Skip to content
Nelum
Laws of Netherlands

Decree No. 37 of 1993: Agriculture Quality Geographic Indications, Designation Origin and Certification of Specific Character

Made 1993-12-16 · Text as of 2026-10-01

Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.

About this law

Language
Dutch
Kind
Regulation
Organisation
European Union
Country
Netherlands
Subjects
Food and nutrition
Keywords
food safety and quality, packaging/labelling, international trade, registration
Categories
*

Where to read it

    No source link is recorded for this law.

Text

The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.

  1. 37 Besluit van 16 december 1993, houdende vaststelling van het Landbouwkwaliteitsbesluit geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en specificiteitscertificering Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 19 augustus 1993, nr. J.939620, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens de Minister van Economische Zaken; Gelet op Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geogra fische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen (PbEG L 208) en Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering van landbouwprodukten en levensmiddelen (PbEG L 208), alsmede de artikelen 2, 4, 7, 8 en 9 van de Landbouw kwaliteitswet; Gezien de adviezen van: het Landbouwschap; het Produktschap voor Groenten en Fruit; het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten; het Produktschap voor Vee en Vlees; het Produktschap voor Pluimvee en Eieren; het Produktschap voor Zuivel; het Produktschap voor Vis en Visprodukten; de Verenigde Nederlandse Voedsel- en Agrarische lndustrie; de Stichting Nederlandse Vleeswarencontrole; de Stichting Centraal Orgaan Zuivelcontrole; het Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit; De Raad van State gehoord; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 26 november 1993, nr. J.9316405, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Staatsblad 1994 37 1 wet: Landbouwkwaliteitswet; Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; verordening 2081/92: Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouw produkten en levensmiddelen (Pb EG L 208); verordening 2082/92: Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertifi cering van landbouwprodukten en levensmiddelen (Pb EG L 208); oorsprongsbenaming: benaming als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, derde en vierde lid, van verordening 2081/92; geografische aanduiding: aanduiding als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b van verordening 2081/92; specificiteit: specificiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid van veror dening 2082/92; specificiteitscertificering: de erkenning door de Europese Gemeen schappen van de specificiteit van een produkt door middel van registratie overeenkomstig verordening 2082/92; produktdossier: produktdossier, als bedoeld in artikel 4 van verordening 2081/92, respectievelijk artikel 6 van verordening 2082/92; produkt: landbouwprodukt en levensmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening 2081/92, respectievelijk 2082/92; verhandelen: bedrijfsmatig in voorraad hebben, voorhanden hebben of te koop aanbieden, verkopen of afleveren; groepering: groepering als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van veror dening 2081/92, respectievelijk artikel 2, tweede lid van verordening 2082/92; Commissie: Commissie van de Europese Gemeenschappen; registratie: inschrijving van een geografische aanduiding, oorsprongs benaming danwel specificiteitscertificering in het register bedoeld in artikel 6, derde lid, van verordening 2081/92, respectievelijk artikel 3 van verordening 2082/92. 2. Het bepaalde bij of krachtens dit besluit is niet van toepassing op binnengekomen douanegoederen in de zin van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen. Artikel 2 De bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aandui dingen, alsmede de certificering van de specificiteit van produkten warden verkregen overeenkomstig de bepalingen van verordening 2081/92, respectievelijk 2082/92, alsmede overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit besluit. Artikel 3 1. Het is verboden bij het verhandelen van produkten en bij de reclame voor produkten, een beschermde geografische aanduiding of beschermde oorsprongsbenaming danwel een specificiteitscertificering te bezigen tenzij is voldaan aan de artikelen 2, 3, 4, 12 en 13 van verordening 2081/92, respectievelijk de artikelen 4, 5, 6, 13, 15 en 16 van verordening 2082/92, alsmede aan het bij of krachtens dit besluit bepaalde. