تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين سورينام

The New Civil Code of Suriname

صدر في 2024-08-13 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

اللغة
Dutch
النوع
قانون
الدولة
سورينام
الموضوعات
Land and soil, General
الكلمات المفتاحية
civil code, contracts, agricultural land, common property, credit, land tenure, lease, liability/compensation, ownership, private land, property rights, public land, right of use, servitude, transfer rights, use restrictions, expropriation

أين تقرؤه

    لا يوجد رابط مصدر مسجل لهذا القانون.

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. Artikel 1 De bij deze wet gevoegde boeken 1 tot en met 8 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek worden als volgt vastgesteld: a. Boek 1 : Personen- en familierecht b. Boek 2 : Rechtspersonen c. Boek 3 : Vermogensrecht in het algemeen d. Boek 4 : Erfrecht e. Boek 5 : Zakelijke rechten f. Boek 6 : Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht g. Boek 7 : Bijzondere overeenkomsten h. Boek 8 : Verkeersmiddelen en vervoer.

  2. Artikel 2 1. De citeertitel van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tezamen met Boek 7A, blijft: Burgerlijk Wetboek. 2. Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd. 3. Zij treedt in werking op een door de President te bepalen tijdstip. 2024 -2- No. 164 4. De Minister van Justitie en Politie is belast met de uitvoering van deze wet. Paramaribo, de 5e december 2024, CHANDRIKAPERSAD SANTOKHI Uitgegeven te Paramaribo, de 15e januari 2025. De Minister Binnenlandse Zaken, DELANO LANDVREUGD WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 1 2024 -3- No. 164 BOEK 1 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 1 Personen- en familierecht Titel 1 Algemene bepalingen

  3. Artikel 1 1. Allen die zich in Suriname bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten. 2. Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld. Artikel 1a Het Burgerlijk Wetboek staat niet in de weg aan toepassing van regels uit de rechtsstelsels van de gemeenschappen in de binnenlanden. Artikel 2 Het kind waarvan een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

  4. Artikel 3 1. De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of een adoptie als een geboorte. 2. Door huwelijk ontstaat tussen de ene echtgenoot en een bloedverwant van de andere echtgenoot aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot en diens bloedverwant. 3. Door ontbinding van het huwelijk wordt aanverwantschap niet opgeheven. Titel 2 Het recht op de naam

  5. Artikel 4 1. Eenieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn. 3. Geeft de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven. 4. Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de kantonrechter. De wijziging geschiedt doordat van de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt toegevoegd, overeenkomstig artikel 20a lid 1. In geval van wijziging van de voornamen van een buiten Suriname geboren persoon geeft de rechter die de beschikking geeft, voor zoveel nodig ambtshalve hetzij een last tot inschrijving van de akte van geboorte dan wel van de akte of de uitspraak, bedoeld in artikel 25g lid 1, hetzij de in artikel 25c bedoelde beschikking. 2024 -4- No. 164

  6. Artikel 5 1. Bij de keuze van de geslachtsnaam van een kind, verder aan te duiden als naamskeuze, kan worden gekozen, voor de geslachtsnaam van de vader, voor die van de moeder of voor een combinatie van beide geslachtsnamen, in een zelf gekozen volgorde. 2. Heeft de vader of de moeder een dubbele geslachtsnaam, dan kan ook gekozen worden voor één deel daarvan. Wordt gekozen voor een combinatie, dan kan slechts één deel van de dubbele geslachtsnaam daarin worden opgenomen. Hetzelfde geldt indien de geslachtsnaam van de vader of moeder bestaat uit drie of meer delen.

  7. Artikel 5a 1. Naamskeuze van de ouders kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van het eerste kind, tot wie beiden in familierechtelijke betrekking staan, worden gedaan. Onverminderd artikel 5d, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind. 2. Indien voor de geboorte of ter gelegenheid van de aangifte door de ouders naamskeuze is gedaan ten aanzien van een kind dat levenloos ter wereld komt of is gekomen, wordt deze keuze opgenomen in de akte, bedoeld in artikel 19i lid 1 en geldt zij alleen ten aanzien van dit kind.

  8. Artikel 5b 1. Een geschil tussen de ouders of toekomstige ouders over de naamskeuze kan op verzoek van beiden of een van hen aan de kantonrechter worden voorgelegd. Deze beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen hen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 2. Het verzoekschrift wordt ingediend voor het tijdstip waarop uiterlijk naamskeuze kan worden gedaan. Heeft de rechter niet beslist voor dat tijdstip, dan is de geslachtsnaam die het kind volgens de wet krijgt of behoudt een voorlopige, in afwachting van de beslissing van de rechter.

  9. Artikel 5c 1. Is een van de ouders voorafgaand aan het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan overleden en is de naamskeuze niet gedaan, dan kan de andere ouder de verklaring van naamskeuze afleggen. 2. Hetzelfde geldt indien een van de ouders niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake; bij geschil daarover is artikel 5b van overeenkomstige toepassing. 3. Ook bij afwezigheid van een ouder is artikel 5b van overeenkomstige toepassing.

  10. Artikel 5d Indien een kind op het tijdstip van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien jaar of ouder is, kan het zelf naamskeuze doen, in geval van erkenning, ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand dan wel, in geval van adoptie of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ten overstaan van de rechter. Van de verklaring van naamskeuze wordt melding gemaakt in de akte van erkenning of in de rechterlijke uitspraak inzake adoptie of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. 2024 -5- No. 164

  11. Artikel 5e Een kind kan, indien zulks in aanmerking komt, gedurende vijf jaar na zijn meerderjarigheid door een naamskeuze zijn geslachtsnaam wijzigen. De verklaring van naamskeuze wordt door het kind gedaan ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie zijn geboorteakte berust. Artikel 5f Indien een kind alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, heeft het haar geslachtsnaam.

  12. Artikel 5g 1. Indien een kind door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, behoudt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren naamskeuze te doen. Van deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van erkenning. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij erkenning van een ongeboren kind. 2. Wordt een verklaring van naamskeuze voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte afgelegd, dan heeft het kind de gekozen naam vanaf de geboorte.

  13. Artikel 5h Indien een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren naamskeuze te doen. De rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het vaderschap vermeldt de verklaring van de ouders hieromtrent.

  14. Artikel 5i 1. Indien op grond van huwelijk een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot de ouders komt te staan, kunnen de ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte verklaren naamskeuze te doen. Van de verklaring van de ouders die voor de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Van de verklaring van de ouders die ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt melding gemaakt in de geboorteakte. De verklaring die niet ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van de moeder afgelegd. 2. Geschiedt de naamskeuze niet uiterlijk ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand als geslachtsnaam van het kind de geslachtsnaam van de vader in de geboorteakte op. 3. Wordt een verklaring houdende naamskeuze voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte afgelegd, dan heeft het kind de gekozen naam vanaf de geboorte.

  15. Artikel 5j 1. Indien de moeder na de geboorte van het kind op grond van artikel 199 onder b het vaderschap van de overleden echtgenoot ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de ontkenning is hertrouwd, kunnen de moeder en haar echtgenoot gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning verklaren naamskeuze te doen. Van de verklaring van de ouders wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. 2. Bij gebreke van een verklaring heeft het kind de geslachtsnaam van de vader. 2024 -6- No. 164 Artikel 5k Indien een kind door adoptie alleen in familierechtelijke betrekking tot de vader staat, heeft het zijn geslachtsnaam.

  16. Artikel 5l 1. Indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking komt te staan tot beide adoptanten, heeft het kind de geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren naamskeuze te doen. 2. Indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot van een ouder komt te staan, behoudt het zijn geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens echtgenoot ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren naamskeuze te doen. 3. De rechterlijke uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van naamskeuze.

  17. Artikel 5m Zijn de vader en moeder onbekend, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de geboorteakte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam op, in afwachting van de resolutie waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld. Artikel 6 De geslachtsnaam wordt ten aanzien van eenieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.

  18. Artikel 7 1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, bij resolutie worden gewijzigd. 2. Degene wiens geslachtsnaam of voornamen niet bekend zijn, kan verzoeken dat bij resolutie voor hem een geslachtsnaam of voornamen worden vastgesteld. 3. Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam bij resolutie heeft geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die vóór de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. 4. Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam bij resolutie blijft in stand, niettegenstaande een latere erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. 5. Bij staatsbesluit kunnen regels worden gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in de leden 1 en 2 bedoeld, en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

  19. Artikel 8 Degene die de naam van een ander zonder diens toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig, wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te behoren.

  20. Artikel 9 1. Degene die gehuwd is of die gehuwd is geweest en niet is hertrouwd, is steeds bevoegd de geslachtsnaam van de andere echtgenoot of gewezen echtgenoot te voeren of aan de eigen geslachtsnaam te doen voorafgaan dan wel die te doen volgen op de eigen geslachtsnaam. 2024 -7- No. 164 2. Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden en daaruit geen afstammelingen in leven zijn, kan de kantonrechter, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van de andere echtgenoot of gewezen echtgenoot de in lid 1 toegekende bevoegdheid ontnemen.

  21. Artikel 9a 1. Een ieder die de Surinaamse nationaliteit bezit en in Suriname zijn woonplaats heeft, is voor zover die niet reeds van een geslachtsnaam dan wel van een voornaam of voornamen voorzien is, verplicht zich zodanige namen te kiezen onder goedkeuring van de Directeur van Binnenlandse Zaken. 2. De Directeur van Binnenlandse Zaken geeft aan een ieder die zodanige namen heeft gekozen, als bedoeld in lid 1, een door deze gedagtekend en gewaarmerkt boekje, waarin vermeld staan: a. de oude namen; b. de gekozen namen; c. de namen van de ouders, en d. de in leven zijnde afstammelingen. 3. Degene die zodanige namen heeft gekozen vertoont het boekje, als bedoeld in lid 2, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn woonplaats die het voor gezien tekent. 4. Indien de betrokkene in de registers van de burgerlijke stand reeds genoemd staat, wordt een latere vermelding bij de betrekkelijke akte aangetekend, dat deze sedert de datum waarop het boekje, bedoeld in lid 2, is gedagtekend de zodanige gekozen namen draagt. 5. In de registers van de burgerlijke stand worden bij voorkomende gevallen uitsluitend de zodanige gekozen namen vermeld. 6. Personen die vóór hun stamouder een geslachtsnaam en voornaam of voornamen hebben gekozen en van wie achteraf blijkt dat zij daarna vanwege hun afstamming rechtens een geslachtsnaam aan hun stamouder ontlenen en vanaf dien ten onrechte de door hun gekozen geslachtsnaam hebben gehanteerd, worden desgewenst toegestaan deze geslachtsnaam te behouden. Hiervan wordt een latere vermelding toegevoegd aan hun geboorteakte en de daarvoor in aanmerking komende akten van de burgerlijke stand. 7. Personen van wie uit de bevolkingsadministratie is komen vast te staan dat hun geslachtsnaam het gevolg is van een verschrijving en die de door die verschrijving ontstane geslachtsnaam zijn blijven voeren, worden desgewenst toegestaan deze geslachtsnaam te behouden. Hiervan wordt overal in de akten van de burgerlijke stand, waar die verschrijving in de geslachtsnaam tot uitdrukking komt, melding gemaakt. 8. De Directeur van Binnenlandse Zaken houdt van het bepaalde in lid 2 een Register van Naamsaanneming bij, en stelt terstond de ambtenaar van de burgerlijke stand van het bureau voor burgerzaken waar betrokkene staat ingeschreven schriftelijk in kennis van elke zodanige gekozen namen. Titel 3 Woonplaats

  22. Artikel 10 1. De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. 2. Een rechtspersoon heeft zijn woonplaats ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. 3. Een openbare vennootschap heeft haar woonplaats ter plaatse waar zij ingevolge de overeenkomst van vennootschap haar zetel heeft en bij gebreke daarvan ter plaatse van haar kantoor dan wel het voornaamste van haar kantoren. Een stille vennootschap heeft haar woonplaats ter plaatse van haar kantoor dan wel het voornaamste van haar kantoren. 2024 -8- No. 164

  23. Artikel 11 1. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. 2. Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de beheerder van het bevolkingsregister heeft kennis gegeven.

  24. Artikel 11a Degenen die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hun woonplaats, indien zij het tegenoverge- stelde voornemen niet aan de dag hebben gelegd.

  25. Artikel 12 1. Een minderjarig kind volgt de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent, de onder curatele gestelde die van de curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. 2. Degene wiens goederen onder bewind staan volgt voor alles wat de uitoefening van dit bewind betreft, de woonplaats van de bewindvoerder. 3. Degene ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld volgt voor alles wat de uitoefening van dit mentorschap betreft, de woonplaats van de mentor. 4. Wanneer de persoon van wie de woonplaats wordt afgeleid, overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid verliest, duurt de afgeleide woonplaats voort, totdat een nieuwe woonplaats is verkregen. Artikel 13 Het sterfhuis van een overledene is daar, waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad. Artikel 14 Een persoon die een kantoor of een filiaal houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen, mede aldaar woonplaats.

  26. Artikel 15 Een persoon kan een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijk aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is. Titel 4 Burgerlijke stand Afdeling 1 De ambtenaar van de burgerlijke stand

  27. Artikel 16 1. Er zijn per district ten minste twee ambtenaren van de burgerlijke stand. 2024 -9- No. 164 2. Daarenboven kunnen een of meer ambtenaren van de burgerlijke stand worden belast met het verrichten van de taken, genoemd in artikel 16a lid 2. Deze dragen de titel van buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kan mede zijn een persoon die geen ambtenaar in staatsdienst is. 3. De uitgestrektheid van de plaats, binnen welke iedere ambtenaar van de burgerlijke stand zijn werkzaamheden als zodanig uitoefent, wordt bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen.

  28. Artikel 16a 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand is belast met het opnemen in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te voegen latere vermeldingen alsmede al datgene wat de instandhouding van de registers en de zorg voor de toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens betreft. 2. De buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kan uitsluitend worden belast met de taken omschreven in de artikelen 45, 45a, 63, 64, 65, 67 en 68.

  29. Artikel 16d Bij staatsbesluit worden regels gesteld ten aanzien van de te treffen voorzieningen ten behoeve van de taak- uitoefening door de ambtenaar van de burgerlijke stand en voorts ten aanzien van al wat verder de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand betreft. Afdeling 2 De registers van de burgerlijke stand en de bewaring daarvan

  30. Artikel 17 1. Er bestaan registers van geboorten, van huwelijken en van overlijden. 2. Er bestaat te Paramaribo, naast de in lid 1 genoemde registers, een register voor de inschrijving van de in afdeling 6 bedoelde rechterlijke uitspraken.

  31. Artikel 17a 1. De registers van de burgerlijke stand worden in het daartoe bestemde gebouw bewaard totdat zij naar een archiefbewaarplaats voor de bewaring van archiefbescheiden worden overgebracht. 2. De overbrenging naar de archiefbewaarplaats van de in het daartoe bestemde gebouw berustende registers van geboorten, van huwelijken en van overlijden kan eerst plaatsvinden onderscheidenlijk ten minste honderd jaar, ten minste vijfenzeventig jaar en ten minste vijftig jaar na de afsluiting van deze registers. Voor het register, bedoeld in artikel 17 lid 2, geldt dezelfde termijn als voor het register van huwelijken.

  32. Artikel 17b De beheerder van een archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 17a, is belast met het bewaren van de onder hem berustende registers, met het toevoegen van latere vermeldingen aan de daarin opgenomen akten en met de afgifte van afschriften en uittreksels van deze akten. 2024 -10- No. 164

  33. Artikel 17c Bij staatsbesluit wordt geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de registers alsmede de in artikel 17b genoemde handelingen ten aanzien van die registers. Afdeling 3 Akten van de burgerlijke stand en partijen bij deze akten

  34. Artikel 18 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag in de akten alleen opnemen hetgeen ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde moet worden verklaard of opgenomen. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand is bevoegd alvorens tot het opmaken van een akte over te gaan zich de wettelijk vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij doet zich ook andere bescheiden vertonen, welke hij voor het opmaken van de akte of voor de vaststelling van de in de akte op te nemen gegevens noodzakelijk acht. Hij kan zich te dien einde, zonder hiervoor enige vergoeding verschuldigd te zijn, inlichtingen verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand en uit andere openbare registers. 3. Bij staatsbesluit wordt geregeld al hetgeen het opmaken van de akten betreft

  35. Artikel 18a 1. Partijen bij een akte van de burgerlijke stand zijn degenen die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een aangifte doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen betreffende een feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken. 2. Belanghebbende partijen zijn partijen die met hun verklaring enig rechtsgevolg teweegbrengen voor henzelf of voor medepartijen dan wel voor henzelf en medepartijen. 3. De belanghebbende partijen kunnen zich door een daartoe bij authentieke akte gevolmachtigde doen vertegenwoordigen. 4. Wanneer een gevolmachtigde een verklaring aflegt, geldt hij zowel als de door hem vertegenwoordigde persoon als partij bij de akte. 5. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag geen akte verlijden waarin hijzelf als partij of belanghebbende partij voorkomt.

  36. Artikel 18b 1. Blijft een partij bij een akte van de burgerlijke stand of een belanghebbende partij in gebreke de in artikel 18 lid 2 bedoelde bescheiden over te leggen, of acht de ambtenaar van de burgerlijke stand de overgelegde bescheiden ongenoegzaam, dan weigert deze tot het opmaken van de akte over te gaan. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert eveneens tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij van oordeel is dat de Surinaamse openbare orde zich hiertegen verzet. 3. Van een weigering als bedoeld in lid 1 of 2, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand een schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de partijen bij de akte en de belanghebbende partijen toekomen, onder vermelding van de tegen die weigering openstaande voorziening van afdeling 12. Een afschrift van deze mededeling doet hij aan de Minister belast met de zorg voor de toelating, vestiging en de uitzetting van vreemdelingen en aan de officier van justitie toekomen. 2024 -11- No. 164

  37. Artikel 18c 1. Van alle in registers opgenomen akten van de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift gehouden, volgens regels, bij staatsbesluit te stellen. 2. Bij staatsbesluit wordt geregeld alles wat verder betreft de bewaring van de dubbelen of de afschriften alsmede van de daarop betrekking hebbende latere vermeldingen. Afdeling 4 De akten van geboorte en van overlijden

  38. Artikel 19 1. Een akte van geboorte wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind is geboren. 2. Indien de plaats van de geboorte van het kind niet bekend is, wordt de akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand ter plaatse waar het kind is aangetroffen. Die plaats geldt als de plaats waar het kind is geboren.

  39. Artikel 19a 1. In geval van geboorte op Surinaams grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van geboorte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar dat kind het voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat dan wel waar het schip ligplaats kiest. Die plaats geldt als de plaats waar het kind is geboren. 2. In geval van geboorte tijdens een zeereis met een in Suriname geregistreerd vaartuig dan wel tijdens een internationale luchtreis met een in Suriname geregistreerd luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig verplicht een voorlopige akte van geboorte binnen 24 uur in het journaal in te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen en zo mogelijk van de vader. De gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo. Deze maakt de akte van geboorte op aan de hand van het ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of hem blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van de akte toegezonden.

  40. Artikel 19b Indien de plaats of de dag van de geboorte van het kind niet bekend is dan wel indien de naam, met inbegrip van de voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de geboorteakte ten aanzien van deze punten opgemaakt krachtens een bevel en overeenkomstig de aanwijzingen van het openbaar ministerie.

  41. Artikel 19c Zijn krachtens artikel 5m in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam opgenomen, dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld een volledig afschrift van de akte aan de Minister van Justitie. 2024 -12- No. 164

  42. Artikel 19d 1. Indien het geslacht van het kind twijfelachtig is, wordt een geboorteakte opgemaakt, waarin wordt vermeld dat het geslacht van het kind niet kan worden vastgesteld. 2. Binnen drie maanden na de geboorte, of, bij overlijden binnen die termijn, ter gelegenheid van de aangifte van het overlijden, wordt onder doorhaling van de in lid 1 bedoelde akte een nieuwe geboorteakte opgemaakt, waarin het geslacht, indien dit inmiddels is vastgesteld, wordt vermeld aan de hand van een ter zake overgelegde medische verklaring. 3. Is binnen de in lid 2 genoemde termijn geen medische verklaring overgelegd, of blijkt uit de overgelegde medische verklaring dat het geslacht niet kan worden vastgesteld, dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat het geslacht van het kind niet kan worden vastgesteld.

  43. Artikel 19e 1. Tot de aangifte van een geboorte is bevoegd de moeder van het kind. 2. Tot de aangifte is verplicht de vader. 3. Wanneer de vader ontbreekt of is verhinderd de aangifte te doen, is tot aangifte verplicht: a. ieder die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig is geweest; b. de bewoner van het huis waar de geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied in een inrichting tot verpleging of verzorging bestemd, in een gevangenis of in een soortgelijke inrichting, het hoofd van die inrichting of een door hem bij onderhandse akte bijzonderlijk tot het doen van de aangifte aangewezen ondergeschikte. 4. Voor een in lid 3 onder b genoemde persoon bestaat de verplichting alleen indien een in dat lid onder a genoemde persoon ontbreekt of is verhinderd. 5. Wanneer tot de aangifte bevoegde of verplichte personen ontbreken of nalaten de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de Districtscommissaris van het district waar de geboorteakte moet worden opgemaakt. 6. De verplichting tot aangifte moet worden vervuld binnen vijf dagen na de dag der bevalling. Van een aangifte later dan de vijfde dag, wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling gedaan aan het openbaar ministerie. 7. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de identiteit van de aangever vast. 8. Bij de aangifte kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zich doen overleggen een door de arts of de verloskundige die bij het ter wereld komen van het kind tegenwoordig was, opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder opgegeven persoon is geboren. Is het kind buiten de tegenwoordigheid van een arts of verloskundige ter wereld gekomen, dan kan hij zich een door een zodanige hulpverlener nadien opgemaakte verklaring doen overleggen. 9. Wordt geen gevolg gegeven aan het verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand om overlegging van een verklaring als bedoeld in lid 8 of is in de verklaring vermeld dat de identiteit van de moeder onbekend is, dan is artikel 19b van toepassing.

  44. Artikel 19f 1. Een akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het overlijden heeft plaatsgevonden. 2. Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het lijk is gevonden of aan land gebracht. 3. Ongeacht het in lid 1 bepaalde is lid 2 van overeenkomstige toepassing indien het overlijden heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het lijk in Suriname aan land wordt gebracht. 2024 -13- No. 164

  45. Artikel 19g 1. In geval van overlijden op Surinaams grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het lijk het voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat dan wel waar het schip ligplaats kiest. Die plaats geldt als de plaats waar het overlijden heeft plaatsgevonden. 2. In geval van overlijden tijdens een zeereis met een in Suriname geregistreerd voertuig dan wel tijdens een internationale luchtreis met een in Suriname geregistreerd luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig verplicht een voorlopige akte van overlijden binnen vierentwintig uren in het journaal in te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen. De gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk naar de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo. Deze maakt de akte van over- lijden op aan de hand van het ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of hem blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van de akte toegezonden.

  46. Artikel 19h 1. Tot de aangifte van een overlijden is bevoegd degene die daarvan uit eigen wetenschap kennis draagt. 2. Binnen de in de wetgeving inzake de lijkbezorging gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan door de Districtscommissaris binnen wiens rechtsgebied de akte van overlijden worden opgemaakt. 3. In de gevallen, bedoeld in artikel 19f leden 2 en 3, geschiedt de aangifte schriftelijk door de officier van justitie of hulpofficier van justitie. 4. De aangiften van overlijden geschieden in Paramaribo binnen vier en twintig uren en in de overige distrikten binnen zeven dagen na het overlijden. Zondagen en daarmee gelijkgestelde dagen zijn daarin niet begrepen. 5. Na de in lid 6 genoemde termijnen kan de aangifte slechts geschieden met machtiging van de persoon die in de lijkbezorging voorziet. 6. Wanneer tot de aangifte bevoegde personen ontbreken of nalaten binnen de in de wetgeving inzake de lijkbezorging gestelde termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de Districtscommissaris.

  47. Artikel 19i 1. Wanneer een kind levenloos ter wereld is gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register van overlijden wordt opgenomen. 2. Wanneer een kind binnen de in artikel 19e lid 6 bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden opgemaakt. 3. In de gevallen, bedoeld in de leden 1 en 2, is ten aanzien van de aangifte artikel 19h van overeenkomstige toepassing. In het in lid 2 bedoelde geval blijft artikel 19e buiten toepassing.

  48. Artikel 19j 1. Bij staatsbesluit wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten van geboorte en van overlijden, en de inhoud daarvan. 2. Bij staatsbesluit wordt tevens geregeld: a. op welke wijze en waar de akten van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt en inge- schreven wanneer dit ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden niet op de gewone wijze kan geschieden; en b. op welke wijze en waar overlijdensakten zullen worden opgemaakt van militairen en van andere personen, die tot de krijgsmacht behoren en die te velde, in de slag, of in staatsdienst buiten Suriname zijn overleden. 2024 -14- No. 164 Afdeling 5 Latere vermeldingen

  49. Artikel 20 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere authentieke akten houdende naamskeuze, erkenning, ontkenning van het vaderschap door de moeder, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen alsmede van besluiten tot intrekking van zulke besluiten en voorts van rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening ten minste zes weken oud is en die inhouden: a. een last tot wijziging van de voornamen, een adoptie, een herroeping van een adoptie, een vernietiging van een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, een gegrondverklaring van een ontkenning van het vaderschap of een vernietiging van zulk een uitspraak; b. de nietigverklaring van een huwelijk of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte in de Surinaamse registers van de burgerlijke stand is opgenomen. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt eveneens aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toe van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die een echtscheiding, een ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte in de Surinaamse registers van de burgerlijke stand is opgenomen, inhouden.

  50. Artikel 20a 1. De in artikel 20 lid 1 bedoelde latere vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen, bedoeld in dat lid onder b, worden toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon. Van een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakten van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover de wijziging of vaststelling zich tot hen uitstrekt. 2. De in artikel 20 lid 1 onder b en lid 2 bedoelde latere vermeldingen worden toegevoegd aan de huwelijksakte van de betrokken persoon. 3. Wanneer als gevolg van het huwelijk of van de echtscheiding een verandering intreedt in de geslachtsnaam van een persoon, wordt hiervan, voor zover zij niet in de huwelijksakte is vermeld, aan deze akte een latere vermelding toegevoegd. Tevens wordt daarvan een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokkene en de geboorteakten van diens kinderen, voor zover hun naam eveneens verandert. 4. Van een aan de ambtenaar van de burgerlijke stand betekende akte van stuiting van een huwelijk wordt, evenals van beschikkingen of akten waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de akte van aangifte een latere vermelding toegevoegd.

  51. Artikel 20b 1. Van akten en uitspraken die in het buitenland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 20, wordt, tenzij de Surinaamse openbare orde zich hiertegen verzet, op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere ver- melding toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand in Suriname voorkomende huwelijks- of geboorteakte. Van een verandering van de geslachtsnaam wordt op verzoek van een belanghebbende tevens een latere vermelding gevoegd bij de geboorteakte van de kinderen van de betrokken persoon, voor zover hun naam eveneens verandert. 2. Indien een latere vermelding ambtshalve aan een akte is toegevoegd, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de akte en de latere vermelding aan de persoon of personen op wie de akte betrekking heeft. 2024 -15- No. 164

  52. Artikel 20c De artikelen 18 en 18b zijn van overeenkomstige toepassing op deze afdeling.

  53. Artikel 20d Bij staatsbesluit wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud daarvan.

  54. Artikel 20e 1. Van de in artikel 20 lid 1 genoemde uitspraken zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. 2. Van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen zendt de Minister van Binnenlandse Zaken onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van de betrokken persoon berust.

  55. Artikel 20f 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand die de gegevens van een akte van naamskeuze opneemt in de akte van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van naamskeuze heeft opgemaakt. Deze akte wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van dat afschrift. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een latere vermelding van de naamskeuze, de erkenning of de ontkenning van het vaderschap door de moeder toevoegt aan de akte van geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte en de latere vermelding aan de personen op wie de akte betrekking heeft. Hij zendt een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van naamskeuze, van erkenning of de ontkenning van het vaderschap door de moeder heeft opgemaakt. Laatstgenoemde akte wordt bewaard totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van laatstgenoemd afschrift dan wel, indien geen zodanig afschrift wordt ontvangen, totdat achttien maanden zijn verstreken na het opmaken van de akte.

  56. Artikel 20g De ambtenaar van de burgerlijke stand die aan de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding toevoegt, waaruit blijkt dat de minderjarige is erkend, dat het vaderschap van de minderjarige gerechtelijk is vastgesteld of dat een naam van hem is gewijzigd, geeft van dit feit kennis aan de bewaarder van het in artikel 244 bedoelde openbare register waarin rechtsfeiten omtrent die minderjarige zijn opgenomen. Afdeling 6 Akten van inschrijving van bepaalde rechterlijke uitspraken

  57. Artikel 21 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo maakt akten van inschrijving op van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken die inhouden de nietigverklaring van een huwelijk, een echtscheiding, de ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of de vernietiging van zulk een ingeschreven uitspraak tussen echtelieden wier huwelijksakte niet in de Surinaamse registers van de burgerlijke stand is opgenomen. 2024 -16- No. 164 2. De in lid 1 bedoelde akten worden ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 17 lid 2. 3. Bij staatsbesluit wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten van inschrijving en de inhoud daarvan. Afdeling 7 De bewijskracht van akten van de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels

  58. Artikel 22 1. De akte van geboorte bewijst ten aanzien van eenieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht is geboren. Vermeldt de akte dat de plaats van de geboorte van het kind niet bekend is, dan komt dezelfde bewijskracht toe aan de vermelding van de plaats waar het is aangetroffen. 2. De akte van overlijden bewijst ten aanzien van eenieder dat op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, de daarin genoemde persoon is overleden of, indien de akte krachtens artikel 19f lid 2 is opgemaakt, dat het lijk van de daarin genoemde persoon op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, is gevonden. 3. Voor het overige hebben akten van de burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke akten.

  59. Artikel 22a Authentieke afschriften of uittreksels, in de wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde bewaarder van het register, hebben dezelfde bewijskracht als het origineel, tenzij bewezen wordt dat zij daarmede niet overeenstemmen. Afdeling 8 De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand

  60. Artikel 23 De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand, daaronder begrepen de in artikel 18c bedoelde dubbelen of afschriften van deze akten, is beperkt overeenkomstig de in deze afdeling gegeven voorschriften.

  61. Artikel 23a Van de akten van de burgerlijke stand mogen slechts de bewaarders en het openbaar ministerie inzage nemen. Voorts kunnen de rechter en het openbaar ministerie overlegging van akten bevelen.

  62. Artikel 23b 1. Eenieder is bevoegd zich door de ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij staatsbesluit te vermelden gegevens, waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft, niet blijkt. 2. Van de in lid 1 bedoelde akten alsmede van de akten van erkenning of ontkenning van het vaderschap door de moeder wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Van andere akten die de in lid 1 bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven. Dit afschrift bevat de bij staatsbesluit te vermelden gegevens. 3. Een verzoek om afgifte van een uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde personen betrekking te hebben. 2024 -17- No. 164 4. Bij staatsbesluit wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van afschriften en uittreksels betreft. 5. Weigert de in lid 1 bedoelde ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn weigering.

  63. Artikel 23c De in artikel 18c bedoelde dubbelen of afschriften van de akten van de burgerlijke stand zijn slechts openbaar zolang zij onder de ambtenaar van de burgerlijke stand berusten. Afdeling 9 De aanvulling van de registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten en latere vermeldingen

  64. Artikel 24 1. Aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan op verzoek van belanghebbenden of van het openbaar ministerie worden gelast door de kantonrechter. De rechter kan bij zijn beschikking tot verbetering van een akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, die buiten zijn rechtsgebied in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen. 2. De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift daarvan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de akte of latere vermelding in de registers is of had moeten zijn opgenomen.

  65. Artikel 24a 1. Kennelijke schrijf- of spelfouten in namen van personen of plaatsen, of misslagen betreffende data of andere gegevens dan wel combinaties hiervan en meerdere akten kunnen zonder tussenkomst van de rechter worden verbeterd of doorgehaald: a. ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers, of b. op aanwijzing van de directeur van Binnenlandse Zaken of de directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken. 2. Kennelijke schrijf- of spelfouten in namen van personen of plaatsen, of misslagen betreffende data of andere gegevens dan wel combinaties hiervan, kunnen betreffen: a. aantoonbare ambtelijke fouten, of b. andere aantoonbare fouten. 3. De verbetering van kennelijke schrijf- of spelfouten, of misslagen dan wel combinaties hiervan die aantoonbare ambtelijke fouten betreffen, bedoeld in lid 2 onder a, geschiedt ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers middels toevoeging van een latere vermelding aan de desbetreffende akten. 4. Van de kantmelding als bedoeld in lid 3, worden de directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken en de belanghebbende(n), schriftelijk op de hoogte gesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers, die de latere vermelding heeft toegevoegd. 2024 -18- No. 164 5. De verbetering van kennelijke schrijf- of spelfouten, of misslagen dan wel combinaties hiervan die andere aantoonbare fouten betreffen, bedoeld in lid 2 onder b, geschiedt door de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers, onder de voorwaarde, dat het verzoek voor de verbetering schriftelijk is gedaan bij de directeur van Binnenlandse Zaken of de directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken door: a. de belanghebbende, diens gemachtigde of wettelijke vertegenwoordiger, of b. de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers indien een minderjarige geen wettelijke vertegenwoordiger heeft. 6. In een toegevoegde latere vermelding op aanwijzing van de directeur van Binnenlandse Zaken of de directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken kan slechts op last en aanwijzing van de Procureur Generaal of de kantonrechter wijzigingen of doorhalingen worden gepleegd. 7. Middels het besluit van de directeur van Binnenlandse Zaken of de directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, worden aanwijzingen gegeven voor de verbetering of de doorhaling van de desbetreffende akte. 8. Het besluit, bedoeld in lid 7, wordt verzonden naar de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers voor het toevoegen van een latere vermelding van verbetering of doorhaling. 9. Van de verbeterde of de doorgehaalde akte ontvangt belanghebbende een afschrift. 10. Indien de verbetering betreft een combinatie van kennelijke schrijf- of spelfouten in namen van personen of plaatsen, of misslagen betreffende data of andere gegevens die aantoonbare ambtelijke fouten en andere aantoonbare fouten betreffen: a. geschiedt de verbetering door de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de registers berusten of de bewaarder der registers, en b. zijn de leden 5 tot en met 8 van toepassing.

  66. Artikel 24b 1. Aanvulling van een register van de burgerlijke stand op grond van artikel 24 geschiedt door het opmaken van een nieuwe akte in dat register. 2. Van een verbetering of een doorhaling op grond van deze afdeling wordt een latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende akte, volgens regels, bij staatsbesluit te stellen. Afdeling 10 Inschrijving van buitenlandse akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een vervangende akte van geboorte

  67. Artikel 25 1. Buiten Suriname overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten van geboorte, huwelijksakten en akten van overlijden worden op bevel van het openbaar ministerie of op verzoek van een belanghebbende ingeschreven in de registers onderscheidenlijk van geboorten, van huwelijken en van overlijden van Paramaribo, indien: a. de akte een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Surinamer is of te eniger tijd Surinamer is geweest; b. de akte een vreemdeling betreft die rechtmatig in Suriname verblijft. 2. Buiten Suriname overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten van geboorte worden op bevel van het openbaar ministerie of op verzoek van een belanghebbende ingeschreven in het register van geboorten van Paramaribo, indien de akte een persoon van vreemde nationaliteit betreft en op grond van enige bepaling van dit boek een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd. 2024 -19- No. 164 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo kan ook ambtshalve de in de leden 1 en 2 bedoelde akten inschrijven. 4. Alvorens op grond van lid 1 of 3 tot de inschrijving van een huwelijksakte over te gaan, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo zich een door de Minister belast met de zorg voor de toelating, vestiging en de uitzetting van vreemdelingen afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 44 lid 1 onder h overleggen. Deze verklaring wordt opgesteld op verzoek van de echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Bij het verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 44 lid 1 onder a overgelegd. Heeft deze geen woonplaats in Suriname, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere echtgenoot. De verklaring is niet vereist indien: a. de echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden buiten Suriname woonplaats hebben; b. de betrokken echtgenoot die niet de Surinaamse nationaliteit bezit, in Suriname rechtmatig verblijft; c. het huwelijk ten minste tien jaar vóór de inschrijving is voltrokken, of d. het huwelijk is geëindigd. 5. In geval van adoptie gelast de rechter die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de in de leden 1 en 2 bedoelde akte van geboorte. 6. De akte van inschrijving vermeldt de bij staatsbesluit vast te stellen gegevens. 7. Kennelijke misslagen of schrijf- of spelfouten, die de ambtenaar van de burgerlijke stand in de in te schrijven akte vaststelt op grond van een in Suriname in de registers van de burgerlijke stand opgenomen akte of op grond van een rechterlijke uitspraak, kunnen ambtshalve door hem worden verbeterd. De verbeteringen worden afzonderlijk in de akte vermeld. 8. Indien een akte ambtshalve is ingeschreven, wordt een afschrift van de akte van inschrijving toegezonden aan de persoon of de personen op wie de akte betrekking heeft.

  68. Artikel 25a 1. Indien na de inschrijving kennelijke misslagen in de buiten Suriname opgemaakte akte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd, wordt de verbetering in de akte van inschrijving aangebracht doordat de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo, aan wie een afschrift van de beslissing tot verbetering en een afschrift van de verbeterde akte zijn overgelegd, een latere vermelding van de verbetering aan de akte van inschrijving toevoegt, nadat hij daartoe toestemming van de officier van justitie heeft verkregen. 2. Kennelijke schrijf- en spelfouten, die in de buiten Suriname opgemaakte akte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd, kunnen ook zonder toestemming van de officier van justitie, ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo aan de hand van een afschrift van de verbeterde akte worden verbeterd op de in lid 1 aangegeven wijze.

  69. Artikel 25b Aan de akte van inschrijving, bedoeld in artikel 25, worden de latere vermeldingen toegevoegd die op grond van dit boek aan een in Suriname opgemaakte akte van geboorte, huwelijksakte of akte van overlijden moeten worden toegevoegd. 2024 -20- No. 164

  70. Artikel 25c 1. Indien ten aanzien van een buiten Suriname geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd, kan op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo de kantonrechter in het Eerste Kanton de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien: a. die persoon Surinamer is of te eniger tijd Surinamer is geweest; b. die persoon als vreemdeling rechtmatig in Suriname verblijft; c. op grond van dit boek een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd. 2. De rechter houdt rekening met alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder, en het tijdstip waarop de geboorte moet hebben plaatsgehad. De geslachtsnaam, de voornamen alsmede de plaats en de dag van de geboorte van de vader en van de moeder worden vastgesteld, voor zover daarvoor aanwijzingen zijn verkregen. 3. In geval van adoptie geeft de rechter die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de in lid 1 bedoelde beschikking.

  71. Artikel 25d De kantonrechter in het Eerste Kanton kan op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo de krachtens artikel 25c gegeven beschikking wijzigen op grond dat de vastgestelde gegevens onjuist of onvolledig zijn.

  72. Artikel 25f 1. De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan zes weken na de dag van de beschikking een afschrift daarvan, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo. 2. Deze ambtenaar maakt van de beschikking, bedoeld in artikel 25c een akte van inschrijving op, die geldt als een akte van geboorte in de zin van artikel 19. Deze akte is in overeenstemming met de beschikking en vermeldt dit uitdrukkelijk. 3. Van de beschikking, bedoeld in artikel 25d, wordt een latere vermelding toegevoegd aan de akte als bedoeld in lid 2.

  73. Artikel 25g 1. Op akten en uitspraken die buiten Suriname overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de in artikel 25c bedoelde beschikkingen, zijn de artikelen 25 tot en met 25b van overeenkomstige toepassing. De inschrijving als bedoeld in artikel 25 vindt niet plaats indien de Surinaamse openbare orde zich hiertegen verzet. 2. In geval van adoptie van een buiten Suriname geboren kind ten aanzien waarvan een akte of uitspraak als bedoeld in lid 1 is opgemaakt of gedaan, geeft de rechter die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk last tot inschrijving van die akte of uitspraak. 2024 -21- No. 164 Afdeling 11 De verklaring voor recht omtrent de rechtsgeldigheid in Suriname van een buitenlandse akte of uitspraak

  74. Artikel 26 1. Eenieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, kan de kantonrechter verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, in het buitenland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Surinaams register van de burgerlijke stand. 2. De in lid 1 bedoelde verklaring voor recht kan eveneens op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van het openbaar ministerie worden afgegeven.

  75. Artikel 26a De kantonrechter kan, op verzoek of ambtshalve, bij de in artikel 26 lid 1 bedoelde verklaring voor recht tevens de toevoeging van een latere vermelding, op grond van artikel 24 lid 1 aan een in de Surinaamse registers van de burgerlijke stand voorkomende akte gelasten.

  76. Artikel 26b Is met betrekking tot de verzoeker geen akte in de Surinaamse registers van de burgerlijke stand opgenomen, dan kan de kantonrechter in het Eerste Kanton, op verzoek of ambtshalve, bij zijn beschikking tevens de inschrijving, overeenkomstig artikel 25, van een daarvoor in aanmerking komende in het buitenland opgemaakte akte in de registers van de burgerlijke stand te Paramaribo gelasten alsmede de verbetering van de akte van inschrijving op grond van artikel 24 lid 1. Ook kan de kantonrechter bij zijn beschikking een last als bedoeld in artikel 25c geven alsmede een last tot verbetering, overeenkomstig artikel 24 lid 1 van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo op te maken akte.

  77. Artikel 26d De overlegging van een authentiek afschrift van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het verzoek betrekking heeft, kan worden verlangd. Artikel 986 leden 3 en 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

  78. Artikel 26e De griffier van het college waarbij de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens registers een op de belanghebbende betrekking hebbende akte is opgenomen, waaraan een latere vermelding van de beschikking moet worden toegevoegd. Is bij de beschikking een last tot inschrijving van een in het buitenland opgemaakte akte gegeven, dan zendt de griffier een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo. 2024 -22- No. 164 Afdeling 12 Voorziening tegen de weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere verrichting

  79. Artikel 27 Naar aanleiding van een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b of 20c te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van het huwelijk en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, hebben belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen zes weken na de verzen- ding van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen.

  80. Artikel 27a De kantonrechter kan, op verzoek van een belanghebbende partij of ambtshalve, bij zijn beschikking tevens een verklaring als bedoeld in artikel 26 afgeven alsmede een last als bedoeld in artikel 26a, onderscheidenlijk artikel 26b. Artikel 27b De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Titel 5 Het huwelijk Algemene bepaling Artikel 30 De wet beschouwt het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen. Afdeling 1 Vereisten tot het aangaan van een huwelijk

  81. Artikel 31 1. Om een huwelijk te mogen aangaan met toestemming van de ouders, moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben. 2. Om een huwelijk te mogen aangaan zonder toestemming van de ouders moeten een man en een vrouw de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt hebben. 3. De kantonrechter kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde vereiste, mits de man en de vrouw de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

  82. Artikel 31a Eenieder heeft het recht om in vrijheid een echtgenoot te kiezen en alleen met vrije en volledige toestemming een huwelijk aan te gaan. 2024 -23- No. 164

  83. Artikel 32 Een huwelijk mag niet worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Artikel 33 De man kan tegelijkertijd slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man door het huwelijk verbonden zijn.

  84. Artikel 41 1. Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkaar, hetzij van nature hetzij familierechtelijk, bestaan in de opgaande en in de nederdalende lijn of als broer en zuster. 2. De Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing van het verbod verlenen aan hen die broer en zuster door adoptie zijn. Afdeling 2 Formaliteiten die aan de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan

  85. Artikel 43 1. Degenen die met elkaar een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van de in artikel 44 lid 1 genoemde bescheiden, aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk zal worden voltrokken. 2. De aangifte geschiedt in persoon of bij zodanige geschriften waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenoten met genoegzame zekerheid kan blijken. 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt van de aangifte een akte op.

  86. Artikel 44 1. Voor de aangifte van het huwelijk worden de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd: a. de geboorteakte van ieder der aanstaande echtgenoten, en van elk van hen een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit het bevolkingsregister, tenzij zij niet als ingezetene in een bevolkingsregister behoeven te zijn ingeschreven; b. een akte van huwelijkstoestemming, gegeven door hen, wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is; de akte van huwelijkstoestemming wordt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of door een notaris opgemaakt; de toestemming kan ook bij de huwelijksakte worden gegeven; is de toestemming door de rechter verleend, dan wordt diens beschikking overgelegd; c. een akte van overlijden van allen wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren geweest; d. in geval van tweede of verder huwelijk, bewijsstukken aantonende dat het vorige huwelijk geen beletsel voor een nieuw huwelijk oplevert; e. het bewijs van de ontheffing of de vergunning van de Minister van Justitie, in geval deze is vereist; f. indien een beschikking als bedoeld in titel 4, afdeling 12, of een vrijstelling krachtens artikel 62 is ver- kregen, ook deze; 2024 -24- No. 164 g. een door de Minister belast met de zorg voor de toelating, vestiging en de uitzetting van vreemdelingen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de aanstaande echtgenoot die niet de Surinaamse nationaliteit bezit, over een titel tot verblijf in Suriname beschikt of om toelating in Suriname heeft verzocht dan wel voornemens is niet in Suriname te verblijven; de verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft; heeft deze geen woonplaats in Suriname, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de andere aanstaande echtgenoot; de verklaring is niet vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden in het buitenland woonplaats hebben. 2. Voor de voltrekking van het huwelijk worden, naast de in lid 1 genoemde bescheiden, de volgende bescheiden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd: a. de akte van huwelijksaangifte; b. indien stuiting heeft plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven; c. een schriftelijke opgave van de namen en de adressen van de personen die zijn uitgenodigd om als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig te zijn. 3. De in de leden 1 en 2 genoemde bescheiden vormen de bijlagen van de huwelijksakte. 4. Bij staatsbesluit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het in lid 1 onder a bedoelde gewaarmerkt afschrift van gegevens uit het bevolkingsregister alsmede de in lid 1 onder h bedoelde verklaring.

  87. Artikel 44a De aanstaande echtgenoten kunnen bij de aangifte te kennen geven dat hun huwelijk volgens de rituelen behorende bij een bepaalde godsdienstige, traditionele of culturele plechtigheid zal worden voltrokken. Daarbij geven zij tevens de dag, het uur en de plaats van de huwelijksplechtigheid op.

  88. Artikel 45 1. Een aanstaande echtgenoot die in de onmogelijkheid is zijn door artikel 44 vereiste geboorteakte te vertonen, kan dit verhelpen door een akte van bekendheid, afgegeven door de kantonrechter van zijn geboorteplaats of woonplaats, op verklaring van vier meerderjarige getuigen. 2. Deze verklaring houdt de vermelding in van de plaats en, zo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, benevens de oorzaken die beletten een akte daarvan over te leggen. 3. Het ontbreken van een geboorteakte kan ook worden verholpen, hetzij door een dergelijke, maar beëdigde verklaring, afgelegd door de getuigen die bij de voltrekking van het huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar van de burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van de aanstaande echtgenoot, inhoudende dat hij zich geen geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen. In de huwelijksakte wordt van de afgelegde verklaring melding gemaakt.

  89. Artikel 45a Indien partijen niet in staat zijn de akten van overlijden, bedoeld in artikel 44 lid 1 onder c, over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde wijze als in het geval van artikel 45 worden verholpen.

  90. Artikel 46 Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte is gedaan. 2024 -25- No. 164

  91. Artikel 48 Indien degene die wil hertrouwen het gezag heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gedane aangifte onverwijld kennis aan de kantonrechter van de woonplaats van de bedoelde ouder.

  92. Artikel 49 1. Trouwbeloften geven geen rechtsvordering tot het aangaan van een huwelijk, noch tot schadevergoeding wegens de niet-vervulling van de beloften; alle afwijkende bedingen zijn nietig. 2. Indien echter een akte van huwelijksaangifte is opgemaakt, kan dit grond opleveren tot een vordering tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder dat daarbij enige winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door verloop van achttien maanden, te rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte. Afdeling 3 Stuiting van het huwelijk

  93. Artikel 50 Een huwelijk kan worden gestuit, wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan of wanneer partijen niet beiden hun vrije toestemming tot het huwelijk zullen geven dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in Suriname.

  94. Artikel 51 1. Bevoegd tot stuiting, wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, zijn bloedverwanten in de rechte lijn, broers, zusters, voogden en curatoren van een der aanstaande echtgenoten. 2. De in lid 1 genoemde personen zijn ook bevoegd een huwelijk te stuiten, wanneer de andere aanstaande echtgenoot onder curatele staat, en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk zou veroorzaken van de partij waarvan zij bloedverwant, voogd of curator zijn. Artikel 52 Degene die met een der partijen door huwelijk is verbonden, kan op grond van het bestaan van dat huwelijk een nieuw aan te gaan huwelijk stuiten.

  95. Artikel 53 1. Het openbaar ministerie is verplicht een voorgenomen huwelijk te stuiten, indien het met een der in de artikelen 31 tot en met 33 en artikel 41 omschreven huwelijksbeletselen bekend is. 2. Het openbaar ministerie is bevoegd het huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Surinaamse openbare orde te stuiten indien het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in Suriname. 3. Het openbaar ministerie is voorts bevoegd het huwelijk te stuiten indien genoegzaam is gebleken dat de aanstaande echtgenoten, of één hunner, het huwelijk onder invloed van dwang zullen aangaan. 2024 -26- No. 164

  96. Artikel 54 1. De stuiting geschiedt door betekening van een akte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk zal worden voltrokken. 2. De akte houdt de keus van een woonplaats ter plaatse en de gronden van de stuiting in en vermeldt de hoedanigheid die aan de opposant de bevoegdheid geeft om het huwelijk te stuiten; alles op straffe van nietigheid. 3. De opposant zal afschrift der akte van stuiting onverwijld doen betekenen aan de partij tegen welke de stuiting is gericht.

  97. Artikel 55 Een stuiting kan worden opgeheven: a. op dezelfde wijze als waarop zij is geschied; b. door een verklaring, in persoon afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, genoemd in artikel 54; c. door een verklaring, afgelegd ten overstaan van een notaris; d. door een in kracht van gewijsde gegane beschikking, gegeven op verzoek van een belanghebbende.

  98. Artikel 56 Het huwelijk mag niet worden voltrokken, voordat de stuiting is opgeheven. Mocht het desniettemin voltrokken zijn hangende een geding tot opheffing van de stuiting, dan kan dit geding op verlangen van de opposant worden voortgezet en wordt het huwelijk nietig verklaard, indien de rechter de gegrondheid der stuiting aanvaardt.

  99. Artikel 57 Een ambtenaar van de burgerlijke stand aan wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met 33 en artikel 41 omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot een huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad. Afdeling 4 De voltrekking van het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand

  100. Artikel 58 1. Komt vast te staan dat op het tijdstip waarop de voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden, meer dan zes maanden zullen zijn verstreken sinds de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 44 lid 1 onder h, dan doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot de voltrekking van het huwelijk wordt overgegaan, wederom een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van lid 3 niet vereist is. 2. Indien de overlegging van een verklaring als bedoeld in artikel 44 lid 1 onder h op het tijdstip van de aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot voltrekking van het huwelijk wordt overgegaan, alsnog een zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van lid 3 niet vereist is. 3. De verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Een verklaring is niet vereist, indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken dat zij beiden in het buitenland woonplaats hebben. 2024 -27- No. 164

  101. Artikel 62 1. Het huwelijk mag niet worden voltrokken vóór de veertiende dag na de datum van de akte van huwelijksaangifte. 2. De Districtscommissarissen zijn bevoegd uit hoofde van gewichtige redenen vrijstelling te verlenen van de voorgeschreven wachttijd.

  102. Artikel 63 Een huwelijk wordt in tegenwoordigheid van ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen in het openbaar in het daartoe bestemde gebouw voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de bij de huwelijksaangifte aangewezen plaats.

  103. Artikel 64 Indien een der partijen uit hoofde van een behoorlijk bewezen beletsel verhinderd wordt zich naar het voor de huwelijksvoltrekking bestemde gebouw te begeven, kan het huwelijk worden voltrokken elders in hetzelfde district. Artikel 65 De aanstaande echtgenoten zijn verplicht bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen.

  104. Artikel 66 Het staat de Minister van Binnenlandse Zaken vrij uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen het huwelijk door een bijzondere, bij authentieke akte, gevolmachtigde te voltrekken.

  105. Artikel 67 1. De aanstaande echtgenoten moeten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkaar aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden. 2. Terstond nadat deze verklaring is afgelegd, verklaart de ambtenaar van de burgerlijke stand dat partijen door de echt aan elkaar zijn verbonden, en maakt hij daarvan in het daartoe bestemde register een akte op. Afdeling 4A De voltrekking van het huwelijk volgens de rituelen behorende bij een bepaalde godsdienstige, traditionele of culturele plechtigheid

  106. Artikel 68 1. Indien de aanstaande echtgenoten bij de aangifte de mededeling bedoeld in artikel 44a hebben gedaan, woont de ambtenaar van de burgerlijke stand de huwelijksplechtigheid bij. 2. Het huwelijk wordt in tegenwoordigheid van ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen voltrokken. 3. Na afloop van de huwelijksplechtigheid maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijksakte op waarin melding wordt gemaakt van de huwelijksvoltrekking. 2024 -28- No. 164 Afdeling 5 Nietigverklaring van een huwelijk

  107. Artikel 69 1. Voor zover hieronder niet anders is bepaald, kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door: a. de bloedverwanten in de opgaande lijn van een der echtgenoten; b. ieder der echtgenoten; c. alle overige personen die daarbij een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter deze alleen na de ontbinding van het huwelijk; d. het openbaar ministerie, echter alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden. 2. Degene die met een der echtgenoten nog door een vroeger huwelijk is verbonden, is eveneens bevoegd op grond van het bestaan van dat huwelijk de nietigverklaring van het daarna gesloten huwelijk te verzoeken.

  108. Artikel 70 1. Op verzoek van een ouder, een echtgenoot en het openbaar ministerie kan een huwelijk worden nietig verklaard, wanneer het ten overstaan of in tegenwoordigheid van een niet bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van het vereiste aantal getuigen is voltrokken. 2. De bevoegdheid van een echtgenoot om uit dien hoofde de nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken, vervalt indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat en een akte van huwelijksvoltrekking ten overstaan of in tegenwoordigheid van een ambtenaar van de burgerlijke stand verleden, aanwezig zijn.

  109. Artikel 71 1. Een echtgenoot kan de nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken, wanneer hij dit onder invloed van dwang heeft gesloten. Tevens is het openbaar ministerie, na de echtgenoten in de gelegenheid te hebben gesteld hun mening omtrent de wenselijkheid van het indienen van het verzoek tot nietigverklaring kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, bevoegd tot het doen van het verzoek. 2. Voorts kan de echtgenoot, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de door hem afgelegde verklaring de nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken. 3. De bevoegdheid de nietigverklaring wegens dwaling te verzoeken vervalt, wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert de ontdekking van de dwaling zonder dat het verzoek is gedaan. De bevoegdheid de nietigverklaring wegens dwang te verzoeken vervalt, wanneer de echtgenoten drie jaar hebben samengewoond zonder dwang gericht op instandhouding van het huwelijk, zonder dat het verzoek is gedaan.

  110. Artikel 71a Op verzoek van het openbaar ministerie kan een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de Surinaamse openbare orde worden nietig verklaard indien het oogmerk van de echtgenoten, of één hunner, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating in Suriname. 2024 -29- No. 164

  111. Artikel 72 Een huwelijk kan niet nietig worden verklaard uit hoofde dat op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking een der echtgenoten onder curatele stond, en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk van de andere echtgenoot zou veroorzaken.

  112. Artikel 73 De nietigverklaring van een huwelijk uit hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het verzoek vervalt door een samenwoning van ten minste zes maanden na het ophouden van de stoornis. Artikel 74 De nietigverklaring van een huwelijk dat aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan niet worden verzocht, wanneer deze op de dag van het verzoek de vereiste ouderdom heeft.

  113. Artikel 75 1. Wegens het ontbreken van een vereiste toestemming van een derde kan de nietigverklaring van het huwelijk alleen door die derde of, in het geval van artikel 382, door de curator worden verzocht. Dit verzoek vervalt, wanneer degene die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, het huwelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft goedgekeurd, of wanneer drie maanden verlopen zijn nadat hij met de huwelijksvoltrekking bekend is geworden. 2. Degene die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, wordt vermoed met het huwelijk bekend te zijn geworden, wanneer het in Suriname is voltrokken, of wanneer het, in het buitenland aangegaan, in Suriname in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Artikel 76 Behoudens het in artikel 56 bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op grond van een verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

  114. Artikel 77 1. De nietigverklaring van het huwelijk werkt zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan; zij werkt terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking. 2. Nochtans mist de beschikking terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde gevolg als een echtscheiding: a. ten aanzien van de kinderen der echtgenoten, tenzij de nietigverklaring is geschied ingevolge artikel 71a; b. ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een gemeenschap van goederen aanspraak maken wanneer het huwelijk wegens het bestaan van een vroeger huwelijk is nietig verklaard; c. ten aanzien van andere personen dan de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te goeder trouw vóór de inschrijving der nietigverklaring rechten hebben verkregen. 2024 -30- No. 164 Afdeling 6 Bewijs van het bestaan van het huwelijk Artikel 78 Het bestaan van een in Suriname gesloten huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de huwelijksakte, behoudens in de gevallen bij de volgende artikelen voorzien.

  115. Artikel 79 Heeft het huwelijksregister niet bestaan of is het verloren gegaan of ontbreekt daarin de huwelijksakte, dan kan het huwelijk door getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er een uiterlijk bezit van de huwelijkse staat aanwezig is.

  116. Artikel 80 Wordt in een geding betwist dat een kind, dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd, voldoende bewijs op. Titel 6 Rechten en verplichtingen van echtgenoten Artikel 81 Echtgenoten zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkaar het nodige te verschaffen. Artikel 82 Echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen.

  117. Artikel 82a 1. Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. De verplichting vervalt eveneens, indien een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is gedaan dan wel een beschikking betreffende een of meer voorlopige voorzieningen van kracht is. 2. De plaats van de samenwoning wordt in onderling overleg vastgesteld. Indien een der echtgenoten onder curatele staat, of zich omtrent de plaats van samenwoning niet kan of wil verklaren, bepaalt de andere echtgenoot deze. 3. Geschillen omtrent het in lid 2 bepaalde worden door de kantonrechter op verzoek van beiden of een van hen beslist.

  118. Artikel 83 Echtgenoten verschaffen elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. 2024 -31- No. 164

  119. Artikel 84 1. De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen der echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten. 2. De echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in lid 1 bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten. 3. Bij schriftelijke overeenkomst kan een van de leden 1 en 2 afwijkende regeling worden getroffen. 4. Geschillen tussen de echtgenoten omtrent de toepassing van de leden 1 tot en met 3, worden door de kantonrechter op verzoek van beiden of een van hen beslist. 5. Op verzoek van beide of van een der echtgenoten kan de rechter een gegeven beschikking of een onderling getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.

  120. Artikel 85 De ene echtgenoot is naast de andere voor het geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding aangegane arbeidsovereenkomsten.

  121. Artikel 86 1. De kantonrechter kan, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van een echtgenoot bepalen dat deze niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in het vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in artikel 85. 2. Een overeenkomstig dit artikel gegeven rechterlijke beschikking kan bij veranderde omstandigheden op gelijke wijze als zij is totstandgekomen, worden gewijzigd of opgeheven. 3. De beschikking kan aan derden die van haar bestaan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, en na de inschrijving veertien dagen waren verlopen. 4. In de beschikking kan worden bepaald dat zij bovendien moet worden bekendgemaakt in een of meer door de rechter aangewezen dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten nadele van derden die daarvan onkundig waren, ook niet vóór deze bekendmaking.

  122. Artikel 87 1. Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding. 2. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte: a. is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed; 2024 -32- No. 164 b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing. 3. Ten aanzien van de vergoeding gelden voorts de volgende regels: a. tenzij de echtgenoot het vermogen van de andere echtgenoot met diens toestemming heeft aangewend op de wijze als bedoeld in lid 1, beloopt de vergoeding ten minste het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen; b. ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding steeds het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen; c. ter zake van goederen die inmiddels zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats zijn gekomen, wordt in plaats van de waarde, bedoeld in de aanhef van lid 2, uitgegaan van de waarde ten tijde van de vervreemding. Met een vervreemding wordt gelijkgesteld het onherroepelijk worden van een begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij een beding ten behoeve van een derde; d. de artikelen 137 en 140 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Echtgenoten kunnen bij overeenkomst afwijken van de leden 1 tot en met 3. Geen vergoeding is verschuldigd voor zover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op die echtgenoot rustende verbintenis. 5. Kan de vergoeding overeenkomstig de leden 1 tot en met 4 niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

  123. Artikel 87a Hebben twee personen samengeleefd als waren zij gehuwd, dan is artikel 87 van overeenkomstige toepassing.

  124. Artikel 88 1. Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen: a. overeenkomsten strekkende tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken die bij een zodanige woning of tot de inboedel daarvan behoren; het voorgaande geldt eveneens voor overeenkomsten strekkende tot vervreemding en bezwaring van registergoederen die tussen echtgenoten in de gemeenschap vallen, tenzij de ene echtgenoot daarvan zijn beroep of bedrijf maakt en de rechtshandeling geschiedt in de normale uitoefening van dat beroep of bedrijf; b. giften, met uitzondering van de gebruikelijke, niet bovenmatige; c. overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt; d. overeenkomsten van koop op afbetaling, behalve van goederen welke kennelijk uitsluitend of hoofdza- kelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf strekken. 2. De echtgenoot behoeft de toestemming niet, indien hij tot het verrichten der rechtshandeling is verplicht op grond van de wet of op grond van een voorafgaande rechtshandeling waarvoor die toestemming is verleend of niet was vereist. 3. De toestemming moet schriftelijk worden verleend, indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft. 2024 -33- No. 164 4. In afwijking van lid 1 onder b is geen toestemming vereist voor giften welke de strekking hebben dat zij pas zullen worden uitgevoerd na het overlijden van degene die de gift doet, en niet reeds tijdens diens leven worden uitgevoerd. Bestaat de gift in de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering die tijdens het leven van de verzekeringnemer is aanvaard of kan worden aanvaard, dan is daarvoor wel toestemming vereist. 5. Toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c is niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze vennootschap, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. 6. Indien de andere echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te verklaren of zijn toestemming niet verleent, kan de beslissing van de kantonrechter worden ingeroepen.

  125. Artikel 88a

  126. Artikel 88 lid 1 onder b tot en met d is niet van toepassing op rechtshandelingen in hoedanigheid verricht door een trustee.

  127. Artikel 89 1. Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 88 heeft verricht, is vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen. 2. Lid 1 geldt niet voor een andere handeling dan een gift, indien de wederpartij te goeder trouw was. 3. Het einde van het huwelijk en scheiding van tafel en bed hebben geen invloed op de bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling van een echtgenoot een beroep op de vernietigingsgrond te doen, die voordien was ontstaan. Indien de andere echtgenoot dientengevolge schuldenaar uit die rechtshandeling wordt, geldt artikel 51 lid 3 van Boek 3 voor hem slechts zolang de termijn van artikel 52 lid 1 van Boek 3 niet is verstreken. 4. De verklaring of rechtsvordering tot vernietiging behoeft, in afwijking van artikel 50 lid 1 van Boek 3 en artikel 51 lid 2 van Boek 3, niet mede te worden gericht tot de echtgenoot die de handeling heeft verricht. 5. De echtgenoot die een beroep op de vernietingsgrond heeft gedaan, kan tevens alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen.

  128. Artikel 90 1. Een echtgenoot is bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel 97, tot het bestuur van goederen van een gemeenschap. 2. Het bestuur van een echtgenoot over een goed omvat de uitoefening, met uitsluiting van de andere echtgenoot, van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder begrepen de bevoegdheid tot beschikking en de bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen. 3. Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze laatste zijn de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der goederen. 2024 -34- No. 164 4. De echtgenoot die een goed bestuurt, kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot een rechtshandeling die deze laatste met betrekking tot dat goed heeft verricht. De verklaring van toetreding wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt voor de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding tot bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden onder eerbiediging van tevoren aan derden verleende rechten.

  129. Artikel 91 1. Indien een echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de goederen der gemeenschap te besturen, of in ernstige mate tekortschiet in het bestuur van de goederen der gemeenschap, kan de kantonrechter op verzoek van de andere echtgenoot aan deze het bestuur over die goederen of een deel daarvan met uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot opdragen. De rechter kan bij de opdracht nadere regels stellen omtrent het bestuur en de vertegenwoordiging in de zin van lid 4. 2. Artikel 86 leden 2 tot en met 4 en artikel 90 lid 3 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De rechter gelast de oproeping van beide echtgenoten en, zo de in lid 1 eerstgenoemde echtgenoot een vertegenwoordiger heeft aangesteld, ook deze. 4. De echtgenoot aan wie het bestuur over goederen wordt opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging van de echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.

  130. Artikel 92 1. Is aan een derde niet kenbaar wie van de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag hij de echtgenoot die de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft, bevoegd achten. 2. De echtgenoot die ten gevolge van een rechtshandeling van de andere echtgenoot door een derde te goeder trouw in het bestuur van een goed is gestoord, verliest het recht tot beëindiging van de stoornis, indien hij zich tegen de stoornis niet heeft verzet binnen een redelijke termijn nadat zij te zijner kennis is gekomen. De bevoegdheid van de echtgenoot tot beëindiging van de stoornis vervalt eveneens indien de derde hem een redelijke termijn heeft gesteld ter uitoefening van die bevoegdheid en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. 3. Aan een derde kan niet worden tegengeworpen dat een vordering tot vergoeding welke tijdens het huwelijk is ontstaan wegens vermogensverschuiving tussen de echtgenoten onderling of tussen een der echtgenoten en een tussen hen bestaande gemeenschap, niet opeisbaar is.

  131. Artikel 92a Deze titel is niet van toepassing op van tafel en bed gescheiden echtgenoten. Titel 7 De wettelijke gemeenschap van goederen 2024 -35- No. 164 Afdeling 1 Algemene bepalingen

  132. Artikel 93 Titel 7 is op echtgenoten van toepassing. Bij huwelijkse voorwaarden kan uitdrukkelijk of door de aard der bedingen worden afgeweken van bepalingen van deze titel, behalve voor zover bepalingen zich uitdrukkelijk of naar hun aard tegen afwijkingen verzetten.

  133. Artikel 94 1. Van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen. 2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van: a. krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen; b. pensioenrechten waarop de Wet Algemeen Pensioen 2014 van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen; c. rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36 en 38 van Boek 4 en artikel 126 lid 2 van Boek 4. 3. Lid 2 aanhef en onder a is niet van toepassing op: a. giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot; b. goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen. 4. Goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen. 5. Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. 6. Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed. 7. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden: a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen; b. die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd; c. uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126 lid 1 en lid 2 onder a en c van Boek 4. 8. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten. 2024 -36- No. 164

  134. Artikel 95 1. Een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap, indien het bij de verkrijging voor meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van zijn eigen vermogen komt. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig artikel 87 leden 2 en 3. 2. Indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, komt deze echtgenoot een vergoedingsvordering toe, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 87 leden 2 en 3 wordt bepaald.

  135. Artikel 96 1. Voor een schuld van een echtgenoot kunnen, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen van de gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen. 2. Voor een niet in de gemeenschap gevallen schuld van een echtgenoot kunnen de goederen van de gemeenschap niet worden uitgewonnen, indien de andere echtgenoot eigen goederen van eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden. Voor een in de gemeenschap gevallen schuld van een echtgenoot kunnen de eigen goederen van deze echtgenoot niet worden uitgewonnen, indien hij goederen van de gemeenschap aanwijst, die voldoende verhaal bieden. 3. Het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld van een echtgenoot is beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap. De andere echtgenoot is bevoegd, indien een schuldeiser verhaal op een goed van de gemeenschap zoekt ter zake van een niet tot de gemeenschap behorende schuld, het goed waarop de schuldeiser verhaal zoekt, over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed uit zijn eigen vermogen. Vanaf het tijdstip van de overneming is dit een eigen goed van deze echtgenoot, dat niet in de gemeenschap valt. 4. De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld van de gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87 leden 2 en 3. 5. De echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen van de gemeenschap is voldaan, is deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87 leden 2 en 3. 6. De echtgenoot die een schuldeiser tegenwerpt dat een goed waarop deze verhaal zoekt niet behoort tot de gemeenschap, draagt daarvan de bewijslast.

  136. Artikel 96a Indien een echtgenoot door een begunstiging bij een door zijn overlijden tot uitkering komende sommenverzekering een gift aan een derde heeft gedaan en ten laste van de gemeenschap premies voor die verzekering zijn gekomen, is de echtgenoot deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van de uitkering, evenredig aan het uit de gemeenschap afkomstige aandeel in de premies.

  137. Artikel 96b Echtgenoten kunnen bij overeenkomst het beloop van vergoedingen ingevolge de artikelen 95, 96 en 96a anders bepalen. Kan de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Artikel 87 lid 4, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. 2024 -37- No. 164 Afdeling 2 Het bestuur van de gemeenschap

  138. Artikel 97 1. Een goed dat op naam van een echtgenoot staat, staat onder diens bestuur, voor zover de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden niet anders zijn overeengekomen of de rechter met toepassing van artikel 91 anders heeft bepaald. Voor het overige is ieder der echtgenoten bevoegd tot het bestuur over de goederen van de gemeenschap. Artikel 170 lid 1 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. 2. Is een goed der gemeenschap met toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur dat goed alleen of mede stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf zijn te beschouwen, uitsluitend bij laatstbedoelde echtgenoot en voor het overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of bedrijf, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen, doch de kantonrechter kan de dienstbaarheid op verzoek van een echtgenoot te allen tijde wegens gegronde redenen beëindigen. 3. Geschillen tussen de echtgenoten over het bestuur ten aanzien van tot de gemeenschap behorende goederen, kunnen op verzoek van de echtgenoten of van een van hen aan de kantonrechter worden voorgelegd. Afdeling 3 Ontbinding van de gemeenschap

  139. Artikel 99 1. De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden: a. in geval van het eindigen van het huwelijk door overlijden: op het tijdstip van overlijden; b. in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding; c. in geval van scheiding van tafel en bed: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van tafel en bed; d. in geval van opheffing van de gemeenschap door een beschikking: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap; e. in geval van vermissing en een daarop gevolgd huwelijk: op het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 in kracht van gewijsde is gegaan; f. in geval van opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden: op het tijdstip, bedoeld in artikel 120 lid 1. 2. De ontbinding van de gemeenschap door indiening van een verzoek als bedoeld in lid 1 onder b, c en d kan aan derden die daarvan onkundig waren slechts worden tegengeworpen, indien het desbetreffende verzoek ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116. 3. Indien vast komt te staan dat een verzoek als bedoeld in lid 1 onder b, c en d niet meer kan leiden tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en opheffing van de gemeenschap door een beschikking, herleven van rechtswege alle gevolgen van de gemeenschap, alsof er geen verzoek was ingediend, tenzij zich inmiddels een andere grond voor ontbinding heeft voorgedaan. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die zijn verricht tussen het tijdstip van indiening van het verzoek en het tijdstip waarop komt vast te staan dat het verzoek niet meer tot het in de eerste volzin bedoelde gevolg kan leiden, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. 4. Tezamen met een verzoek als bedoeld in lid 1 onder b, c of d kan reeds overeenkomstig titel 7 van Boek 3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de gemeenschap, tot gelasten van de wijze van verdeling en tot vaststelling van de verdeling, telkens voor het geval de gemeenschap wordt ontbonden. 2024 -38- No. 164

  140. Artikel 100 1. De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. 2. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. 3. Degenen die bij de ontbinding van de gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht van verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn. Artikel 96, derde lid, blijft van toepassing.

  141. Artikel 101 Na de ontbinding der gemeenschap heeft ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike strekkende kleren en kleinodiën alsmede zijn beroeps- en bedrijfsmiddelen en de papieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs over te nemen.

  142. Artikel 102 Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen of hetgeen daarvoor in de plaats is getreden, onverminderd artikel 190 lid 1 van Boek 3 en artikel 191 lid 1 van Boek 3.

  143. Artikel 102a De rechtsvordering tegen de echtgenoot die ingevolge de tweede volzin van artikel 102 aansprakelijk is, verjaart niet later dan de rechtsvordering tegen de andere echtgenoot, onverminderd de mogelijkheid van stuiting of verlenging van de verjaring van eerstbedoelde rechtsvordering.

  144. Artikel 103 1. Ieder der echtgenoten heeft het recht van de gemeenschap afstand te doen; alle daarmede strijdige overeenkomsten zijn nietig. 2. Het deel der gemeenschap waarvan afstand wordt gedaan, wast aan bij het deel van de andere echtgenoot. 3. De echtgenoot die afstand heeft gedaan, kan uit de gemeenschap niets terugvorderen dan alleen zijn bed met bijbehorend beddengoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken, tot zijn familie behorende, tegen de geschatte prijs overnemen. 4. Door deze afstand wordt hij ontheven van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was. 5. Hij blijft aansprakelijk voor de schulden der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap aansprakelijk was. Indien hij een schuld waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot. 2024 -39- No. 164 6. Indien de andere echtgenoot een schuld der gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan, heeft hij deswege verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan. Heeft hij een schuld waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft gedaan.

  145. Artikel 104 1. De echtgenoot die van het in artikel 103 omschreven voorrecht wil gebruik maken, is verplicht binnen drie maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van afstand te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, op verbeurte van dit voorrecht. 2. Indien de gemeenschap door de dood van de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de gemeenschap door opheffing of door scheiding van tafel en bed is ontbonden, eindigt de termijn drie maanden nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

  146. Artikel 105 1. De erfgenamen van een echtgenoot door wiens overlijden de gemeenschap is ontbonden, of die binnen de in artikel 104 gestelde termijn is overleden zonder afstand te hebben gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in dat artikel omschreven wijze afstand te doen binnen drie maanden nadat zij met het overlijden bekend zijn geworden. 2. De aanspraak van de echtgenoot tot terugvordering van zijn bed, beddengoed, en kleren uit de gemeenschap kan niet worden overgedragen en gaat ook niet over op zijn erfgenamen.

  147. Artikel 106 De kantonrechter van de zittingsplaats waar de akte van afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de inschrijving gestelde termijn voor de afloop daarvan een of meer malen op grond van bijzondere omstandigheden verlengen.

  148. Artikel 107 1. De echtgenoot of zijn erfgenaam, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet teweeg. 2. Degene die na gedane afstand goederen der gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de bevoegdheid artikel 103 lid 4 in te roepen.

  149. Artikel 108 1. Afstand van de gemeenschap, door een echtgenoot of een erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat door de andere echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel 103 leden 2 en 3, en verplicht hen die tot de gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen. Titel 6, afdeling 3, van Boek 4 betreffende de vereffening van nalatenschappen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 2. Indien degene die tot vereffening van de gemeenschap gehouden is, na tot het afleggen van de rekening en verantwoording te zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze verplichting te voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 103 lid 4 in te roepen. 2024 -40- No. 164 Afdeling 4 Opheffing van de gemeenschap bij beschikking

  150. Artikel 109 Een echtgenoot kan opheffing van de gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt, handelingen verricht die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde bestuur. Artikel 110 De echtgenoot die de opheffing van de gemeenschap verzoekt, kan tot behoud van zijn recht de maatregelen nemen die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader zijn aangegeven.

  151. Artikel 111 1. Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. 2. Een op lid 1 gegronde vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaar nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

  152. Artikel 113 Is de gemeenschap door opheffing ontbonden, dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij huwelijkse voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen. Titel 8 Huwelijkse voorwaarden Afdeling 1 Huwelijkse voorwaarden in het algemeen Artikel 114 Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.

  153. Artikel 115 1. Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. 2. Een volmacht tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden moet schriftelijk worden verleend en moet de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten. 2024 -41- No. 164

  154. Artikel 116 1. Bepalingen in huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie van het kantongerecht binnen welks rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of, indien het huwelijk in het buitenland is aangegaan, ter griffie van het kantongerecht in het Eerste Kanton. 2. De wijze van inrichting en raadpleging van het register wordt nader bij staatsbesluit geregeld. 3. In afwijking van lid 1 kan bij staatsbesluit worden bepaald dat het register elders dan ter griffie van het kantongerecht wordt gehouden. Bij staatsbesluit kan eveneens worden bepaald dat de verstrekking van gegevens ter inschrijving in het register uitsluitend op een in dat besluit aan te geven wijze plaatsvindt.

  155. Artikel 117 1. Huwelijkse voorwaarden, vóór het huwelijk gemaakt of gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij wier toe- stemming tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun toestemming tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging hebben gegeven; is de toestemming van de kantonrechter nodig, dan kan worden volstaan met vasthechting van zijn beschikking aan de minuut van de akte. Op het verzoek tot toestemming van de kantonrechter is artikel 39 lid 1 van overeenkomstige toepassing. 2. Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen. Artikel 118 Een echtgenoot die onder curatele staat, kan na de huwelijksvoltrekking slechts met toestemming van zijn curator huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen.

  156. Artikel 120 1. Tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op de dag, volgende op die waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later tijdstip is aangewezen. 2. Bepalingen in deze huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ten minste veertien dagen in het huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.

  157. Artikel 121 1. Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap, mits die voorwaarden niet met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de openbare orde strijden. 2. Zij kunnen niet bepalen dat een hunner tot een groter aandeel in de schulden zal zijn gehouden, dan zijn aandeel in de goederen der gemeenschap beloopt. 3. Zij kunnen niet afwijken van de rechten die uit het ouderlijk gezag voortspruiten, noch van de rechten die de wet aan een langstlevende echtgenoot toekent.

  158. Artikel 121a Goederen alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap van goederen vallen. 2024 -42- No. 164 Artikel 130 Vervallen.

  159. Artikel 131 1. Bestaat tussen niet in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren. 2. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten.

  160. Artikel 131a

  161. Artikel 131 is van overeenkomstige toepassing op twee personen die samenleven of hebben samengeleefd als waren zij gehuwd. Afdeling 2 Verrekenbedingen §1 Algemene regels voor verrekenbedingen

  162. Artikel 132 1. Deze afdeling is van toepassing op huwelijkse voorwaarden die een of meer verplichtingen inhouden tot verrekening van inkomsten of van vermogen. 2. Tenzij anders is bepaald, kan van deze afdeling bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de aard der bedingen worden afgeweken.

  163. Artikel 133 1. De verplichting tot verrekening van inkomsten of van vermogen is wederkerig. 2. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op vermogen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift wordt verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat vermogen of voor die vruchten in de plaats getreden goederen. Evenmin heeft de verplichting tot verrekening betrekking op vermogen dat bestaat uit rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38 en 126 lid 2 onder a en c van Boek 4.

  164. Artikel 134 Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening van krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden. 2024 -43- No. 164

  165. Artikel 135 1. De verrekening van inkomsten of van vermogen geschiedt bij helften. 2. Op de verrekening zijn de artikelen 181, 183 en 195 tot en met 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de beoordeling van de vraag of benadeling als bedoeld in artikel 196 van Boek 3 heeft plaatsgevonden, de in artikel 142 genoemde tijdstippen bepalend zijn. De artikelen 677 tot en met 680 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Een echtgenoot die opzettelijk een tot het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is betrokken, dient de waarde daarvan niet te verrekenen, maar geheel aan de andere echtgenoot te vergoeden.

  166. Artikel 136 1. Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald. 2. Bestaat tussen de echtgenoten een geschil omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend en kan geen van beiden bewijzen dat het goed tot het niet te verrekenen vermogen wordt gerekend, dan wordt dat goed aangemerkt als te rekenen tot het te verrekenen vermogen. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten.

  167. Artikel 137 1. Onverminderd lid 3 geschiedt een verrekening in geld. 2. Indien op grond van een verrekenbeding over en weer opeisbare vorderingen ontstaan, worden beide vorderingen van rechtswege met elkaar verrekend tot aan hun gemeenschappelijk beloop. 3. Een echtgenoot is slechts gehouden een inbetalinggeving van goederen te aanvaarden dan wel kan deze slechts verlangen in plaats van een verrekening in geld, voor zover de verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  168. Artikel 138 1. De ene echtgenoot is aan de andere geen verantwoording over het bestuur van zijn goederen schuldig. Slecht bestuur over die goederen verplicht niet tot schadevergoeding. 2. De ene echtgenoot kan jaarlijks van de andere echtgenoot een gespecificeerde, schriftelijke en ondertekende opgave verzoeken van de te verrekenen inkomsten en van het te verrekenen vermogen. Van deze bepaling kan niet worden afgeweken. 3. Geschillen tussen de echtgenoten betreffende de opgave worden op verzoek van een van hen door de kantonrechter beslist.

  169. Artikel 139 1. Een echtgenoot kan de opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, zijn goederen verspilt of weigert de in artikel 138 lid 2 bedoelde verplichte opgave omtrent zijn te verrekenen inkomsten of vermogen te verstrekken. 2024 -44- No. 164 2. Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek zich richt, het te verrekenen vermogen benadeelt doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig schulden heeft gemaakt, te verrekenen goederen heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade te vergoeden. 3. Van de leden 1 en 2 kan niet worden afgeweken.

  170. Artikel 140 1. Op verzoek van de verrekenplichtige echtgenoot kan de rechter wegens gewichtige redenen bepalen dat een verschuldigde geldsom, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de rechter op de belangen van beide partijen. De rechter kan de verrekenplichtige echtgenoot verplichten binnen een bepaalde tijd zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening van de verschuldigde geldsom. 2. Hetgeen in lid 1 omtrent een echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel. 3. Van de leden 1 en 2 kan niet worden afgeweken. §2 Periodieke verrekenbedingen

  171. Artikel 141 1. Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is alsmede over de vruchten daarvan. 2. Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk, dan eindigt die verrekenplicht op het tijdstip zoals in artikel 142 bepaald, als dat tijdvak nog loopt. 3. Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in lid 1 niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143 is van overeenkomstige toepassing. 4. Indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot, onverminderd lid 1. 5. Lid 4 is van overeenkomstige toepassing, indien een echtgenoot op eigen naam een onderneming uitoefent. 6. De vordering tot verrekening, bedoeld in lid 1, verjaart niet eerder dan drie jaar na de beëindiging van het huwelijk dan wel het onherroepelijk worden van de beschikking tot scheiding van tafel en bed. Deze termijn kan niet worden verkort. 2024 -45- No. 164 §3 Finale verrekenbedingen

  172. Artikel 142 1. Als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, geldt: a. in geval van het eindigen van het huwelijk door overlijden: het tijdstip van overlijden; b. in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding: het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding; c. in geval van scheiding van tafel en bed: het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van tafel en bed; d. in geval van opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening als bedoeld in artikel 139: het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van die verplichting; e. in geval van vermissing en een daarop gevolgd huwelijk: het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 in kracht van gewijsde is gegaan; f. in geval van opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening bij huwelijkse voorwaarden: het tijdstip, bedoeld in artikel 120 lid 1. 2. Van lid 1 aanhef en onder b tot en met d kan bij op schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken.

  173. Artikel 143 1. Vanaf de in lid 1 van artikel 142 vermelde tijdstippen kan ieder der echtgenoten verzoeken dat het te verrekenen vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. 2. De artikelen 671 tot en met 676 en artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Hetgeen in de leden 1 en 2 omtrent een echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel. 4. Van de leden 1 tot en met 3 kan niet worden afgeweken. Titel 9 Ontbinding van het huwelijk Afdeling 1 Ontbinding van het huwelijk in het algemeen

  174. Artikel 149 Het huwelijk eindigt: a. door de dood; b. indien de vermiste, die overeenkomstig de titel 18, afdelingen 2 en 3, vermoedelijk overleden dan wel overleden is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven echtgenoot een nieuw huwelijk is aangegaan: door de voltrekking van dit huwelijk; c. door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2; d. door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, overeenkomstig titel 10, afdeling 2. 2024 -46- No. 164 Afdeling 2 Echtscheiding Artikel 150 Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van een der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek. Artikel 151 Echtscheiding wordt op verzoek van een der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht.

  175. Artikel 153 1. Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, zou verloren gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen. 2. Lid 1 is niet van toepassing indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen.

  176. Artikel 154 1. Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk verzoek van de echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op hun beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. 2. Ieder der echtgenoten is tot op het tijdstip der uitspraak bevoegd het verzoek in te trekken.

  177. Artikel 157 1. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. 2. Bij de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden. 3. De rechter kan op verzoek van een van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaar na de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 4. Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 5. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in lid 4 bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is, niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. 2024 -47- No. 164 6. Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaar en uit dit huwelijk geen kind is geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn vaststelt, kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de uitkering op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de vorige zin het geval zou zijn. Lid 5 is van overeenkomstige toepassing.

  178. Artikel 158 Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de een tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157 leden 4 tot en met 6 van overeenkomstige toepassing.

  179. Artikel 159 1. Bij de overeenkomst kan worden bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt. 2. Het beding vervalt, indien de overeenkomst is aangegaan vóór de indiening van het verzoek tot echtscheiding, tenzij dit binnen drie maanden na de overeenkomst is ingediend. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij een gemeenschappelijk verzoek. 3. Ondanks een zodanig beding kan op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

  180. Artikel 160 Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd.

  181. Artikel 163 1. De echtscheiding komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 2. De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van een van hen. 3. Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.

  182. Artikel 164 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. 2. Een op lid 1 gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaar na de inschrijving van de beschikking. 2024 -48- No. 164

  183. Artikel 165 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende negen maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten. 2. Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in lid 1 omschreven bevoegdheid. 3. Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de andere gewezen echtgenoot bepalen dat lid 2 buiten toepassing blijft.

  184. Artikel 165a

  185. Artikel 165 is van overeenkomstige toepassing op twee personen die tien jaren of langer hebben samengeleefd als waren zij gehuwd. De rechter bepaalt het tijdstip waarop de periode van negen maanden is ingegaan of zal ingaan.

  186. Artikel 166 Indien de gescheiden echtgenoten met elkaar hertrouwen, herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling. Titel 10 Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed Afdeling 1 Scheiding van tafel en bed Artikel 168 Door scheiding van tafel en bed wordt de verplichting der echtgenoten tot samenwoning opgeheven.

  187. Artikel 169 1. Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding. 2. De artikelen 151 en 154 tot en met 159 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157 leden 3 tot en met 6 bedoelde termijnen aanvangen op de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot die dag. 3. Een verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.

  188. Artikel 173 1. De scheiding van tafel en bed komt tot stand door inschrijving van de beschikking in het huwelijks- goederenregister, aangewezen in artikel 116. 2024 -49- No. 164 2. De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van een van hen. 3. Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.

  189. Artikel 174 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. 2. Een op lid 1 gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaar nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

  190. Artikel 175 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot op het ogenblik dat de beschikking is ingeschreven een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden nadat de beschikking is ingeschreven, tegen een redelijke vergoeding voort te zetten. 2. Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in lid 1 omschreven bevoegdheid. 3. Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat lid 2 buiten toepassing blijft.

  191. Artikel 176 2. Een scheiding van tafel en bed eindigt door de verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. 3. De inschrijving doet alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven, alsof er geen scheiding van tafel en bed had plaatsgehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de scheiding van tafel en bed en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. Afdeling 2 Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

  192. Artikel 179 1. Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed zijn gescheiden, wordt op verzoek van een der echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding ten minste drie jaar heeft geduurd. 2. De termijn van drie jaar kan op verzoek van een echtgenoot worden bekort tot ten minste een jaar, indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan. 2024 -50- No. 164

  193. Artikel 180 1. Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft ingediend, zou verloren gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen. 2. Lid 1 is niet van toepassing: a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzie- ningen kan treffen; b. indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, naar redelijkheid generlei verstrekking van levensonderhoud zou kunnen worden gevergd. Artikel 181 Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed zijn gescheiden, wordt op hun gemeen- schappelijk verzoek uitgesproken. Artikel 182

  194. Artikel 154 lid 2 en de artikelen 157 tot en met 160 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157 leden 3 tot en met 6 bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

  195. Artikel 183 1. De ontbinding van het huwelijk komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 2. Artikel 163 leden 2 en 3 en artikel 166 zijn van overeenkomstige toepassing. Titel 11 Afstamming Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 197 Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.

  196. Artikel 198 Moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd. 2024 -51- No. 164

  197. Artikel 199 Vader van een kind is de man: a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt; b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de vader van het kind; c. die het kind heeft erkend; d. wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of e. die het kind heeft geadopteerd.

  198. Artikel 199a De in deze titel gestelde termijnen kunnen door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel 199b Eenieder heeft het recht om, voor zover mogelijk, te weten van welke biologische ouders men afstamt. Afdeling 2 Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap

  199. Artikel 200 1. Het in artikel 199 onder a en b bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend: a. door de vader of de moeder van het kind; b. door het kind zelf. 2. De vader of moeder kunnen het in artikel 199 onder a en b bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man voor het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap. 3. De vader of moeder kunnen het in artikel 199 onder a en b bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. 4. De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de verwekker. 5. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de moeder bij de kantonrechter ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind. 6. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het kind bij de kantonrechter ingediend binnen drie jaar nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is. Het verzoek kan in elk geval worden ingediend binnen twaalf jaar nadat het kind meerderjarig is geworden. 2024 -52- No. 164

  200. Artikel 201 1. Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in artikel 200 lid 5 gestelde termijn, dan kan een afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, de kantonrechter verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. 2. Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200 lid 6 gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de eerste graad van het kind de kantonrechter verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is gekomen van de verzoeker, binnen een jaar na die kennisneming.

  201. Artikel 202 1. Nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad. 2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. 3. Door de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat. Afdeling 3 Erkenning Artikel 203 1. Erkenning van een kind geschiedt bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand. 2. De erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.

  202. Artikel 204 1. De erkenning is nietig: a. indien zij is gedaan door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten; b. indien zij is gedaan door een minderjarige man die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt; c. indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toe- stemming van de moeder; een minderjarige moeder is bekwaam toestemming te geven; d. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaar of ouder; e. na het verstrijken van de wettelijke termijn van aangifte van de geboorte van het kind, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is of dat door feiten en omstandigheden van na de geboorte tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan; is de man gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind, dan dient de man zowel de biologische vader te zijn als met het kind een nauwe persoonlijke betrekking te hebben verkregen; 2024 -53- No. 164 f. indien het kind een vader heeft; g. door een man tussen wie en het kind een leeftijdsverschil van minder dan zestien jaar bestaat, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is. 2. De in lid 1 onder c en d vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning. 3. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaar of ouder, kan op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de kantonrechter worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

  203. Artikel 205 1. Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de kantonrechter worden ingediend: a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden; b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen; c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door mis- bruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven. 2. Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Surinaamse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning verzoeken. 3. In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt. 4. Het verzoek wordt door het kind bij de kantonrechter ingediend binnen drie jaar nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is. Het verzoek kan in elk geval worden ingediend binnen twaalf jaar nadat het kind meerderjarig is geworden. 5. Voor het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van de in lid 3 gestelde termijn, is artikel 201 lid 1 van overeenkomstige toepassing. Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van de in lid 4 gestelde termijn, is artikel 201 lid 2 van overeenkomstige toepassing.

  204. Artikel 206 1. Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad. 2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. 3. Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat. 2024 -54- No. 164 Afdeling 4 Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap

  205. Artikel 207 1. Het vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de kantonrechter worden vastgesteld op verzoek van: a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt; b. het kind; c. het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, tenzij het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt of de moeder blijk geeft van verzet tegen het verzoek. 2. Vaststelling van het vaderschap kan niet geschieden, indien: a. het kind een vader heeft; b. tussen de man en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten; of c. de man een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden. 3. Overlijdt het kind voordat vaststelling van het vaderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstamme- ling van het kind in de eerste graad de vaststelling van het vaderschap aan de kantonrechter verzoeken, mits de man bedoeld in lid 1, nog in leven is. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden van het kind of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. 4. De vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hie- rdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.

  206. Artikel 207a 1. Indien de man is overleden vóór het tijdstip van het doen van het verzoek, heeft een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap geen erfrechtelijk gevolg met betrekking tot de nalatenschap van de man, tenzij het verzoek is gedaan binnen vijf jaar na de geboorte van het kind. 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing indien het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip of onder zodanige omstandigheden dat de man geen redelijke gelegenheid heeft gehad tot het maken van een uiterste wil.

  207. Artikel 207b Het vaderschap dat is vastgesteld op de grond dat de man als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, kan door het kind worden ontkend. Afdeling 2 is van overeenkomstige toepassing. 2024 -55- No. 164

  208. Artikel 208 Bij de uitspraak waarbij het vaderschap wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek ten behoeve van het kind een bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel 395a. Afdeling 5 Inroeping of betwisting van staat Artikel 209 Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte bezit. Artikel 210 Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.

  209. Artikel 211 1. Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan worden ingediend: a. door het kind zelf; b. door de erfgenamen van het kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaar nadien is overleden. 2. Indien het kind een verzoek als bedoeld in lid 1 had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure voort- zetten. Afdeling 6 De bijzondere curator

  210. Artikel 212 In zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, verte- genwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de kantonrechter die over de zaak beslist. Ook het Bureau voor Familierechtelijke Zaken kan tot bijzondere curator worden benoemd. Titel 12 Adoptie

  211. Artikel 227 1. Adoptie geschiedt door een uitspraak van de kantonrechter op verzoek van een echtpaar of op verzoek van één persoon alleen. 2. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind, vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft, en aan de voorwaarden door artikel 228 gesteld, wordt voldaan. 3. Zijn de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien dat twaalf jaar of ouder is, heeft gehoord, bij de adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast. 4. In zaken van adoptie is de minderjarige ouder bekwaam in rechte op te treden. 2024 -56- No. 164

  212. Artikel 228 1. Voorwaarden voor adoptie zijn: a. dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het ver- zoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van het gehoord worden door de rechter niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant; c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste zestien jaar ouder dan het kind is; d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt; e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt; f. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben; indien evenwel de echtgenoot van de ouder het kind adopteert, geldt als voorwaarde dat deze ouder alleen het gezag heeft. 2. Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in lid 1, onder d, kan worden voorbijgegaan: a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in het Tweede Boek, de titels XII tot en met XIV en XVII tot en met XX van het Wetboek van Strafrecht.

  213. Artikel 229 1. Door adoptie komen het geadopteerde kind, de adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan. 2. Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen het geadopteerde kind, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan. 3. In afwijking van lid 2 blijft de familierechtelijke betrekking tussen het geadopteerde kind en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot van die ouder het kind adopteert. 4. Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de kantonrechter bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. Artikel 377a leden 2 en 3 en de artikelen 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.

  214. Artikel 230 1. De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. 2. De adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou blijken dat de rechter de door artikel 228 gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.

  215. Artikel 231 1. De adoptie kan door een uitspraak van de kantonrechter op verzoek van het geadopteerde kind worden herroepen. 2. Het verzoek tot herroeping wordt door het kind bij de kantonrechter ingediend binnen drie jaar nadat het kind bekend is geworden met de adoptie. Het verzoek kan in elk geval worden ingediend binnen twaalf jaar nadat het kind meerderjarig is geworden. 2024 -57- No. 164 3. De in lid 2 gestelde termijn kan door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  216. Artikel 232 1. Door herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan. 2. De familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping. 3. Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige toepassing. Titel 13 Minderjarigheid Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 233 Minderjarigen zijn degenen, die de ouderdom van achttien jaar niet hebben bereikt.

  217. Artikel 234 1. Een minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt. 2. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. 3. De toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten. Afdeling 2 Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken

  218. Artikel 238 1. Er is een Bureau voor Familierechtelijke Zaken. 2. De taak en de bevoegdheden van het Bureau worden bij staatsbesluit bepaald. 3. De door het Bureau gemaakte kosten komen ten laste van de Staat. 4. Bij staatsbesluit worden zijn samenstelling en werkwijze geregeld alsmede de wijze, waarop door het Bureau de gemaakte kosten verantwoord, en door de Staat betaald worden.

  219. Artikel 239 Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken kan in Suriname optreden ten behoeve van een minderjarige, die in Suriname hetzij zijn woonplaats of laatste woonplaats hetzij zijn werkelijk verblijf heeft.

  220. Artikel 240 1. Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken zorgt voor de minderjarigen die hem krachtens enig wettelijk voorschrift door de rechter of het openbaar ministerie voorlopig zijn toevertrouwd. 2024 -58- No. 164 2. Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken draagt zorg, dat de gelden die hem ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop rechthebbende worden uitbetaald, en ziet toe dat zij overeenkomstig hun bestemming worden besteed.

  221. Artikel 241 1. Indien het Bureau voor Familierechtelijke Zaken blijkt, dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de kantonrechter in de gezags- uitoefening over de minderjarige te voorzien. 2. Indien het ter voorkoming van de zedelijke of lichamelijke ondergang van zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan het openbaar ministerie hem voorlopig aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken toevertrouwen; deze laatste wendt zich in dit geval binnen zes weken tot de kantonrecher ten einde een voorziening in het gezag over deze minderjarige te verkrijgen. Artikel 242 Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken stelt zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden.

  222. Artikel 243 1. Overheidsinstellingen en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen het Bureau voor Familierechtelijke Zaken alle inlichtingen, en verstrekken het Bureau kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers, die het Bureau ter uitvoering van zijn taak van hen vraagt; de te verstrekken afschriften en uittreksels zijn vrij van zegel. 2. Alle verzoeken die het Bureau ter uitvoering van zijn taak tot de rechter richt, worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die het tot dat doel aanvraagt, zijn vrij van zegel en worden hem door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt. 3. Alle stukken en exploten, die van het Bureau uitgaan, zijn vrij van zegel en worden voor zover hun registratie vereist is, gratis geregistreerd. Afdeling 3 Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag

  223. Artikel 244 Bij elke zittingsplaats van het kantongerecht berusten openbare registers, waarin aantekening wordt gehouden van rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij staatsbesluit wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze aantekening geschiedt. 2024 -59- No. 164 Titel 14 Het gezag over minderjarige kinderen Afdeling 1 Algemene bepalingen

  224. Artikel 245 1. Minderjarigen staan onder gezag. 2. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij. 3. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend. 4. Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerrechtelijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

  225. Artikel 246 Onbevoegd tot het gezag zijn: a. minderjarigen; b. zij die onder curatele zijn gesteld; en c. zij wier geestvermogens zodanig zijn gestoord dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.

  226. Artikel 247 1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. 2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. 3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Artikel 248

  227. Artikel 247 lid 2 is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt.

  228. Artikel 249 De minderjarige houdt rekening met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden alsmede met de belangen van de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt. 2024 -60- No. 164

  229. Artikel 250 Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de kantonrechter of, indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. Afdeling 2 Ouderlijk gezag §1 Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding

  230. Artikel 251 1. Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit. 2. Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen.

  231. Artikel 251a 1. De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 2. De beslissing op grond van lid 1 wordt gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking. 3. Indien een beslissing op grond van lid 1 niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult de rechter haar aan op verzoek van een van de ouders, van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of ambtshalve. 4. De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van lid 1. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

  232. Artikel 252 1. De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezamenlijk uit, indien zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 bedoelde register is aangetekend. 2. De aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek: a. een of beide ouders onbevoegd zijn tot het gezag; b. een van beide ouders is ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag uitoefent; c. een voogd met het gezag over het kind is belast; of d. de voorziening in het gezag over het kind is komen te ontbreken. 3. Tegen de weigering van de aantekening is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op grond 2024 -61- No. 164 van onbevoegdheid van een of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de kantonrechter worden verzocht de aantekening te gelasten. Hij wijst het verzoek af, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

  233. Artikel 253 1. Indien gewezen echtgenoten met elkaar hertrouwen en onmiddellijk daaraan voorafgaande één der echtgenoten het gezag over de minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het gezamenlijk gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd is tot dit gezag dan wel daarvan is ontheven of ontzet. 2. De echtgenoot voor wie het gezag niet is herleefd, kan de kantonrechter verzoeken hem daarmede te belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. 3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing indien door verzoening van de echtgenoten een scheiding van tafel en bed eindigt.

  234. Artikel 253a 1. In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de kantonrechter worden voorgelegd. De kantonrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 2. De rechter kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben; b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft; c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd; d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c leden 1 en 2 wordt verschaft. 3. De artikelen 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 4. De rechter beproeft alvorens te beslissen op een verzoek als in de leden 1 of 2 bedoeld, een vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd. 5. De rechter behandelt het verzoek binnen zes weken. §2 Het gezag van één ouder anders dan na scheiding

  235. Artikel 253b 1. Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat of indien de vader en moeder van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was. 2024 -62- No. 164 2. De in lid 1 bedoelde moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. 3. Indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde moeder de kantonrechter verzoeken haar met het gezag over het kind te belasten. 4. Wanneer de vader het gezag over het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. 5. Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

  236. Artikel 253c 1. De tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de kantonrechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. 2. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3. Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de kantonrechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. 4. Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. 5. Een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten als bedoeld in lid 1, kan ook door de moeder worden gedaan.

  237. Artikel 253d 1. Indien de voorziening in het gezag over een kind als bedoeld in artikel 253b lid 1 komt te ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn, de kantonrechter verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast. 2. Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. 3. Hebben beiden een verzoek ingediend anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in het belang van het kind oordeelt. 4. Indien voordat over het verzoek van één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

  238. Artikel 253e Inwilliging van het verzoek van een der ouders, bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d, heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg dat de laatste het gezag verliest. Dit gevolg treedt niet in indien de ouders als gevolg van de rechterlijke beslissing met het gezamenlijk gezag zijn belast. 2024 -63- No. 164

  239. Artikel 253f Na de dood van een der ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.

  240. Artikel 253g 1. Indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de kantonrechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt belast. 2. De rechter doet dit op verzoek van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, de overlevende ouder of ambtshalve. 3. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. 4. Lid 3 is mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292.

  241. Artikel 253h 1. Indien na het overlijden van een der ouders een voogd is benoemd, kan de kantonrechter deze beslissing te allen tijde in dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast. 2. Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 3. Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292 en deze inmiddels is opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar na het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. §3 Het bewind van de ouders

  242. Artikel 253i 1. In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is. 2. Artikel 253a is van overeenkomstige toepassing. 3. Oefent een ouder het gezag alleen uit, dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd en het kind in burgerrechtelijke handelingen vertegenwoordigd. 4. Van de leden 1 en 3 kan worden afgeweken: a. indien de rechter bij de beschikking waarbij de uitoefening van het gezag over het kind aan een van de ouders wordt opgedragen op eensluidend verzoek van de ouders of op verzoek van een van hen, mits de ander zich daartegen niet verzet, heeft bepaald dat de ouder die niet het gezag over het kind zal uitoefenen, het bewind over het vermogen van het kind zal voeren; b. ingevolge artikel 276 lid 2 bij ontheffing of ontzetting van het gezag; c. indien degene die een minderjarige goederen schenkt of vermaakt, bij de gift onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft bepaald dat een ander het bewind over die goederen zal voeren. 2024 -64- No. 164 5. In het laatstbedoelde geval zijn de ouders, of indien een ouder het gezag alleen uitoefent, die ouder, bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen. 6. Bij het vervallen van het door de schenker of erflater ingestelde bewind zijn de leden 1 en 2, onderscheidenlijk lid 3, van toepassing.

  243. Artikel 253j De ouders of een ouder moeten het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk, behoudens voor de vruchten van dat vermogen voor zover de wet hun het genot daarvan toekent.

  244. Artikel 253k Op het bewind van de ouders of een ouder zijn artikel 342 lid 2, de artikelen 344 tot en met 357 en artikel 370 van overeenkomstige toepassing.

  245. Artikel 253l 1. Elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, heeft het vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij de ouder inwoont en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, is het verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de huishouding van het gezin. 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval de ouder van het gezag is ontheven, tenzij de andere ouder het gezag uitoefent. 3. Aan bedoeld vruchtgenot zijn de lasten verbonden, die op vruchtgebruikers rusten.

  246. Artikel 253m De ouder heeft geen vruchtgenot van het vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zullen hebben. Afdeling 3 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen

  247. Artikel 253n 1. Op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen kan de kantonrechter het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 251 lid 2, artikel 252 lid 1, artikel 253q lid 5 of artikel 277 lid 1 beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. 2. Artikel 251a leden 1 en 3 is van overeenkomstige toepassing.

  248. Artikel 253o 1. Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge de paragrafen 1, 2 en 2a en artikel 253n kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen door de kantonrechter worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 2024 -65- No. 164 2. De kantonrechter is eveneens bevoegd kennis te nemen van verzoeken tot wijziging van beslissingen inzake het gezag of daarmee samenhangend die door een buitenlandse autoriteit zijn gegeven na een in het buitenland totstandgekomen echtscheiding of scheiding van tafel en bed, indien de minderjarige gewoon verblijf heeft in Suriname. Deze rechter is voorts bevoegd om in het gezag te voorzien of een met het gezag samenhangende beslissing te geven, indien de buitenlandse beslissing niet voor erkenning in aanmerking komt dan wel indien na de echtscheiding of scheiding van tafel en bed zodanige beslissing niet is gegeven en de minderjarige gewoon verblijf heeft in Suriname.

  249. Artikel 253p 1. In de gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, neemt dit een aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. 2. Na de gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag nochtans niet voordat de beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of voordat de beschikking houdende scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. 3. Indien een aantekening was gedaan als bedoeld in artikel 252 lid 1 begint het aan één der ouders opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening door de griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier schriftelijk mededeling aan beide ouders.

  250. Artikel 253q 1. Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag. 2. Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de kantonrechter een voogd. 3. Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de kantonrechter de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Alsdan benoemt hij een voogd. 4. De in de leden 2 en 3 bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of ambtshalve. 5. Wanneer de grond van de onbevoegdheid van de in lid 3 eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op zijn verzoek, wederom met het gezag belast, indien de kantonrechter overtuigd is dat het kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd. Op verzoek van de ouders of een van hen kan hij de ouders gezamenlijk met het gezag belasten.

  251. Artikel 253r 1. Artikel 253q is van overeenkomstige toepassing, indien: a. een of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of b. het bestaan of de verblijfplaats van een of beide ouders onbekend is. 2. Het gezag dat aan een of beide ouders toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoet. 2024 -66- No. 164

  252. Artikel 253s 1. Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen. 2. Voor zover de volgens lid 1 vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door die van de kantonrechter worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. 3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist. Afdeling 4 Ondertoezichtstelling van kinderen

  253. Artikel 254 1. Indien een kind zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kantonrechter het onder toezicht stellen. 2. Hij kan dit doen op verzoek van een van de ouders, een ander die het kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, een van de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of het openbaar ministerie.

  254. Artikel 255 1. Bij de toewijzing van het verzoek benoemt de kantonrechter tevens een gezinsvoogd, die onder zijn leiding op het kind toezicht houdt. 2. Bij deze benoeming let de rechter op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van het kind en van het gezin waartoe het kind behoort. 3. De kantonrechter die een kind onder toezicht heeft gesteld, kan de vervulling van de taak overdragen aan de kantonrechter van de woon- of verblijfplaats van het kind. Bij staatsbesluit worden hieromtrent nadere regels gesteld. Artikel 256 De kantonrechter is bevoegd te allen tijde de gezinsvoogd door een andere te vervangen.

  255. Artikel 257 De kantonrechter kan hangende het onderzoek naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling het kind voorlopig onder toezicht stellen. Dit voorlopige toezicht blijft gelden totdat omtrent de ondertoezichtstelling bij gewijsde is beslist. 2024 -67- No. 164

  256. Artikel 258 1. De kantonrechter bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op een termijn van ten hoogste één jaar, die hij telkens met ten hoogste één jaar kan verlengen. 2. De kantonrechter kan de ondertoezichtstelling te allen tijde opheffen. Zij eindigt door de meerderjarigheid van het kind.

  257. Artikel 259 De gezinsvoogd onderhoudt zoveel mogelijk persoonlijk contact met het kind en met het gezin waartoe het behoort. Hij bevordert het geestelijk, lichamelijk en toekomstig stoffelijk welzijn van het kind. Hij dient de ouders van raad bij de verzorging en opvoeding en tracht hen te overreden hiertoe het nodige te doen.

  258. Artikel 260 1. Bij de verzorging en opvoeding van het onder toezicht gestelde kind moeten de ouders zich gedragen naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd. 2. Een ouder, die met de gezinsvoogd van mening verschilt ten aanzien van de in het belang van het kind te nemen maatregelen, kan op mondeling of schriftelijk verzoek de beslissing van de kantonrechter inroepen. 3. Aanwijzingen tot het nemen van maatregelen die kosten zullen veroorzaken, kan de gezinsvoogd slechts geven met machtiging van de kantonrechter. 4. Plaatsing van het kind buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de ouders daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogd overgaan, alleen krachtens de artikelen 262 en 263. Artikel 261 De kantonrechter kan te allen tijde bevelen dat het kind door de gezinsvoogd voor hem wordt gebracht.

  259. Artikel 262 De kantonrechter kan te allen tijde bevelen dat het kind tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid voor ten hoogste drie maanden wordt opgenomen in een door hem aan te wijzen observatiehuis. Hij kan de termijn van de opneming eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen, indien het belang van het kind dit gebiedend noodzakelijk maakt.

  260. Artikel 263 1. Indien dit in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, kan de kantonrechter het kind doen opnemen in een door hem aan te wijzen pleeggezin, inrichting of elders. 2. Bij zijn keuze let de kantonrechter op de wensen van hen die het gezag uitoefenen, en op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van het kind en van het gezin waartoe het kind behoort. 3. De kantonrechter bepaalt de duur van de opneming op een termijn van ten hoogste een jaar. Hij kan deze termijn telkens met een jaar verlengen en te allen tijde verkorten. 4. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kantonrechter vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend indien zij vereist is wegens ernstige gedragsstoornissen van het kind. Zodra een verzoek tot zulk een machtiging of tot verlenging daarvan bij de kantonrechter is ingediend, wordt het kind door de kantonrechter ambtshalve een raadsman toegevoegd. 5. Opneming in een inrichting eindigt mede door een besluit van de Minister van Justitie, de kantonrechter gehoord, wanneer de Minister van Justitie dit in verband met een juiste verdeling der in de aangewezen inrichtingen beschikbare plaatsruimte noodzakelijk oordeelt. 2024 -68- No. 164

  261. Artikel 263a 1. Voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in de artikelen 262 en 263, kan de kantonrechter of de gezinsvoogd voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. 2. Een beslissing van de gezinsvoogd geldt als een aanwijzing. Artikel 260 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.

  262. Artikel 263b 1. Voor de duur van de maatregel kan de kantonrechter op verzoek van de gezinsvoogd of ambtshalve een rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling. 2. Op het verzoek van de met het gezag belaste ouder, de omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gezinsvoogd kan de rechter de in lid 1 genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 3. Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt een ingevolge deze bepaling vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 377a dan wel 377f.

  263. Artikel 264 De kosten van de maatregelen bedoeld bij artikel 260 lid 3, en de artikelen 262 en 263 komen ten laste van de ouders, of, voor zover deze onvermogend zijn, ten laste van het kind; voor zover ook het kind onvermogend is, komen die kosten ten laste van de Staat.

  264. Artikel 265 Bij staatsbesluit kunnen voorschriften worden gegeven ten aanzien van alles wat in verband met de uitvoering van de voorschriften van deze afdeling nog nadere voorziening behoeft. Afdeling 5 Ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag

  265. Artikel 266 Mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet, kan de kantonrechter een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

  266. Artikel 267 1. Ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of van het openbaar ministerie. 2. In het geval, bedoeld in artikel 268 lid 2 onder d, kan, indien de kantonrechter een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf van hun kind heeft afgewezen, de ontheffing bovendien verzocht worden door degene die het kind op het tijdstip van het verzoek ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed. Indien het kind door meer dan een persoon wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door deze gemeenschappelijk worden gedaan. Is de ontheffing verzocht, dan blijft artikel 253s lid 2 buiten toepassing totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist. 2024 -69- No. 164

  267. Artikel 268 1. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. 2. Deze regel lijdt uitzondering: a. indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een opneming krachtens de artikelen 262 en 263 van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel, door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende is om het kind voor zedelijke of lichamelijke ondergang te behoeden; b. indien zonder de ontheffing van de ene ouder de ontzetting van de andere ouder het kind niet aan diens invloed zou onttrekken; c. indien de geestvermogens van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen; d. indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder, anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, van ten minste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.

  268. Artikel 269 1. Indien de kantonrechter het in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt, kan hij een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van: a. misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinde- ren; b. slecht levensgedrag; c. onherroepelijke veroordeling: 1 wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige; 2 wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in het Tweede Boek, de titels XII tot en met XIV en XVII tot en met XX van het Wetboek van Strafrecht; 3 tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer; d. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmeren van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming; e. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen. 2. Onder misdrijf wordt in dit artikel begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.

  269. Artikel 270 1. Ontzetting van het gezag wordt slechts uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of aanverwanten van het kind tot en met de vierde graad, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of van het openbaar ministerie. 2. In het geval, bedoeld in artikel 269 lid 1 onder e, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op zich heeft genomen.

  270. Artikel 271 1. Indien de kantonrechter het in het belang van het kind noodzakelijk acht, kan hij een ouder wiens ontzetting is verzocht, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen. Gelijke bevoegdheid komt hem toe ten opzichte van een ouder wiens ontheffing is verzocht, in de gevallen, bedoeld in artikel 268 lid 2. 2024 -70- No. 164 2. Indien de andere ouder mede het gezag uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem alleen uitgeoefend. 3. Acht de rechter in dit laatste geval de schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om het kind aan diens invloed te onttrekken, dan kan hij ook de andere ouder schorsen. 4. Betreft de schorsing beide ouders of een ouder die het gezag alleen uitoefent, dan vertrouwt de rechter het kind voorlopig toe aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind de bevoegdheden verleent die hij geschikt acht. 5. De in dit artikel bedoelde beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de ontzetting of de ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

  271. Artikel 272 1. Op grond van feiten die tot ontzetting van een ouder kunnen leiden, kan het openbaar ministerie, indien het dit in het belang van het kind noodzakelijk acht, het kind aan het gezag van de ouders onttrekken en voorlopig aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken toevertrouwen. Gelijke bevoegdheid komt het toe op grond van feiten die tot ontheffing van een ouder kunnen leiden in de gevallen, bedoeld in artikel 268 lid 2. 2. De toevertrouwing vervalt, indien het openbaar ministerie niet binnen veertien dagen van de kantonrechter haar bekrachtiging heeft verzocht. 3. Wordt de bekrachtiging tijdig verzocht, dan kan de kantonrechter hetzij de teruggave van het kind aan zijn ouders bevelen, hetzij een van de beschikkingen geven, bedoeld in artikel 271. 4. In het geval, bedoeld in lid 3, bepaalt de rechter tevens hoe lang de gegeven beschikking van kracht zal blij- ven. Is echter voor het einde van deze termijn, die op verzoek van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken kan worden verlengd, een verzoek tot ontzetting of ontheffing aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat over de ontzetting of de ontheffing bij gewijsde is beslist. De rechter kan die beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

  272. Artikel 273 De kosten die het Bureau voor Familierechtelijke Zaken maakt ten behoeve van het hem toevertrouwde kind, komen ten laste van de ouders, of, voor zover deze onvermogend zijn, ten laste van het kind; voor zover ook het kind onvermogend is, blijven die kosten ten laste van de Staat. Bij staatsbesluit kunnen dienaangaande nadere regels worden gesteld. Wanneer de toevertrouwing niet door de ontzetting of de ontheffing van een of beide ouders wordt gevolgd, kan de kantonrechter bevelen, dat hetgeen zij of het kind ter bestrijding van bedoelde kosten hebben betaald hun geheel of ten dele wordt teruggegeven.

  273. Artikel 274 1. Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend. 2. In geval van ontheffing of ontzetting van een ouder die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de kantonrechter te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. 3. De rechter die het verzoek, bedoeld in lid 2, heeft afgewezen, kan deze beschikking steeds wijzigen. Hij doet dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder, en niet dan op grond van omstandigheden, waarmede de rechter bij het geven van de beschikking geen rekening heeft kunnen houden. 2024 -71- No. 164

  274. Artikel 275 1. Indien de andere ouder het gezag voortaan niet alleen uitoefent, benoemt de rechter een voogd over de minderjarigen. 2. Ieder die tot uitoefening van de voogdij bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken met de voogdij te worden belast. 3. In geval van ontheffing met toepassing van artikel 268 lid 2 onder d benoemt de kantonrechter bij voorkeur tot voogd degene, dan wel een van degenen, die op het tijdstip van het verzoek het kind ten minste een jaar heeft onderscheidenlijk hebben verzorgd en opgevoed, mits deze bevoegd is onderscheidenlijk zijn tot uitoefening van de voogdij.

  275. Artikel 276 1. Indien de ontheven of ontzette ouder het bewind over het vermogen van zijn kind voerde, wordt hij tevens veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan zijn opvolger in dit bewind. 2. Zijn er kinderen die goederen gemeen hebben en komen zij onder het gezag van verschillende personen, dan kan de rechter een van deze personen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de waarborgen die de rechter van hem verlangt. 3. Op het bewind krachtens lid 2 is artikel 253k van toepassing, indien een der ouders als bewindvoerder is aangewezen, en anders afdeling 6, paragraaf 10. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van minderjarige deelgenoten, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

  276. Artikel 277 1. Indien de rechter overtuigd is dat een minderjarige wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden toevertrouwd, kan hij deze ouder op zijn verzoek in het gezag herstellen. Indien de niet met elkaar gehuwde ouders gezamenlijk het gezag willen uitoefenen, wordt het verzoek daartoe door hen beiden of een van hen gedaan. 2. Indien bij gelegenheid van de ontzetting of ontheffing het gezag aan de andere ouder was opgedragen, belast de rechter de ontheven of ontzette ouder die alleen het in lid 1 bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e is van overeenkomstige toepassing.

  277. Artikel 278 1. Het verzoek, bedoeld in artikel 277, kan ook worden gedaan door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. 2. Hangende het onderzoek kan zowel het Bureau voor Familierechtelijke Zaken als de te herstellen ouder de rechter verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een door hem te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De rechter is te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindigen. 2024 -72- No. 164 Afdeling 6 Voogdij §1 Voogdij in het algemeen

  278. Artikel 280 De voogdij begint: a. voor de voogd die door een ouder is benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het overlijden van deze ouder bereid verklaart de voogdij te aanvaarden; de verklaring moet door de betrokkene in persoon of bij bijzondere gevolmachtigde worden afgelegd ter griffie van het kantongerecht dat overeenkomstig artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in zaken betreffende minderjarigen bevoegd is; de verklaring moet worden afgelegd binnen veertien dagen, of, indien de persoon die de verklaring moet afleggen, zich in het buitenland bevindt, binnen vier weken nadat de benoeming is betekend; tot betekening kan iedere belang- hebbende alsmede het Bureau voor Familierechtelijke Zaken opdracht geven; b. voor de voogd die, nadat hij zich bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden, door de rechter is benoemd: op de dag waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is gegaan, of, zo deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de benoeming van de voogd is verstrekt of verzonden; een mondelinge bereidverklaring geschiedt ten overstaan van de rechter die benoemt; een schriftelijke bereidverklaring wordt neergelegd ter griffie waar de benoeming zal geschieden.

  279. Artikel 281 1. De voogdij eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij: a. de voogd is ontslagen of ontzet; b. het gezag over de onder zijn voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen; of c. de voogdij overeenkomstig artikel 299a of artikel 302 lid 4 aan een andere voogd is opgedragen. 2. Is een beschikking als in lid 1 bedoeld uitvoerbaar verklaard bij voorraad, dan eindigt de voogdij daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. §2 Voogdij door een der ouders opgedragen

  280. Artikel 292 1. Voor zover een ouder het gezag over zijn kinderen uitoefent, kan hij bij uiterste wilsbeschikking bepalen wie na zijn dood voortaan als voogd het gezag over deze kinderen zal uitoefenen. 2. Hij kan geen rechtspersoon als voogd aanwijzen. 3. Hebben beide ouders van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, en sterven zij, zonder dat men kan weten wie het eerst is overleden, dan bepaalt de kantonrechter ambtshalve wiens beschikking gevolg heeft.

  281. Artikel 293 De door de ouder getroffen regeling heeft geen gevolg of vervalt: a. indien na zijn overlijden de andere ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke beschikking het gezag over zijn kinderen uitoefent; b. indien en voor zover hij op het tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn kinderen niet meer uitoefende. 2024 -73- No. 164 §3 Voogdij door de rechter opgedragen Artikel 295 De kantonrechter benoemt een voogd over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in de voogdij van wie niet op wettige wijze is voorzien.

  282. Artikel 296 1. Is voorziening nodig in afwachting van het begin der voogdij overeenkomstig artikel 280, dan benoemt de kantonrechter een voogd voor de duur van deze omstandigheden. 2. Zodra bedoelde omstandigheden zijn vervallen, wordt deze voogd op verzoek van degene die hij vervangt, door de kantonrechter ontslagen.

  283. Artikel 297 1. De kantonrechter benoemt insgelijks een voogd, wanneer voorziening nodig is wegens: a. tijdelijke onmogelijkheid, waarin een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen; b. onbekendheid van bestaan of verblijfplaats van de voogd; of c. in gebreke blijven van de voogd het gezag uit te oefenen. 2. Is de benoeming op lid 1 onder c gegrond, dan kan de rechter de benoemde voogd een beloning toekennen en is de in gebreke gebleven voogd jegens de minderjarige aansprakelijk voor de kosten die de vervanging veroorzaakt alsmede, behoudens zijn verhaal op de benoemde voogd, voor diens verrichtingen. 3. Zodra de in lid 1 genoemde omstandigheden zijn vervallen, wordt de benoemde voogd op eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt, door de kantonrechter ontslagen, tenzij gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Artikel 298 Gedurende de in de artikelen 296 en 297 bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij geschorst. Artikel 299 De kantonrechter benoemt de voogd op verzoek van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.

  284. Artikel 299a 1. Degene die met instemming van de voogd een minderjarige in zijn gezin, anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de kantonrechter verzoeken hem dan wel een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tot voogd te benoemen. 2. Indien de minderjarige door meer dan één persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door de desbetreffende personen gemeenschappelijk worden gedaan. 3. Het verzoek kan ook worden gedaan door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken. 2024 -74- No. 164 4. De rechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij. 5. Is het bij lid 1 bedoelde verzoek gedaan, dan blijft artikel 336a lid 2 buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.

  285. Artikel 301 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de kantonrechter onverwijld kennis: a. van het overlijden van ieder die minderjarige kinderen achterlaat; b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het gezag uitoefent. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft het Bureau voor Familierechtelijke Zaken onverwijld kennis: a. van het overlijden van ieder, die minderjarige kinderen nalaat, tenzij van rechtswege in het gezag over deze kinderen is voorzien; b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, geboren binnen 306 dagen nadat het huwelijk van zijn moeder door de dood van haar echtgenoot is ontbonden, en van ieder kind, ten aanzien van wie alleen het moederschap vaststaat; c. van iedere latere vermelding houdende een erkenning, die is toegevoegd aan een geboorteakte van een minderjarige; d. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; e. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van een rechterlijke uitspraak die een minderjarige betreft, houdende een ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, gegrondverklaring van een betwisting of inroeping van staat of vernietiging van zulk een uitspraak. 3. Indien het huwelijk van de overledene die minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de overledene van tafel en bed gescheiden was, bericht de ambtenaar van de burgerlijke stand, zo de andere ouder nog leeft, deze omstandigheden tevens aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken; deze zendt alsdan de door hem ontvangen kennisgeving door aan de kantonrechter die over het verzoek tot ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en bed heeft beslist. §4 Voogdij van rechtspersonen

  286. Artikel 302 1. De rechter kan, mits op haar verzoek of na haar bereidverklaring, de voogdij opdragen aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, wier statuten of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschr- ijven. Bij staatsbesluit kunnen voorwaarden worden gesteld. 2. De rechter die de voogdij aan een rechtspersoon opdraagt, let hierbij op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort. 3. Elke voogdij van een rechtspersoon die door fusie ophoudt te bestaan, gaat over op de verkrijgende rechtspersoon, mits deze een rechtspersoon is waaraan de rechter krachtens lid 1 een voogdij kan opdragen. 4. Niettemin kan de rechter vervolgens op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij aan een ander opdragen. 2024 -75- No. 164

  287. Artikel 303 1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, heeft de met voogdij belaste rechtspersoon dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden. 2. De uitoefening van de voogdij geschiedt door het bestuur. Dit kan een of meer van zijn leden schriftelijk machtigen tot de uitoefening van de voogdij over de minderjarigen die in de machtiging zijn genoemd.

  288. Artikel 304 1. Met de rechtspersoon zijn de bestuurders hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij. 2. Iedere bestuurder zal zich echter van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen schuld heeft aan de schade. 3. Indien het bestuur overeenkomstig artikel 303 lid 2 een of meer van zijn leden in het bijzonder tot de uitoefening van de voogdij gemachtigd heeft, wordt vermoed dat de schade uitsluitend aan de schuld van deze leden is te wijten.

  289. Artikel 305 1. De rechtspersoon, die hem toevertrouwde minderjarigen uit huis plaatst, houdt het Bureau voor Familierechtelijke Zaken schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden. 2. De plaatsen, waar met voogdij belaste rechtspersonen minderjarigen geplaatst hebben, worden door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken bezocht, zo vaak het dit ter beoordeling van de toestand der minderjari- gen dienstig acht. 3. Artikel 263 lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

  290. Artikel 306 1. Zonder toestemming van de kantonrechter mag een rechtspersoon een hem toevertrouwde minderjarige niet in het buitenland plaatsen. 2. De rechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht. §5 Ontslag van de voogdij

  291. Artikel 322 Iedere voogd kan zich van zijn bediening doen ontslaan, indien: a. hij aantoont dat hij ten gevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen; b. hij de vijfenzestigjarige leeftijd heeft bereikt; c. een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de kantonrechter deze overneming in het belang van de minderjarigen acht. 2024 -76- No. 164 §6 Onbevoegdheid tot de voogdij

  292. Artikel 324 1. Wanneer een voogd op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de kantonrechter hem en vervangt hem door een andere voogd. 2. Hij doet dit op verzoek van de voogd, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve. §7 Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen

  293. Artikel 326 1. Kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld. 2. Op deze ondertoezichtstelling zijn de artikelen 254 tot en met 263 en 265 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande nochtans dat deze ondertoezichtstelling ook door de voogd kan worden verzocht. 3. De kosten, bedoeld in artikel 264, komen ten laste van de ouders, of, indien deze onvermogend dan wel overleden zijn, van de minderjarige zelf. Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat. §8 Ontzetting van voogdij

  294. Artikel 327 1. Indien de kantonrechter dit in het belang van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan hij een voogd ten aanzien van een of meer tot eenzelfde voogdij behorende minderjarigen ontzetten op grond van: a. slecht levensgedrag; b. misbruik van zijn bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij; c. de omstandigheid, dat hij op een der beide voorgaande gronden van een andere voogdij, of op over- eenkomstige gronden van het ouderlijk gezag, is ontzet; d. de omstandigheid dat hij in staat van faillissement verkeert; e. de omstandigheid dat hij in persoon, of dat zijn vader, moeder, echtgenoot of kind met de minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken is; f. onherroepelijke veroordeling: 1 wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige; 2 wegens het plegen tegen de minderjarige van een der misdrijven, omschreven in het Tweede Boek, de titels XII tot en met XIV en XVII tot en met XX van het Wetboek van Strafrecht; 3 tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer; g. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmering van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming; h. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen. 2. Onder misdrijf wordt in lid 1 begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf. 2024 -77- No. 164

  295. Artikel 328 Ontzetting van een met voogdij belaste rechtspersoon kan bovendien plaats hebben indien hij nalaat het Bureau voor Familierechtelijke Zaken overeenkomstig artikel 305 op de hoogte te houden van de plaatsen waar de hem toevertrouwde minderjarigen zich bevinden dan wel indien hij het door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken uit te oefenen toezicht belemmert of verhindert.

  296. Artikel 329 1. Ontzetting van de voogdij kan slechts worden uitgesproken op verzoek van een der bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad, het Bureau voor Familierechtelijke Zaken of van het openbaar ministerie. 2. In het geval, bedoeld in artikel 327 lid 1 onder h, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door degene die de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich heeft genomen. 3. In het geval, bedoeld in artikel 367, kan de kantonrechter de ontzetting uitspreken, ook al had het Bureau voor Familierechtelijke Zaken deze niet verzocht.

  297. Artikel 331 1. Indien de kantonrechter dit in het belang van de kinderen noodzakelijk acht, kan hij een voogd wiens ontzetting is verzocht, hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn voogdij over een of meer der minderjarigen schorsen. 2. Bij schorsing van de voogd vertrouwt de rechter de minderjarigen voorlopig toe aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen der minderjarigen zodanige bevoegdheden verleent als hij geschikt zal achten. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde beschikkingen blijven van kracht totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan. De kantonrechter kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

  298. Artikel 332 Op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden, kan de officier van justitie, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht, hen aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken toevertrouwen. Artikel 272 leden 2 tot en met 4 is van overeenkomstige toepassing.

  299. Artikel 333 De kosten die het Bureau voor Familierechtelijke Zaken ten behoeve van de hem toevertrouwde minderjarige maakt, komen ten laste van de ouders, of, indien deze onvermogend dan wel overleden zijn, van de minderjarige zelf. Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat. Bij staatsbesluit kunnen dienaangaande nadere regels worden gesteld.

  300. Artikel 334 1. Indien de kantonrechter de ontzetting uitspreekt, voorziet hij tevens in het gezag. 2. Ieder die tot uitoefening van het gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken daarmede te worden belast. 2024 -78- No. 164

  301. Artikel 335 Degene die van de voogdij over een bepaalde minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die minderjarige worden benoemd. §9 Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige Artikel 336 De voogd draagt zorg dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.

  302. Artikel 336a 1. Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen. 2. Voor zover de volgens lid 1 vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door die van de kantonrechter worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige acht. 3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de kantonrechter te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van de voogd dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist. § 10 Het bewind van de voogd

  303. Artikel 337 1. De voogd vertegenwoordigt de minderjarige in burgerrechtelijke handelingen. 2. De voogd moet het bewind over het vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk. 3. Indien goederen die de minderjarige geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen. Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind van de voogd.

  304. Artikel 338 1. De voogd zorgt dat het vermogen van de minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is samen- gesteld, zo spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd. 2. Binnen acht weken na het begin van zijn voogdij doet de voogd ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats van de minderjarige schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede gelden, effecten aan toonder en spaarbankboekjes. 3. Binnen acht maanden na het begin van zijn voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats van de minderjarige. 2024 -79- No. 164 4. In de boedelbeschrijving is begrepen een opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het vermogen tot het ogenblik dat zij wordt opgemaakt.

  305. Artikel 339 1. Wanneer de goederen van de minderjarigen een door de President van het Hof van Justitie bepaalde waarde niet te boven gaan, kan de voogd een door hem ondertekende verklaring daaromtrent in plaats van de boedelbeschrijving inleveren ter griffie van het kantongerecht. De Minister van Justitie kan een model voor de verklaring vaststellen. De voogd van twee of meer kinderen van dezelfde ouders kan met een zodanige verklaring slechts volstaan, wanneer bovendien de goederen der minderjarigen tezamen het dubbele van de in de eerste volzin bedoelde waarde niet te boven gaan. 2. De kantonrechter kan te allen tijde bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de minderjarige, zoals dit op de datum van zijn beschikking is samengesteld, met overeenkomstige toepassing van artikel 338 moet worden opgemaakt en ingeleverd.

  306. Artikel 340 1. De kantonrechter kan bij gebleken noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339 stellen. 2. Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in artikel 339 is ingeleverd, doet de rechter binnen tien dagen na het einde van die termijn de voogd ten verhore oproepen.

  307. Artikel 341 1. In de boedelbeschrijving of in de verklaring, bedoeld in artikel 339, moet de voogd opgeven wat hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal hij zijn vorderingsrecht niet vóór diens meerderjarigheid kunnen uitoefenen. 2. Zolang de voogd zijn vorderingsrecht niet kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.

  308. Artikel 342 1. De artikelen 338 tot en met 341 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de minderjarige gedurende de voogdij door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt. 2. De ontvanger der belastingen aan wie ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen heeft verkregen, is verplicht de kantonrechter van diens woonplaats hiervan te verwittigen.

  309. Artikel 343 De voogd kan, onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte schade, voor de minderjarige alle handelingen verrichten die hij in diens belang noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het elders in deze paragraaf bepaalde.

  310. Artikel 344 1. Voor zover de kantonrechter niet anders bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in bewaring bij de Centrale Bank van Suriname of een ingevolge de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen geregistreerde kredietinstelling. 2024 -80- No. 164 2. De rechter kan aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige moeten worden bewaard. De rechter onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen als hier bedoeld geven. Overigens is de rechter, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevoegd. 3. Voor effecten aan toonder, spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige tezamen met een of meer andere personen toekomen, gelden de leden 1 en 2, wanneer de voogd die onder zijn berusting heeft. De kantonrechter onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen geven. Overigens is de kantonrechter, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevoegd.

  311. Artikel 345 1. De voogd behoeft machtiging van de kantonrechter om de volgende handelingen voor rekening van de minderjarige te verrichten: a. aangaan van overeenkomsten strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige, tenzij de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel geschiedt; b. giften doen, andere dan gebruikelijke, niet bovenmatige; c. een making of gift, waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen; d. geld lenen of de minderjarige als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden; e. overeenkomen dat een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten. 2. De kantonrechter kan bepalen dat de voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen van de minderjarige, het disponeren over saldi bij giro- of kredietinstellingen daaronder begrepen. 3. Voor het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken, behoeft de voogd geen machtiging in het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of indien het voorwerp van de onzekerheid of het geschil een door de President van het Hof van Justitie vastgestelde waarde niet te boven gaat, noch indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.

  312. Artikel 346 1. De voogd kan geen goederen van de minderjarige kopen of huren zonder dat de kantonrechter de te sluiten overeenkomst goedkeurt. 2. In geval van openbare verkoop of verhuur moet de goedkeuring binnen een maand daarna zijn aangevraagd.

  313. Artikel 347 1. Een in strijd met artikel 345 of 346 verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar; op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de zijde van de minderjarige. 2. Lid 1 geldt niet voor een rechtshandeling anders dan om niet indien de wederpartij te goeder trouw was en voor een rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft berokkend.

  314. Artikel 348 1. De voogd kan, zonder dat de kantonrechter de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen vordering ten laste van de minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van een derde verkrijgen. 2. Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de overeenkomst nietig. 2024 -81- No. 164

  315. Artikel 349 1. Een voogd die zonder machtiging van de kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard. 2. De voogd mag niet zonder machtiging van de rechter in een tegen de minderjarige ingestelde eis of in een gedane uitspraak berusten. 3. De voogd kan, alvorens voor de minderjarige in rechte verweer te voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak verzet te doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechter.

  316. Artikel 350 1. De voogd draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de minderjarige. 2. Hij behoeft voor elke belegging van gelden van de minderjarige machtiging van de kantonrechter. Nochtans mag hij, voor zover de rechter niet anders bepaalt, zonder diens machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij een ingevolge de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen geregistreerde kredietinstelling op rekeningen, bestemd voor de belegging van gelden van minderjarigen, met het beding dat de gelden alleen worden terugbetaald met machtiging van de rechter.

  317. Artikel 351 1. Wanneer het vermogen van de minderjarige of een gedeelte daarvan in een onderneming van handel, landbouw of nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor rekening, hetzij van de minderjarige alleen, hetzij van deze met anderen, niet voortzetten dan met machtiging van de kantonrechter. 2. Zonder machtiging van de rechter mag de voogd een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet onverdeeld laten. Artikel 352 Ondanks het ontbreken der vereiste machtiging zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd met artikel 350 of artikel 351, geldig. Artikel 353 De voogd kan niet zonder machtiging van de kantonrechter van een de minderjarige toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen. Artikel 354 De kantonrechter kan te allen tijde de voogd ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

  318. Artikel 355 1. Aan een met het gezag belaste ouder of aan een ouder die alleen het bewind over het vermogen heeft en die aangifte heeft gedaan van zijn voornemen een huwelijk aan te gaan, kan de kantonrechter opdragen binnen een bepaalde termijn een beschrijving van het vermogen van de kinderen op te maken en deze beschrijving of een afschrift daarvan ter griffie van het gerecht in te leveren. 2. De artikelen 339, 340 en 341 zijn van overeenkomstige toepassing. 2024 -82- No. 164

  319. Artikel 356 1. Aanwijzingen en machtigingen, als in deze paragraaf bedoeld, geeft de kantonrechter slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden als hij dienstig oordeelt. 2. Hij kan een gegeven aanwijzing of machtiging te allen tijde intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden wijzigen.

  320. Artikel 357 Indien de kosten van een ten behoeve van een minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking te diens laste zijn gebracht, treedt, in geval dientengevolge het vermogen van de minderjarige moet worden aangesproken, in de plaats van de bij artikel 345 bedoelde machtiging van de kantonrechter, diens aanwijzing van de goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.

  321. Artikel 358 1. De voogd mag alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige in rekening brengen. 2. Indien de kantonrechter een bedrag bepaalt hetwelk jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van diens vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag niet gespecificeerd te verantwoorden. 3. De rechter kan de voogd een beloning ten laste van de minderjarige toekennen, indien hij dit gezien de zwaarte van de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval mag de voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat is toegekend bij de akte, waarbij hij door een ouder is benoemd.

  322. Artikel 359 1. De kantonrechter kan te allen tijde ambtshalve aan de voogd de verplichting opleggen jaarlijks of eens in de twee of drie jaar ter griffie van het gerecht een rekening in te dienen van zijn bewind over de goederen van de minderjarige. 2. De datum voor de indiening van de rekening wordt door de rechter bepaald.

  323. Artikel 360 1. Bij verschil van mening omtrent de rekening kan de kantonrechter verbetering daarvan gelasten. 2. Hij kan een of meer deskundigen benoemen, ten einde de ingediende rekening te onderzoeken. 3. De rechter kan de kosten van dit onderzoek, indien slecht bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten dele ten laste van de voogd brengen. 4. De voogd ontvangt een afschrift van het door de deskundigen in te dienen schriftelijk bericht.

  324. Artikel 361 De periodiek door de voogd gedane rekening of een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie van het kantongerecht. 2024 -83- No. 164

  325. Artikel 362 De kantonrechter kan ambtshalve de schade vaststellen die blijkens de rekening de minderjarige door slecht bewind van de voogd heeft geleden, en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen.

  326. Artikel 363 1. De kantonrechter kan te allen tijde bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast. Inpandgeving van effecten aan toonder van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de Centrale Bank van Suriname. 2. De rechter bepaalt een redelijke termijn binnen welke de voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat hij de van hem verlangde zekerheid heeft gesteld. 3. De rechter kan de voogd toestaan een gestelde zekerheid door een andere te vervangen. Indien het belang van de voogd het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of handhaving daarvan niet nodig is, kan de rechter hem machtigen daarvan namens de minderjarige afstand te doen.

  327. Artikel 364 1. De door de voogd gestelde zekerheid houdt op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig artikel 377 zijn verjaard. 2. Alsdan worden op kosten van de minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op inschrijvingen in de grootboeken der nationale schuld.

  328. Artikel 365 Indien de voogd in gebreke blijft: a. gehoor te geven aan een oproeping van de kantonrechter om voor hem te verschijnen; b. een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339 in te leveren; c. op de door de rechter bepaalde datum zijn periodieke rekening in te dienen; d. aan de minderjarige toebehorende spaarbankboekjes, gelden, of toondereffecten die hij niet te diens name heeft doen stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren; e. de rechter het bewijs te leveren dat hij een van hem verlangde zekerheid heeft gesteld; of f. de schadevergoeding te betalen waartoe de rechter hem ingevolge artikel 362 heeft veroordeeld, kan de rechter het Bureau voor Familierechtelijke Zaken hiervan in kennis stellen.

  329. Artikel 366 Insgelijks kan de kantonrechter het Bureau voor Familierechtelijke Zaken ervan in kennis stellen, dat: a. de voogd in gevallen waarin hij machtiging van de rechter behoeft, zijn bewind eigenmachtig voert; b. de voogd zich in zijn bewind aan ontrouw, plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid blijkt te hebben schuldig gemaakt.

  330. Artikel 367 Nadat het Bureau voor Familierechtelijke Zaken van de kantonrechter een mededeling als bedoeld in artikel 366 heeft ontvangen, legt het Bureau, na onderzoek van de overige gedragingen van de voogd jegens de minderjarige, binnen zes weken na de dagtekening van die mededeling aan het oordeel van de kantonrechter de vraag voor of ontzetting van de voogd op grond van artikel 327 lid 1 onder b moet volgen. 2024 -84- No. 164

  331. Artikel 369 1. Indien minderjarigen die onder voogdij van verschillende voogden staan, goederen gemeen hebben, kan de kantonrechter van de woonplaats van een der minderjarigen een van de voogden of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de door de rechter van hem verlangde waarborgen. 2. Komt de in lid 1 omschreven bevoegdheid aan verschillende rechters toe, dan vervalt deze nadat een van hen daarvan heeft gebruik gemaakt. 3. Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

  332. Artikel 370 1. De kantonrechter kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig oordeelt. 2. De rechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige. 3. Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen. 4. De rechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan aan de voogd moet doen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van de voogd of de bewindvoerder of ambtshalve wijzigen. 5. De bewindvoerder is verplicht aan de rechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken. 6. Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn bewind aan de voogd, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze is overleden, ten overstaan van de rechter rekening en verantwoording af te leggen. 7. Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen, beslist de rechter. 8. Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. 9. De rechter kan te allen tijde op verzoek van de bewindvoerder, de voogd of ambtshalve het bewind opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

  333. Artikel 371 De voogd is verplicht ter griffie van het kantongerecht kennis te geven van elke verandering in zijn woonplaats.

  334. Artikel 371a 1. De griffier van het gerecht dat een voogd benoemt, doet daarvan onverwijld mededeling aan de kantonrechter van de woonplaats van de voogd. 2024 -85- No. 164 2. Woont de voogd niet meer binnen het rechtsgebied of is hij opgevolgd door een voogd binnen een ander rechtsgebied, dan zendt de griffier onverwijld de voogdijbescheiden naar de griffier van het gerecht waar de voogd of opvolgende voogd woonplaats heeft, onder opgave van diens adres. § 11 De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

  335. Artikel 372 Na het einde van zijn bewind doet de voogd daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden door de voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de minderjarige, tenzij het bewind wegens ontzetting van de voogd eindigt. Voor zover de kosten niet op de minderjarige kunnen worden verhaald, komen zij ten laste van de ouders, en, zo zij ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van de Staat.

  336. Artikel 373 Deze rekening en verantwoording doet de voogd hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze is overleden, hetzij aan zijn opvolger in het bewind.

  337. Artikel 374 1. Bedoelde rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied de voogd wiens bewind eindigt, woonplaats heeft. 2. Over geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen, beslist de rechter. 3. Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

  338. Artikel 375 Een rechtshandeling die de meerderjarig gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot of verricht met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt vóór het afleggen van de rekening en verantwoording; alleen van de zijde van de meerderjarig gewordene kan een beroep op de vernietigingsgrond worden gedaan.

  339. Artikel 376 Wat de minderjarige aan de voogd schuldig blijft, draagt geen rente, zolang hij niet, na het sluiten der rekening, met de voldoening van het verschuldigde in verzuim is.

  340. Artikel 377 Elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind, zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd, verjaart door verloop van vijf jaar na de dag waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd. 2024 -86- No. 164 Titel 15 Omgang, informatie en raadpleging

  341. Artikel 377a 1. Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. 2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind of in zijn privéleven wordt geraakt, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

  342. Artikel 377b 1. De ouder die alleen met het gezag is belast, is gehouden de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden, over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. 2. Indien het belang van het kind zulks vereist, kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat lid 1 buiten toepassing blijft. 3. Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.

  343. Artikel 377c 1. Onverminderd artikel 377b wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet. 2. Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in lid 1 bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.

  344. Artikel 377d 1. Onverminderd lid 2 begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. 2. De uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of voor de voogd het gezag is begonnen. 2024 -87- No. 164

  345. Artikel 377e De kantonrechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind of in zijn privéleven wordt geraakt een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

  346. Artikel 377g De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a of 377b dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Titel 16 Curatele

  347. Artikel 378 1. Een meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden gesteld: a. wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen; b. wegens verkwisting; c. wegens gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen, waardoor hij: 1 zijn belangen niet behoorlijk waarneemt, 2 in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft, of 3 de eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. 2. Indien te verwachten is dat ten aanzien van een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, van een der in lid 1 genoemde gronden voor curatele sprake zal zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid worden uitgesproken.

  348. Artikel 379 De curatele kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten, zijn voogd of het openbaar ministerie.

  349. Artikel 380 1. De rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan, desverzocht of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt. 2. Hij regelt in deze beschikking de bevoegdheden van de bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind over bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan de rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die welke een curator niet heeft. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kan degene wiens curatele is verzocht, met betrekking tot die goederen niet zonder medewerking van de bewindvoerder daden van beheer en van beschikking verrichten. 2024 -88- No. 164 3. In de beschikking kan tevens worden bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de bekendmaking van de benoeming maakt, op de onder bewind gestelde goederen gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet kunnen worden verhaald. 4. De beschikking kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was. 5. De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

  350. Artikel 381 1. De curatele werkt met ingang van de dag waarop zij is uitgesproken. In het geval, bedoeld in artikel 378 lid 2 werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de onder curatele gestelde meerderjarig wordt. 2. Vanaf deze tijdstippen is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt. 3. Een onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming voor een bepaald doel moet schriftelijk worden verleend. 4. Met betrekking tot aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van een onder curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van overeenkomstige toepassing. 5. Hij is bekwaam over gelden die zijn curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze bestemming te beschikken. 6. In zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft, bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen. Artikel 382 Degene die onder curatele staat mag geen familierechtelijke handelingen verrichten zonder toestemming van de kantonrechter.

  351. Artikel 383 1. De rechter benoemt bij het uitspreken van de curatele of, indien hij zich nog niet voldoende voorgelicht acht, zo spoedig mogelijk daarna een curator. 2. De rechter volgt bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. 3. Tenzij lid 2 is toegepast, wordt, indien de onder curatele gestelde is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot curator benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd. Huwt de onder curatele gestelde of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de niet onder curatele staande echtgenoot of de andere levensgezel in de plaats van de tegenwoordige curator wordt benoemd. 4. De taak van de curator vangt aan daags nadat de benoeming is verstrekt of verzonden. Op die dag eindigt het provisioneel bewind. De provisionele bewindvoerder is verplicht ten overstaan van de kantonrechter aan de curator rekening en verantwoording van zijn bemoeienissen af te leggen; wordt hij zelf tot curator benoemd, dan wordt de rekening en verantwoording aan de rechter afgelegd. Indien de curator vóór de meerderjarigheid van de onder curatele gestelde is benoemd, vangt zijn taak aan op het tijdstip waarop de curatele in werking treedt. 2024 -89- No. 164 5. Indien het verzoek tot ondercuratelestelling wordt afgewezen, eindigt het bewind van de provisionele bewindvoerder daags na die uitspraak, tenzij de rechter anders bepaalt, en in ieder geval uiterlijk daags nadat de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan.

  352. Artikel 384 Indien een beschikking waarbij curatele is uitgesproken, in hoger beroep wordt vernietigd en het verzoek tot ondercuratelestelling alsnog wordt afgewezen, neemt de taak van de curator daags na deze uitspraak een einde. De inmiddels door de curator of met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder curatele gestelde verbindend.

  353. Artikel 385 1. Behoudens de artikelen 383 en 384, vinden artikel 250, artikel 280 onder b, artikel 281 lid 1 onder a en lid 2, de artikelen 297 tot en met 299, artikel 322 onder a en c en de artikelen 324, 336 en 372 tot en met 377 bij curatele overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. in geval van benoeming van een ouder tot curator een bereidverklaring als bedoeld in artikel 280 onder b niet is vereist; b. aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken ter zake geen bevoegdheden toekomen; c. de curator te allen tijde wegens gewichtige redenen op eigen verzoek, op verzoek van de onder curatele gestelde, op verzoek van het openbaar ministerie of ambtshalve door de kantonrechter kan worden ontslagen. 2. Een curator die niet is de echtgenoot of andere levensgezel of bloedverwant in de rechte lijn van de onder curatele gestelde, kan bovendien ontslag verzoeken wanneer hij de curatele ten minste acht jaar heeft uitgeoefend; het ontslag wordt verleend zodra de kantonrechter zich in staat acht een geschikte opvolger te benoemen.

  354. Artikel 386 1. Op het bewind van de curator zijn de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing. Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders is geregeld, komt de curator, de oudercurator daaronder begrepen, als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de onder curatele gestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven. 2. De inkomsten van degene die onder curatele is gesteld, moeten in de eerste plaats worden besteed voor een voldoende verzorging van de betrokkene. 3. Voor de toepassing van de artikelen 365 tot en met 367 treedt de officier van justitie in de plaats van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, en het ontslag, bedoeld in artikel 385 lid 1 onder c, in de plaats van de ontzetting van de voogd op grond van artikel 327 lid 1 onder b. 4. Indien een gehuwde onder curatele wordt gesteld, en tussen de echtgenoten het bestuur over hun goederen en de goederen der gemeenschap anders is verdeeld dan volgens de regels van de wet en van huwelijkse voorwaarden, bepaalt de rechter bij het uitspreken van de curatele of en in hoeverre die verdeling ook voor de curator zal gelden. 2024 -90- No. 164

  355. Artikel 387 1. De kantonrechter kan de persoon die uit hoofde van gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen onder curatele is gesteld, hetzij tegelijk met deze voorziening, hetzij daarna, uiterlijk voor één jaar, doch, zo nodig, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen, ter verpleging in een inrichting doen plaatsen, wanneer blijkt dat hij in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. Indien er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, en de vertraging tot de afloop van het rechterlijk onderzoek gevaarlijk zou kunnen zijn, is de kantonrechter bevoegd om, hangende dat onderzoek, zodanige voorlopige behoedmiddelen, en desnoods de vastzetting, te bevelen als de omstandigheden vorderen. 2. De inrichtingen waar de verpleging bedoeld in lid 1 kan plaatsvinden, worden aangewezen door de Minister van Justitie in overeenstemming met de minister, belast met de zorg voor de volksgezondheid. Een aanwijzing kan te allen tijde worden ingetrokken. Bij staatsbesluit kunnen voorwaarden worden gesteld.

  356. Artikel 388 Het verzoek tot vastzetting kan aan de kantonrechter worden gedaan door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de derde graad ingesloten, zijn voogd, zijn curator en door het openbaar ministerie.

  357. Artikel 389 1. De curatele eindigt wanneer bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat de oorzaken die tot de curatele hebben aanleiding gegeven, niet meer aanwezig zijn. 2. Het verzoek daartoe kan worden gedaan door dezelfde personen die de curatele kunnen verzoeken. 3. De curatele eindigt voorts wanneer bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak ten behoeve van de betrokken persoon een bewind als bedoeld in titel 19 dan wel een mentorschap als bedoeld in titel 20, is ingesteld.

  358. Artikel 390 1. Alle uitspraken waarbij een curatele wordt verleend of opgeheven, een provisioneel bewind wordt ingesteld of een uitspraak tot ondercuratelestelling wordt vernietigd, worden binnen tien dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, vanwege de verzoekers in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst, benevens in twee door de rechter aan te wijzen dagbladen bekendgemaakt. In geval de ver- zoekers daarmede nalatig zijn, zijn zij hoofdelijk gehouden aan derden de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. 2. De bekendmaking van een ondercuratelestelling op eigen verzoek of op verzoek van het openbaar ministerie geschiedt vanwege de curator, indien deze bij de ondercuratelestelling is benoemd, of anders vanwege de griffier.

  359. Artikel 391 Ter griffie van het kantongerecht in het Eerste Kanton, berusten openbare registers, waarin aantekening wordt gehouden van rechtsfeiten die betrekking hebben op curatele. Bij staatsbesluit wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze aantekening geschiedt. 2024 -91- No. 164 Titel 17 Levensonderhoud Afdeling 1 Algemene bepalingen

  360. Artikel 392 1. Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden: a. de ouders; b. de kinderen; c. behuwdkinderen en schoonouders. 2. Deze verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders jegens hun minderjarige kinderen en jegens hun kinderen, bedoeld in artikel 395a, slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde. 3. De in lid 1 genoemde personen zijn niet verplicht levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de echtgenoot of een vroegere echtgenoot overeenkomstig titel 6, 9 of 10 kan worden verkregen.

  361. Artikel 394 De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft alsmede de man die als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.

  362. Artikel 395a Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt.

  363. Artikel 395b 1. Heeft de rechter het bedrag bepaald dat een ouder dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker of de man die in artikel 394 daarmee is gelijkgesteld ter zake van de verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind moet betalen en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden van het kind van kracht geweest, dan geldt met ingang van dit tijdstip de rechterlijke beslissing als een tot bepaling van het bedrag ter zake van levensonderhoud en studie als in artikel 395a bedoeld. 2. Hetzelfde geldt indien de rechter met toepassing van artikel 406a het bedrag heeft vastgesteld dat een ouder ter bestrijding van de kosten van een maatregel van kinderbescherming aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken moet uitkeren. 3. Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken draagt zorg dat de gelden die hem krachtens dit artikel worden uit- gekeerd, aan het kind worden uitbetaald. 4. In afwijking van de leden 1 en 2 is het bedrag aan het kind verschuldigd en dient dit ook aan hem te worden betaald, indien het kind aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken schriftelijk heeft medegedeeld van optreden van deze laatste volledig af te zien. 2024 -92- No. 164

  364. Artikel 396 1. De verplichting van behuwdkinderen en van schoonouders tot het verstrekken van levensonderhoud vervalt wanneer het huwelijk van het behuwdkind is ontbonden. 2. De verplichting bestaat niet jegens een behuwdkind dat is gescheiden van tafel en bed en jegens een schoonouder nadat deze is hertrouwd.

  365. Artikel 397 1. Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levens- onderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. 2. Zijn meerdere bloed- of aanverwanten tot het verstrekken van levensonderhoud aan dezelfde persoon verplicht, dan is ieder van hen gehouden een deel van het bedrag te voldoen dat de tot onderhoud gerechtigde behoeft. Bij de bepaling van dit deel wordt rekening gehouden met ieders draagkracht en de verhouding waarin eenieder tot de gerechtigde staat.

  366. Artikel 398 1. Wanneer degene die tot levensonderhoud verplicht is, buiten staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan de kantonrechter bevelen dat hij de bloed- of aanverwant aan wie hij levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het nodige voorzien. 2. Ouders zijn steeds bevoegd de rechter te verzoeken aan hen toe te staan zich van hun onderhoudsplicht jegens hun behoeftig meerderjarig kind op de in lid 1 omschreven wijze te kwijten.

  367. Artikel 399 De rechter kan de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd; onverminderd hetgeen in afdeling 2 is bepaald omtrent de voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen.

  368. Artikel 400 1. Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn ouders en zijn kinderen voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders. 2. Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.

  369. Artikel 401 1. Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De voorafgaande zin is niet van toepassing op een verzoek tot wijziging van een termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158. 2024 -93- No. 164 2. De termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel 157 lid 3 of lid 5 dan wel lid 6, tweede volzin, of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158, kan op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd. Verlenging is niet mogelijk indien de rechter zulks ingevolge artikel 157 lid 5 heeft bepaald. Op een verzoek tot verlenging is artikel 157 lid 5, tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing. 3. Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat lid 1, eerste volzin, van toepassing is op een verzoek tot wijziging van een termijn die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158. 4. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

  370. Artikel 402 1. De rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de dag vast van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn. 2. Bij de vaststelling van een bedrag bepaalt de rechter tevens of dit wekelijks, maandelijks of driemaandelijks moet worden voldaan. 3. Zouden op de dag dat de uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd, reeds meer dan één termijn verschenen zijn of meer dan één termijn terugbetaald moeten worden, dan kan de rechter ook daarvoor een betaling in termijnen toestaan.

  371. Artikel 403 Geen uitkering is verschuldigd over de tijd die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf jaar is verstreken. Afdeling 2 Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen Artikel 404 Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

  372. Artikel 406 1. Komt een ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk na, dan kan zowel het Bureau voor Familierechtelijke Zaken als de andere ouder of voogd de kantonrechter verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren. 2. De rechter kan het in lid 1 bedoelde bedrag reeds bepalen gelijktijdig met een door hem te geven beslissing omtrent het gezag. 2024 -94- No. 164

  373. Artikel 406a Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten behoeve van een minderjarig kind door degene die het gezag over het kind heeft, worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel 349 leden 1 en 2 bedoelde machtiging niet.

  374. Artikel 406c 1. Bij iedere beschikking, waarbij: a. ingevolge een der artikelen 262, 263 of 326 de plaatsing van een minderjarige in een van de daarbedoelde inrichtingen of elders dan in een inrichting wordt bevolen, b. ingevolge artikel 823 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of een der artikelen 271, 272, 331 of 332 een minderjarige voorlopig aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken wordt toever- trouwd dan wel c. de gezinsvoogd machtiging wordt verleend om aanwijzing te geven tot een maatregel als bedoeld in artikel 260 lid 3, stelt de rechter tevens vast welk bedrag de ouders of, indien deze onvermogend dan wel overleden zijn, de minderjarige ter bestrijding van de kosten van bedoelde maatregelen aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken moeten betalen. 2. De in lid 1 bedoelde beslissing omtrent de kosten is uitvoerbaar bij voorraad.

  375. Artikel 407 1. Wijziging van het bedrag van een periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding kan zowel door het Bureau voor Familierechtelijke Zaken als door degene die het gezag over het kind uitoefent, worden verzocht. 2. Gelijktijdig met een door de kantonrechter te geven uitspraak betreffende het over de kinderen uit te oefenen gezag na ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kan de rechter op verzoek van een ouder het bedrag wijzigen van een, in verband met de voorafgegane gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

  376. Artikel 408 Een periodieke uitkering of som ineens tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding waarvan het bedrag door de rechter is bepaald, moet ten behoeve van het kind aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken worden betaald. Afdeling 3 Kosten van bevalling

  377. Artikel 408a 1. De verwekker van een kind, zelfs al was het dood geboren, is verplicht om aan de moeder van het kind de kosten van haar bevalling en van haar onderhoud gedurende de eerste zes weken na de bevalling te vergoeden. 2. De vergoeding van de kosten wordt naar billijkheid en met inachtneming van het plaatselijk gebruik vastgesteld. 3. Het vorderingsrecht vervalt na verloop van een jaar, te rekenen van de dag der bevalling. 2024 -95- No. 164 Afdeling 4 Uitkering tot levensonderhoud na beëindiging van een langdurige buitenhuwelijkse samenleving anders dan door de dood

  378. Artikel 408b Hebben twee personen langdurig samengeleefd als waren zij gehuwd en is aan deze samenleving anders dan door de dood een einde gekomen, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, aan een van hen op diens verzoek ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het bepaalde omtrent een uitkering tot levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot is van overeenkomstige toepassing. Titel 18 Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen Afdeling 1 Onderbewindstelling in geval van afwezigheid

  379. Artikel 409 1. Indien een persoon die zijn woonplaats heeft verlaten niet voldoende orde op het bestuur van zijn goederen heeft gesteld, en er noodzakelijkheid bestaat om daarin geheel of gedeeltelijk te voorzien of de afwezige te doen vertegenwoordigen, benoemt de kantonrechter, op verzoek van belanghebbenden of het openbaar ministerie, een bewindvoerder, ten einde het bewind over het geheel of een gedeelte van de goederen van de afwezige te voeren en diens overige belangen waar te nemen. 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met iemand die zijn woonplaats heeft verlaten, gelijkgesteld degene wiens bestaan onzeker is geworden of die onbereikbaar is, ook al staat niet vast dat hij zijn woonplaats heeft verlaten.

  380. Artikel 410 1. Voor zover de kantonrechter niet anders bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340, 342 tot en met 357, artikel 358 lid 1 en de artikelen 359 tot en met 363 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks ter griffie een rekening in te dienen van zijn bewind. 2. De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt. 3. Goedkeuring van een ingediende rekening door de rechter brengt geen nadeel toe aan de bevoegdheid van de rechthebbenden om na het einde van het bewind over dezelfde tijdruimte rekening en verantwoording te vragen, voor zover dit niet onredelijk is. 4. De bewindvoerder kan ook voor andere dan vermogensbelangen van de afwezige opkomen, behoudens voor zover de rechter zulks heeft uitgesloten. 5. De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen. 2024 -96- No. 164

  381. Artikel 411 Het bewind eindigt: a. door een gezamenlijk besluit van de rechthebbende en de bewindvoerder; b. door opzegging door de rechthebbende aan de bewindvoerder met inachtneming van een termijn van een maand; c. wanneer de dood van de rechthebbende komt vast te staan. Afdeling 2 Personen wier bestaan onzeker is

  382. Artikel 412 1. Wanneer aan een persoon wiens bestaan onzeker is een erfdeel of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven mocht zijn, anderen zouden gerechtigd zijn, verleent de kantonrechter aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris. 2. De rechter kan zo nodig openbare oproepingen bevelen en behoedmiddelen ten behoeve van de belanghebbenden voorschrijven. 3. Indien na het verlenen van de machtiging mocht blijken dat de vermiste op de dag van het openvallen der nalatenschap heeft bestaan, kan de teruggave van de in bezit gekomen goederen en van de vruchten worden gevorderd, op de voet en onder de beperkingen als hierna bij de verklaring van vermoedelijk overlijden is aangegeven. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op een uitkering uit levensverzekering, waartoe de persoon wiens bestaan onzeker is de eerstgeroepen begunstigde is.

  383. Artikel 413 1. Is het bestaan van een persoon onzeker en is de in lid 2 aangegeven tijdruimte verlopen, dan kunnen belanghebbenden de kantonrechter verzoeken dat hij aan hen zal gelasten de vermiste op te roepen ten einde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat hij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat. 2. De in lid 1 bedoelde tijdruimte beloopt vijf jaar, te rekenen van het vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn leven. De termijn wordt verkort tot een jaar, indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken. 3. Het gelasten van de oproeping van de vermiste en de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden, bedoeld in lid 1, kunnen ook worden verzocht door het openbaar ministerie.

  384. Artikel 414 1. De kantonrechter stelt dag en uur vast waartegen de vermiste moet worden opgeroepen. De oproep loopt op een termijn van een maand of zoveel langer als de rechter mocht bevelen. De oproeping geschiedt overeenkomstig Boek 1, titel 10, afdeling 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2. Indien de vermiste niet verschijnt, noch iemand voor hem opkomt die behoorlijk van het in leven zijn van de vermiste doet blijken, verklaart de rechter dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, onverminderd zijn bevoegdheid de beschikking, bedoeld in lid 1, eerst nog eenmaal te herhalen alsmede het horen van getuigen en de overlegging van bewijsstukken te gelasten, ten bewijze dat is voldaan aan de vereisten die artikel 413 stelt. 2024 -97- No. 164 3. De beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, noemt de dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden; als zodanig geldt de dag, volgende op die van de laatste tijding van zijn leven, tenzij voldoende vermoedens bestaan dat hij daarna nog enige tijd in leven was. 4. De rechter kan tevens bepalen, dat de kosten die een verzoeker als bedoeld in artikel 413 lid 1 heeft gemaakt, ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht. Artikel 416 Geen hogere voorziening is toegelaten tegen beschikkingen, houdende bevel tot oproeping van de vermiste.

  385. Artikel 417 1. Zodra de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verlaten woonplaats of, bij gebreke van verlaten woonplaats in Suriname, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo. Deze ambtenaar maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, welke in overeenstemming is met de beschikking en dit uitdrukkelijk vermeldt. 2. Deze akte bewijst ten aanzien van eenieder dwingend dat de vermiste op de in de akte vermelde dag is overleden.

  386. Artikel 418 1. Erfgenamen en legatarissen van degene die vermoedelijk overleden is verklaard, zijn verplicht alvorens zij de goederen der nalatenschap in bezit nemen, ten genoegen van de kantonrechter zekerheid te stellen voor hetgeen zij aan de vermoedelijk overleden verklaarde, mocht deze terugkeren, of aan erfgenamen of legatarissen die een beter recht mochten hebben, moeten afdragen. 2. De erfgenamen zijn verplicht na de inbezitneming een behoorlijke boedelbeschrijving op te maken. 3. Registergoederen mogen niet vervreemd of bezwaard worden, tenzij om gewichtige redenen en met verlof van de kantonrechter. Kunnen zij bij een boedelscheiding niet zonder verkoop worden verdeeld, dan worden zij onder bewind van een derde gesteld, die de inkomsten van die goederen overeenkomstig hetgeen dienaangaande bij de verdeling is vastgesteld, zal uitkeren. 4. De verdeling geschiedt bij authentieke akte, waaruit tevens moet blijken wat aan legatarissen of andere gerechtigden is uitgekeerd. 5. De goederen der nalatenschap mogen niet worden verkwist en daaruit mogen niet bovenmatige giften worden gedaan. 6. Erfgenamen en legatarissen zijn verplicht desgevraagd aan de rechter de nodige inlichtingen te geven. 7. De in dit artikel genoemde verplichtingen vervallen op het door de rechter bepaalde tijdstip, en uiterlijk na verloop van vijf jaar na de dag waarop de akte overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt. De rechter die de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, geeft kan, gelet op de omstandigheden van het geval, daarbij tevens bepalen dat een of meer der in dit artikel genoemde verplichtingen niet zullen bestaan.

  387. Artikel 419 De akte waarbij zekerheid is gesteld, de boedelbeschrijving en de akte van verdeling moeten in origineel of in authentiek afschrift worden neergelegd ter griffie van het kantongerecht. 2024 -98- No. 164

  388. Artikel 420 1. Wanneer het aan de kantonrechter blijkt dat een erfgenaam of legataris de hem in de artikelen 418 en 419 opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, kan hij voor de goederen die aan die erfgenaam of legataris uit de nalatenschap toekomen, een bewindvoerder benoemen, wiens bewind eindigt wanneer de rechter beslist dat de betrokkene alsnog zijn wettelijke verplichtingen heeft nageleefd. 2. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340, 342 tot en met 357, 358 lid 1 en 359 tot en met 363 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks ter griffie een rekening in te dienen van zijn bewind. 3. De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt. 4. De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

  389. Artikel 421 Hetgeen in de artikelen 418 tot en met 420 is bepaald omtrent erfgenamen die goederen uit de nalatenschap ontvangen, is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot die goederen ontvangt ten gevolge van de ontbinding van een huwelijksgemeenschap of de afrekening uit hoofde van een verrekenbeding. Voor het uit deze hoofde ontvangene behoeft echter geen zekerheid te worden gesteld.

  390. Artikel 422 1. Wanneer de vermiste terugkeert, of wanneer blijkt dat de dag van overlijden in de akte van overlijden onjuist is vermeld, is ieder die enige goederen van de vermiste ingevolge de artikelen 418 tot en met 421 in zijn bezit of onder zijn bewind heeft, aan de teruggekeerde of aan hen die alsdan blijken tot de goederen gerechtigd te zijn, rekening, verantwoording en afgifte schuldig. 2. Rechten door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd. In geval echter goederen om niet zijn vervreemd, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van degene die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen. 3. Is het leven van de vermiste ten behoeve van derden verzekerd geweest, dan behouden deze hun recht op hetgeen aan hen op het tijdstip van de terugkeer van de verzekerde is uitbetaald of als reeds opeisbaar was verschuldigd; in dat geval kunnen aan de verzekering geen andere rechten op de uitkering worden ontleend.

  391. Artikel 423 1. Indien binnen vijf jaar na de dag waarop de akte van overlijden overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt, wordt bewezen dat deze akte onjuist is, zijn zij die te goeder trouw de vruchten van de nalatenschap hebben genoten, slechts verplicht daarvan de helft terug te geven; wordt de onjuistheid later bewezen, dan behoeven zij geen vruchten terug te geven. 2. Indien eerst meer dan tien jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, wordt bewezen dat de akte onjuist is, zijn zij die de goederen te goeder trouw in bezit hebben genomen, slechts verplicht de alsdan nog aanwezige goederen in de staat waarin zij zich bevinden, af te geven, benevens de prijs van de vervreemde goederen of de goederen die daarvoor in de plaats zijn getreden; alles zonder enige vruchten of vergoeding voor niet meer aanwezige goederen en zonder verplichting van rekening en verantwoording. 3. Iedere verbintenis tot teruggave vervalt wanneer twintig jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, zijn verlopen. 2024 -99- No. 164 Afdeling 3 Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

  392. Artikel 426 1. Indien het lichaam van een vermist persoon niet kan worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, kan op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de kantonrechter verklaren dat de vermiste is overleden: a. indien de vermissing heeft plaatsgevonden in Suriname; b. indien de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Suriname thuisbehorend schip of luchtvaartuig; c. indien de vermiste een in Suriname woonplaats hebbende of gehad hebbende Surinamer was; d. indien de vermiste zijn woon- of verblijfplaats had in Suriname. 2. Indien een persoon in het buitenland is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, kan op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de kantonrechter verklaren dat die persoon is overleden: a. indien het overlijden heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Suriname thuisbehorend schip of luchtvaartuig; b. indien de overledene een in Suriname woonplaats hebbende of gehad hebbende Surinamer was; c. indien de overledene zijn woon- of verblijfplaats had in Suriname. 3. Voor zover mogelijk bevat het verzoek, bedoeld in de leden 1 en 2, of bevatten de daarmee vergezeld gaande bescheiden de in artikel 427 genoemde gegevens.

  393. Artikel 427 1. De beschikking, houdende verklaring dat de in artikel 426 bedoelde persoon is overleden, noemt de dag en zo mogelijk het uur van het overlijden. Indien de dag van overlijden niet bekend is, wordt deze door de kantonrechter vastgesteld en in de beschikking vermeld. De rechter houdt hierbij rekening met alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder of het tijdstip waarop het overlijden moet hebben plaatsgehad. 2. Voorts vermeldt de beschikking de geslachtsnaam, de voornamen, het geslacht en, zo mogelijk, de plaats van het overlijden, de woonplaats van de overledene, de plaats en de dag van geboorte van de overledene en de geslachtsnaam en de voornamen van de persoon of van de personen met wie de overledene gehuwd is geweest.

  394. Artikel 429 De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo. Deze maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, die hij in het register van overlijden opneemt.

  395. Artikel 430 De akten, opgemaakt volgens artikel 429, gelden als akten van overlijden in de zin van artikel 19f lid 1. 2024 -100- No. 164 Titel 19 Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen

  396. Artikel 431 1. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter een bewind instellen over een of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die beho- ren tot een huwelijksgemeenschap waarin hij gehuwd is, en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot staan. 2. Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in lid 1 bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld. 3. Het bewind kan tevens worden ingesteld indien een meerderjarige niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.

  397. Artikel 432 1. Instelling van het bewind kan worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten, zijn voogd, zijn curator, zijn mentor als bedoeld in titel 20 of het openbaar ministerie. 2. De rechter voor wie een verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind. 3. Een verzoek tot instelling van een bewind ten behoeve van een rechthebbende die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van een curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind. 4. In geval van een bestuursopdracht, of een verzoek daartoe, als bedoeld in artikel 91, zijn de leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing.

  398. Artikel 433 1. Tenzij bij de onderbewindstelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een aan het bewind onderworpen goed te treden, benevens de vruchten en andere voordelen die een onder bewind staand goed oplevert. 2. De kantonrechter kan, hetzij op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 432 lid 1, van een bewindvoerder of van het openbaar ministerie, hetzij ambtshalve, het ingestelde bewind tot een of meer andere goederen van de rechthebbende uitbreiden of een of meer goederen uit het bewind ontslaan; hij kan tevens handelingen als bedoeld in artikel 441 lid 2 onder f aanwijzen en de aanwijzing van zulke handelingen intrekken.

  399. Artikel 434 1. In beschikkingen als bedoeld in artikel 432 en artikel 433 lid 2 bepaalt de rechter ambtshalve welke goederen onder bewind worden gesteld, onderscheidenlijk uit het bewind worden ontslagen. 2. Onderbewindstelling van een goed en het ontslag van een goed uit het bewind treden in werking daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 431 lid 2 treedt de onderbewindstelling in werking op het tijdstip waarop de rechthebbende meerderjarig wordt. 2024 -101- No. 164

  400. Artikel 435 1. De rechter die het bewind instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. In alle andere gevallen geschiedt de benoeming door de kantonrechter. De rechter vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen persoon. 2. Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd. 3. De rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. 4. Tenzij lid 3 is toegepast, wordt, indien de rechthebbende is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Huwt de rechthebbende of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot of andere levensgezel van de rechthebbende in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt benoemd. 5. Handelingsonbekwamen, zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in deze titel zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement verkeren, kunnen geen bewindvoerder worden. 6. Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd. 7. De benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

  401. Artikel 436 1. De bewindvoerder is verplicht zo spoedig mogelijk een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op te maken en een afschrift daarvan in te leveren ter griffie van het ingevolge artikel 429c lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantongerecht. 2. De artikelen 339, 363 en 364 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien tot het bewind registergoederen behoren, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk de desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, te doen inschrijven. Is een onderneming of een aandeel van een volledig aansprakelijke vennoot in een openbare vennootschap onder bewind gesteld, dan is de bewindvoerder verplicht de desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in het handelsregister te doen inschrijven. 4. Tenzij de rechter anders bepaalt, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een ingevolge de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen geregistreerde kredietinstelling; de bewindvoerder is voorts verplicht om uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt, zoveel mogelijk van deze rekening gebruik te maken. 5. De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

  402. Artikel 437 1. De rechter kan twee of meer bewindvoerders benoemen, indien hij dit in het belang van een goed bewind nodig acht. 2. Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan kan, tenzij de rechter anders bepaalt, ieder van hen alle werkzaamheden die tot het bewind behoren, alleen verrichten. 3. Bij verschil van mening tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de rechter. Deze kan ook een verdeling van het loon vaststellen. 2024 -102- No. 164

  403. Artikel 438 1. Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. 2. Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken.

  404. Artikel 439 1. Indien een rechtshandeling ongeldig is omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen zo deze het bewind kende of had behoren te kennen. 2. Indien een goed is vervreemd of bezwaard door iemand die daartoe ingevolge het bewind niet bevoegd was, kan deze onbevoegdheid aan een verkrijger van het goed of een beperkt recht daarop slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.

  405. Artikel 440 1. Gedurende het bewind kunnen schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438 lid 2 verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. 2. Indien de onderbewindstelling alle goederen betreft die daarvoor krachtens artikel 431 lid 1 in aanmerking komen, is lid 1 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet onder het bewind staande goederen waarop verhaal mogelijk zou zijn.

  406. Artikel 441 1. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. 2. Hij behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor de volgende handelingen: a. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt; b. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen; c. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden; d. overeenkomen dat een boedel waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten; e. het aangaan, buiten het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een door de President van het Hof van Justitie vastgestelde waarde niet te boven gaat; f. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen. 3. De kantonrechter kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht, verlenen om handelingen als in lid 2 bedoeld, te verrichten, en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of intrekken. 2024 -103- No. 164 4. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd de verdeling te vorderen van goederen waarvan een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling, ook al geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel, behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging overeenkomstig lid 2. De kantonrechter kan, in stede van machtiging te verlenen, met overeenkomstige toepassing van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon benoemen, die in plaats van de bewindvoerder de rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt. 5. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

  407. Artikel 442 1. Heeft iemand als bewindvoerder een rechtshandeling verricht, dan richten de rechten en verplichtingen van de wederpartij zich naar hetgeen dienaangaande is bepaald in Boek 3, titel 3. Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was of had behoren te zijn. 2. De rechthebbende is, onverminderd artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht. Wanneer hij onder bewind staande goederen aanwijst die voor de schuld voldoende verhaal bieden, is hij niet verplicht de schuld ten laste van zijn overige vermogen te voldoen.

  408. Artikel 443 De bewindvoerder kan alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter. Artikel 444 Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

  409. Artikel 445 1. De bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording af aan de rechthebbende alsmede aan het einde van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de kantonrechter. 2. Indien de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen, of het onzeker is wie de rechthebbende is, wordt de rekening en verantwoording afgelegd aan de rechter. Goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de rechter belet niet dat de rechthebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is. 3. De rechter kan de bewindvoerder, hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve, vrijstellen van de verplichting om de periodieke rekening en verantwoording te zijnen overstaan af te leggen; hij kan ook bepalen dat deze wijze van aflegging van de rekening en verantwoording slechts over een door hem te bepalen aantal jaar zal geschieden. 4. Voor het overige vindt het aangaande de voogdijrekening in titel 14, afdeling 6, paragrafen 10 en 11, bepaalde overeenkomstige toepassing. 2024 -104- No. 164

  410. Artikel 446 1. Voor zover de kantonrechter niet anders bepaalt, wordt bij het afleggen van de periodieke rekening en verantwoording hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de verschuldigde beloning, aan de rechthebbende uitgekeerd. Op verzoek van de rechthebbende kan de rechter andere tijdstippen voor de uitkering vaststellen. 2. Bij zijn eindrekening en verantwoording draagt de bewindvoerder alle goederen af aan degene die na hem tot het beheer der goederen bevoegd is. De bewindvoerder is bevoegd de afdracht op te schorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo. 3. Wordt de rekening en verantwoording aan de rechter afgelegd, dan blijven, tenzij de rechter anders bepaalt, de netto-opbrengst of de af te dragen goederen onder het bewind van de bewindvoerder, totdat de rechthebbende tot de ontvangst in staat is of de onzekerheid wie rechthebbende is, is opgeheven.

  411. Artikel 447 1. Tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld, komt de bewindvoerder of, wanneer er meer bewindvoerders zijn, aan hen tezamen 5% der netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toe. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven. 2. Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan wordt het loon dat hun gezamenlijk toekomt, tussen hen verdeeld in evenredigheid met de betekenis van de door ieder van hen verrichte werkzaamheden.

  412. Artikel 448 1. De taak van de bewindvoerder eindigt: a. bij het einde van het bewind; b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd; c. door zijn dood, faillietverklaring of ondercuratelestelling; d. door de instelling van een bewind als bedoeld in deze titel over een of meer van zijn goederen; e. door ontslag, dat hem door de kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend. 2. Het ontslag wordt aan hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een mede- bewindvoerder, de rechthebbende of het openbaar ministerie dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen. 3. Een gewezen bewindvoerder blijft verplicht al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. In de gevallen, genoemd in lid 1 onder c, rust deze verplichting op zijn erfgenamen, onderscheidenlijk de curator, indien zij van het bewind kennis dragen; in het geval, genoemd in lid 1 onder d, geldt dit voor de be- windvoerder, belast met het daar bedoelde bewind. 4. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing.

  413. Artikel 449 1. Het bewind eindigt door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld, en door de dood of ondercuratelestelling van de rechthebbende. 2. De kantonrechter kan, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan, het bewind opheffen op verzoek van de rechthebbende of het openbaar ministerie; de beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst. 2024 -105- No. 164 Titel 20 Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

  414. Artikel 450 1. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter te zijnen behoeve een mentorschap instellen. 2. Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in lid 1 bedoelde toestand zal verkeren, kan het mentorschap reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld. 3. Het mentorschap kan eveneens worden ingesteld, indien te verwachten is dat een meerderjarige binnen afzienbare tijd in de in lid 1 bedoelde toestand zal verkeren.

  415. Artikel 451 1. Het mentorschap kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot en met de vierde graad, zijn voogd, zijn curator of zijn bewindvoerder, bedoeld in titel 19. In het in artikel 450 lid 3 bedoelde geval kan het mentorschap uitsluitend worden verzocht door de betrokkene. 2. Het mentorschap kan, behoudens in het in artikel 450 lid 3 bedoelde geval, voorts worden verzocht door het openbaar ministerie of door degene die de instelling waar de betrokkene duurzaam wordt verzorgd, exploiteert of die daarvan de leiding heeft. In het laatste geval wordt in het verzoekschrift tevens vermeld waarom de in lid 1 genoemde personen, bloedverwanten in de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen, niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan. 3. De rechter bij wie een verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap. 4. Een verzoek tot omzetting van curatele in mentorschap ten behoeve van een persoon die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van de curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap. 5. Het mentorschap treedt in werking daags nadat de griffier de beschikking heeft verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 450 lid 2 treedt het mentorschap in werking op het tijdstip waarop de betrokken persoon meerderjarig wordt.

  416. Artikel 452 1. De rechter die het mentorschap instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. In geval van vervanging van de mentor geschiedt de benoeming door de kantonrechter. De rechter vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon. 2. Zo nodig kan een tijdelijke mentor worden benoemd. 3. De rechter volgt bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. 4. Tenzij lid 3 is toegepast, wordt, indien de betrokkene is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot mentor benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd. Huwt de betrokkene of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot of andere levensgezel van de betrokkene in de plaats van de tegenwoordige mentor wordt benoemd. 5. Indien ten behoeve van de betrokkene in een bewind als bedoeld in titel 19, is voorzien, wordt, indien de bewindvoerder een natuurlijke persoon is, bij voorkeur de bewindvoerder tot mentor benoemd. 2024 -106- No. 164 6. Geen mentor kunnen worden: a. handelingsonbekwamen; b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld; c. rechtspersonen; d. de direct betrokken of behandelend hulpverlener; e. personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de betrokkene verblijft. 7. De taak van de mentor vangt aan daags nadat de benoeming is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

  417. Artikel 453 1. Tenzij uit wet of verdrag anders voortvloeit, is de betrokkene tijdens het mentorschap onbevoegd recht- shandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. 2. Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde rechtshandelingen vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is. De mentor kan de betrokkene toestemming verlenen deze rechtshandelingen zelf te verrichten. 3. Ten aanzien van andere handelingen dan rechtshandelingen betreffende de in lid 1 genoemde aangelegenheden treedt de mentor, voor zover de aard van de desbetreffende handeling dit toelaat, in plaats van de betrokkene op. 4. De mentor geeft aan de betrokkene raad in hem betreffende aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard en waakt over diens belangen ter zake. 5. Verzet de betrokkene zich tegen een handeling van ingrijpende aard in aangelegenheden als in de leden 2 en 3 bedoeld, dan kan die handeling slechts plaatsvinden indien zij kennelijk nodig is ten einde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen.

  418. Artikel 453a 1. Indien de rechter dit noodzakelijk acht, beslist hij tevens dat artikel 246 van overeenkomstige toepassing is. 2. Tijdens het mentorschap kan de rechter een beslissing nemen als in lid 1 bedoeld, hetzij op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 451 leden 1 en 2 of van de mentor, hetzij op verzoek van het openbaar ministerie, hetzij ambtshalve.

  419. Artikel 454 1. De mentor is gehouden degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. De mentor bevordert dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht. Hij betracht de zorg van een goed mentor. 2. De mentor is jegens de betrokkene aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed mentor te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

  420. Artikel 455 Degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld, is, onverminderd artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de mentor in zijn hoedanigheid in naam van de betrokkene verricht. 2024 -107- No. 164

  421. Artikel 456 De mentor kan alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de betrokkene of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter.

  422. Artikel 457 1. Een rechtshandeling verricht in strijd met artikel 453, is overeenkomstig de leden 2 en 3 vernietigbaar. 2. Indien de rechtshandeling is verricht door of gericht tot de betrokkene, kan een beroep op de vernietigbaarheid slechts worden gedaan jegens een persoon die het mentorschap kende of had behoren te kennen; jegens een zodanige persoon wordt de betrokkene vermoed onbevoegd te zijn geweest. 3. Indien de rechtshandeling is verricht door of gericht tot de mentor, kan een beroep op de vernietigbaarheid slechts worden gedaan jegens een persoon die de onbevoegdheid van de mentor kende of had behoren te kennen.

  423. Artikel 458 Voor zover een of meer van de goederen van de betrokkene onder een bewind als bedoeld in titel 19, staan, is de bewindvoerder, indien hij niet tevens mentor is, niet tot optreden bevoegd ten aanzien van aangelegenheden als in artikel 453 lid 1 bedoeld.

  424. Artikel 459 1. De mentor doet desgevraagd van zijn werkzaamheden verslag aan de kantonrechter. De rechter kan te allen tijde verschijning van de mentor in persoon gelasten. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken. 2. Aan het einde van zijn mentorschap doet de mentor van zijn werkzaamheden schriftelijk verslag aan zijn opvolger, aan de kantonrechter alsmede aan de betrokkene indien het mentorschap door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld of door opheffing eindigt.

  425. Artikel 460 1. De mentor mag de bij de vervulling van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening brengen. 2. De rechter kan aan de mentor ten laste van de betrokkene een beloning toekennen indien hij zulks redelijk acht, de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking genomen.

  426. Artikel 461 1. De taak van de mentor eindigt: a. bij het einde van het mentorschap; b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd; c. door zijn dood; d. door zijn ondercuratelestelling of door instelling van een mentorschap te zijnen behoeve; e. door ontslag, dat hem door de kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend. 2. Het ontslag wordt aan hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de betrokkene of het openbaar ministerie dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het mentorschap treffen en de mentor schorsen. 2024 -108- No. 164 3. Een gewezen mentor blijft verplicht al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de betrokkene kan worden uitgesteld, totdat wederom een persoon bevoegd is ten aanzien van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 453 lid 1. In de gevallen, genoemd in lid 1 onder d, rust deze verplichting op diens curator of mentor, indien deze van het mentorschap kennis draagt. 4. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing.

  427. Artikel 462 1. Het mentorschap eindigt door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld, en door de dood of ondercuratelestelling van de betrokkene. 2. De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat, het mentorschap opheffen op verzoek van de betrokkene, zijn mentor of het openbaar ministerie. De beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst. 2024 -109- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 1 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 1 – Personen- en familierecht ALGEMEEN 1. De veroudering van het Burgerlijk Wetboek betreft niet slechts het vermogensrecht. Ook op het gebied van het personen- en familierecht doet deze zich voelen, al is de wetgever hier actiever geweest. Zo is onlangs een aantal belangrijke wijzingen aangebracht in het Eerste Boek van het huidige BW (inwerkingtreding met ingang van 23 juni 2003 van de wet Herziening Huwelijksrecht 1973, GB 1973 no. 140; Opheffing onderscheid wettige en natuurlijke kinderen, SB 2000, no. 6; en Regeling omgangsrecht, SB 2002 no. 100). Toch lijken er bepalingen te zijn achtergebleven die herziening behoeven. Men zie het overzicht van Prof. mr. J. de Boer, Het Surinaamse personen- en familierecht getoetst aan de Grondwet en aan mensenrechtenverdragen, Surinaams Juristenblad 2004, no. 3, p. 30-45. 2. Zoals bekend, laat artikel 137 Grondwet toetsing door de rechter van de wet aan de in de artikelen 8 tot en met 23 GW neergelegde klassieke grondrechten toe. Het ligt voor de hand dat het begrip ‘gezin’ in artikel 17 lid 1 GW op dezelfde wijze wordt ingevuld als het begrip ‘family’ in de mensenrechtenverdragen, dus mede omvattend situaties na scheiding (éénoudergezinnen). 3. Toetsing aan (direct werkende bekendgemaakte) verdragsbepalingen wordt toegestaan in artikel 106 GW. Het belangrijke Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR; ook wel: Bupo-verdrag genoemd) is overwegend direct werkend en is bekendgemaakt in het Verdragenblad van de Republiek Suriname (1981 no. 17). Wat betreft het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (algemeen afgekort tot EVRM), dat sedert de onafhankelijkheid van Suriname geen gelding in Suriname meer heeft, kan wel worden gezegd dat de inhoud van de artikelen overwegend overeenstemmen met corresponderende artikelen van het IVBPR en van het Amerikaanse Verdrag voor de rechten van de mens (AVRM), zodat de uitleg die daaraan gegeven is door het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna ook aangeduid als EHRM) in Straatsburg inspirerend kan werken. Behalve vorengenoemde verdragen zijn nog in het bijzonder vermeldenswaard het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). 4. De vernieuwing van het personen- en familierecht, mede onder invloed van de grondrechten en mensenrechten, doet zich vooral voelen ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. gelijkstelling van man en vrouw; b. namenrecht; c. huwelijksbeletselen; d. echtscheidingsgrond; e. gezamenlijk ouderlijk gezag; f. omgangsrecht; g. meerderjarigheidsgrens; h. afstammingsrecht; i. adoptie; j. schijnhuwelijk en schijnerkenning; k. curatele drugsverslaafden; 2024 -110- No. 164 l. beschermingsbewind en mentorschap; m. concubinaat. 5. Ad a (gelijkstelling van man en vrouw). Het thans geldende eerste boek van het Burgerlijk Wetboek bevat nog verscheidene bepalingen waarin de vrouw is achtergesteld ten opzichte van de man op gronden die zonder twijfel heden ten dage ongerechtvaardigd moeten worden geacht. Zo houdt artikel 353 lid 1 in dat de vader in beginsel alleen de ouderlijke macht uitoefent. En ingevolge artikel 71 volgt het kind de woonplaats van de vader. Men zie voorts artikel 79 (vrouw volgt staat van man) alsmede artikel 383a lid 1 onder 3, artikel 403 lid 1 en onder 8 (gehuwde voogdes en gehuwde toeziende voogdes). Het afstammingsrecht en het namenrecht komen hierna nog aan de orde. 6. Ad b (namenrecht). Volgens artikel 56a van het huidig BW hebben huwelijkse en buitenhuwelijkse erkende kinderen per se de geslachtsnaam van de vader. Door deze achterstelling van moeders van kinderen ten opzichte van vaders is sprake van discriminatie naar geslacht (artikel 8 lid 2 GW, artikel 26 IVBPR; artikelen 2 en 16 Vrouwenverdrag; artikel 24 AVRM). Ouders behoren de mogelijkheid te hebben te kiezen voor de naam van de moeder. Vgl. Human Rights Committee (HRC) van de Verenigde Naties CCPR 035/1978, Shirin Aumeeruddy - Cziffra and 19 other Mauritian women v. Mauritius; HRC CCPR 919/2000, Müller and Engelhard v. Namibia; EHRM 22-2-1994, Burghartz, NJ 1996, 12; HR 23-9-1988, NJ 1989, 740 en EHRM 16-11-2004, Ünal Tekeli v. Turkey, appl. no. 29865/96. 7. Ad c (huwelijksbeletselen). Hier is van belang artikel 23 lid 2 IVBPR, luidende: The right of men and women of marriageable age to marry and to found a family shall be recognized. Cruciaal is dat niet ‘the very essence’ van het recht om te huwen wordt aangetast (vgl. EHRM 17-10-1987, NJ 1987, 945, in de zaak Rees v. the United Kingdom). Hier geldt een proportionaliteitsvereiste (vgl. EHRM 18-12-1987, NJ 1989, 99, zaak F. v. Switzerland). In de voornoemde wet Herziening Huwelijksrecht 1973, GB 1973 no. 140 zijn reeds grote verbeteringen gebracht ten aanzien van de vereiste toestemmingen voor huwelijk. 8. De wetgever moet voorts onder ogen zien of een verschillende huwelijksleeftijd wel nodig is. Voorgesteld is in het onderhavige ontwerp dat zowel voor mannen als vrouwen een minimumleeftijd geldt van achttien jaar (overeenstemmende met de meerderjarigheidsgrens), zonder dispensatiemogelijkheid. In dit verband verdienen de aandacht uit het Vrouwenverdrag artikel 16 lid 1 onder a (‘The same right to enter into marriage’) en onder b (‘The same right freely to choose a spouse and to enter into marriage only with their free and full consent’) en lid 2 (‘The betrothal and marriage of a child shall have no legal effect’). Het ontwerp gaat ervan uit dat onder ‘child’ hetzelfde verstaan moet worden als in artikel 1 IVRK (Kinderverdrag), dus een kind tot achttien jaar. 9. Ad d (echtscheidingsgrond). Ook wat dit betreft heeft de voornoemde wet Herziening Huwelijksrecht 1973, GB 1973 no. 140 verbetering gebracht. 10. Ad e (gezamenlijk ouderlijk gezag). Het gaat thans om de bescherming van ‘family’ en het discriminatieverbod. In 1985 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit het respect voor ‘family life’ voortvloeit dat gehuwde ouders na scheiding de mogelijkheid moet worden geboden om - bij een voldoende goede verstandhouding - het gezag over hun kinderen voort te zetten (HR 4-5-1985, NJ 1985, 510). Het daaropvolgende jaar oordeelde de Hoge Raad dat het discriminatieverbod met zich brengt dat ook ongehuwde ouders gezamenlijk gezag moeten kunnen uitoefenen over hun kinderen (HR 21-3-1986, NJ 1986, 585). Inmiddels heeft de Hoge Raad in een Curaçaose zaak geoordeeld dat ook een systeem waarin gezamenlijk gezag na scheiding slechts mogelijk is als beide partijen zulks wensen in strijd is met de artikelen 6 en 8 EVRM (HR 28-3-2008, R07/031HR). Deze rechtspraak is verwerkt in het ontwerp. 11. Ad f (omgangsrecht). De recente Regeling omgangsrecht, SB 2002, no. 100) heeft wat dit onderwerp betreft reeds de benodigde verbeteringen gebracht. Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen de verwekker die ‘family life’ heeft met zijn kind en de juridische vader behoort echter te worden opgeheven. 2024 -111- No. 164 12. Ad g (meerderjarigheidsgrens). De meerderjarigheidsgrens is in Nederland sinds 1987, in de voormalige Nederlandse Antillen sedert 2001 en in Aruba sedert 2002 gesteld op achttien jaar (overeenstemmende met de huwbare leeftijd); daarbij is overigens de onderhoudsplicht der ouders tot eenentwintig jaar gehandhaafd. Behalve dat jeugdigen in toenemende mate zelfstandig deelnemen aan het economisch leven, was een belangrijk argument het internationale rechtsverkeer. In Europa is de grens algemeen achttien jaar. Hetzelfde geldt voor de verschillende staten van de Verenigde Staten van Amerika; in Puerto Rico is deze echter nog eenentwintig jaar. In de staten van Canada is de grens achttien of negentien jaar. Van de Zuid- en Midden-Amerikaanse landen, waarover in Martindale-Hubbell’s International Law Digest (1995) informatie wordt verschaft, hebben Chili, Colombia, Costa Rica, Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Mexico, Panama, Peru en Venezuela achttien jaar als grens, terwijl Argentinië, Bermuda, Bolivia, Brazilië, Honduras, Nicaragua, en Uruguay nog steeds eenentwintig jaar aanhouden; Paraguay kent twintig jaar als meerderjarigheidsgrens. Ongelijke meerderjarigheidsgrenzen geeft in de praktijk moeilijkheden bij personenverkeer. Van zwaarwegende bezwaren van de verlaging is in Nederland, de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba in de praktijk niet gebleken. Voorgesteld wordt dan ook om in Suriname de meerderjarigheidsgrens op achttien jaar te stellen. 13. Ad h (afstammingsrecht). Uit de rechtspraak blijkt dat, in verband met het respect voor ‘family life’ en het discriminatieverbod, meer wetgeving op dit gebied geboden is dan de recente wet Opheffing onderscheid wettige en natuurlijke kinderen (SB 2000, no. 6). Men denke - nog afgezien van de onnodig defamerende terminologie (‘wettige’ en ‘onwettige’ kinderen) - aan het ontbreken van de mogelijkheid ten behoeve van het niet-erkende buiten huwelijk geboren kind van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, aan de beperkingen van de mogelijkheid voor de verwekker om zijn kind te erkennen en aan de zeer beperkte en bovendien ongelijke mogelijkheden van aantasting van het vaderschap. Wat dit laatste betreft is Nederland door het Europese Hof voor de rechten van de mens veroordeeld (EHRM 27-12-1994, NJ 1995, 248, zaak Kroon v. the Netherlands). De Surinaamse rechter heeft reeds, buiten de wet om, aan het kind in het gegeven geval de mogelijkheid van ontkenning van het vaderschap gegeven (Kantonrechter, eerste kanton, 17-6-2008. AR no. 051963). Eerder is door de Surinaamse rechter het absolute verbod van erkenning door de gehuwde man in strijd met de mensenrechten geoordeeld (Kantonrechter, eerste kanton, 4-3-2003, AR no. 030754, Surinaams Juristenblad 2003, afl. 3, p. 50 e.v., m.nt. FK). Voorts verdient overweging of de - in de praktijk tot moeilijkheden leidende - regel gehandhaafd moet blijven dat een kind dat 306 dagen na echtscheiding geboren is, de voormalige echtgenoot als vader heeft, tenzij de moeder hertrouwd is. 14. Ad i (adoptie). Voorgesteld wordt eenpersoonsadoptie mogelijk te maken, inclusief de zgn. stiefouderadoptie (een adoptie door de echtgenoot van de ouder van het kind). Verder verdienen de adoptievoorwaarden ook in ander opzicht wijziging. 15. Ad j (schijnhuwelijk en schijnerkenning). In het Nederlandse, Arubaanse, Curaçaose, Sint-Maartense en BES-Boek 1 nieuw BW (hierna: Caribische BW’s) is bepaald dat de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert tot het opmaken van een akte of een latere vermelding over te gaan, indien hij van oordeel is dat de openbare orde zich hiertegen verzet (artikel 18b lid 2). Dit betreft zowel schijnhuwelijken als schijnerkenningen. Van een weigering kunnen betrokkenen in beroep bij de rechter gaan. Voorts is wat be- treft schijnhuwelijken, indien een aanstaande echtgenoot niet de Surinaamse nationaliteit bezit, voor de huwelijksaangifte een verklaring van de vreemdelingendienst nodig, tenzij partijen kunnen bewijzen dat zij beiden in het buitenland wonen (artikel 44 lid 1 onderdeel h). Bovendien is aan de officier van justitie de bevoegdheid gegeven een huwelijk te stuiten en van een gesloten huwelijk - zelfs al is dit inmiddels al ontbonden - de vernietiging te vorderen (artikel 53 lid 3 en artikel 71a). De genoemde Caribische BW’s BW hebben bovendien – anders dan Nederland – in de regeling van de erkenning een voorziening om schijnerkenningen tegen te gaan. Voorgesteld wordt deze over te nemen (artikel 204 lid 1 onderdeel f). Overigens kan van (schijn)erkenningen de officier van justitie al sinds vanouds de vernietiging vorderen (artikel 205 lid 2). Zie voorts hierna onder k. 2024 -112- No. 164 16. Ad k (curatele drugsverslaafden). In de Caribische BW’s bestaat - anders dan in Nederland - de mogelijkheid om een verslaafde aan verdovende of stimulerende middelen onder curatele te stellen en op te nemen ter verpleging. Deze mogelijkheid verdient overneming. Er zijn geen goede redenen deze maatregel wel voor alcoholverslaving, maar niet voor drugsverslaving beschikbaar te hebben. 17. Speciale aandacht verdienen de afwijkingen ten aanzien van de artikelen 37, 38, 382, 385 en 386 van het Nederlandse BW, overigens in navolging van de Caribische BW’s. In de praktijk is gebleken dat curatele bijna uitsluitend wordt ingesteld in verband met geestelijke stoornissen. Verslaving aan drugs leidt daar - al dan niet tijdelijk - toe. Hier komt bij dat drugsverslaafden zich regelmatig lenen voor schijnhuwelijken en schijnerkenningen. Dit geeft voldoende grond om geen onderscheid meer te maken, wat betreft de mate van handelingsonbekwaamheid, tussen enerzijds curatele wegens geestelijke stoornis en anderzijds curatele wegens verslaving of verkwisting. Wat betreft de curatele wegens verkwisting zij nog opge- merkt dat deze zich zelden voordoet of het zou moeten zijn omdat ook sprake is van een verslaving. In het nieuwe artikel 382 is daarom bepaald dat een curandus, ongeacht de grond waarvoor de curatele is ingesteld, slechts familierechtelijke handelingen mag verrichten met toestemming van de kantonrechter. Het gaat hier onder meer om het aangaan van een huwelijk (de artikelen 37 en 38 kunnen derhalve vervallen), een scheidingsverzoek (HR 28-3-1980, NJ 1980, 378), de aantasting van het vaderschap en de erkenning van een kind (het Nederlandse lid 4 van artikel 204 behoefde derhalve niet te worden overgenomen). De rechter zal moeten beoordelen of de curandus voldoende in staat moet worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 18. Ad l (beschermingsbewind en mentorschap). Tegen het instituut curatele bestaan bezwaren omdat dit onder omstandigheden een onnodig zwaar middel is. Beschermingsbewind en mentorschap bieden een alternatief. Beide worden ingesteld zonder publicatie. Beschermingsbewind betreft in beginsel slechts de vermogensrechtelijke belangen van betrokkene, mentorschap slechts de niet-vermogensrechtelijke belangen. Beschermingsbewind en mentorschap kunnen samen bestaan, curatele echter kan niet bestaan met beschermingsbewind of mentorschap. De drie figuren verbeteren het arsenaal waarover de rechter beschikt om tot een redelijke, proportionele bescherming van meerderjarigen te komen. 19. Ad m (concubinaat). De Caribische BW’s maken het mogelijk dat voor de situatie dat een langdurig concubinaat wordt beëindigd (anders dan door overlijden), de rechter een uitkering tot levensonderhoud toekent als dat in de gegeven omstandigheden redelijk is. Daarbij kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, zoals de duur van het concubinaat, de onderlinge taakverdeling, de leeftijd en gezondheid van de behoeftige gewezen partner en de leeftijd der eventuele kinderen. Voorgesteld wordt deze regel over te nemen (artikel 408b). 20. Voorts is het wenselijk dat de voorgestelde regel dat indien een echtgenoot met het geld van de andere echtgenoot bijvoorbeeld een woning koopt, de andere echtgenoot kan meedelen in de waardevermeerdering van de woning ook van toepassing is indien twee personen samenleven als waren zij gehuwd (artikel 87a). 21. Wat betreft de voorgestelde erfrechtelijke positie van de langstlevende echtgenoot en langstlevende ongehuwde partner, zij verwezen naar Boek 4, artikel 4:30b. Wat betreft de aansprakelijkheid van de dader van een onrechtmatige daad of wanprestatie waarbij een gehuwde of ongehuwde kostwinner om het leven is gekomen, zie men Boek 6, artikel 6:108. En in Boek 7, artikel 7:246, wordt bescherming geboden aan de tenminste tien jaar samenwonende levensgezel die niet (mede)huurder is. 2024 -113- No. 164 ONDERDEELSGEWIJZE TOELICHTING Thans volgt een toelichting op de uitwerking van het bovenstaande. De nadruk zal telkens liggen op wat veran- dert ten opzichte van het huidige recht. Uit praktische overwegingen - men denke aan raadpleging van literatuur en corresponderende rechtspraak - is dezelfde nummering als de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse aangehouden, ook al zijn op enkele plaatsen artikelen weggelaten of toegevoegd. Wat betreft de Nederlandse wetsgeschiedenis kan men raadplegen, althans voor zover het gaat om bepalingen die in 1970 in Nederland zijn ingevoerd: C.J. van Zeben (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 1 en idem, Invoeringswet Boek 1 (1969). De Curaçaose (vóór 10 oktober 2010: Nederlands- Antilliaanse) wetsgeschiedenis is uitgegeven door M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, 2016. Opschrift De titel van dit boek luidt thans ‘Personen- en familierecht’ en niet meer: ‘Van personen’. Hiermee wordt de inhoud beter weergegeven. TITEL 1 (ALGEMENE BEPALINGEN) Weggelaten zijn de huidige artikelen 1 en 4. Zij richten zich tot de wetgever en horen in het Burgerlijk Wetboek niet thuis. Het nieuwe artikel 3 vervangt titel 13 (Van bloedverwantschap en zwagerschap).

  428. Artikel 1:1a In de binnenlanden van Suriname bestaan gewoonterechtelijke ongeschreven regels die afwijken van die in het Burgerlijk Wetboek. Men denke aan het erfrecht; zie het proefschrift (UvA) van M.A. Veira, De langstlevende echtgenoot. Een vergelijking van de positie van de langstlevende echtgenoot in het Marron-erfrecht met de positie van de langstlevende in het Caraïbisch en het Surinaams erfrecht, 2006. Het erfrecht van de Marrons is matrilineair van karakter. Voorts kan, zoals in De Nationale Assemblée op 21 januari 2022 opgemerkt, voor een kind de broer van de moeder een belangrijker (gezags)positie hebben dan de vader. Wat betreft de (collectieve) eigendom zie E.R. Kambel and F. MacKay, De rechten van inheemse volken en marrons in Suriname (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Caribbean Series 24), 2003 en de uitspraken van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens van 15 juni 2005, Series C No. 124, Moiwana Community v. Suriname (geïnterpreteerd door het IAHRM op 8 februari 2006, Series C No. 145), van 28 november 2007, Series C No. 172, Saramaka People v. Suriname (geïnterpreteerd door het IAHRM op 12 augustus 2008, Series C No. 185) en van 25 november 2015, Series C No. 309, Kaliña and Lokono Peoples v. Suriname. De bedoeling van het voorgestelde artikel 1:1a is om een opening te geven aan toepassing van dit ongeschreven eigen recht in een individueel geval. Of het recht toepasselijk is, is een kwestie van ongeschreven Surinaams interpersoneel privaatrecht. Er is nog veel onzeker: omtrent de inhoud van het binnenlandse recht en omtrent de inhoud van het toe te passen interpersoneel privaatrecht, maar belangrijk is dat hier ruimte wordt gegeven aan de rechtsontwikkeling ter zake. TITEL 2 (HET RECHT OP DE NAAM) 1. Thans is het namenrecht geregeld bij de akten van de burgerlijke stand. Het is in het ontwerp onder- gebracht in deze aparte titel, hetgeen de voorkeur verdient aangezien men een geslachtsnaam heeft, onge- acht wat in de registers van de burgerlijke stand vermeld staat. De titel bevat enerzijds bepalingen inzake de verwerving en de verandering van verplichte namen (artikelen 4 tot en met 7), anderzijds bepalingen betreffende het gebruik van de naam in het rechtsverkeer (artikelen 8 en 9). 2024 -114- No. 164 2. Het huidige artikel 56a BW luidt: ‘Wettige en door de vader erkende onwettige kinderen dragen de geslachtsnaam van de vader; onwettige, niet door de vader erkende kinderen, die van de moeder’. Een in huwelijk geboren kind, een kind dat is erkend en een geadopteerd kind hebben dus zonder meer de naam van de vader, zonder dat afwijking daarvan mogelijk is. Dit stelsel is door de Hoge Raad reeds geruime tijd geleden discriminatoir naar geslacht geoordeeld (HR 23-9-1988, NJ 1989, 740, Beukema en Van Veen). Immers moeders van kinderen worden ongelijk behandeld ten opzichte van vaders, zonder dat hiervoor een voldoende rechtvaardiging bestaat. Ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM 22-2-1994, Burghartz v. Switzerland, NJ 1996, 12, EHRM 16-11-2004, Ünal Tekeli v. Turkey, appl. no. 29865/96 en EHRM 7 januari 2014, appl. 77/07, Cusan et Fazzo c. Italië) en die van Human Rights Committe van de Verenigde Naties (HRC CCPR 035/1978, Shirin Aumeeruddy - Cziffra and 19 other Mauritian women v. Mauritius; en HRC CCPR 919/2000, Müller and Engelhard v. Namibia) kan het discriminatoire karakter van het huidige namenstelsel worden afgeleid. 3. In Nederland is bij wet van 10 april 1997, Stb. 161, in werking getreden op 1 januari 1998, een keuzerecht geïntroduceerd. In beginsel mag door de ouders gekozen worden tussen de naam van de vader en die van de moeder. Indien geen keuze wordt gedaan, krijgen in huwelijk geboren kinderen de naam van de vader en houden erkende kinderen de naam van de moeder. Dit systeem is ook neergelegd in het onderhavige ontwerp. Mede gelet op de grote verscheidenheid van bevolkingsgroepen in Suriname is niet gekozen voor de extra-mogelijkheid om te kiezen voor een combinatie van de geslachtsnamen der ouders, zoals in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. 4. In het ontwerp wordt vastgehouden aan het beginsel van eenheid van het gezin. De keuze van de geslachtsnaam van het eerste kind bepaalt ook de geslachtsnaam van de volgende kinderen die de ouders samen krijgen (artikel 5a lid 1). In het algemeen wensen kinderen dezelfde naam als hun broers en zusters. 5. Wordt een kind van zestien jaar of ouder erkend of geadopteerd, dan kan het zelf kiezen (artikel 5d). Voorts kan elk kind gedurende vijf jaar na meerderjarigheid door naamskeuze zijn geslachtsnaam wijzigen (artikel 5e). Hiermee wordt recht gedaan aan het zelfstandige oordeel van het oudere c.q. meerderjarige kind. Er kan bij het bereiken van de meerderjarigheid ook veel gebeurd zijn. Het kind kan bijvoorbeeld zijn opgevoed door de ouder wiens naam het niet draagt, terwijl met de andere ouder, wiens naam het wel draagt, geen contact meer bestaat. 6. Voorgesteld zal worden in het overgangsrecht dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling ouders die (slechts) minderjarige kinderen hebben alsnog naamskeuze kunnen doen. Ook hier wordt rekening gehouden met de wil van een kind dat zestien jaar of ouder is.

  429. Artikel 5 De verwachting is dat in Suriname de meeste gehuwde ouders niet zullen kiezen, zodat het kind van rechtswege de naam van de vader krijgt. Maar willen ouders toch kiezen, dan heeft de combinatiemogelijkheid veel voordelen. Met een combinatie van namen komt de band met beide ouders goed tot uitdrukking. De combinatiemogelijkheid bestaat in Zuid Amerika op grote schaal, te weten in Spaanstalige en Portugeestalige jurisdicties. Indien, bij geschil tussen ouders, de rechter moet beslissen, kan deze beide ouders aan hun trekken laten komen.

  430. Artikel 5a Dit artikel is ontleend aan artikel 5 lid 8 van Boek 1 van het Nederlandse BW. Men zie verder wat betreft lid 1 de Algemene toelichting bij deze titel. De eenheid van naam geldt niet als ten aanzien van een levenloos geboren kind naamskeuze is gedaan (lid 2). 2024 -115- No. 164

  431. Artikel 5b 1. Deze bepaling ontbreekt in Nederland, hetgeen volgens het Committee on the Elimination of Discrimination against Women van de Verenigde Naties discriminatie van de moeder oplevert (NJB 2001, p. 1779, NJCM-Bulletin 2001, p. 1072); het Europese Hof voor de rechten van de mens oordeelde milder (niet-ontvankelijkheidsbeslissing 27 april 2000, Bijleveld v. the Netherlands, appl. no. 42973/98, NJB 2000, p. 1337); evenzo HR 14-4-2006, NJ 2006, 258. Het probleem is dat de wetgever de rechter geen goed criterium behalve het belang van het kind kan bieden als de ouders het niet eens zijn over de naamskeuze, maar dat geldt ook in andere geschillen bedoeld in artikel 253a. Soms zijn er bijzondere omstandigheden aanwezig, bijvoorbeeld de aanwezigheid in het gezin van kinderen uit een eerdere relatie met een bepaalde naam. Het alternatief: een vetorecht te geven aan een der ouders – zoals in Nederland – is moeilijk te rechtvaardigen. 2. De bepaling is afgestemd op artikel 253a; de toepassingsmogelijkheid van artikel 253a heeft vooral principiële betekenis uit oogpunt van gelijkheid van man (vader) en vrouw (moeder). Hetzelfde geldt voor het thans voorgestelde artikel 5b. Artikel 5b spreekt behalve van ouders van ‘toekomstige ouders’. Men denke aan een naamskeuze voor de geboorte van het kind; en verder aan een op erkenning gebaseerd vaderschap of op adoptie gebaseerd ouderschap. Het is onaanvaardbaar om de mogelijkheid van een conflictenbeslechting door de rechter slechts te bieden aan gehuwden. Is er een conflict omtrent naamskeuze tussen de moeder van een buiten huwelijk geboren kind en de man die het kind wil erkennen en wil de man dit conflict voorleggen aan de rechter op grond van artikel 2a, dan is denkbaar dat de moeder haar toestemming voor de erkenning zal weigeren (artikel 204 lid 1 onderdeel c). De man kan dan, mits hij de verwekker is van het kind, vervangende toestemming aan de rechter vragen (artikel 204 lid 3), welk verzoek gepaard kan gaan met een verzoek tot beslechting van het geschil omtrent naamskeuze. Het is overigens niet te verwachten dat een dergelijk conflict omtrent naamskeuze zich vaak zal voordoen. 3. Het verzoek aan de rechter moet ingevolge lid 2 worden ingediend voor het tijdstip waarop uiterlijk naamskeuze kan worden gedaan. Dit is, afhankelijk van het geval, het tijdstip van erkenning (artikel 5g lid 1, eerste volzin), het tijdstip van geboorteaangifte (artikel 5i lid 1, eerste volzin) of het tijdstip van de adoptie uitspraak (artikel 5l leden 1 tot en met 3). Komt de beslissing niet af voor dat tijdstip, dan krijgt het kind – bij gebreke van naamskeuze – een naam volgens de wet, te weten, afhankelijk van het geval, de naam van de moeder (artikel 5g lid 1, eerste volzin) of vader (artikel 5i lid 2; artikel 5j lid 2; artikel 5l lid 1), dan wel behoudt het kind de naam die het al heeft (artikel 5l leden 2 en 3). Deze verkregen of behouden naam is echter slechts een voorlopige, in afwachting van de beslissing van de rechter.

  432. Artikel 5c Lid 1 van dit artikel, waarvan de inhoud voor zichzelf spreekt, is wat betreft het overlijden van een ouder ontleend aan artikel 5 lid 9 van Boek 1 van het Nederlandse BW. Ingevolge lid 2 kan ook bij wilsonbekwaamheid van een der ouders de ander alleen de keuze doen; de ambtenaar van de burgerlijke stand kan verlangen dat ten aanzien van de wilsonbekwaamheid een verklaring van een deskundige (medicus of psycholoog) wordt overgelegd; ingeval van geschil omtrent die wilsonbekwaamheid kan de rechter worden geadieerd op de voet van artikel 2b. Is een der ouders feitelijk afwezig (en onbereikbaar), dan kan de andere ouder zich eveneens tot de rechter wenden; zonder deze bepaling zou naamskeuze zijn uitgesloten, hetgeen onredelijk voorkomt.

  433. Artikel 5d Dit artikel, dat reeds aan de orde was in de Algemene toelichting bij de onderhavige afdeling, is geïnspireerd door artikel 5 lid 7 van Boek 1 van het Nederlandse BW. 2024 -116- No. 164

  434. Artikel 5e Dit artikel geeft aan eenieder kind de bevoegdheid binnen vijf jaar na meerderjarigheid zijn geslachtsnaam door naamskeuze – voor een omschrijving zie artikel 5 – te wijzigen (vgl. het Nederlandse artikel 5 Besluit geslachtsnaamswijziging, dat een termijn van drie jaar stelt). Indien het kind juridisch alleen een moeder heeft (artikel 5f), komt wijziging niet in aanmerking, tenzij het geadopteerd is (artikel 5l).

  435. Artikel 5f Deze regel, inzake het kind zonder familierechtelijke vader, spreekt van zelf. Evenzo artikel 5 lid 1, eerste volzin, van Boek 1 van het Nederlandse BW.

  436. Artikel 5g Erkenning van een kind op zich heeft geen naamsgevolg meer, zoals in het huidige recht. Wellicht zal hierdoor in sommige gevallen de moeder gemakkelijker toestemming voor erkenning geven (artikel 204 lid 1 onder c). Willen de ouders dat het kind na de erkenning de naam van de vader krijgt, dan zullen zij daarvoor ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk moeten kiezen (leden 1 en 3). Een naamskeuze ten tijde van de geboorteaangifte werkt terug tot de geboorte (artikel 5g lid 2, welke bepaling ruimer is dan artikel 5 lid 2 van Boek 1 van het Nederlandse BW); dezelfde regel is neergelegd in artikel 5i lid 3, ten aanzien van huwelijkse kinderen. Ook ongehuwden kunnen een conflict omtrent naamskeuze aan de rechter voorleggen; zie artikel 2b.

  437. Artikel 5h Deze bepaling sluit aan op artikel 5g. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is geregeld in de artikelen 207 tot en met 208.

  438. Artikel 5i Hier gaat het om huwelijkse kinderen. Doen de ouders geen naamskeuze, dan krijgt het kind – overeenkomstig de traditie in Suriname – de naam van de vader (lid 2). Dezelfde regel is neergelegd in artikel 5 lid 5 van Boek 1 van het Nederlandse BW; in Nederland is sedert 1998 gebleken dat in de praktijk weinig naamskeuze wordt gedaan. Kunnen de ouders het niet eens worden, dan geldt artikel 5b. Naamskeuze ter gelegenheid van de geboorteaangifte werkt terug tot de geboorte (lid 3; vgl. ook artikel 5g lid 2 ten aanzien van erkende kinderen).

  439. Artikel 5j Deze specifieke bepaling hangt samen met artikel 199, onder b en komt overeen met artikel 5 lid 6 van Boek 1 van het Nederlandse BW.

  440. Artikel 5k Adoptie door één persoon wordt in het onderhavige ontwerp voorgesteld (artikel 227 lid 1). Bij eenpersoonsadoptie door een man, krijgt het kind zijn naam, aldus het onderhavige artikel. Bij eenpersoonsadoptie door een vrouw krijgt het kind haar naam ingevolge artikel 5f.

  441. Artikel 5l Wordt een kind geadopteerd door een echtpaar, dan heeft het de naam van de vader, tenzij de ouders naamkeuze doen (lid 1). Deze regel correspondeert met artikel 5i lid 2, ten aanzien van in huwelijk geboren kinderen. Bij stiefouderadoptie houdt het kind de naam zijn eigen naam, tenzij naamskeuze wordt gedaan (lid 3). Ook in geval van adoptie kan een conflict omtrent naamskeuze worden voorgelegd aan de rechter; zie artikel 2b.

  442. Artikel 5m Dit artikel, betreft het geval dat beide ouders onbekend zijn. In afwachting van een benodigde resolutie worden voorlopige namen opgenomen. 2024 -117- No. 164 Artikel 6 Dit artikel betreft de bewijskracht van de geboorteakte wat de geslachtsnaam betreft.

