang van die gebieden, deze paragraaf niet van toepassing is. § 6a. Windparken op zee

  67. Artikel 6.16a Deze paragraaf is van toepassing in de territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone.

  68. Artikel 6.16b 1 Indien bij of krachtens deze paragraaf is bepaald dat een maatregel ter bescherming van de Noordzee moet worden getroffen, kan een andere maatregel worden getroffen, indien Onze Minister heeft beslist dat met die maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van de Noordzee wordt bereikt. 2 Diegene die het voornemen heeft om een andere maatregel te treffen dient daartoe bij Onze Minister een aanvraag in, welke gegevens bevat waaruit blijkt dat met die andere maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van de Noordzee wordt bereikt. 3 Onze Minister beslist binnen acht weken over de gelijkwaardigheid van een andere maatregel. Onze Minister kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

  69. Artikel 6.16c

  70. Artikel 1.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is van overeenkomstige toepassing op bij of krachtens deze paragraaf gestelde regels.

  71. Artikel 6.16d 1 De exploitant meldt het voornemen tot het oprichten of veranderen van een windpark ten minste acht weken voor de aanvang van de bouwperiode aan Onze Minister en verstrekt daarbij de volgende gegevens: a. de locatie en het ontwerp van de turbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark; b. het tracé van de exportkabel en de van het windpark deeluitmakende kabels; c. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het ontwerp van de windturbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark voldoet aan de in artikel 6.16g, eerste lid, gestelde eisen; d. een beschrijving van de aan te brengen veiligheidsvoorzieningen en de plaatsing daarvan aan de windturbines en andere installaties in overeenstemming met artikel 6.16h; e. een plan als bedoeld in artikel 6.16e, derde lid, met betrekking tot de aanleg van het windpark; f. een plan als bedoeld in artikel 6.16k, tweede lid. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden gemeld. 3 Wijzigingen met betrekking tot werkzaamheden waarop het plan, bedoeld in het eerste lid, onder e, betrekking heeft, worden ten minste vier weken voor de verrichting van de desbetreffende werkzaamheden gemeld aan Onze Minister. 4 De exploitant verstrekt aan Onze Minister binnen drie maanden na het aanbrengen van de funderingen de gegevens van de feitelijke positie van de funderingen en de overige van het windpark deel uitmakende voorzieningen. 5 De exploitant verstrekt aan Onze Minister binnen drie maanden na de aanleg van een exportkabel de gegevens van de feitelijke ligging van de kabel. 6 De in dit artikel bedoelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt voor zover de exploitant die gegevens reeds aan Onze Minister heeft verstrekt.

  72. Artikel 6.16e 1 Bij het verrichten van werkzaamheden in het kader van de aanleg, het onderhoud of het verwijderen van een windpark of van een exportkabel worden maatregelen genomen ter voorkoming van het optreden van nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van de zee. 2 Het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid gebeurt zodanig dat in de zeebodem aanwezige leidingen en kabels niet worden beschadigd. 3 De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens een door de exploitant opgesteld plan, dat tenminste de volgende gegevens bevat: a. een omschrijving van de werkzaamheden; b. een tijdschema voor het uitvoeren van de werkzaamheden; c. een opgave van de bij de werkzaamheden in te zetten vaartuigen; en d. een beschrijving van de maatregelen om het scheepvaartverkeer te waarschuwen. 4 Indien bij het verrichten van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden ernstige nadelige gevolgen voor het veilig of doelmatig gebruik van de zee dreigen op te treden of zijn opgetreden, wordt hiervan onmiddellijk mededeling gedaan aan Onze Minister en het Kustwachtcentrum.

  73. Artikel 6.16f 1 Indien bij de oprichting van een windpark of bij andere werkzaamheden met betrekking tot windturbines in de Nederlandse exclusieve economische zone een archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet of een vermoedelijk archeologisch monument wordt gevonden of een archeologische vondst als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangetroffen, is artikel 5.10 van de Erfgoedwet van toepassing en zijn de artikelen 56, 58, eerste lid, en 59 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van overeenkomstige toepassing. 2 De exploitant stelt de gegevens voortvloeiend uit onderzoek naar de aanleg van een windpark ter beschikking aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor zover die gegevens informatie kunnen verschaffen over de aanwezigheid van archeologische monumenten dan wel vermoedelijke archeologische monumenten in of op de bodem van de territoriale zee of de Nederlandse exclusieve economische zone.

  74. Artikel 6.16g 1 Een windturbine alsmede een andere installatie die deel uitmaakt van een windpark is voldoende sterk om de als gevolg van windsterkte, golfslag, zeestroming en gebruik van de turbine te verwachten krachten te weerstaan. 2 De exploitant verstrekt ten minste vier weken voor de ingebruikname van het windpark aan Onze Minister een verklaring dat de constructie en de bouw van de windturbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark voldoen aan het eerste lid. 3 Een verklaring als bedoeld in het tweede lid wordt opgesteld door een onafhankelijke deskundige die toetst aan een in de praktijk beproefd stelsel van normen die betrekking hebben op het ontwerp van installaties in een windpark. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verklaring als bedoeld in het tweede lid.

  75. Artikel 6.16h 1 Een windpark is ter waarborging van de veiligheid van het lucht- en scheepvaartverkeer voorzien van herkenningstekens en bakens. 2 De in het eerste lid bedoelde herkenningstekens en bakens voldoen aan IALA-aanbeveling O-139 (markering van kunstmatige offshore constructies) en aan de door de Britse luchtvaartautoriteit uitgegeven richtlijn CAP 764 (beleid en richtlijnen voor windturbines). 3 De ononderbroken werking van de in het eerste lid bedoelde bakens is gewaarborgd. 4 Het windpark is voorzien van controle-, waarschuwings- en besturingssytemen, inclusief de noodvoorziening voor het zowel ter plaatse als vanaf de wal kunnen bedienen en bewaken van het windpark. 5 De elektrische installaties en de kabels van het windpark voldoen aan NEN 1010, NEN-EN-IEC 61936- 1 en NEN-EN 50522. 6 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de bij de toepassing van dit artikel in acht te nemen tekst van de in dit artikel genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen.

