Skip to content
Nelum
Laws of Netherlands

Decree No. 205 of 1992 based on the Commodities Act Relative to Irradiated Food, Beverages, and Products Which Come Into Contact With Food

Made 1992-04-01 · Text as of 2026-10-01

Public law and official guidance, published as research. Not legal, tax or financial advice.

About this law

Language
Dutch
Kind
Regulation
Organisation
European Union
Country
Netherlands
Subjects
Food and nutrition
Keywords
food safety and quality, treated food, internal trade, international trade, radiation, good practices
Categories
*

Where to read it

    No source link is recorded for this law.

Text

The law's own text, section by section, as held. Each section has its own link.

  1. 205 Besluit van 2 april 1992, houdende Warenwetbesluit Doorstraalde waren Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksge zondheid en Cultuurvan 13 augustus 1991, WP/L-691449, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Overwegende, dat uit oogpunt van volksgezondheid de behandeling van eet- en drinkwaren en andere roerende zaken met ioniserende stralen tot een dosis van 10 kGy als veilig beschouwd kan worden; Overwegende, dat het evenwel als ongewenst moet worden beschouwd dat eet- en drinkwaren zonder aantoonbare noodzaak aan een dergelijke behandeling zouden worden onderworpen; Overwegende, dat bovendien voorkomen moet worden dat voor de bereiding van eet- en drinkwaren gebruik zou worden gemaakt van oorspronkelijk ondeugdelijke grondstoffen die evenwel na een behan deling met ioniserende stralen alsnog in overeenstemming zijn gebracht met de van toepassing zijnde eisen; Overwegende, dat het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) (Stb. 1981, 621) en het Warenwetbesluit Etikettering van levensmid delen (Stb. 1992, 14) moeten worden aangevuld met specifieke voorschriften ten behoeve van de informatie aan eindverbruikers, betref fende de vermelding van een eventuele behandeling met ioniserende stralen van eet- en drinkwaren en ingredienten daarvan; Overwegende, dat daarnaast ook bereiders van eet- en drinkwaren moeten worden ingelicht over een eventuele behandeling van grond stoffen met ioniserende stralen; Gelet op de artikelen 1, vijfde lid, 4, eerste lid, 5, eerste lid, onderdelen a, 1 °, en b, vierde en zesde lid, 6, onderdeel d, 8, onderdeel c, 9, 12 en 16 van de Warenwet {Stb. 1988, 360) en op artikel 11, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet (Stb. 358), jo artikel 14 van de Warenwet {Stb. 1935, 793); Gehoord de Adviescommissie Warenwet {advies van 12 juli 1985, nr. 13516/115); Staatsblad 1992 205 Gezien het advies van de Gezondheidsraad (advies van 28 april 1983, nr. U 2802/LG/AR); De Raad van State gehoord ( advies van 29 oktober 1991, nr. W13.91.0426); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksge zondheid en Cultuur van 20 maart 1992, WP/L-692641, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1 . Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. ioniserende stralen: hetgeen daaronder in de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) wordt verstaan; b. installatie: een onderneming waaraan krachtens de Kernenergiewet een vergunning is verleend voor het voorhanden hebben en toepassen van radioactieve stoffen, of voor het gebruiken van een ioniserende stralen uitzendend toestel, waarmee een behandeling van waren met ioniserende stralen kan worden uitgevoerd; c. doorstraalde waren: waren die met ioniserende stralen zijn behandeld; d. grondstoffen: grondstoffen bestemd voor de bereiding van eet- en drinkwaren. 2. Dit besluit is niet van toepassing op waren die zijn blootgesteld aan ioniserende stralen afkomstig uit controle- of meetinstrumenten die als zodanig gebruikt zijn bij de bereiding, behandeling en verpakking van die waren, voor zover de gebruikte dosis niet hoger is dan 0,5 Gy, bij een energieniveau van ten hoogste 5 MeV. Artikel 2 1. Het is verboden eet- of drinkwaren en grondstoffen en de in artikel 5 bedoelde waren met ioniserende stralen te behandelen anders dan met inachtneming van de in dit besluit gestelde voorschriften. 2. Het is verboden voor de behandeling met ioniserende stralen eet- of drinkwaren en grondstoffen te bezigen, die niet voldoen aan de in dit besluit gestelde eisen. 3. Het is verboden doorstraalde waren te verhandelen, met betrekking tot welke in afwijking van het bepaalde in dit besluit is gehandeld. 4. Het is verboden doorstraalde waren te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften in dit besluit gesteld met betrekking tot de verpakking van zodanige waren. 5. Het is verboden eet- en drinkwaren te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften in dit besluit gesteld met betrekking tot het bezigen van vermeldingen. Staatsblad 1992 205 2 6. Het is verboden doorstraalde waren binnen Nederlands grond gebied te brengen anders dan met inachtneming van de in dit besluit gestelde voorschriften. § 2. lnstallaties Artikel 3 1. Voor de behandeling van waren met ioniserende stalen mag uitsluitend van de volgende bronnen gebruik warden gemaakt: a. gammastralen afkomstig van radionucliden 6°Co of 137Cs; b. rontgenstralen opgewekt door machinale bronnen, met een energie niveau van ten hoogste 5 MeV; c. elektronen opgewekt door machinale bronnen, met een energie niveau van ten hoogste 10 Mev. 2. De behandeling van waren met ioniserende stralen mag uitsluitend plaatsvinden in een installatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, waarvoor een erkenning voor het mogen uitvoeren van die behandeling door Onze Minister is afgegeven. 3. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid wordt, voor zover het betreft het behandelen met ioniserende stralen van eet- en drinkwaren en grondstoffen de in het tweede lid bedoelde erkenning verleend indien de installatie voldoet aan de Recommended International Code of Practice for the Operation of Irradiation Facilities Used for the Treatment of Foods (FAO/WHO CAC/Vol. XV, Ed. 1.CAC/RCP 10-1979 (Rev.1) van de Codex Alimentarius. 4. Onze Minister kan nadere eisen vaststellen met betrekking tot de voorwaarden voor het verlenen van een erkenning als bedoeld in het tweede lid. 5. Aanvragen voor een erkenning als bedoeld in het tweede lid moeten warden ingediend bij Onze Minister. Deel van zodanige aanvraag moet in elk geval uitmaken een afschrift van de krachtens artikel 29 of 34 van de Kernenergiewet verleende vergunning. Artikel 4 1. De behandeling van waren met ioniserende stralen mag uitsluitend geschieden onder de voorwaarde dat door de beheerder van de instal latie waarmee de behandeling wordt uitgevoerd, een register wordt bijgehouden van iedere partij die is behandeld en waarin ten minste wordt vermeld: a. de gegevens voor de dosimetrie en de metingsmethoden van het doorstralingsproces zoals opgenomen in de bijlage; b. vermelding van de voorbereidende validatiemetingen; c. de aard van de doorstraalde waren; d. de hoeveelheid van de doorstraalde waren; e. de naam of de handelsnaam en het adres van de opdrachtgever van de met ioniserende stralen te behandelen waren; f. de vermelding betreffende de produktiepartij, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel e, van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) Stb. 1981, 621); g. de naam of de handelsnaam en het adres van de ontvanger van de doorstraalde waren; h. de stralingsdosis; i. de dag en het tijdstip waarop de behandeling heeft plaatsgevonden; j. de soort verpakking die tijdens de behandeling is gebruikt. Staatsblad 1992 205 3 2. Onze Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. Tenzij zodanige regels voortvloeien uit een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen regeling, stelt Onze Minister bedoelde regels vast gehoord de Adviescommissie Warenwet. 