  443. Artikel 7 Een wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de President heeft geen gevolgen voor de geslachtsnaam van de kinderen die reeds meerderjarig zijn of die niet onder het gezag van de betrokken persoon staan, aldus artikel 7 lid 3. Men denke bijvoorbeeld aan kinderen die na echtscheiding onder gezag van de moeder staan. Deze bepaling laat onverlet de mogelijkheid dat naar aanleiding van de aan de vader verleende naamswijziging, de wettelijk vertegenwoordiger ook voor de minderjarige kinderen wijziging van de geslachtsnaam in de nieuwe naam van hun vader vraagt.

  444. Artikel 8 Hierin is vastgelegd dat in de twee in dit artikel bedoelde gevallen het gebruik van de naam van een ander jegens deze onrechtmatig is. Hieruit mag niet de conclusie worden getrokken dat buiten deze grenzen het gebruik van eens anders naam steeds rechtmatig zou zijn. Buiten artikel 8 blijft het ongeschreven recht gelden, volgens hetwelk het voeren van de naam van een ander ook jegens anderen dan de drager van de naam onrechtmatig kan zijn (men denke bijvoorbeeld aan oneerlijke concurrentie en oplichting). In de terminologie van titel 2 betekent naam zowel voornaam als geslachtsnaam. Uit artikel 8 volgt ook, dat het voeren van een andere dan de eigen geslachtsnaam in het algemeen geoorloofd is; er bestaat geen plicht tot het voeren van de eigen geslachtsnaam. De inofficiële naam doet overigens niet af aan de officiële, die slechts verworven en gewijzigd kan worden op de wijze als in artikel 7 omschreven.

  445. Artikel 9 Dit artikel sanctioneert een bestaand gebruik: veel gehuwde vrouwen voeren in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van hun echtgenoot of laten deze aan de hare voorafgaan. Uit oogpunt van gelijkberechtiging behoort de gehuwde man hetzelfde te kunnen, al valt niet te verwachten dat hiervan veel gebruik gemaakt zal worden. Voor alle duidelijkheid zij hier benadrukt dat men de eigen geslachtsnaam – zoals die bewezen wordt door de geboorteakte (artikel 6) – behoudt, al voert men de geslachtsnaam van de echtgenoot. Overigens is men niet – zoals in sommige landen – wettelijk verplicht in het maatschappelijk verkeer de eigen geslachtsnaam te voeren, zodat het onderhavige artikel 9 slechts geringe betekenis heeft. Artikelen 1:9a en 1:24a Hier zijn verwerkt de onderdelen A en B van de wet van 16 maart 2022, S.B. 2022, no. 34 (Initiatiefvoorstel H. Ramdien, G. Jordan, V. Ramsukul en S. Moertabat), welke wet is tot stand gekomen na de indiening van het NBW-ontwerp. TITEL 3 (WOONPLAATS) Hierin zijn geen ingrijpende wijzigingen aangebracht. De toevoeging van lid 3 aan artikel 10 houdt verband met de mogelijkheid dat een vennootschap in rechte wordt opgeroepen. Men zie daarover nader bij de toelichting van de wijzigingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Als artikel 11a is gehandhaafd - in tegenstelling tot Nederland - het huidige artikel 70 betreffende personen die tot openbare bedieningen worden geroepen; men denke aan personen die van overheidswege in het buitenland zijn gedetacheerd. Daarentegen is niet uit het huidige BW overgenomen artikel 72 (‘Werknemers hebben ... hun woonplaats in het huis van hun werkgevers, indien zij bij deze inwonen’). Men denke aan tijdelijk inwonende zieken- of kraamverpleegsters. Er is onvoldoende reden om het tijdelijk verblijf bij de werkgever boven de duurzame eigen woonplaats te verkiezen. 2024 -118- No. 164 TITEL 4 (BURGERLIJKE STAND) De nieuwe regeling verschilt niet principieel van de oude, maar wel is een groot aantal veranderingen aange- bracht ter verduidelijking en vereenvoudiging. Ook wordt in grotere mate aan het respect voor het privéleven tegemoetgekomen. Voorts is van belang dat de burgerlijke stand op het spoor gezet wordt van de huidige techniek. De grondslagen van de burgerlijke stand komen te staan in het Burgerlijk Wetboek en de uitvoering in het Staatsbesluit burgerlijke stand. Bij het voortschrijden van de techniek zal slechts het staatsbesluit behoeven te worden gewijzigd. De voorschriften omtrent het aangaan van een huwelijk zijn overgebracht naar titel 5; men zie aldaar. Afdeling 1 (De ambtenaar van de burgerlijke stand) De positie van de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt in het Burgerlijk Wetboek geregeld. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt een geheel eigen plaats in. Alleen de rechter kan hem instructies geven met betrekking tot het opmaken van akten. Er zijn ten minste twee ambtenaren van de burgerlijke stand (artikel 16 lid 1). Voorts is het mogelijk een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand te benoemen die uitsluitend betrokken is bij huwelijksvoltrekkingen (artikel 16 lid 2 en artikel 16a lid 2); deze hoeft niet ambtenaar te zijn. Men denke aan een gepensioneerde ambtenaar van de burgerlijke stand of een ander die heel geschikt is een huwelijksceremonie te leiden. Ook denke met in het bijzonder aan de bestaande ‘huwelijksambtenaren’ als bedoeld in de huidige artikelen 134 tot en met 135l, zoals ingevoerd bij de wet Herziening Huwelijksrecht 1973 (GB 1973 no. 140) en in werking getreden op 23 juni 2003 (SB 2003, 44). Een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) geldt blijkens artikel 16 lid 2, als ambtenaar van de burgerlijke stand (abs). Afdeling 2 (De registers van de burgerlijke stand en de bewaring daarvan) 1. Er zijn ter plaatse drie registers: van geboorten, van huwelijken en van overlijden (artikel 17 lid 1). De registers van huwelijksaangiften en van huwelijkstoestemmingen komen te vervallen. De desbetreffende akten worden als bijlagen van het register van huwelijken gedurende enige tijd bewaard en vervolgens vernietigd. De driedeling geboorte-huwelijk-overlijden stemt overeen met die welke in veel andere landen wordt gehanteerd. 2. Naast de drie genoemde registers is er te Paramaribo een register voor de inschrijving van rechterlijke uit- spraken houdende ontbinding van het huwelijk tussen echtgenoten wier huwelijk niet in Suriname in de regis- ters van de burgerlijke stand is ingeschreven (artikel 17 lid 2). De noodzaak van een dergelijk speciaal ‘echtscheidingsregister’ voor personen die indertijd in het buitenland zijn gehuwd, vloeit voort uit het feit dat in het algemeen van rechterlijke uitspraken die zelf reeds in een authentiek geschrift zijn neergelegd, niet langer nog eens afzonderlijke akten van inschrijving worden opgemaakt (zie hierna bij afdeling 6). Zo zal een afschrift van de huwelijksakte met de daarbij behorende latere vermelding van de echtscheiding, als bewijsstuk van die echtscheiding voldoende zijn. Een uitzondering moet echter gelden indien een huwelijksakte met betrekking tot een huwelijk dat in Suriname wordt ontbonden, in Suriname in de registers ontbreekt. 3. In de wet staan thans de overbrengingstermijnen. De geboorteregisters mogen pas na ten minste honderd jaar na hun afsluiting worden overgebracht naar een algemeen archief, de huwelijksregisters na ten minste vijfenzeventig jaar en de overlijdensregisters na ten minste vijftig jaar. In afwijking van de Nederlandse wet zijn dit minimumtermijnen. Een verantwoorde overbrenging naar het archief is namelijk mede ervan afhankelijk of geschikte archiefruimte beschikbaar is. Voor de dubbelen of afschriften van in registers opgenomen akten (zie artikel 18c) is er bovendien een in het Staatsbesluit burgerlijke stand aangeduide centrale bewaarplaats; in verband met de veiligheid zijn de aldaar bewaarde stukken niet openbaar (artikel 23c). De akten van de burgerlijke stand die niet tot een register behoren, alsmede de bijlagen, worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand na een zekere in het Staatsbesluit burgerlijke stand aangegeven tijd (achttien maanden), vernietigd; het spreekt van zelf dat dit een besparing van archiefruimte impliceert. 2024 -119- No. 164 Afdeling 3 (Akten van de burgerlijke stand en partijen bij deze akten) 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand krijgt uitdrukkelijk een actievere rol te vervullen. Naast bescheiden nodig ter identificatie van partijen, zal hij zich andere bescheiden kunnen doen overleggen aan de hand waarvan hij kan beslissen of hij tot het opmaken van een akte dient over te gaan, en zo ja, welke gegevens hij in die akte dient op te nemen (artikel 18 lid 2). Op deze wijze kan hij bijvoorbeeld trachten inzicht te krijgen, mogelijkerwijs in overleg met het Openbaar Ministerie, in de vraag of sprake is van een schijnhuwelijk of schijnerkenning (zie hierna bij afdeling 10). Tevens stelt dit voorschrift hem in staat, door vergelijking van aan hem voorgelegde stukken na te gaan of er bijvoorbeeld sprake is van valsheid in geschrifte. Worden niet de vereiste bescheiden overgelegd of acht hij deze ongenoegzaam, dan weigert hij tot het opmaken van de akte of de toevoeging van een latere vermelding over te gaan (artikel 18b lid 1 en 20c). De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert zulks eveneens indien hij van oordeel is dat de openbare orde zich hiertegen verzet (artikel 18b lid 2 en 20c, 20b lid 1). Men denke niet alleen aan het genoemde schijnhuwelijk en de schijnerkenning, maar ook aan bijvoorbeeld te jonge leeftijd, verwant- schap, ontbreken van vrije toestemming, bigamie. Zie voorts artikel 19e lid 8, volgens hetwelk de ambte- naar een geboorteattest kan verlangen (hierna bij afdeling 4). 2. Behalve de ambtenaar zijn bij het opmaken van de akte betrokken de partijen en - in sommige gevallen - getuigen. De partijen bij de akte (artikel 18a, leden 1 en 2) zijn te onderscheiden in belanghebbende partijen en aangevers. De laatsten geven aan de ambtenaar kennis van rechtsfeiten als geboorten en overlijden, waartoe zij verplicht of bevoegd zijn. Belanghebbende partijen brengen met hun verklaring enig rechtsgevolg teweeg voor henzelf of voor mede verschijnende partijen; men denke aan de huwelijks- toestemming, de verklaring van de aanstaande echtgenoten dat zij elkaar aannemen tot echtgenoten en de erkenning van een kind. De belanghebbende partijen kunnen zich door een daartoe bij authentieke akte aangewezen gevolmachtigde doen vertegenwoordigen, tenzij zij verplicht zijn in persoon te verschijnen (artikel 18a lid 3); vgl. voor dit laatste de artikelen 43 lid 3, 65 en 66. Voor de aangevers bestaat deze mo- gelijkheid niet. Men verwarre overigens de belanghebbende partijen bij de akte niet met de belanghebbenden van de artikelen 20b, 24, 25 en 26. 3. Met betrekking tot de dubbelen (artikel 18c) wordt de vastlegging van de gegevens op een andere drager dan papier mogelijk; men denke bijvoorbeeld aan microfilm of elektronische vastlegging. 4. Het Openbaar Ministerie is niet langer verplicht de registers te controleren. Het blijft echter een taak houden, onder meer indien niet op regelmatige wijze een geboorteakte kan worden opgemaakt (artikel 19b, 19e, leden 6 en 9), indien sprake is van een schijnhuwelijk (artikel 53 lid 3, en artikel 71a) of schijnerken- ning (artikel 205 lid 2). Het kan inzage van akten nemen en overlegging bevelen (artikel 23a) en correctie van akten en registers vorderen (artikel 24). Afdeling 4 (De akten van geboorte en van overlijden) 1. Voor het geval dat tijdens een binnenlandse reis een geboorte of een overlijden plaats vindt, wordt een praktische regeling getroffen (artikelen 19a lid 1 en 19g lid 1). Een korjaal op de rivier geldt als een ‘varend schip’ 2. Zijn in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam opgenomen, dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld een volledig afschrift van de akte aan de Minister van Justitie. Deze zal de benodigde resolutie van de President voorbereiden. 3. De termijn voor de aangifte van een geboorte is vijf dagen (artikel 19e lid 6). Een te late aangifte wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand gemeld aan het Openbaar Ministerie, dat vervolgens de eventueel noodzakelijke strafrechtelijke maatregelen kan nemen (artikel 19d lid 6). Een machtiging van het Openbaar Ministerie is echter in dat geval niet langer nodig voor de inschrijving van de geboorteakte. 2024 -120- No. 164 4. Indien het geslacht van het kind twijfelachtig is, worden met een tussenperiode van drie maanden twee geboorteakten opgemaakt (artikel 19d). De eerste vermeldt dat het geslacht niet is kunnen worden vast- gesteld. De tweede, definitieve akte vermeldt - met doorhaling van de eerste - het inmiddels vastgestelde geslacht, aan de hand van een overgelegde medische verklaring, dan wel wederom dat het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld. Eventueel informeert de ambtenaar tevoren bij de ouders. Nadat de definitieve akte is opgemaakt kan uiteraard nog de verbeteringsprocedure van artikel 24 worden gevolgd. 5. Ter bestrijding van fraude kan de ambtenaar verlangen dat bij de geboorteaangifte een geboorteattest - een verklaring van een arts of verloskundige dat het kind uit de als moeder op te geven vrouw is geboren - wordt overgelegd (artikel 19e lid 8). De fraude waarom het hier gaat is dat een niet bestaand kind wordt aangegeven of een tevoren reeds aangegeven kind nogmaals, onder een andere naam. Voorts kan worden gedacht aan verduistering van staat in geval van draagmoederschap. Een vergelijking kan worden gemaakt met de verklaring omtrent de oorzaak van overlijden. 6. Bij overlijden kan de ondernemer die in de lijkbezorging voorziet worden gemachtigd aangifte te doen (artikel 19h lid 2). De familieleden blijven dus bevoegd om zelf - mits zij van het overlijden uit eigen wetenschap kennis dragen (artikel 19h lid 1) - aangifte te doen. De machtiging kan alleen worden verstrekt gedurende de wettelijke termijn voor de begraving of verbranding. De machtiging is niet aan een vorm gebonden. 7. Wanneer een kind levenloos ter wereld is gekomen wordt een bijzondere akte opgemaakt (artikel 19i lid 1). Een levenloos geboren kind wordt op grond van artikel 2 geacht nooit te hebben bestaan. Hiermee zou niet te verenigen zijn dat dat feit zou worden geregistreerd in een geboorteakte. De bijzondere akte is evenmin een overlijdensakte, maar wordt wel in het register van overlijden opgenomen. Leefde het kind bij de geboorte, maar is het vóór de aangifte daarvan overleden, dan zal zowel een geboorteakte als een overlijdensakte worden opgemaakt (artikel 19i lid 2). Afdeling 5 (Latere vermeldingen) 1. Van veranderingen in de rechtstoestand van personen zoals die uit akten van de burgerlijke stand blijkt, worden latere vermeldingen (dit zijn de opvolgers van de ‘kantmeldingen’) aan de akten toegevoegd (artikel 20). Latere vermeldingen van buitenlandse akten en rechterlijke beslissingen zijn eveneens mogelijk (artikel 20b). Voor latere vermeldingen geldt - evenals voor de akten van de burgerlijke stand - een gesloten systeem (artikel 20c in verbinding met 18 lid 1), dat wil zeggen dat alleen vermeld mag worden hetgeen wettelijk is voorgeschreven. 2. In een stelsel van ambtelijke mededelingen (door de ene ambtenaar van de burgerlijke stand aan de andere of door de Minister van Justitie, notarissen of griffiers der rechtscolleges aan de ambtenaar van de burgerlijke stand) is voorzien, behalve wat betreft rechterlijke uitspraken houdende echtscheiding of ontbinding na scheiding van tafel en bed; deze uitspraken dienen partijen zelf op grond van de artikelen 163 en 183 te doen inschrijven in het register van de burgerlijke stand (artikel 20e tot en met 20g). 3. Hoofdregel is dat de latere vermelding van feiten die betrekking hebben op de persoon zelf en zijn afstamming, alleen aan de geboorteakte worden toegevoegd en dat feiten die betrekking hebben op de huwelijkssituatie, alleen in aanmerking komen voor een latere vermelding bij de huwelijksakte (artikel 20a leden 1 en 2). Voor bepaalde doeleinden zal men dus een afschrift of uittreksel van zowel de geboorteakte als de huwelijksakte nodig hebben. Dit systeem is meer in overeenstemming met de huidige inzichten omtrent de bescherming van het privéleven. Bovendien wordt meer recht gedaan aan de specifieke bewijs- functie van de onderscheiden akten. 4. Als uitzondering op deze hoofdregel geldt de latere vermelding van de verandering van de geslachtsnaam van vreemdelingen in verband met huwelijk of echtscheiding (artikel 20a lid 3). De bij het huwelijk verkregen geslachtsnaam wordt in de huwelijksakte zelf vermeld. Voor zover het vreemde recht de verkrij- ging van een huwelijksnaam na het huwelijk mogelijk maakt, zal de verkregen naam in een latere vermelding aan de huwelijksakte worden toegevoegd. Ditzelfde geldt voor de eventueel bij de echt- 2024 -121- No. 164 scheiding intredende naamsverandering. In verband met artikel 6 (dwingend bewijs door geboorteakte) is de toevoeging van een latere vermelding van de bedoelde naamsveranderingen aan de geboorteakte van betrokkene eveneens wenselijk. Daar het veelal in het buitenland geboren personen betreft, zal deze latere vermelding veelal achterwege blijven, tenzij betrokkene op de voet van artikel 25 lid 2 om inschrijving van zijn buitenlandse geboorteakte in het register te Paramaribo heeft verzocht. De latere vermelding moet voorts worden toegevoegd aan de geboorteakte van kinderen van de betrokkene voor zover hun naam eveneens is veranderd. 5. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een latere vermelding van een erkenning of ontkenning met gelijktijdige erkenning toevoegt aan de geboorteakte, zendt een afschrift aan onder meer de personen op wie de akte betrekking heeft (artikel 20f). Deze toezending is mede bedoeld om de moeder die niet haar toestemming mocht hebben gegeven (men denke aan het geval dat een vals stuk is aangeboden) in de gelegenheid te stellen zich terstond op de nietigheid van de erkenning te beroepen. Het stuk waaruit de toestemming blijkt, wordt na een zekere in het Staatsbesluit burgerlijke stand bepaalde termijn (achttien maanden) vernietigd (zie hiervóór afdeling 2, onder 3). Ook de - door partijen medeondertekende - akte van erkenning wordt achttien maanden bewaard (vgl. artikel 20f, slot). Daarna komt het aan op de - uit- sluitend door de ambtenaar ondertekende - latere vermelding. 6. De ambtenaar die een latere vermelding aan een geboorteakte van een minderjarige toevoegt waaruit blijkt dat deze is erkend, dat het vaderschap van de minderjarige gerechtelijk is vastgesteld of dat een naam is gewijzigd, geeft hiervan kennis aan de bewaarder van het gezagsregister (artikel 20g). Afdeling 6 (Akten van inschrijving van bepaalde rechterlijke uitspraken) Deze afdeling kwam reeds - in verband met artikel 17 lid 2 - ter sprake bij afdeling 2. Uitgangspunt is dat het overbodig is om van rechterlijke uitspraken, die zelf reeds in een authentiek geschrift zijn neergelegd, nog eens afzonderlijke akten van inschrijving op te maken. Een latere vermelding toegevoegd aan de geboorte- of huwelijksakte is immers voldoende. Voor in Suriname uitgesproken echtscheidingen (enz.) tussen personen wier huwelijk indertijd elders was gesloten - zodat een huwelijksakte in Suriname ontbreekt - moet echter een uitzondering worden gemaakt. Afdeling 7 (De bewijskracht van akten van de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels) 1. In deze afdeling is de bewijskracht van de akte van geboorte en die van de akte van overlijden geregeld overeenkomstig wat voor het huidige recht geldt. Geboorte- en overlijdensakten bewijzen niet slechts dat door de aangever de verklaring is gedaan, maar ook de inhoud van die verklaring, te weten dat een kind is geboren of een persoon overleden (artikel 22, leden 1 en 2). Voor het overige hebben akten van de burgerlijke stand dezelfde bewijskracht als andere authentieke akten (artikel 22 lid 3), dat wil zeggen zij leveren volledig bewijs op omtrent hetgeen de ambtenaar van de burgerlijke stand daarin heeft opgenomen over wat ten overstaan van hem is verklaard of door hem zelf is waargenomen of verricht. 2. De latere vermeldingen (artikel 20) moeten worden geacht deel te gaan uitmaken van de inhoud van de akten en dezelfde bewijskracht te hebben als de akten zelf. Authentieke afschriften of uittreksels (artikel 23b) hebben ingevolge artikel 22a dezelfde bewijskracht als het origineel. Afdeling 8 (De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand) 1. Aan de openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand zijn ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer enige beperkingen gesteld. Eenieder heeft de bevoegdheid zich een uittreksel van geboorte-, huwelijks- of overlijdensakte te doen afgeven. Uit dit uittreksel blijkt echter de afstamming van de betrokken persoon of personen niet (artikel 23b lid 1). 2024 -122- No. 164 2. Een volledig afschrift verkrijgt slechts een persoon die kan aantonen daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben (artikel 23b lid 2). Hiertoe wordt in het bijzonder gerekend degene op wie de akte betrekking heeft. Voorts behoren hiertoe een gemachtigde van betrokkene, zijn bloedverwanten in de opgaande en nederdalende lijn, zijn erfgenamen, zijn echtgenoot en zijn wettelijke vertegenwoordiger. Daarnaast kan worden gedacht aan personen die in het kader van een gerechtelijke procedure, bijvoorbeeld een adoptie, of in verband met een huwelijkssluiting een volledig afschrift van een geboorteakte nodig hebben. De be- scherming van de persoonlijke levenssfeer brengt mee dat de kring van belanghebbenden betrekkelijk eng moet worden getrokken. Voor oude akten die op deze privacybescherming niet zijn ingericht, zal een overgangsbepaling worden opgenomen. De ratio van de hier aan de orde zijnde beperking van de openbaarheid, namelijk de vertrouwelijkheid van afstammingsgegevens, maakt dat van andere akten dan die van geboorte, huwelijk en overlijden alsmede van erkenning, steeds een volledig afschrift zal kunnen worden gegeven. Van een aantal feiten wordt overigens geen akte van inschrijving meer opgemaakt, maar slechts een latere vermelding toegevoegd; men denke bijvoorbeeld aan adoptie. 3. Het verzoek om afgifte van een afschrift of uittreksel dient betrekking te hebben op een bepaalde persoon of bepaalde personen (artikel 23b lid 3 De bedoeling is hiermee uit te sluiten dat een ambtenaar van de burgerlijke stand op verzoek van dagbladen of bedrijven systematisch inlichtingen uit de geboorte- of overlijdensregisters verstrekt. 4. De beperkte betekenis die de ‘openbaarheid’ hier heeft, is aanvaardbaar doordat onder normale omstandigheden belanghebbende partijen volledig ermee bekend zijn dat een akte of latere vermelding is opgemaakt en met de inhoud daarvan. Deze bekendheid kan echter niet worden verondersteld indien ambtshalve tot de registratie van een rechtsfeit is overgegaan. Om daarin te voorzien is in een aantal gevallen voorgeschreven dat van een opgemaakte akte ambtshalve een uittreksel aan belanghebbende partijen wordt gezonden; men zie artikelen 19a lid 2, artikel 19g lid 3, artikel 20b lid 2, artikel 20f en artikel 25 lid 8. Afdeling 9 (De aanvulling van de registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten en latere vermeldingen) In artikel 24 is een algemene voorziening geregeld ter herstel van onvolkomenheden in de registers op last van de rechter. Voor de verbetering van kennelijke misslagen heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand toestemming van de officier van justitie nodig; kennelijke schrijf- of spelfouten kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zelf ambtshalve verbeteren (artikel 24a). De ambtenaar is niet bevoegd zelf kennelijke schrijf- of spelfouten ambtshalve te verbeteren, dit in afwijking van de Nederlandse regeling. Onder ‘kennelijk’ dient te worden verstaan: ‘rechtstreeks uit de stukken kenbaar’. Leiden de stukken die op het opmaken van de akte be- trekking hebben, niet aanstonds tot de gevolgtrekking dat van een misslag sprake is, maar berust die conclusie op bijvoorbeeld een nadere verklaring van een van de partijen, dan behoort de verbeteringsprocedure via de rechter te worden gevolgd. Afdeling 10 (Inschrijving van buitenlandse akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een vervangende akte van geboorte) 1. Inschrijving van een buitenlandse geboorte-, huwelijks- of overlijdensakte is mogelijk te Paramaribo, indien deze akte betrekking heeft op een Surinamer die in Suriname woont of heeft gewoond (artikel 25 lid 1). Betreft de onderhavige inschrijving een buitenlandse huwelijksakte en is een der echtgenoten een vreemdeling, dan laat de ambtenaar te Paramaribo zich een verklaring van de minister als bedoeld in artikel 44 lid 1 onderdeel h, overleggen, tenzij de echtgenoten aannemelijk kunnen maken - met bewijsstukken (men denke onder meer aan een verklaring van woonplaats, kopie van een arbeidsovereenkomst) - dat zij beiden in het buitenland wonen (artikel 25 lid 4). Deze aanvulling is in verband met het verschijnsel van schijnhuwelijken aangebracht. De ambtenaar is bevoegd op grond van artikel 18b lid 2, om inschrijving te weigeren indien hij van oordeel is dat de openbare orde zich daartegen verzet. 2024 -123- No. 164 2. Ten aanzien van een vreemdeling is de inschrijvingsmogelijkheid beperkter: alleen inschrijving van een geboorteakte is mogelijk en bovendien onder de voorwaarde dat daaraan een latere vermelding moet worden toegevoegd (artikel 25 lid 2). Indien een buitenlandse geboorteakte ontbreekt, dan kan de kantonrechter te Paramaribo eventueel de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen (artikel 25c). Ook een buitenlandse vervangende geboorteakte of een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarin de voor het opstellen van een geboorteakte noodzakelijke gegevens zijn vastgesteld, kan worden ingeschreven (artikel 25g). 3. Met betrekking tot het hiervóór reeds enige malen vermelde verschijnselen van schijnerkenning en schijn- huwelijk, lijkt het dienstig een samenvatting te geven van de mogelijkheden die het nieuwe Boek 1 BW - dus afgezien van de nationaliteit- en vreemdelingenwetgeving - biedt ter bestrijding. Schijnerkenning 1. Hierbij kunnen zich twee situaties voordoen. In het eerste geval heeft de schijnerkenning in het buitenland plaatsgevonden. Betreft het een erkenning van een buitenlands kind door een Surinaamse man, dan zal de ambtenaar van de burgerlijke stand de inschrijving van de buitenlandse geboorteakte waarop de erkenning is aangetekend, kunnen weigeren wegens strijd met de openbare orde (artikel 18b lid 2). Van de weigering krijgt de Minister belast met de zorg voor de toelating, vestiging en de uitzetting van vreemdelingen bericht (artikel 18b lid 3, slot). Het kind wordt dan geacht niet rechtsgeldig te zijn erkend en niet de Surinaamse nationaliteit te hebben verkregen, zodat het niet behoort tot een van de in artikel 25 genoemde categorieën personen, wier geboorteakte voor inschrijving in aanmerking komen; evenmin heeft het recht op toelating. Tegen de weigering om van de buitenlandse geboorteakte een akte van inschrijving op te maken, kan overigens op grond van artikel 27 worden opgekomen. Is de geboorteakte reeds ingeschreven, dan kan de ambtenaar van de burgerlijke stand of het Openbaar Ministerie zich ingevolge artikel 26 tot de rechter wenden en verlangen dat omtrent de rechtsgeldigheid van de buitenlandse kantmelding in Suriname een declaratoir wordt gegeven. Stelt de rechter vast dat de buitenlandse erkenning een schijnerkenning is, dan kan dit, op verzoek van het Openbaar Ministerie, leiden tot een rechterlijke last tot doorhaling van de akte van inschrijving (artikel 24). 2. De tweede situatie is dat in Suriname een erkenning plaatsvindt van een buitenlands kind. In deze situatie zal, wanneer de erkenningsakte eenmaal is opgemaakt, inschrijving van de buitenlandse geboorteakte moeten plaats vinden, omdat op grond van artikel 20 van de erkenning een latere vermelding moeten worden toegevoegd, maar het basisdocument daarvoor in de Surinaamse registers ontbreekt (artikel 25 lid 2). In dit geval kan, wanneer het om een schijnerkenning blijkt te gaan, het Openbaar Ministerie een verzoek tot vernietiging van de erkenning instellen (artikel 225 lid 2, onderdeel d). De vernietiging zal, op verzoek van het Openbaar Ministerie, kunnen leiden tot een rechterlijke last tot doorhaling van de akte van inschrijving van de geboorteakte (artikel 24). 3. Hiernaast is er nog artikel 204 lid 1 onder e dat nietig verklaart een erkenning gedaan na het verstrijken van de wettelijke termijn van aangifte van de geboorte van het kind, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan. Het spreekt van zelf dat in geval van een ‘schijnerkenning’ niet aan deze eisen wordt voldaan. 4. Zie tenslotte nog de nieuwe regeling van familierechtelijke handelingsonbekwaamheid bij curatele (artikel 382), in deze Memorie van Toelichting besproken onder Algemeen (ad k). 2024 -124- No. 164 Schijnhuwelijk 1. Met betrekking tot het verschijnsel schijnhuwelijk doen zich twee vergelijkbare gevallen voor. In het eerste is een Surinamer in het buitenland gehuwd met een vreemdeling. Het verzoek om inschrijving van de buitenlandse huwelijksakte kan door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo - aan wie een verklaring omtrent de verblijfstitel moet zijn afgegeven (artikel 25 lid 4) geweigerd worden wegens strijd met de openbare orde (artikel 18b lid 2); de Minister belast met de zorg voor de toelating, vestiging en de uitzetting van vreemdelingen krijgt van de weigering bericht (artikel 18b lid 3, slot). Is de buitenlandse huwelijksakte reeds ingeschreven, dan kan de ambtenaar van de burgerlijke stand of het Openbaar Ministe- rie zich ingevolge artikel 26 tot de rechter wenden en verlangen dat omtrent de rechtsgeldigheid van de buitenlandse huwelijksakte in Suriname een declaratoir wordt gegeven. Stelt de rechter vast dat het buitenlandse huwelijk een schijnhuwelijk is, dan kan dit leiden, op verzoek van het Openbaar Ministerie, tot een rechterlijke last tot doorhaling van de akte van inschrijving (artikel 24). 2. In het tweede geval wenst een Surinamer in Suriname met een vreemdeling te huwen. De ambtenaar van de burgerlijke stand - die ook in dit geval beschikt over een verklaring van de Minister (artikel 44 lid 1 onderdeel h) - kan op grond van artikel 18b lid 2 weigeren een akte van huwelijksaangifte als bedoeld in artikel 43 lid 4, op te maken. Wordt de akte wel opgemaakt, dan kan het Openbaar Ministerie het schijnhuwelijk stuiten (artikel 53 lid 3). Is het huwelijk al in Suriname gesloten, dan kan het Openbaar Ministerie vorderen dat het huwelijk wordt nietig verklaard (artikel 71a). Hiervan wordt een latere vermelding toegevoegd aan de huwelijksakte (artikel 20a in verbinding met 20 lid 1 onderdeel b). 3. Ook hier zij nog gewezen op de nieuwe regeling van familierechtelijke handelingsonbekwaamheid bij curatele (artikel 382), in deze Memorie van Toelichting besproken onder Algemeen (ad k). 4. Het gaat hier overigens telkens om een bepaalde vorm van schijnhuwelijk, waarvan in de artikelen 50, 53 lid 3 en 71a een omschrijving wordt gegeven. De achterliggende bedoeling van het huwelijk moet zijn toelating in Suriname te verkrijgen. Onder het begrip ‘toelating’ wordt verstaan: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf in Suriname. Wat betreft de ‘door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten’ zijn van bijzondere betekenis de bepaling dat echtgenoten elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn (artikel 81), jegens elkaar tot samenwoning verplicht zijn (artikel 83) en tot bijdrage in de kosten van de huishouding (artikelen 84 tot en met 86). 5. Doorgaans zal het bestaan van een schijnhuwelijk slechts kunnen worden aangenomen op basis van een combinatie van factoren. Afgezien van de verblijfsrechtelijke status van de partner die toegang wenst, kunnen indicaties zijn: - dat de partners elkaar niet lijken te kennen, maar zich van een tolk of bemiddelaar bedienen; - dat de verblijfsgerechtigde partner al verscheidene malen voor korte tijd met een niet-verblijfs- gerechtigde persoon gehuwd is geweest; - dat de beslissing om te trouwen met kennelijke haast is genomen; - dat de bedoeling om samen te wonen ontbreekt; - dat er een buitensporig leeftijdsverschil is; - dat men werkzaam is in de prostitutie; - dat betrokkene reeds eerder getracht heeft een schijnhuwelijk aan te gaan; - dat vervalste bescheiden worden gebruikt of anderszins onjuiste gegevens worden verschaft, enz. 2024 -125- No. 164 Afdeling 11 (De verklaring voor recht omtrent de rechtsgeldigheid in Suriname van een buitenlandse akte of uitspraak) 1. Naast de in afdeling 9 geregelde voorziening tot herstel van onvolkomenheden, bestaat de mogelijkheid om met betrekking tot de geldigheid in Suriname van in het buitenland geregistreerde feiten betreffende de burgerlijke staat een verklaring voor recht te krijgen (artikel 26). Ook de ambtenaar van de burgerlijke stand kan om een dergelijk declaratoir verzoeken, bijvoorbeeld omtrent de vraag of sprake is van een schijnerkenning of schijnhuwelijk (zie bij afdeling 10, onder 4 en 6) dan wel of een in het buitenland verrichte erkenning of adoptie geldig is. 2. Artikel 26 lid 1 is op dezelfde wijze geformuleerd als de artikelen 25 en 20b. Het veronderstelt een overeenkomstige toetsing aan de grondslagen van het internationaal privaatrecht als die welke door de ambtenaar van de burgerlijke stand bij inschrijving van buitenlandse documenten en het aanbrengen van latere vermeldingen van buitenlandse feiten wordt verricht. 3. Is er met betrekking tot de verzoeker reeds een akte in de registers opgenomen, dan kan het declaratoir vergezeld gaan met een last tot toevoeging van een latere vermelding (artikel 26a). Ook is denkbaar dat de inschrijving van een buitenlandse akte wordt bevolen (artikel 26b). Dit kan echter niet altijd; men denke aan de buitenlandse huwelijksakte in geval van een conflict over de geldigheid van een tussen twee vreem- delingen aangegaan huwelijk. Voorts kan de rechter het opmaken van een vervangende geboorteakte als bedoeld in artikel 25c, gelasten, alsmede diverse verbeteringen (artikel 26b). Afdeling 12 (Voorziening tegen de weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere verrichting) 1. Voorts is er een algemene voorziening tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot het opmaken van een akte of tot een andere verrichting; de beroepstermijn is zes weken na verzending van het besluit (artikel 27). Voor de gronden waarop een besluit om een verrichting te weigeren, kan berusten, zie artikel 18b, leden 1 en 2, in verbinding met artikel 18 lid 2. De redenen voor de weigering dienen schriftelijk kenbaar te worden gemaakt (artikel 18b lid 3). 2. Uitgesloten is het geval van stuiting van een huwelijk, omdat daarvoor in titel 5 een voorziening is gegeven. Eveneens uitgesloten is de afgifte van afschriften en uittreksels. Hiermee zijn niet alleen de ambtenaren van de burgerlijke stand belast, maar ook de beheerders van de archiefbewaarplaats, bedoeld in artikel 17b. In verband met de te verwachten veelvuldige samenloop met het declaratoir over de geldigheid van een buitenlandse akte of uitspraak (afdeling 11), is de rechter de bevoegdheid gegeven ook ambtshalve een dergelijke verklaring af te geven en zo nodig de daarmee overeenstemmende last (artikel 27a). 3. In navolging van de Caribische BW’s is afdeling 13 van titel 4 (transseksualiteit) niet overgenomen. De rechter kan eventueel in voorkomende gevallen rechtstreekse toepassing geven aan de Grondwetsbepaling (artikel 17 GW jo artikel 137 GW) en verdragsbepalingen (artikel 17 lid 1 IVBPR en artikel 11 lid 2 AVRM) inzake het privéleven. TITEL 5 (HET HUWELIJK) Het ontwerp voorziet niet in een geregistreerd partnerschap. Indien de wetgever voldoende redenen aanwezig acht deze rechtstfiguur te regelen (vgl. het arrest van de Grote Kamer van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 21 juli 2015, Appl. nos. 18766/11 and 36030/11, Oliari v. Italy) kan dat beter in een apart ontwerp, na de nodige consultaties, geschieden. In Aruba is dit gebeurd (artikel 1:80a e.v. BWA ingevoegd bij landsverordening van 23 september 2016, Afkondigingsblad van Aruba 2016 no. 51), in Curaçao en Sint- Maarten niet. De BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) kennen (nog) niet het geregistreerd partnerschap maar wel het huwelijk van personen van gelijk geslacht (artikel 1:30 lid 1 BW BES). 2024 -126- No. 164 Afdeling 1 (vereisten tot het aangaan van een huwelijk) 1. Wat betreft de regeling van de huwbare leeftijd, zie reeds het Algemeen deel van deze memorie van toe- lichting (ad c). Thans is de huwbare leeftijd voor mannen zeventien en voor vrouwen vijftien jaar (artikel 82 van het huidige BW). In dit ontwerp wordt deze zowel voor mannen als vrouwen gesteld op achttien jaar, overeenstemmende met de meerderjarigheidsgrens (artikel 31 lid 1). Dit isin overeenstemmingn met de hierna bij artikel 31a te noemen Vrouwenverdrag (artikel 16 lid 1 onderdeel a: ‘The same right to enter into marriage’; en lid 2: ‘The (...) marriage of a child shall have no legal effect’). Doordat de meerderjarigheidsgrens in dit ontwerp eveneens op de achttienjarige leeftijd wordt gesteld, is nimmer ouderlijke toestemming voor een huwelijk nodig. Ook de bepaling dat huwelijk tot meerderjarigheid leidt – met de gevolgen van dien (niet langer onder ouderlijk gezag, niet langer onderworpen aan eventuele kinderbeschermingsmaatregelen) – kan vervallen. 2. In artikel 31a is een bepaling overgenomen uit het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979 (Vrouwenverdrag), waarbij Suriname is aangesloten (Verdragenblad van de Republiek Suriname, 1999, no. 2). Het gaat hier om artikel 16 lid 1, aanhef en onderdeel b, luidende: ‘States Parties shall take all appropriate measures to eliminate discrimination against women in all matters relating to marriage and family relations and in particular shall ensure, on a basis of equality of men and women: (...) b. The same right freely to choose a spouse and to enter into marriage only with their free and full consent (...)’. Met dit artikel 31a hangen samen artikel 53 (verruimde stuitingsmogelijkheid door het Openbaar Ministerie) en artikel 71 (verruimde mogelijkheid tot nietigverklaring). 3. Het aantal ‘verboden graden’ is verminderd (artikel 41 lid 1): niet langer zijn huwelijken tussen (oud)oom en (achter)nicht, (oud)tante en (achter)neef, en tussen aanverwanten afhankelijk van door de President te verlenen dispensatie (artikel 84 van het huidige BW). Van het verbod van een huwelijk tussen adoptief broer en zus kan de Minister van Justitie dispensatie geven (artikel 41 lid 2). 4. Het wachtjaar van de vrouw na ontbinding van het huwelijk (artikel 87 van het huidige BW) is vervallen in verband met het nieuwe systeem van vaderschap, neergelegd in artikel 199, onderdelen a en b. Afdeling 2 (Formaliteiten die aan de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan) 1. De huwelijksafkondiging is afgeschaft. Het instituut heeft in de loop der tijd zijn betekenis verloren. Het doel om enerzijds derden in staat te stellen kennis te nemen van het voorgenomen huwelijk en huwelijks- beletselen te signaleren en anderzijds de ambtenaar van de burgerlijke stand gelegenheid te geven om de huwelijksbevoegdheid van de aanstaande echtelieden te beoordelen en kennis te nemen van eventuele huwelijksbeletselen, kan ook op andere - minder arbeidsintensieve en kostbare - wijze worden bereikt. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan aan de hand van de gegevens van de bevolkingsboekhouding beoordelen of de aanstaande echtelieden bevoegd zijn een huwelijk met elkaar aan te gaan. Voorts zullen zij die tot stuiting van het huwelijk bevoegd zijn en belang hebben bij het signaleren van eventuele huwelijksbeletselen, doorgaans langs een andere weg dan de huwelijksafkondiging kennisnemen van het voorgenomen huwelijk. Daarnaast kan als bezwaar tegen de huwelijksafkondiging worden aangevoerd dat het geschrift van huwelijksafkondiging zeer persoonlijke gegevens van de aanstaande echtelieden bevat, hetgeen door de aanplakking van het geschrift kan leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. 2. De wettelijk vereiste stukken moeten voortaan reeds bij de huwelijksaangifte aan de ambtenaar ter beschikking worden gesteld, in plaats van daarna. Dit strookt meer met de huidige inzichten omtrent de onderzoeksplicht van de ambtenaar van de burgerlijke stand. De vereiste bescheiden zijn voorts uitgebreid: men zie artikel 44 lid 1, onderdelen a tot en met h. Ten einde de ambtenaar van de burgerlijke stand voldoende tijd te geven voor het onderzoeken van de huwelijksbevoegdheid, is de wachttijd tussen aangifte en huwelijk verlengd tot minimaal veertien dagen (artikel 62). 2024 -127- No. 164 3. Ook als de aanstaande echtgenoten niet in Suriname wonen, is een huwelijk mogelijk. Aan deze mogelijkheid kan behoefte bestaan (men kan onder meer denken aan ‘honeymoon-toerisme’). Uiteraard is dan geen uittreksel uit het bevolkingsregister nodig (artikel 44 lid 1 onderdeel a, slot). 4. Het huwelijk kan worden gesloten op een andere plaats in Suriname dan waar partijen wonen. Men denke bijvoorbeeld aan de plaats waar de ouders van een van hen gevestigd zijn. Aangifte moet in dat geval worden gedaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de voltrekking zal plaats vinden (artikel 43 lid 1 en artikel 63). 5. In verband met het verschijnsel schijnhuwelijk - waarbij het oogmerk bestaat in Suriname toegang te krijgen - is in artikel 44 lid 1 onderdeel h, een preventieve voorziening getroffen. Zie voorts hiervóór bij titel 4, afdeling 10. Voordat de ambtenaar van de burgerlijke stand kan overgaan tot het opmaken van een akte van aangifte, moet hij beschikken over een verklaring van de Minister belast met de zorg voor de toelating, vestiging en de uitzetting van vreemdelingen omtrent de verblijfsrechtelijke status van een niet- Surinaamse aanstaande echtgenoot. De verklaring wordt op verzoek van een echtgenoot opgesteld, maar rechtstreeks verzonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ontbreekt de verklaring, dan weigert de ambtenaar de akte van huwelijksaangifte op te maken (artikel 18b lid 1). De verklaring is bedoeld het de ambtenaar beter mogelijk te maken om te beoordelen of sprake is van strijd met de openbare orde, in dit verband toegespitst op de vraag of sprake is van een schijnhuwelijk (artikel 18b lid 2). De Minister moet de verklaring af te geven, óók indien hij het vermoeden heeft dat van een voorgenomen schijnhuwelijk sprake is. Zijn beide aanstaande echtgenoten vreemdeling, dan zullen twee verklaringen moeten worden afgegeve- n. Geen verklaring is nodig indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen maken - bijvoorbeeld met een verklaring van woonplaats van de Surinaamse vertegenwoordiger ter plaatse, een verblijfsdocu- ment of een arbeidsovereenkomst - dat zij beiden in Suriname geen woonplaats hebben. De verklaring heeft een geldigheidsduur van zes maanden (artikel 58). 6. In artikel 44a wordt de mogelijkheid geboden bij de aangifte te kennen te geven dat het huwelijk volgens de rituelen behorende bij een bepaalde godsdienstige, traditionele of culturele plechtigheid zal worden voltrokken. Zie verder artikel 68. 7. Als een ouder die het gezag heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, wil hertrouwen, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de rechter daarvan in kennis (artikel 48). Deze moet dan beslissen of de her- trouwende ouder een beschrijving van het vermogen van de kinderen dient op te maken (artikel 355 lid 1). Afdeling 3 (Stuiting van het huwelijk) Nieuw is de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie om een schijnhuwelijk te stuiten (artikel 53 lid 3), indien - ondanks artikel 44 lid 1 onderdeel h - een akte van huwelijksaangifte is opgemaakt. Het gaat hier om een schijnhuwelijk in de beperkte zin, zijnde een huwelijk waarbij het motief was de niet-verblijfsgerechtigde aanstaande echtgenoot een verblijfsrecht te verschaffen; zie verder bij titel 4, afdeling 10 (inschrijving buitenlandse huwelijksakte), en bij de onderhavige titel, afdeling 2 (huwelijksaangifte) en afdeling 5 (nietigverklaring huwelijk). Ook kan het Openbaar Ministerie voortaan stuiten indien genoegzaam is gebleken dat sprake is van dreigende huwelijksdwang. Afdeling 4 (De voltrekking van het huwelijk ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand) 1. Deze afdeling brengt geen belangrijke wijzigingen. Duidelijk wordt tot uitdrukking gebracht dat het huwe- lijk wordt voltrokken door partijen zelf (ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand) en niet door de ambtenaar (artikel 63). 2. De artikelen 136 en 137 van het huidige BW zijn niet overgenomen. Artikel 136 is een in het BW verdwaalde regel van internationaal privaatrecht en artikel 137 is overbodig naast hetgeen in titel 4 (in het bijzonder artikel 25) is bepaald omtrent de inschrijving van buitenlandse huwelijksakten. Ook het huidige artikel 130 is niet overgenomen. 2024 -128- No. 164 Afdeling 4A (De voltrekking van het huwelijk volgens de rituelen behorende bij een bepaalde godsdienstige, traditionele of culturele plechtigheid) 1. Zie ook artikel 44a ten aanzien van de aangifte. De regeling neergelegd in de huidige artikelen 134 tot en met 135l BW, zoals ingevoerd bij de wet Herziening Huwelijksrecht 1973 (GB 1973 no. 140) en in werking getreden op 23 juni 2003 (SB 2003, 44), blijkt in de praktijk als ingewikkeld en omslachtig te worden ervaren. Besloten is daarom aan te sluiten bij het ontwerp-Wet Godsdienstige Huwelijksvoltrekking, zoals voorbereid in de jaren 1988 en 1989. Hiermee wordt een sterke vereenvoudiging aangebracht. 2. Bij de voltrekking van het huwelijk volgens de rituelen behorende bij een bepaalde godsdienstige, traditionele of culturele plechtigheid zal een ambtenaar van de burgerlijke stand aanwezig zijn, die na afloop van de plechtigheden een huwelijksakte opmaakt. De ‘huwelijksambtenaar’ verdwijnt dus, maar de huidige huwelijksambtenaren kunnen worden benoemd tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand als bedoeld in artikel 16 lid 2 en artikel 16a lid 2. De buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand – die slechts met de huwelijksvoltrekking bemoeienis mag hebben – geldt als ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 16 lid 2, het begin van de eerste volzin). 3. In het Besluit burgerlijke stand zullen nadere regels worden gegeven ten aanzien van de huwelijksakte. Afdeling 5 (Nietigverklaring van een huwelijk) 1. In verband met de rechtszekerheid geldt dat geen voltrokken huwelijk van rechtswege nietig is. Hier geldt slechts vernietigbaarheid, waarbij een rechterlijke beslissing vereist is om een met de wet strijdig huwelijk nietig te verklaren. Een dergelijke beslissing mag alleen worden gegeven in de bij de wet aangewezen gevallen en op verzoek van de daartoe bevoegd verklaarde persoon of het Openbaar Ministerie (vgl. artikel 76). Onder een voltrokken huwelijk wordt verstaan dat wat aan de vormelijke vereisten door de wet aan een huwelijksvoltrekking gesteld voldoet, dat wil zeggen een uitwisseling van verklaringen tussen man en vrouw ten overstaan of in tegenwoordigheid van een ambtenaar van de burgerlijke stand, inhoudende dat zij elkaar over en weer tot vrouw en man aannemen. Wat betreft huwelijksdwang (zie artikel 31a) is het Openbaar Ministerie, naast de echtgenoot, bevoegd nietigverklaring te initiëren (artikel 71 lid 1, tweede zin). 2. De ‘overige personen’ die bij nietigverklaring een onmiddellijk rechtsbelang hebben kunnen dit slechts verzoeken na ontbinding van het huwelijk (artikel 69 lid 1, onderdeel c). Het is onwenselijk dat derden zich mengen in een nog bestaand huwelijk. Kinderen der echtgenoten en broers en zusters vallen mede onder deze categorie. 3. Indien een huwelijk door een curandus is gesloten zonder toestemming van de rechter (zie artikel 382), kan ook de curator nietigverklaring verzoeken (artikel 75), met een vervaltermijn van drie maanden. Hier geldt dus een afwijking van het algemene artikel 3:52 lid 1 onderdeel a, waarin een verjaringstermijn van drie jaar wordt gegeven. 4. Het Openbaar Ministerie kan de nietigverklaring van een (ondanks artikel 44 lid 1 onderdeel h, en artikel 53 lid 3, tot stand gekomen) schijnhuwelijk vorderen (artikel 71a). Het gaat hier om een schijnhuwelijk in de beperkte zin, zijnde een huwelijk waarbij het motief was de niet-verblijfsgerechtigde aanstaande echtge- noot een verblijfsrecht te verschaffen; zie bij titel 4, afdeling 10, onder 6 tot en met 8 (inschrijving buitenlandse huwelijksakte) en bij de onderhavige titel afdeling 2, onder 5 (huwelijksaangifte) en afdeling 3 (stuiting). Anders dan is bepaald in artikel 69 lid 1 onderdeel d, kan het verzoek ook nog worden ingesteld nadat het huwelijk is ontbonden. 2024 -129- No. 164 5. In afwijking van wat in Nederland geldt, heeft de nietigverklaring van een schijnhuwelijk ook gevolgen voor de kinderen. Dit betekent dat indien een schijnhuwelijk gepaard is gegaan met een schijnerkenning van een of meer kinderen, het Openbaar Ministerie vervolgens op grond van artikel 225 lid 2, aanhef en onderdeel d, vernietiging van die erkenning kan vorderen. Daarmee vervalt de door die erkenning verkregen nationaliteit. Afdeling 6 (Bewijs van het bestaan van het huwelijk) Deze afdeling bevat geen wijzigingen ten opzichte van de geldende wet. TITEL 6 (RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN ECHTGENOTEN) 1. De inhoud van deze en de twee volgende titels - voornamelijk omvattende het huwelijksvermogensrecht – is reeds herzien bij het Decreet C-11 van 11-3-1981, betreffende opheffing van de handelingsonbe- kwaamheid van de gehuwde vrouw en aanpassing van het huwelijksvermogensrecht; men zie C.A. Kraan, Hoofdlijnen van het Surinaamse huwelijksvermogensrecht, Ars Notariatus LXVI, 1994. De thans aangebrachte wijzigingen brengen deels technische vereenvoudiging, deels gaan zij verder, vooral wat betreft de gemeenschap van goederen. Voor de Nederlandse wetsgeschiedenis ter zake van de technische vereenvoudiging, zie: C.J. van Zeben (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6, Aanpassing Burgerlijk Wetboek (1991), p. 1-108 en L.C.A. Verstappen en S.F.M. Wortmann, Parlementaire geschiedenis moderniseringswetgeving huwelijksvermogensrecht, Eerste en tweede tranche, 2003. Voor de meer ingrijpende aanpassingen, zie het aanhangige Nederlandse wetsvoorstel-Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (Kamerstukken 28 867). 2. Artikel 81, tweede zin, geeft de basis voor de verplichting van een echtgenoot om de andere echtgenoot te onderhouden, waarop altijd – als vangnet – kan worden teruggevallen. Een uitwerking wordt gegeven in artikel 84, dat daarom niet uitputtend hoeft te zijn. Zo geldt artikel 84 niet – maar artikel 81, tweede zin, als vangnet wel – in de situatie dat de echtgenoten niet samenwonen anders dan ingevolge onderling overleg. Wonen zij niet samen in onderling overleg, dan is artikel 84 wel van toepassing (HR 25-6-1971, NJ 1972, 58). 3. Artikel 82 betreft slechts de verplichting die de ouders tegenover elkaar op zich nemen. De verplichting van de ouders tegenover de kinderen wordt elders geregeld; men zie artikel 247 lid 2 en de artikelen 392, 395 en 404. Wel kan men zeggen dat de in artikel 406 lid 1 geboden mogelijkheid aan een ouder om de andere ouder ter zake van kinderalimentatie aan te spreken uit eigen hoofde – dus niet als vertegenwoordiger van het kind – strookt met artikel 82. Het gaat om tot het gezin behorende kinderen van beide echtgenoten, hun stiefkinderen en hun pleegkinderen. Het begrip ‘tot het gezin behorende’ moet, evenals in artikel 395, ruim worden uitgelegd; indien het kind elders, bijv. in een kostschool, wordt opgevoed of indien het buitenshuis studeert, behoort het tot het gezin. Ook indien echtgenoten in onderling overleg gescheiden wonen, behoren hun kinderen ‘tot het gezin’. 4. De inlichtingenplicht die is opgenomen in artikel 174 van het huidig BW, is overgebracht naar artikel 83. Dat het wederzijdse recht op informatie in titel 6 (Rechten en verplichtingen van echtgenoten) staat, dient een correcte uitvoeren van de regeling van draag- en fourneerplicht ter zake van de kosten van de huishouding (artikel 84 lid 1), ook bij een ‘koude uitsluiting’. Voor de uitvoering van de meeste huwelijksgoederenstelsels zal het voorts van groot belang zijn te kunnen beschikken over de financiële gegevens der echtelieden. Zie overigens voor verrekenbedingen het voorgestelde artikel 138 lid 2 en artikel 143. Maar ook het vaststellen van de omvang en samenstelling van een door het indienen van een verzoek tot echtscheiding (zie artikel 99) ontbonden gemeenschap van goederen, kan het van belang zijn om inzage te hebben in het privé-vermogen van de echtelieden. Indien bijvoorbeeld een privé-goed deels met gemeenschapsgeld werd aangeschaft, zal ingevolge artikel 95 lid 1 jo artikel 87, leden 2-3 een plicht tot vergoeding aan de gemeenschap ontstaan (récompense), waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde van het goed. Voor al deze regelingen geldt dat zij staan of vallen met het hebben van een 2024 -130- No. 164 afdwingbaar recht op informatie over het gevoerde bestuur, de stand van het (gemeenschappelijke) vermogen en van het vermogen van de andere echtgenoot. Tegen niet zinvolle informatieverschaffing zal een echtgenoot zich steeds kunnen verzetten. In de periode tussen ontbinding van de huwelijksgemeenschap (zie artikel 99) en de scheiding blijft artikel 83 van toepassing, daarna niet meer. Na de scheiding vloeit een informatieplicht echter voort uit artikel 3:166 lid 3 jo artikel 6:2; vgl. ook artikel 3:194. 5. Met het voorgestelde artikel 83 wordt niet beoogd een algemene verplichting in te voeren rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur ter zake van tot de gemeenschap van goederen behorende vermogensbestanddelen. Deze verplichting bestaat alleen in de door de wet aangegeven gevallen, bijvoorbeeld wanneer de ene echtgenoot het bestuur overlaat aan de andere echtgenoot (artikel 90 lid 3). 6. Artikel 84 kwam reeds aan de orde bij het vangnetartikel 81. Ten opzichte van artikel 159 van het huidig BW zijn enkele vereenvoudigingen aangebracht. Zo is voor afwijking van de in de eerste twee leden gegeven regeling van draagplicht en fourneerplicht een schriftelijke overeenkomst voldoende (in plaats van een voorziening in de huwelijkse voorwaarden). Lid 6, dat nog uitgaat van een schuldbeginsel is geschrapt. In het onderhavige ontwerp is het schuldbeginsel over de gehele linie in het huwelijks- en echtscheidingsrecht komen te vervallen. 7. In artikel 85 is van artikel 160 van het huidige BW alleen lid 1 gehandhaafd. De fourneerplicht van de leden 2 en 3 is ondergebracht in het nieuwe artikel 84 lid 2. Het onderscheid in het bestaande BW tussen ‘kosten van de huishouding’ (huidige artikel 159 lid 1, BW) en kosten verband houdende met ‘de gewone gang van de huishouding’ (huidige artikel 160 lid 2, BW) is als zijnde kunstmatig en van onvoldoende praktische betekenis vervallen. 8. Behalve voor de vergoedingsrechten en vergoedingsplichten tussen een echtgenoot in privé en de gemeenschap (artikelen 95 en 96: récompenses en reprises), wordt ook voor de vergoedingsrechten en vergoedingsplichten tussen beide echtgenoten in privé een bijzondere bepaling voorgesteld en wel in artikel 87. Al de vergoedingsrechten hebben de strekking om handelingen met een zeker beleggingskarakter, wanneer zij plaatsvinden in het ene vermogen maar mede bekostigd worden uit een ander vermogen, economisch ook te laten doorwerken naar dat andere vermogen. Naar geldend recht is de vergoedingsvordering – naar de hoofdregel van het vermogensrecht – in beginsel een nominale vordering waarover geen rente verschuldigd is, tenzij op grond van een overeenkomst of uit de wet anders voortvloeit en behoudens de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (HR 12-6- 1987, NJ 1988, 150, Kriek/Smit). In artikel 87 wordt hiermee gebroken. De ‘nominalistische visie’ wordt vervangen door een ‘beleggingsvisie’, welke wat betreft verrekenbedingen is neergelegd in artikel 136 lid 1. Met artikel 87 lid 2 onder a wordt beoogd om de hoogte van de vergoedingsvordering te koppelen aan de waarde van het daarmee aangeschafte goed: de vergoeding beloopt dan een deel van de waarde van het goed op het tijdstip van voldoening, evenredig aan het aandeel, afkomstig uit het vermogen van de andere echtgenoot, in de tegenprestatie waarvoor het goed is verkregen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat de tot de vergoedingsvordering gerechtigde echtgenoot economisch – zowel in positieve als in negatieve zin (aangenomen dat deze met de aanwending heeft ingestemd) – participeert in de waardeontwikkeling van het aangeschafte goed. Indien bijvoorbeeld de andere echtgenoot 100 000 SRD ter beschikking stelt aan de ene echtgenoot die daarmee op eigen naam een woning aankoopt voor een bedrag van 400 000 SRD, dan verkrijgt de andere echtgenoot ingevolge artikel 87 lid 2 onder a een vergoedingsrecht dat gelijk is aan een kwart van de waarde van de woning ten tijde van de voldoening van deze vordering. Indien na tien jaar door de ene echtgenoot tot voldoening wordt overgegaan en de woning is 1 000 000 SRD waard, dan heeft de andere echtgenoot dus recht op 250 000 SRD. Indien echter na twee jaar tot voldoening wordt overgegaan en de woning is maar 200 000 SRD waard, dan heeft de andere echtgenoot, aangenomen dat deze met de aanwending instemde (artikel 87 lid 3 onder a), recht op 50 000 SRD. 2024 -131- No. 164 9. Wanneer het niet gaat om de verkrijging van een goed, wordt de omvang van de vergoedingsvordering gerelateerd aan de waarde van het goed ten tijde van de voldoening van de schuld (artikel 87 lid 2 onder b). Stel dat door de andere echtgenoot een schuld ter zake van het goed van de ene echtgenoot, dat een waarde heeft van 0,5 miljoen SRD, wordt voldaan ter grootte van 100 000 SRD. Indien nadien tot voldoening van de vergoedingsvordering wordt overgegaan en het goed op dat tijdstip 1 miljoen SRD waard is, dan heeft de andere echtgenoot recht op 200 000 SRD. In de artikelen 95 en 96 wordt artikel 87 leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing verklaard. Vgl. ook, maar dan ten aanzien van artikel 136 ter zake van verrekenbedingen (waarvoor ook de beleggingsleer geldt), HR 10-7-2009, NJ 2009, 136. 10. Artikel 87 lid 2 is ten voordele van de echtgenoot wiens vermogen is aangewend van toepassing ongeacht of voor die aanwending toestemming was gegeven. Ten nadele kan lid 2 echter niet werken als de aanwending zonder toestemming geschiedde. Zijn de gelden namelijk zonder toestemming van de andere echtgenoot aangewend, dan heeft de vergoedingsvordering steeds ten minste het beloop van de nominale waarde ervan. De bewijslast dat toestemming is gegeven, zodat niet ten minste het nominale bedrag moet worden vergoed, rust in beginsel bij de echtgenoot die het vermogen van de andere echtgenoot heeft aangewend (artikel 87 lid 3 onder a). Het ter beschikking stellen van middelen waarvoor de andere echtgenoot een goed aanschaft, impliceert overigens dat artikel 90 lid 3 van toepassing wordt: het bestuur over die middelen wordt aan de andere echtgenoot overgelaten waardoor de bepalingen van opdracht van overeenkomstige toepassing worden, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der goederen. 11. Een tweede uitzondering op de beleggingsleer geldt ter zake van ‘verbruiksgoederen’ (artikel 87 lid 3 onder b). 12. In onderdeel c van artikel 87 lid 3 wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat een goed ter zake waarvan de andere echtgenoot aanspraak heeft op vergoeding, wordt vervreemd. Treedt daarvoor een ander goed in de plaats, dan zal de vergoedingsaanspraak afhankelijk zijn van de waardeontwikkeling van dat goed (tenzij het vervangende goed een verbruiksgoed is als bedoeld in onderdeel b). Wordt een goed te gelde gemaakt zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats treden, of wordt het goed weggeschonken, dan wordt ingevolge onderdeel c de vergoeding bepaald aan de hand van de waarde ten tijde van de vervreemding, in plaats van, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 87 lid 2, aanhef: ten tijde van afrekening. Zou men immers de hoofdregel volgen, dan zou de vergoedingsvordering in beginsel moeten vervallen omdat het goed niet meer in het betrokken vermogen aanwezig is, of op het nominale bedrag van de onttrekking moeten worden gesteld indien deze zonder toestemming was geschied (artikel 87 lid 3 onder a). 13. Uiteraard kunnen de vergoedingsrechten mede toepassing vinden bij levensverzekeringen waarin waarde wordt opgebouwd. Het speciale geval van een begunstiging bij sommenverzekering dient te worden gelijkgesteld met een vervreemding, omdat met het onherroepelijk worden van de begunstiging de verzekeringnemer niet langer de vrije beschikking heeft over de rechten uit de verzekering. Het ligt voor de hand voor de waarde aan te knopen bij de uitkering; vgl. ook artikel 96a en artikel 7:188 lid 2. In voorkomende gevallen zal hetzelfde gelden voor andere begunstigingen door middel van een derdenbeding (vgl. artikel 4:127). 14. Artikel 87 lid 3 onder d maakt door het van toepassing verklaren van de artikelen 137 en 140 (over verrekening krachtens een verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden) een aangepaste afwikkeling mogelijk. Er zijn omstandigheden denkbaar, waarin vergoeding niet in geld, maar in goederen van de vergoedingplichtige echtgenoot behoort plaats te vinden. Voorts moet de rechter, op verzoek van de vergoedingplichtige echtgenoot, wegens gewichtige redenen kunnen bepalen dat een verschuldigde geldsom, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de rechter op de belangen van beide partijen. 2024 -132- No. 164 15. Het gaat bij dit alles om regelend recht. Echtgenoten kunnen ingevolge artikel 87 lid 4 bij de verkrijging anders overeenkomen, maar bijvoorbeeld ook reeds bij huwelijkse voorwaarden. Aan een andersluidende overeenkomst zijn geen vormvoorschriften verbonden. Mogelijk is bijvoorbeeld dat de ene echtgenoot bij wege van lastgeving vermogen van de andere echtgenoot heeft belegd en uit dien hoofde een verdergaande verplichting heeft (vgl. HR 2-4-1976, NJ 1976, 450). 16. De tweede zin van lid 4 dient om buiten twijfel te stellen dat wanneer een vermogensverschuiving tussen echtgenoten geschiedt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis of daarvoor een andere rechtsgrond kan worden aangewezen, in zoverre geen vergoedingsrecht uit artikel 87 voortvloeit. 17. Lid 5 van artikel 87 geeft de mogelijkheid om vergoedingsvorderingen te schatten, indien hun omvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (vgl. artikel 6:97, tweede zin, voor de omvang van wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding). 18. In artikel 87a is de beleggingsleer ook toepasselijk verklaard op het geval dat buiten huwelijk is samengeleefd en een der partners goederen van de ander heeft gebruikt. Men denke aan een huis door een partner gekocht is deels met geld van de ander. De ander behoort te kunnen meeprofiteren van een waardestijging. Zie verder het Algemeen deel van deze Memorie van Toelichting onder concubinaat. 19. In het kader van de bescherming van de andere echtgenoot tegen hem of haar belastende rechts- handelingen, is het verwarrende onderscheid tussen medewerking en toestemming komen te vervallen. Thans is nog slechts sprake van een benodigde toestemming van de andere echtgenoot voor een viertal categorieën rechtshandelingen, waaronder de koop op afbetaling (artikel 88). De andere echtgenoot wordt door toestemming te geven niet zonder meer partij bij de rechthandeling. Sanctie van het handelen zonder de vereiste toestemming van de andere echtgenoot is vernietigbaarheid (artikel 89 lid 1), behoudens goede trouw van de wederpartij (artikel 89 lid 2). 20. Of in een bepaald geval een rechtshandeling strekt tot vervreemding enz. of tot beëindiging van het gebruik van de echtelijke woning (artikel 88 lid 1 onder a) moet per geval worden beoordeeld. Men lette echter op artikel 88 lid 2, dat bepaalt dat indien de rechtshandeling voortbouwt op een eerdere waarvoor geen toestemming vereist was, geen toestemming nodig is. Hetzelfde geldt indien de wet tot de rechtshandeling verplicht. 21. Onder aandrang vanuit het Surinaamse notariaat is in de tweede zinsnede van artikel 88 lid 1 onder a, een regel opgenomen die correspondeert met het huidige artikel 172 lid 3 (in de afdeling over het bestuur van de gemeenschap). Bij gemeenschap van goederen kan een echtgenoot niet buiten de andere echtgenoot om beschikken over registergoederen. Dogmatisch juister is om dit te regelen ten aanzien van de fase van de overeenkomst (vaak: verkoop). Wordt de eigenmachtig door de echtgenoot aangegane overeenkomst door de andere echtgenoot vernietigd, dan vervalt, in verband met het causale stelsel (artikel 3:84), ook de overdracht. 22. Voor giften is in beginsel toestemming nodig (artikel 88 lid 1 onder b, overeenstemmend met artikel 163 lid 1 onder b, van het huidige artikel 163 BW). Toegevoegd is een vierde lid ten aanzien van giften bij dode. Op de prestatie moet degene tot wiens verrijking de rechtshandeling strekt (na dode van de schenker-echtgenoot) wel al aanspraak kunnen maken, anders is van een gift geen sprake (artikel 7:186 lid 2 tweede volzin). Ook een legaat wordt niet door artikel 88 getroffen. Op het tijdstip van de gift kan veelal wel de strekking worden vastgesteld dat de gift pas zal worden uitgevoerd na het overlijden van de schenker-echtgenoot, doch is niet zeker of de gift ondanks die strekking niet toch voor het overlijden zal worden uitgevoerd. Wanneer de schenker-echtgenoot op dit punt zekerheid wenst dat nakoming tijdens leven niet op bezwaren van de zijde van zijn echtgenoot kan stuiten, zal hij kunnen overwegen toestemming van de echtgenoot te vragen. Doet hij dat niet en komt bij hem in een later stadium de wens op om de gift (vervroegd) uit te voeren, dan zal hij, ter voorkoming dat daardoor de schenking alsnog door de echtgenoot kan worden vernietigd, alsnog toestemming van de echtgenoot moeten vragen. Met andere woorden: artikel 88 lid 4 bewerkstelligt dat uitvoering bij leven van de schenker van een gift terzake des doods deze gift bij gebreke van toestemming van de echtgenoot alsnog vernietigbaar doet zijn. 2024 -133- No. 164 23. Voor de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering die tijdens het leven van de echtgenoot-verzekeringnemer niet is aanvaard en die evenmin kan worden aanvaard, is geen toestemming van de andere echtgenoot nodig. De aanwijzing is dan overigens ook geen gift, blijkens artikel 7:188 lid 1 (in het voetspoor van artikel 7:186 lid 2, tweede volzin. De betekenis van artikel 88 lid 4, tweede volzin, is dat, zodra tijdens het leven van de schenker-echtgenoot de aanwijzing van een begunstigde wel een gift wordt (door aanvaarding of de mogelijkheid daartoe), zij niet valt onder de uitzondering op het toestemmingsvereiste, vervat in de eerste volzin. Kan de aanwijzing tijdens het leven van de verzekeringnemer worden aanvaard, dan dient de echtgenoot van de verzekeringnemer de gift te kunnen vernietigen, omdat dan het vermogen van de verzekeringnemer nog tijdens zijn leven belast wordt met de premies of koopsom, zónder dat daartegenover de mogelijkheid staat om de met de verzekering gemoeide waarde, door wijziging van de begunstiging of door afkoop van de verzekering, te benutten. In de meeste gevallen zal een begunstiging uit sommenverzekering eerst kunnen worden aanvaard vanaf het tijdstip dat de begunstiging onherroepelijk is geworden. Dit doet zich voor indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde, indien een uitkering opeisbaar is geworden alsmede indien de verzekeringnemer is overleden en de overeenkomst dit gevolg daaraan verbindt (zie artikel 7:968 onder b, c, en d en artikel 7:969 lid 1). Buiten deze gevallen kan een begunstiging echter ook worden aanvaard wanneer de verzekeringnemer daartoe schriftelijk toestemming heeft verleend (artikel 7:969 lid 1 slot). In dat geval wordt de aanwijzing evenwel niet reeds door de verleende toestemming onherroepelijk, doch eerst vanaf het tijdstip dat de aanwijzing door de begunstigde daadwerkelijk is aanvaard (artikel 7:968 onder a). Voor dit geval van aanvaarding met toestemming van de verzekeringnemer behoeft derhalve het tijdstip van onherroepelijkheid niet samen te vallen met het tijdstip waarop de begunstiging kan worden aanvaard. Doorgaans zullen overigens de toestemming en de aanvaarding tegelijkertijd aan de verzekeraar worden meegedeeld, zodat beide tijdstippen wel samenvallen. Niettemin wordt ook voor dit geval de toestemmingseis van artikel 88 gesteld vanaf het tijdstip dat de begunstiging kan worden aanvaard, d.w.z. vanaf het tijdstip dat de verzekeringnemer aan de derde toestemming tot aanvaarding heeft gegeven en niet eerst vanaf het tijdstip van de aanvaarding zelf. Wordt de aanwijzing van een derde-begunstigde nog tijdens het leven van de verzekeringnemer aanvaard, dan is daarop artikel 7:177 niet van toepassing, omdat van de praktijk niet gevergd kan worden dat de geldigheid van de aanwijzing bij sommenverzekering aan het vereiste van notariële akte wordt onderworpen (artikel 7:188 lid 1, tweede volzin). Sommenverzekeringen zijn overigens, ook al is de aanwijzing van een begunstigde aanvaard of kan deze worden aanvaard, geenszins altijd een gift. Veel strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis en ook zijn er die voldoening aan een in rechte afdwingbare verbintenis betekenen, zoals een pensioen- of alimentatieverbintenis en de nakoming van bedingen in kredietverlening (artikel 7:188 lid 1, eerste volzin, slot). 24. Artikel 88 lid 1, schrijft voor bepaalde rechtshandelingen voor dat een echtgenoot de toestemming daartoe van de andere echtgenoot behoeft. Onderdeel a van lid 1 noemt bijvoorbeeld overeenkomsten tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken die bij een zodanige woning f tot de inboedel daarvan behoren. Artikel 88 lid 3, bepaalt dat de toestemming schriftelijk moet worden verleend, indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft. Een voorbeeld van een rechtshandeling waarvoor de wet een vorm voorschrijft, is de koop van een onroerende zaak (artikel 7:2 lid 1, BW). Op grond van artikel 6:227a mag een echtgenoot ook langs elektronische weg aan de andere echtgenoot toestemming geven tot vervreemding van een door de echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning. Voor vormvrije rechtshandelingen blijft gelden dat de toestemming als bedoeld in artikel 88 lid 1, ook vormvrij is. 2024 -134- No. 164 25. Van de toepasselijkheid van artikel 88 lid 1, onderdelen b tot en met d, zijn ingevolge artikel 88a uitgezonderd rechtshandelingen van een trustee in hoedanigheid verricht; zie titel 6 van Boek 3. Het trustvermogen vormt immers een afgescheiden vermogen (artikel 3:127 lid 2 onderdeel a en artikel 3:155). Wat betreft de echtelijke woning (artikel 88 lid 1 onderdeel a) dient de ‘gezinsbescherming’ echter in beginsel intact te blijven ook indien de woning tot het trustvermogen behoort. Overigens kan altijd de beslissing van de kantonrechter worden ingeroepen (artikel 88 lid 6). 26. Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 88, dus zonder toestemming van de andere echtgenoot, heeft verricht, is vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen, aldus artikel 89 lid 1. In de artikelen 3:49 e.v. is de vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling geregeld. Het onderhavige artikel 89 is een verbijzondering daarvan. De vernietiging kan op verschillende wijzen plaatsvinden: door een verklaring buiten rechte, door een rechterlijke uitspraak op een daartoe ingestelde rechtsvordering en door een rechterlijke uitspraak waarbij het beroep op de grond tot vernietiging bij wijze van verweer wordt aanvaard (zie de artikelen 3:49 e.v.). Zolang de rechtshandeling niet is vernietigd, is deze uiteraard geldig (HR 1-11-1996, NJ 1997, 133). Artikel 3:50 lid 1 en artikel 3:51 lid 2 schrijven voor dat de buitengerechtelijke verklaring wordt gericht tot respectievelijk dat de rechtsvordering wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn. Deze regeling wordt in artikel 89 lid 4 terzijde gesteld om een conflict tussen echtgenoten te voorkomen of althans niet op de spits te drijven. 27. Verder zij hier gewezen op artikel 3:55 lid 2 wordt geregeld, dat de bevoegdheid om een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer een onmiddellijk belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan hem wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging en deze binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan. De verjaringstermijn zal in normale gevallen zijn drie jaar nadat aan de andere echtgenoot ter kennis is gekomen dat de rechtshandeling is verricht (artikel 3:52 lid 1 onder d); de andere echtgenoot kan echter ‘te allen tijde’ een beroep op de vernietigingsgrond doen ter afwering van een rechtsmaatregel (artikel 3:51 lid 3). 28. Voorzien is – anders dan het huidige artikel 164 van het huidige BW – in bescherming van derden te goeder trouw, tenzij het een gift betreft. Goede trouw zal echter niet spoedig kunnen worden aangenomen, aangezien nu eenmaal veel mensen gehuwd zijn. Bij twijfel ontbreekt goede trouw; zie artikel 3:11. 29. Het begrip bestuur (artikel 90 lid 2) bevat niet mede de - exclusieve - bevoegdheid tot het aangaan van obligatoire rechtshandelingen met betrekking tot het goed onder bestuur, zoals het sluiten van een koopovereenkomst. Voor beide echtgenoten geldt de algemene regel dat eenieder alle obligatoire rechtshandelingen met betrekking tot een goed ten aanzien waarvan een ander beschikkingsbevoegd is, kan verrichten. De niet-beschikkingsbevoegde echtgenoot kan evenwel de andere echtgenoot als regel niet binden, zodat de consequenties van het handelen voor eigen rekening zijn. Zo zal een echtgenoot die niet het bestuur over een zaak heeft, dit wel rechtsgeldig kunnen verkopen, maar niet rechtsgeldig kunnen overdragen, behoudens wellicht de bescherming van een derde-verkrijger te goeder trouw. De echtgenoot die wel het bestuur heeft - en dus beschikkingsbevoegd is - kan echter eventueel tot de koop toetreden (artikel 90 lid 4). 2024 -135- No. 164 TITEL 7 (DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN) Afdeling 1 (Algemene bepalingen) 1. Belangrijk is dat erfrechtelijke verkrijgingen en giften niet langer in de gemeenschap vallen (artikel 94 lid 2 onder a), voor récompenses en reprises geldt de beleggingsleer (artikelen 95 en 96 jo artikel 87 leden 2-3) en ten aanzien van goederen die niet op naam van een echtgenoot staan is ieder der echtgenoten bestuursbevoegd (artikel 97 lid 1), hetgeen overigens in de lijn is van artikel 172 van het huidige BW. 2. Wat betreft afdeling 3 (Ontbinding van de gemeenschap) vinden wijzigingen plaats in artikel 99 lid 1 (vervroeging van het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap van rechtswege) en in artikel 102, tweede zin (de na ontbinding ontstane hoofdelijke aansprakelijkheid van de voorheen niet aansprakelijke echtgenoot voor gemeenschapsschulden wordt beperkt tot diens verkrijgingen uit hoofde van de verdeling). Afdeling 4 (Opheffing van de gemeenschap bij beschikking) wordt aangepast aan het vervroegd tijdstip van ontbinding. Toepassingsbereik 1. De betekenis van artikel 93 is tweeërlei. Enerzijds wordt tot uitdrukking gebracht dat de gemeenschap van goederen geldt, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden daarvan afwijken, uitdrukkelijk of door de aard van de bedingen. 2. Anderzijds komt tot uitdrukking, in de tweede zin, dat de bepalingen van deze titel van regelend recht zijn en dat daarvan in beginsel bij huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken. Geen afwijking is toegelaten bij bepalingen waarvan uitdrukkelijk is bepaald dat zij van dwingend recht zijn of bepalingen die naar hun aard dwingend zijn zoals artikel 94 lid 7, artikel 96 leden 1 en 5, artikel 96b, laatste zin, artikel 97 lid 3, artikel 99, artikelen 101-113. De baten van de gemeenschap

  446. Artikel 1:94 Deze wijziging van artikel 94 wordt voorgesteld naar aanleiding van de interventies van DNA-leden. De ondergetekende acht het bij nader inzien redelijk dat voorhuwelijks vermogen buiten de huwelijksgemeenschap blijft. Volgens ondergetekende willen heden ten dage de meeste mensen die in het huwelijk treden en enig vermogen bezitten, dat ook. De Ondergetekende heeft in DNA het hierna volgende opgemerkt. Stel iemand heeft niets behalve een huis. Op dit huis is hij of zij heel trots. Dan wordt deze persoon verliefd en trouwt hij of zij in gemeenschap van goederen. Echter, dat blijkt een vergissing en na korte tijd volgt echtscheiding. Nu zal het huis verkocht moeten worden om de helft van de opbrengst uit te keren aan de ex. Dit is toch heel onbevredigend? Dat alles, ook wat men voor het huwelijk heeft opgebouwd, in de huwelijksgemeenschap valt, past in een tijd met geen of weinig echtscheidingen. Die tijd is voorbij. De wijziging van de aanhef van artikel 1:94 lid 2 strekt ertoe dat in beginsel goederen die een echtgenoot vóór het huwelijk had, buiten de gemeenschap blijven. Gaat het echter om goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, dan vallen die gemeenschappelijke goederen wel in de gemeenschap. Wie niet wil administreren, hoeft dat niet te doen: het bewijsvermoeden voor de toewijzing van de goederen aan de gemeenschap springt dan in. Het nieuwe lid 8 van artikel 1:94 bepaalt dat een goed als een gemeenschapsgoed wordt aangemerkt indien tussen echtgenoten een geschil bestaat aan wie van hen beiden een goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen. 2024 -136- No. 164 Ook voorhuwelijkse schulden, tenzij deze voor het huwelijk gemeenschappelijk waren (bijvoorbeeld twee personen kopen samen een huis met hypotheek en trouwen vervolgens) behoren buiten de huwelijksgemeenschap te blijven. Dit is bepaald in het nieuwe lid 7. 1. Ingevolge de aanhef van artikel 94 lid 2 komt tot uitdrukking dat goederen, verkregen na de ontbinding van de gemeenschap maar vóór de verdeling en afwikkeling daarvan, buiten de gemeenschap vallen. 2. Door de Hoge Raad is beslist dat nog niet ingegane ouderdoms- en weduwepensioenen in de huwelijksgemeenschap vallen (HR 27-11-1981, NJ 1982, 503). Dit geldt echter niet voor de pensioenen ingevolge de Nederlandse Algemene ouderdomswet en de Algemene weduwen- en wezenwet en evenmin voor invaliditeitspensioenen. Bij zgn. ‘koude uitsluiting’ - waarbij de huwelijksgemeenschap ontbreekt - is er evenmin recht op pensioenverrekening. Op 9 september 2014 is tot stand gekomen de Wet Algemeen Pensioen, Staatsblad van de Republiek Suriname 2014, no. 113. In artikel 3 is een vereveningsregeling bij echtscheiding opgenomen. In de Wet algemeen Pensioen 2014 is de formele band met het huwelijksgoederenrecht losgelaten. Dat wil zeggen dat pensioenverevening plaatsvindt ongeacht het tussen de echtelieden geldende huwelijksgoederenregime. Hetgeen ingevolge de Wet algemeen pensioen 2014 wordt verevend dient niet in de gemeenschap te vallen. Dit moet uitdrukkelijk in de wet te worden neergelegd (thans artikel 94 lid 2 onder b), omdat bij gebreke hiervan in voorkomende gevallen twee verschillende vereveningsregelingen van toepassing zouden zijn, te weten de wettelijke en de jurisprudentiële regeling. Indien de Wet Algemeen Pensioen 2014 van toepassing is dient uiteraard ook het in dat geval bestaande recht op nabestaandenpensioen (partnerpensioen) niet in de gemeenschap te vallen. 3. Lid 2 van artikel 94 bevat een opsomming van goederen die van de boedelmenging worden uitgezonderd. Onder a is een belangrijke wijziging ten opzichte van het geldende recht opgenomen: krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift, zowel voordien als tijdens het bestaan van de gemeenschap, verkregen goederen vallen niet in de gemeenschap. Hetzelfde geldt overigens voor de vruchten hiervan (artikel 94 lid 5) en de door erfopvolging verkregen schulden (artikel 94 lid 6 onder a). 4. Onder makingen worden erfstellingen (artikel 4:115) en legaten (artikel 4:117 lid 1) begrepen; zie voor de omschrijving van giften artikel 7:186 lid 2 (vgl. ook artikel 4:126 lid 2); en voor testamentaire lasten in het algemeen de artikelen 4:130 tot en met 4:134. 5. Aan een uitsluitingsclausule (het huidige artikel 169 lid 1 BW) is geen behoefte meer, behalve indien echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden van artikel 94 lid 2 onder a, zijn afgeweken; zie in titel 8 (Huwelijkse voorwaarden) artikel 121a. Voor een insluitingsclausule, zie hierna artikel 94 lid 3, tweede zin. 6. Onderdeel b (pensioenrechten ingevolge de Wet Algemeen Pensioen 2014) kwam reeds aan de orde. Onderdeel c geeft een opsomming van erfrechtelijke verkrijgingen die buiten de gemeenschap vallen. Behalve het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 en 4:30 vallen ook verkrijgingen als die krachtens de artikelen 4:34 tot en met 4:36 (som ineens) of artikel 4:38 (overdracht bedrijfsgoederen en aandelen) buiten de gemeenschap. Indien de langstlevende echtgenoot alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen ingevolge de wettelijke verdeling van artikel 4:13, zullen die goederen in geval van hertrouwen niet vallen in de nieuwe huwelijksgemeenschap. Draagt de echtgenoot vervolgens een uit de nalatenschap verkregen goed over aan een kind van de erflater ingevolge diens wilsrecht ex artikel 4:19 of artikel 4:21 en behoudt de echtgenoot ingevolge die bepalingen daarvan het (wilsrechten)vruchtgebruik, dan blijft uiteraard ook dat vruchtgebruik buiten de gemeenschap. 7. Wanneer een echtgenoot een tot de gemeenschap behorend goed schenkt aan de andere echtgenoot, geldt niet dat een door gift verkregen goed buiten de gemeenschap valt (artikel 94 lid 3 onder a). Ware dit anders, dan zouden de echtgenoten langs deze weg de gemeenschap eenvoudig kunnen uithollen. 2024 -137- No. 164 8. Met artikel 94 lid 3 onder b wordt een grondslag geboden voor de tegenhanger van de uitsluitingsclausule: de insluitingsclausule of gemeenschapsclausule. Deze kan onder omstandigheden voorzien in een behoefte van de erflater om goederen aan een kind na te laten, zodanig dat deze, in afwijking van artikel 94 lid 2 onder a, niet buiten de gemeenschap valt waarin het kind is gehuwd of geregistreerd. In verband met artikel 4:42 lid 1 (het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen) is zulks hier uitdrukkelijk in de wet bepaald. 9. Artikel 94 lid 5 komt overeen met het huidige artikel 169 lid 3 BW. 10. Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen delen, ingevolge artikel 94 lid 6, eerste zin, dat lot; vgl. ook artikel 94 lid 3 onder b (insluitingsclausule), artikel 121a (uitsluitingsclausule), artikel 133 (beperking verrekeningsverplichting) en artikel 134 (niet-verrekeningsclausule). Ter vermijding van misverstand is toegevoegd dat zulks niet zonder meer geldt ten aanzien van goederen die op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, als bedoeld in artikel 94 lid 4. Zie HR 26-9-2008, NJ 2009, 40 en de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer bij het corresponderende Nederlandse ontwerp (MvA I 2008/2009, 28 867, C, p.7). 11. Artikel 94 lid 6, tweede zin, geeft een regel van eenvoudige zaaksvervanging. Vgl. in dit verband ook artikel 3:213 lid 1. Artikel 3:213 lid 2 kan zo nodig overeenkomstig worden toegepast. De lasten van de gemeenschap 1. Artikel 94 lid 7 geeft de omvang van de passiefzijde van de gemeenschap weer. Zij omvat, wat haar lasten betreft de schulden die vóór en tijdens het bestaan van de gemeenschap zijn ontstaan. Dat de gemeenschap de schulden omvat heeft vooral betekenis voor de positie van de schuldeiser, die verhaal op de hele gemeenschap heeft, en de positie van de andere echtgenoot, die in beginsel voor de helft ter zake van de gemeenschapsschuld draagplichtig wordt (vgl. artikel 96). 2. Schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen, vallen echter buiten de gemeenschap (onderdelen a en b). Uitgezonderd zijn voorts schulden betreffende giften ter zake des doods, verblijvensbedingen ter zake des doods en omzettingen van natuurlijke verbintenissen ter zake des doods (onderdeel c). Aangezien schenkingen ter zake des doods niet zijn onderworpen aan toestemming van de andere echtgenoot (artikel 88 lid 4), kan laatstgenoemde ze dus – tenzij ze reeds tijdens leven van de schenker worden uitgevoerd – niet vernietigen, maar moet hij wel dulden dat ze uiteindelijk moeten worden voldaan uit de huwelijksgemeenschap. Weliswaar kan deze echtgenoot tot op zekere hoogte bescherming ontlenen aan de mogelijkheid van een verzorgingsvruchtgebruik op grond van Boek 4, waarvoor zo nodig inkorting kan plaatsvinden van dergelijke giften, maar dat biedt geen soelaas tegen uitholling van de huwelijksgemeenschap. Juist dit type schenkingen kan een echtgenoot gemakkelijk lichtvaardig aangaan, nu het offer daarvoor feitelijk pas na zijn overlijden – en derhalve door anderen dan de schenker – wordt gevoeld. Precies om die reden heeft de wetgever de rechtsgevolgen van schenkingen ter zake des doods tot op zekere hoogte gerelativeerd door voorrang te verlenen aan nalatenschap schuldeisers en andere wettelijk gerechtigden (vgl. artikel 4:126 e.v.). Er is daarom reden om ook bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap deze schenkingen niet mede te laten dragen door de andere echtgenoot. Hetzelfde heeft te gelden voor de, met schenkingen ter zake des doods in artikel 4:126 lid 2 onder a gelijkgestelde, verblijvensbedingen ter zake des doods. Gedacht kan worden aan de gehuwde firmant die in zijn vennootschapscontract een verblijvensbeding opneemt. Dat beding kan leiden tot een bevoordeling van een medefirmant, welke op vergelijkbare wijze behoort te worden behandeld als schenkingen ter zake des doods. Hetzelfde geldt ook voor de omzetting van een natuurlijke verbintenis in een volledige verbintenis ter zake des doods (artikel 4:126 lid 2 onder c). Enigszins anders ligt het bij de begunstiging bij sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt (artikel 4:126 lid 2 onder b); zie daarvoor artikel 96a. 2024 -138- No. 164 Bewijsvermoeden 1. Artikel 94 lid 7 komt grotendeels overeen met het huidige artikel 200 lid 1 BW uit de titel Huwelijkse voorwaarden, welke bepaling overigens wordt aangepast aan artikel 131 lid 1. Artikel 94 lid 7 ziet echter op alle goederen en niet slechts op rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn. De bewijsregel is van belang voor het geval geen overeenstemming bestaat over de vraag of een bepaald goed tot het privé-vermogen van een echtgenoot gerekend moet worden dan wel in de gemeenschap van goederen valt. De regel legt de bewijslast bij de echtgenoot die stelt dat het goed hem in privé toekomt. De bepaling is overigens alleen van toepassing als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken. Het is mogelijk dat er tussen echtgenoten onduidelijkheid bestaat, maar dat zij deze onduidelijkheid oplossen door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. 2. Het vermoeden werkt niet ten nadele van schuldeisers der echtgenoten (tweede zin). Ten voordele van schuldeisers geeft artikel 96 lid 5 een regel vergelijkbaar met de onderhavige. De 50%-maatstaf bij verkrijging 1. In artikel 95 lid 1, eerste zin, wordt bepaald dat een verworven goed niet in de gemeenschap valt, indien het voor meer dan de helft van zijn prijs ten laste van de handelende echtgenoot persoonlijk komt. Zulks impliceert dat een goed of geheel in de gemeenschap valt of geheel daarbuiten. Mogelijk zou ook zijn geweest dat het goed voor een deel in de gemeenschap valt en voor een deel in het vermogen van de betreffende echtgenoot, naar rato de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap respectievelijk het privévermogen komt. Daarvoor is uit oogpunt van rechtszekerheid niet gekozen. 2. Wanneer het gaat om de aankoop van een registergoed, vaak de echtelijke woning, kan het van belang zijn dat de herkomst van de gelden in de leveringsakte wordt vastgelegd. 3. Als een echtgenoot staande huwelijk een registergoed koopt en dit voor minder dan de helft financiert uit privévermogen en overigens met een lening, gaat de schuld uit de lening tot het gemeenschapsvermogen behoren; in het omgekeerde geval gaat de schuld die hoort bij het registergoed tot het privévermogen behoren, nu ook het goed daartoe gaat behoren (artikel 94 lid 6 onder a). Met de verkrijging van een goed met geleend geld valt op één lijn te stellen het sluiten van een levensverzekering waarvoor nadien premies moeten worden voldaan, ook al zal de omvang van de uit de verzekering voortvloeiende aanspraken mede afhankelijk zijn van de mate waarin die premies daadwerkelijk worden voldaan. Derhalve zullen, bij gebreke van huwelijkse voorwaarden waaruit iets anders voortvloeit, die premies voor een in wettelijke gemeenschap gehuwde echtgenoot steeds een gemeenschapsschuld vormen. 4. Uit HR 2-4-1976, NJ 1976, 450, Modehuis Nolly, vloeit voort dat wanneer een huis wordt geleverd aan de ene echtgenoot, die echtgenoot zelf eigenaar wordt. Hij kan niet bewerkstelligen dat in zijn plaats de andere echtgenoot eigenaar wordt: middellijke vertegenwoordiging is bij registergoederen en andere goederen op naam ingevolge genoemd arrest niet mogelijk. Wel zal het huis eventueel in de huwelijksgemeenschap vallen, zodat de andere echtgenoot mede-eigenaar wordt. In de gevallen dat het goed aan beide echtgenoten tezamen is geleverd staat wel vast wie eigenaar is. Zij zijn dan samen eigenaar, ongeacht of het goed al dan niet in de huwelijksgemeenschap valt. De zaakvervangingsregel van artikel 95 lid 1, eerste zin, maakt dit alles niet anders. Deze regel – die mede registergoederen betreft – geldt immers niet in plaats van de Modehuis Nolly-regel maar slechts in aanvulling daarop, ter bepaling of een goed in de huwelijksgemeenschap valt. 5. Wat de positie van schuldeisers betreft, zij verwezen naar artikel 96 lid 1: voor een schuld die in de gemeenschap is gevallen, kunnen zowel de goederen der gemeenschap als de eigen goederen van de echtgenoten uitgewonnen worden. Voor een schuldeiser is het met andere woorden minder van belang om te weten of een goed tot de gemeenschap of tot het privévermogen van een der echtgenoten behoort, vooral van belang is het om vast te stellen of de schuld daartoe behoort. 2024 -139- No. 164 6. Met de woorden ‘bij de verkrijging’ wordt tot uitdrukking gebracht dat het moment van de verkrijging beslissend is voor het antwoord op de vraag of het goed al dan niet in de gemeenschap valt. De woorden maken duidelijk dat zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen slechts in beperkte mate mogelijk is. Zo zullen bijvoorbeeld de uit een tijdens het huwelijk door een echtgenoot gesloten levensverzekering voortvloeiende rechten meestal buiten diens huwelijksgemeenschap vallen. De tegenprestatie voor hetgeen de verzekeringnemer aan rechten verwerft bestaat immers veelal uit premies die pas na het sluiten, en dus niet ‘bij de verkrijging’, moeten worden voldaan. Bij levensverzekeringen kan dus niet achteraf, aan de hand van de premiebetalingen, bezien worden in hoeverre is voldaan aan het criterium ‘bij de verkrijging’. Of de premies al dan niet uit het privévermogen worden voldaan, doet voor de toepassing van artikel 95 lid 1, eerste zin, niet ter zake. Indien de rechten uit de verzekering in de gemeenschap vallen, zullen ook de premies gemeenschapsschulden vormen (artikel 94 lid 6 onder a). 7. Als gevolg van de zaakvervangingsregel van artikel 95 lid 1, eerste zin, kunnen vergoedingsvorderingen ontstaan. Wat betreft de omvang van deze vergoedingsvorderingen (die betrekking hebben op de verkrijging van een goed) verklaart artikel 95 artikel 87 leden 2-3 van toepassing, waarin de beleggingsleer is neergelegd. 8. De vergoeding van artikel 95 lid 1, tweede zin, betreft die welke een echtgenoot aan de gemeenschap verschuldigd is (récompense), de vergoeding van lid 2 die waarop een echtgenoot jegens de gemeenschap recht heeft (reprise). De schuldenregeling 1. Aan artikel 1:96 wordt een nieuw derde lid ingevoegd, onder vernummering van de leden erna. Dit artikellid regelt het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld van een echtgenoot. Dat wordt beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap. De andere echtgenoot is bevoegd, indien een schuldeiser verhaal op een goed van de gemeenschap zoekt ter zake van een niet tot de gemeenschap behorende schuld, het goed waarop de schuldeiser verhaal zoekt, over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed uit zijn eigen vermogen. Vanaf het tijdstip van de overneming is dit een eigen goed van deze echtgenoot, dat niet in de gemeenschap valt. 2. Voor gemeenschapsschuldeisers is de regel gehandhaafd dat zij op alle goederen van de gemeenschap verhaal hebben, mede omdat goederen die worden verkregen ter gelegenheid van het aangaan van gemeenschapsschulden, ook tot de gemeenschap gaan behoren. Voor privéschuldeisers geldt dat argument echter niet. Ook bij een eenvoudige gemeenschap hebben reguliere schuldeisers geen verhaal op de gehele eenvoudige gemeenschap, doch slechts op het aandeel van de deelgenoot/schuldenaar in de gemeenschap. 3. Artikel 96 lid 1 komt overeen met het huidige recht (artikel 170 lid 1 en artikel 171 lid 1 huidig BW, alsmede artikel 3:276). Wat betreft artikel 96 lid 2 vgl. het huidige artikel 171 lid 1. Voor artikel 96 leden 4 en 5 zie het huidige artikel 170 lid 2 en artikel 171 lid 2 BW. Artikel 96 lid 4 betreft de reprises, artikel 96 lid 5 de récompenses. Voor het geval dat het vergoedingsrecht betrekking heeft op een schuld ter zake van een goed, is artikel 87 leden 2 en 3 van toepassing, waarin de beleggingsleer is neergelegd. 4. De echtgenoot die een schuldeiser tegenwerpt dat een goed waarop deze verhaal zoekt niet behoort tot de gemeenschap, draagt daarvan de bewijslast, aldus artikel 96 lid 6. Voor de verhouding tussen echtgenoten zie artikel 94 lid 8. Hier wordt het vermoeden van het in de gemeenschap vallen ook toegepast ten voordele van crediteuren. De schuldeiser die verhaal zoekt voor een schuld van een of beide der echtgenoten, kan ingevolge de bewijsregel van artikel 96 lid 6 volstaan met zo nodig te bewijzen dat het uit te winnen goed behoort tot het vermogen van een der echtgenoten. De strekking is dat wanneer de echtelieden hun privévermogens niet voldoende administreren, de gemeenschap de goederen ‘als een spons’ aan zich trekt. Dit betekent dat wanneer de echtgenoten of een van hen meent dat aan verhaal door een schuldeiser in de weg staat dat het goed toebehoort aan één der echtgenoten in 2024 -140- No. 164 privé, zulks tegenover de schuldeiser zal moeten worden bewezen. De belangen van de echtgenoten hoeven hier overigens niet parallel te lopen. In een executiegeschil zullen zij zo nodig afzonderlijk als partij kunnen opkomen en kan de rechter de bewijslast daar leggen waar deze, met inachtneming van hetgeen in het geding is aangevoerd en gebleken, thuishoort. De tussen echtgenoten geldende regel dat bij gebreke van bewijs het goed geacht wordt gemeenschappelijk te zijn, dient dan geen rol te spelen. 5. De begunstiging bij sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt (artikel 4:126 lid 2 onder b; zie ook artikel 7:188) wordt niet bestreken door de uitsluiting van gemeenschapsschulden in artikel 94 lid 6 onder b. De rechtshandeling van de begunstiging schept immers als zodanig (door het mechanisme van het derdenbeding) niet rechtstreeks een schuld. De gift die is gelegen in de uitkering, is niet afkomstig uit het vermogen van de verzekeringnemer maar uit het vermogen van de verzekeraar. Wel behoort de met de gift corresponderende verarming van de verzekeringnemer (premies c.q. uitkering) niet ten laste te komen van de huwelijksgemeenschap. De premieverplichtingen hebben echter veelal als gemeenschapsschulden te gelden. Voor die gevallen geeft artikel 96a een speciaal vergoedingsrecht, uitgaande van de beleggingsgedachte. Het vergoedingsrecht is dus niet beperkt tot (een gedeelte van) het nominale bedrag van de premies, maar uitgegaan moet worden van de volledige in de verzekering opgebouwde waarde, dat wil zeggen de waarde van de uitkering of eventueel de afkoopwaarde. Niet ondenkbaar is dat de andere echtgenoot met de begunstiging heeft ingestemd. Onder omstandigheden zou die instemming kunnen worden opgevat als het doen van afstand van de met de begunstiging gemoeide vergoeding. 6. In artikel 96b is voor de vergoedingen ingevolge de voorgaande drie artikelen vastgelegd dat de echtgenoten de omvang anders kunnen bepalen; zij kunnen bijvoorbeeld overeenkomen dat ten minste het nominale bedrag verschuldigd is. In de tweede zin is voorts – in overeenstemming met artikel 87 lid 5 – bepaald dat de vergoedingen kunnen worden geschat, indien het beloop niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Ingevolge de derde zin (verwijzing naar artikel 87 lid 4, tweede zin) is geen vergoeding verschuldigd voor zover voor een vermogensverschuiving een andere grond, zoals met name een natuurlijke verbintenis, is aan te wijzen. Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschapsgoederen 1. Voor de vraag wat bestuur is, zie het in titel 6 (Rechten en verplichtingen van echtgenoten) opgenomen artikel 90 lid 2. De vraag wie bestuursbevoegdheid heeft ten aanzien van gemeenschapsgoederen wordt beantwoord in het onderhavige artikel 97. De tweede volzin van artikel 97 lid 1 is ontleend aan het huidige artikel 172 lid 1, BW; men zie C.A. Kraan, Hoofdlijnen van het Surinaamse huwelijksvermogensrecht, Ars Notariatus LXVI, 1994, p. 35. In lijn met het huidige artikel 172 BW, houdt de tweede volzin van artikel 97 lid 1, in dat voor goederen niet op naam (zie de eerste zin) en niet dienstbaar aan het beroep of bedrijf van een der echtgenoten (zie lid 2), ieder der echtgenoten bevoegd is tot het bestuur. 2. De eerste volzin van lid 1 bepaalt dat het bestuur over registergoederen en andere goederen op naam toekomt aan de echtgenoot op wiens naam het goed staat. Staat het goed op beider naam, dan zijn de echtgenoten tezamen bestuursbevoegd. Deze bepaling handelt over o.a. onroerende zaken, te boek gestelde schepen en luchtvaartuigen, beperkte rechten daarop en aandelen daarin, alsmede over bijvoorbeeld een bankrekening of effectenrekening op naam van beide of een van beide echtgenoten. In de praktijk zou een regel dat een echtgenoot ook ten aanzien van goederen die op naam van de andere echtgenoot staat, zelfstandig bestuursbevoegd zijn, moeilijkheden opleveren. Niet te verwachten is dat bijvoorbeeld een bank gemakkelijk bereid zal zijn om uit te betalen aan de echtgenoot op wiens naam de bankrekening niet staat, ook al toont deze echtgenoot een trouwboekje. Wat betreft de verbintenisrechtelijke verkoop e.d. van registergoederen (te onderscheiden van de, onder het begrip ‘bestuur’ vallende, goederenrechtelijke overdracht e.d. van registergoederen), zie men overigens de tweede zinsnede van artikel 88 lid 1 onderdeel a. 2024 -141- No. 164 3. De mogelijkheid bestaat dat door echtgenoten tegenstrijdige bestuurshandelingen worden verricht en dat in het geval de echtgenoten slechts gezamenlijk bestuursbevoegd zijn, een van hen medewerking weigert. Mogelijk is ook dat echtgenoten het niet eens worden over het te voeren bestuur. Voor de interne verhouding kan worden volstaan met het opnemen van een rechtsingang (artikel 97 lid 3). In de externe verhouding moet de vraag beantwoord worden wie van de derden voorgaat in geval van tegenstrijdige rechtshandelingen, bijvoorbeeld met betrekking tot hetzelfde goed. Stel, M verkoopt een schilderij aan X en tien dagen later verkoopt V, met wie M in gemeenschap van goederen is gehuwd, hetzelfde schilderij aan Y. Zowel X als Y maken aanspraak op levering. De vraag wie geleverd behoort te krijgen kan worden opgelost met behulp van artikel 3:298 BW: degene die het oudste recht heeft, in het onderhavige voorbeeld X, gaat voor. Indien echter reeds geleverd is aan de koper met het later ontstane recht op levering, in het onderhavige geval Y, is die verkrijging in beginsel geldig. 4. Door de verwijzing in de derde zin van artikel 97 lid 1 naar artikel 3:170 lid 3 kunnen spoedeisende en noodzakelijke handelingen door iedere echtgenoot zelfstandig worden verricht. Deze regel geldt voor alle goederen. 5. Het voor registergoederen gegeven lid 3 van het huidige artikel 173 BW, geïntroduceerd bij Decreet C- 11 van 11-3-1981, betreffende opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw en aanpassing van het huwelijksvermogensrecht past niet langer bij het thans voorgestelde lid 1, eerste zin, inhoudende dat een goed dat op naam van een echtgenoot staat onder diens bestuur staat. Wel is, onder aandrang vanuit het notariaat, artikel 88 lid 1 onder a, aldus aangevuld dat hetzelfde resultaat wordt verkregen; men zie de toelichting aldaar. 6. De geschillenregeling van artikel 97 lid 3 komt overeen met lid 4 van het huidige artikel 173 BW. Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap 1. De gemeenschap van goederen wordt op een eerder tijdstip ontbonden dan waarop het huwelijk eindigt; vgl. ook artikel 142 voor de verrekenbedingen. De gedachte is dat doorgaans vanaf het moment van indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, de door het hoofdstelsel veronderstelde lotsverbondenheid niet meer aanwezig is en dat het daarom voor de hand ligt op dat moment de gemeenschap van goederen te laten eindigen. Door de vervroeging van het tijdstip van ontbinding worden de echtgenoten beschermd tegen benadelende handelingen die door ieder van hen tijdens de scheidingsprocedure zouden kunnen worden verricht. Vanaf het moment van de indiening van het verzoekschrift tot scheiding kunnen immers geen gemeenschapsschulden meer ontstaan, terwijl het beheer van de gemeenschap de echtgenoten in beginsel slechts gezamenlijk toekomt (artikel 3:170). De nieuwe regeling voorkomt voorts praktische problemen indien een echtgenoot een andere woning verwerft. 2. Artikel 99 lid 2 voorziet in de noodzakelijke derden bescherming. Derden behoeven niet op de hoogte te zijn van een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed of opheffing van de gemeenschap. Aan hen kan, aangenomen dat zij van de ontbinding onkundig waren (vgl. 116 lid 1), het gevolg van ontbinding van de gemeenschap daarom niet tegengeworpen worden, tenzij het verzoek of de sluiting van de overeenkomst tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. 2024 -142- No. 164 3. In artikel 99 lid 3 is eenzelfde oplossing gekozen als in artikel 176 lid 2 ten aanzien van verzoening na scheiding van tafel en bed. Zo doet de intrekking van een verzoekschrift tot echtscheiding de gemeenschap weer herleven alsof er geen echtscheidingsverzoek was ingediend. Maar de geldigheid van rechtshandelingen die tussen het tijdstip van het verzoek en de intrekking ervan zijn verricht, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. Ook is rekening gehouden met het uitblijven van tijdige inschrijving van de rechterlijke beslissing tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed, opheffing van de gemeenschap, alsmede met afwijzing door de rechter van de desbetreffende verzoeken. De slotwoorden van de eerste zin zijn opgenomen met het oog op het geval dat een huwelijk eindigt door overlijden van een der echtgenoten, terwijl op dat tijdstip een echtscheidingsprocedure aanhangig is. Alsdan blijft het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek bepalend voor de ontbinding van de gemeenschap.

  447. Artikel 1:100 Het nieuwe tweede lid van artikel 1:100 BW geeft weer wat naar het huidige ontwerp ook al geldt, behoudens dat thans gemakkelijker de uitzondering kan worden gemaakt. In het huidige ontwerp kan een afwijking slechts worden aangenomen wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ‘onaanvaardbaar’ zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. Die eis van onaanvaardbaarheid wordt niet langer gesteld, zodat meer ruimte ontstaat. Men denke aan het geval dat een echtgenoot veel schulden is aangegaan buiten medeweten van de andere echtgenoot en aan het geval dat een echtgenoot schulden is aangegaan om onverantwoorde uitgaven te doen. De echtgenoot die meent dat dient te worden afgeweken van een gelijke draagplicht, zal de feiten en omstandigheden dienen te stellen die met zich brengen dat van de gelijke draagplicht moet worden afgeweken. De aansprakelijkheid voor de gemeenschapsschulden 1. In artikel 102 wordt ten opzichte van het huidige recht de aansprakelijkheid van de voorheen niet aansprakelijke echtgenoot enerzijds vergroot doordat de huidige beperking tot de helft is geschrapt en anderzijds beperkt doordat hij tot niet meer aansprakelijk is dan hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft gekregen. De verwijzing naar artikel 3:190 lid 1 en artikel 191 lid 1 maakt duidelijk dat ook verhaal kan worden genomen op het aandeel van de desbetreffende echtgenoot in de ontbonden gemeenschap of in een afzonderlijk daartoe behorend goed. Er is ruimte voor zaaksvervanging; zie de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer bij het corresponderende Nederlandse ontwerp (MvA I 2008/2009, 28 867, C, p. 9-10); zie ook het bestaande artikel 3:213 lid 1, ten aanzien van vruchtgebruik. 2. Artikel 102a ontbreekt in Nederland. De bepaling is een reactie op de uitkomst van HR 8-1-2010, NJ 2010, 155. De Hoge Raad overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis van afdeling 6.1.2 BW de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren zelfstandig zijn, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. De zelfstandigheid van de vorderingsrechten leidt onder meer ertoe dat verjaring van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet verjaring van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt. Het vorderingsrecht jegens de echtgenoot-oorspronkelijk schuldenaar zal dus eerder verjaren dan het vorderingsrecht jegens de andere echtgenoot, aangezien laatstbedoeld vorderingsrecht pas is ontstaan bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (meestal: de ontbinding van het huwelijk). Dit resultaat is onbillijk (zie ook de noot van prof.mr. S.F.M. Wortmann in NJ 2010, 155) en wordt door het onderhavige artikel 102a doorbroken. Met het onderhavige artikel 102a wordt gerealiseerd dat ‘uit de wet het tegendeel voortvloeit’. 2024 -143- No. 164 Afdeling 4 (Opheffing van de gemeenschap bij beschikking) Hierin zijn ten opzichte van het huidige recht geen wijzigingen van belang aangebracht. Alle rechterlijke uitspraken ingevolge Boek 1 BW zijn beschikkingen geworden in plaats van vonnissen. TITEL 8 (HUWELIJKSE VOORWAARDEN) Afdeling 1 (Huwelijkse voorwaarden in het algemeen) 1. Hierin worden geen belangrijke wijzigingen aangebracht, behalve dat de eis van rechterlijke goedkeuring voor huwelijksvoorwaarden staande huwelijk is vervallen. De verantwoordelijkheid van de notaris staat voorop en moet voldoende worden geacht. Nu artikel 102, tweede volzin, bepaalt dat de, na ontbinding van de gemeenschap ontstane, hoofdelijke aansprakelijkheid van de voorheen niet aansprakelijke echtgenoot ten aanzien van de gemeenschapsschulden, beperkt wordt tot diens verkrijgingen uit hoofde van de verdeling, is voorts voor een door de rechter opgelegde zgn. Dozy-clausule onvoldoende reden. Indien na het maken of wijzigen onder het huidige recht van door de rechter goedgekeurde huwelijksvoorwaarden blijkt dat schuldeisers niettemin benadeeld zijn, belet die rechterlijke goedkeuring de schuldeisers niet zich op de artikelen 3:45 e.v. BW (Pauliana) te beroepen. Zie voor de rol van de notaris in een geval waarin de vrouw werd benadeeld door een omzetting van een beperkte gemeenschap in algehele gemeenschap HR 20-1-1989, NJ 1989, 766. 2. Het derde lid van artikel 116, ter zake het huwelijksgoederenregister, sluit aan bij artikel 4:186 lid 4 ter zake van het openbaar boedelregister. 3. Er is geen reden meer voor behoud van de verscherpte bewijsregeling van artikel 1:130 BW, die enkel geldt voor het geval dat bij huwelijkse voorwaarden aanbreng privé wordt gehouden. In het nieuwe stelsel blijven alle erfrechtelijke verkrijgingen, giften en voorhuwelijks vermogen immers ook zonder huwelijkse voorwaarden privé. Er is geen reden onderscheid te maken tussen de situatie waarin met huwelijkse voorwaarden vermogensbestanddelen privé worden gehouden, en die waarin dit zonder huwelijkse voorwaarden van rechtswege gebeurt. 4. Het weerlegbare bewijsvermoeden dat in artikel 131 is neergelegd voor de privégoederen van gehuwden – deze worden vermoed gemeenschappelijk te zijn – wordt in artikel 131a van overeenkomstige toepassing verklaard voor informeel samenlevenden. Registergoederen zoals onroerende zaken zijn uitgezonderd. Het bewijsvermoeden werkt niet ten nadele van schuldeisers. Zie Y. Baal, Surinaams Juristenblad, december 2019, p. 79 e.v. Afdeling 2 (Verrekenbedingen) § 1 (Algemene regels voor verrekenbedingen) 1. In Nederland heeft de laatste tijd een verschuiving plaatsgevonden in de huwelijkse voorwaarden. ‘Koude uitsluiting’ (zijnde uitsluiting van gemeenschap van goederen zonder enige obligatoire verrekening van vermogenstoename bij een der echtgenoten tijdens het huwelijk) heeft op grote schaal plaatsgemaakt voor uitsluiting met verrekenbeding. Zie laatstelijk het overzicht in WPNR 6648/2005 van Van Mourik en Burgerhart en Asser-De Boer, Personen- en familierecht, nr. 381. Niet valt uit te sluiten dat in de toekomst in Suriname op groter schaal huwelijkse voorwaarden zullen worden gemaakt en dat dan eenzelfde ontwikkeling zich zal voordoen als in Nederland. Het belang van de onderhavige afdeling – die overigens overwegend niet-dwingend recht bevat – zal dan navenant toenemen. 2024 -144- No. 164 2. Afdeling 2 van titel 8 geeft algemene regels voor huwelijkse voorwaarden die een of meer verplichtingen inhouden tot verrekening van inkomsten of van vermogen (artikel 132 lid 1). Een verrekenbeding is het in huwelijkse voorwaarden opgenomen beding tussen echtgenoten, krachtens welke zij onderling (intern) afrekenen op andere wijze dan goederenrechtelijk (extern) uit hun huwelijksvermogensregime voortvloeit. Van de verrekenverplichtingen als hier bedoeld dienen te worden onderscheiden de verplichtingen tot vergoeding op grond van de wet of uit anderen hoofde dan het verrekenbeding. Men denke aan reprises (zie artikel 95 lid 1 en artikel 96 lid 3), récompenses (artikel 96 lid 4) en de vergoedingsplichten tussen echtgenoten in privé (artikel 87). Verrekening van de kosten van de huishouding (zijnde te kwalificeren als het verteren van inkomen) valt evenmin onder het bereik van de afdeling. Het gaat in afdeling 2 slechts om algemene regels. Uitwerking is nodig in de desbetreffende huwelijkse voorwaarden, met bijstand van een notaris. 3. De begrippen inkomsten en vermogen – inkomsten gaan overigens door besparing over in vermogen – worden in artikel 132 lid 1 gebruikt om het object van de verrekening aan te geven, waarmee ook een element van het bereik van de regeling is gegeven. Deze begrippen zijn niet uitgewerkt – behoudens dat artikel 133 lid 2 aanbreng en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenking uitsluit – en moeten dus door partijen, in samenspraak met de notaris, nader worden bepaald. Het begrip inkomsten impliceert een periodiek terugkerende inkomstenbron, maar kan ook betrekking hebben op incidentele baten, zoals bijvoorbeeld inkomsten uit deelname aan loterijen. Zo kan in huwelijkse voorwaarden het begrip inkomsten worden beperkt tot inkomsten uit arbeid (eventueel nader te beperken tot arbeid uit dienstbetrekking, sociale uitkeringen en pensioenen) of juist uitgebreid tot alle mogelijke inkomstenbronnen, met name ook uit vermogen. Daarbij kan ervoor worden gekozen een uitgebreide regeling op te nemen die vrij gedetailleerd aangeeft wat onder het begrip inkomsten dient te worden begrepen, maar er kan ook worden volstaan met een verwijzing naar een in enige wettelijke regeling voorkomende omschrijving van het begrip inkomsten 4. In het algemeen wordt afgesproken dat verrekening plaatsvindt over de inkomsten die bespaard blijven nadat de `huishoudelijke kosten’ daarvan zijn afgetrokken. Voorbeelden zijn: kosten van voedsel, huishoudelijke apparatuur, kosten van een huishoudelijke hulp, kosten van een vakantie met het gezin, kosten van noodzakelijke verzekering. Ook rentebetalingen ter zake van de met geleend geld verworven echtelijke woning zijn kosten der huishouding in de zin van artikel 84 lid 1, zodat de desbetreffende bedragen niet als onverteerd inkomen voor verrekening in aanmerking komen (HR 27-1-2006, RvdW 2006, 125). Een verrekenbeding geeft geen recht op verrekening van pensioenrechten (HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617, HR 31 mei 1996, NJ 1996, 686 en HR 28 maart 1997, NJ 1997, 581. 5. Het begrip vermogen omvat niet alleen een algemeenheid van goederen in de zin van een geheel van goederen en schulden die in zekere opzichten een eenheid vormen (vgl. ook de artikelen 3:189 en 3:222), maar ook individuele vermogensbestanddelen die in de huwelijkse voorwaarden nader zijn aangeduid. De waarde van vermogen slaat in het eerste geval op het saldo van de tot het vermogen behorende goederen en de daarop betrekking hebbende schulden. In het tweede geval slaat de waarde op het in de huwelijkse voorwaarden aangeduide goed zelf. 6. Afdeling 2 van titel 8 is overwegend van regelend recht. Ingevolge artikel 132 lid 2 kan, tenzij anders is bepaald, van de afdeling bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de aard der bedingen worden afgeweken. Belangrijk is dat echtgenoten bij schriftelijke overeenkomst — dus zonder dat (wijziging van) huwelijkse voorwaarden nodig is — kunnen afwijken van de in de wet gestelde tijdstippen voor het bepalen van de omvang en samenstelling van het finaal te verrekenen vermogen (artikel 142 lid 2). Van dwingend recht zijn slechts artikel 138 lid 2 (jaarlijkse schriftelijke opgave), artikel 139 leden 2 en 3 (opheffing van de verrekeningsplicht en schadevergoeding), artikel 140 leden 1 en 2 (betalingsregeling), artikel 141 lid 6 (verjaringstermijn) en artikel 143 leden 1 tot en met 3 (vermogensbeschrijving). 2024 -145- No. 164 7. Artikel 133 lid 1 bevat het uitgangspunt van wederkerigheid. Echtgenoten blijven echter vrij om van het beginsel van wederkerigheid af te wijken (vgl. onder meer HR 22-4-1981, BNB 1981, 159, HR 9-5- 1984, BNB 1984, 210 en HR 27-6-1990, BNB 1990, 255). Of verrekening kan worden verlangd (facultatief), dan wel dient plaats te vinden (verplicht) is in de wet niet geregeld. Dat behoort uit de huwelijkse voorwaarden zelf te blijken. 8. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen (artikel 133 lid 2, eerste zin). De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op vermogen dat krachtens erfopvolging, making of gift wordt verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat vermogen of voor die vruchten in de plaats getreden goederen (artikel 133 lid 2, tweede zin). 9. Indien echtgenoten kiezen voor het overeenkomen van een verrekenbeding, hebben zij algehele gemeenschap van goederen uitgesloten. De bedoeling is veelal dat alleen het door gemeenschappelijke inspanningen tijdens het bestaan van de verrekenplicht vergaarde vermogen tussen hen verrekend wordt. Het is in overeenstemming met dit uitgangspunt om in een algemene wettelijke regeling voor verrekenbedingen de verplichting tot verrekening geen betrekking te laten hebben op aangebracht vermogen en op vermogen dat krachtens erfrecht of gift wordt verkregen en ook niet op de vruchten daarvan – in de betekenis van artikel 3:9 – of de voor dat vermogen of voor die inkomsten in de plaats getreden goederen. Artikel 133 lid 2 correspondeert met de rechtspraak. Men zie HR 3-10-1997, NJ 1998, 383. 10. Hebben echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden niets ter zake afgesproken, dan zullen erfrechtelijke verkrijgingen en giften buiten de verrekenplicht vallen (artikel 133 lid 2, tweede zin). Deze verkrijgingen zullen wel moeten worden verrekend indien zulks door echtgenoten is afgesproken, tenzij evenwel een uitsluitingsclausule is gemaakt. Aldus artikel 134 dat de testeervrijheid van de erflater en contractsvrijheid van de schenker doet domineren boven de contractsvrijheid van de verkrijger. Een voorwaardelijke uitsluitingsclausule lijkt overigens mogelijk, mede in het licht van de regeling van de voorwaardelijke makingen in het nieuwe erfrecht (artikel 4:136 e.v. 11. In verband met het beginsel van wederkerigheid (artikel 133 lid 1) staat het in artikel 135 lid 1 neergelegde beginsel van evenredigheid: de verrekening van inkomsten of van vermogen geschiedt bij helfte. Beide beginselen hebben evenwichtige vermogensrechtelijke verhoudingen tussen echtgenoten op het oog. Tot uitdrukking wordt gebracht dat de in de huwelijkse voorwaarden omschreven inkomsten of het daarin omschreven vermogen in beginsel gelijkelijk aan beide echtgenoten ten goede dient te komen. Indien bijvoorbeeld het verrekenbeding betrekking heeft op inkomsten uit arbeid, wordt met wederkerige verrekening bij helfte bereikt, dat verschil in geldelijke beloning van verrichte arbeid (onbetaald werk in de huishouding ten opzichte van buitenshuis verricht betaald werk) in de onderlinge verhouding der echtgenoten geen rol speelt. 12. Op de verrekening zijn de artikelen 3:181 en 3:183 alsmede de artikelen 3:195 tot en met 200 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de beoordeling van de vraag of benadeling als bedoeld in artikel 3:196 heeft plaatsgevonden, de in artikel 142 genoemde tijdstippen bepalend zijn; de artikel 677 tot en met 680 Rv zijn van overeenkomstige toepassing. 13. Wat betreft de personen die tot de verrekening moeten medewerken en eventuele benoeming van een onzijdig persoon, de vorm der handeling, de nietigheid of vernietigbaarheid, alsmede procedurevoorschriften, worden in artikel 135 lid 2 een aantal bepalingen betreffende de verdeling van een gemeenschap van overeenkomstige toepassing verklaard. De verrekening is in het algemeen niet aan enige vorm gebonden, zij zou zelfs mondeling kunnen geschieden, hoewel zulks in verband met eventuele latere bewijsmoeilijkheden geenszins is aan te bevelen. De verwijzing naar artikel 3:183 houdt evenwel in, dat indien bij de verrekening personen zijn betrokken die niet het vrije beheer over hun goederen hebben, de verrekening zal moeten geschieden bij notariële akte onder goedkeuring van de kantonrechter. 2024 -146- No. 164 14. Artikel 3:194 bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten verbeurt. De sanctie op dergelijk afkeurenswaardig gedrag is in artikel 135 lid 3 overgenomen. In plaats van het verbeuren van het aandeel in een gemeenschappelijk goed dient in de sfeer van verrekenbedingen de waarde daarvan aan de ander vergoed te worden. Het komt erop neer dat de andere echtgenoot, die al recht op de helft van de waarde van het betreffende goed had, in geval van bijvoorbeeld verduistering ook nog de andere helft van de waarde vergoed krijgt. Voorwaarde is wel dat daadwerkelijke verrekening heeft plaatsgevonden, waarin het betreffende verduisterde goed niet is betrokken. Ook indien het saldo van het te verrekenen vermogen met inbegrip van het niet in de verrekening betrokken goed negatief zou zijn, dient de volle waarde daarvan aan de andere echtgenoot te worden vergoed. 15. Ook al ontstaat bij verrekenbedingen geen huwelijksgemeenschap, waardoor de goederenrechtelijke zaakvervangingsproblemen zoals die zich bij enigerlei gemeenschap van goederen kunnen voordoen niet voorkomen, toch zal de uitvoering van verrekenbedingen niet vrij zijn van soortgelijke problemen. Immers, voordat de over en weer bestaande verrekenvorderingen kunnen worden vastgesteld, dient eerst het te verrekenen vermogen te worden bepaald. Het kan zijn dat een bepaald daartoe behorend goed is vervreemd, en vervolgens met gebruikmaking van middelen zowel uit het niet te verrekenen als uit het te verrekenen vermogen een goed in de plaats daarvan is aangeschaft (`gemengde financiering’). De vraag is dan of het verkregen goed geheel, slechts gedeeltelijk of in het geheel niet tot het te verrekenen vermogen gaat behoren. Vooral met het oog op eventuele waardestijging of waardedaling is deze vraag van belang. Ter illustratie diene het voorbeeld dat een spaarsaldo van SDR 10 000, dat tot het te verrekenen vermogen behoort, tezamen met een bedrag van SDR 5 000 uit een erfenis gebruikt is voor de aanschaf van een waardevolle antieke klok. Indien de klok na 10 jaar SDR 60 000 waard is en het echtpaar gaat scheiden, dan zijn de volgende drie oplossingen denkbaar: 1. de klok wordt voor 2/3 gedeelte tot het te verrekenen vermogen gerekend en voor 1/3 tot het eigen vermogen; 2. de klok wordt geheel tot het eigen vermogen van de echtgenoot gerekend en er ontstaat een vergoedingsverplichting voor de desbetreffende echtgenoot; 3. de klok wordt geheel tot het te verrekenen vermogen gerekend en er ontstaat een vergoedingsrecht voor de desbetreffende echtgenoot. 16. In het eerste geval heeft de desbetreffende echtgenoot recht op SDR 20 000 (= 1/3 van SDR 60 000) en de helft van SDR 40 000 (= 2/3 van SDR 60 000) in waarde, tezamen SDR 40 000. Voor de ander dus SDR 20 000. In het tweede geval heeft de betreffende echtgenoot recht op SDR 60 000 en dient hij SDR 10 000 aan het te verrekenen vermogen te voldoen, waartoe hij zelf voor de helft gerechtigd is. Per saldo voor hem dus SDR 55 000 en voor de ander SDR 5 000. In het derde geval heeft de desbetreffende echtgenoot recht op de helft van SDR 60 000 - SDR 5 000 = SDR 27 500 in waarde plus SDR 5 000, tezamen SDR 32 500. Voor de ander dus SDR 27 500. De verschillen worden veroorzaakt door de waardestijging van de klok die, afhankelijk van de gekozen oplossing, gedeeltelijk, in het geheel niet of juist wel tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend, terwijl het nominale bedrag van een eventueel vergoedingsrecht hetzelfde blijft. 17. In artikel 136 is gekozen voor de eerste oplossing. Deze oplossing verdeelt het voor- en nadeel van eventuele waarde schommelingen naar evenredigheid van het in het desbetreffende goed geïnvesteerde bedrag van de tegenprestatie uit het te verrekenen vermogen en uit het niet te verrekenen vermogen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat deze regel niet van dwingend recht is. Voordeel van deze oplossing ten opzichte van de andere twee is dat hier geen vergoedingsrechten (behoeven te) ontstaan, hetgeen in zekere opzichten de afwikkeling vergemakkelijkt. Indien het goed in waarde gedaald is, moet naar rato de eindwaarde verrekend worden). Vgl. ook artikel 87, waarin eveneens de ‘beleggingsleer’ is neergelegd. 2024 -147- No. 164 18. Een echtgenoot kan eerst sparen en dan beleggen (artikel 136 lid 1, eerste zin); hij kan ook eerst beleggen en dan sparen (tweede zin). Indien ter verwerving van een goed – een belegging – een schuld is aangegaan, ontstaat de vraag of dat goed al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Aangenomen mag worden dat voor zover de schuld tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald, het verkregen goed – de belegging – ook daartoe wordt gerekend en wel op de voet van artikel 136 lid 1, eerste zin. Voor de verrekening wordt uitgegaan van de waarde van de belegging op het tijdstip van de verrekening (voor finale verrekenbedingen zie artikel 142); en naar de mate waarin de aflossing uit te verrekenen vermogen is geschied, vindt verrekening plaats. De wet geeft geen richtlijn ten aanzien van de vraag of rente en kosten in aanmerking moeten worden genomen bij de beantwoording van de vraag of een met behulp van financiering verkregen goed in de verrekening moet worden betrokken. Het antwoord is sterk afhankelijk van het geval. Gaat het om een niet-aflosbare hypothecaire lening ter verkrijging van de echtelijke woning, dan kunnen de rentelasten, als vergoeding voor de kosten van de woonruimte, worden gerekend tot de huishoudelijke kosten, welke in mindering komen op te verrekenen inkomsten of vermogen; volgens HR 27-1-2006, RvdW 2006, 125 zijn de rentebetalingen ter zake van een tijdens het huwelijk met geleend geld verworven echtelijke woning – het betrof een annuïteitenlening – kosten der huishouding in de zin van artikel 84 lid 1. Gaat het daarentegen om bijvoorbeeld met geleend geld gekochte effecten, dan dienen rentebetalingen wel in aanmerking te worden genomen (voor het bepalen van het aandeel waarvoor de effecten onder het te verrekenen vermogen dienen te worden geboekt). 19. Analoog aan artikel 131 geeft artikel 136 lid 2 een rechtsvermoeden: indien in geval van een geschil geen der echtgenoten kan bewijzen dat het betreffende goed tot het `eigen’ vermogen is te rekenen, dan wordt vermoed dat het goed tot het te verrekenen vermogen is te rekenen. Vgl. ook artikel 141 lid 3 en HR 26-10-2001, NJ 2002, 93. Indien op grond van deze regel goederen tot het te verrekenen vermogen moeten worden gerekend, zou dat de positie van schuldeisers (van de tot afdracht verplichte echtgenoot) negatief kunnen beïnvloeden als de slotzin niet zou hebben bestaan. 20. Uit de aard van een verrekenbeding vloeit voort dat het een geldelijke aanspraak creëert, aldus uitdrukkelijk artikel 137 lid 1. Uit praktische overwegingen schrijft artikel 137 lid 2 voor dat over en weer bestaande verrekenvorderingen van rechtswege tot hun gemeenschappelijk beloop worden verrekend. De algemene bepalingen inzake verrekening (artikel 6:127 e.v.) zijn overeenkomstig van toepassing. 21. Er zijn omstandigheden denkbaar, waarin betaling van een verrekenvordering niet in geld, maar in goederen van de verrekenplichtige echtgenoot behoort plaats te vinden en waarin de verrekenplichtige echtgenoot goederen in plaats van geld in betaling moet kunnen geven. Inbetalinggeving kan ingevolge artikel 137 lid 3 slechts worden opgedrongen of afgedwongen voor zover verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Afdwingen zal zich gemakkelijker kunnen voordoen dan opdringen. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin de ene echtgenoot alle goederen, waaronder de echtelijke woning, op zijn naam heeft staan omdat hij tijdens het huwelijk het totale gezinsinkomen heeft verdiend. Heeft de andere echtgenoot geen vermogen kunnen opbouwen, dan zal deze in geval van een finaal verrekenbeding bij de echtscheiding op hem een verrekenvordering hebben. Onder omstandigheden kan het dan onaanvaardbaar zijn dat de echtelijke woning wordt verkocht om aan de verrekenvordering te voldoen. De echtgenoot, op wiens naam de woning niet stond wil daar bijvoorbeeld blijven wonen met de kinderen en is in staat om de hypotheeklasten verbonden aan de echtelijke woning te dragen. Indien aan de woning geen noemenswaardige hypotheeklasten verbonden zijn en met de toedeling van de woning aan de echtgenoot op wiens naam deze niet staat, gelet op de waarde die deze heeft, de verrekenvordering vrijwel wordt voldaan, dan zullen, indien die echtgenoot juist niet in de woning wenst te blijven wonen, er dwingende en bijzondere redenen aangevoerd moeten worden om te kunnen bewerkstelligen dat in plaats van geld inbetalinggeving door overdracht van het huis plaatsvindt. 2024 -148- No. 164 22. De ene echtgenoot is aan de andere geen verantwoording over het bestuur van zijn goederen schuldig. Slecht bestuur over die goederen verplicht niet tot schadevergoeding. Aldus artikel 138 lid 1. Op dezelfde wijze als bij de gemeenschap van goederen het geval is (HR 3-12-1971, NJ 1972, 338), bestaat in geval van overeengekomen verrekenbedingen bij huwelijkse voorwaarden geen verplichting tot rekening en verantwoording voor de ene echtgenoot jegens de ander, ook al heeft die ander belang bij een behoorlijk bestuur. Evenmin ontstaat schadeplichtigheid. 23. De in artikel 138 lid 2 neergelegde dwingendrechtelijke bepaling maakt een zeker toezicht op het bestuur van een echtgenoot mogelijk. Artikel 138 lid 2 geldt ook indien slechts een finaal verrekenbeding is afgesproken. Indien een echtgenoot weigert de hier bedoelde opgave te verstrekken, kan de andere echtgenoot ingevolge artikel 139 lid 1 opheffing van de wederzijdse verrekenverplichting verzoeken. Ter wille van de effectiviteit van die controle zullen aan de inhoud van de opgave bepaalde minimumeisen moeten worden gesteld, zoals een behoorlijke specificatie van de goederen en schulden met vermelding van hun eventueel globaal geschatte waarde. De procedure van artikel 138 lid 3 is een EJ-procedure, waarop de artikelen 798 e.v. Rv in verbinding met de artikelen 429a e.v. Rv van toepassing zijn. 24. Keerzijde van het uitgangspunt dat echtgenoten ook in het kader van verrekenbedingen geen rekening en verantwoording kunnen verlangen (artikel 138 lid 1), is dat de verrekenplicht moet kunnen worden beëindigd (wat overigens niet altijd als effectieve sanctie kan worden gezien) ingeval de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, zijn goederen verspilt of weigert de verplichte opgave omtrent zijn te verrekenen inkomsten of vermogen te verstrekken (artikel 138 lid 2). Aldus artikel 139 lid 1. 25. Evenals dat het geval is bij opheffing van de gemeenschap van goederen op de in artikel 109 vermelde gronden, behoort ook bij opheffing van de verrekenplicht een schadevergoedingsverplichting te ontstaan ter zake van benadelende (rechts)handelingen die in de periode gelegen vanaf zes maanden vóór aanvang van indiening van het verzoek tot opheffing zijn verricht (artikel 139 lid 2). Vgl. artikel 111 lid 2, alsmede de artikel 164 en 174. Het gaat hier eveneens om dwingend recht. 26. Op verzoek van de verrekenplichtige echtgenoot kan de rechter wegens gewichtige redenen bepalen dat een verschuldigde geldsom, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de rechter op de belangen van beide partijen. De rechter kan de verrekenplichtige echtgenoot verplichten binnen een bepaalde tijd zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening van de verschuldigde geldsom. Aldus artikel 140 lid 1. Hetgeen in lid 1 omtrent een echtgenoot is bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel (lid 2). Van de leden 1–2 kan niet worden afgeweken (lid 3). 27. De rechter kan ingevolge artikel 140 een betalingsregeling treffen voor de echtgenoot die wegens gewichtige redenen niet in staat is het per saldo verschuldigde bedrag direct in geld te voldoen (vgl. ook artikel 3:185 lid 3 en artikel 4:5). De rechter let op de belangen van beide partijen. De rechter is vrij géén rente of een lagere rente te bepalen dan de wettelijke rente (die overigens zou kunnen worden gematigd: HR 2-3-2001, NJ 2001, 584). De rechter is ook vrij om al dan niet zekerheidsstelling, waarover artikel 6:51, te bevelen. Een situatie als hier bedoeld komt met enige regelmaat voor. Vooral wanneer een echtgenoot een onderneming drijft en de onmiddellijke opeisbaarheid van de verrekenvordering het voortbestaan van het bedrijf op het spel zou zetten, is een dergelijke regeling onontbeerlijk. De regeling geldt evenwel ook voor bijvoorbeeld het geval dat een echtgenoot over de waarde van de echtelijke woning, die geheel op zijn naam staat, dient af te rekenen en zijn inkomenspositie dat niet zonder meer toestaat, terwijl verkoop van de woning, bijvoorbeeld wanneer deze echtgenoot belast is met de opvoeding en verzorging van de kinderen, eveneens op bezwaren zal stuiten. Vgl. HR 16-1-1981, NJ 1981, 312. 2024 -149- No. 164 28. Omdat de regeling van artikel 140 lid 1 geen op zichzelf staand vermogensrecht inhoudt, zal bij overlijden van een echtgenoot niet aanstonds vaststaan, dat deze regeling ook geldt voor de erfgenamen als rechtsopvolgers onder algemene titel. Teneinde dat onomstotelijk vast te leggen is zulks in artikel 140 lid 2 bepaald. Artikel 140 is van dwingend recht ingevolge artikel 140 lid 3. § 2 (Periodieke verrekenbedingen) 1. Artikel 141 voorziet niet in periodieke verrekening van vermogen, aangezien deze in de praktijk van huwelijkse voorwaarden vrijwel niet voorkomt. De inhoudelijke vrijheid van partijen is evenwel niet beperkt tot periodieke verrekening van inkomsten. Het gaat hier immers om regelend recht. 2. De verrekenplicht heeft betrekking op het saldo van de (her)belegging van hetgeen niet verrekend is, dus met inbegrip van beleggingsverliezen (zonder dat overigens in een negatief saldo moet worden bijgedragen). Deze regel correspondeert met de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake niet uitgevoerde verrekenbedingen. Indien partijen tijdens het bestaan van het huwelijk deling van het overgespaarde achterwege laten (hetgeen de praktijk zal zijn), terwijl het recht om verrekening te verlangen blijft bestaan (over verjaring zie artikel 3:321 lid 1 onder a), brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding mee dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven, in de verrekening wordt betrokken. Dit is slechts anders wanneer bij de huwelijkse voorwaarden anders is overeengekomen. Men zie HR 15-2-1985, NJ 1985, 885, HR 7- 4-1995, NJ 1996, 486, HR 19-1-1996, NJ 1996, 617, r.o. 4.4.1, HR 28-3-1997, NJ 1997, 581, HR 3-10- 1997, NJ 1998, 383 en HR 26-10-2001, NJ 2002, 93. In de laatste uitspraak geeft de Hoge Raad de volgende samenvatting en specificering van de eerdere rechtspraak: in aanmerking moest worden genomen `dat partijen aan de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden in zoverre nimmer uitvoering hebben gegeven dat zij tijdens hun huwelijk niet jaarlijks de overgespaarde inkomsten hebben verdeeld en dat zij ook niet een zodanige administratie hebben bijgehouden dat deze verdeling in overeenstemming met de strekking van het overeengekomen verrekenbeding nog zou kunnen plaatsvinden. Aan dit een en ander moet, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen gehouden zijn de vermogensbestanddelen die zij tijdens hun huwelijk hebben verworven en waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij naar de bedoeling van partijen of van een derde zonder enig recht op verrekening behoren tot het vermogen van één van de partijen, alsnog te verdelen alsof deze vermogensbestanddelen aan hen gemeenschappelijk toebehoren. In beginsel en behoudens bewijs van het tegendeel moet in een dergelijk geval immers ervan worden uitgegaan dat partijen deze vermogensbestanddelen hebben verkregen uit of door belegging van overgespaarde inkomsten.’ De periodieke verrekeningsplichten, die niet zijn nageleefd, worden dus omgezet in een finale verrekeningsplicht, waarbij veelal een andere wijze van berekening zal moeten worden toegepast, aldus HR 6-12-2002, NJ 2005, 125. 3. Indien de waarde van een onderneming die gedurende de verrekenperiode is opgebouwd, dan wel de waarde van incourante aandelen daarvan, moet worden verrekend, rijst de vraag op welke wijze die waarde moet worden bepaald. Hiervoor is géén algemeen geldende maatstaf te geven omdat deze afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. Voorts worden de rechtsbetrekkingen tussen de man en de vrouw als deelgenoten mede beheerst door hetgeen voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. Aldus HR 2-3-2001, NJ 2001, 584, in een geval waarin de rentabiliteitswaarde tot basis was genomen (en niet de waarde overeenkomstig de discounted cashflow methode, dan wel de intrinsieke waarde of de liquiditeitswaarde). De lagere rechter had overwogen dat, omdat de broodwinning van de man afhankelijk was van het voortbestaan van het bedrijf, de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrachten dat de vrouw uit dezen hoofde niet meer kreeg dan hetgeen de man met behulp van het bedrijfsvermogen kon financieren zonder het bedrijf buiten staat te stellen een eventuele matige tegenslag in de naaste toekomst te overleven. 2024 -150- No. 164 4. Voor het antwoord op de vraag tot wanneer een periodieke verrekenplicht blijft voortduren, is in artikel 141 lid 2 ervoor gekozen aansluiting te zoeken bij de tijdstippen vermeld in artikel 142, handelende over de tijdstippen waarop de samenstelling en omvang van te verrekenen vermogen in geval van een finaal verrekenbeding worden bepaald. Artikel 141 lid 3 geeft een bewijsregel die beoogt de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen te vergemakkelijken (vgl. HR 28-3-1997, NJ 1997, 581). 5. Indien artikel 141 lid 2 toepassing vindt, dan ligt in de rede dat echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Om die reden is artikel 143 van overeenkomstige toepassing verklaard. 6. Artikel 141 lid 4 verschaft een voorziening in geval een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winst van een niet op zijn naam gevoerde onderneming hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komt. Het gaat dan om een onderneming die in de vorm van een rechtspersoon of vennootschap onder firma wordt gedreven. In dat geval dient voor de uitvoering van een beding dat winsten uit een dergelijke onderneming in de verrekening betrekt, een in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwde winst te worden bepaald. Voor zover deze winst niet is uitgekeerd, dient deze alsnog in de verrekening te worden betrokken. Artikel 141 lid 4 correspondeert met HR 2-3-2001, rov. 3.3, NJ 2001, 583, behoudens dat artikel 141 lid 4 uitgaat van de (jaarlijks) vast te stellen niet- uitgekeerde maar wel uitkeerbare winsten (en niet van een waardestijging van aandelen). 7. In artikel 141 lid 5 is lid 4 van overeenkomstige toepassing verklaard op het geval het gaat om een eenmanszaak. Bij eenmanszaken kunnen zich vergelijkbare problemen voordoen. 8. De verjaring van artikel 141 lid 6 moet worden onderscheiden van in periodieke verrekenbedingen opgenomen vervaltermijnen. Een dergelijk vervalbeding is weliswaar niet nietig wegens strijd met tekst of strekking van artikel 3:320 en 320a (HR 18-2-1994, NJ 1994, 463), maar het zal in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat een echtgenoot er een beroep op doet (HR 19-1-1996, NJ 1996, 617). Immers, een dergelijk beding – aangenomen dat er niet ook een finaal verrekenbeding is opgenomen of geïmpliceerd (zie thans artikel 141 lid 1) ten aanzien van vermogensvermeerdering – ontneemt in belangrijke mate de werking aan de overeengekomen verrekening, terwijl om voor de hand liggende redenen partijen – die zich veelal niet de consequenties bewust zullen zijn van het vervalbeding – in algemeen niet tot verrekening zullen overgaan zolang de huwelijkse samenleving voortduurt. Dit brengt mee dat de partij die zich op het vervalbeding beroept omstandigheden zal moeten stellen en zo nodig bewijzen die dat beroep rechtvaardigen. Deze beslissing van de Hoge Raad komt neer op een omkering van stelplicht en bewijslast. Als voorbeeld van omstandigheden die een beroep op een vervaltermijn rechtvaardigen, kan men denken aan het geval dat partijen ongeveer gelijke inkomsten hebben. Voor een ander voorbeeld zie HR 23-6-2000, NJ 2001, 347 (te late claim achteraf van de vrouw, genereus financieel aanbod van de man). § 3 (Finale verrekenbedingen) 1. Indien ingevolge de gemaakte huwelijkse voorwaarden vermogen behoort te worden verrekend, dient bepaald te worden per welk moment dat dient te geschieden. Dat is zowel van belang voor de bepaling van de samenstelling als ook voor de bepaling van de omvang van het te verrekenen vermogen. In artikel 142 lid 1 is zulks geschied. Onder `samenstelling’ van het te verrekenen vermogen wordt verstaan welke goederen en schulden deel uitmaken van het te verrekenen vermogen. Met `omvang’ van het te verrekenen vermogen: het in geld uitgedrukte bedrag van het verschil tussen de waarde van de te verrekenen goederen en het bedrag van de daarop in mindering te brengen schulden. Indien tot het te verrekenen vermogen geen schulden behoren, is de omvang van de verrekenplicht gelijk aan de waarde van de te verrekenen goederen. Vanaf de in artikel 142 lid 1 genoemde tijdstippen delen partijen niet meer in de waardeontwikkeling van de tot het te verrekenen vermogen behorende goederen. Artikel 142 lid 1 bepaalt niet het tijdstip van opeisbaarheid; vgl. daarvoor HR 6-12-2002, rov++++++. 3.7, NJ 2005, 125). 2024 -151- No. 164 2. In artikel 142 lid 1 wordt voor de bepaling van het tijdstip onderscheid gemaakt tussen enerzijds overlijden en anderzijds echtscheiding of scheiding van tafel en bed en opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening. In het ene geval is het tijdstip van overlijden bepalend (onder a), in het andere geval het tijdstip van indiening van het daartoe strekkende verzoekschrift (onder b–d). In geval van vermissing en een daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap is bepalend het tijdstip waarop de beschikking als bedoeld in artikel 417 lid 1 in kracht van gewijsde is gegaan (onder e). Ingeval van opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening bij huwelijkse voorwaarden is bepalend het tijdstip, bedoeld in artikel 120 lid 1 (onder f). 3. Artikel 142 lid 2 bepaalt dat bij op schrift gestelde overeenkomst van de tijdstippen in lid 1 onder b tot en met d bepaald, kan worden afgeweken. Dat betekent dat het voor dit geval niet nodig is om huwelijkse voorwaarden te maken (wijzigen). 4. Essentieel voor de uitvoering van overeengekomen huwelijkse voorwaarden is dat echtgenoten elkaar alle benodigde gegevens verschaffen om de verrekenvordering over en weer te kunnen vaststellen. Zie artikel 143. De regeling is van dwingend recht (artikel 143 lid 4), aangezien geen verrekenbeding ten volle uitvoerbaar zou zijn, indien de verschaffing van openheid van zaken over en weer niet afdwingbaar zou zijn. 5. De rechter die een echtscheiding uitspreekt kan voorzieningen treffen met betrekking tot de verrekening (artikel 827 lid 1 aanhef en onder b Rv). Andere bepalingen van Boek 3, titel 2, afdeling 5 Rv dan (krachtens artikel 143 lid 2) artikel 671-676 Rv en 679 Rv zijn echter niet rechtstreeks van toepassing op de afwikkeling van een verrekenbeding. Evenals ten aanzien van artikel 140 lid 1, zal ten aanzien van artikel 143 bij overlijden van een echtgenoot niet aanstonds vaststaan, dat de regeling ook geldt voor de erfgenamen omdat zij geen op zichzelf staand vermogensrecht inhoudt. Teneinde dat onomstotelijk vast te leggen is zulks in artikel 143 lid 3 bepaald. TITEL 9 (ONTBINDING VAN HET HUWELIJK) Afdeling 1 (Ontbinding van het huwelijk in het algemeen) Hierin zijn geen belangrijke wijzigingen aangebracht. Afdeling 2 (Echtscheiding) Het echtscheidingsrecht is recentelijk herzien met de wet Herziening Huwelijksrecht 1973, GB 1973 no. 140. Daarbij is één echtscheidingsgrond ingevoerd, te weten de duurzame ontwrichting van het huwelijk. Het schuldbeginsel is in het onderhavige ontwerp echter volledig komen te vervallen, niet alleen wat betreft het verzoek tot echtscheiding (artikel 151; vgl. artikel 263 van het huidige BW), maar ook wat betreft het nabestaandenpensioen (artikel 153) en het recht op alimentatie (artikel 157; zie hierna; vgl. artikel 264 lid 2 onder b, van het huidige BW). De betekenis van het pensioenverweer van artikel 153 is overigens niet groot door de werking van artikel 14 van de Wet pensioenfondsen en voorzieningenfondsen en vergelijkbare bepalingen in pensioenreglementen. Alimentatie De rechter kan aan een echtgenoot op diens verzoek een uitkering tot levensonderhoud toekennen ten laste van de andere echtgenoot (artikel 157, eerste lid). De rechter heeft hierbij - gelet op het woord ‘kan’ - grote vrijheid. Het recht op alimentatie is niet langer gekoppeld aan de vraag wie het initiatief tot de echtscheidingsprocedure heeft genomen en niet langer komt de plicht alimentatie te verstrekken uitsluitend te rusten op een echtgenoot aan wiens (gestelde) schuld de ontwrichting te wijten is. Het is veelal onmogelijk vast te stellen of van schuld sprake is en wie de schuldige is. Bovendien is denkbaar dat de ontwrichting van het huwelijk aan beide partijen in meer of mindere mate is toe te rekenen. De toewijzing van de minderjarige kinderen is reeds eerder 2024 -152- No. 164 losgemaakt van het schuldbeginsel. Ook heeft de Hoge Raad onder het oude Nederlandse recht de mogelijkheid erkend dat op de echtgenoot op wiens vordering het huwelijk is ontbonden, de morele verplichting rust na de scheiding in het onderhoud van de ‘schuldige’ echtgenoot bij te dragen, welke verplichting zo dringend kan zijn dat zij als een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt (HR 4-6-1965, NJ 1965, 277). Wel kan in het nieuwe thans voorgestelde stelsel, behalve met behoeften en draagkracht ook rekening worden gehouden met niet-financiële factoren als wangedrag van degene die alimentatie verzoekt, duur van de samenleving enz. (artikel 397 lid 1 is niet van toepassing, althans niet uitputtend). Limitering van alimentatie 1. Goed onderscheiden moet worden enerzijds de rechterlijke limitering (beëindiging) van de uitkering tot levensonderhoud (geregeld in artikel 157 lid 3) en anderzijds de rechterlijke nihil stelling van de uitkering (niet in artikel 157 geregeld). De tweede figuur doet zich voor indien de rechter bij de vaststelling of wijziging van een uitkering een redelijke mate van zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen en hij reeds op voorhand daarmee aldus rekening houdt dat de uitkering op een toekomstig tijdstip op nihil wordt vastgesteld (HR 30-1-2004, NJ 2004, 294). Deze vaststelling kan wel – in tegenstelling tot de limitering – later, op de voet van artikel 401 lid 1, eerste volzin, of artikel 401 lid 4, worden gewijzigd indien de door de rechter verwachte omstandigheid zich niet heeft voorgedaan. Bij deze vaststelling gelden ook niet de hierna te noemen hoge eisen aan stelplicht van de alimentatieplichtige en motivering van de rechter (HR 12-5-2006, NJ 2006, 292); evenmin is een verzoek van de alimentatieplichtige vereist. 2. Wat betreft de echte limitering geldt het volgende. De rechter kan de alimentatie in de tijd beperken (artikel 157 lid 3, eerste volzin), al dan niet in de vorm van een geleidelijke vermindering tot nihil. Hierbij denke men aan het geval dat verwacht mag worden dat de alimentatiegerechtigde na afloop van de gestelde termijn op passende wijze in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. 3. Ook hier kunnen echter niet-financiële factoren een rol spelen, als bijvoorbeeld de voorgeschiedenis van de echtscheiding. De door de rechter vastgestelde voorwaarden of termijn kunnen niet ertoe leiden dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaar na de echtscheiding, preciezer: twaalf jaar na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (artikel 157 lid 3, tweede volzin). De door de rechter vastgestelde termijn is in beginsel niet vatbaar voor wijziging op grond van gewijzigde omstandigheden (artikel 401 lid 1, tweede volzin), hetgeen, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, impliceert dat voor de rechter hoge motiveringseisen gelden. Wijziging is alleen mogelijk in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd (artikel 401 lid 2) of indien de rechterlijke uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 401 lid 4). 4. Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de alimentatieplicht van rechtswege twaalf jaar na echtscheiding (artikel 157 lid 4). De wettelijke limitering is bedoeld om de duidelijkheid en rechtszekerheid te vergroten en in verband daarmee om tot grotere acceptatie van de alimentatieplicht - die immers meer overzienbaar is - te komen. 5. Verlenging van de termijn van twaalf jaar is mogelijk indien ongewijzigde handhaving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd (artikel 157 lid 5). De gekozen formulering sluit aan bij die van artikel 159 lid 3 en artikel 401 lid 2, behoudens dat hier geen wijziging van omstandigheden nodig is. De gevolgen van beëindiging van de uitkering moeten van ingrij- pende aard zijn. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, zal zowel op de belangrijke financiële achteruitgang als op de bijzondere omstandigheden van het geval acht moeten worden geslagen. De bijzondere omstandigheden moeten door de verzoekende alimentatiegerechtigde worden gesteld en doorgaans ook worden bewezen. De omstandigheden dienen in onderlinge samenhang te worden gewogen, echter mede tegen de achtergrond van de limiteringsgedachte die thans uitdrukkelijk in de wet wordt neergelegd. 2024 -153- No. 164 6. Onder meer kan worden gedacht aan: a. de mogelijkheden van de alimentatiegerechtigde, mede gelet op diens leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond, om zich in twaalf jaar een eigen inkomen te verwerven en of zulks kan worden gevergd; b. de verwachtingen van partijen toen zij huwden, waarbij mede van belang is de tijd waarin het huwelijk werd gesloten en de opvattingen, waaronder die van religieuze aard, die partijen destijds hadden; c. de in het huwelijk aangehouden rolverdeling; d. de duur van het huwelijk; e. de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet - het aantal en de leeftijd der kinderen mede in aanmerking genomen - om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewe- zen echtgenoot zou verschaffen; f. het eventueel ontbreken van oorzakelijk verband tussen huwelijk en behoeftigheid; g. de hoogte van de alimentatie en daarmee de grootte van de terugval na beëindiging; h. het bestaan van een convenant zonder termijn, met een beding van niet-wijziging als bedoeld in artikel 159 (zodat moet worden aangenomen dat partijen de onveranderlijkheid van de alimentatieplicht voorop hebben gezet). 7. Voor korte - minder dan vijf jaar geduurd hebbende - kinderloze huwelijken is een speciale regeling ge- troffen, erop neerkomend dat de alimentatieplicht in beginsel van rechtswege eindigt na een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk; hier bestaat echter eenzelfde verlengingsmogelijkheid als na twaalf jaar bij andere huwelijken (artikel 157 lid 6). 8. In de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba is in het kader van de overgangswetgeving bepaald dat deze nieuwe regeling niet van toepassing is op huwelijken die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van deze wet en in scheiding zijn geëindigd. Dit voorbeeld zal in de ontwerp-overgangswetgeving worden gevolgd. Echtscheidingsconvenant 1. Partijen kunnen in een echtscheidingsconvenant afspraken maken over de gevolgen van de echtscheiding, waaronder de alimentatie (artikel 158, eerste volzin). Indien daarin geen termijn voor de alimentatie wordt vastgesteld, eindigt de alimentatieplicht van rechtswege na twaalf jaar, behoudens wederom een rech- terlijke verlenging indien beëindiging zo ingrijpend is dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd (artikel 158, tweede volzin). 2. Indien in het convenant wel een termijn is afgesproken, dan is wijziging op grond van gewijzigde omstandigheden in beginsel niet mogelijk (artikel 401 lid 1, tweede volzin). Wijziging is alleen mogelijk in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd (artikel 401 lid 2) of indien de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 401 lid 5). 3. Partijen die een echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen, kunnen ook een beding van niet-wijziging maken (artikel 159 lid 1). Dit beding is slechts aantastbaar op grond van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden (artikel 159 lid 3). Gelet op artikel 401 lid 1, tweede volzin (zie onder 14), heeft dit beding van niet-wijziging slechts betekenis voor andere elementen dan de afgesproken termijn van een alimentatieplicht, bijvoorbeeld de hoogte van de alimentatie. 2024 -154- No. 164 Hertrouwen en gelijkgesteld concubinaat De alimentatieplicht eindigt van rechtswege bij hertrouwen van de alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot of bij het gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd (artikel 160), aldus ook reeds de wet Herziening Huwelijksrecht 1973, GB 1973 no. 140. Bij convenant kan van artikel 160 worden afgeweken (HR 31-10-1975, NJ 1976, 497 en HR 22-7-1981, NJ 1982, 12). Aan het ‘samenleven als ware men gehuwd’ - waardoor het recht op onderhoud jegens de ex-echtgenoot definitief eindigt zonder dat een recht jegens de nieuwe partner ontstaat – moeten strenge eisen worden gesteld (vgl. onder meer HR 25-11-1994, NJ 1995, 300). Een relatie die niet valt onder artikel 160, kan uiteraard wel tot kostenbesparingen leiden en daardoor de behoeftigheid van de alimen- tatiegerechtigde verminderen (HR 7-10-1994, NJ 1995, 61). Gebruik woning 1. Afgezien van voorlopige voorzieningen tijdens de echtscheidingsprocedure, kan de rechter bepalen dat een der echtgenoten nog negen maanden na de echtscheiding mag blijven wonen in een woning die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt (artikel 165). Deze termijn van voortgezette bewoning correspondeert met de termijn van artikel 4:28 lid 1. 2. De bevoegdheid van de rechter om te bepalen dat een der echtgenoten na de scheiding nog negen maanden mag blijven wonen – tegen een redelijke gebruiksvergoeding – in een woning die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, wordt ook gegeven ten behoeve van informeel samenlevenden, mits het samenleven ten minste tien jaren heeft geduurd. Deze termijn van voortgezette bewoning van negen maanden correspondeert in het erfrecht met de termijn van artikel 4:28 lid 1 in verbinding met artikel 4:30b. Gaat het om een huurwoning, dan biedt het huurrecht al bescherming. Zie Y. Baal, Surinaams Juristenblad, december 2019, p. 79 e.v. Pensioenverrekening 1. Het recht op ouderdomspensioen en op weduwepensioen (met uitzondering van de algemene wettelijke ouderdomspensioenen en nabestaandenpensioenen) maken, blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad, deel uit van de huwelijksgemeenschap (HR 27-11-1981, NJ 1982, 503, Boon/Van Loon). Bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap dient een waarde verrekening bij helfte ten gunste van de andere echtgenoot plaats te vinden. De pensioenrechten moeten in het algemeen in aanmerking worden genomen voor het gedeelte dat op het tijdstip van de echtscheiding was opgebouwd, dus inclusief het gedeelte dat reeds vóór het huwelijk was opgebouwd. De omvang en de wijze van verrekening worden bepaald door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Verrekening als hiervoor bedoeld vindt niet plaats als de gemeen- schap wordt ontbonden door de dood van een der echtgenoten. Indien bij huwelijkse voorwaarden de gemeenschap van goederen is uitgesloten, bestaat dus na scheiding geen recht op pensioenverrekening, ook niet als een verrekenbeding als bedoeld in titel 8, afdeling 2 (de artikelen 132 e.v.) is overeengekomen; men zie HR 19-1-1996, NJ 1996, 686 en HR 28-3-1997, NJ 1997, 581. 2. In Nederland is bij aparte wetgeving – dus buiten het BW – een stelsel van pensioenverevening (terminologisch te onderscheiden van: pensioenverrekening) in het leven geroepen, dat onafhankelijk is van het huwelijksgoederenregiem, maar dat enkel de pensioenopbouw tijdens huwelijk betreft (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van 28-4-1994, Stb. 342). Zou Suriname vergelijkbare wetgeving tot stand willen brengen, dan vereist zulks wel intensief overleg met de pensioenfondsen. 2024 -155- No. 164 TITEL 10 (SCHEIDING VAN TAFEL EN BED EN ONTBINDING VAN HET HUWELIJK NA SCHEIDING VAN TAFEL EN BED) Afdeling 1 (Scheiding van tafel en bed) 1. De mogelijkheid van scheiding van tafel en bed blijft bestaan als dienstig voor hen die uit geloofs- overwegingen of om andere redenen tegen echtscheiding onoverkomelijke bezwaren hebben. De grond is dezelfde als bij echtscheiding, te weten duurzame ontwrichting van het huwelijk (artikel 169 lid 1). Hier geldt het nabestaandenpensioenverweer van artikel 153 niet (artikel 169 lid 2). 2. In verband met de rechtszekerheid geldt voor de werking van zowel de scheiding van tafel en bed als een eventuele verzoening, de inschrijving in het huwelijksgoederenregister als constitutief vereiste. Men zie de artikelen 173 en 177. Afdeling 2 (Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed) 1. Drie jaar na de scheiding van tafel en bed kan op eenzijdig verzoek ontbinding van het huwelijk worden uitgesproken (artikel 179 lid 1); bij gedurig wangedrag van de andere echtgenoot wordt deze termijn verkort tot een jaar (artikel 179 lid 2). Voor de ontbinding geldt het pensioenverweer weer wel (artikel 180). Bij een gemeenschappelijk verzoek om ontbinding geldt geen termijn (artikel 181). 2. Indien de echtgenoten gescheiden zijn van tafel en bed is de enige mogelijkheid om het huwelijk te beëindigen de in deze afdeling geregelde ontbinding (vgl. artikel 150). Echtscheiding is echter wel mogelijk als het verzoek daartoe is gedaan voordat de scheiding van tafel en bed tot stand kwam (HR 19- 12-1975, NJ 1976, 537). TITEL 11 (AFSTAMMING) Wat betreft de erkende buiten huwelijk geboren kinderen is in de Wet Opheffing onderscheid wettige en natuurlijke kinderen (SB 2000, no. 6) een gelijkstelling gerealiseerd. Het onderhavige nieuwe afstammingsrecht bouwt daarop voort. De oude defamerende terminologie ‘wettig’ en ‘onwettig’ is komen te vervallen. De mogelijkheden van ontkenning van het vaderschap zijn verruimd, mede gelet op het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 27 december 1994 in de zaak Kroon v. the Netherlands (NJ 1995, 248). Het stelsel van erkenning is wat betreft de verwekker versoepeld, wederom in verband met de rechtspraak vanuit Straatsburg, en wat betreft de niet-verwekker strikter geworden. Belangrijk tenslotte is de introductie van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Afdeling 1 Algemene bepalingen (artikelen 197 tot en met 199)

  448. Artikel 197 In deze bepaling komt tot uitdrukking tussen wie – in wederkerigheid – een juridische afstammingsband bestaat. De termen wettig, onwettig en natuurlijk kind zijn vervallen; daarvoor in de plaats treedt het al dan niet in familierechtelijke betrekking staan tot een ouder. Artikel 198 Moeder is de vrouw die het kind heeft gebaard ook al is het genetisch materiaal afkomstig van een andere vrouw (eiceldonatie). De zwangerschap en geboorte zijn hiervoor voldoende grond.

  449. Artikel 199 In de onderdelen a en b is – in tegenstelling tot de onderdelen c, d en e – sprake van door huwelijk ontstaan vaderschap. 2024 -156- No. 164 a. Huwelijk met de moeder ten tijde van de geboorte. Het gaat hier om het oude wettelijke vermoeden ‘pater est quem nuptiae demonstrant’ (vert. ‘vader is degene die door het huwelijk wordt aangewezen’). De uitzondering voor het geval dat de moeder binnen de maximale conceptieperiode weduwe was, hangt samen met het vervallen van het treurjaar. Ook een zwangere weduwe is bevoegd in het huwelijk te treden, maar haar kind zal in beginsel kind zijn van de overleden man (zie onderdeel b). Indien evenwel het kind pas na het overlijden is verwekt of vóór het overlijden maar niet door de overleden man, kan ontkenning van het vaderschap uitkomst bieden. b. Overlijden van de echtgenoot vóór de geboorte. Dat slechts ontbinding van het huwelijk door de dood in beginsel tot vaderschap van de gewezen echtgenoot leidt, is een voor de praktijk belangrijke verandering. Is dus het huwelijk in de maximale conceptieperiode ontbonden door echtscheiding, dan wordt de voormalige echtgenoot geen vader, ook niet indien de moeder niet hertrouwd is. Deze regel sluit aan bij de overgrote meerderheid van de gevallen. Veelal gaat aan de echtscheiding een periode van gescheiden wonen vooraf en is de voormalige echtgenoot niet de verwekker. Mocht hij dat wel zijn, dan kunnen familierechtelijke betrekkingen ontstaan door erkenning. In dit verband is van belang, dat de Hoge Raad in een uitspraak van 3-4-1992, NJ 1993, 286 een ‘afgedwongen erkenning’ niet uitgesloten heeft geacht, waarbij zo nodig de rechterlijke uitspraak de plaats kan innemen van een erkenningsakte (artikel 3:300). Het onderhavige onderdeel b voorziet erin dat, indien de moeder en haar overleden echtgenoot sedert het begin van de maximale zwangerschapsperiode gescheiden leefden of er sprake was van scheiding van tafel en bed, de moeder binnen een jaar na de geboorte ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is. In deze situatie is het immers aannemelijk dat het kind verwekt is door een andere man. Was deze moeder die de verklaring aflegt hertrouwd, dan is, in overeenstemming met het bepaalde in onderdeel a, haar huidige echtgenoot de vader. c. Erkenning. Zie de toelichting bij de artikelen 203 tot en met 206. d. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Zie de toelichting bij de artikelen 207 en 208. e. Adoptie. Zie de toelichting bij de nieuwe titel 12 (artikelen 227 tot en met 232).

  450. Artikel 199a Deze bepaling ontbreekt in Nederland. Denkbaar is dat de termijn verstreken is, maar dat alle betrokkenen - juridische vader, moeder, verwekker, kind (vertegenwoordigd door een bijzonder curator) - wensen dat de juridische betrekkingen met de biologische en sociale realiteit in overeenstemming worden gebracht en dat daaraan geen gewichtige redenen in de weg staan. In de praktijk doen deze gevallen zich regelmatig voor. De onderhavige bepaling geeft de rechter in dergelijke gevallen de benodigde ruimte.

  451. Artikel 199b In artikel 199b wordt het recht erkend van elk kind om zijn biologische afstamming te kennen. Men zie artikel 7 lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (‘Het kind heeft ... heeft ... voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen ...’), alsmede het arrest van de Hoge Raad van 15-4-1994, NJ 1994, 608 (Valkenhorst). In dit arrest overweegt de Hoge Raad dat het recht om te weten van welke ouders men afstamt niet absoluut is. Het moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in een gegeven geval zwaarder wegen. Men denke onder meer aan een eventuele geheimhoudingsplicht van een hulpverlener. Wat betreft het recht op bescherming van het privéleven der ouders zelf, is evenwel een belangrijke factor dat de ouders verantwoordelijk zijn voor het bestaan van het kind. Het gaat hier om het biologisch ouderschap, zodat dit recht om te weten ook voor binnen huwelijk geboren en buiten huwelijk geboren erkende kinderen betekenis heeft, alsmede uiteraard voor geadopteerde kinderen. Het recht om te weten dient echter goed onderscheiden te worden van het recht tot een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, welk recht in artikel 207 e.v. wordt geregeld. 2024 -157- No. 164 Afdeling 2 Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap (artikelen 200 tot en met 202)

  452. Artikel 200 1. In dit artikel komt het begrip ‘biologische vader’ voor. Deze term dient te worden onderscheiden van de term ‘verwekker’. Het begrip biologische vader is ruimer; het omvat de verwekker. Verwekker is de man die met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan. Daarentegen is de donor in geval van kunstmatige inseminatie wel biologische vader, maar geen verwekker. Jegens hem is geen plaats voor een verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage (artikel 394). Ook kan hij geen vervangende toestemming van de rechter krijgen om het kind te erkennen (artikel 204 lid 3). 2. Het door huwelijk ontstane vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader is, worden ontkend door de vader of de moeder (artikel 200 lid 1, aanhef en onderdeel a). In tegenstelling tot wat tevoren gold, zijn de mogelijkheden van aantasting van het door huwelijk ontstane vaderschap voor de vader en de moeder zoveel mogelijk gelijkgetrokken. De termijn is dezelfde, al verschilt het beginpunt (artikel 200 lid 5), rechterlijke interventie is in beide gevallen voorgeschreven (idem), de ontkenning hoeft in geen der gevallen gepaard te gaan met een erkenning door een andere man en voorafgaande echtscheiding is in geen der twee gevallen voorwaarde (vergelijk Europese Hof voor de rechten van de mens 27-10-1994, Kroon v. the Netherlands, NJ 1995, 248). De bestaande anachronistische bewijsregels zijn afgeschaft. De rechter kan zo nodig ambtshalve een deskundigenonderzoek bevelen (artikel 134 in verbinding met artikel 173 van het ontwerp van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het gaat hier om een rechtsgevolg dat niet ter vrije beschikking van partijen staat. 3. De mogelijkheid dat ook het kind het door huwelijk ontstane vaderschap kan ontkennen, is nieuw. Ook aldus wordt tegemoetgekomen aan genoemd arrest Kroon (NJ 1995, 248) van het Europese Hof voor de rechten van de mens. Bovendien is moeilijk te verdedigen dat, zoals in het huidige recht, een erkend kind wel en een huwelijks kind niet het vaderschap kan aantasten. De aantastingsmogelijkheid heeft het kind ook in geval van kunstmatige inseminatie; artikel 200 lid 3 geldt immers slechts voor de ouders. Het minderjarige kind wordt vertegenwoordigd door een bijzondere curator (artikel 212). Door de Surinaamse rechter is reeds geoordeeld dat, op grond van de mensenrechten, het kind onder omstandigheden de mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap heeft (Kantonrechter, eerste kanton, 17-6-2008, AR no. 051963). 4. Aan het kind staat een termijn van drie jaar ter beschikking; deze begint nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Tot de dertigste verjaardag kan het kind echter zonder meer het vaderschap ontkennen. Daarna wordt het geacht voldoende rijpheid te hebben en het vermoeden in voldoende mate verwerkt te hebben om aan drie jaar genoeg te hebben, mede gelet op de rechtszekerheid. Aldus artikel 200 lid 6. In Nederland is de termijn drie jaar, maar deze lijkt te kort. Door het Gerechtshof te Amsterdam is op 6 november 1997 (NJB 1997, p. 1953) een herroeping van een adoptie (te vergelijken met ontkenning van het vaderschap) toegestaan, hoewel het kind ouder was dan eenentwintig jaar.

  453. Artikel 201 In deze bepaling wordt de situatie geregeld dat degene die het vaderschap kon aantasten (vader, moeder of kind) binnen de daarvoor gestelde termijn is overleden. 2024 -158- No. 164

  454. Artikel 202 De ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap heeft - evenals de vernietiging van een erkenning (artikel 206) - terugwerkende kracht tot de geboorte van het kind, maar in verband met de rechtszekerheid zijn de gevolgen daarvan vergaand beperkt. Voor de tweede volzin van lid 3 vergelijke men artikel 3:45, leden 3 en 5. Zij verzacht de vermogensrechtelijke gevolgen van de vernietiging, zodat niet behoeft te worden teruggegeven wat intussen reeds verbruikt of verteerd is. De bepaling kan van belang zijn voor bijvoorbeeld een erfenis waarop het kind ten gevolge van de erkenning recht had gekregen. De hier gehanteerde term ‘gebaat zijn’ dient te worden onderscheiden van de term ‘ten voordeel strekken’. De eerste duidt op al wat in het vermogen van de ontvanger is gevloeid en daarin nog in de een of andere vorm aanwezig is, de tweede omvat hetgeen door of voor hem op nuttige wijze is besteed, bijvoorbeeld mede voor opvoeding en ontwik- keling (Parl. Gesch. Aanpassing, Inv. 3, 5 en 6, p. 74 en 75). Afdeling 3 Erkenning (artikelen 203 tot en met 206)

  455. Artikel 203 1. Erkenning kan slechts geschieden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, niet ook bij een notaris, aldus lid 1. Zowel binnen kringen van de burgerlijke stand als notariaat wil men af van erkenningen bij de notaris. Veel notarissen verwijzen steevast naar de burgerlijke stand. Door de introductie van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan overigens indien erkenning achterwege is gebleven het kind na overlijden een vader krijgen. 2. Een erkenning heeft geen terugwerkende kracht. Denkbaar is immers dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind. 3. Erkenning kan, gelet op artikel 2, reeds vóór de geboorte geschieden. In dat geval doet de erkenning op het moment van geboorte – aangenomen dat het kind levend geboren wordt – de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind ontstaan. 4. Hij die onder curatele staat kan slechts erkennen met toestemming van de rechter in eerste aanleg, ongeacht de gronden der curatele; men zie het nieuwe artikel 382 met de daarbij behorende toelichting.

  456. Artikel 204 Lid 1 onder a tot en met g bevat de nietigheidsgronden voor erkenning. a. Te nauwe bloedverwantschap. Deze nietigheidsgrond dient de goede zeden en het belang van het kind. b. Te jonge leeftijd. Deze bepaling hangt samen met artikel 31 (huwelijksleeftijd). c. Ontbreken toestemming moeder. Bij gebreke van toestemming – men denke aan weigering, geestelijke stoornis of de dood van de moeder – kan deze onder bepaalde voorwaarden door de toestemming van de rechter worden vervangen (artikel 204 lid 3). d. Ontbreken toestemming van een ouder kind. De leeftijd van twaalf jaar sluit aan bij die in het nieuwe artikel 228 lid 1 onderdeel a (tegenspraak tegen adoptie), en in artikel 809 van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de erkenning van kinderen tussen twaalf en zestien jaar is toestemming van zowel het kind als de moeder nodig. Ook de toestemming van het kind kan onder omstandigheden door die van de rechter worden vervangen (artikel 204 lid 3). Toestemming van het kind, gegeven tijdens diens minderjarigheid, staat aan een latere vernietiging door het kind op de grond dat de man niet de biologische vader is, niet in de weg (artikel 205 lid 1 onderdeel a). e. Erkenning na geboorteaangifte. Dit onderdeel beoogt, met het volgende, het verschijnsel van schijnerkenningen, waarbij het oogmerk uitsluitend of overwegend is de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit, of althans de toegang in Suriname. Het komt voor dat een Surinaamse man, op aandrang van een buitenlandse vrouw, in het buitenland woonachtige kinderen erkent die hij nimmer heeft ontmoet. Ingevolge onderdeel e zal zulks in zo’n geval pas mogelijk zijn nadat hij een nauwe persoonlijke betrekking met de kinderen heeft opgebouwd, bijvoorbeeld doordat zij bij hem wonen. Een man die de biologische vader is van een kind heeft zonder meer het recht dit te erkennen. Een bijzondere regel is echter gegeven ten aanzien van 2024 -159- No. 164 de gehuwde man. Een gehuwde man kan – met name in verband met het recht en belang van het kind om een vader te krijgen – een kind erkennen: indien hij de biologische vader is en bovendien een nauwe persoonlijke betrekking heeft opgebouwd met het kind. Door de Surinaamse rechter is overigens reeds op grond van de mensenrechten geoordeeld dat het absolute verbod voor de gehuwde man om te erkennen buiten toepassing moet worden gelaten (Kantonrechter, eerste kanton, 4-3-2003, AR no. 030754, Surinaams Juristenblad 2003, afl. 3, p. 50 e.v., m.nt. FK). f. Kind heeft vader. Deze nietigheidsgrond spreekt van zelf. Zie ook artikel 207 lid 2 onder a, ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. g. Klein leeftijdsverschil. Onderdeel g betreft erkenningen door mannen die niet veel ouder zijn dan het kind. Een dergelijke erkenning moet in beginsel in strijd met de openbare orde worden geacht, zoals bedoeld in artikel 18b lid 2, maar om elke twijfel uit te sluiten is onderdeel g voorgesteld. Indien de man de verwekker is van het kind geldt dit erkenningsbeletsel niet. Voorts verdient de aandacht artikel 382, waaruit moet worden afgeleid dat een erkenning door een curandus zonder toestemming van de rechter nietig is; vergelijk ook artikel 204 lid 4, Ned.BW.

  457. Artikel 205 De regeling van de vernietiging van een erkenning door het kind correspondeert met die van de ontkenning door het kind van het huwelijkse vaderschap (artikel 200, leden 1 en 6); men zie aldaar. Verder is vernietiging door de erkenner en door de moeder die toestemming gaf geregeld in geval van wilsgebreken. Ingevolge lid 2 kan het Openbaar Ministerie wegens strijd met de openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning vorderen. Deze mogelijkheid bestaat reeds onder het huidige recht (mits geen wettiging was gevolgd). Men denke hier aan schijnerkenningen en extreme leeftijdsverschillen; voorts aan het geval dat de man tot erkenningen overgaat met geen ander doel dan zijn erfgenamen dwars te zitten. Vergelijk ook artikel 18b lid 2: de ambtenaar van de burgerlijke stand moet weigeren een erkenningsakte op te maken indien hij van oordeel is, dat de openbare orde zich daartegen verzet. Tenslotte zij vermeld dat een erkenning door een curandus zonder toestemming van de rechter (zie artikel 382) nietig is en niet vernietigbaar.

  458. Artikel 206 Deze regeling correspondeert met die van artikel 202; men zie aldaar. Afdeling 4 Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap (artikelen 207 tot en met 208) 1. Het is naar de mening van de regering een zaak van rechtvaardigheid dat een vaderloos kind, wiens verwekker niet tot erkenning wenst over te gaan, via de rechter het vaderschap gerechtelijk kan doen vaststellen, met in beginsel alle juridische gevolgen van dien. De verwekker draagt immers verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind; en het kind zelf heeft in het geheel geen schuld aan zijn vaderloze juridische staat. Weliswaar kan naar huidig recht de verwekker tot levensonderhoud van het kind tot éénentwintig jaar worden veroordeeld, maar daar blijft het bij. Zijn naam wordt niet toegevoegd aan de geboorteakte van het kind en hij geldt niet als ‘vader’ of ouder’ in de zin van de wet. In artikel 199b is in verband met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind uitdrukkelijk in de wet opgenomen dat ieder kind het recht heeft voor zover mogelijk zijn vader te kennen. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is de volgende stap. Door het grote aantal vaderloze kinderen in Suriname is het onderhavige voorstel van groot maatschappelijk gewicht. 2024 -160- No. 164 2. Alle Europese landen kennen inmiddels de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en ook in de Anglo-Amerikaanse rechtskring, waaronder op veel landen in het Caraïbisch gebied, kan in het algemeen een vaderloos kind vragen om een ‘declaration of paternity’. Wat betreft de Commonwealth Caribbean, heeft de Status of Children Act van Jamaica (1976) tot voorbeeld heeft gediend; vergelijkbare wetgeving geldt thans in tien van de dertien landen [The Law Reform (Illegitimacy) Ordinance 1982, Anguilla; Status of Children Act 1986, Antigua; The Status of Children Act (2002), Bahamas; Status of Children (Reform) Act 1979, Barbados; Families and Children Act 1998, Belize; Status of Children Act 1991, Grenada; Children Born out of wedlock (Removal of Discrimination) Act 1983, Guyana; Status of Children Act 1976, Jamaica; Status of Children Act 1983, St. Kitts and Nevis; Status of Children Act 1980, St. Vincent and the Grenadines; Status of Children Act 1981, Trinidad and Tobago]. In de grote meerderheid van deze wetgevingen wordt voorzien in de mogelijkheid van een ‘declaration of paternity’ (waarom iedereen met een ‘proper interest’ kan vragen) ongeacht overlijden van vader of kind, maar in de Bahamas moeten vader en kind nog in leven zijn; en in Belize kan het verzoek slechts worden gedaan in beginsel vijf jaar na de geboorte. Al met al kan worden geconcludeerd dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap een hoog ‘Caribisch gehalte’ heeft en aansluit bij de omringende sociale en culturele werkelijkheid. 3. Op goede gronden kan worden betoogd dat het ontbreken van de mogelijkheid van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap strijd oplevert met het recht op respect voor ‘private life’, alsmede met het discriminatieverbod (artikelen 17 en 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten). In het Marckx-arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 13 juni Hof voor de rechten van de mens uitgesproken dat de onwettige familie op dezelfde voet de bescherming van artikel 8 EVRM verdient als de wettige. Voorts verbieden de mensenrechtenverdragen discriminatie naar geboorte (‘birth’). In het arrest Mikulić v. Croatia van 7 februari 2002 overwoog het Hof ten aanzien van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, in verband met het recht op eerbiediging van ‘private life’, het volgende: ‘(51) As regards paternity proceedings, the Court has held on numerous occasions that such proceedings do fall within the scope of Article 8 (see, for example, Rasmussen v. Denmark, [NJ 1986, 41], § 33, and Keegan v. Ireland, [NJ 1995, 247], § 45). In this connection, the Court has held that the notion of ‘family life’ in Article 8 is not confined solely to marriage-based relationships but may also encompass other de facto ‘family ties’ where sufficient constancy is present (see, for example, Kroon and Others v. the Netherlands, [NJ 1995, 248], § 30). (52) The present case differs from the paternity cases cited above in so far as no family tie has been established between the applicant and her alleged father. The Court reiterates, however, that

  459. Article 8, for its part, protects not only ‘family’ but also ‘private’ life. (53) Private life, in the Court’s view, includes a person’s physical and psychological integrity and can sometimes embrace aspects of an individual’s physical and social identity. Respect for ‘private life’ must also comprise to a certain degree the right to establish relationships with other human beings (see, mutatis mutandis, Niemietz v. Germany, [NJ 1993, 400], § 29). There appears, furthermore, to be no reason of principle why the notion of ‘private life’ should be taken to exclude the determination of the legal relationship between a child born out of wedlock and her natural father. (54) The Court has held that respect for private life requires that everyone should be able to establish details of their identity as individual human beings and that an individual’s entitlement to such information is of importance because of its formative implications for his or her personality (see Gaskin v. the United Kingdom, [NJ 1991, 659], § 39). (55) In the instant case the applicant is a child born out of wedlock who is seeking, by means of judicial proceedings, to establish who her natural father is. The paternity proceedings which she has instituted are intended to determine her legal relationship with H.P. through the establishment of the biological truth. Consequently, there is a direct link between the establishment of paternity and the applicant’s private life. The facts of the case accordingly fall within the ambit of Article 8.’ 2024 -161- No. 164 4. Uit dit arrest Mikulić kan worden afgeleid dat zonder gerechtelijke vaststelling van het vaderschap er sprake is van een inbreuk op ‘private life’ van het kind. Daarbij komt dat op goede gronden kan worden volgehouden dat het buitenhuwelijkse niet-erkende kind wordt achtergesteld bij het huwelijkse en het buitenhuwelijkse erkende kind, zonder dat hiervoor voldoende rechtvaardiging is, zodat sprake is van discriminatie. In dit verband is de volgende uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van belang: ‘The question of equality between children born in and children born out of wedlock as regards their civil rights is today given importance in the member States of the Council of Europe. (...) Very weighty reasons would accordingly have to be advanced before a difference of treatment on the ground of birth out of wedlock could be regarded as compatible with the Convention’ (EHRM 28-10- 1987, Inze v. Austria, § 41, NJ 1989, 661). Zie ook artikel 17 lid 5 van het Amerikaanse Verdrag voor de rechten van de mens (‘The law shall recognize equal rights for children born out of wedlock and those born in wedlock’). 5. Voorop staat, nu de positie van de buitenhuwelijkse erkende kinderen inmiddels zoveel mogelijk door de wetgever gelijkgesteld is met die van in huwelijk geboren kinderen, dat morele redenen onvoldoende kracht hebben om de gerechtelijke vaststelling uit de wetgeving te weren. Het huwelijk mag worden hooggehouden en door het recht gesteund, maar niet ten koste van onschuldige buitenhuwelijkse kinderen (Marckx rechtvaardiging (Marckx vaderschap mannen voorzichtiger worden, al moet men daarvan geen grote verwachtingen hebben. 6. De rechtszekerheid, in het verleden een belangrijk argument om de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet in te voeren, heeft aan betekenis ingeboet. De vooruitgang van de wetenschap (DNA- onderzoek) maakt immers vaststelling van het vaderschap, ook na lange tijd, met nagenoeg volstrekte zekerheid mogelijk. De rechter kan eventueel ambtshalve bewijs verlangen, aangezien het gaat om een rechtsgevolg dat niet ter vrije beschikking van partijen staat (artikel 129 lid 1, slot, Rv). Voor het bevelen van een deskundigenbericht (DNA-onderzoek) is noodzakelijk en voldoende dat op grond van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de man de verwekker kan zijn. Op grond daarvan kan de rechter, aan wie het in beginsel vrijstaat een deskundigenonderzoek te bevelen (artikel 173 Rv), ook als het gaat om de verkrijging van bewijs tegen de man, oordelen dat de inbreuk van een DNA-onderzoek op diens lichamelijke integriteit gerechtvaardigd is. Aldus HR 22-9-2000, NJ 2001, 647. Dat de man wellicht niet op een staatactie gerekend heeft, is afgewogen tegen de belangen van het kind van onvoldoende gewicht. Hij draagt nu eenmaal mede verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind. In dit verband verdient vermelding dat de staatactie van een in huwelijk geboren en erkend kind volgens artikel 210 niet aan enige verjaring is onderworpen. 7. Als rechtvaardiging van de uitsluiting van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt wel aangevoerd dat een gedwongen vader geen goede vader kan zijn en dat na een gerechtelijke vaststelling erkenning door een niet-verwekker die wel als goede vader wil fungeren, onmogelijk wordt gemaakt. Dit soort overwegingen kan echter beter aan moeder en kind worden overgelaten. Bovendien wint de gedachte veld dat een goede sociale vader niet per se verwantschapsrechtelijke betrekkingen met het kind hoeft te hebben. Hem deze toe te kennen is vaak disproportioneel. 8. Een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap zal wellicht zwaar vallen voor de echtgenote of de in huwelijk geboren kinderen van de verwekker – deze zal hen choqueren en wellicht financieel treffen – maar zulks geldt ook ten aanzien van de onderhoudsactie die onder het huidige recht reeds mogelijk is. Overigens wordt in artikel 207a van het ontwerp een erfrechtelijke verzachting gegeven indien de verwekker reeds is overleden. 2024 -162- No. 164 9. Met het oog op de rechtszekerheid wordt in artikel 207a voorgesteld dat indien de man is overleden voor het verzoek, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in beginsel geen erfrechtelijke gevolgen heeft. De erfgenamen ten tijde van het overlijden hebben niet hoeven te rekenen op een extra erfgenaam bij versterf en de overleden verwekker kan geen testament meer maken. Voor het overige heeft het gerechtelijk vastgestelde vaderschap wel de gevolgen van het vaderschap (zie bij artikel 207 lid 1), mits nog mogelijk na overlijden, zoals toevoeging van een latere vermelding aan de geboorteakte van het kind, eventueel naamsgevolg en eventueel nationaliteitsgevolg. De regering meent niet dat de onderhavige bepaling in strijd is met enige verdragsbepaling. In dit verband is van belang dat de bestaande verdragen geen recht om te erven voortvloeit (vgl. Marckx § 50 en § 53). Van discriminatie is evenmin sprake aangezien kinderen van vaders die zijn overleden voor de indiening van het verzoek zich niet in een relevant vergelijkbare situatie bevinden ten opzichte van kinderen wier vader toen nog leefde. 10. De voorgestelde tekst komt overeen met de in Nederland geldende regeling, zoals tot stand gebracht bij wet van 24 december 1997, Stb. 772, maar met de volgende afwijkingen. In Nederland kan niet de raad voor de kinderbescherming (te vergelijken met het Bureau voor Familierechtelijke Zaken in Suriname) een verzoek doen tot gerechtelijke vaststelling (vergelijk ten aanzien van het Bureau de voorgestelde tekst van artikel 207 lid 1, onderdeel c). In Nederland kan de moeder het verzoek doen totdat het kind 16 jaar is, in het onderhavige ontwerp is de leeftijdsgrens verlaagd naar 12 jaar (artikel 207 lid 1 onderdeel a [en c]). In Nederland is, als de identiteit van de verwekker bekend is, de moeder gebonden aan een vervaltermijn van vijf jaar na de geboorte; ook deze beperking is onnodig en disproportioneel geoordeeld in het onderhavige ontwerp. Voorts kent Nederland niet het voorgestelde artikel 207a (erfrechtelijke verzachting) en artikel 207b (mogelijkheid van latere ontkenning door het kind).

  460. Artikel 207 Lid 1 1. Blijkens de aanhef kan ook na overlijden van de man het vaderschap nog worden bewezen en gerechtelijk vastgesteld. Denkbaar is dat pas na het overlijden het kind verneemt wie zijn verwekker is of behoefte voelt dat zijn geboorteakte wordt aangevuld. Verder heeft de vaststelling (mits tijdig verzocht) gevolgen voor de erfopvolging. Door de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap (zie lid 5) wordt het kind erfgenaam bij versterf. Wat deze erfopvolging betreft geeft echter het nieuwe artikel 207a – dat in Nederland ontbreekt – in het belang van de weduwe en de andere kinderen een verzachting. 2. Behalve van de verwekker, kan van de levensgezel van de moeder die heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad, het vaderschap gerechtelijk worden vastgesteld. Heeft bijvoorbeeld deze levensgezel van de moeder, samen met haar, besloten tot kunstmatige inseminatie met het zaad van een donor (KID), dan zal in het algemeen wel op goede gronden erop mogen worden vertrouwd dat hij het kind zal erkennen (HR 3-4-1992, NJ 1993, 286). Gaat hij daartoe niet over, dan is gerechtelijke vaststelling van het vaderschap mogelijk. Artikel 207b voorziet echter in de mogelijkheid van een latere ontkenning van het vaderschap door het kind. 3. Ten aanzien van een donor is gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet mogelijk aangezien een donor geen ‘verwekker’ is. De wet onderscheidt het begrip ‘verwekker’ van het ruimere begrip ‘biologische vader’. ‘Verwekker’ is de man die met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan. Een donor is ook niet onderhoudsplichtig, aangezien artikel 394 eveneens het begrip ‘verwekker’ gebruikt en niet het begrip ‘biologische vader’. 4. Het gerechtelijk vastgestelde vaderschap heeft in beginsel alle gevolgen van het vaderschap. De gerechtelijke vaststelling leidt tot toevoeging van een latere vermelding aan de geboorteakte van het kind (artikel 20 lid 1). Verder geldt de man als ‘vader’ en ‘ouder’ in het huwelijks-, jeugd- en erfrechtrecht (de vader zal bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling kunnen verzoeken) en ook in de wetgeving buiten het Burgerlijk Wetboek, zoals de belastingwetgeving. 2024 -163- No. 164 5. Bevoegd tot een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap zijn de moeder (onderdeel a), het kind (onderdeel b) en het Bureau voor Familierechtelijke Zaken (onderdeel c). De bevoegdheid is (mede in verband met de beschikbaarheid heden ten dage van DNA-tests) in beginsel niet beperkt in de tijd (behoudens de leeftijdsgrens van twaalf jaar van het kind in onderdeel a en c). Is het kind twaalf jaar of ouder, dan kan alleen het kind het verzoek doen. Gedurende de minderjarigheid (dus tot achttien jaar) zal het kind echter moeten worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator; dit kan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken zijn (aldus artikel 212). De vertegenwoordigings-bevoegdheid van de bijzondere curator is in beginsel niet gebonden aan de eis van een zekere rijpheid van het kind (HR 31- 10-2003, NJ 2004, 315). Ook vóór de geboorte van het kind lijkt in beginsel een verzoek mogelijk (artikel 2: ‘nasciturus pro iam nato habetur quotiens de commodo eius agitur’). Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken is in verband met de bescherming van het ‘private life’ van de moeder niet bevoegd het verzoek te doen tegen de wil van de moeder. Als de moeder zich niet uitspreekt bestaat de bevoegdheid wel en eveneens als de moeder tegenover het verzoek onverschillig staat; het Bureau voor Familierechtelijke Zaken dient pogingen te doen de moeder te horen. Het is wenselijk dat het Bureau voor Familierechtelijke Zaken beschikt over financiële middelen ter bekostiging van DNA-onderzoek (al is het maar bij wege van voorschot). Vaak zijn de moeder of de verwekker daartoe financieel niet in staat. De verwekker zelf komt in het rijtje niet voor, aangezien hij de mogelijkheid van erkenning heeft (artikel 203). Daarvoor is in beginsel de toestemming van de moeder vereist (artikel 204 lid 1 onderdeel c), maar deze toestemming kan worden vervangen door die van de rechter (artikel 204 lid 3). Lid 2 1. In onderdeel a wordt vooropgesteld dat het hier enkel gaat om vaderloze kinderen; deze eis geldt ook bij erkenning (artikel 204 lid 1 onderdeel g). Is het kind in huwelijk geboren zonder dat de echtgenoot van zijn moeder zijn biologische vader is, is het kind erkend door een man die niet zijn biologische vader is of is het kind geadopteerd (mede) door een man, dan is een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap uitgesloten. Wel is denkbaar dat het bestaande juridische vaderschap eerst door het kind wordt aangetast – door ontkenning, vernietiging of herroeping – en dat vervolgens een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de werkelijke vader wordt verzocht. Voor aantasting van het juridische vaderschap gelden echter termijnen, die mogelijkerwijs al verstreken zijn (zie de artikelen 200 lid 6, 205 lid 4 en 231 lid 2: in elk geval tot de dertigjarige leeftijd van het kind), al bevat artikel 199a een veiligheidsklep voor het geval dat alle belanghebbenden wensen dat het kind ‘van vader wisselt’. 2. Ingevolge onderdeel b is een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet mogelijk indien tussen de moeder en de verwekker een huwelijksbeletsel op grond van nauwe verwantschap bestaat (verbod van ‘bloedschande’). Hetzelfde geldt met betrekking tot de erkenning (artikel 204 lid 1 onderdeel a). Hier is de openbare orde in het spel. Bovendien lijkt het niet in het belang van het kind indien wordt vastgesteld dat bijvoorbeeld zijn grootvader tevens zijn vader is. De ‘bloedschande’ is overigens geen belemmering voor een onderhoudsactie tegen de verwekker-familielid (zie artikel 394) of voor de uitoefening van het recht om te weten van wie men afstamt (artikel 199b). 3. In onderdeel c is bepaald dat gewacht moet worden totdat de verwekker de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt; vgl. ten aanzien van erkenning artikel 204 lid 1 onderdeel b. Lid 3 Dit betreft het geval dat het kind is overleden. Vergelijk de artikelen 201 lid 2 en 205 lid 2, tweede volzin. 2024 -164- No. 164 Lid 4 De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap werkt terug tot de geboorte, maar in verband met de rechtszekerheid zijn beperkingen aan de gevolgen gesteld. Deze beperkingen komen overeen met die van de artikelen 202 en 206, behoudens dat hier geen voorziening ter zake van de teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of levensonderhoud en studie dan wel van hetgeen krachtens vruchtgenot is genoten, nodig is. Voor de laatste volzin van het onderhavige lid 4 vergelijke men artikel 3:45, leden 3 en 5. Zij verzacht de vermogensrechtelijke gevolgen van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, aangezien in geen geval behoeft te worden teruggegeven wat intussen reeds verbruikt of verteerd is. Zie overigens ook hierna artikel 207a.

  461. Artikel 207a 1. Indien het vaderschap van een reeds overleden verwekker gerechtelijk wordt vastgesteld, kan de erfopvolging van het nieuw erbij komende kind verstrekkende gevolgen hebben zonder dat de man een redelijke gelegenheid heeft gehad testamentaire voorzieningen te treffen, rekening houdende met een nieuwe erfgenaam. Daarbij komt dat wellicht de nalatenschap al verdeeld is. Het meedelen van het ‘buitenkind’ kan een bijzondere hardheid betekenen voor de weduwe en de andere kinderen; denkbaar is dat vooral de weduwe heeft bijgedragen aan de omvang van de huwelijksgemeenschap. Bovendien stuit het onder omstandigheden tegen de borst dat een kind wacht op het overlijden van zijn verwekker en vervolgens uit puur geldelijke motieven een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap verzoekt. Daarom bepaalt artikel 207a dat in deze situatie de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap geen erfrechtelijke gevolgen heeft. 2. Is het kind nog klein ten tijde van het overlijden van de verwekker, dan ligt het anders en moet het belang van het kind prevaleren. Men zie in dit verband de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak Camp and Bourini v. the Netherlands, van 3 oktober 2000, NJ 2001, 528. Hierin werd het oude Nederlandse systeem waarin brieven van wettiging geen terugwerkende kracht hadden, waardoor het kind niet kon erven van zijn overleden vader, in strijd geacht met het discriminatieverbod (voor Suriname: artikel 8 Grondwet, artikel 26 IVBPR). 3. Voorgesteld wordt daarom om alleen dan erfrechtelijke gevolgen te verbinden aan een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap die is verzocht na het overlijden van de man, als het kind ten tijde van het verzoek de vijfjarige leeftijd nog niet bereikt heeft. Het verzoek zal ingevolge artikel 207 lid 1, moeten zijn gedaan door moeder, het kind vertegenwoordigd door een bijzonder curator (artikel 212) of het Bureau voor Familierechtelijke Aangelegenheden. 4. Het voorstel is niet discriminatoir naar leeftijd aangezien voor het onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (zie hierboven). De grens van vijf jaar waarbinnen het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap moet zijn gedaan wil dit erfrechtelijke gevolgen kunnen hebben als de verwekker is overleden, heeft het karakter van een vervaltermijn die de rechtszekerheid dient; de termijn van vijf jaar is niet disproportioneel kort. Overigens vloeit uit de Grondwet of de mensenrechtenverdragen geen recht om te erven voort (vgl. Marckx § 50 en § 53). 5. Het voorgestelde artikel betreft uitsluitend het geval dat de man is overleden. Is de man nog in leven, dan kan te allen tijde een gerechtelijke vaststelling met erfrechtelijk gevolg worden verzocht door het kind, ook al is dit al van vergevorderde leeftijd.

  462. Artikel 207b Deze bepaling kwam hierboven reeds aan de orde bij artikel 207 lid 1. Voor de latere ontkenning van het vaderschap door het kind geldt de vervaltermijn van artikel 200 lid 5 (in het normale geval: twaalf jaar na meerderjarigheid van het kind). Boek 1 BW gaat ervan uit dat alle kinderen wier juridische vader niet hun biologische vader is, de mogelijkheid moeten hebben om binnen een bepaalde termijn het juridisch vaderschap aan te tasten (artikelen 200 lid 1 onderdeel b, 205 lid 1 onderdeel a en 231 lid 1). 2024 -165- No. 164

  463. Artikel 208 De rechter die het vaderschap gerechtelijk vaststelt, kan gelijktijdig een onderhoudsbijdrage bepalen. In de regel zal de moeder rechthebbende zijn ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding (vergelijk artikel 406). Afdeling 5 Inroeping of betwisting van staat (artikel 209 tot en met 211) Artikelen 209 tot en met 211 Wat betreft het bewijs van het bezit van staat is het gewone bewijsrecht van toepassing. Het kind zelf kan in de situatie dat het een staat overeenkomstig zijn geboorteakte heeft, wel zijn staat betwis- ten, bijvoorbeeld door aan te tonen dat een valse geboorteaangifte is gedaan. Afdeling 6 De bijzondere curator (artikel 212)

  464. Artikel 212 Voor het begrip belanghebbende zie artikel 798 van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Treedt de vader of moeder op als verzoeker, dan is het kind belanghebbende. Een bijzondere curator kan ook worden benoemd ingevolge artikel 250; ten opzichte van deze bepaling fungeert artikel 212 als lex specialis. Voor alle duidelijkheid is uitdrukkelijk bepaald dat ook het Bureau voor Familierechtelijke Zaken tot bijzondere curator kan worden benoemd. TITEL 12 (ADOPTIE)

  465. Artikel 227 Belangrijk is dat naast de adoptie door een echtpaar de adoptie door één persoon wordt geïntroduceerd. Juist in Suriname lijkt behoefte aan het instituut eenpersoonsadoptie te bestaan. Tegen deze introductie bestaan geen dwingende bezwaren. De voor de hand liggende tegenwerping, namelijk dat het beter is voor een kind als het wordt verzorgd en opgevoed door een vader en een moeder, moge op zichzelf genomen niet onjuist zijn, maar zij snijdt toch in zoverre geen hout dat in de concrete situatie die betere optie niet steeds voorhanden is. Indien een pleegkind geruime tijd een stabiele opvoedingsrelatie heeft gehad met een vrouw of een man en de juridische bevestiging daarvan in het belang van het kind is, betekent het streven naar het ‘betere’, dat het ‘goede’ onmogelijk wordt gemaakt.

  466. Artikel 228 1. In lid 1 onderdeel c, is het ten hoogste toegestane leeftijdsverschil van vijftig jaar vervallen. Wel zal een vergevorderde leeftijd van een adoptant of adoptanten als factor meewegen in het kader van de vraag of de adoptie in het kennelijk belang van het kind is. 2. Aan de tegenspraak der ouders als bedoeld in lid 1 onderdeel d, kan op de gronden genoemd in lid 2 voorbijgegaan. Het huidige zogenaamde suspensieve vetorecht is hiermee vervallen. Indien de omstandigheden, genoemd in lid 2, zich niet voordoen bestaat een absoluut vetorecht, behoudens dat dit niet mag worden misbruikt (artikel 3:13 in verbinding met artikel 3:15; HR 25-2-1994, NJ 1994, 437– 438 en HR 20-5-1994, NJ 1994, 626). Onderscheid tussen gewone en stiefouderadoptie wordt in dit opzicht niet gemaakt. Wel houde men in het oog dat het aan de rechter blijft om te beoordelen of de adoptie in concreto in het kennelijk belang van het kind is. Indien de vader stelselmatig uit het gezin van moeder en kind is geweerd en daardoor de contacten tussen hem en het kind minimaal zijn geweest, kan er reden zijn om, ook al is strikt genomen aan de voorwaarde voldaan om voorbij te kunnen gaan aan zijn bezwaar (voorwaarde genoemd in onderdeel a), dat toch niet te doen. In het bijzonder bij stiefouderadoptie dient zeer grote terughoudendheid te worden betracht bij het voorbijgaan aan de bezwaren van de niet met het gezag belaste gescheiden ouder. De gronden onder b en c van lid 2 corresponderen met die in artikel 269. 2024 -166- No. 164 3. Aan de verwekker die zijn kind niet heeft erkend - en dus niet als ‘ouder’ geldt - komt geen vetorecht toe. Bij bestaan van ‘family life’ geldt hij echter wel als belanghebbende in de zin van artikel 798 van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; vergelijk in dit verband het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 26 mei 1994 in de zaak Keegan (NJ 1995, 247). 4. Anders dan in Nederland geldt geen minimale verzorgingsperiode. Wel is nodig dat de ouder of ouders die door de adoptie hun ouderschap zullen verliezen, niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Bij stiefouderadoptie geldt evenwel dat de ouder met wie de adoptant gehuwd is, alleen het gezag heeft. Deze ouder zal immers door de adoptie niet het ouderschap verliezen.

  467. Artikel 229 Dat de familierechtelijke betrekkingen worden vervangen geldt uiteraard niet onverkort bij stiefouderadoptie; men zie lid 3. Indien er omgang is met de oorspronkelijke ouders, kan de rechter bepalen dat deze wordt gecontinueerd. De stringente ontzeggingsmaatstaven van artikel 377a lid 3, zijn onder meer van overeenkomstige toepassing. Artikel 230 Deze bepaling betreft de ingangsdag der gevolgen van adoptie.

  468. Artikel 231 De herroeping van een adoptie is in zekere zin te vergelijken met de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap of de vernietiging van een erkenning. In alle drie gevallen is de juridische ouder niet de biologische ouder, hetgeen het kind grond geeft om het juridisch ouderschap aan te tasten onder zekere voorwaarden. Deze voorwaarden, waaronder de termijn, behoren in de drie gevallen op elkaar aan te sluiten. Daarom is in het onderhavige artikel, evenals in artikel 200 lid 6 en artikel 205 lid 4, aan het kind drie jaar de tijd gegeven, maar in elk geval tot de dertigjarige leeftijd, om het verzoek bij het gerecht in eerste aanleg in te dienen. Voor een redelijkheidstoets ten aanzien van de herroeping door de rechter lijkt geen plaats, evenmin als bij ontkenning van het vaderschap en vernietiging van een erkenning. In Nederland is artikel 231 ter gelegenheid van de herziening van het afstammings- en adoptierecht niet aangepast; wel is bij de wet van 14 mei 1998, Stb. 302 (in verband met het Haagse Adoptieverdrag) de herroepingstermijn op vijf jaar gesteld. Eerder had het Gerechtshof te Amsterdam op 6 november 1997 (NJB 1997, p. 1953) op grond van de strekking van artikel 231 lid 2 een herroeping mogelijk geacht ondanks overschrijding van de herroepingstermijn van drie jaar.