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij aanduidingen of vermeldingen die de suggestie wekken dat het betrokken produkt een beschermde geografische aanduiding of beschermde oorsprongs benaming danwel een specificiteitscertificering geniet. Staatsblad 1994 37 2 Artikel 4 1. Onze Minister beslist met inachtneming van de artikelen 2, 3, 4, 5, 9 en 14, derde lid, van verordening 2081/92 respectievelijk de artikelen 4, 5, 6, 7 en 11 van verordening 2082/92, omtrent de doorzending aan de Commissie van aanvragen tot registratie, alsmede omtrent de doorzending aan de Commissie van verzoeken tot wijziging van een produktdossier. 2. Bij ministeriele regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de procedure omtrent: het indienen en beoordelen van de in het eerste lid bedoelde aanvraag tot registratie of verzoeken tot wijziging van een produktdossier; het indienen van bezwaar en het beoordelen van door derde belanghebbenden gemaakte bedenkingen tegen door de Commissie voorgenomen registraties of wijzigingen van een produktdossier. Artikel 5 Onze Minister kan voor de toepassing van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde regels de medewerking vorderen van het Bestuur van het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten. Artikel 6 1. ledere in Nederland gevestigde producent of verwerker van produkten, zijnde een natuurlijke of rechtspersoon, die een aanvraag als bedoeld in artikel 4 wenst in te dienen, sluit zich aan bij: a. de Stichting Centraal Orgaan Zuivelcontrole te Leusden, indien de aanvraag een produkt betreft dat onder de wettelijke controlebevoegdheid van deze controle-instelling valt; b. het Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit te 's-Gravenhage, indien de aanvraag een produkt betreft dat onder de wettelijke controlebevoegdheid van deze controle-instelling valt; c. de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten te Zeist, indien de aanvraag een produkt betreft dat onder de wettelijke controlebevoegdheid van deze controle-instelling valt; d. de Stichting Nederlandse Vleeswaren Kontrole te 's-Gravenhage, indien de aanvraag een produkt betreft dat onder de wettelijke controle bevoegdheid van deze controle-instelling valt. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van iedere producent of verwerker die, zonder een aanvraag tot registratie te hebben ingediend, bij het verhandelen van produkten of bij de reclame voor produkten een beschermde geografische aanduiding of beschermde oorsprongsbenaming danwel een specificiteitscertificering bezigt. 3. De controle-instellingen, bedoeld in het eerste lid, stellen een reglement vast omtrent de inhoud en het verloop van de door hen uit te oefenen controles. Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de in dit reglement vast te leggen voorschriften. Artikel 7 De in artikel 6 genoemde controle-instellingen zijn belast met: a. het toezicht op de naleving door de bij hen aangeslotenen van het bij of krachtens dit besluit bepaalde; b. de keuring van produkten die een beschermde geografische aanduiding of beschermde oorsprongsbenaming danwel een specifici teitscertificering genieten teneinde te waarborgen dat deze produkten aan de eisen van het betreffende produktdossier voldoen. Staatsblad 1994 37 3 Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Minis terie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 8 febuari 1994, nr. 27. 317469F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994 Artikel 8 De voorzitters van de in artikel 6 genoemde controle-instellingen mogen geen belang hebben bij de produktie of verhandeling van produkten waarvoor ingevolge artikel 2 een communautaire beschermde geogra fische aanduiding of oorsprongsbenaming, dan wel een specificiteitscerti ficering kan warden of is verkregen. Artikel 9 1. lndien registratie betrekking heeft op produkten die niet vallen onder de wettelijke controlebevoegdheid van de in artikel 6 genoemde controle instellingen, is de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees belast met: a. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde; b. de keuring van produkten die een beschermde geografische aanduiding of beschermde oorsprongsbenaming danwel een specifici teitscertificering genieten teneinde te waarborgen dat deze produkten aan de eisen van het betreffende produktdossier voldoen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van iedere natuurlijke of rechtspersoon die in het verband van een groepering een aanvraag heeft ingediend en niet is aangesloten bij een van de in artikel 6, eerste lid genoemde controle-instellingen. Artikel 10 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 11 Dit besluit wordt aangehaald als: Landbouwkwaliteitsbesluit geogra fische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en specificiteitscertificering. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal warden geplaatst. 's-Gravenhage, 16 december 1993 De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. D. Gabor De Minister van Economische Zaken, J. E. Andriessen Beatrix Uitgegeven de twintigste januari 1994 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin Staatsblad 1994 37 4 NOTA VAN TOELICHTING 1. Algemeen Het onderhavige besluit is vastgesteld ter uitvoering van de Verorde ningen (EEG) 2081/92, respectievelijk 2082/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 (PbEG 1992, L208), inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen, respectievelijk de specificiteitscertificering van landbouwprodukten en levensmiddelen. Beide verordeningen zijn in werking getreden op 24 juli 1993. Het is niet mogelijk gebleken het onderhavige besluit gelijktijdig in werking te doen treden. De vertraging welke bij de implementatie van beide verordeningen in de Nederlandse wetgeving is opgetreden vindt haar oorzaak deels in de omstandigheid dat de verordeningen (EEG) 2037/93 en 1848/93, welke strekken ter uitvoering van de hierboven genoemde verordeningen eerst op 27 juli 1993 onderscheidenlijk op 9 juli 1993 zijn tot stand gekomen. Hoewel deze uitvoeringsverordeningen niet tot aanpassing van dit besluit hebben geleid, was dit op voorhand niet te voorzien. Daarnaast heeft het overleg dat met verscheidene instanties over de uitvoering van het onderhavige besluit is gevoerd, meer tijd gevergd dan was voorzien. Verordening 2081/92 beoogt de communautaire bescherming van benamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen waarvoor een verband bestaat tussen de kenmerken van het produkt en de geografische oorsprong. Verordening 2082/92 beoogt de communautaire bescherming van benamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen die zich door hun eigenschappen duidelijk van andere, soortgelijke produkten onderscheiden. De gedachte bij de totstandkoming van beide verorde ningen is het streven om de produktie en afzet van produkten met bepaalde kenmerken voor het platteland, en met name voor probleem- of voor afgelegen gebieden in de Gemeenschap te bevorderen. Voorts ligt aan beide verordeningen de gedachte ten grondslag dat, in het vooruit zicht van de interne markt in de sector levensmiddelen, het bedrijfsleven moet kunnen beschikken over instrumenten waarmee het aan zijn produkten waarde kan toevoegen en waarmee tevens de consument tegen misbruik kan worden beschermd. De bescherming van geografische aanduidingen, oorsprongs benamingen en de specificiteit van de overeenkomstig de beide verorde ningen toepasselijke landbouwprodukten en levensmiddelen kan worden aangevraagd door nationale groeperingen van bij hetzelfde landbouw produkt of levensmiddel betrokken producenten en/of verwerkers. Voor geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen geldt dat de bescherming in uitzonderlijke gevallen ook door een individuele producent kan worden aangevraagd. De criteria hiervoor zijn vastgelegd in artikel 1 van verordening 2037/93. De registratie-aanvraag wordt op