  76. Artikel 6.16i 1 De exploitant zorgt voor een goede staat van onderhoud van het windpark en onderzoekt daartoe periodiek de windturbines en overige voorzieningen, alsmede de veiligheidsvoorzieningen. 2 Onderhoud en onderzoek worden uitgevoerd volgens NEN 3840 en NEN 3140. 3 Indien wordt geconstateerd of het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van het windpark een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, neemt de exploitant passende maatregelen en, indien sprake is van direct gevaar voor de veiligheid van personen, wordt het windpark of het betreffende deel van het windpark onmiddellijk buiten werking gesteld. 4 De exploitant meldt een gebrek als bedoeld in het derde lid onmiddellijk aan Onze Minister. 5 Artikel 6.16h, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  77. Artikel 6.16j 1 Een exportkabel ligt: a. op een diepte van ten minste drie meter in de zeebodem voor dat deel van de kabel dat zich binnen een afstand van drie kilometer vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet, bevindt; b. op een diepte van ten minste één meter in de zeebodem voor dat deel van de kabel dat zich op drie kilometer of meer van de in onderdeel a bedoelde lijn bevindt; c. bij kruising van een vaargeul ten minste één meter beneden de door de beheerder van de vaargeul vastgestelde onderhoudsdiepte. 2 De exploitant onderzoekt periodiek de ligging van een exportkabel.

  78. Artikel 6.16k 1 Indien zich een ongewoon voorval voordoet in of in de nabijheid van een windpark, welke een gevaar oplevert voor het milieu of voor de veiligheid op zee, treft de exploitant passende maatregelen ter bescherming van het milieu of de veiligheid. 2 De exploitant beschikt over een actueel plan dat een beschrijving bevat van de in het eerste lid bedoelde maatregelen. 3 Een plan als bedoeld in het tweede lid, bevat in ieder geval: a. een vermelding van de in te zetten materialen; b. de aanwijzing van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die is belast met het verrichten van de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden; en c. de aanwijzing van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die is belast is met het toezicht op het verrichten van de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden. 4 De exploitant meldt een ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid onmiddellijk aan Onze Minister en het Kustwachtcentrum. 5 Onze Minister kan in geval van gevaar voor de veiligheid van personen een bevel geven tot het stil leggen van het windpark. 6 De exploitant verstrekt een plan binnen vier weken na actualisatie daarvan aan Onze Minister.

  79. Artikel 6.16l 1 Een niet meer in gebruik zijnd windpark of een niet meer in gebruik zijnde exportkabel wordt verwijderd. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op schroot en ander materiaal, dat ter plaatse of in de naaste omgeving is terechtgekomen bij het plaatsen, het onderhoud, het gebruik of het verwijderen van het windpark. 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien op grond van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de wet, een vergunning is verleend. 4 Onze Minister kan in een voorschrift bepalen dat, in afwijking van het eerste lid, een exportkabel geheel of gedeeltelijk niet wordt verwijderd, indien verwijdering zou leiden tot schade aan het milieu of aan ander rechtmatig gebruik van de zeebodem. 5 Onze Minister kan een termijn vaststellen, waarbinnen aan de verplichting tot verwijdering moet zijn voldaan. 6 De exploitant verstrekt een plan als bedoeld in artikel 6.16e, derde lid, dat betrekking heeft op de verwijdering van een windpark of een exportkabel ten minste vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden. 7 Nadat een windpark, kabels en schroot en ander materiaal zijn verwijderd, doet de exploitant daarvan onmiddellijk mededeling aan Onze Minister en overlegt daarbij gegevens waaruit dit blijkt. § 7. Brengen of onttrekken van water

  80. Artikel 6.17 Het is in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk.

  81. Artikel 6.18 1 Degene die water brengt in of onttrekt aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning krachtens artikel 6.17 is vereist, draagt zorg voor een zodanige situering en uitvoering van deze handelingen dat geen nadelige gevolgen optreden voor de ecologische toestand van dat oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer. 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te wijzen aspecten aan degene die water brengt in of onttrekt aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk voorschriften kan opleggen ter uitwerking van het eerste lid. 3 In geval van een watertekort of dreigend watertekort kan Onze Minister verbieden water te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. Dit besluit wordt bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. Zodra de situatie van een watertekort of dreigend watertekort is geëindigd, trekt Onze Minister het verbod in en maakt dat onverwijld bekend door plaatsing in de Staatscourant.

  82. Artikel 6.19 Degene die water brengt in of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.17, doet daarvan in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen melding aan Onze Minister, volgens bij die regeling te stellen regels. Bij de regeling kunnen mede regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren van metingen, het registreren van gegevens en het doen van opgave daarvan aan Onze Minister. § 8. Nadere bepalingen omtrent de watervergunning

  83. Artikel 6.20 1 Een aanvraag om een watervergunning kan langs elektronische weg worden ingediend. 2 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

  84. Artikel 6.21 1 Indien een aanvraag niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier. Het bevoegd gezag stelt op verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking. 2 Het bevoegd gezag bepaalt het aantal exemplaren dat van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden wordt ingediend, met een maximum van vier.

  85. Artikel 6.22 1 In afwijking van artikel 2:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst. 2 Indien een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend, worden de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden eveneens langs elektronische weg verstrekt. De aanvrager kan de gegevens en bescheiden op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend, alsmede met betrekking tot het beheer van de in de voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opgenomen gegevens en bescheiden.