  469. Artikel 232 Deze bepaling regelt de gevolgen van een herroeping. Deze heeft in verband met de aard van de adoptie geen terugwerking. TITEL 13 (MINDERJARIGHEID) Afdeling 1 (Algemene bepalingen) 1. De verlaging van de meerderjarigheidsgrens tot achttien jaar kwam reeds in het Algemeen deel van deze memorie van toelichting aan de orde (ad g). Daar is een overzicht gegeven van landen waar deze grens inmiddels is ingevoerd. 2024 -167- No. 164 2. In artikel 234 wordt een meer eigentijdse omschrijving gegeven van de gevallen waarin een minderjarige toch handelingsbekwaam is. De handelingsbekwaamheid wordt gekoppeld aan de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger, waarbij evenwel deze toestemming onder bepaalde omstandigheden wordt verondersteld te zijn gegeven. Dit sluit beter aan bij de realiteit van het maatschappelijk leven. De minder- jarige wordt geacht met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger te handelen - en dus ingevolge lid 1 handelingsbekwaam te zijn - indien het gaat om een rechtshandeling die gewoonlijk door minderja- rigen van zijn leeftijd wordt verricht (lid 3). Het gaat om handelingen en transacties ten aanzien waarvan men ervaringsgewijs weet dan wel in het handelsverkeer de ongeschreven regel bestaat dat toestemming van ouders of voogd niet wordt gevraagd. Handelingsbekwaamheid bestaat niet indien blijkt van bezwaar van de wettelijk vertegenwoordiger, maar aannemelijk is dat de stelplicht en bewijslast te dien aanzien rust op de wettelijk vertegenwoordiger indien zelfstandig optreden van de minderjarige in het gegeven geval naar objectieve maatstaven maatschappelijk gebruikelijk is. Afdeling 2 (Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken) Hierin vinden geen ingrijpende wijzigingen plaats ten opzichte van het huidige recht. Afdeling 3 (Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag) Ook hierin zijn geen substantiële wijzigingen aangebracht. TITEL 14 (HET GEZAG OVER MINDERJARIGE KINDEREN) Afdeling 1 (Algemeen) 1. De term ouderlijk gezag vervangt de term ouderlijke macht en oudervoogdij. Het aan ouders toekomende gezag wordt altijd ouderlijk gezag genoemd. De term voogdij wordt gereserveerd voor het juridisch gezag dat toekomt aan een derde. Ouderlijk gezag kan tweehoofdig of eenhoofdig zijn; voogdij is altijd eenhoofdig. 2. Aan de inhoud en omvang van het gezag wordt een nadere - meer eigentijdse - invulling gegeven (artikel 245 lid 4 en 247). Tegenhanger is artikel 249 inzake de plichten van het kind. Het gaat hier om wederzijds respect tussen de leden van een gezin in het algemeen en de ouders en het kind in het bijzonder. Een en an- der komt erop neer dat het kind beslissingen van zijn ouders die in overeenstemming met artikel 247 zijn genomen, dient op te volgen. Bij een conflict kan eventueel artikel 250 worden toegepast (zie hierna). 3. In artikel 247 lid 2 – dat ook toepasselijk is in geval van voogdij en pleegzorg (artikel 248) – is een verbod van geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling opgenomen, overigens zonder speciale sanctie. Kindermishandeling is vaak een uit de hand gelopen disciplinering. Indien de wet als norm stelt dat bij de disciplinering geen geweld wordt gebruikt, kan zulks wellicht een steentje bijdragen in de bestrijding van het grote kwaad van kindermishandeling. 4. Bovendien is er een internationale tendens tot opneming van een geweldsverboden. Het VN-Comité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, heeft Nederland – maar niet valt in te zien waarom het ook niet voor andere landen zou gelden – geadvieerd: ‘explicitly prohibit corporal punishment in law throughout the State party and carry out public education campaigns about the negative consequences of ill-treatment of children, and promote positive, non-violent forms of discipline as an alternative to corporal punishment’ (CRC/C/15/ Add.227, 30 januari 2004, aanbeveling 44, onder d). Ook het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR), het onafhankelijke deskundigencomité dat toeziet op de naleving van het Europees Sociaal Handvest (ESH), heeft in haar beoordeling van de situatie in Nederland, aangegeven dat Nederland op dit moment niet voldoet aan artikel 17 ESH dat verplichtingen inzake de bescherming van kinderen bevat. Het ECSR wijst erop dat 2024 -168- No. 164 artikel 17 van het ESH een wettelijk verbod vereist op alle vormen van geweld tegen kinderen, zoals op school, in andere instellingen, thuis en elders. Tot slot kan gewezen worden op de aanbeveling van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa zoals deze op 23 april 2004 is aanvaard: Recommendation 1666 (2004) met als titel ‘Europe-wide ban on corporal punishment of children.’ Zie ook het ‘World Report on Violence against Children’ van P.S. Pinheiro, Independant Expert for the United Nations Secretary-General: ‘Study on Violence against Children’, oktober 2006. Bijzondere curator 1. Bij belangentegenstelling tussen de met het gezag belaste ouder en kind kan de rechter - na toetsing - een bijzondere curator benoemen (artikel 250). Het gaat hier blijkens de tekst van het artikel zowel om aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van het kind als betreffende diens vermogen. Onder de strijd der ‘belangen’ kunnen meningsverschillen (in het kader van rechtsposities van het kind) mede begrepen zijn (vgl. HR 10-4-1978, NJ 1981, 614 en HR 28-1-1994, NJ 1994, 687 inzake curatele). Men denke aan de wens van een minderjarige om gevaccineerd te worden, waaraan de ouders weigeren gevolg te geven. Tot het begrip verzorging en opvoeding worden ook gerekend aangelegenheden als scholing en arbeid, men denke aan een conflict over de te volgen voortgezette (vak)opleiding. 2. De al dan niet bestaande noodzaak van een dergelijke benoeming zal de rechter aan de betrokken belangen dienen te toetsen. Het moet gaan om belangentegenstellingen in substantiële zaken en het conflict dient een zekere ernst te hebben. De leeftijd van het kind kan hierbij mede een rol spelen. In sommige situaties geeft de wet zelf de ernst van de problematiek aan, zoals bij een ontkenning van het vaderschap door de man (artikel 199) en de vernietiging van een erkenning (artikel 226). Onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Niet voldoende is dat men zich betrokken voelt bij, sympathie opbrengt voor een zaak. De minderjarige hoort in elk geval tot de kring belanghebbenden, zodat hij eveneens zelf het verzoek om benoeming kan doen. Op informeel verzoek van de minderjarige kan de benoeming ook ambtshalve door de rechter geschieden. Artikel 250 geldt ook indien het gezag door een voogd wordt uitgeoefend. 3. In de belangenstrijd vertegenwoordigt de bijzonder curator de minderjarige zowel in als buiten rechte. Wat dit laatste betreft, bedenke men dat blijkens de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, in artikel 6 lid 1, van het EVRM voor een ieder - inclusief minderjarigen - een recht van toegang tot de rechter besloten is (EHRM 21-2-1975, NJ 1975, 462, § 36, zaak Golder v. the United Kingdom). Wel- iswaar is er ruimte voor ‘implied limitations’, onder andere ten aanzien van minderjarigen, maar deze mo- gen niet zodanig zijn dat ‘the very essence of the right’ wordt aangetast (zaak Golder, § 38-39; EHRM 24- 10-1979, NJ 1980, 114, § 75), zaak Winterwerp v. the Netherlands), Voorts moeten deze beperkingen van het recht van toegang tot de rechter een legitiem doel dienen en er moet voldaan zijn aan het proportiona- liteitsbeginsel (EHRM 28-5-1985, NJ 1991, 623, § 57, zaak Ashingdane v. the United Kingdom). Het is aannemelijk dat een stelsel waarin ten aanzien van minderjarigen wordt voorzien in de benoeming van een bijzonder curator, indien de rechter het conflict tussen de minderjarige en zijn ouders of voogd voldoende reëel acht, aan deze jurisprudentie voldoet. 4. Artikel 250 voorziet niet slechts in de mogelijkheid van een aparte procedure tot benoeming van een bijzonder curator. Ook als een procedure aanhangig is, bijvoorbeeld een echtscheidingsprocedure, kan een bijzondere curator worden benoemd om de belangen van het kind te behartigen. 2024 -169- No. 164 Vervallen van de toeziende voogdij Het instituut van de toeziende voogdij vervalt. De functie van de toeziende voogd is in de praktijk uiterst gering, maar de benoeming vormt wel vaak een afzonderlijk element in de echtscheidingsstrijd. Zijn wettelijke taak ligt voornamelijk op het vermogensrechtelijke vlak. In de regel beschikken minderjarigen niet over vermogen van enig belang. Is er wel vermogen, dan kan het door de rechter uitgeoefende toezicht voldoende worden geacht (artikelen 253k en 337 e.v.). Bovendien kan de rechter een bewindvoerder benoemen (artikelen 253k en 370). In geval van ontstentenis van degene die het gezag uitoefent, grijpt zo nodig het Bureau voor Familierechtelijke Zaken in. En indien de belangen van de gezagsdrager in strijd zijn met die van het kind, kan een bijzonder curator worden benoemd (artikel 250; zie hiervóór onder 2 tot en met 4). Het instituut toeziende voogdij lijkt voornamelijk emotionele betekenis te hebben. Via een wettelijk geregeld omgangs-, informatie en consultatie- recht (zie bij titel 16) kan hieraan worden tegemoetgekomen. Voorts betekent het vervallen van de toeziende voogdij een zekere ontlasting van de rechterlijke macht. Vervallen van de curator ventris. Ook het instituut van de curator over de ongeboren vrucht (curator ventris) wordt afgeschaft. De zwangere vrouw kan na overlijden van haar echtgenoot in het algemeen zelf de belangen van het ongeboren kind behartigen. Afdeling 2 (Ouderlijk gezag) § 1 (Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding) In deze paragraaf is de op het EVRM gebaseerde rechtspraak van de Hoge Raad inzake het gezamenlijke ouderlijk gezag in de wet geïncorporeerd; zie het Algemeen deel van deze memorie van toelichting. Verwezen zij ook naar het voor Suriname geldende artikel 23 lid 4, IVBPR (‘De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen ter verzekering van de gelijke rechten en verantwoordelijkheden van de echtgenoten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. In geval van ontbinding van het huwelijk wordt voorzien in de noodzakelijke bescherming van eventuele kinderen’) en artikel 16 lid 1 onder f Vrouwenverdrag (‘De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie jegens de vrouw in alle aangelegenheden betreffende huwelijk en familiebetrekkingen uit te bannen, en verzekeren in het bijzonder, op basis van gelijkheid van de man en de vrouw: … f. dezelfde rechten en verantwoordelijkheden met betrekking tot gezag over en de adoptie van kinderen, of soortgelijke instellingen waar deze begrippen in de nationale wet bestaan; in alle gevallen staat het belang van de kinderen voorop’). Gezamenlijk gezag tijdens huwelijk Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit over hun wettige kinderen (artikel 251 lid 1) Geschillen tussen de ouders kunnen aan de rechter worden voorgelegd (artikel 253a); niet langer is de wil van de vader beslissend. Gezamenlijk gezag na scheiding 1. In de voormalige Nederlandse Antillen en in Aruba is bij de invoering van Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 2001 ervoor gekozen na echtscheiding het gezamenlijke gezag der ouders over hun minderjarige kinderen in beginsel niet van rechtswege te laten doorlopen, zoals in Nederland (sedert de wet van 30 oktober 1997, Stb. 506). Voor gezamenlijk gezag na echtscheiding is ingevolge het huidige artikel 1:251 lid 1, BWNA een beschikking van de rechter nodig na een eensluidend verzoek der ouders; zie M.F. Murray e.a. (red.), De Parlementaire Geschiedenis van het Nederlands Antilliaanse (nieuw) Burgerlijk Wetboek, 2005, p. 109. 2024 -170- No. 164 2. Op 28 maart 2008 (NJ 2008, 189) heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat dit systeem strijd oplevert met de artikelen 6 en 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Hoge Raad overwoog: ‘ 3.5. In zijn beschikking van 27 mei 2005, nr. R04/088, NJ 2005, 485, heeft de Hoge Raad aangaande een soortgelijke beperking die ligt besloten in art. 1:252 en 253c lid 1 BW overwogen dat de vader aan art. 8 lid 1 EVRM een aanspraak op bescherming van zijn recht op ‘the exercise of parental rights’ ontleent, welk recht tevens is te beschouwen als een burgerlijk recht in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, zodat dit artikellid de vader eveneens het recht op toegang tot de rechter garandeert ter vaststelling van dat recht; voor de in art. 1:252 BW besloten liggende beperking van dat recht op toegang tot de rechter doordat het gezamenlijk gezag slechts door beide ouders kan worden verzocht, bestaat onvoldoende grond; de vader moet ten minste aan de rechter de vraag kunnen voorleggen of grond bestaat tot wijziging van het eenhoofdig gezag van de moeder in gezamenlijk gezag. In zijn beschikking van 15 februari 2008, nr. R07/047, NJ 2008, 107, betreffende het bepaalde in art. 1:253o lid 1, laatste volzin, BW, heeft de Hoge Raad vervolgens geoordeeld dat het aan art. 8 lid 1 EVRM ontleende recht van de niet met het ouderlijk gezag belaste ouder op ‘the exercise of parental rights’ zich niet slechts verzet tegen de bepaling dat het gezamenlijk gezag slechts door beide ouders kan worden verzocht, maar evenzeer tegen de daaraan ten grondslag liggende regel van materieel recht dat gezamenlijk gezag slechts kan worden toegekend indien beide ouders daarmee instemmen. In overeenstemming met hetgeen in voornoemde beschikkingen is geoordeeld, moet art. 1:251 lid 2 BWNA aldus worden uitgelegd dat aan toewijzing van een verzoek om na echtscheiding gezamenlijk belast te blijven met de uitoefening van het gezag niet in de weg staat dat het verzoek slechts door een der ouders gedaan is.’ 3. Het onderhavige ontwerp kiest een andere weg. Het kiest ervoor het Nederlandse recht te volgen, waarbij tevens rekening is gehouden met het Nederlandse ontwerpwet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, Kamerstukken 30 145 en het Nederlandse ontwerp-Wijziging van enige bepalingen van Boek 1 met betrekking tot … het verkrijgen van gezamenlijk gezag, Kamerstukken 29 353). Bepaald wordt dat na scheiding de ouders in beginsel het gezag blijven uitoefenen (artikel 251 lid 2). Slechts bij uitzondering belast de rechter een der ouders met het gezag (artikel 251a lid 1). Nadat een der ouders met het gezag belast is, kan later, als de situatie veranderd is, de andere ouder alsnog gezamenlijk gezag verzoeken (artikel 253o). Ook buiten huwelijk kan gezamenlijk gezag op eensluidend verzoek (van de vader) worden verzocht (artikel 253c). 4. Gezamenlijk gezag heeft als voordeel dat beide ouders beter op hun verantwoordelijkheid jegens het kind kunnen worden aangesproken. Bovendien wordt de inmenging bij scheiding in het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven door de overheid zo beperkt mogelijk gehouden. De ervaringen in Nederland sedert 1998 zijn gunstig. Ook positief te waarderen is dat het verschil met ongehuwde ouders die in het gezag register de aantekening van gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 252 hebben gedaan en nadien uit elkaar gaan, wordt verkleind. 5. Het systeem dat gescheiden ouders in beginsel gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen heeft overigens een hoog Caraïbisch gehalte. Blijkens inlichtingen gegeven door mr. Bob Wit, rechter in het Caribbean Court of Justice en in het verleden lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba bestaat in het merendeel van de Caricom-landen sinds de jaren 70/80 de zogeheten ‘joint custody’. Dit is thans het uitgangspunt. Partijen kunnen ook afspreken dat slechts een van de ouders custody krijgt. De rechter zal afspraken van de ouders op dit stuk vrijwel zonder uitzondering honoreren. De rechter kan echter ook tegen de wil van beide ouders of van een van hen ‘custody’ aan een van de ouders (of aan beide) geven. In alle gevallen geldt als enig criterium ‘the best interest of the child’; er zijn geen andere bepalingen die de beleidsruimte van de rechter beperken. 2024 -171- No. 164 Gezag van een ouder na scheiding 1. Bij uitzondering kan na scheiding een der ouders met het gezag worden belast. Voor eenhoofdig gezag na scheiding is ingevolge artikel 251a lid 1, een verzoek aan de rechter nodig. Het enkele feit dat een van de ouders zulks wenst, is onvoldoende grond is om het gezag aan een der ouders toe te kennen (HR 10 september 1999, NJ 2000, 20). Indien de ouders, ieder voor zich, verzoeken alléén met het gezag belast te worden, maar geen van beiden kan aannemelijk maken dat het belang van het kind daarmee gediend is, loopt het gezamenlijk gezag door (HR 15 december 2000, NJ 2001, 123; vgl. ook HR 28 maart 2003, NJ 2003, 359). Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders, in het bijzonder in de periode waarin de echtscheiding en de daarmee verband houdende kwesties nog niet zijn afgewikkeld, brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan een van de ouders moet worden toegekend (HR 10 september 1999, NJ 2000, 20, voornoemd); de problemen tussen de vader en de moeder moeten zodanig ernstig zijn dat een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders indien zij het ouderlijk gezag gezamenlijk zouden uitoefenen en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt (HR 18 maart 2005, R04/047HR). Dit zogenaamde klem-criterium is neergelegd in lid 1 onderdeel a. 2. Lid 4 van artikel 251a introduceert – vergelijk ook artikel 1:377g inzake het omgangs-, consultatie- en informatierecht – een informele rechtsgang voor het kind. De rechter kan de gezagsbeslissing ambtshalve nemen indien hem blijkt dat het kind van twaalf jaar of ouder – die het met het voornemen van de ouders het gezamenlijk gezag te laten doorlopen niet eens is – daarop prijs stelt. Hetzelfde geldt indien het kind nog geen twaalf jaar oud is, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Dit lid kan overigens in beginsel ook toepasselijk zijn buiten de scheidingsprocedure (HR 4 april 2008, R07/119HR). 3. De beslissing waarbij een der ouders alleen met het gezag is belast, kan eventueel nadien worden gewijzigd (artikel 1:253o; vgl. HR 11 april 2008, R07/082HR). Het verzoek om alsnog gezamenlijk gezag te krijgen ook door één ouder worden gedaan. Gezamenlijk gezag van nimmer met elkaar gehuwd geweest zijnde ouders. 1. De ouders van een buiten huwelijk geboren erkend kind oefenen het ouderlijk gezag gezamenlijk uit na aantekening daarvan op hun beider verzoek in het gezag register (artikel 252). Deze mogelijkheid is eveneens door de Hoge Raad mogelijk gemaakt, echter via rechterlijke tussenkomst (HR 21-3-1986, NJ 1986, 585-588). Gekozen is in artikel 252 voor verkrijging van het gezamenlijke gezag buiten de rechter om, naar analogie van de huidige verkrijging van gezamenlijk gezag door wettiging. Er is alleen reden voor rechterlijke inmenging in het belang van het kind als bijzondere omstandigheden daartoe nopen, zoals in de situatie dat de ouders voor de tweede keer het gezamenlijk gezag wensen. Artikel 252 lid 1, verlangt daarom dat de ouders nimmer het gezag gezamenlijk hebben uitgeoefend. Indien eenmaal een door de ouders verzochte aantekening is doorgehaald op last van de rechter, is gezamenlijke gezagsuitoefening alleen mogelijk krachtens rechterlijke beslissing (artikel 253o), tenzij de ouders met elkaar huwen. 2. Beide ouders moeten de gezamenlijke gezagsuitoefening wensen, maar niet nodig is dat zij samenwonen of samenleven. Voorwaarde is dat een der ouders op het tijdstip van het verzoek om aantekening het gezag heeft (artikel 252 lid 2, onderdelen c en d). Is een der ouders ontheven of ontzet dan is gezamenlijke gezagsuitoefening evenmin mogelijk (lid 2 onderdeel b); in dat geval zal eerst een verzoek tot herstel in het gezag moeten worden gedaan (artikel 277 lid 1). De eis dat beide ouders in familierechtelijke betrekking staan tot het kind - met andere woorden dat het gaat om een moeder en een vader die het kind heeft erkend - komt niet in strijd met artikel 8 van het EVRM (HR 24-2-1989, NJ 1989, 741-742). Geschillen tussen de ouders omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag kunnen ingevolge artikel 253a aan de rechter worden voorgelegd. 2024 -172- No. 164 3. Het gezamenlijk gezag kan op verzoek worden beëindigd; alsdan bepaalt de rechter aan wie der ouders voortaan het gezag alleen toekomt (artikel 253n, leden 1 en 2). Voor de gezagswijziging is rechterlijke bemoeiing voorgeschreven, ook al is het gezamenlijk gezag zonder rechterlijke interventie ontstaan (artikel 252). Uiteraard komt in dit geval de tweede grond voor wijziging (onjuiste of onvolledige gegevens bij het nemen van de beslissing) niet voor toepassing in aanmerking. Conflicten tussen de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen

  470. Artikel 253a betreft gezamenlijke gezagsuitoefening tijdens huwelijk (artikel 251 lid 1), na scheiding (artikel 251 lid 2) en indien er nimmer een huwelijk is geweest (artikel 252). In dit artikel wordt het huidige artikel 471h, ten aanzien van omgang bij gezamenlijk gezag, geïncorporeerd. Een eventuele ontzegging van omgang kan slechts tijdelijk zijn (vgl. HR 31 maart 2006, NJ 2006, 392). Men zie lid 2, dat overigens ruimer is dan het huidige artikel 1:377h. Ook de na scheiding belangrijke beslissing omtrent het hoofdverblijf van het kind (bij de vader of bij de moeder) wordt erdoor bestreken. Onder meer de regeling van artikel 1:377g inzake de informele rechtsingang van het kind wordt van overeenkomstige toepassing verklaard (lid 3). Zo nodig kan de rechter, zelfs ambtshalve, een dwangmiddel opleggen en bevelen dat de beschikking met de sterke arm kan worden ten uitvoer gelegd (lid 4). De rechter moet het verzoek binnen zes weken behandelen (lid 5). § 2 (Het gezag van één ouder anders dan na scheiding) 1. In paragraaf worden geen wijzigingen van betekenis aangebracht ten opzichte van het huidige recht, behoudens wat betreft een eventueel gezamenlijk gezag, de terminologie (een ouder heeft nimmer de voogdij) en de testamentaire voogdij. 2. De moeder heeft van rechtswege het gezag over een buiten huwelijk geboren kind (artikel 253b), maar de vader – voorwaarde is wel dat hij het kind erkend heeft (HR 12 juni 1987, NJ 1989, 98 en HR 9 oktober 1992, NJ 1992, 789) – kan vragen om het eenhoofdige of gezamenlijke gezag (artikel 253c). Zowel de moeder als de vader kan (eenzijdig) verzoeken om gezamenlijk gezag; het gaat hier om de situatie dat de ouders het over dat gezamenlijk gezag niet eens zijn, want zijn zij het eens, dan staat de eenvoudiger weg van artikel 252 open (aantekening in het gezagsregister). De in artikel 253c lid 2, opgenomen criteria voor afwijzing van een verzoek om gezamenlijk gezag (lid 2) zijn ontleend aan artikel 251a lid 1, betreffende de scheidingssituatie. 3. Indien na overlijden van een ouder een voogd is benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen tijde in dier voege wijzigen dat de overlevende ouder, mits daartoe bevoegd, alsnog met het gezag wordt belast (artikel 253h lid 1). Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de langstlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 253h lid 2). Dit geldt eveneens indien een door de overleden ouder benoemde testamentaire voogd inmiddels is opgetreden en het verzoek van de overlevende ouder later dan een jaar na het begin van de voogdij is gedaan. Wordt het verzoek binnen een jaar gedaan, dan wordt het slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd (artikel 253h lid 3). De overlevende ouder behoudt dus gedurende een jaar na het begin van de testamentaire voogdij zijn voorkeurspositie. 2024 -173- No. 164 § 3 (Het bewind van ouders) 1. Hoofdregel bij gezamenlijk gezag is het gezamenlijke bewind en de gezamenlijke vertegenwoordiging. De regel dat het bewind in beginsel aan de vader toekomt, is afgeschaft. Om praktische redenen is de mogelijkheid geopend dat, ondanks het gezamenlijk gezag, een ouder alleen tot het bewind en de vertegen- woordiging bevoegd is, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken (artikel 253i lid 1, slot). De geschillenregeling is die van artikel 253a. Indien toestemming of machtiging moet worden gevraagd aan de rechter voor een optreden in rechte of een rechtshandeling, dan kan deze, indien van bezwaren van de andere ouder blijkt, het geschil tussen de ouders beslechten. Dat een ouder die alleen het gezag uitoe- fent, ook alleen het bewind voert en alleen het kind vertegenwoordigt (artikel 253i lid 3) spreekt voor zich. Voor mogelijke afwijkingen, zie hierna. 2. Indien de rechter het gezag aan een der ouders opdraagt, kan hij, indien de ouders dat beiden wensen, bepalen dat het bewind over het vermogen van het kind door de andere ouder zal worden gevoerd (artikel 253i lid 4, onderdeel a). Het bestaande recht kent deze mogelijkheid bij scheiding van tafel en bed. Thans vindt dus een uitbreiding plaats. In het geval dat het kind een vermogen heeft van substantiële omvang, kan er behoefte zijn aan financiële deskundigheid die mogelijkerwijs meer bij de niet met het gezag belaste ouder aanwezig is. Het gezag betreffende de persoon blijft bij de met het gezag belaste ouder. Voorwaarde is dat de ouders het over deze splitsing eens zijn. 3. Het vruchtgenot betreft enkel het vermogen van het kind, niet diens inkomen uit arbeid. Wel is het inwonende kind dat anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, verplicht om naar draagkracht kost- geld te betalen (artikel 253l). De betaling van kostgeld sluit meer aan bij de praktijk. Hierover zullen afspraken worden gemaakt tussen ouder en kind. De hoogte van het kostgeld is gerelateerd aan de hoogte van het inkomen van het kind. Factoren waarmee verder rekening moet worden gehouden zijn de totale kosten van de huishouding van het gezin, de eventuele geldelijke inbreng van andere gezinsleden en de financiële stand van de ouders. Wat betreft incidentele inkomsten uit arbeid bestaat er dus in het geheel geen aanspraak. Afdeling 3 (Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door een van hen) 1. Vermeldenswaard uit deze afdeling is het blokkaderecht van pleegouders (artikel 253s). Indien een kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toe- stemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen (artikel 253s lid 1). Onder de term ‘gezin’ moet niet slechts worden verstaan het gezin van een echtpaar. Artikel 253s is beperkt tot de situatie waarin van ouderlijk gezag sprake is; in geval van voogdij geldt artikel 336a. Dat het gezag door één ouder wordt uitgeoefend staat aan de toepasselijkheid niet in de weg. 2. Geeft de pleegouder geen toestemming aan de ouder tot wijziging in het verblijf van het kind, dan kunnen de ouders aan de rechter vervangende toestemming vragen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (artikel 253s lid 2). Dit criterium drukt uit dat de primaire bevoegdheid bij de ouders ligt, maar laat de rechter ruimte de nodige aandacht te geven aan het belang van het kind. Een afwijzing van het verzoek van de ouders geldt zes maanden, tenzij binnen die termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling, ontheffing of ontzetting aanhangig is gemaakt (artikel 253s lid 3); vgl. ook artikel 254 lid 2, ten aanzien van ondertoezichtstelling, artikel 267 lid 2 (in verbinding met artikel 268 lid 2 onderdeel d) ten aanzien van ontheffing en artikel 270 lid 2 (in verbinding met artikel 269 lid 1 onderdeel e) ten aanzien van ontzetting. 3. Artikel 253o lid 2, bevat een praktische bevoegdheidsregel die overeenstemt met het Haagse Kinderbeschermingsverdrag (Trb. 1963, 29 en 1968, 101). 2024 -174- No. 164 Afdeling 4 (Ondertoezichtstelling van kinderen) 1. Hierin zijn slechts enkele wijzigingen aangebracht ten opzichte van het huidige recht. Ook aan pleegouders is de bevoegdheid gegeven een ondertoezichtstelling te verzoeken (artikel 254 lid 2). Deze uitbreiding vloeit voort uit de beschikking van de Hoge Raad van 10-3-1989, NJ 1990, 24, waarin de Hoge Raad oordeelde dat deze bevoegdheid aan pleegouders toekomt met het oog op de bescherming van hun, in artikel 8 van het EVRM beschermde, gezinsleven met het kind. 2. In artikel 263 lid 1, wordt een pleeggezinplaatsing vooropgesteld. Dat daaraan de voorkeur moet worden gegeven kan worden afgeleid uit artikel 20 lid 3, van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind, luidende: ‘Such care could include, inter alia, foster placement, kafalah of Islamic law, adoption or if necessary placement in suitable institutions for the care of children.’ 3. In artikel 263 lid 4, wordt voor een plaatsing in een gesloten setting een speciale voorziening getroffen. Hier is sprake van vrijheidsbeneming, waarvoor bijzondere waarborgen (welke ingevolge artikel 305 lid 3, ook van toepassing zijn in geval van voogdij van een rechtspersoon) behoren te gelden. Een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kantonrechter is nodig. De maatregel moet geboden zijn wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige. Voorzien wordt in bijstand van een advocaat (ook in hoger beroep); vgl. EHRM 29-2-1988, Bouamar, Series A, vol 129, NJCM 1988, p. 231 en artikel 37, onderdeel d, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, luidende: ‘Every child deprived of his or her liberty shall have the right to prompt access to legal and other appropriate assistance, as well as the right to challenge the legality of the deprivation of his or her liberty before a court or other competent, independent and impartial authority, and to a prompt decision on any such action.’ 4. In artikel 255 lid 1, en 263 lid 2, is na ‘godsdienstige gezindheid’ toegevoegd: ‘en levensovertuiging’. 5. Ten slotte is in de artikelen 263a en 263b het omgangsrecht van de ouders geregeld in geval van een uithuisplaatsing van het kind. Artikel 377a is immers bij een ondertoezichtstelling niet toepasselijk, omdat het gezag niet wordt ontnomen, maar enkel wordt beperkt. 6. In Nederland is met ingang van 1 november 1995 een nieuwe regeling van de ondertoezichtstelling ingevoerd. Daarin is de rechtspraak en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregel gescheiden. De (kinder)rechter mist in de nieuwe regeling de leiding over het door de gezinsvoogd uit te oefenen toezicht (vgl. artikel 255 lid 1, van het onderhavige ontwerp). Evenmin is de rechter in Nederland langer bevoegd om ambtshalve beslissingen te nemen. De rechter kan slechts verzoeken toe- of afwijzen en (schriftelijke) beslissingen van de gezinsvoogdij-instelling toetsen en eventueel tenietdoen. Een eigen be- slissing kan hij niet daarvoor in de plaats stellen. Dit nieuwe systeem hangt onder meer ermee samen dat in Nederland de vertrouwenspersoon die als gezinsvoogd het toezicht uitoefende, in de loop der tijd is vervangen door professioneel geschoolde maatschappelijk werkers die werken onder supervisie van grote organisaties, de gezinsvoogdijinstellingen. Op de totstandkoming van de (schriftelijke) beslissingen van de voogdij-instellingen is de recente Nederlandse Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In verband met dit nieuwe stelsel zal overigens worden gepoogd verbetering te brengen in de toerusting van de gezinsvoogdij-instellingen met voldoende deskundigheid en personeel. Bevorderd wordt de aanstelling van stafmedewerkers uit relevante gedragswetenschappelijke disciplines. De opleidingscategorieën waaruit gezinsvoogden worden gerekruteerd zullen worden verbreed. Tevens zal de beloningsstructuur der medewerkers opnieuw worden bezien. In het onderhavige ontwerp wordt dit nieuwe Nederlandse stelsel - met de organisatorische wijzigingen die dit meebrengt - niet gevolgd. Of het ook in Suriname verantwoord is om de rechter de leiding over het toezicht te ontnemen, vergt nader onderzoek waarvoor het onderhavige project niet de juiste gelegenheid biedt. Men bedenke overigens wel dat waar het wenselijk is dat de rechter afstand neemt, de huidige regeling daarvoor ruimte laat. Anders gezegd, de rechter heeft voldoende vrij- heid om onwenselijke vermengingen van zijn rechtsprekende en leidinggevende taak tegen te gaan. 2024 -175- No. 164 Afdeling 5 (Ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag) Ook hier vinden geen belangrijke wijzigingen plaats. De bepalingen zijn afgestemd op de afdelingen 1 tot en met 3; zo vervalt de term ‘ouderlijke macht’ en heeft de term voogdij niet meer op ouders betrekking heeft. Afdeling 6 (Voogdij) 1. Ook hier houden de wijzigingen vooral verband met het nieuwe stelsel, waarin een ouder nimmer de voogdij kan uitoefenen. Zo is de materie van de oude afdeling inzake de ‘Voogdij van de vader of de moeder’ overgebracht naar de afdeling inzake het ouderlijk gezag (artikelen 253b tot en met 253h). Door het verdwijnen van de ouder-voogdij kon ook de ontheffing van de voogdij en het herstel van de ontzette of ontheven oudervoogd vervallen. Thans wordt expliciet bepaald dat een ontzette voogd niet in het gezag over de desbetreffende minderjarige kan worden hersteld (artikel 335). 2. Zoals hiervóór al is toegelicht is het instituut van de toeziende voogdij komen te vervallen (zie bij afdeling 1); in geval van een belangenconflict tussen voogd en kind kan eventueel een bijzonder curator worden benoemd om het kind te vertegenwoordigen (artikel 250; toegelicht bij afdeling 1). Ook de zgn. curator ventris is verdwenen (zie ook afdeling 1). TITEL 15 (OMGANG, INFORMATIE EN RAADPLEGING) Algemeen 1. Deze titel komt overeen met de recente Regeling omgangsrecht (SB 2002, no. 100: artikelen 471a tot en met 471i bestaand BW), behoudens dat, ter vermijding van discriminatie, in artikel 377a ouders en andere personen die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind gelijk worden behandeld. Men denke hierbij vooral aan de verwekker met ‘family life’. Het moet niet zo zijn dat aan een verwekker die jarenlang voor het kind heeft gezorgd (en het wellicht niet mocht erkennen van de moeder) de omgang gemakkelijker kan worden ontzegd, dan aan een familierechtelijke vader die reeds vóór de geboorte is vertrokken (en zelfs mogelijkerwijs het kind niet heeft verwekt). Vgl. in dit verband de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak Sahin (EHRM 11-10-2001, NJ 2002, 417 en in diezelfde zaak EHRM 8-7-2003 [Grote Kamer], NJ 2004, 136). 2. Doordat artikel 377a ten opzichte van het huidige artikel 471a BW is verruimd, kan de inhoud van het huidige artikel 471f BW vervallen. De inhoud van het huidige artikel 471h BW kan vervallen in verband met het nieuwe artikel 253a.

  471. Artikel 377a (Omgangsrecht van het kind en een niet met het gezag belaste ouder e.a.) 1. Het kind zelf heeft recht op omgang met zijn ouders (artikel 377a lid 1, eerste volzin); men zie artikel 9 lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, luidende: ‘States Parties shall respect the right of the child who is separated from one or both parents to maintain personal relations and direct contact with both parents on a regular basis, except if it is contrary to the child's best interests.’ 2. De ouder heeft recht op omgang met het kind (artikel 377a lid 1, tweede volzin). Hetzelfde geldt voor de biologische vader die het kind niet erkend heeft maar wel ‘family life’ heeft met het kind en anderen als grootouders, broers en zusters, voormalige pleegouders met ‘family life’; zie hierboven onder Algemeen bij deze titel en ook hierna. De in artikel 377a neergelegde regeling is wat betreft gehuwde ouders niet be- perkt tot de scheidingssituatie. Vooral valt hier uiteraard te denken aan de niet met het gezag belaste ouder, dus de gehuwde ouder die na scheiding noch het gezamenlijk gezag heeft behouden noch het eenhoofdig gezag heeft verkregen, alsmede aan de man die het kind heeft erkend zonder vervolgens met de moeder het gezamenlijk gezag te verkrijgen of (in plaats van de moeder) met het eenhoofdig gezag te zijn belast. Verder kan worden gedacht aan onbevoegdheid van een ouder tot het gezag (artikel 246) en aan ontheffing of ontzetting van het gezag (artikelen 266 e.v.). Bij een ondertoezichtstelling blijft de ouder het gezag 2024 -176- No. 164 uitoefenen, zodat artikel 377a niet van toepassing is; zie wel de artikelen 263a en 263b. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens blijkt dat het in artikel 8 van het EVRM bedoelde ‘family life’ niet eindigt door een kinderbeschermingsmaatregel. Vanzelfsprekend zullen de problemen die tot de maatregel geleid hebben, hun invloed doen gelden op de beslissing op welke wijze het omgangsrecht moet worden geconcretiseerd of zelfs dat in het concrete geval het belang van het kind met zich brengt dat daar geen ruimte voor is. 3. De term ‘degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind’ kan ook betrekking hebben op heel verschillende categorieën personen (zie hierna). Bij de vaststelling van de aard en omvang van de te regelen omgang is het belang van het kind doorslaggevend, waarbij, afhankelijk van de individuele omstandigheden, een omgangsregeling ten behoeve van de verwekker wellicht anders zal zijn (in frequentie en duur) dan een omgangsregeling ten behoeve van de grootouders. In navolging van het BW van Aruba is toegevoegd: of in zijn privéleven wordt geraakt. Uit recente rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens blijkt dat een verwekker die geen ‘family life’ heeft met een kind op grond van zijn recht op respect van ‘private life’ aanspraak erop kan maken dat de rechter onderzoekt of omgang in het belang van het kind is. Men zie onder meer EHRM 15 december 2011, appl. No. 17080/07, Schneider v. Germany. Weliswaar is Suriname niet aangesloten bij het EVRM, de daarop gebaseerde rechtspraak kan wel wenselijke inspiratie verschaffen. 4. Met de term ‘nauwe persoonlijke betrekking’ is niet iets anders bedoeld dan de verdragsrechtelijke term ‘family life’. Een van rechtswege bij de geboorte ontstane of na de geboorte opgebouwde nauwe persoonlijke betrekking kan door latere gebeurtenissen verloren gaan. Aannemelijk is dat hoe hechter de betrekking, hoe zwaardere eisen aan de verbreking moeten worden gesteld. 5. Wat betreft de andere personen dan ‘ouders’ moet, zoals gezegd, in de eerste plaats worden gedacht aan de verwekker of zaaddonor (samenvallend onder de categorie ‘biologische vader’). Voorts komen in beginsel in aanmerking familieleden. Ook voor de ontvankelijkheid van grootouders zijn concrete omstandigheden nodig. Een samenwonen met het kleinkind is evenwel een te zware eis (HR 15-5-1987, NJ 1988, 654, gehandhaafd in HR 25-6-1993, NJ 1993, 62). Het spreekt vanzelf dat de concrete omstandigheden waarom het hier gaat, moeilijk anders dan na de geboorte zullen hebben plaats gevonden, zodat de grootouders voor het ontstaan van een nauwe persoonlijke betrekking afhankelijk zullen zijn van degene die het gezag uitoefent. Over de niet-ontvankelijkheid van een tante in haar ver- zoek om een omgangsregeling, zie HR 2-10-1992, NJ 1992, 768. In het bijzonder kan nog worden gedacht aan broers en zusters die van elkaar gescheiden zijn; zie Rb. Breda 30-5-1991, NJ 1992, 451. 6. Ook moet worden gedacht aan een sociale ouder. Door feitelijke (mede)verzorging door een huwelijkse of buitenhuwelijkse levenspartner van de ouder die het gezag heeft of door pleegouders kan een nauwe persoonlijke betrekking ontstaan. Uit de jurisprudentie zijn bekend: leden van een woongroep (HR 20- 11-1987, NJ 1988, 281), de ex-vriendin van de moeder (HR 5-12-1986, NJ 1987, 957) en ex-vriend van de moeder (HR 23-6-1995, NJ 1996, 17). Uit deze laatste uitspraak blijkt dat hier strenge eisen gelden. De man had ruim zes jaar een Latrelatie gehad met de moeder van het kind en na de verbreking daarvan was met de moeder een omgangsregeling overeengekomen. Desalniettemin werd geen nauwe persoonlij- ke betrekking aangenomen, waarbij overigens meespeelde dat het kind de vervulling van de ouderrol door de ‘sociale vader’ niet als positief had beleefd. 7. Ontzeggingsgronden. Artikel 377a lid 3, noemt de gronden op welke het omgangsrecht door de rechter kan worden ontzegd. Vanwege het fundamentele karakter van het omgangsrecht is het de rechter niet toege- staan het ambtshalve te ontzeggen. De ontzeggingsgronden zijn: a. ernstig nadeel voor de ontwikkeling van het kind. Weerstanden bij de met het gezag belaste ouder vormen geen reden het omgangsrecht aan de niet met het gezag belaste ouder te ontzeggen, tenzij de spanningen van dien aard zijn dat daarmee ook zwaarwegende belangen van het kind worden getroffen door hun negatieve uitwerking op het gezinsverband. 2024 -177- No. 164 b. de ouder of ander met ‘family life’ is ongeschikt of niet in staat. Men denke bijvoorbeeld aan een ouder die verslaafd is aan alcohol of drugs of een ouder die zich stelselmatig niet aan de omgangsregeling houdt. c. ernstige bezwaren van het kind. Hier heeft het kind de beslissende stem. Wel moeten diens bezwaren ‘ernstig’ zijn. De wettekst beperkt deze grond tot kinderen van twaalf jaar en ouder. Dit betekent niet dat de mening van een jonger kind niet van betekenis zou zijn. d. strijd met zwaarwegende belangen van het kind. Deze grond dient voor de rechter om binnen de grote variëteit aan casusposities tot een afgewogen oordeel te komen. Met name kunnen hier praktische omstandigheden onder worden gebracht, bijvoorbeeld te grote afstand. 8. Sancies. De effectuering van een door de rechter getroffen omgangsregeling blijft een moeilijke zaak. De beschikbare middelen tot het afdwingen van naleving zijn vaak weinig effectief en vooral, althans op korte termijn, strijdig met het belang van het kind (‘When elephants fight it is the grass that suffers’). Mogelijk is dat aan de naleving van een omgangsregeling een dwangsom wordt verbonden (HR 1-10-1982, NJ 1983, 614). Is de ouder die het gezag uitoefent onvermogend, dan is dit middel echter weinig effectief. Het frustreren van een omgangsregeling zou als niet-financiële factor kunnen leiden tot vermindering of ontzegging van de echtgenotenalimentatie (artikel 157 lid 1 en 401). De aard der verplichting tot naleving van een omgangsregeling verzet zich evenmin tegen toepassing van lijfsdwang (vgl. HR 5-12-1986, NJ 1987, 527), maar uiteraard zijn hieraan met het oog op de verzorging van het kind praktische bezwaren verbonden. Het frustreren van een omgangsregeling zou (in samenhang met andere zwaarwegende omstandigheden) er zelfs toe kunnen leiden dat aan de vereisten voor een kinderbeschermingsmaatregel - in het bijzonder een ondertoezichtstelling (Hof Arnhem 4-2-1975, NJ 1975, 429) - wordt voldaan. Voorts is, als uiterste middel, gezagswijziging mogelijk (HR 28-7-1939, NJ 1939, 948 en HR 28-5-1982, NJ 1982, 529). In wezen gaat het hier overigens om een mentaliteitskwestie. Ouders zullen de omgang na scheiding als een normale zaak moeten gaan zien.

  472. Artikel 377b (Informatie- en consultatierecht van de niet met het gezag belaste ouder jegens de andere ouder) 1. De ouder die alleen met het gezag is belast, is verplicht de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind (artikel 377b lid 1, eerste volzin, eerste gedeelte). Dit ouderlijk informatierecht jegens de andere ouder is reeds door de Hoge Raad erkend (HR 8-2-1991, NJ 1992, 21-22). De Hoge Raad overwoog dat aldus wordt voorkomen dat de band tussen het kind en de andere ouder in ernstiger mate wordt verbroken dan wordt gerechtvaardigd door de gronden die zich tegen het treffen van een omgangsregeling verzetten. 2. De rechter kan op verzoek van een ouder een regeling vaststellen (artikel 377b lid 1, tweede volzin). Ook het oudere of wilsbekwame kind kan informeel daarom verzoeken (artikel 377g). De regeling kan bijvoorbeeld betreffen de aard en omvang van de informatie, de vorm waarin of de frequentie waarmee de inlichtingen moeten worden gegeven. Het zal hier vooral gaan om zaken die met de school te maken hebben (schoolkeuze, leerprestaties, beroepskeuze), om medische kwesties en aangelegenheden op financieel terrein die de minderjarige direct aangaan. Denkbaar is dat de met het gezag belaste ouder ver- plicht wordt periodiek een goed gelijkende foto op te sturen, vergezeld van een brief waarin de belang- rijkste momenten voor het kind in de afgelopen periode zijn aangegeven. Indien het belang van het kind zulks vereist, kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve het informatierecht ontzeggen (artikel 377b lid 2). 2024 -178- No. 164 3. Door de schakelbepaling neergelegd in artikel 377i kan ook de biologische vader die ‘family life’ heeft met zijn kind op artikel 377b beroep doen. Anderen met ‘family life’, bijvoorbeeld ooms en tantes, broers en zusters, voormalige pleegouders – dus de personen bedoeld in artikel 377h – kunnen eventueel een beroep doen op de mensenrechten teneinde informatie te krijgen. In dit verband is van belang dat ofschoon de context verschilt ten opzichte van een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling, er desalniettemin geen grond is verschil te maken bij de beoordeling van de ontvankelijkheid. Het onderzoek naar de eventuele gerechtvaardigdheid van beide verzoeken kan immers reeds een zekere mate van inmen- ging in het recht op respect voor de rechten van moeder en kind opleveren. Aldus HR 17-12-1993, NJ 1994, 360. 4. De ouder die alleen met het gezag is belast, is verplicht de andere ouder te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind (artikel 377b lid 1, eerste volzin, tweede gedeelte). Het gaat erom dat de niet met het gezag belaste ouder die bij de opvoeding betrokken wil blijven, daartoe door de andere ouder in de gelegenheid wordt gesteld. Het consultatierecht is een stap verder dan het informatierecht. Dit betekent dat ontzegging van het consultatierecht niet zonder meer impliceert dat een verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling ook wordt afgewezen. Zie verder hiervóór onder 1 en 2.

  473. Artikel 377c (Informatierecht van de niet met het gezag belaste ouder jegens derden) 1. Ook jegens derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandig- heden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, heeft de niet met het gezag belaste ouder een informatierecht. Deze bepaling voorkomt dat de niet met het gezag belaste ouder van het veto van de andere ouder afhankelijk is voor het verkrijgen van informatie van derden. 2. Het artikel bevat een aantal beperkingen: a. derden die beroepshalve beschikken over informatie. De verplichting geldt dus niet voor familieleden. Het gaat hier om leerkrachten, schooldecanen, artsen en andere vertrouwenspersonen. b. desgevraagd. De informatie behoeft niet uit eigen beweging door de derde te worden verstrekt. In het algemeen zal er een gerichte concrete vraag van de niet met het gezag belaste ouder aan ten grondslag moeten liggen. De term ‘desgevraagd’ impliceert voorts dat de derde niet gehouden is voortaan alle informatie die aan de ouder bij wie het kind verblijft wordt verschaft, ook te verschaffen aan de niet met het gezag belaste ouder naar aanleiding van een algemene vraag daartoe. c. tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Men denke hier aan een beroepsgeheim van medici, advocaten of notarissen. d. inzake belangrijke feiten en omstandigheden. Hiermee wordt een objectieve maatstaf gegeven. Vgl. ook in artikel 377b ‘gewichtige aangelegenheden’. e. die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen. In het algemeen is dus uitgesloten informatie die het eventuele vermogen van het kind betreft. f. tenzij ... het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet. Indien bijvoorbeeld aan de niet met het gezag belaste ouder de omgang is ontzegd, maar deze toch het kind na schooltijd probeert te ontmoeten, zou door de leerkrachten informatie die zou inhouden dat het kind naar een andere school zou gaan, kunnen worden geweigerd. 3. Geschillen kunnen aan de rechter worden voorgelegd. Deze kan nadere aanwijzingen geven. De rechter ontzegt het recht op informatie in ieder geval indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet (artikel 377c lid 2). 2024 -179- No. 164

  474. Artikel 377g (Informele rechtsgang kind) De rechter kan ambtshalve een omgangs-, informatie- of consultatieregeling vaststellen of wijzigen, indien hem op informele wijze signalen bereiken dat de minderjarige dit wenst. Men kan hier denken aan rechtstreeks contact, een brief, een telefoongesprek. Ook indirect, bijvoorbeeld via een familielid, kan de wens van de minderjarige tot de rechter doordringen. Alleen de ouders zijn hiervan uitgesloten, omdat zij wel een eigen rechtsgang hebben. Indien de rechter naar aanleiding van de wensen van de minderjarige zich voorneemt ambtshalve te beschikken, krijgt de procedure vervolgens wel een formeel verloop. Vergelijk ook de informele rechtsgang van artikel 251a lid 4, ten aanzien van het gezag na scheiding. TITEL 16 (CURATELE) 1. De verouderde term ‘onnozelheid, krankzinnigheid, of razernij’ als grond voor curatele is vervangen door het ruimere begrip ‘geestelijke stoornis’. Hieronder is tevens de oude vierde grond ‘zwakheid van vermogens’ begrepen. 2. Belangrijk is dat, behalve wegens gewoonte van drankmisbruik, curatele ook mogelijk is wegens gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen (artikel 378 lid 1 onderdeel c). Deze uitbreiding is ook opgenomen in de Caribische BW’s. Mede in verband hiermee is gehandhaafd dat de rechter een verslaafde voor ten hoogste een jaar ter verpleging kan doen plaatsen in een inrichting, met de mo- gelijkheid van verlenging voor telkens ten hoogste een jaar. Deze specifieke mogelijkheid van gedwongen opneming van verslaafden bestaat in Nederland niet meer. 3. Deze ondercuratelestelling moet in de eerste plaats worden gezien als een reactie op de door de problema- tisch verslaafden veroorzaakte overlast voor de openbare orde, voor de veiligheid voor zichzelf en van anderen, alsmede voor het functioneren van het justitiële apparaat. Gedwongen opname hoeft niet zonder meer gedwongen behandeling te impliceren, noch te rechtvaardigen. Anders gezegd, de dwangopname wordt primair gelegitimeerd door het maatschappelijk beveiligingsmotief en niet door het behandelings- of verslavingsmotief. 4. Aan de kring der personen die bevoegd zijn tot het verzoeken van de curatele, is toegevoegd de levens- gezel. Het moet hier gaan om een persoon die tot de betrokkene in een vergelijkbare betrekking staat als de echtgenoot. De beantwoording van de vraag of een relatie bestaat vergelijkbaar met die tussen echtgenoten, is afhankelijk van door de rechter te beoordelen feitelijke omstandigheden. Van belang kunnen hierbij vooral zijn dat er een gemeenschappelijke huishouding bestaat, de duur daarvan, dat het een relatie van affectieve aard is en dat partijen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. 5. In artikel 383 lid 2, is bepaald dat de rechter bij de benoeming van een curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten (men denke aan kennelijke ongeschiktheid of onwil). Indien geen voorkeur is geuit of een gedane voorkeur gepasseerd, wordt, indien de onder curatele gestelde is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echt- genoot of de andere levensgezel tot curator benoemd. Indien dit niet van toepassing is, wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd. 6. De curator heeft behalve de zorg voor het vermogen van de curandus (zie artikel 386), eveneens de zorg voor diens persoon. Dit blijkt duidelijk uit artikel 385 lid 1, in verbinding met 336 (verzorging van de curandus overeenkomstig diens vermogen). Zie voorts artikel 381 lid 4 in verbinding met 453 en 454 (ver- zorging, verpleging, behandeling en begeleiding) en artikel 37 (huwelijkstoestemming voor een categorie onder curatele gestelden). Curandi zijn in beginsel onbekwaam tot familierechtelijke handelingen (artikelen 381 en 382), hetgeen niet wil zeggen dat zij zonder meer daarin kunnen worden vertegenwoordigd. De curator kan hen vertegenwoordigen als verweerder in een familierechtelijke procedure, zoals een echt- scheidingsgeding (HR 14-11-1935, NJ 1936, 22 en HR 17-2-1956, NJ 1956, 128). De onder curatele gestelde kan zelfstandig als verzoeker tot echtscheiding optreden, echter onder voorwaarde dat hij in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van een zodanig verzoek te begrijpen. Dit kan in de procedure zelf aan de orde komen (HR 28-3-1980, NJ 1980, 378). 2024 -180- No. 164 7. Een curandus kan, ongeacht de grond voor de curatele, niet zonde toestemming van de rechter een kind erkennen of een huwelijk sluiten. Hiermee wordt het verschijnsel schijnerkenning en schijnhuwelijk tegengegaan. Zie verder artikel 69 lid 1 onderdeel e, en artikel 205 lid 1 onderdeel d en lid 3. 8. In geval van een conflict tussen de belangen van de curator en die van de curandus, kan de rechter een bijzondere curator benoemen (artikel 385 lid 1 in verbinding met 250). De aandacht zij erop gevestigd dat artikel 381 lid 6 (‘In zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft bekwaam in rechte op te reden en tegen een uitspraak beroep in te stellen’) door de Hoge Raad, met een beroep op onder meer artikel 6 van het EVRM, mede toepasselijk is geacht op een conflict tussen curandus en curator betreffende de verzorging of verpleging van de curandus - daaronder begrepen een conflict over diens verblijfplaats - terwijl een onmiddellijke voorziening in kort geding nodig is, zonder dat de benoeming van een bijzondere curator kan worden afgewacht. Voorwaarde is verder dat niet blijkt dat de curandus, ook met behulp van zijn raadsman, niet tot een redelijke waardering van zijn bij het conflict betrokken belangen in staat is. Aldus HR 28-1-1994, NJ 1994, 687. 9. Artikel 391 bepaalt dat ter griffie van het Eerste Kanton een centraal register zal worden ingericht voor het bijhouden van gegevens betreffende iedere curandus. In de praktijk wordt reeds een curatele register bijgehouden. TITEL 17 (LEVENSONDERHOUD) Afdeling 1 (Algemene bepalingen) 1. In verband met de verlaging van de meerderjarigheidsgrens tot achttien jaar, is bepaald dat ouders tot de eenentwintigjarige leeftijd van hun kinderen verplicht zijn te voorzien in hun kosten van levensonderhoud en studie (artikel 395a lid 1, eerste volzin). In vergelijking met het huidige recht - waarin de meerderjarigheidsgrens eenentwintig jaar is - maakt dit dus feitelijk voor de ouders geen verschil. Het- zelfde geldt voor de verwekker van een onwettig niet-erkend kind, tegen wie een alimentatieverzoek gegrond op artikel 394 is toegewezen (artikel 395a lid 1, tweede volzin). Voor de periode van minderjarigheid spreekt de wet van ‘kosten van verzorging en opvoeding’, voor de periode van jongmeerderjarigheid (achttien tot en met twintig jaar) van ‘kosten van levensonderhoud en studie’, aangezien ten aanzien van meerderjarige kinderen de term ‘opvoeding’ minder geschikt voorkomt. 2. De echtgenotenalimentatie na scheiding kwam reeds aan de orde bij titel 9, afdeling 2 (Echtscheiding). Aldaar is ook reeds aandacht besteed aan de mogelijkheid van latere wijziging van een eenmaal vast- gestelde echtgenotenalimentatie, mede in verband met de wettelijke limiteringsregeling (artikel 401 lid 1, tweede volzin, alsmede de leden 2 en 3). Afdeling 2 (Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen door ouders) 1. In artikel 406 lid 1, is bepaald dat indien een ouder zijn verplichtingen niet nakomt, zowel het Bureau voor Familierechtelijke Zaken als de andere ouder of voogd de rechter kan verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren. Niet nodig is dat de nalatige ouder niet het gezag over het kind uitoefent. Men denke bijvoorbeeld aan het geval dat gehuwde ouders gescheiden wonen en een van hen niet bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding der kinderen, of aan het geval dat de ouders na scheiding het gezamenlijke gezag hebben behouden. 2. Artikel 406a, inzake de kosten van een kinderbeschermingsmaatregel, is ontleend aan de artikelen 781 en 782 van het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2024 -181- No. 164 3. De taak van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken wat betreft het verzoeken en innen van kinderali- mentatie blijft ongewijzigd. In Nederland zijn op dit terrein grote veranderingen aangebracht. Mocht ook in Suriname behoefte zijn aan wijziging van de taak (en de inrichting) van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken, dan kan zulks beter bij aparte wetgeving worden gerealiseerd. Gehandhaafd blijft derhalve het voorschrift dat door de rechter vastgestelde kinderalimentatiebijdragen aan het Bureau voor Familierechtelijke Zaken dienen te worden betaald (artikel 408); zie voorts artikel 395b, leden 2 tot en met 5, artikel 406 lid 1, artikel 406c lid 1 en artikel 407 lid 1. Het Bureau voor Familierechtelijke Zaken kan echter erin toestemmen dat de betaling rechtstreeks aan de verzorger van het kind geschiedt. Afdeling 3 (Kosten van bevalling) Deze afdeling is in Nederland vervallen. De gedachte daarbij was dat de sociale voorzieningen zo belangrijk zijn verbeterd, dat aan de regel weinig behoefte zou bestaan, terwijl voorts de bewijsmoeilijkheden niet zouden opwegen tegen het betrekkelijk geringe bedrag (Parlementaire Geschiedenis, Invoeringswet Boek 1, p. 1452). Deze redenen lijken echter, althans in Suriname, van onvoldoende gewicht. De afdeling is daarom gehandhaafd (artikel 408a). Afdeling 4 (Uitkering tot levensonderhoud na beëindiging anders dan door de dood van een langdurige buitenhuwelijkse samenleving) 1. In afwijking van wat in Nederland geldt, maar in overeenstemming met het nieuwe Boek 1 van de Caribische BW’s, is de mogelijkheid geopend dat de rechter in geval van een beëindigd langdurig concubinaat, een der ex-partners tot alimentatiebetaling kan verplichten, indien dat redelijk is (artikel 408b). Zie het Algemeen deel van de memorie van toelichting (ad m). Wanneer alimentatie in deze niet- huwelijkse situatie ‘redelijk’ is, zal door de rechtspraak moeten worden ingevuld. De rechter let op alle omstandigheden van het geval. Hierbij valt te denken aan leeftijd, gezondheidstoestand en arbeidsverleden, de tijdens de samenleving aangehouden rolverdeling, de duur van het (langdurige) concubinaat, het feit dat uit het concubinaat kinderen zijn voortgekomen, de leeftijd van deze kinderen, eventuele afspraken ter zake, enz. Het bepaalde omtrent de echtgenotenalimentatie is van overeenkomstige toepassing; men denke onder andere aan wat geldt omtrent behoeftigheid en draagkracht en aan de wettelijke limiteringsregeling van artikel 157, leden 3 tot en met 6. Onder de term ‘samenleven als waren zij gehuwd’ is mede begrepen het geval dat een van beide partners (nog) gehuwd is. 2. Wat betreft de goederen, zie men artikel 87a in verbinding met artikel 87. Voorts houde men voor ogen dat ook krachtens stilzwijgende afspraak, zeker bij relaties van langere duur, een bepaald gemeenschappelijk vermogen kan ontstaan. Soms zal men de goederen gemeenschappelijk hebben aangeschaft, soms zal de ene partner geacht kunnen worden mede voor de ander te hebben verkregen en ten slotte zou met analogische toepassing van artikel 131 gemeenschap kunnen worden aangenomen met betrekking tot de goederen waarop geen van beide partners zijn recht kan bewijzen. (Zie ook de rechtspraak, vermeld door E.L. Joubert in: Niet-huwelijkse samenlevingsvormen, Congres Antilliaanse Juristen Vereniging en Antilliaanse-Arubaanse Notariële Vereniging, 1990, p. 63-71). De rechter heeft wat betreft de goederen - inclusief de rechten die samenhangen met het gebruik van een op huurgrond gebouwde woning - vaak voldoende mogelijkheden om tot een in de gegeven omstandigheden redelijk resultaat te komen. Voor de erfrechtelijke bescherming van de levensgezel, zie artikel 4:30b en voor de huurrechtelijke bescherming artikel 7:246. 3. Wat het in het nieuwe Boek 6 van het BW neergelegde schadevergoedingsrecht betreft, zij er volledig- heidshalve op gewezen dat in artikel 6:108 lid 1, de schadevergoeding geregeld is ten behoeve van degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene geheel of voor een groot deel voorzag (onderdeel c) of in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van een gemeenschappelijke huishouding (onderdeel d). 2024 -182- No. 164 TITEL 18 (AFWEZIGHEID, VERMISSING EN VASTSTELLING VAN OVERLIJDEN IN BEPAALDE GEVALLEN) 1. De weliswaar weinig toegepaste, maar voor achterblijvers belangrijke, in titel 18 neergelegde regeling inzake de vermissing van personen is bij de tijd gebracht. Het spreekt van zelf dat de communicatiemiddelen van heden niet te vergelijken zijn met die uit de vorige eeuwen. Voorgesteld wordt onder meer om in artikel 413 de termijn waarna een verklaring van vermoedelijk overlijden kan worden verkregen, te stellen op een jaar indien de betrokkene wordt vermist gedurende dat jaar en de omstandigheden zijn of haar dood waarschijnlijk maken. Het voorgestelde stelsel kan als volgt worden weergegeven: a. de dood van de vermiste persoon is onzeker: na vijf jaar kan de verklaring van vermoedelijk overlijden worden uitgelokt (artikel 413 lid 1 en lid 2, eerste volzin); b. de dood van de vermiste persoon is waarschijnlijk: na verloop van een jaar kan de verklaring worden uitgelokt (artikel 413 lid 1 en lid 2, tweede volzin); c. de dood van de vermiste is als zeker te beschouwen: de verklaring dat de vermiste is overleden kan zonder enige wachttijd worden verzocht (artikel 426). 2. Wat betreft afdeling 2 (Personen wier bestaan onzeker is) wordt in artikel 421 de verplichting tot zekerheidsstelling niet opgelegd aan de echtgenoot. De reden hiervan is dat een echtgenoot bij afwezigheid van de andere echtgenoot steeds gerechtigd is gemeenschapsgoederen zonder zekerheid te stellen onder zich te hebben. 3. Afdeling 3 (Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen) is nieuw. De vliegramp te Tenerife, Canarische Eilanden, in 1977 heeft de wenselijkheid beklemtoond van een wettelijke regeling voor gevallen waarin personen vermist zijn, terwijl uit de omstandigheden is af te leiden dat zij zijn overleden. De regeling in afdeling 2 (artikelen 413 e.v.) voldoet niet aan de behoefte in dergelijke situaties aan een voor de nabestaanden niet nodeloos kwetsende rechtsgang tot het vaststellen van het redelijkerwijs zekere overlijden. De regeling van artikel 426 lid 1, is daarom aanzienlijk eenvoudiger dan die van de artikelen 413 e.v., maar het aantal voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om het verband met de Surinaamse rechtssfeer te demonstreren, is aanzienlijk groter. 4. Artikel 426 lid 1 betreft een vermist persoon; in lid 2 is geregeld het geval dat een persoon in het buitenland is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd. Ook hier is een nauwe band met Suriname vereist. 5. Van de rechterlijke beschikking waarbij in de gevallen van artikel 426 verklaard wordt dat de betrokkene is overleden, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand te Paramaribo een akte van inschrijving op, die hij in het overlijdensregister opneemt (artikel 429). Deze akte geldt als akte van overlijden in de zin van artikel 19f lid 1 (artikel 430). Dit betekent dat een dergelijke akte en de authentieke afschriften of uittreksels daarvan in alle opzichten dezelfde werking hebben en dezelfde bewijskracht hebben als een op de normale wijze opgemaakte overlijdensakte (zie artikel 22 lid 2 en 22a). Hier is een belangrijk verschil aanwezig met de regeling omtrent het rechtsvermoeden van overlijden van afdeling 2. Met name ontbreken hier de bijzondere bepalingen van de artikelen 418 tot en met 425 voor erfgenamen en legatarissen en voor de achtergebleven echtgenoot die een nieuw huwelijk wenst aan te gaan. Dit verschil is gerechtvaardigd aangezien in de gevallen van artikel 426 het overlijden met zekerheid vaststaat en terugkeer mitsdien is uitgesloten. 2024 -183- No. 164 TITEL 19 (ONDERBEWINDSTELLING TER BESCHERMING VAN MEERDERJARIGEN) 1. Deze titel inzake het zgn. beschermingsbewind en de volgende inzake mentorschap zijn nieuw. De gedachte is dat curatele soms een te zwaar en psychologisch te belastend middel is. Indien slechts behoefte is aan bijstand op het vermogensrechtelijke vlak (men denke aan hoogbejaarden met enig vermogen), kan het be- schermingsbewind als alternatief dienen, indien slechts behoefte is aan behartiging van niet-vermogens- rechtelijk belangen (men denke aan zwakzinnigen), het mentorschap. Beschermingsbewind en mentorschap kunnen naast elkaar bestaan; curatele daarentegen eindigt bij instelling van beschermingsbewind of mentorschap (artikel 389 lid 3). Omgekeerd eindigt beschermingsbewind of mentorschap bij het instellen van curatele (onderscheidenlijk artikel 449 lid 1 en 462 lid 1). In het algemeen is de rechter gehouden de minst ingrijpende beschermingsmaatregel of combinatie van maatregelen te treffen (HR 1-7-1983, NJ 1984, 181); vgl. in dit verband artikel 432, leden 3 en 4, alsmede artikel 451, leden 3 en 4 (ambtshalve instellen van bescher- mingsbewind of mentorschap door curatelerechter). 2. Het beschermingsbewind betreft, zoals gezegd, slechts vermogensrechtelijke aangelegenheden (artikel 431). Er vindt - in tegenstelling tot curatele - geen publicatie plaats (behoudens wat betreft registergoederen, een onderneming of een aandeel in een vennootschap onder firma (openbare vennootschap) of rederij: artikel 436 lid 3). Anderzijds is wel voorzien in derden bescherming (artikelen 439 en 440). De betrokken rechthebbende wordt - anders dan bij curatele - niet handelingsonbekwaamheid, maar sprake is van een zekere onbevoegdheid. 3. Het beschermingsbewind kan, anders dan curatele, ook wegens een lichamelijke toestand van betrokkene worden ingesteld. Men denke aan een patiënt die een ernstige operatie moet ondergaan en daardoor langdurig is uitgeschakeld. De maatregel is in beginsel mogelijk tegen de uitdrukkelijke wil van de rechthebbende. De rechter zal hiermee echter terughoudend zijn, omdat - behoudens wat betreft het beheer over de goederen - het beschermingsbewind uitgaat van samenwerking tussen bewindvoerder en rechthebbende. 4. Artikel 431, derde lid, betreft verkwisting of het hebben van problematische schulden. Ook curatele is mogelijk wegens verkwisting (artikel 378, eerste lid, onderdeel b). Een beschermingsbewind heeft als voordeel dat het niet in de krant wordt gepubliceerd, wat pijnlijk is voor betrokkene en de familie. Als bewindvoerder kan bij voorkeur de echtgenoot, kind of ander familielid worden benoemd zoals bij curatele (artikel 1:435, vierde lid). Het ‘schuldenbewind’ beoogt financiële stabiliteit te brengen en het zorgen voor basisvoorzieningen. Het beschermingsbewind kan voor bepaalde tijd worden ingesteld (artikel 449, eerste lid); dit ligt bij schuldenbewind eerder voor de hand dan bij bewind wegens een geestelijke aandoening. 5. Het is mogelijk - in afwijking van wat bij curatele geldt - dat de maatregel slechts op een gedeelte der goederen betrekking heeft. Men denke aan het geval van een zelfstandig wonende bejaarde die enerzijds zijn pensioenuitkeringen zelfstandig kan en wenst te beheren en deze bezigt ter voorziening in zijn gewone onderhoud, maar anderzijds zichzelf niet meer in staat acht tot een behoorlijk beheer van zijn onroerende zaken en effecten. 6. De kring der familieleden die een verzoek tot instelling van het beschermingsbewind kunnen doen, is - evenals bij curatele (artikel 379) en mentorschap (artikel 451 lid 1) - vrij ruim (artikel 432 lid 1). Het ligt echter voor de hand dat de rechter aan het oordeel van de meer nabije verwanten een groter gewicht zal toekennen dan aan dat van verwanten in verdere graden. Overigens kan eenieder - met name diegenen die niet zelf de bevoegdheid bezitten de instelling van het bewind uit te lokken - zich tot het Openbaar Ministerie wenden met het verzoek ambtshalve een verzoek in te dienen. 7. Aangezien het beschermingsbewind niet de zorg voor de persoon betreft, komt, anders dan bij curatele en mentorschap, ook een rechtspersoon voor benoeming in aanmerking (artikel 435 lid 6). Men denke aan financiële instellingen of bijzondere verenigingen en stichtingen die deze bewind voering tot doel hebben. Wel gaan de leden 3 en 4 (inzake de voorkeur van benoeming) boven dit lid 6. Het is echter mogelijk om twee of meer bewindvoerders te benoemen (artikel 437 lid 1). Benoeming van een tweede bewindvoerder kan voorts uitkomst bieden indien er een belangenconflict is tussen de eerste bewindvoerder en de rechthebbende, een situatie vergelijkbaar met die, bedoeld in artikel 250 (al dan niet in verbinding met artikel 385 lid 1), inzake de benoeming van een bijzondere curator. 2024 -184- No. 164 8. De werking van het beschermingsbewind komt kort gezegd neer op een onbevoegdheid van rechthebbende tot beheer en tot een beperkte bevoegdheid tot beschikking. Het begrip beheer heeft tot inhoud al datgene wat gedaan moet worden om het goed (de goederen, het vermogen) in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven. Beheer is de normale exploitatie van het goed. Hiertoe is, zoals gezegd, de rechthebbende niet bevoegd (artikel 438 lid 1). De bewindvoerder is daartoe - als vertegenwoordiger - bij uitsluiting bevoegd (artikel 438 lid 1 en 441 lid 2 onderdeel a, slot). 9. Wat betreft rechtshandelingen die niet vallen onder beheer, kan men onderscheiden: - het beschikken. Dit is een technisch-juridisch begrip, namelijk vervreemden of met enig recht bezwaren. Het staat niet tot beheren in een verhouding van meer of minder. Beheren en beschikken sluiten elkaar dus niet uit. Tot een daad van beschikken moeten de rechthebbende en de bewindvoerder samenwerken. Indien dat onmogelijk blijkt, is een machtiging van de rechter nodig (onderscheidenlijk artikel 438 lid 2 en artikel 441 lid 2 onderdeel a). - overeenkomsten tot beschikken, alsmede geldlening of andere rechtshandelingen, genoemd in artikel 441 lid 2, onderdelen a tot en met f. Hiertoe is de rechthebbende wel bevoegd, maar door schuldeisers die het beschermingsbewind kenden of behoorden te kennen, kan geen verhaal worden genomen op de onder het bewind staande goederen (artikel 440). De bewindvoerder is tot deze rechtshandelingen alleen bevoegd met toestemming van de rechthebbende of machtiging van de rechter (artikel 441 lid 2, onderdelen a tot en met f. - andere rechtshandelingen. De rechthebbende is hiertoe op zich bevoegd, wederom echter behoudens de beperking van verhaalbaarheid op zijn vermogen, vervat in artikel 440; de bewindvoerder is onbe- voegd. 10. Wat betreft de vordering van een verdeling van een gemeenschap en de aanvaarding van een nalatenschap, zie artikel 441, leden 4 en 5. De bewindvoerder is hiertoe bij uitsluiting bevoegd, met de nodige garanties. 11. De keerzijde van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bewindvoerder (artikel 441 lid 1) is de aansprakelijkheid van de rechthebbende voor alle schulden die voortspruiten uit daden die door de bewindvoerder ter vervulling van zijn taak zijn verricht (artikel 442 lid 2). In geval van slecht bewind is de bewindvoerder in beginsel aansprakelijk jegens de rechthebbende (artikel 444). TITEL 20 (MENTORSCHAP TEN BEHOEVE VAN MEERDERJARIGEN) 1. Thans gaat het, zoals gezegd (zie bij de vorige titel, onder 1) primair om niet-vermogensrechtelijke aangelegenheden. De categorieën meerderjarigen waarvoor het mentorschap kan zijn geïndiceerd, zijn vooral verstandelijk gehandicapten, psychiatrische-, psychogeriatrische- en comateuze patiënten. Het is niet de bedoeling dat een situatie waarin een meerderjarige niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn immateriële belangen, zonder meer leidt tot instelling van het mentorschap. Veelal kunnen informele vertegenwoordigers optreden. Pas als gestructureerde aandacht geboden is, moet aan het mentorschap of aan de - verder gaande - curatele worden gedacht. 2. De regeling is zoveel mogelijk analoog aan die van het beschermingsbewind (titel 19) opgezet. Er is - evenals bij beschermingsbewind en anders dan bij curatele - geen publicatie van de maatregel, maar ander- zijds is wel voorzien in bescherming van derden te goeder trouw (artikel 457, leden 2 en 3). Uiteraard zal de mentor, voor zover nodig, de naaste omgeving van de betrokkene - zoals de instelling waarin deze verblijft, de betrokken artsen, de naaste familie - van het mentorschap op de hoogte stellen. 3. Ook hier is niet sprake van algehele handelingsonbekwaamheid. In beginsel is de betrokkene onbevoegd rechtshandelingen te verrichten betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (artikel 453 lid 1). In beginsel is de mentor daartoe als vertegenwoordiger bevoegd (artikel 453 lid 2, eerste volzin). Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid van de mentor bestaat niet indien op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging is uitgesloten; men denke aan euthanasie. 2024 -185- No. 164 4. De betrokkene is desondanks bevoegd rechtshandelingen te verrichten betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding indien dit voortvloeit uit wet of verdrag (artikel 453 lid 1) of indien de mentor hem toestemming heeft verleend (artikel 453 lid 2, tweede volzin). Jegens een derde die het mentorschap kende of had behoren te kennen, wordt de betrokkene echter vermoed onbevoegd te zijn. Deze derde heeft derhalve de bewijslast en zal voorzichtig zijn om bevoegdheid aan te nemen (artikel 457 lid 2, slot). De sanctie in geval van onbevoegdheid is vernietigbaarheid, echter met een bescherming van derden die het mentorschap niet kenden of behoorden te kennen (artikel 457). 5. Met betrekking tot feitelijke handelingen betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (bijvoorbeeld de inzage van een dossier) treedt in beginsel de mentor plaatsvervangend op (artikel 453 lid 3). De mentor geeft voorts raad in niet-vermogensrechtelijke aangelegenheid in het algemeen (lid 4). Verzet de betrokkene zich tegen een handeling van ingrijpende aard, dan kan die handeling slechts plaats vinden indien zij kennelijk nodig is ten einde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen (lid 5). Voorts heeft, onder andere bij medische behandelingen, de hulpverlener een eigen verantwoordelijkheid. De hulpverlener zal een bepaald plaatsvervangend optreden door de mentor niet accepteren indien dat in strijd zou komen met zijn plicht om te handelen in overeenstemming met de zorg van een goed hulpverle- ner. 6. Ingevolge artikel 454 lid 1, tweede volzin, bevordert de mentor dat, voor zover betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht, hij rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht. De mentor kan dit realiseren door de betrokkene uitdrukkelijk en voor de derde met wie deze handelt, voldoende duidelijk kenbaar, toestemming te geven zelf te handelen. Mocht het zich voordoen dat de mentor systematisch weigert de betrokkene toestemming te geven, ofschoon deze voldoende in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan kan betrokkene of een andere belanghebbende zich informeel wenden tot de rechter. Deze kan de mentor te allen tijde oproepen om inlichtingen te verschaffen (artikel 459 lid 1) en eventueel wegens gewichtige redenen ontslaan (artikel 461 lid 2). Ook bestaat er in voorkomende gevallen de mogelijkheid van een kort geding (vgl. HR 28-1-1994, NJ 1994, 687, met betrekking tot de curatele). 7. Mentorschap en beschermingsbewind kunnen, zoals bij titel 19, onder 1, reeds opgemerkt, naast elkaar bestaan. Indien bij de instelling van het mentorschap reeds een beschermingsbewind bestaat, wordt - althans indien de bewindvoerder een natuurlijk persoon is - bij voorkeur de bewindvoerder tot mentor benoemd (artikel 452 lid 5). Indien evenwel mentor en bewindvoerder verschillende personen zijn, bepaalt artikel 458 dat de bewindvoerder niet tot optreden bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden betreffende de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 2 2024 -186- No. 164 BOEK 2 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 2 Rechtspersonen Titel 1 Algemene bepalingen

  475. Artikel 1 1. De bepalingen van deze titel gelden voor de in dit boek in afzonderlijke rechtsvormen geregelde rechtspersonen: de stichting, de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de naamloze vennootschap. 2. Artikel 3 geldt ook voor andere rechtsvormen die als rechtspersoon hebben te gelden. Voor zover het tegendeel niet uit de wet voortvloeit en de aard van de rechtspersoon zich niet daartegen verzet kunnen de overige bepalingen van deze titel analogisch worden toegepast op die andere rechtspersonen. Kerkgenootschappen en godsdienstige gemeenschappen bezitten rechtspersoonlijkheid. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, waaronder begrepen kerkorde, voor zover dit niet in strijd is met de wet. 3. Van de bepalingen van dit boek kan slechts worden afgeweken in de statuten, in een vennootschappelijke overeenkomst, of in een reglement, en alleen voor zover dit uit de wet blijkt. Daarbij gelden achtereenvolgens de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst en een reglement als een telkens lagere regeling. 4. Bepalingen van een lagere regeling zijn nietig voor zover zij leiden tot gevolgen die in strijd zijn met een hogere regeling. 5. Onder statuten wordt in dit boek verstaan: een uitdrukkelijk als “statuten” aangeduid document dat de fundamentele organisatieregels van de rechtspersoon bevat. 6. Onder een vennootschappelijke overeenkomst wordt in dit boek verstaan: een overeenkomst als bedoeld in lid 3 van artikel 127. 7. Onder reglement wordt in dit boek verstaan: een door een orgaan van de rechtspersoon krachtens de wet of de statuten vastgesteld, uitdrukkelijk als “reglement” aangeduid document, dat nadere organisatieregels van de rechtspersoon bevat.

  476. Artikel 2 1. Een rechtspersoon ontstaat niet bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte, voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de rechtspersoon niet, tenzij het gaat om een uiterste wilsbeschikking. 2. Vernietiging van de rechtshandeling waardoor een rechtspersoon is ontstaan, tast diens bestaan niet aan. Het vervallen van de deelneming aan de oprichtingshandeling van een of meer oprichters van een rechtspersoon heeft op zichzelf geen invloed op de rechtsgeldigheid van de deelneming der overblijvende oprichters. 3. Is ten name van een niet bestaande rechtspersoon een vermogen gevormd, dan verklaart de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie dat dit vermogen toebehoort aan een bij die beschikking in het leven geroepen rechtspersoon in de voorgewende rechtsvorm. Tenzij een andere oplossing de rechter geraden voorkomt ontbindt de rechter die rechtspersoon bij dezelfde beschikking.

  477. Artikel 24 leden 6 tot en met 8 vindt overeenkomstige toepassing. De andere oplossing kan bestaan in het alsnog vaststellen van statuten door de rechter en het aanwijzen van bestuurders, commissarissen, leden of aandeelhouders. 2024 -187- No. 164 4. Is het niet ontstaan van de rechtspersoon geheel of gedeeltelijk te wijten aan de grove schuld of de grove nalatigheid van een of meer personen die voor de ontbinding hebben gefungeerd als oprichter, bestuurder, commissaris, lid of aandeelhouder, dan zijn deze jegens de ontbonden rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een bij de vereffening blijkend tekort.

  478. Artikel 3 1. Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. 2. Leden, aandeelhouders en anderen die krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit.

  479. Artikel 4 1. Is een notariële akte van oprichting vereist dan wordt deze verleden in de Nederlandse taal. 2. De akte bevat in elk geval: a. de statuten van de rechtspersoon; b. tenzij het gaat om een stichting die bij uiterste wilsbeschikking wordt opgericht, de namen en woonplaatsen van de eerste bestuurders en van de overige functionarissen die er volgens de wet of de statuten moeten zijn. 3. Waar in dit boek wordt gesproken van een notariële akte wordt daaronder verstaan een akte verleden door of ten overstaan van een Surinaamse notaris. Een volmacht tot medewerking aan de akte moet schriftelijk zijn verleend.

  480. Artikel 5 1. De notaris, ten overstaan van wie de akte van oprichting wordt verleden, draagt zorg dat deze voldoet aan het in dit boek bepaalde en dat de vereiste stukken daaraan zijn gehecht. Hij draagt vervolgens zorg dat de rechtspersoon zo spoedig mogelijk wordt ingeschreven in het handelsregister en dat tegelijkertijd een authentiek afschrift van de akte met een afschrift van de daaraan gehechte stukken ten kantore van het handelsregister wordt gedeponeerd. 2. Is de akte van oprichting notarieel verleden dan is voor een wijziging van de statuten steeds ook een notariële akte vereist. De statuten, zoals zij na de wijziging luiden, worden in hun geheel in de akte van statutenwijziging opgenomen of daaraan gehecht. Iedere bestuurder is bevoegd de akte te doen verlijden, onverminderd de bevoegdheid van de algemene vergadering daarnaast een ander daartoe te machtigen. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing. 3. Bij verzuim in de naleving van de uit de leden 1 en 2 voortvloeiende verplichtingen is de notaris persoonlijk aansprakelijk jegens hen die daardoor schade hebben geleden.

  481. Artikel 6 1. Uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten rechtspersoon, ontstaan slechts rechten en verplichtingen voor de rechtspersoon, wanneer hij die rechtshandelingen bij of na zijn oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. 2. Degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten rechtspersoon zijn daardoor hoofdelijk verbonden. Deze verbondenheid vervalt een jaar na de bekrachtiging, tenzij schriftelijk anders is bedongen.

  482. Artikel 7 1. De rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. 2024 -188- No. 164 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglement, besluit of overeenkomst geldende regel of beslissing is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  483. Artikel 8 1. Iedere rechtspersoon heeft een bestuur. 2. Behoudens uit de wet of de statuten voortvloeiende beperkingen, is het bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon. Beperkingen van de bestuursbevoegdheid kunnen ook voortvloeien uit een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement. Individuele bestuurders oefenen hun bevoegdheden uit met inachtneming van de besluiten van het bestuur. 3. Bij de vervulling van zijn taak richt het bestuur zich naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. 4. Tenzij de statuten anders bepalen is het bestuur van een rechtspersoon die niet een stichting is, zonder opdracht van de algemene vergadering niet bevoegd aangifte te doen tot faillietverklaring van de rechtspersoon. Het bestuur van een stichting is bevoegd aangifte tot faillietverklaring te doen, tenzij de statuten die bevoegdheid beperken of uitsluiten. 5. De rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon wordt niet aangemerkt of mede aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. 6. In geval van faillissement van de rechtspersoon zijn de vergoedingen die de bestuurder toekomen in verband met de uitoefening van zijn functie, vanaf de dag van de faillietverklaring niet voor rekening van de boedel, voor zover de rechter-commissaris in het faillissement niet anders beslist. 7. Het bepaalde in lid 6 is van overeenkomstige toepassing op vergoedingen die toekomen aan leden van andere organen van de rechtspersoon.

  484. Artikel 9 1. De kantonrechter van de plaats waar de rechtspersoon zijn statutaire zetel of, bij gebreke daarvan, zijn centrum van activiteiten heeft, neemt kennis van alle rechtsvorderingen die krachtens dit boek of de statuten tegen een bestuurder of de rechtspersoon worden ingesteld, alsook van de rechtsvorderingen waartoe de overeenkomst tussen een bestuurder en de rechtspersoon aanleiding geeft. 2. Hetzelfde geldt voor alle overige in dit boek geregelde procedures en voor procedures die voortvloeien uit een vennootschappelijke overeenkomst. 3. De statuten kunnen bepalen dat alle of bepaalde geschillen tussen twee of meer van de in artikel 7, eerst lid bedoelde personen als zodanig worden beslist door arbitrage of bindend advies.

  485. Artikel 10 1. Behoudens beperkingen die uit de wet, de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement voortvloeien, wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door het bestuur. Indien er meer bestuurders zijn wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door iedere bestuurder, voor zover niet anders voortvloeit uit een regeling als bedoeld in de eerste volzin. 2. Beperkingen van de bestuursbevoegdheid, bedoeld in artikel 8 lid 2, strekken mede tot beperking van de daarmee samenhangende vertegenwoordigingsbevoegdheid. 3. Voor zover de statuten dit niet uitsluiten kan een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in de leden 1 en 2 worden tegengeworpen aan een wederpartij die: a. van de beperking op de hoogte was of zonder eigen onderzoek moest zijn; b. door raadpleging van het handelsregister op de hoogte kon zijn van de beperking. De leden 2 en 3 van artikel 61 van Boek 3 vinden overeenkomstige toepassing. Aan de wederpartij komt slechts toe een beroep op de leden 4 en 5. 4. Een wederpartij mag afgaan op een door het bestuur of een bestuurder aan de wederpartij gerichte verklaring dat de rechtspersoon geen beroep zal doen op een of meer beperkingen als bedoeld in de leden 1 en 2. 2024 -189- No. 164 5. Onverminderd het bepaalde in lid 4 is het bestuur verplicht om op verzoek van een wederpartij uitsluitsel te geven over de vraag of er sprake is van een beperking als bedoeld in de leden 1 en 2 en wat de aard daarvan is. Wordt het gevraagde uitsluitsel niet binnen een door de wederpartij gestelde, redelijke termijn gegeven, dan kan deze de rechtshandeling als ongeldig van de hand wijzen, mits dit onverwijld na afloop van die termijn geschiedt. Hetzelfde geldt indien het bestuur niet binnen een door de wederpartij gestelde, redelijke termijn aan deze mede deelt dat aan de voorwaarden voor opheffing van een beperking is voldaan. Iedere bestuurder is bevoegd om namens het bestuur een verklaring als in dit lid bedoeld af te geven. 6. Een uiting als omschreven in de leden 4 of 5 wordt schriftelijk gedaan. Een onvolledige of onduidelijke verklaring kan niettemin op andere wijze worden aangevuld of verduidelijkt. 7. De statuten kunnen ook aan andere door of krachtens de statuten aan te wijzen functionarissen, al dan niet tezamen met bestuurders, vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen.

  486. Artikel 11 1. De bevoegdheid ter zake van rechtshandelingen met of rechtsgedingen tegen een bestuurder berust bij de raad van commissarissen. Ontbreekt een raad van commissarissen dan berust deze bevoegdheid bij de algemene vergadering of een voor dat geval door de algemene vergadering aan te wijzen persoon of orgaan. Bij de stichting geschiedt de aanwijzing door de rechter op verzoek van een belanghebbende. 2. Van lid 1 kan in de statuten worden afgeweken. Daarvan kan ook worden afgeweken in een krachtens de statuten door de algemene vergadering, bij de stichting door een ander orgaan dan het bestuur, vastgesteld reglement.

  487. Artikel 12 1. De statuten moeten voorschriften bevatten omtrent de wijze waarop in het bestuur van de rechtspersoon tijdelijk wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. 2. De statuten kunnen bepalen dat het orgaan dat een bestuurder benoemt een plaatsvervangend bestuurder kan aanwijzen, die bij ontstentenis of belet van een bestuurder diens taken waarneemt en diens bevoegdheden uitoefent. De aanwijzing kan te allen tijde door het orgaan dat de aanwijzing heeft gedaan worden ingetrokken.

  488. Artikel 13 1. De rechtspersoon treedt niet buiten zijn statutaire doelomschrijving. 2. Tenzij de statuten een beroep op doeloverschrijding uitsluiten is een door de rechtspersoon verrichte rechtshandeling vernietigbaar indien daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten. Slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen. Bij de stichting kan een beroep op doeloverschrijding niet worden uitgesloten. 3. Krachtens een besluit van de algemene vergadering kan een rechtspersoon die geen stichting is een rechtshandeling, waardoor het doel werd overschreden, bevestigen dan wel afstand doen van een beroep op doeloverschrijding. Artikel 10 lid 4 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon die geen stichting is.

  489. Artikel 14 1. Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. 2. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet, de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. 3. De bestuurders aan wie ingevolge lid 2 bepaalde taken zijn toebedeeld houden de overige bestuurders regelmatig op de hoogte van de stand van zaken op dat taakgebied. 2024 -190- No. 164 4. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur. Niet aansprakelijk is echter de bestuurder aan wie, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, mits hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. 5. Wordt in geval van faillissement van de rechtspersoon een vordering uit hoofde van dit artikel ingesteld door de curator dan komt aan de bestuurder een beroep op kwijting, in welke vorm dan ook door de rechtspersoon verleend, niet toe. De bestuurder kan in dit geval ook geen beroep doen op verrekening met een vordering op de rechtspersoon.

  490. Artikel 15 1. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. 2. Onverminderd het elders in de wet bepaalde is het bestuur verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening en een bestuursverslag op te maken. De Wet op de Jaarrekening is van toepassing waar zij dit bepaalt. 3. Het bestuur is verplicht de in de leden 1 en 2 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende tien jaar te bewaren. 4. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave van de gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt. 5. Het boekjaar van een rechtspersoon is het kalenderjaar, indien in de statuten geen ander boekjaar is aangewezen. 6. Iedere bestuurder heeft recht op inzage in en toegang tot alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers ten aanzien waarvan op het bestuur een wettelijke of statutaire bewaarplicht rust, voor zover het inzagerecht niet door of krachtens de betrokken regeling ten opzichte van een of meer bestuurders is beperkt.

  491. Artikel 16 1. In geval van faillissement van de rechtspersoon is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, zijnde het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Artikel 14 lid 5 is van overeenkomstige toepassing. 2. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 15 of de jaarrekening niet tijdig is of wordt opgemaakt, wordt vermoed dat er ook voor het overige sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hetzelfde geldt indien de rechtspersoon volledig aansprakelijk vennoot is van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en niet voldaan is aan de verplichtingen uit artikel 15i van Boek 3. Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen. Het enkele feit dat de tijdig opgemaakte jaarrekening niet voldoet aan de wettelijke of statutaire maatstaven is niet voldoende voor het intreden van het vermoeden, bedoeld in de eerste volzin. 2024 -191- No. 164 3. Bij de toepassing van lid 1 wordt slechts in aanmerking genomen het onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het faillissement of de in de zin van artikel 238 Faillissementswet daaraan voorafgaande surseance van betaling. Hetzelfde geldt ten aanzien van het niet voldoen aan de in lid 2 bedoelde verplichtingen, voor zover deze voortvloeien uit de leden 1 of 2 van artikel 15 van dit boek of uit artikel 15i van Boek 3. Ten aanzien van de in lid 2 bedoelde verplichting tot het tijdig opmaken van de jaarrekening wordt alleen gelet op de jaarrekening over de laatste twee boekjaren die vóór het in de eerste volzin van dit derde lid bedoelde tijdstip waren afgesloten. 4. Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt treft ter zake van het onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 5. Het bepaalde in lid 2 vindt geen toepassing ten aanzien van de bestuurder die bewijst dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de daar omschreven verplichtingen, en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om een verbeterde nakoming van die verplichtingen te bevorderen. 6. De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders of bepaalde bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van het onbehoorlijk bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. 7. Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter, al dan niet met toepassing van lid 6, bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt, een staat wordt opgemaakt overeenkomstig Boek 2, titel 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 8. Op vordering van de curator of een aangesproken bestuurder kan de rechter bepalen dat bij de berekening van het tekort en de verdeling van de opbrengst uit hoofde van dit artikel via de uitdelingslijst de vordering van een schuldeiser geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing blijft indien en voor zover analogische toepassing van artikel 101 lid 1 van Boek 6 daartoe aanleiding geeft. De vordering wordt ingesteld tegen de daartoe in het geding geroepen schuldeiser. 9. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene die gedurende enig tijdvak binnen de in lid 3 bedoelde periode het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder, dan wel als oprichter kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter, anders dan ingevolge de laatste volzin van artikel 2 lid 3, benoemde functionaris. 10. De aan dit lid vooraf gaande bepalingen zijn ten aanzien van andere rechtspersonen dan de naamloze vennootschap slechts van toepassing voor zover aan hen gedurende enig tijdvak binnen de in lid 3 bedoelde periode een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet toebehoorde, waarbij dan alleen onbehoorlijk bestuur gedurende dat tijdvak in aanmerking wordt genomen. 11. De leden 1 tot en met 10 zijn van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders van een door buitenlands recht beheerste rechtspersoon, indien deze hier te lande failliet wordt verklaard. Als bestuurders zijn eveneens aansprakelijk degenen die met de leiding van de hier te lande verrichte werkzaamheden zijn belast. Bevoegd is de rechter die het faillissement heeft uitgesproken. 12. Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de curator tot het instellen van een vordering op grond van de overeenkomst met de bestuurder of op grond van artikel 14.

  492. Artikel 17 1. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. 2024 -192- No. 164

  493. Artikel 18 1. De statuten kunnen bepalen dat de bestuurstaken op de in dit artikel bepaalde wijze worden verdeeld over een algemeen bestuur en een uitvoerend bestuur. 2. Behoudens beperkingen overeenkomstig artikel 8 lid 2, is het uitvoerend bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon, voor zover dit betrekking heeft op de dagelijkse gang van zaken. Het uitvoerend bestuur is voorts belast met de overige taken die in dit boek aan het bestuur zijn toebedeeld. 3. Behoudens uit de wet of de statuten voortvloeiende beperkingen wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door het uitvoerend bestuur. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing. 4. Tot de taak van het algemeen bestuur behoort in elk geval: a. het als zodanig benoemen van uitvoerende bestuurders; b. het vaststellen van hun bezoldiging als zodanig; c. het beslissen over aangelegenheden die de dagelijkse gang van zaken te boven gaan; en d. het houden van toezicht op het uitvoerend bestuur. 5. Bij twijfel of een aangelegenheid tot de dagelijkse gang van zaken behoort beslist het algemeen bestuur daarover. 6. Een of meer leden van het algemeen bestuur kunnen tevens lid zijn van het uitvoerend bestuur, mits zij in het algemeen bestuur een minderheid vormen en tezamen in het algemeen bestuur minder stemmen kunnen uitbrengen dan de overige leden van het algemeen bestuur tezamen. 7. Het uitvoerend bestuur verschaft het algemeen bestuur en de individuele leden van het algemeen bestuur tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens. 8. Het algemeen bestuur is te allen tijde bevoegd een uitvoerend bestuurder als zodanig te ontslaan of voor een periode van maximaal twee maanden te schorsen. 9. Voor de toepassing van artikel 8 lid 3, heeft het algemeen bestuur als bestuur te gelden. Het uitvoerend bestuur oefent zijn bevoegdheden als zodanig uit met inachtneming van de besluiten van het algemeen bestuur. Binnen het uitvoerend bestuur oefenen individuele bestuurders hun bevoegdheden uit met inachtneming van de besluiten van het uitvoerend bestuur. 10. Onverminderd het bepaalde in lid 9, hebben voor de toepassing van de wet leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden, voor zover het tegendeel niet uit de wet blijkt.

  494. Artikel 19 1. De statuten kunnen bepalen dat er een raad van commissarissen is of kan zijn. Zij omschrijven dan de taak van de raad van commissarissen. 2. Tot de taak van de raad van commissarissen behoort in elk geval het houden van toezicht op het bestuur. 3. De raad van commissarissen bestaat uit een of meer personen. Een rechtspersoon kan geen commissaris zijn bij een rechtspersoon waaraan een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet toebehoort. 4. Tenzij de statuten anders bepalen is de raad van commissarissen bevoegd iedere bestuurder te schorsen. De schorsing vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen. 5. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad van commissarissen en van zijn leden bevatten. 6. Het bestuur verschaft de raad van commissarissen en de individuele commissarissen tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens. 7. Het bepaalde in de artikelen 9, 14 en 16 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen. In dit verband gelden als commissaris alle personen die krachtens de statuten met toezicht op het bestuur zijn belast. 2024 -193- No. 164 8. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van commissarissen zich naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. Tenzij de statuten anders bepalen, sluit dit niet uit dat een commissaris, met inachtneming van de eerste volzin, in het bijzonder opkomt voor de belangen van degene die hem heeft benoemd of voorgedragen en deze belangen relatief zwaar laat wegen. 9. Op de benoeming, de schorsing en het ontslag van commissarissen zijn onderscheidenlijk de artikelen 51 lid 1 onder c, 80 en 136 van overeenkomstige toepassing.

  495. Artikel 20 1. Een stem is nietig in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is; een stem kan niet worden vernietigd. 2. Een onbekwame die lid is van een vereniging, kan zijn stemrecht daarin zelf uitoefenen, voor zover de statuten zich daartegen niet verzetten. In andere gevallen komt de uitoefening van het stemrecht toe aan zijn wettelijke vertegenwoordiger. 3. Tenzij de statuten anders bepalen, is het in de vergadering van een orgaan van een rechtspersoon uitgesproken oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. 4. Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid der vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.

  496. Artikel 21 1. Een besluit van een orgaan van de rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten is nietig, tenzij iets anders uit de wet voortvloeit. 2. Nietig is ook een besluit indien een door dit boek of de statuten voorgeschreven quorum, meerderheid, voorstel, voordracht, machtiging of instemming ontbreekt. Nietig is voorts een besluit zolang een door dit boek of de statuten voorgeschreven goedkeuring van een ander orgaan ontbreekt. 3. Een besluit van een orgaan van de rechtspersoon is vernietigbaar op vordering van iemand die een redelijk belang heeft bij naleving van het voorschrift dat niet is nageleefd wegens: a. onverminderd het bepaalde in lid 2, strijd met bepalingen van de wet of de statuten, die de totstandkoming van besluiten regelen; b. strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 7 wordt geëist; c. strijd met een vennootschappelijke overeenkomst; d. strijd met een reglement. 4. De bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen vervalt zes maanden na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. 5. De in lid 4 genoemde vervaltermijn kan door de belanghebbende bij een binnen die termijn aan de rechtspersoon gedaan exploot met een termijn van maximaal zes maanden worden verlengd.

  497. Artikel 22 1. De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor eenieder, behoudens herroeping of verzet door derden, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe. 2024 -194- No. 164 2. Is het besluit een rechtshandeling van de rechtspersoon, die tot een wederpartij is gericht, of is het een vereiste voor de geldigheid van zulk een rechtshandeling, dan kan de nietigheid of vernietiging van het besluit niet aan die wederpartij worden tegengeworpen, indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde niet kende of behoefde te kennen. Niettemin kan de nietigheid of vernietiging van een besluit tot uitgifte van aandelen aan de beoogde aandeelhouder en een besluit tot benoeming van een bestuurder of een commissaris aan de benoemde worden tegengeworpen; de rechtspersoon vergoedt echter de schade van de wederpartij, indien deze het gebrek in het besluit niet kende of behoefde te kennen.

  498. Artikel 23 Bij de vaststelling in hoeverre bij stemmingen is voldaan aan een quorum of meerderheidseis, wordt geen rekening gehouden met lidmaatschappen of aandelen waarvan de wet bepaalt of de statuten bepalen dat daarvoor ten aanzien van het aan de orde zijnde onderwerp geen stem kan worden uitgebracht.

  499. Artikel 24 1. De rechter kan de rechtspersoon ontbinden indien: a. zijn doel of werkzaamheden geheel of ten dele in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde, de wet of de statuten; b. de oprichtingshandeling ernstige gebreken vertoont; c. de statuten in strijd zijn met de wet; d. in geval van ontstentenis van alle bestuurders, niet op de voet van de in artikel 12 lid 1 bedoelde voorschriften tijdelijk in het bestuur is voorzien. 2. De rechter kan een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ook ontbinden bij het geheel ontbreken van leden. 3. De rechter kan een naamloze vennootschap voorts ontbinden indien: a. niet ten minste zoveel aandelen dat ten aanzien van ieder onderwerp stemrecht kan worden uitgeoefend en één aandeel dat deelt in de winst, worden gehouden door een ander dan de vennootschap zelf; b. het verzoek tot ontbinding is gedaan binnen een jaar na de oprichting en de vennootschap niet kan aantonen dat de in artikel 101 lid 2 bedoelde verklaring juist was, dan wel de in artikel 101 lid 3 bedoelde oprichtingsbalans bij waardering van de getoonde activa en passiva naar in het maatschappelijk verkeer aanvaardbare maatstaven de toen bestaande toestand juist weergaf. 4. Ontbinding kan worden verzocht door een belanghebbende of het openbaar ministerie. Van de indiening van het verzoek wordt door de indiener mededeling gedaan in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een in Suriname verschijnend dagblad. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de indiening tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 5. De rechter gaat niet over tot ontbinding voordat hij de rechtspersoon in de gelegenheid heeft gesteld de gronden voor ontbinding weg te nemen. Voor wat betreft de in lid 3 onder b genoemde grond geldt dat de rechter de ontbinding niet uitspreekt alvorens hij de vennootschap in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn haar eigen vermogen alsnog in overeenstemming te brengen met de daar bedoelde verklaring of balans. 6. De beschikking, waarbij de rechtspersoon ontbonden wordt verklaard, houdt in de benoeming van een curator en de aanwijzing van een rechter-commissaris. 7. De vereffening van de ontbonden rechtspersoon geschiedt door de curator onder toezicht van de rechter-commissaris, overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet 1935. 8. Van de beschikking, waarbij de rechtspersoon ontbonden wordt verklaard, wordt door de curator mededeling gedaan in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een in Suriname verschijnend dagblad. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de beschikking tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 2024 -195- No. 164 9. Is de ontbinding geheel of gedeeltelijk te wijten aan de grove schuld of de grove nalatigheid van een of meer oprichters, huidige of voormalige bestuurders of commissarissen dan wel huidige of voormalige leden of aandeelhouders, dan zijn deze jegens de ontbonden rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een bij de vereffening blijkend tekort. Artikel 14lid 5 vindt overeenkomstige toepassing.

  500. Artikel 25 1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging of stichting wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste een van de navolgende omstandigheden zich voordoet: a. gedurende ten minste een jaar staan geen bestuurders van de rechtspersoon in het register ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, dan wel er doet zich, indien er wel bestuurders staan ingeschreven, een van de navolgende omstandigheden voor: 1°. alle bestuurders zijn overleden; 2°. alle bestuurders zijn niet bereikbaar gebleken op het in het register vermelde adres van de rechtspersoon; b. blijkens de administratie van de Kamer heeft de rechtspersoon gedurende ten minste een jaar niet voldaan aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen. 2. De Kamer maakt het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in lid 1 bekend, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. 3. De bekendmaking van het voornemen vindt plaats door opname van de statutaire naam van de rechtspersoon op een lijst, aan te duiden als ontbindingslijst, die geplaatst wordt op de webpagina van de Kamer. 4. Tevens doet de Kamer van de plaatsing van de ontbindingslijst mededeling in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer in Suriname verschijnende dagbladen. 5. Na verloop van zes weken na de mededeling, bedoeld in lid 4, ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien aan de Kamer is gebleken dat de omstandigheden, bedoeld in lid 1, zich niet of niet meer voordoen. 6. De beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon wordt bekendgemaakt door opname daarvan in het handelsregister en door bekendmaking overeenkomstig de leden 3 en 4.

  501. Artikel 25a 1. Iedere belanghebbende kan binnen zes weken bij de kantonrechter vernietiging verzoeken van een beschikking, bedoeld in artikel 25 lid 1, op de grond dat de beschikking naar inhoud of wijze van totstandkoming in strijd is met artikel 25. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat geen hoger beroep open. 2. Indien tegen een beschikking tot ontbinding beroep wordt ingesteld, schrijft de Kamer dat in het handelsregister in. De beslissing op het beroep wordt tevens ingeschreven. 3. Indien de beslissing op beroep vernietiging van de beschikking inhoudt, doet de Kamer daarvan een mededeling opnemen op de webpagina van de Kamer en doet zij daarvan mededeling in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer in Suriname verschijnende dagbladen. 4. Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon na de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 320 van Boek 3 ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon. 2024 -196- No. 164

  502. Artikel 25b 1. De Kamer kan in de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 25 lid 1, een vereffenaar aanwijzen. 2. De Kamer treedt op als vereffenaar van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon, indien geen vereffenaar is aangewezen als bedoeld in lid 1, noch als bedoeld in artikel 29 lid 1. 3. De Kamer die optreedt als vereffenaar, handelt dan overeenkomstig de bepalingen van artikel 31 leden 5 tot en met 8. Artikel 25 lid 4 is van overeenkomstige toepassing op de mededeling, bedoeld in artikel 31 leden 5 en 6. 4. De Kamer bewaart de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon, voor zover deze onder haar berusten, gedurende tien jaar ten kantore van het handelsregister. 5. De Kamer is niet aansprakelijk voor de gevolgen van de beschikking tot ontbinding, de benoeming van een vereffenaar of de vereffening op grond van dit artikel.

  503. Artikel 26 1. De rechter voor wie een verzoek tot ontbinding van een rechtspersoon aanhangig is, kan op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een voorziening treffen als bedoeld in artikel 276 lid 4, indien het belang van de rechtspersoon of een andere in artikel 7 lid 1 bedoelde persoon, dan wel het belang van de crediteuren van de rechtspersoon, dit eist. 2. Van overeenkomstige toepassing zijn de eerste volzin van lid 3 van artikel 276 en de leden 5 tot en met 7 van artikel 276.

  504. Artikel 27 1. De rechtspersoon wordt, onverminderd het elders in de wet bepaalde, ontbonden: a. door een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is en de statuten dat toelaten, door een besluit van een daartoe in de statuten aangewezen orgaan of derde; b. na faillietverklaring, door hetzij opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten, hetzij insolventie. 2. Van de ontbinding wordt door de vereffenaars, in het geval van lid 1 onder b, door de curator, mededeling gedaan in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een in Suriname verschijnend dagblad. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de ontbinding tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 3. De statuten kunnen andere wijzen van ontbinding aangeven. Een ontbinding krachtens een statutaire bepaling als bedoeld in dit lid treedt niet in werking alvorens daaraan bekendheid is gegeven overeenkomstig het lid 2. De statutaire bepaling verliest haar geldigheid indien de vereffenaars niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dat voor het eerst mogelijk was, al het nodige hebben gedaan om de in lid 2 bedoelde mededeling en inschrijving te doen plaatsvinden.

  505. Artikel 28 1. Na zijn ontbinding geldt als doel van de rechtspersoon de vereffening van zijn vermogen en alles wat daartoe dienstig kan zijn. 2. In alle van de rechtspersoon uitgaande stukken worden aan de naam van de rechtspersoon aan het slot toegevoegd de voluit geschreven woorden "in liquidatie". 2024 -197- No. 164

  506. Artikel 29 1. Indien noch bij de statuten noch door de algemene vergadering of, bij de stichting, door het bestuur vereffenaars zijn aangewezen, treedt het bestuur als zodanig op. De rechter is te allen tijde bevoegd om op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een vereffenaar te ontslaan, een of meer andere vereffenaars aan te wijzen, deze van de nodige instructies te voorzien en een beslissing te nemen ten aanzien van de beloning van vereffenaars en de onderlinge verdeling van die beloning. 2. Zijn er twee of meer vereffenaars, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden tot vereffening verrichten, tenzij anders is bepaald. Bij verschil van mening tussen de vereffenaars beslist de rechter op de voet van lid 1, tweede volzin. Voor het overige vinden de bepalingen omtrent de bevoegdheden, plichten en aansprakelijkheid van bestuurders ten aanzien van de vereffenaars zo veel mogelijk toepassing, onverminderd artikel 28 lid 1. 3. Blijkt de vereffenaar dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen dan doet hij aangifte tot faillietverklaring, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd schriftelijk instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement. 4. Indien noch bij de statuten, noch bij besluit van de algemene vergadering of bij de aanwijzing van vereffenaars door de rechter anders is bepaald, heeft de raad van commissarissen ten aanzien van de vereffenaars dezelfde taak als hij voor de ontbinding ten aanzien van het bestuur had. 5. Tegen een beslissing van de rechter op de voet van lid 1, tweede volzin, staat geen rechtsmiddel open.

  507. Artikel 30 1. De vereffenaar maakt de activa van de rechtspersoon te gelde, wikkelt de verhoudingen tot derden af en betaalt de schulden. Wat na de voldoening van de schuldeisers overblijft wordt aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd uitgekeerd, of anders aan de leden of aandeelhouders. Bij de naamloze vennootschap zijn artikel 118 lid 3 overeenkomstige toepassing. Heeft geen ander recht op het overschot dan keert de vereffenaar dit uit aan de Staat. 2. De vereffenaar is bevoegd om, indien de staat van de boedel daartoe aanleiding geeft, uitkeringen bij voorbaat te doen.

  508. Artikel 31 1. Zodra het einde van de vereffening in zicht is, stelt de vereffenaar een rekening en verantwoording op van de vereffening waaruit blijkt in hoeverre elk van de schuldeisers is voldaan en, zo van een overschot sprake is, de omvang en samenstelling daarvan. Ter zake van het overschot stelt hij een plan van uitkering op dat de grondslagen van de uitkering bevat. 2. De vereffenaar legt de in lid 1 genoemde stukken gedurende een periode van ten minste dertig dagen ter inzage ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister. In het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst, alsmede schriftelijk aan alle bekende leden en houders van aandelen en aan alle bekende crediteuren deelt hij mede waar en tot wanneer deze stukken ter inzage liggen. 3. Uiterlijk op de dertigste dag nadat zowel de ter inzagelegging als de bekendmaking daarvan in het blad, bedoeld in het vorige lid, heeft plaatsgevonden, kan iedere schuldeiser of gerechtigde tegen de in lid 1 genoemde stukken door een verzoekschrift bij de rechter in verzet komen. De vereffenaar doet van gedaan verzet op dezelfde wijze mededeling als van de terinzagelegging. Is geen verzet gedaan of is het gedaan verzet ingetrokken dan gaat de vereffenaar tot verdere afwikkeling en uitkering van het overschot over. 4. De rechter kan na gedaan verzet zodanige instructies voor een voortgezette vereffening geven en zodanige wijzigingen in het plan van uitkering aanbrengen als hem juist voorkomt. 5. Zodra de beslissing op elk verzet onherroepelijk is geworden doet de vereffenaar daarvan mededeling op dezelfde wijze als van het gedaan verzet. Hij gaat vervolgens tot verdere afwikkeling en uitkering van het overschot over. 2024 -198- No. 164 6. De vereffening eindigt en de rechtspersoon houdt op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffenaar schriftelijk verklaart dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en deze verklaring op de in lid 2 voorziene wijze heeft bekendgemaakt. 7. De leden 1 tot en met 6 vinden geen toepassing indien de vereffenaar terstond bij zijn aantreden vaststelt dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Alsdan eindigt de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop een verklaring met die strekking, waarin de in de vorige volzin bedoelde vaststelling is opgenomen, door de vereffenaar bij het handelsregister is gedeponeerd en in het van overheidswege uitgegeven blad, waarin de officiële berichten worden geplaatst, is bekendgemaakt. 8. De vereffenaar stelt in alle gevallen een slotverantwoording op en legt deze ter inzage ten kantore van het handelsregister en, zo mogelijk, ten kantore van de rechtspersoon.

  509. Artikel 32 1. Op verzoek van iemand die daarbij een redelijk belang heeft kan de rechter de vereffening heropenen of alsnog openen en een of meer vereffenaars benoemen. 2. Indien het verzoek is gedaan door een achteraf opkomende schuldeiser is de vereffenaar bevoegd van de rechthebbenden tot het overschot het door ieder te veel ontvangen geldbedrag terug te vorderen.

  510. Artikel 33 1. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon gedurende tien jaar berusten onder een bewaarder. 2. Indien noch bij de statuten noch door de algemene vergadering of, bij de stichting, door het bestuur een bewaarder is aangewezen treedt de vereffenaar als zodanig op. Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing.

  511. Artikel 34 1. Iedere bewaarder is gehouden zijn aanwijzing of benoeming als zodanig ter inschrijving op te geven aan het kantoor van het handelsregister, waar de ontbonden rechtspersoon was ingeschreven. 2. De rechthebbenden tot het overschot en hun rechtverkrijgenden kunnen door de rechter worden gemachtigd tot inzage van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, indien zij aantonen als zodanig bij die inzage een redelijk belang te hebben. 3. Tegen een beslissing krachtens lid 2 staat geen rechtsmiddel open.

  512. Artikel 35 1. Rechterlijke uitspraken, inhoudende: a. doorhaling, aanvulling of wijziging van hetgeen in het handelsregister ten aanzien van een rechtspersoon is ingeschreven; b. wijziging of tijdelijke afwijking van de statuten van de rechtspersoon; c. ontslag, schorsing of aanstelling, al dan niet tijdelijk, van een bestuurder of commissaris; d. nietigverklaring of vernietiging van een besluit tot ontbinding of wijziging van de statuten; e. ontbinding van een rechtspersoon of een beschikking als bedoeld in artikel 2 lid 3; f. vernietiging van een uitspraak als bedoeld onder a tot en met e; worden door de griffier van de rechterlijke instantie waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was aan de beheerder van het handelsregister gezonden met het verzoek zorg te dragen voor deponering en inschrijving van het uit die uitspraak blijkende relevante feit, zulks onverminderd de elders uit de wet voortvloeiende verplichting van anderen om van dat feit opgaaf ter inschrijving te doen. 2. In geval van faillissement of surseance van betaling van een rechtspersoon die is ingeschreven in het handelsregister, worden de aankondigingen welke krachtens de Faillissementswet 1935 in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst worden opgenomen, door hem die met die openbaarmaking is belast, mede ter inschrijving in dat register opgegeven. 2024 -199- No. 164

  513. Artikel 36 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit boek wordt met een schriftelijke uiting gelijkgesteld een per exploot, telegram, telex, telefax, e-mail of ander tekst overbrengend communicatiemiddel gedane uiting. De statuten kunnen het gebruik van deze communicatiemiddelen beperken. 2. Alle geschriften, gedrukte stukken en schriftelijke uitingen van de rechtspersoon, met uitzondering van uitingen per telegram, telex, telefax, e-mail of ander tekstoverbrengend communicatiemiddel, moeten de volledige naam van de rechtspersoon, zijn statutaire zetel en het adres waar hij feitelijk gevestigd is of kantoor houdt bevatten. Is de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister dan wordt ook het inschrijfnummer vermeld. Titel 2 De stichting

  514. Artikel 50 1. De stichting is een als zodanig bij notariële akte opgerichte rechtspersoon die beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. Een notariële akte is niet vereist indien bij de oprichting gebruik wordt gemaakt van een der door de met justitiële aangelegenheden belaste minister bij beschikking vastgestelde standaard modelakten van oprichting. 2. De stichting kent geen leden of aandeelhouders. 3. Als leden worden niet aangemerkt personen aan wie bij of krachtens de statuten de bevoegdheid is gegeven om in de vervulling van ledige plaatsen in organen van de stichting te voorzien of om bestuurders of leden van andere organen van de stichting te schorsen en te ontslaan. 4. Het doel van een stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben, dan wel voortvloeien uit een recht op pensioen.

  515. Artikel 51 1. De statuten moeten inhouden: a. de naam van de stichting, met het woord stichting of een vertaling daarvan als deel van de naam; b. het doel van de stichting; c. de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders; d. de plaats in Suriname waar zij haar zetel heeft; e. de bestemming van het overschot na vereffening in geval van ontbinding van de stichting of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld. 2. De statuten van de stichting kunnen door haar organen slechts worden gewijzigd, indien en voor zover de statuten daartoe de mogelijkheid openen, onverminderd artikel 5. 3. De statuten kunnen bepalen dat personen, die zich als aangeslotene of deelnemer of onder een soortgelijke benaming met de stichting hebben verbonden, bepaalde verplichtingen tegenover de stichting hebben of dat aan hen op in de statuten aangegeven wijze bepaalde verplichtingen kunnen worden opgelegd. Ter zake van de beëindiging van de verbinding is artikel 79 van overeenkomstige toepassing.

  516. Artikel 53 1. Indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten de mogelijkheid van wijziging uitsluiten of daarin niet voorzien, of zij die tot wijziging de bevoegdheid hebben zulks nalaten, kan de rechter op verzoek van een oprichter, van het bestuur of van het openbaar ministerie de statuten wijzigen. 2. De rechter wijkt daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten af. Indien wijziging van het doel noodzakelijk is, wijst hij een doel aan dat aan het bestaande verwant is. Met inachtneming van het vorenstaande is de rechter bevoegd, zo nodig, de statuten op andere wijze te wijzigen dan is verzocht. 2024 -200- No. 164 3. Met overeenkomstige toepassing van de leden 1 en 2 kan de rechter de statuten wijzigen om ontbinding van de stichting op een grond als vermeld in artikel 24 of artikel 57 lid 1 onder a te voorkomen. 4. In een geding, waarin ontbinding van een stichting op een grond als in lid 3 vermeld wordt verzocht kan de rechter de in dit artikel bedoelde bevoegdheden ook ambtshalve uitoefenen.

  517. Artikel 54 1. Bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd dan wel het bestuur naar behoren wordt gevoerd, is het openbaar ministerie bevoegd aan het bestuur inlichtingen te verzoeken. De inlichtingen worden desgevraagd op schrift gesteld. 2. Bij niet of niet behoorlijke voldoening aan het verzoek, alsmede wanneer er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, kan het openbaar ministerie een of meer deskundige personen belasten met het inwinnen van nadere inlichtingen over het beleid en de gang van zaken bij de stichting. 3. Het bestuur is verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te geven aan het openbaar ministerie en de deskundigen.

  518. Artikel 55 1. Op verzoek van het openbaar ministerie of een belanghebbende kan een bestuurder door de rechter worden ontslagen indien: a. hij iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeleid; b. hij niet of niet behoorlijk voldoet aan zijn verplichtingen uit artikel 54 lid 3. 2. De rechter kan in iedere stand van het geding, op verzoek van het openbaar ministerie, een voorziening treffen als bedoeld in artikel 276 lid 4. Van overeenkomstige toepassing zijn de eerste volzin van lid 3 van artikel 276 en de leden 5 tot en met 7 van artikel 276. 3. De rechter kan bepalen dat een door hem ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar nadat het ontslag onherroepelijk is geworden geen bestuurder van een stichting kan zijn.

  519. Artikel 56 1. Telkens wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie in de vervulling van de ledige plaats voorzien. De rechter neemt daarbij zoveel mogelijk de statuten in acht. 2. De rechter kan desverzocht of ambtshalve in de ledige plaats voorzien tegelijk met de toewijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 55 lid 1 lid.

  520. Artikel 57 1. De rechter ontbindt de stichting op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, indien: a. het vermogen van de stichting ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel en in hoge mate onwaarschijnlijk is dat een voldoende vermogen door bijdragen of op andere wijze binnen afzienbare tijd zal worden verkregen; b. het doel der stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt en wijziging van het doel niet in aanmerking komt. 2. De rechter kan desverzocht of ambtshalve de stichting ontbinden tegelijk met de afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 53 of 56. 3. Artikel 24 leden 4 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing. 2024 -201- No. 164

  521. Artikel 58 Voor de stichting die een of meer ondernemingen in stand houdt welke ingevolge de Handelsregisterwet in het handelsregister moeten worden ingeschreven, geldt de Wet op de Jaarrekening. Titel 3 De vereniging

  522. Artikel 70 1. De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel, anders dan omschreven in artikel 90 lid 1 of 2. 2. Een vereniging wordt bij meerzijdige rechtshandeling opgericht. 3. Een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen.

  523. Artikel 71 1. Wordt een vereniging opgericht bij een notariële akte dan moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 4, de volgende bepalingen in acht worden genomen. 2. De statuten moeten inhouden: a. de naam van de vereniging en de plaats in Suriname waar zij haar zetel heeft; b. het doel van de vereniging; c. de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd; d. de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering; e. de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders; f. de bestemming van het overschot na vereffening in geval van ontbinding van de vereniging of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld. 3. Indien bij de oprichting gebruik wordt gemaakt van een der door de met justitiële aangelegenheden belaste minister bij beschikking vastgestelde standaard modelakten van oprichting, staat de aldus opgerichte stichting gelijk met een bij notariële akte opgerichte vereniging.

  524. Artikel 72 De algemene vergadering van een vereniging, die niet overeenkomstig artikel 71 lid 1 is opgericht, kan besluiten de statuten te doen opnemen in een notariële akte. Alsdan is artikel 71 van overeenkomstige toepassing.

  525. Artikel 73 1. Een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte of de in artikel 71 lid 3 bedoelde standaard modelakte, kan geen registergoederen verkrijgen en kan geen erfgenaam zijn. 2. De bestuurders van een zodanige vereniging zijn hoofdelijk naast de vereniging verbonden voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur ontstaan of opeisbaar worden. Na hun aftreden zijn zij voorts hoofdelijk verbonden voor schulden, voortspruitend uit een tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling. Aansprakelijkheid ingevolge een der voorgaande volzinnen rust niet op degene die niet tevoren over de rechtshandeling is geraadpleegd en die heeft geweigerd haar, toen zij hem bekend werd, als bestuurder voor zijn verantwoording te nemen. Ontbreken personen die ingevolge de eerste of tweede volzin naast de vereniging zijn verbonden, dan zijn degenen die handelden, hoofdelijk verbonden. 3. De bestuurders van een zodanige vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister. Daarbij leggen zij een afschrift van de statuten ten kantore van dat register neer. Is een afschrift bij het register neergelegd dan zijn in geval van statutenwijziging de bestuurders verplicht aldaar tevens een afschrift van de wijziging en van de gewijzigde statuten neer te leggen. 2024 -202- No. 164 4. Heeft de inschrijving bedoeld in lid 3 plaatsgevonden, dan is degene die uit hoofde van lid 2 wordt verbonden slechts aansprakelijk, voor zover de wederpartij aannemelijk maakt dat de vereniging niet aan de verbintenis zal voldoen.

  526. Artikel 74 1. Een vereniging kan naast gewone leden ook een of meer andere soorten van leden hebben. 2. Gewone leden hebben de rechten en verplichtingen die in dit boek aan leden zijn toegekend. Leden, niet zijnde gewone leden, hebben deze rechten en verplichtingen voor zover de statuten niet anders bepalen. Artikel 75 Tenzij de statuten anders bepalen, beslist het bestuur over de toelating van een lid en kan bij niet toelating de algemene vergadering alsnog tot toelating besluiten.

  527. Artikel 76 1. Het lidmaatschap van de vereniging is persoonlijk, tenzij de statuten anders bepalen. 2. Tenzij de statuten van de vereniging anders bepalen, gaat het lidmaatschap van een rechtspersoon die door fusie of splitsing ophoudt te bestaan, over op de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving op een van de verkrijgende rechtspersonen. Artikel 77 Verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.

  528. Artikel 78 1. Het lidmaatschap eindigt: a. door de dood van het lid, tenzij de statuten overgang krachtens erfrecht toelaten; b. door opzegging door het lid; c. door opzegging door de vereniging; d. door ontzetting. 2. Is het lidmaatschap verbonden aan de kwaliteit van eigenaar van of gerechtigde tot een registergoed, dan kunnen de statuten bepalen dat bij opzegging door het lid de aan het lidmaatschap verbonden verplichtingen geheel of gedeeltelijk op de betrokkene blijven rusten zolang hij eigenaar of gerechtigde is. 3. De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, voorts wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de opzegging door het bestuur. 4. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. 5. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de ontzetting door het bestuur. Het lid wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Hem staat, behalve wanneer krachtens de statuten het besluit door de algemene vergadering is genomen, binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit, beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open. De statuten kunnen een andere regeling van het beroep bevatten, doch de termijn kan niet korter dan op één maand worden gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. 6. Wanneer het lidmaatschap in de loop van een boekjaar eindigt, blijft, tenzij de statuten anders bepalen, desniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd. 2024 -203- No. 164

  529. Artikel 79 1. Tenzij de statuten anders bepalen, kan opzegging van het lidmaatschap slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken. In ieder geval kan het lidmaatschap worden beëindigd door opzegging tegen het eind van het boekjaar, volgend op dat waarin wordt opgezegd, of onmiddellijk, indien redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. 2. Een opzegging in strijd met het in lid 1 bepaalde, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgende op de datum waartegen was opgezegd. 3. Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat een besluit of statutenwijziging waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld. Het besluit of de gewijzigde statutaire bepaling is alsdan niet op hem van toepassing. Deze bevoegdheid tot opzegging kan de leden bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen. 4. Een lid kan zijn lidmaatschap ook met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit is meegedeeld tot omzetting van de vereniging in een andere rechtsvorm, tot fusie of tot splitsing.

  530. Artikel 80 1. Het bestuur wordt uit de leden benoemd. De statuten kunnen echter bepalen dat bestuurders ook buiten de leden kunnen worden benoemd. 2. De benoeming geschiedt door de algemene vergadering. De statuten kunnen de wijze van benoeming echter ook anders regelen, mits elk lid middellijk of onmiddellijk aan de stemming over de benoeming der bestuurders kan deelnemen. 3. De statuten kunnen bepalen, dat een of meer der bestuurders, mits minder dan de helft, door andere personen dan de leden worden benoemd. 4. Is in de statuten bepaald dat een bestuurder in een vergadering uit een bindende voordracht moet worden benoemd, dan kan aan die voordracht het bindend karakter worden ontnomen door een met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen genomen besluit van die vergadering. In de statuten kan worden bepaald dat op deze vergadering ten minste een bepaald aantal stemmen moet kunnen worden uitgebracht; dit aantal mag niet hoger worden gesteld dan twee derden van het aantal stemmen dat door de stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht. 5. Indien ingevolge de statuten een bestuurder door leden of afdelingen buiten een vergadering wordt benoemd, dan moet aan de leden gelegenheid worden geboden kandidaten te stellen. De statuten kunnen bepalen dat dit recht slechts aan een aantal leden gezamenlijk toekomt, mits hun aantal niet hoger wordt gesteld dan een vijfde van het aantal leden dat aan de verkiezing kan deelnemen. De statuten kunnen voorts bepalen dat aldus gestelde kandidaten slechts zijn benoemd, indien zij ten minste een bepaald aantal stemmen op zich hebben verenigd, mits dit aantal niet groter is dan twee derden van het aantal der uitgebrachte stemmen. 6. Een bestuurder kan, ook al is hij voor een bepaalde tijd benoemd, te allen tijde door het orgaan dat hem heeft benoemd, worden ontslagen of geschorst. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bestuurders die bij de oprichting zijn aangewezen geacht te zijn benoemd door de algemene vergadering, tenzij uit de statuten anders voortvloeit. 7. Tenzij de statuten anders bepalen, wijst het bestuur uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. 8. Indien artikel 18 toepassing heeft gevonden geldt het in dit artikel bepaalde voor de benoeming van het algemeen bestuur. 2024 -204- No. 164

  531. Artikel 81 1. Behoudens het in artikel 82 bepaalde, hebben alle leden die niet geschorst zijn, toegang tot de algemene vergadering en hebben zij daar ieder één stem. Een geschorst lid heeft toegang tot de vergadering waarin het besluit tot schorsing wordt behandeld, en is bevoegd daarover het woord te voeren. De statuten kunnen aan bepaalde leden meer dan één stem toekennen. 2. Tenzij de statuten anders bepalen, treden de voorzitter en de secretaris van het bestuur of hun vervangers, als zodanig ook op bij de algemene vergadering. 3. De statuten kunnen bepalen dat personen die deel uitmaken van andere organen der vereniging en die geen lid zijn, in de algemene vergadering stemrecht kunnen uitoefenen. Het aantal door hen gezamenlijk uitgebrachte stemmen zal echter niet meer mogen zijn dan de helft van het aantal door de leden uitgebrachte stemmen. 4. Tenzij de statuten anders bepalen, kan iemand die krachtens lid 1 of lid 3 stemgerechtigd is, aan een andere stemgerechtigde schriftelijk volmacht verlenen tot het uitbrengen van zijn stem.

  532. Artikel 82 1. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering zal bestaan uit afgevaardigden die door en uit de leden worden gekozen. De wijze van verkiezing en het aantal van de afgevaardigden worden door de statuten geregeld; elk lid moet middellijk of onmiddellijk aan de verkiezing kunnen deelnemen. Artikel 80 leden 4 en 5 zijn bij de verkiezing van overeenkomstige toepassing. Artikel 81 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op personen die deel uitmaken van andere organen der vereniging en die geen afgevaardigde zijn. 2. De statuten kunnen bepalen dat bepaalde besluiten van de algemene vergadering aan een referendum zullen worden onderworpen. De statuten regelen de gevallen waarin, de tijd waarbinnen, en de wijze waarop het referendum zal worden gehouden. Hangende de uitslag van het referendum wordt de uitvoering van het besluit geschorst.

  533. Artikel 83 1. Aan de algemene vergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of de statuten aan een ander orgaan zijn toegekend. 2. Een eenstemmig besluit van alle leden of afgevaardigden, ook al zijn deze niet in een vergadering bijeen, heeft, mits met voorkennis van het bestuur genomen, dezelfde kracht als een besluit van de algemene vergadering.

  534. Artikel 84 1. Het bestuur roept de algemene vergadering bijeen, zo dikwijls het dit wenselijk oordeelt, of wanneer het daartoe volgens de wet of de statuten verplicht is. De statuten kunnen deze bevoegdheid ook aan anderen dan het bestuur verlenen. 2. Op schriftelijk verzoek van ten minste een zodanig aantal leden of afgevaardigden als bevoegd is tot het uitbrengen van een tiende gedeelte der stemmen in de algemene vergadering of van een zoveel geringer aantal als bij de statuten is bepaald, is het bestuur verplicht tot het bijeenroepen van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken na indiening van het verzoek. 3. Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen, tenzij in de statuten de wijze van bijeenroeping der algemene vergadering voor dit geval anders is geregeld, de verzoekers zelf tot die bijeenroeping overgaan op de wijze waarop het bestuur de algemene vergadering bijeenroept of bij advertentie in ten minste één ter plaatse waar de vereniging gevestigd is, veelgelezen dagblad. De verzoekers kunnen alsdan anderen dan bestuurders belasten met de leiding der vergadering en het opstellen der notulen. 4. Tenzij de statuten anders bepalen wordt de vergadering gehouden in Suriname op de plaats van de statutaire zetel. 2024 -205- No. 164

  535. Artikel 85 De artikelen 80 tot en met 84 zijn van overeenkomstige toepassing op de afdelingen van een vereniging die geen rechtspersonen zijn en die een algemene vergadering en een bestuur hebben. Wat in die artikelen omtrent de statuten is bepaald, kan in een afdelingsreglement worden neergelegd.

  536. Artikel 86 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 5 kan in de statuten van de vereniging geen wijziging worden aangebracht dan door een besluit van een algemene vergadering, waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijziging van de statuten zal worden voorgesteld. De termijn voor oproeping tot een zodanige vergadering bedraagt ten minste zeven dagen, de dag van de oproeping en de dag van vergadering niet meegerekend. 2. Zij die de oproeping tot de algemene vergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten ten minste vijf dagen vóór de vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen, op een daartoe geschikte plaats voor de leden ter inzage leggen tot na afloop van de dag waarop de vergadering wordt gehouden. Aan de afdelingen waaruit de vereniging bestaat en aan afgevaardigden moet het voorstel ten minste veertien dagen vóór de vergadering ter kennis zijn gebracht; de eerste volzin is dan niet van toepassing. 3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien in de algemene vergadering alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en het besluit tot statutenwijziging met algemene stemmen wordt genomen. 4. Het in dit artikel en in de leden 1 en 2 van artikel 87 bepaalde is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot ontbinding.

  537. Artikel 87 1. Tenzij de statuten anders bepalen, behoeft een besluit tot statutenwijziging ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen. 2. Voor zover de bevoegdheid tot wijziging bij de statuten mocht zijn uitgesloten, is wijziging niettemin mogelijk met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. 3. Een bepaling in de statuten, welke de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen beperkt, kan slechts worden gewijzigd met inachtneming van gelijke beperking. 4. Een bepaling in de statuten, welke de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen uitsluit, kan slechts worden gewijzigd met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

  538. Artikel 88 De vereniging kan, voor zover uit de statuten niet het tegendeel voortvloeit, ten behoeve van de leden rechten bedingen en, voor zover dit in de statuten uitdrukkelijk is bepaald, te hunnen laste verplichtingen aangaan. Zij kan nakoming van bedongen rechten jegens en schadevergoeding aan een lid vorderen, tenzij dit lid zich daartegen verzet. 2024 -206- No. 164

  539. Artikel 89 1. Het bestuur brengt op een algemene vergadering binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering, een jaarverslag uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid. Het legt een jaarrekening, ten minste bestaande uit een balans, een staat van baten en lasten en een toelichting op deze stukken, ter goedkeuring aan de vergadering voor. De jaarrekening wordt ondertekend door de bestuurders en, zo die er zijn, de commissarissen. Ontbreekt de ondertekening van een of meer van hen, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. Na verloop van de termijn kan ieder lid van de gezamenlijke bestuurders in rechte vorderen dat zij deze verplichtingen nakomen. 2. Ontbreekt een raad van commissarissen en wordt omtrent de getrouwheid van de stukken aan de algemene vergadering niet overgelegd een verklaring afkomstig van een externe deskundige, dan benoemt de algemene vergadering jaarlijks een commissie van ten minste twee leden die geen deel van het bestuur mogen uitmaken. De commissie onderzoekt de stukken bedoeld in de tweede volzin van lid 1 en brengt aan de algemene vergadering verslag van haar bevindingen uit. Het bestuur is verplicht de commissie ten behoeve van haar onderzoek alle door haar gevraagde inlichtingen te verschaffen, haar desgewenst de kas en de waarden te tonen en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vereniging voor raadpleging beschikbaar te stellen. 3. Voor de vereniging die een of meer ondernemingen in stand houdt welke ingevolge de Handelsregisterwet in het handelsregister moeten worden ingeschreven, geldt de Wet op de Jaarrekening. Titel 4 De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij

  540. Artikel 90 1. De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte rechtspersoon met leden. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen. Een notariële akte is niet vereist indien bij de oprichting gebruik wordt gemaakt van een der door de met economische aangelegenheden belaste minister bij beschikking vastgestelde standaard modelakten van oprichting. 2. De onderlinge waarborgmaatschappij is een bij notariële akte als onderlinge waarborgmaatschappij opgerichte rechtspersoon met leden. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten of leden en mogelijk anderen in het kader van een wettelijke regeling verzekerd te houden, een en ander in het verzekeringsbedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent. 3. De statuten van een coöperatie kunnen haar veroorloven overeenkomsten als die welke zij met haar leden sluit, ook met anderen aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de statuten van een onderlinge waarborgmaatschappij die geen bepaling als bedoeld in artikel 92 kennen. 4. Indien een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij de in lid 3 bedoelde bevoegdheid uitoefent, mag zij dat niet in een zodanige mate doen, dat de overeenkomsten met de leden slechts van ondergeschikte betekenis zijn. 5. De naam van een coöperatie moet het woord "coöperatief" bevatten of een afleiding daarvan, die van een onderlinge waarborgmaatschappij het woord "onderling" of "wederkerig" of een afleiding daarvan.

  541. Artikel 91 De bepalingen van de derde titel zijn, met uitzondering van artikel 70 lid 3 op de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken. 2024 -207- No. 164

  542. Artikel 92 1. De statuten kunnen bepalen dat zij die bij de ontbinding leden waren, of minder dan een jaar te voren hebben opgehouden leden te zijn, tegenover de rechtspersoon naar de daarbij aangegeven maatstaf voor een tekort aansprakelijk zijn; wordt een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ontbonden door haar insolventie nadat zij in staat van faillissement is verklaard, dan wordt de termijn van een jaar niet van de dag der ontbinding, maar van de dag der faillietverklaring gerekend. De statuten kunnen een langere termijn dan een jaar vaststellen. 2. Bevatten de statuten niet een maatstaf voor ieders aansprakelijkheid, dan zijn allen voor gelijke delen aansprakelijk. 3. Kan op een of meer van de leden of oud-leden het bedrag van zijn aandeel in het tekort niet worden verhaald, dan zijn voor het ontbrekende de overige leden en oud-leden, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel, aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid bestaat ook, indien de vereffenaars afzien van verhaal op een of meer leden of oud-leden, op grond dat door de uitoefening van het verhaalsrecht een bate voor de boedel niet zou worden verkregen. Indien de vereffening geschiedt onder toezicht van personen, door de wet met dat toezicht belast, kunnen de vereffenaars van dat verhaal slechts afzien met machtiging van deze personen. 4. De aansprakelijke leden en oud-leden zijn gehouden tot onmiddellijke betaling van hun aandeel in een geraamd tekort, vermeerderd met 50 ten honderd, of zoveel minder als de vereffenaars voldoende achten, tot voorlopige dekking van een nadere omslag voor de kosten van invordering en van het aandeel van hen, die in gebreke mochten blijven aan hun verplichting te voldoen. 5. Een lid of oud-lid is niet bevoegd tot verrekening van zijn schuld uit hoofde van dit artikel.

  543. Artikel 93 1. Indien de statuten een regeling bevatten als bedoeld in artikel 92 lid 1, kunnen zij de verplichting van de leden of oud-leden om in een tekort bij te dragen, tot een maximum beperken. 2. Bevatten de statuten geen regeling als bedoeld in artikel 92 lid 1, dan zijn de leden of oud-leden niet gehouden om in een tekort bij te dragen. Artikel 94 De Wet op de Jaarrekening is van toepassing.

  544. Artikel 95 1. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen zijn niet bevoegd door een besluit wijzigingen in de met haar leden in de uitoefening van haar bedrijf aangegane overeenkomsten aan te brengen, tenzij zij zich deze bevoegdheid in de overeenkomst op duidelijke wijze hebben voorbehouden. Een verwijzing naar statuten, reglementen, algemene voorwaarden of dergelijke, is daartoe niet voldoende. 2. Op een wijziging als in het lid 1 bedoeld kan de rechtspersoon zich tegenover een lid slechts beroepen indien de wijziging schriftelijk aan het lid was medegedeeld.

  545. Artikel 96 Voor de coöperatie geldt voorts dat, met behoud van de vrijheid van uittreding uit de coöperatie, daaraan bij de statuten voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking, kunnen worden verbonden. Een voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. 2024 -208- No. 164

  546. Artikel 97 Voor een coöperatie, die in haar statuten een regeling heeft opgenomen als bedoeld in artikel 92, gelden bovendien de volgende bepalingen: a. Het lidmaatschap wordt schriftelijk aangevraagd. Aan de aanvrager wordt eveneens schriftelijk bericht, dat hij als lid is toegelaten of geweigerd. Wanneer hij is toegelaten, wordt hem tevens medegedeeld onder welk nummer hij als lid in de administratie der coöperatie is ingeschreven. Niettemin behoeft, ten bewijze van de verkrijging van het lidmaatschap, van een schriftelijke aanvrage en een schriftelijk bericht als hiervoor bedoeld, niet te blijken. b. De geschriften, waarbij het lidmaatschap wordt aangevraagd, worden gedurende ten minste tien jaar door het bestuur bewaard. Echter behoeven de hier bedoelde geschriften niet te worden bewaard voor zover het betreft diegenen, van wie het lidmaatschap kan blijken uit een door hen ondertekende, gedagtekende verklaring in de administratie van de coöperatie. c. De opzegging van het lidmaatschap kan slechts geschieden, hetzij bij een afzonderlijk geschrift, hetzij door een door het lid ondertekende, gedagtekende verklaring in de administratie van de coöperatie. Het lid dat de opzegging doet, ontvangt daarvan een schriftelijke erkenning van het bestuur. Wordt de schriftelijke erkenning niet binnen veertien dagen gegeven, dan is het lid bevoegd de opzegging op kosten van de coöperatie bij deurwaardersexploot te herhalen. d. Een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de ledenlijst wordt ten kantore van het handelsregister neergelegd bij de inschrijving van de coöperatie. Binnen een maand na het einde van ieder boekjaar wordt door het bestuur een schriftelijke opgave van de wijzigingen die de ledenlijst in de loop van het boekjaar heeft ondergaan, aan de ten kantore van het handelsregister neergelegde lijst toegevoegd of wordt, indien de Kamer van Koophandel en Fabrieken dit nodig oordeelt, een nieuwe lijst neergelegd.

  547. Artikel 98 Voor een onderlinge waarborgmaatschappij gelden voorts de volgende bepalingen: a. Degenen die als verzekeringnemer bij een onderlinge waarborgmaatschappij een overeenkomst van verzekering lopende hebben, zijn van rechtswege lid van de waarborgmaatschappij. Bij de onderlinge waarborgmaatschappij die krachtens haar statuten ook verzekeringnemers die geen lid zijn mag verzekeren, kan van deze bepaling worden afgeweken. b. Tenzij de statuten anders bepalen, duurt het lidmaatschap dat uit een verzekeringsovereenkomst ontstaat, voort totdat alle door het lid met de waarborgmaatschappij gesloten verzekeringsovereenkomsten zijn geëindigd. Bij overdracht of overgang van de rechten en verplichtingen uit zodanige overeenkomst gaat het lidmaatschap, voor zover uit die overeenkomst voortvloeiende, op de nieuwe verkrijger of de nieuwe verkrijgers over, een en ander behoudens afwijkende bepalingen in de statuten.

  548. Artikel 99 1. Het is aan een persoon die geen coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is, verboden zaken te doen met gebruik van de aanduiding "coöperatief", "onderling" of "wederkerig" of een afleiding daarvan. 2. Ingeval van overtreding van dit verbod kan iedere coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij vorderen, dat de overtreder zich op straffe van een door de rechter te bepalen dwangsom onthoudt het gewraakte woord bij het doen van zaken te gebruiken.

  549. Artikel 99a 1. Er is een Raad voor het Coöperatiewezen. De samenstelling en nadere taakomschrijving van deze Raad worden bij staatsbesluit geregeld. 2024 -209- No. 164 2. Elke coöperatie is verplicht de Raad voor het Coöperatiewezen of een door de Raad schriftelijk daartoe gemachtigde op diens verzoek inzage van haar boeken en bescheiden te geven en alle gewenste inlichtingen, de vereniging betreffende, te verstrekken. Titel 5 De naamloze vennootschap Afdeling 1 Algemene bepalingen

  550. Artikel 100 1. De naamloze vennootschap is een in de statuten als zodanig aangeduide rechtspersoon met een of meer op naam gestelde aandelen. Aandelen aan toonder kunnen niet worden uitgegeven. Certificaten aan toonder van aandelen kunnen evenmin worden uitgegeven. Zolang certificaten aan toonder uitstaan, kunnen de aan het aandeel verbonden rechten niet worden uitgeoefend. 2. De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notariële akte, tenzij bij de oprichting gebruik gemaakt wordt van een der door de met economische aangelegenheden belaste minister bij beschikking vastgestelde standaard modelakten van oprichting. 3. Bij de oprichting worden ten minste zoveel aandelen bij een oprichter of een derde geplaatst dat ten aanzien van ieder onderwerp stemrecht kan worden uitgeoefend en ten minste één aandeel dat deelt in de winst. 4. Rechten die stemrecht noch aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 118 omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt.

  551. Artikel 101 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 lid 2, bevat de akte van oprichting in elk geval: a. de aantallen en soorten van de bij de oprichting geplaatste aandelen, alsmede de namen en woonplaatsen van degenen die deze aandelen hebben genomen; b. het bedrag of de waarde van iedere storting, de modaliteiten van de stortingsplicht en van de voldoening daaraan. 2. In de akte van oprichting wordt opgenomen of daaraan wordt gehecht een verklaring van alle oprichters dat het eigen vermogen van de vennootschap bij de oprichting niet negatief is. 3. Wordt anders dan in geld gestort, dan wordt bovendien aan de akte gehecht een door alle oprichters getekende oprichtingsbalans die een eigen vermogen toont dat niet negatief is. De oprichtingsbalans heeft betrekking op een tijdstip dat ten hoogste drie maanden vóór de dag van de akte ligt. 4. Heeft de vennootschap bij de oprichting een nominaal kapitaal, dan wordt bij de toepassing van de leden 2 en 3, het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen. 5. De akte wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht getekend door iedere oprichter en door ieder die blijkens de akte een of meer aandelen neemt.

  552. Artikel 102 1. De statuten vermelden de naam, de plaats in Suriname waar de vennootschap haar zetel heeft en het doel van de vennootschap. De naam vangt aan of eindigt met de woorden naamloze vennootschap, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot "N.V." of “NV”. De naam mag niet in andere dan Latijnse schrifttekens gesteld zijn. Voor de Engelse vertaling mag gebruik gemaakt worden van de benaming “Limited Liability Company”, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot “LLC”. 2. De statuten kunnen bepalen dat er verschillende soorten aandelen zijn. Zij kunnen aan een of meer soorten een nominale waarde toekennen. De nominale waarde kan in een of meer vreemde muntsoorten worden uitgedrukt, met dien verstande echter dat per soort aandeel steeds dezelfde muntsoort wordt gebruikt. 2024 -210- No. 164 3. De som van de nominale waarden van de uitgegeven aandelen vormt het nominaal kapitaal. Door statutenwijziging kan de nominale waarde worden opgeheven of gewijzigd. Vermeerdering van de nominale waarde is niet mogelijk indien het nominaal kapitaal groter is dan het eigen vermogen van de vennootschap of daardoor groter zou worden. 4. Kennen de statuten verschillende soorten aandelen of aandelen met een verschillende nominale waarde, dan bevatten zij bepalingen met betrekking tot de aan die aandelen en andere aandelen verbonden stem- en uitkeringsrechten. 5. In afwijking van artikel 3 lid 2, kunnen de statuten bepalen dat houders van aandelen of van een bepaalde soort aandelen persoonlijk aansprakelijk zijn, al dan niet hoofdelijk, voor bepaalde of alle schulden van de vennootschap. In dat geval komt het in artikel 109 lid 4 bedoelde inzagerecht toe aan iedere belanghebbende. Iedere belanghebbende kan voorts verlangen dat aan hem wordt afgegeven een door het bestuur van de vennootschap gewaarmerkt uittreksel uit het register waarop de voor hem van belang zijnde gegevens staan vermeld. Een besluit tot wijziging van de statuten, waardoor een zodanige persoonlijke aansprakelijkheid wordt ingevoerd, gewijzigd of afgeschaft, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders en alle stemgerechtigden. 6. Een derde te wiens behoeve een bepaling als bedoeld in het vorige lid in de statuten is opgenomen kan de betrokken aandeelhouder rechtstreeks daaruit aanspreken, tenzij dit in die bepaling is uitgesloten. De vennootschap kan steeds nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich daartegen verzet. 7. Wordt door statutenwijziging een aansprakelijkheidsregeling als bedoeld in lid 5 afgeschaft of gewijzigd, waardoor de aansprakelijkheid van een of meer aandeelhouders vervalt of vermindert, dan heeft die afschaffing of wijziging ook effect voor bestaande schulden, echter met dien verstande dat ten aanzien van die schulden het verval of de vermindering van de aansprakelijkheid eerst intreedt zes maanden na het tijdstip waarop, nadat de statutenwijziging heeft plaatsgevonden, ten aanzien van de betrokken aandeelhouder een daarop aansluitende aantekening in het register als bedoeld in artikel 109 is gedaan, alles onverminderd het bepaalde in de Handelsregisterwet. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. 8. Houdt een aandeelhouder, op wie een aansprakelijkheid rust uit hoofde van een statutaire bepaling als bedoeld in lid 5, op aandeelhouder te zijn, dan vervalt ook zijn aansprakelijkheid voor bestaande schulden, zulks echter met dien verstande dat ten aanzien van die schulden het verval van aansprakelijkheid eerst intreedt zes maanden na het tijdstip waarop, nadat zijn aandeelhouderschap is geëindigd, daarvan aantekening is gedaan in het register als bedoeld in artikel 109. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. Afdeling 2 De aandelen

  553. Artikel 103 1. Voor zover de wet of de statuten niet anders bepalen zijn aan alle aandelen gelijke rechten en verplichtingen verbonden. 2. De statuten kunnen bepalen dat ter zake van aandelen van een of meer soorten onderaandelen kunnen worden uitgegeven, die de bij de uitgifte aan te geven fractie van een aandeel vertegenwoordigen. 3. De bepalingen van dit boek over aandelen en aandeelhouders vinden overeenkomstige toepassing op onderaandelen en houders daarvan voor zover uit die bepalingen niet anders blijkt. 4. Tenzij de statuten anders bepalen gelden voor de toepassing van artikel 129 lid 1 en artikel 132 lid 1 onderaandelen die tezamen ten minste een of meer aandelen vertegenwoordigen als zoveel aandelen, ongeacht de gerechtigdheid tot de onderaandelen. 2024 -211- No. 164

  554. Artikel 104 1. De algemene vergadering of een daartoe in of krachtens de statuten aangewezen ander orgaan is bevoegd na de oprichting te besluiten tot uitgifte van nieuwe aandelen. De daarop volgende uitgifte geschiedt bij een door de vennootschap en de nemer getekende akte, dan wel door een vanwege de vennootschap aan de nemer gezonden verklaring van uitgifte en een al dan niet bij voorbaat door de nemer aan de vennootschap verzonden verklaring van aanvaarding. Artikel 15 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op de in dit lid bedoelde stukken. 2. De uitgifte geschiedt niet eerder dan nadat de identiteit van de nemer is vastgesteld en deze identiteit door de vennootschap is geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Kopieën van de documenten worden bewaard bij het in artikel 109 bedoelde register. 3. Uitgifte van beursgenoteerde aandelen, daaronder begrepen aandelen die onmiddellijk na de uitgifte tot een beursnotering worden toegelaten, kan ook geschieden overeenkomstig het bij die beurs gebruikelijke of door die beurs toegelaten systeem.

  555. Artikel 106 1. De statuten kunnen bepalen dat, al dan niet krachtens besluit van een daartoe aangewezen orgaan, bepaalde of alle aandeelhouders bij uitgifte van bepaalde of alle aandelen een voorkeursrecht hebben in een daarbij te bepalen verhouding. 2. Worden aandelen met voorkeursrecht uitgegeven dan wordt dit bekend gemaakt aan alle aandeelhouders met overeenkomstige toepassing van artikel 131 lid 1. Het voorkeursrecht kan worden uitgeoefend gedurende ten minste twee weken na de bekendmaking.

  556. Artikel 107 1. De nemer van een aandeel is verplicht de tegenprestatie te voldoen die in de akte van oprichting of het besluit tot uitgifte is vastgesteld. Indien anders dan in geld moet worden gestort, wordt de waarde van de storting in de akte van oprichting of de akte van uitgifte in een bedrag weergegeven. De waarde wordt bepaald met inachtneming van in het maatschappelijk verkeer aanvaardbare maatstaven. Worden aandelen met een nominale waarde genomen dan bedraagt de waarde van de tegenprestatie ten minste het nominale bedrag van het aandeel. 2. Een storting anders dan in geld moet bij of onverwijld na de oprichting of de uitgifte geschieden. Ten aanzien van een storting in geld kan in de akte van oprichting, in de statuten of in het besluit tot uitgifte worden bepaald dat het verschuldigde bedrag, of een deel daarvan, pas na verloop van een bepaalde tijd opeisbaar zal zijn of pas opeisbaar zal zijn na een daartoe strekkend besluit van een daarbij aangewezen orgaan. Ontbreekt een bepaling als bedoeld, dan moet de storting bij de oprichting of uitgifte geschieden. 3. Voor zover de vordering van de vennootschap tot voldoening aan een stortingsplicht niet binnen één jaar onvoorwaardelijk opeisbaar is, wordt deze vordering buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het eigen vermogen van de vennootschap, zoals bedoeld in dit boek. 4. Als bijstortingsplicht wordt in de wet aangeduid iedere stortingsplicht die niet onmiddellijk en onvoorwaardelijk opeisbaar is. Bij aandelen met een nominale waarde kan geen bijstortingsplicht bestaan ter zake van het nominale bedrag. 5. Behoudens ontheffing van stortingsplicht op de voet van artikel 115 kan de houder van een aandeel niet worden ontheven van zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel. Bij vervreemding van een aandeel blijft de vervreemder nog gedurende een jaar naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen. 6. Ten aanzien van een stortingsplicht kan de wederpartij van de vennootschap zich nimmer op verrekening beroepen. 2024 -212- No. 164 7. De vereffenaar van een vennootschap en, in geval van faillissement of ontbinding door de rechter op de voet van artikel 24 of 25, de curator, zijn bevoegd tot uitschrijving en inning van alle nog niet gedane stortingen op de aandelen. Deze bevoegdheid geldt onverschillig hetgeen daaromtrent op grond van lid 2 van dit artikel is bepaald. Indien echter uit het bepaalde voortvloeit dat een storting eerst hoeft plaats te vinden op een tijdstip na de dag van de faillietverklaring of ontbinding, kan worden volstaan met voldoening van de contante waarde daarvan op de dag van de faillietverklaring of ontbinding.

  557. Artikel 108 1. Aan de nemer of houder van een aandeel wordt desgevraagd een op naam gesteld aandeelbewijs afgegeven. De dag van afgifte en alle op het aandeel betrekking hebbende gegevens, zoals deze op de dag van afgifte ingevolge lid 1 van artikel 109 in het aandeelhoudersregister behoren te zijn opgenomen, worden op het aandeelbewijs vermeld. 2. Als aandeelbewijs kan ook gelden een ten name van de aandeelhouder gesteld uittreksel uit het aandeelhoudersregister als bedoeld in artikel 109, dat de op die aandelen betrekking hebbende gegevens bevat. 3. Aan de latere verkrijger te goeder trouw kan niet worden tegengeworpen dat het daarop door of vanwege de vennootschap vermelde onjuist of onvolledig is, zulks onverminderd de aansprakelijkheid van de vennootschap voor schade door de verkrijger te goeder trouw geleden, indien de onjuistheid of onvolledigheid aan de vennootschap is te wijten.

  558. Artikel 108a 1. De statuten kunnen met betrekking tot alle aandelen of alle aandelen van een bepaalde soort: a. bepalen dat verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard, jegens de vennootschap of derden of tussen aandeelhouders, aan het aandeelhouderschap zijn verbonden; b. eisen verbinden aan het aandeelhouderschap; c. een bepaling bevatten als bedoeld in artikel 257. 2. Bevatten de statuten een verplichting van verbintenisrechtelijke aard jegens derden, dan komt het in artikel 109 lid 4 bedoelde inzagerecht toe aan iedere belanghebbende. Iedere belanghebbende kan voorts verlangen dat aan hem wordt afgegeven een door het bestuur van de vennootschap gewaarmerkt uittreksel uit het register waarop de voor hem van belang zijnde gegevens staan vermeld. Artikel 102 leden 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Een besluit tot wijziging van de statuten, waardoor een bepaling als bedoeld in lid 1 wordt ingevoerd, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders en alle stemgerechtigden. Een besluit tot wijziging van de statuten, waardoor een verplichting als bedoeld in lid 1 onder a of c wordt gewijzigd, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van degenen op wie die verplichting rust of komt te rusten.

  559. Artikel 109 1. Het bestuur houdt een register bij, waarin de namen en adressen van alle houders van aandelen zijn opgenomen, met vermelding van de soort aandeel, het daaraan verbonden stemrecht, het daarop gestorte of als gestort weergegeven bedrag, de eventueel nog openstaande stortingsplicht met vermelding of het gaat om een bijstortingsplicht en zo ja, de modaliteiten daarvan, de dag en de modaliteiten van de verkrijging, de eventuele aansprakelijkheid uit hoofde van de artikelen 102 lid 5 en 108a lid 1, en het al of niet afgegeven zijn van een aandeelbewijs. Aangetekend worden ook de gegevens met betrekking tot de vestiging of overdracht van vruchtgebruik op de aandelen en de vestiging van pandrecht op de aandelen, alsmede met betrekking tot een daarmee samenhangende overgang van stemrecht. De naam en het adres van de vruchtgebruiker en de pandhouder worden in het register vermeld. Overeenkomstige gegevens worden vermeld met betrekking tot vergadergerechtigden, die geen aandeelhouder, pandhouder of vruchtgebruiker zijn. 2024 -213- No. 164 2. Het register wordt regelmatig bijgehouden. Bij iedere mutatie wordt de dag waarop deze is aangebracht vermeld. 3. Aandeelhouders en anderen van wie gegevens in het register moeten worden opgenomen, verschaffen het bestuur tijdig de nodige gegevens. Voor zover dat niet eerder is geschied verschaffen zij het bestuur ook nadere gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 104 lid 2 en leggen zij documenten over als daar bedoeld. Kopieën van de documenten worden bewaard bij het register. 4. Aandeelhouders en anderen van wie gegevens in het register zijn opgenomen hebben recht op inzage in het register. De statuten kunnen het inzagerecht aan andere personen toekennen. Zij kunnen ook het inzagerecht beperken tot de gegevens die betrekking hebben op de rechten die toekomen aan degene die om inzage vraagt. Zij kunnen ook bepalen dat de betrokkene slechts recht heeft op toezending van een uittreksel uit het aandeelhoudersregister dat de op hem betrekking hebbende gegevens bevat. 5. Tenzij de statuten anders bepalen kan het aandeelhoudersregister: a. onder verantwoordelijkheid van het bestuur door een derde worden bijgehouden; b. in elektronische vorm worden bijgehouden.

  560. Artikel 110 1. Aandelen zijn overdraagbaar, behoudens het in artikel 111 en elders in de wet bepaalde. 2. Levering van aandelen geschiedt door een door partijen getekende akte van overdracht en hetzij betekening van die akte aan de vennootschap, hetzij erkenning van de overdracht door de vennootschap. Erkenning geschiedt door een ondertekende aantekening op de akte van overdracht of een aan de verkrijger gerichte schriftelijke verklaring van de vennootschap. Betreft het aandelen waarop nog een stortingsplicht of bijstortingsplicht rust, dan kan erkenning slechts geschieden wanneer de akte van overdracht een vaste dagtekening draagt. 3. Indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven kan dat stuk, voorzien van een door partijen ondertekende aantekening tot overdracht, als akte van overdracht gelden. 4. De statuten kunnen bepalen dat, indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven, als akte van overdracht uitsluitend kan gelden een stuk als bedoeld in lid 3. Zij kunnen ook bepalen dat erkenning of betekening slechts kan geschieden na inlevering van het afgegeven aandeelbewijs, zulks onverminderd het recht van de opvolgend aandeelhouder op afgifte van een te zijnen name gesteld aandeelbewijs op de voet van artikel 108 lid 1. In beide gevallen lijdt de regel uitzondering wanneer de vervreemder ten genoegen van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn aandeelbewijs verloren is gegaan. De vervreemder, die zich op deze bepaling beroept, is tegenover de vennootschap en derden aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan te lijden schade. 5. Met betrekking tot volgestorte aandelen kunnen de statuten bepalen dat levering ook kan geschieden door een tot de vennootschap gerichte schriftelijke verklaring van de gerechtigde tot dat aandeel, waarin van de levering mededeling wordt gedaan, met een daarop aansluitende tot de vennootschap gerichte schriftelijke verklaring van de verkrijger, gevolgd door een van de vennootschap uitgaande, aan beide partijen gerichte schriftelijke verklaring van erkenning. 6. De levering en de dag daarvan worden in het register, bedoeld in artikel 109, aangetekend. 7. Levering van beursgenoteerde aandelen kan ook geschieden overeenkomstig het bij die beurs gebruikelijke of door die beurs toegelaten systeem.

  561. Artikel 111 1. De overdraagbaarheid van aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van toedeling van aandelen uit een gemeenschap. 2. Een overdracht of toedeling die in strijd is met een regeling als bedoeld in lid 1 is ongeldig, tenzij deze de instemming heeft van alle aandeelhouders. 3. In geval van executoriaal beslag, faillissement, afgifte van een legaat, toedeling uit een gemeenschap of pandrecht, kan de rechter bepalingen als bedoeld in lid 1 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren. Het verzoek daartoe kan worden gedaan door onderscheidenlijk de executant, de curator of een belanghebbende bij de afgifte van het legaat of de toedeling of de pandhouder. De rechter wijst het 2024 -214- No. 164 verzoek, zo nodig in afwijking van artikel 474g lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts toe indien de belangen van de verzoeker dat bepaaldelijk vorderen en de belangen van anderen daardoor niet onevenredig worden geschaad. De rechter kan bepalen dat de vennootschap aan de executant of de curator inzage moet geven in het register bedoeld in artikel 109.

  562. Artikel 112 1. De bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op aandelen kan niet bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. 2. Tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald, komen het stemrecht en de overige zeggenschapsrechten toe aan de aandeelhouder. De statuten kunnen het toekennen van deze rechten aan de vruchtgebruiker beperken of uitsluiten. 3. Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 komt het stemrecht aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik of door de rechter op de voet van artikel 23 lid 4 van Boek 4 anders wordt bepaald.

  563. Artikel 113 1. De bevoegdheid tot het vestigen van een pandrecht op aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Artikel 111 lid 2 is van overeenkomstige toepassing. 2. Voor zover het tegendeel niet volgt uit een voorziening als bedoeld in lid 3 komen de aan het aandeel verbonden rechten toe aan de aandeelhouder. 3. Tenzij de statuten anders bepalen kan bij de vestiging of in een aanvullende akte tussen aandeelhouder en pandhouder worden bepaald dat de aan de aandelen verbonden rechten, al dan niet voorwaardelijk, geheel of gedeeltelijk toekomen aan de pandhouder. 4. Wordt pandrecht gevestigd met toepassing van artikel 236 lid 2 van Boek 3, en vervolgens in een aanvullende akte een voorziening als bedoeld in lid 3 getroffen, dan is voor de geldigheid van die akte vereist dat artikel 110 lid 2 overeenkomstige toepassing heeft gevonden. Ook artikel 110 leden 3, 4 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing. 5. In afwijking van lid 2 van artikel 236 van Boek 3 kan pandrecht op aandelen ook worden gevestigd zonder betekening of erkenning als bedoeld in artikel 110. Artikel 239 van Boek 3 is dan van overeenkomstige toepassing.

  564. Artikel 114 1. De vennootschap kan geen eigen aandelen nemen. 2. Onverminderd het bepaalde in titel 7 kunnen de statuten de verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen van derden uitsluiten, beperken of aan voorwaarden onderwerpen. Zolang de vennootschap direct of indirect eigen aandelen houdt, kunnen de daaraan verbonden rechten niet worden uitgeoefend. 3. Artikel 118 leden 5, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing op verkrijging van eigen aandelen. Bij de verkrijging van aandelen met een nominale waarde, die onmiddellijk na de betaling aan de aandeelhouder en de verkrijging door de vennootschap worden ingetrokken, geldt het nominaal kapitaal na die intrekking als de in artikel 118 lid 7 bedoelde ondergrens. 4. De statuten kunnen bepalen dat in gevallen, in de statuten omschreven, de vennootschap gehouden is tot inkoop en verkrijging van eigen aandelen van een of meer aandeelhouders tegen voorwaarden zoals deze bij de statuten zijn bepaald of krachtens de statuten door onafhankelijke deskundigen zullen worden vastgesteld. 5. De vennootschap kan door een daarop gericht besluit van de algemene vergadering of een door de statuten aangewezen ander orgaan door de vennootschap gehouden eigen aandelen intrekken. 2024 -215- No. 164

  565. Artikel 115 De algemene vergadering of een bij de statuten aangewezen ander orgaan kan ten aanzien van alle aandelen of van een bepaalde soort aandelen besluiten tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een verrichte storting of tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de stortingsplicht. Artikel 118 leden 5, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling 3 De jaarrekening Artikel 116 De Wet op de Jaarrekening is van toepassing.

  566. Artikel 118 1. In onmiddellijke samenhang met de vaststelling van de jaarrekening, beslist de algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan over de uitkering of inhouding van de uit die jaarrekening blijkende winst en over het doen van andere uitkeringen ten laste van het uit die jaarrekening blijkende eigen vermogen. 2. De algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan kan besluiten tot het doen van tussentijdse uitkeringen ten laste van een lopend boekjaar of ten laste van een afgesloten boekjaar, waarvan de jaarrekening nog niet is goedgekeurd. 3. Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel bij iedere uitkering recht op een gelijk bedrag en geeft ieder onderaandeel recht op de dienovereenkomstige fractie van dat bedrag. De statuten kunnen bepalen dat de aandelen die de vennootschap zelf houdt meetellen bij de berekening van de verdeling van uitkeringen. De statuten kunnen de verdeling van uitkeringen geheel of gedeeltelijk overlaten aan een daartoe aangewezen orgaan. 4. Het recht op uitkering vervalt door een tijdsverloop van drie jaar na het einde van de dag, waarop hetzij daaraan voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de uitkeringsgerechtigde daarvan kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. 5. Uitkeringen aan aandeelhouders en andere uitkeringsgerechtigden mogen niet worden gedaan indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of door die uitkering negatief zou worden. Een besluit tot het doen van een zodanige uitkering heeft geen enkele rechtskracht. Artikel 22 lid 2, is niet van toepassing, tenzij de uitkering is gedaan aan de regelmatige houder van een aandeel dat op een beurs verhandeld wordt of van een daarmee verbonden recht. 6. Een uitkering als bedoeld in dit artikel wordt vermoed te zijn gedaan in strijd met de eerste volzin van lid 5, indien de jaarrekening van het boekjaar ten laste waarvan de uitkering wordt gedaan, met inachtneming van die uitkering een eigen vermogen toont dat negatief is. Betreft het een uitkering als bedoeld in lid 1 dan is het vermoeden onweerlegbaar. 7. Heeft de vennootschap een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van lid 5 het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen. Afdeling 4 De algemene vergadering

  567. Artikel 127 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen behoort aan de algemene vergadering, binnen de bij de wet of de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend. 2. Aandeelhouders kunnen hun onderlinge verhouding en de wijze waarop zij hun bevoegdheden als aandeelhouder uitoefenen nader regelen in een aandeelhouders-overeenkomst. 2024 -216- No. 164 3. Indien de statuten dat bepalen kan de vennootschap toetreden tot een vennootschappelijke overeenkomst. Als zodanig heeft te gelden een overeenkomst tussen de vennootschap en haar aandeelhouders, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd; b. behalve de vennootschap zijn alle aandeelhouders daarbij partij; c. het bestuur heeft overeenkomstig lid 9 opgaaf gedaan van het bestaan van de vennootschappelijke overeenkomst. 4. Bepalingen die met toepassing van artikel 1 lid 3, in de statuten kunnen worden opgenomen, kunnen met hetzelfde rechtsgevolg worden opgenomen in een vennootschappelijke overeenkomst, voor zover niet anders uit de wet, de statuten of de vennootschappelijke overeenkomst voortvloeit. 5. Geldt binnen een vennootschap een vennootschappelijke overeenkomst, dan geldt het verkrijgen van het aandeelhouderschap in die vennootschap mede als het toetreden als partij tot die overeenkomst. Verliest een aandeelhouder zijn aandeelhouderschap dan verliest hij daarmee zijn positie als partij bij de vennootschappelijke overeenkomst. 6. De vennootschappelijke overeenkomst wordt namens de vennootschap aangegaan door het bestuur met voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen, zo die er is; zij wordt ondertekend door alle bestuurders en medeondertekend door alle commissarissen; ontbreekt een handtekening dan wordt aan de voet van de akte de reden daarvoor vermeld. 7. Artikel 133 leden 3 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing, ook indien buiten vergadering wordt besloten. 8. Lid 4 geldt niet voor bepalingen als aangeduid in de artikelen 15 lid 5, 18 lid 1, 19 lid 1, 102, 103, leden 2 en 4, 108a lid 1 onder a, voor zover het gaat om verplichtingen jegens derden, 122 lid 4, 139 en 141 lid 3. 9. Het bestuur doet ten kantore van het handelsregister opgaaf van het bestaan en het tenietgaan van een vennootschappelijke overeenkomst. 10. Bepalingen in een overeenkomst als bedoeld in dit artikel zijn nietig voor zover zij leiden tot gevolgen die in strijd zijn met de wet of de statuten.

  568. Artikel 128 1. Tijdens ieder boekjaar wordt ten minste één algemene vergadering gehouden of ten minste eenmaal overeenkomstig artikel 135 leden 1 of 3 besloten. 2. Voor zover de statuten niet anders bepalen, zijn tot het bijeenroepen van een algemene vergadering iedere bestuurder en iedere commissaris bevoegd. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn steeds bevoegd tot bijeenroeping van de algemene vergadering.

  569. Artikel 129 1. Onder vergaderrecht wordt in deze titel verstaan het recht om, in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde, de algemene vergadering bij te wonen en daar het woord te voeren. 2. Het vergaderrecht komt toe aan iedere aandeelhouder en iedere stemgerechtigde. Bij of krachtens de statuten kan vergaderrecht ook aan andere personen worden toegekend. 3. De statuten kunnen toestaan dat ten aanzien van aandelen zonder stemrecht of met beperkt stemrecht het aan die aandelen verbonden vergaderrecht dienovereenkomstig wordt uitgesloten of beperkt.

  570. Artikel 130 1. Stemgerechtigden die alleen of samen ten minste tien procent van de stemmen ten aanzien van een bepaald onderwerp kunnen uitbrengen, kunnen het bestuur of de raad van commissarissen schriftelijk verzoeken om een algemene vergadering bijeen te roepen teneinde te beraadslagen en te besluiten over dat onderwerp, mits zij daarbij een redelijk belang hebben. 2. Indien het bestuur of de raad van commissarissen niet binnen veertien dagen na de dag dat het verzoek de vennootschap of het betrokken orgaan heeft bereikt, gevolg geeft aan een zodanig verzoek, kunnen 2024 -217- No. 164 de verzoekers zelf tot bijeenroeping overgaan. Met het oog daarop geeft het bestuur de verzoekers inzage in het register, bedoeld in artikel 109. 3. Bij de oproeping door de stemgerechtigden worden geen andere dan de aanvankelijk aangegeven onderwerpen als te behandelen vermeld. 4. De oproeping en de daarbij behorende stukken worden mede gezonden aan iedere bestuurder en iedere commissaris.

  571. Artikel 131 1. De oproeping geschiedt schriftelijk aan het adres van de vergadergerechtigden en het adres van de bestuurders en commissarissen. Zijn een of meer adressen onbekend, dan geschiedt de oproeping tevens door een aankondiging in een veelgelezen in Suriname verschijnend dagblad. 2. De oproepingstermijn bedraagt ten minste vijf dagen, de dag van oproeping en de dag van de vergadering niet meegerekend. Als dag van oproeping geldt de dag waarop de oproeping verzonden is dan wel, indien dat later is, de dag waarop de oproeping is geplaatst in het in lid 1 bedoelde blad. 3. De oproeping vermeldt de plaats van de vergadering en de te behandelen onderwerpen. Onderwerpen die tijdig door een stemgerechtigde als te behandelen zijn voorgedragen worden op de agenda geplaatst, tenzij het belang van een goede vergaderorde zich daartegen verzet. In elk geval wordt bij de oproeping mededeling gedaan van de voorgedragen onderwerpen. 4. Wordt een voorstel tot statutenwijziging gedaan dan wordt een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen, meegezonden of ten kantore van de vennootschap voor de aandeelhouders ter inzage gelegd. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de aankondiging bedoeld in lid 1, indien daarvan sprake is. 5. Tenzij de statuten anders bepalen wordt een vergadering gehouden in Suriname op de plaats van de statutaire zetel.

  572. Artikel 132 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel recht op het uitbrengen van één stem ten aanzien van alle onderwerpen. Stemrecht kan worden uitgeoefend in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde. 2. De statuten kunnen bepalen dat het vergaderrecht van anderen dan bestuurders of commissarissen en het stemrecht uitsluitend kunnen worden uitgeoefend door degenen die op een in de statuten vastgestelde dag, de registratiedag, die rechten hadden en als zodanig aan het bestuur van de vennootschap bekend waren. De registratiedag mag ten hoogste twintig dagen voor die der vergadering liggen. Worden de aandelen verhandeld op een effectenbeurs, dan kan de in dit lid bedoelde termijn ten hoogste zestig dagen zijn en kunnen de statuten het vaststellen van de registratiedag overlaten aan een orgaan van de vennootschap. Als nadere voorwaarde voor de uitoefening van de in dit lid bedoelde rechten kunnen de statuten dan ook voorschrijven dat de betrokkene op de registratiedag in een bij of krachtens de statuten aangewezen register als rechthebbende is ingeschreven. Indien de statuten een registratiedag bevatten of een registratiedag krachtens de statuten is vastgesteld, wordt deze bij de oproeping vermeld. 3. Bestuurders en commissarissen hebben als zodanig in de algemene vergadering en bij de besluitvorming buiten vergadering een raadgevende stem. Voor zover de statuten dit niet uitsluiten of beperken hebben zij ook een raadgevende stem ten aanzien van de besluitvorming door houders van aandelen van een bijzondere soort. 4. Hebben bestuurders en commissarissen een raadgevende stem dan worden zij tijdig in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.

  573. Artikel 133 1. Voor zover de statuten niet anders bepalen worden alle besluiten genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 2024 -218- No. 164 2. De statuten kunnen bepalen dat bij staken van stemmen de beslissing wordt opgedragen aan een ander orgaan of aan een derde. 3. Een door de vergadering aangewezen persoon houdt notulen bij van de beraadslagingen en de genomen besluiten. De notulen worden ondertekend door de voorzitter van de vergadering. 4. De ondertekende notulen worden door het bestuur gedurende tien jaar bewaard. 5. Iedere vergadergerechtigde heeft recht op een afschrift van de notulen. 6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing bij besluiten van andere organen, met dien verstande dat het recht op afschrift van de notulen toekomt aan de leden van het betrokken orgaan. 7. Ter zake van notulen van andere organen dan de algemene vergadering of het bestuur geldt voorts dat het in artikel 15 lid 6 bedoelde recht op inzage bij of krachtens de statuten geheel of gedeeltelijk aan het bestuur kan worden onthouden, en dat het betrokken orgaan een van zijn leden of een derde als bewaarder van de notulen kan aanwijzen.

  574. Artikel 134 1. Behoudens beperkingen volgens de statuten en onverminderd het bepaalde in artikel 5 is de algemene vergadering bevoegd de statuten te wijzigen. Een met algemene stemmen genomen besluit tot statutenwijziging waaraan alle stemgerechtigde personen hebben meegewerkt is geldig, ongeacht het daarover in de statuten bepaalde. 2. Een statutaire bepaling die in de gegeven situatie tot gevolg zou hebben dat er geen stemgerechtigde personen als bedoeld in lid 1 zijn, wordt, zolang die situatie voortduurt, voor niet geschreven gehouden. 3. Gedurende het faillissement van de vennootschap kunnen de statuten slechts worden gewijzigd met instemming van de curator. 4. Een besluit tot wijziging van de statuten waardoor de rechtspositie van een krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de vennootschap betrokken persoon ernstig wordt aangetast, wordt op vordering van de betrokkene vernietigd, mits deze een zwaarwegend belang heeft bij de handhaving van die rechtspositie. Artikel 21 leden 4 en 5, zijn van overeenkomstige toepassing.

  575. Artikel 135 1. Een besluit van de algemene vergadering kan ook tot stand komen door schriftelijke stemuitbrenging buiten vergadering, mits alle vergadergerechtigden met deze wijze van besluitvorming instemmen. Bestuurders en commissarissen worden voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen. 2. Artikel 133, leden 1 tot en met 5, is van overeenkomstige toepassing. 3. Indien alle aandeelhouders tevens bestuurder van de vennootschap zijn, geldt ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen tevens als goedkeuring van de jaarrekening door de algemene vergadering, mits alle vergadergerechtigden in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de opgemaakte jaarrekening en met deze wijze van goedkeuring hebben ingestemd. De statuten kunnen de in de eerste volzin bedoelde wijze van goedkeuring van de jaarrekening uitsluiten.

  576. Artikel 135a 1. Indien ten aanzien van een voorgenomen besluit van de algemene vergadering voor geen van de aandelen stem kan worden uitgebracht, beslist het bestuur. De statuten kunnen een andere regeling treffen. Deze regeling kan inhouden dat de beslissing wordt opgedragen aan een ander orgaan of een derde. 2. Een statutaire regeling als bedoeld in lid 1 blijft buiten toepassing indien deze er niet toe leidt dat binnen een redelijke termijn een besluit tot stand komt. 3. Het bestuur bevordert zo veel mogelijk dat een toestand als bedoeld in lid 1 wordt voorkomen of hersteld. 2024 -219- No. 164 Afdeling 5 Het bestuur

  577. Artikel 136 1. De benoeming van bestuurders die niet in de akte van oprichting zijn aangewezen geschiedt door de algemene vergadering, voor zover de statuten niet anders bepalen. 2. Het orgaan dat of degene die de bestuurder heeft benoemd is te allen tijde bevoegd die bestuurder te schorsen of te ontslaan. De statuten kunnen deze bevoegdheid ook aan een ander orgaan toekennen. Ten aanzien van de bestuurders die in de akte van oprichting zijn aangewezen komen de in de eerste volzin omschreven bevoegdheden toe aan de algemene vergadering, tenzij uit de statuten anders voortvloeit. 3. Tenzij de statuten anders bepalen komt de bevoegdheid de bezoldiging van een bestuurder vast te stellen toe aan de algemene vergadering. 4. Een schorsing in de zin van dit artikel vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen. Artikel 137

  578. Artikel 136 is niet van toepassing ten aanzien van de uitvoerend bestuurders als zodanig indien in de statuten toepassing is gegeven aan artikel 18.

  579. Artikel 138 Degene die, zonder deel uit te maken van het bestuur, voor zekere tijd of onder zekere omstandigheden, al dan niet krachtens een voor de vennootschap geldende regeling, het beleid van de vennootschap bepaalt of mede bepaalt als ware hij bestuurder, wordt ter zake van dat optreden, voor wat zijn verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en van derden betreft alsmede voor de toepassing van artikel 9, als bestuurder aangemerkt. Afdeling 6 De aandeelhouder-bestuurde vennootschap

  580. Artikel 239 1. De statuten van een naamloze vennootschap kunnen bepalen dat de vennootschap een aandeelhouder- bestuurde vennootschap is. 2. Een besluit tot wijziging van de statuten waardoor een bepaling als bedoeld in lid 1 wordt ingevoerd, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders en alle stemgerechtigden. 3. De naam van een aandeelhouder-bestuurde vennootschap vangt aan of eindigt met de woorden aandeelhouder-bestuurde vennootschap, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot ‘A.N.V’ of ‘ANV’, een en ander in afwijking van artikel 102 lid 1, tweede volzin. 4. De bepalingen van de voorafgaande afdelingen zijn van toepassing, voor zover daarvan in deze afdeling niet wordt afgeweken.

  581. Artikel 240 1. Voor zover het tegendeel niet uit de volgende leden van dit artikel voortvloeit gelden alle aandeelhouders als bestuurder. Alleen aandeelhouders kunnen bestuurder zijn. 2. Geen bestuurder is: a. de houder van aandelen waaraan, afgezien van hetgeen voortvloeit uit dwingend recht en eventueel aan hem toekomend vergaderrecht, slechts uitkeringsrechten zijn verbonden; 2024 -220- No. 164 b. degene die door overgang van aandelen van rechtswege aandeelhouder is geworden, tenzij door de overgang het bestuur geheel zou komen te ontbreken of, wanneer dat niet het geval is, het bestuur na de overgang met instemming van de betrokken aandeelhouder besluit dat deze als bestuurder heeft te gelden; zolang de aandeelhouder geen bestuurder is, wordt hij aangemerkt als een aandeelhouder in de zin van het hiervoor onder a bepaalde; c. de vennootschap die eigen aandelen houdt en de directe of indirecte dochtermaatschappij die aandelen in de vennootschap houdt. 3. Een overdracht van aandelen die niet de instemming heeft van alle bestuurders, is ongeldig. 4. Een verplichting tot aanbieding en overdracht van al zijn aandelen als omschreven in artikel 257 rust van rechtswege op de in lid 2 onder b, eerste zinsnede bedoelde aandeelhouder, tenzij de statuten anders bepalen. De vordering tot overdracht komt uitsluitend toe aan de medeaandeelhouders die bestuurder zijn. 5. Bij de toepassing van artikel 127 lid 3, worden aandeelhouders, die geen bestuurder zijn, buiten beschouwing gelaten.

  582. Artikel 241 1. Onverminderd de telkens van kracht zijnde regels voor de besluitvorming, geldt iedere vergadering van aandeelhouders tevens als bestuursvergadering en iedere bestuursvergadering tevens als vergadering van aandeelhouders. 2. Iedere bestuurder is bevoegd tot het bijeenroepen van een vergadering. Ieder aandeel geeft recht op één stem ten aanzien van alle onderwerpen. Kennen de statuten aandelen met een nominale waarde dan is die nominale waarde voor al die aandelen dezelfde. Stemrecht kan niet bestaan los van een meer omvattend recht van aandeel. 3. Het vergaderrecht komt toe aan iedere bestuurder. Bij of krachtens de statuten kan vergaderrecht ook worden toegekend aan andere personen, de aandeelhouders bedoeld in artikel 240 lid 2 onder a en b daaronder begrepen. Daarbij kan het in artikel 241a leden 1 en 3 bedoelde instemmingsrecht worden uitgesloten. 4. Artikel 128 lid 2, artikel 129 leden 2 en 3 en de artikelen 130, 131, 132 en 135 zijn niet van toepassing. 5. Bij het bijeenroepen van een vergadering wordt een redelijke termijn in acht genomen. Nadere procedurele voorschriften kunnen bij of krachtens de statuten worden vastgesteld.

  583. Artikel 241a 1. Een besluit dat heeft te gelden als een besluit van een vergadering als bedoeld in artikel 241 lid 1, kan ook tot stand komen door stemuitbrenging buiten vergadering, mits alle vergadergerechtigden met de gekozen wijze van besluitvorming instemmen. 2. Artikel 133 is van overeenkomstige toepassing. 3. Ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen geldt tevens als vaststelling door de algemene vergadering, mits alle vergadergerechtigden in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de opgemaakte jaarrekening en met deze wijze van goedkeuring instemmen.

  584. Artikel 242 1. Lid 2 van artikel 12 en de artikelen 18 en 136 zijn niet van toepassing. 2. Een aandeelhouder, die bestuurder is, kan als bestuurder worden geschorst door de algemene vergadering, tenzij uit de statuten iets anders voortvloeit. Zolang de schorsing voortduurt, heeft de aandeelhouder, naast zijn naar dwingend recht toegekende rechten, geen andere rechten dan uitkeringsrechten. 2024 -221- No. 164 3. Ten aanzien van de als bestuurder geschorste aandeelhouder zijn de artikelen 251 lid 1 en 252 van overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in lid 2 van artikel 251 is niet van toepassing. De in lid 5 van artikel 252 bedoelde vordering kan alleen worden ingesteld tegen de aandeelhouders die aan het schorsingsbesluit hebben meegewerkt. 4. De vordering tot uittreding vervalt zes maanden na het einde van de dag waarop de betrokkene van het besluit tot schorsing kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Deze vervaltermijn kan door de betrokkene bij een binnen die termijn aan de rechtspersoon gedaan exploot met een termijn van maximaal zes maanden worden verlengd. 5. Instelling van de vordering tot uittreding laat de mogelijkheid tot het instellen van een vordering op de voet van artikel 21 onverlet. Titel 7 Uitkoop, uittreding en gedwongen overdracht Afdeling 1 Uitkoop

  585. Artikel 250 1. Degene die voor eigen rekening aandelen houdt die ten minste 95% van het eigen vermogen van een naamloze vennootschap vertegenwoordigen, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan de eiser. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen samen het vereiste aantal aandelen houden en samen de vordering instellen tot overdracht aan een hunner. 2. In de statuten kan het percentage genoemd in lid 1 worden verlaagd, mits dit niet lager wordt gesteld dan 90. 3. Indien tegen een of meer gedaagden verstek is verleend, onderzoekt de rechter ambtshalve of aan de vereisten van lid 1 of lid 2 is voldaan. 4. De rechter wijst de vordering tegen alle gedaagden af, indien een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht of een eiser jegens een gedaagde afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen. Voor zover de statuten niet anders bepalen wijst de rechter de vordering tegen alle gedaagden ook af indien een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden. 5. Indien de rechter oordeelt dat de leden 1 tot en met 4 de toewijzing van de vordering niet beletten, kan hij bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. Hij kan bepalen dat de eiser zekerheid moet stellen voor de met het deskundigenrapport gemoeide kosten. Artikel 121 lid 4 is van overeenkomstige toepassing. De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, van die dag af tot de overdracht; uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, strekken op de dag van betaalbaarstelling tot gedeeltelijke betaling van de prijs. 6. De rechter die de vordering toewijst, veroordeelt de overnemer aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren de vastgestelde prijs met rente te betalen tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen. De rechter geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij meent dat behoort. Een gedaagde die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten. 7. Staat het bevel tot overdracht bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van overdracht en betaling en de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen van wie hij het adres kent. Tenzij hij van allen het adres kent, kondigt hij deze ook aan in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en een in Suriname verschijnend dagblad. 2024 -222- No. 164 8. De overnemer die aan zijn verplichtingen uit lid 7 heeft voldaan kan, indien een houder van over te nemen aandelen niet op de medegedeelde dag of uiterlijk binnen zes maanden daarna aan de overdracht meewerkt, zich van zijn verplichtingen ingevolge lid 6 bevrijden door de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren, onder mededeling van hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen. Door deze mededeling gaat beslag over van de aandelen op het recht op uitkering. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard op hem over en gaan rechten van pand of vruchtgebruik over op het recht op uitkering. Aan aandeel- en dividendbewijzen waarop na de overgang uitkeringen betaalbaar zijn gesteld, kan nadien geen recht jegens de vennootschap meer worden ontleend. De overnemer maakt het consigneren en de prijs per aandeel op dat tijdstip bekend op de wijze van lid 7. 9. Uitkering van geconsigneerde gelden geschiedt door de consignatiehouder met aftrek van administratiekosten. De hoogte van de administratiekosten worden bij staatsbesluit vastgesteld. Afdeling 2 Uittreding

  586. Artikel 251 1. De houder van aandelen, die door gedragingen van de vennootschap dan wel van een of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan tegen de vennootschap een vordering tot uittreding instellen, inhoudende dat deze zijn aandelen tegen contante betaling overneemt. 2. De eiser is niet ontvankelijk indien niet blijkt dat hij ten minste vier weken voor het aanhangig maken van de vordering zijn bezwaren schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan het bestuur van de vennootschap. 3. Het bestuur van de vennootschap doet onmiddellijk schriftelijk mededeling van de kenbaar gemaakte bezwaren en van het instellen van de vordering aan de commissarissen en de medeaandeelhouders. 4. Bij toewijzing van de vordering benoemt de rechter een of meer deskundigen die schriftelijk bericht moeten uitbrengen over de aan de eiser te betalen prijs, binnen een door de rechter te bepalen termijn. De artikelen 173 tot en met 174d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van toepassing, voor zover daarvan in dit artikel en artikel 252 niet wordt afgeweken. De rechter kan bepalen dat de eiser zekerheid moet stellen voor de met het deskundigenrapport gemoeide kosten.

  587. Artikel 121 lid 4 is van overeenkomstige toepassing. 5. Een statutaire of overeengekomen regeling die aan overname van de aandelen door de vennootschap in de weg zou staan wordt in zoverre voor ongeschreven gehouden. 6. Op gezamenlijk verzoek van partijen kan de rechter die de vordering toewijst benoeming van deskundigen achterwege laten. 7. De vordering tot uittreding kan slechts met instemming van de wederpartij worden ingetrokken. Een vordering tot oproeping in vrijwaring, voeging of tussenkomst wordt niet toegelaten. 8. Zolang niet onherroepelijk is beslist op de vordering tot uittreding, kan de eiser zijn aandelen niet vervreemden, dan wel daarop een pandrecht of recht van vruchtgebruik vestigen, zonder schriftelijke toestemming van de vennootschap of, bij gebreke daarvan, van de rechter. 9. Instelling van een vordering tot uittreding laat een vordering tot vergoeding van bijkomende schade of een andere vordering, die samenhangt met de aangevoerde gedragingen, onverlet. 2024 -223- No. 164

  588. Artikel 252 1. De krachtens lid 4 van artikel 251 benoemde deskundigen gaan uit van de waarde van de vennootschap op het tijdstip van de toewijzing van de vordering tot uittreding. In hun bericht vermelden zij in hoeverre rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van de overname voor de eiser, de vennootschap en de medeaandeelhouders en met de bedrijfseconomische gevolgen van de overdracht voor de vennootschap. Bevatten de statuten of een overeenkomst tussen partijen een prijsbepaling regeling, die naar het oordeel van een der partijen relevant is, dan wordt vermeld in hoeverre daarvan is afgeweken. 2. Nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht bepaalt de rechter, na oproeping van partijen en deskundigen, het aan de eiser te betalen bedrag. Daarbij wordt desverzocht rekening gehouden met de in lid 1, tweede en derde volzin, genoemde factoren voor zover deze relevant worden geoordeeld en dit in het gegeven geval niet tot onredelijke gevolgen leidt. 3. In aansluiting op de in lid 2 bedoelde beslissing bepaalt de rechter dat de aandelen zullen worden overgedragen op de wijze als in lid 4 voorzien. Daarbij wijst hij een notaris aan met het oog op de toepassing van lid 4. Hij veroordeelt de vennootschap tot betaling van het door hem vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van de toewijzing van de vordering tot uittreding en de door hem vastgestelde kosten, die van de deskundigen en de notaris daaronder begrepen, in handen van de aangewezen notaris. Aan deze veroordeling kan hij een dwangsom ten behoeve van de eiser verbinden. Vruchten die aan de aandelen zijn opgekomen sedert het tijdstip van de toewijzing van de vordering tot uittreding vervallen aan de vennootschap. Alvorens te beslissen hoort de rechter de aan te wijzen notaris, indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat. 4. Tenzij partijen onverwijld eenstemmig aan de notaris te kennen geven dat zij alsnog voor een andere oplossing kiezen, geldt als akte van overdracht een door de notaris na de ontvangst van het door de vennootschap verschuldigde met bekwame spoed opgemaakt proces-verbaal, waarin de beslissing van de rechter wordt geconstateerd. De notaris neemt in die akte zodanige toevoegingen en verduidelijkingen op als hij in het belang van het rechtsverkeer nodig acht. Na het verlijden van de akte keert de notaris het door hem ontvangen bedrag na aftrek van de door de rechter vastgestelde kosten aan de eiser uit. Een afschrift van de akte wordt door de notaris aan de vennootschap en de eiser toegezonden. 5. De vordering tot uittreding kan ook worden ingesteld tegen een of meer van de medeaandeelhouders die zich afzonderlijk of samen met de vennootschap of andere medeaandeelhouders schuldig hebben gemaakt aan gedragingen als in artikel 251 lid 1 omschreven. De ingevolge artikel 9 bevoegde rechter kan ook in dit geval kennisnemen van een samenhangende vordering als bedoeld in artikel 251 lid 9. De vennootschap wordt in elk geval mede in het geding geroepen. Bij de toepassing van lid 3, eerste volzin, bepaalt de rechter aan wie, en zo nodig in welke verhouding, de aandelen zullen worden overgedragen. 6. Een vordering als bedoeld in lid 5 wordt afgewezen indien en voor zover toewijzing in het gegeven geval zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van een statutaire regeling als bedoeld in artikel 111 lid 1 of een soortgelijke overeengekomen regeling. 7. Het bepaalde in lid 7 van artikel 251 is ook gedurende de periode dat uitvoering wordt gegeven aan artikel 252 van toepassing. Gedurende die periode is ook het bepaalde in lid 8 van artikel 251 van toepassing, behoudens overdracht overeenkomstig lid 4 van artikel 252. 2024 -224- No. 164

  589. Artikel 253 1. Indien in de algemene vergadering door handelingen of gebeurtenissen die een aandeelhouder redelijkerwijs niet heeft kunnen verhinderen een zodanige meerderheid is ontstaan dat een medeaandeelhouder, alleen of samen met een groepsmaatschappij van de medeaandeelhouder, of krachtens een overeenkomst met andere stemgerechtigden, meer dan de helft van de bestuurders, leden van het algemeen bestuur in de zin van artikel 18 of commissarissen kan benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen, kan die aandeelhouder tegen de vennootschap een vordering tot uittreding als omschreven in de artikelen 251 en 252 instellen. De vordering kan ook worden ingesteld tegen de medeaandeelhouder, de groepsmaatschappij of de andere in dit lid bedoelde stemgerechtigden. De vennootschap wordt in elk geval mede in het geding geroepen. 2. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt zes maanden na het einde van de dag waarop de aandeelhouder kennis heeft genomen van het ontstaan van een meerderheid als bedoeld in lid 1 of daarvan is verwittigd.

  590. Artikel 254 1. De in de artikelen 251 en 252 bedoelde vordering tot uittreding komt ook toe aan: a. de aandeelhouder die als zodanig niet of niet langer voldoet aan in de statuten gestelde eisen, bedoeld in artikel 108a lid 1 onder b, en dientengevolge een of meer van de aan zijn aandeel verbonden rechten niet kan uitoefenen; b. de aandeelhouder die aan de vennootschap en zijn medeaandeelhouders schriftelijk heeft medegedeeld dat hij zijn aandelen wil vervreemden tegen daarbij genoemde voorwaarden en dat voornemen niet ten uitvoer kan leggen door de werking van een statutaire blokkeringsregeling in de zin van artikel 111 of een statutaire regeling als bedoeld in de artikel 108a, indien de regeling de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt; c. de aandeelhouder wiens rechtspositie in de vennootschap ten gevolge van een statutenwijziging ernstig wordt aangetast. 2. In de gevallen bedoeld in lid 1, is lid 5 van artikel 252 niet van toepassing. 3. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt zes maanden na het einde van de dag waarop de aandeelhouder is komen te verkeren in een situatie als bedoeld in lid 1 onder a, de in lid 1 onder b bedoelde schriftelijke mededeling door de vennootschap is ontvangen of ten aanzien van de onder c bedoelde statutenwijziging aan een van de in artikel 21 lid 4, omschreven voorwaarden is voldaan.

  591. Artikel 255 1. In iedere stand van een geding op de voet van de artikelen 251, 252, 253 of 254, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een voorziening als bedoeld in artikel 276 lid 4 treffen, indien het belang van de vennootschap of van een andere in artikel 7 lid 1, bedoelde persoon dit eist. 2. Van overeenkomstige toepassing zijn de eerste volzin van lid 3 van artikel 276 en de leden 5 tot en met 8 van artikel 276.

  592. Artikel 256 Een vordering tot uittreding als bedoeld in de artikelen 251 tot en met 254 kan niet worden ingesteld ter zake van aandelen die worden verhandeld op een beurs. 2024 -225- No. 164 Afdeling 3 Gedwongen overdracht

  593. Artikel 257 De statuten kunnen bepalen dat in gevallen, in de statuten omschreven, de aandeelhouder gehouden is zijn aandelen of een deel daarvan aan de vennootschap dan wel aan een of meer medeaandeelhouders aan te bieden en over te dragen tegen voorwaarden, zoals deze bij de statuten zijn bepaald of krachtens de statuten door onafhankelijke deskundigen zullen worden vastgesteld, een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 108a. Titel 8 Het recht van enquête Artikel 270 De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de in artikel 1 lid 1, genoemde rechtspersonen.

  594. Artikel 271 1. Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens artikel 272 daartoe bevoegd zijn kan de kantonrechter een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij de rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een bepaald gedeelte of gedurende een bepaald tijdvak. 2. Onder het beleid en de gang van zaken bij de rechtspersoon zijn mede begrepen het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap waarvan de rechtspersoon volledig aansprakelijke vennoot is. 3. Desgevraagd kan de kantonrechter bepalen dat het onderzoek zich mede uitstrekt tot het beleid en de gang van zaken bij een nauw verbonden rechtspersoon, mits deze als belanghebbende is opgeroepen. 4. Waar in deze titel wordt gesproken van een commissaris wordt daaronder mede begrepen een lid van het toezichthoudend orgaan. 5. Tegen een beschikking op de voet van dit artikel 271 kan onmiddellijk nadat deze is gegeven hoger beroep worden ingesteld.

  595. Artikel 272 1. Tot het indienen van het verzoek als bedoeld in artikel 271 zijn bevoegd: a. indien het betreft een stichting waaraan op enig tijdstip binnen een periode van drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet heeft toebehoord: iedere belanghebbende. b. indien het betreft een vereniging waaraan op enig tijdstip binnen de onder a bedoelde periode een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet heeft toebehoord, dan wel een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij: zoveel leden als ten minste een tiende gedeelte van het ledental uitmaken; c. indien het betreft een naamloze vennootschap: een of meer aandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste een tiende van het eigen vermogen vertegenwoordigen of ten minste een tiende van het aantal stemmen ten aanzien van alle onderwerpen kunnen uitbrengen. 2. Tot het indienen van een verzoek zijn steeds bevoegd: a. het openbaar ministerie om redenen van openbaar belang, alsmede op de grond dat een belanghebbende op dringende gronden een verzoek daartoe tot het openbaar ministerie heeft gericht; 2024 -226- No. 164 b. de curator in geval van faillissement van de rechtspersoon of ontbinding op de voet van artikel 24; c. de vereffenaar in andere gevallen van ontbinding van de rechtspersoon; d. degene aan wie daartoe bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de bevoegdheid is gegeven. e. de rechtspersoon zelf 3. Ter voorbereiding van een door het openbaar ministerie in te dienen verzoek kan het openbaar ministerie een of meer deskundige personen belasten met het inwinnen van inlichtingen over het beleid en de gang van zaken bij de rechtspersoon. De rechtspersoon is verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te geven aan de deskundigen. 4. Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde aantallen is artikel 23 niet van toepassing.

  596. Artikel 273 1. Met uitzondering van de gevallen waarin de rechtspersoon zelf, de vereffenaar of de curator als verzoeker optreedt, zijn de verzoekers niet ontvankelijk indien niet blijkt dat zij tevoren schriftelijk hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken hebben kenbaar gemaakt aan het bestuur en, zo dat er is, het toezichthoudend orgaan, en sindsdien een zodanige termijn is verlopen dat de rechtspersoon redelijkerwijze voldoende gelegenheid heeft gehad deze bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. 2. Een op de voet van enige bepaling in deze titel door de rechtspersoon zelf in te dienen verzoek kan slechts worden gedaan krachtens een besluit van het bestuur of, zo dat er is, het toezichthoudend orgaan. Daarbij of in een later stadium kan door hetzelfde orgaan ter zake van de aan te spannen of aangespannen procedure een bijzondere vertegenwoordiger worden aangewezen. 3. Van het voornemen om een verzoek als bedoeld in lid 2 te doen en, indien aan dat voornemen uitvoering wordt gegeven, van de indiening daarvan, stelt het betrokken orgaan het andere in lid 2 genoemde orgaan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het bepaalde in artikel 10 leden 4 en 5 en het bepaalde in artikel 11, is niet van toepassing. 4. Lid 1 is niet van toepassing indien de rechtspersoon op het tijdstip van indiening van het verzoek in staat van faillissement verkeert. 5. Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen. De indiening kan geschieden, in afwijking van het bepaalde in artikel 429h lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tot een door de kantonrechter bepaald tijdstip voorafgaand aan de behandeling ter zitting. Indien de kantonrechter dat toestaat kan indiening ook later geschieden.

  597. Artikel 274 1. De kantonrechter behandelt het verzoek met de meeste spoed. Het wijst het verzoek slechts toe wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of aan een juiste gang van zaken te twijfelen. 2. Indien de kantonrechter het verzoek afwijst, en daarbij beslist dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, kan de kantonrechter op verzoek van de rechtspersoon aan deze een ten laste van de verzoekers tot enquête komende vergoeding toekennen ter zake van de directe kosten waartoe het verzoek tot enquête en de eventueel ingevolge artikel 276 getroffen voorlopige voorzieningen aanleiding hebben gegeven, voor zover deze kosten voor rekening van de rechtspersoon zijn gekomen, zulks onverminderd een eventueel door de rechtspersoon op de gewone wijze bij de burgerlijke rechter in te stellen vordering tot schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn. De in dit lid bedoelde kostenvergoeding wordt door de kantonrechter naar redelijkheid en billijkheid begroot. 2024 -227- No. 164 3. Wordt het verzoek toegewezen dan benoemt de kantonrechter een of meer onderzoekers. Daarbij stelt de kantonrechter het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten, daaronder begrepen de vergoeding van de onderzoekers en de te verwachten bijkomende kosten die in redelijkheid niet voor hun rekening behoren te blijven. De kantonrechter kan, hangende het onderzoek, dit bedrag op verzoek van de onderzoekers verhogen. De kantonrechter kan bepalen dat de rechtspersoon of de verzoekers tot enquête voor de betaling van het bedrag zekerheid moeten stellen. 4. Op verzoek van de verzoekers tot enquête, de rechtspersoon, elk van de onderzoekers of ambtshalve, kan de kantonrechter te allen tijde de onderzoekers of een of meer van hen van hun taak ontheffen, een of meer andere onderzoekers benoemen en de duur van het onderzoek of het tijdvak waarop deze betrekking heeft wijzigen.

  598. Artikel 275 1. De kantonrechter kan de onderzoekers aanwijzingen verstrekken met betrekking tot de wijze waarop zij hun onderzoek en hun verslag daarvan inrichten. Belanghebbenden kunnen zich te allen tijde tot de kantonrechter wenden met het verzoek de onderzoekers bepaalde aanwijzingen te geven. 2. De in lid 1 bedoelde aanwijzingen kunnen inhouden dat de onderzoekers tussentijds aan de kantonrechter rapporteren. Geschiedt de tussentijdse rapportage schriftelijk, dan zijn de artikelen 279 en 280 van overeenkomstige toepassing, indien en voor zover de kantonrechter zulks beslist. 3. De in lid 1 bedoelde aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de onderzoekers een poging tot bemiddeling doen. 4. Tegen beslissingen van de kantonrechter uit hoofde van dit artikel staat geen hoger beroep open.

  599. Artikel 276 1. In iedere stand van het geding kan de kantonrechter een door de verzoeker genoemde voorlopige voorziening als bedoeld in lid 4 treffen op verzoek van: a. een of meer van de verzoekers tot enquête indien het belang van die verzoekers of de rechtspersoon dit eist; b. de onderzoekers, indien het belang van het onderzoek of van de rechtspersoon dit eist; c. op verzoek van de rechtspersoon indien diens belang dit eist; d. op verzoek van het openbaar ministerie op een grond als omschreven in artikel 272 lid 2 onder a. 2. Is nog geen onderzoek gelast, dan wordt een voorlopige voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen. Alvorens te beslissen kan de kantonrechter desverzocht of ambtshalve getuigen en deskundigen horen. 3. De voorziening kan in iedere stand van het geding op verzoek van een belanghebbende of de onderzoekers worden opgeheven, verlengd, gewijzigd of vervangen. Zij vervalt op het door de kantonrechter bepaalde tijdstip en in elk geval op het tijdstip dat een beslissing tot afwijzing van het verzoek tot enquête onherroepelijk is geworden. Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek tot enquête vervalt de voorziening in elk geval door verloop van twee maanden na aanvang van de dag waarop de in artikel 279 voorziene nederlegging van het verslag heeft plaatsgehad, tenzij voordien een verzoek om verlenging als bedoeld in artikel 283, onder a, is gedaan. In dat geval beslist de kantonrechter met de meeste spoed over de gevraagde verlenging. 4. De voorziening kan inhouden: a. schorsing van de werking van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon, dan wel een bevel om een besluit geheel of ten dele in te trekken, de uitvoering daarvan geheel of ten dele op te schorten of de gevolgen daarvan geheel of ten dele ongedaan te maken; b. schorsing van een of meer bestuurders of commissarissen; c. tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen, met of zonder toekenning van een ten laste van de rechtspersoon komende beloning; d. tijdelijke afwijking van daarbij aangegeven bepalingen van de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement; 2024 -228- No. 164 e. tijdelijke ontneming van stemrecht; f. tijdelijke overgang van aandelen ten titel van beheer; g. een tot de rechtspersoon of andere persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1, gericht bevel om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. 5. Een voorziening kan door derden te goeder trouw verworven rechten niet aantasten. Dreigt aantasting, dan wordt de betrokken derde als belanghebbende in het geding geroepen of op zijn verzoek toegelaten. De kantonrechter kan, na behoorlijke oproeping en zo mogelijk het horen van de derde, bepalen dat een te geven voorziening toch tegen die derde werkt, mits binnen een daarbij door de kantonrechter te bepalen termijn de door de derde in verband daarmee te lijden schade, zoals deze voorlopig wordt begroot door de kantonrechter, wordt vergoed of daarvoor zekerheid wordt gesteld, dan wel bepalen dat naar zijn voorlopig oordeel een geval als bedoeld in de eerste zin zich niet voordoet. De twee vorige zinnen zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de voorziening al gegeven is en de aantasting dreigt of reeds heeft plaatsgevonden, zulks onverminderd toepassing van de eerste zin van lid 3. 6. De kantonrechter regelt zo nodig de gevolgen van de getroffen voorziening. 7. Wordt een bevel als bedoeld in lid 4, onder g, niet opgevolgd dan kan de kantonrechter op verzoek van degene die het bevel heeft verzocht een dwangsom opleggen. In afwijking van artikel 611c, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de dwangsom verbeurd ten behoeve van de rechtspersoon dan wel van degene die krachtens lid 1 de voorziening heeft verzocht, al naar gelang de kantonrechter bepaalt. De artikelen 611a tot en met 611i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn voor het overige van toepassing. 8. Tegen een beschikking op de voet van dit artikel 276 kan onmiddellijk nadat deze is gegeven hoger beroep worden ingesteld.

  600. Artikel 277 1. De bestuurders, commissarissen en werknemers van de rechtspersoon, de voormalige bestuurders, commissarissen en werknemers daaronder begrepen, alsmede de in artikel 7 lid 1 genoemde personen, zijn gehouden aan het onderzoek alle vereiste medewerking te verlenen. 2. Alle naar het oordeel van de onderzoekers relevante boeken, bescheiden en verdere gegevensdragers moeten aan hen ter inzage of in afschrift worden gegeven en alle bezittingen van de rechtspersoon moeten desgevraagd aan hen worden getoond. 3. Ter zake van de verplichtingen in de leden 1 en 2 is de kantonrechter bevoegd op verzoek van de onderzoeker of de rechtspersoon de hem geraden voorkomende bevelen te geven. 4. De in lid 3 bedoelde bevelen kunnen inhouden de opdracht aan de openbare macht om voor zoveel nodig bijstand te verlenen en de last om een woning binnen te treden, wanneer de plaats waar de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de bezittingen zich bevinden, een woning is, of alleen door een woning toegankelijk. De woning wordt niet tegen de wil van de bewoner binnengetreden dan na vertoon van de last van de kantonrechter. 5. Artikel 276 lid 7 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een dwangsom slechts kan worden opgelegd op verzoek van de onderzoeker, en slechts kan worden verbeurd ten behoeve van de rechtspersoon en niet ter zake van een tot de rechtspersoon gericht bevel. 6. Het is de onderzoekers verboden hetgeen hun bij het onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt.

  601. Artikel 278 Op verzoek van de onderzoekers kan de kantonrechter getuigen en deskundigen horen. De artikelen 220, 224 en 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van toepassing. De onderzoekers zijn bevoegd bij het verhoor aanwezig te zijn en aan de gehoorde personen vragen te stellen. 2024 -229- No. 164

  602. Artikel 279 1. De onderzoekers leggen hun bevindingen vast in een door hen ondertekend verslag. Het verslag wordt ter griffie van de kantonrechter neergelegd en in afschrift verstrekt aan de rechtspersoon, de verzoekers tot enquête en de in artikel 272 lid 2 onder a bedoelde belanghebbende. 2. Uit het verslag moet blijken dat de inhoud daarvan aan de leden van het toenmalige en het ten tijde van het onderzoek functionerende bestuur en, zo daarvan sprake is, van het toenmalige en ten tijde van het onderzoek functionerende toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon in concept is voorgelegd, tot welke opmerkingen van die zijde dit heeft geleid en tot welke aanpassingen dit aanleiding heeft gegeven. Zoveel mogelijk wordt gemotiveerd waarom suggesties tot aanpassing niet zijn overgenomen, indien daarvan sprake is. 3. Het lid 2 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot alle personen die in het verslag worden genoemd als personen die hebben bijgedragen tot de daarin geconstateerde onjuiste gang van zaken of het daarin geconstateerde onjuiste beleid, met dien verstande dat aan hen alleen de op hen betrekking hebbende passages in concept behoeven te worden voorgelegd. 4. Het is eenieder verboden om aan derden mededelingen te doen uit de inhoud van het concept verslag of delen daarvan die hem ter voldoening aan het bepaalde in de leden 2 of 3 van dit artikel zijn voorgelegd, onverminderd ieders verplichtingen uit de wet. 5. De kantonrechter kan bepalen dat het verslag geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor door hem aan te wijzen personen of voor eenieder. 6. De onderzoekers zijn niet aansprakelijk voor schade die het gevolg is van hun optreden als zodanig of van het verslag van de uitkomst van het onderzoek, tenzij zij bij dat optreden, dan wel met betrekking tot de in het verslag neergelegde bevindingen, met kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt hebben gehandeld.

  603. Artikel 280 1. Ten spoedigste na de nederlegging van het verslag geeft de griffier daarvan kennis aan de verzoekers tot enquête en de rechtspersoon. 2. Indien de kantonrechter dit beveelt, draagt de griffier zorg voor de bekendmaking van de nederlegging en het in artikel 279 lid 5 bedoelde inzagerecht in het van overheidswege uitgegeven blad waarin de officiële berichten worden geplaatst, alsmede in een in Suriname verschijnend nieuwsblad. De kosten hiervan komen ten laste van de rechtspersoon.

  604. Artikel 281 1. Na de nederlegging van het verslag stelt de kantonrechter, op basis van een opgave van de onderzoekers, het bedrag vast dat aan de onderzoekers als kosten van het onderzoek moet worden betaald. Dit bedrag komt ten laste van de rechtspersoon. 2. Indien uit het verslag blijkt dat het verzoek tot enquête niet op redelijke grond is gedaan is ten aanzien van dit bedrag artikel 274 lid 2 van overeenkomstige toepassing. 3. Het hiervoor in lid 2 bepaalde laat onverlet de mogelijkheid van verhaal van deze en andere kosten of van verdere schade op een bestuurder, commissaris of andere derde, indien daartoe gronden zijn.

  605. Artikel 282 1. Indien naar het oordeel van de kantonrechter uit het verslag blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid, kan de kantonrechter dat vaststellen op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 279 lid 1. 2. Het verzoek moet worden gedaan binnen twee maanden na nederlegging van het verslag. De kantonrechter behandelt het verzoek met de meeste spoed. 2024 -230- No. 164 3. Indien de kantonrechter vaststelt dat sprake is geweest van wanbeleid kan het een of meer van de in artikel 283 genoemde voorzieningen treffen, indien daarom is verzocht en de kantonrechter deze op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht. 4. Indien daartoe naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding is, kan de kantonrechter bevelen dat een nader onderzoek wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde onderwerpen of een bepaalde nader aan te duiden periode. De uitspraak op het verzoek ingevolge lid 1 wordt in dat geval aangehouden. De voorgaande artikelen van deze titel zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 5. De kantonrechter kan zijn uitspraak ten aanzien van de gevraagde voorzieningen voor een door de kantonrechter te bepalen termijn aanhouden, indien de rechtspersoon op zich neemt bepaalde maatregelen te treffen die een einde maken aan het geconstateerde wanbeleid of de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken.

  606. Artikel 283 De in artikel 282 lid 3 bedoelde voorzieningen zijn: a. de in artikel 276 lid 4 genoemde voorzieningen of, voor zover deze reeds op de voet van artikel 276 als voorlopige voorziening zijn getroffen en nog niet zijn vervallen, verlenging daarvan; b. vernietiging van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon; c. ontslag van een of meer bestuurders of commissarissen; d. ontbinding van de rechtspersoon; e. splitsing van de rechtspersoon overeenkomstig een bij het verzoek gevoegd, door of vanwege de verzoeker opgesteld voorstel in de zin van artikel 340 lid 2. De artikelen 335 tot en met 363 zijn voor het overige van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in de artikelen 345, 346, 351 en 354 aan de rechter toegedeelde taak wordt uitgeoefend door de kantonrechter.

  607. Artikel 284 1. Een voorziening als bedoeld in artikel 283, onder a, kan te allen tijde op verzoek van een belanghebbende worden opgeheven, verlengd, gewijzigd of vervangen. Zij vervalt op het door de kantonrechter bepaalde tijdstip en in elk geval nadat drie jaar zijn verstreken sedert de dag waarop zij is getroffen. 2. De kantonrechter regelt zo nodig de gevolgen van de getroffen voorziening. Op deze regeling is het bepaalde in lid 1 van overeenkomstige toepassing. Van overeenkomstige toepassing is ook het bepaalde in artikel 276 lid 5. 3. Een door de kantonrechter getroffen voorziening of regeling als bedoeld in lid 2 kan door de rechtspersoon niet ongedaan worden gemaakt. Een besluit daartoe is nietig. Artikel 285 De voorlopige tenuitvoerlegging van een beschikking als bedoeld in artikel 283, onder d en e, kan niet worden bevolen. Artikel 286 Tot het instellen van hoger beroep tegen een beschikking uit hoofde van deze titel is mede bevoegd de rechtspersoon, ongeacht of deze in de procedure is verschenen.

  608. Artikel 287 De vernietiging van een beschikking waarbij een persoon met een onderzoek is belast dan wel is aangesteld als bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen, heeft geen gevolgen voor de verschuldigdheid van de door de kantonrechter aan die persoon toegekende of toe te kennen vergoeding, onderscheidenlijk beloning. 2024 -231- No. 164 Titel 9 Omzetting, fusie en splitsing Afdeling 1 Omzetting

  609. Artikel 300 1. Een rechtspersoon kan zich met inachtneming van de volgende bepalingen omzetten in een andere rechtsvorm. 2. Voor omzetting is vereist een besluit tot omzetting en statutenwijziging, genomen met inachtneming van ten minste de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging. Zij komt tot stand bij notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing. 3. Omzetting van een stichting is alleen mogelijk indien de statuten toelaten dat alle bepalingen daarvan worden gewijzigd. 4. Voor de omzetting van of in een stichting en van een naamloze vennootschap in een vereniging is bovendien rechterlijke machtiging vereist. 5. In de gevallen waarin rechterlijke machtiging is vereist doet het bestuur van de om te zetten rechtspersoon mededeling van het voornemen tot omzetting en van de plaats en het tijdstip van de behandeling van het machtigingsverzoek in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en door aankondiging in een in Suriname verschijnend dagblad. 6. Slechts de rechtspersoon kan machtiging tot omzetting verzoeken. Daarbij moet worden overgelegd een bewijs dat aan de verplichtingen uit lid 5 is voldaan en een notarieel ontwerp van de akte. De machtiging wordt geweigerd indien een vereist besluit nietig is of indien een vordering tot vernietiging daarvan aanhangig is. Zij wordt voorts geweigerd indien de omzetting leidt tot ongerechtvaardigde bevoordeling of benadeling van een of meer personen, alsmede indien de belangen van stemgerechtigden die niet hebben ingestemd of van anderen, van wie ten minste iemand zich tot de rechter heeft gewend, onvoldoende zijn ontzien. De rechter kan voorwaarden aan het verlenen van de machtiging verbinden. Een voorwaarde kan zijn dat aan een of meer aandeelhouders schadevergoeding wordt betaald op de voet van artikel 302 lid 3. 7. Indien voor de omzetting machtiging van de rechter is vereist, verklaart de notaris aan de voet van de akte van omzetting dat de machtiging op het ontwerp van de akte is verleend en, voor zover toepasselijk, dat aan de daarbij gestelde voorwaarden is voldaan. 8. Bij omzetting van een stichting moet uit de akte van omzetting blijken welk vermogen de stichting heeft en hoe dit is samengesteld. Na de omzetting moet uit de statuten blijken dat het netto vermogen dat zij bij de omzetting had, niet door uitkeringen aan aandeelhouders of leden mag verminderen en niet door uitkeringen aan derden mag verminderen zonder toestemming van de rechter. 9. Bij de toepassing van artikel 24 wordt telkens naast "oprichting", "oprichtingshandeling", en "oprichtingsbalans" ook gelezen: omzetting, omzettingshandeling en omzettingsbalans. 10. Omzetting beëindigt het bestaan van de rechtspersoon niet.

  610. Artikel 301 1. Bij omzetting van een rechtspersoon in een naamloze vennootschap gelden, naast artikel 300, ook de volgende leden. 2. Door de omzetting worden van rechtswege aandeelhouder de leden of aandeelhouders in verhouding tot ieders recht. Wordt een stichting omgezet dan worden, krachtens in de akte van omzetting geregelde uitgifte, de in die akte genoemde personen aandeelhouder. De akte van omzetting wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht door die personen getekend. 3. Aan de akte van omzetting wordt een omzettingsbalans gehecht. Bij omzetting in een naamloze vennootschap mag het getoonde eigen vermogen niet negatief zijn. Heeft de vennootschap waarin de rechtspersoon wordt omgezet een nominaal kapitaal dan mag het eigen vermogen niet lager zijn dan dat nominaal kapitaal. 2024 -232- No. 164 4. De omzettingsbalans heeft betrekking op een tijdstip dat ten hoogste een maand voor de dag van de akte ligt. Zij wordt getekend door alle bestuurders en commissarissen. 5. Na de omzetting kunnen aandeelhouders, vruchtgebruikers en pandhouders de aan een aandeel verbonden rechten niet uitoefenen, zolang zij niet zijn ingeschreven in het in artikel 109 bedoelde register.

  611. Artikel 302 1. Wanneer een naamloze vennootschap zich omzet in een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, wordt iedere aandeelhouder lid, tenzij hij de schadevergoeding heeft gevraagd, bedoeld in lid 2. In de oproeping tot de vergadering waarin tot omzetting en statutenwijziging wordt besloten en de publicaties bedoeld in artikel 300 lid 5, wordt op deze mogelijkheid gewezen. 2. Binnen twee weken nadat het besluit tot omzetting en statutenwijziging is genomen kan iedere aandeelhouder die niet met het besluit heeft ingestemd, de vennootschap schriftelijk schadevergoeding vragen voor het verlies van zijn aandelen. Deze bevoegdheid komt niet toe aan de aandeelhouder die zich al op de voet van artikel 300 lid 6 tot de rechter heeft gewend en daarbij om schadevergoeding heeft gevraagd, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist. 3. Bij gebreke van overeenstemming wordt de schadevergoeding bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de rechter die over de in artikel 300 lid 4 bedoelde machtiging beslist. De kosten van de deskundigen zijn voor rekening van de vennootschap.

  612. Artikel 303 1. In plaats van een rechtspersoon in de zin van dit boek kan bij de toepassing van artikel 300 als zich omzettende rechtspersoon ook optreden een buitenlandse rechtspersoon, mits het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst zich niet tegen een zodanige omzetting en de modaliteiten daarvan verzet. Een verklaring van die strekking, afgelegd door een op dit rechtsgebied deskundige, wordt aan de akte van omzetting gehecht. De artikelen 301 en 302 zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 2. Voor de toepassing van artikel 300 lid 2, en voor het tijdstip van totstandkoming geldt dat de voor een zodanige omzetting geldende buitenlandse regels mede in aanmerking worden genomen. Rechterlijke machtiging is alleen vereist bij omzetting in een stichting.

  613. Artikel 304 1. Een naamloze vennootschap kan zich omzetten in een buitenlandse rechtspersoon mits dit ten gevolge heeft dat, volgens het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst, het bestaan van de vennootschap als rechtspersoon in de gekozen rechtsvorm wordt voortgezet. 2. Voor de omzetting is vereist een daartoe strekkend besluit van de vergadering van aandeelhouders, genomen op eenstemmig voorstel van het bestuur en met inachtneming van ten minste de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging. Vereist is voorts een notariële akte waarin het besluit tot omzetting wordt geconstateerd en waaraan is gehecht: a. een geschrift, afgegeven door een persoon of instantie die naar het recht van de buitenlandse rechtspersoon de bevoegdheid heeft een akte van omzetting in of oprichting van zo’n buitenlandse rechtspersoon tot stand te brengen, welk geschrift de statutaire of soortgelijke regels bevat die de buitenlandse rechtspersoon na de omzetting zullen beheersen; b. een verklaring dat, zodra alle formaliteiten zijn vervuld, ook aan de voorwaarde van lid 1 zal zijn voldaan, welke verklaring moet zijn afgegeven en getekend door de onder a bedoelde persoon of instantie of een andere deskundige op het rechtsgebied van de buitenlandse rechtspersoon; 3. De in lid 2 bedoelde notariële akte kan een opschortende voorwaarde voor het van kracht worden van de omzetting bevatten. 2024 -233- No. 164 4. Artikel 4 lid 1, is van overeenkomstige toepassing. Van artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing lid 1, de laatste volzin van lid 2 en lid 3, zulks met dien verstande dat in lid 1 de woorden "ingeschreven in het handelsregister" worden gelezen als "uitgeschreven uit het handelsregister". Bevat de akte van omzetting een opschortende voorwaarde als bedoeld in lid 3 dan hoeft aan het gestelde in de tweede volzin van artikel 5 lid 1, niet eerder dan zo spoedig mogelijk na het vervuld zijn van die voorwaarde te worden voldaan. Een opschortende voorwaarde waaraan niet voor of door de uitschrijving uit het handelsregister is voldaan, wordt geacht door die uitschrijving in vervulling te zijn gegaan. 5. Van de voorgenomen omzetting wordt door de zorg van de notaris niet eerder dan drie maanden en niet later dan vijf weken voor de dag van het verlijden van de akte van omzetting mededeling gedaan in een in Suriname verschijnend dagblad en, zoveel mogelijk gelijktijdig, in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst. In gevallen waarin het belang van de vennootschap dit bepaaldelijk vordert, kan hiervan worden afgeweken. Vindt afwijking plaats dan bevat de akte van omzetting een verklaring van alle bestuurders die ten tijde van het omzettingsbesluit in functie waren en, tenzij het gaat om een beursvennootschap, van alle stemgerechtigde aandeelhouders die niet tegen het voorstel tot omzetting hebben gestemd, waarin deze zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor alle schulden van de vennootschap die bestaan op het tijdstip van het verlijden van de akte van omzetting; behoudens het geval van kwade trouw vervalt deze aansprakelijkheid drie maanden na dat tijdstip en in elk geval een jaar na de aanvang van het voortgezette bestaan van de vennootschap in de gekozen rechtsvorm. Artikel 5 lid 3 is van overeenkomstige toepassing. 6. De omzetting is onaantastbaar zodra de in lid 4 bedoelde uitschrijving uit het handelsregister heeft plaatsgevonden. Mocht nadien blijken dat aan de voorwaarde van lid 1 niet is voldaan dan wordt de omzetting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

  614. Artikel 305 1. Tot een maand nadat de laatste van de twee in lid 5 van artikel 304 bedoelde mededelingen is verschenen, kan iedere schuldeiser of contractuele wederpartij van de zich in een buitenlandse rechtspersoon omzettende vennootschap, door een verzoekschrift bij de rechter van de statutaire zetel van de vennootschap, tegen de aangekondigde omzetting in verzet komen op de grond dat hij in zijn positie als crediteur of contractuele wederpartij wordt geschaad. Het verzoekschrift vermeldt welke zekerheid, waarborg, contractswijziging, ontbinding of schadevergoeding wordt verlangd. 2. Indien de rechter het verzet gegrond oordeelt bepaalt hij de door de vennootschap of een derde te stellen zekerheid of waarborg of te betalen schadevergoeding, dan wel de contractswijziging of - ontbinding die zal gelden wanneer de omzetting tot stand komt. Aan een contractswijziging of - ontbinding kan hij een per de datum van de omzetting, ingaande op de vennootschap rustende verplichting, tot schadevergoeding verbinden. 3. De in artikel 304 lid 2, bedoelde akte van omzetting mag niet worden verleden voordat het verzet is ingetrokken, de beslissing waarbij het verzet ongegrond is verklaard uitvoerbaar is of, bij gegrondverklaring, de vastgestelde waarborg of zekerheid is gesteld. 4. Indien de akte van omzetting al is verleden, kan de rechter, al dan niet op een ingesteld rechtsmiddel, het stellen van een door hem omschreven waarborg bevelen en daaraan een dwangsom verbinden.

  615. Artikel 306 1. Een stichting kan zich omzetten in een buitenlandse rechtspersoon met inachtneming van de volgende leden. 2. Van artikel 300 zijn de leden 3 tot en met 7 en de eerste volzin van lid 8 van overeenkomstige toepassing. 3. Voor de omzetting is vereist een daartoe strekkend eenstemmig besluit van het bestuur dat is genomen met inachtneming van ten minste de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging. Artikel 304 is voor het overige van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van lid 5. 2024 -234- No. 164 Afdeling 2 Algemene bepalingen omtrent fusie

  616. Artikel 309 Fusie is de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.

  617. Artikel 310 1. Rechtspersonen kunnen fuseren met rechtspersonen die dezelfde rechtsvorm hebben. 2. Wordt de verkrijgende rechtspersoon nieuw opgericht, dan moet hij de rechtsvorm hebben van de fuserende rechtspersonen. 3. Een verkrijgende rechtspersoon kan, ongeacht zijn rechtsvorm, fuseren met een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze vennootschap waarvan hij enig lid of aandeelhouder is. 4. Een ontbonden rechtspersoon mag niet fuseren, indien reeds uit hoofde van de vereffening een uitkering is gedaan. 5. Een rechtspersoon mag niet fuseren gedurende faillissement of surseance van betaling.

  618. Artikel 311 1. Met uitzondering van de verkrijgende rechtspersoon houden de fuserende rechtspersonen door het van kracht worden van de fusie op te bestaan. 2. De leden of aandeelhouders van de verdwijnende rechtspersonen worden door de fusie lid of aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon, uitgezonderd in de gevallen van de artikelen 310 lid 4, 333 of 334, of wanneer krachtens de ruilverhouding van de aandelen zelfs geen recht bestaat op een enkel aandeel.

  619. Artikel 312 1. De besturen van de te fuseren rechtspersonen stellen een voorstel tot fusie op. 2. Dit voorstel vermeldt ten minste: a. de rechtsvorm, naam en statutaire zetel van de te fuseren rechtspersonen; b. de statuten van de verkrijgende rechtspersoon zoals die luiden en zoals zij na de fusie zullen luiden of, indien de verkrijgende rechtspersoon nieuw wordt opgericht, het ontwerp van de akte van oprichting; c. welke rechten of vergoedingen ingevolge artikel 320 ten laste van de verkrijgende rechtspersoon worden toegekend aan degenen die anders dan als lid of aandeelhouder bijzondere rechten hebben jegens de verdwijnende rechtspersonen, zoals rechten op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, en met ingang van welk tijdstip; d. welke voordelen in verband met de fusie worden toegekend aan een bestuurder of commissaris van een te fuseren rechtspersoon of aan een ander die bij de fusie is betrokken; e. de voornemens over de samenstelling na de fusie van het bestuur en, als er een raad van commissarissen zal zijn, van die raad; f. voor elk van de verdwijnende rechtspersonen het tijdstip met ingang waarvan financiële gegevens zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersoon; g. de voorgenomen maatregelen in verband met de overgang van het lidmaatschap of aandeelhouderschap van de verdwijnende rechtspersonen; h. de voornemens omtrent voortzetting of beëindiging van werkzaamheden; i. wie in voorkomend geval het besluit tot fusie moeten goedkeuren. 2024 -235- No. 164 3. Het voorstel tot fusie wordt ondertekend door de bestuurders van elke te fuseren rechtspersoon; ontbreekt de handtekening van een of meer van hen, dan wordt daarvan onder opgave van de reden melding gemaakt.

  620. Artikel 313 1. In een schriftelijke toelichting geeft het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon de redenen voor de fusie met een uiteenzetting over de verwachte gevolgen voor de werkzaamheden en een toelichting uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt. 2. Indien het laatste boekjaar van de rechtspersoon, waarover een jaarrekening of andere financiële verantwoording is vastgesteld, meer dan zes maanden voor de nederlegging van het voorstel tot fusie is verstreken, maakt het bestuur een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling op. Deze heeft betrekking op de stand van het vermogen op ten vroegste de eerste dag van de derde maand voor de maand waarin zij wordt neergelegd. De vermogensopstelling wordt opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde jaarrekening of andere financiële verantwoording zijn toegepast, tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgeweken op de grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde. 3. In de gevallen van artikel 310 lid 3, is geen toelichting vereist voor de verdwijnende rechtspersoon, tenzij anderen dan de verkrijgende rechtspersoon een bijzonder recht jegens de verdwijnende rechtspersoon hebben, zoals een recht op uitkering van winst of tot het nemen van aandelen.

  621. Artikel 314 1. Elke te fuseren rechtspersoon legt ten kantore van het handelsregister neer: a. het voorstel tot fusie; b. de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen of andere financiële verantwoordingen van de te fuseren rechtspersonen, met de deskundigenverklaring daarbij, voor zover deze stukken ter inzage liggen of moeten liggen; c. de jaarverslagen van de te fuseren rechtspersonen over de laatste drie afgesloten jaren, voor zover deze ter openbare inzage liggen of moeten liggen; d. tussentijdse vermogensopstellingen of niet goedgekeurde jaarrekeningen, voor zover vereist ingevolge artikel 313 lid 2, en voor zover de jaarrekening van de rechtspersoon ter inzage moet liggen. 2. Tegelijkertijd legt het bestuur de stukken, met inbegrip van de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen en jaarverslagen die niet ter openbare inzage behoeven te liggen, samen met de toelichtingen van de besturen op het voorstel neer ten kantore van de rechtspersoon of, bij gebreke van een kantoor, aan de woonplaats van een bestuurder. De stukken liggen tot het tijdstip van de fusie, en op het adres van de verkrijgende rechtspersoon onderscheidenlijk van een bestuurder daarvan nog zes maanden nadien, ter inzage voor de leden of aandeelhouders, en voor hen die een bijzonder recht jegens de rechtspersoon hebben, zoals een recht op een uitkering van winst, tot het nemen van aandelen of tot het bijwonen van vergaderingen. In dit tijdvak kunnen zij kosteloos een afschrift daarvan krijgen. 3. De te fuseren rechtspersonen kondigen in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een in Suriname verschijnend dagblad aan dat de stukken zijn neergelegd, met opgave van de openbare registers waar zij liggen en van het adres waar zij krachtens lid 2 ter inzage liggen. Indien het besluit tot fusie moet worden goedgekeurd op de voet van artikel 317 lid 5, wordt mededeling gedaan van de plaats en het tijdstip van de behandeling van het goedkeuringsverzoek. 4. Indien de besturen van de te fuseren rechtspersonen het voorstel tot fusie wijzigen, zijn de leden 1 tot en met lid 3 van overeenkomstige toepassing. 5. Lid 2 is niet van toepassing op stichtingen. 2024 -236- No. 164

  622. Artikel 315 1. Het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon is verplicht de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over na het voorstel tot fusie gebleken belangrijke wijzigingen in de omstandigheden die, waren zij bekend geweest, de mededelingen in het voorstel tot fusie of in de toelichting zouden hebben beïnvloed. 2. Voor een stichting geldt deze verplichting jegens degenen die blijkens de statuten de fusie moeten goedkeuren.

  623. Artikel 316 1. Tot een maand nadat alle fuserende rechtspersonen de in lid 3 van artikel 314 bedoelde aankondiging hebben gedaan kan iedere schuldeiser of contractuele wederpartij van een van de fuserende vennootschappen, alsmede iedere bijzonder rechthebbende in de zin van artikel 320, door een verzoekschrift bij de rechter van de statutaire zetel van een verdwijnende of verkrijgende vennootschap, tegen de aangekondigde fusie in verzet komen op de grond dat hij in zijn positie als crediteur, contractuele wederpartij of bijzonder rechthebbende wordt geschaad. Het verzoekschrift vermeldt welke zekerheid, waarborg, contractswijziging, ontbinding of schadevergoeding wordt verlangd. 2. Indien de rechter het verzet gegrond oordeelt bepaalt hij de door de verkrijgende vennootschap of een derde te stellen zekerheid of waarborg of te betalen schadevergoeding, dan wel de contractswijziging of -ontbinding die zal gelden wanneer de fusie tot stand komt. Aan een contractswijziging of - ontbinding kan hij een per de datum van de fusie ingaande, op de verkrijgende vennootschap rustende verplichting tot schadevergoeding verbinden. 3. De in artikel 318 bedoelde akte van fusie mag niet worden verleden voordat het verzet is ingetrokken, de beslissing waarbij het verzet ongegrond is verklaard uitvoerbaar is of, bij gegrondverklaring, de vastgestelde waarborg of zekerheid is gesteld. 4. Indien de akte van fusie al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel het stellen van een door hem omschreven waarborg bevelen en daaraan een dwangsom verbinden.