nationaal niveau ingediend. Vervolgens wordt deze aanvraag, aan de hand van het bij de aanvraag behorende produktdossier, door de betreffende Lidstaat getoetst en, indien deze van mening is dat aan de eisen van de verordeningen is voldaan, doorgezonden naar de Europese Commissie. Dan volgt toetsing van de aanvraag door de Europese Commissie, inclusief de mogelijkheid van bezwaar, waarna al dan niet bescherming middels registratie in een communautair register plaats vindt. Een geregistreerde geografische aanduiding of oorsprongsbenaming is, in grote lijnen, beschermd tegen elke praktijk die het publiek ten aanzien van de werkelijke oorsprong kan misleiden. Een produkt waarvoor een gecertificeerde specificiteit is verkregen, is beschermd tegen elke praktijk Staatsblad 1994 37 5 die het publiek kan misleiden ten aanzien van de specificiteit van het produkt. De materiele voorschriften betreffende de bescherming van geogra fische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en de certificering van de specificiteit van landbouwprodukten en levensmiddelen zijn in de beide verordeningen neergelegd. Aangezien de verordeningen rechtstreeks werken in de Nederlandse rechtsorde behoeven deze voorschriften niet in nationale wetgeving te warden gei"mplementeerd. Volstaan wordt derhalve met de implementatie van een aantal bepalingen uit de verordeningen die nadrukkelijk om implementatie vragen. Deze bepalingen hebben betrekking op de overeenkomstig de verordeningen te volgen nationale procedures, en in verband daarmee de aanwijzing van nationaal bevoegde instanties. Ook dient door de Lid-Staten een controle structuur in het leven te warden geroepen, die waarborgt dat de beschermde, respectievelijk gecertificeerde produkten voldoen aan het betreffelide produktdossier. De implementatie geschiedt op basis van de Landbouwkwaliteitswet. Gekozen is om bij onderhavig Landbouwkwaliteitsbesluit ten aanzien van een aantal uitvoeringsbepalingen de medewerking te vragen van het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten (HPA). Het ligt ondermeer in de bedoeling, dat het HPA de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal adviseren omtrent de in artikel 4, tweede lid, bedoelde kwesties. Aan het HPA is verzocht in het kader hiervan een adviescom missie in te stellen. In deze adviescommissie kunnen vertegenwoordigers van alle betrokken produktschappen, het Landbouwschap, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, de Verenigde Nederlandse Voedsel- en Agrarische lndustrie en de consumentenorganisaties zitting hebben. Het HPA zal het secretariaat van de bedoelde adviescommissie verzorgen. Thans voert het HPA al het secretariaat van het door het College van Voorzitters der (hoofd-)produktschappen Voedselvoorziening ingestelde Produktschappenoverleg Levensmiddelen Wetgeving (PLW). Uit dien hoofde beschikt het HPA over een efficient informatie-uitwisselings systeem met betrekking tot onderwerpen op het gebied van levensmid delen die meer dan een produktschap aangaan. 2. Uitgebrachte adviezen Met betrekking tot het ontwerp is advies gevraagd van de volgende organisaties: het Landbouwschap, het Produktschap voor Groenten en Fruit, het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, het Produkt schap Vee en Vlees, het Produktschap voor Pluimvee en Eieren, het Produktschap voor Zuivel, het Produktschap voor Vis en Visprodukten, het Produktschap voor Bier, het Produktschap voor Margarine, Vetten en Olien, de Verenigde Nederlandse Voedsel- en Agrarische lndustrie, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, de Stichting Nederlandse Vleeswarencontrole, de Consumentenbond, het Konsumenten Kontakt, de Stichting Centraal Orgaan Zuivelcontrole, de Stichting Nederlands Eiercontrolebureau en het Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit. De adviezen luidden in het algemeen instemmend. In enige adviezen is aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de aanwijzing van de in het ontwerp vermelde controle-instellingen ook zou kunnen gelden voor de controle op produkten waarvoor thans geen bevoegdheid bestaat op basis van de Landbouwkwaliteitswet. Op deze vraag is afzonderlijk ingegaan