  86. Artikel 6.23 1 Onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de betrokken handelingen. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden behoeven niet te worden verstrekt voor zover: a. de aanvrager die gegevens of bescheiden reeds aan het bevoegd gezag heeft verstrekt en het bevoegd gezag over die gegevens of bescheiden beschikt, of b. het bevoegd gezag heeft beslist dat verstrekking van die gegevens of bescheiden niet nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag. 3 De gegevens en bescheiden worden door de aanvrager gekenmerkt als behorende bij de aanvraag. Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen § 1. Grondwaterheffing

  87. Artikel 7.1 Van grondwaterheffing zijn vrijgesteld onttrekkingen van grondwater: a. door of vanwege overheidslichamen ten behoeve van de vervulling van taken op grond van de wet; b. ten behoeve van een bodemenergiesysteem door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en het water vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken van grondwater ingevolge de wet is verleend; c. ten behoeve van een bodem- of grondwatersaneringsproject; d. ten behoeve van landijsbanen; e. ten behoeve van de ontwatering of afwatering van gronden; f. door middel van een oevergrondwaterwinning.

  88. Artikel 7.2 1 De in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van de wet bedoelde onderzoekingen bestaan uit: a. onderzoekingen betreffende het grondwaterregime in de provincie, voor zover deze rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de totstandkoming en de uitvoering van het regionale waterplan in verband met het onttrekken van grondwater dan wel het infiltreren van water in de bodem; b. onderzoekingen naar de samenhang tussen het in onderdeel a bedoelde grondwaterregime en de daarbij betrokken belangen. 2 De kosten van de in het eerste lid bedoelde onderzoekingen, welke kunnen worden aangemerkt als de kosten, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van de wet, zijn de kosten van: a. het verkrijgen en bewerken van gegevens betreffende de geohydrologische gesteldheid van de provincie; b. het inventariseren van de bij het grondwaterregime betrokken belangen; c. de bijdragen aan onderzoeksprogramma's direct verband houdende met de totstandkoming en de uitvoering van de onderzoekingen; d. het verkrijgen en bewerken van gegevens betreffende de samenhang tussen het grondwaterregime en de daarbij betrokken belangen; e. het personeel voor zover dat de onderzoekingen en de begeleiding daarvan rechtstreeks uitvoert; f. de publicatie van de resultaten van de onderzoekingen. § 2. Subsidiëring maatregelen waterkeringen

  89. Artikel 7.3 De maatregelen, bedoeld in artikel 7.23, vijfde lid, van de wet, zijn vermeld in bijlage V bij dit besluit.

  90. Artikel 7.4 De andere dan primaire waterkeringen, bedoeld in artikel 7.24, vijfde lid, onderdeel c, van de wet, zijn vermeld in bijlage VI bij dit besluit. Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen § 1. Overgangsbepalingen

  91. Artikel 8.1 De maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die zijn opgenomen in een plan als bedoeld in de artikelen 4.1, 4.4 of 4.6 van de wet dat betrekking heeft op de jaren 2010 tot 2015, dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te zijn.

  92. Artikel 8.1a 1 De initiële beoordeling, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, wordt door Onze Ministers vastgesteld en is uiterlijk op 13 juli 2012 uitgevoerd. 2 De goede milieutoestand, de milieudoelen en bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 2° respectievelijk 3°, worden uiterlijk op 13 juli 2012 door Onze Ministers vastgesteld. De goede milieutoestand, bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, onderdeel a, wordt uiterlijk 31 december 2020 bereikt onverminderd de gevallen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie. 3 Het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 4°, wordt uiterlijk op 15 juli 2014 door Onze Ministers vastgesteld. Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kan bij ministeriële regeling een ander tijdstip van vaststelling worden bepaald. 4 De informatie met betrekking tot beschermde mariene gebieden, bedoeld in artikel 13, zesde lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie, wordt uiterlijk 31 december 2013 door Onze Ministers ter inzage gelegd.

  93. Artikel 8.1b Het nationale waterplan omvat uiterlijk op 31 maart 2021 een maritiem ruimtelijk plan.

  94. Artikel 8.2 De eerste overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied worden uiterlijk op 22 december 2015 vastgesteld.

  95. Artikel 8.3 1 Een opgave van een inrichting als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Grondwaterwet, dan wel een melding als bedoeld in artikel 15b van de Grondwaterwet, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4 van de wet, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid. 2 Besluiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of artikel 5, derde lid, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 11 en 12 Grondwaterwet, genomen door gedeputeerde staten voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4 van de wet, worden gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6.11, tweede lid, genomen door het bevoegd gezag. 3 Gedeputeerde staten dragen de archiefbescheiden die betrekking hebben op onttrekkingen en infiltraties, waarvoor het dagelijks bestuur van het waterschap ingevolge een verordening als bedoeld in artikel 6.13 van de wet dan wel een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6.5, onder b, van de wet bevoegd gezag is geworden, over aan dat dagelijks bestuur. 4 Het derde lid geldt niet voor bescheiden die overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

  96. Artikel 8.4 1 Van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor handelingen als bedoeld in de artikelen 6.12, tweede lid, 6.13, tweede lid en 6.14, tweede lid, die direct voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen in werking en onherroepelijk is, worden de voorschriften aangemerkt als voorschriften, gesteld krachtens artikel 6.15, derde lid, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van voorschriften krachtens dat artikel. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend en onherroepelijk is geworden. 3 Een vergunning voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken door of vanwege de beheerder, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6 van hoofdstuk 6 in werking en onherroepelijk is overeenkomstig artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, wordt, in afwijking van de artikelen 6.12, tweede lid, 6.13, tweede lid en 6.14, tweede lid, gelijkgesteld met een vergunning krachtens het eerste lid van die artikelen. Artikel 5.4 van de wet is niet van toepassing op de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk in overeenstemming met die vergunning. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend en onherroepelijk is geworden. 5 Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk waarop artikel 2.16 of artikel 2.16a van de Invoeringswet Waterwet van toepassing is.