  624. Artikel 317 1. Het besluit tot fusie wordt genomen door de algemene vergadering; in een stichting wordt het besluit genomen door degene die de statuten mag wijzigen of, als geen ander dat mag, door het bestuur. Het besluit mag niet afwijken van het voorstel tot fusie. 2. Een besluit tot fusie kan eerst worden genomen na verloop van een maand na de dag waarop alle fuserende rechtspersonen de nederlegging van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd. 3. Een besluit tot fusie wordt genomen op dezelfde wijze en met dezelfde meerderheid als een besluit tot wijziging van de statuten. Vereisen de statuten hiervoor goedkeuring, dan geldt dit ook voor het besluit tot fusie. Vereisen de statuten voor de wijziging van afzonderlijke bepalingen verschillende meerderheden, dan is voor een besluit tot fusie de grootste daarvan vereist en sluiten de statutenwijziging van bepalingen uit, dan zijn de stemmen van alle stemgerechtigde leden of aandeelhouders vereist; een en ander tenzij die bepalingen na de fusie onverminderd zullen gelden. De notulen van de vergaderingen waarin tot fusie wordt besloten worden opgemaakt bij notariële akte. 4. Lid 3 is niet van toepassing, voor zover de statuten een andere regeling voor besluiten tot fusie geven. 5. Een besluit tot fusie van een stichting behoeft de voorafgaande goedkeuring van de rechter, tenzij uitsluitend stichtingen bij de fusie betrokken zijn en de statuten van deze stichtingen het mogelijk maken alle bepalingen daarvan te wijzigen. De rechter wijst het verzoek af, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de fusie strijdig is met het belang van de stichting of dat de belangen van aangeslotenen of derden onevenredig worden geschaad. 2024 -237- No. 164

  625. Artikel 318 1. De fusie geschiedt bij notariële akte en wordt van kracht met ingang van de dag na die waarop de akte is verleden. De akte mag slechts worden verleden binnen zes maanden na de aankondiging van de nederlegging van het voorstel of, indien dit als gevolg van gedaan verzet niet mag, binnen een maand na het in het artikel 316 lid 3, bedoelde tijdstip. 2. Aan de voet van de akte verklaart de notaris dat hem is gebleken dat de vormvoorschriften in acht zijn genomen voor alle besluiten die deze en de volgende afdeling en de statuten voor het tot stand komen van de fusie vereisen en dat voor het overige de daarvoor in deze en de volgende afdeling en in de statuten gegeven voorschriften zijn nageleefd. 3. De artikelen 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de vereiste stukken worden aangeboden ten kantore van het handelsregister van de verkrijgende en van elke gefuseerde rechtspersoon. Bij de toepassing van artikel 24 wordt telkens naast "oprichting", "oprichtingshandeling" en "oprichtingsbalans" ook gelezen: fusie, fusiehandeling en fusiebalans. 4. De verkrijgende rechtspersoon doet binnen een maand opgave van de fusie aan de beheerders van andere openbare registers waarin overgang van rechten of de fusie kan worden ingeschreven. Gaat door de fusie een registergoed op de verkrijgende rechtspersoon over, dan is deze verplicht binnen deze termijn aan de bewaarder van de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2 van Boek 3, de voor de inschrijving van de fusie vereiste stukken aan te bieden.

  626. Artikel 319 1. Pandrecht en vruchtgebruik op een recht van lidmaatschap of op aandelen van de verdwijnende rechtspersonen gaan over op hetgeen daarvoor in de plaats treedt. 2. Rust het pandrecht of vruchtgebruik op een recht van lidmaatschap of op aandelen waarvoor niets in de plaats treedt, dan moet de verkrijgende rechtspersoon een gelijkwaardige vervanging geven.

  627. Artikel 320 1. Hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens een verdwijnende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet een gelijkwaardig recht in de verkrijgende rechtspersoon krijgen, of schadevergoeding. Schadevergoeding kan niet worden gevorderd door iemand die reeds op de voet van artikel 316 schadevergoeding heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek nog niet heeft beslist. 2. De schadevergoeding wordt bij gebreke van overeenstemming bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de rechter van de statutaire zetel van de verkrijgende rechtspersoon. 3. Artikel 319 is van overeenkomstige toepassing op pandrecht of vruchtgebruik dat op de bijzondere rechten was gevestigd.

  628. Artikel 321 1. Op het tijdstip met ingang waarvan de verkrijgende rechtspersoon de financiële gegevens van een verdwijnende rechtspersoon zal verantwoorden in de eigen jaarrekening of andere financiële verantwoording, is het laatste boekjaar van die verdwijnende rechtspersoon geëindigd. 2. De verplichtingen omtrent de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verdwijnende rechtspersonen rusten na de fusie op de verkrijgende rechtspersoon. 3. Waarderingsverschillen tussen de verantwoording van activa en passiva in de laatste jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verdwijnende rechtspersonen en in de eerste jaarrekening of andere financiële verantwoording waarin de verkrijgende rechtspersoon deze activa en passiva verantwoordt, moeten worden toegelicht. 2024 -238- No. 164

  629. Artikel 322 1. Indien ten gevolge van de fusie een overeenkomst van een fuserende rechtspersoon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven, wijzigt of ontbindt de rechter de overeenkomst op vordering van een der partijen. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend. 2. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van fusie ten kantore van de in artikel 318 lid 3, bedoelde registers. De vordering kan niet worden ingesteld door iemand die reeds op de voet van artikel 316 wijziging of ontbinding van de overeenkomst heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek nog niet heeft beslist. 3. Indien uit de wijziging of ontbinding van de overeenkomst schade ontstaat voor de wederpartij, is de rechtspersoon gehouden tot vergoeding daarvan.

  630. Artikel 323 1. De rechter kan een fusie alleen vernietigen: a. indien de door een notaris ondertekende akte van fusie geen authentiek geschrift is; b. wegens het niet naleven van artikel 310 leden 4 en 5, artikel 316 lid 3 of artikel 318 lid 2; c. wegens nietigheid, het niet van kracht zijn of een grond tot vernietiging van een voor de fusie vereist besluit van de algemene vergadering of, in een stichting, van het bestuur; d. wegens het niet naleven van artikel 317 lid 5. 2. Vernietiging geschiedt op vordering tegen de verkrijgende rechtspersoon van een lid, aandeelhouder, bestuurder of andere belanghebbende. Een niet door de rechter vernietigde fusie is geldig. 3. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering tot vernietiging vervalt door herstel van het verzuim of door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van fusie ten kantore van de in artikel 318 lid 3 bedoelde registers. 4. De fusie wordt niet vernietigd: a. indien de rechtspersoon binnen een door de rechter te bepalen tijdvak het verzuim heeft hersteld; b. indien de reeds ingetreden gevolgen van de fusie bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. 5. Heeft de eiser tot vernietiging van de fusie schade geleden door een verzuim dat tot vernietiging had kunnen leiden, en vernietigt de rechter de fusie niet, dan kan de rechter de rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtspersoon heeft daarvoor verhaal op de schuldigen aan het verzuim en, tot ten hoogste het genoten voordeel, op degenen die door het verzuim zijn bevoordeeld. 6. De vernietiging wordt, door de zorg van de griffier van het gerecht waar de vordering laatstelijk aanhangig was, ingeschreven in de registers waarin de fusie ingevolge artikel 318 lid 3 moet zijn ingeschreven. 7. De rechtspersonen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor verbintenissen die, ten laste van de rechtspersoon waarin zij gefuseerd zijn geweest, zijn ontstaan na de fusie en voordat de vernietiging in de registers is ingeschreven. 8. De onherroepelijke uitspraak tot vernietiging van een fusie is voor ieder bindend. Verzet van derden en herroeping zijn niet toegestaan.

  631. Artikel 323a 1. Als verdwijnende rechtspersoon kan bij de toepassing van de artikelen 309 tot en met 334 ook optreden een buitenlandse rechtspersoon met een vergelijkbare rechtsvorm, mits het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst zich niet tegen de fusie en de wijze waarop deze tot stand komt verzet. Een verklaring met die strekking, afgelegd door een op dat rechtsgebied deskundige, wordt aan de akte van fusie gehecht. 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat als vernietigingsgrond ook geldt dat het recht dat de buitenlandse rechtspersoon beheerst zich tegen een fusie als voltrokken verzet. 2024 -239- No. 164 3. De artikelen 310 tot en met 334 vinden uitsluitend toepassing ten aanzien van de verkrijgende rechtspersoon. Met betrekking tot de verdwijnende rechtspersoon worden de voor een zodanige fusie geldende regels van het op hem toepasselijke buitenlandse recht zoveel mogelijk in acht genomen. 4. Voor het van kracht worden van de fusie gelden, naast de eerste volzin van artikel 318 lid1, de toepasselijke bepalingen van buitenlands recht. De in artikel 318 lid 2, bedoelde verklaring hoeft geen betrekking te hebben op de toepasselijke voorschriften van buitenlands recht.

  632. Artikel 323b 1. Als verkrijgende rechtspersoon kan bij de toepassing van de artikelen 309 tot en met 334 ook optreden een buitenlandse rechtspersoon met een vergelijkbare rechtsvorm, mits het recht dat die buitenlandse rechtspersoon beheerst zich niet tegen de fusie en de wijze waarop deze tot stand komt verzet. Een verklaring met die strekking, afgelegd door een op dat rechtsgebied deskundige, wordt aan de akte van fusie gehecht. 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat als vernietigingsgrond ook geldt dat het recht dat de buitenlandse rechtspersoon beheerst zich tegen een fusie als voltrokken verzet. 3. De artikelen 310 tot en met 334 vinden uitsluitend toepassing ten aanzien van de verdwijnende rechtspersoon. Met betrekking tot de verkrijgende rechtspersoon worden de voor een zodanige fusie geldende regels van het op hem toepasselijke buitenlandse recht zoveel mogelijk in acht genomen. In afwijking van het voorgaande en van artikel 318 lid 1, gelden voor het van kracht worden van de fusie in de eerste plaats de bepalingen van het op de verkrijgende rechtspersoon toepasselijke buitenlandse recht. 4. De in artikel 318 lid 2, bedoelde verklaring hoeft geen betrekking te hebben op de toepasselijke voorschriften van buitenlands recht. Afdeling 3 Bijzondere bepalingen voor fusies van naamloze vennootschappen Artikel 324 Deze afdeling is van toepassing, indien een naamloze vennootschap fuseert.

  633. Artikel 325 1. Indien aandelen of certificaten van aandelen van een te fuseren vennootschap zijn opgenomen in de prijscourant van een beurs, kan de ruilverhouding afhankelijk zijn van de prijs van die aandelen onderscheidenlijk certificaten op die beurs op een of meer in het voorstel tot fusie te bepalen tijdstippen, gelegen voor de dag waarop de fusie van kracht wordt. 2. Indien krachtens de ruilverhouding van de aandelen recht bestaat op geld of schuldvorderingen, mag het gezamenlijke bedrag daarvan een tiende van het door de toegekende aandelen vertegenwoordigde eigen vermogen niet te boven gaan. 3. Bij de akte van fusie kan de verkrijgende vennootschap eigen aandelen die zij zelf of een andere fuserende vennootschap houdt, intrekken tot ten hoogste de vermogenswaarde die de aandelen die zij toekent aan haar nieuwe aandeelhouders vertegenwoordigen. 4. Aandelen van de verdwijnende vennootschappen die worden gehouden door of voor rekening van de fuserende vennootschappen, vervallen.

  634. Artikel 326 1. Het voorstel tot fusie bevat naast de in artikel 312 genoemde gegevens: a. de ruilverhouding van de aandelen en eventueel de omvang van de betalingen krachtens de ruilverhouding; 2024 -240- No. 164 b. met ingang van welk tijdstip en in welke mate de aandeelhouders van de verdwijnende vennootschappen zullen delen in de winst van de verkrijgende vennootschap; c. hoeveel aandelen eventueel zullen worden ingetrokken met toepassing van artikel 325 lid 3; d. een fusiebalans van de verkrijgende vennootschap. 2. De fusiebalans van de verkrijgende vennootschap toont een eigen vermogen dat niet negatief is of, indien de verkrijgende vennootschap een nominaal kapitaal heeft, niet lager is dan dat nominaal kapitaal. Zij heeft betrekking op het vermoedelijke tijdstip van de fusie. Gegevens daarvoor mogen worden ontleend aan de in artikel 313 lid 2, bedoelde jaarrekeningen of vermogensopstellingen. Afwijkingen daarvan worden toegelicht.

  635. Artikel 327 In de toelichting op het voorstel tot fusie moet het bestuur mede delen: a. volgens welke methode of methoden de ruilverhouding van de aandelen is vastgesteld; b. of deze methode of methoden in het gegeven geval passen; c. tot welke waardering elke gebruikte methode leidt; d. indien meer dan een methode is gebruikt, of het bij de waardering aangenomen betrekkelijke gewicht van de methoden in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar kan worden beschouwd; en e. welke bijzondere moeilijkheden er eventueel zijn geweest bij de waardering en bij de bepaling van de ruilverhouding.

  636. Artikel 328 1. Een door het bestuur aangewezen externe deskundige als bedoeld in artikel 121 moet het voorstel tot fusie onderzoeken en moet verklaren of de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen, mede gelet op de bijgevoegde stukken, naar zijn oordeel redelijk is. Hij moet tevens een verslag opstellen, waarin hij zijn oordeel geeft over de fusiebalans van de verkrijgende vennootschap en de mededelingen, bedoeld in artikel 327. 2. Indien een van de fuserende vennootschappen een naamloze vennootschap is, wordt bij deze slechts dezelfde persoon als bij een andere fuserende rechtspersoon als deskundige aangewezen, indien de algemene vergadering het besluit daartoe heeft goedgekeurd. 3. De deskundigen zijn bij alle fuserende vennootschappen gelijkelijk tot onderzoek bevoegd. 4. Op de verklaring van de deskundige is artikel 314 van overeenkomstige toepassing en op zijn verslag artikel 314 leden 2 en 3.

  637. Artikel 331 1. Tenzij de statuten anders bepalen, kan een verkrijgende vennootschap bij bestuursbesluit tot fusie besluiten. 2. Dit besluit kan slechts worden genomen, indien de vennootschap het voornemen hiertoe heeft vermeld in de aankondiging dat het voorstel tot fusie is neergelegd. 3. Het besluit kan niet worden genomen, indien een of meer aandeelhouders die tezamen ten minste een tiende van het eigen vermogen vertegenwoordigen, of een zoveel geringer bedrag als in de statuten is bepaald, binnen een maand na de aankondiging aan het bestuur hebben verzocht de algemene vergadering bijeen te roepen om over de fusie te besluiten. Artikel 317 is dan van toepassing.

  638. Artikel 333 1. Indien de verkrijgende vennootschap fuseert met een vennootschap waarvan zij alle aandelen houdt of met een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij waarvan zij het enige lid is, zijn de artikelen 326 tot en met 328 niet van toepassing. 2024 -241- No. 164 2. Indien iemand, of een ander voor zijn rekening, alle aandelen houdt van de te fuseren vennootschappen en de verkrijgende vennootschap geen aandelen toekent ingevolge de akte van fusie, zijn de artikelen 326 tot en met 328 niet van toepassing. 3. Indien alle stemgerechtigde personen hebben gestemd voor alle voor de fusie vereiste besluiten zijn de artikelen 326 tot en met 328 niet van toepassing. 4. Indien een verkrijgende vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting fuseert met een naamloze vennootschap waarvan zij alle aandelen houdt, zijn de bepalingen van deze afdeling niet van toepassing.

  639. Artikel 334 1. De akte van fusie kan bepalen dat de aandeelhouders van de verdwijnende vennootschappen aandeelhouder worden van een groepsmaatschappij van de verkrijgende vennootschap. Zij worden dan geen aandeelhouder van de verkrijgende vennootschap. 2. Zulk een fusie is slechts mogelijk, indien de groepsmaatschappij alleen of samen met een andere groepsmaatschappij alle aandelen van de verkrijgende vennootschap houdt. De artikelen 317 leden 1 tot en met 4 en 331 zijn op het besluit van de groepsmaatschappij van overeenkomstige toepassing. 3. De groepsmaatschappij die de aandelen toekent geldt naast de verkrijgende vennootschap als fuserende rechtspersoon. Op haar rusten de verplichtingen die ingevolge de artikelen 312 tot en met 328 op een verkrijgende vennootschap rusten, met uitzondering van de verplichtingen uit de artikelen 316, 317, 318 lid 4, 321 lid 2, en 323 lid 7; voor de toepassing van artikel 328 lid 3, blijft zij buiten beschouwing. De artikelen 312 lid 2 onder b, 320, 325 lid 3 en 326 lid 1 onder b, gelden alsdan niet voor de verkrijgende vennootschap. Afdeling 4 Algemene bepalingen omtrent splitsingen

  640. Artikel 335 1. Splitsing is zuivere splitsing en afsplitsing. 2. Zuivere splitsing is de rechtshandeling waarbij het vermogen van een rechtspersoon die bij de splitsing ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door twee of meer andere rechtspersonen. 3. Afsplitsing is de rechtshandeling waarbij het vermogen of een deel daarvan van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door een of meer andere rechtspersonen waarvan ten minste één overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling of afdeling 5 lidmaatschapsrechten of aandelen toekent aan de leden of aan aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon of waarvan ten minste één bij de splitsing door de splitsende rechtspersoon wordt opgericht. 4. Partij bij de splitsing is de splitsende rechtspersoon, alsmede elke verkrijgende rechtspersoon, met uitzondering van rechtspersonen die bij de splitsing worden opgericht.

  641. Artikel 336 1. De partijen bij een splitsing moeten dezelfde rechtsvorm hebben. 2. Wordt een verkrijgende rechtspersoon bij de splitsing opgericht, dan moet hij de rechtsvorm hebben van de splitsende rechtspersoon. 3. Bij splitsing van een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting kunnen ook naamloze vennootschappen worden opgericht, mits de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing alle aandelen verkrijgt. 2024 -242- No. 164 4. Een ontbonden rechtspersoon mag niet partij zijn bij een splitsing, indien reeds uit hoofde van de vereffening een uitkering is gedaan. 5. Een rechtspersoon mag niet partij zijn bij een splitsing gedurende faillissement of surseance van betaling. 6. Een splitsende rechtspersoon mag in faillissement of surseance van betaling zijn, mits alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte naamloze vennootschappen zijn en de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt. Indien de splitsende rechtspersoon in faillissement is, kan de curator tot splitsing besluiten en rusten de verplichtingen die ingevolge deze en de volgende afdeling op het bestuur rusten, op de curator; indien de rechtspersoon in surseance van betaling is, behoeft het besluit tot splitsing de goedkeuring van de bewindvoerder.

  642. Artikel 338 lid 2, artikel 340 lid 2 onder e, voor zover het betreft de waarde van het deel van het vermogen dat de splitsende rechtspersoon zal behouden, artikel 341 lid 2, artikel 343 lid 1 en artikel 361 lid 3, gelden niet in faillissement; artikel 338 lid 2 geldt niet in surseance.

  643. Artikel 337 1. Indien het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon overgaat, houdt hij door het van kracht worden van de splitsing op te bestaan. 2. Lid 1 geldt niet, indien ten minste een verkrijgende rechtspersoon een bij de splitsing opgerichte naamloze vennootschap is en de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing alle aandelen verkrijgt.

  644. Artikel 338 1. De waarde van het deel van het vermogen van de splitsende rechtspersoon dat elke verkrijgende rechtspersoon verkrijgt ten tijde van de splitsing, mag niet negatief zijn. 2. Hetzelfde geldt voor het eigen vermogen dat een voortbestaande splitsende rechtspersoon behoudt.

  645. Artikel 339 1. De leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon worden door de splitsing lid of aandeelhouder van alle verkrijgende rechtspersonen. 2. Geen aandelen in een verkrijgende vennootschap worden verkregen voor aandelen in een splitsende vennootschap die door of voor rekening van die verkrijgende vennootschap of door of voor rekening van de splitsende vennootschap worden gehouden. 3. Lid 1 geldt voorts niet voor zover: a. alle aandelen in de verkrijgende vennootschappen direct of indirect worden gehouden door of voor rekening van de splitsende vennootschap en de splitsende vennootschap niet ophoudt te bestaan; b. ten aanzien van verkrijgende vennootschappen artikel 360 of artikel 363 wordt toegepast; c. krachtens de ruilverhouding van de aandelen zelfs geen recht bestaat op een enkel aandeel.

  646. Artikel 340 1. De besturen van de partijen bij de splitsing stellen een voorstel tot splitsing op. 2. Dit voorstel vermeldt ten minste: a. de rechtsvorm, naam en statutaire zetel van de partijen bij de splitsing en, voor zover de verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing worden opgericht, van deze rechtspersonen; b. de statuten van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon, zoals die statuten luiden en zoals zij na de splitsing zullen luiden dan wel, voor zover de verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing worden opgericht, het ontwerp van de akte van oprichting; c. of het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan of een gedeelte daarvan; 2024 -243- No. 164 d. een beschrijving aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon zullen overgaan op elk van de verkrijgende rechtspersonen en, indien niet het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan, welke vermogensbestanddelen door hem zullen worden behouden, alsmede een pro forma winst- en verliesrekening dan wel exploitatierekening van de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande splitsende rechtspersoon; e. de waarde, bepaald naar de dag waarop de in artikel 341 lid 2, bedoelde jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling van de splitsende rechtspersoon betrekking heeft en berekend met inachtneming van de derde volzin van die bepaling, van het deel van het vermogen dat elke verkrijgende rechtspersoon zal verkrijgen en van het deel dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon zal behouden, alsmede de waarde van aandelen in het kapitaal van verkrijgende rechtspersonen die de voortbestaande splitsende rechtspersoon bij de splitsing zal verkrijgen; f. welke rechten of vergoedingen ingevolge artikel 349 ten laste van de verkrijgende rechtspersonen worden toegekend aan degenen die anders dan als lid of aandeelhouder bijzondere rechten hebben jegens de splitsende rechtspersoon, zoals rechten op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, en met ingang van welk tijdstip de toekenning geschiedt; g. welke voordelen in verband met de splitsing worden toegekend aan een bestuurder of commissaris van een partij bij de splitsing of aan een ander die bij de splitsing is betrokken; h. de voornemens over de samenstelling na de splitsing van de besturen van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon, alsmede, voor zover er raden van commissarissen zullen zijn, van die raden; i. het tijdstip met ingang waarvan financiële gegevens betreffende elk deel van het vermogen dat zal overgaan zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersonen; j. de voorgenomen maatregelen in verband met het verkrijgen door de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon van het lidmaatschap of aandeelhouderschap van de verkrijgende rechtspersonen; k. de voornemens omtrent voortzetting of beëindiging van werkzaamheden; l. wie in voorkomend geval het besluit tot splitsing moet goedkeuren. 3. Het voorstel tot splitsing wordt ondertekend door de bestuurders van elke partij bij de splitsing; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. 4. Indien een partij bij de splitsing een naamloze vennootschap is waarvan de statuten een bepaling bevatten als bedoeld in artikel 139, moet het voorstel tot splitsing zijn goedgekeurd door de raad van commissarissen van die vennootschap en wordt het door de commissarissen medeondertekend; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.

  647. Artikel 341 1. In een schriftelijke toelichting geeft het bestuur van elke partij bij de splitsing de redenen voor de splitsing met een uiteenzetting over de verwachte gevolgen voor de werkzaamheden en een toelichting uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt. 2. Indien het laatste boekjaar van de rechtspersoon, waarover een jaarrekening of andere financiële verantwoording is vastgesteld, meer dan zes maanden voor de nederlegging van het voorstel tot splitsing is verstreken, maakt het bestuur een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling op. Deze heeft betrekking op de stand van het vermogen op ten vroegste de eerste dag van de derde maand voor de maand waarin zij wordt neergelegd. De vermogensopstelling wordt opgemaakt met inachtneming van de indeling en de waarderingsmethoden die in de laatst vastgestelde jaarrekening of andere financiële verantwoording zijn toegepast, tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgeweken op grond dat de actuele waarde belangrijk afwijkt van de boekwaarde. 2024 -244- No. 164

  648. Artikel 342 1. Elke partij bij de splitsing legt ten kantore van het handelsregister neer: a. het voorstel tot splitsing; b. de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen of andere financiële verantwoordingen van de partijen bij de splitsing, met de deskundigenverklaring daarbij, voor zover deze stukken ter inzage liggen of moeten liggen; c. de jaarverslagen van de partijen bij de splitsing over de laatste drie afgesloten jaren, voor zover deze ter inzage liggen of moeten liggen; d. tussentijdse vermogensopstellingen of niet goedgekeurde jaarrekeningen, voor zover vereist ingevolge artikel 341 lid 2 en voor zover de jaarrekening van de rechtspersoon ter inzage moet liggen. 2. Tegelijkertijd legt het bestuur de stukken, met inbegrip van de laatste drie goedgekeurde jaarrekeningen en jaarverslagen die niet ter openbare inzage hoeven te liggen, samen met de toelichtingen van de besturen op het voorstel neer ten kantore van de rechtspersoon of, bij gebreke van een kantoor, aan de woonplaats van een bestuurder. De stukken liggen tot het tijdstip van de splitsing op het adres van elke verkrijgende rechtspersoon en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon, onderscheidenlijk op het adres van een bestuurder daarvan, nog zes maanden nadien ter inzage voor de leden of aandeelhouders en voor hen die een bijzonder recht jegens de rechtspersoon hebben, zoals een recht op een uitkering van winst, tot het nemen van aandelen of tot het bijwonen van vergaderingen. In dit tijdvak kunnen zij kosteloos een afschrift daarvan krijgen. 3. De partijen bij de splitsing kondigen in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een in Suriname verschijnend dagblad aan dat de stukken zijn neergelegd, met opgave van de openbare registers waar zij liggen en van het adres waar zij krachtens lid 2 ter inzage liggen. Indien het besluit tot splitsing moet worden goedgekeurd op de voet van artikel 346 lid 5, wordt mededeling gedaan van het tijdstip van behandeling van het goedkeuringsverzoek. 4. Indien de besturen van de partijen bij de splitsing het voorstel tot splitsing wijzigen, zijn de leden 1 tot en met 3 van overeenkomstige toepassing. 5. Lid 2 is niet van toepassing op stichtingen.

  649. Artikel 343 1. Het bestuur van elke partij bij de splitsing is verplicht de algemene vergadering en de andere partijen bij de splitsing in te lichten over na het voorstel tot splitsing gebleken belangrijke wijzigingen in de omstandigheden die de mededelingen in het voorstel tot splitsing of in de toelichting hebben beïnvloed. 2. Voor een stichting geldt deze verplichting jegens degenen die blijkens de statuten de splitsing moeten goedkeuren.

  650. Artikel 344 1. Een rechtsverhouding waarbij de splitsende rechtspersoon partij is, mag op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in artikel 345, slechts in haar geheel overgaan. 2. Is echter een rechtsverhouding verbonden met verschillende vermogensbestanddelen die op onderscheiden verkrijgende rechtspersonen overgaan, dan mag zij worden gesplitst in dier voege dat zij overgaat op alle betrokken verkrijgende rechtspersonen naar evenredigheid van het verband dat de rechtsverhouding heeft met de vermogensbestanddelen die elke rechtspersoon verkrijgt. 3. Indien een rechtsverhouding mede verbonden is met vermogensbestanddelen die de voortbestaande splitsende rechtspersoon behoudt, is lid 2 te zijnen aanzien van overeenkomstige toepassing. 4. Het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 laten de rechten die de wederpartij bij een rechtsverhouding kan ontlenen aan artikel 351 onverlet. 2024 -245- No. 164

  651. Artikel 345 1. Tot een maand nadat alle partijen bij de splitsing de nederlegging van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd kan iedere schuldeiser of contractuele wederpartij van zulk een partij, alsmede iedere bijzonder rechthebbende in de zin van artikel 349, door een verzoekschrift bij de rechter van de statutaire zetel van zulk een partij tegen een aangekondigde splitsing in verzet komen op de grond dat het voorstel ten aanzien van zijn rechtsverhouding strijdt met artikel 344 of dat hij anderszins in zijn positie als crediteur, contractuele wederpartij of bijzonder rechthebbende wordt geschaad. In voorkomende gevallen vermeldt het verzoekschrift welke zekerheid, waarborg, contractswijziging, ontbinding of schadevergoeding wordt verlangd. 2. Voordat de rechter beslist, kan hij de partijen bij de splitsing in de gelegenheid stellen binnen een door hem gestelde termijn een door hem omschreven wijziging in het voorstel tot splitsing aan te brengen en het gewijzigde voorstel overeenkomstig artikel 342 openbaar te maken. Oordeelt hij dat het verzet om een andere aangevoerde reden gegrond is dan bepaalt hij de door een of meer bij de splitsing betrokken partijen of een derde te stellen zekerheid of waarborg of te betalen schadevergoeding, dan wel de contractswijziging of -ontbinding die zal gelden wanneer de splitsing tot stand komt. Aan een contractswijziging of -ontbinding kan hij een per de datum van de splitsing ingaande, op een of meer partijen rustende verplichting tot schadevergoeding verbinden. 3. De in artikel 347 bedoelde akte van splitsing mag niet worden verleden voordat het verzet is ingetrokken, de beslissing waarbij het verzet ongegrond is verklaard uitvoerbaar is of, bij gegrondverklaring om een andere reden dan schending van artikel 344, de vastgestelde zekerheid of waarborg is gesteld. 4. Indien de akte van splitsing al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel: a. bevelen dat een rechtsverhouding die in strijd met artikel 344 is overgegaan geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen aan een of meer door hem aan te wijzen verkrijgende rechtspersonen of aan de voortbestaande gesplitste rechtspersoon, of bepalen dat twee of meer van deze rechtspersonen hoofdelijk tot nakoming van de uit de rechtsverhouding voortvloeiende verbintenissen verbonden zijn; b. bevelen dat een door hem omschreven waarborg wordt gegeven. De rechter kan aan een bevel als bedoeld een dwangsom verbinden. 5. Indien door een overdracht als bedoeld in lid 4 onder a, de overdragende of verkrijgende rechtspersoon nadeel lijdt, is de andere rechtspersoon gehouden dit nadeel te compenseren.

  652. Artikel 346 1. Het besluit tot splitsing wordt genomen door de algemene vergadering; in een stichting wordt het besluit genomen door degene die de statuten mag wijzigen of, als geen ander dat mag, door het bestuur. Het besluit mag niet afwijken van het voorstel tot splitsing. 2. Een besluit tot splitsing kan eerst worden genomen na verloop van een maand na de dag waarop alle partijen bij de splitsing de nederlegging van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd. 3. Een besluit tot splitsing wordt genomen op dezelfde wijze en met dezelfde meerderheid als een besluit tot wijziging van de statuten. Vereisen de statuten hiervoor goedkeuring, dan geldt dit ook voor het besluit tot splitsing. Vereisen de statuten voor de wijziging van afzonderlijke bepalingen verschillende meerderheden, dan is voor een besluit tot splitsing de grootste daarvan vereist, en sluiten de statutenwijziging van bepalingen uit, dan zijn de stemmen van alle stemgerechtigde leden of aandeelhouders vereist; een en ander tenzij die bepalingen na de splitsing onverminderd zullen gelden. De notulen van de vergaderingen waarin tot splitsing wordt besloten worden opgemaakt bij notariële akte. 4. Lid 3 geldt niet voor zover de statuten een andere regeling voor besluiten tot splitsing geven. 5. Een besluit tot splitsing van een stichting behoeft de voorafgaande goedkeuring van de rechter, tenzij de statuten van de stichting het mogelijk maken alle bepalingen daarvan te wijzigen. De rechter wijst het verzoek af, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de splitsing strijdig is met het belang van de stichting of dat de belangen van aangeslotenen of derden onevenredig worden geschaad. 2024 -246- No. 164

  653. Artikel 347 1. De splitsing geschiedt bij notariële akte en wordt van kracht met ingang van de dag na die waarop de akte is verleden. De akte mag slechts worden verleden binnen zes maanden na de aankondiging van de nederlegging van het voorstel tot splitsing of, indien dit als gevolg van gedaan verzet niet mag, binnen een maand na het in artikel 345 lid 3, bedoelde tijdstip. 2. Aan de voet van de akte verklaart de notaris dat hem is gebleken dat de vormvoorschriften in acht zijn genomen voor alle besluiten die deze en de volgende afdeling en de statuten voor het tot stand komen van de splitsing vereisen en dat voor het overige de daarvoor in deze en de volgende afdeling en in de statuten gegeven voorschriften zijn nageleefd. Aan de akte wordt de in artikel 340 lid 2 onder d bedoelde beschrijving gehecht. 3. De artikelen 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de vereiste stukken worden aangeboden ten kantore van het handelsregister van elk van de partijen bij de splitsing. Bij de toepassing van artikel 24 wordt telkens naast "oprichting", "oprichtingshandeling" en "oprichtingsbalans" ook gelezen: splitsing, splitsingshandeling en splitsingsbalans. 4. De verkrijgende rechtspersonen, elk voor zover het goederen betreft die bij de splitsing op hen zijn overgegaan, doen binnen een maand na de splitsing opgave aan de beheerders van andere openbare registers waarin overgang van rechten of de splitsing kan worden ingeschreven. Gaat door de splitsing een registergoed op een verkrijgende vennootschap over, dan is de gesplitste rechtspersoon of, zo deze bij de splitsing is opgehouden te bestaan, elk van de verkrijgende rechtspersonen in zijn plaats verplicht binnen deze termijn aan de bewaarder van de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2 van Boek 3, de voor de inschrijving van de splitsing vereiste stukken aan te bieden.

  654. Artikel 348 1. De rechthebbende van een pandrecht of vruchtgebruik op een recht van lidmaatschap of op aandelen in het kapitaal van de splitsende rechtspersoon verkrijgt eenzelfde recht op hetgeen het lid of de aandeelhouder krachtens de akte van splitsing verkrijgt. Indien de splitsende rechtspersoon na de splitsing blijft voortbestaan, blijft daarnaast het bestaande pandrecht of recht van vruchtgebruik in stand. 2. Vervallen aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust, en treedt daarvoor niets in de plaats, dan moeten de verkrijgende rechtspersonen de rechthebbende een gelijkwaardige vervanging geven.

  655. Artikel 349 1. Degene die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens de splitsende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet hetzij zodanige rechten in verkrijgende rechtspersonen krijgen, dat deze, waar toepasselijk samen met het recht dat hij jegens de voortbestaande splitsende rechtspersoon heeft, gelijkwaardig zijn aan zijn recht voor de splitsing, hetzij schadevergoeding krijgen. Schadevergoeding kan niet worden gevorderd door iemand die reeds op de voet van artikel 345 schadevergoeding heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist. 2. De schadevergoeding wordt bij gebreke van overeenstemming bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de rechter van de statutaire zetel van de splitsende rechtspersoon. 3. Artikel 348 is van overeenkomstige toepassing op pandrecht of vruchtgebruik dat op de bijzondere rechten was gevestigd. 2024 -247- No. 164

  656. Artikel 350 1. Indien de gesplitste rechtspersoon bij de splitsing ophoudt te bestaan, is zijn laatste boekjaar geëindigd op het tijdstip met ingang waarvan de financiële gegevens betreffende zijn vermogen zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersonen. 2. Indien de gesplitste rechtspersoon bij de splitsing ophoudt te bestaan, rusten de verplichtingen omtrent zijn jaarrekening of andere financiële verantwoording na de splitsing op de gezamenlijke verkrijgende rechtspersonen. 3. Waarderingsverschillen tussen de verantwoording van activa en passiva in de laatste jaarrekening of andere financiële verantwoording van de gesplitste rechtspersoon en in de eerste jaarrekening of andere financiële verantwoording waarin een verkrijgende rechtspersoon deze activa en passiva verantwoordt, moeten worden toegelicht.

  657. Artikel 351 1. Indien ten gevolge van de splitsing een overeenkomst van een partij bij de splitsing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven, wijzigt of ontbindt de rechter de overeenkomst op vordering van een der partijen bij de overeenkomst. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend. 2. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van splitsing ten kantore van de in artikel 347 lid 3 bedoelde registers. De vordering kan niet worden ingesteld door iemand die reeds op de voet van artikel 345 wijziging of ontbinding van de overeenkomst heeft verzocht, tenzij de rechter in die procedure op dat verzoek niet heeft beslist. 3. Indien uit de wijziging of ontbinding van de overeenkomst schade ontstaat voor de wederpartij, is de betrokken rechtspersoon gehouden tot vergoeding daarvan.

  658. Artikel 352 1. De leden 2 tot en met 4 zijn van toepassing indien van een vermogensbestanddeel aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is. 2. Indien het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan, zijn de verkrijgende rechtspersonen gezamenlijk rechthebbende. Elke verkrijgende rechtspersoon deelt in het vermogensbestanddeel naar evenredigheid van de waarde van het deel van het vermogen van de gesplitste rechtspersoon dat hij verkrijgt. 3. Indien niet het gehele vermogen is overgegaan, is de gesplitste rechtspersoon rechthebbende. 4. Voor zover verkrijgende rechtspersonen uit hoofde van lid 2 aansprakelijk zijn voor schulden, zijn zij hoofdelijk verbonden.

  659. Artikel 353 1. De verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn aansprakelijk tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing. 2. Voor ondeelbare verbintenissen zijn de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon elk voor het geheel aansprakelijk. 3. Voor deelbare verbintenissen is de verkrijgende rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, de voortbestaande gesplitste rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk. De aansprakelijkheid voor deelbare verbintenissen is voor elke andere rechtspersoon beperkt tot de waarde van het vermogen dat hij bij de splitsing heeft verkregen of behouden. 2024 -248- No. 164 4. Andere rechtspersonen dan de rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, dan de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn niet tot nakoming gehouden voordat de laatstbedoelde rechtspersoon in de nakoming van de verbintenis is tekortgeschoten. 5. Ten aanzien van de aansprakelijkheid zijn de bepalingen betreffende hoofdelijke verbondenheid van overeenkomstige toepassing.

  660. Artikel 354 1. De rechter kan een splitsing alleen vernietigen: a. indien de door een notaris ondertekende akte van splitsing geen authentiek geschrift is; b. wegens het niet naleven van artikel 336 lid 5 of 6, artikel 345 lid 3, of de eerste volzin van artikel 347 lid 2; c. wegens nietigheid, het niet van kracht zijn of een grond tot vernietiging van een voor de splitsing vereist besluit van de algemene vergadering of, in een stichting, van het bestuur; d. wegens het niet naleven van artikel 346 lid 5. 2. Vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechter van de statutaire zetel van de gesplitste rechtspersoon op vordering tegen alle verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon van een lid, aandeelhouder, bestuurder of andere belanghebbende. Een niet door de rechter vernietigde splitsing is geldig. 3. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering tot vernietiging vervalt door herstel van het verzuim of door verloop van zes maanden na de nederlegging van de akte van splitsing ten kantore van de in artikel 347 lid 3 bedoelde registers. 4. De splitsing wordt niet vernietigd: a. indien het verzuim binnen een door de rechter te bepalen termijn is hersteld; b. indien de reeds ingetreden gevolgen van de splitsing bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. 5. Heeft de eiser tot vernietiging van de splitsing schade geleden door een verzuim dat tot vernietiging had kunnen leiden, en vernietigt de rechter de splitsing niet, dan kan de rechter de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtspersonen hebben daarvoor verhaal op de schuldigen aan het verzuim en, tot ten hoogste het genoten voordeel, op degenen die door het verzuim zijn bevoordeeld. 6. De vernietiging wordt, door de zorg van de griffier van het gerecht waar de vordering laatstelijk aanhangig was, ingeschreven in de registers waarin de splitsing ingevolge artikel 347 lid 3, moet zijn ingeschreven. 7. De gesplitste rechtspersoon is naast de betrokken verkrijgende rechtspersoon hoofdelijk verbonden tot nakoming van verbintenissen die ten laste van de verkrijgende rechtspersonen zijn ontstaan na de splitsing en voordat de vernietiging in de registers is ingeschreven. 8. De onherroepelijke uitspraak tot vernietiging van een splitsing is voor eenieder bindend. Verzet van derden en herroeping zijn niet toegestaan. Afdeling 5 Bijzondere bepalingen voor splitsingen waarbij een naamloze vennootschap wordt gesplitst of opgericht.

  661. Artikel 355 Deze afdeling is van toepassing, indien bij een splitsing een naamloze vennootschap wordt gesplitst of wordt opgericht. 2024 -249- No. 164

  662. Artikel 356 1. Indien aandelen of certificaten van aandelen van een splitsende vennootschap zijn opgenomen in de prijscourant van een beurs, kan de ruilverhouding afhankelijk zijn van de prijs van die aandelen onderscheidenlijk certificaten op die beurs op een of meer in het voorstel tot splitsing te bepalen tijdstippen, gelegen voor de dag waarop de splitsing van kracht wordt. 2. Indien krachtens de ruilverhouding van de aandelen recht bestaat op geld of schuldvorderingen, mag het gezamenlijke bedrag daarvan een tiende van het door de toegekende aandelen vertegenwoordigde eigen vermogen niet te boven gaan. 3. Bij de akte van splitsing kan een verkrijgende vennootschap eigen aandelen die zij zelf houdt of krachtens de akte van splitsing verkrijgt, intrekken tot ten hoogste de vermogenswaarde die de aandelen die zij toekent aan haar nieuwe aandeelhouders vertegenwoordigen. 4. Aandelen van de splitsende vennootschap die worden gehouden door of voor rekening van een verkrijgende rechtspersoon of door of voor rekening van de splitsende vennootschap vervallen, indien de splitsende vennootschap bij de splitsing ophoudt te bestaan.

  663. Artikel 357 1. Het voorstel tot splitsing bevat naast de in artikel 340 genoemde gegevens: a. de ruilverhouding van de aandelen en eventueel de omvang van de betalingen krachtens de ruilverhouding; b. met ingang van welk tijdstip en in welke mate de aandeelhouders van de splitsende vennootschap zullen delen in de winst van de verkrijgende vennootschappen; c. hoeveel aandelen eventueel zullen worden ingetrokken met toepassing van artikel 356 lid 3; d. een splitsingsbalans van alle partijen bij de splitsing die naamloze vennootschap zijn en niet ophouden te bestaan. 2. De in lid 1, onder d, bedoelde splitsingsbalans toont een eigen vermogen dat niet negatief is of, indien de betrokken vennootschap een nominaal kapitaal heeft, niet lager is dan dat nominaal kapitaal. Zij heeft betrekking op het vermoedelijke tijdstip van de splitsing. Gegevens daarvoor mogen worden ontleend aan de in artikel 341 lid 2 bedoelde jaarrekeningen of vermogensopstellingen. Afwijkingen daarvan worden toegelicht.

  664. Artikel 358 In de toelichting op het voorstel tot splitsing moet het bestuur mede delen: a. volgens welke methode of methoden de ruilverhouding van de aandelen is vastgesteld; b. of deze methode of methoden in het gegeven geval passen; c. tot welke waardering elke gebruikte methode leidt; d. indien meer dan een methode is gebruikt, of het bij de waardering aangenomen betrekkelijke gewicht van de methoden in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar kan worden beschouwd; en e. welke bijzondere moeilijkheden er eventueel zijn geweest bij de waardering en bij de bepaling van de ruilverhouding.

  665. Artikel 359 1. Een door het bestuur aangewezen externe deskundige als bedoeld in artikel 121 moet het voorstel tot splitsing onderzoeken en moet verklaren of de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen, mede gelet op de bijgevoegde stukken, naar zijn oordeel redelijk is. Hij moet tevens een verslag opstellen, waarin hij zijn oordeel geeft over de splitsingsbalansen bedoeld in artikel 357 lid 1, onder d, en de mededelingen, bedoeld in artikel 358. 2. Indien twee of meer van de partijen bij de splitsing naamloze vennootschappen zijn, wordt slechts dezelfde persoon als deskundige aangewezen, indien de algemene vergaderingen het besluit daartoe hebben goedgekeurd. 2024 -250- No. 164 3. De deskundigen zijn bij alle partijen bij de splitsing gelijkelijk tot onderzoek bevoegd. 4. Op de verklaring van de deskundige is artikel 342 van overeenkomstige toepassing en op zijn verslag artikel 342 leden 2 en 3.

  666. Artikel 360 In het geval van een zuivere splitsing kan de akte van splitsing bepalen dat onderscheiden aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon aandeelhouder worden van onderscheiden verkrijgende rechtspersonen. In dat geval: a. vermeldt het voorstel tot splitsing naast de in de artikelen 340 en 357 genoemde gegevens welke aandeelhouders van welke verkrijgende rechtspersonen aandeelhouder worden; b. deelt het bestuur in de toelichting op het voorstel tot splitsing mee volgens welke criteria deze verdeling is vastgesteld; c. moet de deskundige bedoeld in artikel 359 mede verklaren dat de voorgestelde verdeling, mede gelet op de bijgevoegde stukken, naar zijn oordeel redelijk is; en d. wordt het besluit tot splitsing door de algemene vergadering van de splitsende vennootschap genomen met een meerderheid van drie vierden van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste 95% van het door de aandelen vertegenwoordigde vermogen is vertegenwoordigd.

  667. Artikel 361 1. Tenzij de statuten anders bepalen, kan een verkrijgende vennootschap bij bestuursbesluit tot splitsing besluiten. Hetzelfde geldt voor de splitsende vennootschap, mits alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte naamloze vennootschappen zijn en de splitsende vennootschap daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt. 2. Dit besluit kan slechts worden genomen, indien de vennootschap het voornemen hiertoe heeft vermeld in de aankondiging dat het voorstel tot splitsing is neergelegd. 3. Het besluit kan niet worden genomen, indien een of meer aandeelhouders die tezamen ten minste een tiende van het eigen vermogen vertegenwoordigen, of een zoveel geringer bedrag als in de statuten is bepaald, binnen een maand na de aankondiging aan het bestuur hebben verzocht de algemene vergadering bijeen te roepen om over de splitsing te besluiten. Artikel 346 is dan van toepassing.

  668. Artikel 362 1. Indien alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht en de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing direct of indirect enig aandeelhouder wordt, zijn de artikelen 340 lid 4 en 357 tot en met 359 niet van toepassing. 2. Indien alle voor de splitsing vereiste besluiten worden genomen met de daarvoor uitgebrachte stemmen van alle stemgerechtigde personen zijn de artikelen 357 tot en met 359 niet van toepassing.

  669. Artikel 363 1. De akte van splitsing kan bepalen dat de aandeelhouders van de splitsende vennootschap aandeelhouder worden van een groepsmaatschappij van een verkrijgende vennootschap. Zij worden dan geen aandeelhouder van die verkrijgende vennootschap. 2. Zulk een splitsing is slechts mogelijk, indien de groepsmaatschappij alleen of samen met een andere groepsmaatschappij alle aandelen van de verkrijgende vennootschap houdt. Artikel 346, leden 1 tot en met 4, en artikel 361 zijn op het besluit van de groepsmaatschappij van overeenkomstige toepassing. 3. De groepsmaatschappij die de aandelen toekent geldt naast de verkrijgende vennootschap als partij bij de splitsing. Op haar rusten de verplichtingen die ingevolge de artikelen 340 tot en met 360 op een verkrijgende rechtspersoon rusten, met uitzondering van de verplichtingen uit de artikelen 345, 346 en artikel 350 leden 2 en 4; voor de toepassing van artikel 359 lid 4, blijft zij buiten beschouwing; de artikelen 352, 353 en artikel 354 lid 7, gelden voor haar niet. Artikel 340 lid 2 onder b, artikel 356 lid 3 en artikel 357 lid 1 onder b, gelden alsdan niet voor de verkrijgende vennootschap. 2024 -251- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 2 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 2 – Rechtspersonen ALGEMEEN 1. De huidige Surinaamse wetgeving bevat geen samenhangende regeling van het rechtspersonenrecht. Een Wetboek ‘Rechtspersonen’ ontbreekt. Het recht van de naamloze vennootschap, hierna ook aan te duiden als ‘NV’, is te vinden in de artikelen 33 tot en met 155 van het Surinaams Wetboek van Koophandel, hierna aan te duiden als WvK. De vereniging wordt geregeld in de artikelen 1665 tot en met 1684 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Voor de coöperatieve vereniging – in het ontwerp aangeduid als ‘coöperatie’ geldt de Wet Coöperatieve Verenigingen 1944. Ten slotte is er de uit 1968 daterende Wet op Stichtingen. Veel van deze regelingen zijn verouderd. In het kader van de invoering van een Nieuw Burgerlijk Wetboek is besloten de genoemde regelingen in een vernieuwde versie samen te brengen in een Boek 2. Bij het bovenstaande verdient aantekening dat het WvK in 2016, vooruitlopend op de invoering van een nieuw Boek 2, aanzienlijk is gewijzigd. Bij die wijziging is in het WvK een reeks bepalingen uit een eerder, uit 2009 stammend ontwerp voor Boek 2 opgenomen. Bij de bespreking van de afzonderlijke artikelen van het nu voorliggende ontwerp zal daarop worden gewezen. 2. De aandacht verdient verder dat bij de opzet van het ontwerp gekozen is voor aansluiting bij de Landsverordening herziening Boek 2 BW van Curaçao, zoals deze per 1 januari 2012 in werking is getreden (Publicatieblad Curaçao 2011, no. 66), waarin werd voortgebouwd op de voordien voor de Nederlandse Antillen geldende regelingen. Zoveel mogelijk is rekening gehouden met de sedertdien in voorbereiding zijnde wijziging van Boek 2 BW van Curaçao (Boek 2 BWC). In Boek 2 BWC en de voordien voor de Nederlandse Antillen geldende regelingen is telkens tot op zekere hoogte het Nederlandse voorbeeld (Boek 2 NedBW), gevolgd. Dit via de voormalige Nederlandse Antillen lopende verband met de Nederlandse wetgeving vindt men derhalve terug in het hier aangeboden ontwerp. Na het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen in 2010 heeft Sint Maarten een ‘eigen’ Boek 2. Dit Boek 2 van Sint Maarten is, kleine uitzonderingen daargelaten, gelijk aan de voor Curaçao geldende regeling. Hetzelfde zal gelden voor de sedert enige tijd in voorbereiding zijnde regeling voor een Arubaans Boek 2 (Boek 2 BW Aruba). Naast de hierboven weergegeven aanduidingen zal hieronder wel gesproken worden van de ‘voormalige Nederlandse Antillen’. Waar dat van pas komt zal ook de aanduiding ‘Nederlands- Caribisch’ worden gebruikt. De op de ‘BES-eilanden’ geldende regeling, die een eigen karakter heeft, wordt bij het een en ander buiten beschouwing gelaten. 2024 -252- No. 164 De vraag kan worden gesteld waarom in het hier aangeboden ontwerp gekozen is voor de ‘omweg’ via de Nederlands-Caribische regelingen. De reden daarvan is dat het rechtspersonenrecht van die landen, en daarin met name het recht van de NV, op een aantal punten eenvoudiger is, en makkelijker te doorgronden, dan het Nederlandse NV-recht. Of andersom: omdat het Nederlandse NV-recht, door zijn historische ontwikkeling, relatief gecompliceerd is en elementen bevat die destijds voor de voormalige Nederlandse Antillen ongeschikt of overbodig werden geacht en daarom in het recht van de voormalige Nederlandse Antillen niet zijn overgenomen. Hierbij kan met name worden gedacht aan het ‘kapitaalbeschermingsrecht’ en het zgn. ‘medezeggenschapsrecht’. Voor wat betreft het kapitaalbeschermingsrecht heeft hierbij een rol gespeeld dat veel regels voor het Nederlandse NV- recht dwingend waren voorgeschreven door de destijds florerende Europese Economische Gemeenschap (EEG). Aan dit EEG-recht waren de voormalige Nederlandse Antillen niet gebonden. Suriname staat daar geheel buiten. De genoemde vereenvoudigingen ten opzichte van het Nederlandse recht, die als verbeteringen kunnen worden aangemerkt, werken door in de opzet van het nu voorliggende Surinaamse ontwerp voor Boek 2. 3. Aandacht verdient ook de indeling van het aangeboden ontwerp, de nummering van de artikelen daaronder begrepen. Hierover kan het volgende worden opgemerkt. Bij de vormgeving van het destijds op de voormalige Nederlandse Antillen ingevoerde Boek 2 is van de gelegenheid gebruik gemaakt om ten opzichte van het Nederlandse Boek 2 ook de indeling te verbeteren. Zo zijn, vergeleken bij de Nederlandse regeling, beduidend meer bepalingen van de afzonderlijke titels overgebracht naar de inleidende, eerste titel. Op een aantal punten leidde ook deze manoeuvre tot vereenvoudiging. In andere gevallen konden daardoor niet goed verklaarbare verschillen in de redactie en het systeem worden opgespoord en gladgestreken. Ook is – overeenkomstig de Nederlands-Caribische regeling – afgezien van het opnemen van bepalingen over publiekrechtelijke rechtspersonen en kerkgenootschappen. De artikelen 1 en 2 van het Nederlandse Boek 2, die aan deze rechtspersonen zijn gewijd, hebben geen praktische betekenis. Wel hebben zij geleid tot uitvoerige maar weinig concludente academische discussies. Dit soort discussies kunnen beter vermeden worden. In het hierbij aangeboden ontwerp is de enige bepaling, die tot buiten de in Boek 2 geregelde rechtspersonen reikt, lid 2 van artikel 1. Men zie daarvoor de toelichting op dat artikel. Een andere ingreep heeft betrekking op de artikelnummers waarmee de verschillende titels aanvangen. Bij de opzet van de Nederlands-Caribische regelingen is destijds gekozen voor ronde nummers: 50 bij de aanvang van de tweede titel (De stichting), 70 voor de derde titel (De vereniging), 90 voor de vierde titel (De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij), 100 voor de vijfde titel (De naamloze vennootschap), 200 voor de zesde titel (De besloten vennootschap), 250 voor de zevende titel (Uitkoop, uittreding en gedwongen overdracht), 270 voor de achtste titel (thans: Het recht van enquête) en 300 voor de negende titel (Omzetting, fusie en splitsing). Als een belangrijk voordeel van deze nummering werd gezien dat de plaats van de verschillende titels gemakkelijk te onthouden is. Voor wat betreft de NV en de BV kwam daar nog bij dat er sprake was een verschil van precies honderd bij elk artikel. Gesproken werd van de ‘100-parallellie’. Deze 100- paralellie maakte het makkelijk, en maakt het nog steeds makkelijk, de verschillen tussen de afzonderlijke NV-artikelen en de parallel lopende artikelen in de BV-titel na te gaan. In dit verband mag ook worden opgemerkt dat de regeling van de stichting niet, zoals in het Nederlandse Boek 2, is geplaatst in titel 6 maar in titel 2, onmiddellijk na de algemene bepalingen in titel 1, en voorafgaand aan de titels met betrekking tot de overige in Boek 2 geregelde rechtspersonen. Principiële betekenis heeft deze verhuizing niet. Zij is destijds in de voormalige Nederlandse Antillen doorgevoerd om praktische redenen en is nu ook te vinden in de indeling van het Surinaamse ontwerp. 2024 -253- No. 164 4. Dan nog de vraag wat nu eigenlijk het verschil is tussen enerzijds de NV, anderzijds de BV in het Curaçaose recht. Het voornaamste verschil is altijd geweest dat bij de NV, anders dan bij de BV, aandelen aan toonder konden worden uitgegeven. In het beursverkeer plachten aandelen aan toonder een belangrijke functie te vervullen. De ontwikkeling van het laatste decennium heeft echter meegebracht dat in het beursverkeer niet langer van aandelen aan toonder gebruik wordt gemaakt of hoeft te worden gemaakt. Om fiscale en verwante redenen wordt bovendien het gebruik van aandelen aan toonder - in of buiten het beursverkeer - in toenemende mate ontoelaatbaar geacht. Op de landen die nog aandelen aan toonder kennen wordt door internationale instanties, zoals de OECD en de FATF, druk uitgeoefend om deze af te schaffen. Gelet op het een en ander wordt op Curaçao, in het daar voorliggend ontwerp tot wijziging van Boek 2 BWC, voorgesteld de aandelen aan toonder af te schaffen. Een zelfde ontwikkeling is gaande in de overige Nederlands-Caribische landen. Afschaffing van aandelen aan toonder wordt ook in Nederland overwogen. In beginsel zou de afschaffing van aandelen aan toonder in de zojuist genoemde landen ertoe kunnen leiden dat ook de BV als rechtsvorm wordt afgeschaft. Dat zou echter in de landen waar die rechtsvorm bestaat tot grote organisatorische en financiële problemen leiden. Mede daarom is het onwaarschijnlijk dat dit in de nabije toekomst zal gebeuren. Voor Suriname ligt echter de keus om naast de NV ook een BV in te voeren open. De ondergetekende is van oordeel dat aan het invoeren van de BV als aparte rechtsvorm voor Suriname geen voordelen zijn verbonden. De voor de BV volgens Boek 2BWC geldende bijzonderheden, die ook voor Suriname van belang zijn, kunnen zonder problemen worden ingelast in de regeling voor de NV. Hierbij kan met name worden gedacht aan de regeling voor de ‘aandeelhouder-bestuurde vennootschap’, waarover meer hierna in het lijstje van ‘niet onbelangrijke verschillen’ onder (3). In aansluiting op het bovenstaande kan met betrekking tot het ontwerp voor de onderscheiden boeken van het Surinaams BW nog het volgende worden opgemerkt. In de Boeken 1 en 3 tot en met 8 is uit praktische overwegingen (raadpleging van rechtspraak en literatuur) zo veel mogelijk de titelindeling en nummering van het Nederlandse voorbeeld gevolgd. Nu echter Boek 2 op de Nederlands- Caribische regelingen is afgestemd, is in Boek 2 vastgehouden aan de daar geldende of voorgenomen titelindeling en nummering, ofschoon deze aanzienlijk afwijkt van de Nederlandse. Dit heeft alles te maken met het gegeven dat juist Boek 2 is afgestemd op Boek 2 BWC en meer in het algemeen op de regelingen voor Boek 2 in de Nederlands-Caribische landen. Onder ogen wordt gezien dat dit niet alleen leidt tot het hierboven aangeduide hiaat in de titelindeling – titel 6 ontbreekt - maar ook tot hiaten in de nummering van de artikelen. Voor de lezer die niet bekend is met de voorgeschiedenis van het Surinaamse Boek 2 kan dit verwarrend zijn. Het grote voordeel van deze opzet is echter dat de vergelijking met de Nederlands-Caribische ‘moedertekst’, en daarmee het raadplegen van literatuur en jurisprudentie, gemakkelijker verloopt. 5. Ook in het voorliggende Surinaamse ontwerp voor Boek 2 zijn dus algemene bepalingen opgenomen in de eerste titel. Deze algemene bepalingen zijn van belang voor de privaatrechtelijke rechtspersonen die in de volgende titels hun regeling vinden. Blijkens artikel 1 lid 1 zijn dat achtereenvolgens: de stichting, de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de naamloze vennootschap. Andere regelingen die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle rechtspersonen van Boek 2 zijn opgenomen in daarop volgende titels. Dit leidt tot het volgende overzicht, waarbij dan meteen per titel de nummering van de artikelen worden aangegeven. De hiaten in de nummering tussen de titels worden daarbij zichtbaar: 2024 -254- No. 164 Titel 1 :Algemene bepalingen (artikel 1 – 36) Titel 2 :De stichting (artikel 50 – 58) Titel 3 :De vereniging (artikel 70 – 89) Titel 4 : De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 90 – 99) Titel 5 : De naamloze vennootschap (artikel 100 – 118) (artikel 127 – 138) (artikel 239 – 243) Titel 6 :Ontbreekt Titel 7 Uitkoop, uittreding en gedwongen overdracht (artikel 250 – 257) Titel 8 Het recht van enquête (artikel 270 – 287) Titel 9 Omzetting, fusie en splitsing (artikel300 – 363) Zoals uit dit overzicht blijkt is een belangrijk verschil tussen de hier voorgestelde regeling en de Nederlands-Caribische ‘moedertekst’ het ontbreken van de rechtsfiguur die in de Nederlands- Caribische wetgeving als Titel 6 is opgenomen en daar als ‘Besloten vennootschap’ wordt aangeduid. 6. Beziet men per titel de nummering van de artikelen dan vallen de hiaten in de nummering tussen de opvolgende titels dadelijk in het oog. Voor het grootste deel komen deze zelfde hiaten oor in de Nederlands-Caribische ‘moedertekst’. Een bijzonder voorbeeld levert intussen op het hiaat binnen de regeling van de NV in titel 5. Daar ontbreken de artikelen tussen artikel 138 en artikel 239. Dit hiaat van precies honderd artikelen vindt zijn oorzaak in de verschuiving, met behoud van de honderd- paralellie, van de regeling voor de ‘aandeelhouder-bestuurde vennootschap’ van de BV-titel naar de NV-titel. Als niet onbelangrijke verschillen tussen de Nederlands-Caribische ‘moedertekst’ en het voorliggende ontwerp voor Suriname zijn dan nog te noemen: (1). In titel 5 (NV) ontbreekt een aparte regeling voor de ‘onafhankelijke raad van commissarissen’. In Boek 2 BWC is deze regeling te vinden in afdeling 7 van titel 5. (2). Onderdeel van de Curaçaose regeling voor de BV is de regeling voor de ‘aandeelhouder- bestuurde vennootschap’ (A.B.V. of ABV), opgenomen in de zevende afdeling van titel 6 BWC. Een gelijkluidende regeling is in het hier voorliggende ontwerp te vinden bij de NV als zesde afdeling van titel 5. De ‘aandeelhouder bestuurde vennootschap’ wordt daar aangeduid als A.N.V. of ANV. (3). Het voorliggende ontwerp voor Suriname bevat in titel 8 een enquêteregeling. Deze regeling is nauwkeurig afgestemd op de regeling in titel 8 van Boek 2 BWC. Een belangrijk verschil is echter dat in het Surinaamse ontwerp enquêtezaken worden aangebracht bij de kantonrechter, met de mogelijkheid van hoger beroep op het Hof. In Curaçao en de andere Nederlands- Caribische landen worden – naar het Nederlandse voorbeeld - enquêtezaken rechtstreeks bij het Hof van Justitie aangebracht. De reden voor dit verschil is dat in Curaçao, anders dan Suriname, beslissingen van het Hof aan de Nederlandse Hoge Raad kunnen worden voorgelegd voor cassatie. Daarmee is de mogelijkheid van een beslissing in twee instanties gewaarborgd. Dat zou niet het geval zijn wanneer in Suriname in deze kwestie het Curaçaose voorbeeld zou worden gevolgd. 7. Ook in andere opzichten verschilt de indeling van Boek 2 van die in Nederland. Zo zijn beduidend meer bepalingen van de afzonderlijke titels overgebracht naar titel 1. Op een aantal punten leidde dit tot vereenvoudiging. In andere gevallen konden daardoor niet goed verklaarbare verschillen in redactie en systeem worden opgespoord en gladgestreken. Vermeld mag tenslotte worden dat de regeling van de stichting niet, zoals in het Nederlands Boek 2, is geplaatst in titel 6 maar in titel 2, onmiddellijk na de algemene bepalingen en voorafgaand aan de overige in Boek 2 geregelde rechtspersonen. Principiële betekenis heeft deze verhuizing niet. Zij is doorgevoerd om praktische redenen. 2024 -255- No. 164 Met betrekking tot de nummering van de artikelen en de indeling in titels kan dan nog het volgende worden opgemerkt. In de Boeken 1 en 3 tot en met 8 is uit praktische overwegingen (raadpleging van rechtspraak en literatuur) zo veel mogelijk de nummering en titelindeling van het Nederlandse voorbeeld gevolgd. Nu echter Boek 2 op de Nederlands-Caribische regeling is afgestemd, is in Boek 2 vastgehouden aan de Nederlands-Caribische nummering en titelindeling, die aanzienlijk afwijkt van de Nederlandse. Daarmee wordt bereikt dat de vergelijking met het nabij liggende Nederlands- Caribische recht gemakkelijker verloopt. Tussen het Nederlands-Caribische en het voorgestelde Surinaamse rechtspersonenrecht bestaan ook belangrijke verschillen. Zo kent het Nederlands-Caribische recht – zoals het Nederlandse recht – naast de rechtsvorm van de naamloze vennootschap (NV), die van de besloten vennootschap (BV). In de Antilliaanse regeling van de BV in Boek 2 wordt voortgebouwd op de per 1 januari 2000 in de Nederlandse Antillen ingevoerde Landsverordening Besloten Vennootschap (Publicatieblad van de Nederlandse Antillen 1999, no. 241). Zoals hierboven uiteengezet wordt voor Suriname vastgehouden aan de NV als enige in Boek 2 te regelen vennootschapsvorm. Op een aantal punten zijn echter eigen oplossingen gekozen. Op die punten wijkt daarom het voorstel voor de Surinaamse regeling niet alleen af van de Nederlandse regeling maar ook van de Nederlands-Caribische regelingen. De regelingen van de stichting (titel 2), de vereniging (titel 3) en die van de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (titel 4) lopen voor een groot deel parallel aan de Nederlands- Caribische zowel als de Nederlandse regelingen. Titel 7 (uitkoop, uittreding en gedwongen overdracht) is nagenoeg gelijk aan de regeling van die onderwerpen in titel 7 BWC. De regeling van het enquêterecht in titel 8 is een vereenvoudigde versie van de Nederlandse regeling in de artikelen 2:344 e.v. NedBW. Titel 9 regelt de omzetting, de fusie en de splitsing. De omzettingsregeling is nagenoeg gelijk aan de Nederlands-Caribische maar verschilt van de Nederlandse. Voor wat betreft de fusie en splitsing geldt het volgende. In de Nederlands-Caribische regeling van deze figuren is destijds de Nederlandse regeling nauwkeurig – afgezien van enkele noodzakelijke aanpassingen – overgenomen. De overweging voor dit nauwkeurig volgen was dat de regelingen voor de fusie en de splitsing een zo technisch karakter hebben dat voor een goed begrip de steun van de Nederlandse rechtspraak en literatuur onontbeerlijk is. Deze zelfde overweging geldt nu voor Suriname. In Suriname is daarom met dezelfde nauwkeurigheid de Nederlands-Caribische regeling op deze gebieden overgenomen. Voor wat betreft de fusie bleek het daarbij mogelijk de nummering van de artikelen (309 tot en met 334) te volgen. Dat is echter niet gebeurd bij de splitsing. De reden is dat destijds de invoering van de splitsing in Nederland heeft geleid tot een nummering die begint met het artikelnummer 334a en eindigt met artikel 334ii. Uit esthetisch en praktisch oogpunt lijkt het niet wenselijk deze nummering aan te houden. Ook voor de splitsingsregeling geldt echter dat deze nauwkeurig op die in Nederland en de Nederlands-Caribische gebieden is afgestemd. 8. Gelet op de hierboven beschreven samenhang met de Nederlands-Caribische regelingen en de daaruit voortvloeiende afwijkingen van de Nederlandse regeling, zal in het onderstaande in het bijzonder melding worden gemaakt van die afwijkingen. Waar nodig zal ook worden gewezen op afwijkingen van de voormalige Antilliaanse regeling. Zoveel mogelijk zal ten slotte worden verwezen naar gelijksoortige of verwante regelingen in de huidige Surinaamse wetgeving. 9. De parlementaire geschiedenis van het Curaçaose nieuwe Burgerlijk Wetboek, inclusief die van Boek 2, is in twee delen laatstelijk uitgegeven in: Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek. Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, ed. Mirto F. Murray, uitgeverij Boom juridisch Den Haag 2016. 2024 -256- No. 164 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN

  670. Artikel 1 In de eerste zin van lid 1 wordt aangegeven dat de in de wet geregelde rechtspersonen zijn ingedeeld in afzonderlijke rechtsvormen. Dit is vooral van belang omdat daarmee samenhangt het verschil tussen statutenwijziging en omzetting. Door statutenwijziging kunnen de voor een bepaalde rechtspersoon geldende regels worden gewijzigd, voor zover de regels van die rechtsvorm dat toelaten. Voor de overstap naar een andere rechtsvorm is de in titel 9 geregelde, zwaardere procedure van omzetting vereist. Zoals in het algemeen gedeelte al werd opgemerkt is lid 2 van artikel 1 de enige bepaling is die tot buiten de in Boek 2 geregelde rechtspersonen reikt. In deze bepaling wordt gesproken van andere rechtsvormen die als rechtspersoon hebben te gelden. In de woordkeuze wordt, duidelijker dan in Nederland, tot uitdrukking gebracht dat het niet het prerogatief is van de wetgever om te bepalen welke lichamen rechtspersoon zijn en welke niet. Uit het systeem van het recht in zijn geheel, waarin de wet een belangrijke rol speelt, moet worden afgeleid of een rechtsvorm als rechtspersoon kan gelden. Daarover beslist uiteindelijk de rechter. In deze context bepaalt het zojuist genoemde lid 2 van artikel 1 dat artikel 3 ook geldt voor de niet in Boek 2 geregelde rechtspersonen. Men zie verder de toelichting op dat artikel. Lid 2 van artikel 1 bepaalt dat de overige bepalingen van de eerste titel analogisch kunnen worden toegepast op andere rechtspersonen, dat wil zeggen: op niet in Boek 2 geregelde rechtspersonen, voor zover het tegendeel niet uit de wet voortvloeit en de aard van de rechtspersoon zich niet daartegen verzet. In de tweede volzin van lid 2 is, om elke twijfel weg te nemen, uitdrukkelijk bepaald dat kerkgenootschappen en godsdienstige gemeenschappen rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals sedert vanouds heeft geldt. De term ‘Kerkgenootschappen en godsdienstige gemeenschappen’ is ontleend aan de Staatsregeling van Suriname van 1948 (artikel 153). Bij twijfel of sprake is van een kerkgenootschap of godsdienstige gemeenschap beslist de rechter uiteindelijk. Analogische toepassing van andere algemene bepalingen dan artikel 3 op publiekrechtelijke rechtspersonen zal over het algemeen niet verenigbaar zijn met de regeling en de aard van die rechtspersonen. Bij de in lid 3 genoemde mogelijkheid van afwijkingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan afwijkingen in of krachtens de statuten. Het woord ‘afgeweken’ moet daarbij ruim worden genomen: ook voor toevoegingen geldt soms dat deze aan daarbij aangegeven regels is gebonden. Als regelingen waarin afwijkingen van de wet kunnen worden vastgelegd worden in dit lid na elkaar genoemd: de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 127 lid 3 en een reglement. Uit de omschrijving van deze regelingen in de leden 5, 6 en 7 blijkt dat het in al deze gevallen moet gaan om een ‘document’, dat wil zeggen een geschrift waarin die regels zijn vastgelegd. Daarmee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat onzekerheid bestaat over de vraag of sprake is van een regeling als bedoeld. Zie in dit verband voor de vennootschappelijke overeenkomst artikel 127 lid 3 onder a. In aansluiting op de omschrijving van de verschillende regelingen wordt in de tweede zin van lid 3 de hiërarchie tussen deze regelingen aangegeven. Deze hiërarchie is vooral van belang voor de toepassing van lid 4. 2024 -257- No. 164 Artikel 2

  671. Artikel 2 volgt tot op zekere hoogte artikel 2:4 NedBW. Een met de tweede zin van lid 2 vergelijkbare bepaling bevat artikel 34 WvK. In de hier voorgestelde bepaling zijn de woorden ‘aan de oprichtingshandeling’ toegevoegd. Dit is gedaan om het misverstand te voorkomen dat het zou gaan - bij de NV – om deelname in het kapitaal. Ook wanneer de deelneming aan de oprichtingshandeling van een of meer oprichters vervalt – door een wilsgebrek bijvoorbeeld – kan de deelneming van de overige oprichters – en daarmee de oprichtingshandeling als zodanig – in stand blijven. Denkbaar is overigens dat in een dergelijk geval wordt geoordeeld dat er sprake is van een ernstig oprichtingsgebrek dat kan leiden tot ontbinding door de rechter op de voet van artikel 24 lid 1 onder b. Anders dan in het Nederlandse voorbeeld wordt voorts in lid 3 de mogelijkheid van legalisering van een ‘niet bestaande rechtspersoon’ vooropgesteld. De Nederlands-Caribische regeling is gelijkluidend. Lid 4 correspondeert met artikel 24 lid 9.

  672. Artikel 3 Lid 1 van artikel 3 is nagenoeg gelijk aan artikel 2:5 NedBW. Gezegd wordt dat een rechtspersoon, wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk staat, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. Aldus wordt in deze bepaling het belangrijkste kenmerk van de rechtspersoon tot uitdrukking gebracht, te weten dat hij als rechtssubject heeft te gelden en als zodanig in het vermogensrecht in beginsel op gelijke voet met de natuurlijke persoon moet worden behandeld. Met het rechtssubject zijn van de rechtspersoon hangt samen dat hij in beginsel aansprakelijk is voor eigen schulden en dat andere rechtssubjecten dat niet zijn, voor zover het tegendeel niet uit de wet voortvloeit, ook al zijn deze andere rechtssubjecten bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken. In Nederland vindt men een op deze gedachte geïnspireerde bepaling bij de regeling voor de NV (artikel 2:64, lid 1) en de BV met beperkte aansprakelijkheid (artikel 2:175, lid 1). Aldus ook artikel 33 WvK. Zij wordt daar betrokken op de aandeelhouders en beperkt tot ‘hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht’. De aan de bepaling ten grondslag liggende gedachte geldt echter algemeen voor alle schulden van de rechtspersoon en voor alle bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken rechtssubjecten. Het lijkt daarom beter deze gedachte in een ruimere formulering in de algemene bepalingen tot uitdrukking te brengen, zoals in lid 2 van artikel 3 is geschied. De regel geldt voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. Hierbij kan worden gedacht aan bepalingen als artikel 16, artikel 24 lid 9, artikel 92, artikel 102 de leden 5, 6 en 7 en artikel 108a.

  673. Artikel 4 Voor de oprichting van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, een stichting, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij en een naamloze vennootschap is een notariële akte van oprichting vereist of een door de overheid verstrekte standaard modelakte waarvan niet kan worden afgeweken. Deze standaard modelakte is in de Surinaamse wetgeving geïntroduceerd bij de Wet van 29 juli 2016 (S.B. 2016 no. 103) voor de naamloze vennootschap en de Wet van 16 januari 2017 (S.B. 2017 no. 3 voor de coöperatieve vereniging. Door de Kamer van Koophandel en Fabrieken is aangedrongen tot uitbreiding naar de vereniging en stichting. Wil men iets afwijkends van de modelakte, dan moet een notariële akte worden gebruikt. Men zie de artikelen 50, 71 lid 3, 73, 90 leden 1 en 2 en artikel 100 lid 2. In lid 1 van artikel 4 wordt dwingend voorgeschreven dat de akte van oprichting wordt verleden in de Nederlandse taal.

  674. Artikel 35 WvK, zoals deze bepaling luidt sedert de wijziging van 2016, maakt het mogelijk dat de akte van oprichting van de NV, met daarin de statuten, wordt verleden in een door de oprichters te kiezen andere taal, ‘mits de notaris deze taal verstaat’. Bij nader overwegen is de overtuiging gerezen dat aan deze bepaling toch grote bezwaren kleven. Nederlandse juridische begrippen laten zich niet zo makkelijk in een andere taal verwoorden. Ook bij een consciëntieuze vertaling zal telkens een grote of kleine verschuiving van de betekenis optreden. Dit kan tot misverstanden aanleiding geven. Hierbij moet ook worden bedacht dat de NV, zoals alle Surinaamse rechtspersonen, niet alleen aan de regeling in Boek 2 onderworpen is maar ook aan andere, al dan niet wettelijk vastgelegde regelingen. Deze 2024 -258- No. 164 andere regelingen zullen over het algemeen in het Nederlands zijn verwoord. Spanning tussen de statutaire regeling en die andere regelingen kan dan gemakkelijk optreden. Tot op zekere hoogte wordt in artikel 35 WvK aan deze bezwaren tegemoet gekomen door het voorschrift dat een door een beëdigd vertaler ondertekende Nederlandse vertaling aan de akte van oprichting moet worden gehecht. Te voorzien is echter dat deze opzet er in voorkomende gevallen toe zal leiden dat een moeilijke keuze gemaakt moet worden tussen de bewoordingen van de vertaling en die van de gekozen taal. Dat zal dan weer problemen van eigen aard opleveren. Om de uiteengezette redenen wordt voorgesteld de bedoelde, voor de NV geldende regeling te laten vervallen. Zoals hierboven werd opgemerkt schrijft lid 1 van artikel 4 dwingend voor dat de notariële akte wordt verleden in de Nederlandse taal. Volgens lid 1 onder a van artikel 4 moet de akte van oprichting de statuten van de rechtspersoon bevatten. Een uitdrukkelijk voorschrift in die zin komt in het WvK niet voor. De term ‘statuten’ is zelfs nergens in het WvK te vinden. Ook in Suriname is het intussen vaste praktijk de ‘fundamentele organisatieregels van de rechtspersoon’ – zie voor deze uitdrukking artikel 1 lid 5 van het voorliggende ontwerp – onder de noemer van ‘statuten’ in de akte op te nemen. Lid 2 geeft een voor de hand liggende nadere bepaling van de term ‘notariële akte’. Lid 3 stemt overeen met de laatste zin van het huidige artikel 35 WvK.

  675. Artikel 5 De inrichting van de op te richten rechtspersoon moet in overeenstemming zijn met de wet. Met betrekking tot de bij notariële akte op te richten rechtspersonen legt artikel 5 lid 1, eerste volzin, de verantwoordelijkheid daarvoor bij de notaris. In aanvulling daarop en op het daarover bepaalde in de Handelsregisterwet legt de tweede volzin van artikel 5 lid 1 op de notaris ook de verplichting om te zorgen voor inschrijving van de rechtspersoon in het handelsregister met gelijktijdige deponering van de daar genoemde documenten. In de praktijk zal de notaris ook zorgdragen dat de overige vereiste inschrijvingen worden verricht (inschrijving van bestuurders en commissarissen bijvoorbeeld), maar een wettelijke verantwoordelijkheid in die zin heeft hij niet. Hij is daarvoor immers afhankelijk van de medewerking die hij van de betrokkenen krijgt. De in lid 1 omschreven verplichting van de notaris laat onverlet de uit de Handelsregisterwet blijkende, op de bestuurders van de rechtspersoon rustende verplichting tot inschrijving. Heeft een bestuurder daaraan voldaan dan is de notaris in zoverre bevrijd. Voor de bestuurders geldt het omgekeerde ingevolge de Handelsregisterwet. In lid 2 komt statutenwijziging ter sprake. Voorgeschreven wordt dat deze ook bij notariële akte geschiedt, met enkele bijkomende bepalingen. Lid 3 van artikel 5 is ontleend aan bepalingen die in Nederland geldende voor respectievelijk de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid (artikel 2:27 lid 5, NedBW) en de stichting (artikel 2:286 lid 5, NedBW). Een soortgelijke bepaling geldt in Nederland niet voor de NV en de BV. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat de oprichting van deze rechtspersonen destijds onderhevig was aan preventief toezicht. Ook in Nederland is echter het destijds bestaande preventieve toezicht uit de wet geschrapt. Hoe dit alles ook zij, er is geen reden om in het Surinaamse recht de regel van lid 3 niet voor alle rechtspersonen te doen gelden.

  676. Artikel 6 In artikel 6 wordt de gedachte gevolgd van HR 24 januari 1997, NJ 1997, 399 dat regels over het handelen namens een op te richten NV of BV op overeenkomstige wijze kunnen gelden voor andere rechtspersonen. Lid 1 komt materieel overeen met artikel 59 WvK. Uitdrukkelijk is bepaald dat de bekrachtiging ook ‘bij’ de oprichting kan plaatsvinden, namelijk door de oprichter of oprichters in de akte van oprichting. 2024 -259- No. 164 Denkbaar is dat aan de akte wordt toegevoegd een verklaring in die zin van de bij de akte benoemde bestuurder. Lid 2 strekt tot bescherming van de wederpartij van degene die namens een op te richten vennootschap handelt. Anders dan in artikel 2:203 lid 2 NBW is bepaald dat, behoudens uitdrukkelijk andersluidend beding, de hoofdelijke verbondenheid na de oprichting en bekrachtiging nog een jaar blijft bestaan. De in Nederland vigerende regel heeft het eigenaardige gevolg dat een wederpartij, die de oprichter in rechte aanspreekt, niet ontvankelijk moet worden verklaard indien de vennootschap vóór het eindvonnis wordt opgericht en de rechtshandeling bekrachtigt. Vgl. Rb Groningen 3 januari 1992, te kennen uit HR 28 maart 1997, NJ 1997, 582 (Hoekstra). Door de verlenging van de aansprakelijkheid met een vervaltermijn van een jaar wordt dit bezwaar ondervangen. Vooral met het oog op duurcontracten lijkt een onbeperkt voortdurende verbondenheid niet verantwoord. Het staat overigens partijen vrij van deze regeling in elke gewenste zin af te wijken, mits dat schriftelijk gebeurt. De hoofdelijk verbonden partijen zijn vóór de bekrachtiging degenen die de rechtshandeling verrichten. Daarbij voegt zich dan door de bekrachtiging de vennootschap. Een bepaling overeenkomstig artikel 2:203 lid 3 NedBW is niet opgenomen. Dat in een situatie als daar omschreven aansprakelijkheid voor schade intreedt, volgt al uit het gemene recht. Ook aan een bepaling als bedoeld in artikel 2:203 lid 4 NedBW bestaat, gelet op de redactie van lid 1, geen behoefte. Artikel 7

  677. Artikel 7 is ontleend aan artikel 2:8 NedBW. De rechtspersoon is niet alleen rechtssubject maar steeds ook, daargelaten de gevallen waarin alle bevoegdheden zijn geconcentreerd bij één persoon, een organisatierechtelijke betrekking. Binnen deze betrekking geldt onder alle omstandigheden artikel 7 als zelfstandige norm. Soms is er ook een contractuele betrekking. Men denke aan de overeenkomst tussen de bestuurder en de rechtspersoon of de aandeelhoudersovereenkomst van artikel 127 lid 3. In dat geval is er sprake van samenloop tussen artikel 7 en artikel 248, Boek 6. Samenloop kan ook optreden met artikel 2, Boek 6. Naar artikel 7 wordt verwezen in artikel 21 lid 3 onder b. Ofschoon het huidige Surinaamse recht geen regeling in deze geest bevat kan niet worden gezegd dat een grote verandering intreedt. Reeds lang wordt in de jurisprudentie aangenomen dat rechtsbetrekkingen als hier bedoeld door de redelijkheid en billijkheid (objectieve goede trouw) worden beheerst, met of zonder verwijzing naar artikel 1359 lid 3 BW (oud).

  678. Artikel 8 De eerste drie leden stemmen overeen met de eerste drie leden van artikel 103 WvK, zoals die bepaling luidt sedert de wetswijziging van 2016. Deze zijn op hun beurt ontleend aan artikel 8 BWC. Dat iedere rechtspersoon een bestuur heeft wordt in lid 1 als hoofdregel vooropgesteld. Lid 2 noemt de taak van het bestuur en de verschillende wegen waarlangs de bestuursbevoegdheid kan worden beperkt. Een uit de wet voortvloeiende beperking van de bestuursbevoegdheid vindt men al dadelijk in lid 4. Voor het bestuur van een informele vereniging vloeit een wettelijke beperking voort uit artikel 73 lid 1. In het algemeen kan worden gedacht aan wettelijke bepalingen die de bevoegdheid ter zake van bepaalde aangelegenheden uitdrukkelijk of primair, toedelen aan een ander orgaan. Zo is ingevolge artikel 104 de algemene vergadering van een NV primair bevoegd om te besluiten tot het uitgeven van aandelen. Uit de statuten voortvloeiende beperkingen vindt men veelal in bepalingen die de voorafgaande goedkeuring van een ander orgaan voor (een besluit tot) het aangaan van bepaalde categorieën van rechtshandelingen voorschrijven. Uitdrukkelijk bepaalt lid 2 dat dergelijke beperkingen ook kunnen voortvloeien uit een krachtens de statuten vastgesteld reglement of een vennootschappelijke overeenkomst. De term ‘voortvloeien’ wordt telkens gebruikt om aan te geven dat beperkingen weliswaar gebaseerd moeten zijn op een van de genoemde regelingen maar niet nauwkeurig door die regeling hoeven te worden bepaald. Zo is geoorloofd dat een statutaire of andere regeling de concrete invulling van een goedkeuringseis overlaat aan een vennootschapsorgaan of een vennootschappelijke functionaris. 2024 -260- No. 164 Bepaalde bevoegdheden die de wet uitdrukkelijk, meestal in de vorm van een verplichting, aan het bestuur toekent, kunnen niet worden beperkt. Te denken is aan de administratieplicht van artikel 15, de voor alle commerciële rechtspersonen geldende verplichting om een jaarrekening op te maken die aan bepaalde normen voldoet (de artikelen 58, 94, 116 en 120), de verplichting van het bestuur van een NV om een aandeelhoudersregister bij te houden (artikel 109), etc. Regelingen als in lid 2 omschreven kunnen ook bepalingen bevatten die een ander orgaan een instructierecht geven. Een ruim geformuleerd instructierecht is niet in strijd met de wet. Instructies die kennelijk ingaan tegen het belang van de vennootschap of de onderneming, hoeft het bestuur niet op te volgen. Dat volgt impliciet uit het hierna nog te bespreken lid 3 van artikel 8 en is in Nederland expliciet zo bepaald voor het bestuur van de BV in artikel 239 lid 4 NedBW. Tenslotte sluit de wet ook niet uit dat bepaalde bevoegdheden, die over het algemeen tot ‘bestuur’ worden gerekend, aan het bestuur worden ontnomen en aan een ander orgaan, de algemene vergadering bijvoorbeeld, worden toegedeeld. Uitgesloten is dat slechts bij de hierboven aangeduide bevoegdheden, die door de wet dwingendrechtelijk aan het bestuur zijn toegedeeld. In het systeem van de wet ligt wel besloten dat het totaal aan beperkingen niet zover mag gaan dat van een zelfstandige bestuursbevoegdheid, ook buiten het dwingendrechtelijk aan het bestuur toegekende terrein, niets meer overblijft. De laatste volzin van lid 2 berust op de gedachte dat het bestuur als college optreedt en uiteindelijk als college verantwoordelijkheid draagt. Op deze gedachte berust ook artikel 14 lid 3. Lid 3 van artikel 8 bepaalt dat het bestuur zich moet richten naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. Over de vraag wat moet worden verstaan onder het belang van de vennootschap, c.q. de onderneming, bestaat in Nederland veel discussie. Naar de mening van de ondergetekende moet dit belang iedere keer opnieuw worden bepaald door het bestuur door afweging van alle in aanmerking komende belangen, deelbelangen en het belang van de continuïteit daaronder begrepen, alles binnen het kader van de wet en de statuten. De uit lid 3 voortvloeiende verplichting is dus primair een verplichting tot verantwoorde besluitvorming. Zij kan in die zin worden gezien als een ‘overriding obligation’, die de betrekkelijke autonomie van het bestuur op cruciale momenten versterkt. Voor wat betreft de positie van commissarissen mag hier worden verwezen naar de toelichting op artikel 19. Lid 4 stemt overeen met lid 4 van artikel 8 Boek 2 BWC. Lid 5 stemt overeen met lid 4 van artikel 103 WvK en lid 5 van Boek 2 BWC. Het beoogt de ingewikkelde discussie over de verhouding tussen de rechtspersonenrechtelijke (vennootschapsrechtelijke) en de arbeidsrechtelijke positie van bestuurders, zoals deze in Nederland wordt gevoerd, te vereenvoudigen. De bepaling verhindert niet dat de betrokken partijen in hun overeenkomst bepaalde of alle privaatrechtelijke bepalingen inzake de arbeidsoverkomst van overeenkomstige toepassing verklaren. Voor de rechter kunnen daarnaast de bepalingen aangaande opdracht een bron van inspiratie zijn. Opgemerkt mag ook worden dat de bepaling niet verhindert dat de bestuurder in dienst is van een andere rechtspersoon, van een groepsmaatschappij bijvoorbeeld. Lid 6 hangt samen met lid 5. Omdat de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon niet kan gelden als een arbeidsovereenkomst, is artikel 36 van de Faillissementswet 1935 (vgl. art. 40 NedFw) niet van toepassing. Anderzijds geldt de ook in Nederland aanvaarde regel dat de bestuurder niet als zodanig door de curator kan worden ontslagen. Op dit punt blijft het in aanmerking komende rechtspersonenrechtelijke orgaan bevoegd. Een vraag is dan of de vergoedingen waarop de bestuurder aanspraak kan maken voor rekening van de boedel zijn. In de Nederlandse rechtsliteratuur wordt aangenomen dat dit niet zo is wanneer geen sprake is van een arbeidsverhouding. Die opvatting wordt hier gevolgd. Een overweging hierbij is dat de beheerstaken en de daarmee samenhangende taken vanaf de dag van het faillissement door de curator worden vervuld en aan de bevoegdheid van het bestuur zijn onttrokken. De nog overblijvende taken zullen over het algemeen beperkt zijn. De rechter- commissaris kan echter anders beslissen. Daarvoor kan aanleiding zijn wanneer het in het belang van de boedel is dat de bestuurder zijn voor vergoeding vatbare werkzaamheden nog gedurende enige tijd voortzet. 2024 -261- No. 164 Lid 7 verklaart de regeling van overeenkomstige toepassing bij leden van andere organen. Opgemerkt zij nog dat het niet de bedoeling is dat door de werking van lid 5 enige verandering intreedt in de fiscale positie van de bestuurder of op het gebied van de sociale verzekeringen.

  679. Artikel 9 Lid 1 van deze bepaling veralgemeent een processuele bepaling uit het vennootschapsrecht. Vgl. artikel 108 WvK. Dat een rechtspersoon geen statutaire zetel heeft kan in het bijzonder voorkomen bij de informele vereniging. Vgl. artikel 72 lid 1. Geschillen tussen bij de vennootschap betrokken personen lenen zich in veel gevallen voor arbitrage of bindend advies. Lid 2 stelt buiten twijfel dat de betrokkenen door een statutaire clausule aan een regeling als daar omschreven kunnen worden gebonden.

  680. Artikel 10 De eerste twee leden stemmen overeen met de twee leden van artikel 104 WvK, zoals deze bepaling luidt sedert de wetswijziging van 2016. Lid 1 neemt de van de bestuursbevoegdheid geabstraheerde vertegenwoordigings-bevoegdheid tot uitgangspunt. Het gaat daar om de vraag wie uiteindelijk de noodzakelijke vertegenwoordigingshandeling mag stellen, ook al is het betrokken orgaan of de betrokken functionaris, gelet op de interne bestuurlijke organisatie, vooralsnog niet gerechtigd om van die bevoegdheid gebruik te maken. Uit lid 1 blijkt dat deze geabstraheerde bevoegdheid toekomt aan het bestuur, en in beginsel ook aan iedere bestuurder. Zoals de tekst van lid 1 aangeeft kan deze geabstraheerde vertegenwoordigingsbevoegdheid door de wet of de statuten worden beperkt. Een beperking in de wet is te vinden in artikel 11 lid 1, dat in de daar genoemde gevallen van tegenstrijdig belang de raad van commissarissen tot vertegenwoordiging bevoegd verklaart. Aanvullende beperkingen kunnen in de statuten, een krachtens de statuten vastgesteld reglement of een vennootschappelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 127 lid 3 worden opgenomen. Ook de abstracte vertegenwoordigingsbevoegdheid van individuele bestuurders kan worden beperkt. Dit soort beperkingen vindt men veelal in deze vorm dat voor alle of bepaalde categorieën van rechtshandelingen de medewerking van twee of meer bestuurders wordt geëist. Lid 2 stelt buiten twijfel dat beperkingen in de bestuursbevoegdheid doorwerken in de vertegenwoordigingsbevoegdheid zoals deze in concrete gevallen heeft te gelden. Desgewenst kan men hier spreken van een indirecte beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Bij beperking van de in beginsel aan iedere bestuurder toekomende vertegenwoordigingsbevoegdheid door een bestuursbesluit – vgl. artikel 8 lid 2, slot – kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een besluit om een overwogen transactie niet aan te gaan. Lid 3 bepaalt onder a dat beperkingen als bedoeld in de leden 1 en 2, dus zowel directe als indirecte beperkingen, voor zover de statuten dat niet uitsluiten, kunnen worden tegengeworpen aan een wederpartij die van de beperking op de hoogte was of zonder onderzoek op de hoogte ‘moest’ zijn. In dat geval hebben derhalve deze beperkingen ‘externe werking’. De woorden ‘zonder eigen onderzoek’ zijn ingevoegd om duidelijk te maken dat in dit geval, anders dan uit toepassing van artikel 3:11 BW zou kunnen volgen, de onderzoekplicht van de wederpartij beperkt is. Met het woord ‘moest’ wordt immers een striktere toets aangegeven dan met het in artikel 3:11 BW gebruikte woord ‘behoren’, dat wil zeggen een toets waarbij de wederpartij sneller ‘te goeder trouw’ kan worden geacht. Men zie in dit verband ook artikel 13, waarin ten aanzien van de externe werking van doeloverschrijding in lid 2 een gelijkluidende toets wordt voorgesteld. 2024 -262- No. 164 Gaat het om een beperking waarvan blijkt uit het handelsregister, dan is lid 3 onder b van toepassing. Het criterium is dan dat de wederpartij door raadpleging van het handelsregister van de beperking op de hoogte ‘kon’ zijn. Gedacht is aan beperkingen waarvan onomwonden uit het handelsregister blijkt, zoals een ‘meer handtekeningen clausule’ of een bepaling die voor het aangaan van bepaalde rechtshandelingen de goedkeuring van een vennootschapsorgaan eist. Hij wordt niet beschermd, behoudens toepassing van lid 4 of lid 5. Lid 4 is ingegeven door de gedachte dat het voor de wederpartij van belang is in een relatief vroeg stadium zekerheid te krijgen over de vraag of een bekende of mogelijke beperking een belemmering voor het doorgaan van een (voorgenomen) transactie zal opleveren. Een rol speelt hierbij dat het voor de wederpartij dikwijls moeilijk is na te gaan of een beperking, die in principe ingevolge lid 3 aan haar kan worden tegengeworpen, in casu reële betekenis heeft. Geen reële betekenis heeft bijvoorbeeld een beperking dat de goedkeuring vereist is van de prioriteit of de raad van commissarissen wanneer geen prioriteitsaandelen in omloop zijn of geen commissarissen in functie zijn. Geen reële betekenis behoort ook een goedkeuringsvereiste te hebben wanneer de handelende bestuurder (als meerderheidsaandeelhouder of anderszins) het in de hand heeft die beperking op te heffen. Denkbaar is voorts dat het bestuur of de bestuurder al weet dat de beperking geen reële betekenis heeft omdat tevoren overleg is gepleegd met iemand die ten aanzien van het inroepen van de beperking beslissende invloed heeft. Wordt een – schriftelijke, zie lid 6 - verklaring in de zin van lid 4 gevraagd, dan is het aan het bestuur of de aangesproken bestuurder om uit te maken of het afgeven daarvan verantwoord is. Blijkt achteraf dat een of meer bestuurders in dit opzicht roekeloos hebben gehandeld, dan is denkbaar dat aan hen in hun verhouding tot de vennootschap onbehoorlijk bestuur kan worden verweten. De zin van lid 4 is dat dit voor de geldigheid van de transactie niet uitmaakt, ook al kan worden aangetoond dat de wederpartij niet aan het in casu toepasselijke, in lid 3 omschreven criterium voor goede trouw voldeed. Alleen in apert onredelijke gevallen – te denken is aan samenspanning tussen een bestuurder en de wederpartij met de bedoeling de rechtspersoon te benadelen – zou men met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid (artikel 6:2, lid 2, BW) tot een andere slotsom kunnen komen. Met betrekking tot lid 5 mag worden opgemerkt dat het bepaald niet is bedoeld om voor de wederpartij van de rechtspersoon alsnog een onderzoeksplicht te scheppen. De gedachte die aan dit lid ten grondslag ligt is dat de wederpartij weliswaar geen onderzoeksplicht heeft (behalve dan ten aanzien van eventuele inschrijvingen in het handelsregister) maar dat zij er niettemin belang bij kan hebben om precies te weten hoe de vork in de steel zit. Gaat het om een belangrijke transactie, dan kan het voor de wederpartij weinig aantrekkelijk zijn om in zee te gaan met een bestuur dat (vooralsnog) naar de intern geldende regels niet bevoegd is de rechtspersoon te binden, ook al kunnen de daaruit voortvloeiende beperkingen, omdat de wederpartij daarvan niet op de hoogte is of moet zijn, niet aan haar worden tegengeworpen. In een dergelijk geval dreigt immers het gevaar dat de rechtspersoon, ook al kan hij tenslotte daartoe worden gedwongen, bij de uitvoering van de transactie weinig toeschietelijk zal zijn. De door het bestuur af te geven – schriftelijke, zie lid 6 - verklaring kan inhouden dat een bestaande beperking inmiddels is opgeheven, bijvoorbeeld omdat een vereiste goedkeuring is gegeven. Op een dergelijke verklaring zal de wederpartij ingevolge lid 4 zonder meer mogen afgaan. De uit lid 5 voortvloeiende verplichting van het bestuur is overigens beperkt tot de (overwegend) feitelijke vraag of er sprake is van een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid en zo ja, wat de aard daarvan is. Tot een uitspraak over de meer algemene, zuiver juridische vraag of de vennootschap door de in het geding zijnde rechtshandeling wordt verbonden, hetgeen onder meer afhangt van de vraag of de vennootschap als zodanig bevoegd is de handeling te verrichten, is het bestuur niet verplicht. De bevoegdheid om zo’n uitspraak te doen komt het bestuur ook niet toe. Zo zal de verklaring van het bestuur dat het bevoegd is aan een wederpartij aandelen aan toonder uit te geven – artikel 100 lid 1 bepaalt het tegendeel – in het kader van artikel 10 lid 4 of lid 5 geen betekenis hebben. Hetzelfde geldt voor een verklaring van het bestuur van een stichting dat het bevoegd is afstand te doen van een beroep op doeloverschrijding, vgl. artikel 13 lid 2. Hetzelfde geldt ook voor het bestuur van een ‘informele’ vereniging dat het bevoegd is met een wederpartij een transactie tot verkrijging van een registergoed aan te gaan, vgl. artikel 73. 2024 -263- No. 164 Aan het bestuur wordt in lid 5 een redelijke termijn gegund om de gevraagde verklaring af te leggen. Zijn er geen bijzonderheden dan kan die termijn heel kort zijn. Soms zal de termijn echter langer zijn, bijvoorbeeld wanneer de feitelijke of juridische situatie ingewikkeld is. De wederpartij die op lid 5 een beroep wil doen, zal er verstandig aan doen het bestuur een bepaalde, redelijke termijn te stellen. Ontvangt de wederpartij, wanneer zij binnen de redelijke termijn, zoals deze eventueel door haar is verlengd, geen verklaring, dan moet zij de rechtshandeling ‘onverwijld’ als ongeldig van de hand wijzen, wil zij bevrijd zijn. Aldus de slotwoorden van de tweede zin van lid 5. Goed denkbaar is dat een verklaring in de zin van lid 4 of van lid 5, eerste zin, al vóór of bij het aangaan van de transactie wordt gevraagd. Te verwachten is dat dit met name zal voorkomen in verhoudingen waarin de Amerikaans georiënteerde opiniepraktijk een rol speelt. Wordt de gevraagde verklaring in de zin van lid 4 geweigerd of is de verklaring op grond van lid 5, eerste volzin, niet bevredigend, dan heeft de wederpartij de mogelijkheid alsnog van de transactie af te zien. De voorlaatste volzin van lid 5 ziet op het geval dat een bepaalde voorwaarde nog moet worden vervuld. De in deze volzin bedoelde termijnstelling richt zich tot de rechtspersoon als zodanig. De gevraagde verklaring zou dus in beginsel moeten worden afgegeven door het bestuur. Uit het bepaalde in lid 4 volgt echter dat de wederpartij ook mag afgaan op een verklaring van een individuele bestuurder. In aansluiting hierop wordt in de nu besproken laatste volzin van lid 5 ook de individuele bestuurder genoemd. Blijkens lid 6 moet de af te geven verklaring op schrift worden gesteld. Een mondelinge verklaring is niet voldoende om te voorkomen dat de wederpartij zich aan de transactie onttrekt. Men lette echter op de tweede volzin van lid 6. Redelijkheid en billijkheid spelen een rol bij de vraag of de gegeven aanvulling of verduidelijking het beoogde rechtsgevolg alsnog doet intreden. Tot goed begrip mag dan nog het volgende worden opgemerkt. De hier toegelichte regeling ligt in grote lijnen in het verlengde van artikel 3:57 BW. Anders dan die regeling is zij echter van dwingend recht. Enige verwantschap vertoont de regeling ook met artikel 3:71 lid 1, BW. Een belangrijk verschil met die bepaling is dat in casu niet om bewijs van bevoegdheid wordt gevraagd maar om een ‘bevestiging’ in de vorm van een verklaring dat een beperking is opgeheven. Een belangrijk verschil is ook dat de verklaring niet wordt gegeven door het orgaan dat daarover zeggenschap heeft maar door het bestuur of een bestuurder, eventueel door de bestuurder die gehandeld heeft zelf. Overwegingen van praktische hanteerbaarheid hebben hierbij een rol gespeeld. In dit verband mag worden bedacht dat een tot opheffing van een beperking bevoegd orgaan, zoals de prioriteit, de algemene vergadering of de raad van commissarissen, dikwijls geen bepaalde woordvoerder of eigen adres heeft. Was volgens de interne regeling goedkeuring vooraf vereist, dan kan een goedkeuring achteraf daarvoor in de plaats komen. De goedkeuring achteraf kan worden geduid als een bekrachtiging in de zin van artikel 3:69 BW. Opgemerkt mag tenslotte worden dat lid 5 ook toepassing kan vinden wanneer het gaat om een uitdrukkelijk onder voorbehoud van goedkeuring of het vervuld zijn van een andere voorwaarde verrichte rechtshandeling.

  681. Artikel 11 Deze bepaling geeft een regeling voor de besluitvorming en vertegenwoordiging in de daar genoemde gevallen van tegenstrijdig belang. Artikel 124 WvK bevat een voor de NV geschreven, op alle gevallen van tegenstrijdig belang, maar dan alleen op vertegenwoordiging betrekking hebbende regeling. Deze regeling, die destijds ook in Nederland bestond en daar tot veel onzekerheid heeft geleid, is niet overgenomen. Lid 2 van artikel 11 geeft echter volledige vrijheid om deze kwestie anders te regelen. Daarbij kan ook gekozen worden voor de thans krachtens artikel 124 WvK geldende regeling. 2024 -264- No. 164

  682. Artikel 12 Lid 1 beoogt te bevorderen dat de vennootschap niet geheel zonder besturend orgaan komt te zitten. Lid 2 opent de mogelijkheid voor een statutaire bepaling aangaande het aanwijzen van plaatsvervangende bestuurders. De positie van een plaatsvervangend bestuurder is in beginsel afhankelijk van die van de bestuurder voor wie hij als vervanger optreedt.

  683. Artikel 13 Lid 1 bevat een instructie die primair gericht is tot de organen van de rechtspersoon. Treedt het bestuur buiten de statutaire doelomschrijving dan is er in beginsel sprake van onbehoorlijke taakvervulling. Een besluit dat in strijd is met de statutaire doelomschrijving wordt krachtens artikel 21 lid 1 getroffen met nietigheid. Tenzij de statuten dat uitsluiten – bij de stichting kan dat niet – is tegenover derden een door de goede trouw van de derde beperkt beroep op doeloverschrijding mogelijk. Aldus lid 2. Het criterium voor ‘goede trouw’ van de wederpartij sluit aan bij dat van artikel 10 lid 3 onder a. Een bepaling als die van artikel 10 lid 3 onder b ontbreekt. Het enkele feit dat een afwijkende doelomschrijving in het handelsregister is gepubliceerd, is dus niet voldoende om een beroep op doeloverschrijding mogelijk te maken. Een rol speelt hierbij dat doelomschrijvingen in de praktijk heel ruim plegen te zijn en voor een derde dikwijls weinig houvast opleveren. Met de gekozen formulering wordt het in de EG vigerende systeem, dat ook buiten Suriname in de Caricom-landen gangbaar is, gevolgd. Lid 3 stelt buiten twijfel dat de rechtspersoon, die geen stichting is, een met doeloverschrijding verrichte rechtshandeling kan bevestigen of – wat materieel op hetzelfde neerkomt – afstand kan doen van een beroep op doeloverschrijding. Voor wat betreft bevestiging sluit deze bepaling aan op artikel 3:55 lid 1, BW. Bij de stichting, die dikwijls in het leven wordt geroepen door afzondering van een bepaald vermogen voor een bepaald doel, kan echter geen sprake zijn van bevestiging of afstand. De statuten kunnen wel wijziging van de doelomschrijving toelaten (artikel 51 lid 2). Is dat niet het geval of gebeurt dat niet, dan moet de doelomschrijving worden gerespecteerd, behoudens het bepaalde in artikel 53. De bevoegdheid om over bevestiging of afstand te beslissen komt bij rechtspersonen die geen stichting zijn toe aan de algemene vergadering. Desgewenst kan de algemene vergadering het bestuur, een bestuurder of een andere persoon daartoe machtigen. Op de gronden aangegeven in de toelichting op artikel 10 lid 4 wordt die bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard op doeloverschrijding door rechtspersonen die geen stichting zijn. Op de vernietiging wegens doeloverschrijding zijn overigens de artikelen 3:49 e.v. B.W. in beginsel van toepassing. Men zie aldaar. Van belang is onder meer artikel 3:55 B.W. Lid 2 van deze bepaling kan ook bij de stichting een rol spelen, zij het dat bij de stichting bevestiging niet mogelijk is. Artikel 14

  684. Artikel 14 vervangt artikel 106 WvK zoals deze bepaling luidt sedert de wijziging van 2016. De nu voorgestelde tekst wijkt op onderdelen af van artikel 106 WvK. Hij is gelijk die van artikel 2:14 BWC. Een naar de strekking gelijke bepaling is ook te vinden in artikel 2:9 NedBW. Lid 1, dat in alle zojuist genoemde teksten is terug te vinden, maakt duidelijk dat het in artikel 14 gaat om de ‘interne’ verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Lid 2 maakt, voor het geval het bestuur uit twee of meer personen bestaat, een taakverdeling mogelijk. Lid 3 loopt vooruit op de in lid 4, eerste twee zinnen, geaccentueerde collectieve verantwoordelijkheid en de daarmee samenhangende hoofdelijke aansprakelijkheid. 2024 -265- No. 164 De slotzin van lid 4 bevat een zorgvuldig geformuleerde regeling van de voor iedere bestuurder, de enig bestuurder daaronder begrepen, openstaande mogelijkheid van disculpatie. De in art. 107 WvK beschreven mogelijkheid tot matiging van de schade is niet overgenomen. Niet ondenkbaar is echter dat in voorkomende gevallen artikel 6:109 BW toepassing vindt. In lid 5 wordt de situatie onder ogen gezien dat de rechtspersoon in staat van faillissement komt te verkeren. De curator procedeert formeel namens de rechtspersoon maar treedt daarbij op, primair, in het belang van de crediteuren. Een beroep op kwijting of verrekening behoort dan aan de bestuurder niet toe te komen. Aldus lid 6. Artikel 15

  685. Artikel 15 is gelijk aan artikel 15 BWC. De oorsprong van de bepaling is te vinden in de artikelen 2:10 en 2:10a NedBW. De in lid 1 omschreven administratieplicht rust op het bestuur als zodanig. Bestaat het bestuur uit meer dan een persoon dan is hier als dadelijk sprake van collectieve verantwoordelijkheid. Dit sluit niet uit dat een van de bestuurders hierbij een centrale rol vervult maar impliceert, naast de verplichting van de betrokkene om de andere bestuurders op de hoogte te houden, een verplichting van die andere bestuurders om zich op de hoogte te houden van gang van zaken. Men zie in dit verband ook lid 6. De in lid 2 genoemde termijn van zes maanden correspondeert met de termijn genoemd in de Wet op de Jaarrekening. Bij de rechtspersonen waarvoor deze Wet op de Jaarrekening geldt kan intussen de termijn voor het opmaken van de jaarrekening door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd met ten hoogste zes maanden. De verlenging kan desnoods achteraf geschieden. Daarmee moet wel voorzichtigheid worden betracht. De algemene vergadering dient zich in elk geval rekenschap te geven van de vraag of er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, zoals de Wet op de Jaarrekening eist. Lid 3 legt op het bestuur een bewaarplicht. Dit lid wordt van overeenkomstige toepassing verklaard in de artikelen 2:94 lid 5, 97 lid 1 onder b, 104 lid 1 en 133 lid 4 voor de in die bepalingen bedoelde stukken. Te denken is ook aan de ‘bijhoudplicht’ van artikel 2:109 (aandeelhoudersregister), die een bewaarplicht impliceert, ook wanneer het register overeenkomstig lid 5 onder a onder verantwoordelijkheid van het bestuur door een derde wordt bijgehouden. In lid 4 wordt tegemoet gekomen aan de in de praktijk gevoelde behoefte om de bewaarde gegevens elektronisch op te slaan. Lid 5 is opgenomen om te voorkomen dat het boekjaar zonder enige formaliteit wordt aangepast om de uitkomst van een boekjaar te beïnvloeden. Lid 6 regelt het inzagerecht van alle bestuurders. Artikel 133 lid 6 opent de mogelijkheid dit inzagerecht ter zake van de daar bedoelde stukken geheel of gedeeltelijk aan het bestuur te onthouden. In de laatste zinsnede van artikel 15 lid 6, wordt hiermee rekening gehouden. Artikel 16

  686. Artikel 16 is inhoudelijk gelijk aan artikel 2:16 BWC en aan artikel 116 WvK, zoals deze bepaling luidt sedert de wetswijziging van 2016. In grote lijnen is zij ook gelijk aan de Nederlandse regeling in artikel 2:138 NedBW en het daaraan gelijkluidende artikel 2:248 NedBW. Met die regeling is in Nederland sinds 1987 ervaring is opgedaan. Van die ervaring en de in verband daarmee ontwikkelde jurisprudentie kan worden geprofiteerd. Op de verschillen met de Nederlandse regeling moet dan wel worden gelet. Die verschillen, waarvan een aantal neerkomen op een verzachting van de regeling, worden hierna toegelicht. Daarbij wordt verwezen naar het voor de Nederlandse NV geldende artikel 2:138 NedBW. 2024 -266- No. 164 Lid 1 van artikel 16 komt materieel overeen met lid 1 van artikel 2:138 NedBW. Uitsluitend ter verduidelijking wordt dadelijk het woord ‘tekort’ geïntroduceerd, dat ook in de leden 7 en 8 voorkomt. Verder wordt in dit lid, zoals in het gehele artikel, niet gesproken van onbehoorlijke taakvervulling maar van onbehoorlijk bestuur. Aan deze laatste term wordt om verschillende redenen de voorkeur gegeven. Een overweging is dat de aansprakelijkheid van artikel 16 in beginsel een aansprakelijkheid tegenover de crediteuren is, niet tegenover de vennootschap. De term ‘taakvervulling’ ziet meer op de verhouding tot de vennootschap. Zij wordt dan ook gebruikt in artikel 14. Een tweede reden is dat de Nederlandse terminologie, waarin beslissend is dat ‘het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld’ aanleiding heeft gegeven tot de gedachte dat bij een meerhoofdig bestuur kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door een van de bestuurders niet door artikel 2:138 worden bestreken. Ofschoon voor deze gedachte grammaticale en systematische argumenten kunnen worden aangevoerd, wordt over het algemeen de bepaling niet zo begrepen. Ook de Nederlandse wetsgeschiedenis wijst niet in die richting. Hoe dat ook zij, de hier in artikel 16 gekozen tekst maakt duidelijk dat het gaat om ‘onbehoorlijk bestuur’, onverschillig welke bestuurder of daarmee gelijkgestelde persoon - zie lid 9 - zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Ook in lid 2 zijn ten opzichte van de Nederlandse regeling enkele wijzigingen aangebracht. In de eerste plaats wordt voor het intreden van de wettelijke vermoedens van dat lid, naast de overtreding van de administratieplicht, niet de overtreding van de publicatieplicht als criterium gesteld, maar de overtreding van de verplichting de jaarrekening tijdig op te maken. Die verplichting kent het hier voorliggende voorstel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 94) en voor de NV (artikel 116). Een publicatieplicht kent het voorstel niet. In de tweede plaats is verduidelijkt de ook in Nederland geldende maar in de Nederlandse tekst slecht verwoorde idee dat bij overtreding van de administratieve plichten het vermoeden geldt dat het bestuur ook voor het overige zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Prijsgegeven is echter de in de Nederlandse tekst in de woorden ‘heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld’ tot uitdrukking gebrachte regel dat dit vermoeden onweerlegbaar zou zijn. In de praktijk is gebleken dat deze opzet het systeem erg ingewikkeld maakt. Zo brengt volgens HR 20 mei 1988, NJ 1989, 676 de onweerlegbaarheid van het vermoeden mee dat bij overtreding van de administratieplicht (of publicatieplicht) zonder meer als vaststaand moet worden aangenomen dat ieder van de bestuurders zijn taak ook voor het overige onbehoorlijk heeft vervuld en dit lijkt te impliceren dat geen van de bestuurders meer een beroep kan doen op de disculpatieregeling van 2:138 lid 3, NedBW. Erg redelijk is deze uitkomst niet. Ook in andere opzichten leidt het Nederlandse systeem tot verwarrende gedachten. Naast het onweerlegbare vermoeden van onbehoorlijk taakvervulling is er immers in een geval als bedoeld volgens de Nederlandse tekst ook sprake van het weerlegbare vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Niet aanstonds duidelijk is echter hoe een bestuurder dit vermoeden kan weerleggen wanneer de curator niet hoeft uit te leggen waaruit die wettelijk vaststaande onbehoorlijke taakvervulling, ook voor het overige, bestaat. Nu heeft weliswaar de Hoge Raad voor dit dilemma, op het voetspoor van de wetsgeschiedenis, een redelijke oplossing gevonden (zie HR 30 november 2007, NJ 2008, 91), maar de constructie van het onweerlegbaar vermoeden - in feite een fictie - blijft onbevredigend. Naar het oordeel van de ondergetekende is zij ook overbodig. Lid 2 van artikel 16 wijkt daarom ook op dit punt af van de Nederlandse tekst. Duidelijk wordt gemaakt dat ook het vermoeden van onbehoorlijk bestuur - dus niet alleen het vermoeden dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement - weerlegbaar is. Verwacht wordt dat de bepaling door deze wijziging minder bezwarend voor de bestuurders en gemakkelijker toepasbaar zal zijn. In lid 3 wordt de op onbehoorlijk bestuur te onderzoeken periode beperkt tot drie jaar voorafgaande aan het faillissement. Aldus ook lid 6 van de Nederlandse regeling In de hier voorgestelde regeling beperken daarop aansluitende bepalingen de werking van de bewijsvermoedens van lid 2. 2024 -267- No. 164 Lid 4 bevat een disculpatieregeling. Deze verschilt in zoverre van de Nederlandse dat expliciet wordt verwezen naar de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke de aangesproken bestuurder in functie is geweest. Eenzelfde tournure vindt men in artikel 14 lid 4. Voor de vraag welke taken tot die van een bepaalde bestuurder moeten worden gerekend, moet gekeken worden naar lid 2 van artikel 14. In Nederland wordt veelal in twijfel getrokken dat verwijzing naar de taakverdeling een grond tot disculpatie kan opleveren. In lid 5 wordt een regel gegeven die in Nederland niet geldt. Ook hier is dus sprake van een verzachting. Gedacht is aan de bestuurder, die op grond van de bestaande taakverdeling geen bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de administratie of het opmaken van de jaarrekening en die, ondanks krachtig en frequent aandringen, er niet in is geslaagd de situatie in overeenstemming te brengen met de wet. Verder aan het geval dat een bestuurder die formeel wel verantwoordelijk is, ondanks krachtig en frequent aandringen, niet de beschikking heeft gekregen over de noodzakelijke gegevens. In dit soort gevallen is het niet redelijk de bestuurder met het vermoeden van lid 2 te belasten. Het moet overigens duidelijk zijn dat deze toestand niet onbeperkt kan voortduren. Er zal een tijdstip komen - een algemene regel is daarvoor niet te geven - dat de bestuurder als zodanig moet aftreden, wil lid 2 niet tegen hem gaan werken. In lid 6 is de matigingsbevoegdheid van de rechter ruimer geformuleerd dan in lid 4 van artikel 2:138 NedBW. In lid 7 wordt verwezen naar de schadestaatprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij de formulering van lid 8 is gedacht aan het geval dat een crediteur van de rechtspersoon zelf schuld heeft aan het faillissement. Te denken is bijvoorbeeld aan een kredietverschaffer die in strijd met de redelijkheid en billijkheid het krediet abrupt heeft beëindigd. Zie in dit verband ook de voordracht van P. van Schilfgaarde in ‘Knelpunten in de vennootschapswetgeving’, Monografieën vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 24, (1995), p. 1 e.v. De leden 8, 9 en 12 komen materieel overeen met de leden 6 tot en met 8 van artikel 2:138 NedBW. Bij de term ‘als ware hij bestuurder’ in lid 9 van artikel 16 moet in de eerste plaats worden gedacht aan iemand die, ofschoon hij geen bestuurder is, zich feitelijk als bestuurder gedraagt. Maar ook degene die, door het geven van instructies, bevoegd of onbevoegd, met een zekere regelmaat een bepaald beleid afdwingt, heeft als beleidsbepaler of mede-beleidsbepaler in de zin van lid 9 te gelden. Gedacht kan worden aan een bij de moeder werkzame concernfunctionaris, een uitzonderlijk dominante aandeelhouder of commissaris, maar ook aan een geheel buiten de organisatie van de rechtspersoon of de groep waartoe de rechtspersoon behoort staande persoon, die dominante invloed op het bestuur of een bestuurder uitoefent. In – toevallig ook - artikel 138 van de hier voorgestelde regeling wordt voor de NV de positie van de (mede)beleidsbepaler, zoals die is bepaald in artikel 16, lid 9 tot buiten de grenzen van het faillissement veralgemeniseerd. In lid 9, slot van de eerste zin, komt het handelen van een oprichter ter sprake. Deze zinsnede is geïnspireerd op de slotzin van artikel 2:93 lid 4 NedBW. De tweede zin van lid 9 geeft een ruimere vrijstelling dan de overeenkomstige bepaling in lid 7 van artikel 2:138 NedBW. Daaronder valt bijvoorbeeld ook de op de voet van artikel 276 lid 3 onder c aangestelde tijdelijke bestuurder of commissaris. Bepalingen in de geest van de leden 9 en 10 van artikel 2:138 NedBW zijn niet opgenomen. Het nut van genoemd lid 9 kan worden betwijfeld. Lid 10 van de Nederlandse regeling leidt tot onnodige en weinig productieve overheidsbemoeienis. 2024 -268- No. 164 In lid 10 wordt de toepasselijkheid van de regeling op andere rechtspersonen dan de naamloze vennootschap beperkt tot ‘commerciële’ rechtspersonen. Daaronder vallen de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. De stichting en de vereniging vallen er meestal niet onder. Lid 11 is ontleend aan artikel 5 van de Nederlandse Wet Conflictenrecht Corporaties. Lid 12 is materieel gelijk aan lid 8 van artikel 2:138 NedBW.

  687. Artikel 17 Deze bepaling is inhoudelijk gelijk aan lid 1 van artikel 116a WvK, zoals die bepaling luidt sedert de wetswijziging van 2016. Dit lid is gelijk aan lid 1 van artikel 17 BWC en artikel 2:11 NedBW.

  688. Artikel 116a WvK en artikel 17 BWC kennen ook een tweede lid. Dit tweede lid is destijds in die bepalingen opgenomen ofschoon het in artikel 2:11 NedBW ontbreekt. Aangenomen werd dat de Nederlandse Hoge Raad, ondanks dat ontbreken, in soortgelijke zin zou beslissen. Uit HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Fruitexporteur) is echter gebleken dat die verwachting niet wordt bewaarheid. Voor de disculpatie van de tweedegraads bestuurders biedt de Hoge Raad een eigen, anders geformuleerde oplossing, waarvan de consequenties nog niet geheel zijn te overzien. Naar aanleiding van deze beslissing wordt ook in Curaçao voorgesteld het tweede lid van de daar geldende bepaling te laten vallen. Met het oog op de concordantie met Curaçao en Nederland lijkt het raadzaam deze ontwikkeling te volgen.

  689. Artikel 18 In deze bepaling wordt de mogelijkheid geopend te kiezen voor een ‘one tier board’, dat wil zeggen een bestuursorgaan waarin bestuur en toezicht verenigd zijn, althans elkaar overlappen. Artikel 103a WvK, zoals dit luidt sedert de wetswijziging van 2016, kent die mogelijkheid. De hier voorgestelde bepaling is nagenoeg gelijk aan artikel 103a WVK. Met de term ‘uitvoerend bestuur’ in lid 1 wordt aangesloten op de Amerikaanse termen ‘executive board’ of ‘executive committee’, en de daarvan afgeleide termen ‘executive director’ en ‘executive officer’. Uit lid 6 blijkt dat, binnen de daar aangegeven grenzen, overlapping van de algemene en de uitvoerende functie mogelijk is. De leden van het uitvoerend bestuur, die geen lid zijn van het algemeen bestuur, hebben in zoverre een andere functie dat zij niet behoren tot het college dat uiteindelijk over alle bestuursaangelegenheden beslist en aangemerkt wordt als het orgaan dat zich moet richten naar de in artikel 8 lid 3 tot uitdrukking gebrachte norm. Aldus lid 9, waarin de trapsgewijze hiërarchie tussen algemeen bestuur, uitvoerend bestuur en individuele leden van het uitvoerend bestuur is verwoord. Dit lid is van dwingend recht. Ook de meeste overige leden van artikel 18 bevatten dwingend recht. Zo is in lid 4 dwingend voorgeschreven dat de benoeming van uitvoerend bestuurders en het vaststellen van hun bezoldiging als zodanig door het algemeen bestuur geschiedt. Een afwijkende regeling zou betekenen dat het algemeen bestuur zijn bestuursverantwoordelijkheid en de daarmee gepaard gaande aansprakelijkheid niet zou kunnen dragen. Op deze gedachte sluit ook aan het bepaalde in de leden 5, 7 en 8. Lid 10 is vooral van belang voor de wettelijke aansprakelijkheidsbepalingen, zoals artikel 14 en 16. De afwijkende positie van respectievelijk de leden van het algemeen bestuur die geen uitvoerend bestuurder zijn, de leden van het algemeen bestuur die dat wel zijn, en tenslotte de leden van het uitvoerend bestuur die geen lid van het algemeen bestuur zijn, betekent wel dat de aansprakelijkheidsmarges en de disculpatiemogelijkheden telkens anders liggen. Zo zullen algemeen bestuurders in beginsel ook voor gebrek aan toezicht aansprakelijk kunnen zijn. Aan de andere kant moet voor uitvoerend bestuurders gelden dat zij zich te hunner disculpatie tot op zekere hoogte zullen kunnen beroepen op ontvangen instructies van het algemeen bestuur of van het uitvoerend bestuur, indien daarvan sprake is. Lid 10 is overigens ook van belang voor andere bepalingen, waaronder artikel 8 lid 5, dat het bestaan van een arbeidsverhouding tussen de rechtspersoon en een bestuurder uitsluit. De aandacht moge tenslotte hebben dat de regeling van artikel 18 niet uitsluit dat een belangrijk deel van de uitvoerende taken wordt opgedragen aan een ‘directie’, bestaande uit personen die in dienst van de rechtspersoon zijn. Vooral bij verenigingen en stichtingen kan dit voorkomen. 2024 -269- No. 164

  690. Artikel 19 Ook de regeling van de raad van commissarissen is in de eerste titel ondergebracht. Zie voor de NV naar huidig Surinaams recht de artikelen 118 tot en met 131 WvK. De meeste bepalingen van de voorgestelde regeling komen materieel overeen met het thans geldende Nederlandse recht en wijken niet af van het huidige Surinaamse recht. Zie in dit verband ook het in 2016 nieuw geformuleerde artikel 127 WvK, waarvan de tekst globaal gelijk is aan de leden 7 en 8 van artikel 19. Het laatstgenoemde lid 8 verdient bijzondere aandacht. Blijkens de eerste zin geldt ook voor de raad van commissarissen dat hij zich bij zijn taakvervulling moet richten naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. De vraag is echter of deze regel onder alle omstandigheden dezelfde kracht kan hebben. In de praktijk bestaat behoefte aan commissarissen die, zonder de overige in aanmerking te nemen belangen uit het oog te verliezen, er speciaal op toezien dat bepaalde belangen in het oog worden gehouden. Men denke aan de commissarissen die door een moedermaatschappij of de overheid worden benoemd of voorgedragen of door een van de partners in een joint venture verhouding. Naar de mening van de ondergetekende is het weinig realistisch een dergelijke opzet uit te sluiten. Zie in dit verband ook H.J.M.N. Honée, Commissarissen, gezanten uit Niemandsland, oratie Rotterdam, 1996 en NV 1996, p. 276 e.v. De tweede zin van lid 8 beoogt deze gedachte onder woorden te brengen. De redactie sluit aan bij de hierboven met betrekking tot artikel 8 lid 3 verdedigde opvatting dat het belang van de rechtspersoon niet een constante grootheid is maar telkens opnieuw moet worden bepaald door afweging van alle in aanmerking komende belangen, die op korte termijn zowel als die op lange termijn. De nu besproken tweede zin geldt niet wanneer de statuten anders bepalen. Nadere regels kunnen eventueel in een reglement worden getroffen. Met betrekking tot de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 16 in lid 7 mag nog het volgende worden opgemerkt. In het bijzonder de overeenkomstige toepassing van artikel 16 lid 2, kan aanleiding tot twijfel geven. Volgens HR 28 juni 1996, NJ 1997, 58 (Bodam Jachtservice) moet de overeenkomstige bepaling in het Nederlandse recht als volgt worden uitgelegd. Heeft het bestuur niet voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 of 2:394 NedBW en heeft de raad van commissarissen op dat punt niet voldoende toezicht uitgeoefend, dan heeft de raad van commissarissen zijn taak niet behoorlijk vervuld. Ook ten aanzien van de raad van commissarissen treedt dan het dubbele vermoeden van lid 2 van artikel 2:138 NedBW in. Dit arrest kan ook voor het Surinaamse recht als richtinggevend worden beschouwd.

  691. Artikel 20 tot en met 22 Deze bepalingen bevatten een op de artikelen 2:13-16 NedBW afgestemde modernisering van artikel 101 WvK. In lid 3 van artikel 21 wordt onder c een regel gegeven die in het Nederlandse recht niet voorkomt. Zij illustreert dat een vennootschappelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 127 lid 3, vennootschapsrechtelijke werking heeft.

  692. Artikel 23 Deze bepaling is ontleend aan artikel 2:24d NedBW. In de formulering is tot uitdrukking gebracht dat ook met een statutaire bepaling rekening moet worden gehouden. De woorden ‘ten aanzien van het aan de orde zijnde onderwerp’ zijn ingevoegd in verband met de mogelijkheid dat wet of de statuten niet in het algemeen stemrecht aan een aandeel onthouden maar alleen ten aanzien van een of meer bepaalde onderwerpen. 2024 -270- No. 164

  693. Artikel 24 Deze bepaling beoogt wantoestanden als daarin omschreven te bestrijden. Een minder uitvoerige, op de NV gerichte bepaling vindt men in artikel 43 WvK. Daarnaast gold destijds voor de NV artikel 38 WvK, waarin het preventieve toezicht was geregeld. Deze bepaling, die gericht was op het voorkomen van soortgelijke gebreken, leidde in de praktijk tot grote vertraging bij de oprichting. Zij kon ook gemakkelijk worden omzeild door het gebruik van stromannen en was ook daarom weinig effectief. Zij is door de wetswijziging van 2016 geschrapt. Voor de NV en alle andere bij notariële akte op te richten rechtspersonen geldt overigens dat de eerste verantwoordelijkheid voor het voorkomen van gebreken als omschreven in artikel 24 bij de notaris ligt. Men zie daarvoor het hiervoor toegelichte artikel 5. Opnieuw moet worden opgemerkt dat de eerste verantwoordelijkheid in dit opzicht bij de notaris ligt. De onderhavige bepaling fungeert als ‘achtervanger’ voor die gevallen waarin het bij de oprichting of later toch is misgelopen. Aansprakelijkheid tegenover de vennootschap kan intreden bij grove schuld of grove nalatigheid van functionarissen of aandeelhouders (lid 9). Deze aansprakelijkheid laat de eventuele aansprakelijkheid van de notaris onverlet. Zelden zal het voorkomen dat een rechtspersoon wordt ontbonden op de in lid 1 onder a genoemde grond. De bepaling heeft echter een zekere preventieve werking. Een soortgelijke bepaling is te vinden in het huidige artikel 43 WvK. Artikelen 25 tot en met 25b De ervaring leert dat veel vennootschappen, die allang niet meer functioneren, in het handelsregister ingeschreven blijven zonder dat ooit een poging tot doorhaling van de inschrijving wordt gedaan. Functionarissen die een verzoek tot doorhaling zouden kunnen doen laten dit na. De vennootschap, ontbonden of niet, is ‘vergeten’. Voor de Kamer van Koophandel vormen deze vergeten vennootschappen een nutteloze, administratieve last. De in artikel 25 voorgestelde regeling is bedoeld om de Kamer van Koophandel de mogelijkheid te geven het handelsregister van deze inschrijvingen te ontdoen. Zij is geïnspireerd op artikel 2:19a NedBW en op de artikelen 25 tot en met 25b van Boek 2 BWC. De ervaringen in Curaçao sedert de invoering bij Landsverordening van 20 december 2016, Publicatieblad 2016, no. 80 zijn bemoedigend. Voordien kwam van ontbinding door de rechter in Curaçao niets terecht.

  694. Artikel 26 In artikel 26 wordt een oplossing voorgesteld voor de kritieke fase die intreedt met de indiening van een verzoek tot ontbinding. Verwezen wordt naar lid 4 van artikel 276 (en enkele bijkomende bepalingen), waar in verband met het enquêterecht een uitgewerkte regeling voor het treffen van tijdelijke voorzieningen wordt gegeven. Artikelen 27 tot en met 34 Vgl. de huidige artikelen 141, 144 en 145 WvK. Van een bepaling in de geest van artikel 142 WvK is afgezien. Het nut van die bepaling is twijfelachtig.

  695. Artikel 42 WvK staat toe dat een NV wordt opgericht voor een bepaalde tijd. Artikel 27 lid 3, eerste zin, van de voorgestelde regeling sluit dat voor rechtspersonen in het algemeen niet uit, zij het dat vertraging kan optreden door de werking van de tweede zin. De derde zin kan meebrengen dat, ondanks het bereiken van het in de statuten genoemde tijdstip, de ontbinding haar geldigheid verliest. De rechtspersoon blijft dan – voor onbepaalde tijd – voortbestaan.

  696. Artikel 35 Deze regeling behelst een algemeen geformuleerde, meer uitgewerkte versie van artikel 2:302 NedBW. 2024 -271- No. 164

  697. Artikel 36 Lid 1 stelt buiten twijfel dat, behoudens beperkingen in de statuten, moderne, tekst overbrengende communicatiemiddelen kunnen worden gebruikt. De bepaling brengt geen verandering in de regels omtrent de werking der verklaring, zoals deze in artikel 3:37 BW zijn vastgelegd. Lid 2 komt materieel overeen met artikel 44 lid 1, WvK. Ook voor andere rechtspersonen dan de NV is dit een wenselijke bepaling. TITEL 2 DE STICHTING Algemeen In deze titel is de Nederlandse regeling voor een groot deel gevolgd. De in de Antilliaanse regeling voorkomende bepalingen met betrekking tot de ‘Stichting Particulier Fonds’ zijn niet overgenomen. De meeste bepalingen komen globaal overeen met soortelijke bepalingen in de Wet op Stichtingen van 1968. Een reeks bepalingen uit die wet zijn echter niet overgenomen. Bij de invoering moet worden bezien in hoeverre die bepalingen moeten worden gehandhaafd. Artikel 50 Deze bepaling bevat een uitgedunde versie van artikel 50 BWC.

  698. Artikel 51 Lid 1 is ontleend aan lid 4 van artikel 2:286 NedBW. Lid 2 aan artikel 2:293 NedBW. Lid 3 loopt parallel met het voor leden van een vereniging geldende artikel 77. Vanzelf spreekt dat aan de hier genoemde categorieën van personen ook bepaalde rechten kunnen worden toegekend. Vgl. artikel 50, leden 2 en 3. Toekenning van een cumulatie van rechten kan echter leiden tot het oordeel dat artikel 50 lid 2, eerste zin, is overtreden. In dat geval kan artikel 24 lid 1 onder c toepassing vinden.

  699. Artikel 52 Dit artikel ontbreekt, zoals ook het geval is in Boek 2 BWC. Laatstgenoemd artikel correspondeerde destijds met artikel 2:288 NedBW. De daarin geregelde materie wordt nu geregeld door artikel 4:135 BW. Artikel 53 Deze bepaling is ontleend aan artikel 2:294 NedBW.

  700. Artikel 54 Dit artikel bevat een iets meer uitgewerkte versie van artikel 2:297 NedBW. Naast de in dit artikel vermelde bevoegdheden heeft het openbaar ministerie de in artikel 272 lid 2 onder a jo 270 vermelde bevoegdheid om een enquête uit te lokken. Het openbaar ministerie is vrij in de keuze. Ofschoon dat over het algemeen weinig zin zal hebben kunnen de twee procedures gelijktijdig aanhangig zijn. Zie in dit verband artikel 272 lid 3 en artikel 55 lid 2. Artikel 55 Een soortgelijke regeling is te vinden in artikel 2:298 NedBW. Artikel 56 Lid 1 is ontleend aan artikel 2:299 NedBW. Lid 2 beoogt de aansluiting met artikel 55 te bevorderen. Artikel 57 De bepaling is grotendeels ontleend aan artikel 301 NedBW.

  701. Artikel 58 Voor iedere stichting geldt artikel 15. In de praktijk komen stichtingen voor die een onderneming hebben. Dan geldt de Wet op de Jaarrekening. 2024 -272- No. 164 TITEL 3 – DE VERENIGING Algemeen In het huidige Surinaams Burgerlijk Wetboek wordt de vereniging in de artikelen 1665 e.v. van het derde boek geregeld als ‘zedelijk lichaam’. Deze – enigszins verouderde – bepalingen zullen worden ingetrokken. In de nu volgende bepalingen wordt – overeenkomstig de opzet van dit ontwerp - het voorbeeld van Boek 2 BWC gevolgd, dat op zijn beurt in grote lijnen aansluit bij de bestaande Nederlandse regeling. In het oog lopende verschillen met de Nederlandse regeling worden hierna toegelicht. Artikel 70 Deze bepaling is woordelijk gelijk aan artikel 2:70 BWC en artikel 2:26 NedBW. Artikel 71 Vergelijk artikel 2:27 NedBW. Delen van die bepaling zijn overgebracht naar de artikelen 4 en 5 in de eerste titel.

  702. Artikel 72 Anders dan in de Nederlandse regeling, wordt in Boek 2BWC en in dit ontwerp bepaald dat alleen regels die schriftelijk zijn vastgelegd als ‘statuten’ kunnen gelden. Op dit punt behoort zo weinig mogelijk onzekerheid te bestaan. De vraag welke regels als statuten hebben te gelden is onder meer van belang in verband met de artikelen 86 en 87. De bepaling komt voor het overige materieel overeen met artikel 2:52 NedBW. Artikel 73 Deze bepaling is gelijk aan artikel 30 NedBW.

  703. Artikel 74 Anders dan de Nederlandse regeling staat artikel 74 uitdrukkelijk toe onderscheid te maken tussen gewone leden en andere soorten van leden zoals ‘buitengewone’ leden. Uit lid 2 volgt dat de statuten moeten vastleggen in welke opzichten de positie van die andere leden van die van de gewone leden afwijkt, wil de aanduiding als niet-gewoon lid enig effect hebben. Artikelen 75 tot en met 88 Op een enkel detail na komen deze bepalingen overeen met de artikelen 2:33 tot en met 43, 46 en 48 NedBW. De regelingen van de artikelen 2:44, 45 en 47 NedBW zijn in gewijzigde vorm overgebracht naar titel 1 (algemene bepalingen). De leden 1 en 2 van artikel 79 gelden zowel voor opzegging door de vereniging als voor opzegging door een lid. De leden 3 en 4 van artikel 79 gelden alleen voor opzegging door een lid. In lid 3 wordt naast het besluit ook de statutenwijziging genoemd. Men denke bijvoorbeeld aan een statutenwijziging, waarbij een bepaling als bedoeld in artikel 92 wordt ingevoerd. In dat geval is er weliswaar ook sprake van een besluit tot statutenwijziging maar de verplichtingen van de leden worden niet verzwaard door dat besluit maar door de daarop volgende statutenwijziging. Dat artikel 79 ook van toepassing is op de coöperatie volgt uit artikel 91.

  704. Artikel 89 De eerste twee leden van artikel 89 komen overeen met de eerste twee leden van artikel 48 NedBW. In lid 3 wordt voor de ondernemende stichting verwezen naar de Wet op de Jaarrekening. Een soortgelijke oplossing geeft artikel 58 voor de ondernemende stichting. 2024 -273- No. 164 TITEL 4 – DE COÖPERATIE EN DE ONDERLINGE WAARBORG-MAATSCHAPPIJ Algemeen Voor de coöperatieve vereniging geldt thans de wet van 18 juli 1944. Ook deze wet is aan vernieuwing toe. Bij de invoering van de hier voorgestelde regeling zal zij worden ingetrokken. In het voorliggende ontwerp is, zoals in het BWC, de huidige Nederlandse regeling – waarin wordt gesproken van ‘coöperatie’ – zo goed als geheel overgenomen. Niet zijn overgenomen de artikelen 2:63a tot en met 63j NedBW, die betrekking hebben op de zogenaamde ‘structuurcoöperatie’. Suriname kent de structuurregeling niet. Voor Curaçao en de andere Nederlands-Caribische gebieden geldt overigens het zelfde. Afgezien hiervan is er sprake van enkele technische aanpassingen.

  705. Artikel 90 en 91 In het stelsel van het voorliggende ontwerp zijn, zoals in Nederland en de Nederlands-Caribische gebieden, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij afzonderlijke rechtsvormen, dus geen ‘vereniging’. Vandaar de ‘neutrale’ uitdrukking ‘rechtspersoon met leden’. Wel verklaart artikel 91 dat de bepalingen van de vereniging (titel 3) in beginsel van overeenkomstige toepassing zijn. Zoals in het BWC ook niet is gedaan is in artikel 90 lid 5 niet overgenomen de in artikel 2, lid 2, van de Wet Coöperatieve Verenigingen 1944 en artikel 2:54 lid 2, NedBW voorkomende regel dat aan het slot van de naam de letters W.A., B.A. of U.A. moeten worden gevoerd. Het nut van deze regel is twijfelachtig. Aan een aanduiding in deze zin bestaat ook minder behoefte dan onder het Nederlandse regiem omdat in artikel 92 de hoofdregel met betrekking tot de aansprakelijkheid van leden en oud-leden is omgedraaid.

  706. Artikel 92 en 93 Anders dan in het bestaande recht en het Nederlandse recht, maar in overeenstemming met het BWC, is de hoofdregel dat de leden en oud-leden niet aansprakelijk zijn. Vgl. artikel 3 lid 2 en voor alle duidelijkheid nogmaals artikel 93 lid 2. De statuten kunnen echter anders bepalen. Deze omkering van de hoofdregel is ingegeven door het ervaringsfeit dat in de praktijk de aansprakelijkheid van leden en oud-leden zo goed als altijd wordt uitgesloten. Artikel 94 De Wet op de Jaarrekening geldt.

  707. Artikel 95 en 96 De artikelen 95 en 96 zijn woordelijk gelijk aan de artikelen 2:59 en 2:60 NedBW. De vrijheid van uittreding wordt in artikel 96, ook voor de coöperatie, vooropgesteld. Speciaal bij de coöperatie kan zich echter de noodzaak doen gevoelen aan het uittreden bepaalde voorwaarden te verbinden. Deze noodzaak kan haar grond vinden in de behoefte aan grondstoffen of krediet op lange termijn. Zij kan ook haar grond vinden in andere oorzaken, mits daarbij steeds het belang van het uitgeoefende bedrijf op de voorgrond staat. De voorwaarde kan bij voorbeeld zijn dat inleggelden ter beschikking van het bedrijf blijven, dat een bepaalde som wordt gestort of dat een bepaald maximum aan uittredingen per periode niet wordt overschreden. Ook andere voorwaarden zijn denkbaar. Een voorwaarde, die het voorop gestelde vrije uittredingsrecht illusoir maakt, is in zoverre nietig. Waar de grens ligt bepaalt uiteindelijk de rechter.

  708. Artikel 97, 98 en 99 Deze bepalingen zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2:61, 2:62 en 2:63 NedBW.

  709. Artikel 99a Dit artikel is inhoudelijk gelijkluidend aan artikel 33a van de huidige Wet Coöperatieve Vereniging 1944. De Raad voor het Coöperatiewezen (RACO) blijft dus bestaan. 2024 -274- No. 164 TITEL 5 – DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Algemeen Over de opzet van deze titel werden enkele opmerkingen gemaakt in het algemeen gedeelte van deze toelichting.

  710. Artikel 100 Overeenkomstig artikel 51 WvK, zoals dit luidt sedert de wetswijziging van 2016, bepaalt lid 1 van artikel 100 dat aandelen op naam worden gesteld. Aandelen aan toonder kunnen dus niet worden uitgegeven, zo geeft de tweede zin van dit lid ten overvloede aan. De derde zin zorgt ervoor dat certificaten aan toonder van aandelen niet meer in omloop mogen zijn. De uitgifte van certificaten op naam wordt niet verhinderd door deze bepaling. De uitgifte van certificaten aan toonder is nietig. De houder van aandelen aan toonder kan zijn rechten niet uitoefenen zolang er certificaten aan toonder van zijn aandelen uitstaan. De introductie van een dergelijke beperking is noodzakelijk om te voorkomen dat de identificatie van aandeelhouders aan toonder er in resulteert dat personen die niet identificeerbaar willen zijn voor opsporingsautoriteiten in de toekomst hun toevlucht gaan zoeken in de handel in certificaten aan toonder. Lid 2 stelt buiten twijfel dat een NV ook door één persoon kan worden opgericht. Artikel 33 WvK, zoals deze bepaling sedert 2016 luidt, bepaalt hetzelfde in de aanhef van eerste volzin van lid 2. De in artikel 33 lid 2 onder b WvK geboden mogelijkheid om gebruik te maken van een van overheidswege ter beschikking gestelde modelakte is gehandhaafd. Deze mogelijkheid fungeert goed volgens de Kamer van Koophandel en Fabrieken. De bedoeling van lid 3 is zoveel mogelijk te garanderen dat de vennootschap bij de oprichting voldoet aan de minimum vereisten om als zodanig te kunnen functioneren. De bepaling garandeert niet dat dit zo blijft gedurende het bestaan van de vennootschap. Een oplossing voor de situatie die dan ontstaat wordt gegeven in artikel 135a. Van belang zijn in dit verband ook de artikelen 24 lid 1 onder b en 24 lid 3 onder a. Toepassing van die bepalingen kan tot ontbinding van de vennootschap leiden. In lid 4 wordt een negatieve begrenzing van het begrip aandeel gegeven. De bepaling sluit niet uit dat de aan een aandeel verbonden rechten minimaal zijn, bijvoorbeeld: uitsluitend stemrecht over een bepaald onderwerp, uitsluitend een minimaal winstrecht, uitsluitend een recht op een liquidatie- uitkering.

  711. Artikel 101 In lid 1 onder a wordt gesproken van ‘soorten’ van aandelen. Van ‘soorten aandelen’ spreekt ook artikel 102, lid 2. Gedacht wordt aan in de praktijk voorkomende aanduidingen als ‘preferente aandelen’ of ‘prioriteitsaandelen’. De precieze betekenis van deze en dergelijke termen staat overigens niet vast. De statuten zullen de aan deze aandelen toekomende rechten moeten omschrijven. Dikwijls wordt ook gebruik gemaakt van letteraanduidingen. Men spreekt dan bijvoorbeeld van ‘aandelen A’, ‘aandelen B’ en ‘aandelen C’. Onder het begrip ‘soort’ in lid 1 onder a vallen ook deze letter-aandelen. Nadere voorschriften voor de inhoud van de akte van oprichting bevat lid 1 onder b. Op het bepaalde in lid 1 onder b sluiten aan de leden 2, 3 en 4. De strekking van de leden 2 en 3 is zoveel mogelijk te voorkomen dat de NV haar bestaan begint met een negatief eigen vermogen. In lid 4 wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat bij de oprichting aandelen met een nominale waarde worden uitgeven. De betekenis van de in dat verband gebruikte term ‘nominaal kapitaal’ wordt weergegeven in lid 3 van artikel 102. Aan de in lid 2 genoemde verklaring en de in lid 3 genoemde oprichtingsbalans worden geen nadere eisen gesteld. Indien echter deze stukken niet voldoen aan de in artikel 24, lid 3 onder b genoemde maatstaven, kan ontbinding volgen en kan – artikel 24, lid 9 - persoonlijke aansprakelijkheid van de oprichters intreden. Een verstandig oprichter doet er daarom goed aan met die maatstaf rekening te houden. 2024 -275- No. 164 In lid 4 wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat aandelen met een nominale waarde worden uitgegeven. Men zie voor de achtergrond van deze bepaling de toelichting op lid 1 van artikel 107. De betekenis van de term ‘nominaal kapitaal’ wordt aangegeven in de eerste volzin van lid 3 van artikel 102. De term ‘kapitaal’ wordt voor het overige in de wet zo goed als nergens gebruikt. De begrippen ‘geplaatst’ en ‘maatschappelijk’ kapitaal (zie voor deze laatste term artikel 37 WvK oud) zijn geschrapt. In lid 5 wordt de eis gesteld dat de akte niet alleen wordt getekend - in persoon of bij schriftelijke volmacht - door iedere oprichter maar ook door ieder die blijkens de akte een of meer aandelen neemt. Van belang is immers dat schriftelijk vastligt dat de aandelen die bij de oprichting zijn geplaatst, ook door de nemers zijn aanvaard.

  712. Artikel 102 Lid 1 komt globaal overeen met artikel 36 WvK, zoals deze bepaling luidt sedert de wetswijziging van 2016. De in die bepaling vermelde mogelijkheid om in plaats van ‘N.V.’ engelse benamingen te gebruiken is, op aandrang vanuit de Kamer van Koophandel en Fabrieken, verbeterd (“LLC” in plaats van “Ltd”) gehandhaafd. De tekst van de leden 2 tot en met 8 zijn letterlijk - behoudens kleine, uit de Surinaamse wetsgeschiedenis voortvloeiende verschillen – terug te vinden in de uit 2016 daterende tekst van artikel 37 WvK. Lid 2 geeft maximale vrijheid voor wat betreft de soorten aandelen die kunnen worden uitgegeven. Van belang is wel dat de aard van het aandeel en de daaraan verbonden rechten en plichten nauwkeurig worden omschreven. Op de notaris rust in deze grote verantwoordelijkheid. De statuten ‘kunnen’ aan een of meer soorten aandelen een nominale waarde toekennen. Aldus de tweede zin van lid 2. Men merke op dat hiermee de uit het oude recht bekende verplichting om de aandelen een nominale waarde mee te geven is vervallen. Dit heeft belangrijke consequenties voor de verdere opzet van de regeling, en dat met name voor het kapitaalbegrip. Een van de gevolgen is dat de termen ‘geplaatst’ en ‘gestort’ kapitaal zijn vervallen. Ook de term ‘maatschappelijk kapitaal komt in het hier voorgesteld ontwerp niet voor. Een en ander wordt geïllustreerd door de opzet van onder meer artikel 107. In die bepaling wordt de term ‘bijstortingsplicht’ geïntroduceerd. Men zie voor een omschrijving van die term lid 4 van artikel 107. Wordt aan bepaalde aandelen een nominale waarde toegekend dan kan daarbij een vreemde muntsoort worden gebruikt. Aldus de derde zin van lid 2, met een daarin tot uitdrukking gebrachte beperking. Lid 3 geeft aan wat in het ontwerp onder ‘nominaal kapitaal’ wordt verstaan. Over het onderliggende begrip ‘nominale waarde’ werden enkele opmerkingen gemaakt in de toelichting op artikel 101. Lid 4 geeft een voorschrift voor het geval de statuten verschillende soorten aandelen of aandelen met een verschillende nominale waarde kennen. Ook in deze kwestie bestaat echter grote vrijheid. Dwingend is alleen voorgeschreven dat bepalingen als daar omschreven worden vastgesteld en dat deze in de statuten – dus niet in een andere regeling - worden opgenomen. Lid 5 opent de mogelijkheid in de statuten te bepalen dat houders van aandelen op naam of van een bepaalde soort aandelen op naam persoonlijk aansprakelijk zijn, al dan niet hoofdelijk, hoofdelijk met de vennootschap daaronder begrepen, voor bepaalde of alle schulden van de vennootschap. Door een dergelijke bepaling krijgt de naamloze vennootschap meer het karakter van een openbare vennootschap in de zin van Boek 7, Titel 13. Aan een bepaling in die geest bestaat soms behoefte. Zij kan fiscaal geïndiceerd zijn. Ook wordt daardoor de betrokkenheid van de aandeelhouders en de kredietwaardigheid van de vennootschap vergroot. De tweede en derde zin van lid 5 vormen een noodzakelijke aanvulling op deze regeling. 2024 -276- No. 164 De slotzin van lid 5 voorkomt dat een bepaling als bedoeld tot stand komt, wordt gewijzigd of wordt afgeschaft zonder de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders en alle stemgerechtigden. Die uitdrukkelijke instemming zal over het algemeen blijken uit een ter vergadering uitgebrachte stem of verklaring. Goed denkbaar is intussen dat ontbrekende of andersluidende stemmen of verklaringen later door een instemmende verklaring worden aangevuld of vervangen. Het vooralsnog gebrekkige besluit is dan geheeld; een nieuw besluit is niet nodig. Te bedenken is verder dat de eis van uitdrukkelijkheid niet meebrengt dat de stemmen of verklaringen schriftelijk moeten worden uitgebracht. Vereist is slechts dat de stem of verklaring voldoende duidelijk is. Voor een ‘stilzwijgende’ stem of verklaring zal over het algemeen geen plaats zijn. Dit is alleen anders indien overeenkomstig artikel 135 ‘buiten vergadering’ wordt besloten. Schriftelijke stemuitbrenging wordt in artikel 135 uitdrukkelijk voorgeschreven. Dit geldt ook voor eventuele ‘nakomende’ stemmen. Bedacht moet intussen worden dat de vennootschap ook niet stemgerechtigde aandeelhouder kan hebben. Voor deze niet stemgerechtigde aandeelhouders geldt de eis van schriftelijke stemuitbrenging niet. Van hun ‘uitdrukkelijke instemming’ hoeft niet noodzakelijk uit een van hen afkomstig geschrift te blijken. Met betrekking tot lid 6 kan het volgende worden opgemerkt. Een bepaling in de statuten waardoor aan een derde een tegen de aandeelhouder persoonlijk uit te oefenen recht wordt gegeven, heeft veel weg van een contractueel beding ten behoeve van een derde als bedoeld in de artikelen 6:253-256 BW, waarbij de vennootschap als ‘stipulator’, de aandeelhouder als ‘promissor’ optreedt. Overwogen is die bepalingen hier van overeenkomstige toepassing te verklaren. Om verschillende redenen is daarvan afgezien. Als kern van de regeling aangaande het derdenbeding kan worden aangemerkt dat de derde, nadat hij het beding heeft aanvaard, als partij bij de overeenkomst tussen de promissor en de stipulator heeft te gelden (artikel 6:253 BW). Die gedachte past in het vennootschapsrecht niet goed, ook al leest men het woord ‘overeenkomst’ als ‘rechtsbetrekking’. In het vennootschapsrecht kan de derde, die aan de statuten een recht kan ontlenen, worden aangemerkt als behorende tot de kring van de in artikel 7 genoemde personen, tussen wie de daar bedoelde regels van redelijkheid en billijkheid gelden. Een verder gaande betrokkenheid bij de vennootschapsrechtelijke relatie lijkt niet wenselijk. Zo’n verder gaande betrokkenheid zou redelijkerwijs meebrengen dat het de vennootschap niet meer vrij zou staan de rechten van de derde zonder zijn instemming door statutenwijziging te beëindigen. Lid 7 gaat van een andere gedachte uit. Hierbij mag worden opgemerkt dat de voorgestelde Surinaamse regeling een bepaling analoog aan artikel 2:122 NedBW - welke bepaling als uitgangspunt neemt dat door statutenwijziging geen nadeel kan worden toegebracht aan een aan de statuten ontleend recht van een derde - niet kent. Ook de artikelen 6:253 en 6:255 BW lenen zich niet goed voor toepassing in de hier omschreven vennootschapsrechtelijke relatie. Aan een expliciete aanvaarding bestaat geen behoefte. Lid 6, eerste zin, is opgenomen om dit buiten twijfel te stellen. Wel kunnen de statuten een rechtstreekse aanspraak door de derde uitsluiten. Wat dan overblijft is het recht van de vennootschap de aandeelhouder aan zijn verplichting jegens de derde te houden. In de tweede zin van lid 6 is dit recht vastgelegd. De bepaling is ontleend aan artikel 6: 256 BW, dat voor een beding ten behoeve van een derde een overeenkomstige voorziening geeft. Afschaffing of mitigering van de regeling door statutenwijziging brengt in beginsel mee dat geen of verminderde aansprakelijkheid ontstaat voor na dat tijdstip opkomende schulden, zij het dat de Handelsregisterwet aan dit effect in de weg kan staan. Voor een aansprakelijkheid die al vóór de statutenwijziging is ontstaan, geldt daarentegen dat deze in beginsel blijft bestaan. Lid 7 beoogt deze uitkomst te verzachten door het stellen van een wettelijke vervaltermijn voor deze ‘overblijvende’ aansprakelijkheid. 2024 -277- No. 164 Lid 8 ziet op het geval dat een persoon ophoudt aandeelhouder te zijn, bijvoorbeeld omdat hij zijn aandelen heeft overgedragen. Aangezien de aansprakelijkheid rust op de aandeelhouder als zodanig zou zij in beginsel, door die overdracht, vervallen. Tegenover de crediteuren, die met de aansprakelijkheid van de aandeelhouder rekening hebben gehouden, is dit niet redelijk. Een dergelijk plotseling verval van aansprakelijkheid zou bovendien de deur openzetten voor manipulatie. Zo zou een aandeelhouder, die effectuering van zijn persoonlijke aansprakelijkheid vreest, zijn aandelen met het oog daarop kunnen overdragen aan een insolvente opvolger. Gelet op het een en ander bepaalt lid 8 dat de gewezen aandeelhouder nog zes maanden aansprakelijk blijft. De aandacht moge hebben dat het ook hier gaat om ‘overblijvende’, immers reeds vóór de overdracht bestaande aansprakelijkheid. Voor schulden die aan de vennootschap opkomen ná de overdracht geldt zonder meer dat de gewezen aandeelhouder niet aansprakelijk is. In beide gevallen, zowel in dat van lid 7 als van lid 8, is als aanvangstijdstip van de termijn van zes maanden gekozen: de dag waarop in het aandeelhoudersregister, nadat het beslissende rechtsfeit heeft plaatsgevonden, ten aanzien van de betrokken aandeelhouder daarvan aantekening is gedaan. De met ‘nadat’ aanvangende clausule is in beide bepalingen ingevoegd om te voorkomen dat de termijn opzettelijk of bij vergissing wordt verkort door een eerder gedane aantekening. Een dergelijke ‘anticiperende’ aantekening, wat daarvan overigens ook zij, doet de termijn van zes maanden niet aanvangen. De tweede en derde zin van lid 5 waarborgen dat een belanghebbende de gang van zaken kan volgen en zich ter zake behoorlijk kan documenteren. In dit verband mag worden opgemerkt dat artikel 109 uitdrukkelijk voorschrijft dat bij iedere mutatie in het aandeelhoudersregister ook de dag waarop deze is aangebracht moet worden vermeld. De laatste zin van zowel lid 7 als lid 8 bepaalt dat de statuten de duur van de ‘overblijvende’ aansprakelijkheid kunnen verlengen. Ook kan de vervaltermijn worden vervangen door een langere verjaringstermijn. Aldus kan een aansprakelijkheidsregeling worden gecreëerd die geheel parallel loopt aan die bij de openbare vennootschap, vgl. artikel 7:824 en artikel 7:834 lid 7. Niet ondenkbaar is dat daaraan behoefte bestaat.

  713. Artikel 103 Lid 1 komt overeen met lid 1 van artikel 58 WvK, met dien verstande echter dat de verwijzing naar het ‘bedrag’ – de nominale waarde – ontbreekt. Zoals in de toelichting op de artikelen 101 en 102 uiteengezet, hoeven aandelen geen nominale waarde te hebben. Men zie artikel 102 lid 4 voor het geval aandelen een verschillende nominale waarde hebben. De leden 2-4 geven een nadere uitwerking aan het bepaalde in artikel 48 leden 2 en 3 WvK. De uitwerking sluit aan op opvattingen uit de praktijk. De aandacht verdient dat door de meergenoemde wetswijziging van 2016 aan artikel 58 WvK twee leden zijn toegevoegd. Deze nieuwe leden, die hun oorsprong vinden in de Nederlandse wetgeving – zie voor het nieuwe lid 2 de artikelen 2:92 lid 2 en 2:201 lid 2, NedBW - zijn niet overgenomen. Voor wat betreft het nieuwe lid 2 van artikel 58 WvK is de voornaamste reden van dat niet overnemen dat de verhouding tussen dat nieuwe lid 2 en het bestaande lid 1 verre van duidelijk is. Een bevredigend antwoord op de vraag deze verhouding is ook in de Nederlandse rechtspraak en de Nederlandse rechtsliteratuur niet te vinden. In verband hiermee kan de vraag worden gesteld of men voor het bepaalde in het nieuwe lid 2 niet beter kan terugvallen op het nu voorgestelde artikel 2:7 BW. Ten aanzien van het nieuwe lid 3 kan worden opgemerkt dat het daarin gezegde al volgt uit lid 4 van het voorgestelde artikel 102. In lid 3 wordt gesproken over ‘onderaandelen’. Een summiere omschrijving van het begrip ‘onderaandeel’ wordt gegeven in de slotzinsnede. Een omschrijving in dezelfde geest geeft artikel 48 lid 2 WvK. 2024 -278- No. 164

  714. Artikel 104 Lid 1 geeft in de eerste zin de hoofdregel dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft om na oprichting tot uitgifte van nieuwe aandelen te besluiten. De statuten kunnen echter anders bepalen. Zij kunnen ook een bepaling bevatten die het mogelijk maakt de bevoegdheid om tot emissie te besluiten aan een ander orgaan te delegeren. Deze regeling komt in materiële zin overeen met de regeling in lid 1 van artikel 79 WvK, zoals deze bepaling in 2016 is gewijzigd. Op basis van het besluit tot uitgifte kan vervolgens de uitgifte plaats vinden. In het belang van de rechtszekerheid moet ook bij de uitgifte aan formele regels worden voldaan. Die zijn te vinden in de tweede volzin van lid 1. Ordelijk beheer brengt mee dat de op de uitgifte betrekking hebbende documenten worden bewaard. Aldus de slotzin van lid 1, waarin wordt verwezen naar artikel 15 lid 3. Lid 2 dient om een minimum aan ‘traceability’ van de aandeelhouders te garanderen. In internationaal verband wordt dikwijls op de wenselijkheid van een zekere ‘traceability’ gewezen. Gaat het om beursgenoteerde aandelen dan kan niet strikt aan de Surinaamse regeling worden vastgehouden. Lid 3 houdt hiermee rekening. Artikel 105

  715. Artikel 105 ontbreekt. Zie voor de oorzaken van het ontbreken van bepaalde artikelen de uiteenzetting in deze toelichting onder het hoofdje ‘Algemeen’. Artikel 106

  716. Artikel 106 regelt het voorkeursrecht. Voorkeursrecht wordt in de praktijk veelal gegeven aan bepaalde, bestaande aandeelhouders. Een statutaire bepaling die een ruimere toepassing mogelijk maakt, is echter niet uitgesloten. In lid 2 wordt verwezen naar artikel 131 lid 1. Deze verwijzing brengt onder meer mee dat de bekendmaking van het voorkeursrecht schriftelijk moet geschieden. Gaat het om een voorkeursrecht voor bepaalde aandeelhouders en beslist de algemene vergadering over het besluit tot uitgifte, dan zal over het algemeen de bekendmaking worden gekoppeld aan de oproeping voor de daartoe te houden vergadering. Wordt aan het voorschrift van lid 2 niet voldaan dan kan dit leiden tot aansprakelijkheid van de vennootschap en degenen die bij de uitgifte betrokken waren. De geldigheid van de uitgifte wordt in beginsel niet aangetast.

  717. Artikel 107 Deze bepaling regelt de stortingsplicht. Voor aandelen zonder nominale waarde wordt een minimum storting niet voorgeschreven. De bepaling verbiedt niet dat voor aandelen zonder nominale waarde de stortingsplicht wordt gesteld op nihil. Een dergelijk verbod zou ook zonder zin zijn omdat een zeer geringe stortingsplicht – een verplichting tot storting van of ter waarde van SRD 0,01 bijvoorbeeld – wel geoorloofd zou zijn. Uit de derde zin van lid 1blijkt wel dat een storting anders dan in geld (in natura) naar economische maatstaven op een geldbedrag – eventueel nihil – moet kunnen worden gewaardeerd. Deze regel sluit aan bij hetgeen voor inbreng in natura bij de oprichting impliciet volgt uit lid 3 van artikel 101, lid 2 jo 24 lid 3 onder b. Inbreng van arbeid of diensten is niet principieel uitgesloten. De waardering daarvan is echter een riskante zaak. Uit de laatste zin van lid 1 blijkt tenslotte dat bij aandelen mèt een nominale waarde in zoverre sprake is van een minimum stortingsplicht dat ten minste het nominale bedrag of een daaraan gelijke waarde moet worden gestort. De gedachte achter deze bepaling is dat het bedrag van de nominale waarde niet een volstrekt willekeurige grootheid mag zijn. Derden moeten erop kunnen vertrouwen dat de waarde van de storting op aandelen met een nominale waarde ten minste gelijk is aan die nominale waarde. 2024 -279- No. 164 Deze zelfde gedachte ligt ten grondslag aan het bepaalde in lid 4 van artikel 101. Bij de formulering van deze regels is in aanmerking genomen dat voor alle vóór 2016 bestaande NV's geldt dat zij uitsluitend aandelen met een nominale waarde kennen en dat voor deze NV's destijds regels van kapitaalbescherming golden, die op de nominale waarde van de aandelen zijn afgestemd. Intussen moet ook bij deze bepaling worden bedacht dat het nominale bedrag heel laag kan zijn. Een verbod om het nominale bedrag te stellen op een cent of zelfs een fractie van een cent bevat de wet niet. Dat bedrag zal dan ten minste voldaan moeten worden, hetgeen overigens niet anders zal kunnen dan door betaling van ten minste één cent. Uit lid 2 volgt dat de stortingsverplichting in geld voorwaardelijk of niet onmiddellijk opeisbaar kan zijn. Er is dan sprake van een bijstortingsplicht in de zin van lid 4. Lid 3 is van belang voor de bepaling van het eigen vermogen van de vennootschap. Het begrip ‘eigen vermogen’ speelt in dit ontwerp in een reeks bepalingen een rol. Men zie onder meer de artikelen 24 lid 5, 101 lid 2, 102 lid 3, 107 lid 4, 118 lid 1, 5 en 6, 250 lid 1, 272 lid 1 onder c, 301 lid 3, 325 lid 2, 326 lid 2, 331 lid 3, 338 lid 2, 356 lid 2, 357 lid 2, 361 lid 3. Lid 4 geeft een omschrijving van het begrip ‘bijstortingsplicht’. Het in de tweede zin gezegde hangt rechtstreeks samen en vloeit voort uit de slotzin van lid 1. In dit verband mag worden opgemerkt dat de uit het geldende recht bekende figuur van het ‘niet volgestorte aandeel’ in de voorgestelde regeling niet voorkomt. Die term, die te maken heeft met de nominale waarde van een aandeel is, met het vervallen van de verplichting om aandelen een nominale waarde te geven, ook komen te vervallen. Zie voor het een en ander ook de toelichting op de artikelen 101 en 102. Lid 5 komt materieel overeen met lid 2 van artikel 49 WvK, zoals deze bepaling na de wetswijziging van 2016 luidt. Lid 6 komt in materieel overeen met lid 3 van het gewijzigde artikel 49 WvK. Lid 7 bevat een uitwerking van het bepaalde in de voorgaande leden voor het geval van faillissement van de vennootschap of ontbinding door de rechter.

  718. Artikel 108 De wet kent sedert 2016 alleen aandelen op naam. Deze kunnen bestaan zonder aandeelbewijzen. In de praktijk blijkt echter dat ook in deze gevallen dikwijls behoefte bestaat aan een aandeelbewijs. De statuten kunnen de afgifte van een aandeelbewijs niet verbieden. Een bepaling in de geest van lid 3 is in het WvK te vinden in artikel 52 WvK.

  719. Artikel 108a Als de voorganger van deze bepaling kan gelden artikel 50 WvK, zoals dit luidde voor de wijziging van 2016 en bij die wijziging is uitgebreid. Een soortgelijke regeling vindt men in Nederland voor de BV in art 2:192 NedBW. Bij de in lid 1 onder a genoemde verplichtingen tussen de aandeelhouders of jegens de vennootschap wordt traditioneel gedacht aan verplichtingen van coöperatieve aard. Ook andere verplichtingen kunnen echter daaronder vallen, zoals een verplichting om geen concurrerende handelingen te verrichten of een verplichting om een aandeelhoudersovereenkomst of een vennootschappelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 127 lid 3 aan te gaan. 2024 -280- No. 164 In lid 1 onder a wordt ook in de mogelijkheid voorzien om verplichtingen jegens derden in de statuten op te nemen. Een op aansprakelijkheid voor schulden van de vennootschap toegespitste regeling bevat het ontwerp in artikel 102 lid 5 e.v. De in artikel 108a ten aanzien van derden gegeven regeling is in feite een veralgemening van hetgeen al in artikel 102 lid 5 e.v. ten aanzien van bepaalde verplichtingen is geregeld. Met betrekking tot verplichtingen jegens derden wordt daarom in lid 2 van artikel 108a aangesloten bij een aantal bepalingen van artikel 102. Bepalingen als bedoeld in lid 1 onder b en c zijn in de Surinaamse praktijk niet ongebruikelijk. Voor een verdere uitwerking van deze bepalingen mag hier worden verwezen naar artikel 254 lid 1 en artikel 257. Bij de besluitvorming aangaande bepalingen als bedoeld in lid 1 kunnen de belangen van minderheidsaandeelhouders in het gedrang komen. In de Nederlandse regeling moeten minderheidsaandeelhouders hun bescherming vinden in de niet heel duidelijke bepaling dat een verplichting of eis als bedoeld ‘niet, ook niet onder voorwaarde of tijdsbepaling, tegen de wil van een aandeelhouder, [kan] worden opgelegd’. In de hier voorgestelde bepaling vinden zij die bescherming in lid 3, dat aansluit bij de regeling in artikel 102 lid 5 laatste volzin. Aangenomen moet worden dat bepalingen als bedoeld in de leden 2, 4 en 5 van artikel 2:192 NedBW in het Surinaamse systeem ook mogelijk zijn, ook al wordt daarop in artikel 108a niet uitdrukkelijk gewezen. De slotzin van lid 4 van de Nederlandse regeling is in het Surinaamse systeem – zie de toelichting bij artikel 135a – overbodig. Het bepaalde in het nieuw voorgestelde artikel 2:192a NedBW vindt zijn – anders geconstrueerde – pendant in artikel 254 jo 251. In de toelichting op de Nederlandse regeling is destijds opgemerkt dat een statutaire verplichting tussen aandeelhouders als bedoeld in artikel 2:192 lid 1 onder a) NedBW een vennootschapsrechtelijk karakter heeft. Een statutaire regeling waarin verplichtingen tussen aandeelhouders worden vastgelegd moet in deze opzet worden onderscheiden van een ‘gewone’ aandeelhoudersovereenkomst (memorie van toelichting, p. 16). Het belangrijkste verschil is dat aan een aandeelhoudersovereenkomst alleen verbintenisrechtelijke werking toekomt, terwijl een statutaire bepaling als bedoeld in artikel 2:192 lid 1 onder a NedBW niet alleen verbintenisrechtelijke maar ook vennootschapsrechtelijke werking heeft. In de hier voorgestelde regeling is voor een ruimere opzet gekozen. Zoals blijkt uit het voorgestelde artikel 127 lid 3 heeft de daar omschreven ‘vennootschappelijke overeenkomst’ ook vennootschapsrechtelijke werking.

  720. Artikel 109 Deze bepaling is in grote lijnen gelijkluidend aan artikel 54 WvK, zoals deze bepaling luidt sedert de wijziging van 2016. Een gelijkluidende regeling is te vinden in artikel 2:109 BWC, een soortgelijke in artikel 2:85 NedBW. Artikel 110

  721. Artikel 110 lid 1, is opgenomen in verband met het bepaalde in artikel 3:83 BW, lid 3. De regeling aangaande levering van aandelen in lid 2 verschilt in zoverre van de regeling in artikel 55 WvK dat steeds een door partijen getekende akte van overdracht vereist is. Dat het aandeelbewijs als basis voor die akte kan gelden spreekt eigenlijk vanzelf. Om op dit punt ieder misverstand uit te sluiten is niettemin lid 3 opgenomen. Daarin wordt tevens tot uitdrukking gebracht enerzijds: dat niet met een ‘endossement’ door de overdrager kan worden volstaan, anderzijds: dat voldoende is een korte, door partijen ondertekende aantekening in de geest van: ‘Overgedragen aan ....’. De in lid 2 tot uitdrukking gebrachte constitutieve eis van betekening of erkenning blijft echter ook in dit geval gehandhaafd. 2024 -281- No. 164 De erkenning hoeft niet noodzakelijkerwijs te geschieden door een ondertekende aantekening op de akte van overdracht. Erkenning kan ook plaatsvinden door een aan de verkrijger gerichte schriftelijke verklaring van de vennootschap (lid 2). Deze verruiming biedt een oplossing voor het geval de vennootschap de overdracht wil erkennen maar de akte van overdracht niet onmiddellijk beschikbaar is. De eerste zin van lid 4 is opgenomen om tegemoet te komen aan in bijzonder bij Amerikaanse kredietverschaffers levende behoefte aan meer zekerheid dat de houder van het aandeel ook inderdaad de gerechtigde tot het aandeel is. In de praktijk wordt het soms bezwaarlijk geacht dat eenmaal uitgegeven bewijzen van aandelen op naam ook na overdracht van het aandeel in omloop blijven. In verband daarmee wordt in het vervolg van lid 4 de mogelijkheid geopend dat de statuten een regeling geven om dat te voorkomen. Lid 5 biedt nog een variant waaraan soms in de praktijk behoefte bestaat. In lid 6 wordt aantekening in het aandeelhoudersregister voorgeschreven. Dit is overigens geen geldigheidsvereiste. Lid 7 bevat een speciale voorziening voor het geval de aandelen aan een beurs zijn genoteerd. In dat geval kan het bij die beurs gebruikelijke of een door die beurs toegelaten systeem worden gevolgd. Zoals aangegeven in de toelichting op artikel 104 lid 4 moet in deze gevallen vertrouwd worden op het beurstoezicht. In geval van twijfel doet de vennootschap er goed aan bij de toezichthouder te informeren.

  722. Artikel 111 Beperking van de overdraagbaarheid van aandelen door een blokkeringsclausule in de statuten is ook in Suriname, waar die kwestie niet wettelijk geregeld is, heel gebruikelijk. Beperkingen kunnen ook voortvloeien uit kwaliteitseisen. De hier in lid 1 voorgestelde regeling laat de statutenmakers op deze punten geheel vrij. Ook uitsluiting van iedere overdracht is geoorloofd. In het bijzonder in joint venture verhoudingen kan aan een dergelijke bepaling behoefte bestaan. Een overeenkomstige bepaling geldt voor toedeling bij verdeling van een gemeenschap. Lid 2 bepaalt uitdrukkelijk dat een overdracht of toedeling die in strijd is met een regeling als bedoeld in lid 1 ongeldig is. Geen beperking of uitsluiting kan echter zo ver gaan dat zij een overdracht die de instemming heeft van alle aandeelhouders ongeldig maakt. Dat zou in strijd zijn met de op dit punt wenselijke aandeelhoudersautonomie. Lid 3 is ingegeven door de gedachte dat een blokkeringsregeling niet ten gevolge mag hebben dat aandelen als vermogensbestanddelen aan het verhaalsrecht van crediteuren worden onttrokken. Ook het onmogelijk maken of ernstig belemmeren van toescheiding bij scheiding en deling en de afgifte van een legaat lijkt onwenselijk. Zoals hierboven met betrekking tot lid 1 werd opgemerkt worden, anders dan in het Nederlandse recht, geen voorschriften gegeven voor de redactie van de blokkeringsregeling. Anders dan in het Nederlandse recht is ook mogelijk dat een blokkeringsregeling de overdracht uitsluit of ‘uiterst bezwaarlijk’ maakt. Onder meer in dat geval geldt intussen artikel 254 lid 1 onder b. Zie voor kwaliteitseisen ook artikel 254 lid 1 onder a. Aan het niet voldoen aan een kwaliteitseis kan de statutaire verplichting zijn verbonden de aandelen aan de vennootschap of een medeaandeelhouder over te dragen (artikel 257). In het Nederlandse recht worden deze kwesties geregeld in de iets anders gestructureerde artikelen 2:87a, 87b, 195a en 195b NedBW. 2024 -282- No. 164

  723. Artikel 112 Lid 1 bepaalt dat de bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op aandelen niet bij de statuten kan worden beperkt of uitgesloten. De achtergrond van deze regel is dat de figuur van vruchtgebruik dikwijls wordt gekozen om aan een maatschappelijke verplichting tot onderhoud te voldoen. Het lijkt niet wenselijk dat de vennootschap haar aandeelhouders in dit opzicht beperkingen zou kunnen opleggen. Bedacht moet ook worden dat het recht op vruchtgebruik dikwijls voortvloeit uit een testamentaire regeling. Zou uitsluiting of beperking mogelijk zijn dan zou een dergelijke testamentaire regeling, voor zover het betreft de aandelen van de erflater, niet of slechts gebrekkig kunnen worden uitgevoerd. Ook dat lijkt niet wenselijk. Voor de vennootschap is vooral van belang bij wie het stemrecht berust. De voorziening in lid 2 gaat ervan uit dat het stemrecht in beginsel bij de aandeelhouder blijft.

  724. Artikel 113 Ten aanzien van de bevoegdheid tot het vestigen van pandrecht gelden niet dezelfde maatschappelijke overwegingen als bij vruchtgebruik. Uitsluiting of beperking is dan ook toegestaan. De aan het aandeel verbonden rechten komen in beginsel toe aan de aandeelhouder (lid 2). In de praktijk bestaat echter behoefte aan de figuur waarbij met het pandrecht, ter meerdere zekerheid, ook het stemrecht overgaat. Dikwijls wordt deze variant gekozen dat het stemrecht op de pandhouder overgaat wanneer de pandgever in de onderliggende verhouding wanprestatie pleegt. Lid 3 laat toe, tenzij de statuten anders bepalen, dat in de akte van vestiging of een aanvullende akte een en ander zo wordt geregeld. De aanvullende akte wordt apart genoemd omdat het in de praktijk voorkomt dat pas later, lang nadat het pandrecht gevestigd is, behoefte aan een nadere regeling ontstaat. De woorden ‘of een aanvullende akte’ stellen buiten twijfel dat in een dergelijk geval niet een nieuwe akte van vestiging hoeft te worden opgemaakt. Voor de geldigheid van een voorziening als bedoeld in lid 3 is vereist dat de leveringsformaliteiten overeenkomstig zijn toegepast (lid 4). Aantekening in het aandeelhoudersregister is voorgeschreven maar is geen geldigheidsvereiste. In lid 5 wordt de mogelijkheid van stil pandrecht geopend.

  725. Artikel 114 De vennootschap kan geen eigen aandelen nemen. De betekenis van deze bepaling is dat een daarop gerichte handeling en een daarop gericht besluit nietig zijn. De vennootschap kan wel eigen aandelen van derden verkrijgen. De statuten kunnen deze mogelijkheid echter uitsluiten of beperken (lid 2). Aldus ook artikel 65 WvK in een andere, op het toen bestaande systeem aansluitende formulering. De mogelijkheid om eigen aandelen in te trekken is beperkt tot het geval dat deze door de vennootschap worden gehouden. De intrekking geschiedt dan door een daarop gericht besluit van de algemene vergadering of een door de statuten aangewezen ander orgaan.

  726. Artikel 115 Deze bepaling, die artikel 66 WvK vervangt, regelt de terugbetaling of ontheffing van de stortingsverplichting. In beginsel bestaat ook op dit gebied grote vrijheid. Desgewenst kan worden besloten tot volledige terugbetaling. Ook bij volledige terugbetaling blijft het recht een aandeel met de daaraan volgens de wet en de statuten verbonden rechten. Een belangrijke voorwaarde is intussen dat het eigen vermogen van de vennootschap positief is en niet negatief wordt. Bij de laatste zin van lid 1 is gedacht aan de situatie waarin het bedrag dat volgens het besluit moet worden terugbetaald groter is dan het op zichzelf positieve eigen vermogen. Stel bijvoorbeeld dat volgens het besluit SRD 100.000 moet worden terugbetaald, terwijl het eigen vermogen slechts SRD 60.000 bedraagt. In een dergelijk geval heeft het besluit geen enkele rechtskracht, dus ook niet in deze zin dat een verplichting tot terugbetaling van SRD 60.000 ontstaat. Wordt geconstateerd dat het besluit geen rechtskracht heeft nadat de betaling is verricht, dan kan het betaalde als onverschuldigd betaald teruggevorderd worden. De gedachte waarop lid 2 berust werd toegelicht bij artikel 101. 2024 -283- No. 164 Artikel 116 De Wet op de Jaarrekening is van toepassing.

  727. Artikel 118 De hoofdregel is dat de algemene vergadering beslist over de uitkering of inhouding van de winst en andere uitkeringen ten laste van het eigen vermogen (lid 1 en 2). Volgens lid 3 is een andere hoofdregel dat ieder aandeel recht geeft op een gelijk bedrag. Er bestaat echter volledige vrijheid om deze zaken in de statuten anders te regelen. Aandelen zonder enig uitkeringsrecht zijn in beginsel mogelijk. Van groot belang is lid 5. Men zie daarvoor ook de toelichting bij artikel 115 lid 1. In lid 6 wordt een bewijsregeling gegeven, die vooral van belang is bij tussentijdse uitkeringen. Men kan in deze bepaling zien een gemoderniseerde variant van artikel 78 WvK. Voor de strekking van lid 7 mag hier worden verwezen naar de toelichting bij artikel 101. Artikel 127

  728. Artikel 127 is materieel gelijk aan artikel 79 WvK, zoals deze bepaling luidt sedert de wetswijziging van 2016. Lid 2 geeft een wettelijke basis voor de in de praktijk veel voorkomende aandeelhoudersovereenkomst. In lid 3 wordt een geheel nieuwe rechtsfiguur geïntroduceerd: de ‘vennootschappelijke overeenkomst’. De tweede zin van lid 3 geeft de voorwaarden aan waaraan moet zijn voldaan wil er sprake zijn van een vennootschappelijke overeenkomst. De belangrijkste voorwaarde is dat de vennootschap zelf en alle aandeelhouders daarbij partij zijn, vgl. lid 3 onder b. In lid 4 wordt het belangrijkste kenmerk van de vennootschappelijke overeenkomst aangegeven: de daarin opgenomen bepalingen hebben in beginsel hetzelfde rechtsgevolg als een statutaire bepaling. In deze zin hebben de bepalingen wat in de praktijk genoemd wordt ‘vennootschapsrechtelijke werking’. Daarmee wordt bedoeld dat vennootschappelijke overeenkomst ook vennootschapsrechtelijk rechtsgeldig is. Bij wijze van voorbeeld kan worden genoemd een bepaling in een vennootschappelijke overeenkomst, waarbij de bevoegdheid om tot aandelenemissie te besluiten exclusief aan het bestuur of de raad van commissarissen wordt toegedeeld, vgl. artikel 104 lid 1 en artikel 127 lid 1. Een dergelijke bepaling is ook geldig in vennootschapsrechtelijke zin, heeft dus ‘vennootschapsrechtelijke werking’. Een ander voorbeeld levert op een ‘blokkeringsregeling’ in de zin van artikel 111. Wordt een dergelijke regeling in een aandeelhoudersovereenkomst opgenomen dan heeft zij weer vennootschapsrechtelijke werking. De betekenis daarvan is dat een aandelenoverdracht die in strijd is met de blokkeringsregeling in de overeenkomst – vgl. artikel 111, lid 2 – niet rechtsgeldig is, tenzij deze de instemming heeft van alle aandeelhouders. Opname van een bepaling in een vennootschappelijke overeenkomst kan voordelen hebben boven opname in de statuten. Als een belangrijk voordeel kan worden aangemerkt dat de bepaling niet, zoals een statutaire bepaling, openbaar hoeft te worden gemaakt. Als een tweede voordeel kan worden beschouwd dat zij gemakkelijk kan worden ingetrokken of gewijzigd. Deze voordelen kunnen vooral in ‘joint venture’ verhoudingen hun nut bewijzen. Bij deze opmerkingen moet wel worden gelet op lid 3 onder c. De daarin vermelde voorwaarde beoogt zeker te stellen dat derden, die met de NV als wederpartij of anderszins te maken krijgen, van het bestaan van de vennootschappelijke overeenkomst op de hoogte kunnen zijn. Potentiële kredietverschaffers en andere partijen die voornemens zijn met de NV een overeenkomst aan te gaan, kunnen desgewenst van de NV verlangen dat de vennootschappelijke overeenkomst aan hen ter inzage wordt gegeven. 2024 -284- No. 164 Lid 4 bevat de clausule ‘voor zover iets anders niet uit de wet … voortvloeit’. Deze clausule is onder meer van belang voor de toepassing van artikel 21 lid 1. Volgens die bepaling is een besluit dat in strijd is met de statuten nietig. Uit artikel 21 lid 3 onder c vloeit echter voort dat een besluit in strijd met een vennootschappelijke overeenkomst vernietigbaar is. Lid 4 verwijst naar lid 3 van artikel 1. Het gaat dus om bepalingen waarin wordt afgeweken van de wettelijke hoofdregel of daaraan iets wordt toegevoegd. Desgewenst kan ook een gelijkluidende bepaling in de vennootschappelijke overeenkomst worden opgenomen maar deze heeft dan geen toegevoegde waarde. Denkbaar is wel dat de statutaire regeling in de vennootschappelijke overeenkomst nader wordt uitgewerkt. Lid 5 beoogt zeker te stellen dat aan de voorwaarde van lid 3 onder b ten allen tijde is voldaan. In lid 7 worden de bepalingen aangaande de notuleringsplicht van overeenkomstige toepassing verklaard. Gedacht wordt hierbij aan vergaderingen en besluiten bij de uitvoering van de vennootschappelijke overeenkomst. In lid 8 worden bepalingen genoemd die, ook al worden zij in de wet als een toegelaten aanvulling of afwijking van de wettelijke hoofdregel gepresenteerd, zozeer de kern van de organisatie, de aandelenstructuur van de vennootschap of het belang van derden raken dat opname in de (openbare) statuten geboden lijkt. Lid 8 schrijft dat voor ten aanzien van de daar genoemde bepalingen. Ook bij deze bepalingen moet echter worden bedacht dat nadere uitwerking in de vennootschappelijke overeenkomst mogelijk blijft. Lid 9 kwam hierboven al ter sprake. Lid 10 sluit aan bij artikel 1 lid 4. Aandacht verdient ten slotte artikel 9 van dit boek. Die bepaling geeft aan welke kantonrechter bevoegd is bij de daarin genoemde procedures. In lid 2 van artikel 9 wordt de procedure voortvloeiend uit een vennootschappelijke overeenkomst met zoveel woorden genoemd.

  729. Artikel 128 Lid 1 komt globaal overeen met artikel 80 lid 1, WvK. Lid 2 waarborgt, beter dan artikel 81 WvK, dat de leidinggevende functionarissen een algemene vergadering bijeen kunnen roepen wanneer zij dat nodig vinden.

  730. Artikel 129 In artikel 129 wordt het begrip ‘vergaderrecht’ ingevoerd. De redactie van een reeks andere bepalingen wordt daardoor vereenvoudigd. Het begrip ‘vergaderrecht’ wordt ook ingevoerd in het Antilliaanse en het Nederlandse vennootschapsrecht. Elementen van artikel 129 zijn terug te vinden in artikel 89 WvK. De slotzin van lid 2 bepaalt dat de statuten het vergaderrecht ook aan andere personen kunnen toekennen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan certificaathouders, vruchtgebruikers zonder stemrecht en pandhouders zonder stemrecht. Lid 3 opent de mogelijkheid voor andere varianten.

  731. Artikel 130 Afgezien is van een systeem waarbij de bijeenroeping van de algemene vergadering door aandeelhouders moet worden geautoriseerd door de kantonrechter, zoals is vastgelegd in de artikelen 82 tot en met 84 WvK. In plaats daarvan geeft artikel 130 een sterk vereenvoudigde regeling voor de oproeping door anderen dan de personen genoemd in artikel 128 lid 2. 2024 -285- No. 164 De clausule ‘mits zij daarbij een redelijk belang hebben’ in lid 1 is toegevoegd om oneigenlijk gebruik van de regeling te beperken. De clausule kan ook voorkomen dat de verzoekers langs oneigenlijke weg inzage krijgen in het aandeelhoudersregister. Artikel 131 Vgl. de artikelen 85 tot en met 88 en 95 WvK.

  732. Artikel 132 De hoofdregel is dat ieder aandeel recht geeft op het uitbrengen van één stem. Vgl. artikel 90 WvK. Er bestaat echter volledige vrijheid om van deze regel af te wijken. Ook stemrechtloze aandelen zijn in beginsel mogelijk. Blijkens de slotwoorden van lid 1 kan ook worden gestemd via een schriftelijk gevolmachtigde. Uit artikel 36 volgt dat een volmacht, behoudens beperking van deze mogelijkheid, ook elektronisch kan worden gegeven. Daarmee is in beginsel de mogelijkheid van elektronisch vergaderen geopend. Opgemerkt mag nog worden dat de regel dat stemrecht bij schriftelijk gevolmachtigde mag worden uitgeoefend, niet uitsluit dat in de statuten kwaliteitseisen (medeaandeelhouder, advocaat, accountant, etc.) worden gesteld aan de personen die als schriftelijk gevolmachtigde kunnen optreden. Een regel in de geest van artikel 91 WvK is niet opgenomen. In lid 2 wordt rekening gehouden met het in de U.S.A. bij beursvennootschappen niet ongebruikelijke en ook in Nederland en Caribisch Nederland bekende systeem waarbij een ‘record date’ beslissend is voor de bevoegdheid om stem uit te brengen. De bepaling is vooral van belang in gevallen waarin aandelen in een Surinaamse NV op een Amerikaanse beurs verhandeld worden. Lid 3 geeft bestuurders en commissarissen een adviesrecht, niet alleen bij de beraadslagingen in de algemene vergadering maar ook bij de besluitvorming buiten vergadering op de voet van artikel 135. Aldus voor het Nederlands recht impliciet HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595 (Janssen Pers). Lid 4 sluit hier logisch op aan.

  733. Artikel 133 Vgl. artikel 92 WvK. Lid 2 spreekt over het geval dat de stemmen staken. Bepalen de statuten dat de beslissing wordt opgedragen aan een ander orgaan dan heeft de beslissing van dat andere orgaan als een besluit in de zin van Boek 2 te gelden. Wordt de beslissing opgedragen aan een derde dan zal er over het algemeen sprake zijn van een bindend advies. Naar analogie van artikel 7 lid 2 moet echter worden aangenomen dat opdracht ook een opdracht tot arbitrage kan zijn. In de leden 3-5 is in het belang van de rechtszekerheid een notuleringsplicht opgenomen. Blijkens lid 6 heeft de regeling ook betekenis voor besluiten van andere organen. Een regeling in de geest van artikel 100 WvK is niet opgenomen. Het daar gestelde volgt al uit het procesrecht. De term ‘volstrekte meerderheid’ in lid 1 kan tot vragen aanleiding geven. Voor de vraag of een bepaald voorstel al of niet is aangenomen bestaat geen verschil tussen ‘meerderheid’ ‘gewone meerderheid’ en ‘volstrekte meerderheid’. Steeds is vereist dat er meer stemmen vóór dan tegen zijn uitgebracht. Denkbaar is echter dat het voorstel de keuze laat tussen meer dan twee alternatieven. Zo komt het bij stemming over personen voor dat er meer dan één kandidaat is. In dat geval kan de regel zijn dat het voorstel dat de meeste stemmen krijgt als aangenomen geldt. Men spreekt in een dergelijk geval van een ‘relatieve meerderheid’.

  734. Artikel 134 Vgl. artikel 93 WvK. De verwijzing naar artikel 5 houdt verband met de daar voorgeschreven notariële akte. De verklaring van geen bezwaar – vgl. art. 97 WvK – is ook voor statutenwijziging afgeschaft. 2024 -286- No. 164 Bij de redactie van lid 2 is onder meer gedacht aan het geval dat alle aandeelhouders vrijwillig of onvrijwillig een kwaliteit aannemen waaraan de statuten het gevolg verbinden dat zij hun stemrecht verliezen. Zoals blijkt uit artikel 254 lid 1 onder a, is een dergelijke statutaire bepaling in beginsel geoorloofd. Lid 3 is materieel aan artikel 99 WvK. Een regeling als omschreven in artikel 94 WvK is niet opgenomen. In plaats daarvan wordt in lid 4 aan onder meer de minderheidsaandeelhouder een bijzonder recht op vernietiging van een besluit tot statutenwijziging te geven. Dit recht kan worden uitgeoefend indien zijn rechten daardoor ernstig worden aangetast en hij een zwaarwegend belang heeft bij de handhaving van zijn rechtspositie. In beginsel kan een aandeelhouder niet klagen over een statutenwijziging op de enkele grond dat zijn rechten worden aangetast. Door als aandeelhouder toe te treden aanvaardt hij immers dat de statuten volgens de gestelde regels kunnen worden gewijzigd, ook wanneer de wijziging voor hem nadelig is. Vgl. HR 17 mei 1991, NJ 1991, 645 (Tonnema). De noodzakelijke bescherming moet de aandeelhouder dan vinden in de regels van dwingend recht die de vennootschap beheersen. Het aantal dwingendrechtelijke regels is echter in de voorgestelde wetgeving tot een minimum beperkt. Een aandeelhouder die het hier omschreven recht inroept moet zijn zwaarwegend belang aannemelijk maken. Het feit dat aan de aandeelhouder in een situatie als bedoeld ook het uittredingsrecht van artikel 254 lid 1 onder c toekomt, kan bij de beoordeling daarvan een rol spelen. Het hier besproken lid 4 sluit overigens niet uit dat bij de vordering tot vernietiging mede een beroep wordt gedaan op artikel 21 lid 3 onder b (strijd met de redelijkheid en billijkheid). Daaronder vallende bijkomende omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de vordering op die grond slaagt, ook al is niet volledig aan de voorwaarden van artikel 134 lid 4 voldaan. De vordering uit artikel 134 lid 4 komt overigens niet alleen toe aan aandeelhouders maar meer in het algemeen aan iedere persoon die krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon is betrokken, een formulering die is ontleend aan artikel 7 jo artikel 21 lid 3 onder b. Daaronder kunnen onder meer ook bestuurders en commissarissen vallen.

  735. Artikel 135 Deze bepaling vervangt artikel 102 WvK. De in lid 1 opgenomen regeling is soepeler dan de Nederlandse pendant in artikel 2:128 NedBW. Voorgeschreven wordt wel dat de stemmen schriftelijk worden uitgebracht en dat alle vergadergerechtigden met deze wijze van besluitvorming instemmen. Is ten tijde van de besluitvorming nog niet aan deze voorwaarde voldaan dan kan dit gebrek worden ‘geheeld’ doordat de betrokken vergadergerechtigden achteraf alsnog met de wijze van besluitvorming instemmen of te kennen geven geen beroep te zullen doen op het procedurele gebrek. Men kan hierin een vorm van bekrachtiging zien. Anders dan in artikel 2:128 NedBW wordt niet voorgeschreven dat besluitvorming buiten vergadering alleen mogelijk is met algemene stemmen. De voorwaarde dat alle vergadergerechtigden – vooraf of achteraf – met de wijze van besluitvorming instemmen, geeft voldoende bescherming aan minderheidsaandeelhouders en andere outsiders. Uit artikel 36 volgt dat besluitvorming buiten vergadering ook langs elektronische weg kan plaatsvinden. 2024 -287- No. 164 Lid 2 handhaaft onder meer de notuleringsplicht. ‘Overeenkomstige toepassing’ zal in dit geval betekenen dat het besluit alsnog schriftelijk moet worden vastgelegd, dat de wijze van besluitvorming moet worden genoteerd en dat de schriftelijke stukken waaruit van stemuitbrenging blijkt (of afschriften daarvan) bij de schriftelijke vastlegging van het besluit moeten worden bewaard. Een en ander kan uiteraard ook elektronisch gebeuren. Lid 3 vereenvoudigt de goedkeuringsprocedure bij eenmansvennootschappen, veel familievennootschappen en concernvennootschappen. In de artikelen 128 lid 1 en 132 lid 3 is rekening gehouden met deze bepaling. Ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en alle commissarissen wordt ook voorgeschreven in de Wet op de Jaarrekening.

  736. Artikel 135a Volgens artikel 100 lid 3 moeten bij de oprichting ten minste zoveel aandelen bij een oprichter of een derde worden geplaatst dat ten aanzien van ieder onderwerp stemrecht kan worden uitgeoefend en ten minste één aandeel dat deelt in de winst. Als gevolg van artikel 132 lid 1 en 2 kan het niettemin voorkomen dat de algemene vergadering niet kan functioneren omdat ten aanzien van een essentieel onderwerp of zelfs van alle onderwerpen geen stemmen kunnen worden uitgebracht. Statutaire bepalingen, die het tot effect hebben dat het stemrecht niet kan worden uitgeoefend – zie bij voorbeeld artikel 108 lid 1 onder b jo art. 252 lid 1 onder a – zijn geoorloofd en komen ook voor. Afgezien van de zojuist genoemde gevallen komt het in de praktijk regelmatig voor dat het zicht op de aandelen en de daarmee verbonden rechten, bij voorbeeld als gevolg van opeenvolgende herstructureringen, verloren is geraakt. De mogelijkheden voor recherche zijn beperkt, ook al is in voorkomende gevallen – verplicht of onverplicht – een notaris ingeschakeld. Het register van aandeelhouders is niet altijd een betrouwbare bron. Denkbaar is ook dat aandelen om niet aan de vennootschap worden overgedragen. Er is dan geen sprake van een ‘uitkering’ in de zin van artikel 114 jo 118 lid 5. Het hier voorgestelde artikel 135a beoogt een oplossing te bieden voor dit soort situaties. Een NV zonder stemgerechtigde aandeelhouders is materieel een stichting. Hierop sluit aan dat het bestuur als eerst in aanmerking komt om de taak van de algemene vergadering overneemt. Een afwijkende statutaire regeling is mogelijk. De statutaire regeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de raad van commissarissen of een buitenstaander beslist. De slotzin van lid 1, die dit mogelijk maakt, sluit aan bij de gedachte van artikel 133 lid 2. De aandacht verdient in dit verband dat artikel 134 lid 2 een eigen regeling geeft voor het geval een statutenwijziging door omstandigheden als bedoeld niet mogelijk lijkt. Biedt die regeling in een concreet geval een oplossing dan komt men aan toepassing van artikel 135a niet toe. Ontbreken ook al deze mogelijkheden dan moet de oplossing gevonden worden in de regeling van de zaakwaarneming.

  737. Artikel 136 Volgens de hoofdregel in lid 1, is de algemene vergadering bevoegd bestuurders te benoemen. Er bestaat echter volledige vrijheid om dit in de statuten anders te regelen. Zo kan de benoemingsbevoegdheid worden gebonden aan een bindende voordracht, al dan niet volgen het model van het huidige artikel 110 WvK, ook al regelt de wet dat niet expliciet. Lid 2 gaat over schorsing en ontslag. De eerste zin geeft de hoofdregel. Een aanvullende regeling kan in de statuten worden getroffen. Daarbij kan echter de bevoegdheid tot schorsing en ontslag niet aan het orgaan of degene die de benoemingsbevoegdheid heeft worden ontnomen. 2024 -288- No. 164 Lid 3 geeft als hoofdregel dat de bevoegdheid om de bezoldiging van een bestuurder vast te stellen toekomt aan de algemene vergadering. Zij volgt niet automatisch een afwijkende benoemingsbevoegdheid. Dat de statuten het zo kunnen regelen blijkt echter uit de aanvangswoorden van lid 3. In lid 4 komt de schorsing opnieuw ter sprake. Deze bepaling beoogt langdurige schorsingen, die in feite neerkomen op ontslag, te voorkomen. Een herhaling van de schorsing binnen de periode van twee maanden is niet uitgesloten maar zal dikwijls, althans wanneer daarvoor geen nieuwe gronden zijn, in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Vanzelf spreekt dat een uitgesproken schorsing te allen tijde door het schorsende orgaan kan worden ingetrokken. In het Wetboek van Koophandel wordt deze materie, soms in andere zin, geregeld in de artikelen 109-112.

  738. Artikel 137 Deze bepaling hangt samen met het bepaalde in artikel 18 lid 4 en lid 8. Zij sluit niet uit dat een lid van het algemeen bestuur, die ook uitvoerend bestuurder is, op de voet van artikel 136 als algemeen bestuurder wordt geschorst of ontslagen. Op zichzelf genomen heeft dit geen gevolgen voor de positie van de betrokkene als dagelijks bestuurder.

  739. Artikel 138 De woorden ‘het beleid van de vennootschap bepaalt of mede bepaalt’ in lid 1, zijn zo gekozen om aan te sluiten bij de terminologie van artikel 16 lid 9. Een persoon die aan het criterium van artikel 138 voldoet valt a fortiori onder artikel 16 lid 9, en daarmee onder artikel 16 in zijn geheel. Intussen blijkt uit de tekst van artikel 138 dat hij ook buiten het in artikel 16 bedoelde geval van faillissement als bestuurder kan worden aangemerkt. Een – anders geformuleerde – voorloper van deze bepaling is te vinden in de artikel 130 jo 131 WvK. TITEL 6 - DE AANDEELHOUDER-BESTUURDE VENNOOTSCHAP Algemeen De regeling van de aandeelhouder-bestuurde vennootschap is ontworpen om voor de (familie-)nv die materieel opereert als eenmanszaak, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap (de laatste twee vallen in de terminologie van Boek 7, Titel 13, onder de categorie van openbare vennootschap) een eenvoudiger functionerend model te bieden. De hoofdgedachte van de regeling is dat bij deze vennootschapsvormen een onderscheid tussen de algemene vergadering en het bestuur niet goed te maken is en tot onnodige procedurele problemen leidt. Deze gedachte wordt tot uitdrukking gebracht door de bepaling dat – met enkele functionele uitzonderingen – alle aandeelhouders als bestuurder gelden (artikel 240 lid 1). Desgewenst kan een verdere vereenvoudiging worden verkregen door gebruik te maken van een vennootschappelijke overeenkomst in de zin van artikel 127 lid 3. De regeling vangt aan met artikel 239. Deze nummering is zo gekozen om aansluiting te vinden bij de regeling van de aandeelhouder-bestuurde besloten vennootschap (ABV) in de Antilliaanse wetgeving.

  740. Artikel 239 Lid 1 van artikel 239 spreekt voor zichzelf. Invoering van de regeling is voor alle aandeelhouders een ingrijpende beslissing. Zijn er stemgerechtigden, die geen aandeelhouder zijn, dan is de beslissing ook voor hen van betekenis. Lid 2 geeft elk van hen – ook de aandeelhouders zonder stemrecht en de stemgerechtigden die geen aandeelhouder zijn – de mogelijkheid om invoering van de regeling te verhinderen. Artikel 102 lid 5 en artikel 108a lid 3 bevatten een soortgelijke regeling. 2024 -289- No. 164 Voor een statutenwijziging tot afschaffing van een eerder ingevoerde bepaling kan meer vrijheid worden gelaten. Aandeelhouders wier rechtspositie daardoor wordt aangetast kunnen in beginsel een beroep doen op artikel 134 lid 4. Maar ook los daarvan kan het voorkomen dat de voor afschaffing noodzakelijke statutenwijziging op zodanige tegenstand stuit dat zij niet kan plaatsvinden. Denkbaar is dat een aandeelhouder daardoor in zodanige moeilijkheden komt – denk aan de in artikel 240 lid 3 onder b genoemde aandeelhouder – dat aan hem de vordering tot uittreding van artikel 241 toekomt. Zie in dit verband ook het hierna bij de toelichting op artikel 240 lid 2 in verband met de wettelijke blokkeringsregeling gestelde. Opdat derden erop attent worden gemaakt dat voor de vennootschap de bijzondere structuur van artikel 239 geldt, wordt in lid 3 een van artikel 102 lid 1, afwijkend voorschrift voor de naamsaanduiding gegeven. Lid 4 verwijst naar de volgende artikelen voor de gevolgen van de regeling.

  741. Artikel 240 Lid 1 van artikel 240 bevat de kern van de regeling: in beginsel gelden alle aandeelhouders als bestuurder. De implicatie is dat bestuurders niet als zodanig kunnen worden benoemd of ontslagen. Dat volgt overigens ook uit artikel 242 lid 1, waarin artikel 136 niet van toepassing wordt verklaard. Zie voor schorsing als bestuurder artikel 242 lid 2. Het in artikel 240 lid 1 bepaalde sluit overigens niet uit dat er weinig actieve aandeelhouder/bestuurders zijn: artikel 14 lid 1 laat een ver gaande taakverdeling toe. Lid 2 geeft de uitzonderingen op de hoofdregel aan. Bij de onder a genoemde uitzondering is gedacht aan het geval dat een aandeelhouder/bestuurder zijn functie als bestuurder wil opgeven of aan het geval dat een toetredend aandeelhouder uitsluitend als geldschieter wil deelnemen. Aan hem kunnen, als de statuten dat toelaten, aandelen worden verstrekt waaraan geen andere rechten dan uitkeringsrechten zijn verbonden. De figuur vertoont enige verwantschap met die van de commanditaire vennoot bij contractuele vennootschappen. Een commanditaire vennoot kan echter als zodanig zeggenschapsrechten en daarmee verwante rechten hebben. Dat is hier niet het geval. Wel kan vergaderrecht in de zin van artikel 129 worden toegekend. Goed denkbaar is ook dat de aandeelhouder van lid 2 onder a tot commissaris wordt benoemd. In lid 2 onder b wordt de situatie onder ogen gezien dat de aandelen van rechtswege overgaan op een opvolger. Daarvan kan onder meer sprake zijn bij erfopvolging en fusie. De regeling komt erop neer dat de opvolgend aandeelhouder wel de aan het aandeel verbonden uitkeringsrechten behoudt, maar voor het overige, totdat hij als bestuurder door de zittende aandeelhouder/bestuurders wordt toegelaten, niet meedoet in de vennootschappelijke organisatie. De bepaling geldt niet als door de overgang het bestuur geheel zou komen te ontbreken. Hierbij valt onder meer te denken aan vererving bij overlijden van de enig aandeelhouder. In lid 2 onder c wordt het geval genoemd waarin de vennootschap eigen aandelen houdt of een dochtermaatschappij aandelen in de vennootschap houdt. Er is geen reden om dat voor de ANV te verbieden. Daarmee wordt echter de vennootschap of een dochter aandeelhouder, hetgeen ingevolge de hoofdregel van lid 1 tot de vreemde consequentie zou leiden dat de vennootschap of de dochter als bestuurder van de vennootschap heeft te gelden. Dit zou in strijd zijn met de vennootschappelijke orde en de strekking van artikel 114 lid 2, tweede zin. De vennootschappelijke orde is echter niet een duidelijk begrip en de tekst van artikel 114 lid 2, tweede zin is niet op het kwalitatieve bestuurderschap toegesneden. Lid 2 onder c van artikel 240 beoogt in deze onduidelijkheid te voorzien. 2024 -290- No. 164 Lid 3 bevat een noodzakelijk complement. De aandacht moge hebben dat de werking van deze wettelijke blokkeringsregeling, ofschoon zij de overdracht van aandelen onmogelijk kan maken, op zichzelf genomen niet voldoende is voor het toekennen van een uittredingsrecht aan degene die zijn aandelen wil overdragen: artikel 240 lid 3 wordt in artikel 254 lid 1 onder b niet genoemd. Denkbaar is wel dat degene die zijn aandelen wil overdragen door het weigeren van de vereiste instemming zodanig in zijn belangen wordt geschaad dat artikel 251 lid 1 zonder meer van toepassing is. De aandeelhouder/bestuurders kunnen er belang bij hebben dat de opvolgend aandeelhouder, die zonder hun instemming aandeelhouder is geworden, zijn aandelen overdraagt. In de eerste zin van lid 4 wordt aan hen het recht toegekend de opvolgend aandeelhouder tot overdracht te dwingen op de voet van artikel 257.

  742. Artikel 241 In lid 1 wordt vooropgesteld dat iedere bestuursvergadering tevens geldt als vergadering van aandeelhouders en omgekeerd. Daarmee staat vast dat in iedere vergadering elk onderwerp aan de orde kan komen, zodat men zich niet telkens hoeft af te vragen in wat voor vergadering men zit. Daarmee is overigens niet gezegd dat over ieder onderwerp rechtsgeldig kan worden beslist. Dat hangt ervan af of aan de wettelijke en statutaire oproepings- en besluitvormingsvoorschriften is voldaan. Voor vergaderingen en besluiten van de algemene vergadering geeft de wet een aantal voorschriften, voor bestuursvergaderingen en bestuursbesluiten niet. Bij de ANV zullen vergaderingen dikwijls op informele wijze bijeengeroepen en gehouden worden, ook als over onderwerpen die formeel tot de competentie van de algemene vergadering behoren moet worden beraadslaagd. De voor de gewone NV geldende wettelijke regeling legt deze vrijheid te sterk aan banden. In lid 2 wordt het aantal toepasselijke voorschriften sterk beperkt of door andere, meer eenvoudige vervangen. Aan de aandeelhouder/bestuurders kan worden overgelaten een en ander in de statuten, een reglement of een vennootschappelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 127 lid 3 nader te regelen. Aldus het hierna te bespreken lid 5. De eerste zin van lid 2 geeft een voor de ANV voor de hand liggende regel. De tweede zin is geënt op de gedachte dat bij een materieel als vennootschap onder firma opererende vennootschap de aandeelhouder/bestuurders, met inachtneming van het verschil in aandelenbezit, maar overigens op voet van gelijkheid binnen de organisatie behoren te opereren. Aan stemrechtloze aandelen of een andere differentiatie van stemrechten en de daarmee samenhangende complicaties behoort geen behoefte te bestaan. Hetzelfde geldt voor besluiten in bestuursaangelegenheden. Bestaat die behoefte wel dan kan men beter voor de meer gedetailleerde algemene regeling kiezen. Hierbij mag bedacht worden dat aandeelhouders die geen bestuurder zijn ook als aandeelhouder geen stemrecht hebben (artikel 240 lid 2 onder a en b). Lid 3 bevat een vereenvoudigde versie van artikel 129 lid 3. Lid 4 bepaalt dat onder meer artikel 128 lid 2 niet van toepassing is. Dit betekent dat commissarissen niet zonder meer bevoegd zijn tot bijeenroeping van de algemene vergadering. In een besloten verhouding als die van de ANV kan dat verstorend werken. Wel kan een regeling als bedoeld in lid 5 een bepaling in die zin bevatten. Artikel 128 lid 2 heeft voor het overige voor de ANV geen betekenis. Voor artikel 128 leden 2 en 3 komt het zojuist genoemde lid 3 van artikel 241 in de plaats. De regel dat iedere aandeelhouder/bestuurder tot bijeenroeping bevoegd is maakt artikel 130 overbodig. Gelet op lid 2, kunnen ook de artikelen 131, 132 en 135 worden gemist. 2024 -291- No. 164 Lid 4 staat uitdrukkelijk toe de procedure voor bijeenroeping en besluitvorming in de statuten, in een krachtens de statuten opgesteld reglement of in een vennootschappelijke overeenkomst in de zin van artikel 127 lid 3 (waarbij de aandeelhouders die geen bestuurder zijn geen partij hoeven te zijn, artikel 240 lid 5) nader te regelen. Daarbij kan desgewenst onderscheid worden gemaakt tussen aangelegenheden die formeel tot de competentie van de algemene vergadering behoren, zoals statutenwijziging, en andere kwesties. Ook kan worden afgeweken van het voor aandeelhoudersvergaderingen geldende voorschrift dat een stem alleen in persoon of krachtens schriftelijke volmacht kan worden uitgebracht. Bepaald kan bijvoorbeeld worden dat een mondelinge volmacht voldoende is. Wordt in strijd met deze regels gehandeld, dan is het besluit vernietigbaar is op grond van artikel 21 lid 3 onder a, c of d, onverschillig of het als bestuursbesluit of als besluit van de algemene vergadering moet worden aangemerkt. In verband met het bovenstaande mag worden opgemerkt dat artikel 133, waarin de meerderheidsregel en de notuleringsplicht zijn vastgelegd, gehandhaafd is. Vanzelf spreekt dat ook de wettelijke bepalingen, waarin een bijzondere meerderheidsregel wordt gegeven, van kracht blijven. Lid 5 bepaalt in de eerste zin dat bij het bijeenroepen van een vergadering ‘een redelijke termijn’ in acht moet worden genomen. Wat een redelijke termijn is hangt af van de omstandigheden van het geval. Als een ‘redelijke termijn’ zal zo goed als altijd kunnen worden aangemerkt de in artikel 131, lid 2 genoemde termijn van vijf dagen maar de omstandigheden kunnen meebrengen dat ook met een kortere termijn kan worden volstaan. Nadere voorwaarden, zoals de voorwaarde dat de oproeping schriftelijk moet geschieden (artikel 131 lid 1) en dat voorgedragen onderwerpen op de agenda moeten worden geplaatst (artikel 131 lid 3) worden niet gesteld. Aannemelijk is dat het in de praktijk dikwijls zal voorkomen zowel de bijeenroeping als de agendering als de besluitvorming op informele wijze plaatsvinden. Daarmee vervaagt het onderscheid tussen besluitvorming in vergadering en besluitvorming buiten vergadering als bedoeld in artikel 241a. Daartegen bestaat op zichzelf geen bezwaar. Men zij er wel op bedacht dat artikel 241a als voorwaarde voor besluitvorming buiten vergadering stelt dat alle vergadergerechtigden met die wijze van besluitvorming instemmen.

  743. Artikel 241a In lid 1 wordt verwezen naar artikel 241 lid 1. Dit betekent dat de regeling in beginsel ook geldt voor besluiten die uitsluitend als bestuursbesluit moeten worden aangemerkt. Een materiële verandering brengt dit niet mee: voor bestuursbesluiten kent het WvK geen uitgeschreven regels. Het voorliggende ontwerp ook, behalve dan de hierna nog ter sprake te brengen notuleringsplicht. Zoals in artikel 135 lid 1, wordt ook hier als voorwaarde voor besluitvorming buiten vergadering gesteld dat alle vergadergerechtigden met de wijze van besluitvorming instemmen. Zoals in de toelichting op artikel 135 werd opgemerkt kan van die instemming vóór of tijdens de besluitvorming blijken. Eventueel kan daarvan ook na de besluitvorming blijken. Dit achteraf blijken kan worden gezien als een vorm van bekrachtiging. Het vergaderrecht komt in elk geval toe aan iedere bestuurder (artikel 241 lid 3). Het voorgaande brengt dus mee dat alle bestuurders met besluitvorming buiten vergadering moeten instemmen. Voor zover het materieel gaat om bestuursbesluiten spreekt dit vanzelf. In principe geldt dat ook bij andere vennootschappen dan de ANV.

  744. Artikel 132 bepaalt in lid 4 dat bestuurders en commissarissen die een raadgevende stem hebben tijdig in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Deze bepaling geldt ook hier. Voor bestuurders heeft overigens die bepaling weinig of geen zelfstandige betekenis. Als vergadergerechtigden en worden zij in elk geval bij de besluitvorming betrokken. 2024 -292- No. 164 De leden 1 en 3 van artikel 241a spreken ook van een aan de vergadergerechtigden toekomend instemmingsrecht. Uit de laatste volzin van artikel 241 lid 3 blijkt dat dit instemmingsrecht bij of krachtens de statuten kan worden uitgesloten. Men zie hierover nader de toelichting op artikel 241 lid 3. In lid 2 van artikel 241a wordt artikel 133 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ook voor besluitvorming buiten vergadering geldt dus de in artikel 133, leden 3 tot en met 7, omschreven notuleringsplicht. In lid 3 van artikel 241a ontbreekt een zin gelijk aan de slotzin van lid 3 van artikel 135. De overweging is dat het daar bepaalde slecht te verenigen is met de vereenvoudigde besluitvorming binnen de ANV. Artikel 242

  745. Artikel 242 noemt in lid 1 enkele bepalingen die niet van toepassing zijn bij de ANV. Als eerste bepaling wordt genoemd artikel 12 lid 2. Bij de ANV kan dus geen ‘plaatsvervangend bestuurder’ in de zin van artikel 12 lid 2 worden aangewezen. Dit sluit overigens niet uit dat bij tijdelijke afwezigheid van een bestuurder iemand wordt aangewezen die zijn taken waarneemt. Het verschil is dat de betrokkene dan niet in formele zin de positie van een bestuurder bekleedt. Artikel 18 gaat over een mogelijke taakverdeling tussen ‘algemeen bestuur’ en een ‘uitvoerend bestuur’. Wanneer daaraan behoefte bestaat moet voor de ‘gewone’ NV worden gekozen. Dat artikel 136 niet van toepassing is bleek hierboven al. Lid 2 kwam hierboven ook al ter sprake. Men zie voor de leden 3 tot en met 5, de daarin genoemde bepalingen. TITEL 7 – UITKOOP, UITTREDING EN GEDWONGEN OVERDRACHT Algemeen Regelingen in de geest van deze titel kent het huidige Surinaamse recht niet. De ervaring in Nederland en de voormalige Antillen heeft echter geleerd dat daaraan behoefte bestaat. Artikel 250

  746. Artikel 250 is ontleend aan artikel 92a NedBW. Er zijn echter verschillen. Een processueel verschil is dat de vordering tot uitkoop in Nederland aanhangig wordt gemaakt bij de ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam. Dit brengt mee dat in Nederland geen hoger beroep maar alleen cassatie bij de Hoge Raad mogelijk is. Hier te lande zal de vordering op de normale manier aanhangig worden gemaakt bij de kantonrechter, die volgens artikel 9 bevoegd is. Hoger beroep op het Hof is dan mogelijk. In Curaçao en Sint Maarten is de procesgang weer anders. De vordering tot uitkoop wordt daar aanhangig gemaakt bij het Gerecht in Eerste Aanleg van het betrokken land. Daarna is er de mogelijkheid van hoger beroep bij het Hof van Justitie in Willemstad. Tegen de beslissing van het Hof kan dan nog bij de Hoge Raad in Den Haag beroep in cassatie worden ingesteld. In het ontwerp Boek 2 van Aruba wordt een hieraan gelijke procesgang voorgesteld. In lid 1 van artikel 92a NedBW wordt als criterium gesteld: het voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaffen. In de Nederlands-Caribische en de hier voorgestelde Surinaamse regeling hebben - anders dan in de combinatie ‘nominaal kapitaal’ als omschreven in artikel 102 lid 3 - de begrippen ‘kapitaal’ en ‘kapitaalverschaffing’ geen specifieke betekenis. Artikel 250 lid 1 noemt daarom als criterium het voor eigen rekening aandelen houden die ten minste 95% van het eigen vermogen vertegenwoordigen. 2024 -293- No. 164 De woorden ‘voor eigen rekening’ in lid 1 brengen mee dat een persoon die aandelen voor rekening van een ander houdt, zoals bijvoorbeeld een stichting administratiekantoor, geen vordering tot uitkoop kan instellen. In het geval dat iemand, alleen of samen met anderen, 95% van de certificaten houdt moeten dus de aandelen eerst gedecertificeerd worden. Aandelen die de vennootschap zelf houdt vertegenwoordigen geen deel van het eigen vermogen van de vennootschap. Zij tellen dus bij de berekening niet mee. Hetzelfde geldt voor aandelen die worden gehouden door een 100% dochter. Bij een lager percentage zal een proportionele berekening moeten worden uitgevoerd. Het in de slotzin van lid 1 gebruikte begrip ‘groepsmaatschappij’ wordt niet gedefinieerd. Hier moet de praktijk zijn weg vinden aan de hand van de wijze waarop dat begrip elders in nationale en internationale verhoudingen wordt gebruikt. Een oriëntatiepunt levert op de omschrijving in artikel 2:24b NedBW. In lid 2 wordt de mogelijkheid geopend om in de statuten het vertegenwoordigde percentage te verlagen tot minimaal 90. Lid 3 bevat een procedureregel voor het geval verstek wordt verleend. De eerste zin van lid 4 is gebaseerd op twee gedachten. De eerste is dat een uitkoopvordering alleen kan slagen wanneer zij gerechtvaardigd is jegens alle tot de minderheid behorende aandeelhouders. Dat is niet het geval wanneer een van de gedaagden, ondanks de vergoeding voor de overdracht, ernstige stoffelijke schade zou lijden. De tweede gedachte is dat de vordering alleen gerechtvaardigd is wanneer de eisers gezamenlijk optreden en inderdaad alle tot de minderheid behorende aandeelhouders worden uitgekocht. Daarvan is geen sprake wanneer een eiser jegens een aandeelhouder afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen. Volgens de tweede zin van lid 4 wordt de vordering tegen alle gedaagden ook afgewezen als een van de gedaagden houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder zeggenschapsrecht verbinden. In de praktijk worden dat soort aandelen meestal aangeduid met de term ’prioriteitsaandeel’. De statuten kunnen echter anders bepalen. De leden 5, 6 en 7 zijn nagenoeg gelijk aan de overeenkomstige leden in de Nederlandse regeling. Lid 8 noemt, anders dan lid 8 van de Nederlandse regeling, een termijn van zes maanden waarbinnen de houder nog aan de overdracht kan meewerken. De bedoeling hiervan is dat in die periode de totstandkoming van een minnelijke overdracht wordt beproefd. Bij het toepassen van de regeling zijn beide partijen aan de redelijkheid gebonden. Bij verschil van mening over de te volgen gang van zaken zal de overnemer er over het algemeen goed aan doen een notaris in te schakelen. Notariële overdracht is echter niet voorgeschreven. Een bepaling als vervat in lid 9 ontbreekt in de Nederlandse regeling. Zij is voor alle duidelijkheid hier – zoals ook in het Nederlands-Caribische recht - toegevoegd.