in paragraaf 3. Staatsblad 1994 37 6 3. lnhoud van hat basluit Gekozen is voor een besluit dat het karakter heeft van een raamregeling. Het besluit bevat vooral de noodzakelijke bevoegdhedenscheppende bepalingen. Bij een op het besluit gebaseerde vast te stellen ministeriele regeling zal een aantal meer gedetailleerde uitvoeringsbepalingen warden uitgewerkt, zoals de procedure omtrent de beoordeling van aanvragen, bezwaren en dergelijke. Zoals hiervoor al opgemerkt werd, is het de bedoeling, dat het HPA in overleg met alle andere betrokkenen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, hierbij van advies zal voorzien. De voornaamste reden dat gekozen is voor een raamregeling is, dat bij een eventueel toekomstige wijziging van gedetailleerde uitvoerings bepalingen, ingegeven door EEG-voorschriften, het eenvoudiger is om een regeling te wijzigen dan een algemene maatregel van bestuur. Hierbij wordt o.a. gedacht aan de op grand van beide EEG-Verordeningen tot stand gebrachte uitvoeringsverardeningen. De opzet van de algemene maatregel van bestuur zal hierdoor niet warden aangetast. De hoofdregel van het Besluit is vervat in artikel 3. Op grand van deze bepaling is het verboden om bij het verhandelen van produkten en bij de reclame van pradukten een beschermde geografische of oorsprongs benaming danwel een beschermde specificiteitscertificering te bezigen, tenzij is voldaan aan de voorwaarden van verordening 2081/92 respectie velijk verordening 2082/92. Ook het gebruik van benamingen of aandui dingen die de suggestie wekken dat het produkt een beschermde benaming geniet is op grand van artikel 3 verboden. Het bovenstaande sluit in het gebruik van handelsbenamingen die aanleiding geven tot verwarring met geregistreerde specificiteitscertificeringen, zoals genoemd in artikel 18 van verordening 2082/92. In het besluit is de hiervoor besproken medebewindsformule met betrekking tot uitvoeringswerkzaamheden die door het HPA zullen warden verricht opgenomen. 4. Controlastructuur In het besluit is tevens de controlestructuur neergelegd. ledere in Nederland gevestigde praducent of verwerker, die, in een verband van een producentengroepering, een registratie-aanvraag wenst te doen in het kader van de onderhavige verordeningen, dient zich aan te sluiten bij de controle-instelling die op grand van de huidige relevante Landbouw kwaliteitsbesluiten bevoegd is ten aanzien van de betreffende landbouw produkten of levensmiddelen. Door deze aansluitplicht wordt gewaarborgd dat producenten die bij het HPA een aanvraag tot bescherming hebben ingediend, zich in de produktie- en handelsfase onderwerpen aan de controle door de aangewezen controle-instanties. Deze contrale neemt evenwel eerst na inschrijving van een beschermde benaming in het communautaire register een aanvang. De aansluitplicht is eveneens van toepassing op producenten of verwerkers die een geregistreerde benaming bezigen zonder daarvoor een aanvraag te hebben ingediend. Het is wenselijk geacht ten aanzien van de controle geen nieuwe controle-instelling in het leven te roepen, maar zoveel mogelijk aansluiting te bewerkstelligen bij de bestaande relevante controle instellingen. Van deze instellingen hebben zich de volgende instellingen bereid verklaard om aangewezen te warden als controle-instelling in het kader van dit besluit: de Stichting Centraal Orgaan Zuivelcontrole (COZ) te Staatsblad 1994 37 7 Leusden, het Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit te 's-Gravenhage (KCB), de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten te Zeist (CPE) en de Stichting Nederlandse Vleeswaren Kontrole te 's-Gravenhage (NVK). Achtereenvolgens betreft dit de volgende produkten: KCB: groenten en fruit als bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteits besluit Groenten en Fruit; CO2: boterprodukten als bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteits besluit boterprodukten; kaasprodukten als bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteits besluit kaasprodukten; poedervormige melkprodukten als bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit poedervormige melkprodukten; zuigelingenvoeding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit zuigelingenvoeding; CPE: scharreleieren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Landbouw kwaliteitsbesluit Scharreleieren; NVK: vleeswaren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouw kwaliteitsbesluit Vleeswaren; alsmede de Landbouwkwaliteitsbeschikking aanwijzing vleeswaren; bacon als bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit Bacon. Met deze instellingen is reeds ervaring opgedaan met betrekking tot de controle op de kwaliteit van landbouwprodukten en levensmiddelen op grand van diverse Landbouwkwaliteitsbesluiten. Deze instellingen warden met onderhavig besluit derhalve met een extra taak belast. Met deze opzet wordt aangesloten op een in de Landbouwkwaliteits wetgeving gegroeide praktijk dat een dergelijke controle - weliswaar onder Rijkstoezicht - zoveel mogelijk wordt uitgeoefend door organisaties van betrokkenen zelf. Hiermee hangt samen dat de mogelijkheid van tuchtrechtelijke correctie bij overtredingen van regels wordt overwogen. Aldus is bepaald dat producenten en verwerkers van landbouw produkten en levensmiddelen die een aanvraag tot registratie op grand van verordening 2081/92 danwel 2082/92 willen doen betreffende een produkt, dat onder de wettelijke controlebevoegdheid van de aldaar genoemde controle-instelling valt, zich bij die controle-instelling dienen aan te sluiten. Hierbij zij bedacht dat aanvragen tot registratie op grand van verordening 2081/92 danwel 2082/92 doorgaans slechts door (groeperingen van) producenten of verwerkers van de betreffende produkten kunnen warden ingediend. Artikel 2, tweede lid van Veror dening 2082/92 bepaalt evenwel dat ook anderen dan producenten of verwerkers van zo'n organisatie deel kunnen uitmaken. Daarbij valt met name te denken aan handelaren. Aangezien het, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (vgl. Zaak 29/82, Fa. Van Luipen en Zn B.V., Jur. 1983, p. 151 en Zaak 237/82, Jongeneel Kaas B.V., Jur. 1984, p. 483) strijdig met het EEG-recht zou zijn om ten aanzien van handelaren een aansluitplicht aan te nemen, zal de controle en het toezicht op deze groep warden uitgeoefend door de RW. (RvST 2). Bij overtreding van het bij dit besluit bepaalde, kunnen tuchtrechtelijke maatregelen warden opgelegd. Daarnaast blijven Staatsblad 1994 37 8 uiteraard de daartoe aangewezen opsporingsdiensten bevoegd ter zake van bij dit besluit gestelde regelen, aangezien overtreding daarvan strafbaar is ingevolge de wet op de economische delicten. In de praktijk zullen de activiteiten van het Openbaar Ministerie zich beperken tot het optreden tegen niet-aangeslotenen. Op grand van artikel 18, tweede lid van de Landbouwkwaliteitswet, kan de Officier van Justitie evenwel, na overleg met de controle-instelling, bepalen dat een overtreding door een aangeslotene begaan, strafrechtelijk wordt afgedaan, met uitsluiting van tuchtrechtelijke maatregelen. Door middel van goede coordinatie ter zake kan een gelijke behandeling van aangeslotenen en niet-aangeslotenen warden gewaarborgd. Niet voor alle produkten, waarvoor op grand van de beide verorde ningen registratie mogelijk is, bestaat een controle-instelling die is aangewezen op grand van de thans bestaande Landbouwkwaliteits besluiten en daarop gebaseerde regels. Voor de bij deze produkten betrokken producenten en/of bereiders kunnen de aansluitplicht, de toepassing van het tuchtrecht en de daarmee samenhangende voorschriften van de Landbouwkwaliteitswet, niet gelden. De controle in het kader van de beide verordeningen en het onderhavige besluit wordt voor die produkten verricht door de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV), bij welke dienst een brede deskundigheid op het gebied van controle bestaat. In het kader van de Landbouwkwaliteitswet verricht de RW thans reeds een groat aantal controlewerkzaamheden met betrekking tot onder andere groenten en fruit, vis, pluimvee en op veterinair gebied. De kosten van keuringen en toezicht moeten op grand van de artikelen 10, zevende lid van Verordening 2081/92, en 14, zevende lid van Veror dening 2082/92 warden doorberekend aan de producenten die de beschermde geografische herkomst- of