3. De in het eerste lid bedoelde gegevens moeten door de beheerder van de installatie ten minste vijf jaren worden bewaard. § 3. Behandeling met ioniserende stralen van bepaalde andere waren dan eet- en drinkwaren en grondstoffen Artikel 5 1 . Verpakkingen en verpakkingsmaterialen voor eet- of drinkwaren mogen slechts worden behandeld met een gemiddelde geabsorbeerde stralingsdosis die niet meer mag bedragen dan 10 kGy. 2. Gebruiksartikelen voor eet- of drinkwaren mogen slechts worden behandeld met een gemiddelde geabsorbeerde stralingsdosis die niet meer mag bedragen dan 25 kGy. 3. De totale dosis die nodig is voor een specifieke technische functie mag met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde waren, over meer dan een behandeling worden verdeeld. De grootste geabsor beerde stralingsdosis mag niet groter zijn dan 150% van de waarde, die voor de desbetreffende waar is vastgesteld. § 4. Behandeling met ioniserende stralen van eet- en drinkwaren en grondstoffen Artikel 6 1. Uitsluitend de volgende eet- of drinkwaren en grondstoffen mogen met ioniserende stralen worden of zijn behandeld. Zij mogen slechts worden behandeld met een geabsorbeerde stralingsdosis die gemiddeld niet meer mag bedragen dan de waarde zoals die voor de desbetreffende waar is aangegeven. eet- of drinkwaar, c.q. grondstof Gedroogde vruchten Peulvruchten Gedehydrateerde groenten Graanvlokken Kruiden, specerijen Garnalen Vlees van pluimvee Kikkerdelen Het verdikkingsmiddel: Arabische gom (E414) Diepgevroren maaltijden (voor patienten, die op medisch voorschrift steriele voeding nodig hebben) gemiddeld geabsorbeerde stralingsdosis 1 kGy; 1 kGy; 10 kGy; 1 kGy; 10 kGy; 3 kGy; 7 kGy; 5 kGy; 10 kGy; 75 kGy. 2. De totale dosis die nodig is voor een specifieke technische functie mag met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde waren, over meer dan een behandeling worden verdeeld. De grootste geabsorbeerde Staatsblad 1992 205 4 stralingsdosis mag niet grater zijn dan 150% van de waarde die voor de desbetreffende waar is vastgesteld. 3. Eet- en drinkwaren en grondstoffen mogen tot het niveau van de desbetreffende vastgestelde gemiddeld geabsorbeerde stralingsdosis, slechts eenmaal met ioniserende stralen zijn of warden behandeld. De behandeling mag niet warden gecombineerd met een chemisch proces dat hetzelfde oogmerk heeft als genoemde behandeling. Artikel 7 De tweede volzin van artikel 1, derde lid, van de Warenwet (Stb. 1988, 360), voor zover het betreft het afleveren van eet- en drinkwaren en grondstoffen om daze door middel van een behandeling met ioniserende stralen kennelijk in overeenstemming te brengen met het bepaa~de in of krachtens die wet, is niet van toepassing op eet- en drinkwaren en grondstoffen die niet in overeenstemming zijn met artikel 18 van die wet. Artikel 8 1 . Eet- en drinkwaren die als zodanig kennelijk zijn bestemd voor de eindverbruiker moeten, alvorens zij aan een behandeling met ioniserende stralen warden onderworpen, aanwezig zijn in de verpakking waarin de betrokken waar aan de eindverbruiker wordt afgeleverd. 2. Doorstraalde eet- en drinkwaren die als zodanig kennelijk bestemd zijn voor de eindverbruiker mogen uitsluitend in een verpakking warden verhandeld. § 5. Het binnen Nederlands grondgebied brengen van doorstraalde eet en drinkwaren en grondstoffen Artikel 9 1. Doorstraalde eet- en drinkwaren en grondstoffen mogen uitsluitend binnen Nederlands grondgebied warden gebracht, indien voldaan is aan de volgende voorschriften: a. de behandeling moet hebben plaatsgevonden in een installatie die, indien zij in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeen schappen is gevestigd, daartoe is erkend door de betrokken autoriteit in de desbetreffende Lid-Staat; die, indien zij in een ander land is gevestigd, daartoe is erkend door de betrokken autoriteit in het desbetreffende land, dan wel door de Commissie van de Europese Gemeenschappen. b. bij iedere zending moet zijn vermeld de naam en het adres van de installatie waar de doorstraling is verricht. 2. Onze Minister kan nader vaststellen wat moet warden verstaan onder erkenning als bedoeld in het eerste lid. Voor zover krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap een maatregel ter zake is vastgesteld, geschiedt zodanige vaststelling ter uitvoering van die maatregel. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid, mogen doorstraalde eet- en drinkwaren en grondstoffen uitsluitend warden ingevoerd, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. voldaan moet zijn aan artikel 6, eerste lid en Staatsblad 1992 205 5 b. bij iedere zending moeten de gegevens, bedoeld in artikel 4, eerste lid, zijn vermeld. 4. Voor de toepassing van het derde lid wordt onder invoer verstaan het doen volgen van de goederen van de bestemming invoer tot verbruik, dan wel invoer met voorwaardelijke vrijstelling van belasting als bedoeld in artikel 6 van de Algemene Wet inzake de douane en de accijnzen (Stb. 1961, 31). § 6. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verhandeling van doorstraalde eet- en drinkwaren en grondstoffen die niet a/s zodanig zijn bestemd voor de eindverbruiker Artikel 10 1 . Bij de verhandeling van doorstraalde eet- en drinkwaren en grond stoffen die niet zijn bestemd voor de eindverbruiker, moet worden gebezigd de vermelding van de naam en het adres van de installatie waar de behandeling met ioniserende stralen is uitgevoerd. 2. De volgende onderdelen van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde verhandeling: a. artikel 3, derde lid, onderdeel e, betreffende de aanduiding van de produktiepartij; b. artikel 3, tweede en vierde lid, betreffende de aanduiding van de behandeling van de waar, indien zij met ioniserende stralen is behandeld; en c. artikel 5, vierde en vijfde lid, betreffende de aanduiding van bij de bereiding van de waar gebruikte, met ioniserende stralen behandelde ingredienten. 3. De volgende onderdelen van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde verhandeling: a. artikel 5, eerste lid, onder h, betreffende de aanduiding van de produktiepartij; b. artikel 4, derde en vierde lid, betreffende de aanduiding van de behandeling van de waar, indien zij met ioniserende stralen is behandeld; en c. artikel 7, zesde lid, betreffende de aanduiding van bij de bereiding van de waar gebruikte, met ioniserende stralen behandelde ingredienten. § 7. S/otbepalingen Artikel 11 1 . Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, worden aangewezen microbiologische onderzoe kingsmethoden, alsmede detectiemethoden. 2. Onze Minister kan, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gehoord de Adviescommissie Warenwet, omtrent de in het eerste lid bedoelde methoden nadere regels stellen. Staatsblad 1992 205 6 Artikel 12 Het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) 1 wordt als volgt gewijzigd: Aan artikel 5 worden de volgende vier nieuwe leden toegevoegd: 3. Artikel 3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 4 bedoelde aanduiding van voor de bij de bereiding van de eet- of drinkwaar gebruikte ingredienten. 4. Artikel 3, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 4 bedoelde aanduiding van voor de bij de bereiding van de waar gebruikte ingredienten, indien het betrokken ingredient met ioniserende stralen is behandeld. 5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder 2°, moet de vermelding van de ingredienten die: a. een bestanddeel vormen van een grondstof die voor minder dan 25% in de eet- of drinkwaar aanwezig is; b. met ioniserende stralen zijn behandeld; en c. voor ten minste 2% in de eet- of drinkwaar aanwezig zijn; plaatsvinden onmiddellijk achter de in dat lid bedoelde vermelding van de naam van de grondstof. 6. Onze Minister kan ter uitvoering van terzake door de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde bindende voorschriften, nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het tweede lid, onder 2°. Artikel 13 Het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen2 wordt als volgt gewijzigd: In artikel 7, eerste lid, komt het zinsdeel «, behoudens het vierde lid,» te vervallen. Aan artikel 7 worden de volgende twee nieuwe leden toegevoegd: 5. In afwijking van het vierde lid, aanhef en onder b, moet de vermelding van de afzonderlijke bestanddelen van een grondstof die: a. bestanddelen zijn van een grondstof die voor minder dan 25% in de eet- of drinkwaar aanwezig is; b. met ioniserende stralen zijn behandeld; en c. voor ten minste 2% in de eet- of drinkwaar aanwezig zijn; plaatsvinden onmiddellijk achter de in dat lid bedoelde vermelding van de naam van de grondstof. 