  747. Artikel 251 Men zie ook artikel 255. De term ‘uittreding’, die ook in het opschrift van de zevende titel en van afdeling 2 is te vinden, wordt in lid 1 van artikel 251 verduidelijkt. Onder gedragingen van een of meer medeaandeelhouders vallen niet alleen gedragingen van die aandeelhouders als zodanig, zoals het stemgedrag in de algemene vergadering, maar ook gedragingen die met de vennootschap niets of weinig te maken hebben, waaronder gedragingen in de privé sfeer. Lid 2 bevat het voorschrift dat de eiser ten minste vier weken vóór het aanhangig maken van de vordering zijn bezwaren schriftelijk kenbaar moet maken aan het bestuur van de vennootschap. 2024 -294- No. 164 Hierop sluit aan de in lid 3 opgenomen, op het bestuur rustende verplichting om van de kenbaar gemaakte bezwaren onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen aan de commissarissen en de medeaandeelhouders. De bedoeling van dit voorschrift is om de kans op een minnelijke regeling, die te allen tijde de voorkeur verdient, te vergroten. Zie in dit verband ook lid 6. Lid 4 regelt de benoeming van deskundigen bij toewijzing van de vordering. De wijze waarop de deskundigen hun rapport moeten inrichten wordt niet hier geregeld maar in lid 1 van artikel 252. Bij lid 5 kan met name gedacht worden aan een statutaire regeling die het verkrijgen van eigen aandelen door de vennootschap beperkt of uitsluit (artikel 114 lid 2). In de openingswoorden van artikel 114 lid 2, wordt al gewezen op de bepalingen van titel 7. Overigens zijn ook overeengekomen of anders geredigeerde bepalingen denkbaar. In lid6 wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat partijen de in artikel 252 voorziene procedure willen voorkomen. Kostenaspecten kunnen daarbij een rol spelen. Denkbaar is dat zij in verband daarmee of los daarvan zelf al afspraken hebben gemaakt over de verdere afwikkeling van een toewijzend vonnis. Toepassing van lid 6 betekent dat een einde is gekomen aan de procedure voor de rechter, behoudens hoger beroep. De leden 7 en 8 zijn erop gericht procedurele complicaties te voorkomen. Lid 9 is opgenomen om misverstanden op dit punt te voorkomen. Het verlies van het aandeelhouderschap kan voor de betrokkene leiden tot bijkomende schade die niet in het krachtens lid 2 van artikel 252 te betalen bedrag is verdisconteerd. Bij een 'andere vordering' kan onder meer gedacht worden aan een vordering tot het staken van de aangevoerde gedragingen.

  748. Artikel 252 In lid 1 wordt nader ingegaan op de taak van de deskundigen. Zij moeten uitgaan van de waarde van de vennootschap op het tijdstip van de toewijzing van de vordering tot uittreding. Daarbij zullen zij zich wel moeten verdiepen in de overige in lid 1 genoemde factoren maar van hen wordt niet verwacht dat zij op al die punten zo deskundig zijn dat zij deze bij de waardebepaling verdisconteren. Het uiteindelijk te betalen bedrag wordt ingevolge lid 2 door de rechter bepaald. Daaraan moet een zitting voorafgaan waarvoor de partijen en de deskundigen worden opgeroepen. Het is dan aan partijen om desgewenst een of meer van de niet verdisconteerde factoren ter sprake te brengen. Het debat daarover kan dan ten overstaan van de rechter met inbreng van de deskundigen plaatsvinden. Met de uitkomst daarvan moet de rechter in deze zin rekening houden dat uit de motivering van zijn beslissing moet blijken welke rol zij hebben gespeeld. Uit de tweede volzin van lid 2 blijkt dat de rechter desverzocht ook rekening moet houden met de daar, onder verwijzing naar lid 1, tweede en derde volzin, vermelde factoren. Maar ook wanneer deze door de rechter relevant worden geoordeeld kan hij daaraan voorbijgaan indien en voor zover dit rekening houden naar zijn oordeel in het gegeven geval tot onredelijke gevolgen leidt. Met opzet is overigens de bepaling minder strak geformuleerd dan die van lid 5 van artikel 251. De achtergrond daarvan is dat in veel gevallen het belangenscala dat bij een prijsbepalingregeling als bedoeld een rol speelt, genuanceerder is. In lid 3 komt de gevorderde overdracht van de aandelen en de betaling daarvoor en van bijkomende kosten aan de orde. De rechter wijst een notaris aan die met inachtneming van lid 4 een akte van overdracht moet opstellen. De rechter kan de notaris vooraf horen maar dat hoeft niet. Tot het vooraf horen van de notaris zal vooral aanleiding bestaan wanneer complicaties worden verwacht of de rechter zichzelf niet voldoende deskundig acht om dat te beoordelen. 2024 -295- No. 164 Een te vrezen complicatie kan zijn dat een of meer van de gedaagden niet of onvoldoende aan de overdracht zullen meewerken. Met het oog daarop wordt in de vierde zin gesproken van een ten behoeve van de eiser te verbeuren dwangsom. Bij de vruchten, genoemd in de vijfde zin, moet in het bijzonder gedacht worden aan na de toewijzing van de vordering gedeclareerd dividend. In de eerste bijzin van lid 4 wordt ruimte gemaakt voor een alsnog tussen partijen te treffen minnelijke regeling. Uit het vervolg van die zin blijkt dat de notaris in beginsel kan volstaan met een proces- verbaal van de beslissing van de rechter. De verdere inhoud van lid 4 spreekt voor zichzelf. In lid 5 komt het optreden van een of meer medeaandeelhouders van de eiser ter sprake. Op dit optreden was al in lid 1 van artikel 251 geanticipeerd. De tweede volzin bevat de woorden 'ook in dit geval'. Die woorden zijn zo gekozen omdat uit artikel 9 slechts volgt dat de rechter die kennis neemt van een tegen de vennootschap gerichte vordering tot uittreding ook bevoegd is kennis te nemen van een daarmee samenhangende vordering tegen de vennootschap. In lid 6 is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een statutaire of contractuele blokkeringsregeling aan overdracht van de aandelen aan een medeaandeelhouder in de weg staat. In beginsel kan zo'n blokkeringsregeling door de rechter worden genegeerd. De in het geding zijnde belangen van de betrokkenen kunnen echter meebrengen dat dit in het gegeven geval onaanvaardbaar wordt geoordeeld. Deze toets is weer strakker dan die van de tweede volzin van lid 2. Lid 7 verlengt de werking van de leden 7 en 8 van artikel 251. Artikel 253

  749. Artikel 253 hangt samen met de artikelen 251 en 252. Zij maakt een vordering tot uittreding ook mogelijk in een bijzondere situatie als in artikel 253 lid 1, omschreven. De achterliggende gedachte is dat een aandeelhouder, die buiten zijn toedoen in een minderheidspositie komt te verkeren, het recht moet hebben uit te treden, ook al is er (voorshands) geen sprake van gedragingen van de vennootschap of zijn medeaandeelhouders als bedoeld in artikel 251. In concernverhoudingen spreekt men in dit verband wel van een concern exit regeling. Vgl. Bartman, Minderheidsaandeelhouders: tussen exit en zorgplicht, in: Concernverhoudingen, Van der Heijden serie, deel 69, 2001, die voor het Nederlandse recht verdedigt dat het bestuur te dezer zake een zorgplicht heeft. Tot de introductie van een formele regeling in het onderhavige voorstel heeft vooral bijgedragen de overweging dat het Surinaamse vennootschapsrecht een vergaande mate van vrijheid van inrichting kent. Vrijheid van inrichting betekent in de praktijk dat de meerderheid de vrijheid heeft de vennootschap naar eigen inzicht in te richten. Daartegenover moet dan de bescherming van minderheidsaandeelhouders een extra accent krijgen. De bevoegdheid om uit te treden wanneer een aandeelhouder in een minderheidspositie geraakt is overigens niet onbeperkt. Een voorwaarde is dat de uittreder het ontstaan van die positie redelijkerwijs niet heeft kunnen verhinderen. Daarvan is geen sprake wanneer de aandeelhouder bewust een minderheidspositie heeft aanvaard of een relatieve minderheidspositie heeft aanvaard zonder zich te oriënteren op de eventuele verbanden tussen de overige aandeelhouders, wanneer hij in een minderheidspositie is gekomen doordat hij geen gebruik heeft gemaakt van een voorkeursrecht bij overdracht of emissie van aandelen, wanneer hij niet is ingegaan op een ook tot hem gericht overnamebod waarvan de redelijkheid buiten twijfel is en in soortgelijke gevallen. Ook de minderheidsaandeelhouder die in die positie is gekomen door boedelscheiding of krachtens erfrecht, verkeert niet in de situatie dat hij dit niet heeft kunnen verhinderen. Men zie voor het begrip ‘groepsmaatschappij’ de toelichting bij artikel 250. 2024 -296- No. 164 Een tweede beperkende regel is te vinden in de vervaltermijn van zes maanden in lid 2. De aandeelhouder die niet binnen de vervaltermijn ageert verliest zijn recht. Goed denkbaar is ook dat een aandeelhouder voor een bepaald geval of voor een reeks voorzienbare gevallen afstand doet van zijn rechten uit artikel 253.

  750. Artikel 254 In artikel 254 worden nog weer andere situaties genoemd waarin behoefte bestaat aan een uittredingsregeling in de geest van artikel 251. Met betrekking tot de in lid 1 onder c genoemde grond mag nog gewezen worden op artikel 134 lid 4. De betrokken aandeelhouder heeft in beginsel de keuze tussen een beroep op die bepaling en toepassing van artikel 254 lid 1 onder c. In artikel 254 lid 1 onder c ontbreekt de zinsnede ‘mits deze een zwaarwegend belang heeft bij de handhaving van die rechtspositie’. Het effect hiervan is dat een vordering tot uittreding eerder toewijsbaar is dan een vordering tot vernietiging op de voet van artikel 134 lid 4.

  751. Artikel 255 In een situatie waarin een uittredingsvordering aanhangig wordt gemaakt kunnen spanningen binnen de vennootschap intreden die onder omstandigheden hoog kunnen oplopen. In verband daarmee lijkt het gewenst de rechter de bevoegdheid te geven in zo’n situatie bepaalde voorlopige voorzieningen te geven. Artikel 255 voorziet daarin, met verwijzing naar artikel 276 lid 4, een bepaling uit het enquêterecht. In deze bepaling wordt een limitatieve opsomming van de mogelijk te treffen voorzieningen gegeven.

  752. Artikel 256 Worden de aandelen van een vennootschap verhandeld op een beurs dan kan de minderheidsaandeelhouder zijn aandelen daar te gelde maken. Aan een vordering tot uittreding bestaat dan geen behoefte.

  753. Artikel 257 In artikel 257 wordt de regeling bedoeld in artikel 108a lid 1 onder c) nader uitgewerkt. TITEL 8 - HET RECHT VAN ENQUÊTE Algemeen De regeling is nagenoeg gelijk aan die van artikel 270 tot en met 287 Curaçao, die op haar beurt nagenoeg gelijk is aan de regeling op Sint Maarten en de in Aruba voorgestelde regeling. Een belangrijk verschil met die regelingen is weer dat in de genoemde landen het verzoek tot enquête in eerste instantie voor het Hof van Justitie in Willemstad wordt gebracht, zonder mogelijkheid van hoger beroep, maar met de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad in Nederland. Volgens de hier voorgestelde regeling voor Suriname is de kantonrechter in eerste instantie bevoegd, met de mogelijkheid van hoger beroep op het Hof. Zoals de genoemde Nederlands-Caribische regelingen bevat zij een op enkele punten vereenvoudigde versie van de enquêteregeling in de artikelen 2:344 e.v. NedBW. De bestaande Surinaamse regeling in artikel 132-140 WvK is zelden toegepast. Waarschijnlijk heeft daarbij een rol gespeeld dat deze regeling niet de mogelijkheid van sancties kende. De nu voorgestelde regeling kent die mogelijkheid wel. Sancties zijn mogelijk in de vorm van ‘voorlopige voorzieningen’ (artikel 276) en – meer permanente – ‘voorzieningen’ (artikel 283). De Surinaamse regeling in het Wetboek van Koophandel zal bij de invoering van dit ontwerp worden afgeschaft. 2024 -297- No. 164 Artikel 270 De in artikel 1 lid 1 genoemde rechtspersonen zijn: de stichting, de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de naamloze vennootschap.

  754. Artikel 271 Het verzoek strekt er toe een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij de rechtspersoon. Lid 1 maakt een nadere afbakening van het in te stellen onderzoek mogelijk. Lid 2 voorziet in een uitbreiding van het onderzoeksgebied. Bij de term ‘nauw verbonden rechtspersoon’ in lid 3 moet in de eerste plaats worden gedacht aan dochtermaatschappijen en groepsmaatschappijen. Gedacht kan ook worden aan het geval dat een stichting houdster is van alle aandelen van een naamloze vennootschap, het geval dat een naamloze vennootschap optreedt als beherend vennoot van een uit rechtspersonen bestaande contractuele vennootschap, e. d. Denkbaar is ook de bepaling in het vonnis dat het onderzoek zich mede uitstrekt tot een aan de rechtspersoon gelieerde buitenlandse rechtspersoon. Of een dergelijke bepaling kan worden geëffectueerd zal afhangen van de feitelijke omstandigheden en het internationale recht. Men lette bij het een en ander op de slotzinsnede van lid 3. Als voorwaarde voor een bepaling als bedoeld wordt daar gesteld dat de nauw verbonden rechtspersoon als belanghebbende is opgeroepen. Lid 4 sluit aan bij het bepaalde in de tweede zin van artikel 19 lid 7. Lid 5 beoogt onzekerheid op dit punt uit te sluiten. Een inhoudelijk gelijkluidende bepaling bevat lid 8 van artikel 276. Zie in dit verband ook artikel 286.

  755. Artikel 272 In lid 1 wordt het stramien van artikel 272 BWC gevolgd, dat op zijn beurt globaal aansluit bij artikel 2:346 NedBW. Voor de naamloze vennootschap geldt als criterium voor de bevoegdheid om een enquêteverzoek aanhangig te maken, dat de betrokken aandeelhouders een vijfde gedeelte van het eigen vermogen van de vennootschap vertegenwoordigen. In gevallen waarin alle aandelen een nominale waarde hebben komt dit op hetzelfde neer als een berekening die uitgaat van het geplaatste kapitaal. Met dit criterium, dat in de Nederlandse regeling wordt gehanteerd, kan echter in Suriname niet gewerkt worden omdat de aandelen niet verplicht een nominale waarde hebben. Bij de naamloze vennootschap geldt als tweede criterium het kunnen uitbrengen van ten minste een vijfde van het aantal stemmen ten aanzien van alle onderwerpen. Dit laatste criterium kan zelfstandige betekenis hebben in gevallen waarin stemrechtloze aandelen in omloop zijn of er stemgerechtigden zijn, die geen aandeelhouder zijn. Men denke bijvoorbeeld aan pandhouders of vruchtgebruikers. Niet heel duidelijk is hoe in deze situatie artikel 23 zou moeten worden toegepast. Om op dit punt duidelijkheid te verschaffen bepaalt lid 4 dat artikel 23 geen toepassing vindt. Men zie aldaar. Bij de vereniging en aanverwante rechtsvormen gaat het telkens om een vijfde van het aantal leden, waarbij de statuten kunnen bepalen dat de leden die geen gewone leden zijn niet meetellen. Om bij deze rechtsvormen de berekeningen niet te veel te compliceren is afgezien van een verdere differentiëring, zoals voorkomt in de Nederlandse regeling. Opgemerkt moet ook worden dat in de Nederlandse regeling telkens voor een breukdeel van een tiende is gekozen. In de voorgestelde regeling is, zoals ook het geval is in Boek 2 BWC, de keuze gevallen op een vijfde. De overweging is geweest dat het in de kleinschalige Surinaamse samenleving, zoals ook in die van Curaçao, van belang lijkt overdadig gebruik van de regeling te voorkomen. 2024 -298- No. 164 In lid 2 wordt een opsomming gegeven van de ‘steeds bevoegde’ verzoekers. Onder a wordt aan het openbaar ministerie een dubbele rol toegekend. In de eerste plaats om als verzoeker op te treden om redenen van openbaar belang. Maar daarnaast ook om op te treden als zelfstandig tussenpersoon tussen een belanghebbende en de kantonrechter. Een voorwaarde is dat de belanghebbende zich op dringende gronden met een verzoek daartoe tot het openbaar ministerie heeft gericht. Redenen van openbaar belang hoeven er niet te zijn. Beoogd wordt met deze laatste regeling klachten uit de samenleving te kanaliseren, opdat deze op een evenwichtige manier kunnen worden gerepresenteerd. Het openbaar ministerie is in de aangegeven gevallen bevoegd een verzoek tot het houden van een enquête in te dienen. Het is nimmer daartoe verplicht. Ten tweede worden vervolgens als ‘steeds bevoegde’ verzoekers genoemd: de curator die optreedt in geval van faillissement van de rechtspersoon of ontbinding door de rechter op de voet van artikel 24 (onder b), de vereffenaar in andere gevallen van ontbinding (onder c), en degene aan wie de bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon is gegeven. Een belangrijke ‘steeds bevoegde’ verzoeker is die onder e: de rechtspersoon zelf. Aan deze mogelijkheid kan vooral behoefte bestaan na een bestuurswisseling, een wisseling van toezichthouders of wanneer over de aan de orde zijnde kwesties verschil van mening bestaat tussen bestuurders en/of toezichthouders. In een dergelijk geval kunnen ook problemen rijzen bij de vertegenwoordiging van de rechtspersoon in de aan te spannen procedure. Het verschil in inzicht kan leiden tot een in processueel opzicht chaotische situatie. Lid 2 van artikel 273 beoogt dit zoveel mogelijk te voorkomen. Men zie aldaar. Uit Lid 3 volgt dat het openbaar ministerie bijzondere bevoegdheden heeft om een op de voet van lid 2 onder a in te dienen verzoek voor te bereiden. Deze extra bevoegdheden passen bij de aan het openbaar ministerie in lid 2 onder a toegekende dubbele rol. Lid 4 kwam hierboven al ter sprake.

  756. Artikel 273 Deze bepaling is gelijk aan artikel 273 in de Nederlands-Caribische regelingen. Parallel lopende bepalingen zijn te vinden in de Nederlandse regeling. Het belang van lid 1 is onder meer hierin gelegen dat partijen de gelegenheid wordt geboden om zonder schadelijke ruchtbaarheid tot overeenstemming te komen. In lid 2 wordt de situatie uitgewerkt waarin op de voet van enige bepaling uit de achtste titel, waaronder artikel 272 lid 2 onderdeel e, een verzoek wordt gedaan door de rechtspersoon zelf. De bepaling geeft een specifieke oplossing voor de in deze situaties dreigende belangenconflicten en moeilijkheden bij de vertegenwoordiging van de rechtspersoon. Zij geeft voor deze gevallen een aanvulling op het bepaalde in artikel 10. De aanvulling kan ertoe leiden dat de hoofdregel van 10 lid 1, tweede volzin, opzij gezet wordt. Zoals uit de voorgestelde tekst blijkt is in elk geval het bepaalde in lid 4 van artikel 10 niet van toepassing, hetgeen van belang kan zijn wanneer een verzoek van de rechtspersoon tot een wederpartij is gericht. Ook de hoofdregel van artikel 11 (tegenstrijdig belang) wordt in de bedoelde specifieke gevallen door dit lid buiten werking gesteld. 2024 -299- No. 164 Zoals hierboven aangegeven geldt lid 2 niet alleen voor het geval dat de rechtspersoon zelf een enquêteverzoek doet. Het geldt ook voor de verzoeken van de rechtspersoon op de voet van artikel 274 lid 2 (vergoeding directe kosten), artikel 274 lid 4 (ontheffing taak onderzoekers, etc.), artikel 276 lid 1 onderdeel c (voorlopige voorziening), artikel 277 lid 3 (verzoek tot het geven van bevelen), artikel 282 lid 1 (vaststelling wanbeleid), artikel 282 lid 3 (treffen voorzieningen), artikel 284 lid 1 (opheffing etc. van een voorziening), artikel 286 lid 3 (cassatie), alsmede voor andere verzoeken van de rechtspersoon op de voet van een bepaling uit titel 8. Lid 3 loopt in grote lijnen parallel met de derde volzin van lid 1 van artikel 2:349 NedBW. Een bepaling in de geest van lid 4 is in de Nederlandse regeling te vinden in artikel 2:346, lid 3 NedBW.

  757. Artikel 274 De eerste zin van lid 1 gaat uit van de gedachte dat een verzoek tot het instellen van een onderzoek per definitie spoedeisend is. Overhaaste beslissingen moeten niettemin worden voorkomen. Hiermee strookt dat het verzoek alleen kan worden toegewezen wanneer aan een van de twee in de tweede zin genoemde voorwaarden is voldaan. Is het verzoek door de rechtspersoon zelf ingediend dan zal meestal een beroep op de tweede grond zijn gedaan, maar ook in andere gevallen kan deze tweede grond een zelfstandige rol spelen. In lid 2 wordt gesproken over een mogelijke vergoeding van directe kosten. Een verzoek daartoe kan alleen worden toegewezen als de rechter bij de afwijzing van het enquêteverzoek beslist dat dit niet op redelijke grond is gedaan. Ook dan heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid, zowel ter zake van de toewijzing als ter zake van de begroting van de kosten. Een en ander wordt tot uitdrukking gebracht door het woord ‘kan’. Anders dan in artikel 2:350, lid 2, NedBW, waar gesproken wordt van ‘schade’, is in de hier voorgestelde regeling – zoals ook in de Nederlands-Caribische regelingen - het verzoek beperkt tot de ‘directe kosten’. De overweging hierbij is dat de procedure voor de kantonrechter zich niet leent voor een diepgaand onderzoek naar het causale verband tussen verzoek en schade en de omvang van de toerekenbare schade. De rechtspersoon die de volledige schade wil vorderen is aangewezen op de in lid 2 genoemde mogelijkheid tot vordering van schadevergoeding in een daarop gerichte gewone procedure. Op die mogelijkheid is hij zonder meer aangewezen wanneer de uitspraak op het enquêteverzoek niet de beslissing bevat dat dit ‘niet op redelijke grond’ is gedaan. Ook in het geval dat het verzoek tot enquête is afgestuit op een niet ontvankelijk verklaring. De regeling laat geheel onverlet de mogelijkheid van een door een derde aanhangig te maken vordering tot vergoeding van schade. Daarbij kan worden gedacht aan door deze derde door of in samenhang met de indiening van het enquêteverzoek of de getroffen voorlopige voorzieningen geleden schade. Lid 3 geeft aan wat een toewijzende uitspraak moet inhouden. Blijkens de laatste zin kan de rechter bepalen dat de rechtspersoon of de verzoeker tot enquête zekerheidstelling moeten stellen. Zoals in de Nederlandse en de Nederlands-Caribische praktijk is gebleken, kan daaraan behoefte bestaan, bijvoorbeeld in het geval de rechtspersoon insolvent is of dreigt te worden. De uitspraak dat zekerheid moet worden gesteld houdt niet in een bevel om dat te doen. Wordt geen zekerheid gesteld, dan zal het gevolg over het algemeen zijn dat de onderzoekers niet met het onderzoek beginnen en, wanneer de zekerheid te lang uitblijft, op de voet van artikel 274 lid 4, ontheffing van hun opdracht vragen. 2024 -300- No. 164 De bepaling dat de kosten van het onderzoek in beginsel voor rekening van de rechtspersoon komen is te vinden in artikel 281. Is zekerheid door de verzoeker gesteld, zodat het bedrag van de kosten in eerste instantie te zijnen laste komt, dan kan hij proberen dit bedrag, gelet op artikel 281, op de rechtspersoon te verhalen.

  758. Artikel 275 In deze bepaling wordt aan de kantonrechter met betrekking tot het te verrichten onderzoek een sturende rol toegekend. Van belang is de tweede volzin van lid 1, die belanghebbenden de mogelijkheid geeft de gang van zaken bij het onderzoek te beïnvloeden. Het optreden van de kantonrechter uit hoofde van dit artikel zal over het algemeen niet in formele beschikkingen resulteren. Ook overigens zijn er geen procedurevoorschriften. Verwacht mag worden dat de kantonrechter in voorkomende gevallen overleg pleegt met de onderzoekers maar een verplichting daartoe bestaat niet. Aan verdere formalisering van de regeling bestaat naar het oordeel van de ondergetekende geen behoefte. Lid 2 bepaalt dat de aanwijzingen kunnen inhouden dat de onderzoekers tussentijds aan de kantonrechter rapporteren. Daarbij zal de kantonrechters ook de modaliteiten van de rapportage kunnen voorschrijven, zoals de vraag of deze schriftelijk moet gebeuren. Lid 3 is ingegeven door de gedachte dat een minnelijke regeling van de gerezen geschillen steeds de voorkeur verdient beven een formele procedure. Lid 4 bepaalt dat tegen beslissingen van de kantonrechter uit hoofde van artikel 275 geen hoger beroep open staat. De overweging hierbij is dat hoger beroep de gewenste spoedige voortgang van het onderzoek te zeer zou belemmeren.

  759. Artikel 276 In de toelichting op artikel 274 werd al opgemerkt dat gaat die bepaling ervan uit dat een verzoek tot het instellen van een onderzoek per definitie spoedeisend is. Artikel 276 sluit aan op die gedachte. Zoals in de Nederlandse en de Nederlands-Caribische praktijk is gebleken bevordert dan ook artikel 276 in hoge mate de effectiviteit van de enquêteregeling. De eerste drie leden spreken voor zichzelf. Met betrekking tot lid 4 moet gewezen worden op een niet onbelangrijk verschil met de Nederlandse regeling (artikelen 2:349a lid 2 NedBW). Het verschil is is dat in lid 4 van de hier voorgestelde regeling wordt aangegeven welke voorlopige voorzieningen kunnen worden gegeven. De Nederlandse regeling laat op dit gebied de rechter alle vrijheid. Een opsomming van de mogelijke voorlopige voorzieningen (in de Nederlandse regeling aangeduid als ‘onmiddellijke’ voorzieningen) wordt daar niet gegeven. Een voorlopige voorziening kan leiden tot aantasting van verworven rechten. Men denke aan een op lid 4 sub g gebaseerd bevel om een gesloten overeenkomt niet uit te voeren. Is de derde te goeder trouw dan zou dat tegenover hem onredelijk zijn. Een markant voorbeeld van zo’n voorziening geeft HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 (ABN AMRO inzake LaSalle). De eerste zin van lid 5 betekent dat in een dergelijk geval de derde zijn rechten kan uitoefenen alsof de voorziening niet gegeven is. De derde zin schept echter de mogelijkheid van een tussenoplossing. De rechter moet naar bevind van zaken handelen. 2024 -301- No. 164 Bij lid 6 is gedacht aan bepalingen die de voorziening completeren, zonder dat daardoor het limitatieve karakter van de opsomming in lid 4 wordt aangetast. Als voorbeeld kan worden genoemd het vaststellen van een bezoldiging voor een tijdelijk aangestelde bestuurder of commissaris of het geven van bepaalde aanwijzingen terzake van het tijdelijk te voeren bestuur of het tijdelijk te houden toezicht en de rapportage daarover aan de aandeelhouders, de onderzoekers of de kantonrechter. Lid 7 voorziet in de mogelijkheid van het opleggen van een dwangsom. Dat daarbij enige terughoudendheid moet worden betracht spreekt vanzelf. Het doel moet steeds zijn het zoveel mogelijk bevorderen van een goede gang van zaken bij de vennootschap, ondanks de gerezen, aanhangige conflicten. Gewaakt moet worden voor het verscherpen van de tegenstellingen. Lid 8 dient om op dit punt duidelijkheid te scheppen. Voorlopige voorzieningen kunnen van ingrijpende betekenis zijn voor de rechtspersoon en de daarbij betrokken personen. Artikel 277

  760. Artikel 277 legt verplichtingen op aan een ruime kring van personen. Daaronder kunnen personen zijn die nauwelijks enige of geen enkele betrekking meer hebben tot de rechtspersoon. Mede in verband hiermee moet bij het opleggen van verplichtingen als bedoeld ervoor gewaakt worden dat deze voor de betrokkene niet onnodig belastend zijn. Bij het geven van bevelen (lid 4) en het opleggen van een dwangsom (lid 5) zal de kantonrechter de proportionaliteit van de maatregel in het oog moeten houden en ook overigens met de nodige terughoudendheid moeten optreden. Artikel 278 Een overeenkomstige bepaling bevat artikel 2:352a NedBW.

  761. Artikel 279 De neerlegging van het verslag ter griffie van de kantonrechter markeert het einde van de onderzoeksfase, in de praktijk wel aangeduid als de ‘eerste fase’ van de enquêteprocedure. Een ‘tweede fase’ kan in gang gezet worden door de indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 282. Dat hoeft overigens niet. De procedure kan ook eindigen met het einde van de eerste fase. De leden 2 en 3 beogen een gang van zaken die aan de eisen van behoorlijke rechtspleging voldoet te bevorderen. Lid 5 geeft de keuze tussen gehele en gedeeltelijke terinzagelegging van het verslag en terinzagelegging voor eenieder of alleen voor door de kantonrechter aan te wijzen personen. Respect voor de belangen van de betrokkenen kan ertoe leiden dat het verslag niet voor eenieder ter inzage wordt gelegd maar alleen voor door de kantonrechter aan te wijzen personen. Gaat het om een zaak die enige aandacht heeft getrokken dan is echter te verwachten dat, mede gelet op de kleinschaligheid van de Surinaamse maatschappij, de inhoud van het verslag toch spoedig in een ruimere kring bekendheid krijgt. Dikwijls veroorzaakt dat meer onrust dan terinzagelegging voor eenieder. Deze overweging kan ertoe leiden dat alleen in zeldzame gevallen tot beperkte terinzagelegging wordt overgegaan. In navolging van lid 5 van artikel 2:351 NedBW is in lid 6 van artikel 279 een regeling opgenomen die de aansprakelijkheid van onderzoekers beperkt. De Nederlandse regeling vertoont enkele onduidelijkheden. Strikt genomen gaat het in de Nederlandse tekst alleen over de schade die het gevolg is van 'het verslag van de uitkomst van het onderzoek'. Schade die niet het gevolg is van dat verslag maar van het optreden van onderzoekers voorafgaand aan dat verslag, of van optreden dat niet tot een verslag heeft geleid (bijvoorbeeld omdat het enquêteverzoek tussentijds is ingetrokken of omdat de onderzoekers vervangen zijn) zou er dan niet onder vallen. Ook schade veroorzaakt door overtreding van art. 277 lid 4, (2:351 lid 3, NedBW) zou er niet onder vallen. E.e.a. zal wel niet de bedoeling zijn. 2024 -302- No. 164 Een vraag is tenslotte wat de betekenis kan zijn van de rubriek 'opzettelijk onbehoorlijk' in de Nederlandse tekst naast 'kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt'. Deze overwegingen hebben geleid tot een iets andere formulering met behoud, zoveel mogelijk, van de Nederlandse opzet. Artikel 280 Een overeenkomstige bepaling bevat artikel 2:353 NedBW.

  762. Artikel 281 De Nederlandse regeling bevat soortgelijke bepalingen. Vgl. artikel 2:350 lid 3 en 2:354 NedBW. Is het oorspronkelijk verzoek door de faillissementscurator gedaan dan zullen de kosten boedelschuld zijn. Artikel 282

  763. Artikel 282 houdt materieel hetzelfde in als artikel 2:355 NedBW, zoals deze bepaling in de Nederlandse jurisprudentie is uitgewerkt.

  764. Artikel 283 Vgl. artikel 2:356 NedBW. In artikel 283 wordt in het bepaalde onder a aansluiting gezocht bij de mogelijk reeds getroffen voorlopige voorzieningen. Wordt de rechtspersoon ontbonden, zoals het bepaalde onder d mogelijk maakt, dan kan de kantonrechter zo nodig vereffenaars benoemen op de voet van artikel 284, lid 2. De beschikking tot splitsing (e) komt in de plaats van het in artikel 334m bedoelde besluit tot splitsing. In beginsel blijven echter de overige splitsingsbepalingen van kracht. Dit betekent dat de kantonrechter zich ervan zal moeten vergewissen dat die bepalingen behoorlijk zijn nagekomen voordat het een splitsingsbeschikking geeft. Onder omstandigheden kan gebruik worden gemaakt van onder meer artikel 276 lid 3 jo 283, of van artikel 284, lid 2. Een notariële akte als bedoeld in artikel 334n moet in elk geval nog worden verleden. Artikel 284 Soortgelijke bepalingen bevat artikel 2:357 NedBW. Artikel 285 Vgl. artikel 2:358, lid 1 NedBW. Artikel 286 Vgl. artikel 2:359, lid 1 NedBW Artikel 287 Vgl. artikel 2:359, lid 2 NedBW TITEL 9 – OMZETTING, FUSIE EN SPLITSING

  765. Artikel 300 De artikelen 300 tot en met 306 geven een algemene regeling voor de omzetting van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm. De regeling is geïnspireerd door de Nederlandse regeling in artikel 2:18 j° 183 (en 72) NedBW met daarbij de artikelen 2:71 en 2:181 NedBW. Er zijn echter enkele verschillen, voor een deel van terminologische, voor een ander deel van inhoudelijke aard. Wat artikel 300 betreft geldt het volgende. Lid 2 is afgestemd op artikel 18 lid 2, NedBW, met dien verstande echter dat de in die bepaling voorgeschreven meerderheid van ten minste negen tienden van de uitgebrachte stemmen niet is overgenomen. Voldoende lijkt dat de vereisten voor een besluit tot statutenwijziging in acht zijn genomen. Daarbij kan het gaan om nog andere vereisten dan een bepaalde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De woorden ‘ten minste’ geven aan dat in de statuten zwaardere eisen kunnen 2024 -303- No. 164 worden gesteld. Blijkens lid 2 van artikel 51 kunnen de statuten van een stichting slechts worden gewijzigd indien de statuten daartoe de mogelijkheid openen. Lid 3 van artikel 300 sluit logisch op deze bepaling aan. Een mede op deze gedachte geïnspireerde bepaling is te vinden in lid 5 van artikel 317. Lid 4 is woordelijk gelijk aan Lid 4 van artikel 2:18 NedBW. Een regel als omschreven in lid 5 ontbreekt in het Nederlandse recht. Hij wordt hier opgenomen om het voorschrift van de rechterlijke machtiging enige inhoud te geven. Die inhoud kan het alleen krijgen wanneer belanghebbenden daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld van hun eventuele bezwaren te doen blijken. Lid 6 is in hoofdlijnen gelijk aan lid 5 van artikel 2:18 NedBW. Een verschil is dat uitdrukkelijk als weigeringsgrond wordt genoemd dat de omzetting leidt tot ongerechtvaardigde bevoordeling of benadeling van een of meer personen. Voorts is uitdrukkelijk bepaald dat de rechter voorwaarden aan het verlenen van een machtiging kan verbinden. De bedoeling daarvan is onder meer om te anticiperen op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 302. Het tijdig aanhangig maken van die kwestie kan een vlotte gang van zaken bevorderen. Zoals blijkt uit artikel 302 lid 2, tweede zin, kan echter de rechter in dit stadium aan het verzoek om schadevergoeding voorbijgaan. Dat bevoordeling of benadeling kan intreden bij omzetting van of in een stichting is gemakkelijk in te zien wanneer men bedenkt dat door die omzetting de economische eigendom van het vermogen verandert. Iets soortgelijks doet zich voor wanneer overdraagbare aandeelhoudersrechten worden omgezet in lidmaatschapsrechten die in beginsel niet overdraagbaar zijn. Lid 8 geeft een regel, die een zekere garantie geeft dat bij omzetting van een stichting het dan bestaande vermogen niet naar de leden of aandeelhouders van de stichting vloeit. Dit lid is anders opgezet dan het tot op zekere hoogte vergelijkbare lid 6 van artikel 2:18 NedBW. Een bezwaar van de Nederlandse regeling is dat het verbod tot ‘anders besteden’ weinig scherpte heeft. De materiële inhoud daarvan is bovendien geheel afhankelijk van de wijze waarop de stichtingstatuten voor de omzetting waren geredigeerd, waarbij niet is uitgesloten dat juist met het oog op de omzetting een weinig dwingende redactie is gekozen. Tenslotte is niet duidelijk of onder ‘besteden’ ook valt het dragen van verliezen in de normale bedrijfsvoering. In elk geval bestaat een verplichting om tot het bedrag van het bij de omzetting bestaande vermogen een ‘wettelijke reserve’ te vormen, of iets dergelijks, in de Nederlandse regeling niet en het lijkt ook niet wenselijk een dergelijke verplichting in te voeren. De tekst van lid 8 van artikel 300 laat geen twijfel dat het omzettingsvermogen zonder verdere gevolgen door bedrijfsverliezen of andere verliezen kan worden aangetast. Verboden is slechts dat het netto vermogen door uitkeringen aan aandeelhouders of leden vermindert of, zonder toestemming van de rechter, door uitkeringen aan derden. De eerste zin van lid 9 spreekt voor zich. In de tweede zin wordt tot uitdrukking gebracht dat ook de omzetting, gelet op het ingrijpende karakter daarvan, een ijkpunt is voor de toepassing van artikel 24.

  766. Artikel 301 Deze bepaling bevat aanvullende regels voor de omzetting van een rechtspersoon in een naamloze vennootschap. De leden 2 en 5 stoelen op de Nederlandse regeling in de artikelen 2:72 en 2:183 NedBW. De slotzin van lid 2, de leden 3 en 4 sluiten logisch aan op de regeling in de artikelen 101 en 201. Zie verder de toelichting op artikel 101. Artikel 302

  767. Artikel 302 bevat een regeling in de geest van de artikelen 2:71 en 2:181 NedBW. De verschillen zijn te verklaren uit de opzet van lid 6 van artikel 300, die afwijkt van de overeenkomstige bepaling in het Nederlandse recht. Men zie de daar gegeven toelichting.

  768. Artikel 303 Volgens dit artikel kan een buitenlandse rechtspersoon zich omzetten in een Surinaamse rechtspersoon. Effectuering van die mogelijkheid is overigens mede afhankelijk van het toepasselijke buitenlandse recht. In lid 2 wordt melding gemaakt van het tijdstip van totstandkoming omdat denkbaar is dat naar het recht van de buitenlandse rechtspersoon na het tijdstip van de notariële akte van omzetting nog een handeling moet worden verricht. Te denken is bijvoorbeeld aan de uitschrijving uit een register. 2024 -304- No. 164

  769. Artikel 304 Bepaald wordt dat een naamloze vennootschap zich kan omzetten in een buitenlandse rechtspersoon. Voorwaarde is dat volgens het recht van die buitenlandse rechtspersoon het bestaan van de vennootschap niet beëindigd wordt. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de rechtspersoon zonder adequate bescherming van schuldeisers ophoudt te bestaan. Lid 3 beoogt mogelijk te maken dat een omzetting in een buitenlandse rechtspersoon geheel wordt voorbereid tot en met het passeren van de notariële akte, echter met dien verstande dat zij pas van kracht wordt wanneer aan een bepaalde voorwaarde is voldaan. De voorwaarde kan zijn dat de uitschrijving uit het handelsregister heeft plaatsgevonden. Als voorwaarde kan bijvoorbeeld ook worden opgenomen dat in het beoogde buitenland een bepaalde rechtshandeling of publicatie plaatsvindt. Aan een voorwaarde in deze geest kan behoefte bestaan in tijden van oorlog of oorlogsgevaar. Denkbaar is immers dat in zo'n situatie de tijd of de mogelijkheid ontbreekt om alsnog aan de meer voor de hand liggende voorwaarde van uitschrijving te voldoen. Hoe dat ook zij, heeft eenmaal uitschrijving uit het handelsregister plaatsgevonden, dan moet de in lid 6, eerste volzin, verwoorde regel toepassing vinden, hetgeen wil zeggen dat de omzetting naar Surinaams recht onaantastbaar is. De term ‘onaantastbaar’ wordt gebruikt om aan te geven dat een beroep op gebreken als bedoeld in artikel 21 of gebreken in de notariële akte niet meer mogelijk is. Een op deze gedachte vooruitlopende bepaling geeft de laatste volzin van lid 4. De vennootschap en de notaris zullen er in elk geval goed aan doen te streven naar een zo spoedig mogelijke uitschrijving, zodra vaststaat dat de vennootschap de omzetting wil effectueren. Essentieel is bij dit alles dat naar het toepasselijke buitenlandse recht het bestaan van de rechtspersoon wordt voortgezet. Mocht achteraf blijken dat aan die voorwaarde niet is voldaan, dan zou de ‘omzetting’ naar Surinaams recht neerkomen op een beëindiging van het bestaan zonder ontbinding of vereffening. Onder meer uit het oogpunt van crediteurenbescherming zou dit onaanvaardbaar zijn. De slotzin van lid 6 bepaalt daarom dat in een dergelijk geval de omzetting geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. Van belang is tenslotte lid 5. In het belang van crediteuren bevat dit lid 5 twee mededelingsplichten. In aansluiting daarop bevat artikel 305 een verzetregeling. Zoals uit lid 1 van dat artikel blijkt is het verschijnen van de laatste van de twee mededelingen beslissend voor de aanvang van de verzettermijn. Opdat crediteuren en contractuele wederpartijen een redelijke mogelijkheid hebben om van die regeling gebruik te maken wordt voorgeschreven dat de mededelingen niet later dan vijf weken voor de omzetting en niet eerder dan drie maanden daarvoor moeten worden gedaan. De uitdrukking ‘zoveel mogelijk gelijktijdig’ wordt gebruikt omdat de notaris wel opgave tot mededeling kan doen maar het tijdstip waarop de mededeling in het betrokken blad verschijnt niet altijd in de hand heeft. Van de mededelingsregeling kan worden afgeweken in gevallen waarin het belang van de vennootschap dit bepaaldelijk vordert. Hierbij is in het bijzonder gedacht aan de in lid 3 bedoelde constructie, waarin een omzetting in een buitenlandse rechtspersoon geheel wordt voorbereid, tot en met het passeren van de notariële akte, echter met dien verstande dat zij pas van kracht wordt wanneer aan een bepaalde voorwaarde is voldaan. Duidelijk is dat in een dergelijk geval naleving van de in lid 5 genoemde mededelingsvoorschriften bezwaren oplevert. Bezwaren levert in elk geval op de daaraan gekoppelde verzetregeling, in het bijzonder lid 3 van artikel 305. Denkbaar is dat ook in andere gevallen naleving van de mededelingsplichten zozeer in strijd komt met het vennootschapsbelang dat zij redelijkerwijs niet van de vennootschap kan worden gevorderd. Intussen moet worden voorkomen dat crediteuren en contractuele wederpartijen hiervan de dupe worden. In de slotzinnen van lid 5 wordt daarom voor deze gevallen een in de akte van omzetting op te nemen aansprakelijkheidsverklaring voorgeschreven. Aan die verklaring zullen de betrokken derden rechtstreeks rechten kunnen ontlenen. Voor beursvennootschappen wordt in zoverre een uitzondering gemaakt dat een aansprakelijkheidsverklaring van aandeelhouders niet vereist is. Een ook op aandeelhouders betrekking hebbend voorschrift tot aansprakelijkstelling zou bij een beursvennootschap niet goed uitvoerbaar zijn. Bij het bovenstaande mag worden opgemerkt dat een aansprakelijkheidsverklaring, van bestuurders dan wel aandeelhouders, in de praktijk niet bezwarend hoeft te zijn. De eenvoudigste wijze om aan de gevolgen daarvan te ontkomen is het tijdig betalen van de schulden. Het bestuur moet in staat worden geacht daarop voldoende zicht te hebben. Voor zover dat in een bepaald geval niet zo is of betaling niet mogelijk is, en de betrokkenen de omzetting toch willen doorzetten zonder aan de mededelingsvoorschriften te voldoen, kunnen over en weer garanties en zekerheidstellingen worden bedongen. 2024 -305- No. 164 Bij de naleving van de mededelingsvoorschriften en het onder ogen zien van de consequenties van niet- naleving, ligt een zware verantwoordelijkheid op de notaris. Met het oog daarop wordt aan het slot van lid 5, lid 3 van artikel 5 van overeenkomstige toepassing verklaard.

  770. Artikel 305 De in deze bepaling opgenomen verzetregeling werd hierboven al genoemd. Zij volgt in grote lijnen het stramien van artikel 316. De woorden ‘al dan niet’ zijn in lid 4 ingevoegd om rekening te houden met de mogelijkheid dat de voor de aanvang van de verzettermijn relevante laatste mededeling minder dan een maand voor de omzetting verschijnt en dat nog binnen die maand maar na de omzetting het verzoekschrift tot verzet is ingediend. In een dergelijk geval cumuleren dus voor de verzoeker de mogelijkheid van verzet en de rechten uit de hoofdelijke aansprakelijkstelling, die wegens het niet volledig naleven van de mededelingsplichten in de akte van omzetting moet zijn opgenomen. Bij ‘op een rechtsmiddel’ kan worden gedacht aan het geval dat het verzet in eerste instantie met uitvoerbaarverklaring bij voorraad is afgewezen, de akte van omzetting daarna is verleden en vervolgens de afwijzende beslissing in hoger beroep wordt vernietigd.

  771. Artikel 306 Volgens deze bepaling kan ook een stichting zich omzetten in een buitenlandse rechtspersoon. Aan die faciliteit kan in de praktijk behoefte bestaan. De omzettingsprocedure is afgestemd op hetgeen in de vorige artikelen is bepaald. Rechterlijke machtiging en mededeling van het tijdstip van behandeling van het machtigingsverzoek zijn vereist ingevolge artikel 300 lid 4 en 5. Artikelen 309 tot en met 334 De artikelen 309 tot en met 334 geven een regeling voor de fusie, in de praktijk wel aangeduid als ‘juridische fusie’. Met die term wordt dan beoogd een tegenstelling aan te geven tussen deze fusie enerzijds, de ‘aandelenfusie’ en de ‘bedrijfsfusie’ anderzijds. Zoals in het algemeen gedeelte van deze toelichting is medegedeeld is de regeling van de fusie, zoals die van die splitsing (artikelen 335 tot en 363), nagenoeg geheel aan de Nederlandse regeling ontleend. Ook de wettekst volgt zoveel mogelijk de tekst van de Nederlandse bepalingen. Men zie voor de achtergrond van deze opzet het algemeen gedeelte van deze toelichting. Deze opzet betekent in elk geval dat men voor de interpretatie van de regeling nagenoeg geheel kan vertrouwen op hetgeen de Nederlandse rechtspraak en literatuur daarover leert. In het navolgende zullen alleen de markante verschillen met de Nederlandse regeling worden besproken. Artikel 309 Deze bepaling is gelijk aan artikel 309 NedBW. Ook in de volgende bepalingen omtrent fusie loopt de nummering gelijk met die in Nederland. Artikel 310 Lid 3 bevat een redactieverandering ten opzichte van de Nederlandse regeling, die geen materiële betekenis heeft. Artikel 312 De opzet van lid 4 is vereenvoudigd.

  772. Artikel 313 De laatste zin van lid 2 is geschrapt: de Surinaamse regeling kent geen wettelijke of statutaire reserves. 2024 -306- No. 164

  773. Artikel 314 Aan de tweede zin van lid 2 is als voorbeeld van bijzonder recht toegevoegd: het recht tot het bijwonen van vergaderingen. Zie in dit verband artikel 131. Aan lid 3 is een zin toegevoegd die beoogt meer inhoud te geven aan de goedkeuringsprocedure. Lid 4 van de Nederlandse regeling is niet overgenomen omdat het instituut van een wettelijk geregelde ondernemingsraad of medezeggenschapsraad in Suriname onbekend is. Artikel 316

  774. Artikel 316 geeft in iets andere bewoordingen een regeling die inhoudelijk grotendeels gelijk is aan de Nederlandse pendant. Redactieverschillen beogen de regeling meer begrijpelijk te maken. Een inhoudelijk verschil is dat al in dit stadium kan worden gedebatteerd over de in de artikelen 320 en 322 geregelde kwesties. Het tijdig ter sprake brengen van die kwesties kan een vlotte gang van zaken bevorderen. Hier wordt dezelfde gedachtegang gevolgd als ten aanzien van artikel 300 lid 6, jo artikel 302. Artikel 317

  775. Artikel 317 is in hoofdzaak gelijk aan het Nederlandse voorbeeld. De laatste zin bepaalt wanneer de rechter het machtigingsverzoek moet afwijzen. De Nederlandse bepaling noemt in dat verband alleen het belang van de stichting. Dat is wat mager. Ook in het geval dat de belangen van aangeslotenen of derden onevenredig worden geschaad dient het verzoek te worden afgewezen. Artikel 318

  776. Artikel 318 is materieel gelijk aan artikel 2:318 NedBW. De wijzigingen vloeien voort uit de iets andere opzet van de Surinaamse regeling. Artikel 320 Aan lid 1 is een tweede zin toegevoegd. Het daarin bepaalde sluit aan op de regeling in artikel 316. Artikel 321 Omdat de Surinaamse regeling geen wettelijk reserves kent is lid 4 vervallen. Artikel 322 De tweede zin van lid 2 loopt parallel aan de tweede zin van lid 1 van artikel 320. Artikel 323 Deze bepaling is inhoudelijk gelijk aan artikel 323 NedBW.

  777. Artikel 323a

  778. Artikel 323a maakt het mogelijk dat een buitenlandse rechtspersoon door fusie naar Surinaams recht in een Surinaamse rechtspersoon verdwijnt.

  779. Artikel 323b

  780. Artikel 323b vormt het spiegelbeeld van artikel 323a: de bepaling maakt het mogelijk dat een Surinaamse rechtspersoon door fusie in een buitenlandse rechtspersoon verdwijnt. In lid 3 worden de artikelen 310 tot en met 334 (waaronder dus ook artikel 316, dat een verzetregeling bevat) van de interne fusieregeling van overeenkomstige toepassing verklaard voor zover de daarin bedoelde rechtshandelingen en formaliteiten de verdwijning regelen en zich afspelen in de Surinaamse rechtssfeer. Voor wat betreft de verkrijgende rechtspersoon moeten daarbij de buitenlandse regels zoveel mogelijk ik acht genomen worden. Omdat de fusie moet resulteren in het voortbestaan van alleen de buitenlandse rechtspersoon moet in de eerste plaats het buitenlandse recht van toepassing zijn op het van kracht worden van de fusie. Aldus de slotzin van lid 3. 2024 -307- No. 164 Nederland kent tot dusver alleen een regeling voor grensoverschrijdende fusie binnen de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte (artikel 2:333b-333l NedBW). In deze regeling zijn bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat minderheidsaandeelhouders van de verdwijnende vennootschap, die tegen het fusievoorstel hebben gestemd, bij de verdwijnende vennootschap een verzoek kunnen indienen tot schadevergoeding (artikel 333h en 333i, lid 4 NedBW). Deze regeling, die op een Europese verordening is gebaseerd, is zonder de steun van het Europese recht moeilijk toepasbaar. Zij wordt daarom in het Surinaamse recht niet overgenomen. Dit sluit overigens niet uit dat een aandeelhouder onder omstandigheden op schadevergoeding aanspraak kan maken. Een vordering in die zin moet echter worden beoordeeld naar de gewone regels van het vermogensrecht, zoals deze door het rechtspersonenrecht worden gekleurd. Artikel 325

  781. Artikel 325 is materieel gelijk aan artikel 325 NedBW. De iets andere redactie van de leden 2 en 3 hangt samen met het gegeven dat Surinaamse aandelen geen nominale waarde hoeven te hebben. Artikel 326 Toegevoegd zijn een bepaling 1 d en een tweede lid. De toevoeging hangt samen met de regeling in artikelen 101.

  782. Artikel 328 De wijzigingen ten opzichte van de Nederlandse regeling hangen samen met de verschillen in de kapitaalbeschermingsregeling. Artikelen 329 en 330 Deze artikelen ontbreken. De als artikel 329 genummerde bepaling in Boek 2 NedBW is niet overgenomen omdat de Surinaamse wetgeving het begrip ‘met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen’ niet kent. Artikel 2:330 leden 1 en 2, NedBW is naast artikel 2:317 NedBW in de Nederlandse wetgeving opgenomen in verband met daartoe strekkende voorschriften van de Europese fusierichtlijn. De Surinaamse wetgever is aan die voorschriften niet gebonden. Lid 3 is niet overgenomen omdat het preventieve toezicht is afgeschaft. Aan lid 4 bestaat naar het oordeel van de ondergetekende geen behoefte. Voor de besluitvorming bij de naamloze vennootschap kan dus naar Surinaams recht geheel worden teruggevallen op artikel 317 en eventuele aanvullende statutaire bepalingen.

  783. Artikel 331 De iets andere redactie van lid 3 hangt weer samen met het verschil in de regeling van de kapitaalbescherming.

  784. Artikel 332 Dit artikelnummer ontbreekt. De overeenkomstige Nederlandse bepaling houdt verband met de in Nederland nog vereiste verklaring van geen bezwaar bij statutenwijziging.

  785. Artikel 333 De belangrijkste toevoeging in deze regeling ten opzichte van artikel 333 NedBW is te vinden in lid 3. Ook buiten concernverhoudingen kan het voorkomen dat alle stemgerechtigde personen het eens zijn. Voor toepassing van de artikelen 326 tot en met 328 is ook dan geen aanleiding.

  786. Artikel 334 Deze bepaling is materieel gelijk aan artikel 2:334 NedBW. Artikelen 335 tot en met 363 In deze bepalingen wordt de splitsing geregeld. De artikelen 335 tot en met 363 zijn nagenoeg gelijkluidend aan de artikelen 2:334a tot en met 2:334ii NedBW. De verschillen lopen parallel met de verschillen in de fusieregeling. Voor een toelichting op de verschillen kan derhalve naar de toelichting op de fusieregeling worden verwezen. WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 3 2024 -308- No. 164 BOEK 3 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 3 Vermogensrecht in het algemeen Titel 1 Algemene bepalingen Afdeling 1A Begripsbepalingen Artikel 1 Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel 2 Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.

  787. Artikel 3 1. Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. 2. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.

  788. Artikel 4 1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. 2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig wordt verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.

  789. Artikel 5 Inboedel is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.

  790. Artikel 6 Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten. 2024 -309- No. 164 Artikel 7 Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig is verbonden, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. Artikel 8 Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard.

  791. Artikel 9 1. Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt. 2. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt. 3. De afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als vruchten van het recht op de lijfrente. 4. Een natuurlijke vrucht wordt een zelfstandige zaak door haar afscheiding, een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht door haar opeisbaar worden. Artikel 10 Registergoederen zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is.

  792. Artikel 11 Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

  793. Artikel 12 Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de hier te lande levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.

  794. Artikel 13 1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. 2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. 3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt. 2024 -310- No. 164 Artikel 14 Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Artikel 15 De artikelen 11 tot en met 14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Afdeling 1B Het voeren van een administratie

  795. Artikel 15i 1. Eenieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. 2. De leden 2 tot en met 4 van artikel 15 van Boek 2 zijn van overeenkomstige toepassing.

  796. Artikel 15j Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voor zover zij daarbij rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen: a. de erfgenamen, ten aanzien van de administratie van de erflater; b. deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de administratie betreffende de gemeenschap; c. schuldeisers in het geval van een faillissement, ten aanzien van de administratie van de failliet. Afdeling 2 Inschrijvingen betreffende registergoederen

  797. Artikel 16 1. Er worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven. 2. Welke deze openbare registers zijn, waar en op welke wijze een inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke stukken daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden, wat deze stukken moeten inhouden, hoe de registers worden ingericht, hoe de inschrijvingen daarin geschieden, en hoe de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt geregeld bij wet.

  798. Artikel 17 1. Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere wetsbepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de volgende feiten worden ingeschreven: a. rechtshandelingen die een verandering in de rechtstoestand van registergoederen brengen, of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand van belang zijn; b. erfopvolgingen die registergoederen betreffen, daaronder begrepen de opvolging door de Staat krachtens artikel 189 van Boek 4 en artikel 226 lid 4 van Boek 4, en de afgifte van registergoederen aan de Staat 2024 -311- No. 164 krachtens artikel 226 leden 1 en 2 van Boek 4; c. vervulling van de voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke rechtshandeling en de verschijning van een onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, alsmede de dood van een vruchtgebruiker van een registergoed; d. reglementen en andere regelingen die tussen medegerechtigden in registergoederen zijn vastgesteld; e. rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt overgelegd dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem binnen de desbetreffende termijn na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, benevens de tegen de bovenbedoelde uitspraken ingestelde rechtsmiddelen; f. instelling van rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft: g. executoriale en conservatoire beslagen op registergoederen; h. naamsveranderingen die tot registergoederen gerechtigde personen betreffen; i. verjaring die leidt tot verkrijging van een registergoed of tenietgaan van een beperkt recht dat een registergoed is; j. beschikkingen en uitspraken, waarbij een krachtens een bijzondere wetsbepaling ingeschreven beschik- king wordt vernietigd, ingetrokken of gewijzigd; k. de aanleg en verwijdering van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. 2. Huurovereenkomsten en andere feiten die alleen persoonlijke rechten geven of opheffen, kunnen slechts worden ingeschreven, indien een bijzondere wetsbepaling dit toestaat.

  799. Artikel 18 Worden de bewaarder der registers stukken ter inschrijving aangeboden, dan verstrekt deze de aanbieder een bewijs van ontvangst, vermeldende de aard van die stukken alsmede dag, uur en minuut van de aanbieding.

  800. Artikel 19 1. Indien de voor een inschrijving nodige stukken worden aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke eisen voldoen en andere wettelijke vereisten voor de inschrijving zijn vervuld, geschiedt de inschrijving terstond na de aanbieding. 2. Als tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding van de voor de inschrijving vereiste stukken. 3. Op verlangen van de aanbieder tekent de bewaarder de verrichte inschrijving op het ontvangstbewijs aan of doet hij in de gevallen en op de wijze bij of krachtens de wet, bedoeld in artikel 16 lid 2, vast te stellen, daarvan mededeling aan de aanbieder. 4. Indien de bewaarder vermoedt dat de in de aangeboden stukken vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld, of dat de in te schrijven rechtshandeling door een onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de nodige stukken zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken.

  801. Artikel 20 1. De bewaarder der registers weigert een inschrijving te doen, indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19 lid 1. Hij boekt de aanbieding in het register van voorlopige aantekeningen met vermelding van de gerezen bedenkingen. 2024 -312- No. 164 2. Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, op vordering van de belanghebbende de bewaarder de inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. De kantonrechter kan de oproeping van door hem aan te wijzen andere belanghebbenden gelasten. Het bevel van de kantonrechter is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad. 3. Wordt de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft verzocht. 4. Indien de belanghebbende binnen twee weken na de oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een oproeping in kort geding ter verkrijging van het in lid 2 bedoelde bevel heeft doen uitbrengen, en de aanvankelijk geweigerde inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in eerste aanleg gegeven bevel, dan wordt de inschrijving geacht te zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanbieding plaatsvond. Hetzelfde geldt, indien de be- waarder op een hernieuwde aanbieding alsnog overgaat tot inschrijving binnen twee weken hetzij na de oorspronkelijke aanbieding, hetzij na een tijdig aanhangig gemaakte oproeping hangende het geding in eerste aanleg. 5. Een feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig lid 1, tweede volzin, geboekt stuk, wordt geacht niet door raadpleging van de registers kenbaar te zijn, tenzij het krachtens lid 4 geacht moet worden reeds ten tijde van de raadpleging ingeschreven te zijn geweest. 6. Een voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald, zodra hem is gebleken dat de voor- waarden voor toepassing van lid 4 niet meer kunnen worden vervuld, of de inschrijving met inachtneming van het tijdstip van oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft plaatsgevonden.

  802. Artikel 21 1. De rangorde van inschrijvingen die op eenzelfde registergoed betrekking hebben, wordt bepaald door de volgorde der tijdstippen van inschrijving, tenzij uit de wet een andere rangorde voortvloeit. 2. Vinden twee inschrijvingen op eenzelfde tijdstip plaats en zouden deze leiden tot onderling onverenigbare rechten van verschillende personen op dat goed, dan wordt de rangorde bepaald: a. in geval de ter inschrijving aangeboden akten op verschillende dagen zijn opgemaakt: door de volgorde van die dagen; b. in geval beide akten op dezelfde dag zijn opgemaakt en het notariële akten, daaronder begrepen notariële verklaringen, betreft: door de volgorde van de tijdstippen waarop elk van die akten of verklaringen is opgemaakt.

  803. Artikel 22 Wanneer een feit in de registers is ingeschreven, kan daarna de geldigheid van de inschrijving niet meer worden betwist op grond dat de formaliteiten die voor de inschrijving worden vereist, niet zijn in acht genomen.

  804. Artikel 23 Het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.

  805. Artikel 24 1. Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit met betrekking tot dat registergoed niet ingeschreven was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende. 2024 -313- No. 164 2. Lid 1 is niet van toepassing ten aanzien van: a. feiten die naar hun aard vatbaar zijn voor inschrijving in een register van de burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of een boedelregister, ook indien het feit in een gegeven geval daarin niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de hier te lande geldende wet niet van toepassing is; b. in het curateleregister ingeschreven ondercuratelestellingen en opheffingen van curatele; c. in het faillissementsregister en het surséanceregister ingeschreven rechterlijke uitspraken; d. aanvaardingen en verwerpingen van nalatenschappen; e. verjaring; f. in het handelsregister ingeschreven trusts. 3. Lid 1 is evenmin van toepassing ten aanzien van erfopvolgingen en uiterste wilsbeschikkingen die op het tijdstip van de inschrijving van de rechtshandeling nog niet ingeschreven waren, doch daarna, mits binnen drie maanden na de dood van de erflater, alsnog in de registers zijn ingeschreven.

  806. Artikel 25 1. Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, een feit met betrekking tot dat registergoed in de registers was inge- schreven krachtens een authentieke akte waarin het feit door een ambtenaar met kracht van authenticiteit werd vastgesteld, kan de onjuistheid van dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij deze onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen, dan wel lid 2 niet is nageleefd. 2. Een verkrijger is, onverminderd lid 1, gehouden redelijke pogingen te doen om de juiste identiteit van de vervreemder en de juiste feitelijke gesteldheid van het goed vast te stellen.

  807. Artikel 26 Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door degene die redelijkerwijs voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen.

  808. Artikel 27 1. Degene die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan alle belanghebbenden bij openbare op- roeping, en daarnaast hen die als rechthebbende of beslaglegger op dat goed ingeschreven staan, ieder bij name bij verzoekschrift, in rechte betrekken om te horen verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt, toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van mogelijke niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt.

  809. Artikel 82 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. Een krachtens dit artikel verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 2. Tegen het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger beroep staat volgens de gewone regels open, behoudens de volgende uitzonderingen. Artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. De termijn voor hoger beroep begint voor niet-verschenen belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van de uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven waren, of bij openbaar exploot, zo zij niet ingeschreven waren. 2024 -314- No. 164 3. De krachtens lid 1 ingeschreven verklaring wordt ten aanzien van niet-verschenen belanghebbenden die niet bij name zijn opgeroepen, vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet is bewezen. Op de onjuistheid kan echter geen beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere titel zijn opgevolgd. 4. Een openbare oproeping als bedoeld in lid 1, geschiedt overeenkomstig artikel 5, ten 7, tweede en derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een openbaar exploot als bedoeld in lid 2, geschiedt op dezelfde wijze, tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als bedoeld in lid 1. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bestaan in het voorschrijven van al of niet herhaalde aankondigingen van een door de rechter vast te stellen inhoud in een of meer binnen- of buitenlandse dagbladen.

  810. Artikel 28 1. Is een inschrijving waardeloos, dan zijn degenen te wier behoeve zij anders zou hebben gestrekt, verplicht van deze waardeloosheid aan degene die daarbij een onmiddellijk belang heeft, op diens verzoek een schrif- telijke verklaring af te geven. De verklaringen vermelden de feiten waarop de waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft. 2. De verklaringen kunnen in de registers worden ingeschreven. Indien de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft, machtigen deze verklaringen na inschrijving gezamenlijk de bewaarder tot doorhaling daar- van.

  811. Artikel 29 1. Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan verklaart de kantonrechter de inschrijving waardeloos op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat ingeschreven, opgeroepen, dan worden daarmee tevens opgeroepen al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. 2. Alvorens een zodanige verklaring uit te spreken kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijs- opdrachten doen, die hij in het belang van mogelijk niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt. 3. Indien alle ingeschreven opgeroepenen zijn verschenen, is artikel 82 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing. Indien voor een ingeschreven opgeroepene geen verzet, maar hoger be- roep openstaat, geldt hetzelfde voor zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. In afwijking van artikel 84 van dat wetboek begint de termijn van verzet in elk geval te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de ingeschreven opgeroepene, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt, zulks mede ten opzichte van zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen, tenzij de rechter hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel niet is voldaan. 4. Het vonnis dat de verklaring bevat, kan niet worden ingeschreven, voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de waardeloze inschrijving een hypotheek of beslag betreft, machtigt het vonnis na inschrijving de bewaarder tot doorhaling daarvan.

  812. Artikel 31 Waar een wetsbepaling die betrekking heeft op registergoederen, een notariële akte of een notariële verklaring voorschrijft, is vereist een akte of verklaring van een persoon die hier te lande het notarisambt uitoefent. 2024 -315- No. 164 Titel 2 Rechtshandelingen

  813. Artikel 32 1. Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt. 2. Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer bepaalde personen was gericht, is echter nietig. Artikel 33 Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

  814. Artikel 34 1. Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien. 2. Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen was gericht, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.

  815. Artikel 35 Tegen degene die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

  816. Artikel 36 Tegen degene die als derde op grond van een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan.

  817. Artikel 37 1. Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen. 2. Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die bepaling niet anders volgt, ook bij exploot geschieden. 3. Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. 2024 -316- No. 164 4. Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of middel een tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft overgebracht, geldt het ter kennis van de ontvanger gekomene als de verklaring van de afzen- der, tenzij de gevolgde wijze van overbrenging door de ontvanger was bepaald. 5. Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring bereiken.

  818. Artikel 38 1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht. 2. De vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht. Artikel 39 Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig.

  819. Artikel 40 1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig. 2. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van een der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit. 3. Lid 2 heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten.

  820. Artikel 41 Betreft een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

  821. Artikel 42 Beantwoordt de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.

  822. Artikel 43 1. Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door: a. rechters, leden van het openbaar ministerie, griffiers, advocaten, procesgemachtigden, deurwaarders en notarissen, van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht onder welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen, b. ambtenaren, van goederen die door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of 2024 -317- No. 164 c. personen met openbaar gezag bekleed, van goederen die toebehoren aan de Staat, een ander openbaar lichaam of een andere openbare instelling, en aan hun beheer zijn toevertrouwd, zijn nietig en verplichten de verkrijgers tot schadevergoeding. 2. Lid 1 onder a heeft geen betrekking op uiterste wilsbeschikkingen, door een erflater ten voordele van zijn wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op rechtshandelingen krachtens welke deze erfgenamen goederen der nalatenschap verkrijgen. 3. In het geval, bedoeld in lid 1 onder c is de rechtshandeling geldig, indien zij na goedkeuring bij staatsbesluit is geschied of het een verkoop in het openbaar betreft.

  823. Artikel 44 1. Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden is totstandgekomen. 2. Bedreiging is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. 3. Bedrog is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in al- gemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op. 4. Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het totstandkomen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. 5. Indien een verklaring is totstandgekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.

  824. Artikel 45 1. Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan. 2. Een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. 3. Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de verklaring of het instellen van de vordering tot vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was. 4. Een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling. 5. Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet verkregen op goederen die het voorwerp waren van de vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd. Ten aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling is gebaat. 2024 -318- No. 164

  825. Artikel 46 1. Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn: 1°. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft; 2°. bij rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare schuld; 3°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens: a. zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad; b. een rechtspersoon waarin hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatst kapitaal deel- nemen; 4° bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een natuurlijke persoon: a. die bestuurder of commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad; b. die al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatst kapitaal deelneemt; c. wiens echtgenoot, pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde graad afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatst kapi- taal deelnemen; 5°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een andere rechtspersoon, indien: a. een van deze rechtspersonen bestuurder is van de andere; b. een bestuurder, natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, bestuurder is van de andere; c. een bestuurder, natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatst kapitaal deel- neemt in de andere; d. in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatst kapitaal rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad; 6°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een groepsmaatschappij. 7°. bij rechtshandelingen die ertoe strekken een goed onder een trustverband te brengen. 2. Met een echtgenoot wordt een andere levensgezel gelijkgesteld. 3. Onder pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed. 4. Onder bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan degene die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest. 5. Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld. 6. Een groepsmaatschappij is een vennootschap of rechtspersoon die met een of meer andere vennootschappen of rechtspersonen organisatorisch in een economische eenheid is verbonden. 2024 -319- No. 164 7. Voor de toepassing van dit artikel is met de hoedanigheid van bestuurder, commissaris of aandeelhouder van een rechtspersoon gelijkgesteld de hoedanigheid van onderscheidenlijk trustee, protector of begunstigde van een trust.

  826. Artikel 47 In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond, wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn. Artikel 48 Onder schuldenaar in de zin van de artikelen 45 tot en met 47 is begrepen degene op wiens goed voor de schuld van een ander verhaal kan worden genomen. Artikel 49 Een vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak.

  827. Artikel 50 1. Een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, wordt door degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn. 2. Een buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een inschrijving in de openbare registers of tot een tot levering van een registergoed bestemde akte, slechts vernietigen indien alle partijen in de vernietiging berusten.

  828. Artikel 51 1. Een rechtshandeling wordt door een rechterlijke uitspraak vernietigd, doordat daarin een beroep in rechte op een vernietigingsgrond wordt aanvaard. 2. Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen degenen die partij bij de rechtshandeling zijn. 3. Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. Degene die dit beroep doet, is verplicht om zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen.

  829. Artikel 52 1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren in geval van: a. onbekwaamheid: drie jaar nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger heeft, drie jaar nadat de handeling ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen; b. bedreiging of misbruik van omstandigheden: drie jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken; c. bedrog, dwaling of benadeling: drie jaar nadat het bedrog, de dwaling of de benadeling is ontdekt; d. een andere vernietigingsgrond: drie jaar nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. 2024 -320- No. 164 2. Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd.

  830. Artikel 53 1. De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. 2. Indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen. Hij kan aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die wordt benadeeld.

  831. Artikel 54 1. De bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling een beroep te doen op misbruik van omstandigheden vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft. 2. Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen, in plaats van een vernietiging wegens misbruik van omstandigheden uit te spreken, ter opheffing van dit nadeel de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen.

  832. Artikel 55 1. De bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen. 2. Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging en deze binnen de gestelde redelijke termijn geen keuze heeft gedaan.

  833. Artikel 56 Voor de toepassing van de artikelen 50 tot en met 55 gelden mede als partij: a. in geval van eenzijdige tot een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandelingen: die personen; b. in geval van andere eenzijdige rechtshandelingen: degenen die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van die handeling.

  834. Artikel 57 Behoeft een rechtshandeling om het beoogde gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of enige andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een andere persoon die geen partij bij de rechtshandeling is, dan kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan degenen die partij bij de rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat indien niet binnen een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien zonder gevolg zal blijven. 2024 -321- No. 164

  835. Artikel 58 1. Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de rechtshandeling bekrachtigd. 2. Lid 1 is niet van toepassing op het geval dat een rechtshandeling nietig is als gevolg van handelingsonbekwaamheid van degene die haar heeft verricht en deze vervolgens handelingsbekwaam wordt. 3. Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden geëerbiedigd.

  836. Artikel 59 Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Titel 3 Volmacht

  837. Artikel 60 1. Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. 2. Waar in deze titel van rechtshandeling wordt gesproken, is daaronder het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.

  838. Artikel 61 1. Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend. 2. Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelij- kerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze ver- onderstelling geen beroep worden gedaan. 3. Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

  839. Artikel 62 1. Een algemene volmacht strekt zich slechts uit tot daden van beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is bepaald dat zij zich ook tot die daden uitstrekt. Onder algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die alle zaken van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten. 2. Een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend, strekt zich slechts uit tot daden van beschikking, indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel. 2024 -322- No. 164

  840. Artikel 63 1. De omstandigheid dat iemand onbekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen voor zichzelf, maakt hem niet onbekwaam tot het optreden als gevolmachtigde. 2. Wanneer een volmacht door een onbekwaam persoon is verleend, is een krachtens die volmacht door de gevolmachtigde verrichte rechtshandeling op gelijke wijze geldig, nietig of vernietigbaar, als wanneer zij door de onbekwame zelf zou zijn verricht.

  841. Artikel 64 Tenzij anders is bepaald, is een gevolmachtigde slechts in de volgende gevallen bevoegd de hem verleende volmacht aan een ander te verlenen: a. voor zover de bevoegdheid hiertoe uit de aard der te verrichten rechtshandelingen noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is met het gebruik; b. voor zover de verlening van de volmacht aan een andere persoon in het belang van de volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in staat is een voorziening te treffen; c. voor zover de volmacht goederen betreft, die gelegen zijn buiten het land waar de gevolmachtigde zijn woonplaats heeft. Artikel 65 Is een volmacht aan twee of meer personen verleend, dan is ieder van hen bevoegd zelfstandig te handelen, tenzij anders is bepaald.

  842. Artikel 66 1. Een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever. 2. Voor zover voor de geldigheid of de gevolgen van een rechtshandeling van belang zijn het al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling van haar inhoud.

  843. Artikel 67 1. Degene die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn. 2. Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.

  844. Artikel 68 Tenzij anders is bepaald, kan een gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever optreden wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider be- langen uitgesloten is. 2024 -323- No. 164

  845. Artikel 69 1. Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde gevolg verschaffen als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht. 2. Is voor het verlenen van een volmacht tot de rechtshandeling een bepaalde vorm vereist, dan geldt voor de bekrachtiging hetzelfde vereiste. 3. Een bekrachtiging heeft geen gevolg, indien op het tijdstip waarop zij geschiedt, de wederpartij reeds heeft te kennen gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op het tijdstip dat zij handelde heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend. 4. Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam is gehandeld, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke of voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen. 5. Rechten door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan derden verleend, blijven gehandhaafd.

  846. Artikel 70 Degene die als gevolmachtigde handelt, staat jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld.

  847. Artikel 71 1. Verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt, is overgelegd, hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd. 2. Bewijs van volmacht kan niet worden verlangd indien de volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt of indien zij voortvloeit uit een aanstelling waarmede de wederpartij bekend is.

  848. Artikel 72 Een volmacht eindigt door: a. de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de volmachtgever; b. de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de gevolmachtigde, tenzij anders is bepaald; c. herroeping door de volmachtgever; d. opzegging door de gevolmachtigde.

  849. Artikel 73 1. Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor het beheer van een onderneming. 2. Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd rechtshandelingen te verrichten die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Hetzelfde geldt indien de gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd. 3. De in de leden 1 en 2 vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging. 2024 -324- No. 164

  850. Artikel 74 1. Voor zover een volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevol- machtigde of van een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever. Eerstgenoemde bepaling sluit, tenzij anders blijkt, de tweede in. 2. Bevat de volmacht een bepaling als bedoeld in lid 1, dan mag de wederpartij aannemen dat het aldaar voor de geldigheid van die bepaling gestelde vereiste is vervuld, tenzij het tegendeel voor haar duidelijk kenbaar is. 3. Tenzij anders is bepaald, kan de gevolmachtigde een overeenkomstig lid 1 onherroepelijk verleende volmacht ook buiten de in artikel 64 genoemde gevallen aan een ander verlenen. 4. De kantonrechter kan, op verzoek van de volmachtgever of van een erfgenaam of de curator van de volmachtgever, een bepaling als bedoeld in lid 1, wegens gewichtige redenen wijzigen of buiten werking stellen.

  851. Artikel 75 1. Na het einde van de volmacht moet de gevolmachtigde desgevorderd geschriften waaruit de volmacht blijkt, teruggeven of toestaan dat de volmachtgever daarop aantekent dat de volmacht is geëindigd. In geval van een bij notariële akte verleende volmacht tekent de notaris die de minuut onder zijn berusting heeft, op verzoek van de volmachtgever het einde van de volmacht daarop aan. 2. Wanneer te vrezen is dat een gevolmachtigde van een volmacht ondanks haar einde gebruik zal maken, kan de volmachtgever zich wenden tot de kantonrechter met het verzoek de wijze van bekendmaking van het einde van de volmacht te bepalen, die ten gevolge zal hebben dat het tegen eenieder kan worden ingeroepen. Tegen een toewijzende beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

  852. Artikel 76 1. Een oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan tegenover een wederpartij die noch van het einde van de volmacht, noch van die oorzaak kennis droeg, slechts worden ingeroepen indien: a. het einde van de volmacht of de oorzaak die haar heeft doen eindigen, aan de wederpartij was medegedeeld of was bekendgemaakt op een wijze die krachtens wet of verkeersopvattingen meebrengt dat de volmachtgever het einde van de volmacht aan de wederpartij kan tegenwerpen; b. de dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was; c. de aanstelling of tewerkstelling waaruit de volmacht voortvloeide, op een voor derden kenbare wijze was beëindigd; d. de wederpartij van de volmacht op geen andere wijze had kennis gekregen dan door een verklaring van de gevolmachtigde. 2. In de in lid 1 bedoelde gevallen is de gevolmachtigde die voortgaat op naam van de volmachtgever te handelen, tot schadevergoeding gehouden jegens de wederpartij die van het einde van de volmacht geen kennis droeg. Hij is niet aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te weten dat de volmacht was geëindigd.

  853. Artikel 77 Wordt ondanks de dood van de volmachtgever krachtens de volmacht een geldige rechtshandeling verricht, dan worden de erfgenamen van de volmachtgever en de wederpartij gebonden alsof de handeling bij het leven van de volmachtgever was verricht. 2024 -325- No. 164

  854. Artikel 78 Wanneer iemand optreedt als vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, zijn artikel 63 lid 1, artikel 66 lid 1, de artikelen 67, 69, 70 en 71 en artikel 75 lid 2 van overeenkomstige toepassing, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.

  855. Artikel 79 Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Titel 4 Verkrijging en verlies van goederen Afdeling 1 Algemene bepalingen

  856. Artikel 80 1. Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen. 2. Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door opvolging of toetreding als trustee, door fusie van rechtspersonen en door splitsing van rechtspersonen. 3. Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door onteigening en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging. 4. Men verliest goederen op de voor iedere soort in de wet aangegeven wijzen.

  857. Artikel 81 1. Degene aan wie een zelfstandig en overdraagbaar recht toekomt, kan binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde beperkte rechten vestigen. Hij kan ook zijn recht onder voorbehoud van een zodanig beperkt recht overdragen, mits hij de voorschriften zowel voor overdracht van een zodanig goed, als voor vestiging van een zodanig beperkt recht in acht neemt. 2. Beperkte rechten gaan teniet door: a. het tenietgaan van het recht waaruit het beperkte recht is afgeleid; b. verloop van de tijd waarvoor, of de vervulling van de ontbindende voorwaarde waaronder het beperkte recht is gevestigd; c. afstand; d. opzegging, indien de bevoegdheid daartoe bij wet of bij vestiging van het recht aan de hoofdgerechtigde, aan de beperkt gerechtigde of aan beiden is toegekend; e. vermenging; en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van tenietgaan. 3. Afstand en vermenging werken niet ten nadele van hen die op het tenietgaande beperkte recht op hun beurt een beperkt recht hebben. Vermenging werkt evenmin ten voordele van degenen die op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben en het tenietgaande recht moesten eerbiedigen.

  858. Artikel 82 Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn. 2024 -326- No. 164 Afdeling 2 Overdracht van goederen en afstand van beperkte rechten

  859. Artikel 83 1. Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet. 2. De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten. 3. Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.

  860. Artikel 84 1. Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door degene die bevoegd is over het goed te beschikken. 2. Bij de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn. 3. Wordt ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd, dan wordt slechts een recht verkregen, dat aan dezelfde voorwaarde als die verbintenis is onderworpen.

  861. Artikel 85 1. Een verbintenis, strekkende tot overdracht van een goed voor een bepaalde tijd, wordt aangemerkt als een verbintenis tot vestiging van vruchtgebruik op het goed voor de gestelde tijd. 2. Een verbintenis, strekkende tot overdracht van een goed onder opschortende tijdsbepaling, wordt aangemerkt als een verbintenis tot onmiddellijke overdracht van het goed met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de vervreemder op het goed voor de gestelde tijd.

  862. Artikel 86 1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. 2. Rust op een in lid 1 genoemd goed dat overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 anders dan om niet wordt overgedragen, een beperkt recht dat de verkrijger op dit tijdstip kent noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht, in het geval van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder is geleverd. 3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaarjaar, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij: a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde, of b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft. 4. Op de in lid 3 bedoelde termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende stuiting van de verjaring van een rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. 2024 -327- No. 164

  863. Artikel 86a 1. Artikel 86 kan niet worden tegengeworpen aan degene die als eigenaar een roerende zaak opeist, die op het tijdstip waarop hij het bezit daarvan verloor, een cultuurgoed was, dat een integrerend deel vormde van een als zodanig aangewezen monument of van een archeologische vindplaats, of dat deel uitmaakte van een openbare collectie. 2. De rechter die een vordering als bedoeld in lid 1, toewijst, kent aan de bezitter een naar gelang van de omstandigheden billijke vergoeding toe, indien deze bewijst bij de verkrijging van de zaak de nodige zorgvuldigheid te hebben betracht, tenzij opeising zonder vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3 mogelijk zou zijn geweest. 3. De vergoeding omvat in elk geval hetgeen aan de bezitter verschuldigd is krachtens de artikelen 120 en 121. Zij wordt bij afgifte van de zaak uitgekeerd.

  864. Artikel 87 1. Een verkrijger die binnen drie jaarjaar na zijn verkrijging gevraagd wordt wie het goed aan hem vervreemdde, dient onverwijld de gegevens te verschaffen die nodig zijn om deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Indien hij niet aan deze verplichting voldoet, kan hij de bescherming die de artikelen 86 en 86a aan een verkrijger te goeder trouw bieden, niet inroepen. 2. Lid 1 is niet van toepassing ten aanzien van geld.

  865. Artikel 88 Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht van een registergoed, van een recht op naam, of van een ander goed waarop artikel 86 niet van toepassing is, geldig, indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder.

  866. Artikel 89 1. De voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Zowel de verkrijger als de vervreemder kan de akte doen inschrijven. 2. De tot levering bestemde akte moet nauwkeurig de titel van overdracht vermelden; bijkomstige bedingen die niet de overdracht betreffen, kunnen in de akte worden weggelaten. 3. Treedt bij een akte van levering iemand als gevolmachtigde van een der partijen op, dan moet in de akte de volmacht nauwkeurig worden vermeld. 4. De leden 1 tot en met 3 vinden overeenkomstige toepassing op de levering, vereist voor de overdracht van andere registergoederen.

  867. Artikel 90 1. De levering, vereist voor de overdracht van roerende zaken, niet-registergoederen, die in de macht van de vervreemder zijn, geschiedt door aan de verkrijger het bezit der zaak te verschaffen. 2. Blijft de zaak na de levering in handen van de vervreemder, dan werkt de levering tegenover een derde die een ouder recht op de zaak heeft, eerst vanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen, tenzij de oudere gerechtigde met vervreemding heeft ingestemd. 2024 -328- No. 164

  868. Artikel 91 De levering van zaken als bedoeld in artikel 90, ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht onder op- schortende voorwaarde, geschiedt door aan de verkrijger de macht over de zaak te verschaffen.

  869. Artikel 92 1. Heeft een overeenkomst de strekking dat de een zich de eigendom van een zaak die in de macht van de ander wordt gebracht, voorbehoudt totdat een door de ander verschuldigde prestatie is voldaan, dan wordt hij vermoed zich te verbinden tot overdracht van de zaak aan de ander onder opschortende voorwaarde van voldoening van die prestatie. 2. Een voorwaarde als bedoeld in lid 1, wordt voor vervuld gehouden, wanneer de vervreemder op enige andere wijze dan door voldoening van de tegenprestatie wordt bevredigd, wanneer de verkrijger van zijn verplichting daartoe wordt bevrijd uit hoofde van artikel 60 van Boek 6, of wanneer de verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie is voltooid. Behoudens afwijkend beding, geldt hetzelfde bij afstand van het recht op de tegenprestatie.

  870. Artikel 93 De levering, vereist voor de overdracht van een recht aan toonder waarvan het toonderpapier in de macht van de vervreemder is, geschiedt door de levering van dit papier op de wijze en met de gevolgen als aangegeven in de artikelen 90, 91 en 92. Voor overdracht van een recht aan order, waarvan het orderpapier in de macht van de vervreemder is, geldt hetzelfde, met dien verstande dat voor de levering tevens endossement is vereist.

  871. Artikel 94 1. Buiten de in artikel 93 geregelde gevallen worden tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger. 2. De levering van een tegen een bepaalde, doch op de dag waarop de akte wordt opgemaakt onbekende persoon uit te oefenen recht dat op die dag aan de vervreemder toebehoort, werkt terug tot die dag, indien de mededeling met bekwame spoed wordt gedaan, nadat die persoon bekend is geworden. 3. Deze rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen wie deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of de verkrijger. Voor de verkrijger van een recht dat overeenkomstig de eerste volzin is geleverd, geldt artikel 88 slechts, indien hij te goeder trouw is op het tijdstip van de in tweede volzin bedoelde mededeling. 4. De personen tegen wie het recht moet worden uitgeoefend, kunnen verlangen dat aan hen een door de vervreemder gewaarmerkt uittreksel van de akte en haar titel wordt ter hand gesteld. Bedingen die voor deze personen van geen belang zijn, behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet hun de inhoud, voor zover voor hen van belang, schriftelijk worden meegedeeld.

  872. Artikel 95 Buiten de in de artikelen 89 tot en met 94 geregelde gevallen en behoudens het in de artikelen 96 en 98 bepaalde, worden goederen geleverd door een daartoe bestemde akte. 2024 -329- No. 164 Artikel 96 De levering van een aandeel in een goed geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige gevolgen als is bepaald met betrekking tot levering van dat goed.

  873. Artikel 97 1. Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd, tenzij het verboden is deze tot onderwerp van een overeenkomst te maken of het registergoederen zijn. 2. Een levering bij voorbaat van een toekomstig goed werkt niet tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Betreft het een roerende zaak, dan werkt zij jegens deze vanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen.

  874. Artikel 98 Tenzij de wet anders bepaalt, vindt al hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed. Afdeling 3 Verkrijging en verlies door verjaring

  875. Artikel 99 1. Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en rechten aan toonder of order worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaar, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien jaar. 2. Lid 1 geldt niet voor roerende cultuurgoederen die een integrerend deel vormden van een als zodanig aangewezen monument of van een archeologische vindplaats, of die deel uitmaakten van een openbare collectie als bedoeld in artikel 86a lid 1.

  876. Artikel 100 Degene die een nalatenschap in bezit heeft genomen, kan die nalatenschap en de daartoe behorende goederen niet eerder door verjaring ten nadele van de rechthebbende verkrijgen dan nadat diens rechtsvordering tot opeising van die nalatenschap is verjaard. Artikel 101 Een verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit.

  877. Artikel 102 1. Degene die een ander onder algemene titel in het bezit opvolgt, zet een lopende verjaring voort. 2. Hetzelfde doet de bezitter te goeder trouw die het bezit van een ander anders dan onder algemene titel heeft verkregen.

  878. Artikel 103 2024 -330- No. 164 Onvrijwillig bezitsverlies onderbreekt de loop der verjaring niet, mits het bezit binnen het jaar wordt terug- verkregen of een binnen het jaar ingestelde rechtsvordering tot terugverkrijging van het bezit leidt.

  879. Artikel 104 1. Wanneer de verjaring van de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het bezit wordt gestuit of verlengd, wordt daarmee de verkrijgende verjaring dienovereenkomstig gestuit of verlengd. 2. In dit artikel en de artikelen 105 en 106 wordt onder verjaring van een rechtsvordering de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraak waarbij de eis is toegewezen, begrepen.

  880. Artikel 105 1. Degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering, strekkende tot beëindi- ging van het bezit, wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. 2. Heeft iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren, maar het na dat tijdstip, mits binnen het jaar na het bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij als de bezitter op het in lid 1 aangegeven tijdstip aangemerkt.

  881. Artikel 106 Wanneer de verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid, gaat het beperkte recht teniet, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet.

  882. Artikel 106a Indien een bezitter wist of behoorde te weten dat een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen toebehoort aan de overheid, is met betrekking tot die zaak of dat recht jegens de overheid verjaring uitgesloten. Titel 5 Bezit en houderschap

  883. Artikel 107 1. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. 2. Bezit is onmiddellijk, wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt. 3. Bezit is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem houdt. 4. Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of middellijk.

  884. Artikel 108 Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de volgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Artikel 109 Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. 2024 -331- No. 164

  885. Artikel 110 Bestaat tussen twee personen een rechtsverhouding die de strekking heeft dat hetgeen de ene op bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor de ander zal worden gehouden, dan houdt de ene het ter uitvoering van die rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander.

  886. Artikel 111 Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, dan gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van degene voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht. Artikel 112 Bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel.

  887. Artikel 113 1. Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. 2. Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende. Artikel 114 Een bezitter draagt zijn bezit over door de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen die hij zelf over het goed kon uitoefenen.

  888. Artikel 115 Voor de overdracht van het bezit is een tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende wanneer: a. de vervreemder de zaak bezit en hij haar krachtens een bij de levering gemaakt beding voortaan voor de verkrijger houdt; b. de verkrijger houder van de zaak voor de vervreemder was; c. een derde voor de vervreemder de zaak hield, en haar na de overdracht voor de ontvanger houdt. In het in onderdeel c bedoelde geval gaat het bezit niet over voordat de derde de overdracht heeft erkend, dan wel de vervreemder of de verkrijger de overdracht aan hem heeft meegedeeld. Artikel 116 Degene die onder algemene titel een ander opvolgt, volgt daarmee die ander op in diens bezit en houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan.

  889. Artikel 117 1. Een bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt. 2. Zolang niet een der in lid 1 genoemde gronden van bezitsverlies zich heeft voorgedaan, duurt een aangevangen bezit voort. 2024 -332- No. 164

  890. Artikel 118 1. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. 2. Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven. 3. Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen.

  891. Artikel 119 1. De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. 2. Ten aanzien van registergoederen wijkt dit vermoeden, wanneer komt vast te staan dat de wederpartij of diens rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat de bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers is vereist.

  892. Artikel 120 1. Aan een bezitter te goeder trouw behoren de afgescheiden natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten toe. 2. De rechthebbende op een goed, die dit opeist van een bezitter te goeder trouw of die het van deze heeft terugontvangen, is verplicht de ten behoeve van het goed gemaakte kosten alsmede de schade waarvoor de bezitter op grond van titel 3 van Boek 6 uit hoofde van zijn bezit jegens derden aansprakelijk mocht zijn, aan deze te vergoeden, voor zover de bezitter niet door de vruchten van het goed en de overige voordelen die hij ter zake heeft genoten, voor het een en ander is schadeloos gesteld. De rechter kan de verschuldigde vergoeding beperken, indien volledige vergoeding zou leiden tot onbillijke bevoordeling van de bezitter jegens de rechthebbende. 3. Zolang een bezitter te goeder trouw de hem verschuldigde vergoeding niet heeft ontvangen, is hij bevoegd de afgifte van het goed op te schorten. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn ook van toepassing op degene die meent en mocht menen dat hij het bezit rechtmatig heeft verkregen, ook al weet hij dat de handelingen die voor de levering van het recht nodig zijn, niet hebben plaatsgevonden.

  893. Artikel 121 1. Een bezitter die niet te goeder trouw is, is jegens de rechthebbende behalve tot afgifte van het goed ook verplicht tot het afgeven van de afgescheiden natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, onverminderd zijn aansprakelijkheid op grond van titel 3 van Boek 6 voor door de rechthebbende geleden schade. 2. Hij heeft tegen de rechthebbende alleen een vordering tot vergoeding van de kosten die hij ten behoeve van het goed of tot winning van de vruchten heeft gemaakt, voor zover hij deze vergoeding van de rechthebbende kan vorderen op grond van het bepaalde omtrent ongerechtvaardigde verrijking. 3. De leden 1 en 2 zijn ook op de bezitter te goeder trouw van toepassing vanaf het tijdstip waarop de rechtheb- bende zijn recht tegen hem heeft ingeroepen.

  894. Artikel 122 Indien de rechthebbende ter bevrijding van de door hem ingevolge de artikelen 120 en 121 verschuldigde vergoedingen op zijn kosten het goed aan de bezitter wil overdragen, is de bezitter gehouden hieraan mee te werken. 2024 -333- No. 164

  895. Artikel 123 Heeft de bezitter van een zaak daaraan veranderingen of toevoegingen aangebracht, dan is hij bevoegd om, in plaats van de hem op grond van de artikelen 120 en 121 daarvoor toekomende vergoeding te vorderen, deze veranderingen of toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt.

  896. Artikel 124 Wanneer iemand een goed voor een ander houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt opgeëist, vindt hetgeen in de artikelen 120 tot en met 123 omtrent de bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met inachtneming van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander stond.

  897. Artikel 125 1. Degene die het bezit van een goed heeft verkregen, kan op grond van een daarna ingetreden bezitsverlies of bezitsstoornis tegen derden dezelfde rechtsvorderingen instellen tot terugverkrijging van het goed en tot opheffing van de stoornis, die de rechthebbende op het goed toekomen. Nochtans moeten deze rechts- vorderingen binnen het jaar na het verlies of de stoornis worden ingesteld. 2. De vordering wordt afgewezen, indien de opgeroepene een beter recht dan de eiser heeft tot het houden van het goed of de storende handelingen krachtens een beter recht heeft verricht, tenzij de opgeroepene met geweld of op heimelijke wijze aan de eiser het bezit heeft ontnomen of diens bezit heeft gestoord. 3. Dit artikel laat voor de bezitter, ook nadat het in lid 1 bedoelde jaar is verstreken, en voor de houder onverlet de mogelijkheid een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen, indien daartoe gronden zijn. Titel 6 Trust Afdeling 1 Algemene bepalingen

  898. Artikel 127 1. Voor de toepassing van deze titel heeft de term trust het oog op de rechtsbetrekkingen die bij rechtshandeling onder de levenden of ter zake des doods in het leven worden geroepen door een persoon, de insteller, wanneer een trustee rechthebbende op goederen is of wordt ten behoeve van een begunstigde of voor een bepaald doel. 2. Een trust heeft de volgende kenmerken: a. de goederen van de trust, hierna te noemen het trustvermogen, vormen een afgescheiden vermogen en zijn geen deel van het vermogen van de trustee; b. de trustee is rechthebbende op het trustvermogen; c. de trustee heeft de bevoegdheid en de plicht, ter zake waarvan hij rekening en verantwoording schuldig is, om het trustvermogen te besturen. 3. Het is niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar met het bestaan van een trust dat de insteller zich bepaalde rechten en bevoegdheden heeft voorbehouden of dat de trustee bepaalde rechten als begunstigde heeft. 4. Op de verkrijging door de trustee van het trustvermogen, anders dan door opvolging of toetreding als bedoeld in artikel 145 lid 1, is afdeling 2 van titel 4 van toepassing. Dit geldt ook indien de insteller de trustee zal zijn. 5. Dat de trustee rechthebbende is of wordt ten behoeve van een begunstigde of voor een bepaald doel staat niet eraan in de weg dat van een gift aan de trustee in hoedanigheid sprake is. 2024 -334- No. 164

  899. Artikel 128 Een rechtshandeling waarbij de trustee goederen heeft verkregen, met inbegrip van een verklaring van de insteller waarbij deze zelf trustee wordt ten aanzien van de goederen, kan slechts door een rechterlijke uitspraak worden vernietigd.

  900. Artikel 129 1. Waar in deze titel wordt gesproken van een notariële akte, wordt daaronder verstaan een akte verleden door of ten overstaan van een Surinaamse notaris. Een volmacht tot medewerking aan de akte moet schriftelijk zijn verleend. 2. De akte wordt verleden in de taal die de insteller kiest, mits de notaris deze taal verstaat. Is de taal een andere dan de Nederlandse taal, dan wordt een door een beëdigd vertaler ondertekende Nederlandse vertaling aan de akte gehecht. Afdeling 2 Instelling van de trust

  901. Artikel 130 1. De instelling van de trust geschiedt bij notariële akte, een uiterste wil bij notariële akte daaronder begrepen. 2. Een trust ontstaat niet bij het ontbreken van een door de notaris ondertekende akte. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de trust niet, tenzij het gaat om een uiterste wilsbeschikking. 3. De trustakte bevat de trustbepalingen, die ten minste inhouden: a. de aanwijzing van een begunstigde of een bepaald doel; b. de benoeming van ten minste één binnen Suriname wonende of gevestigde trustee en de aanvaarding van die benoeming; c. een voorziening ter verzekering dat een binnen Suriname wonende of gevestigde trustee niet komt te ontbreken; d. de omschrijving van het trustvermogen. 4. De Centrale Bank van Suriname kan ontheffing verlenen van het in lid 3 onder b en c besloten voorschrift. De Bank kan aan de ontheffing voorwaarden verbinden. 5. Het doel mag niet in strijd zijn met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde.

  902. Artikel 131 Indien aan een trust gebreken kleven, kan de kantonrechter, op verzoek van de insteller, een andere belanghebbende of het openbaar ministerie, de als trustee fungerende persoon veroordelen tot het verrichten van hetgeen nodig is voor de geldige instelling van de trust, daaronder begrepen de aanpassing van de trustakte.

  903. Artikel 132 1. Wijziging van de trustbepalingen en herroeping van de trust zijn slechts mogelijk onder de omstandigheden vermeld en door een persoon daartoe aangewezen in de trustakte. 2. Zodanige wijziging of herroeping geschiedt bij notariële akte. 2024 -335- No. 164

  904. Artikel 133 1. Indien door onvoorziene omstandigheden aan de kennelijke bedoeling van de insteller in een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare mate afbreuk wordt gedaan, kan de kantonrechter, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, de trustbepalingen buiten toepassing laten of deze wijzigen. Aan een wijziging kan geheel of gedeeltelijk terugwerkende kracht worden verleend. 2. Nadat een beschikking waarbij de trustbepalingen zijn gewijzigd in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waar de procedure laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo, ter inschrijving in het handelsregister van de datum van de beschikking en van gewijzigde gegevens als bedoeld in artikel 161 lid 2 onder b en c. Afdeling 3 De trustee

  905. Artikel 134 1. Zowel handelingsbekwame natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen rechtsgeldig als trustee fungeren. 2. De insteller kan trustee zijn. 3. De trustee kan niet de enige begunstigde zijn. 4. De trustee kan evenmin protector zijn als bedoeld in afdeling 4. Een protector die een benoeming tot trustee aanvaardt houdt op protector te zijn.

  906. Artikel 134a 1. Een trustee dient te beschikken over een daartoe strekkende vergunning van de Centrale Bank van Suriname. 2. De Bank kan kwaliteitseisen voor trustees vaststellen. De Bank kan voor nader door haar aan te geven categorieën trusts bijzondere door trustees in acht te nemen voorwaarden vaststellen.

  907. Artikel 135 1. De trustee is verplicht het trustvermogen in overeenstemming met de wet en de bepalingen van de trustakte te besturen en zijn bevoegdheden in overeenstemming met de aard van het trustvermogen en met de zorgvuldigheid die uit zijn vertrouwenspositie voortvloeit uit te oefenen. 2. De trustee is verplicht het trustvermogen te verzekeren tegen gevaren waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten. In ieder geval is de trustee, indien een gebouw tot het trustvermogen behoort, verplicht dit tegen brand te verzekeren.

  908. Artikel 136 1. Met betrekking tot een tot het trustvermogen behorend goed ter zake waarvan inschrijvingen kunnen plaatsvinden in een ingevolge de wet gehouden register, kan de trustee verlangen dat een inschrijving geschiedt op zijn naam en in zijn hoedanigheid van trustee, of op een zodanige andere wijze dat van het bestaan van de trust blijkt. 2. Tenzij in de trustakte anders is bepaald, moet de trustee het bestaan van het trustverband doen inschrijven: a. in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, voor zover het trustvermogen bestaat uit registergoederen; 2024 -336- No. 164 b. in het register van aandeelhouders, voor zover het trustvermogen bestaat uit aandelen op naam in een naamloze vennootschap; c. in het handelsregister, voor zover het trustvermogen bestaat uit een onderneming of een aandeel van een volledig aansprakelijke vennoot in een openbare vennootschap. 3. Tenzij in de trustakte anders is bepaald of zulks naar verkeersopvattingen niet van de trustee kan worden gevergd, dan wel naar het toepasselijke recht onmogelijk of verboden is, moet de trustee aan zijn wederpartij kenbaar maken dat hij handelt in zijn hoedanigheid van trustee. Is aan de wederpartij kenbaar dat de trustee handelt in zijn hoedanigheid, dan is geen verhaal mogelijk op het niet aan de trust onderworpen vermogen van de trustee, tenzij de trustee de verplichtingen die voor hem uit de trust voortvloeien heeft geschonden.

  909. Artikel 137 1. De trustee is verplicht het trustvermogen afgescheiden te houden van een ander trustvermogen en van zijn niet aan een trust onderworpen vermogen. 2. De trustee is verplicht binnen Suriname van elk trustvermogen een zodanige afzonderlijke administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de samenstelling, de inkomsten en uitgaven van elk trustvermogen uit de administratie zijn vast te stellen. De administratie van beleggingstrusts kan ook buiten Suriname worden gevoerd. 3. Tenzij in de trustakte anders is bepaald, is de trustee verplicht jaarlijks, alsmede bij het einde van de trust, aan de begunstigde rekening en verantwoording af te leggen over zijn bestuur. Daarbij wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van rechtshandelingen waarbij een trustee of protector een tegenstrijdig eigen belang had. 4. De trustee is verplicht op verzoek van het openbaar ministerie inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitoefening van diens uit deze titel voortvloeiende taken. Artikel 137a Bestaat de trust ten behoeve van een of meer begunstigden, dan houdt de trustee zich op de hoogte van de namen en adressen van alle begunstigden en wat hun toekomt. Artikel 138 Indien meerdere trustees in functie zijn, richten hun bevoegdheden zich naar hetgeen in titel 7 voor deelgenoten is bepaald, tenzij uit de trustakte anders voortvloeit.

  910. Artikel 139 1. De trustee is onder meer bevoegd tot: a. vervreemding, belegging en herbelegging van het trustvermogen; b. uitkering van het zuiver inkomen of accumulatie voor ten hoogste vijf jaar; c. beëindiging of opschorting van uitkeringen ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, voor zover die uitkeringen feitelijk voor een ander doel worden gebruikt; d. beëindiging van uitkeringen indien een begunstigde, in strijd met een daartoe strekkend verbod in de trustakte, zijn belang in de trust heeft vervreemd, bezwaard of belast; e. het op verzoek van de insteller, de protector of derden doen van uitkeringen aan niet in de trustakte genoemde personen of ten behoeve van niet in de trustakte genoemde doelen, mits deze uitkeringen niet onverenigbaar zijn met de trustbepalingen; f. raadpleging van adviseurs in verband met de uitoefening van zijn taak. 2024 -337- No. 164 2. Het verlenen van een volmacht is slechts toegestaan in de vorm van een bijzondere volmacht van beperkte duur. 3. Rechtshandelingen met betrekking tot het trustvermogen waarbij een trustee een tegenstrijdig belang heeft, kunnen slechts worden aangegaan met medewerking van alle overige trustees en met toestemming van alle protectors. Bij ontbreken van een protector is toestemming van de kantonrechter vereist. Wordt de in de eerste volzin bedoelde medewerking of toestemming zonder redelijke grond geweigerd of verklaart men zich niet, dan kan de medewerking of toestemming, op verzoek van de trustee, worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter. 4. In de trustakte kan van de leden 1 tot en met 3 worden afgeweken.

  911. Artikel 140 1. In de trustakte kan de beschikkingsbevoegdheid van de trustee met betrekking tot het trustvermogen of bepaalde tot het trustvermogen behorende goederen worden beperkt. Een zodanige bepaling staat aan executie door schuldeisers niet in de weg. Indien in de trustakte is bepaald dat beschikking niet zonder toestemming van één of meer in de trustakte genoemde personen kan geschieden en die personen de vereiste toestemming zonder redelijke grond weigeren of zich niet verklaren, kan de toestemming op verzoek van de trustee worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter. 2. De in lid 1 bedoelde beschikkingsonbevoegdheid kan slechts worden tegengeworpen aan een verkrijger die haar kende. 3. De beschikkingsonbevoegdheid kan ook worden tegengeworpen aan een verkrijger die haar niet kende, maar die om niet verkreeg, tenzij en voor zover deze aantoont dat hij ten tijde dat de beschikkingsonbevoegdheid hem bekend werd, door de verkrijging niet gebaat was. 4. Bekendheid met het bestaan van het trustverband impliceert bekendheid met de beschikkingsonbevoegdheid, indien deze is ingeschreven in het handelsregister, tenzij de beschikkingsonbevoegdheid zo ongebruikelijk is dat de verkrijger haar daarin niet behoefde te verwachten. 5. Met betrekking tot registergoederen impliceert inschrijving van het trustverband in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, bekendheid met het bestaan van het trustverband. Artikel 141 Een trustee kan als zodanig in rechte optreden en verschijnen voor enig persoon die handelt in de uitoefening van een openbare functie.

  912. Artikel 142 Tenzij de beloning van de trustee in de trustakte anders is geregeld, komt aan de trustee of de gezamenlijke trustees vijf procent van het zuiver inkomen uit het trustvermogen toe, met een minimum van een door de President van het Hof van Justitie bepaalde bedrag.

  913. Artikel 143 1. De trustee is aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed trustee tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. 2. Indien meer dan één trustee in functie is, is elk hunner hoofdelijk aansprakelijk. Niet aansprakelijk is evenwel de trustee die bewijst dat het desbetreffende feit aan hem niet te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 3. Aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van opzet of bewuste roekeloosheid kan noch in de trustakte, noch op enige andere wijze worden beperkt of uitgesloten. 2024 -338- No. 164 4. Indien het trustvermogen is benadeeld, kan de vordering worden ingesteld door elke mede-trustee. De vordering kan, tenzij in de trustakte anders is bepaald, ook worden ingesteld door een protector of begunstigde, met dien verstande dat de schadevergoeding zo spoedig mogelijk wordt afgedragen aan een trustee, die niet is de trustee die zijn verplichtingen heeft geschonden.

  914. Artikel 144 1. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kan de trustee zijn taak slechts neerleggen zonder onnodige schade voor de begunstigde of het trustvermogen. 2. De trustee kan door de protector of, op verzoek van in de trustakte daartoe aangewezen personen of het openbaar ministerie, door de kantonrechter worden geschorst. 3. Indien in geval van schorsing niet binnen vier weken wordt overgegaan tot het instellen van een onderzoek naar de omstandigheden die tot de schorsing hebben geleid, vervalt de schorsing. 4. Op verzoek van de protector, het openbaar ministerie of, tenzij in de trustakte anders is bepaald, de insteller of begunstigde, dan wel andere in de trustakte daartoe aangewezen personen kan de trustee door de kantonrechter worden ontslagen. 5. In de trustakte kan worden bepaald dat de insteller of de protector naar eigen goeddunken de trustee kan ontslaan en al dan niet vervangen. 6. De trustee verliest voorts zijn hoedanigheid van trustee door intrekking van zijn vergunning, door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind, bedoeld in titel 19 van Boek 1, over een of meer van zijn goederen, dan wel, rechtspersoon zijnde, door een besluit tot ontbinding. 7. Indien, ondanks de voorziening ter zake in de trustakte, een binnen Suriname wonende of gevestigde trustee komt te ontbreken, benoemt de kantonrechter deze, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

  915. Artikel 145 1. Een opvolgende of toetredende trustee verkrijgt van rechtswege het trustvermogen of een aandeel daarin onder algemene titel. Ontbrak op enig moment een trustee, dan wordt de opvolgende trustee geacht rechthebbende te zijn vanaf het tijdstip van defungeren van de laatste trustee. 2. Voor zover tot het trustvermogen goederen behoren, ten aanzien waarvan in enig register of bij enige autoriteit gegevens zijn vastgelegd, is de opvolgende trustee verplicht, onverwijld van de rechtsovergang te doen blijken. 3. Een opvolgende trustee is verplicht tot openbaarmaking van de op hem betrekking hebbende in artikel 161 lid 2 onder c bedoelde gegevens, voor zover zulks vereist is en niet op grond van dat artikel mocht zijn geschied.

  916. Artikel 146 1. De defungerende trustee is verplicht aan de opvolgende trustee rekening en verantwoording af te leggen, alsmede aan hem de op het trustvermogen betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers af te geven. 2. De defungerende trustee is voorts verplicht tot het afgeven aan de opvolgende trustee van volmachten, verklaringen, titelbewijzen en documenten die in enig rechtsstelsel verband houden met de rechtsovergang. Voor zover de defungerende trustee zelf daarbij belang behoudt, is hij slechts verplicht om aan de opvolgende trustee op diens verlangen en op diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven. 3. Ingeval van overlijden van een trustee rusten de in de leden 1 en 2 genoemde verplichtingen op diens erfgenamen. Ingeval ten aanzien van een trustee, rechtspersoon zijnde, een besluit tot ontbinding is genomen, rusten die verplichtingen op de vereffenaar. 2024 -339- No. 164 Afdeling 4 De protector

  917. Artikel 147 1. In de trustakte kan worden bepaald dat, en onder welke voorwaarden, er een of meer protectors zullen zijn. 2. Indien benoeming van een protector mogelijk is, dient tevens te worden bepaald wie tot benoeming is bevoegd. 3. Benoeming van een protector door een trustee is nietig. Een voordracht tot benoeming van een protector door een trustee is niet bindend.

  918. Artikel 148 1. Zowel handelingsbekwame natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen als protector fungeren. 2. De protector kan niet de enige begunstigde zijn. 3. De protector kan evenmin trustee zijn. Een trustee die een benoeming tot protector aanvaardt houdt op trustee te zijn. Een trustee kan geen benoeming tot protector aanvaarden indien daardoor een binnen Suriname wonende of gevestigde trustee zou komen te ontbreken.

  919. Artikel 149 1. De protector is verplicht, met de zorgvuldigheid die uit de vertrouwenspositie van protector voortvloeit, de trustee met raad terzijde te staan, toezicht te houden op de trustee en zonodig over te gaan tot schorsing van de trustee of tot het nemen van andere in de trustakte omschreven maatregelen. 2. De protector is verplicht zodanige andere taken te verrichten als hem bij zijn benoeming mochten zijn toevertrouwd, welke taken echter, afgezien van het verlenen of onthouden van zijn goedkeuring of toestemming, niet mogen inhouden de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen die naar hun aard binnen de bevoegdheid van de trustee vallen. 3. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, is de protector verplicht bij zijn aftreden een opvolger te benoemen.

  920. Artikel 150 1. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, dient, indien meerdere protectors in functie zijn, een vereiste toestemming of medewerking verleend te worden door de meerderheid van de protectors, waarbij allen, zoveel als in de omstandigheden redelijkerwijs mogelijk, in de besluitvorming zijn betrokken. 2. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kan de protector in verband met de uitoefening van zijn taak adviseurs raadplegen. 3. Het verlenen van een volmacht is slechts mogelijk aan een medeprotector, in de vorm van een bijzondere volmacht van beperkte duur. 4. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, geldt de protector als belanghebbende in de zin van deze titel. 5. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kunnen rechtshandelingen met betrekking tot het trustvermogen waarbij een protector een tegenstrijdig belang heeft, slechts worden aangegaan met medewerking van alle trustees en met toestemming van alle overige protectors. Wordt de in de eerste volzin bedoelde medewerking of toestemming zonder redelijke grond geweigerd of verklaart men zich niet, dan kan de medewerking of toestemming, op verzoek van een trustee, worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter. 2024 -340- No. 164

  921. Artikel 151 1. De protector is aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed protector tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. 2. Indien meer dan één protector in functie is, is elk hunner hoofdelijk aansprakelijk. Niet aansprakelijk is evenwel de protector die bewijst, dat het desbetreffende feit niet aan hem is te wijten en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 3. Aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van opzet of bewuste roekeloosheid kan noch in de trustakte, noch op enige andere wijze worden beperkt of uitgesloten. 4. Indien het trustvermogen is benadeeld, kan de vordering worden ingesteld door elke trustee. De vordering kan, tenzij in de trustakte anders is bepaald, ook worden ingesteld door een medeprotector of begunstigde, met dien verstande dat de schadevergoeding zo spoedig mogelijk wordt afgedragen aan de trustee of trustees.

  922. Artikel 152 1. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kan de protector zijn taak slechts neerleggen zonder onnodige schade voor de begunstigde of het trustvermogen. 2. Op verzoek van een medeprotector, het openbaar ministerie of, tenzij in de trustakte anders is bepaald, de insteller of begunstigde, dan wel andere in de trustakte daartoe aangewezen personen kan een protector door de kantonrechter worden ontslagen. 3. In de trustakte kan worden bepaald dat de insteller naar eigen goeddunken de protector kan ontslaan en al dan niet vervangen en dat deze bevoegdheid na de dood van de insteller overgaat op een andere aangewezen persoon. 4. De protector verliest voorts zijn hoedanigheid van protector door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind, bedoeld in titel 19 van Boek 1, over een of meer van zijn goederen, dan wel, rechtspersoon zijnde, door een besluit tot ontbinding. 5. Ingeval een afgetreden of overleden protector heeft nagelaten een opvolger te benoemen, zal bij gebreke van voorziening in de trustakte, de nog in functie zijnde protector een opvolgende protector benoemen. Indien geen andere protector in functie is, zal de kantonrechter, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve, een opvolgende protector benoemen. Afdeling 5 De begunstigde

  923. Artikel 153 1. Nog niet bestaande natuurlijke personen of rechtspersonen, mits voldoende bepaalbaar, kunnen ook begunstigde zijn. 2. De insteller kan zichzelf als begunstigde aanwijzen. 3. Is de aanwijzing van de begunstigde onherroepelijk en jegens de begunstigde om niet, dan geldt zij als aanvaard, indien zij ter kennis van de begunstigde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen.

  924. Artikel 154 1. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald of door de trustee niet tot accumulatie is besloten, komt jaarlijks het zuiver inkomen uit het trustvermogen toe aan de begunstigde of het bepaalde doel. 2. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, is de begunstigde bevoegd om over zijn rechten en bevoegdheden in de trust te beschikken, onverminderd lid 3. De trustee geldt als degene tegen wie de 2024 -341- No. 164 desbetreffende rechten en bevoegdheden worden uitgeoefend. 3. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kunnen uitkeringen ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie niet feitelijk gebruikt worden voor betaling van schulden die geen verband houden met het doel waarvoor deze gedaan zijn en is de begunstigde niet bevoegd over het recht op die uitkeringen te beschikken. 4. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, is elke begunstigde afzonderlijk bevoegd jaarlijks naar aanleiding van de afgelegde rekening en verantwoording, voor eigen rekening een onderzoek in te stellen, overlegging te verlangen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, zich de tot het trustvermogen behorende waarden te doen tonen en de op het trustvermogen betrekking hebbende administratie te onderzoeken. Hij kan zich bij de uitoefening van deze bevoegdheden doen bijstaan door een deskundige. 5. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de afgelegde rekening en verantwoording belangrijke onjuistheden bevat of ten aanzien van belangrijke aspecten kennelijk onvolledig is, komen de redelijk gemaakte kosten van dit onderzoek voor rekening van de trustee ten laste van zijn niet aan de trust onderworpen vermogen. Afdeling 6 Het trustvermogen

  925. Artikel 155 1. Het trustvermogen is afgescheiden van het niet aan een trust onderworpen vermogen van de trustee en andere trustvermogens. Het trustvermogen strekt niet tot verhaal van de persoonlijke schulden van de trustee, maakt geen deel uit van het niet aan een trust onderworpen vermogen van de trustee in geval van diens insolventie of faillissement en maakt geen deel uit van enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de trustee gehuwd mocht zijn, noch van zijn nalatenschap. 2. Tenzij in de trustakte of bij de verkrijging door de trustee anders is bepaald, omvat het trustvermogen ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een tot het trustvermogen behorend goed te treden, vorderingen tot vergoeding van schade daaronder begrepen, benevens de vruchten en andere voordelen die zulk een goed oplevert, zolang de vruchten niet zijn aangewend ten behoeve van de begunstigde of het bepaalde doel.

  926. Artikel 156 1. Indien de trustee tot het trustvermogen behorende goederen ten onrechte niet afgescheiden heeft gehouden, kan elke mede-trustee vorderen dat de goederen alsnog worden afgescheiden en aan hem worden afgestaan. 2. Onverminderd de bescherming van derden, kunnen tot het trustvermogen behorende goederen door de trustee of een mede-trustee worden teruggevorderd in gevallen waarin de trustee deze, met schending van de verplichtingen die voor hem uit de trust voortvloeien, heeft vervreemd. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op bezwaringen en ingebruikgevingen van tot het trustvermogen behorende goederen. 3. De bevoegdheden van de leden 1 en 2 komen, tenzij in de trustakte anders is bepaald, ook toe aan een protector of begunstigde, met dien verstande dat de goederen zo spoedig mogelijk worden afgedragen aan een trustee, die niet is de trustee die zijn verplichtingen heeft geschonden. 4. Artikel 155 lid 2 is van overeenkomstige toepassing. 2024 -342- No. 164

  927. Artikel 157 1. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, komen uitgaven die door de trustee en andere bevoegde personen bevoegdelijk zijn gedaan, alsmede de aan de trustee toekomende beloning, in de eerste plaats ten laste van het zuiver inkomen uit het trustvermogen en vervolgens van het trustvermogen. 2. Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald dient, voor de toepassing van deze titel onder zuiver inkomen te worden verstaan de algebraïsche som van hetgeen in geld of geldswaarde zuiver genoten wordt als opbrengst van onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, roerend kapitaal en rechten op periodieke uitkeringen als bedoeld in de Inkomstenbelasting 1922.

  928. Artikel 158 In de trustakte kunnen een of meer personen worden aangewezen die ter bescherming van het trustvermogen, onder de in de trustakte omschreven omstandigheden, bevoegd zijn tot het nemen van daarin aangeduide maatregelen. Afdeling 7 Het einde van de trust

  929. Artikel 159 1. De trust eindigt: a. door de vervulling van een in de trustakte opgenomen ontbindende voorwaarde of door het verloop van de tijd waarvoor de trust is ingesteld; b. bij het geheel ontbreken van trustvermogen, indien niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt; c. indien er geen begunstigden meer zijn of deze allen schriftelijk afstand van hun aanspraken hebben gedaan; d. zodra de enige trustee de enige begunstigde wordt; of e. door ontbinding van de trust door de kantonrechter, op verzoek van het openbaar ministerie, indien aan de trust gebreken kleven of in het belang van de openbare orde. 2. Nadat een rechterlijke beschikking waarbij de trust is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waar de procedure laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo ter inschrijving van de ontbinding in het handelsregister. 3. De rechter kan in de in lid 2 bedoelde beschikking op verzoek dan wel ambtshalve een vereffenaar benoemen.

  930. Artikel 160 1. In de in artikel 159 lid 1onder a, c en e vermelde gevallen draagt de trustee bij zijn eindrekening en verantwoording alle tot het trustvermogen behorende goederen, overeenkomstig de voor elk van die goederen geldende regelen, over aan degene, die daartoe in de trustakte is aangewezen en bij gebreke van zodanige aanwijzing, aan de insteller of zijn rechtsopvolgers onder algemene titel. Ingeval ook deze ontbreken, dient de eindrekening en verantwoording te worden afgelegd aan de Centrale Bank van Suriname en dienen de overblijvende goederen te worden verkocht, met afdracht van de opbrengst daarvan aan de Staat. 2. Ontbreekt een trustee, dan benoemt de kantonrechter, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve, een vereffenaar. 2024 -343- No. 164 Afdeling 8 Openbaarmaking van de trust

  931. Artikel 161 1. De notaris te wiens overstaan de trustakte is verleden, is verplicht de trust in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo. 2. De inschrijving houdt in vermelding van: a. de datum van instelling van de trust; b. de eventueel in de trustakte gekozen naam; c. de volledige namen, geboorteplaats en geboortedatum, woonplaats en adres van de trustees. 3. Tevens kunnen worden ingeschreven: a. de volledige namen, geboorteplaats en geboortedatum, woonplaats en adres van protectors en andere personen die met betrekking tot het trustvermogen bevoegd zijn tot het aangaan van rechtshandelingen of tot het geven van daarvoor vereiste toestemming of goedkeuring; b. voor derden van belang zijnde beperkingen of uitbreidingen van de bevoegdheid van de trustee. 4. De notaris te wiens overstaan een trustakte wordt gewijzigd, is verplicht tot inschrijving van de datum van wijziging en van de gewijzigde gegevens als bedoeld in lid 2 onder b en c. 5. De notaris te wiens overstaan een trust wordt herroepen, is verplicht tot inschrijving van deze herroeping. 6. Ingeval de trust eindigt anders dan door herroeping of ontbinding door de rechter, is de laatst fungerende trustee verplicht daarvan mededeling te doen aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo ter inschrijving van de beëindiging in het handelsregister. Indien zulks niet binnen vier weken mocht zijn geschied, is iedere belanghebbende, na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, tot het doen van die mededeling bevoegd. Titel 7 Gemeenschap Afdeling 1 Algemene bepalingen

  932. Artikel 166 1. Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. 2. De aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. 3. Op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing. Artikel 167 Goederen die geacht moeten worden in de plaats van een gemeenschappelijk goed te treden, behoren tot de gemeenschap.

  933. Artikel 168 1. De deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen. 2. Voor zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen, zo nodig met onderbewindstelling van de goederen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. 2024 -344- No. 164 3. Een bestaande regeling kan op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter wegens onvoorziene omstandigheden gewijzigd of buiten werking worden gesteld. 4. Een regeling is ook bindend voor de rechtverkrijgenden van een deelgenoot. 5. Op een overeenkomstig lid 2 ingesteld bewind zijn, voor zover de kantonrechter niet anders heeft bepaald, de artikelen 154, 157 tot en met 166, 168, 172, 173 en 174 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het kan door een gezamenlijk besluit van de deelgenoten of op verzoek van een hunner door de kantonrechter worden opgeheven. Artikel 169 Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.

  934. Artikel 170 1. Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te stuiten. 2. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties. 3. Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan in de leden 1 en 2 vermeld, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.

  935. Artikel 171 Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.

  936. Artikel 172 Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

  937. Artikel 173 De deelgenoot die voor de overige deelgenoten beheer heeft gevoerd, legt, tenzij bij regeling anders is bepaald, jaarlijks op vordering van een andere deelgenoot daaromtrent rekening en verantwoording af; hij legt zulke rekening en verantwoording in ieder geval bij het einde van het beheer af. 2024 -345- No. 164

  938. Artikel 174 1. De rechter die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, kan een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Indien een deelgenoot voor wie een te verkopen goed een bijzondere waarde heeft, bereid is het goed tegen vergoeding van de geschatte waarde over te nemen, kan de voormelde rechter deze overneming bevelen. 2. De in lid 1 bedoelde rechter kan een deelgenoot op diens verzoek machtigen een gemeenschappelijk goed te bezwaren met een recht van pand of hypotheek tot zekerheid voor de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld die reeds bestaat of waarvan het aangaan geboden is voor het behoud van een goed der gemeenschap.

  939. Artikel 175 1. Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, kan ieder van hen over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed beschikken. 2. Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller toestemming, bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, zijn de leden 3 en 4 van artikel 168 van overeenkomstige toepassing. 3. De schuldeisers van een deelgenoot kunnen zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed uitwinnen. Na de uitwinning van een aandeel kunnen beperkingen van de bevoegdheid om over de aandelen te beschikken niet worden ingeroepen tussen de verkrijger van dat aandeel en de overige deelgenoten.

  940. Artikel 176 1. De verkrijger van een aandeel of een beperkt recht daarop moet van de verkrijging onverwijld mededeling doen aan de overige deelgenoten of aan degene die door de deelgenoten of de rechter met het beheer over het goed is belast. 2. Een overgedragen aandeel wordt verkregen onder de last aan de gemeenschap te vergoeden hetgeen de vervreemder haar schuldig was. Vervreemder en verkrijger zijn hoofdelijk voor deze vergoeding aanspra- kelijk. De verkrijger kan zich aan deze verplichting onttrekken door zijn aandeel op zijn kosten aan de overige deelgenoten over te dragen; deze zijn verplicht aan een zodanige overdracht mee te werken. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing bij uitwinning van de gezamenlijke aandelen in een gemeenschappelijk goed.

  941. Artikel 177 1. Wordt een gemeenschappelijk goed verdeeld of overgedragen, terwijl op het aandeel van een deelgenoot een beperkt recht rust, dan komt dat recht te rusten op het goed voor zover dit door die deelgenoot wordt verkregen, en wordt het goed voor het overige van dat recht bevrijd, onverminderd hetgeen de beperkt gerechtigde of de deelgenoot op wiens aandeel zijn recht rust, krachtens hun onderlinge verhouding van de ander wegens een door deze aldus ontvangen overwaarde heeft te vorderen. 2. Een verdeling, alsmede een overdracht waartoe de deelgenoten zich na bezwaring met het beperkte recht hebben verplicht, behoeft de medewerking van de beperkt gerechtigde. 3. Een bij toedeling van het goed aan de in lid 1 genoemde deelgenoot bedongen recht van pand of hypotheek tot waarborg van hetgeen hij aan een of meer der deelgenoten ten gevolge van de verdeling schuldig is of mocht worden, heeft, mits het gelijktijdig met de levering van het hem toegedeelde daarop wordt gevestigd, voorrang boven een beperkt recht dat een deelgenoot tevoren op zijn aandeel had gevestigd. 2024 -346- No. 164

  942. Artikel 178 1. Ieder der deelgenoten, alsmede degene die een beperkt recht op een aandeel heeft, kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit de leden 2 tot en met 5 anders voortvloeit. 2. Op verlangen van een deelgenoot kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, bepalen dat alle of sommige opeisbare schulden die voor rekening van de gemeenschap komen, moeten worden voldaan alvorens tot de verdeling wordt overgegaan. 3. Indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling uitsluiten. 4. Indien geen vordering tot verdeling aanhangig is, kan een beslissing als bedoeld in de leden 2 en 3 op verzoek van ieder van de deelgenoten worden gegeven door de rechter die ter zake van de vordering tot verdeling bevoegd zou zijn. 5. Zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen, kunnen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij over- eenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaar, uitsluiten. De leden 3 en 4 van artikel 168 zijn op een zodanige overeenkomst van overeenkomstige toepassing.

  943. Artikel 179 1. Indien verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan ieder der deelgenoten verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen, tenzij er gewichtige redenen zijn voor een gedeeltelijke verdeling. Van de verdeling worden die goederen uitgezonderd die wegens een der in artikel 178 genoemde gronden onverdeeld moeten blijven. 2. De omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, heeft alleen ten gevolge dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. 3. Op de toedeling van een schuld is titel 2, afdeling 3, van Boek 6 van toepassing.

  944. Artikel 180 1. Een schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot heeft, kan verdeling van de gemeenschap vorderen, doch niet verder dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering. Artikel 178 lid 3 is van toepassing. 2. Heeft een schuldeiser een bevel tot verdeling van de gemeenschap verkregen, dan behoeft de verdeling zijn medewerking.

  945. Artikel 181 1. Voor het geval dat deelgenoten of zij wier medewerking vereist is, niet meewerken tot een verdeling nadat deze bij rechterlijke uitspraak is bevolen, benoemt de rechter die in eerste aanleg van de vordering tot verdeling heeft kennisgenomen, indien deze benoeming niet reeds bij die uitspraak heeft plaatsgehad, op verzoek van de meest gerede partij een onzijdig persoon die hen bij de verdeling vertegenwoordigt en daarbij hun belangen naar eigen beste inzicht behartigt. Hebben degenen die niet meewerken tegenstrijdige belangen, dan wordt voor ieder van hen een onzijdig persoon benoemd. 2. Een onzijdig persoon is verplicht hetgeen aan de door hem vertegenwoordigde persoon ingevolge de verdeling toekomt, voor deze in ontvangst te nemen en daarover tot de afgifte aan de rechthebbende op de voet van artikel 410 van Boek 1 het bewind te voeren. 2024 -347- No. 164 3. De beloning die de onzijdige persoon ten laste van de rechthebbende toekomt, wordt op zijn verzoek vastgesteld door de rechter die hem benoemde.

  946. Artikel 182 Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, meewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.

  947. Artikel 183 1. De verdeling kan geschieden op de wijze en in de vorm die partijen goeddunkt, mits de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, allen het vrije beheer over hun goederen hebben en in persoon of bij een door hen aangewezen vertegenwoordiger meewerken, dan wel in geval van bewind over hun recht, worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder, voorzien van de daartoe vereiste toestemming of machtiging. 2. In andere gevallen moet, tenzij de rechter anders bepaalt, de verdeling geschieden bij notariële akte en worden goedgekeurd door de kantonrechter die bevoegd is de wettelijke vertegenwoordiger van degene die het vrije beheer over zijn goederen mist, tot beschikkingshandelingen te machtigen.

  948. Artikel 184 1. Ieder der deelgenoten kan bij een verdeling verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is. De toerekening geschiedt ongeacht de gegoedheid van de schuldenaar. Is het een schuld onder tijdsbepaling, dan wordt zij voor haar contante waarde op het tijdstip der verdeling toegerekend. 2. Lid 1 is niet van toepassing op schulden onder een opschortende voorwaarde die nog niet vervuld is.

  949. Artikel 185 1. Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. 2. Als wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking: a. toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten; b. overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde; c. verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. 3. Zo nodig kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag voldoen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden dat zekerheid tot een door hem bepaald bedrag en van een door hem bepaalde aard wordt gesteld. 2024 -348- No. 164

  950. Artikel 186 1. Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven. 2. Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.

  951. Artikel 187 1. De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toegedeelde goederen behorende, worden overgegeven aan hem aan wie de goederen zijn toegedeeld. 2. Algemene boedelpapieren en stukken als bedoeld in lid 1, die betrekking hebben op aan meer deelgenoten toegedeelde goederen, verblijven bij degene die de meerderheid der betrokken deelgenoten daartoe heeft benoemd, onder verplichting aan de overige deelgenoten inzage, en zo iemand dit verlangt, afschriften of uittreksels op diens kosten af te geven. 3. Bij gebreke van een meerderheid als bedoeld in lid 2, geschiedt de daar bedoelde benoeming op verlangen van een deelgenoot door de rechter die de verdeling vaststelt, of in andere gevallen op verzoek van een deelgenoot door de kantonrechter. Tegen een beslissing krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

  952. Artikel 188 1. Tenzij anders is overgekomen, zijn deelgenoten verplicht in evenredigheid van hun aandelen elkaar de schade te vergoeden die het gevolg is van een uitwinning of stoornis, voortgekomen uit een vóór de verdeling ontstane oorzaak, alsmede, wanneer een vordering voor het volle bedrag is toegedeeld, de schade die voortvloeit uit onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar op het ogenblik van de verdeling. 2. Wordt een deelgenoot door zijn eigen schuld uitgewonnen of gestoord, dan zijn de overige deelgenoten niet verplicht tot vergoeding van zijn schade. 3. Een verplichting tot vergoeding van schade die voortvloeit uit onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar, vervalt door verloop van drie jaar na de verdeling en na het opeisbaar worden van de toegedeelde vordering. 4. Indien verhaal op een deelgenoot voor zijn aandeel in een krachtens lid 1 verschuldigde schadevergoeding onmogelijk blijkt, wordt het aandeel van ieder der andere deelgenoten naar evenredigheid verhoogd. Afdeling 2 Enige bijzondere gemeenschappen

  953. Artikel 189 1. De bepalingen van deze titel gelden niet voor een huwelijksgemeenschap of rederij, zolang zij niet ontbonden zijn, noch voor de gemeenschap van een in appartementsrechten gesplitst gebouw, zolang de splitsing niet is opgeheven. 2. Voor de gemeenschap van een nalatenschap, voor een ontbonden huwelijksgemeenschap of ontbonden rederij en voor de gemeenschap van een gebouw waarvan de splitsing in appartementsrechten is opgeheven, gelden de volgende bepalingen van deze afdeling, alsmede die van afdeling 1, voor zover daarvan in deze afdeling niet wordt afgeweken. 3. De bepalingen van deze titel gelden niet voor de gemeenschap van een vennootschap, ongeacht of zij ontbonden is. 2024 -349- No. 164

  954. Artikel 190 1. Een deelgenoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk, en zijn schuldeisers kunnen een zodanig aandeel niet uitwinnen, zonder toestemming van de overige deelgenoten. 2. Nochtans kan een deelgenoot op een zodanig aandeel ook zonder toestemming van de andere deelgenoten een recht van pand of hypotheek vestigen. Zolang het goed tot de gemeenschap behoort, kan de pand- of hypotheekhouder niet tot verkoop overgaan, tenzij de overige deelgenoten hierin toestemmen.

  955. Artikel 191 1. Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, kan ieder der deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap beschikken en kunnen zijn schuldeisers een zodanig aandeel uitwinnen. 2. Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller toestemming, bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, zijn de leden 3 en 4 van artikel 168 van overeenkomstige toepassing. Artikel 192 Tot de gemeenschap behorende schulden kunnen op de goederen van de gemeenschap worden verhaald.

  956. Artikel 193 1. Een schuldeiser wiens vordering op de goederen der gemeenschap kan worden verhaald, kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen wanneer tot verdeling van de gemeenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn voldaan of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen een redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de gemeenschap niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd of afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de gemeenschap gaat verhalen. Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 betreffende de vereffening van een nalatenschap is van toepassing of overeenkomstige toepassing. 2. Ook een schuldeiser van een deelgenoot kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen, wanneer zijn belangen door een gedraging van de deelgenoten ernstig worden geschaad.

  957. Artikel 194 1. Ieder der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving. 2. Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Afdeling 3 Nietige en vernietigbare verdelingen

  958. Artikel 195 1. Een verdeling waaraan niet alle deelgenoten en alle andere personen wier medewerking vereist was, hebben deelgenomen, is nietig, tenzij zij is geschied bij een notariële akte, in welk geval zij slechts kan worden vernietigd op vordering van degene die niet aan de verdeling heeft deelgenomen. Deze rechtsvordering verjaart door verloop van één jaar nadat de verdeling te zijner kennis is gekomen, onverminderd artikel 200. 2024 -350- No. 164 2. Heeft aan een verdeling iemand deelgenomen die niet tot de gemeenschap gerechtigd was, of is een deelgenoot bij de verdeling opgekomen voor een groter aandeel dan hem toekwam, dan kan het ten onrechte uitgekeerde ten behoeve van de gemeenschap worden teruggevorderd; voor het overige blijft de verdeling van kracht.

  959. Artikel 196 1. Behalve op de algemene voor vernietiging van rechtshandelingen geldende gronden is een verdeling ook vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. 2. Wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, wordt de benadeelde vermoed omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden te hebben gedwaald. 3. Om te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad worden de goederen en schulden der gemeenschap geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling. Goederen en schulden die onverdeeld zijn gelaten, worden niet meegerekend. 4. Een verdeling is niet op grond van dwaling omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden vernietigbaar, indien de benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard.

  960. Artikel 197 De bevoegdheid tot vernietiging van een verdeling uit hoofde van benadeling vervalt, wanneer de andere deelgenoten aan de benadeelde hetzij in geld, hetzij in natura opleggen hetgeen aan diens aandeel ontbrak.

  961. Artikel 198 Wordt een beroep in rechte op vernietigbaarheid van een verdeling gedaan, dan kan de rechter, onverminderd de artikelen 53 en 54, op verlangen van een der partijen de verdeling wijzigen, in plaats van de vernietiging uit te spreken. Artikel 199 Op een verdeling zijn de artikelen 228 tot en met 230 van Boek 6 niet van toepassing.

  962. Artikel 200 Een rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling vervalt door verloop van drie jaar na de verdeling. Afdeling 4 Langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap, bestaande uit een onroerende zaak

  963. Artikel 200a 1. Indien een onroerende zaak deel uitmaakt van een gemeenschap en deze gemeenschap zolang onverdeeld is gebleven dat aannemelijk is dat de deelgenoten niet meer kunnen worden opgespoord of dat de waarde van de aandelen der deelgenoten zeer gering is, kan de kantonrechter de zaak, of gedeelten van de zaak als zelfstandige zaken, in eigendom toekennen aan de gebruikers. De rechter kan daarbij de mogelijkheid van vervreemding of ingebruikgeving aan derden voor een bepaalde tijd beperken. 2024 -351- No. 164 2. De rechter houdt ter bepaling van de waarde der aandelen in ieder geval rekening met de waarde van de zaak, de op de zaak rustende lasten, het vermoedelijke aantal deelgenoten, alsmede met de kosten gemoeid met de opsporing der deelgenoten, de waardebepaling van de zaak, de verdeling en de levering. 3. Indien een aantal deelgenoten wel kan worden opgespoord en ten aanzien van hun aandelen niet aannemelijk is dat de waarde zeer gering is, kan de rechter de zaak gedeeltelijk in eigendom toekennen aan de gebruikers. De rechter kan in dat geval tevens een verdeling vaststellen. 4. De rechter kan bepalen dat in de procedure niet verschenen deelgenoten gedurende of na afloop van een bepaalde termijn nadat zijn beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, welke periode niet langer is dan vijf jaar, aanspraak kunnen maken op een bepaalde som. De rechter bepaalt wie daarvoor zekerheid stelt. 5. Indien een bezitter wist of behoorde te weten dat de onroerende zaak deel uitmaakt van een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap als in deze afdeling bedoeld, is met betrekking tot die zaak jegens de gebruikers verjaring uitgesloten.

  964. Artikel 200b 1. Onder gebruikers worden in deze afdeling verstaan personen die rechtmatig in Suriname wonen en de zaak ten minste tien jaar in gebruik hebben. In bijzondere gevallen kan de rechter een kortere termijn aanhouden. 2. De rechter houdt rekening met alle omstandigheden, waaronder het ontbreken van goede trouw bij de verkrijging van het gebruik. Uitgangspunt is dat een verhuurder als gebruiker voor een huurder gaat. 3. Ook personen die de zaak niet gebruiken, maar ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij deelgenoten zijn of een band hebben met de zaak, kunnen als gebruiker worden aangemerkt. De rechter houdt rekening met de mate van vermoedelijke verwantschap met de oorspronkelijke eigenaar en de sterkte van de band met de zaak. 4. Indien personen ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij deelgenoten zijn, bezwaar maken tegen toekenning van de zaak of een gedeelte van de zaak aan een gebruiker ten aanzien van wie geen aanwijzingen van deelgenootschap of van nauwe persoonlijke betrekkingen met een deelgenoot bestaan, kan de rechter beslissen dat laatstbedoelde voor de toepassing van deze afdeling niet als gebruiker wordt aangemerkt.

  965. Artikel 200c 1. Voorwaarde voor toekenning aan de gebruikers is dat deze gezamenlijk of afzonderlijk aanvaardbare voorstellen hebben gedaan tot ontwikkeling van de zaak, indien nodig, en zekerheid hebben gesteld voor de kosten verband houdende met de toekenningsprocedure, de inschrijving in de openbare registers, de kosten van de perceelkaartmeting inbegrepen, en de ontwikkeling van de zaak. 2. Ontwikkeling van de zaak kan elke ruimtelijke vormgeving omvatten. 3. De rechter wint omtrent de voorstellen tot ontwikkeling van de zaak het gevoelen in van de Minister van Openbare Werken en Verkeer.

  966. Artikel 200d 1. Voor zover toekenning aan de gebruikers niet mogelijk is, kan deze geschieden aan de Staat of aan een stichting die ingevolge haar statuten de belangen van de gebruikers behartigt en van overheidswege onder toezicht staat. 2. Het Hof van Justitie bepaalt, de procureur-generaal gehoord, de wijze van toezicht op de stichting.

  967. Artikel 200e 1. Na toekenning aan de Staat of de stichting ontwikkelt deze de onroerende zaak ten behoeve van de gebruikers, voor zover dit redelijk is. 2024 -352- No. 164 2. De Staat of de stichting geeft de zaak, geheel of gedeeltelijk, na ontwikkeling uit aan de gebruikers in eigendom door middel van koop, huurkoop inbegrepen, erfpacht, grondhuur of ander beperkt recht, dan wel huur, afhankelijk van wat in het gegeven geval redelijk en mogelijk is. Bij de uitgifte kan de mogelijkheid van vervreemding of ingebruikgeving aan derden voor een bepaalde tijd worden beperkt.

  968. Artikel 200f 1. Een toekenning als in deze afdeling bedoeld kan worden verzocht door iedere belanghebbende. De Staat en het openbaar ministerie gelden als belanghebbende. 2. Bevoegd is de kantonrechter in wiens rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen. 3. In het verzoekschrift worden de namen vermeld van hen die als rechthebbende of beslaglegger op de onroerende zaak ingeschreven staan. 4. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt door de verzoeker een door de griffier bepaald voorschot ter griffie gestort ter dekking van de kosten van een openbare oproeping van belanghebbenden en van een openbare bekendmaking van de eindbeschikking. 5. De rechter gelast een openbare oproeping van belanghebbenden door toedoen van de griffier door publicatie in veel gelezen dagbladen en in het nieuwsblad waarin van Staatswege de officiële berichten worden geplaatst en zo mogelijk door andere doelmatige middelen. 6. De Staat en zij die als rechthebbende of beslaglegger op de onroerende zaak ingeschreven staan worden door de griffier tevens opgeroepen op de wijze voorzien in Boek 1, titel 10, afdeling 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 7. De eindbeschikking wordt door toedoen van de griffier binnen twee weken na de uitspraak openbaar bekendgemaakt. Ten aanzien van de wijze van openbare bekendmaking is lid 5 van overeenkomstige toepassing. 8. Hoger beroep kan worden ingesteld door iedere belanghebbende binnen zes weken na de dag van de uitspraak. De leden 4 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

  969. Artikel 200g 1. Nadat de beschikking waarbij de onroerende zaak is toegekend in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waar de procedure laatstelijk aanhangig was een afschrift van de beschikking aan de bewaarder der openbare registers ter inschrijving. De bewaarder laat zonodig ambtshalve een perceelkaartmeting verrichten. 2. Door inschrijving van de beschikking gaat de eigendom over op degene aan wie de zaak is toegekend. 3. De kosten verband houdende met de inschrijving, de kosten van de perceelkaartmeting inbegrepen, zijn ver- schuldigd door degene aan wie de zaak is toegekend. Artikel 200h Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien de gemeenschap bestaat uit rechten waaraan een onroerende zaak is onderworpen.

  970. Artikel 200i Deze afdeling laat onverlet hetgeen voortvloeit uit het Decreet E-21 van 8 augustus 1981 tot vaststelling van nieuwe regelen omtrent de rechtstoestand van onbeheerde- en kennelijk verlaten gronden (Domeindecreet 1981) (S.B. 1981 no. 125). 2024 -353- No. 164 Titel 8 Vruchtgebruik Artikel 201 Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Artikel 202 Vruchtgebruik ontstaat door vestiging of door verjaring.

  971. Artikel 203 1. Vruchtgebruik kan worden gevestigd ten behoeve van één persoon, ofwel ten behoeve van twee of meer personen, hetzij gezamenlijk, hetzij bij opvolging. In het laatste geval moeten ook de later geroepenen op het ogenblik van de vestiging bestaan. 2. Vruchtgebruik kan niet worden gevestigd voor langer dan het leven van de vruchtgebruiker. Vruchtgebruik ten behoeve van twee of meer personen wast bij het einde van het recht van een hunner bij dat van anderen aan, bij ieder in evenredigheid van zijn aandeel, en eindigt eerst door het tenietgaan van het recht van de laatst overgeblevene, tenzij anders is bepaald. 3. Is de vruchtgebruiker een rechtspersoon, dan eindigt het vruchtgebruik door ontbinding van de rechts- persoon, en in ieder geval na verloop van dertig jaar na de dag van vestiging.

  972. Artikel 205 1. Tenzij een bewind reeds tot een voldoende boedelbeschrijving heeft geleid of daartoe verplicht, moet de vruchtgebruiker in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de hoofdgerechtigde een notariële beschrijving van de goederen opmaken. De beschrijving kan ondershands worden opgemaakt, indien de hoofdgerechtigde tegenwoordig is en hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker een regeling hebben getroffen omtrent haar bewaring. 2. Zowel de vruchtgebruiker als de hoofdgerechtigde heeft het recht om in de beschrijving alle bijzonderheden te doen opnemen, die dienstig zijn om de toestand waarin de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken zich bevinden, te doen kennen. 3. De hoofdgerechtigde is bevoegd de levering en afgifte van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen op te schorten, indien de vruchtgebruiker niet tezelfdertijd zijn verplichting tot beschrijving nakomt. 4. De vruchtgebruiker moet jaarlijks aan de hoofdgerechtigde een ondertekende nauwkeurige opgave zenden van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn. 5. De vruchtgebruiker kan van de verplichtingen die ingevolge de leden 1 tot en met 4 op hem rusten, niet worden vrijgesteld. 6. Tenzij anders is bepaald, komen de kosten van de beschrijving en van de in lid 4 bedoelde jaarlijkse opgave ten laste van de vruchtgebruiker.

  973. Artikel 206 1. De vruchtgebruiker moet voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde zekerheid stellen, tenzij hij hiervan is vrijgesteld of de belangen van de hoofdgerechtigde reeds voldoende zijn beveiligd door de instelling van een bewind. 2024 -354- No. 164 2. Is de vruchtgebruiker van het stellen van zekerheid vrijgesteld, dan kan de hoofdgerechtigde jaarlijks verlangen dat hem de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken worden getoond. Ten aanzien van waardepapieren en gelden kan, behoudens bijzondere omstandigheden, met overlegging van een verklaring van een geregistreerde kredietinstelling worden volstaan.

  974. Artikel 207 1. Een vruchtgebruiker mag de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen gebruiken of verbruiken overeenkomstig de bij de vestiging van het vruchtgebruik gestelde regels of, bij gebreke van zodanige regels, met inachtneming van de aard van de goederen en de ten aanzien van het gebruik of verbruik bestaande plaatselijke gewoonten. 2. Een vruchtgebruiker is voorts bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen dienstig kunnen zijn. Tot alle overige handelingen ten aanzien van die goederen zijn de hoofdgerechtigde en de vruchtgebruiker slechts tezamen bevoegd. 3. Jegens de hoofdgerechtigde is de vruchtgebruiker verplicht ten aanzien van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen en het beheer daarover de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen.

  975. Artikel 208 1. Van zaken die aan het vruchtgebruik zijn onderworpen, mag de vruchtgebruiker de bestemming die deze bij de aanvang van het vruchtgebruik hadden, niet veranderen zonder toestemming van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter. 2. Tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald, is de vruchtgebruiker van een zaak, zowel tijdens de duur van zijn recht als bij het einde daarvan, bevoegd om aan de zaak aangebrachte veranderingen en toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt.

  976. Artikel 209 1. De vruchtgebruiker is verplicht het voorwerp van zijn vruchtgebruik ten behoeve van de hoofdgerechtigde te verzekeren tegen die gevaren waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten. In ieder geval is de vruchtgebruiker, indien een gebouw aan zijn vruchtgebruik is onderworpen, verplicht dit tegen brand te verzekeren. 2. Voor zover de vruchtgebruiker aan de in lid 1 omschreven verplichtingen niet voldoet, is de hoofdgerechtigde bevoegd zelf een verzekering te nemen en is de vruchtgebruiker verplicht hem de kosten daarvan te vergoeden.

  977. Artikel 210 1. Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is de vruchtgebruiker bevoegd in en buiten rechte nakoming te eisen van aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen en tot het in ontvangst nemen van betalingen. 2. Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is hij tot ontbinding en opzegging van overeenkomsten slechts bevoegd, wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan zijn. 3. De hoofdgerechtigde is slechts bevoegd de in de leden 1 en 2 genoemde bevoegdheden uit te oefenen, indien hij daartoe toestemming van de vruchtgebruiker of machtiging van de kantonrechter heeft gekregen. Tegen de machtiging van de rechter is geen hogere voorziening toegelaten. 2024 -355- No. 164

  978. Artikel 211 1. Ook wanneer bij de beschrijving of in een jaarlijkse opgave een of meer goederen die aan het vruchtgebruik zijn onderworpen, slechts naar hun soort zijn aangeduid, behoudt de hoofdgerechtigde daarop zijn recht. 2. De vruchtgebruiker is verplicht zodanige goederen afgescheiden van zijn overig vermogen te houden.

  979. Artikel 212 1. Voor zover de aan een vruchtgebruik onderworpen goederen bestemd zijn om vervreemd te worden, is de vruchtgebruiker tot vervreemding overeenkomstig hun bestemming bevoegd. 2. Bij de vestiging van het vruchtgebruik kan aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid worden gegeven ook over andere dan de in lid 1 bedoelde goederen te beschikken. Ten aanzien van deze goederen vinden artikel 208, artikel 210 lid 2 en artikel 217 lid 2, lid 3, tweede volzin, en lid 4 geen toepassing. 3. In andere gevallen mag een vruchtgebruiker slechts vervreemden of bezwaren met toestemming van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter. De machtiging wordt alleen gegeven, wanneer het belang van de vruchtgebruiker of de hoofdgerechtigde door de vervreemding of bezwaring wordt gediend en het belang van de ander daardoor niet wordt geschaad.

  980. Artikel 213 1. Hetgeen in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen goederen treedt doordat daarover bevoegdelijk wordt beschikt, behoort aan de hoofdgerechtigde toe en is eveneens aan het vruchtgebruik onderworpen. Hetzelfde is het geval met hetgeen door inning van aan vruchtgebruik onderworpen vorderingen wordt ontvangen, en met vorderingen tot vergoeding die in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen goederen treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van die goederen. 2. Ook zijn aan het vruchtgebruik onderworpen de voordelen die een goed tijdens het vruchtgebruik oplevert en die geen vruchten zijn.

  981. Artikel 214 1. Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, moeten gelden die tot het vruchtgebruik behoren, in overleg met de hoofdgerechtigde vruchtdragend belegd of in het belang van de overige aan het vruchtgebruik onderworpen goederen worden besteed. 2. In geval van geschil omtrent hetgeen ten aanzien van de in lid 1 bedoelde gelden dient te geschieden, beslist daaromtrent de persoon die bij de vestiging van het vruchtgebruik daartoe is aangewezen, of bij gebreke van een zodanige aanwijzing, de kantonrechter. Tegen een beschikking van de rechter krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.

  982. Artikel 215 1. Is bij de vestiging van een vruchtgebruik of daarna aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid gegeven tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, dan kan de hoofdgerechtigde bij het einde van het vruchtgebruik afgifte vorderen van de in vruchtgebruik gegeven goederen of hetgeen daarvoor in de plaats is getreden, voor zover de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden niet bewijzen dat die goederen verteerd of door toeval zijn teniet gegaan. 2. Bij verlening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering kunnen een of meer personen worden aangewezen, wier toestemming voor de vervreemding en voor de vertering nodig is. Staat het vruchtgebruik onder bewind, dan zijn de vervreemding en de vertering van de medewerking van de bewindvoerder afhankelijk. 2024 -356- No. 164 3. Is aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding en vertering verleend, dan mag hij de goederen ook voor gebruikelijke kleine geschenken bestemmen.

  983. Artikel 216 De vruchtgebruiker komen alle vruchten toe die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden. Bij de vestiging van het vruchtgebruik kan nader worden bepaald wat met betrekking tot het vruchtgebruik als vrucht moet worden beschouwd.

  984. Artikel 217 1. De vruchtgebruiker is bevoegd de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken te verhuren, voor zover bij de vestiging van het vruchtgebruik niet anders is bepaald. 2. Indien bij de vestiging van het vruchtgebruik een onroerende zaak niet verhuurd was, kan de vruchtgebruiker niet verhuren zonder toestemming van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter, tenzij de bevoegdheid daartoe hem bij de vestiging van het vruchtgebruik is toegekend. 3. Na het einde van het vruchtgebruik is de hoofdgerechtigde verplicht een bevoegdelijk aangegane huur ge- stand te doen. Hij kan nochtans gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming hetzij de overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het plaatselijk gebruik overeenstemt of, bij gebreke van zulk een gebruik, langer is dan twee jaar, hetzij de verhuring is geschied op ongewone, voor hem bezwarende voorwaarden. 4. De hoofdgerechtigde verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer de huurder hem een redelijke termijn heeft gesteld om zich omtrent de gestanddoening te verklaren en hij zich niet binnen deze termijn heeft uitgesproken.

  985. Artikel 218 Tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die zowel het recht van de vruchtgebruiker als dat van de hoofdgerechtigde betreft, is ieder van hen bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.

  986. Artikel 219 Buiten de gevallen geregeld in de artikelen 112 en 212 van Boek 2 en artikel 123 van Boek 5, blijft de uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed dat aan vruchtgebruik is onderworpen, de hoofdgerechtigde toekomen, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald. Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij anders wordt bepaald bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de kantonrechter op grond van artikel 23 lid 4 van Boek 4.

  987. Artikel 220 1. Gewone lasten en herstellingen worden door de vruchtgebruiker gedragen en verricht. De vruchtgebruiker is verplicht, wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn, aan de hoofdgerechtigde van deze nood- zakelijkheid kennis te geven en hem gelegenheid te verschaffen tot het doen van deze herstellingen. De hoofdgerechtigde is niet tot het doen van enige herstelling verplicht. 2. Nochtans is een hoofdgerechtigde, aan wie tengevolge van een beperking in het genot van de vrucht- gebruiker een deel van de vruchten toekomt, verplicht naar evenredigheid bij te dragen in de lasten en kosten die volgens lid 1 ten laste van de vruchtgebruiker komen. 2024 -357- No. 164

  988. Artikel 221 1. Indien de vruchtgebruiker in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen, kan de kantonrechter op vordering van de hoofdgerechtigde aan deze het beheer toekennen of het vruchtgebruik onder bewind stellen. 2. De rechter kan hangende het geding het vruchtgebruik bij voorraad onder bewind stellen. 3. De rechter kan voor het bewind of beheer zodanige voorschriften geven als hij dienstig acht. Op het bewind zijn voor het overige de artikelen 154, 157 tot en met 166, 168, 170, 172, 173, 174 en 177 lid 1 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het bewind kan door een gezamenlijk besluit van de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde of op verzoek van een hunner door de kantonrechter worden opgeheven.

  989. Artikel 222 1. Wanneer een nalatenschap, onderneming of soortgelijke algemeenheid in vruchtgebruik is gegeven, kan de hoofdgerechtigde van de vruchtgebruiker verlangen dat de tot die algemeenheid behorende schulden uit de tot het vruchtgebruik behorende goederen worden voldaan of, voor zover de hoofdgerechtigde deze schulden uit eigen middelen heeft voldaan, dat hem het betaalde, vermeerderd met rente van de dag der betaling af, uit het vruchtgebruik wordt teruggegeven. Voldoet de vruchtgebruiker een schuld uit eigen vermogen, dan behoeft de hoofdgerechtigde hem het voorgeschotene eerst bij het einde van het vruchtgebruik terug te geven. 2. Lid 1 vindt overeenkomstige toepassing wanneer het vruchtgebruik is gevestigd op bepaalde goederen en daarop buitengewone lasten drukken.

  990. Artikel 223 Een vruchtgebruiker kan zijn recht overdragen of bezwaren zonder dat daardoor de duur van het recht wordt gewijzigd. Naast de verkrijger is de oorspronkelijke vruchtgebruiker hoofdelijk voor alle uit het vruchtgebruik voortspruitende verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde aansprakelijk. Is aan de oorspronkelijke vruchtge- bruiker bij de vestiging van het vruchtgebruik een grotere bevoegdheid tot vervreemding, verbruik of vertering gegeven dan de wet aan de vruchtgebruiker toekent, dan komt die ruimere bevoegdheid niet aan de latere verkrijgers van het vruchtgebruik toe.

  991. Artikel 224 Indien een vruchtgebruiker uit hoofde van de aan het vruchtgebruik verbonden lasten en verplichtingen op zijn kosten afstand van zijn recht wil doen, is de hoofdgerechtigde gehouden hieraan mee te werken. Artikel 225 Na het eindigen van het vruchtgebruik rust op de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden de verplichting de goederen ter beschikking van de hoofdgerechtigde te stellen.

  992. Artikel 226 1. Op een recht van gebruik en een recht van bewoning vinden de regels betreffende vruchtgebruik over- eenkomstige toepassing, behoudens de navolgende bepalingen. 2024 -358- No. 164 2. Indien enkel het recht van gebruik is verleend, heeft de rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen zaken te gebruiken en er de vruchten van te genieten die hij voor zich en zijn gezin behoeft. 3. Indien enkel het recht van bewoning is verleend, heeft de rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen woning met zijn gezin te bewonen. 4. Degene die een recht van gebruik of een recht van bewoning heeft, kan zijn recht niet vervreemden of bezwaren, noch de zaak door een ander laten gebruiken of de woning door een ander laten bewonen. Titel 9 Rechten van pand en hypotheek Afdeling 1 Algemene bepalingen

  993. Artikel 227 1. Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van pand. 2. Een recht van pand of hypotheek op een zaak strekt zich uit over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat. Artikel 228 Op alle goederen die voor overdracht vatbaar zijn, kan een recht van pand hetzij van hypotheek worden gevestigd.

  994. Artikel 229 1. Het recht van pand of hypotheek brengt van rechtswege mee een recht van pand op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed. 2. Dit pandrecht gaat boven ieder op de vordering gevestigd ander pandrecht.

  995. Artikel 230 Een recht van pand of hypotheek is ondeelbaar, zelfs dan wanneer de verbintenis waarvoor het recht is gevestigd, twee of meer schuldeisers of schuldenaars heeft en de verbintenis tussen hen wordt verdeeld.

  996. Artikel 231 1. Een recht van pand of hypotheek kan zowel voor een bestaande als voor een toekomstige vordering worden gevestigd. De vordering kan op naam, aan order of aan toonder luiden. Zij kan zowel een vordering op de pand- of hypotheekgever zelf als een vordering op een ander zijn. 2. De vordering waarvoor pand of hypotheek wordt gegeven, moet voldoende bepaalbaar zijn. 3. De vordering waarvoor pand of hypotheek wordt gegeven, kan toekomen aan een ander dan de pand- of hypotheekhouder. In dat geval is zonodig het in deze titel bepaalde van overeenkomstige toepassing. 2024 -359- No. 164

  997. Artikel 233 1. De pand- of hypotheekgever die niet tevens de schuldenaar is, is aansprakelijk voor waardevermindering van het goed, voor zover de waarborg van de schuldeiser daardoor in gevaar wordt gebracht en daarvan aan de pand- of hypotheekgever of aan een persoon waarvoor deze aansprakelijk is, een verwijt kan worden gemaakt. 2. Door hem ten behoeve van het goed anders dan tot onderhoud daarvan gemaakte kosten kan hij van de pand- of hypotheekhouder terugvorderen, doch slechts indien deze zich op het goed heeft verhaald en voor zover genoemde kosten tot een hogere opbrengst van het goed te diens bate hebben geleid.

  998. Artikel 234 1. Indien voor eenzelfde vordering zowel goederen van de schuldenaar als van een derde zijn verpand of verhypothekeerd, kan de derde, wanneer de schuldeiser tot executie overgaat, verlangen dat die van de schuldenaar mede in de verkoop worden begrepen en het eerst worden verkocht. 2. Zijn voor eenzelfde vordering twee of meer goederen verpand of verhypothekeerd en rust op een daarvan een beperkt recht dat de schuldeiser bij de executie niet behoeft te eerbiedigen, dan heeft de beperkt gerechtigde een overeenkomstige bevoegdheid als in lid 1 is vermeld. 3. Indien de schuldeiser weigert aan een op lid 1 of lid 2 gegrond verlangen te voldoen, kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij of, in geval van een hypotheek, van de notaris ten overstaan van wie de verkoop zal geschieden, op deze weigering beslissen. Het verzoek schorst de executie. Tegen een beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten. Artikel 235 Elk beding waarbij de pand- of hypotheekhouder de bevoegdheid wordt gegeven zich het verbonden goed toe te eigenen, is nietig. Afdeling 2 Pandrecht

  999. Artikel 236 1. Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of order, of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of een zodanig recht, wordt gevestigd door de zaak of het toonder- of orderpapier te brengen in de macht van de pandhouder of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De vestiging van een pandrecht op een recht aan order of op het vruchtgebruik daarvan vereist tevens endossement. 2. Op andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.

  1000. Artikel 237 1. Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of een zodanig recht, kan ook worden gevestigd bij akte, zonder dat de zaak of het toonderpapier wordt ge- bracht in de macht van de pandhouder of van een derde. 2. De pandgever is verplicht in de akte te verklaren dat hij tot het verpanden van het goed bevoegd is, alsmede hetzij dat op het goed geen beperkte rechten rusten, hetzij welke rechten daarop rusten. 2024 -360- No. 164 3. Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in die verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd te vorderen dat de zaak of het toonderpapier in zijn macht of in die van een derde wordt gebracht. Rusten op het goed meer pandrechten, dan kan iedere pandhouder jegens wie de pandgever of de schuldenaar tekortschiet, deze bevoegdheid uitoefenen, met dien verstande dat een andere dan de hoogst gerangschikte slechts afgifte kan vorderen aan een tussen de gezamenlijke pandhouders overeengekomen of door de rechter aan te wijzen pandhouder of derde. 4. Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder die een bij voorbaat gevestigd pandrecht op te velde staande vruchten of beplantingen heeft, tekortschiet, kan de kantonrechter de pandhouder op diens verzoek machtigen zelf de te velde staande vruchten of beplantingen te oogsten. Is de pandgever eigenaar van de grond of ontleent hij zijn recht op de vruchten of beplantingen aan een beperkt recht op de grond, dan kan de beschikking waarbij het verzoek wordt toegewezen, worden ingeschreven in de openbare registers. 5. Tegen een beschikking krachtens lid 4 is geen hogere voorziening toegelaten.

  1001. Artikel 238 1. Ondanks onbevoegdheid van de pandgever is de vestiging van een pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of order of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of een zodanig recht geldig, indien de pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak of het toonder- of geëndosseerde order- papier in zijn macht of in die van een derde is gebracht. 2. Rust op een in lid 1 genoemd goed een beperkt recht dat de pandhouder op het in dat lid bedoelde tijdstip kent noch behoort te kennen, dan gaat het pandrecht in rang boven dit beperkte recht. 3. Wordt het pandrecht gevestigd op een roerende zaak waarvan de eigenaar het bezit door diefstal heeft verloren, of op een vruchtgebruik op een zodanige zaak, dan is artikel 86 lid 3 aanhef en onder b en lid 4 van overeenkomstige toepassing. 4. Dit artikel kan niet worden tegengeworpen aan degene die de zaak opeist, indien volgens artikel 86a lid 1 ook artikel 86 niet aan hem tegengeworpen zou kunnen worden.

  1002. Artikel 239 1. Pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, of op het vruchtgebruik van een zodanig recht kan ook worden gevestigd bij akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. 2. Artikel 237 lid 2 is van overeenkomstige toepassing. 3. Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in die verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd van de verpanding mededeling te doen aan de in lid 1 genoemde personen. Pandhouder en pandgever kunnen overeenkomen dat deze bevoegdheid op een ander tijdstip ingaat. 4. Artikel 88 geldt slechts voor de pandhouder, wiens recht overeenkomstig lid 1 is gevestigd, indien hij te goeder trouw is op het tijdstip van de in lid 3 bedoelde mededeling.

  1003. Artikel 240 Pandrecht op een aandeel in een goed wordt gevestigd op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige gevolgen als voorgeschreven ten aanzien van de vestiging van pandrecht op dat goed. 2024 -361- No. 164

  1004. Artikel 241 De pandhouder is verplicht desgevorderd aan de pandgever een schriftelijke verklaring af te geven van de aard en, voor zover mogelijk, het bedrag van de vordering waarvoor het verpande tot zekerheid strekt. Artikel 242 Een pandhouder is niet bevoegd het goed dat hij in pand heeft, te herverpanden, tenzij deze bevoegdheid hem ondubbelzinnig is toegekend.

  1005. Artikel 243 1. Degene die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft, moet als een goed pandhouder voor de zaak zorgdragen. 2. Door een pandhouder betaalde kosten tot behoud en tot onderhoud, met inbegrip van door hem betaalde aan het goed verbonden lasten, moeten hem door de pandgever worden terugbetaald; het pandrecht strekt mede tot zekerheid daarvoor. Andere door hem ten behoeve van het pand gemaakte kosten kan hij van de pandgever slechts terugvorderen, indien hij ze met diens toestemming heeft gemaakt, onverminderd diens aansprakelijkheid uit zaakwaarneming of ongerechtvaardigde verrijking.

  1006. Artikel 244 Tenzij anders is bedongen, strekt een pandrecht tot zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen tevens tot zekerheid voor drie jaar rente die over deze vorderingen krachtens overeenkomst of wet verschuldigd is.

  1007. Artikel 245 Tot het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van het verpande goed is zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.

  1008. Artikel 246 1. Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is meegedeeld. 2. Degene aan wie de in lid 1 bedoelde bevoegdheden toekomen, is tevens bevoegd tot opzegging, wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de ander gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken. 3. Rust op de vordering meer dan één pandrecht, dan komen de in de leden 1 en 2 aan de pandhouder toegekende bevoegdheden alleen aan de hoogst gerangschikte pandhouder toe. 4. Na mededeling van de verpanding aan de schuldenaar kan de pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft gekregen. 5. Bij inning van een verpande vordering door de pandhouder of met machtiging van de kantonrechter door de pandgever komen de pandrechten waarmee de vordering bezwaard was, op het geïnde te rusten.

  1009. Artikel 247 Buiten het geval geregeld in artikel 113 van Boek 2, blijft de uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed waarop pandrecht rust, de pandgever toekomen, tenzij anders is bedongen. 2024 -362- No. 164

  1010. Artikel 248 1. Wanneer de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot waarborg strekt, is de pandhouder bevoegd het verpande goed te verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen. 2. Partijen kunnen bedingen dat eerst tot verkoop kan worden overgegaan, nadat de rechter op vordering van de pandhouder heeft vastgesteld dat de schuldenaar in verzuim is. 3. Een lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger kan het verpande goed slechts verkopen met hand- having van de hoger gerangschikte pandrechten.

  1011. Artikel 249 1. Tenzij anders is bedongen, is een pandhouder die tot verkoop wil overgaan, verplicht, voor zover hem dit redelijkerwijze mogelijk is, ten minste drie dagen tevoren de voorgenomen verkoop met vermelding van plaats en tijd schriftelijk of elektronisch mee te delen aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan hen die op het goed een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben gelegd. 2. De aanzegging moet zo nauwkeurig mogelijk de som aangeven waarvoor het pand kan worden gelost. Lossing kan tot op het tijdstip van de verkoop plaatsvinden, mits ook de reeds gemaakte kosten van executie worden voldaan.

  1012. Artikel 250 1. De verkoop geschiedt in het openbaar naar de plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden. 2. Bestaat het pand uit goederen die op een markt of beurs verhandelbaar zijn, dan kan de verkoop geschieden op een markt door tussenkomst van een makelaar in het vak of ter beurze door die van een bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de regels en gebruiken die aldaar voor een gewone verkoop gelden. 3. De pandhouder is bevoegd mee te bieden.

  1013. Artikel 251 1. Tenzij anders is bedongen, kan de kantonrechter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand zal worden verkocht op een van artikel 250 afwijkende wijze, of op verzoek van de pandhouder bepalen dat het pand voor een door hem vast te stellen bedrag aan de pandhouder als koper zal verblijven. 2. Nadat de pandhouder bevoegd is geworden tot verkoop over te gaan, kunnen pandhouder en pandgever een van artikel 250 afwijkende wijze van verkoop overeenkomen. Rust op het verpande goed een beperkt recht of een beslag, dan is daartoe tevens de medewerking van de beperkt gerechtigde of de beslaglegger vereist.

  1014. Artikel 252 Tenzij anders is bedongen, is de pandhouder verplicht, voor zover hem dit redelijkerwijze mogelijk is, uiterlijk op de dag volgende op die van de verkoop, daarvan schriftelijk of elektronisch kennis te geven aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan hen die op het goed een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben gelegd. 2024 -363- No. 164

  1015. Artikel 253 1. De pandhouder houdt, na voldoening van de kosten van executie, van de netto-opbrengst af het aan hem verschuldigde bedrag waarvoor hij pandrecht heeft. Het overschot wordt aan de pandgever uitgekeerd. Zijn er pandhouders of andere beperkt gerechtigden, wier recht op het goed door de executie is vervallen, of hebben schuldeisers op het goed of op de opbrengst beslag gelegd, dan handelt de pandhouder over- eenkomstig artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2. De pandhouder kan de door hem aan de voormelde belanghebbenden uit te keren bedragen niet voldoen door verrekening, tenzij het een uitkering aan de pandgever betreft en deze uitkering niet plaats vindt gedurende diens faillissement of surséance of de vereffening van zijn nalatenschap.

  1016. Artikel 254 1. Wanneer op roerende zaken die volgens verkeersopvatting bestemd zijn om een bepaalde onroerende zaak duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen, of op machinerieën of werktuigen die bestemd zijn om daarmee een bedrijf in een bepaalde hiertoe ingerichte fabriek of werkplaats uit te oefenen, overeenkomstig artikel 237 een pandrecht is gevestigd voor een vordering waarvoor ook hypotheek gevestigd is op die onroerende zaak, fabriek of werkplaats of op een daarop rustend beperkt recht, kan worden bedongen dat de schuldeiser bevoegd is de verpande en verhypothekeerde goederen tezamen volgens de voor hypotheek geldende regels te executeren. 2. Executeert de schuldeiser overeenkomstig het beding, dan zijn de artikelen 268 tot en met 273 op het pandrecht van overeenkomstige toepassing en is de toepasselijkheid van de artikelen 248 tot en met 253 uitgesloten. 3. Het beding kan, onder vermelding van de pandrechten waarop het betrekking heeft, worden ingeschreven in de registers waarin de hypotheek is ingeschreven.

  1017. Artikel 255 1. Bestaat het pand uit geld, dan is de pandhouder, zodra zijn vordering opeisbaar is geworden, zonder voor- afgaande aanzegging bevoegd zich uit het pand te voldoen overeenkomstig artikel 253. Hij is daartoe verplicht, indien de pandgever zulks vordert en deze bevoegd is de vordering in de verpande valuta te voldoen. 2. Artikel 252 vindt overeenkomstige toepassing.

  1018. Artikel 256 Wanneer een pandrecht is tenietgegaan, is de pandhouder verplicht te verrichten hetgeen zijnerzijds nodig is opdat de pandgever de hem toekomende feitelijke macht over het goed herkrijgt, en desverlangd aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is. Is de vordering waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte, met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde.

  1019. Artikel 257 Indien degene die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft, in ernstige mate in de zorg voor de zaak tekortschiet, kan de kantonrechter op vordering van de pandgever of een pandhouder bevelen dat de zaak aan een van hen wordt afgegeven of in gerechtelijke bewaring van een derde wordt gesteld. 2024 -364- No. 164

  1020. Artikel 258 1. Wanneer een in pand gegeven goed als bedoeld in artikel 236 lid 1 in de macht van de pandgever komt, eindigt het pandrecht, tenzij het met toepassing van artikel 237 lid 1 werd gevestigd. 2. Afstand van een pandrecht kan geschieden bij enkele overeenkomst, mits van de toestemming van de pandhouder uit een schriftelijke of elektronische verklaring blijkt. Afdeling 3 Pandrecht van certificaathouders

  1021. Artikel 259 1. Wanneer iemand door het uitgeven van certificaten derden doet delen in de opbrengst van door hem op eigen naam verkregen aandelen of schuldvorderingen, hebben de certificaathouders een vordering tot uitkering van het hun toegezegde tegen de uitgever van de certificaten. 2. Zijn de oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen op naam gesteld en de certificaten uitgegeven met medewerking van de uitgever van de oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen, dan verkrijgen de certificaathouders tevens gezamenlijk een pandrecht op die aandelen of schuldvorderingen. Zijn de certificaten uitgegeven voor schuldvorderingen op naam zonder medewerking van de schuldenaar, dan ver- krijgen de certificaathouders een zodanig pandrecht door mededeling van de uitgifte aan de schuldenaar. Zijn de certificaten uitgegeven voor aandelen of schuldvorderingen aan toonder, dan verkrijgen de certificaat- houders een zodanig pandrecht, zonder dat het papier in de macht van de certificaathouders of een derde behoeft te worden gebracht. 3. Dit pandrecht geeft aan de certificaathouders alleen de bevoegdheid in geval van niet-uitbetaling van het hun verschuldigde met inachtneming van de volgende regels het pand geheel of gedeeltelijk te doen verkopen en zich uit de opbrengst te voldoen. Een certificaathouder die hiertoe wenst over te gaan, wendt zich tot de kantonrechter van de woonplaats van degene die de certificaten heeft uitgegeven met het verzoek een bewindvoerder over het pand te benoemen die voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst zorg draagt. Indien niet alle certificaathouders met de verkoop instemmen, wordt slechts een deel van het pand dat overeenkomt met het recht van de andere certificaathouders verkocht; de rechten van deze laatsten gaan door de verdeling van de opbrengst onder hen teniet. De rechter kan op verlangen van elke certificaathouder of ambtshalve maatregelen bevelen in het belang van de certificaathouders die niet met de verkoop hebben ingestemd, en bepalen dat de verkoop door hem moet worden goedgekeurd, wil zij geldig zijn. Afdeling 4 Recht van hypotheek

  1022. Artikel 260 1. Hypotheek wordt gevestigd door een tussen partijen opgemaakte notariële akte waarbij de hypotheekgever aan de hypotheekhouder hypotheek op een registergoed verleent, gevolgd door haar inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers. De akte moet een aanduiding bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald. Tevens moet het bedrag worden vermeld waarvoor de hypotheek wordt verleend of, wanneer dit bedrag nog niet vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van de hypotheek op het goed kan worden verhaald. De hypotheekhouder moet in de akte hier te lande woonplaats kiezen. 2. Tenzij anders is bedongen, komen de kosten van verlening en vestiging ten laste van de schuldenaar. 3. Bij de in lid 1 bedoelde akte kan iemand slechts krachtens een bij authentieke akte verleende volmacht als gevolmachtigde voor de hypotheekgever optreden. 2024 -365- No. 164 4. Voor het overige vinden de algemene voorschriften die voor vestiging van beperkte rechten op register- goederen gegeven zijn, ook op de vestiging van een hypotheek toepassing.

  1023. Artikel 261 1. Is bij een koopovereenkomst hypotheek op het verkochte goed tot waarborg van onbetaalde kooppenningen bedongen en is dit beding in de leveringsakte vermeld, dan heeft deze hypotheek, mits de akte waarbij zij werd verleend tegelijk met de leveringsakte wordt ingeschreven, voorrang boven alle andere aan de koper ontleende rechten, ten aanzien waarvan tegelijk een inschrijving plaatsvond. 2. Lid 1 vindt overeenkomstige toepassing op een bij verdeling bedongen hypotheek op een toegedeeld goed tot waarborg van hetgeen hij aan wie het goed is toegedeeld, aan de andere deelgenoten ten gevolge van de verdeling schuldig is of mocht worden.

  1024. Artikel 262 1. Bij een notariële akte die in de registers wordt ingeschreven, kan worden bepaald dat een hypotheek ten aanzien van een of meer andere hypotheken op hetzelfde goed een hogere rang heeft dan haar volgens het tijdstip van haar inschrijving toekomt, mits uit de akte blijkt dat de gerechtigden tot die andere hypotheek of hypotheken daarin toestemmen. 2. Met overeenkomstige toepassing van lid 1 kan ook worden bepaald dat een hypotheek en een ander beperkt recht ten aanzien van elkaar worden geacht in andere volgorde te zijn ontstaan dan is geschied.

  1025. Artikel 263 1. Tenzij in de hypotheekakte anders is bepaald, strekt een hypotheek tot zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen tevens tot zekerheid voor drie jaar rente die daarover krachtens de wet verschuldigd is. 2. Een beding dat een hypotheek tot zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen tevens strekt tot zekerheid van rente over een langer tijdvak dan drie jaar zonder vermelding van een maximumbedrag, is nietig.

  1026. Artikel 264 1. Indien de hypotheekakte een uitdrukkelijk beding bevat waarbij de hypotheekgever in zijn bevoegdheid is beperkt, hetzij om het bezwaarde goed buiten toestemming van de hypotheekhouder te verhuren, hetzij ten aanzien van de wijze waarop of van de tijd gedurende welke het goed zal kunnen worden verhuurd, hetzij ten aanzien van de vooruitbetaling van huurpenningen, hetzij om het recht op de huurpenningen te vervreemden of te verpanden, kan dit beding niet alleen tegen latere verkrijgers van het bezwaarde goed, maar ook tegen de huurder en tegen degene aan wie het recht op de huurpenningen werd vervreemd of verpand, worden ingeroepen, zulks zowel door de hypotheekhouder, als na de uitwinning van het bezwaarde goed door de koper, dit laatste echter alleen voor zover deze bevoegdheid op het tijdstip van de verkoop nog aan de hypotheekhouder toekwam en deze de uitoefening daarvan blijkens de verkoopvoorwaarden aan de koper overlaat. 2. De inroeping kan niet geschieden, voordat het in artikel 544 van het Wetboek van Burgerlijke Rechts- vordering bedoelde exploot van aanzegging of overneming is uitgebracht. De bepalingen betreffende vernie- tigbaarheid zijn van toepassing, met dien verstande dat de termijn van artikel 52 lid 1 loopt vanaf de voormelde aanzegging of overneming en dat een in strijd met het beding gekomen rechtshandeling slechts wordt vernietigd ten behoeve van degene die het inroept, en niet verder dan met diens recht in overeen- stemming is. 2024 -366- No. 164 3. Indien het recht van de huurder door vernietiging krachtens lid 2 verloren gaat, wordt aan hem uit de bij de executie verkregen netto-opbrengst van het goed met voorrang onmiddellijk na hen tegen wie hij zijn recht niet kon inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de schade die hij als gevolg van de vernietiging lijdt. Is de koper bevoegd het beding in te roepen, dan wordt van hetgeen aan de schuldeisers met een lagere rang toekomt, een met de te verwachten schade overeenkomend bedrag gereserveerd, totdat vaststaat dat de koper van zijn bevoegdheid geen gebruik maakt.

  1027. Artikel 266 Is een zaak aan hypotheek onderworpen en heeft de hypotheekgever hieraan na de vestiging van de hypotheek veranderingen of toevoegingen aangebracht zonder dat hij verplicht was deze mede tot onderpand voor de vordering te doen strekken, dan is hij bevoegd deze veranderingen en toevoegingen weg te nemen. Bij wegneming brengt hij de zaak in de oude toestand terugbrengt en stelt hij desverlangd voor de tijd dat dit nog niet is geschied, ter zake van de waardevermindering zekerheid. Degene die gerechtigd is tot te velde staande vruchten of beplantingen, is bevoegd deze te oogsten; kon dit voor de executie niet geschieden, dan zijn hij en de koper verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de verplichtingen die afgaande en opkomende huurders jegens elkaar hebben.

  1028. Artikel 267 In de hypotheekakte kan worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is om het verhypothekeerde goed in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in zijn verplichtingen jegens hem in ernstige mate te kort schiet en de kantonrechter hem machtiging verleent. Eveneens kan in de akte worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is de aan de hypotheek onderworpen zaak onder zich te nemen, indien zulks met het oog op de executie vereist is. Zonder uitdrukkelijke bedingen mist de hypotheekhouder deze bevoegdheden.

  1029. Artikel 268 1. Indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt, is de hypotheekhouder bevoegd het verbonden goed in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris te doen verkopen. 2. Op verzoek van de hypotheekhouder of hypotheekgever kan de kantonrechter bepalen dat de verkoop ondershands zal geschieden bij een overeenkomst die hem bij het verzoek ter goedkeuring wordt voorgelegd. Indien door de hypotheekgever of door een hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde, die bij een hogere opbrengst van het goed belang heeft, vóór de afloop van de behandeling van het verzoek aan de rechter een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan deze bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden. 3. Het verzoek wordt ingediend binnen de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarvoor bepaalde termijn. Tegen een beschikking krachtens lid 2 is geen hogere voorziening toegelaten. 4. Een executie als bedoeld in de leden 1 tot en met 3 geschiedt met inachtneming van de daarvoor in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven formaliteiten. 5. De hypotheekhouder kan niet op andere wijze zijn verhaal op het verbonden goed uitoefenen. Een daartoe strekkend beding is nietig.

  1030. Artikel 269 Tot op het tijdstip van de toewijzing ter veiling of van de goedkeuring door de rechter van de onderhandse verkoop kan de verkoop worden voorkomen door voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie. 2024 -367- No. 164

  1031. Artikel 270 1. De koper is gehouden de koopprijs te voldoen in handen van de notaris, te wiens overstaan de openbare verkoop heeft plaatsgevonden of door wie de akte van overdracht ingevolge de onderhandse verkoop is verleden. De kosten van de executie worden uit de koopprijs voldaan. 2. Wanneer geen hypotheken van een ander dan de verkoper zijn ingeschreven en geen schuldeiser op het goed of op de koopprijs beslag heeft gelegd of zijn vordering ontleent aan artikel 264 lid 3, en evenmin door de executie een beperkt recht op het goed vervalt, draagt de notaris aan de verkoper uit de netto-opbrengst van het goed af hetgeen aan deze blijkens een door hem aan de notaris te verstrekken verklaring krachtens zijn door hypotheek verzekerde vordering of vorderingen toekomt; het overschot keert de notaris uit aan degene wiens goed is verkocht. 3. Zijn er meer hypotheekhouders of zijn er schuldeisers of beperkt gerechtigden als bedoeld in lid 2, dan stort de notaris de netto-opbrengst onverwijld bij een door hem aangewezen bewaarder die aan de daartoe gestelde eisen van artikel 445 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voldoet. Wanneer het goed door de eerste hypotheekhouder is verkocht en deze vóór of op de betaaldag aan de notaris een verklaring heeft overgelegd van hetgeen hem van de opbrengst toekomt krachtens de door de eerste hypotheek verzekerde vordering of andere vorderingen die eveneens door hypotheek zijn verzekerd en in rang on- middellijk bij de eerste aansluiten, met vermelding van schuldeisers wier vordering boven de zijne rang neemt, blijft de storting nochtans achterwege voor hetgeen aan de verkoper blijkens deze verklaring toekomt, en keert de notaris dit aan deze uit. Deze verklaring moet zijn voorzien van een aantekening van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het verbonden goed zich geheel of grotendeels bevindt, inhoudende dat hij de verklaring heeft goedgekeurd, nadat hem summierlijk van de juistheid ervan is gebleken. Tegen de goedkeuring is geen hogere voorziening toegelaten. 4. Ingeval de notaris ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de hem ingevolge de leden 2 of 3 verstrekte verklaring onjuist is, kan hij de uitkering aan de hypotheekhouder opschorten tot de in lid 3 aangewezen rechter op vordering van de meest gerede partij of op verlangen van de notaris omtrent de uitkering heeft beslist. 5. Wanneer de hypotheekhouders, de schuldeisers die op het goed of op de koopprijs beslag hebben gelegd, of hun vordering ontlenen aan artikel 264 lid 3, de beperkt gerechtigden wier recht door de executie vervalt, alsmede degene wiens goed is verkocht het vóór de betaaldag omtrent de verdeling van de te storten som eens zijn geworden, blijft de storting achterwege en keert de notaris aan ieder het hem toekomende uit. 6. Van dit artikel kan in de verkoopvoorwaarden niet worden afgeweken.

  1032. Artikel 271 1. Na de betaling van de koopprijs zijn alle in artikel 270 lid 5 genoemde belanghebbenden bevoegd een gerechtelijke rangregeling te verzoeken om tot verdeling van de opbrengst te komen overeenkomstig de formaliteiten die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn voorgeschreven. 2. Indien deze belanghebbenden met betrekking tot de verdeling alsnog tot overeenstemming komen en daarvan door een authentieke akte doen blijken aan de bewaarder bij wie de opbrengst is gestort, dan keert deze aan ieder het hem volgens deze akte toekomende uit.

  1033. Artikel 272 1. Een verkoper die van de notaris betaling heeft ontvangen, is verplicht desverlangd aan hem wiens goed is verkocht, en aan de schuldenaar binnen één maand na de betaling rekening en verantwoording te doen. 2. Een hypotheekhouder, een schuldeiser of een beperkt gerechtigde die in de rangregeling is begrepen, kan binnen één maand na de sluiting daarvan gelijke rekening en verantwoording vragen, indien hij daarbij een rechtstreeks belang heeft. 2024 -368- No. 164

  1034. Artikel 273 1. Door de levering ingevolge een executoriale verkoop en de voldoening van de koopprijs gaan alle op het verkochte goed rustende hypotheken teniet en vervallen de ingeschreven beslagen, alsook de beperkte rechten die niet tegen de verkoper ingeroepen kunnen worden. 2. Wanneer de koper aan de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het verbonden goed zich geheel of grotendeels bevindt, de bewijsstukken overlegt waaruit blijkt de verkoop met inachtneming van de wettelijke voorschriften heeft plaatsgehad en dat de koopprijs in handen van de notaris is gestort, wordt hem van het tenietgaan en vervallen van de in lid 1 bedoelde hypotheken, beperkte rechten en beslagen een verklaring verstrekt. Tegen de beschikking die een zodanige verklaring inhoudt, is geen hogere voorziening toegelaten. 3. De verklaring kan bij of na de levering in de registers worden ingeschreven. Zij machtigt dan de bewaarder der registers tot doorhaling van de inschrijvingen betreffende hypotheken en beslagen.

  1035. Artikel 274 1. Wanneer een hypotheek is tenietgegaan, is de schuldeiser verplicht aan de rechthebbende op het bezwaarde goed op diens verzoek en op diens kosten bij authentieke akte een verklaring af te geven inhoudende dat de hypotheek is vervallen. Is de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekte met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde. 2. Deze verklaringen kunnen in de registers worden ingeschreven. Zij machtigen dan tezamen de bewaarder tot doorhaling. 3. Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan is artikel 29 van overeenkomstige toepassing. 4. Is de hypotheek door vermenging tenietgegaan, dan wordt de bewaarder tot doorhaling gemachtigd door een daartoe strekkende verklaring, afgelegd bij authentieke akte door degene aan wie het goed toebehoort, tenzij op de vordering een beperkt recht rust. Artikel 275 Een volmacht tot het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 274, moet schriftelijk zijn verleend. Titel 10 Verhaalsrecht op goederen Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 276 Tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt, kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen.

  1036. Artikel 277 1. Schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om, na voldoening van de kosten van executie, uit de netto- opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang. 2. Bij overeenkomst van een schuldeiser met de schuldenaar kan worden bepaald dat zijn vordering jegens alle of bepaalde andere schuldeisers een lagere rang neemt dan de wet hem toekent. 2024 -369- No. 164

  1037. Artikel 278 1. Voorrang vloeit voort uit pand, hypotheek en voorrecht en uit de andere in de wet aangegeven gronden. 2. Voorrechten ontstaan alleen uit de wet. Zij rusten of op bepaalde goederen of op alle tot een vermogen behorende goederen. Artikel 279 Pand en hypotheek gaan boven voorrecht, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 280 Voorrechten op bepaalde goederen hebben voorrang boven die welke op alle tot een vermogen behorende goederen rusten, tenzij de wet anders bepaalt.

  1038. Artikel 281 1. Onderscheiden voorrechten die op hetzelfde bepaalde goed rusten, hebben gelijke rang, tenzij de wet anders bepaalt. 2. De in artikel 288 genoemde voorrechten op alle goederen worden uitgeoefend in de volgorde waarin de wet hen plaatst.

  1039. Artikel 282 Indien door een executie een ander beperkt recht dan pand of hypotheek vervalt, omdat het niet kan worden ingeroepen tegen een pand- of hypotheekhouder of een beslaglegger op het goed, wordt aan de beperkt gerechtigde uit de netto-opbrengst van het goed, met voorrang onmiddellijk na de vorderingen van degenen tegen wie hij zijn recht niet kan inroepen, ter zake van zijn schade een vergoeding uitgekeerd. De vergoeding wordt gesteld op het bedrag van de waarde die het vervallen recht, zo het bij de executie in stand zou zijn geble- ven, ten tijde van de executie zou hebben gehad. Afdeling 2 Bevoorrechte vorderingen op bepaalde goederen

  1040. Artikel 283 Een voorrecht op een bepaald goed strekt zich mede uit over vorderingen tot vergoedingen die in de plaats van dat goed zijn getreden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed.

  1041. Artikel 284 1. Een vordering tot voldoening van kosten, tot behoud van een goed gemaakt, is bevoorrecht op het goed dat aldus is behouden. 2. De schuldeiser kan de vordering op het goed verhalen, zonder dat hem rechten van derden op dit goed kunnen worden tegengeworpen, tenzij deze rechten na het maken van de kosten tot behoud zijn verkregen. Een na het maken van die kosten overeenkomstig artikel 237 gevestigd pandrecht kan slechts aan de schuldeiser worden tegengeworpen, indien de zaak of het toonderpapier in de macht van de pandhouder of een derde is gebracht. Een na het maken van die kosten overeenkomstig artikel 90 verkregen recht kan slechts aan de schuldeiser worden tegengeworpen, indien tevens aan de eisen van lid 2 van dat artikel is voldaan. 2024 -370- No. 164 3. Het voorrecht heeft voorrang boven alle andere voorrechten, tenzij de vorderingen waaraan deze andere voorrechten zijn verbonden, na het maken van de kosten tot behoud zijn ontstaan.

  1042. Artikel 285 1. Degene die uit hoofde van een overeenkomst tot aanneming van werk een vordering wegens bearbeiding van een zaak heeft, is deswege op die zaak bevoorrecht, mits hij persoonlijk aan de uitvoering van in de uitoefening van zijn bedrijf aangenomen werk pleegt deel te nemen, dan wel een vennootschap of een rechts- persoon is waarvan een of meer besturende vennoten of bestuurders dit plegen te doen. Het voorrecht vervalt na verloop van twee jaar sinds het ontstaan van de vordering. 2. Het voorrecht heeft voorrang boven een overeenkomstig artikel 237 op de zaak gevestigd pandrecht, tenzij dit recht eerst na het ontstaan van de bevoorrechte vordering is gevestigd en de zaak in de macht van de pandhouder of een derde is gebracht.

  1043. Artikel 286 1. De door een appartementseigenaar of een vruchtgebruiker van een appartementsrecht aan de gezamenlijke appartementseigenaars of de vereniging van eigenaars verschuldigde, in het lopende of het voorafgaande kalenderjaar opeisbaar geworden bijdragen zijn bevoorrecht op het appartementsrecht. 2. In geval van bearbeiding van een gebouw dat in appartementen is verdeeld, rust het voorrecht van artikel 285 op ieder appartement voor het bedrag waarvoor de eigenaar van dat appartement aansprakelijk is. 3. Bij samenloop van het voorrecht van lid 1 en dat van artikel 285 heeft het laatstgenoemde voorrang.

  1044. Artikel 287 1. De vordering tot vergoeding van schade is bevoorrecht op de vordering die de schuldenaar uit hoofde van verzekering van zijn aansprakelijkheid op de verzekeraar mocht hebben, voor zover deze vordering de verplichting tot vergoeding van deze schade betreft. 2. De schuldeiser kan zijn vordering verhalen op de vordering waarop het voorrecht rust, zonder dat hem andere rechten van derden op deze laatste vordering dan het ingevolge artikel 936 lid 2 van Boek 7 aan de tussenpersoon toekomende recht op afdracht, kunnen worden tegengeworpen. Afdeling 3 Bevoorrechte vorderingen op alle goederen

  1045. Artikel 288 De bevoorrechte vorderingen op alle goederen zijn de vorderingen ter zake van: a. de kosten van de aanvraag tot faillietverklaring, doch alleen ter zake van het faillissement dat op de aanvraag is uitgesproken, alsmede van de kosten, door een schuldeiser gemaakt, ter verkrijging van vereffening buiten faillissement; b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene; c. hetgeen een werknemer, een gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake van reeds vervallen termij- nen van pensioen van de werkgever te vorderen hebben, voor zover de vordering niet ouder is dan een jaar; d. hetgeen waarop een werknemer, niet zijnde een bestuurder van de rechtspersoon bij wie hij in dienst is, een gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake van in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen jegens de werkgever recht hebben; e. 2024 -371- No. 164 f. al hetgeen een werknemer over het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft, alsmede de bedragen door de werkgever aan de werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking verschuldigd uit hoofde van de bepalin- gen van dit wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst. Afdeling 4 Retentierecht

  1046. Artikel 290 Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan.

  1047. Artikel 291 1. De schuldeiser kan het retentierecht mede inroepen tegen derden die een recht op de zaak hebben verkregen, nadat zijn vordering was ontstaan en de zaak in zijn macht was gekomen. 2. Hij kan, onverminderd lid 3, het retentierecht ook inroepen tegen derden met een ouder recht, indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen. 3. Degene die een retentierecht uitoefent op een onroerende zaak kan dit tegen een hypotheekhouder met een ouder recht slechts inroepen voor zover zijn prestatie tot een hogere opbrengst van het goed ten bate van de hypotheekhouder heeft geleid.

  1048. Artikel 292 De schuldeiser kan zijn vordering op de zaak verhalen met voorrang boven allen tegen wie het retentierecht kan worden uitgeoefend. Artikel 293 Het retentierecht kan mede worden uitgeoefend voor de kosten die de schuldeiser heeft moeten maken ter zake van de zorg die hij krachtens de wet ten aanzien van de zaak in acht moet nemen.

  1049. Artikel 294 Het retentierecht eindigt doordat de zaak in de macht komt van de schuldenaar of de rechthebbende, tenzij de schuldeiser haar weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding onder zich krijgt.

  1050. Artikel 295 Raakt de zaak uit de macht van de schuldeiser, dan kan hij haar opeisen onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar. 2024 -372- No. 164 Titel 11 Rechtsvorderingen

  1051. Artikel 296 1. Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt degene die je- gens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld. 2. Degene die onder een voorwaarde of een tijdsbepaling tot iets is gehouden, kan onder die voorwaarde of tijdsbepaling worden veroordeeld.

  1052. Artikel 297 Indien een prestatie door tenuitvoerlegging van een executoriale titel wordt afgedwongen, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als die van een vrijwillige nakoming van de uit die titel blijkende verplichting tot die prestatie.

  1053. Artikel 298 Indien twee of meer schuldeisers ten aanzien van één goed beroep doen op met elkaar botsende rechten op levering, dan gaat in hun onderlinge verhouding het oudste recht op levering voor, tenzij uit de wet, uit de aard van hun rechten, of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit.

  1054. Artikel 299 1. Wanneer iemand niet verricht waartoe hij is gehouden, kan de rechter hem jegens wie de verplichting bestaat, op diens vordering machtigen om zelf datgene te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid. 2. Op gelijke wijze kan hij jegens wie een ander tot een nalaten is gehouden, worden gemachtigd om hetgeen in strijd met die verplichting is verricht, teniet te doen. 3. De kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering der machtiging, komen ten laste van degene die zijn verplichting niet is nagekomen. De uitspraak waarbij de machtiging wordt verleend, kan tevens de voldoe- ning van deze kosten op vertoon van de daartoe nodige, in de uitspraak te vermelden bescheiden gelasten.

  1055. Artikel 300 1. Is iemand jegens een ander gehouden een rechtshandeling te verrichten, dan kan, tenzij de aard van de rechtshandeling zich hiertegen verzet, de rechter op vordering van de gerechtigde bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Wijst de rechter een vertegenwoordiger aan, dan kan hij bepalen dat de door deze te verrichten handeling zijn goedkeuring behoeft. 2. Is de opgeroepene gehouden om tezamen met de eiser een akte op te maken, dan kan de rechter bepalen dat zijn uitspraak in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden. 2024 -373- No. 164

  1056. Artikel 301 1. Een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven, indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd veroordeeld en: a. in kracht van gewijsde is gegaan, of b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer als in de uitspraak is bepaald, sinds de betekening van de uitspraak is verstreken. 2. In afwijking van artikel 84 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering begint de verzettermijn na een veroordeling bij verstek te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt. 3. Indien de werking van een uitspraak als bedoeld in lid 1, door de rechter aan een voorwaarde is gebonden, weigert de bewaarder de inschrijving van die uitspraak, indien niet tevens een notariële verklaring of een authentiek afschrift daarvan wordt overgelegd waaruit van de vervulling van de voorwaarde blijkt.

  1057. Artikel 302 Op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon spreekt de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uit.

  1058. Artikel 303 Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.

  1059. Artikel 304 Een rechtsvordering kan niet van het recht tot bescherming waarvan zij dient, worden gescheiden.

  1060. Artikel 305 De in de voorgaande artikelen van deze titel aan de rechter toegekende bevoegdheden komen mede aan scheidsmannen toe, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.

  1061. Artikel 305a 1. Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. 2. De rechtspersoon is niet ontvankelijk, indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de opgeroepene te bereiken. 3. De rechtsvordering kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. 4. Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een rechtsvordering als bedoeld in lid 1, voor zover degene die door deze gedraging wordt getroffen, daartegen bezwaar maakt. 5. Een rechterlijke uitspraak heeft geen gevolg ten aanzien van een persoon tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt, en die zich verzet tegen werking van de uitspraak ten opzichte van hem, tenzij de aard van de uitspraak meebrengt dat de werking niet slechts ten opzichte van deze persoon kan worden uitgesloten. 2024 -374- No. 164

  1062. Artikel 305b 1. Een publiekrechtelijke rechtspersoon kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van de belangen van andere personen, voor zover hem de behartiging van deze belangen is toevertrouwd. 2. De leden 2 tot en met 5 van artikel 305a zijn van overeenkomstige toepassing.

  1063. Artikel 306 Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaar.

  1064. Artikel 307 1. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. 2. In geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd loopt de termijn pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waar- tegen de opeising, zo nodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.

  1065. Artikel 308 Rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

  1066. Artikel 309 Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden, en in ieder geval twintig jaar nadat de vordering is ontstaan.

  1067. Artikel 310 1. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden. 2. Is de schade een gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem, dan verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade, in afwijking van het aan het slot van lid 1 bepaalde, in ieder geval door verloop van dertig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. 3. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder gebeurtenis verstaan een plotseling optredend feit, een voortdurend feit of een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak. Bestaat de gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan begint de termijn van dertig jaar bedoeld in lid 2, te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint deze termijn te lopen na dit laatste feit. 2024 -375- No. 164 4. Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een misdrijf oplevert als bedoeld in het Tweede Boek, titel XIII van het Wetboek van Strafrecht, en is gepleegd ten aanzien van een minderjarige, is de verjaringstermijn van vijf jaar, bedoeld in lid 1, niet van toepassing. In dat geval vangt de verjaringstermijn van twintig jaar aan op de dag waarop de minderjarige de leeftijd van achttien bereikt. 5. In afwijking van de leden 1 en 2 verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden slechts door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde meerderjarig is geworden.

  1068. Artikel 310a Een rechtsvordering tot teruggave van een gestolen cultuurgoed dat een integrerend deel vormde van een als zodanig aangewezen monument of van een archeologische vindplaats, of dat deel uitmaakte van een openbare collectie, verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder zijn bekend geworden, en in ieder geval door verloop van vijfenzeventig jaar na de aanvang van de dag, volgende op die van de diefstal.

  1069. Artikel 311 1. Een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming, verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden, en in ieder geval twintig jaar nadat de tekortkoming is ontstaan. 2. Een rechtsvordering tot ongedaanmaking als bedoeld in artikel 271 van Boek 6, verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de overeenkomst is ontbonden.

  1070. Artikel 312 Rechtsvorderingen ter zake van een tekortkoming in de nakoming, alsmede die tot betaling van wettelijke of bedongen rente en die tot afgifte van vruchten, verjaar, behoudens stuiting of verlenging, niet later dan de rechtsvordering tot nakoming van de hoofdverplichting of, zo de tekortkoming vatbaar is voor herstel, de rechtsvordering tot herstel van de tekortkoming.

  1071. Artikel 313 Indien de wet niet anders bepaalt, begint de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd.

  1072. Artikel 314 1. De termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. 2. De termijn van verjaring van een rechtsvordering tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt. 2024 -376- No. 164

  1073. Artikel 315 De termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opeising van een nalatenschap begint met de aanvang van de dag, volgende op die van het overlijden van de erflater.

  1074. Artikel 316 1. De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde die in de vereiste vorm geschiedt. 2. Leidt een ingestelde eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring slechts gestuit, indien binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Wordt een daad van rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring niet. 3. De verjaring van een rechtsvordering wordt ook gestuit door een handeling, strekkende tot verkrijging van een bindend advies, mits van die handeling met bekwame spoed mededeling wordt gedaan aan de weder- partij en zij tot verkrijging van een bindend advies leidt. Is dit laatste niet het geval, dan is lid 2 van overeenkomstige toepassing.

  1075. Artikel 317 1. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. 2. De verjaring van andere rechtsvorderingen wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een stuitingshandeling als omschreven in artikel 316. Artikel 318 Erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechts- vordering tegen degene die het recht erkent.

  1076. Artikel 319 1. Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. Is een bindend advies gevraagd en verkregen, dan begint de nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het bindend advies is uitgebracht. 2. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaar. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.

  1077. Artikel 320 Wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, loopt de termijn voort totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken. 2024 -377- No. 164

  1078. Artikel 321 1. Een grond voor verlenging van de verjaring bestaat tussen: a. niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten; b. een wettelijke vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt; c. een bewindvoerder en de rechthebbende voor wie hij het bewind voert, ter zake van vorderingen die dit bewind betreffen; d. rechtspersonen en hun bestuurders; e. een beneficiair aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam; f. de schuldeiser en zijn schuldenaar die opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt. 2. De in lid 1 onder b en c genoemde gronden voor verlenging duren voort totdat de eindrekening van de wette- lijke vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten.

  1079. Artikel 322 1. De rechter mag niet ambtshalve het middel van verjaring toepassen. 2. Afstand van verjaring geschiedt door een verklaring van degene die de verjaring kan inroepen. 3. Voordat de verjaring is voltooid, kan geen afstand van verjaring worden gedaan.

  1080. Artikel 323 1. Door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gaan de pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken, teniet. 2. Nochtans verhindert de verjaring niet dat het pandrecht op het verbonden goed wordt uitgeoefend, indien dit bestaat in een roerende zaak of een recht aan toonder of order en deze zaak of het toonder- of orderpapier in de macht van de pandhouder of een derde is gebracht. 3. De rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot zekerheid waarvan een hypotheek strekt, verjaart niet voordat twintig jaar zijn verstreken na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden.

  1081. Artikel 324 1. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak verjaart door verloop van twintig jaar na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak, of, indien voor tenuitvoerlegging daarvan vereisten zijn gesteld waarvan de vervulling niet afhankelijk is van de wil van degene die de uit- spraak heeft verkregen, na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze vereisten zijn vervuld. 2. Wordt vóórdat de verjaring is voltooid, door een der partijen ter aantasting van de ten uitvoer te leggen veroordeling een rechtsmiddel of een eis ingesteld, dan begint de termijn eerst met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het geding daarover is geëindigd. 3. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaar voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald. 4. Voor wat betreft renten, boeten, dwangsommen en andere bijkomende veroordelingen, treedt de verjaring, behoudens stuiting of verlenging, niet later in dan de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling. 2024 -378- No. 164

  1082. Artikel 325 1. Op de verjaring, bedoeld in artikel 324, zijn de artikelen 319 tot en met 323 van overeenkomstige toepassing. 2. De verjaring, bedoeld in artikel 324, wordt gestuit door: a. betekening van de uitspraak of schriftelijke aanmaning; b. erkenning van de in de uitspraak vastgestelde verplichting; c. iedere daad van tenuitvoerlegging, mits daarvan binnen de door de wet voorgeschreven tijd of, bij gebreke van zodanig voorschrift, met bekwame spoed mededeling aan de wederpartij wordt gedaan.

  1083. Artikel 326 Buiten het vermogensrecht vindt deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. 2024 -379- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 3 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 3 – Vermogensrecht in het algemeen ALGEMEEN Het algemeen deel van het vermogensrecht bestaat uit twee boeken, Boek 3 (vermogensrecht in het algemeen) en Boek 4 (erfrecht). Boek 3 vangt aan met een aantal begripsomschrijvingen en regelt vervolgens enerzijds de rechtshandeling (met als sequeel de volmacht), anderzijds een aantal rechtsbetrekkingen die voor alle vermogensbestanddelen (goederen) – zowel de stoffelijke (zaken) als onstoffelijke – van belang zijn. Met verwijzingen naar artikelen van het BW zonder meer wordt gedoeld op artikelen in het thans hier te lande geldend BW. TITEL 1, AFDELING 1 - BEGRIPSBEPALINGEN Afdeling 3.1.1 omvat in de eerste plaats een aantal omschrijvingen van begrippen. Zij geven de betekenis aan van termen die door het wetboek heen, in het bijzonder in het vermogensrecht worden gebezigd. Zij zijn uiter- aard op het spraakgebruik afgestemd, maar op hun juridische betekenis toegespitst. Ook kent het spraak- gebruik van woorden als "goederen" en "zaken" andersoortige betekenissen, en daarom is een duidelijke omschrijving van de in het wetboek bedoelde betekenis wenselijk. De artikelen 13 en 14 behelzen materiële regels van algemene inhoud die, tezamen met de artikelen 11 en 12, in artikel 15 in beginsel ook buiten het vermogensrecht van toepassing worden verklaard.

  1084. Artikel 1 Het begrip "goederen" omvat de begrippen "zaken" en "vermogensrechten", begrippen die op hun beurt worden omschreven in artikel 2, respectievelijk artikel 6. Het komt derhalve dicht bij het begrip "zaken" zoals dat thans in artikel 555 BW wordt omschreven; in het huidige wetboek worden voor het overige "goederen" en "zaken" dooreen gebruikt. Het gemaakte onderscheid tussen goederen en zaken - het eerste als algemeen begrip van alle vermogensbestanddelen, het tweede als deel daarvan dat de stoffelijke objecten omvat - werkt door in de indeling van het nieuwe wetboek. Boek 3 behelst het "goederenrecht" in het algemeen: titel 4: verkrijging en verlies van goederen; titel 5: bezit; titel 7: gemeenschap; titel 8: vruchtgebruik; titel 9: rechten van pand en hypotheek; titel 10: verhaalsrecht op goederen. Hetgeen in deze titels wordt geregeld, heeft betrekking op alle (soorten) goederen, zowel zaken als vermogensrechten, zoals vorderingsrechten. Boek 5, Zakelijke rechten, daarentegen regelt rechtsverhoudingen die slechts ten opzichte van zaken als stoffelijke objecten kunnen bestaan, zoals eigendom, erfpacht, appartementen. 2024 -380- No. 164 In het spraakgebruik, en ook in het recht, wordt de zaak veelvuldig vereenzelvigd met de eigendom daarvan; degene aan wie een zaak toebehoort, heeft de eigendom daarvan. De constructie van "eigendom van een (vermogens)recht", zoals artikel 555 van het BW die nog bezigt, laat het nieuwe wetboek daarentegen varen: zij is nodeloos ingewikkeld en vindt ook geen steun in het spraakgebruik. Men is geen eigenaar van een hypotheek of vordering, maar daartoe gerechtigd.

  1085. Artikel 2 "Zaak" wordt omschreven als stoffelijk object dat voor menselijke beheersing vatbaar is. Niet voor menselijke beheersing vatbaar zijn lucht en zee. Bij maat en gewicht aangeduide hoeveelheden worden door de individualisering tot object: een kilo boter, een perceel grond. De artikelen 3, 4 en 5 betreffen bepaalde categorieën van zaken. Artikel 3

  1086. Artikel 3 trekt de grens tussen onroerende en roerende zaken. Lid 1 behelst een limitatieve opsomming van de eerste categorie, het overige is roerend (lid 2); aan een toch onvolledige omschrijving als in de artikelen 565 en 566 van het BW bestaat geen behoefte. De onderscheiding "roerend-onroerend" geldt alleen zaken. "(On)roerende rechten"-"(on)roerend door wetsbepaling": artikelen 564 en 567 van het BW - zullen niet meer voorkomen. Rechten op onroerende zaken vallen onder de registergoederen van artikel 10. Evenmin kent de nieuwe wet zaken die door bestemming onroerend zijn, en die voor het huidige recht onder artikel 563 van het BW vallen. Bij de omschrijving van onroerende zaken wordt uitgegaan van de grond, waarmee de andere onroerende zaken op een of andere manier, rechtstreeks of indirect, moeten zijn verenigd; deze laatste zijn echter zelf- standig onroerend, wanneer zij geen bestanddelen van de grond zijn. Water is roerend, ook als het zich op de grondoppervlakte bevindt. Beplantingen die met de grond zijn verenigd, zijn onroerend, ook als die vereniging niet duurzaam is, bijvoorbeeld omdat het de bedoeling is hen te oogsten. Voor de onroerendheid van gebouwen en werken daarentegen is wel duurzaamheid der vereniging - met de grond zelf of met een ander onroerend gebouw of werk - vereist. Een bouwkeet zal daarom niet onroerend zijn. De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel is in de zin van artikel 4 – geen zelfstandige maatstaf zijn bij de beantwoording van de vraag of een zaak roerend of onroerend is; zij kunnen wel in aanmerking worden genomen bij de vraag of een object duurzaam met de grond is verenigd (HR 31-10-1997, NJ 1998, 97, inzake een portacabin). Wat de eigendom van de grond omvat, zal in Boek 5 worden geregeld, eveneens dat door vestiging van een opstalrecht in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom kunnen worden verkregen, los van de grond waarmee ze duurzaam zijn verbonden. 2024 -381- No. 164

  1087. Artikel 4 Een bestanddeel van een zaak is niet zelf een zaak. Eigendom van de hoofdzaak omvat het bestanddeel (voor zover de wet niet anders bepaalt: artikel 5:3); de eigendom van een zaak die bestanddeel wordt, wordt door de eigendom van de hoofdzaak "nagetrokken". Een eigendomsvoorbehoud op een zaak houdt geen stand, wan- neer ze als bestanddeel wordt nagetrokken. Is de hoofdzaak onroerend, dan deelt het bestanddeel dat lot. Van een bestanddeel is sprake, indien in elk geval hetzij aan het vereiste van lid 1, hetzij aan dat van lid 2 wordt voldaan. Lid 1 stelt als criterium voor bestanddeel de verkeersopvatting: zonder het bestanddeel is de hoofdzaak niet compleet; zie laatstelijk HR 15-11-1991, NJ 1993, 316; Ars Aequi 1992, p. 284, en HR 27-11- 1992, NJ 1993, 317 (voor de vraag of fabrieksapparatuur bestanddeel is, is een aanwijzing of het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als bedrijfsgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd, maar het komt niet aan op de functie welke de apparatuur vervult in het productieproces van het bedrijf dat in het gebouw wordt uitgeoefend). Lid 2 geeft een fysiek criterium: "hoofdzaak" en "bij- zaak" kunnen niet zonder schade van betekenis uit elkaar worden gehaald. Essentiële verandering ten opzichte van het huidige recht is hier niet bedoeld. Wél schuilt zo'n verandering daarin dat de categorie der hulpzaken niet langer wordt onderscheiden. Voor zover de hoofdzaak, die door zo'n hulpzaak wordt gediend, onroerend is, wordt onder het huidige recht de hulpzaak onroerend door bestemming (artikel 563; zie de toelichting bij artikel 3). Het enige praktische belang van zulke door bestemming onroe- rende hulpzaken is dat zij onder de hypotheek op de hoofdzaak vallen en tegelijk met deze kunnen worden geëxecuteerd. Deze nuttige praktijk kan, ondanks de afschaffing van de hulpzaken als bijzondere categorie, worden gecontinueerd door invoeging van een bepaling in de regeling van het pandrecht (artikel 254).

  1088. Artikel 5 Het artikel behelst een omschrijving van "inboedel", die nagenoeg gelijk is aan die van de tweede zin van artikel 163 lid 1 onderdeel a, van het BW - welke dan ook zal kunnen vervallen - maar die beperkter is dan die van artikel 570 van het BW. Zo zijn in de nieuwe omschrijving uitdrukkelijk de boekerijen, waaronder moet worden verstaan: verzameling boeken, en andere verzamelingen uitgezonderd. De artikelen 6, 7 en 8 geven nadere bepalingen met betrekking tot de vermogensrechten, die in artikel 1 naast de zaken als "goederen" worden aangemerkt.

  1089. Artikel 6 Het artikel bevat een omschrijving van hetgeen als vermogensrecht wordt beschouwd. Daarin worden drie categorieën genoemd, die overigens voor een belangrijk deel samenvallen, terwijl de opsomming ook niet als limitatief behoeft te worden beschouwd. De meeste vermogensrechten zijn overdraagbaar, al dan niet zelfstandig; van onzelfstandige overdraagbaarheid is een voorbeeld de handelsnaam die tezamen met een onderneming overgaat. Vermogensrechten die niet voor overdracht vatbaar zijn, zijn bijvoorbeeld de rechten van gebruik en bewoning (zie de artikelen 852 en 856 van het bestaande BW en hierna het nieuwe artikel 226). Zij strekken er echter wel toe de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen. Bij de derde categorie voor zover die niet met de beide voorgaande samenvalt, denke men in het bijzonder aan contractuele prestaties waarvoor een prijs is betaald of toegezegd. Op deze wijze kan bijvoorbeeld voor een blinde het recht om periodiek te worden voorgelezen, worden bedongen. Buiten de rechtssfeer valt de enkele, ongesanctioneerde, belofte, zoals die om met roken op te houden.

  1090. Artikel 7 Voorbeelden van afhankelijke rechten zijn pand, hypotheek en borgtocht, die slechts aan een vordering kunnen zijn verbonden, mandeligheid, een vorm van mede-eigendom van de eigenaren van meer dan een erf, en een erfdienstbaarheid, die het heersende erf dient. Het belangrijkste gevolg van de afhankelijkheid is dat het afhankelijke recht van rechtswege het hoofdrecht volgt als dat op een ander overgaat (het is "accessoir") en dat het niet zelfstandig op een ander kan overgaan. De bepaling brengt wel een nieuwe wetsterm, maar betekent geen materiële verandering. 2024 -382- No. 164

  1091. Artikel 8 Beperkte rechten die op elk goed kunnen worden gevestigd - en daarom ook verderop in Boek 3 hun regeling vinden - zijn vruchtgebruik en pand of hypotheek. In de nieuwe terminologie gelden deze beperkte rechten slechts als "zakelijke rechten" als zij op een "zaak" in de zin van artikel 2 zijn gevestigd, niet voor zover zij bijvoorbeeld op een vordering rusten. In Boek 5 zal men, als zakelijke rechten volgens de terminologie van het nieuwe wetboek, beperkte rechten vinden, die alleen op zaken kunnen rusten: erfpacht en opstal, en erfdienstbaarheden. In het octrooirecht kent men als beperkte rechten de licentie, in het auteursrecht vertaal- en reproductierechten. Artikel 9

  1092. Artikel 558 van het BW onderscheidt naast de natuurlijke vruchten en de burgerlijke vruchten nog de vruchten van nijverheid, doch aan deze categorie bestaat naast die van de natuurlijke vruchten geen behoefte. Zie voor een voorbeeld van de rol der verkeersopvatting, die volgens lid 1 mede bepaalt of een zaak als natuurlijke vrucht kan gelden HR 24-3-1995, NJ 1996, 158: kuikens, kunstmatig door een bedrijf uitgebroed uit eieren, zijn niet te beschouwen als vrucht van de hennen welke die eieren legden. Burgerlijke vruchten zijn renten van geldsommen, dividenden voor zover zij geen kapitaaluitkering zijn, huren en pachten, alsmede erfpachtcanons. In lid 3 worden de afzonderlijke termijnen van lijfrente als vruchten aangemerkt, ook al komen die termijnen mede ten laste van het recht op lijfrente zelf. Zolang de vruchten nog niet zelfstandig zijn, maken zij deel uit van het goed waaraan zij zijn verbonden. Pas na hun afscheiding zijn zij volledig voorwerp van recht. Wel kunnen zij met het oog daarop tot dan worden beschouwd als toekomstige goederen. Dat brengt niet alleen mee dat zij bijvoorbeeld bij voorbaat kunnen worden verkocht, maar ook dat zij bij voorbaat kunnen worden geleverd (zie artikel 97). Het gevolg daarvan is dat natuurlijke vruchten op het tijdstip van afscheiding rechtstreeks bezit en eigendom van de koper worden, en dat de verkoper hen alsdan terstond voor de koper gaat houden (de zgn. directe levering volgens artikel 110). Bij voorbaat geleverde burgerlijke vruchten, zoals huurpenningen, vallen op gelijke wijze buiten het vermogen van de vervreemder om in dat van de verkrijger op het tijdstip waarop zij opeisbaar worden. Het recht op de vruchten kan ook krachtens een bestaande rechtsverhouding aan een ander dan aan de rechthebbende op het goed toekomen: de vruchtgebruiker, erfpachter, huurder of pachter. In hoeverre de bezitter recht op de vruchten heeft, wordt in titel 3.5 geregeld.