  97. Artikel 8.5 Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.20, tweede lid, wordt in artikel 6.21, tweede lid, in plaats van «ten hoogste vier» gelezen: ten hoogste acht.

  98. Artikel 8.6

  99. Artikel 2.25, tweede tot en met vierde lid, van de Invoeringswet Waterwet is van overeenkomstige toepassing op een vergunning krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die overeenkomstig het eerste lid van artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet onherroepelijk is geworden na het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de wet.

  100. Artikel 8.7 1 Indien door de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling, een provinciale verordening of een verordening van een waterschap de betrokkenheid van het bestuursorgaan, dat met toepassing van artikel 6.17 van de wet als bevoegd gezag een watervergunning heeft verleend, bij die watervergunning eindigt, wordt die watervergunning met betrekking tot de resterende vergunningplichtige handeling of handelingen gelijkgesteld met een watervergunning, verleend door het bestuursorgaan dat voor die handeling of handelingen, zo nodig met overeenkomstige toepassing van artikel 6.17 van de wet, bevoegd gezag is. 2 Het overeenkomstig het eerste lid bepaalde bevoegd gezag deelt aan de vergunninghouder mede dat hij bevoegd gezag is voor de watervergunning.

  101. Artikel 8.7a Voor zover artikel 6.12 van toepassing is in gedeelten van het rivierbed doordat tengevolge van dit besluit zoals dat luidde op 22 december 2009 begrenzingen, gebiedsaanwijzingen of andere beperkingen op het vereiste van een vergunning krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, zoals die wet luidde vóór genoemde datum, zijn gewijzigd of vervallen, is met ingang van genoemde datum dat artikel niet van toepassing op gedragingen waarvoor op de genoemde datum een eerder verleende vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, zoals die wet luidde op die datum, onherroepelijk was.

  102. Artikel 8.7b De artikelen 6.1c en 6.11a tot en met 6.11i van dit besluit zijn niet van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen gedane aanvraag om een vergunning dan wel verzoek om wijziging van een vergunning of van de daaraan verbonden voorschriften als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet. § 2. Slotbepalingen