6. Onze Minister kan ter uitvoering van terzake door de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde bindende voorschriften, nadere regals stellen ten aanzien van het vierde lid onder b. Artikel 14 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de derde maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Het is niet van toepassing op waren waarvan kan worden aangetoond dat zij voor bedoelde datum met ioniserende stralen zijn behandeld. Staatsblad 1992 205 7 ' Laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 december 1991, Stb. 1992, 15 2 Stb. 1992, 14 Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staats courant van 9 juni 1992, nr. 108 216674F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1992 2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 10, tweede lid, sub c, en derde lid, sub c, 12 en 13 in werking met ingang van de zevende maand na de in dat lid bedoelde datum. Artikel 15 Dit besluit kan worden aangehaald als: Warenwetbesluit Doorstraalde waren. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal warden geplaatst en dat daarvan afschrift zal warden gezonden aan de Raad van State. 's-Gravenhage, 2 april 1992 Beatrix De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H.J. Simons Staatsblad 1992 205 Uitgegeven de zevende mei 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin 8 NOTA VAN TOELICHTING lnleiding Het besluit heeft ten doel, met name in het belang van de volksge zondheid en de eerlijkheid in de handel, voorschriften te geven inzake de behandeling van waren met ioniserende stralen. loniserende stralen zijn rontgen en gammastralen, alsmede corpusculaire stralen, welke in staat zijn ionenvorming te veroorzaken. Een behandeling met ioniserende stralen wordt doorgaans «doorstraling» genoemd, en beoogt in hoofdzaak de ontsmetting van een produkt danwel de verlenging van de houdbaarheid daarvan. Tevens bevat het onderhavige besluit, gelet op de goede voorlichting omtrent waren, enkele aanvullende etiketteringsvoor schriften. In de eerste plaats gaat het daarbij om een aanpassing van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) en het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Enerzijds een expliciet voorschrift met betrekking tot de vermelding van de behandeling bij de naam van het produkt; anderzijds een bepaling waarmede wordt bereikt dat tevens in de lijst van ingredienten de eventuele doorstralingsbehandeling van de betrokken ingredienten moet worden vermeld. In de tweede plaats gaat het om een etiketterings-bepaling die betrekking heeft op de verhande lingsfase die niet reeds door het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) en het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen wordt bestreken. Ten slotte worden enige specifieke voorschriften gegeven betreffende de in- en doorvoer. Doel van doorstraling In de Nota Voedingsbeleid (Tweede Kamer 1983-84, 18 156, nr. 2) wordt het doorstralen van levensmiddelen en - wellicht nog wezenlijker grondstoffen voor de bereiding daarvan aanbevolen voor micro-biolo gisch kwetsbare voedingsmiddelen, zoals pluimveevlees, teneinde het risico van de aanwezigheid van pathogene bacterien uit te sluiten. De Gezondheidsraad heeft die visie in oktober 1988 bevestigd (rapport Campylobacter jejuni infecties in Nederland). Andere toepassingen bij levensmiddelen en grondstoffen zijn: a. houdbaarheidsverlenging door de besmettingsgraad te verminderen bij kruiden en specerijen; b. de spruitvorming bij aardappelen en uien tegen te gaan; c. het elimineren van insekten in bij voorbeeld (gedroogd) fruit. Het voorstel van deze toepassing is steeds dat dan niet van chemische middelen gebruik behoeft te worden gemaakt. Van oudere datum stamt de toepassing van het doorstralingsprocede bij andere roerende zaken: het steriel maken van medische hulpmiddelen zoals injectienaalden, en van gebruiksartikelen ten behoeve van de voeding van zuigelingen. Met name bij gebruik van die zaken moeten infecties immers absoluut vermeden worden. Internationale aspecten Europese Gemeenschappen Dit besluit wordt voorgesteld op een moment dat in het kader van de EEG overleg wordt gevoerd over een richtlijn-voorstel betreffende de doorstraling van levensmiddelen: voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de behandeling van voedsel en voedselingredienten met ioniserende straling (PbEG C 336) en over een gewijzigd voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 december 1989 Staatsblad 1992 205 9 (PbEG C 303). Oat overleg heeft echter nog niet tot besluitvorming geleid. De meningen van de lidstaten over de wenselijkheid van voedsel doorstraling en met name de lijst van te doorstralen produkten !open vooralsnog sterk uiteen. Enerzijds wensen sommige lidstaten (zoals Duitsland) een algeheel verbod van voedseldoorstraling, terwijl er anderzijds lidstaten zijn (zoals het Verenigd Koninkrijk) die een integrale toelating (onder bepaalde voorwaarden) van voedseldoorstraling bepleiten. Het tot stand komen van de richtlijn wordt dan ook niet op korte termijn verwacht. Tot nu toe werd in Nederland een systeem van individuele toestemmingen (meestal beperkt in tijd of in hoeveelheid) gehanteerd. Door de nationale en internationale ontwikkelingen op het gebied van voedseldoorstraling is een dergelijk systeem niet meer bevre digend. Het is noch voor de justitiabelen, noch voor de buitenwereld erg inzichtelijk. Daarom is nu een meer integrale regaling, waarin alle relevante aspecten betreffende de doorstraling van levensmiddelen zijn opgenomen, het meest aangewezen. Gezien de doelstelling van de regaling, namelijk de bescherming van de volksgezondheid, ligt een regaling in het kader van de Warenwet voor de hand. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de door maatschappelijke organisaties, waaronder consumentenorganisaties, gevoelde behoefte aan betrokkenheid en recht op advisering over zaken betreffende de levensmiddelenwetgeving. Daarnaast is een systeem van individuele toestemmingen ook weinig inzichtelijk indien in binnen- of buitenland vragen rijzen omtrent de Nederlandse voorschriften op dit gebied. Het is bijvoorbeeld regelmatig voorgekomen, dat Nederlandse produkten in het buitenland, vaak ten onrechte, ervan warden «verdacht», zonder voorafgaande toestemming, te zijn doorstraald en dat schade aan de afzet van de Nederlandse produkten werd ondervonden. Vanwege de bovengenoemde aspecten is de reeds veelvuldig aangekondigde aanscherping van de Nederlandse wettelijke voorschriften ten aanzien van voedseldoorstraling thans dringend gewenst. De regering heeft dan ook besloten niet !anger op de EEG-richtlijn te wachten. Bij de opstelling van het onderhavige besluit is evenwel ten voile rekening gehouden met de inhoud van de ontwerp richtlijn. In het bijzonder is voor wat betreft de lijst van voedingsmid delen die doorstraald mogen worden aangesloten bij het, inmiddels aangepaste voorstel van de Commissie. Het overwegende argument bij het opstellen van de lijst is geweest het behalen van een mogelijk volks gezondheidsvoordeel. Om die reden is aan de Nederlandse lijst dan ook in tegenstelling tot de ontwerp EG-lijst de categorie «kikkerdelen» toege voegd. Deze produkten bevatten veelvuldig pathogene micro-organismen en komen uit gebieden {bijvoorbeeld het Verre Oosten), waar vanuit Nederland weinig toezicht kan worden uitgeoefend op een hygienische porduktiewijze. Deze produkten kunnen dan een risico voor de volksge zondheid vormen. Ook andere lidstaten van de EG, zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Belgie, anticiperen op de komende communau taire regelgeving en zijn met vergelijkbare nationale wettelijke voorschriften gekomen. Wereld-Gezondheids-Organisatie (WHO) Eind 1981 publiceerde het Joint (FAO/IAEA/WHO Expert Committee on the Wholesomeness of Irradiated Food (JECFI) zijn eindrapport over de voedseldoorstraling (WH0-1981, Technical Report Series 659). De belangrijkste conclusie was dat voedseldoorstraling tot 10 kGy uit volks gezondheidsoogpunt als volkomen veilig beschouwd kan worden. De Gezondheidsraad heeft vervolgens de conclusies van dit rapport volledig onderschreven (Rapport 28 april 1982, nr. V 2800/LG/AR 15-x4). Staatsblad 1992 205 10 Codex Alimentarius In Codex Alimentarius verband is