  1093. Artikel 10 In het huidige wetboek speelt de onderscheiding tussen roerende en onroerende goederen een belangrijke rol, bijvoorbeeld bij de regeling van de levering en de verkrijgende verjaring. Er zijn echter roerende goederen die in het bijzonder met het oog op de levering dicht bij de onroerende goederen staan, namelijk in een openbaar register opgenomen schepen en luchtvaartuigen. Deze zaken brengt het onderhavige artikel, met de onroerende zaken en met de beperkte rechten die op al die zaken gevestigd kunnen worden, samen onder de term "registergoederen". Het criterium voor de gehele groep is dat de wet voor hun overdracht en, voor zover zij vermogensrechten zijn, hun vestiging, inschrijving in de openbare registers vereist. De wijze van levering van deze registergoederen wordt in afdeling 3.4.2 geregeld terwijl ook elders, onder andere met het oog op de verjaring en de derdenbescherming, voor deze registergoe- deren speciale bepalingen zullen gelden. Tot de registergoederen behoren niet rechten die uitsluitend met het oog op derdenwerking in een officieel register kunnen worden ingeschreven, maar waarvan de vestiging of overdracht zelf ook zonder zo'n inschrij- ving geldig is. Aan de openbare registers en de rechtsgevolgen van inschrijving daarin wordt een bijzondere afdeling, namelijk 3.1.2, gewijd. 2024 -383- No. 164

  1094. Artikel 11 Het wetboek bezigt de term "goede trouw" in bepalingen die iemand in bescherming nemen tegen de ongeldigheid van een onbevoegd verrichte handeling. Aldus bijvoorbeeld degene die een roerende zaak op grond van een geldige titel verkrijgt van een wederpartij die niet bevoegd is om over die zaak te beschikken, mits de verkrijger dat laatste feit niet weet en ook niet behoeft te weten (aldus artikel 1998 van het BW, zoals dat door de jurisprudentie en de literatuur is ontwikkeld). De term wordt in het bijzonder gebruikt in verband met de verkrijging van goederen door overdracht en verjaring en bij bezit. In de negatieve formulering van artikel 11, dat omschrijft wanneer de goede trouw geacht wordt te ontbreken, wordt uitgegaan van dit niet weten en ook, in de gegeven omstandigheden, niet behoeven te weten. Zo zal dwaling in het objectieve recht niet gemakkelijk het niet weten van het hier te lande geldend recht kunnen rechtvaardigen (vgl. HR 22-6-1962, NJ 1963, 53 en HR 15-12-1978, NJ 1979, 427), maar ook zal, al naar gelang van de omstandigheden, in het bijzonder wanneer grond tot twijfel bestaat, onderzoek naar een gepretendeerde bevoegdheid vereist zijn, wil men zich op zijn goede trouw kunnen beroepen. Welke mate van onderzoek is vereist, hangt af van de omstandigheden, bijvoorbeeld het gewicht van de handeling en de eventuele druk waaronder zij moet worden verricht. Uit de tweede zin van het artikel vloeit voort dat iemand die goede reden tot twijfel had, zich zelfs niet op zijn goede trouw kan beroepen, als hij in de onmogelijkheid verkeert, onderzoek te doen. De term "te goeder trouw" komt niet alleen in de Boeken 3 e.v. voor, maar ook in Boek 1; aldus artikel 1:89 lid 2 waar hij dezelfde betekenis heeft (zie artikel 15 en de toelichting daarop). Degene wiens goede trouw niet door het recht kan worden aanvaard, wordt aangeduid als "niet te goeder trouw" - "te kwader trouw" zou hiervoor veelal een te sterke uitdrukking zijn. Met de term "te goeder trouw" geheel op één lijn te stellen is een term als "niet kennen/weten en ook niet behoeven/behoren te kennen/weten", die ook in de wet zal voorkomen - op deze uitdrukking is hetgeen hier- voor gesteld is, mede van toepassing. Dat behoeft niet steeds volledig het geval te zijn met andere termen die de wet ter bescherming van derden bezigt - vgl. de artikelen 35 en 36, die eigen omschrijvingen en criteria behelzen - niet steeds zullen de om- standigheden gelijk liggen als wanneer "goede trouw" in de zin van het onderhavig artikel wordt vereist. Wel zal in de regel ook hier gelden dat degene die goede grond tot twijfel heeft, zich niet op de bescherming kan beroepen. In sommige gevallen vereist de wet inschrijving van bepaalde gegevens in een openbaar register ter kennis- neming van het publiek. De wet kan daarbij bepalen dat op aldus ingeschreven gegevens door en tegen derden een beroep kan worden gedaan - een beroep op goede trouw baat hun dan niet, als die gegevens hun onbekend zijn. Zijn de gegevens niet ingeschreven, dan kunnen deze slechts worden tegengeworpen aan hen die ze niet- temin kenden - een toetsing of zij die door het instellen van een onderzoek ook hadden kunnen kennen, is dan niet op haar plaats (vgl. artikel 192 van het BW en artikel 24). Behalve het begrip "goede trouw" in de in artikel 11 omschreven betekenis kent het huidige wetboek dezelfde term ook in een geheel andere zin, en wel in artikel 1359 lid 3. Om verwarring te vermijden vervangt het nieuwe wetboek de term in de laatstbedoelde betekenis door het equivalent "overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid". De inhoud van die uitdrukking wordt in artikel 12 omschreven. 2024 -384- No. 164

  1095. Artikel 12 Aan het slot van de toelichting op het vorige artikel is reeds vermeld dat de uitdrukking "overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid" de zgn. "objectieve" goede trouw van het huidige wetboek vervangt om verwarring met de "subjectieve" trouw van artikel 11 te voorkomen. In de loop van de tijd is dankzij de jurisprudentie de rol van de "goede trouw" van artikel 1359 lid 3 van het BW een steeds grotere rol gaan spelen. Erkend werd dat redelijkheid en billijkheid aan contractspartijen ge- dragingen kunnen voorschrijven en tussen hen aanvullende verbintenissen doen ontstaan. Aanvaard is door de rechtspraak ook de zgn. beperkende of derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, die onder bepaalde omstandigheden beroep op een contractuele of zelfs wettelijke regel aan een partij ontzegt. Ook breidde de werkingssfeer zich tot buiten de contractuele sfeer uit: tot de verhouding tussen erfgenamen, tussen echtgenoten en ex-echtgenoten in hun vermogensrechtelijke verhoudingen en tot precontractuele verhou- dingen. In het nieuwe BW zal dat goeddeels in enige bepalingen worden neergelegd en in een enkel opzicht verder worden uitgebreid. Aldus voor de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar in het algemeen (artikel 6:2), voor de verhouding tussen partijen bij een overeenkomst (artikelen 6:248 en 6:258), van overeenkomstige toe- passing verklaard op alle meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, zoals de verhouding tussen pandgever en pandhouder van een goed (artikel 6:216), en voor de verhouding tussen de deelgenoten in een gemeenschap (artikel 166 lid 2).

  1096. Artikel 12 geeft aan dat voor het bepalen van wat redelijkheid en billijkheid eisen, met bepaalde beginselen, overtuigingen en belangen rekening moet worden gehouden. Veelal zal aan de rechter de afweging daarvan zijn opgedragen. Het belang van de bepaling schuilt dan daarin dat die afweging niet een louter subjectieve aangelegenheid is, maar dat de wet de objectieve criteria voor de toetsing biedt, aan de hand waarvan de rechter zich eventueel kan verantwoorden. Bij de "hier te lande levende rechtsovertuigingen" valt te denken zowel aan die welke in het algemeen worden gehuldigd, als aan die welke in een bepaalde kring heersen. Al naar gelang van de omstandigheden zal bij het formuleren van de eisen van redelijkheid en billijkheid in een bepaald geval het accent nu eens op het ene, dan weer op het andere gezichtspunt vallen. De artikelen 13 en 14 duiden grenzen aan welke aan de uitoefening van civielrechtelijke bevoegdheden zijn gesteld.

  1097. Artikel 13 In het bestaande recht is de figuur van het "misbruik van recht" ontwikkeld aan de hand van gevallen die zich in de rechtspraak hebben voorgedaan. In de voorgestelde wetstekst is er de voorkeur aan gegeven te spreken van het misbruiken van een bevoegd- heid, zodat ook gevallen worden omvat waar het misbruik niet zozeer een recht betreft, bijvoorbeeld de bevoegdheden van een voogd of een bewindvoerder. Dat, zoals lid 1 het formuleert, een bevoegdheid, voor zover zij wordt misbruikt, niet kan worden "ingeroepen" heeft tot gevolg dat haar uitoefening wordt afgewezen of ongedaan wordt gemaakt; onder omstandigheden kan zulke uitoefening als een onrechtmatige daad worden beschouwd. Aandacht verdient dat misbruik van bevoegdheid in die rechtsverhoudingen die door redelijkheid en billijk- heid worden beheerst - zie de toelichting op het vorige artikel - samenvloeit met de zgn. derogerende werking van deze laatste. Hoe de grenzen van een bevoegdheid moeten worden getrokken, zó, dat overschrijding daarvan misbruik oplevert, is in concrete gevallen aan de rechter overgelaten. Lid 2 somt, niet limitatief, een drietal criteria op, die zijn ontleend aan gevallen welke zich in de rechtspraak hebben voorgedaan en reeds thans als geldend recht mogen worden beschouwd. Er zijn bevoegdheden die naar hun aard niet kunnen worden misbruikt, aldus lid 3. Men denke bijvoorbeeld aan erfrechtelijke bevoegdheden, zoals het testeren, gevallen waarin degene aan wie de bevoegdheid toekomt, zich ook niet tevoren omtrent het al of niet uitoefenen kan binden. 2024 -385- No. 164

  1098. Artikel 14 Het artikel regelt een bepaald aspect van de verhouding tussen privaatrecht en publiekrecht: het geschreven, maar ook het ongeschreven publiekrecht kan aan de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden grenzen stellen. Het artikel werkt in twee richtingen, al naar gelang de privaatrechtelijke bevoegdheden een particulier dan wel de overheid zelf toekomen. Dat een publieke bestemming van of last op een goed aan een particuliere rechthebbende beperkingen kan opleggen, ook al zijn die niet uitdrukkelijk in de wet omschreven, is reeds aanvaard sinds HR 12-1-1923, NJ 1923, p. 307. Ook regels van burenrecht moeten buiten toepassing blijven, indien ze onverenigbaar zijn met de publieke bestemming van een naburig erf (HR 28-4-1961, NJ 1961, 433). Dat het ongeschreven publiekrecht de overheid ook in haar privaatrechtelijke bevoegdheden kan beperken, is een ontwikkeling in de jurisprudentie van later tijd. De overheid mag haar privaatrechtelijke positie als bijvoorbeeld eigenares of contractante niet aldus uitbuiten dat zij daardoor handelt in strijd met regels van het - geschreven of ongeschreven - publiekrecht. Dat geldt in de eerste plaats als de overheid zelf rechthebbende is op een goed waarop een openbare bestemming rust (HR 22-6-1973, NJ 1973, 503, inzake het verkeer over een, aan de overheid toebehorend, openbaar vaarwater). Maar ook daarbuiten geldt de regel. Zo moet de overheid bij de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden tevens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen - de particulier die als haar wederpartij optreedt, kan ook bij de burgerlijke rechter een rechtstreeks beroep op die beginselen doen; vgl. HR 27-3-1987, NJ 1987, 727, in welk arrest het ging om de uitoefening van bevoegdheden door de overheid als erfverpachter, bevoegdheden die in de erfpachtovereenkomst waren opgenomen ten einde invloed te houden op de bestemming van het erf. De rech- ter is bij een beroep op de beginselen niet beperkt tot marginale toetsing (HR 24-4-1992, NJ 1993, 232). Zou gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden een publiekrechtelijke regeling - die bijvoorbeeld belangen van burgers beschermt - op onaanvaardbare wijze doorkruisen, dan staat de privaatrechtelijke weg aan de overheid niet open (zie HR 26-1-1990, NJ 1991, 393 en HR 8-7-1991, NJ 1991, 691).

  1099. Artikel 15 Het artikel verklaart de voorafgaande vier artikelen - rechtstreeks - van toepassing buiten het vermogensrecht van de Boeken 3 e.v., voor zover de aard der rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Zoals bij de toelichting op artikel 11 bleek, komt de daar omschreven term "goede trouw" ook bijvoorbeeld voor in Boek 1 van het BW. Ook misbruik van bevoegdheid kan zich in het personen- en familierecht voordoen (vgl. HR 8-4-1988, NJ 1989, 170 en HR 18-5- 1990, NJ 1991, 374-376). Artikel 14 kan toepassing vinden buiten het vermogensrecht, als de overheid bijvoorbeeld gebruik maakt van een privaatrechtelijke vorm van rechtspersoonlijkheid, zoals een overheidsstichting. TITEL 1, AFDELING 1B - HET VOEREN VAN EEN ADMINISTRATIE In Nederland is afdeling 1A gewijd aan elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer, naar aanleiding van richtlijnen van de Europese Unie. Deze afdeling blijft in Suriname voorlopig gereserveerd.

  1100. Artikel 15i

  1101. Artikel 15i volgt in hoofdlijnen de artikelen 2 tot en met 4 van het Wetboek van Koophandel, maar er zijn enkele veranderingen aangebracht. Lid 1 legt de verplichtingen niet slechts op degene die een bedrijf uitoefent, maar ook op degene die zelfstandig een beroep uitoefent, zoals de advocaat, notaris en arts: in een moderne maatschappij past het dat ook zij een boekhouding enz. omtrent de financiële kant van hun beroepsuitoefening voeren. Daarbij is de term "aantekening houden" mede gemoderniseerd tot "administratie voeren", en wel naar de eisen van het beroep of het bedrijf, wat het volgen van nieuwe ontwikkelingen op het gebied der administratie meebrengt. 2024 -386- No. 164 Naast de klassieke boeken en bescheiden worden nu de andere gegevensdragers vermeld, waaronder microfilms, elektronische bestanden en dergelijke zijn begrepen. Juist zij komen in het beroeps- en bedrijfs- leven in steeds toenemende mate voor en hebben het voordeel van ruimtebesparing bij bewaring, verhoging van toegankelijkheid en snelheid van verwerking van gegevens. Lid 2 vereist, via verwijzing naar artikel 2:15, niet alleen het jaarlijks opstellen van een balans, maar ook van een staat van baten en lasten, voor bedrijfsuitoefening meestal aangeduid als winst- en verliesrekening. Deze geeft inzicht in de wijze waarop het in het beroep of bedrijf gestoken vermogen in de loop van het boekjaar is gewijzigd, en is even onmisbaar als de balans. De aanhef van artikel 2:15 lid 2 verwijst naar bijzondere bepalingen inzake de jaarrekening, bijvoorbeeld die welke voor naamloze vennootschappen gelden. Voorgeschreven wordt dat balans en de staat van baten en lasten / winst- en verliesrekening - tezamen de jaarrekening vormend - op papier worden gesteld: een enkel computergegeven is niet toegelaten.

  1102. Artikel 2:15 lid 3 behelst overeenkomstig artikel 4 van het Wetboek van Koophandel een verplichting tot bewaring gedurende tien jaar.

  1103. Artikel 2:15 lid 4 brengt een belangrijke verandering: het wordt thans geoorloofd de oorspronkelijke stukken, behalve de op papier gestelde jaarrekening, op een andere gegevensdrager over te brengen - in de praktijk: te computeriseren - en hen uitsluitend op deze wijze te bewaren, mits de gegevens juist en volledig worden overgebracht, bewaard en binnen redelijke tijd weer leesbaar kunnen worden gemaakt. De achterliggende eis daarbij is dat tijdens of na de verwerking geen bewijsvervalsing plaatsvindt.

  1104. Artikel 15j Dit artikel strekt ter vervanging van artikel 9 van het Wetboek van Koophandel. Wat betreft de in onderdeel c genoemde schuldeisers in geval van faillissement vgl. HR 21 januari 2005, NJ 2005, 250. Afdeling 3.1.2 - Inschrijvingen betreffende registergoederen In artikel 10 zijn registergoederen omschreven als goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. Afdeling 3.1.2 regelt nu welke feiten in de openbare registers kunnen worden ingeschreven, wat het gevolg is van inschrijving en van het ontbreken of de onjuistheid daarvan, en hoe de registers aan de werkelijke situatie kunnen worden aangepast. Inschrijving in de registers is een vereiste voor overdracht of vestiging van een recht op een registergoed, maar niet het enige. Voor de geldigheid daarvan zijn ook andere vereisten gesteld: beschikkingsbevoegdheid van degene die vervreemdt of vestigt, een geldige titel, alsmede een (notariële) akte (zie de artikelen 84, 89 en 98). Inschrijving op zichzelf geeft derhalve aan degene die het register raadpleegt, geen garantie dat degene die door de inschrijving als rechthebbende wordt aangewezen, dat ook in werkelijkheid is: de inschrijving is daartoe noodzakelijke, doch niet voldoende voorwaarde. Op het tijdstip van inschrijving kan de vervreemder zijn bevoegdheid bijvoorbeeld reeds door faillietverklaring hebben verloren (zie artikel 20 van de Faillissementswet 1935). Ook garandeert de inschrijving van een feit niet dat het feit zich aldus heeft voorgedaan: de bewaarder aan wie de zorg voor de registers is toevertrouwd, controleert de materiële juistheid der opgegeven feiten niet, hij is lijdelijk. Dit zgn. negatieve stelsel onderscheidt zich van het "positieve" stelsel. Dit stelsel beschermt degenen die het register raadplegen voor de verkrijging van een registergoed - en die niet beter weten - volkomen: zij mogen erop vertrouwen dat degenen die door (de laatste inschrijving in) het register als rechthebbende wordt aangewezen, dat ook werkelijk is en als zodanig tot vervreemding bevoegd zal zijn. Wil dit stelsel bevredigend werken, dan moet men echter op de bewaarder de zware plicht leggen het hem ter inschrijving aangebodene op zijn geldigheid te controleren en inschrijving te weigeren, niet alleen van wat formeel niet deugt, maar ook van wat materieel niet juist is. Zo'n vergaande verplichting kan echter de bewaarder niet worden opgelegd. Daarom is, evenals onder het bestaande recht, ook voor het nieuwe als uit- gangspunt het negatieve stelsel gekozen, waarin de bewaarder een in beginsel een lijdelijke rol vervult. 2024 -387- No. 164 Anderzijds worden wel voorschriften voorgesteld die de nadelen van het negatieve stelsel, namelijk de onzekerheid in het rechtsverkeer, voor het overgrote deel opvangen. Deze voorschriften laten zich in enkele rubrieken samenvatten. Zo wordt de volledigheid van de registers gediend door ook voor levering na boedelscheiding (verdeling van een gemeenschap, artikel 186 lid 1) en afstand (artikel 98) inschrijving te verlangen. Voorts wordt in artikel 17 een opsomming gegeven van feiten die voor inschrijving vatbaar zijn. Van enkele daarvan, zoals de notariële akte van overdracht, is de inschrijving vereist voor het rechtsgevolg: zonder de inschrijving is er geen overdracht. Veelal echter is de sanctie dat die feiten en hun rechtsgevolg niet tegen onwetende derden kunnen worden ingeroepen als inschrijving achterwege blijft (artikel 24), terwijl anderzijds ingeschreven feiten ook tegen onwetende derden kunnen worden ingeroepen (artikel 23). De juistheid van de inschrijvingen wordt bevorderd door de bewaarder van het register een formele contro- leplicht op te leggen (zie artikel 20), terwijl in uitvoeringsmaatregelen (zie artikel 16) kan worden aangegeven welke stukken ter inschrijving kunnen worden aangeboden, waarbij notariële tussenkomst veelal zal zijn vereist. Daartegenover wordt een derdeverkrijger van een registergoed beschermd tegen de gevolgen van onvolle- digheid (artikel 24 j artikel 17) en onjuistheid (artikelen 25 en 26) van de registers, een bescherming die onder het huidige recht niet is gepreciseerd. Een regeling wordt gegeven omtrent voor inschrijving vatbare verklaringen inzake rechten op een registergoed (artikel 27) en de waardeloosheid van inschrijvingen (artikelen 28 en 29). Door al deze maatregelen benadert het negatieve stelsel in het onderhavige ontwerp met het oog op de derdenbescherming de zekerheid die een positief stelsel biedt. Voor een volledig beeld van de bescherming van derden te goeder trouw dient bovendien nog te worden gewezen op de artikelen 36 en vooral 88, dat een derdeverkrijger beschermt tegen de beschikkingsonbevoegdheid van zijn rechtsvoorganger, indien de oorzaak daarvan schuilt in een gebrek in de titel of de levering ter gelegenheid van een eerdere overdracht. In de toelichting op de artikelen zal hierop nader worden ingegaan. Opmerking verdient nog dat de term "overschrijving" in het ontwerp niet meer naast "inschrijving" wordt gebezigd - vgl. de artikelen 1211 en 1212 van het huidige BW; de algemene term wordt "inschrijving". In de openbare registers worden bepaalde, van burgers afkomstige inschrijvingen opgenomen die van belang zijn voor de rechtstoestand van registergoederen.

  1105. Artikel 16 lid 1, biedt de wettelijke grondslag voor de positie van de openbare registers. De nadere uitwerking van de formaliteiten zal volgens lid 2 bij wet geschieden. In Nederland is deze met die voor het kadaster gecombineerd in een nieuwe Kadasterwet; in de Nederlandse Antillen en Aruba is een landsverordening openbare registers ingevoerd, (voorlopig) zonder regelgeving ten aanzien van het kadaster. In Suriname kwam op 25 september 2009 (S.B. 2009 no. 149) de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem (Wet GLIS). Deze is geschreven uitgaande van het bestaande Burgerlijk Wetboek en wordt derhalve aangepast aan het nieuwe Burgerlijk Wetboek. In artikel 17 worden feiten opgesomd die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn en die zich daarom voor inschrijving in de openbare registers lenen. Daarbij is het belang van derden - zie in het bijzonder de artikelen 23 en 24 - afgewogen tegen het belang de registers niet door een overmaat van moge- lijke inschrijvingen te belasten. De opsomming is in zoverre niet uitputtend dat ook elders in de wet inschrijving van bepaalde feiten mogelijk kan worden gemaakt. Dit kan zowel bij het Burgerlijk Wetboek zelf geschieden (vgl. artikel 6:252), als bij andere wetsbepalingen; zo veronderstelt lid 1 onderdeel j, bepalingen die inschrijving van (overheids)beschikkingen regelen. Onder onderdeel a van lid 1 vallen in de eerste plaats de akte van overdracht, vestiging en afstand van een registergoed (artikelen 89 en 98), alsmede die van toedeling daarvan uit een gemeenschap (zie artikel 186 lid 1): inschrijving is hier vereist ter voltooiing van de rechtshandeling zelf. 2024 -388- No. 164 Voor andere rechtshandelingen is inschrijving niet een geldigheidsvereiste, maar van belang voor de werking tegenover derden (artikelen 23 e.v.). Te denken valt aan de aflossing van een hypothecaire lening, waardoor aan de hypotheek een einde komt, en aan een bij testament ingesteld bewind over (mede) een registergoed. Buitengerechtelijke vernietiging van rechtshandelingen met betrekking tot registergoederen is slechts in beperkte mate toegelaten - zie artikel 50 lid 2. Ontbinding van de overeenkomst tot koop enz. van een registergoed zal in het nieuwe recht geen "goederenrechtelijke" werking meer hebben (zie artikel 6:271), en leent zich daarom niet voor inschrijving. Ook de inschrijving van de feiten, vermeld in de onderdelen b tot en met j, is voor de derdenwerking van belang. Volgens onderdeel b kan erfopvolging worden ingeschreven; daaronder moet niet worden verstaan alleen het overlijden van een rechthebbende op een registergoed, maar ook is aanwijzing van de erfgenamen nood- zakelijk. De basis voor de inschrijving zal een notariële verklaring van erfrecht kunnen zijn. Voor de opvolging van de Staat in de goederen van de erflater verwijst de tekst naar het nieuwe Boek 4. De bevoegdheid tot inschrijving van de gegevens, bedoeld in onderdeel c, wordt daardoor gerechtvaardigd dat de daarin genoemde feiten goederenrechtelijke werking hebben, dat wil zeggen een recht op een registergoed rechtstreeks doen aanvangen of eindigen; zie voor de vervulling van een voorwaarde de toelichting op artikel 38. De beheersregeling, bedoeld in onderdeel d, zal in titel 3.7 haar grondslag krijgen (vgl. artikel 170). De rechterlijke uitspraken van onderdeel e omvatten verschillende typen. Men denke bijvoorbeeld aan failliet- verklaring, surséance en ondercuratelestelling, die van belang zijn voor de bevoegdheid om over register- goederen te beschikken, maar ook aan een vonnis tot reële executie (vgl. de artikelen 300 en 301), terwijl ook declaratoire uitspraken niet zijn uitgesloten (zie bijvoorbeeld de artikelen 27 en 29). Onder onderdeel f vallen niet vorderingen en verzoekschriften tot faillietverklaring, surséance en ondercuratelestelling: zij betreffen niet de rechtstoestand van het goed en doen trouwens ook niet af aan de beschikkingsbevoegdheid. Wél inschrijfbaar zijn revindicatie en een vordering tot vernietiging van de (titel tot) overdracht - de laatste, indien toegewezen, zal immers tot gevolg hebben dat de rechtstoestand van het goed met terugwerkende kracht verandert. Voor de in onderdeel i bedoelde gevallen van verjaring zie men afdeling 3.4.3 (artikelen 99 e.v.). Onderdeel k, betreffende een net van kabels of leidingen, hangt samen met artikel 5:20 lid 2; men zie de toelichting bij die bepaling. Het is onwenselijk dat pas bij de overdracht van een net, die vele jaren na de aanleg kan plaatsvinden, tot inschrijving in de openbare registers wordt overgegaan. Vandaar dat onderdeel k het mogelijk maakt dat ook de aanleg en verwijdering wordt ingeschreven. Met betrekking tot lid 2 zij het volgende opgemerkt. In het algemeen komen persoonlijke rechten, die in beginsel alleen obligatoire verhoudingen scheppen, niet in aanmerking voor inschrijving, die voor derdenwerking is bedoeld. Om de registers niet te veel belasten, is hiervoor ook ten aanzien van huurovereen- komsten gekozen, ook al kunnen deze wel voor derden van belang zijn. Een uitzondering zullen vormen de kwalitatieve verplichtingen, waaraan zakelijke werking wordt verbonden (zie artikel 6:251). De artikelen 18 tot en met 20 bevatten regels betreffende de aanbieding van de stukken ter inschrijving, betreffende de bevoegdheden van de bewaarder van het register met betrekking tot die inschrijving en betref- fende de procedure ter zake van een geschil omtrent de inschrijving tussen bewaarder en aanbieder. Hoewel de rol van de bewaarder in beginsel lijdelijk is voor zover het om de materiële juistheid van de hem aangeboden stukken gaat, is het hem niet ontzegd zijn twijfels omtrent de juistheid van bepaalde feiten tegenover de aanbieder te uiten - zij kunnen aanleiding zijn tot verbetering der aangeboden stukken (artikel 19 lid 4). Verder gaat de bevoegdheid van de bewaarder bij de formele controle: zijn de stukken niet volledig of wordt niet aan de wettelijke vereisten voldaan, dan weigert hij inschrijving (artikel 20 lid 1), waarna een procedure kan volgen. 2024 -389- No. 164 Uit de drie artikelen blijkt het belang dat telkens wordt gehecht aan vaststelling van het, tot op de minuut nauwkeurig bepaalde, tijdstip van aanbieding der stukken. Komt het tot inschrijving, dan geldt dit tijdstip als dat van die inschrijving (artikel 19 lid 2); naar dat tijdstip wordt de rangorde der inschrijvingen betreffende eenzelfde registergoed - en derhalve bijvoorbeeld de verkrijging van een recht daarop - in beginsel bepaald (artikel 21 lid 1). De regel van artikel 20 lid 5 moet worden gelezen in verband met artikel 23: onbekendheid met een stuk dat door een voorlopige aantekening overeenkomstig artikel 20 lid 1 is geboekt, kan aan de goede trouw slechts afdoen, als het, naar achteraf blijkt, overeenkomstig lid 4 van dat artikel, moet worden beschouwd als ingeschreven op het tijdstip van oorspronkelijke aanbieding.

  1106. Artikel 21 lid 1, behelst de reeds ter sprake gekomen hoofdregel: in beginsel wordt de rangorde van inschrijving bepaald door de volgorde van de tijdstippen van inschrijving. Degene te wiens behoeve de eerdere inschrijving strekt, kan die in beginsel inroepen tegen degene wiens belang door de latere wordt gediend. Daar de levering van een registergoed door de inschrijving wordt voltooid, staat hiermee dus tevens de rangorde van de op een registergoed gevestigde rechten vast. Het nieuwe recht verschilt hierin in zoverre van het bestaande dat het tijdstip van inschrijving naar de minuut wordt gepreciseerd (artikel 18 j 19 lid 2), terwijl krachtens artikel 1210 van het huidige BW voor hypotheken in beginsel nog de dag van inschrijving bepalend is. Ook bestaat er uiteraard een relatie tussen de beschikkingsbevoegdheid en het tijdstip van inschrijving van een overdracht of vestiging van een recht: de inschrijving heeft geen rechtsgevolg meer, wanneer zij geschiedt op een tijdstip waarop de bevoegdheid niet meer bestaat. Zo komt de overdracht van een registergoed niet meer tot stand, als de inschrijving geschiedt op of na de dag der faillietverklaring, ook al dateert de akte van voordien en zelfs al vindt de inschrijving op de dag der faillietverklaring nog juist vóór het tijdstip daarvan plaats (zie de artikelen 20 en 31 van de Faillissementswet 1935). Surséance van betaling werkt op gelijke wijze vanaf de dag waarop zij voorlopig is verleend (artikel 208 van de Faillissementswet 1935). Inschrijving van een akte waarbij een onbekwame een registergoed overdraagt of vestigt, heeft op zichzelf wel het beoogde rechtsgevolg, maar de rechtshandeling is vernietigbaar met terugwerkende kracht en, na vernietiging, kan de nietigheid ook tegen een derde worden ingeroepen (zie artikel 24 lid 2). Wordt een der partijen tussen het verlijden der akte en de inschrijving in het register door ondercuratelestelling onbekwaam, dan deert dat de verkrijger niet: op het tijdstip waarop de partijen hun rechtshandeling - de medewerking aan de akte - verrichtten, was hij nog handelingsbekwaam. Het slot van lid 1 verwijst naar wettelijke uitzonderingen op de hoofdregel. Als zodanig zijn de volgende rubrieken te noemen. In de eerste plaats het geval van gelijktijdige inschrijving, dat in lid 2 wordt geregeld. In de tweede plaats zijn er de, thans in de artikelen 1211 en 1212 BW geregelde, gevallen waarin een hypo- theek tot zekerheid van kooppenningen of van een schuld tussen deelgenoten in een gemeenschap onder zekere beperkingen voorrang heeft boven een eerdere hypotheek. Het is de bedoeling soortgelijke regels onder het nieuwe recht te handhaven (zie artikel 261). Tevens is het de bedoeling daarnaast een wettelijke basis te geven aan de praktijk van "lichten en opstaan", waarbij een hypotheekhouder een ander laat "voorgaan" (artikel 262). Ten slotte kan worden genoemd artikel 378 lid 5, van het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waaruit voortvloeit dat tegen een beslaglegger nog wel kan worden ingeroepen een vóór het beslag verleden akte van overdracht of hypotheekverlening die op dezelfde dag als het beslag is ingeschreven, zelfs indien de inschrijving van het beslag daaraan voorafging (zie HR 30-1-1981, NJ 1982, 56, Baarns beslag; vgl. ook artikel 7:26 lid 3). 2024 -390- No. 164

  1107. Artikel 21 lid 2, geeft een bijzondere voorziening voor de mogelijkheid dat twee aanbiedingen ter inschrijving gelijktijdig geschieden en tot twee onverenigbare rechten van verschillende personen zouden leiden. Onverenigbaar zijn niet overdracht van een registergoed en de vestiging van een beperkt recht daarop. Wél echter gelijktijdige overdracht aan verschillende personen, de gelijktijdige vestiging van twee eerste hypotheken en de gelijktijdige vestiging van bijvoorbeeld hypotheek en erfpacht, omdat dan niet zou zijn uit te maken of de hypotheek rust op een vrije dan wel op een met erfpacht bezwaarde eigendom.

  1108. Artikel 22 biedt bescherming tegen eventuele formele fouten die ter gelegenheid van de inschrijving zijn gemaakt - zijn belangrijkste functie zal zijn, chicanes op dit gebied af te snijden. Materiële gebreken - bijvoorbeeld weglating van een erfgenaam in een ingeschreven verklaring van erfrecht - worden door het artikel niet bestreken. De artikelen 23 tot en met 26 hebben gemeen dat zij regels geven over derdenwerking van inschrijvingen in de openbare registers. De derde om wie het in deze artikelen gaat, is steeds de verkrijger van een registergoed (waaronder mede begrepen degene wiens verkrijging niet perfect is geweest, naar achteraf blijkt). Een registergoed kan men onder algemene of onder bijzondere titel verkrijgen. Opmerking verdient dat voor de artikelen 24 tot en met 26 alleen de laatste van belang is. Daarbij kan men denken aan overdracht, en aan vestiging en afstand van een beperkt recht (vgl. artikel 98), maar ook aan verkrijging van een afhankelijk goed (erfdienstbaarheid door verkrijging van het heersende erf, hypotheek door cessie van de vordering waaraan ze is verbonden). Toedeling van een goed uit een nalatenschap is niet verkrijging onder bijzondere titel (zie artikel 186 lid 2). Verkrijger van een registergoed is niet iemand die een persoonlijk recht heeft, zoals een huurder of de koper voordat is geleverd. Evenmin degene die zijn recht aan een kettingbeding ontleent; zie hieromtrent verder bij artikel 23.

  1109. Artikel 23 heeft betrekking op de werking tegen verkrijgers van hetgeen in het register is ingeschreven, artikel 24 op de bescherming tegen het ontbreken van inschrijving en de artikelen 25 en 26 op die tegen de onjuist- heid van inschrijvingen. Artikel 23 heeft tot gevolg dat raadpleging van de registers voor een (toekomstig) verkrijger van een registergoed praktisch onontbeerlijk is, de artikelen 24 tot en met 26 beschermen hem in hoge mate tegen het voor hem nadelig gevolg van feiten die niet uit de registers blijken. Het bijhouden van openbare registers zou weinig zin hebben, indien aan de registratie geen sanctie zou zijn verbonden. Ten dele ligt die sanctie in regels die voorschrijven dat rechtshandelingen slechts door de inschrijving worden voltooid, zodat ze zonder die inschrijving hun effect missen (zie de toelichting bij artikel 17). Inschrijving kan voorts zijn vereist om een rechtshandeling derdenwerking te verlenen - zie voor kwali- tatieve verplichtingen artikel 6:252 lid 2. In artikel 23 is een andere sanctie opgenomen: waar de wet de goede trouw van een verkrijger van een registergoed beschermt, wordt een beroep daarop niet aanvaard voor onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. De wettelijke bepalingen die hier in het bijzonder van belang zijn, zijn artikel 88, dat de verkrijger van onder andere een registergoed beschermt tegen de gevolgen van een gebrek in titel of levering bij een eerdere overdracht, en artikel 99, dat, buiten het geval van artikel 105, voor verkrijging op grond van verjaring goede trouw bij de bezitter vereist; vgl. ook artikel 121.

  1110. Artikel 23 is negatief geformuleerd, hetgeen meebrengt dat raadpleging van de registers weliswaar vereist is voor wie geen risico wil lopen, doch anderzijds niet onder alle omstandigheden voor een beroep op de goede trouw voldoende behoeft te zijn: de onderzoeksplicht van artikel 11 kan immers verdergaande eisen stellen. Zo zijn er feiten en rechten die niet in de openbare registers worden opgenomen, doch die wel uit andere registers blijken. In dit verband zij eraan herinnerd dat het kaartenbestand van het GLIS (Grondregistratie en Land Informatie Systeem) met de weergave van de indeling in percelen, in de praktijk de toegang vormt voor raadpleging van het register, zodat enig onderzoek van het percelenbestand voor de hand ligt, ook al geldt artikel 23 daarvoor niet. 2024 -391- No. 164 Anderzijds bevat artikel 23 voor de openbare registers ook enige beperking: zouden de registers in een zodanige slechte toestand verkeren dat bepaalde feiten daaruit niet kenbaar zijn, ofschoon ze er wel in zijn opgenomen, dan geldt het rechtsgevolg van artikel 23 niet. Het artikel heeft, behalve ten aanzien van de hierboven genoemde kwalitatieve verbintenissen volgens het nieuwe recht, geen betrekking op persoonlijke rechten van derden die door de inschrijving van bijvoorbeeld een overdrachtsakte uit de registers blijken; zij kunnen aan de verkrijging niet afdoen en aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, omdat zij geen zakelijke werking hebben. De kwestie is aan de orde geweest voor kettingbedingen in HR 17-5-1985, NJ 1986, 760 (Curaçao-Boyé); dat de verkrijger aan zo'n beding niet is gebonden, behoeft niet uit te sluiten dat hij onder omstandigheden op grond van onrechtmatige daad tot schadevergoeding verplicht wordt. De artikelen 24 tot en met 26 bieden bescherming aan degene die een registergoed krachtens bijzondere titel heeft verkregen en daarbij wordt verondersteld op de volledigheid en juistheid van de inschrijvingen te mogen vertrouwen. Voor degene die onder algemene titel verkreeg, is geen speciale regeling vereist: hij volgt immers zonder meer zijn voorganger op. Voor de bescherming van deze artikelen is vereist dat men door rechtshandeling heeft verkregen: bij occupatie, gevolgd door verjaring, is dat niet het geval.

  1111. Artikel 24 beschermt tegen onvolledigheid van de registers, de artikelen 25 en 26 doen dat tegen onjuistheid, artikel 25 in een speciaal geval, artikel 26 meer algemeen. Zou zich in een concreet geval samenloop voor- doen, dan kan op elk van de artikelen een beroep worden gedaan. Datzelfde geldt voor eventuele samenloop met andere bepalingen die derden bescherming bieden, in het bijzonder de artikelen 36 en 88. Daarbij kan nog het volgende worden opgemerkt. De artikelen 24 tot en met 26 veronderstellen het bestaan van onvolledigheid, resp. onjuistheid van de registers, niet (het bewijs) dat de (aspirant-)verkrijger de registers ook daadwerkelijk heeft geraadpleegd: zo'n bewijs zal in de praktijk meestal niet zijn te leveren. Voor een beroep op artikel 36 is feitelijke raadpleging wel vereist: de verkrijger moet dan immers in een redelijk vertrouwen op de juistheid der verklaring hebben gehandeld. Bij de toepasselijkheid van artikel 88 hangt het ervan af, wat de goede trouw onder de gegeven omstandigheden aan onderzoek vereist (artikel 11), waarbij artikel 23 met betrekking tot de registers een doorslaggevende rol vervult. In het geldende BW biedt artikel 1894 een basis aan derdenbescherming als hier bedoeld. Zowel de plaats daarvan in het wetboek als de formulering is echter hoogst gebrekkig en onbevredigend. De Hoge Raad (in zijn arrest van 9-2-1940, NJ 1940, 302) heeft dan ook doen blijken dat het artikel veeleer als uitdrukking van een beginsel moet worden beschouwd, maar daarmee is nog niet concreet aangegeven, waar en onder welke voorwaarden dat beginsel toepassing behoort te vinden. In de genoemde artikelen beoogt het ontwerp hierover zekerheid te verschaffen. Betreft artikel 23 gegevens die in de openbare registers zijn opgenomen, artikel 24 heeft betrekking op gegevens die daarin juist ontbreken, hoewel ze voor inschrijving vatbaar zijn. Deze feiten, die oorzaak van onbevoegdheid van de vervreemder kunnen zijn, kunnen aan het recht van de verkrijger in beginsel niet te kort doen, zo hij daarmee niet bekend was: het verweer dat hij er door onderzoek buiten de registers mee bekend had kunnen en moeten zijn, gaat hier niet op. Of een mededeling van het feit vóór de verkrijging bekendheid meebrengt, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 37. Voor de toepassing van artikel 24 is vereist dat inschrijving ontbreekt op het tijdstip waarop de rechts- handeling tot verkrijging van een registergoed onder bijzondere titel - bijvoorbeeld overdracht, vestiging van een beperkt recht - wordt ingeschreven. Toedeling uit een nalatenschap is, hoewel ze inschrijving behoeft, niet zulk een rechtshandeling, omdat ze een verkrijging onder algemene titel betekent (zie artikel 186, leden 1 en 2), wel bijvoorbeeld de inschrijving van cessie van een vordering die een daaraan verbonden hypotheekrecht doet overgaan. 2024 -392- No. 164 De bescherming die artikel 24 lid 1, biedt, staat naast die van artikel 88, die de verkrijging van onder andere een registergoed ook onder bepaalde omstandigheden geldig verklaart als de vervreemder niet be- schikkingsbevoegd is - ook al luidt de redactie van artikel 88 in dat opzicht iets anders dan artikel 24, dat een beroep op het niet ingeschreven feit ontzegt. Beide bepalingen kunnen elkaar aanvullen. Is de vervreemder bijvoorbeeld niet meer beschikkingsbevoegd wegens de vervulling van een voorwaarde, doch is het feit van die vervulling niet ingeschreven op het tijdstip van verkrijging door de derde, dan kan krachtens artikel 24 dat feit tegen hem niet worden ingeroepen. Vervalt echter pas na verkrijging door de derde het recht van de vervreemder omdat met terugwerkende kracht de titel op grond waarvan hij verkreeg, wordt vernietigd, dan vindt de verkrijger zijn bescherming in artikel 88: de verkrijging blijft geldig, mits de verkrijger te goeder trouw is - dat wil zeggen mits hij, overeenkomstig artikel 11, het eventueel door de omstandigheden vereiste onderzoek naar de titel ook buiten de registers heeft gedaan en geen goede grond tot twijfel aan de geldigheid der vervreemding heeft gehad. In dit verband verdient aandacht dat in het nieuwe recht de zakelijke (goederenrechtelijke) werking van ontbinding wegens wanprestatie zal vervallen (artikel 6:271). Onder het huidige recht pleegt de vordering tot ontbinding in geval van transacties inzake onroerende goederen contractueel te worden uitgesloten. Lid 2 beperkt de algemene regel van lid 1: het noemt een aantal feiten die, ofschoon niet in de registers ingeschreven, wél aan de verkrijger met succes kunnen worden tegengeworpen, ook als hij ze niet kent. Als zodanige feiten worden in onderdeel a vermeld die welke naar hun aard vatbaar zijn voor inschrijving in enkele andere registers, namelijk dat van de burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister en een boedel- register. De verkrijger die zeker van zijn zaak wil zijn, zal derhalve raadpleging van deze registers niet kunnen nalaten. Die registers zullen geen uitsluitsel geven als de vervreemder - of eventueel een van zijn voorgangers - in het buitenland heeft verkeerd en daar enig feit is voorgevallen dat van belang is voor zijn be- schikkingsbevoegdheid. De verkrijger zal dan eventueel een onderzoek moeten instellen of zo'n feit zich heeft voorgedaan. Met de in onderdeel a bedoelde feiten vergelijkbaar zijn die in de onderdelen b en c, maar deze rubrieken zijn beperkt tot werkelijke inschrijvingen. Daarbij wordt er voor onderdeel c echter aan herinnerd dat de faillietverklaring de failliet reeds onbevoegd maakt op de dag waarop zij wordt uitgesproken; zie de toelich- ting bij artikel 21. Voor de inschrijvingen in het faillissementsregister zie artikel 17 van de Faillissementswet 1935 en voor die in het curatelenregister artikel 212a (nieuw). Beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap wordt ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4:186 (vgl. het huidige artikel 1051 BW), en valt derhalve reeds onder de uitzondering van lid 2 onderdeel a. Zuivere aanvaarding blijkt echter gewoonlijk uit feitelijke handelingen en leent zich niet goed voor formele inschrijving, waarvan een beroep tegenover derdeverkrijgers afhankelijk zou zijn. Voor deze laatsten is de inschrijving der aanvaarding minder belangrijk, nu de erfopvolging zelf voor inschrijving vatbaar is; zie daaromtrent verder de toelichting bij lid 3. Voor de verjaring is in onderdeel e een uitzondering op lid 1 gemaakt: inschrijving van de verjaring (zie artikel 17 lid 1 onderdeel i) is wel mogelijk, omdat ze van belang is voor de zuiverheid van de registers, maar anderzijds zou aan haar maatschappelijke functie ernstige afbreuk worden gedaan als een beroep daarop praktisch afhankelijk zou worden gesteld van de inschrijving. In lid 3 is een bijzondere bepaling opgenomen voor de erfopvolging en de uiterste wilsbeschikking. De erfopvolging kan op grond van artikel 17 lid 1 onderdeel b, worden ingeschreven, maar voordat de verklaring van erfrecht kan worden opgemaakt of eventueel een testament kan worden ingeschreven, zal er gewoonlijk enige tijd verlopen. Om deze reden is het wenselijk geacht de erfgenamen een beperkte tijd te gunnen, gedurende welke zij niet hun recht verspelen door het beroep van een verkrijger op lid 1. Beschermt artikel 24 een derdeverkrijger tegen het ontbreken van relevante inschrijvingen in de registers, de artikelen 25 en 26 bieden soortgelijke bescherming tegen onjuistheden in zulke inschrijvingen: de bescher- ming bestaat daarin dat op die onjuistheid tegenover de verkrijger geen beroep kan worden gedaan. 2024 -393- No. 164

  1112. Artikel 25 betreft alleen onjuistheid van een feit dat is ingeschreven krachtens een authentieke akte waarin dat feit met kracht van authenticiteit door de ambtenaar is vastgesteld. Met kracht van authenticiteit vastgesteld geldt een feit dat door de ambtenaar is vastgesteld, terwijl de waarneming of verrichting van dat feit krachtens de wet aan hem is opgedragen en op de wettelijk voorgeschreven wijze is geschied. Het artikel is dus niet van toepassing op de waarheid of onwaarheid van hetgeen partijen ten overstaan van de ambtenaar verklaren, maar alleen op hetgeen deze zelf krachtens de wet in de akte verklaart. Dat geldt niet voor bijvoorbeeld de perceelsidentificatie van een onroerende zaak in de verklaring van partijen, wél bijvoorbeeld voor de verklaring van de notaris dat de voor hem verschijnende personen hem bekend zijn; de akte verliest haar authenticiteit en haar geldigheid niet, wanneer dit laatste niet juist blijkt te zijn (HR 21-6-1985, NJ 1986, 259), en artikel 25 verhindert dat de onjuistheid van de notariële verklaring de verkrijger benadeelt. Kracht van authenticiteit heeft ook vermelding in de akte van een volmacht die bij notariële akte is verleend, niet echter, als slechts een partij verklaart dat hij is gemachtigd. Een notariële verklaring van erfrecht heeft geen kracht van authenticiteit: zij bevat een conclusie van juridische aard die een notaris trekt uit een door hem verricht onderzoek. De slotzinsnede geeft onder meer aan dat geen bescherming wordt verleend aan de verkrijger die de onjuistheid van het ingeschreven feit kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid van zulke onjuistheid behoorde te kennen. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor, indien krachtens artikel 17 lid 1 onderdeel f, de indiening van een oproeping is ingeschreven: alsdan is nader onderzoek aangewezen (artikel 11). In afwijking van Nederland is een lid 2 toegevoegd, inhoudende de gehoudenheid voor de verkrijger om zelf moeite te doen de juiste identiteit van de vervreemder en de juiste feitelijke gesteldheid van het goed vast te stellen, gesanctioneerd aan het slot van lid 1. Deze gehoudenheid van de verkrijger bestaat naast die van de notaris. In de praktijk heeft zich voorgedaan dat gebruik werd gemaakt van valse identiteitsbewijzen. Indien de verkrijger de vervreemder niet persoonlijk kent, mag de verkrijger (of diens makelaar) niet zonder meer afgaan op een identiteitsbewijs. Voor de notaris, die zich – op straffe van eventuele aansprakelijkheid – terzake dient te houden aan de voorschriften van het Reglement op het notarisambt, geldt hetzelfde.

  1113. Artikel 26 beschermt de verkrijger van een registergoed tegen de onjuistheid van inschrijvingen in het algemeen, ook waar artikel 25 niet van toepassing is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de opgave van een niet verleende volmacht, een geval dat bij de toelichting op het vorige artikel al ter sprake kwam. Ook denke men aan een schijnhandeling, zoals die welke aanleiding gaf tot het hierboven vermelde arrest van de Hoge Raad van 9-2-1940, NJ 1940, 302. In tegenstelling tot een beroep op grond van artikel 25 kan het beroep volgens artikel 26 op bescherming niet tegen eenieder worden gedaan, doch slechts tegen hem die redelijkerwijs voor overeenstemming van het register met de werkelijkheid kan zorgdragen. Als zodanig is te beschouwen degene die zelf de onjuiste inschrijving heeft bewerkstelligd, terwijl hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of die als werkelijk rechthebbende heeft nagelaten haar te herstellen nadat hij daarvan op de hoogte is gekomen. Zie voor de slotzinsnede omtrent hetgeen de derdeverkrijger kende of door raadpleging der registers kon kennen, de toelichting bij artikel 25. De belangrijke betekenis van beide beperkingen laat zich niet alleen illustreren aan het geval waarin een overdracht door een onbevoegde vervreemder wordt ingeschreven, doch ook aan het geval waarin de akte een onjuiste omschrijving van het over te dragen goed bevat. Tegen onbevoegdheid van een vervreemder die niet door artikel 88 wordt gedekt, zal artikel 26 een latere verkrijger in de regel niet beschermen, omdat die onbevoegdheid zal kunnen blijken uit onderzoek van de registers. 2024 -394- No. 164 Of en wàt wordt overgedragen, indien in de akte een foute omschrijving van het over te dragen goed voor- komt, wordt bepaald aan de hand van artikel 89 - zie de toelichting op dat artikel. Of een latere verkrijger tegen gevolgen van deze fout wordt beschermd, is een kwestie van toepassing van artikel 26. In beginsel zal deze derdeverkrijger mogen afgaan op de akte die ter gelegenheid van de eerdere overdracht werd ingeschreven, aldus dit artikel. Maar als bijvoorbeeld naast een onjuiste perceelsidentificatie een feitelijk juiste, daarvan duidelijk afwijkende omschrijving van het goed in de akte voorkomt, zal hij zich niet op de onjuiste aanduiding kunnen beroepen. Meestal zal het abusievelijk fout of te groot aangeduide goed geheel of ten dele aan een ander hebben toebehoord dan aan de eerste vervreemder, zodat diens onbevoegdheid dan uit registeronderzoek zal blijken, terwijl artikel 26 de derdeverkrijger ook geen beroep toekent tegenover de werkelijke rechthebbende, als de fout in de akte geheel buiten deze om is gegaan. In de inleiding van de toelichting op deze afdeling is uiteengezet dat het ontwerp het zgn. negatieve stelsel van registratie handhaaft: men mag er niet op vertrouwen dat uit de (laatste) inschrijving in het register ook onomstotelijk volgt wie de rechthebbende op het registergoed is.

  1114. Artikel 27 voorziet in een procedure die leidt tot een rechterlijke uitspraak met positieve werking - wel "eigendomsuitwijzing" genoemd. Anders dan in het positieve stelsel, waarin het onderzoek aan de bewaarder van het register is toevertrouwd, is het hier de burgerlijke rechter die zorg draagt voor de bescherming van de belangen en rechten die door zijn uitspraak zouden kunnen worden aangetast. Met de procedure wordt beoogd het verkrijgen van een declaratoire uitspraak, waarin de rechter verklaart dat de eiser inderdaad het recht op het registergoed heeft dat hij pretendeert. De procedure houdt in het kort in dat bekende belanghebbenden bij name en de onbekende bij openbare oproeping worden opgeroepen, en dat de rechter een meer actieve rol dan gebruikelijk speelt onder meer bij de bewijslevering. De in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter heeft uiteraard gezag van gewijsde voor de partijen die bij name zijn opgeroepen of die op de openbare oproeping als partij hebben meegeprocedeerd. Lid 3 verbindt aan deze uitspraak nog verdere werking. Voor degenen die niet bij name zijn opgeroepen, geldt ze als een vermoeden, waartegen - in een nieuwe procedure - tegenbewijs kan worden geleverd. De positieve werking van het declaratoir blijkt ten slotte uit de laatste zin van lid 3: tegen de rechtsopvolgers onder bijzondere titel van de verkrijger van het vonnis kan de onjuistheid daarvan, welke bij die nieuwe procedure zou worden vastgesteld, niet worden tegengeworpen, indien ze daarmee niet - eventueel door inschrijving krachtens artikel 17 lid 1, onderdelen e of f - bekend waren of moesten zijn. De rest van het artikel bestaat uit procesrechtelijke voorzieningen, die in het licht van de waarborging van de belangen van in het bijzonder onbekende rechthebbenden, goeddeels voor zichzelf spreken. Bij een procedure, waarbij ook het aantal van die onbekenden en de aard van hun belang onbekend is, past niet de normale verstek- en verzetprocedure. De laatste wordt geheel uitgesloten - waarvoor het gewone hoger beroep in de plaats komt -, in de eerste vervalt de vaststelling van een nieuwe rechtsdag met de daarbij behorende nieuwe oproepingen; het verstek zelf wordt, ook tegen degenen die bij openbare oproep zijn opgeroepen, wel verleend "ten ware de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt" (artikel 79 lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Van het artikel bestaat geen equivalent in het huidige recht. De artikelen 28 en 29 regelen hoe rechtens wordt vastgesteld dat een inschrijving waardeloos - dat wil zeggen: zonder enig rechtsgevolg - is. Deze waardeloosheid kan worden geconstateerd bij partijverklaring (artikel 28) of bij rechterlijke uitspraak (artikel 29). In beide gevallen kan de verklaring worden ingeschreven, waardoor ze overeenkomstig de voorgaande artikelen haar werking uitoefent, en bovendien geldt ze als machtiging aan de bewaarder van het register tot doorhaling van de waardeloos verklaarde inschrijving, indien deze een hypotheek of een beslag betreft. Deze doorhaling, die door de inschrijving heen gaat, die de laatste leesbaar laat, en die vergezeld gaat van een verklaring van de bewaarder met vermelding van de overgelegde bewijsstukken, is niet meer dan een ambtelijke handeling die op zichzelf geen rechtsgevolg heeft, maar tot 2024 -395- No. 164 waarschuwing dient van degene die het register raadpleegt. Aan doorhaling van andere inschrijvingen dan van hypotheek en beslag bestaat weinig behoefte in de praktijk en ze zou op de bewaarder ook een te zware last leggen; zo worden bijvoorbeeld door een onteigening alle voorafgaande inschrijvingen van verkrijging rechtens reeds waardeloos. Omtrent de verklaring van waardeloosheid en de doorhaling van een hypothecaire inschrijving worden in titel 3.9 nadere voorschriften gegeven (zie de artikelen 273 en 274). De artikelen 1223 tot en met 1225 van het huidige BW kennen alleen een regeling van de doorhaling van hypothecaire inschrijvingen. Anders dan volgens het wetsvoorstel pleegt de zgn. royementsakte niet zelf te worden ingeschreven.

  1115. Artikel 28 Als degene die recht heeft op een verklaring van waardeloosheid van een inschrijving, wordt aangemerkt degene die daarbij een onmiddellijk belang heeft, in het bijzonder degene wiens recht wordt gedrukt door het in de inschrijving vermelde feit. Degenen die tot het afleggen van de verklaring zijn verplicht, worden aange- duid als degenen te wier behoeve de inschrijving, zo zij niet waardeloos zou zijn, zou hebben gestrekt. Daarbij kan worden gedacht aan degene die de inschrijving heeft verkregen en aan zijn rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel. Heeft de vervreemder een leveringsakte doen inschrijven, dan zal de verklaring van waardeloosheid moeten worden verlangd van de verkrijger, te wiens behoeve de inschrijving immers strekte. Is de verkrijger overleden, dan zal de verklaring van of in naam van al zijn erfgenamen moeten worden verlangd. Vermelding van de feiten waarop de waardeloosheid berust, is wenselijk om te voorkomen dat in de verklaring eenzijdig en zonder titel afstand van recht wordt verhuld (zie artikel 98 j artikel 84). Bij hypotheek of beslag wordt de eis niet gesteld, omdat het hier vaak gaat om vergeten inschrijvingen, waarvan wel de waardeloosheid bekend is, maar niet meer de reden waarom bijvoorbeeld de vordering waarmee zij verband hield, is tenietgegaan.

  1116. Artikel 29 regelt de rechterlijke verklaring die in de plaats komt van de partijverklaring, wanneer deze niet vrijwillig wordt afgegeven. Dikwijls zijn dan niet allen die tot die afgifte verplicht zijn, bekend of gemakkelijk te achterhalen, bijvoorbeeld als een recht door erfopvolging is overgegaan, zonder dat een nieuwe inschrijving is genomen. Om hiermee rekening te houden, bevat het artikel, deels in de geest van artikel 27, enkele voor- schriften van procesrechtelijke aard. Een verschil met artikel 27 is echter dat bij de onderhavige verklaring van waardeloosheid de vordering in beginsel is gericht tot de bepaalde persoon die bij de inschrijving is betrokken en de onbekenden geen anderen dan diens rechtopvolgers kunnen zijn. Vandaar dat een verzetprocedure bijvoorbeeld hier niet is uitgesloten ten aanzien van "ingeschreven" opgeroepenen. De voorgestelde proces- rechtelijke voorzieningen worden hierdoor verklaard. De tweede zin van lid 1 doet de oproeping van een ingeschrevene mede gelden voor een rechtsopvolger voor wie geen eigen inschrijving geldt. Met de belangen van deze rechtsopvolgers wordt in lid 2 rekening gehouden. In lid 3 worden de rechtsopvolgers die niet zelf zijn ingeschreven, in beginsel over een kam geschoren met hun wel ingeschreven rechtsopvolger, tenzij dit hun belangen onevenredig zou schaden.

  1117. Artikel 31 Vereist de wet een notariële ambtshandeling, dan is het in internationale verhoudingen in beginsel een vraag van internationaal privaatrecht, of uitsluitend de tussenkomst van een hier te lande gevestigde notaris rechtsgeldig kan worden ingeroepen. Voor de uitvoering van wetsbepalingen die betrekking hebben op registergoederen, is het wenselijk die vraag steeds bevestigend te beantwoorden: deskundigheid inzake het hier geldende recht en de hier heersende praktijk is op dit gebied onontbeerlijk. Wetsbepalingen die betrekking hebben op registergoederen, zijn alleen die bepalingen die uitdrukkelijk registergoederen tot onderwerp hebben - aldus, behalve de bepalingen van deze afdeling, bijvoorbeeld artikel 89, ook waar dit in artikel 98 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard; ook in het overige zakenrecht en het procesrecht komen 2024 -396- No. 164 zulke bepalingen voor. Tot die bepalingen behoren niet die welke in het algemeen een notariële akte vereisen zoals voor een testament of huwelijkse voorwaarden, ook niet die welke uitsluitend of mede een hier te lande gelegen onroerende zaak betreffen. Van het hier bepaalde zal bij verdrag kunnen worden afgeweken. In het huidige wetboek komt een bepaling van deze strekking niet voor. TITEL 3.2 - RECHTSHANDELINGEN Algemeen De titel behelst een reeks bepalingen die algemene regels omtrent rechtshandelingen bevatten. Een definitie van rechtshandelingen geeft het ontwerp zelf niet. In de regel aanvaardt men dat rechtshandelingen zich daarin van andere handelingen onderscheiden dat zij op een beoogd rechtsgevolg zijn gericht (vgl. artikel 33); voor het bereiken daarvan behoren zij te voldoen aan vereisten voor hun geldigheid. De titel bevat allereerst vereisten die voor alle soorten rechtshandelingen gelden: dat zijn, behalve aanvaard- baarheid voor de rechtsorde in het algemeen, bekwaamheid (artikel 32), alsmede wil en verklaring (artikelen 33, 34 en 37). Ondanks het ontbreken van de wil kan een rechtshandeling als totstandgekomen worden aangemerkt ter bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij (artikel 35), terwijl ook het redelijk vertrouwen van derden op vergelijkbare wijze bescherming kan vinden (artikel 36). Artikel 38 stelt de rechtshandelingen onder tijdsbepaling of voorwaarde aan de orde. De sanctie op de vereisten voor de geldigheid is nietigheid of vernietigbaarheid. De eerste geldt van rechtswege, hetgeen niet uitsluit dat de nietige rechtshandeling wel enige gevolgen kan meebrengen, de laatste doet de nietigheid slechts intreden indien de partij aan wie de bevoegdheid toekomt, daarop een beroep doet - de rechter kan haar niet ambtshalve aannemen, en, zolang de rechtshandeling niet vernietigd is, is zij geldig. Aan de problemen van nietigheid en vernietigbaarheid - inclusief bevestiging van vernietigbare en bekrachtiging van ongeldige rechtshandelingen - is de rest van de titel gewijd. De titel geldt zowel voor meerzijdige rechtshandelingen, waarvan de overeenkomst het bekendste type is, als voor eenzijdige, zoals opzegging en uiterste wil. Bij deze laatste kan het van belang zijn, of de verklaring, zoals de opzegging, tot een bepaalde persoon is gericht, dan wel of dat, zoals bij de uiterste wil, niet het geval is - zie de artikelen 32 lid 2 en 34 lid 2. In Boek 6 zullen nog aanvullende regels voor de totstandkoming van overeenkomsten een plaats vinden. Voor een deel ligt aan de bepalingen van de titel een aantal, niet zelden gebrekkige, bepalingen uit het huidige wetboek ten grondslag en wel die betreffende overeenkomsten; zie in het bijzonder de artikelen 1341 tot en met 1358 en 1467 tot en met 1477 BW. Een netelig en tot veel verwarring aanleiding gevend begrip als "geoorloofde oorzaak" (artikel 1356 en 1358 BW) keert echter niet terug; in de plaats daarvan bevat artikel 40 van het ontwerp bepalingen omtrent rechtshandelingen die in strijd zijn met de wet, de goede zeden of de openbare orde. Volgens de rechtspraak ontbreekt onder meer bij misbruik van omstandigheden een geoorloofde oorzaak. Krachtens artikel 44 van het ontwerp leidt dit misbruik tot een wilsgebrek, dat de rechtshandeling vernie- tigbaar - en niet nietig - maakt. De titel bouwt, behalve op het huidige wetboek, voort op de gevestigde rechtspraak en doctrine, terwijl aan leemten en onzekerheden in het huidige recht, zoals bijvoorbeeld bij eenzijdige rechtshandelingen, een einde wordt gemaakt.

  1118. Artikel 32 Het uitgangspunt van de regeling is dat eenieder bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen, behalve die categorieën van personen - minderjarigen en onder curatele gestelden - die de wet daartoe onbekwaam ver- klaart. Deze onbekwaamheid treft de genoemde categorieën voor alle rechtshandelingen, voor zover die niet uitdrukkelijk zijn uitgezonderd. De onbekwaamheid verschilt hierin van de onbevoegdheid, die personen in 2024 -397- No. 164 een bepaalde hoedanigheid verhindert bepaalde rechtshandelingen onaantastbaar te verrichten - zie bijvoorbeeld in deze titel artikel 43. De kring van handelingsonbekwamen is formeel bepaald - of hun in feite bij een concrete handeling de wil ontbreekt, doet daartoe niet terzake. De onbekwaamheid heeft gevolgen voor de rechtshandelingen die de onbekwame op eigen naam verricht; op vermogensrechtelijk gebied kan, voor zover de wet niet anders bepaalt, alleen zijn wettelijk vertegenwoordiger in zijn naam onaantastbare rechtshandelingen verrichten en verklaringen in ontvangst nemen. De onbekwame kan wel als gevolmachtigde van een ander optreden (artikel 63). Voor onrechtmatige daad is onbekwaamheid niet een criterium (zie de artikelen 6:164, 165 en 169). Lid 2 bevat de sanctie op het vereiste der bekwaamheid: een door een onbekwame verrichte rechtshandeling is in de regel vernietigbaar, maar indien ze eenzijdig en "ongericht" is, is ze van rechtswege nietig (vgl. artikel 925 van het BW); voor het onderscheid zij verwezen naar de opmerkingen bij deze titel onder Algemeen. Op de grond tot vernietiging kan uitsluitend van de zijde van de onbekwame, namelijk in de regel door zijn wettelijk vertegenwoordiger en door zichzelf nadat hij bekwaam is geworden, een beroep worden gedaan.

  1119. Artikel 33 Het artikel formuleert het uitgangspunt voor de beoordeling van de geldigheid van een rechtshandeling: daartoe is vereist het bestaan van een wil tot het verrichten daarvan, welke door een - naar buiten gerichte - verklaring kenbaar wordt; omtrent de vereisten inzake de verklaring zie artikel 37. Dit uitgangspunt houdt in dat de verklaring door de wil moet zijn gedekt, hetgeen ook het normale geval is. In beginsel leidt dit uitgangspunt ertoe dat bij ontbreken van de wil of bij een van de wil afwijkende verklaring de rechtshandeling niet tot stand komt.

  1120. Artikel 34 geeft hiervan een nadere en ten dele andere uitwerking voor het geval dat het ontbreken van de wil aan een geestelijke stoornis wordt toegeschreven, terwijl artikel 35 een correctie op het uitgangspunt bevat, zij het ook alleen voor de meerzijdige en de "gericht" eenzijdige rechtshandeling.

  1121. Artikel 34 Het artikel bevat een tweetal leden, die beide betrekking hebben op het geval dat een geestelijke stoornis van invloed is op het ontbreken van de wil. Zulk een stoornis kan blijvend zijn, zoals in het geval van zwakzinnig- heid, maar kan ook incidenteel voorkomen, zoals in het geval van dronkenschap, het gebruik van verdovende middelen of een heftige gemoedsbeweging die de vorming van de wil verhindert of belet om de strekking of de gevolgen der handeling te overzien. Lid 1 heeft tot strekking met het oog op de bewijslast het verband tussen de stoornis en het ontbreken van de wil te preciseren, lid 2 vervangt de sanctie van nietigheid der rechtshandeling door vernietigbaarheid, indien die rechtshandeling meerzijdig of "gericht" eenzijdig is. In het tegenwoordige wetboek ontbreekt zulk een regeling. Het artikel heeft geen betrekking op het ontbreken van de wil van een onbekwame, waar de wet aan de onbekwaamheid haar eigen gevolgen verbindt (artikel 32). Degene die zich beroept op het ontbreken van zijn wil, moet dat bewijzen. Beroept hij zich erop dat een stoornis in zijn geestelijke vermogens de oorzaak van het ontbreken van zijn wil is, dan biedt het ontwerp hem de mogelijkheid aan te tonen dat de stoornis hem een redelijke waardering der bij de behandeling betrokken belangen belette, of dat de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan. Slaagt hij in dat bewijs, dan wordt de wil geacht te hebben ontbroken - tegenbewijs, inhoudende dat ondanks de stoornis de wil wél aanwezig was, is dan niet toegelaten. Uit de (voorzienbare) nadeligheid van de rechtshandeling voor degene die haar bij het bestaan van de stoornis verrichtte, wordt voorts het vermoeden afgeleid dat ze onder invloed van de stoornis is verricht. Tegen het leggen van dit verband is wel tegenbewijs toegelaten, hetgeen uit de formulering "wordt vermoed" volgt. 2024 -398- No. 164 Ontbreekt de wil die aan de verklaring ten grondslag ligt, dan is het normale gevolg dat de rechtshandeling niet tot stand komt, ongeldig is; aldus bijvoorbeeld als de verklaring op een misverstand berust of schertsend is geuit of de rechtshandeling is gesimuleerd. Ontbreekt de wil echter door een stoornis in de geestelijke vermogens, dan is de sanctie vernietigbaarheid, tenzij de rechtshandeling eenzijdig en "ongericht" is (zie onder Algemeen). In de andere gevallen heeft de gestoorde derhalve de keus of hij de rechtshandeling zal vernietigen dan wel laten gelden. Artikel 35

  1122. Artikel 35 formuleert het belangrijke beginsel van de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij of degene tot wie de (eenzijdige) rechtshandeling werd gericht (hierna kortheidshalve eveneens aangeduid als wederpartij), indien de verklaring niet door een daarmede overeenstemmende wil werd ondersteund. Het artikel is toepasselijk zowel wanneer wegens geestelijke stoornis of anderszins de wil tot het verrichten van de rechtshandeling in het geheel niet bestond, als wanneer, bijvoorbeeld door misverstand, een rechtshandeling met geheel of ten dele andere inhoud werd bedoeld. De regel die erin is vervat, bouwt voort op hetgeen onder het huidige recht op grond van rechtspraak en literatuur reeds was aanvaard. De bescherming van het gerechtvaardigde vertrouwen beperkt zich niet tot schadevergoeding, maar heeft tot gevolg dat het bestaan van een geldige rechtshandeling wordt aangenomen, waaraan dan de verklaring en dat vertrouwen, en niet de wil - althans niet de wil van alle partijen - ten grondslag liggen. Voor deze gevallen derogeert het artikel zowel aan artikel 33 als aan artikel 34. Van de bescherming behoeft geen gebruik te worden gemaakt: degene wie ze geldt, kan de ongeldigheid of vernietiging tegen zich laten werken. In de formulering is naast de verklaring de gedraging vermeld. Weliswaar kan een gedraging een verklaring inhouden (zie artikel 37), maar in dit verband kan het gaan om interpretatie van gedragingen die juist niet als verklaring zijn bedoeld. Een beslissend element is dat degene tot wie de verklaring was gericht, deze heeft opgevat overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden mocht toekennen. Bij die omstandigheden valt onder meer te denken aan de aard en het belang van het rechtsgevolg der handeling - is het belang groot, dan is voorzichtigheid bij de interpretatie der verklaring eerder geboden. Dit geldt ook als de verklaring, zoals de aanvaarding van een aanbod, wordt afgelegd door iemand die beschikt over weinig deskundigheid, welke niettemin voor de beoordeling van het aanbod vereist is. Voorzichtigheid is zeker ook geboden, als de rechtshandeling voorzienbaar nadeel voor de verklarende persoon inhoudt. Zij zal dan de wederpartij ertoe verplichten te onderzoeken of degene die de verklaring aflegt, haar strekking en inhoud wel heeft begrepen. Voor een beroep op de regel van artikel 35 is niet vereist dat aan degene die de verklaring heeft afgelegd, enig verwijt valt te maken over het afwijken van wil en verklaring. Evenmin is vereist dat de wederpartij zelf nadeel bij de ongeldigheid der rechtshandeling zou lijden. In vroegere jurisprudentie onder het huidige recht is dat nadeel- vereiste wel gesteld, toen het beroep slechts werd aanvaard bij overeenkomsten onder bezwarende titel en daarmee vergelijkbare handelingen, alsmede wanneer de wederpartij iets heeft gedaan of nagelaten, waardoor ze bij ongedaanmaking der handeling (bijvoorbeeld het door een werknemer genomen ontslag) in een ongunstiger positie zou geraken (bijvoorbeeld omdat ze de vertrokken werknemer inmiddels door een ander heeft vervangen). Hoewel dit vereiste in het ontwerp niet is gesteld, kan het ontbreken van ieder nadeel voor de wederpartij onder omstandigheden wel meebrengen dat haar beroep op de regel van artikel 35 in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou komen en daardoor als onaanvaardbaar is te beschouwen. Zoals reeds vermeld, bouwt artikel 35 mede voort op rechtspraak onder het huidige recht. Deze jurisprudentie zal veelal ook onder het nieuwe recht leidraad zijn. Aldus bijvoorbeeld voor het geval partijen in hun verklaringen een voor misverstand vatbare uitdrukking hebben gebezigd die zij, naar achteraf blijkt, in verschillende zin hebben opgevat. Voor het antwoord op de vraag of dan een overeenkomst totstandgekomen is komt het, aldus de Hoge Raad, aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, waarbij hij verschillende concrete omstandigheden noemt die voor de beoordeling van belang zijn. Zie HR 17-12-1976, NJ 1977, 241. Over de uitleg van onduidelijke contractbedingen in dezelfde geest onder andere HR 1-7-1977, NJ 1978, 125 en HR 13-3-1981, NJ 1981, 635. 2024 -399- No. 164 Geen bescherming wordt verleend aan een wederpartij die heeft vertrouwd op een van een vervalste hand- tekening voorziene verklaring, zelfs al mocht hij de echtheid daarvan redelijkerwijze aannemen. Dat is alleen anders wanneer aam degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze ook mocht houden (HR 7-2-1992, NJ 1992, 809; vgl. het in artikel 61 lid 2 gestelde criterium).

  1123. Artikel 36 Verleent artikel 35 de wederpartij te goeder trouw bij een - in beginsel ongeldige - rechtshandeling bescherming, artikel 36 doet dat ten behoeve van degene die als derde belang heeft bij het al dan niet bestaan van een bepaalde rechtsbetrekking; als zo'n derde kan onder meer worden beschouwd een rechtsopvolger onder bijzondere titel van een partij bij een rechtsbetrekking, zoals een cessionaris. Het artikel steunt op de uitleg die rechtspraak en literatuur hebben gegeven aan de regel die in artikel 1894 van het BW is vervat. Het artikel beschermt iemand die is afgegaan op de schijn, niet zoals bij het vorige artikel van het bestaan van een wil die met een verklaring overeenstemt, maar van het bestaan of niet bestaan van een rechtsbetrekking. De bepaling kan ook worden ingeroepen, indien degene die de schijn wekte, geen verwijt treft. Wel is vereist dat het vertrouwen berust op een verklaring of gedraging die de belanghebbende heeft opgevat overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen. Ook hier kan derhalve een verplichting tot nader onderzoek bestaan. Zo zal een cessionaris niet zonder meer mogen afgaan op een eerder gedateerde schuldbekentenis van de debitor cessus: daaruit volgt immers niet dat de schuld op het ogenblik der cessie nog bestaat en niet voor bijvoorbeeld vernietiging van de kant van de debitor cessus vatbaar is. Anders dan bij artikel 35 wordt vereist dat de derde in redelijk vertrouwen op de juistheid van zijn door de schijn gewekte veronderstelling heeft gehandeld. Juist met betrekking tot die handeling vindt hij bescherming: op de onjuistheid van zijn veronderstelling mag met betrekking tot die handeling geen beroep worden gedaan. De bescherming van het artikel strekt zich niet uit tot eventuele handelingen die de derde verricht, nadat hij van de ware stand van zaken op de hoogte is gekomen. De bepaling beschermt de derde, maar deze kan van de hem verleende bescherming afzien. Het artikel is niet het enige dat in het nieuwe BW een regel van derdenbescherming zal bevatten. Zulke speciale regels zullen in het goederenrecht ook worden voorgesteld ten behoeve van verkrijgers van register- goederen (artikelen 24 tot en met 26) en ter bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van een vervreem- der (artikelen 86 tot en met 88; vgl. artikel 1998 van het BW).

  1124. Artikel 37 In dit artikel worden enige nadere regels omtrent de in artikel 33 bedoelde verklaring gegeven. Zij komen overeen met hetgeen ook onder het huidige recht in rechtspraak en literatuur wordt aanvaard. De eerste twee leden hebben betrekking op de vorm der verklaring, die in beginsel vrij is; onder omstandig- heden kan ook een nalaten of stilzwijgen als een verklaring worden uitgelegd. Soms eist de wet echter bijvoorbeeld geschrift of authentieke akte, waarbij aangetekend wordt dat ook gebruikmaking van moderne middelen als telex en fax een wijze van schriftelijk verkeer is. Lid 2 is wenselijk omdat een exploot technisch een mondelinge verklaring is. In lid 3 wordt uitgegaan van wat in de literatuur wel de "ontvangsttheorie" wordt genoemd. In de tweede zin wordt de eerste enigszins gecorrigeerd voor de gevallen waarin de verklaring de geadresseerde niet of niet tijdig bereikt wegens een omstandigheid die aan deze is toe te rekenen, bijvoorbeeld zijn niet medegedeelde afwezigheid, het in gebreke blijven van zijn huisgenoten, enz. Lid 4 legt het risico van het falen van een "bode" in beginsel op de verzender. Lid 5 geeft het criterium voor het werken van een intrekking van een verklaring. Van de intrekking (van een nog niet werkende verklaring) moet de herroeping (van een voltooide verklaring) worden onderscheiden. 2024 -400- No. 164

  1125. Artikel 38 Regel is dat het intreden en ophouden van de volledige werking van een rechtshandeling afhankelijk kan worden gesteld van een toekomstige gebeurtenis, hetzij dat die gebeurtenis zeker is (tijdsbepaling), hetzij dat ze onzeker is (voorwaarde). Treedt de werking door de gebeurtenis in, dan is er een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde, wordt ze beëindigd, dan is er een ontbindende. Uitzonderingen als bedoeld in lid 1, zijn er slechts weinige. Zo neemt men aan dat het aanvaarden en verwerpen van een erfenis niet onder tijdsbepaling of voorwaarde kan geschieden. Nadere bepalingen omtrent de tijdsbepaling en de voorwaarde komen voor in de titels 3.4 (artikelen 84, 85, 91 en 92) en 6.1 (artikelen 6:21 tot en met 26 en 6:39). In lid 2 wijkt het artikel af van geldend recht: anders dan volgens huidig recht (artikel 1282 BW) heeft de vervulling der voorwaarde geen terugwerkende kracht, zoals die ook aan de ontbinding van een wederkerige overeenkomst zal komen te ontvallen (vgl. thans nog artikel 1287 BW): terugwerkende kracht heeft rechts- onzekerheid tot gevolg, die in het nieuwe wetboek zoveel mogelijk wordt teruggedrongen. Wél heeft de vervulling van een voorwaarde die in het recht op een goed wijziging brengt, zakelijke - "goede- renrechtelijke" - werking. Vandaar dat de voorwaarde zelf en haar vervulling voor zover zij de positie van registergoederen betreffen, in de openbare registers zullen kunnen worden ingeschreven; hetzelfde zal gelden voor de tijdsbepaling en de verschijning van een onzeker tijdstip waarop de termijn een einde neemt (vgl. artikel 17 lid 1, onderdelen a en c). Artikelen 39 tot en met 43 De reeks van deze artikelen is gewijd aan gevallen van nietigheid (artikelen 39, 40 en 43) en gevolgen daarvan (artikel 41 en 42); zie ook de artikelen 57 inzake het ontbreken van goedkeuring enz., en 58 inzake bekrachtiging van nietige rechtshandelingen. Een op grond van een nietige rechtshandeling reeds geleverde prestatie is onverschuldigd betaald, en kan als zodanig worden teruggevorderd, in beginsel zelfs wanneer de partij die het betaalde terugvordert, zich daartoe op het onoorbare van zijn gedrag moet beroepen (zie HR 28-6-1991, NJ 1992, 787). Voor het geval een zodanige terugvordering niet redelijk zou zijn, behoort de regeling der onverschuldigde betaling daarvoor een voorziening te bevatten (aldus artikel 6:210 lid 2), terwijl ook de redelijkheid en billijkheid zich tegen (volledige) terugvordering kunnen verzetten (zie laatstgenoemd arrest).

  1126. Artikel 39 Het artikel sanctioneert in het algemeen een vormvereiste dat de wet stelt, zoals geschrift of authentieke akte, met nietigheid, indien de vorm voor de geldigheid, het ontstaan of bestaan van de rechtshandeling is voorgeschreven. Geldt het vereiste alleen om werking jegens derden te verlenen, zoals de inschrijving van een octrooi, of dient ze tot bewijs, zoals de polis van verzekering, dan is deze bepaling niet van toepassing. Strekt het vormvereiste tot bescherming van slechts een der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, dan zal uit (interpretatie van) de wet kunnen voortvloeien dat slechts aan deze partij de bevoegdheid toekomt daarop een beroep, als op een grond tot vernietiging te doen. Het artikel wijkt niet af van wat gewoonlijk ook onder het huidige recht wordt aangenomen.

  1127. Artikel 40 Het onderwerp dat in het artikel wordt geregeld, heeft zich onder het huidige recht ontwikkeld aan de hand van het leerstuk van de geoorloofde oorzaak in de artikelen 1341, onderdeel 4, 1356 en 1358 BW. In het bijzonder de rechtspraak heeft tot die ontwikkeling in de doctrine aanleiding gegeven en aldus ligt zij aan de in het artikel vervatte bepalingen ten grondslag. Daarbij wordt niet langer gebruik gemaakt van het weinig duidelijke begrip (geoorloofde) oorzaak. Lid 1 sanctioneert strijd van een rechtshandeling met de goede zeden of de openbare orde met nietigheid. Het eerste criterium, dat van de goede zeden, legt het accent op toetsing aan ethische normen, het tweede, dat van de openbare orde, op toetsing aan de fundamentele beginselen van de maatschappelijke orde en van de 2024 -401- No. 164 rechtsstaat, maar een scherp onderscheid is vaak niet te maken. Aldus bijvoorbeeld indien iemand het verrich- ten van een handeling, waartoe hij wettelijk verplicht is of waartoe hij zich slechts door het belang van een derde, zoals dat van een aan zijn zorg toevertrouwd kind, mag laten leiden, afhankelijk stelt van een beloning. Een deel van de problematiek der "geoorloofde oorzaak" wordt onder het nieuwe recht verplaatst naar die van de wilsgebreken, nu onder artikel 44 de rubriek misbruik van omstandigheden is opgenomen; zgn. woeker- contracten zullen meestal daaraan worden getoetst. Door haar inhoud is een rechtshandeling in strijd met de goede zeden of de openbare orde, als zij rechtstreeks verplicht tot een onzedelijke of maatschappelijk niet te tolereren prestatie, zoals het verraden van bedrijfsgeheimen van de werkgever, of indien het samenstel van prestaties niet door de morele beugel kan - vgl. de hierboven bedoelde nakoming van de verbintenis tot het verrichten van prestaties waarvoor men zich ten onrechte laat betalen. Door haar strekking kan een handeling in strijd met de openbare orde of de goede zeden komen, als ze, hoewel op zichzelf neutraal, in een verband staat dat haar een onoorbaar karakter geeft, en dat de partijen ook kennen (of dat zo voor de hand ligt dat zij het behoren te kennen). Aldus wanneer het voor de anderen kenbare motief van een der partijen verwerpelijk is; men denke aan het bekende voorbeeld van de koop van een revolver met de, tegenover de verkoper geuite, bedoeling daarmee iemand neer te schieten. De regels van de goede zeden en openbare orde zijn naar plaats en tijd gebonden. Zo is in de rechtspraak de verkoop van inventaris en goodwill van een bordeel (HR 2-2-1990, NJ 1991, 265) en de deelneming aan een loterij die in strijd was met de Arubaanse Loterijverordening (HR 7-9-1990, NJ 1991, 266), gegeven de maatschappelijke ontwikkelingen terzake, niet als in strijd met de openbare orde en de goede zeden beschouwd. Het verrichten van een rechtshandeling - zoals het aangaan van een overeenkomst - in rechtstreekse strijd met de formele wet wordt niet beheerst door lid 1, maar door de speciale bepalingen van het tweede en derde lid. Lid 1 bestrijkt echter wél gevallen waarin zich een conflict met de wet in ruimere zin voordoet. Als zodanig plegen te worden genoemd de volgende drie categorieën: a. strijd met een - niet gedelegeerde - regeling die van een lagere wetgever afkomstig is; b. handelingen die niet zelf door de formele wet zijn verboden, doch tot een verboden prestatie verplichten; c. handelingen die evenmin zelf door de formele wet zijn verboden, doch niet zonder wetsovertreding kunnen worden verricht. Vgl. HR 11-5-1951, NJ 1952, 128. Zodanige rechtshandelingen leiden er in elk geval toe dat nakoming van de verbintenis tot het verrichten der prestatie niet kan worden afgedwongen. Of zij ook zelf wegens strijd met de openbare orde nietig zijn, moet aan hun inhoud en strekking worden getoetst. Uit de regeling zelf zal het antwoord niet dikwijls blijken: zo'n regeling is gewoonlijk niet van burgerrechtelijke aard, bijvoorbeeld wanneer zij voor bepaalde activiteiten het bezit van een vergunning vereist. De vraag of er in de genoemde gevallen nietigheid wegens strijd met de openbare orde is, is derhalve aan het oordeel van de rechter onderworpen. Als gevolg van haar verboden strek- king zal de handeling dan alleen nietig zijn, als alle erbij betrokken partijen wisten of wel moesten weten dat een wettelijk verbod zich tegen de nakoming verzette (vgl. HR 28-6-1991, NJ 1992, 787, hierboven reeds ge- noemd, ter zake van uitlening van werknemers zonder vergunning). Lid 2 richt zich tegen rechtshandelingen welke op het tijdstip van het verrichten naar hun inhoud in strijd zijn met dwingende bepalingen die bij wet zijn vastgesteld, inclusief de daardoor gedelegeerde regelgeving (of eventueel met die van een verdrag); als zodanig tijdstip geldt voor de overeenkomst het tijdstip waarop deze wordt aangegaan. De sanctie op strijd met de wet is volgens lid 2 in de regel (absolute) nietigheid, maar het artikel laat tweeërlei uitzondering toe. 2024 -402- No. 164 Lid 2 zelf vervangt de nietigheidssanctie door die van vernietigbaarheid, als de geschonden wetsbepaling strekt tot bescherming van een der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling: de rechtshandeling is dan niet van rechtswege nietig en alleen de beschermde partij kan op de grond der vernietiging een beroep doen. Intussen kan ook hiervan op grond van de tekst of strekking der wet weer een uitzondering worden gemaakt. Zo worden talrijke bepalingen in het arbeidsovereenkomstenrecht, die alleen de werknemer beschermen, niettemin met nietigheid gesanctioneerd, zodat de rechter die nietigheid in verstekzaken ook ambtshalve kan uitspreken - anderzijds zal die nietigheid niet tegen de wil van de werknemer op verlangen van de werkgever kunnen worden uitgesproken. Sommige van zulke arbeidsrechtelijke bedingen zijn "semi-dwingend": ze zijn dan niet nietig, als ze bijvoorbeeld bij geschrifte zijn aangegaan. Lid 3 bevat een andere afwijking van de hoofdregel van lid 2: uit de (tekst of) strekking der wet kan voortvloeien dat de rechtshandeling, ofschoon met de wet in strijd, niettemin geldig is. Dat doet zich onder andere nogal eens voor bij overtreding van wetten die economisch ordeningsrecht bevatten, zoals winkelslui- tingsregelingen, en van fiscale wetgeving; zie ook HR 22-1-1999, NJ 2000, 305. Lid 3 kan niet leiden tot derogatie aan lid 1 (HR 7-4-2000, NJ 2000, 652).

  1128. Artikel 41 Een rechtshandeling kan voor een deel door nietigheid - zowel van rechtswege als na vernietiging - worden getroffen. Zo kan een bedongen prijs hoger zijn dan die welke wettelijk is toegelaten en zal volgens de regeling betreffende algemene voorwaarden welke in Boek 6 zal worden voorgesteld, een onereus beding uit een overeenkomst kunnen worden vernietigd. Alsdan rijst de vraag, of de rest der rechtshandeling (overeen- komst) in stand blijft. Het artikel geeft het criterium ter beantwoording van deze kwestie van gedeeltelijke of partiële nietigheid: uit inhoud en strekking der rechtshandeling - de verklaringen van partijen en hun, voor de wederpartij kenbare bedoelingen - moet worden afgeleid, of en in hoeverre het restant in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat. Het criterium is onder het huidige recht al bij wege van anticipatie toege- past in HR 16-11-1984, NJ 1985, 624 (de Antilliaanse zaak Buena Vista betreffende een vordering tot betaling van het restant van een koopsom, hoger dan ter ontduiking van overdrachtsbelasting in de akte was vermeld).

  1129. Artikel 42 Ook conversie of omzetting van een nietige rechtshandeling in een geldige is door de rechtspraak in het huidi- ge recht erkend. Huwelijkse voorwaarden die ongeldig zijn omdat hun werking van een voorwaarde af- hankelijk is gesteld, lenen zich tot omzetting in huwelijkse voorwaarden die, onder uitsluiting van gemeen- schap van goederen, een verrekenbeding bevatten (HR 21-1-1944, NJ 1944, 120). In latere jaren is conversie in het bijzonder in ontslagzaken toegepast. Aan de werking van een ontslag op staande voet dat nietig is omdat een dringende reden daartoe ontbreekt, komt, indien aan bepaalde vereisten wordt voldaan, het rechtsgevolg toe van een beëindiging door opzegging met inachtneming van de opzeg- termijn tegen de vroegst mogelijke datum die de wet toelaat (HR 23-1-1981, NJ 1981, 284). Aldus wordt voorkomen dat pas kan worden opgezegd, nadat bij onherroepelijke uitspraak is beslist dat het ontslag ongeldig was, met alle (financiële) gevolgen van dien. De conversie heeft van rechtswege plaats, de rechter constateert haar ambtshalve (HR 22-11-2002, NJ 2003, 34). Zij geldt zowel rechtshandelingen die door wetsbepaling nietig zijn als rechtshandelingen die vernietigd zijn.

  1130. Artikel 42 formuleert de vereisten die aan de geldige alternatieve handeling moeten worden gesteld, waar- onder de veronderstelling dat deze indertijd kon en zou zijn gekozen wanneer van de wél verrichte rechts- handeling wegens haar ongeldigheid was afgezien. De aard van het nietigheidsvoorschrift en het wettelijke stelsel kunnen omzetting verhinderen; zo wordt een bedongen proeftijd die de wettelijke maximumtermijn overschrijdt, niet omgezet in een die tot die termijn is beperkt (HR 8-7-1987, NJ 1988, 232). Ook komt de conversie niet tot stand, als een derde-belanghebbende - zoals degene tot wie het ontslag is gericht - kan aantonen dat ze jegens hem onredelijk zou zijn. 2024 -403- No. 164

  1131. Artikel 43 De nietigheid, in dit artikel voorzien, vindt haar oorsprong in de gedachte van bescherming van de openbare orde: personen die met overheidsgezag zijn bekleed of op wier onpartijdigheid anderszins moet kunnen wor- den vertrouwd, behoren zichzelf niet door slinkse transacties te kunnen bevoordelen - zelfs de schijn des kwaads moet worden vermeden. Het artikel regelt de materie die nu in de artikelen 1489 tot en met 1491 BW is vervat, maar is in enkele opzichten verduidelijkt en gemoderniseerd. Niet is overgenomen artikel 1491 lid 1, van het BW, voor zover dat lasthebbers en voogden betreft; het gaat hier om bescherming van een particulier, de lastgever, en deze zal haar regeling vinden in de titel inzake lastgeving (zie artikel 7:409). De tekst van het artikel wijkt in lid 1 onderdelen a en c en lid 3, met het oog op de verhoudingen hier te lande, iets af van het overeenkomstige artikel 43 van het Ned. BW. In lid 1 onderdeel c, is – naast vermelding van de Staat – gekozen voor de algemene term "openbaar lichaam" - als publiekrechtelijk lichaam ook te onderscheiden van de openbare instelling die mede bijvoorbeeld overheidsstichtingen en -vennootschappen omvat; in lid 3 is aangesloten bij artikel 1491 lid 2 van het BW. Het artikel verklaart in beginsel nietig elke rechtshandeling die strekt tot verkrijging van bepaalde goederen door bepaalde personen. Hierbij valt niet alleen te denken aan overdracht, aan afstand dan wel aan vestiging van een beperkt recht, maar ook aan verkrijging krachtens testament - erfstelling, legaat - en toedeling uit een gemeenschap, zoals een nalatenschap. Ook verkrijging van een afhankelijk recht als pand en hypotheek door cessie van de vordering wordt door het artikel bestreken. Bij overdracht, afstand en vestiging van een beperkt recht is niet alleen de "goederenrechtelijke" handeling nietig, doch ook de titel. Dat kan van belang zijn als ten tijde van de totstandkoming van de titel de omstandig- heden die het verbod rechtvaardigen, nog bestaan, maar dat ten tijde van de overdracht enz. niet langer het geval is: de nietigheid van de titel maakt dan ook de overdracht in beginsel ongeldig. De vergaande strekking van lid 1 wordt in lid 2 enigszins beperkt voor normale erfrechtelijke handelingen. Bij verkrijging door "tussenkomende personen" moet worden gedacht aan personen die op eigen naam handelen, doch ten behoeve van iemand die een in lid 1 vermelde hoedanigheid heeft. De kring van de in lid 1 bedoelde personen moet ruim worden opgevat. Hij omvat ook bijvoorbeeld plaatsvervangers van rechters en kandidaat-notarissen op een notariskantoor werkzaam alsmede leden van openbare colleges. De sanctie op de in het artikel omschreven handelingsbevoegdheid is tweeërlei: absolute nietigheid en scha- devergoeding van de "verkrijger" aan de "vervreemder". Artikelen 44 tot en met 56 Deze artikelen hebben betrekking op de vernietigbaarheid en de vernietiging van rechtshandelingen. De artikelen 44 tot en met 48 behandelen verschillende gevallen van vernietigbaarheid, waarbij dient te worden bedacht dat zulke gevallen ook elders voorkomen, zoals in de reeds behandelde artikelen 32, 34 en 40 lid 2, maar ook daarbuiten, zoals dwaling en onereuze algemene voorwaarden. De artikelen 49 tot en met 56 geven verschillende regels omtrent de vernietiging en haar gevolgen.

  1132. Artikel 44 Lid 1 noemt de drie "wilsgebreken", die in beginsel alle rechtshandelingen - zowel de eenzijdige als de meerzijdige - aantastbaar maken. Daartoe behoort niet de dwaling. Deze is in Boek 6 (artikel 6:228) wel geregeld voor overeenkomsten en andere meerzijdige rechtshandelingen, terwijl voor de verdeling van een gemeenschap - "boedelscheiding" - een eigen regeling zal worden voorgesteld in titel 3.7. Een algemene bepaling inzake dwaling is er echter niet - wel zijn er bijvoorbeeld enkele erfrechtelijke dwalingsbepalingen inzake enige eenzijdige rechtshandelingen, zoals uiterste wil en de aanvaarding van erfenissen. Bij andere eenzijdige rechtshandelingen is vernietiging wegens dwaling dikwijls niet wettelijk geregeld, maar ook niet uitgesloten, waarbij wel geregelde gevallen zich soms voor analogische toepassing kunnen lenen. 2024 -404- No. 164 Als gronden voor vernietiging noemt het artikel een drietal wilsgebreken: bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden. Voor de regeling der bedreiging vergelijke men die inzake "geweld" in de artikelen 1344 tot en met 1348 van het huidige wetboek, voor die van bedrog artikel 1349. De nieuwe regeling wijkt daarvan in details af. In het huidige wetboek ontbreekt het misbruik van omstandigheden als grond tot vernietiging. Men "behelpt" zich daarvoor in de jurisprudentie met het ontbreken van een geoorloofde oorzaak in gevallen van zodanig misbruik; dit is echter een gebrek dat nietigheid van de rechtshandeling tot gevolg heeft, welke ook door de wederpartij van het slachtoffer zou kunnen worden ingeroepen en door de rechter ambtshalve moet worden geconstateerd, ook als het slachtoffer zelf de rechtshandeling in stand zou willen houden. Daarom is vernietig- baarheid hier een zuiverder sanctie. Aan de drie gevallen gemeen is, dat iemand door de uitgeoefende druk of misleiding tot het verrichten van de handeling is bewogen, dat wil zeggen dat hij onder de invloed daarvan is gekomen tot een rechtshandeling die hij anders had nagelaten. In die zin zal hij die handeling als nadelig beschouwen, doch dit nadeel behoeft niet van financiële aard te zijn (vgl. HR 19-1-2001, NJ 2001, 159). Lid 2 Bedreiging behoeft niet te bestaan uit het dreigen met geweld - absoluut geweld ("vis absoluta") heeft het ontbreken van de wil, en daardoor de nietigheid der rechtshandeling tot gevolg. Ook bedreiging met bijvoorbeeld het aanvragen van faillissement en zelfs met niet-nakoming van een verplichting (HR 27-3-1992, NJ 1992, 377) kan bedreiging in de zin van dat lid betekenen. Beslissend is of de bedreiging onrechtmatig, volgens wet of verkeersopvattingen ongeoorloofd is. Is ze dat, dan is ze tevens een onrechtmatige daad, met alle gevolgen daarvan. Zie HR 8-1-1999, NJ 1999, 342. Lid 3 Bedrog kan worden omschreven als opzettelijke misleiding door middel van een kunstgreep; ook hier is samenloop met onrechtmatige daad. De nieuwe regeling is in enkele opzichten strenger dan onder het regime van artikel 1349 van het BW wel wordt aangenomen. Zo wordt nu gesproken van "kunstgreep" in het enkel- voud, waar in artikel 1349 het meervoud wordt vereist. Dat de enkele leugen als een zodanige kunstgreep kan worden beschouwd, volgt nu duidelijk uit de tekst, evenals het zwijgen waar spreken (morele) plicht is. Een voorbeeld van een kunstgreep van andere aard is het zich voordoen onder een naam of in een hoedanigheid die men niet bezit. Strenger is de nieuwe regeling voorts in zoverre dat zij ook een beroep op vernietigbaarheid wegens bedrog toelaat, indien dat niet door de wederpartij, maar door een derde is gepleegd, zij het dat lid 5 hier een beperking aanbrengt. Lid 4 De omstandigheden waarvan misbruik wordt gemaakt, en die in de bepaling niet limitatief worden opgesomd, kunnen zowel in de persoonlijke aard van het slachtoffer liggen, zoals lichtzinnigheid of gemoedstoestand, als daarbuiten, zoals noodtoestand, die bijvoorbeeld door de monopoliepositie van de wederpartij kan worden veroorzaakt. Het misbruik bestaat daarin dat iemand het totstandkomen van de rechtshandeling bevordert, hoewel hetgeen hij weet of moet begrijpen van de omstandigheden waarin de ander verkeert, hem daarin zou behoren te weerhouden; over de kenbaarheid zie HR 29-11-2002, NJ 2003, 243. Het kan zijn dat het misbruik blijkt uit het financiële nadeel dat door de rechtshandeling wordt geleden, maar misbruik is ook zonder zulk financieel nadeel zeer wel denkbaar. Als een schenker zich op vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden beroept, berust de bewijslast – van het tegendeel – in beginsel op de begiftigde (artikel 7:176). Lid 5 Bij de bespreking van lid 3 is er reeds op gewezen dat de bevoegdheid tot vernietiging ook kan bestaan, als het bedrog door een derde is gepleegd. Hetzelfde geldt voor bedreiging en misbruik van omstandigheden. Voor al die gevallen bevat lid 5 echter een regel ter bescherming van de wederpartij die geen reden had de oorzaak van het wilsgebrek te veronderstellen, een bepaling van goede trouw derhalve in de geest van artikel 11. 2024 -405- No. 164

  1133. Artikel 45 Dit artikel, gevolgd door de artikelen 46 tot en met 48, geeft een regeling ter zake van de vernietigbaarheid van zgn. paulianeuze rechtshandelingen, die in de plaats komt van artikel 1362 van het BW; de artikelen 46 en 47 sluiten aan bij de huidige regeling van de faillissementspauliana, doch bevatten nieuwe elementen. Als een paulianeuze handeling wordt beschouwd een onverplichte rechtshandeling - de voldoening aan een natuurlijke verbintenis en betaling voor de vervaldag daaronder begrepen - die een schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelt, terwijl de schuldenaar die de handeling verricht, dit weet of behoort te weten. De regeling in artikel 45 wijkt niet wezenlijk af van die in artikel 1362 van het BW, met dien verstande dat bij de uitleg van dat artikel enige onzekerheid bestaat over het karakter van de daar gebezigde term "inroepen van de nietigheid". Wel is een aantal elementen thans uitdrukkelijk uitgeschreven, die in het huidige artikel niet voorkomen, maar wel als geldend recht worden aanvaard door de (rechtspraak en) doctrine, veelal met gebruik van analogische toepassing van de regeling der faillissementspauliana. Aldus de beperkingen in lid 1 tot rechtshandelingen, en tot bescherming in (geldelijke) verhaalsmogelijkheden (in tegenstelling tot de zgn. verruimde pauliana, waarvan is verdedigd dat de vernietiging ook de overdracht van een, aan een ander toegezegd, goed zou moeten kunnen treffen). Van een benadeling in verhaalsmogelijkheden kan ook sprake zijn als door de transactie het vermogen van de nadien gefailleerde per saldo niet is verminderd, maar slechts bepaalde schuldeisers daardoor zijn gebaat (HR 22-5-1992, NJ 1992, 526). Ook is nu uitdrukkelijk bepaald dat de vordering van de benadeelde schuldeiser pas na de rechtshan- deling kan zijn ontstaan (lid 1, slot). Het moet gaan om daadwerkelijke benadeling (HR 26-8-2003, NJ 2004, 549). De benadeling is te beoordelen naar het tijdstip waarop de schuldeiser zijn rechten doet gelden (HR 22- 9-1995, NJ 1996, 706). Ook een schuldeiser van een vordering onder opschortende voorwaarde komt in beginsel een beroep op de pauliana toe (HR 3-5-2002, NJ 2002, 393). De relatieve werking der vernietiging is thans met zoveel woorden in lid 4 neergelegd. Lid 3 is overgenomen uit artikel 42 van de Faillissementswet 1935, dat jegens degene die door een rechtshandeling van de schuldenaar om niet is bevoordeeld, de vernietiging beperkt tot hetgeen waarvoor hij op het tijdstip der vernietiging nog gebaat was, dat wil zeggen tot hetgeen toen nog niet was verteerd of verbruikt. Deze bepaling is in de tweede zin van lid 5 uitgebreid tot een derde verkrijger om niet, die te goeder trouw is; voor de beoordeling van hetgeen waardoor hij was gebaat, is dan echter beslissend het tijdstip waarop het goed van hem in of buiten rechte wordt opgeëist. Artikel 46

  1134. Artikel 45 lid 1, vereist voor de bevoegdheid tot vernietiging van paulianeuze handelingen onder meer dat de schuldenaar wist of behoorde te weten dat zijn handeling nadelig was voor schuldeisers, lid 2 vereist voor vele van die handelingen tevens dat de wederpartij dat wist of behoorde te weten. Het bewijs daarvan is dikwijls niet gemakkelijk te leveren, maar er zijn handelingen die vanwege hun aard of vanwege de relatie tussen de handelende personen als "suspecte transacties" moeten worden beschouwd, in het bijzonder wanneer zij zijn verricht kort voordat de schuldenaar weinig solvabel blijkt. Artikel 39 van de Faillissementswet 1935 bevat voor een aantal van die handelingen de regel van omkering van de bewijslast van zulk een ontbreken van goede trouw bij de schuldenaar en zijn wederpartij. In Nederland is die regel (bij de wet van 16 mei 1986, Stb. 275) uitgebreid met een reeks vermoedens die betrekking hebben op relaties die bestaan tussen de schul- denaar, al dan niet rechtspersoon, en een natuurlijke of rechtspersoon waarmee hij, eventueel via verwanten, een sterke band heeft door kapitaaldeelneming en/of bestuurs- of commissarisfuncties. De regeling van artikel 39 van de Faillissementswet 1935 werd gewoonlijk reeds op de pauliana buiten faillis- sement van overeenkomstige toepassing geacht. Ze wordt nu ook, met de in 1986 vastgestelde uitbreiding van de parallelbepaling in de Nederlandse Faillissementswet met de onderdelen 3b tot en met 6, in de regeling daarvan ingevoegd, waarbij de "verdenkingstermijn" tot een jaar wordt verlengd. In lid 1, ten 3, onderdeel b, is de schuldenaar een natuurlijke persoon en de wederpartij een rechtspersoon, in 2024 -406- No. 164 ten 4 is de schuldenaar een rechtspersoon en de wederpartij een natuurlijk persoon, in ten 5 is zowel de schuldenaar als de wederpartij rechtspersoon en in ten 6 behoren schuldenaar en wederpartij tot dezelfde groep ondernemingen. In ten 7 is rekening gehouden met de in titel 6 geregelde trust (zie D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over de invoering van de trust in het Nederlandse recht, 2004, p. 167). De relaties tussen natuurlijke en rechtspersoon of tussen de rechtspersonen onderling zijn zo geformuleerd dat steeds sprake is van directe of indirecte zeggenschap in de rechtspersonen die de omkering van de bewijslast rechtvaardigt. In de regel zullen de bedoelde rechtspersonen vennootschap zijn, maar het is niet uitgesloten dat bijvoorbeeld een machtspositie in een stichting is ondergebracht. Zo'n machtspositie kan in ten 3, onderdeel b, tot en met ten 6 van lid 1 ook door "middellijke" kapitaal- deelneming tot uiting komen, dat wil zeggen door deelneming in een vennootschap die zelf weer een meerder- heidsbelang houdt in een of meer andere vennootschappen, waardoor of waarmee de verdachte transactie wordt aangegaan. Als groepsmaatschappij (lid 1, ten 6) kan worden beschouwd een vennootschap of andere rechtspersoon die tot een concern - een groep waarin zulke maatschappijen organisatorisch met elkaar in een economische eenheid zijn verbonden - behoort. De daarop afgestemde omschrijving, die aan artikel 2:24b van het Ned. BW is ontleend, is in lid 6 opgenomen. In de leden 2 tot en met 5 wordt een - soms verruimende - interpretatie gegeven van enige begrippen die in lid 1 worden gebezigd. Lid 5 bewerkstelligt dat men uiteindelijk steeds bij natuurlijke personen als bestuurders uitkomt, ook al worden een of meer bestuurders-rechtspersonen "tussengeschoven". Lid 7 bevat ter zake een schakelbepaling betreffende de trust.

  1135. Artikel 47 Ook artikel 47 bevat een weerlegbaar vermoeden van het ontbreken van goede trouw, en wel voor handelingen om niet die binnen een jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond zijn verricht. De bepaling is aan artikel 41 van de Faillissementswet 1935 ontleend, maar ook hier is de termijn tot een jaar verlengd.

  1136. Artikel 48 Uitgangspunt bij de vorige drie artikelen zijn rechtshandelingen die door een schuldenaar met benadeling van zijn schuldeisers zijn verricht. Zulke handelingen, waardoor verhaalsmogelijkheden worden aangetast, kunnen echter ook worden verricht door degenen op wier goederen voor de schuld van anderen verhaal kan worden genomen. Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan de derde-pand- of hypotheekgever, maar zulk verhaal kan zich ook bij retentierecht en speciale privileges, bijvoorbeeld voor de kosten van behoud, voordoen.

  1137. Artikel 48 stelt zulke derden voor de toepassing van de artikelen 45 tot en met 47 met de schuldenaar gelijk. De artikelen 49 tot en met 56 gelden in beginsel voor alle gevallen van vernietiging. In de eerste plaats gelden zij dus de vernietigbaarheden van titel 3.2: onbekwaamheid (artikel 32), geestelijke stoornis (artikel 34), strijd met de wet (artikel 40 lid 2), wilsgebreken (artikel 44) en pauliana (artikel 45), vervolgens elders in het vermogensrecht geregelde vernietiging van rechtshandelingen, zoals wegens dwaling, en ten slotte, via de schakelbepaling van artikel 59, ook de buiten het vermogensrecht geregelde gevallen van vernietiging, zoals van artikel 1:89. Artikel 49

  1138. Artikel 49 is een inleidende bepaling, die in de daaropvolgende bepalingen nader wordt uitgewerkt. Het huidige wetboek maakt geen duidelijk onderscheid tussen nietigheid van rechtswege en vernietiging, waar- naast ook de term nietigverklaring voorkomt; zie bijvoorbeeld artikel 1467. Uit de, niet steeds heldere, bepalingen van de artikelen 1467 tot en met 1477 leidt men overigens af dat althans een rechterlijke uitspraak is vereist voor vernietiging wegens onbekwaamheid en wilsgebreken, terwijl uit artikel 1362 wordt afgeleid dat de nietigheid van paulianeuze handelingen op elke wijze kan worden ingeroepen. 2024 -407- No. 164 Het nieuwe wetboek maakt wel een duidelijk onderscheid tussen nietigheid en vernietigbaarheid. Artikel 49 bepaalt nu voor in beginsel alle gevallen dat een rechtshandeling niet alleen door rechterlijke uitspraak, doch ook bij buitengerechtelijke verklaring kan worden vernietigd. Artikel 50

  1139. Artikel 50 geeft een nadere uitwerking aan de vernietiging bij buitengerechtelijke verklaring. Wie de bevoegd- heid tot vernietiging toekomt, volgt uit de wettelijke regeling: de wettelijke vertegenwoordiger van de onbekwame en deze zelf nadat hij bekwaam is geworden, het slachtoffer van het wilsgebrek, enz. Vernietiging bij buitengerechtelijke verklaring is zelf een rechtshandeling, waarop de bepalingen van titel 3.2 van toepassing zijn. Lid 1 bepaalt dat voor de geldigheid der vernietiging de verklaring behoort te worden gericht tot allen die partij bij de rechtshandeling zijn. Wie partij is bij een meerzijdige rechtshandeling, is gewoonlijk duidelijk; volgens het nieuwe wetboek zal ook de derde die een te zijnen behoeve gemaakt beding aanneemt, partij zijn (artikel 6:254). Wie voor de toepassing van artikel 50 e.v. bij eenzijdige rechtshandelingen als partij wordt beschouwd, volgt uit artikel 56. Lid 2 stelt beperkingen aan vernietiging door buitengerechtelijke verklaring van rechtshandelingen met betrekking tot een registergoed. Zou iemand bij zo'n verklaring bijvoorbeeld de titel van een overdracht van een registergoed kunnen vernietigen en die verklaring doen inschrijven in het openbare register, terwijl de wederpartij zich daarbij niet neerlegt, dan zou de betrouwbaarheid van het register ernstig schade lijden. Welke rechtshandelingen onder het nieuwe wetboek zullen kunnen worden ingeschreven, zal in de derde afdeling van titel 3.1 worden geregeld. Inschrijving zal niet alleen worden vereist voor overdracht, maar ook voor afstand en vestiging van een beperkt recht (titel 3.4), alsmede voor verdeling van een gemeenschap, zoals een nalatenschap (titel 3.7). Artikel 51

  1140. Artikel 51 regelt nader de vernietiging door rechterlijke uitspraak. De vernietiging geschiedt doordat de rechter het beroep op de vernietigingsgrond aanvaardt. Zijn uitspraak daartoe is derhalve constitutief, niet declaratoir, al behoeft zij niet met zoveel woorden de vernietiging uit te spreken. Het beroep kan zowel bij wege van eis - ook in repliek - worden gedaan als bij wege van verweer. In het eerste geval is het aan een verjaringstermijn onderworpen (artikel 52), in het tweede niet (derde lid: te allen tijde). Eenzelfde verschil maakt thans ook artikel 1475, derde lid; het voorkomt dat het slachtoffer het verweer uit handen zou zijn geslagen als zijn wederpartij eerst jarenlang heeft stilgezeten alvorens zich op (de geldigheid van) de rechtshandeling te beroepen. Stelt iemand een vordering tot vernietiging in, dan moet hij alle partijen - in de ruime zin van artikel 56 – doen oproepen (lid 2). Beroept hij zich op de vernietigingsgrond bij wijze van verweer, dan zullen niet alle partijen in de procedure zijn betrokken; alsdan moet hij zo spoedig mogelijk van zijn beroep aan hem mededeling doen (derde lid). Het beroep bij wijze van verweer zal meestal door de gedaagde in een procedure worden gedaan, maar kan ook door de eiser geschieden, als deze zich door de wederpartij ziet geconfronteerd met een beroep op de geldigheid der te vernietigen rechtshandeling. Verweer tegen een andere rechtsmaatregel dan een rechtsvordering kan voorkomen bij parate executie door een pand- of hypotheekhouder, bij executie op grond van een authentieke akte en bij derdenbeslag. Artikel 52

  1141. Artikel 52 bindt het beroep op een vernietigingsgrond, dat niet bij wege van verweer geschiedt, aan beperkte termijnen. In overeenstemming met het systeem van het nieuwe wetboek, waarin de bevrijdende verjaring niet het recht doch de rechtsvordering teniet doet gaan, heeft lid 1 betrekking op de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, terwijl lid 2 op het tijdstip van de voltooiing der verjaring tevens de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging doet vervallen. 2024 -408- No. 164 De verjaringstermijn is, in afwijking van de vijfjaars-termijn van artikel 1475 lid 1 van het BW, op drie jaar gesteld. Het tijdstip van waaraf de termijn begint te lopen is gepreciseerd voor de gevallen uit titel 3.2 die zich daartoe lenen. In lid 1 onderdeel d, is voor de overige gevallen een algemene formule gekozen; zo zal de termijn in het geval van geestelijke stoornis (artikel 34) aanvangen zodra de stoornis is geëindigd of een cura- tor is benoemd.

  1142. Artikel 53 Vernietiging heeft in beginsel tot gevolg dat de rechtshandeling achteraf bezien van meet af aan als ongeldig wordt beschouwd; dit is in lid 1 uitgedrukt. Haar gevolgen kunnen ongedaan worden gemaakt door een vorde- ring uit onverschuldigde betaling. Als ze de overgang van een goed tot gevolg heeft gehad, kan de revindicatie worden ingesteld, behoudens de bepalingen van derdenbescherming. Ter verzachting van deze regel wordt aan de rechter de - discretionaire - bevoegdheid verleend om desgevraagd aan de vernietiging haar werking geheel of gedeeltelijk te ontzeggen; bij gedeeltelijke ontzegging valt te denken zowel aan de terugwerkende kracht - de rechtshandeling is alleen voor het vervolg of van een bepaald tijdstip af ongeldig - als aan de inhoud en strekking der rechtshandeling. De rechter heeft die bevoegdheid alleen als de reeds ingetreden gevolgen der rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt - hij kan daarbij letten zowel op de feitelijke toestand als op de belangen die door de vernietiging worden getroffen. Zo zal de vernietiging van de opzegging van een huurovereenkomst bezwaarlijk zijn als het goed inmiddels aan een ander is verhuurd. Voor het geval dat de gevolgen in het geheel niet ongedaan kunnen worden gemaakt, zal de regeling der onverschuldigde betaling voorzieningen bevatten (zie artikel 6:210 lid 2), zodat dan aan de vernietiging niet haar werking behoeft te worden ontzegd. De voorziening kan aan de rechter worden gevraagd zowel in een procedure waarin vernietiging wordt verlangd als in een afzonderlijke procedure. Ter compensatie van de ontzegging der werking kan de rechter - ook ambtshalve - de betaling van een geld- som opleggen, schadevergoeding in natura zal hier niet in aanmerking komen. Bij nietigheid van rechtswege is lid 2 niet van toepassing, in de regel ook niet bij wege van analogie, omdat hierbij gewoonlijk niet slechts particuliere belangen zijn betrokken. Artikel 54

  1143. Artikel 54 geeft nog een tweede verzachting van de gestrengheid der vernietigingsregeling, doch alleen in het geval van misbruik van omstandigheden. Het misbruik behoeft dan niet tot vernietiging te leiden indien het nadeel dat de rechtshandeling meebrengt door wijziging van haar gevolgen (afdoende) wordt opgeheven. Lid 1 veronderstelt dat de wederpartij daartoe tijdig het initiatief neemt, in lid 2 neemt de rechter daartoe de beslissing op verlangen - al naar gelang van de procedure vordering of verzoek - van een der partijen; het slachtoffer van het misbruik zal ook rechtstreeks de compensatie in plaats van de vernietiging kunnen vorderen. Bij de toepassing gaat het hier in het bijzonder om die gevallen waarin het slachtoffer financieel is benadeeld, hetgeen door een prijswijziging kan worden tenietgedaan. Van zo'n (afdoende) compensatie zal geen sprake zijn indien het misbruik de verhouding tussen partijen zo kwaad heeft gedaan dat het slachtoffer niet meer met de wederpartij verder wil gaan. Daarom leent het artikel zich niet tot overeenkomstige toepassing bij de wils- gebreken bedreiging en bedrog. Wél is dat het geval bij dwaling, waartoe een soortgelijke bepaling in Boek 6 zal worden voorgesteld (zie artikel 6:230). Het huidige BW kent bij de boedelscheiding in artikel 1141 een soortgelijke regeling, die thans in titel 3.7 voor de verdeling der gemeenschap is opgenomen (zie de artikelen 197 en 198). Voor toepassing op nietigheid van rechtswege leent dit artikel zich in even beperkte mate als het vorige. 2024 -409- No. 164

  1144. Artikel 55 De vernietigbaarheid van een rechtshandeling doet een toestand van rechtsonzekerheid ontstaan die pas eindigt nadat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt, heeft beslist of hij die bevoegdheid zal uitoefenen - behoudens de mogelijkheid van verjaring of verval. Artikel 55 biedt twee wegen om aan die onze- kerheid een einde te maken. Lid 1 geeft aan dat degene aan wie de bevoegdheid toekomt, daarvan door bevestiging afstand kan doen. Het volgt daarin artikel 1477 van het huidige BW, dat hiervoor echter de term "bekrachtiging" bezigt. Die term is in het nieuwe wetboek voor deze rechtsfiguur vermeden, omdat hij elders voor andere gevallen wordt gebruikt (zie de artikelen 58 en 69). De bevestiging heeft geen terugwerkende kracht: zolang de rechtshandeling niet is vernietigd, is ze geldig en de bevestiging betekent alleen dat voor de toekomst van de bevoegdheid tot vernietiging wordt afgezien. Bevestiging is, evenals vernietiging, een rechtshandeling en daarom gelden voor haar de bepalingen van deze titel. Zo kan de wettelijk vertegenwoordiger haar namens de onbekwame verrichten - uiteraard niet ten behoeve van zichzelf (zie artikel 68 j artikel 79). Bevestigen kan slechts wie zich bewust is van zijn bevoegdheid tot vernietiging - vandaar het vereiste dat de verjaringstermijn voor de vernietiging een aanvang heeft genomen. Lid 2 berust op overwegingen van redelijkheid en billijkheid. Een onmiddellijk belanghebbende - de wederpartij, degene tot wie een eenzijdige handeling is gericht, maar ook een derde verkrijger - kan van degene die de bevoegdheid heeft, verlangen om zich binnen een redelijke termijn uit te spreken over vernie- tiging of bevestiging. Doet hij de keuze niet binnen redelijke termijn, dan vervalt de bevoegdheid eveneens.

  1145. Artikel 56 Voor de artikelen 50 tot en met 55 verruimt artikel 56 het begrip "partij", dat als zodanig alleen bij meerzijdige rechtshandelingen toepassing kan vinden. Voor de eenzijdige rechtshandelingen die aan vernietiging bloot- staan, onderscheidt het tussen de gerichte en de niet gerichte rechtshandelingen. Voor de eerstgenoemde, zoals een opzegging, begrijpt het onder "partij" degene tot wie de handeling, de opzegging, is gericht, voor de andere, zoals een uiterste wil, degenen die onmiddellijk belang hebben bij de instandhouding, zoals (andere) erfgenamen en legatarissen, en eventuele derden-verkrijgers van nalatenschapsgoederen.

  1146. Artikel 57 Een toestand van rechtsonzekerheid, vergelijkbaar met de bij artikel 55 bedoelde, kan ontstaan als de geldig- heid van een rechtshandeling afhankelijk is van de toestemming van een ander, zoals een overheidsorgaan of de echtgenoot in het geval van artikel 1:88. Een onmiddellijk belanghebbende - de wederpartij bij een overeenkomst, maar ook een persoon die in artikel 56 is genoemd - kan aan die onzekerheid een einde maken, door, evenals in artikel 55 lid 2 het geval is, een termijn te stellen - niet aan de derde, hetgeen immers niet passend zou zijn, maar aan een partij bij de rechtshandeling, met als gevolg dat de rechtshandeling voor hem geen gevolg zal hebben als de termijn verstrijkt zonder dat de toestemming is verkregen. Het artikel bevat voor overeenkomsten geen dwingend recht: partijen kunnen zijn werking ten opzichte van zichzelf uitsluiten.

  1147. Artikel 58 Kan de geldigheid van vernietigbare rechtshandelingen door bevestiging volgens artikel 55 worden be- schermd, ongeldigheid van nietige handelingen kan volgens artikel 58 lid 1, door bekrachtiging (of convalescentie) worden geheeld. Dat geschiedt door de vervulling achteraf van een vereiste dat de wet voor de geldigheid der handeling stelt. Het artikel zal in het bijzonder toepassing vinden bij herstel van vormverzui- men, heling van een titel van overdracht en het alsnog verkrijgen van beschikkingsbevoegdheid door een vervreemder, bijvoorbeeld het klassieke geval van de vervreemder die erfgenaam wordt van de werkelijke rechthebbende. Uit het voorbeeld blijkt dat bekrachtiging, anders dan bevestiging, niet bij rechtshandeling behoeft te geschieden. 2024 -410- No. 164 Het gevolg van de bekrachtiging is dat de handeling alsnog - dat wil zeggen met terugwerkende kracht - geldig wordt. Vereist is dat alle onmiddellijk belanghebbenden vóór de bekrachtiging de handeling als geldig hebben erkend. Voor partijen onderling komt dit erop neer dat zij jegens elkaar geen beroep op de ongeldigheid hebben gedaan. Van een derde zal zo'n expliciet beroep niet mogen worden verwacht als hij niet van de rechtshandeling op de hoogte is: zo zal van een derde niet kunnen worden gezegd dat hij een overdracht als geldig heeft erkend, wanneer hij, onkundig zowel van de overdracht als van haar ongeldigheid, zonder uitdrukkelijk beroep op die ongeldigheid, onder de vervreemder beslag legt. Voor het begrip "onmiddellijk belanghebbenden" zie men de toelichting bij artikel 56; vereist is dat er niet slechts een zeker belang bij de rechtshandeling is, maar dat men een onmiddellijk belang bij het inroepen van de ongeldigheid heeft. Een rechtshandeling, door een onbekwame verricht, is meestal vernietigbaar, maar als ze eenzijdig en niet tot een bepaalde persoon is gericht, is ze nietig (artikel 32). Volgens lid 1 zou ze in dat laatste geval bekrachtigd worden, zodra de minderjarige meerderjarig wordt of de curatele wordt beëindigd. Dit zou echter aan de bescherming van de onbekwame te kort doen. Lid 2 verhindert daarom dit gevolg. Ook lid 3 een zekere inbreuk op lid 1. Het kan zijn dat de partijen bij een rechtshandeling jegens elkaar geen beroep op haar ongeldigheid hebben gedaan, doch dat niettemin een derde aan een hunner een recht ontleent. Bijvoorbeeld indien de "vervreemder" een beperkt recht vestigt ten behoeve van een derde op een ongeldig overdragen goed. Bekrachtiging kan later de ongeldigheid helen, maar het recht van die derde blijft dan niettemin gehandhaafd.

  1148. Artikel 59 Ook buiten het vermogensrecht kent het recht talrijke rechtshandelingen. Voor het personenrecht denke men aan het huwelijk en huwelijkse voorwaarden, aan erkenning van een natuurlijk kind en ontkenning van de wettigheid van een kind, in het rechtspersonenrecht aan besluiten, inbreng, en emissie van aandelen. Men denke voorts aan procesrechtelijke en zelfs aan bestuursrechtelijke rechtshandelingen. Voor deze alle kunnen de bepalingen van titel 3.2 van belang zijn, en artikel 59 verklaart ze daarop ook van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Het belang van deze schakelbepaling is dat overeenkomstige toepassing in beginsel is geboden, en dat de rechter moet motiveren waarom hij die toepassing in een concreet geval achterwege laat. TITEL 3.3 - VOLMACHT Algemeen De titel geeft een regeling van de volmacht, de bij rechtshandeling verleende bevoegdheid tot vertegenwoordi- ging. Vertegenwoordiging kan worden omschreven als het verrichten van rechtshandelingen in naam van een ander, aan wie de rechtshandeling aldus wordt toegerekend. Daarbij is niet vereist dat de sacrale term "in naam van" is gebezigd; wel moet duidelijk zijn dat degene die aldus handelt, niet zichzelf doch een ander wil verbinden. Beslissend is hetgeen partijen in dit opzicht over en weer hebben verklaard en hetgeen zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden; ook al weet de wederpartij dat iemand ten behoe- ve van een opdrachtgever handelt, dat sluit niet uit dat hij zelfstandig als partij en niet in naam van die op- drachtgever optreedt (HR 11-3-1977, NJ 1977, 521). Burgerrechtelijke vertegenwoordiging kan ook uit andere bron dan volmacht voortvloeien: de wettelijke vertegenwoordiging van ouders, voogd en curator, wettelijke en statutaire vertegenwoordiging door bestuur- ders enz. van een rechtspersoon, vertegenwoordiging door een bewindvoerder of een zaakwaarnemer. Schakelbepalingen aan het slot van de titel - de artikelen 78 en 79 - verklaren binnen zekere grenzen de regels betreffende volmacht in beginsel van overeenkomstige toepassing op deze andere vertegenwoordigings- verhoudingen, en zelfs daarbuiten op bijvoorbeeld processuele en bestuursrechtelijke vertegenwoordiging. 2024 -411- No. 164 Voor de toerekening van onrechtmatige daden door vertegenwoordigers verricht, zal een bijzondere bepaling in het wetboek worden opgenomen (vgl. artikel 6:172). Volmacht is dikwijls verbonden aan een contractuele verhouding, als lastgeving en arbeidsovereenkomst, die de gevolmachtigde verplicht tot het verrichten van rechtshandelingen in naam van de volmachtgever. Problemen van volmacht, waarvoor de titel regels geeft, zijn onder andere óf een volmacht is verleend, hoe ver zij zich uitstrekt, wanneer zij ophoudt en wat de gevolgen zijn van het ontbreken van een volmacht indien een vertegenwoordigingshandeling is verricht. Volmacht is niet "privatief": zij berooft de volmachtgever niet van de bevoegdheid zelf (de aangewezen) rechtshandelingen te verrichten, ook niet als ze algemeen is gesteld (artikel 62) of onherroepelijk is (artikel 74). In het bestaande wetboek ontbreekt een afzonderlijke regeling van de volmacht. De voorgestelde regeling berust ten dele op bepalingen uit de titel lastgeving van het huidige wetboek (artikelen 1811 tot en met 1838); artikel 1811 bevat als element van lastgeving zelfs de regel dat de lasthebber een "zaak" verricht voor de last- gever "in deszelfs naam", maar men dient te bedenken dat lastgeving zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid zeer wel mogelijk is en ook veelvuldig voorkomt. Het nieuwe wetboek kent niet een term als "middellijke vertegenwoordiging"; wél kan een rechtsverhouding meebrengen dat iemand bezit of houderschap door bemiddeling van een ander direct, dat wil zeggen niet via het vermogen van die ander, verkrijgt. Zie artikel 110. De voorgestelde regels stemmen in hoge mate overeen met het huidige recht, zoals dat zich in rechtspraak en literatuur heeft ontwikkeld.

  1149. Artikel 60 Lid 1 geeft een omschrijving van volmacht, waarvan reeds onder Algemeen is uitgegaan. Lid 2 stelt de bevoegdheid tot het in ontvangst nemen van verklaringen - bijvoorbeeld opzegging van huur - in naam van een ander gelijk met het aldus verrichten van een rechtshandeling.

  1150. Artikel 61 Volmacht wordt bij eenzijdige rechtshandeling van de volmachtgever verleend; voor haar geldigheid is geen aanvaarding door de gevolmachtigde vereist. In de regel zal de verklaring tot deze laatste zijn gericht, maar denkbaar is dat de volmachtgever aan de beoogde wederpartij bericht dat hij zich voor de voorgenomen trans- actie door een bepaald persoon zal laten vertegenwoordigen. In het algemeen stelt de wet geen vormvereiste aan de verlening van volmacht, maar in bijzondere gevallen kan dat anders zijn, veelal daar waar de wet ook aan de rechtshandeling zelf vormvereisten stelt; zie de artikelen 191 lid 2 en 1201 lid 2 van het BW, alsmede hierna artikel 62 lid 1; daaruit mag echter niet worden geconcludeerd dat, als voor de rechtshandeling een vormvereiste is gesteld, dat ook steeds voor de volmacht verlening geldt. De verlening van volmacht kan in de aanstelling tot een zekere functie, bijvoorbeeld procura- tiehouder of winkelbediende, besloten liggen; de functie zal dan tevens veelal een aanduiding van de grenzen der volmacht bevatten. Evenals een rechtshandeling in het algemeen geldig kan zijn, hoewel de in beginsel vereiste wil ontbreekt, mits de schijn van het bestaan van die wil is gewekt, kan in geval van toerekenbare schijn iemand er niet altijd een beroep op doen dat hij geen (geldige) volmacht heeft verleend. lid 2 verleent de wederpartij, die op die schijn heeft vertrouwd, bescherming tegen het ontbreken van de volmacht, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Voor de toepasselijkheid der bepaling is vereist dat de pseudo-gevolmachtigde "in naam van een ander" heeft gehandeld (zie hiervoor onder Algemeen), en dat de schijn van volmacht, hoe dan ook, al dan niet laakbaar, door een verklaring of gedraging (vgl. de opmerking bij artikel 35) van die ander is gewekt; zo'n gedraging kan onder omstandigheden ook enig niet-doen zijn. Het vereiste van de goede trouw van de weder- partij wordt aldus omschreven dat deze het bestaan van een toereikende volmacht heeft aangenomen en dat zij dat onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze ook mocht doen (vgl. artikel 11). 2024 -412- No. 164 Mede gelet op de functie van de deurwaarder in het rechtsverkeer zal degene aan wie deze een betalingsrege- ling heeft aangeboden, in het algemeen op de bevoegdheid daartoe mogen vertrouwen, maar bijzondere om- standigheden kunnen meebrengen dat zodanig vertrouwen niet zonder meer gerechtvaardigd is (HR 24-4-1992, NJ 1993, 190). De bescherming van de wederpartij bestaat niet in een aanspraak op schadevergoeding, doch in geldigheid van de in naam van een ander verrichte handeling. Degene die een bemiddelingsopdracht geeft aan een makelaar wekt in beginsel niet de schijn dat deze bevoegd is een koopovereenkomst te sluiten; bijkomend gedrag kan wel die schijn wekken (HR 9-8-2002, NJ 2002, 543). De bepaling kan toepassing vinden, niet alleen wanneer de volmacht geheel ontbreekt, maar ook in geval van overschrijding van volmacht. Voor het geval dat de volmacht is geëindigd, zij verwezen naar artikel 76. De wederpartij kan de bescherming die de bepaling haar biedt, inroepen, maar zij kan daarvan ook afzien. Lid 3 breidt de bescherming der wederpartij te goeder trouw nog enigszins uit. Een geheel ongebruikelijke beperking in de omvang van een, volgens wet of gebruik openbaar gemaakte, volmacht verhindert niet dat zij redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Dat zij daarnaar geen onderzoek heeft gedaan, kan haar niet worden tegengeworpen: zo'n uitzonderlijke beperking geldt alleen tegen haar als zij die werkelijk kende. Bij een volgens de wet openbaar gemaakte volmacht denke men vooral aan openbaarmaking in het handelsregister. De regel is in het huidige recht niet geformuleerd.

  1151. Artikel 62 Het artikel geeft enige regels omtrent de interpretatie van een volmacht die ruim gesteld is, met het oog op de vraag of zij ook inhoudt de bevoegdheid tot het verrichten van daden van beschikking, dat wil zeggen het vervreemden en bezwaren van goederen, voor zover dat althans niet tot de normale exploitatie behoort. Het onderscheidt daartoe de algemene volmacht (lid 1) van de bijzondere (lid 2). De eerste bevat geen beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid naar de aard der handelingen of het doel waarop zij moeten zijn gericht, maar zij kan wel bepaalde handelingen ondubbelzinnig uitsluiten. Ook kan een algemene volmacht een beperking naar de tijd, bijvoorbeeld de duur der afwezigheid van de volmachtgever, bevatten. Zo'n algemene volmacht verleent geen vertegenwoordigingsbevoegdheid bij het verrichten van beschikkingshandelingen, tenzij zij zich schriftelijk en ondubbelzinnig ook daartoe uitstrekt. Voor het vereiste van een schriftelijke vorm zij verwezen naar de toelichting op artikel 37. Een bijzondere volmacht beperkt de bevoegdheden bijvoorbeeld tot bepaalde handelingen, of tot handelingen van een bepaalde soort of met het oog op een bepaald doel. In deze laatste twee gevallen kan zij in algemene bewoordingen worden verleend. Lid 2 geeft aan wanneer beschikkingshandelingen daaronder vallen, namelijk indien dat uitdrukkelijk is voorzien, alsmede indien de volmacht voor een bepaald doel is verleend en beheer en beschikking daartoe kunnen dienen. Het artikel komt in de plaats van de artikelen 1815 en 1816 lid 1 van het BW, die weinig duidelijk worden geacht. Artikel 63

  1152. Artikel 63 behelst in lid 1 een regel omtrent onbekwaamheid van de gevolmachtigde, lid 2 een omtrent die van de volmachtgever; voor de onbekwaamheid zij verwezen naar de toelichting op artikel 32. Degene die onbekwaam is tot het voor zichzelf verrichten van rechtshandelingen, is dat niet als hij dat in naam van een volmachtgever doet, aldus lid 1: de onbekwame verbindt immers niet zichzelf, maar degene die hem daartoe volmacht heeft gegeven. Uit artikel 1818 van het BW vloeit thans, tenminste voor minderjarigen, hetzelfde voort. De gevolmachtigde verbindt de volmachtgever alsof deze voor zichzelf had gehandeld. Op deze gedachte berust lid 2. 2024 -413- No. 164

  1153. Artikel 64 Het artikel behandelt de vraag in hoeverre de gevolmachtigde, indien niets anders is bepaald, bevoegd is een ander aan te wijzen die namens de volmachtgever kan of zal handelen, het vraagstuk van de zgn. substitutie. Het huidige artikel 1823 BW gaat uit van het beginsel dat de lasthebber - inclusief die met volmacht - daarin vrij is, maar dat hij onder bepaalde omstandigheden aansprakelijk kan worden gesteld. Het voorgestelde artikel gaat uit van het tegengestelde beginsel, en laat, behoudens afwijkend beding, de aanwijzing van een andere gevolmachtigde door de eerste gevolmachtigde slechts in een drietal gevallen toe, omdat deze laatste door de volmachtgever gewoonlijk juist om zijn persoonlijke kwaliteiten is uitgekozen. De sanctie is dat, behoudens het bepaalde in de artikelen 61 lid 2 en 69, de volmachtgever niet is gebonden aan een rechtshandeling die is verricht door degene die buiten de grenzen van artikel 64 door de gevolmachtig- de als vertegenwoordiger is aangewezen. De in onderdeel a genoemde uitzondering zal zich bijvoorbeeld voordoen als een volmacht inschakeling van een bank als tussenpersoon noodzakelijk maakt en deze voor de uitvoering van de opdracht op haar beurt een rechtshandeling in naam van de volmachtgever moet verrichten. Ook kan het gebruik meebrengen dat een algemene volmacht het inschakelen van andere vertegenwoordigers meebrengt. Het in onderdeel b genoemde geval zal zich voordoen als noch de volmachtgever noch de gevolmachtigde zelf kan handelen. De overeenkomstig artikel 64 aangewezen gevolmachtigde bindt de oorspronkelijke volmachtgever, niet degene die hem heeft aangesteld. Deze laatste blijft zelf ook tot vertegenwoordiging bevoegd, tenzij iets anders is bepaald of uit de omstandigheden voortvloeit. Voor de onherroepelijke volmacht gelden volgens artikel 74 lid 3 de beperkingen van artikel 64 niet.

  1154. Artikel 65 De vraag naar de individuele bevoegdheid van elk van meer gevolmachtigden is in het huidige recht niet geregeld, maar men zoekt thans wel aansluiting bij hetgeen in artikel 1649 van het BW voor de maatschap wordt bepaald. De regel is niet van dwingend recht: bepaald kan onder andere worden dat de gevolmachtigden slechts gezamenlijk kunnen optreden of dat zij een onderling verschillende taak hebben.

  1155. Artikel 66 Lid 1 geeft het wezen van de vertegenwoordiging weer: niet de vertegenwoordiger, doch de vertegenwoordigde wordt gebonden door de verklaring van de vertegenwoordiger. Ook al valt de verte- genwoordiger aldus uit de verhouding tussen de vertegenwoordigde en de wederpartij weg, hij is niet louter instrument. Daar het om zijn wilsverklaring gaat, zijn zijn wil en de gebreken daarin, alsmede de feiten die hij kent of niet kent, mede van belang voor de geldigheid van de rechtshandeling en haar gevolgen, aldus lid 2 samengevat. In welke mate daarmee moet worden gerekend, hangt af van de omstandigheden: hoe zelfstandi- ger de gevolmachtigde optreedt, des te meer moet betekenis worden gehecht aan hetgeen hij wilde of wist.

  1156. Artikel 67 Wie handelt "voor (zich of) nader te noemen meester" houdt voorshands open wie hij als contractspartij aan de wederpartij zal binden - gewoonlijk is het niet zijn bedoeling zichzelf daarvan uit te sluiten. Volgens lid 1 moet hij zijn volmachtgever dan binnen een passende termijn aan de wederpartij noemen. Blijft hij daarin in gebreke, dan geldt hijzelf als partij, tenzij dat uitgesloten is. In het laatste geval kan hij jegens de wederpartij aansprakelijk zijn wegens de niet-nakoming van lid 1. Het noemen van de naam moet zonder voorbehoud zijn geschied (HR 26-5-2000, NJ 2000, 442). 2024 -414- No. 164 Artikel 68

  1157. Artikel 68 beperkt de bevoegdheid van de gevolmachtigde om zelf als wederpartij van de volmachtgever op te treden ("Selbsteintritt"). Een conflict van belangen ligt dan voor de hand, en het wetsvoorstel laat zulk een transactie slechts toe waar dat conflict is uitgesloten. De sanctie op het verbod dat de bepaling behelst, is nietigheid van een handeling die ermee in strijd was, een nietigheid die wel door bekrachtiging overeenkom- stig artikel 69 kan worden geheeld. Het artikel bestrijkt niet het geval dat de gevolmachtigde van A tevens optreedt als gevolmachtigde van B en deze aldus tot A's wederpartij maakt.

  1158. Artikel 69 Heeft iemand zonder volmacht of met overschrijding van zijn volmacht in naam van een ander gehandeld, dan is in beginsel het resultaat nietigheid der handeling: de vertegenwoordiging is mislukt. Noch de pseudo- volmachtgever is gebonden, noch de wederpartij - en evenmin de pseudo-gevolmachtigde, die immers niet voor zichzelf handelde (zie voor diens positie artikel 70). De eerste uitzondering op het niet-gebonden zijn van de pseudo-volmachtgever is te vinden in het reeds besproken artikel 61 lid 2, namelijk als hem de schijn van volmachtgever kan worden toegerekend. De tweede uitzondering is in het onderhavige artikel te vinden; voor een derde - vertegenwoordiging ondanks het einde der volmacht - zie men artikel 76.

  1159. Artikel 69 lid 1 geeft, waar artikel 61 lid 2 niet van toepassing is, de pseudo-volmachtgever de bevoegdheid door bekrachtiging de rechtshandeling zowel ten aanzien van zichzelf als ten aanzien van de wederpartij alsnog geldigheid te verlenen. De bekrachtiging is zelf een eenzijdige rechtshandeling van de pseudo-vol- machtgever, die, op de hoogte van de ongeldigheid, haar, uitdrukkelijk of door zijn gedragingen, uit jegens de wederpartij (HR 27-6-1975, NJ 1976, 62). De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht. Zij kan daarom nog geschieden op een tijdstip waarop de rechtshandeling zelf niet meer kan worden verricht. De bevoegdheid tot bekrachtiging kan op rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel overgaan. Is aan de volmacht een vormvereiste gesteld (vgl. bij artikel 61 lid 1), dan geldt voor de bekrachtiging hetzelfde vereiste: artikel 69 lid 2. Uit artikel 69 lid 3, blijkt dat de, in beginsel ongeldige, vertegenwoordigingshandeling de positie van de wederpartij toch niet geheel onberoerd laat. Voor het huidige recht wordt zelfs wel, op grond van HR 30-4- 1948, NJ 1949, 253, aangenomen dat de wederpartij voorlopig is gebonden. Zo ver gaat dit ontwerp niet. Vooropstelt het ontwerp in lid 3 de hoofdregel dat de wederpartij door een kennisgeving aan de pseudo- volmachtgever of de pseudo-gevolmachtigde zich vóórdat bekrachtigd is op de ongeldigheid der rechtshande- ling kan beroepen: op die wijze - maar alleen aldus - kan zij een eventuele bekrachtiging voorkómen. Niet steeds kan de wederpartij van deze hoofdregel gebruik maken, zoals uit de slotzinsnede van lid 3 blijkt. De uitzondering geldt de wederpartij die op het tijdstip van haar handelen niet te goeder trouw was. Deze uitzondering is derhalve in het geheel niet van toepassing op een wederpartij die zelf niet heeft gehandeld, dat wil zeggen actief aan de totstandkoming van de rechtshandeling heeft meegewerkt, doch alleen een eenzijdige verklaring, bijvoorbeeld van opzegging, ontbinding of aanvaarding van een door haar gedaan aanbod, in ont- vangst genomen heeft. Zo'n wederpartij staat het in ieder geval vrij, zich op de ongeldigheid te beroepen voor- dat is bekrachtigd. Indien de wederpartij zelf wel aan de totstandkoming der rechtshandeling heeft meegewerkt, kan zij de bekrachtiging alleen voorkomen indien zij op het tijdstip van haar handelen te goeder trouw was; anders dan in artikel 61 lid 2 is voor dit beroep op haar goede trouw niet vereist dat de schijn van volmacht door gedra- gingen van de pseudo-volmachtgever is gewekt. Is deze wederpartij niet te goeder trouw, dan is zij onder voorwaarde van bekrachtiging gebonden, aldus is de conclusie uit lid 3. Uit de gekozen formulering volgt dat het de pseudo-volmachtgever is op wie de bewijslast rust dat de wederpartij begreep of moest begrijpen dat een toereikende volmacht ontbrak. 2024 -415- No. 164 Kan de pseudo-volmachtgever (nog) bekrachtigen, doch spreekt hij zich niet uit, dan kan volgens lid 4 de wederpartij, doch ook iedere andere direct belanghebbende, zoals een rechtsopvolger van de wederpartij onder algemene of bijzondere titel, hem een redelijke termijn stellen (vgl. artikel 55). Bekrachtiging, ook al heeft ze terugwerkende kracht, tast rechten die door derden vóór de bekrachtiging zijn verkregen, niet aan, aldus lid 5 (vgl. artikel 58, derde lid). In het huidige wetboek wordt de mogelijkheid van bekrachtiging in artikel 1827 lid 2 vermeld, maar deze rechtsfiguur behoefde nadere uitwerking, die ze inmiddels in de rechtspraak en literatuur ten dele reeds had verkregen.

  1160. Artikel 70 Degene die pretendeert als gevolmachtigde te handelen, neemt tegenover de wederpartij de verbintenis op zich in te staan voor het bestaan van een toereikende volmacht. Op deze gedachte rust artikel 70. De regel beschermt de onbekwame pseudo-vertegenwoordiger in zoverre dat zijnerzijds de rechtshandeling waarbij hij die verbintenis op zich neemt, kan worden vernietigd. Hij kan dan alleen mogelijk wegens onrechtmatige daad aansprakelijk worden gesteld. De sanctie die uit de regel voortvloeit, is dat de pseudo-vertegenwoordiger tot (volledige) schadevergoeding is verplicht - enerzijds wordt hij niet zelf van rechtswege partij, anderzijds is de schadevergoeding ook niet beperkt tot slechts het zgn. negatieve contractsbelang. Vgl. HR 28-3-1997, NJ 1997, 454; over stelplicht en bewijslast terzake zie HR 20-2-2004, NJ 2004, 254. De regel geldt niet als de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld. Zie voor een verdergaande ontheffing van aansprakelijkheid artikel 76 lid 2 slot, voor vertegenwoordiging na het einde van de volmacht. Onder het huidige recht biedt (a contrario-uitleg van) artikel 1826 van het BW de basis voor de aansprakelijk- heid van de pseudo-gevolmachtigde.

  1161. Artikel 71 Het artikel heeft betekenis voor die gevallen waarin iemand die pretendeert gevolmachtigd te zijn, namens zijn volmachtgever een verklaring tot de wederpartij richt, terwijl hij daartoe weliswaar bevoegd is, doch niet in staat is die bevoegdheid desverlangd op korte termijn aan te tonen. Alsdan kan de wederpartij die verklaring naast zich neerleggen en haar aldus haar kracht ontnemen. Het praktisch belang zal vooral blijken bij eenzijdige rechtshandelingen, zoals opzegging, ontbinding en de aanvaarding van een aan de volmachtgever gedaan aanbod. Vereist is dat de wederpartij het bewijs van de volmacht terstond, dat wil zeggen onmiddellijk na aflegging der verklaring, heeft verlangd, en dat bewijs niet onverwijld, dat wil zeggen zonder vertraging, is geleverd op een van de in lid 1 genoemde wijzen. Is niet aan deze vereisten voldaan, dan moet veeleer worden aangenomen dat de wederpartij de gevolmachtigde als zodanig reeds heeft aanvaard. In de in lid 2 vermelde gevallen kan het bewijs niet met het in lid 1 bedoelde gevolg worden verlangd, omdat de wederpartij de volmacht zelf kan controleren of althans uit de feiten kan afleiden. Onder de in lid 2 genoemde bekendmaking valt zowel de openbaarmaking in een register als elke andere wijze waarop het bericht van de volmacht tot (de kring van) de wederpartij kan doordringen. Artikelen 72 tot en met 77 Deze artikelenreeks bevat bepalingen die met het einde van de volmacht in verband staan. 2024 -416- No. 164 Artikel 72

  1162. Artikel 72 geeft een opsomming van gevallen waarin de volmacht in beginsel eindigt. Deze opsomming is niet limitatief. Zo kan volmacht zijn verleend voor een bepaalde opdracht of voor een bepaalde tijd, zodat ze met de vervulling van de opdracht of het verstrijken van de tijd eindigt. Ook kan de volmacht aan een bepaalde functie, bijvoorbeeld krachtens arbeidsovereenkomst, zijn verbonden, en eindigt ze met het eindigen van de functie. Een door of aan een rechtspersoon verleende volmacht eindigt wanneer de rechtspersoon, nadat hij ontbonden is, door voltooiing der vereffening ophoudt te bestaan. Omgekeerd zijn de opgesomde gevallen niet zonder uitzondering: niet alleen blijkt dat voor het geval in onderdeel b uit de toevoeging "tenzij anders is bepaald", doch de artikelen 73 en 74 bevatten ook wettelijke en door de wet toegelaten uitzonderingen. Behalve deze uitzonderingen zie men ook artikel 76, dat de wederpartij en de gevolmachtigde onder omstandigheden beschermt tegen voor hen nadelige gevolgen van het hun onbekende einde der volmacht. Uit onderdeel b blijkt dat de volmacht op de erfgenamen van de gevolmachtigde kan overgaan, indien dat is bedongen - vooral in geval van voortzetting van een bedrijf zal hiervan gebruik kunnen worden gemaakt - en dat ook afwijking mogelijk is van de regel dat ondercuratelestelling en faillissement van de gevolmachtigde een eind aan de volmacht maken: tegen deze beide uitzonderingen bestaat juridisch geen bezwaar, omdat de gevolmachtigde immers zichzelf niet bindt (vgl. artikel 63 lid 1) en dat zijn handelingen ook zijn failliete boedel niet verbinden.

  1163. Artikel 1833 van het huidige wetboek bevat een bepaling omtrent het einde van de lastgeving, die volgens de heersende opvatting ook voor het einde van een volmacht geldt. Artikel 73

  1164. Artikel 73 bevat enkele uitzonderingen op de regel dat de volmacht door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever eindigt - het zijn gevallen waarin zonder wettelijke regeling, zoals in het huidige recht, van de figuur der zaakwaarneming gebruik zou moeten worden gemaakt, en beperkt zich dan ook tot bepaalde rechtshandelingen. Het in lid 2 bedoelde geval strekt zich ook uit tot de beëindiging der volmacht wegens opzegging door de gevolmachtigde. Volgens lid 3 duurt de voortgezette vertegenwoordigingsbevoegdheid een jaar - verondersteld mag worden dat nadien aan deze bijzondere vorm van vertegenwoordiging wel geen behoefte zal bestaan. Zoals uit de tekst blijkt, geldt het artikel niet in geval van beëindiging der volmacht door het faillissement van de volmachtgever. Artikel 74

  1165. Artikel 74 behelst een regeling van hetgeen onder de naam "onherroepelijke volmacht" bekend staat, en waar- omtrent in het huidige recht onzekerheid bestaat. Geeft in de meeste gevallen de volmachtgever de volmacht in de eerste plaats of mede in zijn eigen belang af, soms is het juist de gevolmachtigde of een derde die zijn belang door de volmacht beter gediend acht: de volmacht biedt hem meer zekerheid dat de door hem gewenste rechtshandeling ook inderdaad en op een door hem gewenst tijdstip wordt verricht. Wegens dat belang dat hij heeft, kan de gevolmachtigde dan bedingen dat de volmacht onherroepelijk zal zijn. Zulk een volmacht wordt bijvoorbeeld gebezigd om de overeengekomen overdracht van bepaalde goederen aan de gevolmachtigde en de vestiging van beperkte rechten te zijnen gunste te kunnen doorzetten ook bij gebrek aan medewerking van de wederpartij, of om stemovereenkomsten effectief te doen nakomen, al verhindert de volmacht niet dat de volmachtgever zelf zijn stem (anders) uitbrengt. 2024 -417- No. 164 Het ontwerp stelt in dit verband het vereiste dat het verrichten van een bepaalde rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of een derde is; niet voldoende is dat de gevolmachtigde in het algemeen belang bij (het verkrijgen van) de volmacht heeft, bijvoorbeeld om financiële redenen of om redenen van status. Het ont- werp laat in deze soort gevallen de onherroepelijkheid toe, alsook het doorbreken van de regel dat de dood en ondercuratelestelling van de volmachtgever de volmacht doen eindigen. Daarbuiten zou de onherroepelijkheid van de volmacht de vrijheid van de volmachtgever om over zijn eigen handelingen te beslissen, te zeer inperken. Vandaar ook dat de bepaling bijvoorbeeld niet toelaat dat de onherroepelijkheid aan een algemene volmacht wordt verbonden. De onherroepelijkheid is niet bestand tegen het faillissement van de volmachtgever: de curator moet vrijelijk in het belang van de boedel kunnen beslissen. Lid 2 beschermt de wederpartij van wie dikwijls niet zal mogen worden verlangd dat zij onderzoekt of de gevolmachtigde inderdaad een belang bij de rechtshandeling heeft dat lid 1 vereist. Lid 3 wijkt af van de beperkingen die artikel 64 stelt: de volmachtgever zal, gezien het vereiste dat aan de geldigheid van onherroepelijkheid wordt gesteld, er geen belang bij hebben dat alleen de gevolmachtigde de rechtshandeling kan verrichten. Lid 4 maakt wijziging of buitenwerkingstelling van het beding door de rechter wegens gewichtige redenen mogelijk. Zulke redenen kunnen bijvoorbeeld zijn een onvoorziene wijziging van omstandigheden en onredelijke uitoefening van de volmacht. De rechter zal de wijziging of buitenwerkingstelling terugwerkende kracht tot aan de indiening van het verzoek kunnen verlenen, maar ook een later tijdstip kunnen vaststellen. Artikel 75

  1166. Artikel 75 geeft aan, op welke wijze de volmachtgever kan verhinderen dat de gevolmachtigde de volmacht na haar beëindiging nog kan misbruiken. Lid 1 geeft hem in de eerste zin de keus tussen terugvordering van en een aantekening op de schriftelijke volmacht, eventueel door middel van een procedure tegen de gevolmachtigde. Aantekening kan te verkiezen zijn als de volmacht nog niet geheel eindigt of de gevolmachtigde nog bewijs van zijn volmacht nodig heeft. De tweede zin van lid 1 geeft de volmachtgever de bevoegdheid om van de notaris te verlangen, het einde van de volmacht op de door deze bewaarde minuut van een notariële volmacht aan te tekenen; op latere exploten wordt dan tevens de aantekening vermeld. Lid 2 geeft de volmachtgever de mogelijkheid om via een procedure het einde van de volmacht bekend te doen maken, hetzij door een algemene openbaarmaking, hetzij door een bekendmaking in beperktere kring; het gevolg is dat alsdan de volmachtgever zich ook tegenover onwetende derden op het einde van de volmacht kan beroepen (vgl. ook artikel 76 lid 1 onderdeel a). Als bevoegde rechter is de kantonrechter aangewezen; op de overeenkomstige plaats in het Nederlandse BW is dat de president van de rechtbank.

  1167. Artikel 1834 van het huidige wetboek regelt alleen het recht op teruggave van de volmacht in geval van haar herroeping. Artikel 76

  1168. Artikel 76 gaat uit van de gedachte dat het einde van een volmacht slechts in bepaalde gevallen kan worden tegengeworpen aan een wederpartij - in alle andere gevallen mag deze de na geëindigde volmacht verrichte rechtshandeling als geldig beschouwen. Het eerste geval is uiteraard dat de wederpartij van het einde van de volmacht of de oorzaak van haar beëindiging kennis droeg. Met deze bekendheid wordt voor de onderhavige aangelegenheid niet gelijkgesteld een "behoren te weten" in het algemeen, zoals artikel 11 dat voor de term "goede trouw" doet. Lid 1 stelt hiervoor een viertal speciale gevallen in de plaats. 2024 -418- No. 164 Het eerste daarvan, in onderdeel a, is dat van de mededeling aan de wederpartij - waarbij zij verwezen naar artikel 37 - en de bekendmaking, hetzij door de volmachtgever zelf, hetzij overeenkomstig artikel 75 lid 2. De laatste wijze van bekendmaking garandeert volgens laatstgenoemde bepaling dat de volmachtgever het einde der volmacht inderdaad kan inroepen, een bekendmaking zonder tussenkomst van de rechter moet op haar effect nader aan het slot van artikel 76 lid 1 onderdeel a, worden getoetst. Het in onderdeel b bedoelde geval zal zich niet alleen voordoen als de volmachtgever een nationaal of internationaal bekende persoonlijkheid was, maar ook als zijn dood als algemeen bekend kan worden verondersteld. Het in onderdeel c bedoelde geval omvat, evenals die in onderdeel a, onder meer publicatie in het handels- register. Een geval als bedoeld in onderdeel d doet zich ten slotte voor, wanneer de wederpartij louter en alleen op de verklaring van de gevolmachtigde is afgegaan, en in het geheel niet met de volmachtgever heeft te maken gehad. Daaraan is niet voldaan, als bijvoorbeeld de volmachtgever bij voorgaande gelegenheden door de gevolmachtigde gesloten overeenkomsten is nagekomen. Lid 2 regelt de aansprakelijkheid van de gevolmachtigde jegens de wederpartij die van het einde van de volmacht geen kennis droeg en tegen wie met succes het einde van de volmacht door de volmachtgever wordt ingeroepen. Het wijkt daarbij in tweeërlei opzicht af van de regeling van artikel 70. In de eerste plaats is de ex- gevolmachtigde steeds aansprakelijk als de wederpartij van het einde der volmacht geen kennis droeg, terwijl de aansprakelijkheid uit artikel 70 uitgesloten is indien de wederpartij het ontbreken van een toereikende volmacht had moeten begrijpen. Anderzijds beschermt de tweede zin van lid 2 de gevolmachtigde die het einde van de volmacht niet kende noch behoefde te kennen: het risico is dan voor de wederpartij, die wellicht nog wel een vordering tot schadevergoeding heeft op degenen aan wie, wegens hun relatie met de volmachtgever (erfgenamen, curator), kan worden verweten dat zij haar niet van het einde der volmacht op de hoogte hebben gesteld. Op de voormalige gevolmachtigde rust blijkens de formulering de bewijslast omtrent zijn goede trouw. De regeling komt in de plaats van die van de artikelen 1835 en 1838 van het BW, die ten dele een andere voorziening bevatten.

  1169. Artikel 77 Uit de artikelen 73, 74 en 76 blijkt dat met de dood van de volmachtgever aan de vertegenwoordigings- bevoegdheid niet steeds een einde komt. Volgens deze artikelen doet dit zich voor bij het beheer van een onderneming, bij handelingen die geen uitstel gedogen, bij handelingen waarvoor rechtsgeldig is bedongen dat de volmacht onherroepelijk is of bij de dood van de volmachtgever niet eindigt, en ten slotte in die gevallen waarin het einde van de volmacht niet aan de onwetende wederpartij kan worden ingeroepen. Het logisch gevolg daarvan is dat dan de handeling enerzijds de erfgenamen van de volmachtgever en anderzijds de wederpartij bindt, en wel alsof zij tijdens het leven van de volmachtgever was verricht. Dit brengt mee dat de daaruit ontstane verbintenissen voor de erfgenamen schulden der nalatenschap zijn met de erfrechtelijke gevolgen van dien. De artikelen 78 en 79 bevatten zgn. schakelbepalingen. Aan zulke schakelbepalingen bestaat behoefte, nu titel 3.3 alleen de vertegenwoordiging door volmacht bestrijkt, terwijl voor vertegenwoordiging uit anderen hoofde niet zelden soortgelijke regels zullen gelden. Van de beide bepalingen is artikel 78 het meest beperkt, maar ook het meest strikt. Beperkt is het in de eerste plaats omdat het zich, anders dan artikel 79, niet buiten het vermogensrecht uitstrekt: voor toepassing van artikel 78 is vereist dat de handelingen die door de vertegenwoordiger worden verricht, op vermogensrechtelijk terrein liggen. Onverschillig is of de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontspruit aan een vermogensrechtelijke verhouding, zoals bewind, executele en zaakwaarneming, of uit een verhouding van andere aard, zoals ouderlijk gezag en voogdij, of functionele bevoegdheid binnen een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon. Beperkt is het artikel ook in die zin dat het slechts een aantal bepaalde artikelen aanwijst die van overeenkomstige toepassing worden verklaard, terwijl artikel 79 dat voor de gehele titel doet. 2024 -419- No. 164 Strikter dan artikel 79 is artikel 78 daarin dat het van die overeenkomstige toepassing afwijking slechts toelaat, indien zulks uit de wet zelf voortvloeit, terwijl voor artikel 79 het ruimere criterium geldt dat de afwijking door de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking wordt gerechtvaardigd. Ook deze schakelbepalingen schrijven analogische toepassing in beginsel voor, en de rechter zal derhalve eventuele afwijking behoren te motiveren.

  1170. Artikel 78 Ter aanvulling van het voorgaande zij nog het volgende opgemerkt. Artikel 63 lid 1, heeft via het onderhavige artikel tot gevolg dat ook onbekwamen als vertegenwoordiger in vermogensrechtelijke handelingen kunnen optreden; niet zelden verhindert de wet dat zij als zodanig worden benoemd en schrijft zij hun ontslag voor als zij onder curatele worden gesteld (zie de artikelen 434 en 1033 van het BW en de nieuwe artikelen 1:246, 253q en 324), maar hun vertegenwoordigingshandelingen zolang zij niet zijn ontslagen, zijn wel geldig. Van praktisch belang zal vooral de overeenkomstige toepassing van de artikelen 69 (bekrachtiging) en 70 (aansprakelijkheid van de vertegenwoordiger) kunnen zijn, al moet men bedenken dat bij verschillende vertegenwoordigers buiten volmacht de taken en bevoegdheden vrij nauwkeurig in de wet of in openbaar gemaakte statuten zullen zijn omschreven. Voor zover én de vertegenwoordigingsverhouding én de vertegenwoordigingshandelingen van vermogens- rechtelijke aard zijn, is analogische toepassing van de overige bepalingen van deze titel, bijvoorbeeld de artikelen 61 lid 2, (binding ondanks onbevoegde vertegenwoordiging) en 68 ("Selbsteintritt"), niet voorge- schreven, doch ook niet uitgesloten.

  1171. Artikel 79 Het artikel schrijft analogische toepassing van alle bepalingen van de titel in beginsel voor, indien hetzij de vertegenwoordigingsverhouding, hetzij de vertegenwoordigingshandeling buiten het vermogensrecht ligt, hetzij dat dit bij beide het geval is. Van het eerste zijn voorbeelden de vertegenwoordigingsbevoegdheden op vermogensrechtelijk gebied van ouder, voogd, curator, bestuurder van een naamloze vennootschap en functionaris van een publiekrechtelijk lichaam; voor deze gevallen geldt artikel 79 voor zover artikel 78 niet van toepassing is, dat wil zeggen voor artikelen als 61 lid 2, en 68. Bij vermogensrechtelijke vertegenwoordiging krachtens volmacht inzake rechtshandelingen buiten het vermogensrecht kan men denken aan bijvoorbeeld volmachten tot afstand van een huwelijksgemeenschap of tot het maken van huwelijkse voorwaarden. Vertegenwoordiging buiten het vermogensrecht in rechtshandelingen eveneens buiten het vermogensrecht vindt men onder andere bij vertegenwoordiging door de curator in echtscheidingsprocedures tegen de curandus, en bij vertegenwoordiging door het bestuur van een naamloze vennootschap in de keuze van de woonplaats van een rechtspersoon of bij uitgifte van aandelen. Valt de rechtshandeling buiten het vermogensrecht, dan zal volmacht zelf dikwijls zijn uitgesloten en zal analogische toepassing van bepalingen van titel 3.3 dikwijls afstuiten op de aard der rechtsverhouding of rechtshandeling. Men denke bijvoorbeeld aan analogische toepassing van artikel 76 bij een volmacht tot het sluiten van een huwelijk (artikel 132 van het huidige BW en het nieuwe artikel 1:66). Ook zullen bij vertegenwoordiging buiten het vermogensrecht andere factoren een rol kunnen spelen waaraan eenvoudige analogische toepassing niet volledig recht kan doen. Zo zal men bij onderhandelingen met een, naar achteraf blijkt, onbevoegd overheidsorgaan voor de overeenkomstige toepassing van artikel 61 lid 2 niet alleen moeten denken aan het geval dat de onjuiste veronderstelling van de wederpartij is gewekt door een gedraging van het wel bevoegde overheidsorgaan, zoals gedogen of stilzitten, maar ook wanneer dat is geschied door andere factoren, zoals de positie van de handelende functionaris binnen de overheidsorganisatie en zijn gedragingen alsmede de ondoorzichtigheid voor buitenstaanders van bevoegdheidsregelen binnen de overheidsorganisatie (vgl. HR 27-11-1992, NJ 1993, 287, Felix-Aruba). 2024 -420- No. 164 TITEL 3.4 - VERKRIJGING EN VERLIES VAN GOEDEREN Algemeen Zoals uit artikel 1 blijkt, heeft het begrip "goederen" een ruime betekenis: het omvat alle zaken - zie artikel 2 - en alle rechten. Onder deze laatste vallen zowel de absolute rechten - eigendom, voortbrengselen van de geest zoals auteurs- en octrooirecht, en beperkte rechten zoals pand, hypotheek en erfpacht - als de relatieve of persoonlijke, de vorderingsrechten die uit verbintenissen ontstaan. Titel 3.4 geeft aan op welke wijze deze goederen kunnen worden verkregen en verloren gaan. De eerste afdeling behelst een drietal bepalingen daaromtrent, waarvan de eerste van algemeen-systematische aard is, en de beide andere de vestiging en het tenietgaan van beperkte rechten, resp. de overgang van afhankelijke rechten betreffen. Afdeling 2 heeft betrekking op de overdracht - en via artikel 98 ook op afstand en vestiging van beperkte rechten; afdeling 3 op (verkrijgende) verjaring, beide als de meest voorkomende wijzen waarop alle goederen onder bijzondere titel kunnen overgaan. Afdeling 3.4.1 - Algemene bepalingen

  1172. Artikel 80 lid 1, maakt de ook in het huidige recht bekende onderscheiding tussen verkrijging onder algemene titel en verkrijging onder bijzondere titel, zij het dat de betekenis van de laatste ruimer wordt genomen dan men onder het huidige recht pleegt te doen. Het belang van de onderscheiding is dat de rechtsopvolger onder algemene titel in het algemeen het recht van zijn voorganger zonder meer voortzet, evenals de aard van diens bezit (artikel 102), de schulden en andere gevolgen van een overeenkomst (artikel 6:249). Lid 2 geeft aan langs welke weg men onder algemene titel goederen kan verkrijgen: door erfopvolging, boedelmenging, opvolging of toetreding als trustee, fusie en splitsing. De overgang krachtens algemene titel geschiedt van rechtswege, overdracht door levering is daarvoor niet vereist. Erfopvolging wordt verder behandeld in het erfrecht, boedelmenging, die een gevolg is van het ontstaan van een goederengemeenschap tussen echtgenoten, in het huwelijksvermogensrecht; voor de toetreding of opvolging als trustee zie, het voorgestelde artikel 145 lid 1 en voor fusie en splitsing Boek 2 (rechtspersonen). Overgang onder bijzondere titel pleegt men onder het huidige recht te beperken tot de zgn. derivatieve wijzen van overgang, dat wil zeggen die welke door medewerking van een rechtsvoorganger tot stand komen, zoals overdracht en de vestiging van beperkte rechten. Onder het nieuwe recht vallen echter ook de originaire wijzen van overgang, zoals de in lid 3 genoemde onteigening en verjaring, onder de verkrijging onder bijzondere titel. Ook het ontstaan van een vorderingsrecht uit een verbintenis, zoals krachtens overeenkomst of onrechtmatige daad, betekent in het nieuwe recht verkrijging van een goed onder bijzondere titel. Waar de wet elders in de artikelen 24 tot en met 26, de term "onder bijzondere titel" bezigt, is de verruiming van de definitie van praktisch belang; beperking tot derivatieve verkrijging vindt men in artikel 102 lid 2. Lid 3 noemt drie voorbeelden van verkrijging onder bijzondere titel met name, waarvan de onteigening bij afzonderlijke wet - de Onteigeningswet - wordt geregeld, de overdracht in afdeling 3.4.2 en de verkrijgende verjaring in afdeling 3.4.3. Niet in lid 3 met name genoemde wijzen van verkrijging onder bijzondere titel zijn talrijk. Zo zullen in Boek 5 bijvoorbeeld zaaksvorming en vondst worden geregeld, Boek 6 zal de regeling van het ontstaan en de overgang van vorderingen bevatten. Verkrijging van een goed door de een is veelal verlies van dat goed door een ander. Maar lid 4 ziet ook op talrijke andere wijzen van verlies van goederen, zoals het tenietgaan van vorderingsrechten - betaling van een schuld bijvoorbeeld doet zowel het vorderingsrecht als het tot zekerheid daarvan gegeven beperkte recht van pand of hypotheek tenietgaan. De term "wet" is gebezigd om aan te geven dat verkrijging en verlies van goederen niet bij een "lagere" regelgeving kunnen worden geregeld. 2024 -421- No. 164

  1173. Artikel 81 bevat een aantal regels omtrent beperkte rechten in het algemeen - lid 1 omtrent de bevoegdheid tot vestiging daarvan, lid 2 omtrent het tenietgaan en lid 3 omtrent de relatieve werking van twee van die wijzen van tenietgaan, namelijk afstand en vermenging. Wat beperkte rechten zijn, is reeds omschreven in artikel 8. In lid 1 zijn enkele regels vervat. In de eerste plaats geeft het aan aan wie de bevoegdheid tot vestiging toekomt, namelijk alleen de rechthebbende. Beperkte rechten kunnen voorts niet op ieder recht - absoluut of relatief - worden gevestigd; vereist is dat het te bezwaren recht zelfstandig en overdraagbaar is. Pand, hypotheek en erfdienstbaarheid zijn afhankelijke rechten en lenen zich derhalve niet voor bezwaring met beperkte rechten; hetzelfde is het geval met een afhankelijk opstalrecht (artikel 5:101 lid 2). De rechten van gebruik en bewoning zijn niet overdraagbaar (artikel 226 lid 4). Overdraagbaarheid van vorderingen kan worden uitgesloten (artikel 83 lid 2) en rechten als bedoeld in artikel 83 lid 3 zijn niet overdraagbaar als de wet het niet bepaalt. Op al deze rechten kan derhalve ook geen beperkt recht worden gevestigd. Evenmin als onder het huidige recht is het volgens het ontwerp mogelijk naar willekeur beperkte rechten te scheppen: alleen vestiging van "de in de wet genoemde" rechten wordt toegelaten. In Boek 3 zullen daarvan zijn te vinden vruchtgebruik (met de rechten van gebruik en bewoning), pand en hypotheek, die op goederen in het algemeen kunnen rusten - niet slechts op zaken, doch ook op rechten: pand bijvoorbeeld op een vorderingsrecht, hypotheek op een erfpachtrecht. In Boek 5 zullen worden geregeld beperkte rechten die alleen op zaken kunnen worden gevestigd: erfdienstbaarheden, erfpacht, opstalrecht en appartementsrecht; "ondererfpacht" wordt daar niet geconstrueerd als erfpacht op erfpacht, maar als een door de erfpachter gevestigde erfpacht op de onroerende zaak zelf (artikel 5:93). De zakelijke rechten van opstal en appartement zijn beperkte rechten van bijzondere aard. Het opstalrecht geldt daar als eigendomsrecht van bepaalde zaken in, op of boven een (andere) onroerende zaak (artikel 5:101), het appartementsrecht als een aandeel in ("mede- eigendom" van) een gebouw met toebehoren, meebrengend een complex van exclusieve gebruiksrechten (artikel 5:106). Huur wordt, ondanks artikel 1597 van het BW, niet als een beperkt recht beschouwd, maar als een persoonlijk recht. Het stelsel der beperkte rechten is ook in die zin gesloten, dat de wettelijke bepalingen omtrent hun inhoud in beginsel dwingend van aard zijn. Wijken partijen bij overeenkomst af, dan zijn zij aan die bedingen wel zelf gebonden, tenzij de wet uitdrukkelijk de nietigheid daarover uitspreekt, maar in het algemeen binden derge- lijke obligatoire bedingen niet hun rechtsopvolgers onder bijzondere titel: zulke bedingen hebben geen "zake- lijke werking". Deze zakelijke werking hebben die bedingen alleen, waar de wet óf uitdrukkelijk afwijking van haar regels toelaat, óf de bedingen een zekere aanvulling op de wettelijke regels bevatten - in beide gevallen echter alleen, voor zover de bedingen in zodanig verband met het beperkte recht staan dat behandeling overeenkomstig wettelijke regels met zakelijke werking gerechtvaardigd is. Zo wordt voor de regeling van de inhoud van erfdienstbaarheden in het nieuwe recht aan door partijen vastgestelde regels ook met zakelijke werking ruim baan gelaten (zie artikel 5:73). De vestiging van een beperkt recht kan in zekere zin worden gezien als een afsplitsing van het volle recht: na de vestiging blijft van dat volle recht voor de "hoofdgerechtigde" alleen het restant over. Daaruit volgt dat deze alleen nog over dat restant kan beschikken en dat elk volgend beperkt recht dat hij vestigt, in beginsel de eerder gevestigde rechten moet eerbiedigen (zie voor afwijkingen de artikelen 261 en 262). Hierin schuilt het belang van de overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht, zoals deze in de tweede zin van lid 1 is geformuleerd. Zo kan een leverancier een zaak aan zijn afnemer overdragen onder voorbehoud van een pand- of hypotheekrecht - de afnemer verkrijgt dan van meet af aan "niet meer dan" de door dat zekerheidsrecht belaste zaak. In het bijzonder wordt daardoor bereikt dat een voorbehouden pandrecht een hogere rang heeft dan het bij voorbaat gevestigde pandrecht van bijvoorbeeld een bank op alle voorraden van de afnemer. Daarnaast komt bijvoorbeeld ook overdracht onder voorbehoud van vruchtgebruik voor; zie voor het huidige recht reeds HR 7-2-1979, NJ 1979, 551, mede van belang voor de fiscale consequenties. Deze overdracht onder voorbehoud moet worden gezien als één rechtshandeling - ze geschiedt bij één akte - die echter moet voldoen aan zowel de vereisten voor de overdracht van het "moederrecht" als voor de vestiging van het beperkte recht. 2024 -422- No. 164 Wat voor de vestiging van een beperkt recht is vereist, volgt uit afdeling 3.4.2, waar, in artikel 98, de vereisten voor die vestiging worden gelijkgesteld met die voor overdracht van het goed dat met dat beperkte recht is bezwaard (zie voor afwijking bij de levering van een pandrecht de artikelen 236 e.v.). Lid 2 geeft een opsomming van wijzen waarop een beperkt recht teniet kan gaan. Deze opsomming is niet uitputtend. Zo verbindt artikel 106 het tenietgaan van een beperkt recht aan de verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van een daarmee strijdige toestand. Executie door een pand- of hypotheekhouder heeft tot gevolg dat ook de lager dan het zekerheidsrecht gerangschikte beperkte rechten tenietgaan (artikelen 253 en 273). Gaat een vordering bijvoorbeeld door betaling teniet, dan deelt het daarvan afhankelijke recht van pand of hypotheek dat lot. Omtrent de verschillende onderdelen zij het volgende opgemerkt. Bij het tenietgaan van het recht waarvan het beperkte recht is afgeleid (onderdeel a), moet men denken aan het tenietgaan van het goed zelf als voorwerp van het recht: het tenietgaan of definitief verlies (zie de artikelen 18 en 19) van de zaak waarop het beperkte recht rust, enz. Als zulk tenietgaan geldt niet de overgang van dat recht op een rechtsopvolger: integendeel, voor een beperkt recht is juist karakteristiek dat het tegen zulk een overgang bestand is. Wél kan de wet in zulke gevallen bepalen dat het beperkte recht vervalt, zoals in de bovengenoemde voorbeelden van de executie; zie ook bijvoorbeeld artikel 86 lid 2 dat in de plaats komt van artikel 1182 lid 3. Een bijzonder geval biedt de regeling der zaaksvervanging, die onder andere bij vruchtgebruik, pand en hypotheek voorkomt (zie de artikelen 213 en 229): het beperkte recht op het oorspronkelijk daarmee belaste goed vervalt weliswaar, maar komt op het daarvoor in de plaats getreden goed te rusten. In verband met onderdeel b zij eraan herinnerd dat de rechten van vruchtgebruik en van gebruik en bewoning uiterlijk met het overlijden van de rechthebbende eindigen (zie de artikelen 836 en 847 van het huidige BW en de artikelen 203 lid 2 en 226 lid 1). Anders dan veelal voor het huidige recht wordt verdedigd, is afstand van een beperkt recht (onderdeel c) volgens het ontwerp een tweezijdige rechtshandeling: zowel de beperkt gerechtigde als de hoofdgerechtigde moet eraan meewerken. In artikel 98 worden de vereisten voor afstand met die voor overdracht gelijkgesteld. Over de zgn. relativiteit van de afstand zie bij lid 3. In tegenstelling tot afstand is opzegging (onderdeel d) een eenzijdige rechtshandeling. Bij alle beperkte rechten kan de bevoegdheid tot opzegging worden bedongen; is het recht een registergoed, dan is zowel het beding als de uitoefening van de bevoegdheid vatbaar voor inschrijving, met alle gevolgen daarvan. Wettelijk zal de bevoegdheid worden toegekend bij erfpacht - zowel aan de eigenaar als aan de erfpachter (vgl. artikel 5:87) - en bij opstal (artikel 5:104, waarin artikel 5:87 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard). Opzegging kan nadeel toebrengen aan degene die op het beperkt recht op zijn beurt een beperkt recht, zoals vruchtgebruik of hypotheek, heeft. De beperkt gerechtigde kan dan slechts tezamen met de vruchtgebruiker opzeggen (artikel 207 lid 2, tweede zin), de hypotheekhouder kan door vernietiging krachtens artikel 45 voor zijn belangen waken. In onderdeel e is de zakenrechtelijke vermenging bedoeld: het hoofdrecht (bijvoorbeeld eigendom) en het be- perkte recht (bijvoorbeeld erfpacht) komen in een hand. Is het beperkte recht afhankelijk, dan doet de vermenging zich voor als het goed waarop het rust, in handen komt van de rechthebbende op het goed waar- aan het is verbonden: een erfdienstbaarheid gaat door vermenging teniet als de eigendom van het heersende erf en die van het dienende erf in één hand komen, een hypotheek gaat door vermenging teniet, als de schuldeiser eigenaar wordt van het met de hypotheek bezwaarde goed. Deze zakenrechtelijke vermenging is te onderscheiden van vermenging als wijze van overgang van de eigendom van roerende zaken die tot een zaak worden (artikelen 661 en 662 van het huidige BW; zie artikel 5:15), of, meer oneigenlijk, die niet langer als aan een bepaalde rechthebbende toebehorend te individualiseren zijn, en de verbintenisrechtelijke vermenging als wijze van tenietgaan van verbintenissen doordat de hoedanigheid van schuldeiser en schuldenaar in een persoon worden verenigd (artikelen 1457 van het huidige BW; zie artikel 6:161). Over de relativiteit van de vermenging zie het volgende lid. 2024 -423- No. 164 Afstand en vermenging, die een beperkt recht doen verdwijnen, zouden zonder nadere bepaling de positie van degenen die op het beperkte recht dan wel op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben, niet onberoerd laten: de eersten zouden worden benadeeld, de anderen bevoordeeld. Lid 3 strekt ertoe dit effect te corrigeren. Voor een goed begrip van de bepaling kan men zich een drietal situaties indenken: a. Op het hoofdrecht rust een beperkt recht, op het beperkte recht rust op zijn beurt een beperkt recht van een ander. Bijvoorbeeld de situatie waarin op de eigendom van een perceel erfpacht rust, op de erfpacht een hypotheek of vruchtgebruik rust, en de erfpacht vervalt doordat ze in handen komt van de eigenaar van het perceel. De hypotheekhouder, respectievelijk vruchtgebruiker, wordt benadeeld. b. Aan een hoofdrecht is een afhankelijk recht verbonden; op het hoofdrecht rust een beperkt recht. Bijvoorbeeld de situatie waarin aan een (heersend) erf een erfdienstbaarheid verbonden is en op het heersende erf een hypotheek rust, of waarin aan een vordering een hypotheek is verbonden en op de vorde- ring een pandrecht rust. Komt het dienende erf in handen van de eigenaar van het heersende erf, dan vervalt de erfdienstbaarheid, en wordt de hypotheekhouder benadeeld. Wordt de schuldeiser eigenaar van het met de hypotheek bezwaarde goed, dan vervalt de hypotheek, en wordt de pandhouder benadeeld. c. Op het hoofdrecht rusten twee (of meer) beperkte rechten die niet gelijk in rang zijn. Bijvoorbeeld de situatie waarin op een perceel een eerste en een tweede hypotheek rusten, of waarin een erfpacht en een hypotheek die de erfpacht moet respecteren. Vervalt de eerste hypotheek, respectievelijk de erfpacht, door vermenging, dan wordt de houder van de overblijvende hypotheek bevoordeeld. De eerste zin van lid 3 heeft betrekking op de situaties a en b, de tweede zin op situatie c. Lid 3 laat wel het tenietgaan van de beperkte rechten door afstand of vermenging in stand, maar relativeert het effect daarvan. De gedupeerden kunnen hun recht blijven uitoefenen, alsof het recht waarop het rustte nog bestond. Zo kunnen de in de voorbeelden van a en b bedoelde pand- en hypotheekhouders executeren alsof het verdwenen recht nog bestond. De bevoordeelde hypotheekhouder van voorbeeld c kan toch niet voor meer executeren dan het goed, alsof het nog met het oudere beperkte recht was bezwaard. Doet zich naderhand een omstandigheid voor die eveneens, doch op andere wijze, een einde zou hebben gemaakt aan het nu door vermenging of afstand vervallen recht, dan verliest lid 3 daarmee zijn werking. Zo bijvoorbeeld in voorbeeld c, wanneer de schuld waaraan de eerste hypotheek was verbonden, door betaling tenietgaat. De relativering van de tweede zin strekt zich niet uit tot tenietgaan van het tussenliggende recht door afstand: in de praktijk wordt afstand juist alleen gedaan om het lager gerangschikte recht te doen "opschuiven". Het in lid 1 neergelegde "gesloten stelsel" van beperkte rechten wordt ook onder het huidige BW aanvaard; dat bevat echter geen regel omtrent het bij overdracht voorbehouden van zulke rechten. De in lid 2 genoemde gronden van tenietgaan van beperkte rechten gelden ook nu in grote lijnen, doch de regels daaromtrent duiken verspreid in de wetgeving op, en afstand wordt thans gewoonlijk als een eenzijdige rechtshandeling beschouwd. Dat afstand en vermenging de in lid 3 omschreven relatieve werking hebben, wordt ook onder het huidige recht wel aanvaard, zij het dat de wet hiervoor thans slechts een enkel steunpunt biedt (artikel 1234).

  1174. Artikel 82 Afhankelijke rechten zijn in artikel 7 reeds omschreven. Pand en hypotheek zijn afhankelijk van de vordering die zij tot zekerheid dienen. Een erfdienstbaarheid is afhankelijk van het heersende erf. Een opstalrecht kan afhankelijk zijn van een ander recht op een zaak (zie artikel 5:101 lid 2). Het spreekt wel vanzelf dat deze afhankelijke rechten het recht waaraan zij zijn gebonden, volgen als het hoofdrecht overgaat op een ander, op welke wijze dan ook - overdracht, vererving, toedeling, onteigening. Afzonderlijke levering is daartoe niet vereist - hypotheekrecht gaat zodoende van rechtswege op de cessionaris van de vordering over. Omgekeerd is afzonderlijke overdracht enz. van het afhankelijke recht niet mogelijk. Retentierecht, eigendom tot zekerheid en eigendomsvoorbehoud worden niet als afhankelijke rechten beschouwd (vgl. HR 18-2-1994, NJ 1994, 462). Is het afhankelijk recht een registergoed, zoals hypotheek of erfdienstbaarheid, dan is de overgang wel overeenkomstig artikel 17 voor inschrijving in de openbare registers vatbaar, met alle in afdeling 3.1.2 geregelde consequenties daarvan. 2024 -424- No. 164 Afdeling 3.4.2 - Overdracht van goederen en afstand van beperkte rechten De afdeling bevat de regeling omtrent de vereisten die worden gesteld aan de overdracht van goederen als een van de wijzen waarop goederen worden verkregen (zie artikel 80, leden 1 en 3). Als eerste vereiste komt in aanmerking de hoedanigheid van overdraagbaarheid van het goed zelf (artikel 83). De overdracht als de bewerkstelligde overgang van een overdraagbaar goed moet zelf voldoen aan een drietal vereisten: levering krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde (artikel 84). Daarin wordt de levering gezien als het complex van vereiste feitelijke - juridische handelingen die leiden tot de overdracht, mits ook aan de vereisten van titel en beschikkingsbevoegdheid is voldaan. Aldus gezien is de levering niet meer een synoniem van de overdracht, zoals voor het huidige recht, bijvoorbeeld op grond van artikel 635, pleegt te worden aangenomen - onder het nieuwe recht wordt het begrip beperkter genomen. Zo kunnen toekomstige goederen wel worden geleverd (artikel 97), al is de overdracht eerst voltooid op het tijdstip waarop de vervreemder tot beschikking bevoegd is geworden. Dat er verschil is tussen levering en overdracht blijkt mede daaruit dat levering ook een vereiste is voor vestiging en afstand van een beperkt recht (artikel 98) en dat tevens zal worden voor de voltooiing van toedeling van een goed uit een gemeenschap (artikel 186).

  1175. Artikel 84 bevat voorts een enkele bepaling omtrent de vereisten die aan de titel worden gesteld en omtrent de levering onder voorwaarde - artikel 85 bevat enige regels omtrent overdracht onder tijdsbepaling. De artikelen 86 tot en met 88 regelen hoe het gebrek aan beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder onder omstandigheden kan worden geheeld door de goede trouw van de verkrijger, thans de materie van de bekende, om niet te zeggen beruchte, artikelen 1998 en, ten dele, 1894 BW. De artikelen 89 tot en met 95 geven voor de verschillende groepen goederen aan welke vereisten voor levering telkens worden gesteld, met bijzondere aandacht voor de vereisten voor - en de rechtsgevolgen van - levering van roerende zaken onder opschortende voorwaarde en eigendomsvoorbehoud (artikelen 91 en 92).

  1176. Artikel 96 bepaalt hoe een aandeel in een goed kan worden geleverd, artikel 97 geeft de mogelijkheden en grenzen van levering van toekomstige goederen aan.

  1177. Artikel 98 ten slotte doet het in de afdeling voor overdracht van een goed bepaalde in beginsel mede gelden voor de vestiging, overdracht en afstand van beperkte rechten.

  1178. Artikel 83 lid 1, bepaalt dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten in beginsel overdraagbaar zijn, lid 2 dat de overdraagbaarheid van vorderingsrechten bij beding kan worden uitgesloten. Een zodanig beding kan derhalve niet geldig voor eigendom en beperkte rechten worden gemaakt - met andere woorden men kan hen niet buiten de handel brengen, tegenover de derdeverkrijger kan op het beding geen beroep worden gedaan. De ongeldigheid brengt mee dat ook ongeldig is een beding dat de overdracht aan toestemming onderwerpt. De wet kan hierop een uitzondering maken wanneer daaraan een gerechtvaardigde behoefte bestaat (aldus voor erfpacht artikel 5:91 lid 1, van overeenkomstige toepassing op zelfstandige opstal volgens artikel 5:104 lid 2). Ook de vraag of een vordering vatbaar is voor overdracht, wordt mede tegenover derdeverkrijgers bepaald door de rechtsverhouding waaruit zij voortvloeit, en derhalve, in geval die rechtsverhouding een overeenkomst is, door hetgeen partijen bij die overeenkomst over en weer hebben bedongen; aldus HR 29-1-1993, NJ 1994, 171, in het geval van een niet uitdrukkelijk gemaakt, maar mogelijk bestendig gebruikelijk beding; zie in dit verband mede de toelichting op de artikelen 35 en 36. Wel kan een formele wet overdraagbaarheid van een beperkt recht of een vorderingsrecht uitsluiten, zoals voor de rechten van gebruik en bewoning is geschied (artikelen 852 en 856 van het BW; vgl. artikel 226 lid 4), en voor wat vorderingsrechten betreft, de loonvordering (artikel 1614g lid 2 van het BW). Eveneens kan de aard van een recht zich tegen overdraagbaarheid verzetten. Bij de beperkte rechten is dat het geval als het recht afhankelijk is van een ander recht, zoals pand en hypotheek van een vorderingsrecht, en een erfdienstbaarheid van het recht op het heersende erf: deze beperkte rechten kunnen niet afzonderlijk worden overgedragen, maar volgen het recht waaraan zij zijn verbonden (artikel 82). Vorderingsrechten die naar hun aard niet overdraagbaar zijn, zijn die welke aan de persoon van de schuldeiser zijn gebonden, zoals het recht op levensonderhoud en een persoonlijke opdracht. 2024 -425- No. 164 Bevoegdheden - wilsrechten - zijn geen vorderingsrechten. Kunnen zij echter door de enkele uitoefening in een vorderingsrecht worden omgezet, zoals een koopoptie, dan zijn zij zelf als vermogensrecht, gelijkstaand met een vorderingsrecht, te beschouwen. Volgens lid 3 zijn andere vermogensrechten dan de in lid 1 genoemde niet overdraagbaar, tenzij een wet anders bepaalt - men denke bijvoorbeeld aan bepaalde vergunningen. Van de meer privaatrechtelijke rechten, zoals octrooi en auteursrecht, heeft de wetgever de overdraagbaarheid geregeld. Dat is ook het geval met aandelen in een naamloze vennootschap; de overdracht van aandelen op naam kan door een statutaire blokkeringsregeling worden beperkt. Overdraagbaarheid van het deelgenootschap in een maatschap kan contractueel worden geregeld (zie HR 6-2-1935, p. 1513), voor die van het aandeel in een gemeenschap onder nieuw recht zie de artikelen 175 lid 1 en 191 lid 1. Geoorloofde uitsluiting en beperking van de overdraagbaarheid van bepaalde rechten, zoals vorderingsrechten, door contractuele of statutaire regelingen werkt in beginsel tegen de verkrijger - cessionaris, pandhouder -, maar betekent niet dat daarop nimmer beslag kan worden gelegd - men zie bijvoorbeeld artikel 619 lid 1 onderdeel 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van derdenbeslag. Aldus HR 29- 1-1993, NJ 1994, 171. Een desbetreffend beding leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van de crediteur, maar tot ongeldigheid wegens onoverdraagbaarheid van de vordering zelf (HR 17-1-2003, NJ 2004, 281). Wordt in weerwil van of zonder inachtneming van zulk een contractuele of statutaire regeling het recht niettemin aan een derde overgedragen, dan kan deze bescherming vinden in artikel 36 indien aan de vereisten daarvan is voldaan. Is een recht wegens zijn aard of op grond van de wet niet overdraagbaar, dan doet deze problematiek zich uiteraard niet voor: de onoverdraagbaarheid treft dan elke verkrijger. Het stelsel dat in artikel 83 is neergelegd, wordt althans in grote lijnen ook voor het huidige recht aanvaard, al is het niet met zoveel woorden in het wetboek geformuleerd.

  1179. Artikel 84 lid 1 somt de vereisten op waaraan een overdracht - en krachtens artikel 98 ook de vestiging en de afstand van een beperkt recht - moet voldoen: de levering, de beschikkingsbevoegdheid en de titel. Zoals reeds in de inleiding op deze afdeling is vermeld, betekent de term "levering" in het ontwerp (het geheel van) de feitelijk-juridische handeling(en) waardoor de overdracht wordt voltrokken, indien ook aan de andere vereisten is voldaan. De juridische component daarvan is de medewerking van partijen over en weer aan de levering: aan een akte (artikelen 89, 94 en 95), aan inbezitstelling of aan het in de macht brengen van het over te dragen goed (artikelen 90 tot en met 93). Deze component, in de literatuur wel aangeduid als "zakelijke overeenkomst", stempelt de levering tot een rechtshandeling die onderworpen is aan de bepalingen van titel 3.2: de ene partij verklaart over te dragen, de wederpartij verklaart de overdracht te aanvaarden. Zo moeten partijen niet alleen bij het sluiten van een overeenkomst - als titel van overdracht - handelingsbekwaam zijn, maar ook bij de rechtshandeling der levering die hun medewerking, zoals het tot stand komen van de akte, vereist. Vgl. HR 29-6-2001, NJ 2001, 662 en HR 13-7-2001, NJ 2001, 506. Voor de component van de levering die zulke medewerking niet vereist, zoals de inschrijving der akte (zie artikel 89 lid 1, tweede zin), geldt dat vereiste niet; hier ligt derhalve een verschil met het vereiste der beschikkingsbevoegdheid - zie hieronder. Zo wordt de inschrijving ook niet verhinderd door het overlijden van een der partijen. Een gebrekkige levering verhindert de overgang van het goed. Aldus bijvoorbeeld het ontbreken van de inschrijving van de akte van overdracht van een registergoed in de openbare registers; derde-verkrijgers worden door de artikelen 25 en 26 tegen onjuistheden in de inschrijving beschermd. Beschikkingsbevoegdheid - de bevoegdheid om een goed te vervreemden en te bezwaren - komt in de regel uitsluitend de rechthebbende op het goed toe; is deze gehuwd, dan is diegene der echtgenoten beschikkings- bevoegd, die overeenkomstig Boek 1 van het BW tot het bestuur over het goed bevoegd is. De wettelijk vertegenwoordiger treedt voor de onbekwame rechthebbende op. Bewind, faillissement en surséance van betaling beperken of verhinderen elk op eigen wijze de beschikkingsbevoegdheid van de rechthebbende. Beslaglegger, faillissementscurator en pand- en hypotheekhouder zijn in geval van executie beschikkingsbevoegd. 2024 -426- No. 164 De beschikkingsbevoegdheid moet in beginsel bestaan tijdens de levering. Verliest de vervreemder zijn beschikkingsbevoegdheid vóór de voltooiing der levering, dan kan - in beginsel - de overdracht niet meer rechtsgeldig geschieden - aldus vooral in geval van faillissement (vgl. artikel 35 van de Nederlandse Faillissementswet; voorgesteld zal worden het qua strekking hiermee overeenstemmende artikel 31 van de Faillissementswet 1935 in de aanpassingswetgeving te verduidelijken) en surséance van betaling, waarbij eraan herinnerd wordt dat de faillietverklaring reeds werkt vanaf (de aanvang van) de dag waarop ze wordt uitgesproken (artikel 20 van de Faillissementswet 1935); de faillissementscurator kan de levering evenmin voltooien (HR 14-7-2000, NJ 2001, 685). Ook wanneer de overdracht overeenkomstig artikel 91 onder opschortende voorwaarde geschiedt, moet de beschikkingsbevoegdheid op het tijdstip van de levering, niet op dat van de vervulling der voorwaarde, bestaan; zie de aantekening bij het artikel. Levering van toekomstige goederen wordt door artikel 97, met uitsluiting van bepaalde soorten goederen, niettemin toegelaten. Op het tijdstip der levering kan de vervreemder nog niet beschikkingsbevoegd zijn. Zijn beschikkingsbevoegdheid is alsdan vereist op het tijdstip waarop het goed ophoudt (voor hem) toekomstig te zijn, dat wil zeggen het tijdstip waarop hij zelf verkrijgt; is hij dan failliet, dan is geldige overdracht niet meer mogelijk - zie de aantekening bij artikel 97. Ontbreekt de beschikkingsbevoegdheid op het tijdstip der levering, ofschoon zij op dat tijdstip is vereist, maar wordt zij later alsnog verkregen, dan kan de overdracht met terugwerkende kracht overeenkomstig artikel 58 worden bekrachtigd. Het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid heeft niet steeds ongeldigheid van de overdracht tot gevolg. Zo hebben de artikelen 24 tot en met 26 mede gevallen op het oog waarin het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid van een vervreemder van een registergoed niet tegen een verkrijger kan worden ingeroepen. Op het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid toegesneden zijn de hierna volgende artikelen 86 tot en met 88, die overdracht ondanks het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder geldig verklaren, mits tenminste de verkrijger te goeder trouw is. Voor de toepassing van deze artikelen 84 tot en met 86 is het van belang in het oog te houden dat de beschikkingsonbevoegdheid uit geheel verschillende bronnen kan voortvloeien. Beschikkingsonbevoegd zijn uiteraard de dief en de vinder zolang zij geen eigenaar zijn geworden, maar in beginsel ook degenen die slechts houder van het goed zijn, zoals de huurder, lener, vruchtgebruiker (zie artikel 111). Een andere categorie wordt gevormd door vervreemders die het goed zelf op grond van een gebrekkige overdracht hebben verkregen - "hun" vervreemder was onbevoegd, de titel was nietig, van den beginne af of door vernietiging, de levering deugde niet, de vervreemder kon indertijd zelf niet verkrijgen ex artikel 86 of 88 omdat zijn goede trouw ontbrak. De werking van artikel 88 beperkt zich tot gevallen van deze laatste categorie. De titel is de rechtsgrond die de overdracht rechtvaardigt. Meestal is dat een tot de overdracht verplichtende verbintenis uit overeenkomst, maar de verbintenis kan ook op bijvoorbeeld legaat of op de wet berusten; bij dit laatste denke men in het bijzonder aan de verbintenissen uit onverschuldigde betaling en tot ongedaanmaking na ontbinding van de overeenkomst, maar ook aan de verbintenis tot schadevergoeding, eventueel in natura. Niet alleen een verbintenis, maar ook een zgn. do-ut-des-verhouding kan een titel opleveren: zo'n verhouding bestaat als de ene partij een goed onverplicht aan een ander overdraagt, in de verwachting dat die ander op zijn beurt een prestatie zal leveren, ofschoon ook hij daartoe niet is verplicht, doch dit wel doet. Zonder geldige titel geen geldige overdracht - het wettelijk stelsel blijft "causaal" (voor een zeer specifieke uitzondering zie artikel 6:211). Berust de titel op een rechtshandeling, zoals een overeenkomst of legaat, dan kan hij geldigheid missen of deze ook, door vernietiging, met terugwerkende kracht verliezen, als gevolg van titel 3.2 of elders in de wet, in het bijzonder in het overeenkomsten- en erfrecht, gestelde vereisten. Het ontbreken van de titel sleept de overdracht in zijn val mee - de verkrijging is ongeldig -, en heeft dan ook tot gevolg dat de "verkrijger" beschikkingsonbevoegd is, dat wil zeggen in beginsel niet op zijn beurt het verkregen goed kan overdragen of bezwaren. Het nieuwe recht biedt tegen dat bezwaar van het causale stelsel aan derden-verkrijgers die hun recht van de pseudo-verkrijger afleiden, betere bescherming dan het bestaande. Het ontneemt terugwerkende kracht aan de vervulling van de voorwaarde (artikel 38 lid 2) en zakelijke 2024 -427- No. 164 werking en terugwerkende kracht aan de ontbinding van de overeenkomst (artikelen 6:269 en 6:271). Tegen de beschikkingsonbevoegdheid van degene die zelf zonder geldige titel heeft verkregen, wordt de derde- verkrijger krachtens de artikelen 86 tot en met 88 en, voor registergoederen, de artikelen 24 tot en met 26, beschermd, ook hier in verschillende opzichten beter dan de artikelen 1894 en 1998 van het BW thans doen. Herinnerd zij tot slot aan artikel 58: een overdracht die aanvankelijk ongeldig was wegens het ontbreken van een van de in lid 1 genoemde vereisten, kan achteraf en met terugwerkende kracht door bekrachtiging geldig worden. Lid 2 stelt het vereiste van bepaaldheid van het over te dragen goed: het goed moet bij de titel zijn omschreven. Dat betekent dat de nadere bepaling niet aan een partij of een derde kan worden overgelaten, zoals dat bij de bepaling van verbintenissen uit een overeenkomst in het algemeen wel kan (vgl. artikel 6:227). Wel is, in het bijzonder voor levering van toekomstige goederen, voldoende dat zij - objectief - bepaalbaar zijn, te identificeren op het tijdstip waarop de vervreemder hen verkrijgt. "Alle toekomstige goederen", of ook "alle toekomstige vorderingen", is een omschrijving die deze eigenschap mist, wél voldoende bepaald is de omschrijving "alle, ten tijde van de overdracht bestaande vorderingen", of "alle toekomstige vorderingen uit een bestaande rechtsverhouding" (vgl. artikel 239 lid 1), of "alle toekomstige machines die in het bedrijf van de vervreemder zullen komen" (HR 22-5-1953, NJ 1954, 189, Sio-De Jong). Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat (HR 14-10-1994, NJ 1995, 447). In het Nederlandse BW bevat artikel 84 in zijn derde lid de regel dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid, of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel van overdracht van dat goed is. Het doel van deze regel is om voor de praktijk zowel de eigendom tot zekerheid als de trust uit te sluiten, in de veronderstelling dat het nieuwe wetboek daarvoor betere alternatieven biedt. In beide gevallen biedt de eigendom de rechthebbende immers meer bevoegdheden dan hij nodig heeft voor zijn beperkte doel - bij de eigendom tot zekerheid de positie van separatist in faillissement en de hoge voorrang bij executie, bij de trust de bevoegdheid tot exclusief beheer. In deze behoeften zou worden voorzien door een wettelijke regeling van enerzijds het stille pandrecht, anderzijds het bewind. Naast deze wettelijke regelingen zouden extra bevoegdheden die aan een eigenaar toekomen, slechts storend werken, zoals een lange reeks van jurisprudentie over de eigendom tot zekerheid heeft aangetoond. In Nederland is de wettelijke regeling van het stille pandrecht inderdaad totstandgekomen, en wel in de artikelen 237 voor het pandrecht op roerende zaken en vorderingen aan toonder en 239 voor dat op rechten - vooral vorderingen - op naam, met enige verdere bijzondere voorzieningen in de regeling van het pandrecht in afdeling 3.9.2 en die van het verhaalsrecht op goederen in titel 3.10. Invoering van deze regeling heeft het onmiskenbare voordeel van een hoge mate van rechtszekerheid, al heeft de Hoge Raad daartoe in enkele gevallen nog moeten ingrijpen (HR 14-10-1994, NJ 1995, 447, inzake de vorm van registratie, HR 17-2-1995, NJ 1996, 471, inzake de positie van de houder van een stil pandrecht op een vordering die na faillietverklaring van de pandgever, doch vóór de mededeling van de verpanding aan de debitor cessus, wordt betaald, en HR 19-5-1995, NJ 1996, 119 (Sogelease), over de vraag of een zgn. sale- and-leaseback-constructie door de regel van artikel 84 lid 3 van het Ned. BW wordt getroffen). Blijkens het tweede arrest kan de stille pandhouder in faillissement een beperkt nadeel lijden ten opzichte van de cessionaris tot zekerheid, anderzijds is het (stille) pandrecht, anders dan de eigendom tot zekerheid, een afhankelijk recht dat bij overdracht van de vordering op de verkrijger daarvan van rechtswege overgaat, en kan op een reeds verpand goed een opvolgend pandrecht worden gevestigd, hetgeen bij de eigendom tot zekerheid niet kan - eigendom tot zekerheid, gevestigd op een reeds tot zekerheid overdragen zaak kan in het geval van faillissement van de schuldenaar of van aan hem verleende surséance van betaling niet tegen de curator, respectievelijk de bewindvoerder worden ingeroepen. 2024 -428- No. 164 De voordelen die zij biedt, leiden ertoe de wettelijke regeling van het stille pandrecht ook hier te lande in te voeren - met uitzondering van het in Nederland voorgeschreven vereiste van registratie (zie de toelichting op de artikelen 237 en 239). Dit behoeft echter niet mee te brengen dat ook, als in Nederland, in artikel 84 de eigendom tot zekerheid als geldige rechtsfiguur wordt uitgesloten. De eigendom tot zekerheid werkt hier te lande immers bevredigend en behoeft daarom niet te worden uitgebannen. De Staat kan, gelet op zijn positie in het internationale handels- verkeer, niet het risico lopen dat een zekerheidsconstructie met betrekking tot bijvoorbeeld (onderdelen van) een vliegtuig waarop het hier te lande geldende recht van toepassing is, als strijdig met het fiduciaverbod en daarom als ongeldig moet worden bestempeld. Weliswaar heeft de Hoge Raad bij bovengenoemd arrest van 19-5-1995, NJ 1996, 119 het effect van dat verbod op de sale and financial lease back geminimaliseerd, maar discussies over grensgevallen kunnen beter volledig worden voorkomen. Voorgesteld wordt derhalve in artikel 84 de eigendom tot zekerheid niet uit te sluiten. Voor de toelating van de zekerheidsoverdracht van roerende zaken en rechten aan order en toonder is dit voldoende. Niet voldoende is dat echter voor de toelating van stille zekerheidscessie van rechten op naam, aangezien mededeling aan de schuldenaar volgens artikel 94 lid 1, - in afwijking van artikel 662 thans - een constitutief vereiste wordt voor de cessie in het algemeen; bij artikel 94 lid 3 wordt derhalve uitdrukkelijk cessie tot zekerheid zonder zulke mededeling geldig verklaard. Hier komt bij dat wordt voorgesteld om – anders dan in Nederland, maar in overeenstemming met het BW van de Nederlandse Antillen – de trust te introduceren in titel 3.6. Daarnaast is ervan afgezien een uitgewerkte wettelijke regeling van de zekerheidsoverdracht en haar gevolgen te ontwerpen. Mede gelet op de stroom van jurisprudentie omtrent dat onderwerp enerzijds, en de invloed van de nieuwe bepalingen omtrent het stille pandrecht anderzijds, stuit het ontwerpen van zulk een regeling op onevenredig grote praktische bezwaren. Overigens bevat het ontwerp wel enkele bepalingen die betrekking hebben op de positie van degene die constituto possessorio een zaak verkrijgt, en die daarom ook voor de eigenaar tot zekerheid van belang zullen zijn; men zie behalve artikel 111, de artikelen 90 lid 2 en 284 lid 2 derde zin, alsmede de toelichting daarop, en ook artikel 7:42. Anderzijds mag worden verwacht dat het stil pandrecht, eenmaal ingevoerd, uiteindelijk ook hier te lande gemeengoed zal worden. Het stil pandrecht verschaft immers meer rechtszekerheid dan de niet wettelijk geregelde eigendom tot zekerheid en is in dat opzicht voor de kredietverschaffer aantrekkelijker, temeer nu hier te lande de eis van registratie van pandakten niet zal worden gesteld. Het is niet ondenkbaar dat de standaardformulieren voor het vestigen van stil pandrecht, die door Nederlandse banken gehanteerd worden, binnen afzienbare tijd ook hier zullen worden gebruikt. Voor het overige zal de positie van de eigendom tot zekerheid in de toekomst, evenals thans, voor zover daarover geschillen ontstaan, door de rechter moeten worden ontwikkeld. Deze jurisprudentie zal hierbij, door het ontbreken van het fiduciaverbod, niet zonder meer die van Nederland kunnen volgen. De kern van de rechtspositie van de eigenaar tot zekerheid ligt in diens bevoegdheid zich door executie met voorrang boven andere schuldeisers op het goed te verhalen, hetgeen, evenals bij pand volgens artikel 235, de bevoegdheid tot toe-eigening uitsluit, aldus het meergenoemde arrest HR 19-5-1995, NJ 1996, 119. Zou hieraan te kort worden gedaan, dan kan nadere wetgeving worden overwogen. De voor het stille pandrecht uitgewerkte regeling zal voorts de rechter houvast kunnen bieden bij de oplossing van problemen die zich in de toekomst bij de eigendom tot zekerheid kunnen voordoen, al zal de vergelijkbaarheid van beide rechtsfiguren niet per definitie tot dezelfde uitkomst behoeven te leiden - verwezen zij naar de hierboven reeds aangegeven verschillen in rechtsgevolgen. Het eigendomsvoorbehoud wordt in Nederland op zichzelf niet getroffen door het fiduciaverbod van het daar geldende artikel 84 lid 3. Wèl echter verhindert daar artikel 92 lid 2 in een speciale regel dat een "verlengd eigendomsvoorbehoud" - dat wil zeggen geldend voor andere vorderingen dan die rechtstreeks uit de aanschaf van de zaak zelf voortvloeien - omslaat in zekerheidseigendom. Zulk een regel heeft hier te lande, waar de geldigheid van deze eigendom niet wordt aangetast, geen goede zin, en in het ontwerp is die dan ook niet opgenomen. 2024 -429- No. 164 In Nederland verhindert artikel 84 lid 3 niet alleen het ontstaan van eigendom tot zekerheid, doch ook "eigendom ten titel van beheer". Titel 3.6, de titel inzake het bewind, die de behoefte aan zulk een eigendom zou kunnen opvangen, is in Nederland echter niet ingevoerd wegens de complicaties die hij meebrengt; wel is daar in Boek 7 een artikel 423 ingevoegd dat de gelegenheid biedt om aan een lasthebber die op eigen naam handelt, de bevoegdheid toe te kennen met uitsluiting van de lastgever een aan deze toekomend recht uit te oefenen - aldus wordt in hoge mate aan de behoefte aan bewind voldaan. Voor zover artikel 84 lid 3 dit onderwerp betreft, wordt het in Nederland zo beperkt uitgelegd dat het weinig of niets toevoegt aan hetgeen zonder die bepaling ook reeds geldt - namelijk dat men het recht op een goed niet zodanig kan insnoeren dat met zakenrechtelijk gevolg, anders dan door het vestigen van door de wet erkende beperkte rechten, de rechthebbende in de uitoefening van de hem wettelijke toekomende rechten wordt beperkt, of, omgekeerd, derden verhaal op het goed wordt ontzegd. Niet uitgesloten zijn contractuele constructies die slechts obligatoir en geen zakenrechtelijk gevolg hebben. Wel is ongeldig een trustconstructie die de eigendom van een goed zelf zou opsplitsen en die verder gaat dan afsplitsing van een door de wet geregeld beperkt recht. Gegeven enerzijds deze beperkte strekking en anderzijds de positie van Suriname in het internationale rechtsverkeer, wordt voorgesteld ook het "trustverbod" niet in het ontwerp op te nemen, in tegendeel: om de trust te regelen in titel 3.6. Het bovenstaande heeft tot gevolg dat in het ontwerp het Nederlandse artikel 84 lid 3 ontbreekt, en dat artikel 84 lid 3 van het ontwerp overeenstemt met artikel 84 lid 4 van het Ned. BW. Met betrekking tot lid 3 zij nog het volgende opgemerkt. Overdracht kan, als rechtshandeling, onder voorwaarde plaatshebben - artikel 38. Door de vervulling van de voorwaarde gaat het goed van rechtswege over, hetzij naar de verkrijger (opschortende voorwaarde), hetzij terug naar de vervreemder (ontbindende voorwaarde). Deze overgang heeft weliswaar geen terugwerkende kracht (artikel 38 lid 2), maar wel zakelijke werking: rechten van derden na de levering verkregen van de partij die door de vervulling der voorwaarde haar recht verliest, worden niet gerespecteerd, tenzij de derde zich op een bepaling van derdenbescherming - artikel 24, 36 of 86, respectievelijk 88 - kan beroepen. Voorwaardelijke overdracht kan het gevolg zijn van een titel die tot zulk een overdracht verplicht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij levering onder eigendomsvoorbehoud, die de eigendom door betaling van de (koop)schuld doet overgaan (artikelen 91 en 92); alsdan is de titel, de verbintenis, zelf niet aan een voorwaarde onderworpen, maar alleen de overdracht. Het is echter ook mogelijk dat de titel zelf, bijvoorbeeld de verbintenis van de verkoper, voorwaardelijk is: hij is tot de verkoop alleen verplicht, wanneer de opschortende voorwaarde wordt vervuld, of de verkoop gaat teniet, als de ontbindende voorwaarde wordt vervuld. Op deze situatie heeft lid 4 betrekking: is reeds vóór de vervulling der voorwaarde geleverd, dan is het aldus verkregen recht aan dezelfde voorwaarde gebonden, met de gevolgen daarvan, ook als de levering zelf niet uitdrukkelijk onder voorwaarde is geschied. Lid 1 van artikel 84 vindt zijn equivalent in het artikel 639 (slot) van het huidige BW. Lid 2 is, in het bijzonder met betrekking tot de cessie van vorderingen, ruimer dan thans wordt aangenomen (zie HR 24-10-1980, NJ 1981, 265; vgl. de toelichting op de artikelen 94 en 97), lid 3 wijkt, althans ten opzichte van de eigendomsoverdracht tot zekerheid, af van het tegenwoordige recht, dat ook de in lid 4 gelegen precisering mist. Ook artikel 85 bevat bepalingen omtrent de titel der overdracht, de verbintenis. Deze kan inhouden dat een recht moet worden overgedragen onder ontbindende tijdsbepaling (lid 1) of onder opschortende tijdsbepaling (lid 2). Het artikel transponeert zo'n titel in een, op grond waarvan het tijdelijk vruchtgebruik van het over te dragen recht voor die tijd wordt gevestigd: degene wiens recht aan die tijd is gebonden - bij de ontbindende tijdsbepaling de verkrijger, bij de opschortende tijdsbepaling de vervreemder - heeft een recht van vruchtgebruik. Hij moet als vruchtgebruiker rekening houden met zijn opvolger en is beperkt in zijn bevoegdheden, in het bijzonder die tot vervreemden en bezwaren. In het geval van de opschortende termijn zal de levering aldus kunnen geschieden dat de vervreemder zich het vruchtgebruik voorbehoudt; zie artikel 81 lid 1, tweede zin, met de daarbij gegeven toelichting. 2024 -430- No. 164 Aan het vruchtgebruik zal de bevoegdheid tot vervreemding en vertering kunnen worden verbonden (zie artikel 215). Bij het overlijden van de vruchtgebruiker eindigt het vruchtgebruik (artikel 836, onderdeel 1, van het thans geldende BW; vgl. artikel 203 lid 2). Deze regel geldt mede voor het vruchtgebruik van artikel 85. Ware het anders, dan zou de regel die het vruchtgebruik niet langer doet lopen dan het leven van de vruchtgebruiker kunnen worden ontgaan en een vruchtgebruik voor een nagenoeg onbeperkte periode kunnen worden gevestigd. In de praktijk zal het overlijden van de vruchtgebruiker ook veelal als het einde van de termijn zijn bedoeld. Rust het vruchtgebruik op een registergoed, dan is het einde van het recht een feit dat voor inschrijving in de openbare registers vatbaar is - artikel 17, onderdeel c - met de gevolgen van dien. In het huidige recht komen de bepalingen van artikel 85 niet voor. De artikelen 86 tot en met 88 regelen hoe ondanks het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder door overdracht een goed kan worden verkregen. Op grond van artikel 98 gelden deze regels van derdenbescherming mede voor de vestiging, overdracht en afstand van beperkte rechten door een onbevoegde partij, zij het dat voor het pandrecht eigen, doch verwante, regels zullen gelden (artikel 238).

  1180. Artikel 86, met een aanvulling in artikel 87, heeft betrekking op roerende zaken die geen registergoederen zijn, en rechten aan order en toonder die door bezitsverschaffing e.d. zijn geleverd, (en, ingevolge artikel 98, derhalve mede voor het vruchtgebruik op deze goederen), artikel 88 op deze goederen, indien zij door akte zijn geleverd, en voorts op alle andere goederen.

  1181. Artikel 86 komt in de plaats van artikel 1998 BW - in de Nederlandse rechtsliteratuur wordt het wel "het nieuwe artikel 2014" genoemd - en volgt in zijn hoofdlijnen ook de aan de hand van dat artikel ontwikkelde jurisprudentie en doctrine. Niettemin zijn er afwijkingen: lid 2 van artikel 1998 BW wordt bijvoorbeeld vervangen door een ten dele andere regeling alleen voor gestolen goederen, terwijl de beperkte bescherming voor op markt of veiling gekochte goederen van artikel 637 zal vervallen. De bescherming die artikel 88 biedt, is minder volledig dan die van artikel 86. Behalve de algemeen geldende bepaling van derdenbescherming van artikel 36, is er voor registergoederen echter ook de regeling van de artikelen 24 tot en met 26 die derden-verkrijgers beschermt. De winst die de voorgestelde regeling belooft, schuilt in de rechtszekerheid. De geldende regeling is fragmentarisch en gebrekkig, de nieuwe is veel meer systematisch opgezet en met een duidelijker oog voor de belangen van het moderne rechtsverkeer. Evenals onder het huidige recht kan de goede trouw van de verkrijger alleen het ontbreken van de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder helen. Voor het overige moet de overdracht aan alle vereisten voldoen: het goed moet overdraagbaar zijn, respectievelijk de beperkingen van de overdraagbaarheid moeten in acht zijn genomen (zie de toelichting bij artikel 83), de titel moet geldig zijn - maar onder het nieuwe recht zal hij niet meer met terugwerkende kracht kunnen vervallen door vervulling van een voorwaarde en in het geheel niet meer door ontbinding wegens wanprestatie - en de vereisten voor levering moeten zijn vervuld (zie de toelichting op artikel 84).

  1182. Artikel 86 lid 1, preciseert in de eerste plaats op welke goederen het artikel betrekking heeft en tot welk type van levering het is beperkt. De omschrijving van roerende zaken is te vinden in artikel 3 lid 2, in samenhang met de artikelen 2 en 3 lid 1. Het artikel geldt, evenmin trouwens als thans artikel 1998 BW, voor in de registers ingeschreven schepen en luchtvaartuigen, die onder het nieuwe recht tot de registergoederen behoren (artikel 10). Behalve op roerende zaken, niet-registergoederen, is het artikel mede van toepassing op rechten aan toonder en aan order, waarbij bedacht moet worden dat voor wissels, orderbriefjes en cheques het Wetboek van Koophandel eigen vereisten stelt, die overigens in hoofdlijnen met die voor andere toonder- en orderrechten samenvallen. Het artikel geldt derhalve zonder meer voor bijvoorbeeld toonderaandelen en -obligaties en bankbiljetten. 2024 -431- No. 164 Ten aanzien van de wijzen van levering beperkt lid 1 het toepassingsgebied tot die van de artikelen 90, 91 en 93, inzake de verschaffing van het bezit van de zaak (artikel 90), de verschaffing van de macht over de zaak bij levering onder opschortende voorwaarde (artikel 91) en de verschaffing van het bezit van of de macht over het papier waarin het recht aan de order of toonder is belichaamd (artikel 93). Er wordt hier derhalve geen bescherming verleend aan de verkrijger die van de vervreemder geen bezit of feitelijke macht verkrijgt, zoals de verkrijger van een gevonden, gestolen of verduisterde zaak, aan wie de zaak overeenkomstig artikel 95 door middel van een akte wordt geleverd. Verkrijging overeenkomstig artikel 90 vereist verschaffing van bezit. Uit het vervolg zal blijken dat het voor de toepassing van artikel 86 van essentieel belang is, in de eerste plaats of de onbevoegde vervreemder zelf bezitter dan wel houder is, en in de tweede plaats of aan de verkrijger te goeder trouw het bezit al dan niet "constituto possessorio" wordt verschaft. Bezitsverschaffing kan geschieden zowel door een bezitter als door een houder die krachtens een rechtsver- houding met de bezitter de zaak onder zich heeft; over het vereiste van bezitsverschaffing in verband met de levering van toekomstige zaken zij verwezen naar de toelichting op artikel 97. Aangezien het maatschappelijk leven veelvormig is, dient men nog te bedenken dat de keten van houders zich voor voortzetting leent: men denke bijvoorbeeld aan een huurder, eventueel huurkoper ("lessee"), die "zijn" auto bij een garagehouder stalt - de eigenaar is "middellijk bezitter", de huurder is "middellijk houder". Onder bezitsverschaffing valt niet occupatie, de inbezitneming zonder medewerking van de vorige bezitter; vgl. HR 8-6-1973, NJ 1974, 346. De bezitter die aldus zijn bezit heeft verkregen, wordt niet door artikel 86 beschermd. Bezitsverschaffing door de bezitter zelf geschiedt door bezitsoverdracht, die in de artikelen 114 en 115 van het ontwerp is geregeld. De meest gebruikelijke wijze is die van het feitelijk verschaffen van de macht die de bezitter zelf kan uitoefenen, handelingen die artikel 666 lid 1, van het huidige BW begrijpt onder "overgave" en de daarmee verwante handelingen.

  1183. Artikel 115 geeft de bevoegdheid tot bezitsoverdracht door enkele verklaring in een drietal gevallen, die nog steeds met hun Latijnse termen plegen te worden aangeduid: de bezitter degradeert zichzelf tot houder voor een ander (traditio constituto possessorio), degene die reeds houder was, wordt door de bezitter zelf gepro- moveerd tot bezitter (traditio brevi manu), en de houder die voor de oorspronkelijke bezitter hield, gaat in het vervolg houden voor diens opvolger (traditio longa manu). De houder die zelf geen bezitter is, kan uiteraard geen bezit overdragen, maar hij kan wel aan een ander bezit verschaffen. In beginsel kan dit langs dezelfde twee wegen als die van de bezitsoverdracht. Zo kan de houder in de eerste plaats aan een derde de feitelijke macht verschaffen, waardoor deze zich als bezitter - te goeder of te kwader trouw - kan gaan gedragen. Ook de tweede weg, bezitsverschaffing door enkele verklaring analoog aan de bovengenoemde drie gevallen, is denkbaar. In de eerste plaats kan de rechtsverhouding waarin hij tot de bezitter staat, de houder tot bezits- verschaffing aan een derde bevoegd maken. Eigendomsvoorbehoud op geleverde voorraden behoeft zich er niet tegen te verzetten dat de afnemer deze in de uitoefening van zijn bedrijf aan een derde door levert, ook wanneer dit constituto possessorio geschiedt (vgl. HR 29-6-1979, NJ 1980, 133, Hoogovens-Matex), of ook longa manu, wanneer ze bij een sub houder zijn opgeslagen (vgl. HR 10-2-1978, NJ 1979, 338, Nieuwe Matex). De beheerder van een effectenportefeuille kan bevoegdelijk effecten brevi manu leveren aan de bank die hen bewaart (vgl. HR 25-9-1953, NJ 1954, 190). Anders is het wanneer de houder tot de levering niet bevoegd is. Dan stuit de houder op de algemene hinderpaal van artikel 111, de voortzetting van de artikelen 591 en 592 BW, zoals uitgelegd in de jurisprudentie (HR 22-5-1954, NJ 1953, 189, Sio-de Jong, en HR 29-9- 1961, NJ 1962, 14, Picus-Smallingerland): de houder kan niet door enkele verklaring zichzelf tot houder voor een ander maken, tenzij zich een van de in artikel 111, slot, genoemde uitzonderingen voordoet.