oorsprongsbenaming gebruiken, onderscheidenlijk de gebruikers van de specificiteitscertificering. Deze kosten zullen door de controle-instellingen, respectievelijk de RW rechtstreeks warden doorberekend. In verband met de aanwijzing van de controle-organisatie zij nog gewezen op het volgende. In artikel 10, derde lid, derde alinea en vijfde lid van verordening 2081/92, onderscheidenlijk artikel 14, derde lid, derde alinea en vijfde lid van verordening 2082/92 wordt bepaald dat de in het kader van deze verordeningen aangewezen controle-organisaties vanaf 1 januari 1998 moeten voldoen aan de vereisten van norm EN 45011 van 26 juni 1989, bij gebreke waarvan de erkenning van een controle organisatie moet warden ingetrokken. Het beleid is erop gericht dat de in het kader van de Landbouwkwaliteitswet werkzame controle-organisaties zoveel mogelijk gaan voldoen aan de voor hen van toepassing zijnde EN-normen. De verwachting is dat de in het kader van dit Besluit ingeschakelde instanties tijdig aan deze uit de verordeningen voort vloeiende verplichting zullen voldoen. Door sommige voor advies gevraagde instanties is op het volgende gewezen. Een aantal van de hiervoor genoemde controle-instellingen controleert ook andere dan de eerdergenoemde produkten. De bevoegdheid hiertoe vindt zijn basis niet in de Landbouwkwaliteitswet, maar bijvoorbeeld in PBO-verordeningen of de Warenwet. Voor het CPE kan bijvoorbeeld warden gedacht aan slachtpluimvee in het kader van de Verordening bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen 1991 van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren. Door de betrokken controle instellingen is gevraagd om de controle in het kader van het onderhavige besluit ten aanzien van die andere produkten ook aan deze controle instellingen over te laten en niet aan de RW. Hierover wordt het volgende opgemerkt. Staatsblad 1994 37 9 Door een dergelijke aanwijzing zou voor producenten van de betrokken produkten een aansluitplicht worden ingevoerd, waar die op dit moment niet geldt. Een dergelijke nieuwe aansluitplicht wordt niet wenselijk geacht. Mede gelet op de verwachting dat in Nederland een beperkte deelname aan de onderhavige beschermingsregeling zal plaatsvinden, is het doelmatiger geacht om in de huidige, op basis van de Landbouw kwaliteitswet opgezette, controle-structuur geen wijziging te brengen. Een en ander laat in de praktijk onverlet de mogelijkheid dat de RW de feitelijke controle op de betreffende produkten geheel of gedeeltelijk uitbesteedt aan de betrokken controle-instellingen. Op die manier wordt de overzichtelijkheid van de controles gehandhaafd, terwijl geen wijziging in het handhavingssysteem wordt aangebracht. De RVV behoudt hierbij haar verantwoordelijkheid ingevolge de aanwijzing als bedoeld in artikel 9 van het besluit. Deze constructie kan vorm worden gegeven door middel van onderlinge werkafspraken. Door sommige adviesorganen is voorts gevraagd om door de Raad voor de Certificatie gecertificeerde instellingen aan te wijzen als controle instellingen. Een dergelijke aanwijzing past evenwel niet in het kader van de huidige Landbouwkwaliteitswet. Dergelijke instellingen zijn immers wezenlijk anders van opzet dan de controle-instellingen in de zin van de Landbouwkwaliteitswet. Ook hier staat evenwel de mogelijkheid open dat de feitelijke controle door de RW geheel of gedeeltelijk wordt uitbesteed aan gecertificeerde instellingen. Om misbruik van geregistreerde benamingen te voorkomen zal een repressief toezicht in de producenten- en detailhandelsfase noodzakelijk zijn. De Algemene lnspectiedienst (AID) alsmede de lnspectie Gezondheidsbescherming (1GB; o.a. belast met toezicht op naleving van de eerlijkheid in de handel) zullen deze taak op zich nemen. De daartoe aangewezen opsporingsambtenaren zijn bevoegd ter zake van overtredingen van het bij of krachtens dit besluit bepaalde op te treden aangezien het hier strafbare feiten betreft op grond van de Wet op de economische delicten. 