in 1983 een Codex General Standard for Irradiated Foods (CAC/VOL XV - E1) vastgesteld waarin zaken als de dosering tot 10 kGy, en de etikettering van doorstraald voedsel aan de orde komen. Internationale Conferentie - December 1988 Bovengenoemde werkzaamheden vormden mede de basis voor een gemeenschappelijke conferentie van WHO, FAO, IAEA, en ITC-UNCTAD/GATTvan 12-16 december 1988 «on acceptance, control of and trade in irradiated food». Deze conferentie werd niet alleen bezocht door delegaties van een groot aantal landen, maar ook door vertegenwoordigers van non-gouvernementele organisaties, waaronder de internationale consumenten-organisatie (IOCU). Zij mag dan ook worden gezien als de belangrijkste recente internationale gedachtenwis seling omtrent doorstraling. Deze conferentie liet overigens duidelijk meer overeenstemming zien tussen de verschillende regeringen, dan tussen regeringen en consumentenvertegenwoordigers. De regeringsde legaties bij die conferentie aanvaardden een slotdocument {IAEA - 1989) waarin, uitgaande van de veiligheid van het procede, onder meer het potentiele nut van voedseldoorstraling wordt beklemtoond. Vele speci fieke aspecten komen in bedoeld slotdocument afzonderlijk aan de orde, zoals de houding van de consument; mogelijk misbruik van de doorstra lingstechnologie («oplappen» van slechte partijen); etikettering; detectie methoden; de overheidscontrole; de internationale handel in doorstraalde produkten. Huidige situatie in Nederland Momenteel is het doorstralen van waren uitsluitend toegestaan aan bedrijven waarvoor een vergunning op basis van de Kernenergiewet geldt. De Kernenergiewet ziet toe op de algemene veiligheid van het doorstralingsprocede, met name de arbeidshygienische en milieu aspecten daarvan. De voorschriften betreffende het doorstralen van waren warden thans gesteld in de vorm van een individuele toestemming van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Bedoelde individuele toestemmingen werden in het algemeen voor een beperkte hoeveelheid waren verleend en hadden veelal een kortlopende geldig heidsduur. Het bovenstaande besluit verlaat deze individuele benadering en gaat over tot een algemene regaling voor het doorstralen van waren, zonder kwantitatieve beperkingen en in principe voor onbepaalde termijn. Mede uit oogpunt van deregulering is thans voor dit systeem gekozen: het schept duidelijkheid voor het bedrijfsleven en verkleint de bestuurslast voor de overheid. Verder wordt daarmee geanticipeerd op de te verwachten meergenoemde EEG-richtlijn ter zake. Algemeen Het onderhavige besluit is - evenals de ontwerp-richtlijn van de EG die overigens, zoals hierboven reeds werd aangegeven, uitsluitend op levensmiddelen betrekking heeft - gebaseerd op de volgende algemene beginselen: a. alleen de op een positieve lijst staande (categorieen van) waren mogen warden doorstraald; b. de inrichtingen waar doorstraling plaatsvindt, moeten in het bezit zijn van een door de Minister van VROM verleende vergunning op basis Staatsblad 1992 205 11 van de Kernenergiewet, en een erkenning van de Minister van WVC voor wat betreft behandelingseisen; c. de inrichtingen en het procede, evenals de doorstraalde waren worden aan officiele controle onderworpen; d. in de etikettering van doorstraalde waren moet van de behandeling melding worden gemaakt; e. uit andere landen afkomstige doorstraalde waren mogen Nederland binnenkomen op voorwaarde dat ze voldoen aan de aan die waren gestelde eisen. Voor wat betreft eet- en drinkwaren en grondstoffen ter bereiding daarvan is een behandeling met ioniserende stralen voorts alleen dan toegestaan wanneer die behandeling: a. vanuit technologisch oogpunt in een aanvaardbare behoefte voorziet; b. geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de eindverbruiker van de betrokken eet- of drinkwaar, noch van de eet- of drinkwaar waarvan de betrokken grondstof ingredient is, wanneer zij wordt uitgevoerd volgens de gestelde voorwaarden; c. de eindverbruiker van de betrokken eet- of drinkwaar, of van de eet of drinkwaar waarvan de betrokken grondstof ingredient is, een gezond heidsvoordeel oplevert; en d. niet het «oplappen» van op onhygienische wijze verkregen of reeds bedorven levensmiddelen of grondstoffen voor de bereiding daarvan, inhoudt; de behandeling mag dan ook niet worden gebruikt als vervan gingsmiddel voor goede hygiene, technologische of landbouwkundige praktijken. lndeling van het besluit Het besluit is in een aantal paragrafen opgedeeld, waarmee wordt beoogd de inzichtelijkheid te verbeteren, conform de aanbevelingen van de Adviescommissie Warenwet. Het betreft de volgende paragrafen: 1. algemene bepalingen; 2. installaties; 3. behandeling met ioniserende stralen van bepaalde andere waren dan eet- en drinkwaren en grondstoffen; 4. behandeling met ioniserende stralen van eet- en drinkwaren en grondstoffen; 5. het binnen Nederlands grondgebied brengen van doorstraalde eet en drinkwaren; 6. bijzondere bepalingen met betrekking tot de verhandeling van doorstraalde eet- en drinkwaren en grondstoffen die niet zijn bestemd voor de eindverbruiker of een installing; 7. slotbepalingen. Dereguleringsstreven I. Algemeen Het besluit stelt regels met betrekking tot de behandeling van doorstraalde waren. Het besluit beperkt de voor doorstraling toegelaten eet- en drinkwaren en bepaalt de maximale stralingsdoses waaraan ze kunnen worden blootgesteld. Het besluit is gericht op een ieder die waren behandelt met ioniserende stralen, en die doorstraalde waren in de handel brengt. Er zijn geen publiek- of privaatrechtelijke organen bij de uitvoering van het besluit betrokken. Het besluit sluit direct aan bij, en anticipeert zoveel mogelijk op de richtlijn betreffende doorstraling van levensmiddelen die bij de EG in behandeling is. Staatsblad 1992 205 12 Gezien het feit dat het onderwerp: doorstralen van eet- en drinkwaren, aanleiding geeft tot veel vragen, ondanks de veiligheid van het doorstra lingsprocede en de potentiele voordelen van doorstraalde levensmid delen ten opzichte van niet behandelde of met andere (veelal chemische} middelen behandelde levensmiddelen, is regulering door de lagere overheid noch zelfregulering door het bedrijfsleven overwogen. II. De doelstellingen In dit besluit wordt met name beoogd de voorwaarden vast te stellen waarmee doorstraling van produkten mag warden uitgevoerd, alsmede waaronder doorstraling is toegestaan. Voor wat betreft het laatste aspect warden onder meer regels gegeven met betrekking tot de deugdelijkheid van de te doorstralen en doorstraalde waren en de doorstralingsbehan deling. Een tweede doelstelling is de goede voorlichting omtrent waren, uit welk oogpunt een expliciete aanduidingsverplichting is opgenomen. Daarnaast is een regaling voor invoer en doorvoer van doorstraalde produkten opgenomen. Van overlapping met bestaande besluiten of met ontwerp-besluiten is overigens geen sprake. Ill. Normstelling, delegatie en bestuursinstrumenten Het besluit stelt in de eerste plaats vast aan welke eisen doorstralings installaties moeten voldoen alvorens zij waren mogen doorstralen. In de tweede plaats warden de criteria genoemd waaraan waren ten minste moeten voldoen om te mogen worden doorstraald. In de derde plaats bevat het besluit enerzijds een opsomming van de eet- en drinkwaren en grondstoffen die in aanmerking komen om te worden doorstraald, met een passende dosering van ioniserende stralen. Anderzijds wordt voor een tweetal «roerende zaken» die met levensmiddelen in directe aanraking plegen te komen: verpakkingen en verpakkingsmateriaal, alsmede gebruiksartikelen, de ten hoogste toegestane dosis gespecifi ceerd. Zoals in artikel 35 van de Warenwet (Stb. 1988, 360) is bepaald warden alle door de ministers te nemen (nadere) maatregelen gepubli ceerd in de Staatscourant. De bestuurlijke lasten, die gemoeid zijn met de uitvoering van dit besluit zullen kleiner zijn dan nu het geval is, omdat de thans gevolgde procedure van individuele toestemmingen afgeschaft wordt. Wei komt hiervoor het vereiste van een erkenning van de inrichting in de plaats. Vandaar dat het besluit dan ook geen personele consequenties met zich behoeft te brengen. Met het toezicht zijn overigens dezelfde ambtenaren belast als die welke zijn genoemd in het hierna volgende onderdeel IV. IV. Handhaving Voor het met het toezicht op de naleving te belasten apparaat, de Rijkskeuringsdiensten van Waren, zal het besluit naar verwachting geen consequenties hebben. lmmers in het thans bestaande systeem heeft deze dienst reeds een controlerende taak en het aantal produkten waarop toezicht gehouden dient te warden is middels onderhavige regaling niet vergroot. Zoals voor alle besluiten op basis van de Warenwet het geval is, is op overtreding van het besluit de Wet Econo mische Delicten van toepassing. 