  103. Artikel 8.8 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  104. Artikel 8.9 Dit besluit wordt aangehaald als: Waterbesluit. Origineel slotformulier en ondertekening Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 30 november 2009 Beatrix De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, J. C. Huizinga-Heringa Uitgegeven de achttiende december 2009 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Bijlage I. Onderlinge grenzen stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde (Bijlage bij artikel 1.2 van het Waterbesluit) Bijlage Ia. Rijksdriehoekscoördinaten begrenzingen en veiligheidsnormen dijkdelen (Bijlage bij artikel 2.2a, eerste en derde lid, van het Waterbesluit) Dijkdeel Beginpunt voor de Eindpunt voor de Gemiddelde overschrijdingskans toepassing van artikel toepassing van artikel per jaar als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid 2.2a, eerste lid 2.2a, derde lid x y x y 301 128792 483775 129611 482978 1:1000 302 129659 482881 129864 481920 1:1000 303 129864 481920 130159 479715 1:300 304 130174 479697 130148 476448 1:1000 305 130019 476392 129169 471663 1:100 306 129169 471663 128359 466968 1:300 307 128359 466968 128201 464837 1:100 308 128202 464829 128486 463324 1:300 309 128486 463324 132167 459958 1:300 310 153134 440639 159707 434675 1:100 311 159638 434592 152869 440528 1:100 312 239151 487160 239837 487926 1:100 313 241307 473450 239087 487004 1:100 314 239865 487952 238939 486082 1:100 315 238926 485490 241348 473498 1:100 316 243077 473933 244573 474647 1:100 317 246046 474659 246275 474658 1:100 318 246462 474651 248987 474537 1:100 319 251738 474078 253409 473445 1:100 320 243120 473866 244569 474599 1:100 321 248381 474520 245533 474608 1:100 322 253378 473406 251771 474001 1:100 323 213092 463941 223927 464804 1:100 324 223933 464723 213013 463788 1:100 325 186884 420282 184823 429349 1:100 326 184955 429400 184620 428639 1:100 327 184521 428420 185598 422919 1:100 328 185598 422919 187066 420376 1:100 329 112030 404672 116488 406747 1:100 330 116496 406697 112058 404544 1:100 331 117295 405488 117054 406167 1:100 Dijkdeel Beginpunt voor de Eindpunt voor de Gemiddelde overschrijdingskans toepassing van artikel toepassing van artikel per jaar als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid 2.2a, eerste lid 2.2a, derde lid x y x y 332 120168 404499 127579 400982 1:100 333 127647 400929 129615 399718 1:100 334 129768 399584 121134 404177 1:100 335 130618 399305 131310 399189 1:100 336 131205 399168 130614 399221 1:100 337 134460 398854 134977 398267 1:100 338 135866 396697 136850 393973 1:100 339 136824 393797 136104 395932 1:100 340 139625 391290 141644 390190 1:100 341 141538 390205 139608 391259 1:100 342 142541 389961 148695 390121 1:100 343 148698 390093 142457 389866 1:100 344 159968 390603 161584 390684 1:100 345 161385 390641 159970 390560 1:100 346 162495 390729 167449 391501 1:100 347 167449 391501 168620 391628 1:100 348 167828 391501 162097 390673 1:100 349 169637 391670 170527 391699 1:100 350 170828 391677 170429 391657 1:100 351 150940 409367 149590 408825 1:150 352 151375 416698 154157 410165 1:150 353 153921 410335 151260 416645 1:150 354 151409 410786 153921 410335 1:150 355 154157 410165 154611 409664 1:150 356 156121 408035 151299 410760 1:150 357 154611 409664 156177 408090 1:100 358 159020 406636 163991 403088 1:100 359 163971 403065 159003 406566 1:150 360 165060 402175 168817 398761 1:100 361 168771 398743 165041 402155 1:150 362 168895 398658 171341 395359 1:100 Dijkdeel Beginpunt voor de Eindpunt voor de Gemiddelde overschrijdingskans toepassing van artikel toepassing van artikel per jaar als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid 2.2a, eerste lid 2.2a, derde lid x y x y 363 170683 396187 168852 398636 1:150 364 171314 395339 170683 396187 1:100 365 172151 394255 175432 389212 1:100 366 172983 392466 172117 394234 1:100 367 171497 391884 172943 392366 1:100 368 173416 390588 171603 391880 1:100 369 175295 389374 173447 390592 1:100 370 176341 386361 176863 380897 1:100 371 175941 383990 176281 386350 1:100 372 176664 381605 175911 383970 1:100 373 176878 380802 178613 378627 1:100 374 178599 378588 176840 380798 1:100 375 178705 378537 179811 373544 1:100 376 179607 375209 178691 378502 1:100 377 179799 373543 179674 374611 1:100 378 179835 373451 180063 371335 1:100 379 180040 371333 179802 373449 1:100 380 180080 371231 180390 368448 1:100 381 180408 367943 180047 371227 1:100 382 191070 370900 193614 372279 1:100 383 190871 370791 191053 370894 1:100 384 189706 370139 190837 370777 1:100 385 193614 372279 189706 370139 1:100 386 181122 365499 189636 370083 1:100 387 189636 370083 181110 365406 1:100 388 181066 365179 181143 365048 1:100 389 181021 364977 180804 365012 1:100 390 174664 361849 180317 364908 1:100 391 180322 364897 177181 363247 1:100 392 168677 358598 174572 361798 1:100 393 174580 361785 168709 358585 1:100 Dijkdeel Beginpunt voor de Eindpunt voor de Gemiddelde overschrijdingskans toepassing van artikel toepassing van artikel per jaar als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid 2.2a, eerste lid 2.2a, derde lid x y x y 394 183167 361613 188117 354091 1:100 395 188066 354010 183113 361586 1:100 396 189260 350012 184840 341596 1:100 397 182474 335555 189057 350009 