  1184. Artikel 111 richt zich alleen tegen levering constituto possessorio door een onbevoegde houder: de derde kan langs die weg geen bezit verwerven, en dus geen "verkrijger" worden, en komt daarom niet in aanmerking voor een beroep op artikel 86. Levering longa manu door iemand die voor de bezitter houdt, en tot overdracht 2024 -432- No. 164 niet bevoegd is, verschaft aan de derde wél bezit, hetgeen de basis voor toepassing van artikel 86 vormt: zie het hierboven genoemde HR 10-2-1978, NJ 1979, 338, alsmede HR 1-5-1987, NJ 1988, 852. Hetzelfde kan gelden voor traditio brevi manu. Het verschil tussen deze beide enerzijds en de traditio constituto possessorio anderzijds in dit opzicht wordt daardoor gemotiveerd, dat in de eerste twee gevallen de vervreemder de zaken uit zijn macht laat gaan, ophoudt houder te zijn, terwijl hij bij levering constituto pos- sessorio de zaken in zijn macht houdt. Bij levering longa manu is er bovendien de houder voor de vervreemder bij wie de verkrijger kan en, wil hij te goeder trouw zijn, ook moet informeren. Samengevat komt het bovenstaande erop neer dat bezitsverschaffing door een onbevoegde vervreemder, die tot toepassing van artikel 86 kan leiden, op de volgende wijzen kan geschieden: - bezitsverschaffing (bezitsoverdracht) door de bezitter door middel van feitelijke handelingen (artikel 114); - bezitsverschaffing (bezitsoverdracht) door de bezitter door middel van enkele verklaring in drie gevallen (artikel 115); - bezitsverschaffing door de houder door middel van feitelijke handelingen (analogie met artikel 114); - bezitsverschaffing door de houder door middel van traditio longa of brevi manu (analogie met artikel 115, onderdelen b en c), maar, behoudens de in artikel 111 genoemde uitzonderingsgevallen, niet constituto possessorio. Voor verschaffing van medebezit zij verwezen naar de aantekening bij artikel 96. Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat de vraag of de vervreemder tot beschikking via artikel 90 bevoegd of onbevoegd is, los staat van de vraag of hij bezitter dan wel houder is. In normale gevallen is hij als bezitter-eigenaar bevoegd, als bezitter-niet-eigenaar, hetzij te goeder, hetzij te kwader trouw, niet. De houder is in de regel niet bevoegd tot beschikking, maar hij kan beschikkingsbevoegdheid ontlenen aan zijn rechts- verhouding tot de bezitter-rechthebbende of aan de wet, zoals de pandhouder ter gelegenheid van de executie. In het voorgaande is samengevat in welke gevallen een onbevoegde bezitter of houder aan een verkrijger bezit kan verschaffen, zodat er dan een levering is die aan het vereiste van artikel 90 voldoet. De verkrijger, mits hij te goeder trouw is - de onbevoegdheid niet kent en ook niet behoeft te kennen -, komt alsdan in beginsel in aanmerking voor de bescherming die artikel 86 biedt. Artikel 90 lid 2 bevat in dit opzicht echter nog een beperking: de verkrijger kan zijn recht niet inroepen tegen een oudere gerechtigde, zolang bij levering constituto possessorio de zaak onder de vervreemder blijft (tenzij de oudere gerechtigde met de vervreemding instemt). Derhalve ook geen volledige bescherming ex artikel 86 zolang de verkrijger-bezitter de zaak niet "in handen" heeft (vgl. hierover nader de toelichting op artikel 90 lid 2). De oudere gerechtigde, die hier wordt bedoeld, kan zijn de eigenaar of een beperkt gerechtigde - vrucht- gebruiker of pandhouder -, maar ook een geprivilegeerde schuldeiser, het laatste in de lijn van HR 6-3-1970, NJ 1970, 433 (Van Wessem-Traffic), en HR 7-3-1975, NJ 1976, 91 (Van Gend en Loos). Zoals blijkt, komt de toepassing van artikel 86 in het geval van levering overeenkomstig artikel 90 in hoofd- lijnen overeen met hetgeen thans de toepassing van artikel 1998 BW (artikel 2014 van het oude Ned. BW) in de jurisprudentie heeft opgeleverd, ook al wordt dat voor de nieuwe wet soms op iets andere wijze uitgewerkt. Een praktisch verschil is echter dat artikel 86 in minder gevallen zal worden ingeroepen dan artikel 1998 thans. Veel van de jurisprudentie op het voormalige artikel 2014 van het Ned. BW kwam voor rekening van de problematiek, verbonden aan de eigendom tot zekerheid. In het nieuwe recht komt naast deze figuur het stille pandrecht, dat, ook voor het geval van verpanding door een onbevoegde pandgever, een eigen regeling zal krijgen (vgl. de artikelen 237 en 238). Bij de zekerheidseigendom blijft de vraag of en wanneer de eigenaar bezitter wordt; bij verpanding speelt deze kwestie geen rol, omdat de pandhouder in geen geval bezitter is. In resultaat zal echter ook hier de lijn van het huidige recht worden voortgezet. 2024 -433- No. 164 Niet alleen levering langs de weg van artikel 90, doch ook die langs de weg van artikel 91 of 93 kan krachtens artikel 86 lid 1 tot bescherming van de verkrijger tegen onbevoegdheid van de vervreemder leiden. Krachtens artikel 91 wordt geleverd niet door het volle bezit, doch alleen door de feitelijke macht te verschaffen, wanneer de levering onder een opschortende voorwaarde, zoals betaling van de koopprijs, geschiedt. Wordt de voorwaarde vervuld, dan wordt de verkrijger onvoorwaardelijk rechthebbende, ingevolge artikel 86 ook als de vervreemder onbevoegd was, mits de verkrijger op het tijdstip der levering te goeder trouw is geweest. Bij levering van een recht aan order of toonder heeft overeenkomstig artikel 93 het papier dat "drager" van het recht is, de functie van een roerende zaak die wordt overgedragen. Bij levering van een recht aan order zal goede trouw bovendien slechts gerechtvaardigd zijn als in elk geval de reeks van voorafgaande endossementen geen uiterlijke gebreken vertoont. Verwezen zij naar het Wetboek van Koophandel en Boek 8 nieuw BW, dat voor de bescherming van de verkrijger van verschillende rechten aan order tegen beschikkingsonbevoegdheid van een voorganger specifieke regels stelt: aldus voor de wissel, het orderbriefje, de cheque en het cognosse- ment, alles in overeenstemming met internationale verdragen. Behalve de omschrijving van de goederen waarop het artikel betrekking heeft, en de wijzen van levering waartoe het is beperkt, bevat artikel 86 lid 1, nog een tweetal elementen, namelijk dat de overdracht anders dan om niet is geschied en dat de verkrijger te goeder trouw is. Verkrijging anders dan om niet sluit de gift uit: de begiftigde die het verkregen goed weer moet afstaan, lijdt minder schade dan de rechthebbende die zijn recht door toepassing van artikel 86 zou verliezen. Ook de huidige literatuur beperkt de bescherming tot verkrijging tegen een contraprestatie. Niet is vereist dat de contraprestatie de volle waarde van het goed weergeeft - in de praktijk zal verkrijging tegen een bijzonder lage prijs wel twijfel wekken, of het laatste vereiste dat artikel 86 lid 1, de goede trouw van de verkrijger, is vervuld. Voor dit vereiste bezigt het ontwerp het begrip dat in artikel 11 nader is omschreven, waarbij in het bijzonder van belang is het onderzoek dat van de verkrijger wordt verlangd en het risico dat op hem rust, wanneer hij reden tot twijfel heeft. De goede trouw dient te bestaan op het tijdstip van de levering; waar echter de levering ingevolge artikel 90 lid 2, pas tegenover een oudere gerechtigde werking verkrijgt op het tijdstip dat de verkrijger de zaak in handen krijgt, moet hij tevens op dat tijdstip nog steeds te goeder trouw zijn (vgl. voor pand artikel 238, leden 1 en 2). Wetenschap van het eigendomsvoorbehoud door de leverancier staat niet in de weg aan de goede trouw van degene die van de houder verkrijgt, mits hij maar geen reden heeft om te twijfelen aan de normale afwikkeling van de transactie welke tot eigendom van de vervreemder zou leiden (HR 29-6-1979, NJ 1980, 133, Hoogovens-Matex). Ook het vereiste van de goede trouw sluit aan bij hetgeen onder het huidige recht voor de toepassing van artikel 1998 van het BW geldt. Komt het tot een procedure over deze toepassing, dan zal de verkrijger voldoende feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen, die haar rechtvaardigen, en is het aan de wederpartij, de "gedepossedeerde", te bewijzen dat de gestelde feiten onjuist zijn of de toepassing niet kunnen dragen.

  1185. Artikel 87 behelst een bepaling die in zekere zin aansluit bij het vereiste van de goede trouw. Het rechtsgevolg dat artikel 86 lid 1 aan de vervulling van de vereisten verbindt, is dat de overdracht ondanks het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder geldig is. Deze vorm van derden - bescherming gaat iets verder dan de enkele ontzegging van een beroep door de rechthebbende op de be- schikkingsonbevoegdheid van de vervreemder. De verkrijger wordt rechthebbende; wie deze bescherming niet wenst, moet afstand van het verkregen recht doen. Lid 2 heeft de strekking dat de derde die het goed krachtens lid 1 verkrijgt, dat ook onbezwaard verkrijgt als hij te goeder trouw is: het oudere beperkte recht vervalt. In het huidige recht geldt in dezelfde geest voor pand artikel 1182 lid 3 BW. De regel geldt zowel wanneer de vervreemder in het geheel niet over de zaak mag beschikken, als in het geval dat hij niet over de zaak mag beschikken alsof zij onbezwaard was, en de onbevoegdheid dus juist het beperkte recht betreft. 2024 -434- No. 164 Het vervallen van het beperkte recht is gebonden aan de definitieve verkrijging door de derde. Dat blijkt uit het slot van de bepaling voor het geval dat de verkrijging onder opschortende voorwaarde is geschied: het beperkt recht vervalt, zodra de voorwaarde wordt vervuld. Krachtens artikel 90 lid 2 vervalt, zoals hierboven al werd opgemerkt, een ouder beperkt recht bij levering constituto possessorio, evenals de eigendom en een privilege, pas, wanneer de derde-verkrijger de zaak in handen krijgt. Herkrijgt een bestolene overeenkomstig lid 3 de zaak, dan wordt de oude toestand hersteld. Bij vestiging van vruchtgebruik geldt lid 2 overeenkomstig (artikel 98), maar voor pandrecht bestaat geen behoefte aan een zo radicale regeling als het vervallen van het oudere beperkte recht, mits dit maar niet tegen de pandhouder zal kunnen worden ingeroepen; vandaar de rangwisseling van artikel 238 lid 2. Lid 3 komt in de plaats van het tegenwoordige lid 2 van artikel 1998 BW, maar vertoont daarmee een aantal verschillen. Geeft laatstgenoemde bepaling de voormalige rechthebbende steeds de bevoegdheid binnen drie jaar het goed terug te vorderen, indien hij de macht erover onvrijwillig is kwijtgeraakt, de nieuwe bepaling beperkt die bevoegdheid tot het geval van bezitsverlies door diefstal; voor verkrijging van verloren zaken wordt een eigen regeling ten behoeve van de vinder in Boek 5 getroffen (zie de artikelen 5:5 e.v.).

  1186. Artikel 637 BW beperkt thans in zoverre de revindicatiebevoegdheid van de oude eigenaar, dat degene die het goed op een markt of veiling heeft gekocht, het alleen tegen vergoeding van de koopprijs behoeft af te staan. De bepaling, die het marktwezen bevordert, is nu als verouderd te beschouwen - integendeel is er niet zelden reden toe de herkomst van de daarin verhandelde tweedehands goederen met enig wantrouwen te bezien; in de jurisprudentie is de regel van artikel 637 BW dan ook beperkt uitgelegd (HR 27-2-1953, NJ 1954, 452, en HR 16-12-1966, NJ 1968, 70). Onder de huidige maatschappelijke verhoudingen bestaat er veeleer reden tot bescherming van degene die als consument in een reguliere winkelkoop een goed heeft verkregen. Dit geschiedt dan ook in de in onderdeel a geformuleerde uitzondering op de revindicatiebevoegdheid. Deze uitzondering is volledig: de consument mag het goed behouden en behoeft zich niet met vergoeding van de koopprijs te laten afschepen. De omschrijving van de (vaste) bedrijfsruimte als de plaats waar de zaak is verkregen, dekt de normale winkels en soortgelijke bedrijfspanden, zoals garages waar tweedehandsauto’s worden verkocht, waarbij de veiling uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Onder omstandigheden kan, gezien de strekking van de bepaling, voor haar toepassing een roerende bedrijfsruimte met een onroerende worden gelijkgesteld (HR 14-11-1997, NJ 1998, 147). De tweede, in onderdeel b geformuleerde, uitzondering betreft geld - ook buitenlands -, en toonder- en order- papieren, goederen derhalve waarvan de herkomst in de regel niet te traceren valt. Behoudens deze verschillen bouwt lid 3 voort op het vigerende recht. Zo moet men aannemen dat, evenmin als onder het geldende recht, voor het kunnen instellen van de revindicatie niet is vereist dat het bezitsverlies niet aan de onachtzaamheid van de gedepossedeerde zelf valt te wijten (zie HR 18-1-1991, NJ 1992, 667, en HR 17-5-1991, NJ 1992, 668). Het slagen van de vordering maakt de verkrijging door de derde met terugwerkende kracht ongedaan - door hem inmiddels gevestigde beperkte rechten vervallen. Is de vordering niet binnen de gestelde termijn van drie jaar ingesteld, dan is de verkrijging door de derde onherroepelijk geworden. De termijn is in beginsel te beschouwen als een verval-, en niet als een verjaringstermijn. Lid 3 van artikel 86 zelf kent de revindicatie alleen toe aan de gedepossedeerde eigenaar, maar in bijzondere bepalingen in het vervolg van Boek 3 zal de bepaling echter ook van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de bezitter, vruchtgebruiker, pandhouder en retentor van de gestolen zaak. De verkrijger die de zaak ingevolge lid 3 aan de bestolene moet afstaan, heeft, als bezitter te goeder trouw, aanspraak op vergoeding van de ten behoeve van de zaak gemaakte kosten (artikel 120 lid 2). De bestolene die ingevolge lid 3 de zaak niet kan opvorderen, kan eventueel uit hoofde van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking een vordering tot schadevergoeding instellen tegen de voorman van de verkrijger. 2024 -435- No. 164 Zoals gemeld is de in lid 3 opgenomen termijn een vervaltermijn, waarop in beginsel de bepalingen van titel 3.11 omtrent de verjaringstermijn niet van toepassing zijn. Voor enige bepalingen echter is overeen- komstige toepasselijkheid wél wenselijk, en wel voor die omtrent stuiting (met uitzondering van artikel 317, waarvan lid 1 slechts geldt voor rechtsvorderingen uit een verbintenis en lid 2 niet goed past bij de met een vervaltermijn beoogde rechtszekerheid). De toepasselijkheid houdt in dat de vervaltermijn van artikel 86 lid 3, wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging - in casu instelling van een revindicatie, of daaraan voorafgaande, het leggen van beslag - en door erkenning van het recht van de eerdere rechthebbende door de verkrijger, alsmede de regeling omtrent de aanvang van een nieuwe vervaltermijn na de stuiting.

  1187. Artikel 86a hangt samen met de artikelen 99 lid, 238 en 310a. Beoogd wordt een zekere bescherming te bieden aan cultuurgoederen in musea, kerken e.d. Terminologisch is aangesloten bij het op 24 juni 1995 te Rome tot stand gekomen Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen (Trb. 1996 no. 227). Dit verdrag kan bij de interpretatie van artikel 86a dienstdoen. Zo wordt in artikel 2 van het verdrag, in samenhang met de Bijlage bij het verdrag, een omschrijving gegeven van het begrip "cultuurgoederen" en in artikel 3 lid 7, van het begrip "openbare collecties". De essentie van lid 1 van artikel 86a is dat het mogelijk wordt om gestolen cultuurgoederen uit openbare collecties e.d. ook na drie jaar terug te vorderen van een bezitter te goeder trouw. Deze heeft echter ingevolge lid 2 in beginsel recht op een billijke vergoeding.

  1188. Artikel 87 bevat een aanvulling op het vereiste van de goede trouw dat artikel 86 stelt: het legt een zgn. wegwijsplicht op. Wie van een beschikkingsonbevoegde blijkt te hebben verkregen en om zijn recht staande te houden een beroep moet doen op zijn goede trouw, moet ook, binnen drie jaar daarnaar gevraagd, gegevens kunnen overleggen die tot de identificatie van zijn voorman kunnen leiden. Welke gegevens voldoende zijn, of althans welke daarvoor ten tijde van de verkrijging in aanmerking kwamen, hangt van de omstandigheden af: de winkel waar men iets kocht, is gemakkelijker aan te wijzen dan een marktkoopman. Dat de regeling niet van toepassing is op geld, spreekt wel vanzelf. Voor wissels, orderbriefjes en cheques gelden de eigen regels van het Wetboek van Koophandel.

  1189. Artikel 88 biedt bescherming aan degene die te goeder trouw buiten het toepassingsgebied van artikel 86 een goed verkreeg van iemand die niet bevoegd was om daarover te beschikken. Ook deze bescherming bestaat daarin dat de overdracht ondanks de beschikkingsonbevoegdheid geldig is, doch slechts als de beschikkings- onbevoegdheid aan bepaalde oorzaken valt te wijten - in dit opzicht is de derden bescherming van artikel 88 beperkter dan die van artikel 86; anderzijds geldt hier niet het vereiste van verkrijging tegen contraprestatie. Als goederen waarvoor het artikel geldt, kunnen worden genoemd registergoederen, vorderingsrechten op naam, rechten op voortbrengselen van de geest zoals auteursrecht en octrooi, en aandelen in een vennootschap op naam. Voorts is het artikel van toepassing op de overdracht van een goed dat wel in artikel 86 wordt genoemd - een roerende zaak die geen registergoed is, een recht aan order of toonder - maar dat niet overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 is geleverd. Daarbij valt te denken aan levering bij akte volgens artikel 95; van deze wijze van levering kan worden gebruik gemaakt, als de vervreemdende rechthebbende deze zaak of het papier niet in zijn bezit of macht heeft, omdat het verduisterd, gestolen of verloren is. Terwijl artikel 86 de verkrijger beschermt tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, ongeacht de oorzaak daarvan, beperkt artikel 88 de bescherming tot bepaalde oorzaken van onbevoegdheid. Vereist is in de eerste plaats dat het goed meer dan eens is overgedragen en dat een, of de, eerdere overdracht ongeldig is geweest, als gevolg waarvan de toenmalige verkrijger zelf onbevoegd werd tot beschikking; aan de laatste overdracht mag niets dan deze beschikkingsbevoegdheid ontbreken. Vervolgens is voor de toepasselijkheid van artikel 88 vereist dat die eerste ongeldigheid niet haar oorzaak vond in onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder. Met andere woorden: de eerdere overdracht ontbeerde uitsluitend een geldige titel - deze was nietig of is met terugwerkende kracht vernietigd -, of een geldige levering - de "zakelijke overeenkomst" was ongeldig of de feitelijke handelingen zijn niet in overeenstemming met de wet verricht. Ook is denkbaar dat 2024 -436- No. 164 bij de eerdere gelegenheid een vereiste voor de overdraagbaarheid van het goed niet in acht is genomen, zoals de toestemming van de eigenaar bij overdracht van de erfpacht (vgl. artikel 5:91) of voldoening aan de statutaire blokkeringsregeling bij de overdracht van een aandeel op naam. Bij deze beperkingen in de reikwijdte van het artikel bedenke men dat een derde-verkrijger daarnaast ook bescherming kan ontlenen aan artikel 36, en voor zover zijn goed een registergoed is, aan de artikelen 24 tot en met 26. Een beroep op de goede trouw zal vereisen dat de verkrijger tevoren het nodige, door de omstandigheden verlangde onderzoek zal hebben gepleegd: zie artikel 11. Voor zover de overdracht een registergoed betreft, sluit dit onderzoek van de openbare registers in (zie artikel 23), maar onder omstandigheden ook van het percelenbestand. Een beroep op onbekendheid met onbekwaamheid van de toenmalige vervreemder, die de eerdere overdracht van het registergoed vernietigbaar maakte, zal niet slagen: zie artikel 24. Zijn de vereisten die artikel 88 stelt, vervuld, dan is het rechtsgevolg daarvan dat de overdracht geldig is, evenals dat bij toepassing van artikel 86 het geval is; vgl. het aldaar in de toelichting opgemerkte.

  1190. Artikel 88 is een van de artikelen die in de plaats komen voor het tegenwoordige artikel 1894 BW, een artikel dat echter weinig duidelijk is, zeker ten aanzien van de gevallen waarin het aan een verkrijger bescherming verleent. De artikelen 89 tot en met 95 geven voor de verschillende categorieën goederen aan, welke feitelijke leveringshandelingen de wet voor overdracht vereist; deze zelfde handelingen zijn krachtens artikel 96 vereist voor levering van een aandeel in die goederen, en, voor zover die goederen beperkte rechten (artikel 8) zijn, krachtens artikel 98 tevens voor vestiging en afstand daarvan. Voorts zullen deze leveringshandelingen ook worden vereist voor de overgang van (aandelen in) goederen na toedeling uit een gemeenschap (zie artikel 186 lid 1).

  1191. Artikel 89 De reeks van de leveringsartikelen vangt aan met dat voor onroerende zaken (artikel 3 lid 1) en, overeenkomstig lid 4, andere registergoederen (artikel 10); vgl. de toelichting op deze bepalingen. Voor de levering van de registergoederen is vereist een notariële akte, gevolgd door de inschrijving in de openbare registers. Deze regel is in overeenstemming met het huidige recht; aldus voor onroerende zaken - waaronder volgens het huidige artikel 564 BW ook de beperkte rechten vallen - thans artikel 670 BW. Aan de akte dient zowel de vervreemder als de verkrijger mee te werken, eventueel door bemiddeling van een vertegenwoordiger: het is hun gezamenlijke rechtshandeling, waarop titel 3.2 met zijn bepalingen omtrent geldigheid van toepassing is. De akte kan uit meer elkaar aanvullende delen bestaan; bij de regeling van de reële executie in titel 3.11 zal worden bepaald dat de medewerking van een der partijen kan worden vervangen door aanwijzing van een dwangvertegenwoordiger, dan wel door een rechterlijk vonnis (vgl. artikel 300). Lid 2 vereist op straffe van nietigheid der levering een nauwkeurige omschrijving van de titel in de akte, lid 3 vermelding van een eventuele volmacht. Andere vereisten kunnen worden gesteld bij de regeling van het notarisambt, waarvoor dan niet altijd de sanctie van nietigheid behoeft te gelden; ontbreken van de vereiste vermeldingen zal wel leiden tot weigering van de inschrijving (artikel 20). Voor de inschrijving worde verwezen naar afdeling 3.1.2 en de toelichting daarop, voor het vereiste van de bekwaamheid van partijen en de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder mede naar de toelichting op artikel 84. Bij overdracht van een stuk grond kan onzekerheid ontstaan over de vraag wat precies is geleverd. Wijkt de perceel identificatie van een perceel af van een in de transportakte opgenomen feitelijke omschrijving, dan zal de laatste de doorslag geven. Omschrijft de akte van levering van een stuk grond dit als groter dan de koopakte dat doet, dan levert de transportakte dwingend bewijs tussen partijen op, doch staat daartegen in beginsel tegenbewijs open, inhoudend dat partijen bedoeld hebben de zaak als omschreven in de koopakte, over te dragen. Wordt dat tegenbewijs inderdaad geleverd, dan geldt de overdracht slechts voor de zaak zoals die door 2024 -437- No. 164 de koopakte wordt omschreven, omdat alsdan voor de overdracht van het meerdere de titel ontbreekt (HR 22- 4-1994, NJ 1995, 560). Doet het omgekeerde zich voor - de koopakte omschrijft de zaak als groter dan de akte van levering - dan geeft de transportakte de doorslag: er is nu eenmaal niet meer geleverd dan in deze akte staat vermeld (HR 8-12-2000, NJ 2001, 350).

  1192. Artikel 90 betreft de levering van roerende zaken en, door de verwijzing in de artikelen 96 en 98, van aandelen daarin en beperkte rechten daarop (voor pand zal echter een afzonderlijke regeling gelden; zie de artikelen 236 en 237). Het artikel is bij de toelichting op artikel 86 reeds vrij uitvoerig ter sprake gekomen. Lid 1 behandelt het meest gebruikelijke geval, namelijk dat waarin het goed zich in de macht van de vervreemder bevindt. Een zaak is in de macht van de vervreemder, indien deze haar zelf onder zich heeft, of indien een ander haar voor hem houdt. Door verlies, diefstal of verduistering raakt de rechthebbende de macht over de zaak kwijt - hij kan haar dan alleen langs de weg van artikel 95, namelijk door akte, leveren. De levering voltrekt zich door bezitsverschaffing. Uit de toelichting op artikel 86 moge hier de conclusie worden herhaald: - de bezitter kan zijn bezit overdragen door feitelijke handelingen (artikel 114); - de bezitter kan in drie gevallen zijn bezit door enkele verklaring overdragen (artikel 115); - de houder kan aan een derde door feitelijke handelingen bezit verschaffen (analogie met artikel 114); - de houder kan aan een derde brevi of longa manu bezit verschaffen (analogie met artikel 115, onderdelen b en c). Een houder kan krachtens artikel 111 niet constituto possessorio bezit verschaffen, behalve in de, in dat artikel genoemde, twee uitzonderingsgevallen. Het bezit van goederen die vervoerd worden of opgeslagen zijn, kan ook worden geleverd door uitgifte en levering van cognossement of ceel. Ook lid 2, dat de verkrijging door levering constituto possessorio relativeert, is al in de toelichting op artikel 86 ter sprake gekomen. Overigens moet daarbij worden bedacht dat in verband met het karakter van artikel 86 de toelichting op dat artikel speciaal is gericht op levering door een vervreemder die tot die levering niet bevoegd is; artikel 90 lid 2 omvat uiteraard ook het normale geval dat de vervreemder wél beschikkingsbevoegd is. De bepaling veronderstelt in de eerste plaats een op zichzelf geldige bezitslevering constituto possessorio door een bezitter, al dan niet eigenaar, of houder. Uit artikel 111 volgt dat een houder het daarvoor vereiste bezit alleen kan verschaffen in de, aan het slot van dat artikel genoemde, twee uitzonderingsgevallen. In de tweede plaats veronderstelt de bepaling het (tijdens de vervreemding nog) bestaan van een ouder recht. Zo'n recht kan zijn het eigendomsrecht op de zaak - dit kan zich alleen voordoen als de zaak wordt vervreemd door een bezitter die niet de eigenaar is (de bezitter die tevens eigenaar is, levert met het bezit de eigendom; een houder is óf ingevolge de hoofdregel van artikel 111 niet in staat tot levering van bezit óf ingevolge een in dat artikel vervatte uitzondering daartoe wel in staat: in het eerste geval verwerft de "verkrijger" geen bezit, in het tweede geval levert de houder mét het bezit tevens de eigendom; in geen van beide gevallen is er een bezitter die niet tevens de eigendom verkrijgt) -, dan wel een beperkt recht, in het bijzonder een stil pandrecht, of een voorrecht (zie hiervoor de toelichting op artikel 86). Is aan de vereisten voor een geldige levering constituto possessorio voldaan, dan is de verkrijger weliswaar bezitter en daarmee rechthebbende geworden, doch hij kan zijn aldus verkregen positie niet inroepen tegen de oudere gerechtigde, zolang de zaak in handen van de vervreemder blijft. Pas op het tijdstip waarop de zaak in handen van de verkrijger komt, valt deze beperking weg. Indien de vervreemder tot de levering onbevoegd was, kan de verkrijger, mits hij op dit tijdstip te goeder trouw is, tegenover de oudere gerechtigde een beroep op artikel 86 doen. 2024 -438- No. 164 "In handen van de verkrijger" omvat niet alleen het onmiddellijke bezit (artikel 107 lid 2), maar ook het middellijke (artikel 107, derde lid). Zie aldus reeds voor het in dit opzicht vergelijkbare bestaande recht HR 18-9-1987, NJ 1988, 983 (Berg-De Bary): door de verklaring van de verkrijger constituto possessorio aan de onmiddellijke houder en diens erkenning van de verkrijging, was de laatste voor de eerste gaan houden, en hield hij niet langer voor de vervreemder, met het gevolg dat deze geen beroep meer kon doen op zijn oudere recht - in casu het onder het nieuwe recht vervallende verkopersprivilege. De beperking die artikel 90 lid 2 aldus op de levering constituto possessorio aanbrengt, geldt, zoals uit het slot der bepaling blijkt, niet ten opzichte van de oudere gerechtigde, die met de vervreemding instemt. Voorts wordt eraan herinnerd dat de beperkingen die de wet schept voor de levering constituto possessorio, niet gelden voor de levering brevi of longa manu.

  1193. Artikel 90 lid 2 is in het bijzonder van belang voor de eigendom tot zekerheid. Voor het daaraan verwante stille pandrecht zal een eigen regeling gaan gelden (zie de artikelen 237 en 238). Weliswaar gelden de algemene regels omtrent de beschikkingsbevoegdheid ook voor de bevoegdheid tot het vestigen van een pandrecht, maar een eerste verschil is reeds dat degene die de zaak met een pandrecht kan belasten, haar vervolgens nog met andere pandrechten kan bezwaren die elkaar in rang opvolgen, evenals na een eerste hypotheek ook volgende kunnen worden gevestigd - een dubbele eigendom (tot zekerheid) is daarentegen niet mogelijk. In geval van executie blijft de rangorde tussen de gevestigde beperkte (pand- en andere) rechten in beginsel gehandhaafd (artikel 237). Is een pandrecht echter door een onbevoegde gevestigd, dan verdringt dit, conform het huidige artikel 1182 lid 5 BW oudere rechten zodra de zaak buiten de macht van de pandgever wordt gebracht, mits de pandhouder op dat tijdstip te goeder trouw is - dat wil zeggen: deze oudere rechten niet kende en ook niet behoefde te kennen. (Een verschil met artikel 1182 BW en ook met de algemene regel van artikel 86 lid 2 is dat de oudere rechten niet vervallen, maar voor het pandrecht in rang moeten wijken: de pandhouder kan de zaak vrij executeren, maar draagt de opbrengst na aftrek van het hem verschuldigde af aan de na hem gerangschikte beperkt gerechtigden (artikel 253). Zolang echter een stil pandrecht in de macht van de pandgever blijft, behouden die oudere rechten hun werking en rang - een regel die met die van artikel 90 lid 2 in overeenstemming is (artikel 238 lid 2). Lid 1 van artikel 90 stemt overeen met het tegenwoordige artikel 666 lid 1, BW; lid 2 bouwt voort op de jurisprudentie die aan de combinatie van constitutum possessorium en zekerheidseigendom een zwakkere positie toekent (zie de toelichting op de artikelen 84 en 86).

  1194. Artikel 91 betreft een leveringsvorm van dezelfde goederen als die in het vorige artikel zijn genoemd: roerende zaken, niet-registergoederen. Het verschil is dat hier de levering geschiedt in verband met een overdracht onder opschortende voorwaarde (onverschillig of de verbintenis die tot die overdracht verplicht, zelf ook voorwaardelijk is - zie artikel 84 lid 3). Het voor de praktijk belangrijkste voorbeeld is de levering onder eigendomsvoorbehoud door een leverancier die zich aldus zekerheid voor latere betaling verschaft (zie voorts hierover het volgende artikel). Geschiedt de overdracht onder opschortende voorwaarde, dan wordt voorshands nog geen bezit verschaft, maar voor een geldige levering is dan vereist dat de zaak in de macht van de verkrijger komt, dat wil zeggen in handen van deze zelf of van iemand die voor hem houdt. Het resultaat is dat de levering als op dat ogenblik voltooid geldt; wordt de voorwaarde vervuld, dan gaat het bezit van rechtswege over en wordt de overdracht definitief. Dit resultaat wordt, anders dan de overdracht van toekomstige goederen (artikel 97), niet verhinderd indien de vervreemder inmiddels op het tijdstip van de vervulling der voorwaarde, bijvoorbeeld ten gevolge van faillissement, niet langer beschikkingsbevoegd is: artikel 84 lid 1, immers verlangt dat die beschikkingsbevoegdheid op het tijdstip der levering bestaat. Ook onder het huidige recht wordt levering onder voorwaarde door middel van verschaffing van de macht over de zaak erkend. 2024 -439- No. 164

  1195. Artikel 92 Het eigendomsvoorbehoud is een in de praktijk veelvuldig voorkomende zekerheid voor een krediet verle- nende leverancier, onder andere in de vorm van huurkoop, inclusief bepaalde vormen van leasing. Zolang de vordering van de leverancier, of zijn rechtsopvolger, onvoldaan blijft, blijft de geleverde zaak diens eigendom. Hoewel het eigendomsvoorbehoud in belangrijke mate dient om een leverancier zekerheid te verschaffen voor de betaling van zijn vordering door de afnemer (veelal een vorm van "objectfinanciering"), gaat het hier in beginsel niet om een verkapt zekerheidsrecht, doch om voorbehoud van de volle eigendom. Wordt de voorwaarde waaronder het goed is overgedragen, in elk geval voldoening der vordering, niet vervuld, dan blijft het goed, met ontbinding van de koopovereenkomst, aan de vervreemder; wel kan deze op grond van ongerechtvaardigde verrijking een vergoeding worden verschuldigd voor de door de koper reeds voldane termijnen van de koopsom - zie het huidige artikel 1561t BW voor het geval van huurkoop. Dit geldt blijkens HR 19-5-1995, NJ 1996, 119 (Sogelease), in beginsel ook voor de in de praktijk veelvuldig voorkomende constructie van sale and (financial) lease back, ook als deze wordt gebezigd in verband met kredietverlening buiten de enkele objectfinanciering van het door de debiteur vervreemde en "teruggehuurde" goed. Dat is slechts anders als de overdracht niet "werkelijk" en zonder beperking is geschied, doch dient "ten titel van ver- haal", ten einde de kredietverschaffer slechts de bevoegdheid te geven om zich met voorrang boven andere schuldeisers te verhalen: in dat geval zal sprake zijn van eigendomsoverdracht tot zekerheid, en geldt het toe- eigeningsverbod, zoals dat krachtens artikel 235 ook voor pand en hypotheek geldt. Vgl. in verband met de in Nederland bestaande uitsluiting van de eigendom tot zekerheid de toelichting op artikel 84. Nu deze laatste rechtsfiguur hier te lande niet wordt uitgesloten, en des te meer in het licht van het arrest van de Hoge Raad, heeft het weinig zin zoals dat in Nederland in artikel 92 lid 2 is geschied, het zgn. verlengde eigendomsvoorbehoud - het beding dat het eigendomsvoorbehoud ook standhoudt nadat de koopprijs is voldaan, zolang niet tevens andere vorderingen, zoals het algemene bedrijfskrediet, zijn voldaan -ongeldig te verklaren. Het eigendomsvoorbehoud is niet een afhankelijk recht in de zin van artikel 82 of een nevenrecht in de zin van artikel 6:142; zie de toelichting op deze artikelen. Evenmin strekt het zich uit over goederen die door zaaksvervanging worden verkregen: HR 24-3-1995, NJ 1996, 158 (hennen-eieren-kuikens). Lid 1 van artikel 92 behelst het vermoeden dat, zo partijen het eigendomsvoorbehoud niet anders inrichten, dat voorbehoud tot voorwaardelijke overdracht verbindt: zodra de voorwaarde, de voldoening der bedongen prestatie, is vervuld, gaat de zaak van rechtswege over. Lid 2 geeft enige alternatieve wijzen van vervulling der voorwaarde. In de in Nederland geldende tekst - aldaar lid 3 - verwijst de tweede daarvan naar de regeling van het schuldeiserverzuim in artikel 6:60. Onder het huidige recht wordt het eigendomsvoorbehoud wel erkend, doch slechts in de vorm van huurkoop geregeld (artikelen 1561h tot en met 1561s BW).

  1196. Artikel 93 Een recht aan toonder wordt geleverd door levering van het toonderpapier, waarvoor de tekst verwijst naar de leveringsvarianten van de artikelen 90, 91 en 92 - de beperking, gelegen in artikel 90 lid 2, is derhalve mede van toepassing. Voor levering van rechten aan order geldt hetzelfde als voor die van rechten aan toonder, vermeerderd met het vereiste van endossement. De regeling geldt slechts, als het papier in de macht van de vervreemder is; is het verduisterd, verloren of gestolen, dan kan op de wijze van artikel 94 worden geleverd. Voor wisselbrieven, orderbriefjes, cheques en cognossementen bevatten het Wetboek van Koophandel en Boek 8 nieuw BW speciale bepalingen: respectievelijk de artikelen 189, 247, 257 K en artikel 8:416. Levering van ceel en cognossement betekent niet enkel overdracht van een vordering, maar ook van de opgeslagen en vervoerde zaken zelf, levering van een aandeel in een naamloze vennootschap betekent mede levering van zeggenschapsrechten. Het artikel stemt vrijwel overeen met wat voor het huidige recht geldt: artikel 667 lid 3, BW. 2024 -440- No. 164

  1197. Artikel 94 regelt de wijze van levering van rechten die tegen een of meer bepaalde personen worden uit- geoefend. Daarvan zijn uitgezonderd de vorderingen aan order of toonder, mits het papier waarin ze zijn belichaamd, zich in de macht van de vervreemder bevindt - daarvoor geldt artikel 93. Daargelaten, of men een aandeel in een vennootschap als een tegen een bepaalde (rechts)persoon uit te oefenen recht kan beschouwen, de levering van aandelen op naam wordt in Boek 2 afzonderlijk geregeld. Het verreweg belangrijkste toepassingsgebied van artikel 94 wordt gevormd door de vorderingen op naam. Daarnaast kan men bijvoorbeeld denken aan levering van (overdraagbare) optierechten. Gemakshalve wordt in het vervolg degene tegen wie het recht wordt uitgeoefend, aangeduid als de schuldenaar. In het huidige recht is op de levering van deze rechten - veelal cessie genoemd - artikel 667 van het BW van toepassing. Het belangrijkste verschil tussen het bestaande en het nieuwe recht bestaat daarin dat onder het eerste de levering reeds is voltooid door de leveringsakte, terwijl volgens het ontwerp, ter wille van de rechtszekerheid, de levering slechts als voltooid kan gelden wanneer het feit der cessie ook aan de schuldenaar is meegedeeld. Deze wijziging maakt in Nederland een eind aan de stille zekerheidscessie van vorderingen op naam krachtens welke de vordering van de cedent wordt overgedragen aan diens schuldeiser, ook zonder dat dit bij de debitor cessus bekend is. in de toelichting op artikel 84 is reeds uiteengezet, waarom wordt voorgesteld deze stille zekerheidscessie te handhaven, waartoe een bijzondere bepaling nodig is, die in het onderhavige artikel in lid 3 is geformuleerd. Anders dan in Nederland komt hier derhalve het stille pandrecht op vorderingen van artikel 239 náást, en niet in plaats van, de stille zekerheidscessie. Het faillissement van de cedent doorkruist de gevolgen der cessie niet: betalingen op de gecedeerde vorderingen op de rekening van de cedent bij diens schuldeiser - in de regel diens bank - vallen buiten de failliete boedel en in het vermogen van de bank (HR 29- 1-1993, NJ 1994, 171). Zijn de vorderingen stil verpand en raakt de pandgever failliet, dan vallen zulke betalingen wél in de failliete boedel, indien zij vóór de mededeling van de verpanding aan de debitor cessus zijn geschied; wel behoudt alsdan de bank haar rechten op voorrang en verrekening (HR 17-2-1995, NJ 1996, 471). Zie voorts de toelichting op artikel 246. In de praktijk komt tegenwoordig ook veelvuldig, met name als onderdeel van de zgn. "factoring", de "cessie tot incasso" voor: de bedoeling is dat de bevoegdheid tot het innen der vordering wordt uitgeoefend door een bedrijf dat in een vaste relatie staat tot de schuldeiser. Wordt de "cessionaris" niet meer bevoegdheid toe- gekend dan het incasseren van de vordering op eigen naam, en is het derhalve niet de bedoeling dat zij reëel in zijn vermogen valt, dan zal deze "cessie" - ondanks haar benaming - zijn op te vatten als een lastgeving tot incasso op naam van de lasthebber (zie HR 21-10-1983, NJ 1984, 254, en HR 28-10-1988, NJ 1989, 83). Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de schuldenaar, afgezien van andersluidende bedingen, zijn schuld niet kan verrekenen met een vordering op die lasthebber, maar wel met een op de lastgever-schuldeiser. Deze figuur gaat derhalve buiten artikel 94 om. Wat de reikwijdte van artikel 94 betreft, zij er nog op gewezen dat cessie van (alleen) de rechtsvordering, afgescheiden van de overdracht van het recht zelf, door het ontwerp zal worden uitgesloten (vgl. artikel 304). Aan zulk een cessie bestond enige behoefte, zolang men betwijfelde of een verduisterde, gestolen of verloren zaak kan worden geleverd, in het bijzonder aan de verzekeraar, die slechts tot schadevergoeding bereid is, als zijn positie tegenover de dief of vinder voldoende sterk is. Aan zulke twijfel is echter reeds een einde gekomen door HR 27-4-1979, NJ 1981, 139, en HR 7-5-1982, NJ 1983, 241. In het ontwerp valt de levering van verduisterde, gestolen en gevonden zaken onder het bereik van artikel 95.

  1198. Artikel 94 betreft een zakenrechtelijk - "goederenrechtelijk" - aspect van de overgang van vorderingen, de levering. Het verbintenisrechtelijk aspect zal zijn regeling vinden in Boek 6 (vgl. de artikelen 6:142 e.v.). In dat verband zal ook ter sprake komen de overgang van nevenrechten, voor zover die niet afhankelijke rechten - zoals pand en hypotheek - zijn, waarvoor artikel 82 geldt. Ten aanzien van de overdracht van toekomstige vorderingen zij verwezen naar artikel 97 en de toelichting daarop. Op de levering van vruchtgebruik van en van een pandrecht op een vordering op naam is artikel 94 mede van toepassing (zie artikel 98, en ook artikel 236 lid 2), maar daarnaast zal de vestiging van stil pandrecht op zulk een vordering afzonderlijk in titel 3.9 worden geregeld (vgl. artikel 239). 2024 -441- No. 164 Ingevolge artikel 94 lid 1, is voor de levering van een recht als omschreven in het artikel, zowel een akte, authentiek of onderhands, als een mededeling vereist. Wat de akte betreft, mag worden aangenomen dat een geschrift, afkomstig van de vervreemder, voldoende is; de aanvaarding daarvan door de verkrijger kan ook uit andere gedragingen blijken. Aldus reeds HR 30-11-1956, NJ 1957, 81. Voldoende is dat de verkrijger van de vordering redelijkerwijs uit de akte mag begrijpen dat zij tot levering is bedoeld; de akte hoeft niet de titel te vermelden (HR 29-6-2001, NJ 2001, 662). Voor de werking van de mededeling zij verwezen naar artikel 37. De mededeling is te beschouwen als de feitelijke component van de levering. Enerzijds is de levering, en daarmee de overdracht, niet voltooid vóór de mededeling - faillietverklaring van de vervreemder na het opmaken van de akte, doch vóór de mededeling ontneemt deze zijn beschikkingsbevoegdheid, zodat de vordering tot de failliete boedel behoort; de levering kan niet worden ingeroepen tegen degene die vóór de mededeling beslag legt. Anderzijds is met de akte de medewerking van de vervreemder aan de rechtshandeling voltooid; ondercuratelestelling of overlijden daarna, ook vóór de mededeling, maakt de cessie niet vernietigbaar of ongeldig. Zie hieromtrent de toelichting op artikel 84 inzake het element der levering. De mededeling als element van de levering kan niet worden vervangen door een verklaring van de debitor cessus dat hij met de overdracht - van andere zijde - bekend is, zoals nu nog artikel 667 lid 2 van het BW voor de werking jegens deze voldoende acht: anders zou de schuldenaar het in de hand hebben (het tijdstip van) de overdracht te forceren. Lid 2 geeft een regeling voor de levering van een recht dat wel reeds bestaat - dus niet een toekomstige vordering als bedoeld in artikel 97 - doch op een tijdstip waarop de identiteit van de schuldenaar nog niet bekend is. De mededeling heeft dan tot gevolg dat de levering terugwerkende kracht verkrijgt, mits ze "met bekwame spoed" - iets minder streng dan "terstond" of "onverwijld" - is gedaan. De bepaling leent zich voor toepassing bijvoorbeeld in het geval van cessie van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad aan de verzekeraar, op een tijdstip waarop de identiteit van de aansprakelijke persoon nog niet bekend is, alsmede voor cessie van een vordering op de nog onbekende erfgenamen van de oorspronkelijke schuldenaar. De omschrijving van de vorderingen die krachtens lid 3 zonder mededeling aan de debitor cessus tot zekerheid kunnen worden overgedragen, is ontleend aan de regel voor de stille verpanding in artikel 239, en stemt overeen met die voor de vatbaarheid voor cessie van vorderingen onder het huidige recht. Er geldt geen beperking in artikel 94 lid 3 tot rechten tot zekerheid voor de voldoening van een geldsom. In verband met het (betrekkelijk nieuwe) verschijnsel van securitisatie is het wenselijk hier in het geheel geen beperking te doen gelden; vgl. de Nederlandse wet van 30 juni 2004, Stb. 314 (Kamerstukken 28 878). Met securitisatie wordt gedoeld op een financiële techniek waarbij activa, die zelf vaak illiquide zijn, worden omgezet in verhandelbare effecten. Omdat de investering in dergelijke effecten wordt terugbetaald uit de inkomsten uit de onderliggende activa, is het voor de investeerders in dergelijke effecten van groot belang dat de activa worden geïsoleerd van het vermogen van degene tot wiens vermogen die activa behoren met het oog op het faillissementsrisico van deze laatste. Dit kan het beste worden gerealiseerd door de activa over te dragen aan een speciaal voor dat doel opgerichte rechtspersoon, de zgn. “special purpose vehicle”, zodat de opbrengsten van de activa uitsluitend ten goede komen aan de investeerders en niet aan de schuldeisers van degene tot wiens vermogen de activa behoren. De SPV dient voor de verkrijging van de vorderingenportefeuille een koopprijs te betalen, welke de SPV financiert door middel van uitgifte van effecten. Bij het op grote schaal verhandelen van vorderingen stuit het doen van de mededeling aan de debiteur op logistieke, commerciële en financiële bezwaren. Deze bezwaren zijn hierin gelegen dat de aantallen vorderingen die het onderwerp van dit soort transacties vormen, zo groot zijn dat het vanuit praktisch en commercieel oogpunt bezwaarlijk en vanuit financieel oogpunt onaantrekkelijk is om alle debiteuren mededeling van de cessie te doen. De slotzin van het voorgestelde derde lid correspondeert met het voor pand geldende artikel 239 lid 4. Na ontvangst van de mededeling staat nog niet altijd onomstotelijk vast, of de schuldenaar bevrijdend aan de verkrijger der vordering (de cessionaris) kan betalen - zeker niet, als de mededeling van deze laatste afkomstig is. Weliswaar wordt hij beschermd als hij betaalt aan degene die "in het bezit der inschuld" is, maar alleen als hij te goeder trouw is (artikel 1407 BW; vgl. artikel 6:34). Van hem mag worden verlangd dat hij zich 2024 -442- No. 164 redelijke zekerheid verschaft omtrent de geldigheid der overdracht. In dit licht moet de in lid 4 omschreven bevoegdheid van de schuldenaar worden gezien. Weigering van de verplichting tot terhandstelling van een uittreksel uit akte en titel door vervreemder en verkrijger heeft weliswaar niet tot gevolg dat de overdracht ongeldig wordt, maar geeft de schuldenaar wel de bevoegdheid de betaling op te schorten.

  1199. Artikel 95 bevat een restbepaling. Het regelt de wijze van levering van goederen, waarvoor de voorschriften van de artikelen 89 tot en met 94, 96 en 98 niet gelden, en evenmin bepalingen elders ten aanzien van bijzondere goederen, zoals aandelen op naam in een naamloze vennootschap. Het kan toepassing vinden bijvoorbeeld op sommige goederen in de sfeer van de industriële eigendom, zoals de handelsnaam, maar zijn voornaamste toepassing zal zijn de levering van roerende zaken waarvan de vervreemder het bezit (of de macht: artikel 91) niet meer kan verschaffen, omdat hij ze kwijt is; zie over dat laatste de opmerkingen bij artikel 94 inzake de overdracht van rechtsvorderingen. Waar men aanneemt dat een vervreemder wel het bezit van toekomstige zaken reeds kan leveren, komt men aan toepassing van artikel 95 voor die zaken niet toe; vgl. hierover de toelichting op artikel 97. Zie voor de vereisten voor de akte eveneens de opmerkingen in de toelichting op artikel 94. Het huidige recht kent geen bepalingen als artikel 95.

  1200. Artikel 96 ziet op tweeërlei situatie: iemand kan zijn aandeel in een bestaande gemeenschap vervreemden, hij kan ook een aandeel in een hem alleen toebehorend goed vervreemden. In hoeverre hij tot vervreemding van zijn aandeel in een bestaande gemeenschap bevoegd is, zal in titel 3.7 inzake de gemeenschap nader worden geregeld (vgl. de artikelen 175 en 190; zie ook artikel 176). De wijze van levering wordt door artikel 96 geregeld overeenkomstig de aard van het goed en onderworpen aan gelijke vereisten. Verschaffing van medebezit door de houder behoeft niet te betekenen dat de verkrijger het goed waarin hij een aandeel verwerft, in handen krijgt - ook bij mede-eigendom heeft de verkrijger slechts een bevoegdheid tot medegebruik. Als de zaak aldus feitelijk bij de vervreemder blijft die haar ook blijft gebruiken, is niettemin bij de toekenning van de bevoegdheid tot medegebruik het bezit geleverd, hetgeen bij vervreemding door een onbevoegde ook tot toepassing van artikel 86 kan leiden; voor de vraag, of dan aan het vereiste van de goede trouw is voldaan, kan de aard van deze situatie wel van belang zijn (zie HR 28-4-1989, NJ 1990, 252). Levering van een aandeel op deze wijze dient men derhalve niet te verwarren met die constituto possessorio, hoezeer ze daarop ook lijkt.

  1201. Artikel 97 regelt de mogelijkheden tot de levering van toekomstige goederen, de zgn. levering bij voorbaat. Als "toekomstige goederen" worden in dit verband zowel beschouwd goederen die nog in het geheel niet be- staan, als die welke wel reeds bestaan, maar waarover de vervreemder nog niet mag en kan beschikken, ook al heeft hij ze wellicht reeds als houder onder zich. Zo kan de nog te velde staande oogst als toekomstige zaak niet alleen worden verkocht, maar ook - en wel als een geheel van roerende zaken - bij voorbaat worden geleverd; zie de toelichting bij artikel 9. Voor een goed begrip moge het volgende worden vooropgesteld. In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat in het nieuwe recht levering niet meer een synoniem is van over- dracht - levering is een van de vereisten voor overdracht. Een recht gaat pas over zodra aan al die vereisten is voldaan. Levering van toekomstige goederen betekent niet meer dan dat de juridisch-feitelijke handelingen die voor de overdracht nodig zijn, reeds zijn voltooid vóórdat de vervreemder beschikkingsbevoegd geworden is - het recht gaat dan van rechtswege, zonder nadere leveringshandeling, over zodra de vervreemder die bevoegd- heid heeft verkregen, dat wil zeggen zelf eerst gerechtigde is geworden: op het ondeelbare ogenblik waarop de vervreemder zelf gerechtigd is geworden en daardoor beschikkingsbevoegd wordt, gaat het goed, dankzij mede de levering bij voorbaat, op de verkrijger over. Uit deze gedachtegang volgt tevens dat, indien de vervreemder op het tijdstip van zijn eigen verkrijging niet meer beschikkingsbevoegd is, bijvoorbeeld wegens faillietverklaring, de overdracht aan degene aan wie is geleverd, geen doorgang vindt. Daartegenover deert een 2024 -443- No. 164 ondercuratelestelling van de vervreemder tussen de levering bij voorbaat en het tijdstip waarop hij zelf rechthebbende wordt, de overdracht niet: onbekwaamheid betekent alleen dat de vervreemder voortaan geen onaantastbare rechtshandelingen meer kan verrichten, maar na zijn medewerking aan de levering bij voorbaat wordt voor voltooiing van de overdracht geen rechtshandeling meer van hem verlangd. Men zie over dat alles mede de toelichting op artikel 84. In de tweede plaats zij er eveneens in verband met artikel 84 aan herinnerd dat lid 2 van dat artikel vereist dat het over te dragen goed bij de titel met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven; zie de toelichting bij het artikel. Vooral voor goederen die in het geheel nog niet bestaan, legt het vereiste van voldoende bepaaldheid een grens aan de mogelijkheid om toekomstige goederen te leveren. Onvoldoende bepaald zal bijvoorbeeld zijn "alle vorderingen die de vervreemder in de toekomst zal verkrijgen". Wél voldoende zal zijn alle vorde- ringen die de vervreemder uit een bepaalde rechtsverhouding, of op een bepaalde persoon zal verkrijgen. Dit strookt ook met het vereiste dat artikel 94 voor de levering van vorderingen stelt, namelijk dat de overdracht aan de schuldenaar wordt meegedeeld. Als voorbeeld van voldoende bepaaldheid kan mede gelden: het werk waaraan een auteur werkt. Ten slotte zij erop gewezen dat de levering bij voorbaat niet moet worden vereenzelvigd met een vorm van levering door een beschikkingsonbevoegde in het algemeen. Levering bij voorbaat is een geldige levering van een goed dat te zijner tijd onder de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder zal vallen. Overdracht door een tot beschikking onbevoegde is in beginsel nietig - zij kan slechts worden geheeld door bekrachtiging volgens artikel 58. Lid 1 stelt een tweetal nadere beperkingen aan de mogelijkheid tot levering bij voorbaat. In de eerste plaats is vereist dat de goederen onderwerp van een overeenkomst mogen uitmaken. Een recht- streeks verbod vindt men in de wet voor de nalatenschap (artikel 1355 lid 2, BW en het nieuwe artikel 4:4 lid 2). Overeenkomsten kunnen echter ook worden getroffen door nietigheid wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde; men denke bijvoorbeeld aan levering van alle nog te vervaardigen kunstwerken door een auteur. De tweede beperking van lid 1 is dat registergoederen niet bij voorbaat kunnen worden geleverd. Een dergelijke levering zou de openbare registers met allerlei voorbarige inschrijvingen kunnen belasten. Voor de wijze van wel geoorloofde levering gelden de artikelen 90 tot en met 95. Twee categorieën verdienen daarbij nadere aandacht, toekomstige roerende zaken niet-registergoederen, en toekomstige vorderingen. Voor de levering van roerende zaken verlangt artikel 90 bezitsverschaffing. Het is duidelijk dat het bezit van toekomstige zaken niet door "overgave" kan worden verschaft. Wél echter leent zich daartoe de bezits- verschaffing via enkele verklaring volgens artikel 115, in het bijzonder onderdeel a, de levering constituto possessorio: de vervreemder verklaart reeds nu voor alsdan de zaken die hij in de toekomst als eigenaar onder zich krijgt, bijvoorbeeld handelsvoorraden, voor de verkrijger te zullen gaan houden. Door deze enkele ver- klaring wordt hij, terstond nadat hij eigenaar - en als zodanig beschikkingsbevoegd - is geworden, houder voor de verkrijger aan wie aldus is geleverd - in het nieuwe recht heeft artikel 110 dat gevolg. In het huidige recht, waar bij gebreke van een uitdrukkelijke wettelijke regel als artikel 110 veelal de constructie van levering onder opschortende voorwaarde wordt gevolgd, vindt dat "geanticipeerde constitutum possessorium" erkenning - zie HR 22-5-1953, NJ 1954, 189, en ook HR 28-4-1989, NJ 1990, 252 - en toepassing vooral bij de eigendomsoverdracht tot zekerheid. In het nieuwe recht zal het stille pandrecht deze functie overnemen, en de levering van toekomstige zaken voor de vestiging van het pandrecht zal daar op vergelijkbare wijze worden vereist (zie voor het extra-vereiste van akte artikel 237). Levering tot overdracht onder opschortende voorwaarde overeenkomstig artikel 91 is niet te beschouwen als levering van toekomstige zaken - zie de toelichting op dat artikel. Ook cessie van toekomstige vorderingen wordt in het huidige recht erkend; ter beperking wordt onder dit recht evenwel verlangd dat een te cederen toekomstige vordering haar onmiddellijke grondslag moet hebben in een rechtsverhouding die op het tijdstip der levering reeds bestaat (HR 24-10-1980, NJ 1981, 265). Daaraan voldoet bijvoorbeeld wel een reeds bestaande huurverhouding (HR 29-12-1933, NJ 1934, 343), maar niet een 2024 -444- No. 164 rekeningverhouding tussen een bank en haar cliënt waarvan het saldo uit geheel verschillende bronnen is samengesteld (HR 7-6-1929, NJ 1929, p. 1285). Waar ook de cessie van toekomstige vorderingen echter dient tot zekerheid, wordt de beperking daarvoor gehandhaafd in artikel 94 lid 3, en wordt zij ook ingevoerd voor de daaraan verwante stille verpanding van vorderingen in artikel 239 lid 1; in dezelfde zin het nieuwe artikel 475b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag): om te kunnen executeren is nu eenmaal een "houvast" op het tijdstip der executie nodig - men kan de executie niet laten voortduren voor hetgeen achteraf nog toevallig aan vorderingen binnenkomt. Voor de enkele levering van toekomstige vorderingen (dus niet tot zekerheid) is deze strengere eis evenwel niet noodzakelijk, en zij wordt, zoals reeds eerder in de toelichting op artikel 94 bleek, daar ook niet gesteld; wel blijft vereist dat ook de toekomstige vordering bij de titel met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven (artikel 84 lid 2; HR 16-6-1995, NJ 1996, 508, HR 20-6-1997, NJ 1998, 362 en HR 20-9-2002, NJ 2004, 182) en mededeling aan de schuldenaar is vereist (artikel 94 lid 1). Evenals elk bij voorbaat geleverd goed, wordt ook de gecedeerde toekomstige vordering pas overgedragen, zodra zij, met haar ontstaan, aan de vervreemder toekomt, mits deze op dat tijdstip tot beschikking bevoegd is. Verkeert de vervreemder alsdan in staat van faillissement, dan vindt de overdracht geen doorgang. Aldus reeds voor het geldende recht HR 26-3-1982, NJ 1982, 615, waarin erop wordt gewezen dat hierbij verschil bestaat tussen een toekomstige vordering enerzijds en een (reeds bestaande) vordering onder opschortende tijdsbepaling of voorwaarde, dan wel tot periodieke betalingen anderzijds - voor deze laatste categorieën is vereist dat de beschikkingsbevoegdheid op het tijdstip der levering bestaat: later intredende onbevoegdheid heeft daarop geen invloed meer. Is het ontstaan van de vordering afhankelijk van de wilsverklaring of andere handelingen van de schuldeiser of de schuldenaar, dan heeft men niet met een voorwaardelijke, doch met een toekomstige vordering te doen (HR 25-3-1988, NJ 1989, 200, inzake voortzetting van een maatschap). Aldus wordt ook de, in de praktijk voorkomende, cessie van toekomstige huurtermijnen als cessie van toekomstige vorderingen beschouwd (HR 30-1-1987, NJ 1987, 530). Een vordering uit de wet is toekomstig, zolang nog niet is voldaan aan alle vereisten die de wet voor haar ontstaan stelt. Lid 2 geeft aan welke verkrijger wordt beschermd in geval van "dubbele levering", waarmee wordt gedoeld op het geval dat de vervreemder het toekomstige goed bij voorbaat aan verschillende personen heeft geleverd. De regel dat het eerst verkregen recht voorgaat, vindt hier, naar men meent, geen toepassing, omdat weliswaar de ene levering eerder dan de andere zal zijn geschied, maar de overdracht pas is voltooid op het tijdstip waarop het goed ophoudt toekomstig te zijn en de vervreemder beschikkingsbevoegd wordt - en dat is voor alle wederpartijen van de vervreemder hetzelfde. Wel gaat lid 2, begrijpelijkerwijs, uit van dezelfde gedachte van rangorde: de latere levering werkt niet tegen de eerdere, hetgeen meebrengt dat de latere verkrijger tegenover de eerdere geen beroep op artikel 86 kan doen (aldus reeds voor het huidige recht het, algemeen gevolgde, bindend advies van mr. P.H. Smits 10-5- 1966, NJ 1968, 275), en eveneens nog voor het bestaande recht, HR 24-3-1995, NJ 1996, 158. Voor afwijking van deze regel is een overeenkomst tussen vervreemder en eerste verkrijger vereist - enkele verandering van wil aan de zijde van de vervreemder is niet voldoende; zie de artikelen 110 en 111. Vgl. in dezelfde geest voor "botsende" vorderingen tot levering artikel 298. De regel geeft onder andere een oplossing voor het geval van dubbele cessie van huurtermijnen, maar kan ook een analogische toepassing vinden op andere gevallen. Aldus wanneer toekomstige huurtermijnen bij voorbaat zijn geleverd, waarna de verhuurder het verhuurde goed aan een ander overdraagt: de cessionaris gaat vóór de nieuwe eigenaar (aldus reeds, op grond van artikel 1612 van het oude Nederlandse BW (= artikel 1597 van het hier te lande geldende BW), HR 15-3-1940, NJ 1940, 848). 2024 -445- No. 164 Ook de schuldeiser die op de toekomstige huurpenningen beslag heeft gelegd, wordt niet getroffen door een latere vervreemding van het verhuurde goed (HR 25-1-1991, NJ 1992, 172). Omgekeerd kan evenmin beslag op toekomstige huurpenningen ten laste van de verhuurder afbreuk doen aan het recht van degene aan wie ze reeds voordien waren gecedeerd (HR 10-1-1992, NJ 1992, 744). Het is dus van belang deze gevallen van beslag te onderscheiden van faillietverklaring voordat de vervreemder beschikkingsbevoegd is geworden: een eerdere cessie immers kan niet verhinderen dat de bij voorbaat gecedeerde vorderingen bij hun ontstaan in de failliete boedel vallen. De tweede zin van het lid behelst een uitzondering op de eerste, die alleen voor roerende zaken (niet-register- goederen) geldt: krijgt de latere verkrijger hen eerder in handen dan de eerdere, dan gaat niettemin de latere verkrijger voor. Deze bepaling stemt overeen met die van artikel 90 lid 2. Zoals uit het voorgaande bleek, kent ook het huidige recht de levering bij voorbaat, maar wijkt het ontwerp op een aantal details af.

  1202. Artikel 98 Zoals vervreemding van een aandeel in een goed kan worden gezien als een afsplitsing uit dat goed als voorwerp van recht, zo kan vestiging van een beperkt recht in zekere zin worden beschouwd als afsplitsing van een bundel bevoegdheden uit dat goed, en afstand van beperkte rechten als een heroverdracht daarvan aan de eigenaar. Deze verwantschap leidt ertoe om aan vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht op een goed in beginsel dezelfde vereisten te stellen als aan overdracht van dat goed zelf. Voor vestiging en overdracht van beperkte rechten geldt hetzelfde, naar men aanneemt, voor het huidige recht, maar veelal wordt aanvaard dat afstand eenzijdig kan geschieden. Een praktische reden daarvoor is de omstandigheid dat een rechthebbende soms afstand van zijn beperkte recht wil doen wegens de aan de uitoefening verbonden kosten, terwijl de hoofdgerechtigde - dat wil zeggen de rechthebbende op het, met het beperkte recht bezwaarde, goed - niet bereid is aan die afstand mee te werken. In het ontwerp wordt deze impasse opgelost door in zulke gevallen de verplichting op te leggen aan de afstand mede te werken, en die medewerking door reële executie afdwingbaar te maken (artikel 300). Aldus de regeling van de afstand van een vruchtgebruik (artikel 224) en erfdienstbaarheid (zie artikel 5:82); vgl. ook artikel 122. Soms ook wordt de bevoegdheid tot (de eenzijdige rechtshandeling van) opzegging gegeven; vgl. artikel 81 lid 2 onderdeel d, en, voor erfpacht en zelfstandige opstal de artikelen 5:87, respectievelijk 5:104 lid 2. De bepalingen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard, zijn die van afdeling 3.4.2, dus onder andere de artikelen 83 inzake de overdraagbaarheid, 84 inzake de algemene vereisten en 86 tot en met 88 inzake het ontbreken van het vereiste van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder, hetgeen door de goede trouw van de verkrijger kan worden geheeld. Ten slotte gelden de leveringsvereisten voor de in de artikelen 89 tot en met 94 genoemde categorieën van goederen mede voor de vestiging en afstand van beperkte rechten op die goederen en gelden de regels van de artikelen 95 tot en met 97 ook daarvoor. Een ten dele eigen regeling van zowel de vereisten voor levering als van het ontbreken van beschikkings- bevoegdheid zal voor de vestiging van het pandrecht worden voorgesteld (zie de artikelen 236 tot en met 239) - onder andere de introductie van het stille pandrecht noopt hiertoe. Afdeling 3.4.3 - Verkrijging en verlies door verjaring De afdeling regelt de zgn. verkrijgende of acquisitieve verjaring, te onderscheiden van de bevrijdende of extinctieve verjaring. Door de eerste worden goederen - in het nieuwe recht onder bijzondere titel (artikel 80) - verkregen en, door de oorspronkelijke gerechtigde, verloren, de tweede betreft de verjaring van rechts- vorderingen; zij zal in titel 3.11 worden geregeld. In het huidige wetboek vinden zij nog gezamenlijk een plaats in de Zevende Titel van het Vierde Boek van het BW. Dat verkrijgende en bevrijdende verjaring verschillende rechtsfiguren zijn, neemt niet weg dat er een zekere verwantschap bestaat en dat ook het ontwerp tussen beide verband legt: zie de artikelen 100, 103, 104, 105 en 106. 2024 -446- No. 164 Verjaring is in de eerste plaats een instituut waardoor een aanvankelijk ongerechtvaardigde toestand op den duur wordt gerechtvaardigd: wegens het belang der rechtszekerheid past het recht zich aan de feitelijke toestand aan. De tweede, minstens zo belangrijke, rol van de verkrijgende verjaring is dat zij een recht- hebbende ontslaat van de taak om de rechtmatige herkomst van zijn recht desverlangd aan te tonen over een periode langer dan de verjaringstermijn ("probatio diabolica"). Het ontwerp van afdeling 3.4.3 behelst een aantal vernieuwingen. Van veel belang is dat de verjarings- termijnen aanzienlijk worden bekort (zie artikel 99). Voorts zullen onder het nieuwe recht alle goederen, ook onder andere roerende zaken (en beperkte rechten daarop), door verjaring kunnen worden verkregen, en niet slechts onroerende goederen en schuldvorderingen op naam, zoals thans ingevolge artikel 1984 van het BW. Ook de beperking van artikel 745 BW voor erfdienstbaarheden zal vervallen. Voorts heeft bevrijdende verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van bezit verkrijging van het goed tot gevolg (artikel 105). Iets soortgelijks doet zich voor bij beperkte rechten: de verjaring van de vordering tot opheffing van een met dat recht strijdige toestand doet het recht tenietgaan (artikel 106). Het ontwerp kent, anders dan artikel 1968 van het huidige BW, geen afstand van een eenmaal voltooide (verkrijgende) verjaring: na het verstrijken van de termijn is het recht verkregen en dat kan alleen ongedaan worden gemaakt door overdracht aan de oorspronkelijke gerechtigde. Met andere woorden: anders dan in het geldende recht - vgl. ook artikel 1971 van het BW - en anders dan de bevrijdende verjaring, werkt de ver- krijgende verjaring van rechtswege: de rechter zal haar ambtshalve hebben toe te passen.

  1203. Artikel 99 wijkt sterk af van het geldende recht. Anders dan artikel 1984 BW verklaart het alle goederen voor verkrijging door verjaring vatbaar, stelt een termijn van drie jaar voor die van roerende zaken, niet- registergoederen, en rechten aan order en toonder, en een termijn van tien jaar voor de overige goederen, het- geen voor zover thans artikel 1984 BW reikt, een aanzienlijke verkorting betekent. Ook wordt niet over- genomen het onderscheid dat dit artikel voor de duur van de termijn maakt tussen bezit "uit kracht van een wettige titel" (lid 1: twintig jaar) en bezit "zonder bewijs van titel" (lid 2: dertig jaar). Het verschil is niet goed te rechtvaardigen, aangezien voor beide toch het vereiste van goede trouw geldt: is er geen titel, dan zal de goede trouw wel moeilijker zijn te bewijzen, maar slaagt de verkrijger in dat bewijs, dan is het weinig billijk, hem anders te behandelen dan de bezitter die op grond van een titel dat bezit verkreeg. Door het vervallen van het element van de titel in het nieuwe recht zal zich niet meer de vraag voordoen, of zo'n titel aanwezig kan zijn, indien de leveringsakte niet in de openbare registers is ingeschreven, een kwestie die de hoofdrol speelde in de Antilliaanse zaak HR 13-3-1981, NJ 1982, 57. In het nieuwe recht verschuift deze vraag naar die, of onder zulke omstandigheden een beroep op goede trouw kan worden aanvaard. De vereisten voor de verjaring die aldus resteren, zijn goede trouw, een onafgebroken bezit en de vervulling van een termijn ("fides, possessio, tempus"). Het vereiste van "bezit" betekent dat men gedurende de verjaringstermijn het goed "voor zichzelf" houdt, en niet krachtens enige rechtsverhouding voor een ander; zie artikel 107 en de toelichting daarop, alsmede HR 15-4-1983, NJ 1983, 647. Het vereiste dat het bezit "openbaar, en niet dubbelzinnig" is zoals artikel 1976 van het thans geldende BW formuleert, wordt in het ontwerp niet uitdrukkelijk gesteld, maar is wel in het vereiste van bezit zelf begrepen; de vrij uitgebreide jurisprudentie waarin de hoedanigheden van openbaarheid en ondubbelzinnigheid onder het huidige recht nader zijn uitgewerkt, behoudt derhalve ook voor de toekomst haar belang. Wel is uitdrukkelijk vereist dat het bezit gedurende de verjaringstermijn onafgebroken is geweest. Artikel 103 echter maakt hierop een beperkte uitzondering. Dat een lopende verjaringstermijn niet door opvolging in het bezit behoeft te worden afgebroken, volgt uit artikel 102. De bezitter moet te goeder trouw zijn. Wie bezitter te goeder trouw is, wordt bepaald door artikel 118 lid 1: degene die zich als rechthebbende beschouwt en zich redelijkerwijs ook als zodanig mag beschouwen. Daarbij dient men tevens de regels van de artikelen 11 en, voor registergoederen, 23 e.v. te betrekken. Wie behoort te weten of een grond heeft te vermoeden dat hij geen rechthebbende is geworden, bijvoorbeeld wegens het ontbreken van een voor de overdracht geldige titel, wegens een gebrek in de levering of omdat de vervreemder 2024 -447- No. 164 niet beschikkingsbevoegd is, wordt geen bezitter te goeder trouw. Idem, wanneer een reeks voorafgaande endossementen bij de verkrijging van een recht aan order een hiaat vertoont. Registeronderzoek vóór de verkrijging van zulk een goed is voor een beroep op de goede trouw wel vereist: artikel 23. Een beroep op goede trouw, leidend tot verkrijging door verjaring, komt nogal eens voor in gevallen waarin bij de overdracht een strook grond wordt betrokken die, naar achteraf blijkt, niet aan de vervreemder toebehoorde. Een beroep op de goede trouw van de verkrijger wordt dan niet zonder meer van de hand gewezen, indien geen controle aan de hand van de landmeetkundige kaart is uitgeoefend (HR 20-2-1987, NJ 1987, 1002, overigens nog toegespitst op het element "wettige titel"; vgl. ook HR 23-12-1988, NJ 1991, 166). Wie aanvangt als bezitter die niet te goeder trouw is, kan onder bijzondere omstandigheden later te goeder trouw worden, als hij redelijkerwijs kan menen dat het gebrek dat zijn recht aankleefde, is geheeld. Gebeurt dit niet, dan loopt te zijnen gunste geen verjaringstermijn. Wie eenmaal bezitter te goeder trouw is, blijft dat, ook al ontdekt hij later dat hij zich ten onrechte voor recht- hebbende heeft gehouden (artikel 118 lid 2). Zie voorts artikel 102 voor het bijtellen van het bezit van voorgangers. De bezitter die niet te goeder trouw bezit, kan nochtans, doch dan op grond van voltooiing van de termijn van bevrijdende verjaring, rechthebbende worden; artikel 105. De termijn is dan echter langer, namelijk twintig jaar (zie artikel 306). De verjaringstermijn voor rechten op roerende zaken en vorderingen aan toonder of order is op drie jaar gesteld, een termijn die reeds in het Romeinse recht gold. In de praktijk zal een beroep op verjaring van deze goederen waarschijnlijk niet zo vaak voorkomen, omdat de meeste bezitters te goeder trouw wel reeds, en eerder, door artikel 86 worden beschermd. Voor de overige goederen geldt een verjaringstermijn van tien jaar, die in de moderne tijd beter past dan die van twintig, respectievelijk dertig jaar van het huidige recht. Lid 2 van artikel 99 houdt verband met artikel 86a; zie de toelichting op dat artikel wat betreft het relevante Unidroit-verdrag. Lid 2 sluit de verkrijgende verjaring op grond van dit artikel 99 uit ten aanzien van de desbetreffende cultuurgoederen. Wel kan een bezitter eigenaar worden door de werking van artikel 105 lid 1. Daarvoor is nodig dat de bevrijdende verjaring is voltooid; men zie het voorgestelde nieuwe artikel 310a met de daarbij gegeven toelichting. Artikel 100

  1204. Artikel 863 van het huidige BW kent een erfgenaam een bijzondere rechtsvordering - nog wel met haar klassieke benaming als hereditatis petitio aangeduid - toe, waarmee hij in zijn hoedanigheid (tot) de nalatenschap (behorende goederen) kan opeisen. Artikel 864 bepaalt de duur van de extinctieve verjaringster- mijn op dertig jaar te rekenen van het openvallen der nalatenschap af; het is de bedoeling deze termijn tot twintig jaar te verkorten (zie artikel 306). Tijdens de duur van die termijn behoort de vordering echter niet te kunnen worden doorkruist door een beroep van de wederpartij, die zich als bezitter (rechthebbende) op de nalatenschap gedraagt, op een inmiddels voltooide (verkrijgende) verjaring van drie of tien jaar. De werking van de verkrijgende verjaring wordt derhalve ten opzichte van de werkelijk rechthebbende - de erfgenaam en diens eventuele rechtsopvolgers - gerelativeerd.

  1205. Artikel 101 geeft een algemene regel over het tijdstip waarop de verkrijgende verjaring aanvangt (de "terminus a quo"): te 0.00 uur nadat het bezit is aangevangen. De regel leidt tot dezelfde uitkomst als thans artikel 1983 BW. 2024 -448- No. 164

  1206. Artikel 102 geeft de regels voor de voortzetting van een, met het bezit van een voorganger aangevangen, verjaringstermijn - de mogelijkheid tot "bijtelling" van termijnen. Degene die een ander onder algemene titel - zie artikel 80 lid 2.- opvolgt, volgt hem ook op in zijn bezit, en wel met alle hoedanigheden en gebreken daarvan (artikel 116). Is de voorganger bezitter te goeder trouw, dan wordt ook de opvolger dat, ook als hij weet dat zijn voorganger geen rechthebbende was. Wie een bezitter te goeder trouw onder algemene titel opvolgt, kan de tijdens diens bezit verstreken duur van de verjaringstermijn bij de zijne optellen. Wie een bezitter die niet te goeder trouw is, onder algemene titel opvolgt, volgt deze ook in die hoedanigheid op - met de aanvang van zijn bezit vangt geen verjaringstermijn aan, hoezeer hij ook zelf te goeder trouw is. Lid 2 geeft de regel van voortzetting van de verjaringstermijn door degene die anders dan onder algemene titel "van een ander" bezit heeft verkregen. De term "van een ander" moet daarbij ruim worden geïnterpreteerd en is niet beperkt tot bijvoorbeeld bezitsoverdracht - hij sluit alleen de zuivere bezitsoccupatie uit. Hij omvat daardoor ook herkrijging van bezit na vervulling van een ontbindende voorwaarde of vernietiging van een rechtshandeling, wanneer in de interim-periode een verjaringstermijn heeft gelopen. Vereist is dat degene die het bezit verkrijgt - of herkrijgt - te goeder trouw is, een regel die onder het bestaande recht betwist is. Niet wordt vereist dat hij dat reeds terstond bij de aanvang van zijn bezit is. Wordt bijvoorbeeld bij de overdracht van een registergoed het bezit al verschaft vóór de inschrijving der akte, zodat in verband met artikel 118 tot aan de inschrijving nog niet van bezit te goeder trouw kan worden gesproken, dan is er niettemin geen afbreking van een reeds lopende verjaringstermijn, mits door de inschrijving het vereiste der goede trouw alsnog wordt vervuld. Was de voorganger geen bezitter te goeder trouw, dan kan bij de opvolging door iemand die te goeder trouw van hem verkrijgt, de verjaringstermijn een aanvang nemen. Uiteraard bestaat er aan de bijtelling van verjaringstermijnen bij overdracht geen behoefte in de gevallen waarin de verkrijger dankzij de artikelen 86 tot en met 88, en eventueel 24 tot en met 26, reeds terstond rechthebbende wordt. Evenzeer wordt de verkrijger ook zonder bijtelling rechthebbende, als tijdens zijn bezit de rechtsvordering tot beëindiging daarvan verjaart: artikel 105. Voor de bewijslast inzake de aard van het bezit ook van voorgangers zie men artikel 118, derde lid: bezit te goeder trouw wordt vermoed. Voor voltooiing der verjaring verlangt artikel 99 onder andere een onafgebroken bezit gedurende een aantal jaren. Afbreking, en zelfs onderbreking, van het bezit heeft in beginsel stuiting der verjaring tot gevolg: bij herkrijging moet de bezitter een nieuwe volledige termijn aanvangen, hetgeen samenhangt met de aard der verjaring, een zich neerleggen van het recht bij een gegroeide, voortdurende feitelijke toestand. Voor de onderbreking verzacht artikel 103 deze strenge regel enigszins: wordt het bezit binnen een jaar herkregen, dan wel herkregen op grond van een binnen een jaar ingestelde vordering, dan wordt de verjaring als niet onderbroken beschouwd. De rechtsvordering waarop wordt gedoeld, is in het bijzonder die van artikel 125, maar ook een vordering uit onrechtmatige daad kan tot herstel in het bezit leiden. De regel komt overeen met die van het huidige artikel 1999 BW, alsmede de combinatie van de artikelen 618, 621 en 622 BW.

  1207. Artikel 104 Tegenover de verkrijging van een goed door de bezitter als gevolg van de verjaring, staat het verlies van dat goed door de "gedepossedeerde". Gedurende de loop van de verjaringstermijn kan deze zich door een rechtsvordering tegen de stoornis in zijn bezit keren. Zulk een rechtsvordering kan zich in verschillende vormen uiten, in de eerste plaats die van artikel 125, maar ook een vordering tot verklaring voor recht omtrent het bezit, bijvoorbeeld het geval dat de eiser stelt dat de opgeroepene niet bezitter, doch slechts houder is, en voorts een vordering tot beëindiging van het bezit van een beperkt recht. 2024 -449- No. 164 Wegens de samenhang tussen de verkrijgende verjaring en de daartegenover staande rechtsvordering tot beëindiging van bezit, behoort de eerste het spiegelbeeld van de tweede te vormen en haar lotgevallen te volgen. Dat geldt in het bijzonder haar stuiting en haar verlenging, alsmede de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraak die herkrijging van het bezit toekent. De regeling van deze drie figuren zal uiteraard haar plaats vinden in titel 3.11 inzake de bevrijdende verjaring (vgl. de artikelen 316 tot en met 319, 320 en 321 en 324 en 325). Hier zij slechts opgemerkt dat stuiting in ruimere mate dan onder het huidige recht zal kunnen geschieden en verlenging de plaats van de schorsing der verjaring zal innemen. Ook voor het huidige recht geldt het verband dat in artikel 104 tussen de verkrijgende en de bevrijdende verjaring wordt gelegd; dat volgt uit de gezamenlijke regeling in de vierde en vijfde afdeling van de 7e titel van Boek 5. Legt artikel 104 een nauw verband tussen de bevrijdende en de verkrijgende verjaring, artikel 105 verbindt een ander gevolg aan de bevrijdende verjaring voor de verkrijging van een goed: wordt de bevrijdende verjaring van een rechtsvordering tot beëindiging van het bezit - zie hiervoor de toelichting op artikel 103 - voltooid, dan gaat het goed zelf tevens over op de bezitter. Met deze bepaling wordt een leemte in het tegen- woordige recht gevuld; thans is de situatie immers zo dat de rechthebbende wiens vordering is verjaard, het goed niet meer kan opeisen van de bezitter, maar dat die bezitter toch geen rechthebbende wordt. Het artikel zal vooral toepassing vinden op de verkrijging van gestolen (roerende) zaken die vóór voltooiing van de verjaring der vordering nog niet in handen van een bezitter zijn gekomen voor wie wegens zijn goede trouw artikel 86 geldt. Voor de toepassing van artikel 105 is immers geen goede trouw van de bezitter vereist. Voor de vinder van een roerende zaak die de voorgeschreven aangifte doet, zal een speciale regeling in titel 5.2 worden ontworpen (zie de artikelen 5:5 tot en met 5:12), zodat voor hem de bepaling van geen betekenis zal zijn. Wel echter zal dit het geval zijn ten aanzien van de vinder die de aangifte nalaat. De toepasselijkheid van het artikel is overigens niet beperkt tot roerende zaken, maar geldt voor alle goederen - zo kan het ook dienen voor een (obligatoir) vorderingsrecht, of voor een vordering, verkregen door een cessie waarvan de geldigheid aanvankelijk betwistbaar is. De rechtsvordering tot beëindiging van het bezit verjaart nu na dertig jaar (artikel 1988), maar het is de bedoeling die termijn tot twintig jaar te bekorten (vgl. artikel 306). Na voltooiing van de termijn waarin het vorderingsrecht tot beëindiging van het bezit verjaart, gaat het goed over op zijn bezitter. Afstand van die voltooide verjaring - op zichzelf mogelijk bij bevrijdende verjaring - heeft dan geen effect meer, naar uit de tekst van de bepaling volgt; de afstand van de verjaring kan hoogstens de titel voor afstand van het goed aan de oorspronkelijk rechthebbende vormen. Of een beperkt recht dat door de vroegere rechthebbende op het goed was gevestigd, ook ná de overgang daarop blijft rusten, hangt af van de vraag of de vordering van de gerechtigde tot dat beperkte recht tot hand- having van zijn ongestoord bezit al dan niet is verjaard. De vestiging van een beperkt recht op het goed door de bezitter voordat hij rechthebbende werd, kan tot toepassing van bekrachtiging met terugwerkende kracht volgens artikel 58 leiden. Aangenomen wordt dat in zoverre ook de onderliggende verkrijging van het goed zelf door verjaring terugwerkende kracht heeft. Lid 2 strookt met de regeling van artikel 103.

  1208. Artikel 106 geeft voor het tenietgaan van beperkte rechten door verjaring eenzelfde constructie als artikel 105 voor de overgang van goederen: het tenietgaan is van rechtswege een gevolg van de bevrijdende verjaring van een rechtsvordering, in dit geval die tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand. Het huidige BW kent bij enkele beperkte rechten, namelijk erfdienstbaarheid (artikel 753 BW) en vruchtgebruik (artikel 836, onderdeel 5), een hiermee vergelijkbaar instituut, namelijk het tenietgaan door de enkele niet-uitoefening ("non usus"). Het verschil tussen beide is dat voor het huidige recht het enkele niet uitoefenen, ook als dat een gevolg van overmacht is, voldoende grond voor het tenietgaan is, terwijl volgens de nieuwe, billijker, regeling het beperkte recht pas tenietgaat, wanneer de vereiste tijd is verlopen gedurende welke een voor opheffing vatbare toestand heeft bestaan. Terwijl het aanvangstijdstip van de non usus thans weinig zeker is, is dat van de verjaringstermijn in de nieuwe regeling wel te bepalen (zie artikel 314 lid 1). 2024 -450- No. 164 Vermoedelijk zal, evenals de non usus van het huidige recht, de voorgestelde bepaling voornamelijk bij erfdienstbaarheden toepassing vinden, namelijk wanneer, al of niet door ingrijpen van de gebruiker van het heersende erf, een toestand is ontstaan die de uitoefening van de erfdienstbaarheid belet. Indien de verhindering de uitoefening voor slechts een gedeelte - bijvoorbeeld over een weg kan niet meer worden gereden, maar nog wel worden gelopen - treft, dan gaat de erfdienstbaarheid ook slechts voor dat gedeelte teniet. Een vergelijkbare bepaling als artikel 106a is opgenomen in artikel 200a lid 5, ten aanzien van langdurig onverdeelde gebleven boedels bestaande uit een onroerende zaak. Men zie aldaar de toelichting. Bij hetgeen daar is opgemerkt komt dat gemeenschapsgrond vaak in gebruik wordt genomen met de gedachte dat zulks vrij staat. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba overwoog in een vonnis van 29 augustus 2008 (AR 3/06 – H. 332/07, Courtar v. eilandgebied Sint-Eustatius): ‘(4.7) In de onderhavige zaak gaat het om een vrij groot onomheind terrein, merendeels bestaande uit heuvels en zeer weinig vlak land (ca. 110 hectare, zijnde ca. 5% van de totale oppervlakte van Sint- Eustatius) waarvan, zo mag worden aangenomen, de gebruiksmogelijkheden beperkt zijn; inmiddels is Venus door het Eilandgebied aangewezen als gezichtsbepalend natuurlandschap in de zin van de Verordening bescherming flora en fauna (…). Het is een feit van algemene bekendheid dat men in de Nederlandse Antillen op grote schaal, in elk geval in het verleden, vee (in het bijzonder geiten) liet grazen op dit soort open overheidsgrond en ook anderszins die grond gebruikte. De gedachte was dat het ging om gemeenschapsgrond en dat het de leden van die gemeenschap vrijstond daarvan gebruik te maken. De overheid gedoogde zulks (anders dan een particuliere grootgrondbezitter zou doen), althans zolang de overheid de grond niet zelf nodig had. Als de overheid al een geldelijke vergoeding verlangde was deze over het algemeen betrekkelijk laag; zo betaalden volgens het Eilandgebied (…) – hetgeen overigens door Courtar is betwist – de voorganger van Courtar en Courtar tot het einde van de jaren tachtig jaarlijks NAF. 50, = voor het hele gebied (van meer dan 2 miljoen m2). Het voorgaande gold ook op het kleinschalige Sint-Eustatius waar iedereen elkaar kende en op elkaar was aangewezen. (4.8) De gebruikers van overheidsgronden als de onderhavige waren, naar verkeersopvattingen, hooguit – bij uitoefening van voldoende macht – houders voor de overheid, ook als zij geen vergoeding betaalden en hun gebruik een min of meer exclusief karakter had gekregen. Het vermoeden van artikel 3:109 BW geldt in zo’n geval als weerlegd. (4.9) Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te houden, gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van de eigenaar, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111 BW).’ Om elke twijfel aangaande de vraag of sprake is van bezit of houderschap uit te sluiten is het onderhavige artikel 106a voorgesteld. TITEL 3.5 - BEZIT EN HOUDERSCHAP Algemeen Bezit is een verhouding van een persoon tot een goed, die zowel feitelijke als juridische aspecten vertoont, en zich daardoor, naar de rechtsgeschiedenis leert, bij uitstek leent tot dogmatische strijd zowel over zijn karakter - feit of recht - als over de vraag, wanneer van "bezit" kan worden gesproken. Het ontwerp laat de dogmatiek zoveel mogelijk rusten. Het omschrijft in artikel 107 het bezit als "het houden van een goed voor zichzelf". Het element "houden" duidt op de mogelijkheid van het uitoefenen van feitelijke macht over het goed, in het element "voor zichzelf" onderscheidt het bezit zich van het "houderschap" of "detentie" in engere zin: deze detentie bestaat, wanneer men een goed houdt op grond van een rechts- verhouding met een ander, zoals huur. Of aan de vereisten voor bezit is voldaan, wordt in beginsel aan de verkeersopvattingen getoetst, waarbij een aantal rechtsregels in acht genomen dient te worden, die zijn neer- gelegd in de artikelen 109 tot en met 117, maar daarnaast is slechts plaats voor een beoordeling van de 2024 -451- No. 164 feitelijke, uiterlijk waarneembare, omstandigheden (artikel 108). Aandacht verdient dat men in de opzet van het ontwerp niet alleen bezit van zaken kan hebben, doch van alle goederen, derhalve ook van rechten. De artikelen 110 tot en met 117 behandelen de wijze waarop bezit wordt verkregen en verloren gaat. Aan de onderscheiding tussen bezit te goeder en te kwader trouw (artikel 118) verbinden de artikelen 120 tot en met 124 gevolgen voor het recht op de vruchten en de verplichting tot vergoeding van kosten; zoals reeds uit afdeling 3.4.3 is gebleken, heeft hetzelfde onderscheid evenzeer betekenis voor de verkrijging van een goed door verjaring. Een praktisch inzicht in de betekenis van het bezit verkrijgt men door analyse van de verschillende functies die het in het rechtsleven vervult, waarbij wel wordt onderscheiden naar de statische en de dynamische. De statische functie van het bezit - en ook van het houderschap in het algemeen - is in de eerste plaats dat de bezitter en houder worden beschermd tegen eigenmachtige inbreuken daarop van anderen: zulke eigenrichting behoeft rechtens niet te worden geduld (de zgn. politionele functie); met een vordering uit onrechtmatige daad kan tegen zulke inbreuken worden opgetreden (artikel 125 lid 3). Dicht daarnaast ligt de bescherming van de bezitter - maar niet de houder - tegen stoornis in zijn rechtspositie, die hij van de zijde van derden ondergaat, wel de zakelijke functie van het bezit genoemd: de bezitter kan als bezitter tegen zulke derden optreden en, indien nodig, herstel in zijn bezit eisen (artikel 125 lid 1); dat beroep op zijn rechtspositie komt hem echter dan, behoudens uitzonderingsgevallen niet toe tegen degene die een sterker recht heeft, dat de aanspraak op bezit uitsluit - zoals dat van de eigenaar tegen de dief (artikel 125 lid 2). Een statische functie van het bezit is mede de processuele, die bewijsrechtelijk van aard is. In een procedure wordt een houder vermoed bezitter te zijn - dat wil zeggen: voor zichzelf te houden (artikel 109) - en de bezit- ter wordt vermoed rechthebbende te zijn (artikel 119): het is in beginsel aan de wederpartij zo'n vermoeden te ontzenuwen. Naast de statische functies zijn er de dynamische: daar waar het bezit een der vereisten is tot verkrijging van een recht. Aldus is het bezit in titel 3.4 reeds ter sprake gekomen bij de overdracht van roerende zaken en rechten aan order en toonder (artikelen 90 en 93; zie ook de artikelen 86 en 96 tot en met 98, alsmede de toelichting daarop) en bij de verkrijgende verjaring (artikelen 99 e.v.). Voor de toe-eigening van zaken die aan niemand toebehoren, is inbezitneming vereist (zie artikel 640 van het huidige BW en artikel 5:4). Buiten deze functies staat ten slotte de betekenis die het bezit als aanknopingspunt van risicoaansprakelijkheid onder het nieuwe recht zal verkrijgen: in beginsel zal het de bezitter zijn die wordt belast met de aansprakelijkheid van schade die wordt veroorzaakt door gebrekkige zaken, opstallen en dieren (zie de artikelen 6:173, 6:174 en 6:179).

  1209. Artikel 107 lid 1, geeft een omschrijving van hetgeen in het ontwerp met "bezit" is bedoeld, hetgeen in de eerste artikelen van de titel nader wordt uitgewerkt en aan enkele regels onderworpen. Voor de omschrijving wordt uitgegaan van het meer algemene begrip "houden" van een goed. Dit houden duidt aan het kunnen uitoefenen van een zekere feitelijke macht over het goed, welke overigens in het algemeen moeilijk valt te omschrijven. Een door de eigenaar verhuurde zaak wordt zowel door hem als door de huurder "gehouden": door de eigenaar als bezitter, door de huurder als houder (detentor). De verhuur beperkt de positie van de eigenaar, maar doet zijn bezit niet verloren gaan. De huurder wordt geen bezitter: hij houdt juist de zaak voor de bezitter krachtens zijn rechtsverhouding tot deze. Wie een zaak voor een ander houdt, kan geen bezitter zijn - hij is houder in engere zin. Een detentor kan dan ook, omdat hij geen bezitter is, niet door verjaring rechthebbende op het goed worden. Zie ook HR 18-2-2000, NJ 2000, 278 betreffende zgn. “economische eigendom’ en HR 21-3-2001, NJ 2001, 305 betreffende gebruik van gronden met toestemming van de eigenaar; in beide gevallen is sprake van houderschap. 2024 -452- No. 164 Het ontwerp gaat ervan uit dat een goed slechts één bezitter kan hebben, behalve in het geval dat zij tezamen en op gelijke voet bezitter zijn, het geval waarin tussen hen een gemeenschap bestaat als zij tevens rechthebbenden zijn. Een zaak die gestolen wordt, raakt uit het bezit van de eigenaar en komt in dat van de dief. Zou men hier meer dan een bezitter erkennen, dan zou men onder andere bij de toepassing van de regeling der verkrijgende verjaring in moeilijkheden komen. De mogelijkheid van bezit is niet tot zaken beperkt: ieder goed, ook een beperkt recht en een vorderingsrecht, leent zich tot bezit, zoals ook ieder goed - via het vereiste bezit - voor verkrijging door verjaring vatbaar is. Bezit en houderschap (in enge zin: detentie) kunnen beide zowel onmiddellijk als middellijk zijn. Onmiddel- lijk is het bezit van een huis, wanneer de bezitter het zelf bewoont (of wanneer het leegstaat), middellijk wanneer hij het verhuurt. De huurder is onmiddellijk houder, wanneer hij het gehuurde huis zelf bewoont, middellijk houder, indien hij het weder verhuurt. Ook in het laatste geval blijft de bezitter middellijk bezitter; de onderhuurder is dan onmiddellijk houder. Het artikel geeft in het algemeen weer hetgeen onder het huidige recht ook de heersende opvatting is, ook al bezigt het huidige BW niet altijd een gelukkige terminologie. Zo is de definitie van artikel 585 BW niet over- genomen, omdat de slotzinsnede "alsof zij hem toebehoorde" de indruk wekt, dat de rechthebbende niet tevens bezitter zou zijn, hetgeen nu in de regel juist wel het geval is. Daar onder het nieuwe recht alle goederen voor bezit vatbaar zijn is de, onder het huidige recht geldende, uitsluiting van de niet voortdurende niet zichtbare erfdienstbaarheden (artikel 593 lid 2 j artikel 745 BW) vervallen; weliswaar levert het onbebouwd laten van een stuk grond op zichzelf niet door verjaring de erf- dienstbaarheid van niet-bebouwing op, maar zulke verjaring kan er wel zijn als aan het onbebouwd laten een gebrekkige titel ten grondslag ligt.

  1210. Artikel 108 Bezit betekent, evenals detentie, een zekere macht van een persoon over een goed. Of die macht moet worden opgevat als bezit dan wel als detentie, behoort te worden beoordeeld zowel aan de hand van feiten als van wettelijke regels. Het huidige BW vereist voor het verkrijgen van bezit naast de feitelijke macht (het corporele element) de "bezitswil": het oogmerk om de zaak voor zichzelf te behouden ("animus"). Aldus artikel 594 BW, waaraan in artikel 595 BW de consequentie wordt verbonden dat "zinnelozen" door zichzelf geen bezit kunnen verkrijgen. Gezien de feitelijke aard van het bezit valt echter niet goed in te zien, waarom dezen bijvoorbeeld niet door hen gedragen kleding zelf zouden kunnen bezitten. Ook zonder dat men zich daarvan bewust is, wordt men bezitter van een poststuk dat aan de deur bezorgd is. Het ontwerp neemt daarom afstand van de bezitswil als algemeen geldend vereiste, en laat in beginsel aan de verkeersopvattingen over of de verhouding tussen persoon en goed moet worden opgevat als "houden" in ruime zin, en, zo ja, bij wijze van bezit dan wel van detentie. Daarmee wordt de wil geenszins elke betekenis ontzegd, maar om betekenis te verkrijgen, dient hij zich wel in een feitelijke gedraging te uiten - aldus blijkt uit het slot van het artikel. Zo zal een vinder die de gevonden zaak overeenkomstig de regels bij de politie aangeeft, zich als houder voor de eigenaar gedragen - en wel als zaakwaarnemer voor deze; geeft hij de gevonden zaak niet aan, maar gebruikt hij die voor zichzelf, dan zal hij overeenkomstig de verkeersopvatting bezitter zijn (zij het niet een bezitter te goeder trouw). Wie een stuk land betreedt dat aan een ander toebehoort, is volgens verkeersopvatting nog geen bezitter, wie het regelmatig gaat bewerken en zich als rechthebbende gaat gedragen, kan dat wel worden. Over de vraag welke "bezitsdaden" daartoe zijn vereist, bestaat nogal wat rechtspraak, die ook voor het nieuwe recht van waarde kan zijn. Vormen aldus de verkeersopvattingen over uiterlijke feiten en gedragingen de grondslag voor het oordeel of er van bezit sprake is, rechtsregels oefenen daarop mede invloed uit. Dat blijkt reeds uit de regel van artikel 107 lid 1: het houden van een goed voor een ander kan geen bezit zijn. Meestal zal dit criterium een duidelijke richting wijzen: wie andermans goed onder zich heeft krachtens een beperkt recht of een overeenkomst, is 2024 -453- No. 164 houder, niet bezitter. Het enkele sluiten van een koopovereenkomst maakt de koper nog niet tot bezitter: bezitsverschaffing staat daarnaast als afzonderlijke handeling en is een zelfstandig vereiste voor bijvoorbeeld de overdracht van roerende zaken. Uit het voorbeeld van de vinder blijkt dat de beslissing tussen bezit en detentie soms aan de hand van de feitelijke omstandigheden én de rechtsregels tezamen moet worden gezocht. De hiernavolgende artikelen 109 tot en met 117 bevatten een aantal van zulke regels, die mede bepalen of het houden van een goed als bezit moet worden gekwalificeerd.

  1211. Artikel 109 bevat een regel als bedoeld in artikel 108, die het onderscheid tussen bezit en houderschap (in enge zin) reguleert. Deze houdt een (weerlegbaar) bewijsvermoeden in en is derhalve in het bijzonder van processuele betekenis. Wie een zaak onder zich heeft, terwijl zijn bezit wordt betwist, kan in eerste instantie volstaan met de stelling dat hij bezitter is - het is aan de wederpartij te bewijzen bijvoorbeeld dat hij zijn macht ontleent aan een beperkt of persoonlijk recht en dat de door hem ten aanzien van het goed verrichte daden uit zulk een recht voortvloeien en niet als "bezitsdaden" zijn aan te merken. Daden door een houder als zodanig verricht, kunnen aan de bezitter als bezitsdaden worden toegerekend: HR 3-3-1927, NJ 1927, 687. In artikel 119 vindt artikel 109 een "verlengstuk": zoals de houder wordt vermoed bezitter te zijn, wordt de bezitter vermoed rechthebbende te zijn.

  1212. Artikel 590 van het huidige BW, zoals uitgelegd sinds HR 3-4-1924, NJ 1924, 567, bevat een gelijke regel.

  1213. Artikel 110 regelt de gevallen waarin iemand die een goed in zijn feitelijke macht verkrijgt, dat terstond van die verkrijging af van rechtswege gaat houden voor een ander die van rechtswege bezitter wordt, omdat er tussen hen een rechtsverhouding bestaat welke die strekking heeft en het goed ter uitvoering van die rechts- betrekking verkregen wordt. Vereist is derhalve in de eerste plaats het - reeds vóór de verkrijging - bestaan van een rechtsbetrekking die verkrijging van goederen van de een voor de ander meebrengt. In de tweede plaats is vereist dat die goederen ook inderdaad ter uitvoering daarvan zijn verkregen. Of een goed "ter uitvoering" van de rechtsbetrekking is verkregen, kan dubieus zijn. Dat zal zich het meest voordoen bij goederen die in de rechtsbetrekking slechts generiek worden beschreven, zoals effecten van een bepaalde soort. Zijn zij bij of na de verkrijging (nog) niet geïdentificeerd als bestemd voor de wederpartij, dan kan de rechtsbetrekking wel een vermoeden scheppen, maar dat zal onvoldoende zijn indien zij met gelijksoortige goederen zijn vermengd. Dat kan ertoe leiden dat zij moeten worden aangemerkt als bezit van degene die hen heeft ontvangen, zodat de regel van artikel 110 geen toepassing vindt; aldus voor een voorraad effecten bij een bank HR 12-1-1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos). Staat echter eenmaal vast dat een goed ter uitvoering van de rechtsbetrekking is verkregen, dan houdt de verkrijger van rechtswege voor de wederpartij; aan de uit die verhouding voortvloeiende verplichting daartoe kan hij zich niet onttrekken, tenzij hij zich kan beroepen op feiten die hem hiertoe vrijheid geven (HR 28-4- 1989, NJ 1990, 252). Heeft hij zich eenmaal aan een eerste verkrijger verbonden, dan kan hij slechts door een overeenkomst met deze voor een tweede verkrijger gaan houden - een enkele wilsverandering is daartoe niet voldoende (HR 24-3-1995, NJ 1996, 158; zie ook bij artikel 97). De verschillende rechtsbetrekkingen die het rechtsgevolg kunnen meebrengen, kan men, mede voor een helderder inzicht in de uiteenlopende rechtsgevolgen, indelen in twee hoofdgroepen, al naar gelang namelijk de verkrijgende houder al dan niet de positie van tussenpersoon inneemt. 2024 -454- No. 164 Geen tussenpersoon in eigenlijke zin is bijvoorbeeld de vruchtgebruiker die bij wederbelegging de vervangende goederen verkrijgt voor de hoofdgerechtigde - de "blooteigenaar" - onder de last van zijn vruchtgebruik (vgl. artikel 213). Ook de huurder kan aldus voor de verhuurder het bezit van een goed verwerven (zie HR 3-3-1927, NJ 1927, 687). Een bijzonder geval is dat van de ambachtsman of fabrikant die uit hem niet toebehorend materiaal een zaak voor een ander vormt (artikel 5:16). Ten slotte treedt ook degene die bij voorbaat toekomstige zaken heeft geleverd, niet op als tussenpersoon, wanneer hij die goederen ten slotte verkrijgt. Ook in dat geval vindt artikel 110 toepassing: hij gaat bij de verkrijging terstond houden voor degene aan wie hij reeds heeft geleverd, mits hij op dat tijdstip ook beschikkingsbevoegd is (en niet bijvoorbeeld failliet), zodat met de verkrijging de overdracht ook perfect is (zie de toelichting op artikel 97). Van groot praktisch belang zijn de gevallen waarin een tussenpersoon voor een ander bestemde goederen in zijn macht krijgt. De tussenpersoon kan daarbij de volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben, krachtens volmacht of krachtens de wet (wettelijk vertegenwoordiger, bestuurder van een rechtspersoon). Meer problemen levert verkrijging door een tussenpersoon zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid op. Onder het bestaande recht is lang betwist geweest of een tussenpersoon die op eigen naam ten behoeve van een "achterman" met een derde handelt en van deze goederen verkrijgt, die goederen voor de achterman gaat houden, en wel rechtstreeks zonder dat zij zijn eigen vermogen "passeren" ("middellijke vertegenwoordiging") dan wel of hij eerst zelf gaat bezitten en vervolgens dat bezit aan de achterman moet doorleveren (de leer van de directe verkrijging tegenover de doorleveringsleer). Het typerende voorbeeld voor een dergelijke verhouding is die met de inkoopcommissionair. Het praktisch verschil tussen beide theorieën komt uiteraard aan het licht bij faillissement van de commissionair: tot doorleveren is hij dan niet meer bevoegd, zodat volgens de doorleveringsleer de goederen in zijn failliete boedel vallen, maar is hij overeenkomstig de directe leer bij de ontvangst der goederen niet anders dan houder voor zijn achterman, dan blijven die goederen buiten zijn eigen boedel - anders dan degene die zelf toekomstige goederen heeft verkocht en bij voorbaat heeft geleverd, is alsdan onverschillig of hij zelf op dat tijdstip beschikkingsbevoegd is. Het ontwerp heeft in artikel 110 voor de "directe levering" gekozen, zoals inmiddels ook de Hoge Raad (in zijn arrest van 28-4-1989, NJ 1990, 252) voor het geldende recht heeft gedaan. Overigens bestaat er zakenrechtelijk nog wel verschil tussen deze zgn. middellijke vertegenwoordiging en de eerdergenoemde echte vertegenwoordiging. De commissionair handelt met de derde op eigen naam en bindt zijn achterman niet. Vernietigt de derde bijvoorbeeld de titel op grond waarvan de commissionair verkreeg, dan kan de achterman niettemin een beroep doen op de bescherming van artikel 86, indien hij te goeder trouw is: hij is rechtstreeks bezitter geworden en beschikkingsonbevoegdheid van de commissionair ten gevolge van de vernietiging deert hem niet. Ook een eventueel gebrek aan goede trouw bij de commissionair kan hem bij een beroep op artikel 86 niet worden toegerekend. Bij echte vertegenwoordiging is dat anders (vgl. artikel 66). De verkrijging van bezit via een rechtsverhouding met een ander speelt, zoals uit het bovenstaande blijkt, een belangrijke rol bij de verkrijging van de eigendom van roerende zaken en het recht op vorderingen aan order of toonder (alsmede vruchtgebruik op die goederen). Dit geldt onder andere de verkrijging van eigendom tot zekerheid. Voor het stille pandrecht zal een eigen regeling gaan gelden, waarin het bezit van de zaak of het recht geen rol speelt (zie artikel 237). Evenmin speelt voor de verkrijging van andere goederen dan de genoemde roerende zaken en vorderingen aan order of toonder het bezit een rol (artikelen 89, 94 en 95). Dienovereenkomstig is verkrijging van registergoederen door middellijke vertegenwoordiging afgewezen door HR 2-4-1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly). 2024 -455- No. 164

  1214. Artikel 111 geeft weer hetgeen thans in het BW in de artikelen 591 en 592, alsmede voor de verjaring in de artikelen 1980 en 1981, is te lezen en wat daaruit verder is afgeleid in een reeks arresten van de Hoge Raad, te beginnen met dat van 22-5-1953, NJ 1954, 189 (Sio-de Jong). De bepaling richt zich tegen hetgeen wel de "interversie van bezit" wordt genoemd: iemand die eenmaal houder voor een ander is, kan, behalve in de, aan het slot van het artikel genoemde, twee uitzonderings- gevallen: a. zichzelf niet tot bezitter maken, en b. zich niet tot houder voor een ander maken. De regel betekent dat de houder voor een ander dit niet alleen mág, daartoe niet bevoegd is, doch dat hij dit ook niet kán: zijn daarop gerichte handeling blijft zonder rechtsgevolg, hij blijft houder. Aldus verhindert de onder b genoemde deelregel dat een houder constituto possessorio een derde bezit verschaft (artikel 115, onderdeel a): hij mag en kan niet voor een nieuwe bezitter gaan houden zonder dat naar buiten, aan de oude bezitter, blijkt dat in zijn positie van houder voor deze verandering is gebracht; zie hieromtrent reeds de toelichting op de artikelen 86 en 90 en voorts HR 24-3-1995, NJ 1996, 158, vermeld in de toelichting op het vorige artikel. Er is hierin een verschil met de verschaffing van het bezit door de houder aan een derde langs andere weg: door feitelijke "overgave" of door levering brevi of longa manu (vgl. de artikelen 114 en 115, onderdelen b en c): ook als de houder dit niet mág, hij kán het wel - hij kan zijn houderschap prijsgeven, hetgeen dan ook naar buiten blijkt (zie voor levering longa manu artikel 115, onderdeel c, slot). De eerste uitzondering op de hoofdregel van artikel 111 is een handeling van degene voor wie men houdt - hetzij de bezitter zelf, hetzij de (middellijk) houder. Zulk een handeling, die de verandering naar buiten niet doet blijken, kan bijvoorbeeld zijn een levering brevi manu door de bezitter (artikel 115, onderdeel b), ze kan ook liggen opgesloten in een door de bezitter verleende bevoegdheid aan de houder, zoals bij eigendoms- voorbehoud kan voorkomen, en in de praktijk van het bedrijfsleven ook dikwijls voorkomt, voor normale handelstransacties. (Zie hieromtrent mede HR 14-2-1992, NJ 1993, 623; of de bevoegdheid bestaat, moet uit de overeenkomst betreffende het eigendomsvoorbehoud volgen; de enkele bestemming tot doorlevering is niet doorslaggevend.) De tweede uitzondering op de hoofdregel is tegenspraak door de houder van het recht van degene voor wie hij houdt - bezitter of eventueel houder. Voor die tegenspraak is een ondubbelzinnige verklaring aan die persoon vereist, in de regel gemotiveerd met een beroep op eigen recht, alsmede een daarmee in overeenstemming zijnd gedrag: geen rechtsgevolg heeft de verklaring, indien men voortgaat zich als houder te gedragen - zie HR 26-1-1951, NJ 1951, 180 (Groningse kweldergronden II). Niet als uitzondering is uit artikel 1981 van het huidige BW overgenomen de "oorzaak die van een derde afkomt": zo'n enkele "oorzaak", niet gevolgd door tegenspraak door de houder - of eventueel een handeling van degene voor wie hij houdt zelf - kan de interversie niet bewerkstelligen. Onder het bestaande recht heeft de in artikel 111 weergegeven regel een belangrijke rol gespeeld, in het bijzonder ter zake van de vraag of en onder welke omstandigheden de rechthebbende ondanks een gemaakt eigendomsvoorbehoud zijn recht kwijt raakt, wanneer dat door de houder aan een ander wordt geleverd. Zie behalve het genoemde HR 22-5-1953, NJ 1953, 189, onder andere HR 29-9-1961, NJ 1962, 14 (Picus- Smallingerland), HR 8-6-1973, NJ 1974, 346 (Nat. Grondbezit-Kamphuis), en HR 29-6-1979, NJ 1980, 133 (Hoogovens-Matex). Hierbij is in het bijzonder de verhouding tussen het eigendomsvoorbehoud en de eigen- domsverkrijging tot zekerheid in het geding geweest. Voor het stille pandrecht, dat bij artikel 237 zal worden ingevoerd naast de eigendom tot zekerheid, speelt deze problematiek geen rol, omdat de pandhouder geen bezitter wordt; de verhouding tot het eigendomsvoorbehoud wordt daar door artikel 90 lid 2 geregeld. Zie omtrent een en ander ook de toelichting op de artikelen 86 en 90. 2024 -456- No. 164

  1215. Artikel 112 geeft een opsomming van de meest voorkomende wijzen van bezitsverkrijging, die in de volgende artikelen worden uitgewerkt: inbezitneming (artikel 113), bezitsoverdracht (artikelen 114 en 115) en op- volging onder algemene titel (artikel 116). De opsomming is niet uitputtend. Zo kan iemand die een goed van een ander executeert, zichzelf - bij reële executie - bezit verschaffen, zonder dat van eigenlijke inbezitneming of overdracht sprake is. Bij de artikelen 86, 90 en 111 is er in de toelichting voorts op gewezen dat ook een houder - bevoegd of onbevoegd - bezit kan verschaffen; ook hier is er noch inbezitneming, noch bezitsover- dracht. Ook herkrijging van bezit, bijvoorbeeld in het geval van artikel 125 of na vernietiging van een titel van overdracht, valt onder geen van deze categorieën. Bezitsverkrijging is steeds in de eerste plaats een feitelijke gebeurtenis. De wil(sverklaring) van de bezitter is daarom niet een algemeen geldend vereiste; de adverteerder wordt aldus bezitter van de brieven die op zijn advertentie bij het nieuwsblad binnenkomen, ook voordat hij kennis heeft gekregen van de bezorging bij het nieuwsblad (HR 30-4-1936, NJ 1936, 957). Ook in de gevallen waarin bezitsoverdracht als een rechtshande- ling kan worden beschouwd, is de overgang van de (mogelijkheid tot) feitelijke machtsuitoefening vereist. Vernietiging van zulk een rechtshandeling verhindert niet dat de verkrijger over de periode waarover de ver- nietiging terugwerkt, toch als bezitter - dat wil zeggen als houder voor zichzelf, en niet voor de vervreemder - is opgetreden. De verkrijger wordt in zo'n geval niet ontheven van de aansprakelijkheid die gedurende die periode op hem als bezitter heeft gerust. Heeft iemand zich als houder op grond van een rechtsbetrekking als houder voor een ander gedragen, dan verandert dit niet als achteraf blijkt dat die betrekking niet bestond. Voor het gevolg van voortzetting van de verjaringstermijn na herkrijging zij verwezen naar de toelichting op artikel 102. De in artikel 112 genoemde drie wijzen van bezitsverkrijging komen eveneens voor in de tegenwoordige artikelen 594, 597 en 599.

  1216. Artikel 113 geeft een omschrijving van het vereiste voor inbezitneming of occupatie: het zich verschaffen van feitelijke macht. Welke daden daartoe voldoende zijn, zal telkens afhangen van de omstandigheden en voor elk geval moeten worden getoetst aan de verkeersopvattingen. De literatuur en de jurisprudentie die zich daarover onder het bestaande recht hebben gevormd, blijven hun waarde behouden. In de praktijk zal het verschil maken of de in bezitgenomen zaak aan een ander toebehoort of niet: in het eerste geval zal de occupatie tevens betekenen dat de voorganger uit zijn bezit wordt gestoten. Lid 2 bepaalt dat daartoe enkele losstaande machtsuitoefeningen niet voldoende zijn: het enige malen eigenmachtig "lenen" van een fiets doet het bezit niet overgaan, daartoe is een ondubbelzinnige, constante handelwijze nodig. Uit lid 2 moet echter niet worden afgeleid dat het doorbreken van andermans bezit steeds een reeks handelingen vereist: enkele diefstal heeft immers reeds dat gevolg. Een roerende zaak die van niemand is, wordt reeds iemands bezit, indien hij zich daarover als heer en meester gedraagt. Door de occupatie wordt zij tevens zijn eigendom (zie artikel 636 van het bestaande BW en artikel 5:4). Het bezit van rechten kan men verkrijgen door uitoefening van de daaraan verbonden bevoegdheden. Ook hier zal de aard der handelingen, getoetst aan de verkeersopvattingen, voor de erkenning van het bezit beslissend zijn. Uit artikel 601 lid 1, BW is voor het huidige recht wel afgeleid dat occupatie van onroerende goederen pas na één jaar (en een dag) bezitsverkrijging ten gevolge heeft (leer van het annaal bezit). Het ontwerp biedt tot zulk een gedachtegang geen aanknopingspunten. Wel speelt daar de termijn van een jaar een rol in de bescherming van het bezit (artikel 125 lid 1) en, als consequentie daarvan, bij de voortzetting van de verjaringstermijn (artikel 103). Tezamen met artikel 115 geeft artikel 114 de regels omtrent de bezitsoverdracht, waarbij artikel 115 als bijzondere regel fungeert tegenover de algemene van artikel 114. Volgens artikel 114 komt de bezitsoverdracht tot stand doordat de bezitter zijn opvolger in staat stelt tot uitoefening van de macht over een goed, welke hij zelf kon uitoefenen, zulks in aansluiting aan de jurispru- dentie (bijvoorbeeld HR 3-10-1934, NJ 1934, 1562). 2024 -457- No. 164 Bij de bezitsoverdracht volgens artikel 114 dient men voor roerende zaken in de eerste plaats te denken aan hetgeen artikel 666 BW thans omschrijft als "enkele overgave" en het overgeven van "de sleutels van het gebouw, waarin de zaken zich bevinden", en handelingen die daarmee gelijkgesteld kunnen worden. Door cognossement en ceel wordt niet alleen de vordering op goederen geleverd, maar ook het bezit van die goederen zelf. Ook kan overdracht van het bezit van roerende zaken geschieden door het verlenen van een machtiging om de zaken te halen, indien dat ook inderdaad gebeurt (vgl. HR 13-4-1951, NJ 1952, 77, en HR 8-6-1973, NJ 1974, 346). Bezitsoverdracht van een huis of andere gebouwde onroerende zaak zal gewoonlijk geschieden door overgave van de sleutels, van een recht door de opvolger de gelegenheid en eventueel de middelen te bieden de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen, enz. Een houder kan weliswaar geen bezit overdragen, omdat hij dat nu eenmaal zelf niet heeft, maar hij kan wél - al dan niet daartoe bevoegd - het aan een ander verschaffen; zie de toelichting op de artikelen 86 en 90. Hij zal daartoe dezelfde handelingen hebben te verrichten als de bezitter die zijn bezit overdraagt. Bezitsverschaffing maakt als levering deel uit van de overdracht van roerende zaken (artikel 90) en van rechten aan order of toonder (artikel 93). Voor deze overdracht zijn mede vereist beschikkingsbevoegdheid en geldige titel. Voor de bezitsverschaffing zelf gelden deze laatste vereisten niet: zij kan ook geschieden door een onbevoegde, zoals een dief, en het ontbreken of wegvallen van de titel van overdracht doet de bezitsver- schaffing niet teniet. Voor overdracht van andere goederen dan roerende zaken en rechten aan order of toonder is bezitsverschaffing geen vereiste. Wel rust op de verkoper in het algemeen de verplichting tot het afleveren van de verkochte goederen, hetgeen bezitsverschaffing inhoudt, ook als de verplichting van de verkoper tot overdracht geen bezitsverschaffing meebrengt (zie de artikelen 7:9 en 7:47).

  1217. Artikel 115 geeft aan wanneer de overdracht van het bezit van zaken - toch in oorsprong een feitelijke aangelegenheid - zich door een enkele tweezijdige verklaring van de bezitter en zijn opvolger kan voltrekken. Het artikel is reeds herhaaldelijk eerder ter sprake gekomen, en wel in het bijzonder in de toelichting op de artikelen 86, 90, 97 en 111. Daarbij is erop gewezen dat deze wijze van bezitsverschaffing, en met name die in onderdeel a, onder meer een belangrijke rol speelt bij de overdracht van roerende zaken, ook toekomstige, tot zekerheid. De problematiek waartoe dit leidt, wordt straks mede aan de hand van de nieuwe wettelijke regels tot oplossing gebracht. De drie in het artikel opgesomde wijzen van bezitsoverdracht zijn te beschouwen als een verkorte wijze van levering van het feitelijke bezit: omdat de zaak toch blijft op de plaats waar ze zich bevindt, vermijdt men de omweg dat de bezitter haar aan zijn opvolger ter hand stelt, waarna de zaak terugkomt hetzij in handen van de voormalige bezitter (a: constitutum possessorium), hetzij in handen van de eerdere houder, nu als bezitter (b: traditio brevi manu) hetzij in handen van degene die haar eerst voor de oorspronkelijke bezitter hield en haar nu voor diens opvolger gaat houden (c: tradito longa manu). Langs de in de onderdelen b en c aangegeven weg kan niet alleen een bezitter, maar ook een houder een ander tot bezitter maken - weliswaar niet door bezitsoverdracht, doch door bezitsverschaffing; langs de in onderdeel a aangegeven weg kan hij dat alleen bij uitzondering, omdat artikel 111 zich in het algemeen daartegen dan verzet. Zie de toelichting op dit artikel en op de artikelen 86 en 90. In artikel 666 lid 2 van het geldende BW wordt reeds de traditio brevi manu wettelijk erkend, zij het slechts in verband met de eigendomsoverdracht; de beide andere wijzen zijn sinds lang door de rechtspraak erkend. De levering longa manu komt niet tot stand door de verklaring van de bezitter en zijn opvolger alleen; daar- voor is bovendien vereiste hetzij erkenning door de houder, hetzij mededeling aan deze door een der partijen (vgl. artikel 37). Het bezit gaat pas over, als op een van deze wijzen de levering is voltooid. Van levering longa manu is geen sprake, wanneer een bezitter de zaak bij een houder heeft ondergebracht en vervolgens, met instandhouding van die rechtsbetrekking met zichzelf, constituto possesorio het bezit aan de derde overdraagt - men denke aan een bij een garagebedrijf gestalde auto die door de eigenaar aan een ander 2024 -458- No. 164 wordt verkocht en constituto possessorio geleverd en van deze gehuurd. In dit geval blijft de garagehouder voor de oorspronkelijke bezitter houden, die nu middellijk houder is geworden. In geval van traditio longa manu zou de garagehouder rechtstreeks voor de nieuwe eigenaar-bezitter zijn gaan houden. Zoals bij de behandeling van de artikelen 86 en 90 bleek, is het onderscheid van belang, omdat: a. een houder wel longa manu een ander bezit kan verschaffen, maar, tenzij in de uitzonderingsgevallen van artikel 111, niet constituto possessorio; b. de regel van artikel 90 lid 2 alleen geldt voor bezitsverschaffing constituto possessorio, en niet voor levering longa manu.

  1218. Artikel 116 bevat ter uitwerking van artikel 112 de regel die geldt bij opvolging onder algemene titel: verer- ving en boedelmenging (zie artikel 80). Vererving zal dikwijls en boedelmenging zal steeds tot gevolg hebben dat een gemeenschap ontstaat. Wordt de gemeenschap verdeeld, dan blijft hetgeen aan elk der deelgenoten wordt toegedeeld, als onder algemene titel verkregen gelden (artikel 1110 van het huidige BW en het nieuwe artikel 186 lid 2). Een legataris verkrijgt niet onder algemene, doch onder bijzondere titel (HR 10-4-1987, NJ 1987, 972). Degene die onder algemene titel opvolgt, verkrijgt van rechtswege niet alleen de goederen van zijn voor- ganger, maar volgt hem ook in diens bezit en houderschap op, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan. Was zijn voorganger bezitter te goeder trouw, dan wordt hij dat ook, al weet hij van het recht van een ander; was zijn voorganger niet bezitter te goeder trouw, dan geldt hij evenzeer als zodanig al kent hij andermans recht niet en behoeft hij dat niet te kennen. De consequentie uit deze regel is reeds voor de verjaring getrokken in artikel 102: de opvolger zet de verjaring voort die onder zijn voorganger reeds heeft gelopen. Voor het huidige recht is de regel van artikel 116 te lezen in artikel 597 van het BW, zij het daar beperkt tot erfopvolging.

  1219. Artikel 117 sluit de reeks artikelen omtrent bezitsverkrijging en -verlies af. Evenals de vorige artikelen gaat het uit van de gedachte dat buiten het geval van (gezamenlijk) medebezit elk goed slechts één bezitter kan hebben. Het artikel kent slechts twee gevallen van bezitsverlies, namelijk (welbewuste) prijsgave en bezitsverkrijging door een ander. Daarnaast is nog vanzelfsprekend het tenietgaan van het goed - verbranden van een zaak, voldoening van een vordering, en dergelijke - te noemen. Naast het in artikel 117 geregelde bezitsverlies zal in Boek 5 nog het eigendomsverlies van roerende zaken afzonderlijk worden geregeld (zie de artikelen 5:18 en 5:19). Daaruit blijkt dat bezitsverlies niet steeds eigendomsverlies inhoudt; in het bijzonder heeft het verlies van het bezit gevolg voor de eigendom, wanneer deze op een ander, door verjaring of overdracht, overgaat. Lid 2 maakt zich enigszins los van de overigens aan het ontwerp ten grondslag liggende gedachte dat bezit in de eerste plaats uitoefening van feitelijke macht betekent: men blijft bezitter zolang men niet overeenkomstig lid 1 het bezit heeft verloren, ook al oefent men geen bezitsdaden (meer) uit. Ook wie een roerende zaak heeft verloren, blijft - hoe ook de verkeersopvattingen mogen luiden - daarvan de bezitter totdat een ander de zaak heeft gevonden en voor zichzelf gaat houden. Wel betekent verlies van de macht over zulk een zaak dat ze niet meer door bezitsverschaffing overeenkomstig artikel 90 kan worden overgedragen - dat moet langs de weg van artikel 95 geschieden. De artikelen 599 tot en met 603 van het huidige BW bevatten de regels omtrent bezitsverlies voor het thans geldende recht. Deze wijken ten dele af van die van artikel 117; onder andere ontvalt aan de, voor dat recht wel verdedigde, leer van het "annaal bezit" het steunpunt van artikel 601 lid 1, onderdeel 1, BW.

  1220. Artikel 118 onderscheidt het bezit te goeder trouw van bezit dat niet te goeder trouw is, aan welk onderscheid enige rechtsgevolgen zijn verbonden. De bezitter te goeder trouw heeft blijkens artikel 120 ten aanzien van de vruchten en de vergoeding van kosten en schade rechten die verder gaan dan die van de bezitter die niet te goeder trouw is. Voor verkrijging door verjaring vereist artikel 99 bezit door een bezitter te goeder trouw nadat een onafgebroken termijn van bezit is verstreken. De goede trouw die voor de toepassing van artikel 86 van de verkrijger wordt vereist, heeft geen betrekking op het door deze verworven bezit, doch op de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder; artikel 118 is daarvoor dus zonder belang. 2024 -459- No. 164 Lid 1 stelt de vereisten voor bezit te goeder trouw: de bezitter moet zich als rechthebbende beschouwen en dat ook redelijkerwijs mogen doen - hij mag niet lichtvaardig, en ondanks aanwijzingen van het tegendeel, hebben aangenomen dat hij wel rechthebbende zal zijn. De bepaling herhaalt nog eens uitdrukkelijk hetgeen volgt uit artikel 11. Uiteraard heeft erkenning van bezit als te goeder trouw alleen praktische betekenis voor het geval de bezitter niet tevens rechthebbende is. In de Antilliaanse zaak HR 8-9-2000, NJ 2000, 629 werd geen bezit te goeder trouw van de gehele plantage aangenomen, aangezien algemeen bekend was dat deze was nagelaten aan de gezamenlijke vrijgelaten, hetgeen ook was aangetekend in het plantageregister. Meestal zal een bezitter te goeder trouw zijn, als hij dat reeds op het tijdstip van het verkrijgen van zijn bezit was. Soms echter treedt de goede trouw pas later in. Aldus, wanneer de koper van een registergoed het bezit reeds krijgt geleverd, voordat hij de akte van overdracht in het openbaar register heeft doen inschrijven. Tot aan de inschrijving kan hij zich nog niet redelijkerwijs als rechthebbende beschouwen en voldoet hij daarom in beginsel niet aan het voor bezit te goeder trouw gestelde vereiste (anders voor het huidige recht HR 16-12- 1927, NJ 1928, 635). Wel kan hij aan artikel 120 lid 4 een beperkte bescherming ontlenen. Ook zal een lopende verjaring dan niet wegens gebrek aan goede trouw worden afgebroken, indien de akte als gevolg van een normale afwikkeling van de koop alsnog wordt ingeschreven; zie de toelichting bij artikel 102 lid 2. Zie ook HR 20-6-1997, NJ 1999, 301. Verliest een bezitter zijn recht met terugwerkende kracht, omdat de titel van zijn verkrijging wordt vernietigd, dan hangt het af van hetgeen hij omtrent het gebrek wist en behoorde te weten, of hij vanaf de vernietigde verkrijging als bezitter al dan niet te goeder trouw moet worden beschouwd (vgl. HR 6-1-1961, NJ 1962, 19). Lid 2 behelst de regel dat wie eenmaal bezitter te goeder trouw is, dat blijft, ook al ontdekt hij later dat hij geen rechthebbende is - ware het anders, dan zouden alle gevolgen die de wet aan het bezit te goeder trouw verbindt, op losse schroeven komen te staan. Het vermoeden, neergelegd in de zinswending "wordt geacht" is onweerlegbaar (in tegenstelling tot het in lid 3 geformuleerde vermoeden "wordt vermoed"). Artikel 121 lid 3 beperkt het gevolg van de regel voor het recht op de vruchten en de vergoeding van kosten en schade. Lid 3 bevat een bekende processuele regel, welke de bewijslast omtrent het ontbreken van goede trouw op de wederpartij van de bezitter legt. In de huidige artikelen 586 tot en met 589 BW zijn vergelijkbare regels neergelegd, voor de verjaring uitgewerkt in de artikelen 1986 en 1987 BW; over het arrest HR 16-12-1927, NJ 1928, 635 zie hierboven. Opmerking verdient dat het ontwerp de term "bezit(ter) te kwader trouw" verzacht tot "bezit(ter) niet te goeder trouw". Met artikel 119 begint een reeks bepalingen omtrent de functies van het bezit, voor zover die niet elders zijn geregeld (zie de inleiding tot de toelichting op deze titel). De eerste van deze bepalingen betreft de processuele of bewijsrechtelijke functie: zoals volgens artikel 109 degene die een goed houdt, wordt vermoed dat voor zichzelf te houden, het te bezitten; zo schept artikel 119 lid 1, het weerlegbare vermoeden dat de bezitter rechthebbende is. Men mag de bezitter niet belasten met het risico dat hij in elke willekeurige procedure zou moeten bewijzen dat hij rechthebbende is. Wel zal men van hem mogen verlangen dat hij, wanneer zijn wederpartij zich op een beter recht beroept, nader stelt op grond waarvan hij meent rechthebbende te zijn (zie HR 24-11-1967, NJ 1968, 74, en HR 12-1-1968, NJ 1968, 274). Het staat de rechter vrij te oordelen dat door de stellingen over en weer en de verder gebleken omstandig- heden, het vermoeden in zoverre is weerlegd dat de bezitter het recht dat hij pretendeert te hebben, nader heeft te bewijzen (HR 8-5-1987, NJ 1988, 700, HR 26-2-1988, NJ 1989, 488 en HR 17-6-1994, NJ 1994, 671). De wederpartij van de bezitter dient te bewijzen op welke individueel bepaalde zaken zijn recht rust (HR 4-12- 1998, NJ 1999, 549). De regel geldt zowel wanneer de bezitter opgeroepene is als wanneer hij, in het bijzonder in een revindicatie- procedure, als eiser optreedt en kan stellen dat hem het goed is ontnomen, mits binnen de in artikel 125 lid 1, tweede zin, genoemde termijn van een jaar (vgl. HR 1-7-1977, NJ 1978, 212). Eveneens geldt de regel in beginsel zowel ten aanzien van registergoederen als van andere zaken en rechten. Lid 2 echter beperkt de werking van de regel enigermate voor de eerste categorie, die der registergoederen. 2024 -460- No. 164 Het vermoeden van lid 1 wijkt, indien komt vast te staan dat (a) de wederpartij of haar rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende is geweest, en bovendien (b) de bezitter zich niet kan beroepen op een verkrijging onder bijzondere titel nadien waarvoor inschrijving is vereist. Kan de eiser aantonen dat hij vroeger rechthebbende op het registergoed is geweest, dan zal de regel van lid 1 wél gelden, wanneer de bezitter aantoont dat hij door - een ingeschreven - overdracht het goed heeft verkregen: de eiser zal dan bijvoorbeeld moeten bewijzen dat de titel nietig was. De regel van lid 1 zal daarentegen overeenkomstig lid 2 niet gelden, als de bezitter moet stellen dat hij door verjaring rechthebbende is geworden: voor verkrijging door verjaring is immers geen inschrijving vereist; alsdan zal op de opgeroepen bezitter de bewijslast omtrent zijn verkrijging rusten. Toedeling uit een gemeenschap zal onder het nieuwe recht wel voltooiing door inschrijving behoeven (zie artikel 186 lid 1), maar levert zelf geen verkrijging onder algemene dan wel bijzondere titel op (zie artikel 1110 van het huidige BW en artikel 186 lid 2; de titel blijft die waaronder het goed door de gemeenschap werd verkregen). Onder het huidige recht wordt de regel van artikel 119 lid 1, voor roerende zaken en vorderingen aan toonder reeds uit artikel 1998 BW afgeleid; vgl. ook de regels voor bepaalde order- en toonderpapieren in het Wetboek van Koophandel. Voor andere goederen moet men een beroep doen op de artikelen 604, onderdeel 1, en 605, onderdeel 1, BW die echter weinig duidelijkheid bieden. Artikelen 120 tot en met 124 De artikelen 120 tot en met 123 regelen de onderlinge verhouding tussen de bezitter die geen rechthebbende op het goed is, en de rechthebbende ten aanzien van enerzijds het recht op de vruchten en anderzijds de vergoeding van kosten en eventuele schade wegens risicoaansprakelijkheid. Overeenkomstig het huidige recht wordt daarbij onderscheid gemaakt naar gelang de bezitter al dan niet te goeder trouw is (artikel 120 tegenover artikel 121). Artikel 122 legt de bezitter de verplichting op mee te werken aan de overneming van het goed, indien de rechthebbende dat verlangt om de vergoeding te vermijden, en artikel 123 geeft de bezitter de bevoegdheid door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen weg te nemen. Artikel 124 verklaart de artikelen 120 tot en met 123 van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen de rechthebbende en de houder (detentor) voor een bezitter die geen rechthebbende is. Het is de bedoeling de artikelen 120 tot en met 124 van overeenkomstige toepassing te verklaren op de verhouding tussen degene die een onverschuldigde prestatie heeft aanvaard, en degene die haar heeft geleverd - een verbintenisrechtelijke verhouding naast de "zakelijke" van het bezit (zie de artikelen 6:206 en 6:208).

  1221. Artikel 120 regelt de verhouding tussen de rechthebbende en de bezitter te goeder trouw ten aanzien van de vruchten die tijdens het bezit afgescheiden, respectievelijk opeisbaar zijn geworden (lid 1), alsmede ten aanzien van de vergoeding van kosten (en dergelijke) gemaakt tijdens het bezit (lid 2). Men lette echter op artikel 121 lid 3, dat voor de vruchten en kosten de bezitter te goeder trouw gelijkstelt met de bezitter die niet te goeder trouw is, vanaf het tijdstip waarop de rechthebbende jegens hem zijn recht inroept. Wat als vruchten moet worden aangemerkt, is in artikel 9 bepaald. Lid 1 van artikel 120 biedt een voorbeeld van de gevallen waarin de vruchten niet toekomen aan de rechthebbende op het goed waaraan zij zijn ontleend (zie artikel 5:1 lid 3): zij vallen aan de bezitter te goeder trouw toe, die hen niet behoeft af te staan of te vergoeden. Zie voor het huidige recht artikel 630 lid 1, eerste zin, van het BW. De artikelen 630 lid 2, 633 en 636 van het huidige BW maken voor vergoeding van de aan het goed bestede kosten onderscheid tussen de noodzakelijke uitgaven tot het behoud en ten nutte van de zaak aangewend, die tot onderhoud en die tot nut en verfraaiing. Het ontwerp breekt met dit ingewikkelde en weinig duidelijke stelsel. Als hoofdregel doet het in lid 2 al deze kosten voor vergoeding door de rechthebbende aan de bezitter te goeder trouw in aanmerking komen, voor zover deze laatste niet reeds door het genot van de vruchten en andere voordelen - waaronder het eenvoudig gebruik - geacht kan worden schadeloos te zijn gesteld. Onderhoudskosten, voor zover die het gewone gebruik van de bezitter dienen, zullen gewoonlijk niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook bedenke men dat vruchten veelal niet in de eerste plaats kunnen worden beschouwd als schadeloosstelling voor aan het goed bestede kosten, doch eerder als beloning van arbeid en andere exploitatiekosten. 2024 -461- No. 164 Anderzijds geeft de bepaling in de tweede zin aan de rechter een ruime bevoegdheid tot matiging van de vergoedingsplicht voor de rechthebbende, wanneer de bezitter door de vergoeding onbillijk zou worden bevoordeeld. Reden voor beperking zal er bijvoorbeeld zijn ten aanzien van uitzonderlijk hoge uitgaven die niet tot waardevermeerdering van het goed leiden en waarvan de rechthebbende ook geen profijt heeft. Met de kosten wordt in lid 2 gelijkgesteld "de schade waarvoor de bezitter op grond van het in titel 6.3 bepaalde uit hoofde van zijn bezit jegens derden aansprakelijk mocht zijn". Hiermee wordt gedoeld op de risicoaansprakelijkheid waarmee een bezitter van gebrekkige zaken, en opstallen, alsmede van gevaarlijke dieren als zodanig zal worden belast (zie de artikelen 6:173, 6:174 en 6:179). Ook hier valt niet in het algemeen te zeggen of deze aansprakelijkheid uiteindelijk moet worden gedragen door de bezitter te goeder trouw, dan wel door de rechthebbende die aan diens bezit een eind maakt. Gaat het bijvoorbeeld om schade die is ontstaan door gebruik van het goed, dan zal men eerder geneigd zijn de last bij de bezitter te laten, zeker indien deze door een aansprakelijkheidsverzekering schadeloos is gesteld. Ook kan het verschil maken of de bezitter langdurig dan wel kortstondig van het genot van het goed heeft geprofiteerd. Lid 2, eerste zin - dat, naar uit de eerste tussenzin blijkt, zowel in een procedure als daarbuiten geldt - plaatst de bezitter te goeder trouw in een gunstige uitgangspositie: het is aan de rechthebbende om de rechter van de grond tot toepassing van de tweede zin te overtuigen. Ook indien het tot toepassing van de tweede zin komt, betekent dit niet dat de bezitter te goeder trouw slechts recht heeft op vergoeding ter wegneming van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de rechthebbende: de maatstaf is hier soepeler in het voordeel van de bezitter. In deze beide opzichten is er derhalve verschil met de positie van de bezitter die niet te goeder trouw is, zoals die in artikel 121 is geregeld. Lid 3 geeft - evenals artikel 630 lid 2 van het BW thans - de bezitter te goeder trouw een retentierecht. Het nieuwe wetboek zal in afdeling 3.10.4 een regeling voor het retentierecht bevatten, als bijzondere regeling van die der opschortingsrechten in Boek 6 (zie afdeling 6.1.7 en de artikelen 6:261 lid 2 tot en met 6:264). Lid 4 ten slotte schrijft toepassing van de voorgaande leden voor, wanneer de bezitter weliswaar niet te goeder trouw kan worden genoemd, omdat hij weet of behoort te weten dat hij geen rechthebbende is, maar die wel meent of mag menen dat hij het bezit rechtmatig heeft verkregen, in het bijzonder omdat de rechthebbende hem welbewust in dat bezit heeft gesteld. Men vergelijke de toelichting op artikel 118, waar het voorbeeld wordt gegeven van inbezitstelling van een registergoed voordat de levering van het recht zelf is voltooid. Voor het huidige recht gelden ten aanzien van de rechten van de bezitter te goeder trouw de artikelen 630 tot en met 633 en 636 BW, die in het voorgaande reeds ter sprake zijn gekomen; voor het geval dat een bezitter te goeder trouw eens anders grond met aan deze of een derde toebehorend bouwmateriaal of beplanting bebouwt, gelden thans nog de artikelen 658 en 659 BW, die niet, als speciale regeling naast artikel 120, zullen worden vervangen.

  1222. Artikel 121 bevat de regeling van de rechten die toekomen aan een bezitter die niet te goeder trouw is, behoudens de bezitter, bedoeld in artikel 120 lid 4, en met inbegrip van de bezitter te goeder trouw vanaf het tijdstip waarop de rechthebbende zijn recht tegen hem heeft ingeroepen (artikel 121, derde lid). Uiteraard zijn de rechten van de bezitter te goeder trouw uitgebreider dan die van de bezitter die niet te goeder trouw is: deze laatste heeft geen recht op de vruchten (lid 1) en slechts recht op vergoeding der kosten, voor zover door het resultaat daarvan de rechthebbende anders ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt (lid 2). Een retentierecht wordt hem niet toegekend. Het slot van lid 1 herinnert voorts aan de verplichting tot schadevergoeding van de bezitter niet te goeder trouw aan de rechthebbende, indien aan de eerste jegens de laatste het toebrengen van schade door onrechtmatige daad kan worden toegerekend; in titel 6.3 zal de regeling omtrent onrechtmatige daad een plaats vinden. Bij lid 2 verdient nog aantekening dat de regeling zich niet, als in artikel 120 lid 2, beperkt tot kosten ten behoeve van het goed, maar zich ook uitstrekt tot kosten tot winning van de vruchten gemaakt: anders dan de bezitter te goeder trouw moet immers de bezitter die niet te goeder trouw is, deze vruchten teruggeven, waarvoor hij dan voor de winning gemaakte kosten in rekening kan brengen. 2024 -462- No. 164 In het nieuwe wetboek zal de rechtsfiguur der ongerechtvaardigde verrijking haar regeling vinden in afdeling 6.4.3 (zie artikel 6:212). Bij lid 3 verdient in de eerste plaats aandacht dat de rechthebbende, om het rechtsgevolg te doen intreden, niet beperkt is tot het oproepen van de bezitter, doch zijn recht ook buiten rechte kan inroepen, en in de tweede plaats dat de bezitter zijn goede trouw niet verliest; in beide opzichten wijkt dit af van artikel 588 lid 2 van het huidige BW. Of door het inroepen van zijn recht tevens een lopende verjaring door de rechthebbende wordt gestuit, hangt ervan af of die handeling kan worden aangemerkt als of gepaard gaat met het stuiten van de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het bezit: zie artikel 104; is dat niet het geval, dan loopt de verjaring ten gunste van de bezitter door. Het in lid 3 voorziene rechtsgevolg betreft slechts de in lid 1 bedoelde vruchten en aansprakelijkheid en de in lid 2 bedoelde kosten, alles over de periode die met het tijdstip van het inroepen van het recht begint, terwijl uiteraard over die periode ook de aan het slot van lid 1 genoemde aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan ontstaan. Op de in artikel 120 lid 2 bedoelde vergoeding van door bezittersaansprakelijkheid in deze periode veroorzaakte schade heeft deze bezitter geen recht. Ook al zal de door de rechthebbende verschuldigde vergoeding van de kosten van de bezitter zelden de waarde van het goed overtreffen - daarvoor waakt ook de matigingsbevoegdheid van de rechter volgens artikel 120 lid 2 tweede zin, immers in de regel -, de betaling van die vergoeding kan voor de rechthebbende wel bezwaarlijk zijn, omdat het bedrag der vergoeding toch tegenvalt of de betalingsverplichting ongelegen komt. Zo kan het gebeuren dat hij in de tijd dat het goed buiten zijn bezit geweest, daaraan minder waarde is gaan hechten, omdat hij het al door een ander heeft vervangen.

  1223. Artikel 122 biedt daarom aan de rechthebbende de bevoegdheid het goed aan de bezitter over te dragen. Deze overdracht is een tweezijdige rechtshandeling en het artikel verplicht de bezitter daaraan van zijn kant mee te werken, een verplichting waarvan eventueel door reële executie kracht kan worden bijgezet (zie artikel 300).

  1224. Artikel 123 In aansluiting op - doch ruimer dan - het tweede zinsdeel van artikel 636 van het huidige BW regelt artikel 123 het zgn. ius tollendi van de bezitter: het recht om aan het goed aangebrachte veranderingen en toevoegingen terug te nemen, mits de zaak daardoor in de oude toestand wordt teruggebracht. Het recht komt mede toe aan de bezitter wiens voorganger de veranderingen en toevoegingen heeft aangebracht. (Vgl. voor andere gevallen de artikelen 208 lid 2 (vruchtgebruiker), 266 (hypotheekgever), 5:75 lid 3 (servituutgerechtigde), 5:89 lid 3 (erfpachter) en 5:102 lid 2 (opstaller); voor het huidige BW de artikelen 770 (erfpachter), 807 (vruchtgebruiker) en 1588 (huurder).

  1225. Artikel 124 geeft een aanvulling op de artikelen 120 tot en met 123 voor het geval dat de rechthebbende zijn goed niet opeist van de bezitter zelf, maar van degene die voor deze - rechtstreeks of middellijk - houdt (de detentor). De rechtsverhouding tussen bezitter en detentor kan meebrengen dat deze laatste ten opzichte van de eerste aanspraak kan maken op de vruchten; ook kan de detentor uitgaven ten behoeve van het goed hebben gemaakt. Voor deze vruchten en kosten nu verklaart het artikel de voorgaande artikelen van toepassing op deze houder. Of de houder bij deze toepassing al of niet te goeder trouw is, hangt daarvan af of hij het recht van de rechthebbende kende of behoorde te kennen. De toepassing geschiedt "met inachtneming van de rechtsverhouding" waarin hij tot de bezitter (of houder voor deze) stond: niet alle houders zijn gerechtigd tot de vruchten, op de houder rust niet de in artikel 120 lid 2, bedoelde aansprakelijkheid, enz. In het huidige recht ontbreekt een voorziening in de geest van artikel 124. 2024 -463- No. 164

  1226. Artikel 125 bevat bepalingen omtrent de zgn. zakelijke functie van het bezit (leden 1 en 2) en de politionele (lid 3). Het doel van de eerste is de bezitter als zodanig te beschermen in het behoud van zijn rechtspositie; is hem die ontnomen, dan kan hij zich daarin laten herstellen; is hij daarin gestoord, bijvoorbeeld omdat een ander aanspraak maakt op rechten die met zijn bezit onverenigbaar zijn, dan kan hij die stoornis doen opheffen. Daartoe staan hem ten dienste de ("zakelijke") rechtsvorderingen die ook de rechthebbende zelf ten dienste staan: in de eerste plaats de revindicatie als (het bezit van) het goed de bezitter is ontnomen, maar vervolgens ook bijvoorbeeld de vordering tot een declaratoir, inhoudend dat een, door een ander gepretendeerd, beperkt recht niet bestaat, alsmede nevenvorderingen als een verbod tot verdere stoornis. De vordering moet binnen de vervaltermijn van een jaar worden ingesteld; toewijzing heeft onder andere het gevolg dat een lopende verjaring geacht wordt niet te zijn onderbroken (artikelen 102 en 105 lid 2). Uit lid 2 volgt dat de bezitsactie, ook al staat het bezit vast, niet tegen iedere opgeroepene succes heeft. Tegen degene die een sterker recht heeft - hetzij het volledige, hetzij een beperkt recht -, die op grond van zulk een recht het bezit heeft ontnomen of anderszins de bezitter heeft gestoord, heeft zij geen effect, tenzij het bezit heimelijk of met geweld is ontnomen of gestoord. De "politionele functie" van het bezit uit zich in lid 3 door een verwijzing naar de gewone vordering uit onrechtmatige daad; zij beschermt de bezitter tegen elke onrechtmatige, juridische en feitelijke, inbreuk op zijn positie. Zij wordt hier ter sprake gebracht om een probleem van samenloop van vorderingen tot oplossing te brengen. Zonder de bepaling zou men immers kunnen twijfelen of de vordering van lid 1 op haar gebied die uit onrechtmatige daad verdringt - lid 3 maakt duidelijk dat dit niet het geval is. Omdat de vordering uit onrechtmatige daad niet specifiek voor de bezitter is, staat zij ook de houder ten dienste, zoals ook zonder uitdrukkelijke bepaling zou mogen worden aangenomen, evenals dat zij niet aan de vervaltermijn van een jaar is gebonden, maar haar eigen verjaringstermijn kent. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de vordering uit onrechtmatige daad - die overigens ook de eis tot een verbod omvat - gewoonlijk strekt tot schadevergoeding. De rechter kan beslissen dat deze (mede) uit herstel in bezit of houderschap zal bestaan, maar verplicht is hij daartoe niet. Het huidige BW kent in de artikelen 604 tot en met 624 een uitvoerige, maar onduidelijke regeling van de bezitsacties, die zich echter beperken tot het bezit van onroerende zaken, anders dan de nieuwe regeling die voor het bezit van alle goederen geldt. In de praktijk zijn de genoemde artikelen weinig meer dan een dode letter: vrijwel steeds wordt thans een beroep op de vordering uit onrechtmatige daad gedaan. TITEL 6 - TRUST De trust is in veel rechtsstelsels een belangrijke rechtsfiguur. Naast rechtsstelsels met een ‘common law legal system’, waaronder de meeste Caraïbbische landen, of een ‘mixed legal system’ zijn er meerdere landen met een ‘civil law legal system’ die een op de Anglo-Amerikaanse trust lijkende rechtsfiguur kennen, zoals Argentinië, Colombia, Ecuador, Mexico, Panama, Peru, Venezuela, Taiwan, Japan, Rusland, Ethiopië, Liechtenstein en Luxemburg. Belangrijk in dit verband is ook dat de financiële centra van Londen en New York op de wereldmarkt voor financiële transacties een belangrijke positie innemen. In Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels worden activiteiten waarbij beheer van een vermogen een rol speelt, vaak met behulp van een trust georganiseerd, bijvoorbeeld beleggingsfondsen, kwaliteitsrekeningen, securitisation-transacties en beheer van zekerheidsrechten ten behoeve van financiers die in collectief verband een krediet hebben verstrekt. Denkbaar is dat de behoefte bestaat dit soort in Londen en New York gebruikelijke transacties in Suriname toe te passen. De vraag naar de wenselijkheid tot invoering van de trust is actueel geworden door het in 1985 te 's- Gravenhage gesloten "Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en de erkenning van trusts" (Trb. 1985, 141), hierna te noemen het "Verdrag", welk verdrag overigens niet dwingt tot invoering van een eigen trust. Al met al lijkt de trust een nuttige aanvulling op de mogelijkheden om het beheer van goederen te regelen. Men zie D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over de invoering van de trust in het Nederlandse recht, 2004. 2024 -464- No. 164 De in het onderhavige ontwerp neergelegde regeling is ontleend aan een bij Staten van de Nederlandse Antillen aanhangig ontwerp, dat door Aertsen gunstig wordt beoordeeld. Een van de belangrijkste kenmerken van het trustvermogen is dat het is afgescheiden van het privévermogen van de trustee. Dat afgescheiden karakter heeft tot gevolg dat de aan de trustee toebehorende juridische eigendom van het trustvermogen niet in het faillissement van de trustee wordt betrokken, dat het geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap waarin de trustee mocht zijn gehuwd en evenmin van diens nalatenschap. Het is duidelijk dat het afgescheiden karakter van het trustvermogen voor de begunstigde van groot belang is, immers faillissement, huwelijk, echtscheiding of overlijden van de trustee laat de hem toebehorende economische eigendom van het trustvermogen onverlet. De begunstigde wordt derhalve niet betrokken in de strijd om de verdeling van het privévermogen van een gefailleerde, uit de echt gescheiden of overleden trustee. Onder ons recht is dat anders. In beginsel kan immers een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van de schuldenaar verhalen. Bij invoering van de trust in ons recht dient gewaakt te worden tegen misbruik van het afgescheiden karakter. De bijzondere aard van trustvermogen kan voor de trustee bijzondere plichten met zich brengen die verband houden met dit afgescheiden karakter. Voor de begunstigde is van belang dat hij zijn recht op het trustvermogen jegens derden kan doen gelden. Gezien de bijzondere aard van het trustvermogen is het, ter bescherming van de belangen van de begunstigde, gerechtvaardigd dat de in beginsel onbeperkte beschikkingsbevoegdheid van de trustee kan worden beperkt. Derden worden beschermd door de verplichting tot openbaarmaking van eventuele in de trustakte opgenomen voor derden relevante beperkingen van de beschikkingsbevoegdheid van de trustee. De trust wordt voor vele doeleinden toegepast, waaronder afzondering van vermogen voor de opvoeding, studie of het levensonderhoud. Dat kan bijvoorbeeld door een deel van het trustvermogen daartoe aan te wenden, of slechts de opbrengst daarvan. Allerlei voorwaarden kunnen worden ingebouwd, bijvoorbeeld de mogelijkheid om, ter bescherming van de begunstigde tegen zichzelf, te bepalen dat zijn recht op het vermogen of de opbrengsten daarvan uitsluitend mag worden aangewend voor het doel waarvoor het is ingesteld, bijvoorbeeld studie en dat een zodanig recht ophoudt te bestaan indien de begunstigde zijn recht gebruikt voor de aankoop van goederen welke voor de studie niet relevant zijn. Aan de trustee kan de verplichting worden opgelegd het trustvermogen - na verloop van tijd zoals het bereiken van een bepaalde leeftijd of na het in vervulling gaan van een voorwaarde, zoals het succesvol beëindigen van een studie - aan de begunstigde, aan een derde of aan de insteller over te dragen. De trust wordt voorts gebruikt voor charitatieve doeleinden, voor pensioenfondsen, beleggingspools, in het kader van rechten van gebruik in deeltijd (“timeshare”) en bij de vestiging en uitvoering van zekerheidsrechten welke in het kader van bijvoorbeeld leningen en koopovereenkomsten bedongen zijn. In de praktijk zal de trustakte cruciaal zijn voor de inhoud van de rechtsverhouding tussen trustee en begunstigde en eventuele rechten en bevoegdheden van anderen, zoals de insteller of de protector. Het onderhavige ontwerp bestaat voor een belangrijk deel uit regelend recht. Bij het redigeren is ernaar gestreefd om op zo eenvoudig mogelijke wijze, uitgaande van de toepasselijkheid van met name titel 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer de geldigheid, nietigheid en vernietigbaarheid van de trust te regelen. De trust is geen rechtspersoon, maar er is er naar gestreefd de Surinaamse trust voor "civil-law" juristen op eenvoudige wijze toegankelijk en hanteerbaar te maken door de vergelijkbare rolverdeling tussen een directeur, commissaris en aandeelhouder bij een naamloze vennootschap en de trustee, protector en begunstigde bij een trust, de vergelijkbare verplichting tot openbaarmaking van extern werkende bevoegdheidsbeperkingen van een directeur en die van een trustee, de vergelijkbare verplichting van een directeur tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de aandeelhouder en die van de trustee jegens de begunstigde en het vergelijkbare recht op de winst van de aandeelhouder en dat van de begunstigde. 2024 -465- No. 164

  1227. Artikel 127 Dit artikel is ontleend aan artikel 2 van het hierboven genoemde Trustverdrag. Ook elders in het ontwerp wordt de terminologie van het verdrag gevolgd. Zo wordt de term overdracht vermeden, hetgeen een zgn. “economische eigendomsoverdracht” niet uitsluit, waarbij aan de trustee persoonlijke rechten worden verschaft. In de memorie van toelichting zal de term overdracht gemakshalve wel worden gebruikt. In lid 4 wordt bepaald dat, afgezien van opvolging en toetreding, voor de verkrijging van het trustvermogen een overdracht (of vestiging of afstand) nodig is. Het is onwenselijk dat voor zover het gaat om lokale goederen die in een trust gebracht worden er geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. In lid 5 wordt bepaald dat de hoedanigheid van trustee er niet aan in de weg staat om een gift aan te nemen (al zou betoogd kunnen worden dat een bevoordelingsbedoeling ontbreekt). Wat betreft het Burgerlijk Wetboek, denke men hier aan artikel 1:88 lid 1 onder b BW (echtgenootbescherming), artikel 4:34a e.v. BW (inkorting door de langstlevende echtgenoot) en artikel 4:126 BW (quasi-legaten). Een echtgenoot zal dus bijvoorbeeld, wil hij zijn vermogen inbrengen in een trust de toestemming nodig hebben van zijn echtgenoot, althans als Surinaams huwelijksvermogensrecht toepasselijk is Artikel 128 Dit artikel sluit in het belang van de rechtszekerheid buitengerechtelijke vernietiging van de overdracht uit. Zie verder de artikelen 49 en 51. Artikel 129 Men vergelijke artikel 2:4 lid 3, alsmede – wat betreft de formulering – het op registergoederen betrekking hebbende artikel 31.

  1228. Artikel 130 In Anglo-Amerikaanse jurisdicties kunnen trusts ontstaan door een overeenkomst, een eenzijdige "declaration of trust", door een door het recht veronderstelde partijbedoeling, zoals de "resulting trust" of de "implied trust" en zelfs van rechtswege op basis van bepaalde feiten, zoals de "constructive trust". In verband met de rechtszekerheid wordt in de onderhavige titel 3.6 de eis gesteld dat van de instelling uitdrukkelijk moet blijken uit een daartoe strekkende notariële akte. Onder ons recht is de notariële akte een vereiste voor belangrijke rechtshandelingen zoals overdracht en verhypothekering van onroerend goed, de oprichting van rechtspersonen, het aangaan van huwelijksvoorwaarden en het maken van testamenten. De tot nu toe onbekende trust dient met de grootst mogelijke juridische voorzichtigheid te worden ingesteld. Lid 2 komt overeen met artikel 2:2. Wat betreft de minimale inhoud van de trustakte (derde lid) vergelijke men ook artikel 127. Van belang is te vermelden dat de in die akte op te nemen verplichte inhoud deel kan uitmaken van een overeenkomst tussen de insteller en de trustee, maar nodig is dat niet. De verplichte inhoud kan bestaan uit een in een authentieke akte opgenomen eenzijdige verklaring door de trustee. De overdracht van het trustvermogen hoeft niet bij de trustakte te geschieden. Het trustvermogen kan, vooruitlopende op de trustakte, reeds aan de toekomstige trustee in trust zijn geleverd, zowel door een derde als door hem zelf. Aangezien er altijd ten minste één Surinaamse trustee moet zijn, moet de trustakte bepalen hoe eventueel in een zodanige vacature moet worden voorzien. Lid 4 hangt samen met de onderdelen b en c van lid 3. De Centrale Bank kan ontheffing verlenen teneinde uit een impasse te komen. Ten aanzien van het doel van de trust, wordt slechts bepaald dat deze niet in strijd met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of openbare orde mag zijn. Een trust kan voor zeer veel doeleinden worden gebruikt. Men denke bijvoorbeeld aan vermogens- en verervingsplanning van particulieren, ondernemingen, pensioenfondsen, beleggingsfondsen, timeshare-projecten, financierings- en zekerheidsconstructies, stemrechtregelingen, behartiging van culturele, wetenschappelijke en liefdadige doelen. Het uitoefenen van een onderneming is in dit artikel niet uitgesloten. 2024 -466- No. 164 Indien de trust ongeldig is, kan deze worden ontbonden door de kantonrechter (artikel 159, onderdeel e), behoudens heelmaking (artikel 131). Artikel 131 Dit artikel biedt de mogelijkheid van heel making van de ongeldigheid van een trust; men zie ook artikel 159 lid 1 onderdeel e. Artikel 132 Dit is een artikel van regelend recht. Als beginsel geldt dat een trust noch herroepen noch gewijzigd kan worden. In de trustakte kan hiervan echter worden afgeweken.

  1229. Artikel 133 Ondanks het ontbreken van daartoe strekkende bepalingen in de trustakte is het wenselijk de mogelijkheid te openen de trustbepalingen door de rechter te doen wijzigen indien ten gevolge van door de insteller niet voorziene omstandigheden, aan diens bedoeling in ernstige, onaanvaardbare mate afbreuk wordt gedaan. De rechter dient bij de toepassing van dit artikel grote terughoudendheid te betrachten. Indien de rechter van de noodzaak of wenselijkheid overtuigd is, is de toestemming of medewerking van de insteller overbodig. lid 2 verzekert dat inschrijving in het trustregister plaatsvindt.

  1230. Artikel 134 De insteller kan trustee zijn. Een trustee kan een zaak mede voor zichzelf in trust houden. De trust houdt echter op te bestaan indien de enige trustee tevens enig begunstigde is. Het als trustee in eigendom houden van een zaak ten behoeve van zichzelf als enig begunstigde is zinloos. Het zijn van trustee en van (toezichthoudende) protector is onverenigbaar.

  1231. Artikel 134a Ter voorkoming van misbruik en ter waarborging van de kwaliteit van de dienstverlening door trustees van een Surinaamse trust is het fungeren van een trustee gekoppeld aan een vergunning. De Centrale Bank van Suriname is bevoegd om aan het fungeren als trustee nadere door haar te bepalen kwaliteitseisen te stellen. Ook kunnen voor bepaalde activiteiten speciale eisen worden gesteld. Te denken valt in dit verband aan eisen voor pensioenfondsen en investmenttrusts die unit trusts uitgeven aan beleggers.

  1232. Artikel 135 In lid 1 wordt in algemene zin de taak van de trustee omschreven. Elementen van deze algemene omschrijving zijn de vertrouwensfunctie van trustee, de aard van het vermogen en het belang van de begunstigde. In het Anglo-Amerikaans recht wordt veelal gesproken over de "fiduciary duty" van de trustee jegens de begunstigde. Verwacht mag worden dat als regel de trustakte hiervan een nadere uitwerking zal behelzen. Lid 2 komt overeen met artikel 209 inzake vruchtgebruik.

  1233. Artikel 136 Dit artikel bevat regels voor de duidelijkheid naar buiten, onder erkenning van de beperkingen als vermeld in artikel 12 van het Verdrag. De hoedanigheid van trustee impliceert niet een gerechtigdheid ten eigen bate, doch ten bate van een of meer anderen. Door zich te manifesteren als trustee wordt de wederpartij gewezen op het bijzondere karakter van trustees gerechtigdheid en op de mogelijkheid van beperkingen ten aanzien van zijn beschikkingsbevoegdheid. In lid 1 is in het algemeen de bevoegdheid tot inschrijving gegeven; de leden 2 en 3 leggen de trustee een verplichting op. Het ontwerp kiest in beginsel voor optimale transparantie – op zich gaat daarvan een preventieve werking uit en bovendien kan wellicht een derde die weet van het trustverband en van schending door de trustee van zijn verplichtingen daarop worden aangesproken - maar in de trustakte kan worden bepaald dat het trustverband niet naar buiten hoeft te blijken. Schending door de trustee van zijn verplichtingen levert dan uitsluitend een interne “breach of trust” op; zie onder meer artikel 144. 2024 -467- No. 164

  1234. Artikel 137 Blijkens artikel 155 lid 1, vormt het trustvermogen een van het eigen vermogen van de trustee afgezonderd vermogen. Een trustee heeft derhalve twee soorten vermogen, zijn eigen vermogen en het trustvermogen. Het verschil tussen deze twee soorten vermogens ligt in de strekking van die vermogens: het eigen vermogen strekt tot eigen voordeel en nut van de trustee; het trustvermogen echter strekt tot voordeel en nut van de begunstigde. Lid 1 van het onderhavige artikel 137 verplicht de trustee tot het afgescheiden houden van deze soorten vermogens. Teneinde vermenging te voorkomen is in lid 3 ook de verplichting opgenomen tot het voeren van afzonderlijke administraties. De verplichting om die administratie binnen Suriname te voeren is niet alleen opgenomen ter bevordering van de werkgelegenheid, maar ook om ondermijning van het vergunningsstelsel te voorkomen in die zin dat voorkomen dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor het correct voeren van de administratie aan buitenlandse trustees wordt overgelaten waarop de toezichthouder minder invloed heeft. De bedoeling van deze bepaling is niet om te verbieden dat ook elders, bijvoorbeeld ter plaatse waar diverse delen van het trustvermogen zich bevinden, administratie wordt gevoerd, maar om te bewerkstelligen dat binnen Suriname de eind-administratie wordt gevoerd, waaruit te allen tijde de samenstelling en de inkomsten van elk trustvermogen dient te blijken. Een uitzondering op de verplichting tot het binnen Suriname voeren van een afzonderlijke administratie, is gemaakt ten behoeve van investmenttrusts. De administratie van deze trusts wordt doorgaans in het buitenland gevoerd. Lid 3 is een regel van regelend recht inzake de vraag of, wanneer en aan wie de trustee rekening en verantwoording moet afleggen. Indien rekening en verantwoording wordt afgelegd is de trustee verplicht transacties te vermelden welke met betrekking tot het trustvermogen mochten hebben plaatsgevonden met een trustee of protector als een eigen belanghebbende wederpartij.

  1235. Artikel 137a Deze bepaling maakt het voor de justitiële en fiscale autoriteiten gemakkelijker inlichtingen te verkrijgen. De Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) pleegt dit soort bepalingen te verlangen van aangesloten landen. Vergelijk artikel 7:836b wat betreft de commanditaire vennootschap. Een strafsanctie is opgenomen in artikel 511 Wetboek van Strafrecht (nieuw).

  1236. Artikel 138 Dit artikel bevat een regel van regelend recht ter bescherming van het trustvermogen. Zijn er meer dan een trustee, dan wordt aangesloten bij hetgeen in de artikelen 166 is geregeld voor de gemeenschap. Ook dogmatisch is het een juist uitgangspunt dat de gezamenlijke trustees, als medegerechtigden, in beginsel slechts tezamen bevoegd zijn; men zie artikel 170, tweede en derde lid.

  1237. Artikel 139 Lid 1, van regelend recht (zie lid 4), geeft aan de trustee uitgebreide bevoegdheden tot handelen. Men vergelijke de in het Anglo-Amerikaans recht bekende "discretionary trust", waarmee een trust bedoeld wordt, waarbij de trustee naar eigen inzicht kan bepalen of en in hoeverre hij het trustinkomen zal uitkeren of accumuleren. Het in onderdeel a bepaalde maakt het mogelijk dat de trust gebruikt wordt als investmenttrust. De belegger is dan een insteller en begunstigde tegelijk. Ten aanzien van het in onderdeel b bepaalde wordt ten deze verwezen naar artikel 154 lid 1. Het onder c en d bepaalde is bedoeld om "spendthrift clauses" mogelijk te maken. Op basis van deze bepaling kan de insteller voorkomen dat de begunstigde zijn rechten en aanspraken op toekomstige uitkeringen van inkomen of op het trustvermogen zelf kan overdragen of dat crediteuren van de begunstigde daar aanspraak op maken. Vanzelfsprekend kan de begunstigde over reeds ontvangen uitkeringen vrijelijk beschikken en zijn de reeds ontvangen uitkeringen voor beslag vatbaar. Onderdeel e is bedoeld om een wettelijke basis te geven voor het voldoen aan niet bindende verzoeken, al dan niet in de vorm van in de trustpraktijk gehanteerde "letters of wishes". In de aanhef van lid 1 is tot uitdrukking gebracht dat de opsomming niet limitatief is. 2024 -468- No. 164 Lid 2 maakt het mogelijk om volmacht te geven voor het aangaan of uitvoeren van transacties met een beperkte strekking en duur. Een gevolmachtigde mag een zekere mate van discretionaire bevoegdheid hebben, maar de trustee moet in grote lijnen aangeven waarbinnen en binnen welke tijd de gevolmachtigde kan handelen. Deze beperkingen zijn bedoeld om te voorkomen dat de trustee zijn bevoegdheden aan anderen overlaat of overdraagt. Voorkomen dient te worden dat de trustee de aan hem toekomende bevoegdheden middels een volmacht aan een derde delegeert. Toegestaan is volmacht te geven aan een medetrustee, de protector of een derde, zolang die volmacht maar gericht is op de uitvoering van een door de betreffende trustee genomen basisbeslissing. Een algehele volmacht of een volmacht voor onbepaalde tijd is niet toelaatbaar. Wel daarentegen, een volmacht binnen het kader van een door de betreffende trustee gegeven opdracht of instructie. Deze bepaling staat onder meer het aangaan van overeenkomsten betreffende het beheer, de belegging en herbelegging van het trustvermogen of het voeren van administratie aan personen of instellingen die zich daar beroepsmatig mee bezig houden, niet in de weg. De functie van trustee is een vertrouwensfunctie en belangenconflicten tussen de trustee en de begunstigden dienen te worden voorkomen en daar waar deze niettemin kunnen ontstaan, op een strikte manier te worden opgelost. Lid 3 geeft ter zake een regel van regelend recht. Een soortgelijke regel voor de protector is opgenomen in artikel 150 lid 5. Lid 4 spreekt voor zich.

  1238. Artikel 140 Lid 1 maakt het mogelijk de bevoegdheden van de in beginsel volledig beschikkingsbevoegde trustee te beperken, bijvoorbeeld door een voorafgaande toestemming van een ander te eisen; vgl. artikel 5:91 ten aanzien van erfpacht. Deze beperking van de beschikkingsbevoegdheden van de trustee is gerechtvaardigd omdat het trustvermogen niet aan de trustee is gegeven om te strekken tot voordeel of nut van de trustee, doch tot voordeel of nut van de begunstigde. Ter bescherming van het trustvermogen en in het belang van de begunstigde is het van belang dat eventuele beperkingen ook goederenrechtelijk gelden jegens verkrijgers die de beschikkingsonbevoegdheid kennen of, mede in verband met het bestaan van het trustregister, geacht worden deze te kennen (volgende leden). Lid 3 geeft een regeling langs de lijnen van artikel 45, leden 3 en 5. Voor het slot van lid 4 vergelijke men artikel 61 lid 3. Artikel 141 Wat betreft dit artikel, zij verwezen naar het slotgedeelte van de aanhef van artikel 11 lid 2 van het Verdrag.

  1239. Artikel 142 Het beginsel, dat de beloning dient te worden voldaan uit het inkomen, is ingegeven ter bescherming van het trustvermogen. Voor het theoretische geval dat de beloning niet in de trustakte zou zijn vermeld, is een minimum opgenomen. Dit artikel is een regel van regelend recht. In de trustakte mag bepaald worden dat de beloning afhankelijk is van de waarde van het vermogen, al dan niet in combinatie met het inkomen.

  1240. Artikel 143 De in lid 1 beoogde bescherming van het trustvermogen – en indirect de begunstigde - zal in de praktijk worden verminderd door gangbare clausules die de aansprakelijkheid van de trustee beperken. De ondergetekende is echter van mening dat voor de begunstigde de beste bescherming wordt bereikt door middel van het in artikel 134a bepaalde. In beginsel zijn alle in functie zijnde trustees hoofdelijk aansprakelijk. Lid 2 houdt een disculpatieregeling in, welke geen nadere toelichting behoeft. Ook lid 3 behoeft geen verdere toelichting. De in lid 4 neergelegde wettelijke beperking van de aansprakelijkheid voor het als trustee handelen is een logisch gevolg van het afgescheiden karakter van het trustvermogen. Op basis van het afgescheiden vermogen hebben de privé-crediteuren van een trustee geen verhaal op het trustvermogen. Omgekeerd kunnen crediteuren van de trustee als zodanig, aan wie kenbaar was gemaakt dat zij met een trustee handelden, zich niet verhalen op het privévermogen van de trustee. 2024 -469- No. 164

  1241. Artikel 144 Het neerleggen van de functie van trustee is een aangelegenheid van regelend recht, maar ingeval in de trustakte geen regeling is opgenomen, kan de trustee slechts aftreden ingeval aanblijven in redelijkheid niet geëist mag worden. De leden 2 tot en met 5 behoeven geen toelichting. Wat betreft lid 5, waardoor gerechtelijke procedures worden vermeden, vergelijke men ook artikel 152 lid 3. In de trustakte moet een voorziening zijn opgenomen voor het geval dat geen binnenlandse trustee meer in functie is; men zie artikel 130 lid 2 onderdeel c.

  1242. Artikel 145 Iedere opvolgende trustee wordt van rechtswege rechthebbende van het trustvermogen, als een rechtsopvolger onder algemene titel, derhalve met alle rechten en verplichtingen die de defungerende trustee ten aanzien van dat trustvermogen mocht hebben. Door die rechtsovergang van rechtswege is een overdracht niet nodig, onverminderd de voor de praktische uitvoering gegeven regelingen in artikel 146. Lid 2 legt aan de opvolgende trustee de verplichting op tot openbaarmaking van de nieuwe rechtstoestand. Een nieuwbenoemde trustee dient zelf zorg te dragen voor de openbaarmaking in het trustregister van de op hem betrekking hebbende gegevens, voor zover zulks niet aan de notaris is opgedragen, aldus lid 3. Artikel 146 Lid 2 is ontleend aan artikel 7:9 lid 1.

  1243. Artikel 147 Lid 1 geeft het facultatieve karakter van de functie van protector aan. Indien de trustakte voorziet in de mogelijkheid van de benoeming van een protector dient de trustakte tevens een bepaling in te houden wie bevoegd is de protector te benoemen, aldus lid 2. Niet uitgesloten is de mogelijkheid dat meerdere personen bevoegd zijn tot benoeming van een of meer protectors, met bevoegdheden welke van elkaar kunnen verschillen. In het licht van de in artikel 149 lid 1, omschreven wettelijke verplichting tot het houden van toezicht, is de incompatibiliteit van de functies van trustee en protector vanzelfsprekend. In dit verband wordt ter vergelijking verwezen naar de onafhankelijkheid van een commissaris bij het uitoefenen van zijn toezichthoudende functie bij een naamloze vennootschap.

  1244. Artikel 148 Wat betreft lid 2, zij verwezen naar het hiervoor met betrekking tot artikel 147 lid 3 werd opgemerkt. Vanzelfsprekend is de incompatibiliteit van de functies van protector en enig begunstigde. Toezicht houden alleen ten behoeve van zichzelf is zinloos. Zie in dit verband ook artikel 134 lid 4.

  1245. Artikel 149 Indien een protector is benoemd, is het houden van toezicht zijn wettelijke taak. Andere taken zijn facultatief. Deze andere taken mogen niet zodanig zijn dat de protector de facto als trustee fungeert. De protector heeft, evenals de trustee, jegens de begunstigde een "fiduciary duty". Lid 1, in verbinding met artikel 151 lid 1, verplicht de protector tot actief toezicht en zo nodig tot uitoefening van zijn bevoegdheid tot schorsing van de trustee. Artikelen 150 tot en met 152 Men vergelijke de overeenkomstige bepalingen ten aanzien van de trustee. Artikel 150 lid 4, strekt tot effectuering van de toezichthoudende taak van de protector. In artikel 150 lid 5, dient de rechterlijke machtiging niet door de protector, maar door een trustee te worden verzocht. De rechtshandeling dient immers door de trustee of de trustees te worden verricht. 2024 -470- No. 164

  1246. Artikel 153 Blijkens lid 1 kunnen ook personen die nog niet verwekt zijn begunstigde zijn. Indien de overdracht in trust ten behoeve of mede ten behoeve van de insteller tot gevolg heeft dat schuldeisers zijn benadeeld, kan daartegen op grond van de artikelen 45 tot en met 48 (de actio Pauliana) worden opgetreden. Lid 3 is ontleend aan artikel 6:253 lid 4.

  1247. Artikel 154 Lid 1, zijnde van regelend recht, maakt het recht van de begunstigde op het inkomen van het trustvermogen, afhankelijk van hetgeen in de trustakte is bepaald of van de eveneens door regelend recht bepaalde bevoegdheid van de trustee tot accumulatie, zoals vermeld in artikel 139 lid 1, onderdeel b. Het uitgangspunt van lid 2 is dat de begunstigde over het hem toekomende recht kan beschikken. Ten aanzien van de wijze waarop kan worden beschikt gelden de algemene regels van vermogensrecht. Lid 3 is een afwijking van lid 2 en veronderstelt de wens van een insteller dat de toegekende rechten uitsluitend gebruikt kunnen worden voor het doel waarvoor deze zijn toegekend, niet voor betaling van schulden of voor aankopen die voor levensonderhoud of studie niet nodig zijn. Voorts wordt ten deze verwezen naar het bepaalde in artikel 139 lid 1 onderdelen c en d. Lid 4 geeft de mogelijkheid de afgelegde rekening en verantwoording te controleren.

  1248. Artikel 155 Bij de behandeling van artikel 136 werd reeds verwezen naar lid 1 van het onderhavige artikel, bepalende dat het trustvermogen een afgescheiden vermogen is. Deze voor de trust essentiële bepaling is een afwijking van artikel 276, waarin wordt bepaald dat in beginsel ieder met zijn gehele vermogen dient in te staan voor zijn schulden. De rechtvaardiging van deze afwijking door erkenning van het afgescheiden karakter van het trustvermogen, is gelegen in het feit dat de insteller het trustvermogen aan de trustee heeft overgedragen onder de verplichting dit trustvermogen aan te wenden ten behoeve van anderen dan de trustee zelf. Dat trustvermogen strekt niet tot voordeel of nut van de trustee. De trustee heeft zelf geen baat bij zijn trustvermogen. De trustee is eigenaar zonder eigen belang, met plichten jegens de begunstigde en derhalve is het gerechtvaardigd dat de schuldeisers, de echtgenoot en de erfgenamen van de trustee evenmin aanspraken op dat vermogen kunnen doen gelden. De formulering van deze bepaling is grotendeels ontleend aan artikel 11 van het Verdrag.

  1249. Artikel 156 Lid 1 regelt het recht van afscheiding en van het doen afstaan van de goederen jegens de trustee ongeacht de aard van het trustvermogen en ongeacht of de vermenging opzettelijk of door nalatigheid is ontstaan. Lid 2 betreft de goederenrechtelijke vordering betreffende hetgeen door de trustee in strijd met zijn openbaar gemaakte bevoegdheden of zijn verplichtingen zijn vervreemd. In beginsel zijn alle goederen terug vorderbaar; degene die bewust met de trustee handelt dient diens bevoegdheid te verifiëren in het trustregister. Wel geldt de uit artikel 140 en uit het algemene vermogensrecht voortvloeiende bescherming van verkrijgers die de beschikkingsonbevoegdheid niet kennen of geacht worden deze te kennen. Voorts is denkbaar dat de trustee in beginsel wel beschikkingsbevoegd is, maar dat voor de wederpartij kenbaar is dat de trustee door onder de gegeven omstandigheden te beschikken “in breach of trust” is. Men vergelijke artikel 11 lid 3 onderdeel d, van het Verdrag.

  1250. Artikel 157 Lid 1, zijnde van regelend recht, gaat uit van de wenselijkheid het trustvermogen zoveel mogelijk in stand te houden. In artikel 143 is dezelfde gedachte neergelegd. Het begrip inkomen kan per trust en per begunstigde verschillend zijn. Denkbaar is dat een begunstigde gerechtigd is de huuropbrengsten te ontvangen uit de aan de trust onderworpen onroerende zaken, terwijl aan een andere begunstigde de renten van banksaldi toekomen. In de trustakte kunnen derhalve diverse inkomensbegrippen worden gehanteerd. Als regel van regelend recht wordt in lid 2 verwezen naar het inkomensbegrip als bedoeld in de Inkomstenbelasting 1922. 2024 -471- No. 164

  1251. Artikel 159 In vele Anglo-Amerikaanse jurisdicties is het traditie dat de trust niet voor onbepaalde tijd worden aangegaan. Gezien de in dit artikel genoemde gevallen waarin de trust eindigt, is er echter geen goede reden om te verbieden dat een Surinaamse trust voor onbepaalde tijd wordt ingesteld. Ook stichtingen en naamloze vennootschappen plegen doorgaans voor onbepaalde tijd te worden opgericht. Onderdeel d treedt niet in werking indien, door een voorziening in de trustakte of anderszins, gelijktijdig een nieuwe (in Suriname wonende of gevestigde) trustee optreedt. Wat betreft onderdeel e, lette men wel op de helingsmogelijkheid vervat in artikel 131. Artikel 160 Dit artikel van regelend recht bepaalt wat er na het einde van de trust met het trustvermogen dient te gebeuren en aan wie rekening en verantwoording moet worden afgelegd.

  1252. Artikel 161 De verplichting tot inschrijving van de trust is opgedragen aan de notaris te wiens overstaan de trustakte is verleden. Publicatie van de trust is een voor instellers en begunstigden gevoelige zaak, maar de rechtsorde eist openbaarheid waar zulks ter bescherming van derden nodig is. Ten aanzien van de verplicht openbaar te maken gegevens is aansluiting is gezocht bij de voor commanditaire vennootschappen geldende verplichting tot beperkte openbaarmaking. Bij de commanditaire vennootschap behoeven noch de namen van de commanditaire vennoten noch de overeenkomst waarbij die vennootschap wordt aangegaan, openbaar te worden gemaakt. Bij de trust behoeven uitsluitend de in lid 2, onderdeel c, bedoelde gegevens openbaar gemaakt te worden. De trustakte, de naam van de insteller, de naam van de begunstigde en het trustvermogen behoeven dat niet. De in lid 2, onderdeel c, bedoelde gegevens zijn vergelijkbaar met die welke in het vennootschapsrecht openbaar dienen te worden gemaakt, voor rechtshandelingen waarvoor het bestuur van een naamloze vennootschap toestemming nodig heeft van de algemene vergadering of van de raad van commissarissen. De in het vennootschapsrecht voor die gegevens geldende externe werking van de bevoegdheidsbeperkingen van directeuren zal, blijkens artikel 156 lid 2 ook ten aanzien van trustees gelden. TITEL 3.7 - GEMEENSCHAP Algemeen Onder "gemeenschap" verstaat het ontwerp de rechtsverhouding die ontstaat wanneer twee of meer personen - de "deelgenoten" genoemd - op een of meer goederen gezamenlijk recht hebben, zodanig dat zij daarin elk een aandeel hebben. Het tegenwoordige wetboek bevat geen algemene regeling omtrent de rechtsfiguur der gemeenschap. Zodoende ontbreken wettelijke regels omtrent onder andere het beheer van en de beschikking over de goederen der gemeenschap en de aandelen daarin; in de jurisprudentie hebben zich hieromtrent verschillende regels gevormd, die nu aan de wettelijke regels van het ontwerp ten grondslag liggen. Voor de regels van de verdeling van "mede-eigendom" verwijst artikel 628 BW thans naar de regeling van de scheiding en verdeling van nalatenschappen, zoals ook de artikelen 176 lid 2 en 1664 BW doen voor respectievelijk de ontbonden huwelijksgemeenschap en de ontbonden maatschap. Niet alle gemeenschappen kan men echter over één kam scheren. In de literatuur heeft het besef daarvan geleid tot onderscheiding tussen vrije en gebonden gemeenschappen. Zowel de grens tussen beide categorieën als de consequentie ervan in de rechtsgevolgen is echter betwist. Met het verschil houdt het ontwerp rekening, zonder daarvoor de genoemde term te bezigen. Het onderscheidt een drietal categorieën, en wel aldus dat afdeling 3.7.1 de algemene regeling voor in beginsel alle gemeenschappen bevat. Zonder meer is zij van toepassing op de zgn. eenvoudige gemeenschappen - in de regel bestaat hier tussen de deelgenoten geen an- dere rechtsband dan dat zij allen een aandeel in het gemeenschappelijk goed hebben. 2024 -472- No. 164 Daarna noemt in afdeling 3.7.2 artikel 189 een tweetal categorieën, waarop die algemene regeling óf in het geheel niet (lid 1) óf slechts met de afwijkingen, voorzien in afdeling 3.7.2 (lid 2) van toepassing is. Aldus geldt titel 3.7 in het geheel niet voor de (niet ontbonden) huwelijksgemeenschap, maat- en vennootschap en rederij, noch op de ge- meenschap van een in appartementen gesplitst gebouw. Voor al deze gemeenschappen geldt immers een eigen wettelijke regeling. Zodra echter deze gemeenschappen zijn ontbonden, respectievelijk de splitsing van het gebouw is opgeheven, wordt titel 3.7 van toepassing, echter, evenals met betrekking tot de nalatenschap, onder de bijzondere bepalingen van afdeling 3.7.2, inzake bijvoorbeeld de beschikking over en de uitwinning van de aandelen der deelgenoten in de afzonderlijke goederen (artikel 189 lid 2). Ook overigens houdt het ontwerp rekening met de mogelijkheid dat afwijking van de algemene regeling wenselijk is wegens de bijzondere aard van een bepaalde gemeenschap - zie bijvoorbeeld artikel 178 lid 1. De nieuwe, en in verschillende opzichten eenvoudiger, regeling van de verdeling der gemeenschap volgens het ontwerp, die zal worden aangevuld met een aantal procesrechtelijke bepalingen (titel 2 van Boek 3, in het bijzonder de nieuwe artikelen 677 e.v., Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), zal bij invoering de regeling van de boedelscheiding (verdeling van nalatenschappen) deels verdringen. Een bijzondere vorm van gemeenschap is nog de mandeligheid; de bijzonderheden daarvan zullen in titel 5.5 hun regeling vinden. Ook voor de gemeenschap van een vorderingsrecht - bijvoorbeeld een gemeenschappelijke bank - of girorekening - zullen enige bijzondere bepalingen worden gesteld, en wel in Boek 6 (zie afdeling 6.1.3). De gemeenschap, zoals die in titel 3.7 wordt geregeld, houdt alleen goederen, activa, in. Dat neemt niet weg dat ook schulden voor rekening van de gemeenschap kunnen komen. Met zulke passiva wordt op verschillende plaatsen rekening gehouden; men zie de artikelen 172, 174, 179 en 192, en ook, bij de regeling van het vruchtgebruik over een vermogen, artikel 222 van het ontwerp. Voorts zal in afdeling 6.1.2 een regeling omtrent pluraliteit van schuldenaren voorkomen. Afdeling 3.7.1 - Algemene bepalingen Systematisch vallen in de afdeling de volgende groepen van artikelen te onderscheiden: artikelen 166 en 167: algemene bepalingen; artikelen 168 tot en met 174: bevoegdheden van de deelgenoten ten aanzien van het goed; artikelen 175 tot en met 177: bevoegdheden van de deelgenoten ten aanzien van hun aandeel; artikelen 178 tot en met 188: verdeling der gemeenschap en haar gevolgen.

  1253. Artikel 166 Met de term "gemeenschap" wordt in het ontwerp aangeduid hetgeen thans veelal "mede-eigendom" wordt genoemd. Deze laatste term is voor het nieuwe recht niet meer geschikt, daar voortaan eigendom alleen voor het recht op ("lichamelijke") zaken zal worden gebruikt, en niet langer ook voor dat op andere goederen - "rechten" in de nieuwe terminologie, "onlichamelijke zaken" in het huidige recht; zie de toelichting bij afdeling 3.1.1. De term "gemeenschap" wordt thans reeds gebezigd in het huwelijksvermogensrecht. Gemeenschap is er alleen, als de rechten der deelgenoten van gelijke aard zijn. In de term "gezamenlijk" is dit in de tekst van het artikel verwoord; die gezamenlijkheid ontbreekt tussen bijvoorbeeld eigenaar van en beperkt gerechtigde op dezelfde zaak. Gemeenschap kan bestaan zowel van één bepaald goed, als van een groep bijeenbehorende goederen. In het laatstbedoelde geval zullen die goederen gewoonlijk ook bij de verdeling als één geheel worden behandeld. Lid 2 stelt als regel dat de aandelen der deelgenoten gelijk zijn. Afwijking is mogelijk, en kan dan voortvloeien uit de wet (in het bijzonder uit het erfrecht bij versterf, bijvoorbeeld wanneer zich bij een der erfdelen plaatsvervulling voordoet) of uit overeenkomst of andere rechtshandeling (bijvoorbeeld uiterste wil). Dat, overeenkomstig lid 3, de deelgenoten in een gemeenschap verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid - ook waar hun verhouding niet contractueel van aard is - sluit aan bij het huidige recht: zie onder andere HR 20-12-1946, NJ 1947, 59, en HR 9-5-1980, NJ 1981, 283 voor de deelgenoten in een ervengemeenschap, en HR 9-5-1952, NJ 1953, 563, en HR 27-11-1981, NJ 1982, 503, voor de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voor een voorbeeld van de "derogerende werking" van de redelijkheid en billijkheid zij verwezen naar het krasse geval van HR 7-12-1990, NJ 1991, 593. 2024 -473- No. 164

  1254. Artikel 167 formuleert de regel van zaaksvervanging: hetgeen voor een tot een gemeenschap behorend goed in de plaats komt, valt in die gemeenschap. Gewoonlijk zal zich dit voordoen wanneer het goed wordt verkocht of geruild, maar in geval van beschadiging zal ook de vordering op de aansprakelijke persoon en op de verzekeraar door zaaksvervanging tot de gemeenschap gaan behoren. De - natuurlijke of burgerlijke - vruchten van een gemeenschappelijk goed vallen niet krachtens deze bepaling in de gemeenschap waartoe het goed behoort, al kunnen zij wel op zichzelf een gemeenschap doen ontstaan. In beginsel hebben de deelgenoten gelijke rechten tot gebruik en genot van hun gemeenschappelijke goederen en zijn zij ook gelijkelijk tot het beheer daarvan bevoegd. Zonder een onderlinge regeling van deze rechten en bevoegdheden zullen echter gemakkelijk conflicten kunnen ontstaan. Artikel 168 voorziet in de moge- lijkheden en rechtsgevolgen van zulk een regeling. Lid 1 stelt voorop de regeling bij overeenkomst van de deelgenoten, dat wil zeggen allen gezamenlijk, zelf. De tekst onderscheidt genot, gebruik en beheer. Genot en gebruik behoeven niet samen te vallen: zo kan aan een der deelgenoten het gebruik worden toegekend tegen vergoeding aan de andere deelgenoten, aan wie op deze wijze hun aandeel in het genot toekomt. Zie over een recht op vergoeding van de andere deelgenoten wegens gebruik door een deelgenoot HR 22-12-2001, NJ 2001, 59. Het beheer omvat de handelingen die vereist zijn tot de normale exploitatie, het onderhoud en het behoud van het goed. Daartoe kunnen, in het bijzonder wanneer het om een bedrijf gaat, beschikkingshandelingen over de bedrijfsgoederen behoren, zij het niet bijvoorbeeld de vervreemding van het bedrijf als zodanig. Lid 2 voegt toe dat de kantonrechter niet alleen de overeengekomen regeling kan aanvullen, maar ook zelfstandig een regeling, waar die geheel ontbreekt, kan vaststellen. Het verzoek tot zulk een ingrijpen moet uitgaan van (een of meer van) de deelgenoten. Bij de tweede zin van het lid vergelijke men artikel 12. Onderbewindstelling (lid 2, eerste zin, slot), waarbij het beheer aan een derde wordt opgedragen, kan een oplossing bieden die aantrekkelijker is dan beheer door de deelgenoten zelf. Lid 3 kent de rechter, eveneens op verzoek van de meest gerede partij onder de deelgenoten, de bevoegdheid toe de regeling te wijzigen of zelfs opzij te zetten, ook als deze bij overeenkomst is vastgesteld, en wel wegens onvoorziene omstandigheden, dat wil zeggen zich voordoende omstandigheden waarin de regeling niet of onvoldoende voorziet. Daarbij is niet vereist dat toepassing van de regeling zoals die luidt, tot een, uit een oogpunt van billijkheid, onaanvaardbare toestand zou leiden. Lid 4 kent aan de regeling, ook wanneer die bij overeenkomst is vastgesteld, een belangrijk rechtsgevolg toe: zij verbindt mede de rechtverkrijgenden - hetzij onder algemene, hetzij onder bijzondere titel - van de deelgenoten, zelfs indien zij haar niet zouden kennen. Ook degene die een beperkt recht op het goed of op een aandeel daarin verwerft, geldt als zulk een rechtverkrijgende. In hoeverre de regeling naar buiten werkt, hangt af van de regels der vertegenwoordiging (zie onder andere de artikelen 66 en 70 j artikel 78), alsmede van de algemene regels ter bescherming wegens onbevoegdheid van een vervreemder. Betreft de regeling (mede) een registergoed, dan kan zij in de openbare registers worden ingeschreven (artikel 17, onderdeel d), met de gevolgen die de artikelen 23 tot en met 26 daaraan verbinden.

  1255. Artikel 169 Niet alle goederen, alleen zaken, lenen zich tot gebruik. In beginsel komt dit recht alle deelgenoten gelijkelijk toe, doch zij moeten volgens de regels der redelijkheid en billijkheid uiteraard de gebruiksrechten der mede- deelgenoten respecteren. Dit zal dikwijls leiden tot een regeling als bedoeld in artikel 168. Krachtens overeenkomst - huur, bruikleen - of zakelijk recht - vruchtgebruik, erfpacht, opstal - kan het gebruik aan een ander dan een deelgenoot of aan slechts een der deelgenoten toekomen. Het gemeenschappelijk worden van de zaak maakt daaraan geen einde, ook niet als de gebruiker een der deelgenoten is. 2024 -474- No. 164

  1256. Artikel 170 regelt de bevoegdheden der deelgenoten ten aanzien van handelingen van beheer en beschikking (voor zover deze laatste handelingen niet als beheers handelingen worden verricht - zie hieromtrent de toelichting op artikel 168). Uitgangspunt is dat de deelgenoten gezamenlijk hiertoe bevoegd zijn: zie lid 2 als hoofdregel. De leden 1 en 2 maken daarop uitzonderingen. In lid 1 geschiedt dat met betrekking tot handelingen tot onderhoud en behoud van het goed, alsmede in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden: daartoe is "zo nodig" elk der deelgenoten zelfstandig bevoegd - de term "zo nodig" geeft aan dat het ingrijpen zo dringend moet zijn vereist dat op gezamenlijk optreden of optreden door de krachtens regeling bevoegde beheerder niet kan worden gewacht. Die urgentie is niet vereist bij de handeling die in de tweede zin van lid 1 als behorend tot de bevoegdheid van elk der deelgenoten wordt aangewezen: het stuiten van een verjaring ten behoeve van de gemeenschap. Met zodanige stuiting van de verjaring wordt niet een ingebrekestelling gelijkgesteld: elk der deelgenoten is daartoe slechts bevoegd binnen de grenzen, door de eerste zin gesteld. Lid 1 bevat dwingend recht: bij een regeling overeenkomstig artikel 168 kan de door lid 1 toegekende bevoegdheid niet worden beperkt of ontzegd. Lid 2 behelst naast de hoofdregel nog een tweede mogelijkheid tot afwijking daarvan, namelijk een regeling overeenkomstig artikel 168, die het beheer - behoudens voor de gevallen van artikel 170 lid 1 - opdraagt aan een of meer der deelgenoten of een bewindvoerder. De tweede zin van het lid geeft aan hetgeen hier onder beheer wordt verstaan. Uitgesloten wordt aldus dat - afgezien van optreden krachtens een der uitzonderingen van lid 1 of lid 2 - een der deelgenoten, bijvoorbeeld een erfgenaam of een der ex-echtgenoten, een vordering die in het gemeenschappelijk vermogen valt, in haar geheel of ook slechts voor zijn aandeel int; dit laatste is een afwijking van artikel 1320 van het huidige BW. Zie voor het nieuwe recht HR 18-3-1994, NJ 1996, 410. Degene die overeenkomstig de uitzondering van lid 1 of krachtens een regeling ingevolge lid 2 j artikel 168, voor de wederpartij kenbaar in naam van alle deelgenoten een handeling verricht, vertegenwoordigt de gemeenschap, de deelgenoten gezamenlijk: ten gevolge van zodanig beheer ontstane schulden zijn ten behoeve van de gemeenschap gemaakt en komen voor haar rekening; op de afwikkeling daarvan zijn de desbetreffende bepalingen van deze titel, alsmede die van titel 3.3 - zie artikel 78 - van toepassing. Een wederpartij die te goeder trouw met een onbevoegde deelgenoot (of bewindvoerder) handelt, vindt zijn bescherming in algemene bepalingen als artikel 61 lid 2, uit titel 3.3; voor inning van een vordering door een onbevoegde deelgenoot zie in het bijzonder de regel van het huidige artikel 1407 BW, die de schuldenaar te goeder trouw beschermt, en die door een regel van gelijke strekking zal worden vervangen (artikel 6:34). Om een wederpartij niet te belasten met een al te diepgaand onderzoek naar de bevoegdheid van een deel- genoot met wie hij handelt, is in lid 2 de ruime formulering gekozen dat onder "beheer" zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn: de derde behoeft niet te onderzoeken of de handeling daaraan in concreto ook dienstig is. Door deze formulering worden zulke handelingen onttrokken aan lid 3, dat geen uitzonderingen toelaat en voor beschikkingshandelingen en dergelijke buiten beheer het gezamenlijk optreden van alle deelgenoten verlangt, dat zich overigens uiteraard wel kan uiten in een door alle deelgenoten aan een hunner of een derde verleende volmacht.

  1257. Artikel 171 vult het vorige aan voor de bevoegdheid der deelgenoten in gerechtelijke procedures. Uitgangs- punt is dat elk der deelgenoten afzonderlijk die bevoegdheid toekomt, doch in die zin dat hij een uitspraak ten behoeve van de gemeenschap moet vorderen of verzoeken; de uitspraak is voor alle deelgenoten, als materiële procespartijen, bindend (HR 24-4-1992, NJ 1992, 461); zij kunnen zich door voeging en tussenkomst in de procedure mengen. Deze regel vindt zijn grond daarin dat bij een vereiste van gezamenlijk optreden der deelgenoten onwilligheid of traagheid van een hunner het gemeenschappelijk belang ernstig zou kunnen schaden. Van de hoofdregel kan een regeling overeenkomstig artikel 168 afwijken. Kent de regeling het beheer aan een of meer deelgenoten toe, dan komt de bevoegdheid alleen de beheerder(s) toe, tenzij de regeling zelf daarop een uitzondering maakt. Is bewind ingesteld, dan zal de bevoegdheid op overeenkomstige wijze alleen aan de bewindvoerder toekomen, tenzij anders is bepaald. 2024 -475- No. 164 Wordt de vordering toegewezen, dan moet het verschuldigde in de regel aan de gezamenlijke deelgenoten worden voldaan; zie artikel 170, in het bijzonder lid 2. Het recht op de prestatie valt in de gemeenschap, hetgeen meebrengt dat de deelgenoten gezamenlijk één vorderingsrecht hebben, zulks in afwijking van artikel 1320 BW thans (vgl. artikel 6:15, tweede en derde lid).

  1258. Artikel 171 betreft overigens alleen de relatie tot derden; voor de verhouding tot mededeelgenoten zie artikel 184 (HR 8-9-2000, NJ 2000, 604). In artikel 172 is een - overigens voor de hand liggende - hoofdregel opgenomen omtrent de verdeling van de baten der gemeenschap en omtrent de draagplicht der individuele deelgenoten met betrekking tot de schulden die voor rekening van de gemeenschap komen. Van die hoofdregel kan bij een regeling overeenkomstig artikel 168 worden afgeweken. Bij de baten wordt onderscheid gemaakt tussen de vruchten en de andere voordelen. Voor de vruchten zij verwezen naar artikel 9. Andere voordelen zijn bijvoorbeeld claims en andere rechten die aan aandelen in vennootschappen kunnen zijn verbonden - zie ook artikel 213 en de toelichting daarop. De lasten zijn de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Men denke hierbij in het bijzonder aan het onderhoud der goederen en aan andere beheerskosten. Onverschillig is daarbij of de deelgenoten ook allen, al dan niet hoofdelijk, jegens de wederpartij aansprakelijk zijn, dan wel of slechts op een hunner of op de bewindvoerder aansprakelijkheid drukt. Dat een handeling ten behoeve van de gemeenschap is verricht, moet niet te spoedig worden aangenomen. Zie HR 11-10-1991, NJ 1992, 600: ook al zijn uit een hypothecaire lening middelen aangewend tot financiering van aankoop of verbouwing van een gemeenschappelijk pand, dit brengt nog niet mee dat het aangaan van de lening kan gel- den als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijk pand verrichte handeling. Komt een schuld wél voor rekening der gemeenschap, dan rust op alle deelgenoten in beginsel de verplichting om daarin naar evenredigheid bij te dragen, en kan de bijdrage daarin bij de verdeling op de aandelen der deelgenoten worden toegerekend - zie artikel 184. Zijn de handelingen onbevoegd verricht, dan rust op de deelgenoten geen draagplicht krachtens dit artikel - waarbij overigens wel bedacht moet worden dat ook zaakwaarneming, waar de deelgenoten verstek laten gaan, een bevoegdelijk verrichte handeling betekent. De bijdrageplicht der deelgenoten kan overigens ook op andere grond ontstaan, bijvoorbeeld als gevolg van een hoofdelijke schuld; vgl. artikel 6:10. Als wettelijke regel wordt in artikel 173 gesteld dat over gevoerd beheer jaarlijks rekening en verantwoording kan worden gevorderd, maar omdat hieraan niet steeds behoefte zal bestaan, is deze regel niet van dwingend recht. Dat is wel het geval bij de rekening en verantwoording die "in ieder geval" bij het einde van het beheer moet worden afgelegd. In de formulering is gepoogd dat iets duidelijker dan in de tekst van het Nederlandse artikel tot uitdrukking te brengen. Aan een gemeenschap zullen dikwijls schulden zijn verbonden. Daar deze schulden bij een gemeenschap als bedoeld in artikel 189 lid 2 op de gemeenschappelijke goederen kunnen worden verhaald (artikel 192) en bij de andere, eenvoudige, gemeenschappen toch in elk geval ten laste van alle deelgenoten, elk naar rato van zijn aandeel, worden gebracht (artikel 172), zal het veelal praktisch zijn dat een gemeenschappelijk goed daartoe te gelde wordt gemaakt, in de regel langs de weg van verkoop; vgl. artikel 1103 van het huidige BW.

  1259. Artikel 174 lid 1, bevat daartoe een voorziening, wanneer dit geschiedt op initiatief van een - of eventueel enkelen - der deelgenoten: des verzocht verleent de rechter (eventueel in kort geding; HR 22-6-2002, NJ 2002, 420) aan hem of hen machtiging, zodat in naam van allen gezamenlijk kan worden opgetreden. Buiten het geval van voldoening van een voor rekening der gemeenschap komende schuld kan de machtiging ook wegens andere gewichtige redenen worden verleend, bijvoorbeeld ter financiering van herstel of behoud van andere gemeenschappelijke goederen. 2024 -476- No. 164 Met de verleende machtiging kan het goed aan een derde worden vervreemd, maar indien een deelgenoot voor wie het goed een bijzondere waarde vertegenwoordigt, zich bereid toont het goed voor (ten minste) de geschatte waarde over te nemen, kan de rechter die overneming bevelen, aldus de tweede zin; in dit laatste geval is er niet een verkoop, doch een (partiële) verdeling van de gemeenschap (zie artikel 182). Lid 2 behelst een soortgelijke regeling voor de bezwaring van een gemeenschappelijk goed met een zekerheidsrecht, waartoe in een tweetal gevallen machtiging kan worden verleend: in de eerste plaats bij wijze van zekerheidstelling voor de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld, in het bijzonder wanneer de schuldeiser deswege van executie afziet, in de tweede plaats ter wille van het behoud van een gemeenschappelijk goed. Kenmerk van de "eenvoudige" gemeenschap van afdeling 3.7.1 tegenover de bijzondere van afdeling 3.7.2 is dat een deelgenoot in de eerste zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend afzonderlijk goed in beginsel wél kan vervreemden en bezwaren, en een deelgenoot in de laatste dat niet vrijelijk kan: deze kan in beginsel slechts beschikken over zijn aandeel in alle goederen gezamenlijk (artikelen 190 en 191). Analoog daaraan is de positie van de schuldeisers der deelgenoten; zij kunnen het aandeel van een deelgenoot in een afzonderlijk goed wél executeren als de gemeenschap eenvoudig is, niet als zij bijzonder is. Voor de eenvoudige gemeenschap is dat uitgedrukt in de leden 1 en 3 van artikel 175. Intussen zijn niet alle gemeenschappen waarop afdeling 3.7.2 niet van toepassing is, zo eenvoudig dat deze vrije beschikking over de aandelen zonder bezwaar kunnen toelaten. Men denke daarbij in het bijzonder aan twee categorieën. In de eerste plaats de gemeenschap van één enkel goed, zoals een huis, met de bedoeling om het gemeenschappelijk te gaan bewonen: de aard der relatie zal niet toelaten dat de ene deelgenoot aan de ander een medebewoner kan opdringen. In de tweede plaats een gemeenschap van verschillende goederen - bijvoorbeeld een bibliotheek of een vermogen waarop afdeling 3.7.2 niet van toepassing is - de overdracht van aandelen in afzonderlijke goederen zou daar de gemeenschap in vele deelgemeenschappen die uiteenvallen, hetgeen zeer bezwaarlijk kan zijn. De aanhef van lid 1 en die van lid 2 houden met deze omstandigheden rekening: de aard der rechtsverhouding of een overeenkomst tussen de deelgenoten kan meebrengen dat over een aandeel in een gemeenschappelijk goed slechts met aller toestemming kan worden beschikt. Om te voorkomen dat een gemeenschap aldus te knellend wordt voor een der deelgenoten bepaalt lid 2 dat op diens verzoek de rechter de rechtsverhouding op grond van onvoorziene omstandigheden kan wijzigen; de rechtsopvolger van een deelgenoot is dan ook aan de gewijzigde rechtsverhouding gebonden. Aldus volgt uit de overeenkomstige toepassing van artikel 168, leden 3 en 4. Voor een schuldeiser van een deelgenoot die een aandeel wil uitwinnen, gelden de beperkingen in diens beschikkingsbevoegdheid niet: hij kan vrij executeren en degene die door de executie het aandeel verwerft, is evenmin onderworpen aan de beperkingen die tussen de overige deelgenoten gelden: aldus de tweede zin van lid 3. Hier prevaleert het belang van de schuldeiser boven dat der deelgenoten: deelgenoten die niet met een vreemde willen worden opgescheept, kunnen die toestand gewoonlijk voorkomen, door zelf het aandeel bij de executie over te nemen.

  1260. Artikel 176 lid 1, wordt gemotiveerd door het belang dat de andere deelgenoten of de beheerder erbij hebben te weten aan wie het aandeel toekomt. "Onverwijld" betekent: naar gelang van de omstandigheden zonder vertraging. Voor de mededeling zij verwezen naar artikel 37. Niet-nakoming van de mededelingsplicht kan aanleiding zijn tot een verplichting tot vergoeding van schade. Lid 2 voorkomt dat de mede-deelgenoten door de overgang van het aandeel in een slechtere positie komen dan wanneer de oorspronkelijke deelgenoot rechthebbende zou zijn gebleven: de schuld die deze had, kan immers bij verdeling op zijn aandeel worden "toegerekend" - zie artikel 184 - en in de toedeling tot uiting komen. De gevolgen der hoofdelijkheid tussen vervreemder en verkrijger, zoals het verhaal, zullen in afdeling 6.1.2 worden geregeld. Op zijn beurt kan de verkrijger die bijvoorbeeld voorziet dat hij onvoldoende 2024 -477- No. 164 verhaalsmogelijkheid op zijn voorganger zal hebben, zijn aandeel weer kwijt aan de overige deelgenoten, die ook in dat geval niet slechter af zijn dan wanneer het aandeel bij de oorspronkelijke deelgenoot zou zijn gebleven. Voor de verplichting tot medewerking vergelijke men artikel 122. Lid 3 veronderstelt een schuld van de gezamenlijke deelgenoten, althans een die op hun aandeel verhaalbaar is - zie bijvoorbeeld artikel 172. Bestaat een dergelijke schuld, dan ligt uitwinning van het gehele goed, ofwel van een of meer der tot de gemeenschap behorende goederen, voor de hand. Blijft in zo'n geval de gemeenschap niettemin bestaan omdat daartoe nog andere, niet uitgewonnen, goederen behoren, dan zou het onbillijk zijn dat degene die door de executie heeft verkregen, met de schulden van allen aan de gemeenschap zou worden belast. Evenmin bestaat in geval van uitwinning van een geheel goed behoefte aan een mededeling overeenkomstig lid 1. Vandaar dat lid 3 alsdan afwijking van de eerste twee leden voorschrijft. Ingevolge artikel 175 is een deelgenoot in een "eenvoudige" gemeenschap in beginsel bevoegd tot het vestigen van een beperkt recht op zijn aandeel in een of meer bepaalde gemeenschappelijke goederen; zie voor de bijzondere gemeenschap artikel 190 lid 2. Artikel 177 regelt de rechtsgevolgen wanneer zo'n goed wordt verdeeld of wordt overgedragen. Behoudt de deelgenoot in zo'n geval zijn oorspronkelijk aandeel, dan heeft dat geen verdere gevolgen, maar veel vaker zal het goed alsdan in zijn geheel hetzij aan die deelgenoot, hetzij aan een ander toevallen. In het ontwerp wordt voor deze gevallen de regel, die thans krachtens artikel 1196 BW voor hypotheken geldt, tot alle beperkte rechten uitgebreid: het beperkte recht komt te rusten op het goed, voor zover dat aan de deelgenoot na de verdeling of overdracht toekomt, en het vervalt voor zover dat niet het geval is, aldus lid 1. Het gevolg van zo'n verdeling of overdracht is een verschuiving in de onderlinge verhoudingen: het beperkte recht wordt meer waard indien het goed in zijn geheel of voor een groter gedeelte aan de deelgenoot toevalt, het vervalt of wordt minder waard wanneer de deelgenoot wordt uit geboedeld of met een geringer deel genoe- gen moet nemen, of ook wanneer het goed aan een derde wordt verkocht. Het kan zijn dat deze waarde verschuiving tussen hoofdgerechtigde en beperkt gerechtigde tot verrekening aanleiding zal geven - een omstandigheid waaraan het slot van lid 1 herinnert. Toedeling van het gehele goed aan een ander dan de deelgenoot zal meebrengen dat voor zijn aandeel in het goed wegens onder bedeling iets anders, bijvoorbeeld een geldvordering, in de plaats zal komen; is het beperkte recht dan hetzij een vruchtgebruik, hetzij pand of hypotheek, dan treedt zaaksvervanging op ingevolge artikel 213, respectievelijk artikel 229. Ter bescherming van de belangen van de beperkt gerechtigde bij verdeling of bij een overdracht waartoe de deelgenoten zich na de vestiging van het beperkte recht verplichten, wordt in lid 2 de medewerking van de beperkt gerechtigde vereist, aan wie overigens tegenover de deelgenoot wiens aandeel met zijn recht is bezwaard, uiteraard ook een beroep op de algemene regels van redelijkheid en billijkheid openstaat (vgl. artikel 6:248 j artikel 6:216). Lid 3 veronderstelt de situatie dat de deelgenoot die het beperkte recht vestigde, bij de verdeling van het goed wordt overbedeeld - in het bijzonder wanneer hem het gehele goed wordt toegedeeld - en dat hij deswege aan de overige deelgenoten compensatie is verschuldigd. Stelt hij hiervoor zekerheid door te hunnen behoeve pand of hypotheek op het hem toegedeelde te vestigen, dan gaat dit beperkte recht boven het eerder door hem op zijn aandeel gevestigde beperkte recht, mits het gelijktijdig met de levering van het hem toegedeelde wordt gevestigd. Met artikel 178 beginnen de regels over de verdeling van een gemeenschap, die de rest van afdeling 1 vullen. Wat als verdeling wordt beschouwd, wordt in artikel 182 bepaald, in artikel 178 komt aan de orde, hoe men tot een verdeling kan geraken. Het recht om de verdeling te vorderen, komt aan elk der deelgenoten toe: in beginsel is niemand genoodzaakt in een onverdeeldheid te blijven (zie artikel 1093 lid 1 van het huidige BW). De bevoegdheid verjaart niet en vervalt evenmin door tijdverloop, hetgeen door de term "te allen tijde" wordt uitgedrukt (aldus thans eveneens artikel 1093 lid 2). Is dit in overeenstemming met het huidige recht, het ontwerp kent de bevoegdheid mede toe aan degenen die een beperkt recht op enig aandeel hebben. 2024 -478- No. 164 Aan het slot van lid 1 wordt aangegeven in welke gevallen de bevoegdheid tot het vorderen van een verdeling niet bestaat: dat kan volgen uit de leden 2 tot en met 5, maar ook uit de aard der gemeenschap. Bij deze laatste denke men vooral aan die, weliswaar in beginsel "eenvoudige", gemeenschappen die naar hun aard gelijken op de bijzondere van artikel 189 lid 1. Aldus bijvoorbeeld de leefgemeenschap van personen die niet met elkaar zijn gehuwd, maar ook goederen, gemeenschappelijk aan echtgenoten die niet in de wettelijke gemeenschap zijn gehuwd. Voorts zal de aard van "periode-eigendom" (timesharing) doorgaans meebrengen dat de gemeenschap niet op de enkele wens van een der deelgenoten behoort te worden verdeeld - overdracht van afzonderlijke aandelen ligt daar immers veel meer voor de hand. Ook mandeligheid als bijzondere vorm van gemeenschap sluit de vordering tot verdeling uit; vgl. artikel 5:63 lid 2. Lid 2 vormt in zoverre een uitzondering op het eerste dat de rechter op verlangen van een deelgenoot - niet op dat van een beperkt gerechtigde - tijdelijk de verdeling kan tegenhouden, zolang niet alle of bepaalde opeisbare schulden die voor rekening van de gemeenschap komen, zijn voldaan. De rechter is vrij in zijn oordeel en zal zich laten leiden door de vraag wat billijk is tegenover zowel de deelgenoten als de schuldeiser alsook door hetgeen tot de meest praktische afwikkeling van de gemeenschap zal leiden. Men kan de bepaling zien als verwant aan de gedachte die achter het huidige artikel 1106 lid 1, BW schuilt. De uitzondering van lid 3 is van andere aard: hier moet de rechter afwegen het belang dat een of meer deelgenoten bij verdeling hebben tegen het belang van een of meer deelgenoten om juist niet te verdelen. Bij dit laatste kan men bijvoorbeeld denken aan een deelgenoot die het bedrijf uitoefent dat in een gemeenschap valt, en die (nog) niet in staat is om de andere deelgenoten uit te kopen. De rechter sluit slechts het vorderen van een verdeling uit; kunnen de deelgenoten alsnog over het verdelen overeenstemming bereiken, dan staat de uitsluiting hieraan niet in de weg. Lid 5 geeft de bevoegdheid aan de deelgenoten zelf om de vordering tot verdeling uit te sluiten, en wel telkens voor een periode van ten hoogste vijf jaar, conform het huidige artikel 1093, leden 2 en 3, BW. Nieuw is de verwijzing naar artikel 168, leden 3 en 4, die de overeenkomst vatbaar maakt voor wijziging door de rechter, en bindend verklaart voor rechtverkrijgenden van de deelgenoten. Lid 4 ten slotte wijst de voor toepassing van de leden 2 en 3 bevoegde rechter aan, indien geen vordering tot verdeling bij de rechter aanhangig is.

  1261. Artikel 179 Zomin als een deelgenoot kan worden genoodzaakt in een onverdeelde gemeenschap te blijven, zomin behoeft hij ook in een partiële verdeling te berusten. Algehele verdeling - van zowel de gemeenschappelijke goederen als van de schulden die voor rekening der gemeenschap komen - heeft veelal het voordeel dat over- en onder bedeling beter kunnen worden vermeden en verschillen in natura kunnen worden verrekend. Ook hier echter moet met uitzonderingen rekening worden gehouden. Zo kan het de voorkeur verdienen een bepaald goed buiten de verdeling te houden, zolang aan dat goed nog een onbetaalde - wellicht nog niet bepaalbare - schuld kleeft die voor rekening van de gemeenschap komt. Voorts, zoals uit de tweede zin van lid 1 blijkt, moet uiteraard ook een uitzondering worden gemaakt voor goederen die, al dan niet voorlopig, krachtens artikel 178 van verdeling zijn uitgesloten. Het in lid 2 bedoelde "overslaan" van goederen bij verdeling heeft vanzelfsprekend niet tot gevolg dat dergelijke goederen niet meer voor verdeling vatbaar zouden zijn, doch maakt ook de tot stand gekomen parti- ële verdeling niet ongeldig. Lid 3 verklaart de regels der schuldoverneming van toepassing op de toedeling van een schuld, met als voornaamste gevolg dat de schuldeiser niet zonder zijn toestemming kan worden beroofd van de rechten die voor hem uit hoofdelijkheid voortvloeien. 2024 -479- No. 164 Krachtens artikel 175 lid 3, kunnen de schuldeisers der - individuele en gezamenlijke - deelgenoten de aandelen van hun schuldenaar in de gemeenschap in beginsel uitwinnen, volgens artikel 180 kunnen zij eveneens een verdeling afdwingen: de toedeling van geld of bepaalde goederen aan de schuldenaar-deelgenoot kan voor de schuldeiser leiden tot een bepaald verhaalsobject dat gemakkelijker is te executeren dan een aandeel in een of meer gemeenschappelijke goederen. De schuldeiser wordt in zijn belangen verder beschermd doordat hij krachtens lid 2 aan de verdeling zijn medewerking moet verlenen; zie de opmerking bij artikel 177 lid 2. Tegenover deze rechten van de schuldeiser staan ook beperkingen in het belang der deelgenoten: de verdeling kan niet voor meer worden gevorderd dan nodig is voor het verhaal van de vordering, en de rechter kan, bij aanmerkelijke onevenredigheid van belangen, de verdeling telkens voor drie jaar uitstellen - zie het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 178 lid 3. Voor de beoordeling van het bedrag waarvoor de verdeling zal moeten plaatsvinden, zal het nodig zijn dat de schuldeiser de deelgenoot op de hoogte stelt van de omvang van zijn vordering.

  1262. Artikel 181 lid 1, eerste zin, vervangt het huidige artikel 1098 lid 1 BW en is daaraan in hoofdtrekken gelijk. Een verschil is dat de tekst toelaat nu ook een onzijdig persoon te benoemen als een deelgenoot door afwezigheid, wellicht onvindbaarheid, of overmacht verhinderd is aan de verdeling deel te nemen. Zie hierna bij afdeling 3.7.4 onder Algemeen, waar gesteld wordt dat, in het kader van de afwikkeling van een onverdeelde boedel, eveneens ter vertegenwoordiging van onbekende deelgenoten een onzijdig persoon kan worden benoemd. Ook na de benoeming van een onzijdig persoon kan de deelgenoot zelf meewerken aan de verdeling en aldus van de vertegenwoordiging afzien, doch de rechtshandelingen die in zijn naam reeds zijn verricht, inclusief in onderhandelingen genomen besluiten, kan hij dan niet meer ongedaan maken. Voorts geeft het lid, evenals de leden 2 en 3, enige aanvullingen. Het is wegens de verschillende rechtsgevolgen van belang een verdeling te onderscheiden van een overdracht. Op de verdeling is in het bijzonder niet afdeling 3.4.2 van toepassing, maar zij heeft haar eigen regels. Aldus bijvoorbeeld de notariële waarborg van artikel 183 lid 2 de regel dat aan verdeling geen eigen titel ten grondslag ligt (artikel 186 lid 2), de speciale regels omtrent vrijwaring (artikel 188), alsmede omtrent nietigheid en vernietiging (afdeling 3.7.3). Wat als een verdeling wordt aangemerkt, wordt in artikel 182 geformuleerd, waarin drie elementen naar voren komen: a. alle deelnemers moeten, eventueel krachtens vertegenwoordiging, aan een verdeling meewerken; b. een gemeenschappelijk goed moet uit de (oorspronkelijke) gemeenschap worden gelicht en aan een (of gezamenlijk aan enkelen) der deelgenoten worden toegedeeld; c. overgang van een gemeenschapsgoed ter voldoening van een voor rekening der gemeenschap komende schuld die reeds vóór de verdeling bestond, aan een der deelgenoten geldt niet als verdeling; wel als verdeling geldt overneming van een gemeenschapsgoed door een deelgenoot die de andere deelgenoten "uitkoopt" (zie bijvoorbeeld artikel 174 lid 1, tweede zin, en thans artikel 1103 lid 2 BW). Overdracht van een aandeel is geen verdeling, omdat het aandeel alleen door de rechthebbende(n) daarop wordt overgedragen. Gaat het goed over op een ander dan een deelgenoot, dan is er evenmin verdeling. De tweede zin van het artikel sluit van de verdeling in het bijzonder uit de uitkering van een legaat aan een erfgenaam of de nakoming van een verplichting tot overdracht van een bepaald goed aan een erfgenaam, welke verplichting de erflater reeds was aangegaan - zie aldus HR 31-5-1963, NJ 1964, 10, en HR 17-1-1964, NJ 1965, 126; gold in zo'n geval de verplichting echter niet het bepaalde goed, maar wordt dit voor de schuld in betaling gegeven of wordt de schuld door toedeling van het goed vernieuwd, dan is er wel een verdeling. Verdeling is evenzeer overbedeling in gemeenschapsgoederen, ook bijvoorbeeld ter afwikkeling van een reprise in het huwelijksgoederenrecht. Verdeling is een meerzijdige rechtshandeling, waarop voor zover uit de wet of de aard der handeling niet anders volgt, de regels omtrent (wederkerige) overeenkomsten analogisch van toepassing zijn (vgl. de artikelen 6:216 en 6:261 lid 2. 2024 -480- No. 164 Het artikel geeft weer hetgeen in de literatuur ook voor het huidige recht wordt aanvaard; zie voor de tweede zin HR 31-5-1963, NJ 1964, 10, HR 17-1-1964, NJ 1965, 126, en HR 4-3-1987, NJ 1987, 224.