0ok de justitiele diensten zullen naar verwachting niet zwaarder warden belast. Naar verwachting zal er geen sprake zijn van al dan niet beoogde neveneffecten. Staatsblad 1992 205 13 V. Sociaal-economische aspecten De concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven zal niet of nauwelijks worden be'invloed, omdat het in te voeren produkt aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als de binnenlandse produktie. Omdat de kosten van het overheidstoezicht geheel voor rekening van de rijksoverheid zijn, zijn er in het algemeen geen directe financiele gevolgen voor burger, bedrijfsleven en non-profit instellingen te verwachten. Ook andere gevolgen zijn voor deze groepen niet te verwachten. VI. Varianten Zoals opgemerkt in het algemene gedeelte van deze toelichting is het systeem van de individuele toestemmingsprocedure verlaten. Bij het opstellen van het besluit is de variant overwogen van een algemene vrijlating tot 10 kGy, waartegen uit oogpunt van volksgezondheid geen overwegende bezwaren bestaan. Toepassing van hogere doses dan nu in het besluit is vastgesteld, zou overigens kostprijs-verhogend werken. Daardoor zou, naar mag worden verwacht, zodanige toepassing op eigen initiatief van het bedrijfsleven uit economische motieven achterwege blijven. Niettemin is deze variant niet gekozen: enerzijds om wille van de terugdringing van de totale stralingsbelasting, anderzijds terwille van de acceptatie van de consument van doorstraling als technologisch nuttig middel om bepaalde levensmiddelen te behandelen. Doorstraling van levensmiddelen wordt namelijk in het algemeen door de consument nog niet geaccepteerd als een voor de gezondheid onschadelijk middel om de mate van zuiverheid te verhogen, of de houdbaarheid van bepaalde produkten te verbeteren of te verlengen. Daarenboven valt de gebruikte doorstralingsdosis niet te controleren aan het produkt zelf: zulks is alleen mogelijk via een verplichte registratie en controle tijdens het procede. Overigens volgt meergenoemde ontwerp EEG-richtlijn ook de in het besluit neergelegde «constructie». Toetsing aangaande consumenten-effect-rapportage Voor de beschrijving van de maatregel en de invloed van internationale regelgeving moge verwezen worden naar de algemene toelichting. Het besluit stelt, op basis van de Warenwet, voorschriften aan het doorstralen van eet- en drinkwaren en grondstoffen, alsmede aan bepaalde andere roerende zaken: verpakkingsmateriaal voor levensmid delen en met name zuigelingenvoedingsartikelen. Ook worden er behan delingsvoorschriften opgenomen. Het besluit heeft betrekking op waren, welke doorstraald mogen worden. Deze waren zijn voor iedere consument verkrijgbaar indien de detailhandel deze waren ter beschikking stelt. De mate waarin dit zal plaatsvinden is thans nog onzeker. Aangezien het doorstralen, met name van levensmiddelen, ondanks aantoonbare vermindering van gezondheidsnadelen nog enigszins controversieel is, is het mogelijke aanbod en het kopen ervan door de consument, op basis van het nieuwe besluit, moeilijk in te schatten. Bij het tot stand brengen van dit besluit is door de Adviescommissie Warenwet (ACWW) een consumenten onderzoek ingesteld naar het vinden van een toepasselijke benaming voor doorstraalde waren. Het gebruik van een logo werd aanvankelijk wel door de EG-Commissie in haar ontwerp-richtlijn voorgesteld, maar stuitte met name op bezwaren van de zijde van het Europees Parlement. Die mogelijkheid wordt dan ook noch door het onderhavige besluit, noch Staatsblad 1992 205 14 door het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) noch door het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen geschapen. Artikelsgewijze toelichting § 1. Algemene bepalingen In het eerste lid van Artikel 1 zijn enige definities opgenomen, waarvan die met betrekking tot ioniserende stralen wel de belangrijkste is. Onder dat begrip wordt verstaan hetgeen de Kernenergiewet daaronder verstaat. Daarmee is tevens aansluiting bij die wet verkregen, zodat er geen onduidelijkheid over dat begrip kan ontstaan. Het begrip installatie is zodanig omschreven dat slechts een onderneming, aan welke een vergunning krachtens artikel 29 of 34 van de Kernenergiewet is verleend voor het voorhanden hebben en toepassen van radio-actieve stoffen, of voor het gebruiken van een ioniserende stralen uitzendend toestel, ervoor in aanmerking komt om te kunnen warden beschouwd als een installatie waarin waren kunnen warden doorstraald. Ook daarmee wordt beoogd een duidelijke stroomlijning met de regelgeving krachtens de Kernener giewet te verkrijgen. In het tweede lid zijn enkele uitzonderingssituaties genoemd waarop het onderhavige besluit geen betrekking heeft. Het gaat om uiterst zwakke stralingsdoses (ten hoogste 0,5 Gy) die bij controle- of meet apparatuur warden gebruikt. Zoals in ieder besluit dat op de Warenwet (Stb. 1988, 360) gebaseerd is het geval is, zijn in artikel 2 de verbodsbepalingen opgenomen van de in de volgende artikelen gestelde eisen, voorwaarden en andere met betrekking tot, in casu, het gebruik van deugdelijke grondstoffen en een deugdelijke doorstralingsbehandeling gestelde voorschriften. Het eerste lid is gebaseerd op de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, onderdeel a, 1 °, van de Warenwet, en betreft de uit oogpunt van gezondheidsbescherming en van eerlijkheid in de handel aan een deugdelijke behandeling met ioniserende stralen van waren te stellen eisen. Het verbod verwoord in het tweede lid heeft betrekking op het bezigen van grondstoffen, die niet voldoen aan de gestelde eisen in of krachtens dit besluit. Het is gebaseerd op artikel 4, eerste lid, van de wet. In het derde lid wordt verboden dat eet- of drinkwaren warden verhandeld die niet zijn behandeld conform het bepaalde in of krachtens dit besluit. Oat verbod is gebaseerd op artikel 5, zesde lid, van de wet. Het in het vierde lid opgenomen verbod is gegrondvest op artikel 6, onderdeel d, van de wet. Daarmee wordt bereikt dat overtreding van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het besluit strafbaar is. Het vijfde lid heeft betrekking op de in dit besluit, op grand van artikel 8, onderdeel c, van de Warenwet, aan de verhandeling van eet- en drinkwaren gestelde voorschriften met betrekking tot de vermeldingen die moeten warden gebezigd bij de verhandeling aan de bereider van eet- en drinkwaren. Het zesde lid ten slotte is gebaseerd op artikel 9, onderdeel b, van de wet, en heeft betrekking op de voorschriften die moeten warden nageleefd bij de in- of doorvoer van doorstraalde waren. §2. lnstallaties In deze paragraaf zijn de voorschriften opgenomen die betrekking hebben op de installaties waar de doorstralingsbehandeling wordt uitge voerd. In het eerste lid van artikel 3 zijn de mogelijke installaties genoemd waarvan in beginsel slechts gebruik mag warden gemaakt: het betreft Staatsblad 1992 205 15 installaties waarbij met gammastralen wordt gewerkt (a), installaties met rontgen-stralen (b) en installaties die elektronen opwekken met machinale bronnen (c). In het tweede lid wordt geregeld welke installaties mogen warden ingezet voor het doorstralen. In dit lid gaat het om in Nederland geves tigde installaties, waarvoor ten eerste de Minister van VROM krachtens de Kernenergiewet een vergunning moet hebben verleend zoals hierboven bij de begripsomschrijving installatie reeds is gesteld. Ten tweede moet door de Minister van WVC een erkenning zijn verleend. In het derde lid warden de criteria genoemd voor een mogelijke erkenning voor het doorstralen van levensmiddelen welke zijn opgenomen in de Codex Alimentarius. De