1:100 398 183939 338580 182526 335527 1:100 399 180540 330392 181548 333206 1:100 400 179309 325211 180912 328765 1:100 401 178666 324029 178801 324304 1:100 402 180966 328729 177982 322507 1:100 403 177812 322133 177161 320677 1:100 404 45856 372704 49373 365467 1:300 405 46671 368308 45480 371927 1:100 406 44147 359119 46671 368308 1:300 407 49374 365468 44422 359397 1:100 408 149547 408913 150894 409506 1:150 409 125661 486553 125680 486422 1:100 410 125680 486422 128487 483809 1:1000 411 128487 483809 128584 483724 1:100 412 128584 483724 129911 479711 1:300 413 129911 479711 129906 479689 1:1000 414 129906 479689 128445 468143 1:300 415 128445 468143 128439 468129 1:1000 416 128439 468129 128081 464855 1:300 417 128081 464855 128083 464844 1:1000 418 128083 464844 130818 460898 1:100 419 133679 456818 136131 448171 1:100 420 133361 413838 135436 409642 1:150 421 74724 385149 77269 376894 1:100 Bijlage Ib. Weergave dijkdelen (Bijlage bij artikel 2.2a, tweede lid, van het Waterbesluit) Bijlage II. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer (Bijlage bij de artikelen 1.1 en 3.1 van het Waterbesluit) 1. Hoofdwateren a. de zee, grote estuaria en daarmee verbonden wateren – de territoriale wateren en de Nederlandse exclusieve economische zone van de Noordzee; – Waddenzee; – Eems, Dollard; – Westerschelde, Kanaal van Gent naar Terneuzen; – Oosterschelde, Kanaal door Zuid-Beveland; – Grevelingenmeer; – Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal, Schelde-Rijnverbinding; – Hollandsch Diep, Haringvliet, Wantij, Vlij, Rietbaan, Strooppot; b. het IJsselmeer en daarmee verbonden wateren – IJsselmeer (met inbegrip van Ketelmeer en Zwarte Meer), Buiten-IJ, Markermeer (met inbegrip van Gouwzee en IJmeer), Randmeren (met inbegrip van Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer, Drontermeer en Vossemeer); c. de Rijn en daarmee verbonden wateren – Pannerdensch Kanaal, Nederrijn, Lek, Nieuwe Maas, Nieuwe Waterweg, Maasmond, Calandkanaal, Breediep, Hollandsche IJssel van Krimpen aan de IJssel tot de Waaiersluis bij Gouda; – Beneden Merwede, Noord, Dordtsche Kil, Oude Maas, Spui; – Lekkanaal, Amsterdam-Rijnkanaal, Afgesloten IJ, Noordzeekanaal, Buitenhaven van IJmuiden; – Boven-Rijn, Bijlandsch Kanaal, Waal, Boven Merwede, Nieuwe Merwede; d. de IJssel en daarmee verbonden wateren – IJssel; – Twentekanalen; – Zwarte Water, Zwolle-IJsselkanaal; – Reevediep; e. de Maas en daarmee verbonden wateren – Maas, Verbindingskanaal Bossche Veld, Afleidingskanaal Maastricht, Zuid-Willemsvaart (Limburgse tak), Bergsche Maas, Heusdensch Kanaal, Afgedamde Maas, Amer, Brabantse, Dordtsche en Sliedrechtse Biesbosch; – Julianakanaal, Lateraal kanaal, Maas-Waalkanaal, Kanaal van St. Andries; – Wilhelminakanaal, met inbegrip van de Amertak, Zuid-Willemsvaart (Brabantse tak), Máximakanaal, Kanaal Wessem-Nederweert. 2. Andere wateren dan hoofdwateren 2.1. in de provincie Groningen: – alle in het Groningse deel van het Lauwersmeergebied gelegen oppervlaktewaterlichamen; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; – Eemskanaal; – Van Starkenborghkanaal. 2.2. in de provincie Friesland: – alle in het Friese deel van het Lauwersmeergebied gelegen oppervlaktewaterlichamen; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; – Prinses Margrietkanaal. 2.3. in de provincie Drenthe: – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.4. in de provincie Overijssel: – het Meppelerdiep; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.5. in de provincie Gelderland: – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.6. in de provincie Utrecht: – het Merwedekanaal; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.7. in de provincie Noord-Holland: – de Muidertrekvaart vanaf het Amsterdam-Rijnkanaal tot aan de schotbalkkering; – de Diemen aan de oostzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal; – het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep); – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.8. in de provincie Zuid-Holland: – het Vuile Gat in het Haringvliet; – Mallegat Oost, gelegen bij de splitsing Dordtse kil en Oude Maas; – de zeegeul naar het Haringvliet, genaamd het Slijkgat; – de Sliksloot; – het Zuiderdiepje; – alle inliggende oppervlaktewaterlichamen op Tiengemeten; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.9. in de provincie Zeeland: – het Veerse Meer; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.10. in de provincie Noord-Brabant: – Gekanaliseerde Dieze, Kanaal Engelen-Henriëttewaard, Markkanaal; – de Bakkerskil; – de vaargeul naar de sluis in de Rode Vaart (nabij haven Moerdijk); – de havens, kreken en killen bij Gors d’n Anwas, ter hoogte van Woudrichem; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2.11. in de provincie Limburg – de Noordervaart en de Voedingskanalen van de Zuid-Willemsvaart in Midden-Limburg en Maastricht; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. Bijlage III. Waterkeringen in beheer bij het Rijk (Bijlage bij artikel 3.2 van het Waterbesluit) 1. Primaire waterkeringen – duinwaterkeringen (en aansluitingen) op Ameland, Terschelling en Vlieland; – de Waddenzeedijken op Vlieland; – Afsluitdijk; – Houtribdijk; – Nijkerkersluis; – Roggebotsluis; – Meppelerdiep-keersluis; – Grote Kolksluis; – Spooldersluis; – stormvloedkering