5. Samenhang met bestaande regelingen Overtreding van de bij dit besluit gestelde regelen zou in beginsel kunnen worden aangemerkt als een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:194 van het Burgerlijk Wetboek (misleidende reclame). Het onderhavige besluit heeft evenwel een ander doel dan de in de artikelen 6:194 tot en met 6:196 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen bepalingen inzake misleidende reclame. Strekt dit laatste leerstuk voornamelijk ter bescherming van de consument en concurrenten onderling tegen de nadelige gevolgen van misleidende reclame, het onderhavige besluit beoogt producenten van produkten die zich door hun geografische herkomst of oorsprong, of door hun specificiteit duidelijk onderscheiden van andere, soortgelijke produkten, in staat te stellen deze produkten een toegevoegde waarde te geven. Daarnaast voorziet het besluit in een structuur door middel waarvan de kenmerken op grond waarvan bepaalde produkten zich onderscheiden, objectief en voor eenieder kenbaar kunnen worden vastgesteld. Voor het overige vertoont het besluit geen samenhang of overlappingen met andere bestaande of in voorbereiding zijnde regelingen. 6. Handhaving Voor de uitvoering van dit besluit wordt geen nieuw controle-orgaan in het leven geroepen, maar zal een aantal bestaande controle-instanties Staatsblad 1994 37 10 warden aangewezen. Voor het betrokken bedrijfsleven kunnen extra financiele lasten uit deze regaling voortvloeien, daar de controle-instantie, alsmede de RW, de kosten van keuring en toezicht aan de deelnemers moet doorberekenen. Deel name aan deze regaling is echter vrijwillig. Voor de overheid vloeien uit deze regaling geen andere financiele lasten voort dan de lasten welke verband houden met de opsporings- en controle-activiteiten van de AID en de 1GB. Ook moet rekening warden gehouden met administratieve bezwaar- en beroepsprocedures, voort vloeiend uit ministeriele beslissingen omtrent aanvragen tot registraties danwel wijzigingen daarvan. De verwachting is overigens dat de controle in Nederland van Neder landse beschermde produkten in het kader van dit besluit van beperkte omvang zal kunnen zijn. In de Nederlandse situatie zijn immers op dit moment weinig produkten die hun kwaliteit direct ontlenen aan hun geografische oorsprong of bijzondere specifieke eigenschappen in de zin van dit besluit. Het aantal aanvragen voor bescherming zal dan ook niet overweldigend zijn. Ten aanzien van aanvragen vanuit andere, met name zuidelijke EEG-Lidstaten zal de situatie echter anders kunnen liggen. In die Lid-Staten wordt de kwaliteit van de produkten veelal wel in verband gebracht met de geografische oorsprong of bijzondere, traditionele bereidingswijzen. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. D. Gabor De Minister van Economische Zaken, J. E. Andriessen Staatsblad 1994 37 11 T,-poneringstabel Verordening 2081/92 1.1 1.2 1.3 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 3.1 3.2 3.3 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 8 9 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5 10.6 10.7 11.1 11.2 11.3 11.4 12.1 12.2 13.1 13.2 13.3 14.1 14.2 14.3 15 16 17 18 Verordening 2082/92 1.1 1.2 1.3 2.1 2.2 2.3 3 4.1 Landbouwkwaliteitsbesluit geo grafische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en speci ficiteitscertificeringen 2 1.1 1.1 1.1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 4.1 2, 4.1 3.2 6, 7,9 7,9 8 2 2 3.1, 3.2 2 1.1 1.1 1.1 2 Staatsblad 1994 37 Landbouwkwaliteitsregeling geo grafische aanduidingen, oor sprongsbenamingen en specifici teitscertificeringen 2 3.1 4.1, 4.2 4.2 12 Verordening 2081/92 4.2 5.1 5.2 5.3 5.4 6.1 6.2 7.1 7.2 7.3 7.4 8.1 8.2 8.3 8.4 9.1 9.2 10.1 10.2 10.3 10.4 11.1 11.2 11.3 11.4 11.5 12 13.1 13.2 14.1 14.2 14.3 14.4 14.5 14.6 14.7 15. 1 15.2 15.2 16 17.1 17.1 17.3 18 19 20 21 22 Landbouwkwaliteitsbesluit geo grafische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en speci ficiteitscertificeringen 2 2 2 2 2 2 2 2 4. 1 3.1, 3.2 3.1 6, 7, 9 7,9 8 3.1, 3.2 3.1, 3.2 2 3.1, 3.2 3.1, 3.2 3.1, 3.2 Staatsblad 1994 37 Landbouwkwaliteitsregeling geo grafische aanduidingen, oor sprongsbenamingen en specifici teitscertificeringen 2 3.1 4.1 4.2 3.1 4.3 13

Decree No. 37 of 1993: Agriculture Quality Geographic Indications, Designation Origin and Certification of Specific Character · Nelum