installatie dient te voldoen aan de Recommended International Code of Practice for the Operation of Irradiation Facilities Used for the Treatment of Foods van de Codex Alimentarius. De bepalingen in deze code voor zover het eet- en drinkwaren en grondstoffen betreft, hebben alleen betrekking op het produceren in ruimtes die vanuit een oogpunt van hygiene daarvoor geschikt zijn en vereisen dat uitsluitend onder condities van goede hygie nische fabricagepraktijken wordt geproduceerd. Deze bepalingen zijn al vereist middels het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling. Erkenning betekent slechts dat de toetsing vooraf dient plaats te vinden. In het vierde lid is opgenomen dat de minister nadere eisen kan stellen met betrekking tot de voorwaarden voor het verlenen van een erkenning. In het vijfde lid is op de voet van het vierde lid van artikel 5 van de Warenwet bepaald hoe een aanvraag voor een erkenning moet geschieden. Zij moet warden ingediend bij de Minister van WVC. Van die aanvrage moet in elk geval deel uitmaken een afschrift van de door de Minister van VROM afgegeven meerbedoelde vergunning. Het ligt uiteraard voor de hand dat beide ministers zich met elkaar zullen verstaan omtrent de beantwoording van de vraag of de installatie geschikt en in staat moet warden geacht om aan de in of krachtens dit besluit gestelde of nog te stellen eisen te voldoen. Artikel 4 is gebaseerd op artikel 5, eerste lid, onderdeel a, 1 ° van de Warenwet, waarin de mogelijkheid is neergelegd dat voorschriften warden vastgesteld die in acht moeten warden genomen bij - in casu de behandeling van te doorstralen waren. De in het eerste lid opgenomen voorschriften komen overeen met die van de Codex Alimentarius en het hierboven reeds aan de orde gestelde voorstel voor een EEG-richtlijn ter zake van doorstraling. Het betreft in feite «Good Manufacturing Practice» voorschriften. Omdat het niet uit te sluiten is dat nog andere voorschriften kunnen warden gesteld is in het tweede lid opgenomen dat de minister nog nadere eisen kan stellen. Ook hier is overigens weer gepreludeerd op de mogelijke EEG-Richtlijn, nu de mogelijkheid is opgenomen dat die nadere voorschriften ook vanwege EEG-voorschriften kunnen warden gesteld. In dat geval is het weinig zinvol dat de Adviescommissie Warenwet daarover wordt gehoord; reeds in een eerder stadium zal dit adviesorgaan immers warden ingeschakeld, namelijk bij de advisering van de Nederlandse delegatie naar het EEG-overleg ter zake. In het derde lid is ten slotte vastgelegd dat de gegevens bedoeld in het eerste lid door de beheerder van de installatie ten minste vijf jaren moeten warden bewaard. § 3. Behandeling met ioniserende stralen van bepaalde andere waren dan eet- en drinkwaren en grondstoffen In dit besluit warden slechts regals gesteld met betrekking tot eet- en drinkwaren en grondstoffen, alsmede verpakkingen daarvan en gebruiks artikelen daarvoor. Daarmee wordt met name bereikt dat het onder havige besluit het karakter heeft van een uitsluitend op levensmiddelen Staatsblad 1992 205 16 betrekking hebbend besluit. Ten aanzien van andere roerende zaken zal in voorkomend geval in de betrokken specifieke wetgeving een bepaling kunnen warden opgenomen die op de behandeling van die waar met het procede in kwestie betrekking heeft. In het eerste lid van artikel 5 warden aan het behandelen met ionise rende stralen van verpakkingen en verpakkingsmaterialen die bestemd zijn om in contact te komen met levensmiddelen, regals met betrekking tot de maximale dosering gesteld. Met name het aspect van de samenhang met de deugdelijkheid van het levensmiddel maakt het noodzakelijk dat aan een dergelijke toepassing deze specifieke eisen warden gesteld. Het tweede lid geeft een vergelijkbaar voorschrift, maar dan met betrekking tot gebruiksartikelen voor levensmiddelen, zoals spenen en zuigflessen. In het derde lid is bepaald dat de behandeling in fasen mag warden uitgevoerd. Dat kan uit praktisch oogpunt wenselijk zijn, met name in gevallen waar in eerste instantie, vanuit oogpunt van «Good Manufacturing Practice», met een dosis is doorstraald die achteraf toch te laag is gebleken. Een tweede, aanvullende behandeling kan dan uitkomst bieden om toch tot een goed eindresultaat te komen. Uiteraard zal de totale geabsorbeerde stralingsdosis, dus de dosis tezamen met die van de eerste behandeling, gemiddeld ten hoogste de in dit besluit voor de betrokken waar toegestane waarde mogen bedragen. Daarnaast is een absoluut maximum voor de geabsorbeerde stralingsdosis vastgesteld van 150% van de toegelaten dosis. Een minimum voor de afwijking naar beneden is niet vastgelegd, aangezien de mogelijkheid moet warden opengelaten om met minder dan de toege laten maximum dosis te volstaan wanneer «Good Manufacturing Practice» zulks vereist; hierbij wordt tevens aangesloten bij het stralings principe dat er geen grotere dosis aangevoerd warden dan nodig om het gestelde doel te bereiken. § 4. Behandeling met ioniserende stralen van eet- en drinkwaren en grondstoffen Deze paragraaf vormt feitelijk de kern van het besluit: het doorstralen van levensmiddelen. Deze toepassing van het doorstralingsprocede ontmoet doorgaans het meest kritiek, vandaar dat in en krachtens deze paragraaf nauwkeurig wordt aangegeven waarmee betrokkenen rekening moeten houden. Enerzijds gaat het om een precieze opgave van de te doorstralen waren, anderzijds om een nauwkeurige vastlegging van de ten hoogste te absorberen gemiddelde stralingsdosis. Maar eerst moet warden gewezen op het volgende. Eet- en drinkwaren en grondstoffen mogen uitsluitend met het oog op een of meer van de volgende doeleinden warden behandeld met ionise rende stalen: a. vermindering van het optreden van door eet- en drinkwaren veroor zaakte ziektes door vernietiging van ziektekiemen; b. vermindering van bederf van eet- en drinkwaren door het vertragen of stoppen van rottingsprocessen en het vernietigen van bederf veroorza kende organismen; c. ontsmetting van grondstoffen door ze te ontdoen van organismen die schadelijk zin voor grondstoffen en voor daaruit verkregen eet- en drinkwaren. Deze doeleinden warden ook in de ontwerp-EEG-richtlijn gehanteerd. Achtergrond hiervan is de gezondheidsbescherming: het voork6men dat de mens schadelijke gevolgen ondervindt van het consumeren van voedsel dat met name microbieel verontreinigd blijkt te zijn geweest. Onderdeel a heeft daarop betrekking: vermindering van het risico van de aanwezigheid van ziektekiemen. De onderdelen b en c lijken daarentegen ogenschijnlijk primair door technologische oogmerken te zijn ingegeven. Staatsblad 1992 205 17 In die gevallen gaat het er immers om te voorkomen dat consument of verbruiker schade ondervindt door het verloren gaan van eet- en drinkwaren of grondstoffen om redenen die verband houden met (vroeg tijdige) vermindering van de gebruikswaarde door bederf. Er wordt evenwel op gewezen dat toepassing van een behandeling met ionise rende stralen zal dienen ter vervanging van een behandeling met een vergelijkbaar effect, zoals een behandeling met bestrijdingsmiddelen, zoals bij voorbeeld insecticiden. Voor de gezondheid van degenen die een dergelijke behandeling uitvoeren, moet zij toch als weinig positief worden beschouwd. Bovendien zullen met het gebruik van chemische middelen doorgaans ook residuen in het levensmiddel achterblijven. Zo zouden, met hetzelfde effect op de hoedanigheid van de waar, kruiden en specerijen zowel kunnen worden begast met ethyleenoxide (ware het niet dat die toepassing uit volksgezondheidsoverwegingen niet meer is toegestaan), als worden doorstraald. Ongetwijfeld zal ook hier bij de keuze voor het doorstralen, duidelijk sprake zijn van een voordeel voor de bescherming van de gezondheid. Het eerste lid van artikel 6 geeft aan welke eet- en drinkwaren en grondstoffen doorstraald mogen worden. Hierbij is vooralsnog zoveel mogelijk aansluiting gezocht met de lijst van produkten zoals die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan de Raad is voorge steld, in het kader van meergenoemde ontwerp-richtlijn ter zake van het doorstralen van levensmiddelen. Bij de keuze van de waren die op deze lijst zijn opgenomen, heeft vooral een