Ramspol; – Prinses Beatrixsluizen (Nieuwegein); – Koninginnensluizen (Nieuwegein); – Prinses Irenesluizen (Wijk bij Duurstede); – Prinses Marijkesluizen; inclusief keersluis Ravenswaaij (Rijswijk); – Prins Berhardsluizen (Tiel); – Verbindende kering IJmuiden; – sluizencomplex Schellingwoude (Amsterdam); – Marken; – stormvloedkering Nieuwe Waterweg en Europoortkering I; – Europoortkering II en Hartelkering; – stormvloedkering Hollandsche IJssel; – Haringvlietkering; – Hellegatsdam en Volkeraksluizen; – Biesboschsluis; – Wilhelminasluis en Afsluitdijk Andel; – Brouwersdam; – Oosterscheldekering; – Veersedam; – Zandkreekdam; – Grevelingendam; – Philipsdam; – Krabbenkreekdam; – Oesterdam; – Oostelijke Spuikanaaldijk; – Sluizen Hansweert; – Bathse spuisluis; – waterkering sluizen Terneuzen; – Marksluis; – sluis Empel; – sluis St. Andries; – sluiscomplex Weurt; – sluiscomplex Heumen; – sluis Limmel; – sluis Bosscherveld. 2. Andere dan primaire keringen – regionale keringen Twentekanalen; – Westelijke kanaaldijk Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal tussen Amsterdam en Nieuwegein, vanaf km 1.000 tot en met km 45.000; – oostelijke dijk Amsterdam Rijnkanaal en Lekkanaal; – westelijke dijk Amsterdam Rijnkanaal vanaf splitsing Lekkanaal tot aan Wijk bij Duurstede; – de westelijke en oostelijke dijk langs het Amsterdam Rijnkanaal, gelegen tussen de Lek en de Waal (tussen de Prinses Marijke- en de Prins Bernardsluizen); – waterkeringen langs het Kanaal van Gent naar Terneuzen; – kanaaldijken Zuid-Willemsvaart; – kanaaldijken Máximakanaal; – kanaaldijken Wilhelminakanaal; – kanaaldijken Wessem – Nederweert; – dijk langs A2 bij den Bosch; – kanaaldijken Maas-Waalkanaal (oost en west); – kanaaldijk Kreekrakpolder; – kanaaldijken Julianakanaal (oost en west); – kanaaldijken Noordervaart. Bijlage IV. Gebieden waar paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (Bijlage bij artikel 6.16 van het Waterbesluit) Bijlage V. Maatregelen waarvoor krachtens artikel 7.23, vijfde lid, van de wet subsidie wordt verleend voor honderd procent van de kosten van uitvoering (Bijlage bij artikel 7.3 van het Waterbesluit) Beheerder Naam project Nummer Aard van Te versterken Te project maatregel vakken versterken faalmechanisme dijkpaalnummering in km conform opgave beheerder Hoogheemraadschap Wieringermeerdijk W1-006 STBK 0.00–8.55, 9.80– 16,9 Hollands en omgelegde 17.00, 19.35– Noorderkwartier Stonteldijk 20.50 Hoogheemraadschap Markermeerdijk W2-003 HT, STBI, STMI 0.40/0.60– 13,7 Hollands Enkhuizen-Hoorn 0.64/0.67, 1.90– Noorderkwartier 3.25, 5.0–5.08, 6.7–9.4, 9.9– 12.55, 13.50– 14.20, 14.80– 16.73, 17.80– 18.60, 19.00– 22.00 Hoogheemraadschap Markermeerdijk W2-004/ HT, STBI, STBK, 0.45–1.05, 1.30– 30,8 Hollands Hoorn – Edam – W2-005 STBU, STMI 7.75, 0,00–0.50, Noorderkwartier Amsterdam 1.15–11.20, 0.00– 2.9, 0.00–1.10, 2.55–3.95, 5.40– 15.75, 0.00–1.60, 0.00–1.10, 2.55– 3.95, 5.4–7.00, 14.90–15.75 Hoogheemraadschap Waddenzeedijk W2-036 STBK, HT, STBI, 2.6–7.6, 8.7–13.4, 17,0 Hollands Texel STMI, STPH 14.8–7.1, 17.2– Noorderkwartier 20.6, 23.7–23.9, 25.6–26.6 Hoogheemraadschap Koegraszeedijk W2-080 STPH 3.35–3.45. 3.6– 0,4 Hollands 3.85 Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hoogwaterkering W2-085 HT 25.60–26.50 0,9 Hollands Den Oever Noorderkwartier Hoogheemraadschap Zwakke schakels WZ-001 HT, DA, STBI, 1.20–2.0, 11.23– 13,3 Hollands Noord-Holland / WZ- STBK 12.73, 17.29– Noorderkwartier 002 28.32 Waterschap Dijkversterking W2-028 HT, STBU, STBI, 49.35–51.13 1,8 Hollandse Delta Oostmolendijk bij STMI, STBK, Ridderkerk STVL, STPH Beheerder Naam project Nummer Aard van Te versterken Te project maatregel vakken versterken Waterschap Dijkversterking WN-001 STBI 0.25–0.95, 3.60– 1,1 Hollandse Delta Hellevoetsluis 3.98 Waterschap Dijkversterking Spui WN- STPI, NWO, 54.90–60.30, 8,3 Hollandse Delta Oost 003a STBU, STPH, 60.65–61.28, STMI 63.20–63.50, 65.30–67.30 Waterschap Zettingsvloeiing WN- STVL 16.35–16.50, 6,5 Hollandse Delta Spui 003b 16.75–16.85, 59.50–60.10, 60.65–60.80, 19.00–19.20, 19.40–19.60, 62.78–62.88, 20.50–21.35, 22.30–23.10, 65.53–67.30, 25.00–25.70, 6.30–0.52, 0.52– 0.70 Waterschap Dijkversterking WN-004 STBI, STPH, 14.82–15.05, 4,8 Hollandse Delta Spui-west STVL, HT, STBK, 15.60–15.80, STBU, NWO 19.20–19.50, 20.15–20.30, 21.40–22.82, 24.10–24.27, 24.65–24.85, 24.97–25.71, 26.00–26.15, 26.35–27.55 Waterschap Dijkversterking WN-005 HT, STBI, STMI, 5.00–8.60, 16.30– 6,0 Hollandse Delta Eiland van STBK, STPH, 18.70 Dordrecht Oost NWO Waterschap Dijkversterking WN-007 STBI, STBK, 22.80–23.40, 4,9 Hollandse Delta Eiland van NWO 24.60–24.95, Dordrecht West 24.95–26.10, 26.10–27.40, 27.40–28.90 Waterschap Dijkversterking WN-008 STBI, STPH, 27.5–30.9, 31.9– 11,3 Hollandse Delta Hoeksche Waard STMI, NWO, 32.4, 32.5–36.64, Zuid STBU 41.28–42.6, 43.0– 43.65, 44.7–45.88 Beheerder Naam project Nummer Aard van Te versterken Te project maatregel vakken versterken Waterschap Dijkversterking WN-009 HT, STBI, STPH, 1.88–4.0, 13.53– 4,2 Hollandse Delta Hoeksche Waard STMI, NWO 17.0 Noord Waterschap Merwededijk te W2-042 STBI 241–246 0,5 Rivierenland Werkendam Waterschap Lekdijk – KIS W2-055 STBI 158.10–176.00, 11,0 Rivierenland 179.60–203.15, 209.08–213.00, 218.02–227.00, 240.120–246.10 Waterschap West Zeeuws- WZ-009 