mogelijk volksgezondheidsvoordeel zwaar gewogen. Omdat voor andere produkten, zoals bij voorbeeld aardappelen en uien, een dergelijk voordeel nauwelijks aanwezig is en omdat het behandelen van deze produkten met ioniserende stralen door onder andere de organisaties van de desbetreffende producenten en verhandelaars van deze produkten niet gewenst wordt, zijn zij, evenmin als in de ontwerp-richtlijn van de EEG, niet in de lijst opgenomen. Tevens wordt daarbij vermeld de ten hoogste toelaatbare gemiddelde stralings dosis, uitgedrukt in kGy, conform bedoelde ontwerprichtlijn van de EEG. Daarbij is feitelijk ook het beginsel van Good Manufacturing Practice aan de orde: dat uitgangspunt betekent immers dat men de best passende en tegelijkertijd meest effectieve werkwijze moet hanteren. Het principe van het noodzakelijk aanwezige voordeel van een doorstralingsbehandeling is reeds in het algemene gedeelte van deze nota aan de orde geweest. Voor alle genoemde waren wordt het nut van een mogelijke doorstraling in beginsel verondersteld. In het tweede lid is evenals bij de doorstraling van de in dit besluit bedoelde verpakkingen en verpakkingsmaterialen, alsmede gebruiksarti kelen (artikel 5, eerste en tweede lid) het geval is, allereerst bepaald dat de behandeling (om met name praktische redenen) in fasen mag worden uitgevoerd. Tevens is ook hier een absoluut maximum voor de geabsorbeerde stralingsdosis vastgesteld van 150% van de toegelaten dosis. Een minimum voor de afwijking naar beneden is ook in dit geval niet vastgelegd, gelet op het uitgangspunt van «Good Manufacturing Practice». In het derde lis is ten slotte vastgelegd dat eet- en drinkwaren en grondstoffen slechts eenmaal doorstraald mogen worden. Zou deze bepaling niet zijn opgenomen, dan zou herhaalde doorstraling van eenzelfde waar (telkens ten hoogste tot de maximale dosis) in elk geval in theorie mogelijk zijn. Daarmee zou de betrokken waar immers een gecumuleerde dosis kunnen ontvangen die de vastgestelde maximale dosis zou kunnen overschrijden. Tevens is in dat lid bepaald dat de combinatie van doorstralen en het toepassen van een chemisch middel, conform meergenoemd voorstel voor een EEG-richtlijn, niet is toege staan. Zoals onder Algemeen reeds is aangegeven mogen eet- en Staatsblad 1992 205 18 drinkwaren en grondstoffen niet door middel van doorstraling warden «opgelapt». Om dat doel te bereiken (en daarmee de toepassingsmoge lijkheden van doorstraling te beperken tot de drie hierboven genoemde doeleinden), is aansluiting gezocht bij het gestelde in artikel 18 van de wet, in welk artikel de minimum-eisen van waren zijn geformuleerd. Daarin is vastgelegd dat ongeschikte, ondeugdelijke of minderwaardige eet- en drinkwaren, c.q. grondstoffen niet mogen warden verhandeld, c.q. gebruikt voor de bereiding van eet- en drinkwaren. Krachtens de tweede volzin van het derde lid van artikel 1 van de wet vallen echter buiten de werking van de Warenwet waren die warden afgeleverd om deze «in overeenstemming te brengen met regals, bij of krachtens deze wet met betrekking tot die waar gesteld». Bedoelde waren zouden krachtens die bepaling wel mogen warden afgeleverd om deze door behandeling met ioniserende stralen in overeenstemming te brengen met de wettelijke eisen. Ten einde dat te voorkomen moet dan ook op basis van het vijfde lid van artikel 1 van de wet die bepaling buiten toepassing warden verklaard. Daartoe dient artikel 7. Daarin is bepaald dat eet- en drinkwaren en grondstoffen die niet in overeenstemming zijn met artikel 18 van de wet, niet mogen warden afgeleverd om te warden doorstraald. Ter vermijding van mogelijke misverstanden wordt er op deze plaats met nadruk op gewezen dat het bepaalde in dit artikel van toepassing is op alle op Nederlands grondgebied aanwezige waren. Zij geldt dus ook voor van buiten Nederland afkomstige eet- en drinkwaren en grondstoffen, en ongeacht onder welk invoer-regime (invoer, entrepot, transito) zij op het grondgebied zijn gebracht. In artikel 8, eerste lid is bepaald dat eet- en drinkwaren die als zodanig bestemd zijn voor de eindverbruiker, uitsluitend mogen warden doorstraald indien deze zich bevinden in de verpakking waarin de betrokken waar uiteindelijk wordt afgeleverd. Achtergrond is uiteraard dat door het niet stellen van die eis het voordeel van de doorstraling (pasteurisatie of decontaminatie) in elk geval teniet zou warden gedaan, en zelfs tot schadelijke bijeffecten zou kunnen leiden door de dan mogelijke aanwezigheid van pathogene micro-organismen. lmmers «concurrentie» van normaal aanwezige, minder schadelijke micro organismen, is na de doorstraling afwezig. In het tweede lid wordt aansluitend bepaald dat doorstraalde waren, die rechtstreeks aan de consument warden verkocht, moeten zijn verpakt in de voorverpakking waarin zij tevens zijn doorstraald. In dit artikel is gekozen voor de formulering dat de waren als zodanig «kennelijk» bestemd zijn voor de eindverbruiker. Het woord kennelijk is gebruikt om de bewijslast voor de opsporingsinstantie te verlichten. Uit de verpakking en de etikettering van de waar is immers niet altijd af te leiden of deze bestemd is voor de eindverbruiker. § 5. Het binnen Nederlands grondgebied brengen van doorstraalde eet en drinkwaren en grondstoffen In artikel 9 zijn specifieke bepalingen opgenomen die betrekking hebben op uit andere landen in te voeren doorstraalde waren. In het licht van de artikelen 30-36 van het EEG-Verdrag kan hierover het volgende warden gezegd. In deze bepalingen is zoveel mogelijk gepreludeerd op een mogelijke EEG-richtlijn voor de behandeling van levensmiddelen met ioniserende stralen en zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de genoemde voorstellen van de Commissie van de Europese Gemeen schappen. Zo wordt in het eerste lid aangesloten bij het binnen de EG gebruikelijke stelsel van harmonisatie door middel van wederzijdse erkenning van certificaten: produkten die - blijkens een erkenning - aan de in andere landen geldende eisen voldoen, kunnen hier niet warden geweerd. In het derde lid zijn enige aanvullende voorwaarden genoemd, Staatsblad 1992 205 19 waaronder de invoer mag plaatsvinden; ook op dit punt is aangesloten bij de voorstellen van de Commissie. Verwacht mag worden dat de overige lidstaten deze voorwaarden in acht zullen nemen. Zolang van daadwerke lijke harmonisatie nog geen sprake is, kan het weren van produkten die niet aan deze eisen voldoen, doch die niettemin in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, slechts geschieden op grond van een der in artikel 36 van het EG-verdrag genoemde gronden. In de bepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen het op Nederlands grond gebied brengen in het algemeen (doorvoer, invoer ten behoeve van reexport en daadwerkelijke invoer) (eerste lid) en de specifieke, daadwer kelijke invoer (tweede lid). Zo is in het eerste lid, onderdeel a, bepaald dat de doorstraling in een door de bevoegde autoriteit erkende installatie moet hebben plaats gevonden. In dat onderdeel wordt voor een deel gepreludeerd op een mogelijke EEG-richtlijn terzake van doorstraling van levensmiddelen. lndien die richtlijn wordt vastgesteld zal de Commissie van de EG de bevoegdheid krijgen met Derde landen overeenkomsten te sluiten over erkenning van in die landen gevestigde installaties. In afwachting van die besluitvorming zal de regering met de betrokken regeringen het noodza kelijke overleg ter zake voeren. Daarnaast is in onderdeel b bepaald dat ingevoerde doorstraalde waren moeten zijn voorzien van een aanduiding waaruit blijkt in welke installatie de desbetreffende waren zijn doorstraald. Uit het oogpunt van bescherming van de volksgezondheid is dit voorschrift gerechtvaardigd; het dient er immers toe een garantie te geven dat het doorstralingsprocede op een voor de volksgezondheid veilige wijze is geschied. Een en ander is overigens geheel in lijn met meergenoemde ontwerp-richtlijn van de EG. In het tweede lid is opgenomen dat de minister nadere eisen kan stellen met betrekking tot de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning. 0ok hier is weer gepreludeerd op de mogelijke EEG-Richtlijn, nu de mogelijkheid is opgenomen dat die nadere eisen ook door de EG-autoriteiten kunnen zijn gesteld, voor zover een desbetref fende maatregel zal zijn vastgesteld. Het derde lid heeft een aanvullende werking op het eerste en op de eventueel krachtens het tweede lid vastgestelde nadere regels. Het heeft betrekking op de daadwerkelijke invoer in de zin van artikel 6 van de Algemene Wet inzake de douane en de accijnzen (Stb. 1961, 31 ), zoals dat in het vierde lid is bepaald. 