HT, STBK, ST, 67.75–70.13, 10,6 Scheldestromen Vlaanderen ZOB aansluit- 70.80–76.60, constructies 78.70–79.95, (instabiliteit) 82.32–83.20 Waterschap Noorderstrand W2-082 DA 0.90–2.10 1,2 Scheldestromen Schouwen Hoogheemraadschap Bergambacht- W1-009 HT, NWO, STBU, G+90–0.00, 0.00– 5,7 van Schieland en de Ammerstol- STBK, STBI 4.9, 5.24–6.0 Krimpenerwaard Schoonhoven (BAS) Hoogheemraadschap Dijkversterking W2-002 STBI, STPH, HT 1.78–1.79, 1.82– 1,4 van Schieland en de Krimpen 1.86, 1.87–1.88, Krimpenerwaard 1.96–1.97, 2.09– 2.13, 2.22–2.24 Wetterskip Fryslân IJsselmeer, W2-014 STBK, STPH 49.70–50.70, 2,7 kleibekleding en 53.00–54.70 pipingmaatregelen Wetterskip Fryslân Waddenzeedijk, W2-030 STBK 19.60–26.20, 13,2 Friese kust 38.3–40.6, 41.7– 42.90, 47.45– 50.00, 57.50– 58.00 Wetterskip Fryslân Ameland, W2-049 Alle 0–16.50 16,5 Waddenzeekering faalmechanismen Beheerder Naam project Nummer Aard van Te versterken Te project maatregel vakken versterken Hoogheemraadschap Kustversterking W2-067 HT, STCG, ST Zandige kering 2,4 van Rijnland Katwijk voor de boulevard Waterschap Vallei & Eemdijken en W2-063 HT, STBI, STPH 5.5–6.2, 7.7–8.0, 22,0 Eem Zuidelijke 8.87–11.97, Randmeren 12.40–12.65, 13.10–21.1, 21.7– 32.95 Hoogheemraadschap Ipenslotersluis en WN-006 STCG nvt Nvt Amstel, Gooi en Diemerdammersluis Vecht Waterschap Aa en Keent en Keent – WN-012 STPH 28.65–28.95, 6,5 Maas Grave 29.05–29.55, 30.05–30.55, 30.85–30.95, 31.05–31.45, 31.65–31.75, 31.85–33,75, 28.65–28.95, 29.05–29.55, 30.05–30.55, 30.85–30.95, 31.05–31.45, 31.65–31.75, 31.85–33,75, 34.05–34.25, 34.65–34.85, 0– 0.45, 0.55–0.75, 1.15–1.25, 1.35– 1.45, 1.55-2.05, 3.25-4.25 Waterschap Aa en Kunstwerken WN-015 STPH, STCO nvt nvt Maas Boxmeer – Grave Waterschap Aa en Boxmeer WN-024 STPH 0.48–0.77 0,3 Maas Waterschap Vlissingen WN-011 HT, GP 31.10–32.30, 2,5 Scheldestromen 32.3–32.5, 32.5– 33.65 Hoogheemraadschap Kustversterking WZ-003 STBK, DA 80.75–82.0 1,3 van Rijnland Noordwijk Beheerder Naam project Nummer Aard van Te versterken Te project maatregel vakken versterken Hoogheemraadschap Nederlekdijk W1-008 HT, STBI, STMI 9.55–13.78, 5,4 van Schieland en de 14.24–15.40 Krimpenerwaard Waterschap Zettingsvloeiing WN-025 STVL 22.30–22.80, 7,8 Hollandse Delta Dordtsche Kil 23.10–23.30, 24.80–27.40, 27.55–28.50, 18.90–19.10, 19.70–20.60, 21.80–23.35, 23.65–24.40 Hoogheemraadschap Scheveningen WZ-004 DA 99,10–101,60 2,5 van Delfland Hoogheemraadschap Delflandse kust WZ-005 DA 102.00–114.00 12,0 van Delfland Legenda Beheerder: het voor het project verantwoordelijke waterschap Naam project: naam waaronder het project bekend is Faalmechanisme: de reden waarom de kering niet aan de norm voldoet en versterkt dient te worden Te versterken vakken: de locatieaanduiding van de te versterken kering op basis van de dijkpaalnummering Te versterken (in km): de totale lengte van de te versterken vakken in kilometers Betekenis afkortingen: DA = Duinafslag STCO = Sterkte van (waterkerende) constructieonderdelen GP = Grensprofiel STMI = Microstabiliteit HT = Hoogte STPH = Piping en heave NWO = Niet-waterkerend object STVL = Stabiliteit voorland STBI = Macrostabiliteit binnenwaarts GEKL = Erosie door golfklap voor gras STBK = Steenbekleding GEOP = Erosie door golfoploop voor gras STBU = Macrostabiliteit buitenwaarts GAF = Afschuiving voor gras STCG = Stabiliteit constructie en grondlichaam Bijlage VI. Andere dan primaire waterkeringen waarvoor krachtens artikel 7.24, vijfde lid, aanhef en onderdeel c, van de wet ter voldoening aan de veiligheidsnormen, bedoeld in artikel 2.4 van de wet, subsidie kan worden verleend (Bijlage bij artikel 7.4 van het Waterbesluit) Beheerder/provincie Segment Beginpunt Eindpunt X Y X Y 1 Hoogheemraadschap 161 122740,82 545194,22 135857,78 531916,80 Hollands Noorderkwartier/ Provincie Noord-Holland 164 126133,87 488522,06 101260,20 499113,15 2 Waterschap Amstel, Gooi en 174 113130,5 489571,7 119962,6 489573,8 Vecht/Provincie Noord-Holland 175 119962,6 489573,8 121339,9 488473,1 176 121339,9 488473,1 121343,4 488459,6 177 121343,4 488459,6 123120,3 486777,7 178 123120,3 486777,7 123134,0 486770,7 179 123134,0 486770,7 123609,5 486594,8 180 123609,5 486594,8 123637,8 486567,6 181 123637,8 486567,6 125638,3 486565,1 3 Hoogheemraadschap De Stichtse 187 133968,0 454536,3 133650,0 454542,9 Rijnlanden/ Provincie Utrecht en provincie Zuid-Holland 189 133617,5 454551,5 124870,1 450959,9 191 124866,2 450957,5 119580,6 448278,7 193 119578,2 448284,8 115430,7 447510,8 195 115424,4 447510,2 114927,0 447469,6 4 Hoogheemraadschap van Rijnland/ 197 114921,0 447468,3 109994,7 447012,1 Provincie Zuid-Holland en provincie Noord-Holland 234 101923,1 497547,8 106683,5 492152,4 236 106692,3 492135,6 106802,6 491987,8 238 106811,5 491981,4 107007,4 491957,6 240 107018,4 491948,7 113027,2 489599,0 242 113045,6 489592,5 113130,5 489571,7 5 Waterschap Zuiderzeeland/ Provincie 92 193556,4 526598,2 191766,4 520315,0 Flevoland en provincie Overijssel 94 191769,3 520304,9 195172,0 519105,5 6 Waterschap Drents Overijsselse Delta/ 139 194604,7 524265,0 193554,8 526598,6 Provincie Overijssel 7 Wetterskip Fryslân/Provincie Friesland 32 191739,3 538887,9 185796,3 535700,1

Decree no. BWBR0026872 containing rules with regard to the management and use of water systems (Water Decree) · Nelum