0ok hier is weer gepreludeerd op de mogelijke EG-wetgeving, die voorziet dat aan ingevoerde doorstraalde waren uit derde landen dezelfde eisen worden gesteld als aan doorstraalde waren, die zijn geproduceerd binnen de Gemeenschap. Voor Nederland is dit extra van belang opdat geen nadelige invloed wordt ondervonden op onze afzetpositie door de indruk dat vanuit ons land produkten uit derde landen worden behandeld en uitgevoerd, die niet zouden voldoen aan de aan doorstraalde waren gestelde eisen voor het nationale produkt. In onderdeel a is bepaald dat de betrokken in te voeren waar moet behoren tot een in artikel 7, eerste lid, genoemde categorie, dan wel zijn aangewezen krachtens artikel 8, eerste lid. 0ok de in of krachtens het besluit voorgeschreven maximaal te absorberen stralingsdosis moet in acht zijn genomen (onderdeel b). 0nderdeel c bepaalt dat de in artikel 4, eerste lid, voorgeschreven infor matie over de doorstraalde waar bij iedere zending aanwezig moet zijn. In Nederlandse installaties kan die informatie gemakkelijk opgevraagd worden; die informatie behoeft niet bij de aflevering aanwezig te zijn. In geval van invoer ligt de zaak anders. De controlerende instanties moeten immers ook in dat geval kunnen nagaan of op correcte wijze het procede is uitgevoerd, wie de opdrachtgever van het doorstralen is geweest, alsmede wie de ontvanger is van de betrokken waar. Staatsblad 1992 205 20 § 6. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verhandeling van doorstraalde eet- en drinkwaren en grondstoffen die niet als zodanig zijn bestemd voor de eindverbruiker Uit controle-oogpunt is het gewenst dat bij de verhandeling van doorstraalde waren aan anderen dan eindverbruikers in de zin van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet), een aanduiding wordt gebezigd aangevende de naam en het adres van de doorstralingsinstal latie. In het eerste lid van artikel 10 is zulks voorgeschreven. In het tweede lid zijn enkele bepalingen uit het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) van toepassing verklaard op de verhandeling van doorstraalde levensmiddelen aan anderen dan eindverbruikers. Zo is in onderdeel a bepaald dat in geval van de onderhavige verhandeling ook een aanduiding van de produktiepartij moet worden gebezigd. De beide andere onderdelen hangen nauw samen met de in artikel 12 aange brachte wijziging van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet). Het betreft enerzijds de te bezigen vermelding dat de waar doorstraald is, en anderzijds de verplichting om ook bij de verhandeling die niet onder het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) valt, te vermelden dat de waar doorstraalde ingredienten bevat. Ook de bereider van eet en drinkwaren behoeft immers niet te verwachten dat een bij hem afgeleverde waar doorstraald is, of dat die waar doorstraalde ingre dienten bevat. Ten aanzien van zodanige verhandeling (aan fabrikant, ambachtelijk bereider, installing) is het AAB niet van toepassing, zodat die noodzakelijk te achten informatie voer het doorstraald zijn van de waar aan die categorie van ontvangers ongestraft zou kunnen worden onthouden. Teneinde dat te voorkomen, is in de onderdelen b en c, een bepaling ter zake opgenomen. In het derde lid zijn enkele bepalingen van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen van overeenkom stige toepassing verklaard op de verhandeling van doorstraalde levens middelen aan andere dan eindverbruikers. § 7. Slotbepalingen In het eerste lid van Artikel 11 worden met name microbiologische en dettectiemethoden genoemd. Microbiologische methoden van onderzoek zijn vooral van belang om na te gaan of de met ioniserende stralen te behandelen waar deugdelijk is en voor een behandeling in aanmerking komt. Het is immers niet de bedoeling dat het doorstralingsprocede gebruikt wordt om ondeugdelijke waar weer «op te lappen». Onder detectiemethoden worden verstaan onderzoeksmethoden waarmee vastgesteld kan worden of produkten al dan niet met ioniserende stralen zijn behandeld. Met artikel 12 en artikel 13 worden het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) en het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen gewijzigd. Aangezien in deze besluiten reeds een bepaling is opgenomen met betrekking tot de vereiste aanduidingen bij de verhandeling van doorstraalde eet- en drinkwaren als zodanig, zijn in deze besluiten slechts bepalingen opgenomen voor eet- en drinkwaren waarin doorstraalde ingredienten aanwezig zijn. Krachtens deze bovenge noemde bepalingen is reeds voorgeschreven dat bij de verhandeling van voorverpakte eet- en drinkwaren aan de eindverbruiker moet worden aangegeven dat de waar doorstraald is, aangezien immers aan het produkt zelf vanaf de buitenzijde niet is te zien dat het doorstraald is, terwijl dit het karakter van het produkt wezenlijk verandert. Krachtens de EEG-richtlijn betreffende de etikettering van levensmiddelen (79/112/EEG; PbEG L 33), moet in principe ook in de lijst van ingre dienten de niet te verwachten behandeling van een ingredient worden aangegeven. In het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) en het Staatsblad 1992 205 21 Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen is zulks inmiddels slechts impliciet vereist. In de praktijk is echter gebleken dat niet in alle gevallen op die wijze werd gehandeld. Gegeven die ervaring, en ten behoeve van de duidelijkheid voor de justitiabele, zijn beide aspecten nu expliciet in het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) en in het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen opgenomen. In artikel 5, vierde lid van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) en artikel 7, tweede lid van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmid delen is echter de mogelijkheid opgenomen om onder bepaalde omstan digheden van deze bepaling af te wijken. Het gaat hierbij onder andere om grondstoffen, die voor minder dan 25% in eet- en drinkwaren voorkomen en die een algemeen bekende naam hebben. In zo'n geval behoeven niet de verschillende ingredienten van die grondstof te worden vermeld. In het vijfde lid van artikel 5 van het Algemeen Aanduidingen besluit (Warenwet) en het vijfde lid van artikel 7 van het Warenwetbe sluit Etikettering van levensmiddelen is bepaald dat in het geval het een grondstof betreft die ingredienten bevat die met ioniserende stralen zijn behandeld, voor deze ingredienten slechts van een dergelijke mogelijkheid gebruik mag worden gemaakt indien zij voor minder dan 2% voorkomt in de eet- of drinkwaar. Met deze bepaling wordt aangesloten bij de stand van zaken in de discussies over de ontwerp-EG-richtlijn. In het zesde lid van artikel 5 van het Algemeen Aanduidingenbesluit (warenwet) en het zesde lid van artikel 7 van het Warenwetbesluit Etiket tering van levensmiddelen is een bepaling opgenomen om snel te kunnen inspelen op de uiteindelijke resultaten van de uitkomst van de discussie over de ontwerp-EEG-richtlijn terzake. De inwerkingtreding van het besluit is in het eerste lid van artikel 14 gesteld met ingang van de derde maand na de bekendmaking. Waren waarvan kan worden aangetoond dat zij v66r die datum zijn doorstraald vallen niet onder de werkingssfeer van het besluit. In het tweede lid is een afwijking van het bepaalde in het eerste lid geformuleerd, die verband houdt met de nieuwe etiketteringsregels van artikel 10, tweede lid, sub c, derde lid, sub c, artikel 12 en artikel 13. Oat lid bepaalt dat die regels in werking treden zeven maanden na de publi katie in het Staatsblad. De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H.J. Simons Staatsblad 1992 205 22

Decree No. 205 of 1992 based on the Commodities Act Relative to Irradiated Food, Beverages, and Products Which Come Into Contact With Food · Nelum