  1263. Artikel 183 lid 1, komt overeen met artikel 1096 BW, met dien verstande dat mede rekening is gehouden met degenen die, hoewel geen deelgenoot, hun medewerking aan de verdeling moeten verlenen (zie de artikelen 177 lid 2 en 180 lid 2). Aan het slot is toegevoegd een regeling inzake vertegenwoordiging door een bewindvoerder; een bewind kan zich voordoen bij goederen van een afwezige (artikel 529 van het huidige BW en het nieuwe artikel 1:409), bij vruchtgebruik (artikelen 813 en 845) en bij een nalatenschap (de huidige artikelen 1005 en 1047 en de nieuwe artikelen 4:153 e.v.) - daarbij kan zijn bepaald dat de bewindvoerder slechts met toestemming van de rechthebbende of met rechterlijke machtiging tot de vertegenwoordiging bevoegd is. Het slot van artikel 1096 BW, met zijn verwijzing naar artikel 670 BW, kan in de nieuwe tekst worden gemist, omdat artikel 186 een algemene bepaling omtrent de levering van het toegedeelde inhoudt. Lid 2 onderwerpt de verdeling aan formaliteiten voor het geval een deelgenoot het vrije beheer over zijn goederen mist, dat wil zeggen handelingsonbekwaam is of als faillissement of surséance van betaling over hem is uitgesproken. Het stemt overeen met artikel 1101 BW, met dien verstande dat de rechter ontheffing van formaliteiten kan verlenen. Aan een bepaling in de geest van artikel 1099 BW bestaat geen behoefte, aangezien artikel 1:250 een algeme- ne regeling voor het geval van belangenstrijd tussen de minderjarige en zijn wettelijk vertegenwoordiger zal bevatten. In artikel 1113 BW wordt thans, als het ware in het voorbijgaan, de mogelijkheid van ("gedwongen") verreke- ning genoemd, waarbij op het aandeel van een deelgenoot ter gelegenheid van de verdeling wordt toegerekend wat hij aan de gemeenschap is verschuldigd. Deze rechtsfiguur is nader in de rechtspraak gepreciseerd - zie HR 17-2-1944, NJ 1944, 254, en HR 20-12-1946, NJ 1947, 59 - en krijgt nu in artikel 184 wettelijk gestalte. Het belangrijkste effect is dat de schuld volledig op het aandeel wordt toegerekend, ook indien de deelgenoot- schuldenaar onvermogend is; zie eerstgenoemd arrest.

  1264. Artikel 185 geeft aan welke bevoegdheden de rechter heeft in geval de deelgenoten, inclusief hun vertegenwoordigers - onder wie de onzijdige persoon van artikel 181, alsmede de beperkt gerechtigde van artikel 177 lid 2 en de schuldeiser van artikel 180 - over de wijze van verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen. Deze bevoegdheden zijn ruimer omschreven dan die hij ingevolge artikel 1103 thans heeft; evenmin is hij gebonden aan de voorschriften van de artikelen 572 e.v. van het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met de zwarighedenprocedure die daarbij behoort (vgl. reeds HR 25-1-1980, NJ 1980, 548). In verband hiermee zullen de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden aangepast. Niet alleen zal de rechter verkoop van de onroerende goederen kunnen gelasten, maar ingevolge lid 1 zal hij zowel de wijze van verdeling kunnen voorschrijven als de verdeling zelf vaststellen (zie voor dit laatste HR 28-6-1963, NJ 1963, 507). Daarbij moet hij naar billijkheid rekening houden met de belangen der deelgenoten en met het algemeen belang (vgl. de norm van de redelijkheid en billijkheid als omschreven in artikel 12). Toepassing kan betekenen dat een goed aan een der deelgenoten wordt toegedeeld, omdat juist deze daarmee een bijzondere band heeft (zie aldus reeds HR 9-5-1980, NJ 1981, 283), of ook omdat het algemeen belang er mee gediend is dat juist hij bijvoorbeeld het tot nog toe gemeenschappelijk bedrijf voortzet. Het staat de rechter daarbij vrij op welke wijze hij het toe te delen goed waardeert, wanneer een der deelgenoten daarbij een bijzonder belang heeft: de waarde in het economisch verkeer is daarbij niet volstrekt doorslaggevend. Lid 2 geeft de drie mogelijkheden aan waaruit de rechter kan kiezen. Toedeling van een goed uit een gemeenschap die geen of weinig andere goederen bevat, leidt tot overbedeling, een mogelijkheid die in onderdeel b is gegeven. Bij toepassing van onderdeel c - verkoop van het goed, gevolgd door verdeling van de opbrengst -, is de rechter niet gebonden aan het bevelen van verkoop in het openbaar bij verschil van mening 2024 -481- No. 164 tussen de deelgenoten, zoals thans (artikelen 562 en 567 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechter die overbedeling gelast of daartoe beslist, kan daarmee een zware verplichting tot vergoeding leggen op degene aan wie het goed aldus wordt toegedeeld. Deze last kan overeenkomstig lid 3 worden verlicht door betaling in termijnen toe te laten. Of de rechter daartoe overgaat, zal hij toetsen aan de lid 1 omschreven norm. Bij de verdeling wordt in beginsel uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling (eventueel door de rechter), tenzij uit een afspraak of de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit (HR 12-2-1999, NJ 1999, 551 en HR 22-9-2000, NJ 2000, 643).

  1265. Artikel 186 Sinds HR 8-12-1892, W 6280, is voor het huidige recht aanvaard dat artikel 1110 van het BW aan de verdeling declaratieve werking toekent: zij verklaart alleen wat ieder der deelgenoten uit de gemeenschap toe- komt, te rekenen vanaf het tijdstip van ontstaan van die gemeenschap. Uit deze werking worden twee regels afgeleid: de verdeling heeft terugwerkende kracht en de verdeling is geen titel van overdracht. Dat de verdeling terugwerkende kracht heeft, betekent dat rechtens een deelgenoot nimmer uit de gemeenschap iets anders heeft gehad dan hetgeen hem bij de verdeling wordt toegedeeld, en dat brengt mee dat het hem toegedeelde hem niet ter verkrijging behoeft te worden geleverd. Met deze regel breekt artikel 186 lid 1. Terugwerkende kracht der verdeling is een gewrongen en netelige constructie en ter wille van de rechtszekerheid verdient het de voorkeur dat levering wél plaatsvindt: voor registergoederen geven de openbare registers de toestand dan zuiver weer, voor vorderingen wordt de debiteur op de hoogte gesteld wie zijn nieuwe schuldeiser is. Verdeling op zichzelf is voor verkrijging van het toegedeelde onvoldoende - de "zakelijke" werking wordt slechts bereikt, als ze door levering wordt gevolgd. In lid 2 wordt de tweede regel wél behouden. Zij brengt bijvoorbeeld mee dat een erfgenaam aan wie een goed uit de nalatenschap is toegedeeld, dit goed, ondanks de levering, niet onder bijzondere titel, verkrijgt, doch onder algemene titel. Had een deelgenoot, bijvoorbeeld een ex-echtgenoot, zijn aandeel in het hem later toegedeelde goed reeds geheel of ten dele onder bijzondere titel verkregen, dan wordt hij echter gerekend vanaf de verdeling ook het goed voor dat deel onder bijzondere titel te hebben verkregen.

  1266. Artikel 187 geeft in hoofdzaak weer hetgeen artikel 1108 BW thans bepaalt, maar in een iets gepreciseerde en uitgewerkte vorm.

  1267. Artikel 188 geeft een regeling omtrent de vrijwaring bij verdeling, die overeenstemt met die in de huidige artikelen 1111 en 1112 BW. Vrijwaring bestaat hier ter zake van stoornis en uitwinning op grond van een vóór de verdeling ontstane oorzaak, alsmede van onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar van een toegedeelde vordering ten tijde van de toedeling. De regel geeft geen waarborg tegen verborgen gebreken of andere benadeling: daarvoor geldt de regel der vernietigbaarheid, vervat in artikel 196. Afdeling 3.7.2 - Enige bijzondere gemeenschappen Zoals in de inleiding tot de toelichting op deze titel reeds is vermeld, geeft artikel 189 lid 1 aan op welke gemeenschappen de bepalingen van de eerste afdeling in het geheel niet van toepassing zijn, en in lid 2 op welke die bepalingen slechts met inachtneming van afdeling 2 van toepassing zijn. De gemeenschappen van lid 1 zijn aan hun eigen, elders in de wet neergelegde, regime onderworpen: de niet ontbonden huwelijksgemeenschap in titel 7 van het nieuwe Boek 1 van het BW, de personenvennootschap in titel 13 van Boek 7 en de rederij in titel 3.1 van Boek 8. Wordt echter een huwelijksgemeenschap of rederij ontbonden, of wordt de splitsing van een gebouw in appartementen opgeheven, dan wordt - aldus artikel 189 lid 2.- titel 3.7 op de getransformeerde gemeenschap wél van toepassing, en wel de afdelingen 1 (en 3), voor zover daarvan niet bij afdeling 2 wordt afgeweken. 2024 -482- No. 164 Daarbij moet men erop bedacht zijn dat voor die ontbonden gemeenschappen ook nog bijzondere bepalingen kunnen gelden, die in hun bijzondere regeling zijn opgenomen: aldus bijvoorbeeld de artikelen 176 tot en met 184 van het huidige BW en de nieuwe artikelen 1:99 e.v. voor de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voor de nalatenschap geldt een soortgelijke regeling als voor deze ontbonden gemeenschappen: in de eerste plaats geldt afdeling 3.7.2, en voorts, voor zover daarbij niet van afdeling 3.7.1 is afgeweken, de bepalingen van die afdeling, met daarnaast bijzondere bepalingen in Boek 4 (artikelen 4:227 e.v.). De achtergrond van de bijzondere regeling voor de gemeenschappen die onder het regime van afdeling 3.7.2 vallen, is dat deze gemeenschappen, zolang zij niet verdeeld zijn, een afgescheiden vermogen vormen, die niet slechts de gemeenschap van goederen omvat, maar tevens schulden die bij die goederen of hun gemeenschap behoren. De bepalingen van titel 7 zijn ingevolge artikel 189 lid 3 niet op de vennootschap van toepassing. Voor de ontbonden vennootschap gelden eigen regels. Dit heeft mede tot gevolg dat ook de artikelen 658 tot en met 670 Rv (betreffende verzegeling en ontzegeling) niet van toepassing zijn. Zie voorts hetgeen in die memorie van toelichting ten aanzien van de verdeling is opgemerkt bij artikel 7:830. In artikel 190 komt tot uiting dat een gemeenschappelijk vermogen een eenheid vormt en dat de bestanddelen daarvan niet willekeurig uit het geheel kunnen worden losgemaakt. Zou een deelgenoot vrij zijn om over zijn aandeel in een afzonderlijk goed uit dat vermogen te beschikken, dan zou een nieuwe deelgemeenschap ontstaan hetgeen de weg tot opsplitsing in talrijke van die gemeenschappen zou openen, een toestand die voor de deelgenoten weinig aantrekkelijk zou zijn. Hetzelfde geldt voor de executie van een aandeel in zulk een gemeenschappelijk goed dat tot het vermogen behoort. Lid 2 laat wel het vrije vestigen van een pand- of hypotheekrecht op zulk een aandeel toe, maar, om gelijke redenen, niet de executie daarvan zolang de gemeenschap niet is verdeeld of het goed daaruit is vervreemd. Het belang van de vestiging van zulk een zekerheidsrecht reeds vóór de verdeling ligt, behalve in de door het tijdstip van vestiging bepaalde rangorde in de positie van de beperkt gerechtigde overeenkomstig de artikelen 177 en 178.

  1268. Artikel 191 Kan een deelgenoot in een gemeenschappelijk vermogen als bedoeld in artikel 189 lid 2 niet vrijelijk beschikken over zijn aandeel in de afzonderlijke goederen van dit vermogen, hij kan dat in beginsel wél over zijn aandeel in het gehele vermogen. Hetzelfde geldt voor uitwinning van dat aandeel door een schuldeiser. In deze regel, reeds voor het bestaande recht aanvaard door HR 6-12-1935, NJ 1936, 400, ligt een verschil met de gemeenschappen van artikel 189 lid 1, die strikt aan de kwaliteit der deelgenoten zijn gebonden. Uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten kan voortvloeien, dat het aandeel niet vrijelijk kan worden vervreemd, bezwaard of geëxecuteerd - men denke aan bijvoorbeeld een ontbonden vennootschap, waarbij het van belang is dat de deelgenoten zelf aan de liquidatie deelnemen. Wél kan de rechter hier ingrijpen, aldus lid 2, onder verwijzing naar artikel 168 leden 3 en 4. De levering van een aandeel in het gehele vermogen geschiedt door levering van de aandelen in de goederen afzonderlijk overeenkomstig artikel 96; idem de levering van beperkte rechten op dat aandeel - zie artikel 98. Voor de uitwinning van het aandeel geldt niet artikel 175, derde lid: een schuldeiser van een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap kan diens aandeel niet executeren als de deelgenoot zelf dat aandeel niet kan vervreemden of bezwaren. Wel kan de schuldeiser in zo'n geval overeenkomstig artikel 180 verdeling van de gemeenschap vorderen, een ook voor hem meer praktische oplossing. 2024 -483- No. 164

  1269. Artikel 192 trekt voor de bijzondere gemeenschappen de lijn van de artikelen 178 lid 2 en 179 lid 1, door: de schuldeisers van de tot de gemeenschap behorende schulden hebben zelf een wettelijke bevoegdheid tot verhaal van hun vorderingen op de goederen der gemeenschap. Zie aldus reeds thans artikel 1128 BW ("... onverminderd ... onverdeeld"). Ook hier komt het karakter der bijzondere gemeenschap als afgescheiden vermogen tot uitdrukking. Voor de schuldeiser der gemeenschap biedt de regel twee voordelen: hij behoeft niet elk der deelgenoten voor diens aandeel afzonderlijk aan te spreken en hij heeft op een privé-schuldeiser van een deelgenoot, die immers van diens individuele gegoedheid afhankelijk is, een feitelijke voorrang.

  1270. Artikel 193 stelt de schuldeisers der bijzondere gemeenschap in staat, door vereffening te verzoeken, kracht bij te zetten aan de bevoegdheid tot verhaal op de tot de gemeenschap behorende goederen, die artikel 192 hun verleent. De vordering tot verdeling die artikel 180 aan een privé-schuldeiser van een deelgenoot toekent, kan niet worden toegewezen en de verdeling kan niet worden uitgevoerd vóórdat de gemeenschapsschuldeiser is voldaan. De deelgenoten zijn volgens artikel 194 lid 1, niet zonder meer wettelijk verplicht tot het opmaken van een boedelbeschrijving - behalve waar artikel 442 van het huidige BW van toepassing is - maar elk hunner kan het opmaken van een boedelbeschrijving vorderen. Vgl. artikel 1100 lid 1, BW. Lid 2 van artikel 194 komt overeen met het huidige artikel 1091, laatste zinsdeel, BW (het overige, in artikel 1091 BW bepaalde, is van erfrechtelijke aard, en behoort in het erfrecht te blijven geregeld). Afdeling 3.7.3 - Nietige en vernietigbare verdelingen De afdeling biedt een aanvulling op, in een enkel geval een afwijking van, de bepalingen van titel 3.2 inzake nietigheid en vernietiging van rechtshandelingen (artikelen 39 tot en met 48). In dezelfde titel zijn toepasselij- ke bepalingen omtrent de wijze en de gevolgen van de vernietiging te vinden (artikelen 49 tot en met 56); de alternatieven van vernietiging van de artikelen 53 en 54 worden in de onderhavige afdeling aangevuld: artike- len 197 en 198. Regels omtrent de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, zoals betreffende stuiting en verlenging, zullen voorts bij titel 3.11 worden vastgesteld; men lette hier echter op het verschil tussen artikel 196 lid 1, slot, en artikel 200. Deze afdeling is mede van toepassing op de ontbonden bijzondere gemeenschappen (HR 7-4-1995, NJ 1996, 499). Een wezenlijk kenmerk van een verdeling is dat ze wordt voltrokken door allen die tot deelneming daaraan bevoegd zijn - zie artikel 182. In beginsel is de sanctie dan ook nietigheid, waar dit vereiste niet is vervuld: de overeengekomen verdeling is ongeldig, ook ten aanzien van degenen die wél aan de overeenkomst hebben deelgenomen, en tegenover derden. Alleen voor het geval dat de verdeling bij notariële akte is tot stand gekomen, wordt in artikel 195 lid 1, met een lichtere sanctie, vernietigbaarheid, volstaan - enerzijds zijn dan de waarborgen voor een correcte verdeling groot, anderzijds wordt door de formele totstandkoming ook tegenover derden vertrouwen in de geldigheid gewekt. In afwijking van artikel 52 lid 1 onderdeel d, wordt de verjaringstermijn op één jaar gesteld, echter onverminderd de vervaltermijn van artikel 200; zie wat dit laatste betreft ook hierna bij afdeling 3.7.4, onder Algemeen (Vordering tot verdeling). Lid 2 biedt het spiegelbeeld van lid 1: niet te weinig, doch te veel personen hebben aan de verdeling deelgenomen, waarmee gelijk wordt gesteld het geval dat een deelgenoot een groter aandeel heeft gepretendeerd dan waartoe hij was gerechtigd. Het teveel toegedeelde kan dan ten behoeve van de gemeen- schap worden teruggevorderd - zie artikel 171. Voor het overige behoudt de verdeling haar geldigheid. Nietig of vernietigbaar is een verdeling evenmin, indien zij gebrekkig is omdat een of meer goederen zijn overgeslagen; zie artikel 179 lid 2. 2024 -484- No. 164 Artikelen 196 tot en met 199 De omstandigheden die elke rechtshandeling vernietigbaar maken, zijn neergelegd in de artikelen 43 tot en met 46 van titel 3.2: bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden. Daartoe behoort niet de dwaling: de gevolgen daarvan voor de geldigheid van rechtshandelingen zijn bij de verschillende typen van die handelingen geregeld. Voor overeenkomsten zal dat geschieden in de artikelen 6:228 en 6:230, die krachtens artikel 6:216 ook op een verdeling van toepassing zouden zijn, ware het niet dat artikel 199 deze artikelen, mét artikel 229 inzake de voortbouwende overeenkomst, voor de verdeling uitsluit. Ook thans geldt voor de vernietigbaarheid van een verdeling een eigen regeling en wel die van artikel 1139 BW: niet dwaling op zichzelf kan tot vernietiging leiden, maar volgens onderdeel 3 kan vernietiging wel worden gevorderd we- gens benadeling die ten minste een vierde der (werkelijke) waarde van het aandeel bedraagt. In artikel 196 lid 1, wordt deze regel voor het nieuwe recht gevolgd, zij het beperkt tot benadeling door dwaling omtrent de waarde der goederen en schulden; is gedwaald in de grootte der aandelen, dan is artikel 195 van toepassing. De beperking tot benadeling met ten minste een vierde is niet van toepassing als de benadeling uit misbruik van omstandigheden, bedreiging of bedrog voorkomt, aldus volgt uit de aanhef van artikel 196 lid 1. Lid 2 van dat artikel schept een vermoeden omtrent een causaal verband tussen de omvang van de benadeling en de grond daarvan, de dwaling: bedraagt de benadeling ten minste een vierde, dan wordt dwaling, en niet bijvoorbeeld misbruik van omstandigheden, vermoed. Het vermoeden is wel weerlegbaar. Lid 3 komt overeen met artikel 1140 van het huidige BW, lid 4 geeft artikel 1145 BW weer in een gemoderniseerde versie.

  1271. Artikel 197 geeft dezelfde "opleg"-regel als thans artikel 1141 BW; over de toepassing daarvan zie HR 11-11- 1977, NJ 1978, 589, en HR 18-12-1977, NJ 1978, 590. Zie ook artikel 53 lid 2 voor een vergelijkbaar geval: artikel 197 is echter in zoverre ruimer, dat het ook geldt indien de gevolgen der vernietiging nog wel zonder bezwaar zouden zijn terug te draaien. De bepaling geldt voor elke vernietiging waarbij een deelgenoot is benadeeld, niet alleen wanneer dwaling daarvan de grond is.

  1272. Artikel 198 geeft de rechter de ruime bevoegdheid om zelf de verdeling te wijzigen, in plaats van vernietiging van een verdeling uit te spreken, alsdan gevolgd door het gelasten of uitspreken van een nieuwe verdeling. De artikelen 197 en 198 bieden, tezamen met de artikelen 52 en 53, voortbouwend op het bestaande recht, de mogelijkheid de gebreken van een verdeling op een soepelere wijze te helen dan door het enkele middel der vernietiging. Op grond van artikel 200 wordt de rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling, voor zover niet beheerst door artikel 196 lid 1, niet aan een verjaringstermijn, doch aan een vervaltermijn gebonden, en wel een van drie jaar. Anders dan een verjaringstermijn kan een vervaltermijn niet worden gestuit of verlengd, en moet de rechter het vervallen zijn ook ambtshalve uitspreken. Artikel 1143 BW kent thans eveneens een termijn van drie jaar, en, ofschoon dat artikel van verjaring spreekt, wordt hij in de literatuur veelal evenzeer als een vervaltermijn opgevat. De vervaltermijn is mede toepasselijk indien bij een notariële verdeling een deelgenoot is overgeslagen; zie uitdrukkelijk artikel 195 lid 1, slot. Afdeling 3.7.4 - Langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap, bestaande uit een onroerende zaak Algemeen Algemeen bekend is dat de onverdeelde boedels hier te lande een groot probleem vormen. Het gaat veelal om een onroerende zaak die blijkens de openbare registers enige generaties terug eigendom was van een bepaald persoon. Intussen hebben zich vele erfopvolgingen en boedelmengingen voorgedaan zonder dat het ooit tot een verdeling is gekomen. Veelal is het ondoenlijk geworden om alle deelgenoten te traceren, door het grote aantal deelgenoten, het ontbreken van geslachtsnamen in het verleden en het ontbreken in het verleden van een behoorlijke registratie inzake de burgerlijke stand, testamenten en huwelijksgoederenregimes. 2024 -485- No. 164 Vaak ook is wel aannemelijk dat bepaalde personen deelgenoten zijn, maar kunnen zij niet bewijzen voor welk aandeel. Door het grote tijdsverloop en de elkaar opvolgende steeds groter wordende generaties is aannemelijk dat dit aandeel zeer klein zal zijn. In een aantal gevallen is de grondwaarde flink gestegen. De desbetreffende onroerende zaak kan echter niet vervreemd worden doordat onbekend is wie allemaal deelgenoot zijn in de eigendom en in welke verhouding. Voorts zijn er vaak woningen op de grond gebouwd, terwijl door de onduidelijke eigendomssituatie een infra- structuur niet wordt aangelegd. Men zie A.J. Saheblal, “De afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen in Suriname. De terugname door de overheid van onbeheerde en verlaten gronden in de boezem van het domein”, 1999 en het proefschrift van A.C. Ramautar, gehuwd Akkal, “Boedelproblematiek in Suriname”, 2015. Vordering tot verdeling Bij bestaan van een onverdeelde boedel – in de terminologie van het nieuwe Burgerlijk Wetboek: een gemeenschap – kan in beginsel ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling vorderen (artikel 178 lid 1). Uit de woorden "te allen tijde" moet worden afgeleid dat deze bevoegdheid van een deelgenoot niet (bevrijdend) verjaart (zie de Nederlandse “Parlementaire Geschiedenis van het nieuw Burgerlijk Wetboek”, Boek 3, p. 606). Het probleem is evenwel bij veel langdurig onverdeeld gebleven boedels hier te lande dat – het is hiervóór al opgemerkt - niet alle deelgenoten opgespoord kunnen worden (en dat voor zover zij kunnen worden opgespoord hun aandeel niet vast staat). Een verdeling waaraan niet alle deelgenoten hebben deelgenomen is nietig of – indien de verdeling heeft plaats gevonden bij notariële akte – vernietigbaar (artikel 195). De rechtsvordering van een overgeslagen deelgenoot tot vernietiging verjaart na één jaar nadat hij van de verdeling op de hoogte is geraakt (lid 1, tweede volzin van dit artikel 195). Daarnaast geldt de algemene vervaltermijn van artikel 200 (drie jaar na de verdeling); zie uitdrukkelijk artikel 195 lid 1, slot (welk slot ontbreekt in het Nederlandse en Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse BW; in Asser-Perrick, Erfrecht, 12e druk, 1996, nr. 500 wordt het tegendeel aangenomen). Noodzakelijk voor een verdeling is wel dat ten minste één persoon kan bewijzen deelgenoot te zijn. Soms is zelfs dit onmogelijk of zeer moeilijk. Onzijdig persoon Het is mogelijk dat een of meer bekende deelgenoten de rechter vragen om, op grond van artikel 181, voor de niet op te sporen deelgenoten een onzijdig persoon te benoemen die hen vertegenwoordigt bij de verdeling. Het "niet meewerken" uit dit artikel slaat niet slechts op onwil van de deelgenoten e.a., maar ook op overmacht (Parl. Gesch. Boek 3, p. 610-611). Dat de onbekende deelgenoten niet kunnen worden opgespoord, zou als overmacht kunnen worden opgevat. Er rijzen dan echter vervolgens verscheidene vragen, zoals met welk vermogensbestanddeel de onzijdige persoon genoegen kan en zal nemen, hoe dit belegd moet zijn of worden, hoelang dat vermogensbestanddeel moet worden in stand gehouden en welke bestemming het vervolgens zal hebben, enz. Denkbaar is dat de onzijdige persoon genoegen neemt – via een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 e.v.) - met een geldvordering, welke dan na vijf jaar zou verjaren (vgl. artikel 200a lid 4). Eventueel zou de geldvordering verzekerd kunnen worden door vestiging van een hypotheek. Ook de rechter kan aldus beslissen ingevolge artikel 185 Verkoop of onteigening De bekende deelgenoten zouden kunnen overwegen de rechter te vragen een verkoop te bevelen (artikel 174). Ook zouden zij een verkoop kunnen overeenkomen samen met de onzijdige persoon. Denkbaar is voorts een executoriale verkoop door de Staat wegens achterstallige belasting. De vraag rijst dan echter wat met de (resterende) opbrengst moet worden gedaan, aangenomen dat deze er is. Ditzelfde probleem bestaat na een onteigening door de overheid. 2024 -486- No. 164 Toepassing van het Decreet E-21 van 8 augustus 1981 tot vaststelling van nieuwe regelen omtrent de rechtstoestand van onbeheerde- en kennelijk verlaten gronden (Domeindecreet 1981) (S.B. 1981 no. 125). Het gaat hier om domeingrond ten aanzien waarvan de President van Suriname bevoegd is bij resolutie te verklaren dat er een vermoeden bestaat dat op enig stuk grond anderen geen recht hebben. De toepassing van het Domeindecreet 1981 wordt onverlet gelaten (zie artikel 200i). Vaak hebben anderen wel recht, maar is onduidelijk wie zij zijn. De onderhavige BW-afdeling kan voorts worden toegepast op verzoek van particuliere belanghebbenden. Eigendomsuitwijzing Het nieuw BW introduceert de "eigendomsuitwijzing" (artikel 27). De vraag is echter of de rechter zal accepteren dat de bekende deelgenoten die de eis instellen eigenaar zijn, als aannemelijk is dat er nog vele onbekende deelgenoten zijn. De “eigendomsuitwijzing” leidt tot een inschrijving in de openbare registers met positieve kracht, maar alleen ten behoeve van degenen die onder bijzondere titel van de deelgenoten verkrijgen (lid 3). Zodoende komt het goed weer in het rechtsverkeer. Indien evenwel de bekende deelgenoten, na verkrijging en inschrijving van de in lid 1 bedoelde verklaring, de onroerende zaak bij wijze van verdeling toescheiden aan een van hen, wordt die deelgenoot niet beschouwd als "verkrijger onder bijzondere titel" (zie artikel 186 lid 2). Onbeheerde nalatenschappen In het huidige erfrecht is een regeling opgenomen van onbeheerde nalatenschappen (artikelen 1153 e.v. BW; vgl. het nieuwe artikel 4:204 lid 1, onderdeel a en voorts onder meer artikel 4:225). De rechter moet bij bestaan van een onbeheerde nalatenschap een curator benoemen. Een nalatenschap kan ook gedeeltelijk onbeheerd zijn (Hoge Raad 21 juni 1961, Nederlandse Jurisprudentie 1961, 410); denkbaar is dat een erfgenaam slechts op een deel aanspraak maakt ook al komen andere erfgenamen niet op. De curatele eindigt onder meer door het opkomen van erfgenamen. Voor zover geen erfgenamen opkomen, komt de nalatenschap ten goede aan de Staat. Zodra een erfgenaam aan de curator heeft kennis gegeven dat hij het beheer wenst over te nemen, is de curator, volgens de rechtspraak, verplicht aan dat verlangen te voldoen; men zie Gerecht in eerste aanleg van Aruba 14 december 1970, NJ 1971, 486; en Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 4 januari 2000, nr. 1 (H. 682/98), rechtsoverweging 2.4, inzake Maduro v. Meyer (plantage Zee- en Landzicht) en 29 februari 2000, nr. 96 (H. 463/99), r.o. 2.7, inzake Antersijn v. Stich- ting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen (plantage Vetter) (cassatieberoep niet-ontvankelijk: HR 13 april 2001, NJ 2001, 335) . Bij de onverdeelde boedels is een complicatie dat er inmiddels vele nalatenschappen zijn. Aangenomen dat de oorspronkelijke erflater drie kinderen had (die op hun beurt kinderen hadden) en dat 100 jaar later een nakomeling van een der kinderen opkomt, dan zou de oorspronkelijke nalatenschap niet meer onbeheerd zijn, maar de nalatenschappen van de twee andere kinderen (en hun kinderen) kunnen dat nog wel zijn. Geen “aanwas” bij aandeel andere deelgenoten Belangrijk is om op te merken - omdat in de praktijk op grote schaal hierover misverstand bestaat - dat, indien vaststaat dat er veel deelgenoten zijn, de aandelen van de deelgenoten die zich niet melden of niet kunnen bewijzen afstammeling te zijn, niet zonder meer "aanwassen" bij de aandelen van de deelgenoten die wel hebben bewezen afstammeling te zijn. Plaatsvervulling, behalve in de neergaande linie, is wettelijk beperkt (artikel 870 e.v. van het huidige BW en het nieuwe artikel 4:12 lid 3). In beginsel moet elke deelgenoot de omvang van zijn aandeel bewijzen (aannemelijk maken). Vgl. r.o. 2.8 van het hierboven (onder 10) genoemd vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de zaak Antersijn v. Stichting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen, waarin het Hof opmerkt: “Ter voorkoming van misverstanden wordt ten overvloede nog overwogen dat deze beslissing niet impliceert dat Antersyn en zijn broers en zussen door het Hof worden aangemerkt als de enige gerechtigden tot de nalatenschap van Maria Bicento c.q. plantage Vetter. Indien men al van "aanwas" wil spreken, geschiedt deze, gelet op artikel 861 lid 2 en artikel 1159 van het 2024 -487- No. 164 huidige BW (de nieuwe artikelen 4:189 en 5:24) ten behoeve van de Staat. De aandelen in een onverdeelde boedel maken op hun beurt weer deel uit van vele onverdeelde boedels. Takken kunnen uitsterven, zonder vererving naar andere takken. Dat zal dan betekenen dat de Staat eigenaar is van een deel van de onverdeelde boedel. Wettelijke regeling Uit de moeilijkheden en onzekerheden die uit het voorgaande zijn gebleken, moge duidelijk zijn dat het wenselijk is dat de wetgever ingrijpt. Gekozen is voor een nieuwe afdeling in titel 7 (Gemeenschap) van Boek 3. De Regering meent dat de in het onderhavige voorstel neergelegde regeling geen strijd oplevert met hogere regelgeving ter bescherming van eigendom (artikel 23 Grondwet en artikel 21 Amerikaans verdrag inzake de rechten van de mens). Voorwaarde voor toepasselijkheid van de regeling is immers dat, indien de deelgenoten bekend zijn, de waarde van hun aandelen zeer gering is. Ook overigens is gestreefd naar proportionaliteit, in het bijzonder doordat de grond wordt toe gescheiden aan de actuele tienjarige gebruikers. Ter zake van de uitsluiting van verjaring, zie hieronder de toelichting bij artikel 200a lid 5. In het genoemde proefschrift van A.C. Ramautar, gehuwd Akkal, Boedelproblematiek in Suriname, 2015 wordt de onderhavige regeling zoals in Curaçao geldend, gunstig beoordeeld (p. 245 e.v.). Evenzo C.A. Kraan in zijn bespreking van het proefschrift in het Surinaams Juristenblad 2016, p. 134.

  1273. Artikel 200a Lid 1 In lid 1 wordt het criterium gegeven, waaraan voldaan moet zijn, wil de onderhavige regeling van toepassing worden. Het moet gaan om een gemeenschap bestaande uit een onroerende zaak. Hierbij valt niet slechts te denken aan grote stukken grond, bijvoorbeeld voormalige plantages, maar ook aan onroerende zaken van geringe omvang, zoals een perceel in de binnenstad. Voorts moet aannemelijk zijn dat geen der deelgenoten kan worden opgespoord – hetgeen mede het geval omvat dat er wel personen zijn die beweren deelgenoot te zijn, maar die dat niet in voldoende mate kunnen aantonen - of dat, aangenomen dat er wel deelgenoten kunnen worden opgespoord, de waarde van hun aandelen zeer gering is. Deze waardebepaling wordt uitgewerkt in lid 2. Het spreekt vanzelf dat indien aannemelijk is – gelet op het aantal en de aannemelijke omvang der generaties na de oorspronkelijke erfopvolging – dat de waarde der aandelen zeer gering is, het niet nodig is kosten te maken met de opsporing van potentiële deelgenoten en het bewijs van afstamming. Lid 1 bevat tevens het beginsel dat de grond waarom het gaat wordt toegekend aan de gebruikers. Soms zijn zij afstammelingen van de persoon die in de openbare registers of de registers die daaraan voorafgaan als eigenaar staat vermeld. Wie als gebruikers kunnen worden aangemerkt wordt uitgewerkt in artikel 200b. Het ligt voor de hand dat een individuele gebruiker dat deel van de grond krijgt dat hij in gebruik heeft, maar een wettelijk recht daarop heeft hij niet. De rechter zal trachten een voor alle gebruikers redelijk resultaat te bereiken. De rechter kan bij de toekenning aan de gebruikers een antispeculatie-voorwaarde stellen. Hun vervreemdings- of ingebruikgevingsbevoegdheid kan tijdelijk worden beperkt. Dit wordt gerechtvaardigd doordat zij - uit sociale motieven - bevoordeeld worden door de toekenning van de eigendom van de grond, gelet op de criteria van lid 1. Immers, als zij al kunnen bewijzen deelgenoot te zijn, is de waarde van hun aandeel zeer gering. Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 200e lid 2 tweede volzin. Lid 2 Dit lid betreft de waardebepaling van de aandelen, bedoeld in lid 1. “Zeer geringe waarde” is een relatief begrip. In het onderhavige lid wordt aangegeven waarmee in elk geval rekening moet worden gehouden. Indien bijvoorbeeld het vermoedelijk aantal deelgenoten zodanig groot is – hierbij kunnen demografische gegevens dienstdoen, als het aantal en de omvang van de waarschijnlijke generaties na de eerste erfopvolging – dat iedere deelgenoot recht heeft op ca. 10 m2, dan is de waarde zeer gering, rekening houdende met de te maken kosten. Tot het opsporen van deelgenoten in de registers van de burgerlijke stand en het maken van 2024 -488- No. 164 stambomen is niet ieder in staat. Wordt een specialist ingeschakeld, dan moet in de regel aan deze een beloning worden betaald. Ook de verdeling via de notaris kost geld, evenals de levering na een toedeling door middel van inschrijving in de openbare registers (artikel 186 lid 1 in verbinding met artikel 89 lid 1). Lid 3 Denkbaar is dat een deel der vermoedelijke deelgenoten, bijvoorbeeld een derde deel, wier aandelen geen geringe waarde heeft, wel kan worden opgespoord. De rechter kan dan twee derde gedeelte afwikkelen als langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap volgens deze afdeling. Dit twee derde gedeelte is echter een gedeelte van het geheel. Teneinde deze nieuwe onverdeeldheid op te lossen en, hetgeen als regel wenselijk zal zijn, grenzen in het veld te kunnen trekken, kan de rechter in dit geval tevens een verdeling vaststellen. De meest voor de hand liggende vormen van verdeling worden genoemd in artikel 185 lid 2 (toedeling, overbedeling tegen vergoeding van de overwaarde, verdeling van de netto-opbrengst). Lid 4 Indien bijvoorbeeld aannemelijk is dat bepaalde deelgenoten in het buitenland verblijven en geen weet hebben van de procedure, kan de rechter voor maximaal vijf jaar een bepaalde som reserveren. De rechter bepaalt wie daarvoor zekerheid moet stellen; voor de hand ligt: de persoon of personen aan wie de grond is toegekend. Voor de wijze van zekerheidsstelling, zie men artikel 6:51 en artikel 616 Rv. Lid 5 Denkbaar is dat de grond geheel of gedeeltelijk in de macht is van een bezitter. Voor de vraag wie als bezitter geldt, zie men artikel 107 e.v. Beslissend zijn de verkeersopvattingen (artikel 108). Belangrijk is onder meer dat indien men begint als houder, men dat in beginsel blijft (artikel 111). Aangenomen dat er een bezitter is, dan kan het moeilijk anders of deze is niet te goeder trouw. Indien een bepaald stuk grond tot een onverdeelde boedel behoort, is dat immers in de regel van algemene bekendheid. Onder het bestaande Burgerlijk Wetboek kan de bezitter die niet te goeder trouw was niet profiteren van de bevrijdende verjaring. Hij kan dus nimmer eigenaar worden, ook al kon hij – wegens de bevrijdende verjaring – door de werkelijke eigenaar niet meer worden gestoord in zijn bezit. Men zie de Antilliaanse arresten van de Hoge Raad van 1 april 1971, NJ 1972 115 inzake Jacobs v. Jonkhout (plantage Blauw; eigenlijk plantages Blije Rust, ook wel Groote Blauw, en St. Elisabeth); en van 8 september 2000, NJ 2000, 629 inzake Pietersz v. Groenenberg (plantage Gato). Het nieuwe Burgerlijk Wetboek brengt hierin verandering gebracht - ook een bezitter die niet te goeder trouw is kan eigenaar worden - en wel door een koppeling van de verkrijgende verjaring aan de bevrijdende verjaring (artikel 105). De termijn hier is twintig jaar (artikel 306). Indien bij de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek de verjaring van een rechtsvordering tot beëindiging van het bezit (bevrijdend) is verjaard – hiervoor geldt een termijn van dertig jaar – wordt de bezitter, ingevolge het overgangsrecht, op dat tijdstip eigenaar. Hier komt bij dat het vaak lastig is om te bepalen of iemand bezitter is in plaats van houder - de verkeersopvattingen zijn hier beslissend (artikel 108) – en zo ja, hoe lang. Om aan elke onzekerheid een einde te maken en ter vermijding van moeilijkheden en gerechtelijke procedures bij de oplossing van de problematiek der onverdeelde boedels (pretense eigenaren door verjaring zullen onwillig zijn mee te betalen aan de infrastructuur), wordt in het onderhavige lid 5 de verjaring geheel uitgeschakeld voor bezitters die niet te goeder trouw zijn. 2024 -489- No. 164

  1274. Artikel 200b Lid 1 In beginsel dient een gebruiker de grond tien jaar in gebruik te hebben. Deze termijn is ontleend aan artikel 99 lid 1. Afwijking is echter mogelijk; men denke aan het geval dat een kind bij de moeder komt wonen, waarna de moeder, die al langer dan tien jaar de grond in gebruik had, komt te overlijden. Niet vereist is dat de gebruiker vermoedelijk afstammeling is van de oorspronkelijke eigenaar, al zal dit in de praktijk soms het geval zijn. Voorwaarde is dat de gebruiker rechtmatig in Suriname woont. Lid 2 Denkbaar is dat grond bij meer dan een persoon in gebruik is. Zo is zowel de huurder als de verhuurder gebruiker. In beginsel zal de verhuurder voorgaan (lid 2, tweede volzin). De rechter moet trachten een zo billijk mogelijk resultaat te bereiken en houdt daarom rekening met alle omstandigheden, waaronder die dat de gebruiker de zaak onrechtmatig heeft geoccupeerd. Leden 3 en 4 Ook vermoedelijke afstammelingen die niet gebruiker zijn van de grond, kunnen als gebruiker worden aangemerkt. Het komt voor dat zij zich emotioneel zeer betrokken voelen bij de grond, deze beschouwen als hun familiegrond en ook alle vergaderingen bezoeken die gewijd zijn aan de desbetreffende grond. Denkbaar is dat de grond zo’n omvang heeft dat zowel voor werkelijke gebruikers als deze anderen – mits er aanwijzingen zijn dat zij behoren tot de groep afstammelingen – ruimte is. Dat er “aanwijzingen” moeten bestaan impliceert minder zware eisen dan wanneer iets aannemelijk moet worden gemaakt. Ingevolge lid 4 kan de rechter weigeren de zaak toe te kennen aan een gebruiker die geen familielid is. Ook indien van een mogelijk deelgenootschap geen sprake is, maar de betrokkene wel een substantiële band heeft met de zaak, bijvoorbeeld door geboorte op de grond of er lang gewoond te hebben of geld geïnvesteerd te hebben in de grond of geaccepteerd te worden als erbij horende, kan de rechter de betrokkene aanmerken als gebruiker. Veel hangt af van de omstandigheden van het geval (artikel 200b lid 2). Gaat het om een groot stuk grond met weinig potentiële gebruikers, dan kan de rechter ruimhartiger zijn dan indien het stuk grond klein is met veel potentiële gebruikers. Een ‘gebruiker’ kan ‘bezitter’ zijn of ‘houder’ voor een ander of anderen. Een bezitter pretendeert rechthebbende (eigenaar) te zijn, een houder niet; zie de toelichting bij artikel 200a. Niet spoedig zal bezit worden aangenomen. Weet een gebruiker dat zich een onverdeelde boedel voordoet, dan zal in de regel worden aangenomen dat sprake is van houderschap voor de boedel; vgl. Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 24 februari 2004, plantage Vetter, NJ 2004, 645, TAR 2004, p. 123 (cassatieberoep verworpen door HR 24 maart 2006, R 04/060HR).

  1275. Artikel 200c Dit artikel bevat een belangrijke beperking voor rechtstreekse verkrijging door de gebruikers. Het onderhavige ontwerp beoogt te komen tot een ordelijke oplossing van de problematiek van onverdeelde boedels. De bedoeling is dat de gronden waarom het gaat in ontwikkeling komen. Zij dienen te worden voorzien van een behoorlijke infrastructuur en de bebouwing dient te voldoen aan de bouwvoorschriften. De gebruikers zijn daarom gehouden een plan voor te leggen – dat past in bestaande regelgeving inzake ruimtelijke ordening – inzake de ontwikkeling van de grond en zekerheid te stellen voor de kosten. Dit plan kan bijvoorbeeld voorzien in verkoop van een gedeelte van de grond ter dekking van de kosten. Denkbaar is dat de gebruikers een rechtspersoon oprichten die met de realisering van de ontwikkeling wordt belast. De rechter beoordeelt, naar men mag aannemen na advies van overheidswege, of het plan in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar is. De rechter beslist over de gehele grond. Denkbaar is dat een deel van de grond wordt toegekend aan de gebruikers, of aan een deel van de gebruikers, en de resterende grond aan de Staat of een stichting, met toepassing van artikel 200d. 2024 -490- No. 164 Het artikel spreekt in lid 1 onder meer van de kosten verband houdende met de inschrijving in de openbare registers. Hieronder zijn de kosten van opmeting mede begrepen. Voor de wijze van zekerheidstelling, zie men artikel 6:51 en artikel 616 Rv (nieuw). In lid 2 wordt buiten twijfel gesteld dat in de term “ontwikkeling van de zaak” ook bijvoorbeeld besloten kan zijn de bestemming open land met name indien de zaak aan de Staat wordt toegekend. De ontwikkeling van de zaak dient te sporen met het bestaande en voor zover mogelijk toekomstige overheidsbeleid. Daarom is de rechter ingevolge lid 3 gehouden het plan voor te leggen aan de Minister van Openbare Werken en Verkeer.

  1276. Artikel 200d Voor zover de gebruikers geen aanvaardbaar plan voorleggen of geen zekerheid kunnen stellen – het gaat vaak om weinig draagkrachtige mensen en wellicht zijn er geen mogelijkheden van verkoop – kan de rechter, opdat de grond toch tot ontwikkeling wordt gebracht (zie het volgende artikel), de eigendom toekennen aan de Staat of aan een speciale, onder overheidstoezicht staande, stichting (lid 1). Het toezicht op de stichting wordt geregeld door het Hof van Justitie (lid 2). Denkbaar is dat boven verschillende stichtingen – die elk een onverdeelde boedel ontwikkelen – een koepelstichting fungeert. Wenselijk lijkt dat in de statuten wordt geregeld dat eventueel braakliggende grond na zekere tijd wordt overgedragen aan de Staat en niet verblijft bij de stichting. Dit artikel kan ook worden toegepast indien de grond of een gedeelte van de grond niet in gebruik is.

  1277. Artikel 200e Lid 1 De Staat of de stichting zijn na verkrijging van de grond verplicht deze te ontwikkelen, voor zover zulks redelijk is en past in de bestaande regelgeving inzake ruimtelijke ordening. De Staat zou kunnen putten uit de algemene middelen, maar het heeft de vrijheid prioriteiten te stellen. De stichting heeft wellicht – bijvoorbeeld door subsidie – eigen middelen. De Staat of de stichting zouden kunnen besluiten om een gedeelte van de grond te verkopen om aan middelen te komen. Lid 2 Na de ontwikkeling moet de Staat of de stichting de grond uitgeven aan de gebruikers in eigendom, erfpacht of ander beperkt recht, dan wel huur, afhankelijk van de mogelijkheden en van wat redelijk is. Indien bijvoorbeeld een gebruiker zo weinig draagkracht heeft dat hij of zij niet de kosten van een akte van overdracht of vestiging kan betalen, is – tenzij er voldoende subsidiegelden beschikbaar zijn – huur de enige mogelijkheid. Denkbaar is dat de huurprijs voor de zittende bewoners betrekkelijk laag wordt gesteld, de verbetering van de infrastructuur mede in aanmerking genomen, of geleidelijk wordt verhoogd. Voorheen woonden zij er immers wellicht zonder enige vergoeding. De Staat is gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ten aanzien van de stichting kan, gelet op de aard van haar wettelijke taak, materieel hetzelfde worden aangenomen. De bewoners van bestaande huizen zullen zich als regel daarvan eigenaar voelen, al is dit naar regels van natrekking niet het geval. Bij de uitgifte aan hen, kan echter een recht van opstal worden gevestigd, waardoor zij werkelijk eigenaar van het huis worden. Ten aanzien van percelen grond in de stad is ook denkbaar dat na bebouwing appartementsrechten worden uitgegeven aan gebruikers. Aan de Staat of de stichting moet worden overgelaten hoe om te gaan met gebruikers die zelfs geen huurovereenkomst accepteren, ook al zijn de voorwaarden alleszins redelijk (lage huurprijs; zie hierboven). In beginsel verblijven deze personen in dat geval op de grond zonder titel. Ook hier kunnen anti-speculatievoorwaarden in de vorm van een tijdelijke vervreemdingsbeperking worden gesteld; men zie de toelichting bij artikel 200a lid 1, tweede volzin. Deze voorwaarden kunnen mede een voorkeursrecht van de Staat inhouden. Uiteraard kunnen ook andere (gebruikelijke) voorwaarden worden gesteld. 2024 -491- No. 164

  1278. Artikel 200f Lid 1 Hierin wordt bepaald wie het verzoek kan doen. De Staat of een reeds opgerichte stichting, die zich de oplossing van de desbetreffende onverdeelde boedel tot doel stelt, hoort hiertoe, maar ook bijvoorbeeld een bewoner van de grond. Bij het verzoek moet een voorschot gestort worden voor een openbare oproeping van belanghebbenden. Op de procedure zijn toepasselijk de nieuwe artikelen 429a e.v. van het herziene Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Lid 2 Bevoegd is de kantonrechter in wiens rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen. Deze bepaling van relatieve bevoegdheid spreekt van zelf; vgl. ook artikel 99 Rv dat geschreven is voor de gewone contentieuze procedure (dus niet de procedure bedoeld in de nieuwe artikelen 429a e.v. Rv). Overwogen is om het Hof van Justitie (rechtsprekend met drie rechters) in eerste en enige feitelijke aanleg absoluut bevoegd te maken, omdat te verwachten is, door de vele belanghebbenden, dat er in vrijwel alle zaken hoger beroep zal worden ingesteld; voorts is de taak van de rechter hier meer het “regelen” dan rechtspreken. Van deze gedachte is echter afgezien, omdat het hier gaat om een gevoelige omstreden materie, waarbij de emoties hoog zullen oplopen. Het is wenselijk aan betrokkenen “het volle pond” te geven, dus hen de mogelijkheid te bieden van hoger beroep. Leden 3 en 4 Aangezien onzeker is wie allemaal potentiële deelgenoten zijn, is een openbare oproeping op haar plaats. De Staat wordt afzonderlijk per brief opgeroepen; het gaat hier om het algemeen belang. Ook in de openbare registers ingeschreven belanghebbenden (als beslagleggers) worden afzonderlijk opgeroepen. Lid 8 Hierin wordt afgeweken van artikel 429n lid 2 Rv dat voor “andere belanghebbenden” de termijn van hoger beroep laat beginnen bij betekening of bekendheid anderszins. Het onderhavige lid laat in het belang van de rechtszekerheid de termijn voor iedereen aanvangen bij de dag van de bestreden uitspraak. De termijn van hoger beroep van zes weken komt overeen met artikel 429n lid 2 Rv.

  1279. Artikel 200g Het is wenselijk dat de toekenning van de grond zo spoedig mogelijk wordt ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 16. De griffier draagt hier zorg voor. Door inschrijving gaat de eigendom over (onder bijzondere titel). De kosten brengt de bewaarder van de openbare registers ten laste van de verkrijger.

  1280. Artikel 200h Dit artikel is volledigheidshalve opgenomen. Denkbaar is dat een onverdeelde boedel bestaat uit een beperkt recht, als erfpacht of opstal.

  1281. Artikel 200i Zie ook onder Algemeen bij deze afdeling. Deze afdeling laat het Domeindecreet 1981 (Staatsblad 1981 no. 125), waarbij het gaat om domeingrond en het initiatief uitgaat van de President van de Republiek, onverlet. De onderhavige afdeling staat (ook) open ten dienste van particuliere belanghebbenden, als gebruikers, nakomelingen enz. 2024 -492- No. 164 TITEL 3.8 - VRUCHTGEBRUIK Algemeen De regeling van het vruchtgebruik in het huidige BW - de negende titel van het Tweede Boek, artikelen 789 tot en met 846 - is sterk verouderd. Ze is meer afgestemd op het vruchtgebruik van (Franse) landgoederen uit de 18e en 19e eeuw dan op dat van moderne vermogens, waarin roerende goederen en geldswaarden meestal een dominerende plaats innemen. In het ontwerp is er dan ook naar gestreefd de regeling in dit opzicht te moderniseren. Ook anderszins is er reden om het vruchtgebruik meer aan moderne behoeften te laten voldoen. Zo is tot nog toe een kenmerk van het vruchtgebruik dat de vruchtgebruiker ervoor heeft te zorgen "dat de zaak zelf in stand blijve" (artikel 789 BW). In feite bestaat er echter thans vaak behoefte aan de vruchtgebruiker meer armslag te gunnen. Vruchtgebruik is in belangrijke mate een erfrechtelijk instituut ten behoeve van onder meer de langstlevende echtgenoot, en dikwijls is het de wens van de erflater eerder om deze zo goed als mogelijk verzorgd achter te laten dan, zoals in vroegere tijden veelal het geval was, het familievermogen in stand te laten. Vandaar bijvoorbeeld het voorstel om de mogelijkheid te scheppen aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding en intering toe te kennen (artikel 215). Het "oneigenlijk vruchtgebruik" van verbruikbare zaken van artikel 790 van het geldende BW kan vervallen: voor zover de zaken door gebruik tenietgaan, is er geen reden toe hen principieel anders te behandelen dan zaken die door gebruik verouderen en slijten. Voor zover onder de verbruikbare zaken geld en geldwaarden verstaan worden, moet de vruchtgebruiker die afgescheiden van zijn eigen vermogen houden (artikel 211 lid 2). In het vruchtgebruiksvermogen vallen tevens de goederen die door herbelegging krachtens zaaksvervanging (artikel 213) worden verkregen. Geen behoefte bestaat aan vervallenverklaring van het vruchtgebruik in geval van misbruik (thans artikelen 844 en 845 BW); voldoende is de mogelijkheid van onderbewindstelling (artikel 221). In de terminologie van het huidige recht is vruchtgebruik een "zakelijk recht"; het is onder meer vatbaar voor vervreemding en bezwaring - zie voor de gevolgen van vervreemding artikel 223 en voor afstand artikel 224 - en de vruchtgebruiker kan tegen derden vorderingen ter bescherming van zijn recht instellen (artikel 218). Het huidige wetboek regelt in de Tiende Titel van het Tweede Boek nog de rechten van gebruik en bewoning. Daar deze rechten als beperkte rechten van vruchtgebruik kunnen worden aangemerkt, is hun regeling in titel 3.8 aan het slot opgenomen (artikel 226). Wat de terminologie betreft zij nog het volgende opgemerkt. Onder het huidige recht wordt de wederpartij van de vruchtgebruiker veelal aangeduid als "blooteigenaar". Nu volgens het ontwerp eigendom alleen van zaken, en niet van rechten, zal bestaan, wordt die wederpartij in het ontwerp als "hoofdgerechtigde" bestempeld, tegenover de vruchtgebruiker die beperkt gerechtigde is. De omschrijving van het recht van vruchtgebruik - artikel 201 - beperkt zich tot de bevoegdheden tot gebruik en vruchttrekking, en houdt, zoals onder Algemeen vermeld, niet het element van zorg voor de instandhouding der zaak in, zoals dat in de definitie van artikel 789 BW is opgenomen. Voor het begrip "goederen" zie artikel 1, voor het begrip "vruchten" zie artikel 9, met de toelichting daarbij.

  1282. Artikel 202 sluit aan bij artikel 80 lid 3 in verband met artikel 98. Men zie ook artikel 81 voor vestiging door voorbehoud van vruchtgebruik en artikel 85 voor de conversie van een tijdelijk recht in vruchtgebruik. De vestiging omvat de levering van het vruchtgebruik naar de aard van het goed of de verschillende goederen overeenkomstig de artikelen 89 tot en met 95. Zo geschiedt het leveren van vruchtgebruik op een registergoed door een akte met vermelding van vruchtgebruik als titel, gevolgd door inschrijving in de openbare registers (artikel 98 j artikel 89). Roerende zaken, niet-registergoederen, worden in de macht van de vruchtgebruiker gebracht (artikel 98 met analogische toepassing van artikel 90). 2024 -493- No. 164

  1283. Artikel 203 vat in hoofdzaak samen hetgeen thans reeds krachtens de artikelen 791, 836, onderdeel 1, 837 en 839 van het BW geldend recht is. Krachtens lid 2 kan worden bepaald dat het recht van de ene vruchtgebruiker bij diens overlijden niet aanwast bij de andere, maar eindigt. In de drie leden van het artikel is tot uitdrukking gebracht dat het recht niet voor onbeperkte tijd kan worden gevestigd en dat het ook niet vererft. Overdracht van het recht verandert de oorspronkelijke tijdsduur niet (artikel 223). Voor andere gevallen waarin het vruchtgebruik een einde neemt, zij verwezen naar artikel 81. De leden 1, 5 en 6 van artikel 205 komen met betrekking tot de boedelbeschrijving zakelijk overeen met het huidige artikel 810 BW. Lid 2 verzekert de hoofdgerechtigde inspraak in de inhoud der boedelbeschrijving, en lid 3 geeft hem als sanctie een opschortingsrecht. Nieuw is lid 4 dat de vruchtgebruiker verplicht, jaarlijks de hoofdgerechtigde een opgave van de mutaties over de afgelopen periode te doen; zulke mutaties kunnen onder andere voorkomen als gevolg van zaaksvervanging (zie artikel 213). Voor de term "de voordelen die de goederen hebben opgeleverd" en het belang van de beschrijving ervan zie (de toelichting bij) artikel 213 lid 2. De sanctie op deze verplichting kan worden gevonden in toepassing van artikel 221.

  1284. Artikel 206 lid 1 dat de verplichting van de vruchtgebruiker tot het stellen van zekerheid bevat, komt zakelijk overeen met de huidige artikelen 811 en 812 BW (lid 2 van laatstgenoemd artikel gaat er echter ten onrechte van uit dat het ouderlijk vruchtgebruik een vorm van vruchtgebruik is). De sanctie van artikel 813 BW - uitgewerkt in de artikelen 814 en 815 BW - is niet overgenomen; zij is thans te vinden in toepassing van artikel 221. Lid 2 biedt de hoofdgerechtigde een mogelijkheid tot controle op de staat van de goederen en hun beheer ter bescherming van zijn belang.

  1285. Artikel 207 lid 1 behelst de omschrijving van het ene van de beide rechten van algemene aard die de vruchtgebruiker toekomen: het recht van gebruik der goederen. Opmerking verdient dat dit recht tevens inhoudt het recht tot verbruik, voor zover de aard der goederen zulk verbruik meebrengt. Er bestaat een vloei- ende lijn tussen gebruik en verbruik: sommige goederen, zoals levensmiddelen, worden door het enkele gebruik tevens verbruikt, andere slijten in korte of lange tijd. Al dit verbruik behoort tot de bevoegdheid van de vruchtgebruiker, en voor een "oneigenlijk vruchtgebruik", zoals, met een vergoedingsplicht, geregeld in artikel 790 van het huidige BW, is dan ook geen plaats. Geld en geldswaarden worden niet "verbruikt" - zie artikel 211. Verbruiken is in de zin van deze titel niet hetzelfde als verteren, een begrip dat in artikel 215 een rol speelt. Een verbruikbare zaak gaat bij gebruik overeenkomstig haar bestemming teniet, door vertering doet de vruchtgebruiker de waarde van vruchtgebruiksgoederen aan zichzelf ten goede komen buiten het normale gebruik om, in het bijzonder door hen te gelde te maken en de opbrengst voor zichzelf te behouden. De wijze waarop het gebruik dient plaats te vinden, kan bij de vestiging van het vruchtgebruik worden geregeld. Voor zover dit niet is geschied, dienen de aard der goederen en de plaatselijke gewoonte in acht te worden genomen - zie voor de laatste reeds artikel 799 bestaande BW. Krachtens lid 2 is aan het gebruiksrecht in beginsel het recht tot beheer verbonden: de vruchtgebruiker heeft de goederen onder zich en kan in de regel ook het best zorg daarvoor dragen. Zijn bevoegdheid daartoe is ruim omschreven: zij omvat alle handelingen die tot een goed beheer dienstig kunnen zijn. Aldus wordt de wederpartij van de vruchtgebruiker bespaard te moeten onderzoeken of de handeling ook in concreto tot het goed beheer dienstig is; zie voor dezelfde formulering artikel 170 lid 2. De bevoegdheid wordt nader uitgewerkt in de artikelen 210 en 212, lid 1; zie ook artikel 214. De bevoegdheid tot beheer kan voor bepaalde of alle goederen door onderbewindstelling worden ontnomen. Tot andere dan beheers handelingen over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen zijn vruchtgebrui- ker en hoofdgerechtigde slechts gezamenlijk bevoegd, tenzij, uiteraard, ook hiervoor bewind is ingesteld. Tot die handelingen behoren niet die welke slechts het recht van de hoofdgerechtigde - de "bloot eigendom" - betreffen; in zijn bevoegdheid tot beschikking daarover wordt de hoofdgerechtigde niet beperkt, omdat dat recht zelf niet aan het vruchtgebruik is onderworpen. Zie voor afwijkingen van de tweede zin van lid 2 de artikelen 210 lid 3 en 218. 2024 -494- No. 164 Betreft lid 2 de externe bevoegdheid van vruchtgebruiker en hoofdgerechtigde, lid 3 ziet op hun interne verhouding: de eerste is tegenover de laatste verplicht, zich een goed vruchtgebruiker te betonen. Ook al is de vruchtgebruiker extern krachtens lid 2 tot een handeling bevoegd, dat behoeft nog niet automatisch te betekenen dat hij door het verrichten van die handeling tegenover de hoofdgerechtigde de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht neemt. Een voorbeeld van handelen in strijd met de zorg van een goed vruchtgebruiker vormt sterk speculatief beheer van het vermogen van een minderjarige (HR 9-1-1998, NJ 1999, 285). De verplichtingen die het artikel de vruchtgebruiker oplegt en de grenzen die het aan zijn bevoegdheid stelt, worden niet alleen door de algemene sancties van ongeldigheid van rechtshandelingen en vorderingen tot nakoming en schadevergoeding gehandhaafd, maar daar waar de inbreuk ernstig genoeg is, kan ook artikel 221 toepassing vinden. De vruchtgebruiker is in beginsel bevoegd tot het beheer van de goederen waarop zijn vruchtgebruik rust, maar daartoe behoort niet verandering van bestemming van die goederen. Reeds artikel 799 lid 1 van het huidige BW ontzegt de vruchtgebruiker de bevoegdheid daartoe, zij het dat deze ontzegging alleen geldt voor verandering "ten nadele des eigenaars". Het ontwerp laat deze precisering vallen wegens de moeilijkheid van beoordeling van dit effect: is de verandering van een woonpand in een bedrijfspand in het voordeel of in het nadeel van de hoofdgerechtigde, of is ze neutraal? Lid 1 van artikel 208 onderwerpt de verandering van de bestemming daarom aan de toestemming van de hoofdgerechtigde - die op zijn beurt uiteraard ook niet bij machte is tegen de wil van de vruchtgebruiker verandering in de bestemming aan te brengen -, dan wel aan machtiging van de kantonrechter, het laatste in het bijzonder voor het geval dat toestemming door de hoofdgerechtigde niet wordt gegeven. Soms zal het de hoofdgerechtigde niet zonder meer vrijstaan zijn toestemming te verlenen - zo zal een erfpachter op zijn beurt van instemming van de eigenaar afhankelijk zijn (zie artikel 767 BW; vgl. artikel 5:89 lid 2). In lid 2 wordt de vruchtgebruiker een zgn. ius tollendi gegeven; het recht tot wegneming van veranderingen en toevoegingen, ook al zijn zulke veranderingen inmiddels door natrekking eigendom van de hoofdgerechtigde geworden. Zie artikel 123, waar aan de bezitter een gelijk recht wordt toegekend, alsmede de toelichting op dat artikel.

  1286. Artikel 209 kan worden gezien als een uitwerking van de in artikel 207 lid 3 neergelegde verplichting van de vruchtgebruiker om jegens de hoofdgerechtigde de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen: daartoe behoort dat hij ten behoeve van de hoofdgerechtigde de vruchtgebruiksgoederen verzekert, voor zover verzekering van zulke goederen gebruikelijk is. Verzekering van "het voorwerp van het vruchtgebruik" betekent verzekering der goederen voor hun volle waarde, niet slechts het door de last van het vruchtgebruik beperkte belang van de hoofdgerechtigde; aldus impliciet HR 24-4-1992, NJ 1993, 610. Door deze verzekering dient de vruchtgebruiker mede zijn eigen belang: bij de verwezenlijking van het risico treden de verzekeringspenningen in de plaats van het goed voor het bedrag der schade en komt ingevolge artikel 213 het vruchtgebruik daarop te rusten. De verzekeringspremie maakt deel uit van de gewone lasten; zie artikel 220. De tweede zin van lid 1 noemt een soort verzekering in het bijzonder: de verzekering van een gebouw tegen brand. Voorts zal ook een inboedelverzekering dikwijls gebruikelijk zijn. Komt de vruchtgebruiker zijn verplichting niet na, dan is hijzelf voor de schade van de hoofdgerechtigde aansprakelijk, maar deze kan volgens lid 2, ook - preventief - zelf de verzekering sluiten en de premie en andere kosten daarvoor op de hoofdgerechtigde verhalen. Het vigerende recht kent slechts de verzekeringsplicht van artikel 835 van het BW, en wel die tot verzekering van een schip in vruchtgebruik in geval van een buitenlandse reis.

  1287. Artikel 210, dat op verschillende bevoegdheden ten aanzien van vorderingsrechten - obligatoire rechtsver- houdingen derhalve - betrekking heeft, moet worden gezien tegen de achtergrond van artikel 207 lid 2: voor zover die bevoegdheden het beheer van de vorderingen betreffen, komen zij de vruchtgebruiker toe, voor zover zij verder gaan, kunnen zij niet buiten de hoofdgerechtigde omgaan. 2024 -495- No. 164 Blijkens de aanhef van de leden 1 en 2 zijn de hieruit voortvloeiende, in die leden vervatte, regels niet van dwingend recht. Tot het beheer behoort in elk geval de inning van de vorderingen, inclusief het in ontvangst nemen van betalingen daarop, een zienswijze overigens die onder het geldende recht betwist is geweest; vgl. thans ook artikel 170 lid 2. Opzegging en ontbinding van overeenkomsten kunnen evenzeer beheers handelingen zijn - men denke aan opzegging van huurovereenkomsten. Zijn zulke overeenkomsten binnen de grenzen van artikel 207 lid 2 eerste zin, door de vruchtgebruiker gesloten, dan zal opzegging of ontbinding daarvan ook als beheers handeling zijn te beschouwen. Maar ook bijvoorbeeld opzegging van een huurovereenkomst, gesloten door de hoofdgerechtigde (of diens rechtsvoorganger zoals de erflater), kan zeer wel een beheers handeling zijn. Vernietiging van een, niet door de vruchtgebruiker zelf gesloten, overeenkomst zal geen beheers handeling zijn, gezien de gronden waarop ze kan geschieden (zie de artikelen 32, 34, 44 en 45, en tevens het geval van dwaling). Is een handeling ten aanzien van een vorderingsrecht niet als beheers uitoefening te beschouwen, dan geeft artikel 210 lid 3 daarvoor een regel die enigermate afwijkt zowel van die van artikel 207 lid 2 tweede zin, als van artikel 218: de hoofdgerechtigde kan zelf optreden, mits voorzien van hetzij toestemming van de vruchtgebruiker, hetzij machtiging van de kantonrechter (vgl. artikel 208 lid 1). De wederpartij zal veelal niet in staat zijn te beoordelen of een handeling een beheers handeling is of niet, maar mag ook niet in onzekerheid verkeren of de vruchtgebruiker al of niet bevoegd is. Tot haar bescherming in dit opzicht dienen twee regels in het ontwerp: in lid 2 de formulering "tot een goed beheer dienstig kan zijn" - vgl. de toelichting bij artikel 207 lid 2 eerste zin - en de laatste zin van artikel 210 lid 3: tegen de machtiging van de kantonrechter is geen beroep toegelaten - wel tegen diens weigering - zodat de wederpartij kan volstaan met enkele verificatie van toestemming van de vruchtgebruiker of machtiging van de kantonrechter. Thans ontbreekt een regeling als in artikel 210, hetgeen tot onzekerheid aanleiding heeft gegeven.

  1288. Artikel 205 verlangt een boedelbeschrijving aan het begin van het vruchtgebruik en voorts jaarlijkse opgaven omtrent de mutaties. In zulke schrifturen zullen gewoonlijk goederen worden opgenomen die slechts naar de soort ("generiek") zijn omschreven en veelal praktisch ook niet anders kunnen worden omschreven, zoals geld en toondereffecten. Door de instelling van een vruchtgebruik verandert in de eigendomsverhouding op zichzelf niets: de goederen blijven eigendom van degene die nu hoofdgerechtigde is geworden. Dit wordt in lid 1 van artikel 211 uitgedrukt. Het probleem met deze goederen is echter dat de eigendom voor de hoofdgerechtigde gemakkelijk verloren gaat: dat geschiedt wanneer de vruchtgebruiker hen met zijn eigen goederen van dezelfde soort vermengt. Om die reden kent het bestaande recht voor vervangbare zaken slechts het oneigenlijk vruchtgebruik in artikel 790 BW: de vruchtgebruiker wordt zelf eigenaar, maar wordt verplicht om aan het einde van zijn recht vergoeding te geven (zie de inleiding van de toelichting op de titel). Het ontwerp kiest een andere weg: artikel 211 lid 2 verplicht de vruchtgebruiker deze naar de soort omschreven goederen van zijn andere goederen afgescheiden te houden, in het bijzonder door het geld op een vruchtgebruiksrekening te zetten, de effecten afzonderlijk in bewaring te geven, enz. Het kan zijn dat de vruchtgebruiker bevoegd wordt daarover te beschikken (artikelen 212 en 215), maar hetgeen daarvoor dan eventueel in de plaats komt, is aan de regel der zaaksvervanging gebonden (artikel 213), tenzij de vruchtgebruiker ook, ingevolge artikel 215, tot vertering bevoegd is. Komt de vruchtgebruiker zijn verplichting uit lid 2 niet na, dan behoudt de hoofdgerechtigde zijn eigendom zolang men in staat is de goederen als de zijne aan te wijzen. Zijn ze echter vermengd met goederen van de vruchtgebruiker of door deze vervreemd en is dientengevolge de mogelijkheid tot individualisering vervallen, dan wordt de vruchtgebruiker verplicht tot schadevergoeding. De door de vruchtgebruiker geleden schade kan niet, althans niet zonder meer, worden afgeleid uit de prijs die de vruchtgebruiker bij vervreemding daarvoor heeft ontvangen, maar is de waarde die de goederen zouden hebben op het tijdstip waarop de hoofdgerechtigde de vruchtgebruiker aanspreekt (zie HR 16-1-1959, NJ 1959, 335). Lijdt de hoofdgerechtigde door toepassing van deze regel schade, omdat die waarde lager is dan de door de vruchtgebruiker ontvangen prijs, dan kan hij de onbevoegd verrichte handeling van de vruchtgebruiker bekrachtigen krachtens artikel 58 en aldus met terugwerkende kracht de zaakvervangingsregel van artikel 213 doen toepassen. 2024 -496- No. 164

  1289. Artikel 212 houdt een algemene regeling in omtrent de bevoegdheden van de vruchtgebruiker om over de vruchtgebruikersgoederen te beschikken, dat wil zeggen deze te vervreemden of met een beperkt recht als pand of hypotheek te bezwaren. Vervreemding ingevolge dit artikel doet het vruchtgebruik vervallen. Zie omtrent de bevoegdheid tot verhuring artikel 217. De beschikkingsbevoegdheid betekent niet dat de vruchtgebruiker ook bevoegd is de opbrengst voor zich te behouden: krachtens artikel 213 valt de tegenwaarde door zaaksvervanging in het vruchtgebruik vermogen. Dat is alleen anders als aan de vruchtgebruiker krachtens artikel 215 tevens de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vertering is verleend. Lid 1 kent de vruchtgebruiker de (wettelijke) bevoegdheid toe om goederen overeenkomstig hun bestemming te vervreemden. Men denke hier in het bijzonder aan bedrijfsgoederen, als een onderneming in vruchtgebruik is gegeven; de bevoegdheid tot vervreemding vloeit dan voort uit die tot beheer (artikel 207 lid 2). Buiten deze wettelijke bevoegdheid komt de vruchtgebruiker beschikkingsbevoegdheid slechts toe, voor zover ze hem bij de vestiging van het vruchtgebruik is verleend, aldus lid 2. Is die bevoegdheid toegekend, dan straalt ze - tenzij anders bepaald - ook uit buiten de eigenlijke bevoegdheid tot vervreemding en bezwaring. Volgens de tweede zin van het lid houdt ze ook de bevoegdheid tot het (zelfstandig) verrichten van enige andere handelingen in: de bevoegdheid om de bestemming te wijzigen (artikel 208), die tot ontbinding en opzegging van overeenkomsten (artikel 210 lid 2) en die tot verhuring zonder de in enige leden van artikel 217 genoemde beperkingen. Lid 3 ten slotte biedt nog de mogelijkheid tot vervreemding en bezwaring buiten de in de leden 1 en 2 geregelde gevallen, maar dan, op dezelfde wijze beperkt als de bevoegdheid van artikel 210 lid 3 met toestemming van de hoofdgerechtigde of met machtiging van de kantonrechter (zij het dat tegen de machtiging hier wél beroep wordt toegelaten). Blijkens de tweede zin is de bevoegdheid van de rechter niet geheel discretionair; men denke voor de toepassing bijvoorbeeld aan gevallen waarin een huis met hypotheek wordt bezwaard om herstel na ernstige schade te kunnen financieren.

  1290. Artikel 213 geeft in lid 1 de regel met betrekking tot zgn. zaaksvervanging, die tot gevolg heeft dat een verworven goed belast met het vruchtgebruik, in het vermogen van de hoofdgerechtigde valt. Het lid noemt drie gevallen: 1. de tegenwaarde van hetgeen door vervreemding, bezwaring van een met het vruchtgebruik belast goed dan wel door toedeling na verdeling van een gemeenschap is verkregen, mits tot die beschikking bevoegdheid bestond. Beschikking over het goed raakt zowel de vruchtgebruiker als de hoofdgerechtigde: lid 1 betreft uiteraard niet beschikking over slechts hetzij het vruchtgebruik van het goed, hetzij slechts de "bloot eigendom" daarvan. Wie, en onder welke eventuele beperkingen, tot beschikking bevoegd is, volgt uit de artikelen 212 en 215. Bestaat de tegenwaarde in geld, dan moet dat overeenkomstig artikel 211 afgescheiden worden gehouden, en overeenkomstig artikel 214 belegd of besteed worden. Bevoegd beschikt is er ook, indien een aanvankelijk onbevoegde beschikking overeenkomstig artikel 58 is bekrachtigd. Is een onbevoegde beschikking niet door bekrachtiging geheeld, dan geldt artikel 213 lid 1, niet: alsdan behoort de hoofdgerechtigde niet door zaaksvervanging een ander goed te worden opgedrongen. Er ontstaat in zo'n geval een vordering tot schadevergoeding voor de gedupeerde hoofdgerechtigde, die even- tueel in natura - in casu door toepassing van de regel van lid 1 - kan worden toegewezen (zie HR 17-11- 1967, NJ 1968, 42; vgl. artikel 6:103). 2. hetgeen door inning van met het vruchtgebruik belaste vorderingen wordt ontvangen. Het op vorderingen geïnde geld dient overeenkomstig artikel 211 afgescheiden gehouden te worden en overeenkomstig artikel 214 te worden belegd of besteed. Vgl. voor het huidige recht artikel 842. Ook hetgeen de hoofdgerechtigde int ingevolge artikel 210 lid 3 behoort onder het vruchtgebruik te vallen (HR 24-4-1992, NJ 1993, 610); dit kan anders zijn bij girale betaling (HR 23-9-1994, NJ 1996, 461). 2024 -497- No. 164 3. vorderingen tot vergoeding van het verloren gaan of beschadigen van met het vruchtgebruik belaste goede- ren; hetgeen de vruchtgebruiker uit dien hoofde in handen krijgt, houdt hij krachtens artikel 110 – voor zover hetgeen goederen op naam van zichzelf betreft - voor de hoofdgerechtigde, zij het belast met zijn vruchtgebruik. Te denken valt aan vorderingen uit onrechtmatige daad zowel als uit schadeverzekering. Lid 2 breidt de regel van lid 1 uit over voordelen die een goed tijdens het vruchtgebruik oplevert, maar die geen vruchten zijn; men denke vooral aan claims en dergelijke rechten uit effecten (vgl. ook artikel 216 en de toelichting daarop), maar ook aan de zakenrechtelijke aanwas, de gevonden schat en dergelijke. De vruchtgebruiker krijgt hierop geen volledig recht, zoals op de vruchten, maar slechts het vruchtgebruik. Tot een vruchtgebruik vermogen zullen veelal gelden behoren, hetzij vanaf het begin, hetzij later door vervreemding of bezwaring van goederen, door inning van vorderingen, enz. Krachtens artikel 211 lid 2 moet de vruchtgebruiker deze gelden afzonderlijk van zijn eigen vermogen houden en vervolgens krachtens artikel 214 lid 1, dat overigens geen dwingend recht bevat, beleggen of besteden in overleg met de hoofdgerechtigde. Kunnen zij niet tot overeenstemming komen, dan beslist de kantonrechter, zonder dat van zijn beslissing hoger beroep mogelijk is (vgl. artikel 210 lid 3). Omtrent "wederbelegging" kent het huidige recht slechts artikel 843 lid 2 BW. Naar men gewoonlijk aanneemt, laat de huidige wettelijke regeling van het vruchtgebruik niet toe, aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot toekenning van "gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering" van de vruchtgebruikersgoederen toe te kennen: de vruchtgebruiker moet immers zorgen dat de zaak zelf in stand blijft (artikel 789). Een zodanige bevoegdheid geeft wel het zgn. fideï-commis de residuo (artikelen 909 en 1016 tot en met 1018). Artikel 215 strekt ertoe toekenning van die bevoegdheid ook bij het vruchtgebruik mogelijk te maken: door instelling van een zodanig vruchtgebruik wordt dan praktisch bereikt dat een fideï- commis de residuo aan de wettelijke regels omtrent het vruchtgebruik, inclusief die ter bescherming van de hoofdgerechtigde, wordt onderworpen. Overigens zal de toekenning van de bevoegdheid in de regel nadere omlijning bij de akte nodig maken: laat ze volledige intering toe, is de uitoefening aan toestemming, machtiging of een "omslagrekening" (dat wil zeggen gedeeltelijke toedeling van de intering aan het eigen vermogen van de vruchtgebruiker) onderworpen, enz. Voor het verschil tussen vertering en verbruik zie men de toelichting bij artikel 209.

  1291. Artikel 215 behelst enkele wettelijke regels voor het geval dat de bevoegdheid is toegekend. Lid 1 geeft een regel over de bewijslast, wanneer door de vruchtgebruiker, respectievelijk zijn rechtverkrijgenden, de goe- deren bij het einde van het vruchtgebruik aan de rechthebbende ter beschikking moeten worden gesteld (artikel 225). Ontbreken alsdan goederen, dan rust op de vruchtgebruiker en zijn rechtverkrijgenden de bewijs- last dat die goederen zijn vervreemd en verteerd, dan wel door toeval teniet gegaan, en niet zijn achterge- houden of krachtens artikel 213 vervangen: het is immers de vruchtgebruiker, en niet de hoofdgerechtigde, aan wie in beginsel het beheer over de goederen toekwam (artikel 207). Uiteraard wordt het bewijs verge- makkelijkt door de op de boedelbeschrijving gevolgde jaarlijkse opgaven van mutaties (artikel 205 lid 4). Vervreemding ingevolge dit artikel doet het vruchtgebruik vervallen. Lid 2 verwijst naar een mogelijkheid ter voorkoming van geschillen over de uitoefening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering: deze uitoefening kan aan de toestemming van een, neutrale, derde worden onderworpen. Is deze een bewindvoerder, dan wordt die uitoefening afhankelijk gesteld van diens medewerking: voor zover zij rechtshandelingen vereist, moet dan de bewindvoerder als medepartij optreden. Lid 3 houdt in dat de bevoegdheid tot vervreemding en vertering impliceert bestemming van goederen tot gebruikelijke kleine geschenken, waarbij derhalve de bevoegdheid tot vertering enigszins wordt verruimd. 2024 -498- No. 164 Aan de vruchtgebruiker komt, naast de bevoegdheid tot gebruik, het recht op de vruchten toe - artikel 216. Wat vruchten zijn, is in artikel 9 omschreven, waarnaar moge worden verwezen. De vruchtgebruiker heeft hierop zijn recht, voor zover die vruchten tijdens zijn vruchtgebruik zijn afgescheiden, respectievelijk opeisbaar zijn geworden. Ten aanzien van de burgerlijke vruchten wijkt het ontwerp derhalve af van het huidige artikel 796. In het bijzonder bij effecten is niet steeds gemakkelijk uit te maken, en is ook nogal betwist, welke uitkeringen, en in hoeverre bepaalde uitkeringen, zijn te beschouwen als vruchten - winstuitkering of rente - dan wel als behorend tot het kapitaal. Men denke aan hetgeen schuilgaat onder benamingen als bonusaandeel, scrips, claims, warrants, conversiepremies, premies op premieloten bij obligaties, en aan het liquidatiesaldo en kapitaalrestituties. Vgl. hierover HR 23-5-1958, NJ 1958, 458: men moet onderscheid maken tussen uitkeringen die de aandeelhouders toevloeien uit het, uit behaalde winsten stammende, (nog) niet ten behoeve van de bedrijfsuitoefening gebonden en uit dien hoofde uit zijn aard voor "winstuitkering bestemde deel van het vermogen, èn de uitkeringen die de aandeelhouders in de een of andere vorm aanspraken geven op het reeds eerder krachtens bevoegdelijk genomen besluiten ten behoeve van de bedrijfsuitoefening gebonden deel van het vermogen. De eerstbedoelde uitkeringen zijn dan te beschouwen als vruchten, de tweede als andere vermogensvoordelen. De eerste komen de vruchtgebruiker toe, de tweede de hoofdgerechtigde, zij het belast met het vruchtgebruik (artikel 213 lid 2). Om latere geschillen hierover te voorkomen, wordt veelal in de akte van vestiging van het vruchtgebruik bindend vastgesteld wat in casu als vrucht moet worden beschouwd; de tweede zin van het artikel geeft hieraan wettelijke grondslag.

  1292. Artikel 207 lid 2 kent de vruchtgebruiker het beheer over de vruchtgebruiksgoederen toe, met dien verstande dat artikel 208 hem niet toestaat zonder meer de bestemming ervan te veranderen. Artikel 217 spitst dat toe op de bevoegdheden tot verhuur, waarbij nog als bijzonderheid het beginsel van artikel 1597 BW in aanmerking dient te worden genomen: huur vervalt niet door het tenietgaan van het recht van de verhuurder. Lid 1 stelt, in overeenstemming met artikel 799 van het huidige BW, de bevoegdheid van de vruchtgebruiker tot verhuring voorop, voor zover deze bevoegdheid niet bij de vestiging is uitgesloten of beperkt. Lid 2 bindt die bevoegdheid echter, voor zover ze niet uitdrukkelijk is toegekend, voor verhuring van onroerende zaken aan de toestemming van de hoofdgerechtigde of de machtiging van de kantonrechter, indien zo'n zaak bij de vestiging van het vruchtgebruik nog niet was verhuurd. De reden hiervan is dat de huur ook consequenties voor de hoofdgerechtigde heeft, in het bijzonder voor zover haar duur die van het vruchtgebruik zal overschrijden. Was het huis of het land reeds verhuurd, dan gaat het meer om een beleggingsobject, en ondervindt de hoofdgerechtigde door een nieuwe huur in de regel geen schade. Lid 3 geeft in zijn eerste zin, in overeenstemming met artikel 845 van het huidige BW, de strekking van artikel 1597 weer: het einde van het vruchtgebruik betekent niet van rechtswege het einde van de huur. De hoofdgerechtigde moet de huur gestand doen. De tweede zin brengt daarop een beperking aan voor zover die gestanddoening voor de hoofdgerechtigde te bezwarend zou worden. Daartoe is aangeknoopt bij het tweede en lid 3 van het bestaande artikel 799, in die zin dat de hoofdgerechtigde de gestanddoening kan weigeren indien de overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het plaatselijk gebruik overeenstemt, of, bij gebreke van zulk een gebruik, langer dan twee jaar is. Daaraan is nog toegevoegd het geval dat de huur is geschied op ongewone, voor de hoofdgerechtigde bezwarende voorwaarden; men denke bijvoorbeeld aan een bijzonder lage huurprijs. Lid 4 geeft de huurder de bevoegdheid aan de eventuele onzekerheid een einde te maken door aan de hoofdgerechtigde een termijn te stellen; vgl. onder andere artikel 55 lid 2. De voorgestelde tekst is wat eenvoudiger dan die van het parallelle artikel 217 van het Ned. BW, waarin rekening moet worden gehouden met de ingewikkelde Nederlandse wetsbepalingen inzake het beëindigen van huur van woning- en bedrijfsruimte. 2024 -499- No. 164

  1293. Artikel 218 bevat een regeling omtrent de bevoegdheid van de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde om te procederen over zaken die hun beider recht aangaan, zoals geschillen met een derde over het bezit van vruchtgebruiksgoederen, over grensbepaling en dergelijke. De bepaling is te beschouwen als een bijzondere regel die de algemene van artikel 207 lid 2 opzij zet. De oplossing die hier is gekozen, houdt in dat beiden bevoegd zijn tot het aanspannen van het geding, doch dat zij verplicht zijn de ander in het geding te roepen, zodat ook deze aan de uitspraak is gebonden.

  1294. Artikel 219 Onder het huidige recht is betwist of stemrecht dat aan een goed is verbonden, aan de hoofdgerechtigde dan wel aan de vruchtgebruiker toekomt. De kwestie is in het bijzonder van belang bij stemrecht op aandelen in een naamloze vennootschap. In de artikelen 2:88 en 2:197 van het Ned. BW was reeds een uitgewerkte regeling voor het stemrecht op aandelen in een naamloze, respectievelijk een besloten, vennootschap opge- nomen, waarnaar artikel 219 van het Ned. BW thans verwijst. Deze regeling, die geen statutaire beperking of uitsluiting van de vestiging van vruchtgebruik op de aandelen toelaat, houdt in dat in beginsel de hoofdgerech- tigde tevens de stemgerechtigde is, doch dat daarvan bij de vestiging van het vruchtgebruik kan worden afgeweken; nader wordt geregeld, in hoeverre aan vennootschapsorganen tegen zulk een afwijking verzet toekomt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen degene - uit de naaste familiekring - aan wie de aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen, en degene aan wie dat niet zonder meer mogelijk is. Boek 3 leent er zich niet toe deze gecompliceerde regeling ook hier te lande tot uitgangspunt te nemen, maar tot een wettelijke regeling van het stemrecht bestaat, bij de gegeven rechtsonzekerheid in de praktijk, zeker aanleiding. Deze is erin gevonden ook hier het stemrecht in beginsel aan de hoofdgerechtigde toe te kennen, doch hiervan bij de vestiging van het vruchtgebruik afwijking toe te laten. Vestiging van een met stemrecht verrijkt vruchtgebruik moet echter niet kunnen leiden tot ongewenste doorbreking van de mogelijke besloten- heid van een kring van rechthebbenden die de vergadering van een orgaan van een rechtspersoon vormen; daarom wordt tevens voorgesteld te bepalen dat de statuten van de rechtspersoon de toekenning van het stemrecht aan de vruchtgebruiker kunnen uitsluiten of, door het stellen van voorwaarden, beperken. Zie voor een vergelijkbare regeling ten aanzien van het pandrecht artikel 247. De artikelen 821 tot en met 824 van het huidige BW regelen de aansprakelijkheid voor reparaties aan een vruchtgebruiksgoed en de artikelen 825 en 826 de draagplicht voor de lasten. De artikelen 821 tot en met 825 worden nu vervangen door artikel 220 en artikel 826 door artikel 221 lid 2. De regeling van de artikelen 821 tot en met 826 blijft in hoofdlijnen in het ontwerp behouden, maar een detaillering als de artikelen 822 en 823 geven, vervalt als te onvolkomen. Hoofdregel is dat, naar verkeers- opvatting, gewone lasten en herstellingen voor rekening komen van degene die de vruchten trekt - ook lid 2 gaat hiervan uit. Buitengewone herstellingen komen ten laste van degene die hen laat uitvoeren - hoofdgerechtigde of vruchtgebruiker -, maar geen van beiden is tot zulke uitvoering verplicht. Wél moet de vruchtgebruiker, bij wie immers het goed in de regel in beheer is, de hoofdgerechtigde van de noodzaak van zulke herstellingen op de hoogte brengen en hem de gelegenheid tot het uitvoeren daarvan geven. De regeling omtrent de buitengewone lasten is in artikel 222 lid 2 opgenomen, waarin lid 1 van dat artikel inzake het dragen van de schulden van een vruchtgebruik vermogen van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

  1295. Artikel 221 behelst een speciale sanctie in geval van ernstig tekortschieten van de vruchtgebruiker in de nakoming van zijn verplichtingen: het beheer kan hem op vordering van de hoofdgerechtigde worden ont- nomen en worden toegekend aan deze of aan een bewindvoerder. In deze geest ook thans artikel 845 lid 1, BW dat echter ook, als vervolg op artikel 844 BW, de sanctie van "gehele vernietiging" van het vruchtgebruik kent. Deze laatste sanctie is hier niet overgenomen, omdat zij onnodig ver gaat. Wordt een bewind ingesteld, dan treft dit alleen het recht van vruchtgebruik, niet dat van de goederen als zodanig, omdat zo'n bewind mede het recht van de hoofdgerechtigde zou treffen, waartoe uiteraard geen aanleiding bestaat. 2024 -500- No. 164 Lid 2 schept de mogelijkheid tot een voorlopig bewind om verder misbruik te voorkomen, lid 3 verklaart - net als in de artikelen 168 lid 5 en 204 lid 2 - op het bewind een aantal bepalingen uit titel 1.19 inzake de onder- bewindstelling ter bescherming van meerderjarigen van toepassing. Tot een geheel vermogen - een nalatenschap, een onderneming of een andere "algemeenheid van goederen" - dat met vruchtgebruik is belast, plegen behalve de vruchtgebruikersgoederen ook schulden te behoren, zoals schulden die de erflater reeds is aangegaan en schulden uit de bedrijfsvoering.

  1296. Artikel 222 Lid 1 geeft, in overeenstemming met de strekking van de artikelen 827 en 828 BW thans, voor deze lasten een regeling die van het volgende uitgaat: 1. de tot de algemeenheid behorende schulden van de hoofdgerechtigde worden ten laste van de vruchtgebruiksgoederen voldaan; 2. voor de overige schulden van de hoofdgerechtigde kunnen de schuldeisers wél diens hoofdrecht - "de bloot eigendom" - uitwinnen, doch op de aldus uitgewonnen goederen blijft het vruchtgebruik rusten. Uit regel 1 vloeit voort dat de voldoening der schulden ten dele voor rekening van de hoofdgerechtigde, ten dele voor die van de vruchtgebruiker komt: zowel het hoofdrecht als het vruchtgebruik ondergaat verminde- ring. De voldoening ten laste van het vruchtgebruiksvermogen betekent immers dat de vruchtgebruiker de opbrengst van het op de schuld betaalde bedrag mist. Vandaar de regels geformuleerd in de slotzinsnede van de eerste zin, alsmede in de tweede zin van lid 1: schiet de hoofdgerechtigde de voldoening uit zijn overig vermogen voor, dan heeft hij ten laste van de vruchtgebruiksgoederen recht op teruggave van hoofdsom mét rente, schiet de vruchtgebruiker uit zijn vermogen de betaling voor, dan wordt, en wel zonder vergoeding van rente, het betaalde bedrag op het vruchtgebruiksvermogen in rekening gebracht bij het einde van het vruchtgebruik, wanneer hij ingevolge artikel 225 de vruchtgebruiksgoederen ter beschikking van de hoofdgerechtigde moet stellen. In lid 2 wordt de regeling van lid 1 van toepassing verklaard op buitengewone lasten die op bijzondere vruchtgebruik goederen drukken - ook deze komen in mindering op de waarde van die goederen gebracht. Tot dit resultaat leidt thans artikel 826 BW. Vgl. voor de gewone lasten artikel 220 lid 1. Overeenkomstig artikel 83 lid 1, kan het vruchtgebruik, als beperkt recht, worden overgedragen; het kan eveneens met een ander beperkt recht worden bezwaard en de vruchtgebruiker kan er afstand van doen. De bevoegdheid tot overdracht, bezwaring en afstand kan niet worden uitgesloten. De levering geschiedt naar de aard van een goed waarop het rust, overeenkomstig de artikelen 89 e.v. - zie artikel 98 alsmede de toelichting op artikel 202. Overdracht van het vruchtgebruik op een goed moet worden onderscheiden van overdracht van een met een vruchtgebruik belast goed, waartoe de vruchtgebruiker krachtens artikel 212 of 215 bevoegd kan zijn: deze laatste overdracht doet het vruchtgebruik juist vervallen.

  1297. Artikel 223 geeft enige bijzondere regels voor de overdracht en bezwaring van het recht van vruchtgebruik. Het uitgangspunt van deze regels is dat de hoofdgerechtigde door de beschikking over het vruchtgebruik niet - buiten zijn medewerking om - wordt benadeeld ten aanzien van de duur van het vruchtgebruik, de aanspra- kelijkheid voor de verplichtingen van de vruchtgebruiker en de uitoefening van eventuele bijzondere bevoegd- heden van de vruchtgebruiker ten aanzien van vervreemding, verbruik en vertering (artikel 207, 212 en 215). Het is niet uitgesloten dat een vruchtgebruik de rechthebbende meer last bezorgt dan genot; zo kan het beheer, inclusief de nodige administratie, zo bezwarend zijn dat gebruik en vruchten van de goederen daartegen voor de vruchtgebruiker niet opwegen. Wil om die reden de vruchtgebruiker van zijn recht af, dan is de hoofdgerechtigde ingevolge artikel 224 verplicht aan die afstand - een tweezijdige handeling volgens het nieuwe recht - zijn medewerking te verlenen; de regeling inzake reële executie in titel 3.11 zet daaraan kracht 2024 -501- No. 164 bij - zie artikel 300; vgl. artikel 122 voor afstand van recht aan de bezitter. Rust het vruchtgebruik op meer dan één goed, bijvoorbeeld op een geheel vermogen, dan kan ingevolge dit artikel slechts van het gehele vruchtgebruik afstand worden gedaan, niet van het vruchtgebruik op slechts een of enkele van die goederen. De afstand werkt niet ten nadele van derden die inmiddels op het vruchtgebruik een beperkt recht hebben gekregen: artikel 81 lid 3.

  1298. Artikel 225 regelt de "teruggaveplicht" bij het einde van het vruchtgebruik - zie artikel 809 lid 2 van het huidige BW. Zolang de vruchtgebruiker de goederen na het einde van zijn recht nog niet heeft gerestitueerd, is hij jegens de rechthebbende verplicht voor die goederen zorg te dragen: artikel 1256 lid 1, slot BW (vgl. artikel 6:27) en HR 16-1-1959, NJ 1959, 355. De huidige wet geeft de rechten van gebruik en bewoning een eigen regeling, in beginsel los van het vrucht- gebruik, al verklaart het daarvan verschillende bepalingen van overeenkomstige toepassing: aldus de Tiende Titel van het Tweede Boek van het BW (artikelen 847 tot en met 858). Het ontwerp regelt deze beide rechten in artikel 226 veeleer als een vorm van vruchtgebruik met beperkte bevoegdheden voor de rechthebbende - het woord "enkel" in het tweede en lid 3 doet dit uitkomen. Deze beperkingen - gebruik met vruchttrekking en bewoning slechts ten behoeve van de rechthebbende en zijn gezin, en ontzegging van de bevoegdheid tot beschikking - zijn in hoofdlijnen dezelfde als onder het huidige recht: zie de artikelen 850, 852, 855 lid 2 en 856 BW. Het kenmerk van beide rechten is dat ze naar subject zowel als naar object sterk zijn geïndividualiseerd: ze behoren bij een bepaald persoon en zijn gezin, en ze zijn strikt beperkt tot de zaak zelf waarop ze zijn komen te rusten. In deze opzichten verschilt het nieuwe recht niet van het bestaande. Naar evenwel blijkt uit HR 24-4-1992, NJ 1993, 610, - bij artikel 209 reeds ter sprake gekomen - heeft de nieuwe regeling wel degelijk ingrijpende gevolgen die van die van het geldende recht afwijken. Anders dan volgens het bestaande recht rust op de gebruiker/bewoner evenals op de vruchtgebruiker de verplichting ten behoeve van de hoofdgerechtigde het goed, de woning, tegen brand te verzekeren (zie artikel 209 lid 1), en treden de eventueel uitgekeerde verzekeringspenningen krachtens zaaksvervanging in de plaats van het goed (artikel 213 lid 1): het recht van gebruik komt, op dezelfde voet als vruchtgebruik, op de penningen te rusten en de gebruiker/bewoner heeft het recht te verlangen dat zij voor het herstel van de woning worden aangewend (artikel 214 lid 1, slot). Niettemin vloeit uit de aard van beide rechten een principieel verschil met het vruchtgebruik voort. Blijft het vruchtgebruik rusten op de verzekeringspenningen en op hetgeen daarvoor in de plaats komt, wat er ook gebeurt, aan het recht van gebruik of bewoning komt een einde, als het niet tot herstel van de oorspronkelijke zaak komt: vindt herstel niet plaats, dan komen de penningen toe aan de hoofdgerechtigde ten behoeve van wie immers is verzekerd - heeft de gebruiker/bewoner mede zijn eigen belang verzekerd, dan mag hij het hem ter zake van dat belang toekomende behouden. Uit het huidige recht, in het bijzonder artikel 855 lid 3 van het BW, zou volgen dat bij het recht van gebruik/bewoning van zaaksvervanging door verzekeringspenningen geen sprake is. TITEL 3.9 - RECHTEN VAN PAND EN HYPOTHEEK Algemeen Pand en hypotheek zijn beperkte rechten die zowel op zaken als op rechten kunnen rusten, met dien verstande dat hypotheek slechts op registergoederen kan worden gevestigd en pand op goederen die geen registergoed zijn. Om deze reden zijn zij, evenals vruchtgebruik, op hun plaats in Boek 3, en niet in Boek 5 waar rechten die slechts op zaken kunnen rusten, worden geregeld. Zij onderscheiden zich van vruchtgebruik en de in Boek 5 geregelde rechten doordat zij niet als deze genotsrechten, doch zekerheidsrechten zijn: zij worden gevestigd om een schuldeiser grotere zekerheid voor de voldoening van zijn vordering te verschaffen. Uit het voorgaande volgt dat de term "zakelijke zekerheid", voor deze rechten tezamen dikwijls gebruikt, en ook wel in de wet gebezigd, enigszins misleidend kan zijn, omdat pand en hypotheek ook op rechten, zoals vorderingen of erfpacht, kunnen zijn gevestigd; "zakelijke zekerheid" staat hier echter tegenover "persoonlijke zekerheid" zoals borgtocht, die een louter obligatoire band schept en niet op bepaalde goederen rust. 2024 -502- No. 164 De betekenis van pand en hypotheek is dat zij de rechthebbende voorrang geven in de verdeling van de opbrengst door executie van het goed waarop zij rusten; welke rangorde dan geldt, wordt geregeld in titel 3.10 (zie artikelen 279 e.v.). In het faillissement van de schuldenaar zijn de pandhouder en de hypotheekhouder zgn. "separatisten" (artikel 53 van de Faillissementswet 1935); surséance van betaling raakt de door pand of hypotheek gedekte vordering niet (artikel 222 van de Faillissementswet 1935). Pand en hypotheek zijn afhankelijke rechten in de zin van artikel 7: hun afhankelijkheid van de vordering waaraan zij zijn verbonden, brengt mee dat in geval van cessie en subrogatie daarvan het recht in beginsel van rechtswege mee overgaat op de cessionaris of gesubrogeerde - overdracht van het recht is noch nodig noch mogelijk. Of in een concreet geval het recht in feite mee overgaat, is een kwestie van (uitleg van) de omschrijving in de pand- of hypotheekakte van de vorderingen waarvoor het pand of de hypotheek wordt gevestigd (HR 16-9-1988, NJ 1989, 10). Zo zal het in geval van een krediet- of bankhypotheek in de regel de bedoeling zijn dat het hypotheekrecht blijft bij de bank die het heeft gevestigd, als die de relatie met de cliënt voortzet, en dat het niet overgaat op de derde aan wie een bepaalde vordering is gecedeerd. Als beperkte rechten in de zin van artikel 8 blijven pand en hypotheek rusten op het goed waarop zij zijn gevestigd, in wiens handen zich dat ook bevindt. Vestiging van een tweede of volgend recht van pand of hypotheek is mogelijk - in beginsel wordt de onderlinge rangorde dan bepaald door het tijdstip van vestiging. De titel bestaat uit een viertal afdelingen, 1 - Algemene bepalingen - (artikelen 227 tot en met 235), 2 - Pand- recht - (artikelen 236 tot en met 258), 3 - Pandrecht van certificaathouders - (artikel 259) en 4 - Recht van hypotheek - (artikelen 260 tot en met 275). Vernieuwingen die in deze titel bijzondere aandacht verdienen, zijn de regels omtrent zaaksvervanging (artikel 229, leidend tot een wettelijk pandrecht, en 246 lid 5 het stille pandrecht (artikelen 237 en 239), het pandrecht van certificaathouders (artikel 259) en de executie door de hypotheekhouder met de daarop vol- gende zuivering (artikelen 268 e.v.). Afdeling 1 - Algemene bepalingen

  1299. Artikel 227 geeft in lid 1 een omschrijving van de rechten van pand en hypotheek, waarop onder Algemeen reeds is vooruitgelopen. Materieel is er hier nauwelijks afwijking ten opzichte van het vigerende recht, vervat in de artikelen 1180 en 1192, maar de terminologie van de begrippen is uiteraard aangepast aan die van afdeling 3.1.1, die voor het gehele wetboek zullen gelden. Zie de artikelen 1 (goed), 2 (zaak), 6 (vermogensrecht), 8 (beperkt recht) en 10 (registergoed), met de toelichting daarop. In het licht van deze artikelen bestaat dan ook geen behoefte meer aan een bepaling als artikel 1194 van het huidige BW, waarin trouwens de te boek gestelde schepen en luchtvaartuigen ontbreken. Tot zekerheid voor andere verbintenissen dan die tot betaling van een geldsom kan geen pand of hypotheek worden gegeven; wél is dat mogelijk voor de schadevergoeding in geld waartoe niet-nakoming van zulk een verbintenis leidt. Lid 2, dat alleen voor zaken geldt, betekent dat het pand- en hypotheekrecht zich uitstrekken over de bestanddelen van de zaak (zie artikel 4 met toelichting), over overige veranderingen gedurende de looptijd van het recht, zoals de aanwas, en eveneens over datgene dat bij wetsbepaling wordt aangeduid als door de eigendom van de zaak omvat (zie artikel 5:20 inzake hetgeen de eigendom van de grond omvat). Vgl. artikel 1195 van het bestaande BW. Er zij ten slotte aan herinnerd dat de categorie van zaken die onroerend door bestemming zijn (artikel 563 van het huidige BW), onder het nieuwe BW ophoudt te bestaan. Voor zover dat wenselijk is, zal voortaan op deze soort zaken een met hypotheek op de hoofdzaak verbonden pandrecht kunnen worden gevestigd, dat tot een gezamenlijke executie zal kunnen leiden - zie artikel 254 van het ontwerp. (Met het oog op internationale verdragen zal de scheepshypotheek het scheepstoebehoren blijven omvatten - zie artikel 8:203. Hetzelfde geldt voor het toebehoren van luchtvaartuigen.) 2024 -503- No. 164 Vestiging van een pand- of hypotheekrecht op een goed dat niet voor overdracht vatbaar is, heeft geen zin: executie houdt immers in dat het goed wordt verkocht en overgedragen. Omgekeerd kan, ingevolge artikel 228, de vatbaarheid voor verpanding of verhypothekering van een overdraagbaar goed ook niet worden uitgesloten. Artikel 83 bepaalt wanneer een goed al dan niet overdraagbaar is en in welke gevallen overdraagbaarheid kan worden uitgesloten - zie het artikel met zijn toelichting. Of deze goederen ook, ingevolge de artikelen 321, 322 of 364 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor beslag vatbaar zijn, is niet relevant; zie voor de beperkingen die de publieke bestemming de eigenaar van een zaak oplegt, artikel 14 met de toelichting daarop. Een aandeel in een overdraagbaar goed is zelf ook in beginsel vatbaar voor overdracht, en kan mitsdien worden verpand of verhypothekeerd; voor de gevolgen daarvan zij verwezen naar artikel 175 e.v. met de toelichting daarop.

  1300. Artikel 229 behelst de regeling inzake de zgn. zaaksvervanging bij de zekerheidsrechten in het algemeen. In dit geval is deze rechtsfiguur beperkt tot vervanging van een, verpand of verhypothekeerd, goed door een vordering tot vergoeding daarvan. Niet valt daaronder derhalve "vervanging" door de verkoopprijs of "vervanging" van een vordering door het daarop geïnde bedrag - voor dit laatste geldt de beperkte regeling van artikel 246 lid 5. Een zaak die verpand of verhypothekeerd is, kan schade oplopen of tenietgaan, terwijl de rechthebbende daardoor recht op gehele of gedeeltelijke vergoeding krijgt, in het bijzonder als gevolg van verzekering of in de vorm van een vordering uit onrechtmatige daad. Een verpande vordering kan oninbaar blijken, terwijl het risico daarvan is gedekt door kredietverzekering. Een pand- of hypotheekrecht op een aandeel in een gemeenschap kan door de werking van artikel 177 lid 1, verloren gaan, terwijl de deelgenoot verlies van zijn aandeel ziet gecompenseerd uit een vordering wegens onder bedeling. In al deze en in eventuele andere gevallen treedt een vordering in de plaats van het verpande of verhypothekeerde goed. Artikel 229 lid 1, bepaalt nu dat op deze vordering van rechtswege een pandrecht rust ten behoeve van de (vroegere) pand- of hypotheekhouder op het goed. Dit wettelijk pandrecht behoeft niet te worden gevestigd - van rechtswege zijn daarop de regels van een bestaand pandrecht op een vordering van toepassing, in het bijzonder ook artikel 246; lid 1 daarvan geeft aan dat de wettelijke pandhouder alleen na mededeling aan de schuldenaar tot inning bevoegd is. Rust(te) op het beschadigde of tenietgegane goed meer dan één pand- of hypotheekrecht, dan worden zij met behoud van hun onderlinge rangorde vervangen door pandrechten op de vervangende vordering. Lid 2 van het artikel bakent daarnaast de rang van het wettelijk pandrecht af tegenover die van een gewoon, gevestigd pandrecht: het wettelijk pandrecht gaat boven het gevestigde. Dat geldt niet slechts wanneer de vordering na haar ontstaan wordt verpand, maar ook wanneer op haar, als toekomstig goed, een pandrecht was geleverd, dat dan met haar ontstaan als gevestigd geldt, een situatie die zich in het bijzonder voordoet bij bedrijfskredieten, wanneer alle vorderingen ter zake van het bedrijf bij voorbaat zijn verpand. De voorrang van het wettelijk pandrecht wordt daardoor gerechtvaardigd dat de vordering als verhaalsobject voor anderen in het geheel niet zou ontstaan, wanneer niet het tot zekerheid gegeven goed voor de pand- of hypotheekhouder in waarde was gedaald of verloren gegaan. Het huidige recht kent geen regels omtrent wettelijke zaaksvervanging als die welke in artikel 229 zijn vervat. Wel kan volgens artikel 363 van het Wetboek van Koophandel een hypotheekhouder met werking tegenover de verzekeraar bedingen dat deze hem, en niet de verzekerde, de verzekeringspenningen uitkeert tot het bedrag van zijn vordering. Bij invoering van artikel 229 wordt deze, beperktere, bepaling overbodig en kan zij vervallen. 2024 -504- No. 164

  1301. Artikel 230 vervangt de huidige artikelen 1190 (pand) en 1193 lid 1 (hypotheek). Het artikel brengt mee dat wanneer de schuldenaar slechts een deel der vordering aan de pand- of hypotheekhouder voldoet, het pand- of hypotheekrecht onaangetast blijft; is dat op meer dan een goed gevestigd, dan wordt niet een deel daarvan, naar evenredigheid, uit de last van het pand of de hypotheek ontslagen. Deze lijn wordt doorgetrokken naar het geval waarin er meer dan een schuldeiser of schuldenaar is: wordt een der schuldeisers voldaan of betaalt een der schuldenaren zijn (aandeel in de) schuld, dan blijft niettemin het pand- of hypotheekrecht in zijn geheel op alle verbonden goederen rusten. Men lette hier op het slot der bepaling: "en de verbintenis tussen hen wordt verdeeld". Zolang de vordering in een gemeenschap valt, geldt in beginsel artikel 170 lid 2 (met als uitzondering lid 1) en wordt betaling slechts voor de gemeenschap geïnd en ontvangen (zie ook artikel 6:15). Is echter de vordering verdeeld, dan kan elk der schuldeisers zelfstandig executeren en blijft het pand- of hypotheekrecht voor het niet-geëxecuteerde ten behoeve van de andere schuldeisers in stand. Het artikel is niet van dwingend recht: als alle betrokken partijen daaraan meewerken, kan van de regel worden afgeweken.

  1302. Artikel 231 Pand en hypotheek zijn afhankelijke, accessoire, rechten: zij kunnen slechts bestaan in verbondenheid met een vordering tot welker zekerheid zij strekken. Zij kunnen niet, zoals zelfstandige rechten, worden overgedragen, en gaan in beginsel van rechtswege met de vordering over. Cessie van een vordering waarvoor hypotheek is gesteld, kan dan ook, als een rechtshandeling die een verandering in de rechtstoestand van de hypotheek brengt, in de openbare registers worden ingeschreven. Zo ook betaling van een vordering die subrogatie meebrengt. Evenzeer geldt verpanding van zulk een vordering als een rechtshandeling die voor de rechtstoestand van de hypotheek van belang is. Zie artikel 17 lid 1 onderdeel a. Dat de afhankelijkheid van het zekerheidsrecht niet vereist dat de vordering waarvan zij afhankelijk is, bij de vestiging van het recht reeds bestaat, volgt uit de eerste zin van lid 1: ook toekomstige vorderingen kunnen tevoren reeds door pand en hypotheek worden gedekt, derhalve ook als nog geen rechtsverhouding bestaat waaruit zij te zijner tijd zullen voortspruiten (vgl. de toelichting op artikel 97, waarin de toekomstige vordering in ander verband, namelijk als voorwerp van overdracht, ter sprake komt). De vraag of krediet-, bank- en saldohypotheek geldig gevestigd kunnen worden, wordt aldus ondubbelzinnig in de wet zelf beantwoord. Wel is volgens lid 2 vereist dat de vorderingen waarvoor zekerheid is gesteld, voldoende bepaalbaar moeten zijn: de overeenkomst die als titel voor pand of hypotheek dient, zal, in het bijzonder wanneer het op executie aankomt, in combinatie met de dan bestaande gegevens moeten kunnen uitwijzen welke vorderingen door het zekerheidsrecht worden gedekt. Wijzigingen ten aanzien van de aard of het bedrag van die vorderingen kunnen in de titel worden aangebracht zonder dat het pand- of hypotheekrecht zelf verandert, mits voor hypotheek binnen de grens door artikel 260 lid 1, derde zin, aangegeven. Laat de wet aldus vestiging van pand en hypotheek voor toekomstige vorderingen, mits voldoende bepaalbaar, toe, levering bij voorbaat van pand op toekomstige goederen is eveneens toegelaten, maar levering van hypotheek op toekomstige registergoederen niet - zie artikel 97 lid 1, j artikel 98. De tweede zin van lid 1 bevestigt dat pand en hypotheek niet alleen voor vorderingen op naam, doch ook voor vorderingen aan order of toonder kunnen worden gegeven, hetgeen in het bijzonder in het goederenvervoer voorkomt. De laatste zin van lid 1 geeft aan dat pand en hypotheek zowel door de schuldenaar zelf als door een derde kunnen worden gesteld: de artikelen 233 en 234 bevatten voor deze laatste bepaling nog enige regels. Derden pand en - hypotheek komen voor in familieverband en tot zekerheid voor de schulden van familievennootschappen, alsook in een concernverband van vennootschappen. Ook vervreemding van het onderpand geeft aanleiding tot derden pand of -hypotheek (behoudens het bepaalde in artikel 86 lid 2). Lid 3 van artikel 231 is van belang voor de zekerheidsverschaffing aan internationale syndicaten. Men denke aan het geval dat een onderneming geld leent van meerdere banken. Tot zekerheid voor de terugbetaling verschaft de onderneming een zekerheidsrecht aan een “special purpose vehicle” (zie de toelichting bij artikel 95 lid 3). Een en ander leidt tot een splitsing tussen schuldeiser(s) en zekerheidsgerechtigde. 2024 -505- No. 164

  1303. Artikel 232 bevatte in de vaststellingswet van Boek 3 van het Nederlandse BW een bepaling die de figuur van de trusthypotheek in een nieuwe vorm, met gebruikmaking van de rechtsfiguur van het bewind, zou regelen. Het artikel is echter (nog) niet ingevoerd, omdat het verband houdt met de "ontkoppelde" titel 3.6 inzake het bewind. Wel is het artikel voor invoering te zijner tijd gereserveerd.

  1304. Artikel 233 geeft, meer gedetailleerd en mede ten opzichte van de derde pandgever, weer wat artikel 1235 thans ten aanzien van de aansprakelijkheid en het vergoedingsrecht van de derde hypotheekgever bepaalt. Lid 1 geeft een regel van aansprakelijkheid, indien de waarde van de zekerheid door schuld van de derde of van iemand voor wie deze aansprakelijk is, is verminderd, lid 2 geeft hem een vergoedingsrecht indien die waarde door zijn toedoen is vermeerderd, in beide gevallen voor zover de positie van de pand- of hypotheekhouder daardoor wordt beïnvloed. De kern van lid 1 van artikel 234 is in het huidige artikel 1228 te vinden: de derde hypotheekgever kan verlangen dat eerst een verhypothekeerd goed van de schuldenaar zelf wordt uitgewonnen. In lid 1 is een soortgelijke bevoegdheid mede toegekend aan de derde pandgever. Niet langer wordt de eis gesteld dat de eigen, mede verbonden, goederen van de schuldenaar "klaarblijkelijk voldoende (zijn) om daaraan d(i)e schuld te verhalen" - een eis die de toepassing van het artikel in de praktijk te veel hindert. Lid 2 beschermt op analoge wijze de beperkt gerechtigde wiens recht de executerende pand- of hypotheekhouder niet behoeft te eerbiedigen. Meestal is dat een later dan het pand of de hypotheek gevestigd recht, maar daarop bestaan uitzonderingen - zie de artikelen 177 lid 3, 229 lid 2, 238 lid 2, 242 en 262; vgl. ook artikel 261. Lid 3 geeft een regeling over de procedurele aspecten. De kantonrechter wordt hier als de bevoegde rechter aangewezen. Tot slot zij nog herinnerd aan artikel 1456 van het huidige BW, dat eveneens tot strekking heeft onder andere de derde pand- en hypotheekgever te beschermen, en wel in het geval de schuldeiser tot compensatie bevoegd is. De inhoud van dit artikel zal in gemoderniseerde vorm in artikel 6:139 overgaan.

  1305. Artikel 235 geeft weer hetgeen thans voor het pandrecht artikel 1184 en voor het hypotheekrecht artikel 1207 lid 1, bepalen; zie HR 19-5-1995, NJ 1996, 119. De daarin vervatte regel onderscheidt het pand- en hypotheekrecht uiteraard principieel van het eigendomsvoorbehoud, maar wel wordt artikel 1184 thans algemeen als van overeenkomstige toepassing op de eigendom tot zekerheid beschouwd. Wanneer de pand- houder tot executie bevoegd wordt, kan wél worden bereikt dat het onderpand aan de pandhouder zal verblijven, maar slechts onder rechterlijke controle en tegen een door de rechter bepaalde prijs (artikel 251). Afdeling 2 - Pandrecht Binnen de afdeling kunnen worden onderscheiden de bepalingen die in hoofdzaak betrekking hebben op de vestiging van de verschillende soorten pandrecht (artikelen 236 tot en met 240), op de wederzijdse bevoegd- heden van pandgever en pandhouder (artikelen 241 tot en met 247) en het einde van het pandrecht, in het bijzonder door executie (artikelen 248 tot en met 258). Verreweg de belangrijkste afwijking van het huidige recht bestaat uit de regeling van het stille pandrecht op zaken en op rechten aan toonder (artikel 237) en dat op andere rechten (artikel 239).

  1306. Artikel 236 bepaalt welke leveringshandelingen voor de vestiging van een openbaar pandrecht zijn vereist, een pandrecht derhalve waarvan naar buiten blijkt, in tegenstelling tot het "stille pandrecht" van de artikelen 237 en 239. De vereiste leveringshandeling daartoe is dat volgens lid 1 voor een pandrecht op zaken en rechten aan order en toonder, alsmede op het vruchtgebruik van zulke goederen, de zaak of het papier buiten de macht van de schuldenaar wordt gebracht, derhalve in de macht van de schuldeiser of een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen - vandaar de benaming vuistpandrecht. Voor vestiging van een pandrecht op een recht aan order (of op het vruchtgebruik daarvan) is daarnaast endossement vereist. 2024 -506- No. 164 Zijn voor verscheepte zaken met instemming van de eigenaar verhandelbare cognossementen in het verkeer gebracht, dan is de eigenaar der zaken met werking tegen allen die daarvan op de hoogte zijn, niet meer bevoegd tot verpanding van die zaken anders dan door die cognossementen in de macht van de pandhouder (of een derde) te brengen, aldus HR 26-11-1993, NJ 1995, 446, met een beroep op vervoersrechtelijke wets- bepalingen met het oog op de rechtszekerheid die, vereist in het belang van het internationale handelsverkeer. Dit is alleen anders indien de bevoegdheid ertoe en de vordering waarvoor zij wordt uitgeoefend, uit de cognossementen zelf blijkt. Wordt het pandrecht niettemin onbevoegdelijk gevestigd, dan kan artikel 238 van toepassing worden. Overeenkomstig huidig recht is lid 2, dat voor openbaar pandrecht op andere goederen de vereisten doet gelden die voor levering van zulke goederen ter zake van overdracht worden gesteld. Voor levering van het pandrecht op rechten, waaronder vorderingen, op naam wordt men derhalve verwezen naar artikel 94 - akte en mededeling: zie artikel 1183 van het huidige BW - enz. Het artikel beperkt zich tot het voorschrijven van de vereiste leveringshandelingen. Voor de overige vereisten zie men artikel 98, dat de bepalingen van titel 3.4.2 van overeenkomstige toepassing verklaart, zoals de artikelen 83, 84 en 88; artikel 238 bevat voor de gevolgen van onbevoegdheid van de pandhouder een eigen regeling in de plaats van artikel 86, artikel 239 lid 4 geeft een bijzondere regel bij artikel 88. Voorts is van overeenkomstige toepassing artikel 97, zodat ook openbaar pandrecht op toekomstige (niet-register) goederen is toegelaten - men zie de toelichting op dat artikel. De regeling is in beginsel dezelfde als die welke thans geldt: zie onder meer de artikelen 1182, eerste en lid 2 en artikel 1182bis.

  1307. Artikel 237 regelt de vestiging van het zgn. stille pandrecht op zaken en rechten aan toonder (niet aan order) en op het vruchtgebruik daarvan. Dit pandrecht, waarbij die zaken en papieren in de macht van de pandhouder blijven, is een zekerheidsrecht dat slechts in een enkel opzicht bij het vuistpandrecht ten achter staat. Voordat de zaak buiten de macht van de pandgever is gebracht, kan de pandhouder niet executeren, en is het pandrecht ongeldig als de pandgever onbevoegd is (zie artikel 238). Voorts verkeert het stille pandrecht ten opzichte van het openbare in een ongunstiger positie tegenover enkele voorrechten (zie de artikelen 284 lid 2 en 285 lid 2) en tegenover het reclamerecht (zie artikel 7:42 lid 2). Zie ten slotte artikel 258 lid 1. Lid 1 verlangt als leveringshandeling een akte. De akte kan eenzijdig van de pandgever afkomstig zijn, de aanvaarding door de pandhouder moet dan uit diens gedragingen blijken (vgl. de toelichting op artikel 94). Lid 2 stelt nog als vereiste voor de akte een verklaring van de pandgever omtrent zijn beschik- kingsbevoegdheid en omtrent eerdere rechten die al op de goederen rusten. Een verklaring die niet juist is, tast op zichzelf de geldigheid der verpanding niet aan, doch kan wel tot strafsancties leiden. Voor toekomstige goederen zullen moeten worden opgegeven de rechten van derden die op het tijdstip der levering bekend zijn. Lid 3 geeft aan welke mogelijkheid de pandhouder heeft om het stille pandrecht in een vuistpand "om te zetten", met de consequenties daarvan die hierboven zijn aangeduid. De bevoegdheid daartoe bestaat alleen bij (dreigend) tekortschieten van de schuldenaar. Vruchten en beplantingen die nog niet van de grond zijn afgescheiden, kunnen als toekomstige zaken worden vervreemd en - derhalve ook - verpand (vgl. de toelichting op artikel 9). Lid 4 geeft de weg aan waarlangs de pandhouder zijn stille pandrecht op deze toekomstige zaken eveneens kan doen omzetten in een vuistpand, uiteraard zolang de pandgever ten tijde van de oogst nog beschikkingsbevoegd - en dus bijvoorbeeld niet failliet - is. Is de pandgever zakelijk gerechtigde op de grond, dan kan de van de rechter verkregen machtiging tot oogsting in de openbare registers worden ingeschreven (artikel 17). Inschrijving heeft weliswaar geen "zakelijke werking" tegen een opvolger van de pandgever in diens recht op grond, maar geldt als waarschuwing voor de opvolger; zo zal hij zich niet kunnen beroepen op zijn goede trouw als hij aan een paulianeuze overdracht van de grond meewerkt. Lid 5 geeft aan dat de daartoe vereiste rechterlijke machtiging niet voor een hogere voorziening vatbaar is. 2024 -507- No. 164 Het stille pandrecht heeft dezelfde strekking als en komt naast de eigendom tot zekerheid, de uit het geldende recht gehandhaafde rechtsfiguur, die niet als zodanig door de wet wordt geregeld. Van het Nederlandse artikel 237 verschilt het onderhavige artikel in zoverre dat in lid 1 niet de eis wordt gesteld dat de akte authentiek of, indien onderhands, geregistreerd moet zijn. Het belang van dit vereiste is niet zo groot dat het opweegt tegen de last die de uitvoering daarvan, mede op de registratie, legt. Ook artikel 238 heeft betrekking op het pandrecht op zaken die geen registergoed zijn en op vorderingen aan toonder - alsmede, anders dan het vorige, op vorderingen aan order - en het vruchtgebruik op zulke zaken en vorderingen. Lid 1 geeft aan wanneer een pandrecht geldig wordt gevestigd ondanks het ontbreken van de be- schikkingsbevoegdheid van de pandgever. Voor het pandrecht vormt het aldus de lex specialis ten opzichte van artikel 86 lid 1, j artikel 98. Evenals daar treedt voor het vereiste van de beschikkingsbevoegdheid in de plaats het vereiste van de goede trouw van de verkrijger - hier: de pandhouder. Deze goede trouw moet bestaan op het tijdstip waarop het pand buiten de macht van de pandgever wordt gebracht, hetzij conform artikel 236 lid 1, hetzij op grond van artikel 237 lid 3, in het laatste geval ook wanneer het dan een medepandhouder is die de zaak in zijn macht brengt. Uit dit vereiste vloeit voort dat een onbevoegde pandgever geen stil pandrecht kan vestigen, althans zulk een pandrecht kan pas ontstaan wanneer het omslaat in vuistpand, en het zal, indien het inderdaad geldig wordt, zijn rang ook eerst aan dat tijdstip ontlenen. Lid 2 vormt de tegenhanger van artikel 86 lid 2 dat in geval van geldige overdracht door een beschikkingsonbevoegde de op de zaak of het recht gevestigde beperkte rechten - zoals een pandrecht - doet vervallen. Artikel 238 lid 2 gaat minder ver, doordat het dat oudere beperkte recht niet doet vervallen, doch in rang achterstelt bij het nieuwe, van de onbevoegde pandhouder verkregen, pandrecht van artikel 238 lid 1 - aldus kan bij wijze van uitzondering een ouder pandrecht door een jonger in de rangorde worden verdrongen. Uiteraard is daartoe, evenals in artikel 86 lid 2 vereist dat de pandhouder van artikel 238 lid 1 ook ten aanzien van het bestaan van deze rechten te goeder trouw is, dat wil zeggen hen niet kende en ook niet behoefde te kennen. Lid 3 verklaart enige regels die een bestolene beschermen tegen verlies van zijn recht als gevolg van artikel 86 lid 1 van overeenkomstige toepassing als op de gestolen zaak een pandrecht wordt gevestigd dat voldoet aan de vereisten van artikel 238 lid 1. De kern van de thans voorgestelde regels is in het huidige wetboek te vinden in artikel 1182 lid 5. In het huidige recht komt de verpanding van vorderingen op naam in de praktijk minder voor dan de cessie tot zekerheid. De reden daarvoor is dat de eerste voor haar totstandkoming kennisgeving vereist (artikel 1183) en de laatste niet, hetgeen de zekerheidscessie soepeler maakt. In het nieuwe Nederlandse recht is deze "stille" zekerheidscessie thans bij artikel 84 lid 3 uitgesloten, maar hier te lande wordt voorgesteld haar door de uitdrukkelijke bepaling van artikel 94 lid 3 te handhaven; zie omtrent dit alles de toelichting bij de artikelen 84 en 94. In de Nederlandse wet is nu in artikel 239 in plaats van de stille zekerheidscessie een regeling van de stille verpanding van vorderingen opgenomen; hier te lande kan zij worden overgenomen als instelling naast de zekerheidscessie. Uiteraard vertonen de regelingen grote onderlinge gelijkenis. Zo beperken beide de vatbaarheid van toekomstige vorderingen voor de vestiging van het zekerheidsrecht tot vorderingen die recht- streeks worden verkregen uit een op het tijdstip der vestiging reeds bestaande rechtsverhouding, zoals de vordering tot toekomstige huursommen uit een overeenkomst van verhuur. Daarbij moet dan nog in het oog worden gehouden dat verpanding van zulke toekomstige vorderingen niet verhindert dat zij, wanneer zij verschijnen op of na de datum van het faillissement van de pandgever, niettemin in diens boedel zullen vallen - aldus volgt uit artikel 20 van de Faillissementswet 1935; zie HR 30-1-1987, NJ 1987, 530, en HR 10-1-1992, NJ 1992, 744, alsmede de toelichting op de artikelen 84 lid 1, inzake beschikkingsbevoegdheid, en 98, inzake de cessie van toekomstige vorderingen. 2024 -508- No. 164 Het vereiste van beschikkingsbevoegdheid voor de (zekerheids-)cessie heeft ook geleid tot de praktijk van "cessielijsten": de cedent is verplicht regelmatig aan de kredietgever op te geven welke vorderingen hij in de afgelopen periode heeft verkregen ten einde hen, als bestaande vorderingen, onder de werking der cessie te brengen. In geval van stille verpanding van vorderingen zal dit tot indiening van pandlijsten leiden. Zolang het stille pandrecht nog niet door mededeling aan de schuldenaar van de pandgever in een opeisbaar pandrecht is omgezet, heeft het nog niet in alle opzichten de kracht van zulk een openbaar pandrecht. Zie daartoe, behalve lid 4 hierna, in het bijzonder artikel 246: aan de pandhouder ontbreekt dan nog de bevoegdheid tot inning en hetgeen daarbij behoort, en het pandrecht komt niet op het geïnde bedrag te rusten; zie daaromtrent verder de toelichting op artikel 246. De leden 2 en 3 zijn analoog aan de leden 2 en 3 van artikel 237. Alleen geeft het slot van lid 3 aan dat partijen kunnen overeenkomen dat de verpanding onder andere omstandigheden dan een dreigend tekortschieten mag worden meegedeeld. Lid 4 legt verband met artikel 88, dat onder andere de pandhouder beschermt die zijn recht ontleent aan een onbevoegde pandgever, mits aan een aantal vereisten is voldaan. Tot deze vereisten behoort de goede trouw van de pandhouder. Lid 4 preciseert dat deze bescherming - de geldigheid van het pandrecht - alleen wordt verleend als de pandhouder te goeder trouw is ten tijde van de mededeling aan de schuldenaar; met andere woorden een nog stil pandrecht, ontleend aan een onbevoegde pandgever, is onbestaanbaar. Vgl. artikel 238 lid 1, slot, voor stil pand op roerende zaken en vorderingen aan order en toonder. Het artikel komt grotendeels overeen met artikel 239 van het Ned. BW, doch verschilt daarvan in zoverre dat in lid 1 niet is opgenomen het vereiste dat de vestigingsakte authentiek of, indien onderhands, geregistreerd moet zijn - zie hieromtrent de slotopmerking in de toelichting op artikel 237. In Nederland is dit vereiste trouwens in zijn betekenis beperkt door HR 14-10-1994, NJ 1995, 447.

  1308. Artikel 240 is analoog aan artikel 96; er is behoefte aan, omdat de artikelen 236 lid 1, 237 en 239 eigen bepalingen omtrent de wijze van vestiging van pandrecht geven. Over pandrecht op een aandeel zie men ook de artikelen 175, 176 lid 1, 177, 178 lid 1 en 190 lid 2 uit titel 3.7.

  1309. Artikel 241: een pandgever kan in het bijzonder behoefte hebben aan een verklaring van de pandhouder omtrent de aard en grootte van diens vordering, wanneer hij voornemens is een tweede of volgend pandrecht op het verbonden goed te vestigen - uit de verklaring kan de (aanstaande) tweede pandhouder dan opmaken, welk risico hij loopt (vgl. bij hypotheek artikel 260 lid 1, tweede en derde zin).

  1310. Artikel 242 geeft een regel omtrent herverpanding, het geval dat niet de pandgever, doch de pandhouder, een nieuw pandrecht vestigt op het verpande goed. De pandhouder is daartoe slechts bevoegd als die bevoegdheid hem ondubbelzinnig is verleend - een regel die overeenkomt met hetgeen, zonder wetstekst, ook voor het huidige recht wordt aanvaard. Geschiedt de herverpanding zonder deze bevoegdheid, dan kan ze alleen geldig zijn, indien ze voldoet aan de daartoe bij de artikelen 238 en 88 j 239 lid 4 gestelde vereisten. Vestigt de pandgever een tweede pandrecht, dan komt dit in rang na het eerste, bij herverpanding door de pandhouder wijkt echter diens pandrecht voor het nieuw gevestigde. Herverpanding is onder de naam herbelening en herprolongatie vanouds gebruik in de effectenhandel. Door de herverpanding op zichzelf blijft de eigendom van het onderpand bij de (oorspronkelijke) pandgever - de clausule "zonder nummerverantwoording" bij herbelening heeft tot gevolg dat dit recht verloren is gegaan als het herbeleende effect niet meer terugkeert in de macht van de pandhouder/herbelener.

  1311. Artikel 243 lid 1, legt op de pandhouder en een derde (zie de artikelen 236 lid 1 en 237 lid 3) de verplichting tot zorg voor de zaak die hij uit hoofde van het pandrecht onder zich heeft - derhalve niet alleen een verpande zaak, doch ook bijvoorbeeld het papier aan order of toonder dat het hem verpande recht vertegenwoordigt. Lid 2 geeft de pandhouder aanspraak op vergoeding van de kosten van behoud - ook bijvoorbeeld die van terugvordering na diefstal - en onderhoud, die hij ook bij executie met voorrang op het verpande goed kan 2024 -509- No. 164 verhalen. De regel is voor hem iets minder royaal dan artikel 120 voor de bezitter te goeder trouw: deze laatste heeft in de mening verkeerd dat hij uitgaven aan zijn eigen goed besteedde, de pandhouder wist dat een ander rechthebbende was. Vandaar de beperking in de tweede zin van lid 2. Het artikel stemt vrijwel overeen met het huidige artikel 1187, afgezien van het weinig duidelijke onderscheid dat dit maakt tussen nuttige en noodzakelijke onkosten. Is pandrecht gevestigd tot zekerheid van een bepaalde vordering, en is op die vordering krachtens beding of wet rente verschuldigd, dan geldt op grond van artikel 244 het pandrecht (zonder andersluidend beding) mede ter dekking van die rente verschuldigd over ten hoogste drie jaar. Bij bank- of kredietpand rust het pand niet op bepaalde vorderingen, maar op een collectiviteit daarvan, waaronder de rentevorderingen zijn begrepen. Onder het bestaande recht ontbreekt voor het pandrecht een wettelijke regeling van deze aard, anders dan bij hypotheek (artikel 1213).

  1312. Artikel 245 is analoog aan het voor vruchtgebruik geldende artikel 218. Zie voor het huidige recht (slechts) artikel 1182 lid 4. De rechterlijke uitspraak die wordt verkregen, als aan de vereisten van het artikel is voldaan, bindt pandgever en pandhouder als partijen. Onverschillig is of het pandrecht openbaar dan wel stil is gevestigd.

  1313. Artikel 246 regelt de bevoegdheidsverdeling tussen de pandhouder en de pandgever van vorderingen. De, ook praktisch, belangrijkste kwestie is die van de bevoegdheid tot inning, inclusief de bevoegdheid om betaling in ontvangst te nemen. Lid 1 wijst daartoe aan de pandhouder, mits de verpanding aan de debitor cessus is mee- gedeeld, en, zolang de verpanding nog "stil" is, de pandgever. Betaling aan de bevoegde pandhouder zal gewoonlijk het gevolg van artikel 255 hebben: de pandhouder kan uit het betaalde zijn eigen opeisbare vordering voldoen; is die vordering nog niet opeisbaar, dan komt, door zaaksvervanging, het pandrecht op het geïnde te liggen (artikel 246 lid 5). Ook verrekening is mogelijk als wordt betaald via de rekening die de pandgever bij de pandhouder - veelal immers een bank - aanhoudt. De bevoegdheidsverdeling geldt ook in het faillissement van de pandgever. Een betaling op de verpande vordering voordat de verpanding aan de debitor cessus is meegedeeld, valt dan in de failliete boedel, ook al is de betaling geschied op de rekening van de pandgever bij de pandhouder. Wél behoudt deze laatste zijn voorrang - naar analogie van artikel 54 lid 1, tweede zin, van de Faillissementswet 1935 - en ook zijn recht tot verrekening, maar hij deelt in de omslag van de faillissementskosten, aldus HR 17-2-1995, NJ 1996, 471. Onder het bestaande recht is voor de cessie tot zekerheid door HR 29-1-1993, NJ 1994, 171, in een soortgelijk geval uitgemaakt dat nu de vordering vóór het faillissement door de cessie aan de bank was overgedragen, het de bank was, en niet de cedent, die recht had op het betaalde; of artikel 246, leden 1 en 5, voor analogische toepassing op de zekerheidscessie vatbaar is, is een vraag die onder het huidige recht niet aan de orde kan komen. Hetgeen de "inningsbevoegdheid" inhoudt, wordt omschreven in lid 1: de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming (betaling) te eisen - inclusief de daartoe nodige executiemaatregelen te nemen of uit te lokken - en om betalingen in ontvangst te nemen. Omgekeerd kan de schuldenaar in beginsel slechts bevrijdend betalen aan degene die inningsbevoegd is (zie voor de uitzonderingen de artikelen 6:32 en 6:34; vgl. de artikelen 1406 en 1407 van het huidige BW). Van de schuldenaar die na de mededeling aan de pandhouder betaalt, wordt niet verlangd na te gaan of de pandhouder ingevolge artikel 239 lid 3 wel tot die mededeling bevoegd was; de enkele mededeling doet de inningsbevoegdheid overgaan. Lid 2 voegt aan de inningsbevoegdheid nog een tweede bevoegdheid toe: die tot opzegging, als de vordering daardoor opeisbaar kan worden gemaakt - waarbij de tweede zin waakt tegen misbruik; de sanctie is schadevergoeding. 2024 -510- No. 164 Ook als de inningsbevoegdheid op de pandhouder overgaat, verblijven de andere bevoegdheden uit de schuldvordering dan die tot opzegging, zoals die tot kwijting en het overeenkomen van een betalingsregeling, bij de schuldeiser-pandgever. Voor de belangen van de pandhouder waakt in dat geval artikel 45 (zie ook artikel 48, als de pandgever een derde is). Overgang van de inningsbevoegdheid op de pandhouder beschermt deze niet altijd tegen compensatie (verrekening) door de schuldenaar met een vordering op de pandgever (vgl. artikel 6:130). Lid 3 wijst bij uitsluiting de hoogst gerangschikte pandhouder aan als degene die tot uitoefening van de bevoegdheden van de leden 1 en 2 gerechtigd is, indien volgens lid 1 meer dan een hunner in aanmerking zou komen. Lid 4 doet de bevoegdheden van de leden 1 en 2 niet geheel voor de pandgever teloorgaan, als zij op de pandhouder overgaan: door gebruikmaking van deze bepaling kan de pandgever alsnog voor eigen belangen waken - zijn aldus verkregen bevoegdheid doet echter op zichzelf niet af aan die van de pandhouder. Lid 5 ten slotte geeft, naast artikel 229, een belangrijk geval van zaaksvervanging: bij inning door de pandhouder of ingevolge lid 4 door de pandgever, komt het pandrecht op het geïnde te rusten - meestal uiteraard een geldsom, maar het kan ook bijvoorbeeld een gekochte of aanbestede zaak zijn. Is het een geldsom die contant is betaald of op een rekening is bijgeschreven, dan behoort in beginsel dat bedrag afgezonderd te worden gehouden van het overig vermogen van de pandhouder of pandgever. Een eenvoudiger mogelijkheid tot afwikkeling biedt echter artikel 255 de pandhouder. Betaalt de schuldenaar aan de pandgever omdat de vordering op hem stil verpand is en die verpanding hem (nog) niet is meegedeeld, dan is daardoor dat pandrecht vervallen, en valt het geïnde zonder meer in het vermogen van de schuldeiser - van zaaksvervanging ten behoeve van de pandhouder is dan geen sprake. Met betrekking tot het stemrecht dat aan een verpand goed is verbonden, geeft artikel 247 dezelfde regeling als artikel 219 voor het stemrecht, verbonden aan een goed waarop vruchtgebruik rust. Naar de toelichting bij dat artikel zij hier verwezen.

  1314. Artikel 248 De artikelen 248 tot en met 255 bevatten de regeling omtrent het verhaal dat de pandhouder door executie op het hem verbonden goed kan nemen. De regeling krijgt nog enige uitwerking in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bijvoorbeeld in de regel dat de hoogst gerangschikte pandhouder een door een andere schuldeiser begonnen executie kan overnemen (zie artikel 461a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor- dering). Karakteristiek voor de positie van de pandhouder, evenals voor die van hypotheekhouder, is dat hij het recht van parate executie heeft, dat wil zeggen dat hij zich op het hem verbonden goed kan verhalen zonder daartoe door een vonnis te zijn gemachtigd; in het faillissement van de schuldenaar is hij separatist - hij vervolgt zijn recht buiten de curator om en de faillissementskosten komen niet te zijnen laste, en ook surséance van betaling raakt hem niet. Aldus, in overeenstemming met artikel 1185 van het huidige BW, voor de pandhouder lid 1 van het onderhavige artikel. Voor het overige verschilt de uitwerking in details van die in het huidige recht, onder andere omdat wordt aangesloten bij het criterium van "verzuim" dat in Boek 6, meer gepreciseerd dan in het tegenwoordige recht, een definiëring zal vinden (vgl. de artikelen 6:81 e.v.). Een verschil met artikel 1185 BW is, dat dit laatste rekening houdt niet alleen met verzuim van de schul- denaar, doch ook met handelingen van de eventuele derde pandgever die de waarde van het verpande goed aantasten. Aan zo'n voorziening bestaat geen behoefte: pandhouders plegen te bedingen dat hun vordering in geval van ernstige waardevermindering, ook buiten ieders schuld, zoals door plotselinge koersdaling van verpande effecten, opeisbaar wordt, zodat het dan van de houding van de schuldenaar afhangt of het tot execu- tie komt. De normale wijze van executie is, aldus lid 1, verkoop van het verpande goed, en wel in beginsel in het openbaar (artikel 250); voor pand op geld en vorderingen is verkoop uiteraard niet de meest praktische weg - zie daaromtrent de artikelen 246 en 255. 2024 -511- No. 164 Is in beginsel het intreden van verzuim door de schuldenaar het sein dat aangeeft wanneer executie een aanvang kan nemen, óf er sprake is van verzuim, is niet altijd ondubbelzinnig duidelijk; wegens de gevolgen die zulke onzekerheid kan meebrengen, laat lid 2 partijen toe te bedingen dat executie alleen kan geschieden nadat de rechter het bestaan van het verzuim heeft vastgesteld (vgl. artikel 1186 van het huidige BW). Lid 3 past in de gedachte van het zakenrecht dat het recht en de belangen van een hoger gerangschikte beperkt gerechtigde niet kunnen worden aangetast door een lager gerangschikte gerechtigde. Een eerste pandrecht wordt niet verjaagd als gevolg van executie door een tweede pandhouder, evenmin als een vruchtgebruik dat eerder dan het pandrecht is gevestigd. Als regel gaat een ouder pandrecht boven een jonger, doch voor uitzonderingen zie men de artikelen 177 lid 3 229 lid 2 238 lid 2 en 242. Er is hier verschil met executie door een lager gerangschikte hypotheekhouder, die het verbonden registergoed ook van hoger gerangschikte hypotheken zuivert (artikel 273); de meer formele regeling van de afwikkeling der hypotheek met de daarbij behorende zuivering waarborgt dat hierdoor geen belangen in de knel komen.

  1315. Artikel 249 regelt tweeërlei; de aanzeggingsverplichting die rust op de pandhouder die voornemens is te executeren en de lossingsbevoegdheid van de schuldenaar of (derde-)pandgever, een andere beperkt gerechtigde, zoals een vruchtgebruiker, en een eventuele beslaglegger. De aanzeggingsverplichting, die het huidige recht niet kent, is van regelend recht. De aard der goederen kan afwijking in spoedgevallen wenselijk maken om terstond te kunnen verkopen, bijvoorbeeld effecten bij een plotselinge koersval. Voor het geval pandhouder noch schuldenaar of pandgever van alle relevante adressen op de hoogte is, is nog de zinsnede "voor zover dit .... redelijkerwijs mogelijk is" ingevoegd. De aanzeggingstermijn is op ten minste drie dagen gesteld, de wijze van aanzegging is schriftelijk, waaronder met het oog op de ontwikkeling der techniek in elk geval mede het telegram, de telex en de telefax worden verstaan, naast de gewone of aangetekende brief en het exploot (artikel 37 lid 2). De sanctie op lid 1 is niet ongeldigheid van de executoriale verkoop, doch schadevergoeding. Lossing van het verpande goed betekent dat het goed wordt verlost van het pandrecht van de pandhouder die wil executeren: diens recht vervalt. Andere gevolgen hangen af van de situatie. Lost de schuldenaar zelf, dan kan de plaats van het vervallen pandrecht bijvoorbeeld worden ingenomen door een opschuivend, oorspronkelijk tweede, pandrecht. De derde pandgever die lost, wordt gesubrogeerd in de rechten van de pand- houder jegens de schuldenaar; het pandrecht dat de gesubrogeerde vordering volgt, gaat dan door vermenging teniet, behoudens het bepaalde in artikel 81 lid 3 (artikel 6:150, onderdeel b; vgl. artikel 1423, onderdeel 3, van het huidige BW, overeenkomstig HR 22-11-1940, NJ 1941, 728). Onder het nieuwe recht zal ook degene die op het verpande goed een beperkt recht heeft, kunnen worden gesubrogeerd - zie artikel 6:150, onderdeel c: het pandrecht gaat dan op hem over. Hetzelfde geldt voor de beslaglegger: zie eveneens artikel 6:150, onderdeel c; vgl. artikel 1423, onderdeel 1, van het huidige BW. Het lossingsrecht is niet afhankelijk van de aanzegging: vgl. het huidige artikel 1403 en artikel 6:30. In lid 1 is de wijze van mededeling zelf opgenomen; de Nederlandse tekst verwijst hier naar een algemene maatregel van bestuur (Besluit van 22-8-1991, Stb. 433, met gelijke inhoud).

  1316. Artikel 250 geeft de hoofdregel van de wijze van executie aan: openbare verkoop, dan wel verkoop via markt of beurs voor goederen die aldaar verhandelbaar zijn, zoals effecten. Voor de openbare verkoop aldus ook thans artikel 1185. Verkoop over markt of beurs kwam reeds in artikel 1201 van het oude Nederlandse BW voor, zij het dat de tussenkomst van een tweetal makelaars was vereist. De bepaling verlangt niet dat deze verkoop hier te lande geschiedt. Voor de afwijkingen van de hoofdregel zie de artikelen 251 en 255. 2024 -512- No. 164

  1317. Artikel 251 lid 1, geeft in hoofdzaak weer hetgeen thans artikel 1186 lid 1 bepaalt: de rechter kan, op verzoek van een der partijen, bevelen dat het onderpand anders dan in het openbaar zal worden verkocht, dan wel aan de pandhouder zal verblijven tegen een door hem te bepalen bedrag. Niet zelden zal aldus het onderpand meer opbrengen dan bij openbare verkoop, hetgeen althans voor de pandgever en soms ook voor de pandhouder voordelig is. Uit de aanhef van het lid volgt dat de regeling van dwingend recht is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17-6-1994, NJ 1995, 367, beslist dat, althans in beginsel, tegen de beschikking van de rechter, conform artikel 268 lid 3 geen hogere voorziening is toegelaten. Voor het geval van verblijving is ingevoegd dat de positie van de pandhouder alsdan met die van een koper wordt gelijkgesteld; voor de afrekening heeft dit toepasselijkheid van artikel 253 tot gevolg. Lid 2 erkent de geldigheid van overeenkomsten tussen partijen omtrent een alternatieve verkoop, indien zij worden aangegaan op een tijdstip waarop de pandhouder tot executie bevoegd is; aldus reeds HR 17-1-1929, NJ 1929, 622. Overeenkomsten voordien zijn niet geldig, omdat misbruik van de sterkere positie van de pandhouder dan te zeer voor de hand ligt. Voor de tweede zin vergelijke men een bepaling als artikel 177: een beperkt gerechtigde, en ook een beslag- legger, moet in de gelegenheid zijn, zijn belang te beschermen. De inhoud van artikel 252 - de verplichting tot mededeling van de executie aan de schuldenaar, en eventueel derde pandgever - komt in hoofdzaak overeen met die van het huidige artikel 1186 lid 2. Het nieuwe artikel bevat echter regelend recht en houdt rekening met verhinderende omstandigheden, zoals onbekendheid met een adres; dit laatste spreekt temeer, nu het artikel voorschrijft ook andere beperkt gerechtigden van de executie op de hoogte te stellen. Zie voor de wijze van berichtgeving artikel 249 lid 1 en de toelichting daarop.

  1318. Artikel 253 Behalve het summiere slot van artikel 1185 bevat het huidige BW geen regeling omtrent de afwikkeling der executie, in het bijzonder de verdeling der koopsom, hetgeen kan leiden tot onbillijkheden en een doorkruising van het wettelijk systeem der rangorde. In de eerste plaats zijn de executerende pandhouder en de pandgever niet steeds de enige belanghebbenden bij de verdeling van de koopsom na executie. Al worden beperkte rechten die hoger gerangschikt zijn dan het pandrecht van de executant, bij de executie gerespecteerd, dat geldt niet voor de lager gerangschikte rechten, die door de executie vervallen, en evenmin voor beslagen die op het onderpand zijn gelegd door schuldeisers, zelfs indien hun vordering boven die van de pandhouder voorrang heeft. Al deze personen hebben er belang bij dat zij bij de verdeling van de koopsom worden betrokken en dat ieder daaruit ontvangt hetgeen hem overeenkomstig de rang van zijn vordering toekomt (waarbij in aanmerking moet worden genomen dat onder het nieuwe recht ook een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie vervalt, daarvoor in de plaats een bevoorrechte vordering verkrijgt - vgl. artikel 282). Lid 1 van artikel 253 houdt met deze belangen rekening door te verwijzen naar in artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op te nemen regels die de opening van een gerechtelijke rang- regeling mogelijk maken, zo de belanghebbenden onderling niet tijdig tot overeenstemming komen. Het ontbreken van een wettelijke regeling omtrent de afwikkeling der executie heeft nog een tweede onwenselijk gevolg: de wet verzet zich er niet tegen dat de executant zijn verplichting tot afdracht van het overschot der koopsom aan de pandgever in compensatie brengt met een tweede vordering op de pandgever die niet door het pand is gewaarborgd. Aldus verschaft hij zich voor zulke vordering, ook zonder enige voorrang, een feitelijke voorsprong boven andere schuldeisers, ook indien dezen wel een hoger recht hebben. Bovendien kan de pandhouder door de compensatiebevoegdheid uit te oefenen ook voor deze schulden buiten het faillissement en de surséance van betaling van de pandgever blijven (zie aldus voor faillissement HR 9-12- 1926, NJ 1927, 550). Daartegen richt zich lid 2 door de bevoegdheid tot compensatie uit te sluiten in de gevallen waarin deze tot nadeel van andere schuldeisers zou strekken.

  1319. Artikel 1189 lid 2 verschaft thans de pandhouder nog een retentierecht op het onderpand voor een tweede 2024 -513- No. 164 vordering tussen pandhouder en pandgever, aangegaan na het tijdstip der verpanding, die niet door het onderpand wordt gewaarborgd. In de nieuwe wetgeving keert dit niet als zodanig terug, omdat ook zo'n recht de rangorde tussen de schuldeisers zou doorbreken. Reeds nu staat dit "Gordiaanse" retentierecht bovendien niet sterk, omdat het door de executie van het onderpand vervalt en zich niet uitstrekt tot de koopsom die daardoor verschuldigd wordt (aldus HR 15-11-1909, W 8930). Of voor de tweede vordering een retentierecht geldt, wordt aan de algemene regeling daarvan in titel 3.10, mede in verband met die van de opschortingsrechten in Boek 6, overgelaten. Het huidige recht kent het begrip "hulpzaak" als een zaak die weliswaar geen bestanddeel van een andere zaak is, maar die er toch toe bestemd is een andere zaak te "dienen". Is zo'n hulpzaak op deze wijze gekoppeld aan een onroerende zaak, dan is zij ook zelf onroerend en wel door bestemming, mits zij aan de in artikel 563 van het BW gestelde vereisten voldoet. Het nieuwe recht laat deze categorie van zaken die door bestemming onroerend zijn vallen, omdat de onderscheiding in het algemeen meer problemen oproept dan oplost. In één opzicht echter heeft de bestemming tot onroerende zaak een praktisch positief gevolg, namelijk daarin dat zij een schuldeiser in staat stelt hypotheek op deze hulpzaken te bedingen en die hypotheek tezamen met die op de hoofdzaak te executeren: gezamenlijke executie zal gewoonlijk een hogere opbrengst en geringere kosten meebrengen dan afzonderlijke executie.

  1320. Artikel 254 beoogt dit praktische voordeel te handhaven, doch niet door het onroerend verklaren van hulp- zaken, doch door een speciale, alleen op pand en hypotheek toegesneden regeling, die inhoudt dat een gezamenlijke executie als boven bedoeld kan worden bedongen, ook al is op de hoofdzaak - als onroerend - hypotheek gevestigd, en op de hulpzaken - als roerend - pand. Een dergelijk beding verplicht niet tot zo'n gezamenlijke executie, en evenmin verhindert ze dat een andere schuldeiser als beslaglegger of pandhouder de hulpzaken afzonderlijk executeert - in artikel 461c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden geregeld dat de schuldeiser die het beding heeft gemaakt, alsdan de executie kan overnemen. Niet is vereist dat het beding gelijktijdig met het vestigen van hypotheek en pand wordt gemaakt, maar een later tot stand gekomen beding kan uiteraard niet worden tegengeworpen aan een schuldeiser aan wie een voordien gevestigd recht van pand of hypotheek toekomt. Lid 1 geeft aan welke vereisten aan het maken van het beding worden gesteld: een omschrijving van de "hulpzaken" waarvoor het beding geldt, verpanding overeenkomstig artikel 237, dat wil zeggen "stille" verpanding, alsmede de regel dat op de onroerende hoofdzaak voor dezelfde vordering hypotheek is gevestigd. De omschrijving der "hulpzaken" beantwoordt aan die welke de rechtspraak en literatuur uit artikel 563 afleiden, doch niet wordt verlangd dat het de eigenaar van zowel hoofdzaak als hulpzaken is die hun de bestemming heeft gegeven; in het beding zelf moet worden omschreven op welke zaken - hulp- en hoofdzaak - het betrekking heeft. Lid 1 geeft voorts aan dat gemeenschappelijke executie zal geschieden door toepassing van de regels die voor hypotheek gelden, hetgeen in lid 2 wordt uitgewerkt. Lid 3 wijst het beding aan als vatbaar voor inschrijving in de openbare registers (artikel 17). Inschrijving verhindert niet dat de verpande zaken overeenkomstig artikel 86 door een derde te goeder trouw, met vervallen van het pandrecht, worden verkregen, noch dat zij, met rangwisseling, aan een (andere) schuldeiser te goeder trouw overeenkomstig artikel 238 worden verpand. Wel echter vereist een beroep van deze derde op zijn goede trouw dat hij een onderzoek instelt naar mogelijke rechten van anderen en dan ligt het voor de hand dat onderzoek zich ook uitstrekt tot de openbare registers, als de aard der (hulp)zaken en hun uiterlijke vorm de kans op het bestaan van een beding volgens artikel 254 reëel maken. 2024 -514- No. 164

  1321. Artikel 255 Evenals op andere goederen kan ook op geld - al dan niet hier te lande wettig betaalmiddel, en ook in de vorm van een saldo op een bank- of girorekening - pandrecht rusten. Niet alleen zal dit voorkomen als een pandrecht dat banken plegen te bedingen op saldi van bij hen lopende rekeningen van cliënten, het kan ook bijvoorbeeld een gevolg zijn van zaaksvervanging overeenkomstig artikel 229 lid 1 of artikel 246 lid 5. Voorts zal een waarborgsom soms kunnen worden geduid als een verpande geldsom, maar dan is vereist dat het geld, hetzij in muntspecie, hetzij op een afzonderlijke rekening wordt bewaard, zodat de pandhouder daarover vóór de executie niet kan beschikken. Executie van pand op een geldsom door verkoop daarvan, zoals in de artikelen 250 en 251 voorgeschreven, zal meestal, en zeker als het hier te lande wettig betaalmiddel is, geen goede zin hebben en een verzoek aan de rechter overeenkomstig artikel 251 tot verblijving is voor een geldsom nodeloos omslachtig.

  1322. Artikel 255 staat daarom toe dat de pandhouder zelf zijn vordering uit de geldsom voldoet. Daarbij is hij gebonden aan de in artikel 253 neergelegde regels omtrent de verdeling van de opbrengst, zodat hij de beper- kingen die de wet hem in verband met de rangorde van vorderingen en compensatie voorschrijft, in acht moet nemen. Eveneens geldt voor hem de mededelingsplicht zoals die in artikel 252 is omschreven. Het artikel is geconstrueerd als een bevoegdheid voor de pandhouder, en zijn belang zal meebrengen dat hij die ook gewoonlijk zal uitoefenen. Ook de pandgever heeft echter veelal belang bij afwikkeling volgens dat artikel, en hij kan de uitoefening, krachtens de tweede zin van lid 1, ook in de regel afdwingen, waarbij echter als voorwaarde is gesteld, niet alleen dat de vordering van de pandhouder opeisbaar is, maar ook dat de pandgever bevoegd is in de verpande valuta te betalen: tegen opdringen van een betaling in vreemde valuta verzet zich het belang van de pandhouder. Gaat het pandrecht, gewoonlijk door voldoening der schuld, teniet zonder dat executie heeft plaatsgevonden, dan rust op de pandhouder de plicht het onderpand terug te geven of ervoor te zorgen dat de derde aan wie het is toevertrouwd, het teruggeeft - artikel 256, eerste zin. Aldus ook thans artikel 1189 lid 1 van het BW. Ten opzichte van deze bepaling is de voorgestelde tekst nog enigszins gespecificeerd. Hij houdt bijvoorbeeld ook in dat een bij de verpande vordering behorende schuldbekentenis die aan de pandhouder was afgegeven, wordt teruggegeven. Teruggave aan de pandgever komt niet aan de orde indien op het onderpand nog een ander recht - een tweede pandrecht of een vruchtgebruik - rust dat verhindert dat de feitelijke macht aan de pandgever toekomt. De vordering waarvoor het pand tot zekerheid is gesteld, kan zelf aan een pandhouder in pand zijn gegeven of ook kan een vruchtgebruiker daarop zijn beperkt recht hebben. De tweede zin schrijft voor dat alsdan op deze pandhouder of vruchtgebruiker van die vordering de verplichtingen van de eerste zin rusten, indien, zoals in de regel het geval zal zijn, het pandrecht dan ook te hunnen aanzien teniet is gegaan (zie voor een uitzondering artikel 81 lid 3, eerste zin). Op de pandhouder en de derde in wiens macht een verpand goed overeenkomstig artikel 236 lid 1, of 237 lid 3 is gegeven, rust een "zorgplicht": artikel 243; zie ook artikel 233. Ernstige schending van die verplichting wordt niet slechts gesanctioneerd door schadevergoeding, doch kan ingevolge artikel 257 ook leiden tot een rechterlijke beslissing dat het pand moet terugkeren tot de pandgever, dat de pandhouder het (van de derde aan wie het was toevertrouwd) in zijn macht krijgt of dat het bij een derde in gerechtelijke bewaring wordt gesteld. De rechter is vrij in zijn beslissing. Valt zijn keuze op teruggave aan de pandgever, dan eindigt daarmee het pandrecht: zie het volgend artikel. Vgl. voor het huidige recht artikel 1189 lid 1. Het pandrecht kan op verschillende manieren eindigen - zie artikel 81 lid 2 en de toelichting daarop - waarnaast nog te noemen valt de executie. Artikel 258 lid 1 voegt daaraan toe terugkeer van een als vuistpand krachtens artikel 236 afgegeven goed in de macht van de pandgever. Vergelijk thans artikel 1182 lid 3 (buiten het geval van lid 4 van dat artikel, dat door artikel 245 wordt vervangen). 2024 -515- No. 164 De bepaling geldt niet voor het stille pandrecht, ook niet wanneer de pandhouder, nadat hij ingevolge artikel 237 lid 3 het onderpand in zijn macht heeft genomen, het opnieuw aan de pandgever toevertrouwt. Een van de wijzen waarop een pandrecht teniet kan gaan, is afstand (artikel 81 lid 2 onderdeel c), waarvoor in de regel levering als voor overdracht en vestiging is vereist (artikel 98). Lid 2 voorziet in een vereenvoudigde wijze van afstand en wel door enkele overeenkomst, mits de toestemming van de pandhouder uit een schriftelijke verklaring blijkt. Bij afstand van het pandrecht op een vordering bijvoorbeeld is derhalve geen mededeling aan de schuldenaar daarvan vereist. Afdeling 3.9.3 - Pandrecht van certificaathouders De afdeling, die slechts een artikel - artikel 259 - bevat, regelt een aspect van de verhouding tussen belanghebbenden bij certificaten van aandelen of schuldvorderingen. Het verleent aan de houders van die certificaten waar die in de praktijk het meeste voorkomen, een wettelijk pandrecht op de aandelen waarvoor de certificaten zijn uitgegeven. Meestal worden certificaten aan toonder van aandelen op naam uitgegeven om enerzijds de kring van - stemgerechtigde - aandeelhouders besloten te houden, en anderzijds toch een ruim publiek te interesseren in kapitaalverschaffing aan de vennootschap (in aansluiting op deze praktijk wordt in deze toelichting degene die de certificaten uitgeeft, gemakshalve aangeduid als het administratiekantoor, en degene die de aandelen of schuldvorderingen - obligaties - heeft uitgegeven, als de vennootschap). Op deze wijze kunnen de certificaten gemakkelijk van rechthebbende wisselen, terwijl de, wat moeizame, overdracht van aandelen op naam, gewoonlijk verbonden aan vereisten in blokkeringsregelingen, wordt vermeden. Daarnaast komt in de praktijk certificering van schuldvorderingen - obligaties - en van effecten aan toonder voor, waarmee het artikel dan ook rekening houdt. De certificaathouder is niet zelf rechthebbende op de aandelen of obligaties - dat is het administratiekantoor. Met dat kantoor heeft hij een rechtstreekse obligatoire band, strekkende tot uitkering van bedragen overeen- komstig hetgeen het administratiekantoor bij de vennootschap bij wijze van dividend en liquidatiesaldo int. Het administratiekantoor treedt niet op als bewindvoerder over de aandelen ten behoeve van de certificaat- houders, maar heeft een eigen zelfstandig recht, zowel in de zeggenschap binnen de vennootschap als in de geldvorderingen op de vennootschap. In lid 1 wordt dit als inleiding voorop gesteld. Lid 2, dat een pandrecht op de aandelen en obligaties aan de certificaathouders toekent, maakt met betrekking tot de totstandkoming daarvan enige onderscheidingen. In de eerste zin wordt verondersteld dat de aandelen of obligaties op naam - uitsluitend of mede van het administratiekantoor - zijn gesteld en dat de vennootschap haar medewerking aan de certificering heeft verleend - meestal zal ze het initiatief daartoe hebben genomen. In dit, het in de praktijk meest voorkomend, geval kan het pandrecht direct uit de wet voortvloeien: door mee te werken aan de certificering weet de vennootschap van het bestaan van de certificaathouders en hun belangen, en neemt zij verantwoordelijkheid voor hun rechtspositie. Het vereiste van een afzonderlijke vestiging met mededeling aan de vennootschap heeft in dit geval geen goede zin. Het pandrecht dat de certificaathouders verkrijgen, wordt aangeduid als een gezamenlijk - derhalve niet individueel - recht, zodat daarop de bepalingen van titel 3.7 van toepassing zijn. Anders is het, wanneer de certificaten zonder medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven en haar aandelen op naam staan. De vennootschap heeft dan geen beroep op de anonieme kapitaalmarkt gedaan en haar belang bij de besloten kring van aandeelhouders staat voorop - daartoe zal zij gewoonlijk overdracht en verpanding van aandelen aan een blokkeringsregeling hebben gebonden. Het gaat niet aan dat beleid door een wettelijk pandrecht te doorkruisen. Tegen verpanding van certificaten van schuldvorderingen op naam bestaat geen bezwaar, ook niet wanneer die certificaten buiten de vennootschap om zijn uitgegeven: executie door de pandhouder betekent niet anders dan vervanging van de ene schuldeiser door de andere, en verkrijging van zeggenschapsrechten is hier niet aan de orde. In de tweede zin van lid 2 wordt dan ook een wettelijk pandrecht op de schuldvorderingen aan de certificaathouders voor dit geval toegekend. Wel is vereist dat de vennootschap op de hoogte wordt gesteld 2024 -516- No. 164 van de uitgifte der certificaten die het pandrecht tot gevolg heeft. In de regel zal de mededeling door het administratiekantoor worden gedaan, maar wanneer dat in gebreke blijft, zal de certificaathouder hiervoor zelf zorgen. Worden certificaten voor toonderstukken uitgegeven, dan bestaat tegen een wettelijk pandrecht geen bezwaar, maar dan zou toepassing van artikel 236 lid 1 meebrengen dat de stukken in de macht van de certificaathouders of een derde worden gesteld; gezien de functie van het administratiekantoor bestaat hiervoor geen goede reden, zodat daarvan kan worden afgezien - aldus de laatste zin van lid 2. Lid 3 beperkt de bevoegdheden van de certificaat/pandhouders tot het uitlokken van een executie wanneer daartoe aanleiding bestaat; een zelfstandig recht jegens de vennootschap tot inning van vorderingen overeenkomstig artikel 246 komt hun derhalve niet toe. Het belang van het gezamenlijk pandrecht is dat niet een groot aantal certificaathouders individueel gaat executeren, hetgeen licht tot chaos zou leiden, maar dat de rechter en een door hem aangewezen bewind- voerder de executie in de hand kunnen houden en in goede banen leiden. Met het oog daarop is ook rekening gehouden met een situatie waarin een deel van de certificaathouders wel, en een ander deel niet een executie op prijs stelt. Afdeling 3.9.4 - Recht van hypotheek De afdeling bevat een aantal vernieuwingen ten opzichte van het bestaande recht. Deze betreffen in het bijzonder het huurbeding (artikel 264), de executie (artikelen 268 e.v.), de zuivering (artikel 273) en de doorhaling van een vervallen hypotheek (artikel 274). Verscheidene bepalingen in de bestaande regeling behoeven hier niet opnieuw een plaats te vinden, omdat zij elders in het systeem van het nieuwe BW passen, in het bijzonder, mede via artikel 98, in titel 3.4 en afdeling 3.9.1. Zo volgt uit artikel 97 lid 1, j artikel 98 dat een hypothecaire levering, anders dan een voor pand, niet bij voorbaat op toekomstige goederen kan geschieden. Welke rangorde aan hypotheek toekomt, vindt bovendien nadere regeling in titel 3.10. De eerste zin van artikel 260 lid 1, omschrijft de handeling van levering overeenkomstig hetgeen uit artikel 89, leden 1 en 4, in verband met artikel 98 kan worden afgeleid. De vereisten voor de in te schrijven feiten worden gepreciseerd in de wet, bedoeld in artikel 16 lid 2 hetgeen in de plaats komt van het thans gebruikelijke borderel - niet dit, doch de akte zelf (of een afschrift of een uittreksel daarvan) wordt ingeschreven. De tweede, derde en vierde zin stellen nadere eisen aan de akte, naast hetgeen voortvloeit uit titel 3.4 en de wetgeving op het notarisambt. De akte kan overigens uiteraard andere bedingen bevatten, aan sommige waarvan elders in de afdeling zakelijke werking wordt toegerekend. De tweede en de derde zin zijn enigszins strikter geformuleerd dan het voor pand geldende vergelijkbare artikel 241. Zij laten wel bank- en krediethypotheek toe. De eis der bepaalbaarheid van de vordering verlangt dat uiterlijk ter gelegenheid van de executie moet kunnen worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van de administratie van de bank, voor welke vordering(en) de hypotheek is gesteld. Bij de derde zin vergelijke men artikel 1205 van het huidige BW. Daar hypotheek een recht is dat afhankelijk is van het bestaan van een vordering, kan de hypotheek reeds met de vordering teniet zijn gegaan, zonder dat dit feit is ingeschreven. Evenmin behoeft uit de inschrijving te blijken voor welk bedrag de vordering op een gegeven ogenblik nog bestaat. Een derde, in het bijzonder iemand die het verhypothekeerde goed wil verwerven, heeft er om deze of soortgelijke redenen belang bij, gemakkelijk nadere gegevens over de hypotheek in te winnen. Vandaar dat de vierde zin, het voorschrift om hier te lande woonplaats van de hypotheekhouder te kiezen, is opgenomen. Lid 2 stemt overeen met artikel 1221, het derde met artikel 1201 lid 2 van het huidige BW. Lid 4 verwijst onder andere naar artikel 84 j artikel 98. 2024 -517- No. 164

  1323. Artikel 261 lid 1, komt overeen met artikel 1211, het tweede met artikel 1212, zoals die artikelen thans luiden, met dien verstande dat voorgesteld wordt de voorrangsregel - afwijkend van die van artikel 21 - slechts te laten gelden voor gelijktijdigheid van inschrijving, en niet meer, zoals thans, ook voor hypothecaire inschrijvingen binnen acht dagen na de overschrijving van de akte van overdracht, respectievelijk toedeling. De huidige regeling tast de rechtszekerheid aan en is bovendien overbodig, daar in de praktijk de inschrijvin- gen ter zake van de overdracht, vestiging van hypotheek en andere rechten gelijktijdig geschieden. Dat de verkrijger van een registergoed geen beperkte rechten kan verlenen voordat zijn verkrijging is ingeschreven, volgt uit artikel 97 lid 1. Onder de regeling van lid 2 valt zowel de hypotheek ter zake van een vordering wegens overbedeling als die voor een uit geldlening waarin zulk een overbedelingsvordering eventueel is genoveerd, mits uit de inschrijving van deze novatie blijkt.

  1324. Artikel 262 lid 1 geeft een wettelijke grondslag aan de praktijk van de rangwisseling tussen hypotheken op grond van "lichten" of "opstaan", met tevens een vereenvoudiging van de formaliteiten. Lid 2 breidt dit uit tot rangwisseling tussen een latere hypotheek en een eerder ander beperkt recht zoals erfpacht of omgekeerd. De rangwijziging behoeft niet tegelijkertijd met de inschrijving der hypotheek te worden ingeschreven, zij kan ook bij latere akte geschieden. Verkrijgt een latere hypotheekhouder wel toestemming tot rangwisseling van de eerste hypotheekhouder, doch niet van de tweede, dan neemt hij bij executie niet de plaats van de eerste hypotheekhouder in voor meer dan dat deel van zijn vordering dat overeenkomt met het bedrag van de (oorspronkelijk) eerste hypotheekhouder.

  1325. Artikel 263 regelt in hoeverre de, voor de hoofdsom gegeven, hypotheek mede strekt tot waarborg voor de rentevordering daarover. In die zin vormt het artikel de voortzetting van artikel 1213, waarmee het in hoofd- zaak overeenstemt; vgl. voor pand artikel 244. Het artikel is echter beperkt tot de rente over een of meer bepaalde vorderingen waarvoor de hypotheek is gesteld: bij bank- of krediethypotheek strekt de waarborg zich uit over alle vorderingen - ook de rentevorderingen - die uit de kredietverhouding voortvloeien, doch wordt de grens der dekking gevormd door het maximumbedrag dat krachtens artikel 260 lid 1, derde zin, slot, in de akte moet worden vermeld. Lid 1 is bovendien beperkt tot de wettelijke rente, die tot een maximum van drie jaar door de hypotheek mede wordt gedekt indien geen afwijkend beding bij de hypotheekakte is gemaakt: in hoeverre de hypotheek mede strekt tot waarborg voor bedongen rente, kan en zal in de hypotheekakte moeten worden geregeld. Lid 2, dat zowel voor de wettelijke als de bedongen rente geldt, sluit aan bij het bovenvermelde artikel 260 lid 1, derde zin, slot: geen hypotheek ter dekking van bedragen die onverwacht hoog kunnen oplopen, zonder dat een maximum is gesteld.

  1326. Artikel 1597 van het bestaande BW behelst een beginsel dat, niet geheel juist, pleegt te worden samengevat in de regel: koop breekt geen huur. Het berust op de gedachte dat een huurder, ook al komt hem geen zakelijk recht toe, zijn rechtspositie behoort te houden, ook al houdt zijn verhuurder op rechthebbende op het verhuurde goed te zijn. Is het goed verhypothekeerd, dan komt dit beginsel in het bijzonder ter gelegenheid van executie in strijd met belangen van anderen, omdat dan het goed niet onbelast op de markt kan worden aangeboden, hetgeen de marktprijs aanzienlijk kan doen dalen. Het is duidelijk dat dit noch in het belang van de hypotheekhouder is, noch ook in het belang van de hypotheekgever, voor wie de toegang tot de financiering wordt belemmerd of zelfs afgesloten, terwijl ook het aantal gegadigden voor de executoriale koop gering zal zijn. Voorts kan de verhuring in het bijzonder voor lager gerangschikte hypotheekhouders schadelijk zijn. De wet - artikel 1214 van het BW - erkent dan ook het beding in de hypotheekakte waarbij de hypotheekgever wordt beperkt in zijn bevoegdheid het verhypothekeerde goed te verhuren. De beperking kan daarbij liggen in het vereiste van toestemming door de hypotheekhouder tot verhuring of ook in de wijze waarop en de tijd waarvoor de huur wordt overeengekomen: een lage huurprijs en een lange duur van de huur beïnvloeden de koopprijs nadelig. 2024 -518- No. 164 De regeling van artikel 1214, die het beding, mits ingeschreven, een zekere zakelijke werking verleent, heeft geleid zowel tot de vraag jegens wie als door wie het beding kan worden ingeroepen, vragen die reeds gedeeltelijk door de rechtspraak zijn beantwoord. Artikel 264 verduidelijkt de regeling. Als degene jegens wie de bevoegdheid kan worden uitgeoefend, noemt artikel 264 lid 1, in de eerste plaats de latere verkrijgers van het verhuurde en verhypothekeerde goed, conform artikel 23. Het beding heeft tegenover hen "zakelijke werking". In de tweede plaats is dat de huurder, en wel degene aan wie het goed is verhuurd na de inschrijving van de akte met het beding in de openbare registers - degene die te dien tijde reeds huurder was, wordt, uiteraard, niet getroffen door een beding dat de bevoegdheid tot verhuring beperkt. Ook al is een latere huurder geen verkrijger in de zin van artikel 23, en wordt van hem geen onderzoek van de openbare registers gevergd - en is zulk een onderzoek ook ongebruikelijk -, zijn onwetendheid omtrent het huurbeding wordt in dit geval niet beschermd. Degenen aan wie een beroep op het beding toekomt, zijn de hypotheekhouder die het beding heeft gemaakt, en diens rechtsopvolgers - ook in dit opzicht heeft het beding zakelijke werking -, alsmede de koper die het goed na uitwinning verkrijgt. Diens bevoegdheid is evenwel beperkt, conform huidig recht, als een afgeleide van de bevoegdheid van de hypotheekhouder: alleen als die ten tijde van de executoriale verkoop nog bestond en de uitoefening volgens de verkoopvoorwaarden aan de koper is overgelaten, komt ze de koper toe (vgl. HR 14-5- 1976, NJ 1977, 150). Op een opvolgend verkrijger gaat de bevoegdheid niet over, zelfs niet indien het goed na executie rechtstreeks aan hem wordt geleverd (HR 3-2-1989, NJ 1990, 249). Is het de bedoeling van de koper om het geëxecuteerde goed binnen afzienbare tijd door te leveren aan een derde, die dan het huurbeding zal inroepen, dan kan hij het bij de executie kopen op naam van "een nader te noemen meester" (artikel 67). Een beroep op het beding jegens de huurder staat niet open aan de hypotheekgever/verhuurder. Handelingen die het belang van de hypotheekhouder enz. kunnen schaden, zijn, behalve verhuring, ook bedingen tot vooruitbetaling van huursommen en tot cessie en verpanding daarvan. Ook deze handelingen kunnen - evenzeer voor de toekomst - door het huurbeding worden uitgesloten of beperkt. De eerste worden reeds door artikel 1214 genoemd, de laatste zijn toegevoegd. In dit geval kan het beding volgens de tekst der bepaling ook worden ingeroepen jegens degene aan wie de huursom werd gecedeerd of verpand. Lid 2 geeft nadere inhoud aan het inroepen van het "huurbeding". De bepaling verwijst daartoe in de eerste plaats naar het - in het kader van de aanpassingswetgeving te wijzigen - artikel 544 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waaruit onder andere volgt dat de bevoegdheid pas na de aanzegging van de executie kan worden uitgeoefend. Voorts regelt het lid het gevolg der inroeping: deze leidt tot vernietiging van de huur, respectievelijk de bedingen tot vooruitbetaling, cessie en verpanding van de huursommen met wer- king slechts ten behoeve van degene die het inroept - de werking zal dientengevolge bijvoorbeeld in het alge- meen tot de toekomst zijn beperkt. Lid 2 vormt een uitzondering op artikel 50 lid 2 omdat buitengerechtelijke inroeping van het huurbeding hier uitdrukkelijk wordt toegelaten, ook al betreft de huur een onroerend goed. Ook wordt nader aangegeven wanneer de vervaltermijn van de bevoegdheid begint te lopen. Dat het inroepen van het huurbeding de huurder niet beperkt in zijn bevoegdheid tot het ongedaan maken van veranderingen in het gehuurde (artikel 1588) is reeds beslist bij HR 2-6-1989, NJ 1990, 253. Lid 3 biedt de huurder jegens wie een beroep op het huurbeding is gedaan, nog bescherming door hem een recht op schadevergoeding uit de netto-opbrengst der executie toe te kennen, met voorrang onmiddellijk na degenen aan wie hij zijn recht niet kan tegenwerpen, zoals lager gerangschikte hypotheekhouders die het beding eveneens vóór de aanvang van zijn huur hebben gemaakt. In het artikel is het parallelle artikel 264 van het Ned. BW niet gevolgd voor zover dat huurders verder in bescherming neemt in verband met ten gunste van deze groepen geldende bijzondere wetgeving in Nederland, in het bijzonder met betrekking tot de minimumduur en de opzegging van huurovereenkomsten; wel zal het inroepen van het beding onder bijzondere omstandigheden als misbruik van bevoegdheid moeten worden beschouwd, zoals wanneer de executie voldoende zou opbrengen met handhaving van de huur of het gehuurde bestemd is als beleggingsobject en de huur uit dat gezichtspunt normaal is. Het ontwerp bevat dien- overeenkomstig geen bepalingen die corresponderen met artikel 264, de leden 3 tot en met 6 en lid 8 van het Ned. BW; lid 3 volgens het ontwerp stemt overeen met lid 7 van laatstgenoemd artikel. 2024 -519- No. 164 Ook artikel 265 van het Ned. BW houdt verband met de Nederlandse wetgeving inzake huur en pacht, die hier te lande geen pendant heeft. Om deze reden is in het ontwerp geen artikel 265 opgenomen.

  1327. Artikel 266 behoort tot de artikelen die een "wegnemingsrecht" (ius tollendi) toekennen aan bezitters en aan personen met een recht op of met betrekking tot een zaak; zie hieromtrent artikel 121 en de toelichting daarop. In beginsel omvat de hypotheek de zaak waarop zij rust met alle veranderingen - vgl. artikel 227 lid 2 van het ontwerp en artikel 1195 van het huidige BW - en dit leidt ook tot een bevredigende uitkomst bij zaken zoals gebouwen waaraan normale verbeteringen - zoals andere, modernere apparatuur en installaties - worden aangebracht. Een zgn. bouwhypotheek veronderstelt zelfs dat het bouwwerk in de loop der tijd waardevoller wordt en dat de hypotheek mede dient om de financiering daarvan mogelijk te maken. Tot die verbeteringen strekt het wegnemingsrecht zich niet uit, wel echter tot de verbeteringen die de waarde van de zaak hebben verhoogd zonder dat uit de strekking der hypotheek voortvloeit dat die waardestijging mede tot de dekking behoort. Meestal zal de hypotheekgever aan wie het recht toekomt, eigenaar van de zaak zijn, doch ook een erfpachter of een vruchtgebruiker kan een hypotheek op zijn recht hebben gevestigd. Verwant aan het wegnemingsrecht is het recht op de vruchten. Ook de vruchten zullen gewoonlijk niet onder de hypotheek vallen, omdat deze op de grond als waarde object zal rusten. Het oogstingsrecht, dat in de tweede zin van het artikel aan de rechthebbende op de vruchten en beplantingen wordt toegekend, strekt zich slechts uit tot de ten tijde van de executie reeds te velde staande vruchten en beplantingen. Het kan bij de hypotheekakte niet worden uitgesloten, maar de hypotheekhouder kan zich uiteraard wel zelf door een overeenkomst met de rechthebbende een pandrecht op de vruchten en beplantingen verschaffen. Een kenmerk van hypotheekrecht is dat het zekerheid verschaft op (de opbrengst van) een goed dat in de macht van de hypotheekgever blijft. Alleen in de uitzonderingsgevallen, in artikel 267 scherp begrensd, mede door het vereiste dat ze in de hypotheekakte uitdrukkelijk als zodanig zijn erkend, kan de hypotheekhouder het goed in zijn macht overbrengen. Het eerste van die gevallen is het ernstig tekort schieten van de hypotheekgever in zijn verplichtingen, bijvoorbeeld door verwaarlozing van het goed of het niet betalen van rente en aflossing op de schuld; vereist is dan tevens de machtiging van de kantonrechter. Is aan alle vereisten voldaan, dan kan de hypotheekhouder het goed in beheer nemen en is hij bevoegd tot de maatregelen die een behoorlijk onderhoud en eventuele exploitatie vergt. Het tweede in het artikel voorziene geval is het kunnen uitoefenen van de feitelijke macht over het goed ter voorbereiding van de executie en de daaropvolgende aflevering van het goed aan de koper. Te denken valt aan de ontruiming van het gebouw ten einde het leeg te kunnen opleveren of het ter bezichtiging openstellen van het gebouw voor potentiële kopers. De artikelen 268 tot en met 273 regelen de executie door de hypotheekhouder en de gevolgen daarvan. Zij krijgen aanvulling in processuele regels in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bijvoorbeeld inzake de bevoegdheid van een hypotheekhouder tot overneming van de executie van een beslaglegger of van een lager gerangschikte hypotheekhouder. De hypotheekhouder heeft volgens het ontwerp, evenals de pandhouder, de wettelijke bevoegdheid tot parate executie: hij mag zijn vordering op het hem verbonden goed verhalen zonder dat hij die bevoegdheid aan een rechterlijk vonnis behoeft te ontlenen. Eveneens volgens het ontwerp komt deze bevoegdheid aan alle hypotheekhouders toe - in het huidige recht is zij voorbehouden aan de eerste hypotheekhouder die deze bevoegdheid bij de hypotheekakte heeft bedongen. Evenals de pandhouder is de hypotheekhouder "separatist" in het faillissement van de schuldenaar: hij kan zijn recht zelf vervolgen, buiten de curator om, en deelt niet in de faillissementskosten; surséance van betaling raakt hem niet. 2024 -520- No. 164 De executieregeling is in het algemeen gemoderniseerd; zo heeft ook, naast de openbare verkoop, de onder- handse daarin een plaats gekregen. Zowel de openbare als de onderhandse verkoop van artikel 268 lid 2 is een vorm van executie - de algemene regels omtrent executie zijn daarop van toepassing, zoals die omtrent de zuivering van hypotheken (artikel 273). De executieregeling voor hypotheek verschilt in enige opzichten van die voor pand. Zo blijven bij de pand- executie de hoger gerangschikte pandrechten op het goed rusten, terwijl bij executie door een lager gerangschikte hypotheekhouder de hogere hypotheken niet worden gehandhaafd - waarbij in de rangregeling uiteraard de hogere positie van deze laatste tot haar recht komt. Voorts is in het algemeen de positie van de lager gerangschikte hypotheekhouders sterker dan die van de opvolgende pandhouders, hetgeen onder meer verband houdt met de nu eenmaal meer formele regeling van het hypotheekrecht.

  1328. Artikel 268 lid 1, omschrijft de wettelijke bevoegdheid van de - ook de lager gerangschikte - hypotheek- houder tot parate executie. Ondubbelzinnig wordt nu vastgelegd dat hij deze bevoegdheid niet ontleent aan een bedongen "mandaat" van de hypotheekgever, maar dat het een eigen, aan de wet ontleende, bevoegdheid is. De problemen waartoe een letterlijke interpretatie van artikel 1207 lid 2 van het huidige BW in het verleden heeft geleid, en die in de rechtspraak ten dele aan de orde zijn gekomen en in de literatuur uitvoerig zijn besproken, hebben daarmee hun grondslag verloren. De aanhef van het lid geeft aan, aan welk vereiste moet zijn voldaan voor het uitoefenen van de bevoegdheid: de schuldenaar moet in verzuim zijn met de nakoming van zijn - contractuele of wettelijke - verplichtingen die door de hypotheek worden gewaarborgd. Aan welke voorwaarden daartoe moet zijn voldaan, bijvoorbeeld of de schuldenaar in gebreke moet zijn gesteld, wordt in Boek 6 nader bepaald (afdeling 6.1.8). De executie geschiedt in beginsel door openbare verkoop door de hypotheekhouder van het aan hem verbon- den goed ten overstaan van een notaris, aldus lid 1. Daarnaast stelt lid 2 als mogelijkheid een onderhandse verkoop, waartoe de rechter, discretionair onder afweging van alle hem relevant voorkomende omstandigheden, op verzoek van de hypotheekhouder of de hypotheekgever kan beschikken - een mogelijkheid die veelal aantrekkelijk is, omdat aldus dikwijls een hogere koopprijs kan worden gehaald dan op een openbare veiling. Lid 2 vereist voor de beschikking van de rechter dat hem een - volledig - conceptkoopcontract wordt voorgelegd: de enkele verwachting dat onderhandse verkoop gunstiger zal zijn dan openbare, is niet voldoende. Niet steeds echter behoeft het voorgelegde contract het meest gunstige alternatief voor veiling te zijn. Vooral lager gerangschikte hypotheekhouders en andere beperkt gerechtigden, alsmede beslagleggers zullen er, naast de hypotheekgever, belang bij hebben dat de opbrengst van het goed zo hoog mogelijk is om in een overschot te kunnen delen nadat de executoriale hypotheekhouder is voldaan. Lid 2 biedt hun de gelegenheid voor hun belangen op te komen tijdens een procedure, gevoerd volgens de eerste zin van dit lid; ook hier is vereist een concreet aanbod tot koop. Een initiatief tot onderhandse verkoop kunnen deze belanghebbenden niet nemen - zij moeten zich niet tegen verkoop in het openbaar kunnen verzetten als executant en hypotheekgever beiden daaraan de voorkeur geven. De aandacht verdient dat ook onderhandse verkoop volgens lid 2 een vorm van executie is, met alle gevolgen daarvan, zoals de verdeling van de opbrengst (artikel 270) en zuivering (artikel 273); zie voorts de artikelen 234, 254, 269, 271, 272 en 282. Vrijwillige onderhandse verkoop buiten lid 2 om heeft die gevolgen niet. Evenmin doorverkoop vóór de levering ingevolge executie, met directe levering aan de opvolgende koper. Wél zal er executoriale overdracht zijn als de koper als vertegenwoordiger "voor nader te noemen meester" is opgetreden (artikel 67; zie de toelichting bij artikel 264 lid 1). De in het derde en lid 4 veronderstelde regeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden opgenomen in de artikelen 544 tot en met 548 van dat wetboek. Daar ook de onderhandse verkoop volgens lid 2 onder executie valt, moeten de regels daarvoor in acht worden genomen. Zo zal de beslissing van de rechter niet kunnen worden gevraagd, voordat de executie is aangekondigd door een aanplakking en advertentie, zodat een ruime kring van gegadigden op de hoogte wordt gebracht. Anderzijds behoeft de veiling 2024 -521- No. 164 nog niet volledig, bijvoorbeeld door de huur van een veilinglokaal, te zijn voorbereid. Tegen de beschikking van de kantonrechter staat geen beroep open: er moet snel duidelijkheid komen voor alle partijen, op welke wijze en op welke termijn de executie zal plaatsvinden. Lid 5 erkent alleen de openbare verkoop volgens lid 1 en de onderhandse verkoop volgens lid 2 als executie. Daarbij wordt niet alleen een onderhandse verkoop op andere wijze uitgesloten - zie hierboven -, maar ook een "verblijven" zoals dat in artikel 251 voor pand is voorzien, komt hier niet aan de orde; daaraan bestaat ook geen behoefte, nu de executant bij openbare verkoop kan meebieden en bij onderhandse zichzelf als koper kan aandienen.

  1329. Artikel 269 opent de mogelijkheid om, tot het laatst mogelijke tijdstip, de verkoop van het verbonden goed door "lossing" te voorkomen. Zie, voor pand, artikel 249 lid 2 en de daarbij in de toelichting gemaakte opmerkingen. Vgl. artikel 1232 van het huidige BW, dat echter slechts in geval van derdenhypotheek geldt. Met de in artikel 270 geregelde, geheel nieuwe wijze van de verdeling van de opbrengst der executie wordt in de eerste plaats beoogd de weg tot zuivering te vereenvoudigen, die voor de koper thans moeilijk begaanbaar is, wanneer een der beperkt gerechtigden niet bereid is tot vrijwillige medewerking. Met het oog op de zuivering maakt het artikel onderscheid tussen hypotheekhouders en andere beperkt gerechtigden: na de executie wordt het geëxecuteerde goed gezuiverd van alle, dat wil zeggen hoger én lager gerangschikte hypotheken, én van alle lager gerangschikte andere beperkte rechten - de hoger gerangschikte andere beperkte rechten blijven na de executie op het goed rusten; zie artikel 273. Daartoe wordt thans de notaris aangewezen als degene aan wie de koopsom door de koper moet worden voldaan, en die, na aftrek van de executiekosten, de leiding heeft bij de verdeling van de netto-opbrengst onder de verschillende gegadigden. De notaris treedt daarbij niet op als vertegenwoordiger van hypotheekhouder of hypotheekgever, doch in de uitoefening van zijn functie. Het artikel is dwingend recht in die zin dat daarvan in de verkoopwaarden niet kan worden afgeweken (lid 6). Omdat de koper de koopsom krachtens lid 1 aan de notaris, en niet aan de executant, verschuldigd is, kan deze laatste ook niet een, niet door de hypotheek gedekte, vordering van de hypotheekhouder met deze schuld in compensatie brengen, alvorens het restant aan de hypotheekgever af te dragen (anders voor het oude recht: HR 30-5-1930, NJ 1930, 945). Voor de verdeling van de netto-opbrengst maakt het verschil of er slechts twee gegadigden zijn - de executant- hypotheekhouder en de hypotheekgever -, dan wel of er ook andere belanghebbenden zijn: andere beperkt gerechtigden op het goed, namelijk zowel hoger als lager gerangschikte hypotheekhouders en lager gerangschikte beperkt gerechtigden, schuldeisers die beslag hebben gelegd en huurders (vgl. voor pand artikel 253). Lid 2 regelt het eerste geval: de notaris keert aan de executant uit hetgeen aan deze blijkens diens verklaring is verschuldigd, tenzij de notaris ernstige reden heeft om te vermoeden dat die verklaring onjuist is (zie lid 4). Lid 3 regelt het tweede geval: de notaris stort in beginsel de netto-opbrengst bij een bewaarder, bijvoorbeeld een bank. Op deze verplichting bestaan twee uitzonderingen. De eerste - in lid 3 zelf opgenomen en in lid 4 verder uitgewerkt - geldt slechts uitkering aan de eerste hypotheekhouder die tevens heeft geëxecuteerd, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan - aldus is het mogelijk dat deze schuldeiser met hoge rang op vlotte wijze wordt voldaan, en dat hij niet op de afwikkeling van de verdeling door een gerechtelijke rangregeling overeenkomstig artikel 272 behoeft te wachten. De tweede uitzondering op de stortingsplicht is die van lid 5, die algemeen geldt, namelijk als men, in de regel op initiatief van de notaris, erin slaagt met alle door de wet genoemde belanghebbenden overeenstemming over de verdeling te bereiken. Bij de toepassing van het artikel verdient opmerking dat het aan een lager gerangschikte rechthebbende geen vrijbrief tot chicanes geeft. Ligt iemand dwars die hoe dan ook niet kan verwachten enige uitkering uit de opbrengst te krijgen en noopt hij aldus tot een meer formele, kostbaarder of omslachtiger afwikkeling van de executie dan mogelijk zou zijn geweest, dan zal dit, wegens gemis van een rechtens te eerbiedigen belang, als een onrechtmatige daad kunnen worden beschouwd (vgl. HR 17-2-1927, NJ 1927, 391, en HR 8-7-1991, NJ 1993, 685). 2024 -522- No. 164 Lid 6 van het Nederlandse artikel 270 stelt de Staat aansprakelijk voor fouten van de notaris; een dergelijke bepaling is in het ontwerp niet opgenomen. Evenals onder het huidige recht kan een gerechtelijke rangregeling worden uitgelokt – artikel 271. Artikel 1236 kent die bevoegdheid toe aan de koper die zuivering van hypotheken verlangt, en artikel 432 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering noemt tevens de schuldeisers en de partij tegen wie het beslag is gedaan - in casu, in verband met artikel 1243 en HR 25-1-1977, NJ 1977, 362, te lezen als de hypotheekgever. In het ontwerp verliest de koper deze bevoegdheid, omdat hij daaraan geen behoefte meer zal hebben wanneer overeenkomstig artikel 273 zuivering van rechtswege geschiedt. Wél komt de bevoegdheid volgens artikel 271 lid 1, toe aan allen die in artikel 270 lid 5 worden genoemd, omdat zij belang hebben bij de verdeling van de opbrengst. Lid 2 houdt er rekening mee dat partijen tijdens de procedure alsnog tot overeenstemming over de verdeling komen. Hun overeenstemming zal dan worden vastgelegd bij authentieke akte, dat wil zeggen een notariële akte dan wel een proces-verbaal van een comparitie als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals die bepaling op grond van de aanpassingswetgeving zal komen te luiden. Ten aanzien van degene die zonder rechtens te respecteren belang het tot stand komen van zo'n overeenkomst verhindert, geldt het aan het slot van de toelichting op artikel 270 opgemerkte. In artikel 270 is bepaald dat de executerende hypotheekhouder in beginsel overeenkomstig zijn verklaring uit handen van de notaris betaling ontvangt van de netto-opbrengst voor zover de hypotheek zijn vordering dekte.

  1330. Artikel 272 verplicht hem tot het verantwoorden van die verklaring aan de belanghebbenden, dat wil zeggen de hypotheekgever, de schuldenaar indien deze zelf geen hypotheek heeft gesteld, en degenen die in de rangregeling waren begrepen. De regeling van de zuivering, dat wil zeggen de ontlasting van hypotheken na verkoop van het verhypo- thekeerde goed, in het huidige wetboek is onbevredigend. Zij legt op de koper de last haar uit te lokken, met de daaraan voor hem verbonden kosten, zij laat in beginsel zuivering ook toe bij willige openbare verkoop, zij geeft alleen de eerste hypotheekhouder de mogelijkheid de zuivering in dat geval uit te sluiten - terwijl juist hij daaraan minder behoefte heeft dan lager gerangschikte hypotheekhouders - en voorts heeft de regeling aanleiding gegeven tot onzekerheid of de in artikel 1238 bedoelde willige verkoop ook verkoop ingevolge artikel 1207 lid 2 - de executie door de eerste hypotheekhouder - omvat. De regeling in artikel 273 ondervangt deze bezwaren. Zij doet de zuivering van alle hypotheken van rechts- wege plaatsvinden, indien aan de vereisten voldaan is, en beperkt anderzijds dat rechtsgevolg tot de verkoop - openbaar of ondershands - van artikel 270, dat wil zeggen als bestanddeel van de executie. Dat het geëxecuteerde goed van alle hypotheken wordt gezuiverd, ook indien een lager gerangschikte hypotheekhou- der executeert, is in de praktijk geen bezwaar: steeds wordt immers bedongen dat door hypotheek gewaar- borgde vorderingen opeisbaar worden als executie dreigt. De zuivering omvat niet slechts alle hypotheken, doch ook alle beperkte rechten voor zover zij niet tegen de executant kunnen worden ingeroepen - een erfpacht blijft derhalve alleen op de zaak rusten als zij in rang gaat boven de hypotheek, eerste of lagere, van de executant. De executant kan ook wel in de verkoopvoorwaarden zuivering van lager dan zijn hypotheek gerangschikte beperkte rechten uitsluiten, maar daartegen kunnen belanghebbenden zich overeenkomstig artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzetten. Behalve de hypotheken en de bedoelde andere rechten vervallen tevens de ingeschreven beslagen, terwijl uiteraard beperkte rechten op vervallende beperkte rechten - bijvoorbeeld een vruchtgebruik op een erfpacht - evenzeer vervallen. Vereist is zowel dat ingevolge de executoriale verkoop het goed is geleverd als dat de koopprijs is betaald. 2024 -523- No. 164 Lid 2 doet van het vervallen van de hypotheken, van andere beperkte rechten en beslagen blijken door een rechterlijke verklaring, die bij of na de levering in de openbare registers kan worden ingeschreven - de verklaring machtigt de bewaarder daarom tot de doorhaling (royement) als administratieve handeling; vgl. in verband daarmee de artikelen 28 en 29.

  1331. Artikel 274 geeft een, ten opzichte van artikel 28 speciale, regeling voor de doorhaling van vervallen hypotheken. Deze kan ook toepassing vinden in het geval van zuivering na executie: weliswaar geeft artikel 273 daarvoor de weg van een rechterlijke verklaring aan, doch in plaats daarvan kan die van artikel 274 worden gevolgd, indien alle rechthebbenden bereid zijn tot het verstrekken van hun verklaring dat hun recht is tenietgegaan. Afgezien van artikel 273 geeft het artikel de regeling voor de doorhaling van elke tenietgegane hypotheek: is de schuld waaraan zij verbonden is, door betaling tenietgegaan, dan is inschrijving van de kwijting overeenkomstig artikel 17 lid 1, onderdeel a, niet voldoende grond tot doorhaling van de hypotheek, doch is een verklaring overeenkomstig artikel 274 vereist. Niet dat artikel, doch artikel 28 is van toepassing, indien de inschrijving op andere grond dan het tenietgaan van de hypotheek waardeloos is. Lid 1 verplicht de schuldeiser des verzocht tot een authentieke verklaring dat de hypotheek - meestal door voldoening van de schuld of door zuivering, maar mogelijk ook door bijvoorbeeld afstand (zie artikel 81) - is vervallen. Indien de vordering die door de hypotheek werd gewaarborgd, was verpand of was daarop een vruchtgebruik gevestigd, dan moet ook de pandhouder, respectievelijk vruchtgebruiker, een dergelijke verkla- ring afgeven (vgl. voor pand artikel 256). Daartoe is hij niet verplicht als te zijnen opzichte het vervallen van de hypotheek niet werkt, namelijk wanneer dat vervallen het gevolg is van afstand of vermenging (artikel 81 lid 3). De verklaringen kunnen volgens lid 2 in de openbare registers worden ingeschreven en machtigen dan tot doorhaling van de hypothecaire inschrijving, met dien verstande dat voor het geval op de vordering pand of vruchtgebruik was gevestigd, de verklaring van zulk een beperkt gerechtigde naast die van de schuldeiser voor de doorhaling is vereist. Voldoet een schuldeiser of beperkt gerechtigde niet aan zijn verplichting, dan kan die langs de in artikel 29 aangegeven weg door een rechterlijk bevel worden vervangen, aldus lid 3. Lid 4 geeft nog een speciale bepaling voor het geval de hypotheek door vermenging teniet gaat, dat wil zeggen de hypotheekgever tevens eigenaar van het bezwaarde goed wordt. Alsdan kan niet worden voldaan aan de hoofdregel van lid 1, namelijk dat de schuldeiser-hypotheekhouder jegens de hypotheekgever-rechthebbende op het verhypothekeerde goed tot het afleggen van de verklaring verplicht is: de kwaliteiten van hypotheekhouder en hypotheekgever immers zijn door de vermenging in één persoon verenigd. In zo'n geval is uiteraard slechts plaats voor de verklaring van die persoon, tenzij een derde belanghebbende bij het niet doorhalen aanwezig is, namelijk de vruchtgebruiker of pandhouder van de vordering (zie de toelichting op de tweede zin van lid 1). Rust op de vordering geen beperkt recht, dan zal doorhaling van de hypotheek voor de rechthebbende op het goed geen zin hebben, indien nog andere beperkte rechten die in rang na de vervallen hypotheek komen, het goed belasten: uit de laatste zin van artikel 81 lid 3 volgt immers dat zij van het vervallen van de hypotheek niet mogen profiteren - hun recht "schuift" niet op, en dat wordt door niet-doorhaling ook voor derden verduidelijkt. Zie voor de doorhaling onder het huidige recht de artikelen 1223 e.v.

  1332. Artikel 275 vereist - slechts - een schriftelijke volmacht tot doorhaling, anders dan artikel 1224 lid 2 van het huidige BW, dat een authentieke last verlangt. 2024 -524- No. 164 TITEL 3.10 - VERHAALSRECHT OP GOEDEREN Algemeen De materie van titel 3.10, die onder andere de rangorde van vorderingen, de voorrechten en het retentierecht regelt, vindt althans ten dele onder het huidige recht een plaats in het zakenrecht (artikelen 1161 tot en met 1179), hoewel zij daarmee slechts zijdelings, in het bijzonder in verband met de rang van pand en hypotheek, heeft te maken, en de voorrechten en het retentierecht geen zakelijke - beperkte - rechten zijn. De opbouw van de titel, die in vier afdelingen is verdeeld, is voor de eerste drie daarvan vergelijkbaar met die van de huidige Achttiende Titel van het Tweede Boek, zij het dat deze zich althans volgens zijn opschrift beperkt tot bevoorrechte schulden. Afdeling 3.10.1 bevat algemene bepalingen, bijvoorbeeld omtrent het principe van verhaal op alle goederen van de schuldenaar en dat van de gelijkheid van schuldeisers ("paritas creditorum") met de regels van afwijking daarvan. Afdeling 3.10.2 regelt de bevoorrechting van vorderingen op bepaalde goederen, afdeling 3.10.3 die van vorderingen op alle goederen. In het ontwerp vervallen nogal wat privileges, ten dele omdat zij in deze maatschappij geen functie meer vervullen, ten dele omdat aan de behoefte waarin zij voorzien, op andere wijze wordt tegemoetgekomen. Anderzijds worden enige nieuwe voorrechten voorgesteld. Men houde bij deze afdelingen overigens in gedachten dat ook buiten het BW, in het bijzonder in het zeerecht en het belastingrecht, voorrechten worden toegekend. Afdeling 3.10.4 geeft een algemene regeling omtrent het retentierecht, dat in het huidige recht slechts spaarzaam en verspreid over verschillende artikelen aan de oppervlakte komt en tot vele vragen aanleiding heeft gegeven die in de jurisprudentie ten dele antwoord hebben gevonden. In het nieuwe recht wordt het retentierecht vooral beschouwd als een specimen van het in Boek 6 te regelen recht dat een schuldenaar onder bepaalde omstandigheden toekomt, tot opschorting van zijn obligatoire verplichtingen (zie afdeling 6.1.7 en de artikelen 6:262 tot en met 6:264). Afdeling 3.10.1 - Algemene bepalingen Artikelen 276 tot en met 281 De artikelen bezigen telkens de term "de wet". Daarmee wordt aangegeven dat bepaalde regels alleen bij formele wetgeving, en niet ook bij lagere regelgeving, kunnen worden gesteld.

  1333. Artikel 276 legt, overeenkomstig artikel 1161 van het huidige BW, het beginsel vast dat een schuldenaar met al zijn goederen instaat voor de nakoming van al zijn schulden, een beginsel dat door beslag op die goederen, door executie bij pand of hypotheek, of ook door faillissementsbeslag, wordt verwezenlijkt. Het artikel laat uitzonderingen toe op dit beginsel. Dit geschiedt door verwijzing naar de wetgeving die bepaalde goederen van het verhaal uitsluit - dit geldt in het bijzonder voor het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in de Faillissementswet 1935. Omgekeerd komt ook voor de bevoegdheid tot verhaal op goederen die aan een ander dan de schuldenaar toebehoren. De wet houdt hiermee bij de regeling van (derden)pand en hypotheek rekening, maar zij schept zelf ook zulke verhaalsmogelijkheid. In de onderhavige titel komt dat enkele malen tot uiting. Aldus in de artikelen 284 lid 2 (de vordering voor de kosten tot behoud van een goed), 287 lid 2 (de vordering van een benadeelde die bevoorrecht is op de vordering van de aansprakelijke persoon op zijn aansprake- lijkheidsverzekeraar) en artikel 291 (de vordering van de retentor). In deze bepalingen bezigt het ontwerp termen waaruit blijkt dat derden hun rechten op het goed niet aan de schuldeiser kunnen tegenwerpen, ofwel dat deze zijn recht kan inroepen tegen een derde die een recht op de zaak heeft. Is het recht van de derde eigendom (of anderszins het volle recht), dan is hiermee de bevoegdheid tot verhaal op het goed van een ander gegeven. Is het recht van de derde een beperkt recht, dan betekenen de bedoelde uitdrukkingen dat de schuldeiser met zijn verhaalsrecht voorgaat, en het goed onbezwaard kan executeren. 2024 -525- No. 164 Men lette er voorts op dat de artikelen 284 lid 2 en 291 - overigens met verschillend rechtsgevolg - onder- scheid maken naar gelang de derde zijn recht verkrijgt vóór dan wel na het ontstaan van de vordering die ten nadele van derden-rechthebbenden op het goed verhaalbaar is. Ook artikel 286 geeft een mogelijkheid van verhaal op het goed van een ander dan de schuldenaar, namelijk op iemands appartementsrecht voor de schuld van de vruchtgebruiker daarvan. Onder het huidige recht is betwist of ook bij overeenkomst van een verhaalsrecht op alle bepaalde goederen van de schuldenaar kan worden afgeweken. In het ontwerp wordt deze uitzondering expliciet toegelaten.

  1334. Artikel 277 lid 1 behelst het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers bij de uitoefening van het verhaals- recht, dat nu in artikel 1162 is neergelegd. Anders dan in het huidige recht bestaat die gelijkheid voor de verdeling van de netto-opbrengst van een geëxecuteerd goed, waardoor het afzonderlijke privilege, het hoogst in rang onder het huidige recht, van artikel 1169, onderdeel 1, en goeddeels ook dat van artikel 1179, onderdeel 1, overbodig wordt. Uitzondering op het beginsel van deze "paritas creditorum" maken in de eerste plaats de door de wet erkende redenen van voorrang. Als zodanig gelden naast pand en hypotheek de voorrechten die de wet zelf aan bepaalde schuldeisers toekent, alsmede de bijzondere gevallen van wettelijke voorrang buiten privilege: zie bij artikel 278. Een tweede uitzondering erkent het artikel in lid 2: de contractuele achterstelling, waarbij een schuldeiser zich ertoe verbindt bij een verdeling van de opbrengst van een goed na executie bepaalde of alle andere schuldeisers van zijn schuldenaar te laten voorgaan.

  1335. Artikel 278 lid 1 komt in hoofdzaak overeen met het tegenwoordige artikel 1163 lid 1. Slechts is toegevoegd dat bij de wet ook op andere gronden dan pand, hypotheek en voorrecht voorrang kan worden toegekend. Het ontwerp doet dat in de artikelen 264 lid 3 (schadevergoeding voor de huurder wiens recht bij hypothecaire executie vervalt), artikel 282 (idem voor een vervallend beperkt recht) en artikel 292 (de vordering van een retentor). Bij de eerste zin van lid 2 vergelijke men artikel 1164 lid 1: ook privileges kunnen slechts uit de wet voortvloeien. Bij de tweede zin van dit lid zie men artikel 1168, eerste zin.

  1336. Artikel 279 komt overeen met artikel 1164 lid 2. Ook het stille pandrecht gaat in beginsel boven privileges. De uitzondering vindt, behalve onder andere in het vervoersrecht, ook toepassing in de artikelen 284 lid 2, 285 lid 2 en 287 lid 2. Ook hier is het alleen de wet, waarbij van de hoofdregel kan worden afgeweken.

  1337. Artikel 280 Vergelijk het huidige artikel 1168, tweede zin. Afwijking is slechts bij wet toegelaten.

  1338. Artikel 281 lid 1 drukt hetzelfde beginsel uit als thans artikel 1166. Voor, bij het wetboek gemaakte afwijkingen zie de artikelen 284 lid 3 en 286 lid 3. Lid 2 komt overeen met de laatste zinsnede van de aanhef van het tegenwoordige artikel 1179. Voor de beoordeling van artikel 282 denke men aan een geval als het volgende. Op een registergoed zijn twee hypotheken gevestigd, alsmede een ander beperkt (genots)recht, zoals vruchtgebruik of erfpacht, dat in rang volgt op de eerste en voorafgaat aan de tweede hypotheek. De tweede hypotheekhouder heeft, wanneer hij zelf executeert, slechts recht op de waarde van het goed, gedrukt door (de eerste hypotheek en) het andere beperkte recht. Executeert echter de eerste hypotheekhouder, dan zou, zonder een bepaling die de andere beperkt gerechtigde een schadevergoedingsrecht toekent, de tweede hypotheekhouder onmiddellijk na de eerste in de opbrengst delen, terwijl het tussenliggende recht zonder compensatie vervalt. Artikel 282 voorkomt deze onbillijkheid door aan de gerechtigde tot het genotsrecht een schadevergoeding toe te kennen, en daaraan een voorrang te verbinden onmiddellijk na degenen tegen wie hij zijn recht in geval van executie niet kan inroepen, in casu de eerste hypotheekhouder. 2024 -526- No. 164 De kwestie doet zich niet alleen bij executie door een hypotheekhouder voor, doch ook bij executie door een pandhouder of beslaglegger die voorgaat boven de beperkt gerechtigde. Voor dit laatste denke men aan de mogelijkheid dat het beperkte recht na het leggen van het beslag is gevestigd, alsmede aan het geval dat een schuldeiser goederen van anderen dan zijn schuldenaar kan executeren: zie de artikelen 284 lid 2 en 290 j 292. Het recht op schadevergoeding is alleen een geldvordering - herstel van zijn recht kan de beperkt gerechtigde niet verlangen. Hij kan zijn vordering zonder nadere formaliteiten bij de verdeling van de netto-opbrengst geldend maken. De bepaling geldt niet voor vorderingen die de beperkt gerechtigde uit anderen hoofde dan artikel 282 nog op de hoofdgerechtigde mocht hebben, bijvoorbeeld uit wanprestatie of onrechtmatige daad. In het faillissementsrecht zal met de bepaling rekening worden gehouden; de gerechtigde zal dan profiteren van het separatisme van de pand- en hypotheekhouder (vgl. artikel 53 van de Faillissementswet 1935, zoals dat op grond van de aanpassingswetgeving zal komen te luiden). Afdeling 3.10.2 - Bevoorrechte vorderingen op bepaalde goederen De afdeling behandelt dezelfde materie die nu in de artikelen 1169 e.v. van het BW wordt behandeld. In feite is er echter een groot verschil met het geldende recht, omdat vele in artikel 1169 opgesomde voorrechten vervallen, en anderzijds niet slechts een beperkte zaaksvervangingsregeling wordt voorgesteld (artikel 283), doch ook een enkel nieuw voorrecht wordt geïntroduceerd (artikel 287). Voor de kosten van uitwinning van het met een voorrecht belast goed (artikel 1169, onderdeel 1) is geen plaats meer, omdat deze kosten reeds terstond uit de bruto-opbrengst worden voldaan, en slechts de netto-op- brengst voor verdeling in aanmerking komt. Het voorrecht van de verhuurder (artikel 1169, onderdeel 2) vervalt, omdat verhuurders hun belangen op andere wijze plegen veilig te stellen, zoals vooruitbetaling van huurtermijnen en waarborgsommen. Naast het, in Boek 7 te moderniseren, recht van reclame en het eigendomsvoorbehoud (huurkoop) bestaat er onvoldoende reden voor het handhaven van een voorrecht voor de verkoper (artikel 1169, onderdeel 3). Voldoende aanleiding ontbreekt in onze maatschappij ook voor handhaving van het voorrecht van de herbergier (artikel 1169, onderdeel 6). De positie van de vervoerder in het internationale vervoer is bij verdragen geregeld, voor het overige bestaat geen praktische behoefte om voor de vervoerder het privilege van artikel 1169, onderdeel 7, te handhaven. Evenmin bestaat er goede grond voor het privilege van artikel 1169, onderdeel 9, betreffende vergoedingen die openbare ambtenaren verschuldigd zijn. De aandacht zij er ten slotte op gevestigd dat de privileges worden beschouwd als nevenrechten die bij cessie op de cessionaris, bij subrogatie op de gesubrogeerde overgaan, evenals de afhankelijke beperkte rechten van pand en hypotheek. Het huidige recht kent slechts in het zeerecht krachtens verdrag bij de bijzondere voorrechten een zekere zaaksvervanging. Artikel 283 breidt deze rechtsfiguur uit op een wijze, vergelijkbaar met hetgeen voor pand en hypotheek is gebeurd - zie artikel 229. Het voorrecht komt te rusten op het bedrag dat, in het bijzonder in geval van beschadiging van het met het voorrecht belaste goed, ter vergoeding is verschuldigd; zie de toelichting op artikel 229. Bij artikel 284, regelend het voorrecht voor kosten van behoud, vergelijke men de artikelen 1169, onderdeel 4, en 1177, eerste onderdeel. Kosten tot behoud zijn alleen die, die gemaakt moesten worden om het goed van feitelijke ondergang te redden; onderhoudskosten vallen daaronder niet (HR 24-3-1995, NJ 1996, 158). 2024 -527- No. 164 Lid 2 verbindt aan het voorrecht ook een verhaalsrecht als de behouden zaak aan een ander dan de schuldenaar toebehoort, terwijl zijn rang ook gaat boven oudere beperkte rechten, zoals pand en hypotheek; zie de toelichting bij artikel 276. Zonder de gemaakte kosten tot behoud zou immers de zaak ook voor de andere schuldeisers en rechthebbenden als verhaalsobject verloren zijn gegaan. Alleen degene die zijn recht - eigendom of beperkt recht - na het maken van de kosten van behoud verkreeg, wordt niet door dit verhaalsrecht met de daaraan verbonden voorrang getroffen: hij verkreeg zijn goed in de staat waarin het na het herstel enz. verkeerde en in zijn prijs zullen de kosten daartoe zijn verdisconteerd. In zo'n geval zijn de hoofdregels van de artikelen 279 en 281 van toepassing. De tweede en de derde zin van het lid beperken echter de eerste zin voor de rechten, gevestigd na het maken van de kosten voor behoud, en wel voor een stil pandrecht en voor een ander recht, zoals eigendom tot zekerheid, zolang het goed zich nog onder de vervreemder bevindt. Zolang de nieuwe rechthebbende nog niet openlijk, doordat het goed buiten de macht van de vervreemder is gebracht, van het bestaan van zijn recht heeft doen blijken, kan hij zijn recht (niet alleen niet tegen oudere rechthebbenden, maar ook) niet tegen de onderhavige schuldeiser met zijn voorrecht, inroepen. Aldus de tweede en derde zin van lid 2 in de geest van artikel 90 lid 2 waarbij naar de toelichting op deze bepaling moge worden verwezen; vgl. ook de toelichting bij artikel 237. Bepaalt lid 2 de rang van het voorrecht ten opzichte van eigendom of beperkte rechten, lid 3 bepaalt die ten opzichte van andere voorrechten die mochten bestaan ten opzichte van het behouden goed. Evenals in lid 2, eerste zin, is hier beslissend het tijdstip van ontstaan, in casu van de vordering waaraan zo'n ander voorrecht is verbonden. Is die vordering ontstaan vóór die van de kosten van behoud, dan gaat het voorrecht van artikel 284 voor, is de andere vordering nadien ontstaan, dan is er geen bijzonder voorschrift dat afwijkt van de hoofdregels van de artikelen 280 en 281.

  1339. Artikel 285 vervangt de tegenwoordige onderdelen 5 en 8 van artikel 1169, alsmede artikel 1177, voor zover dat op deze beide betrekking heeft. Het voorrecht rust op de bearbeide zaak, doch alleen als die aan de schuldenaar toebehoort, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen roerend en onroerend, zoals de huidige wet schijnt te doen. Het voorrecht is bestemd voor de handwerkman, niet voor het grote aannemingsbedrijf; heeft een bedrijf de rechtsvorm van een openbare vennootschap of rechtspersoon, dan wordt vereist dat firmanten, respectievelijk bestuurders, zelf aan het handwerk plegen mee te arbeiden, en zich niet tot louter leidinggeven beperken. Het voorrecht heeft daarmee een duidelijk sociale inslag gekregen. Het voorrecht bestaat slechts gedurende een tot twee jaar beperkte termijn - die als vervaltermijn is te beschouwen (vgl. de driejaarstermijn van artikel 1169, onderdeel 8) ook al wordt de vordering zelf overeen- komstig artikel 307 aan een langere verjaringstermijn onderworpen. De aannemer kan in het algemeen zijn voorrecht niet tegen derden-rechthebbenden inroepen (vgl. de toe- lichting op artikel 276). Wel zal de aannemer, ook degene die niet onder de omschrijving van het artikel valt, dikwijls een retentierecht hebben, dat ook voorrang verschaft (artikel 292), en onder omstandigheden ook tegen derden kan worden ingeroepen (artikel 291). Lid 2 geeft daarnaast het privilege nog een bijzondere voorrang boven stil pandrecht. Dit is overeenkomstig artikel 90 lid 2 en in de lijn van de, bij dit artikel en artikel 86 ter sprake gekomen, arresten HR 6-3-1970, NJ 1970, 433 (Van Wessem-Traffic), en 7-3-1975, NJ 1976, 91 (Van Gend en Loos), inzake levering constituto possessorio van eigendom tot zekerheid, die voor deze rechtsfiguur hun belang behouden. Die bijzondere voorrang geldt echter niet ten opzichte van het jongere stille pandrecht vanaf het tijdstip waarop dit openbaar is geworden doordat de zaak in de macht van de schuldeiser of een derde is gebracht (vgl. artikel 284, leden 2 en 3). Zie voorts artikel 286 lid 2. 2024 -528- No. 164

  1340. Artikel 286 lid 1 betreft de bijdrage ter zake van een appartementsrecht. Lid 2 geeft een bijzondere regel voor het voorrecht van artikel 285, in geval het bearbeide gebouw in appar- tementen is verdeeld: de vordering van de aannemer kan alsdan op elk appartement worden verhaald voor het bedrag waartoe de eigenaar aansprakelijk is. Lid 3 regelt de samenloop van het voorrecht uit de leden 1 en 2. Aansprakelijkheidsverzekeringen worden gesloten om de verzekerde de financiële schade te vergoeden die hij lijdt wanneer hij uit wet of overeenkomst aansprakelijk wordt gesteld. Materieel is de bedoeling dat het uit te keren bedrag doorstroomt naar de benadeelde persoon, maar formeel loopt de uitkering via het vermogen van de verzekerde. Dit schept het risico dat de uitkering daar blijft hangen en niet wordt - of kan worden - doorgesluisd. Dit doet zich in het bijzonder voor bij faillissement van de verzekerde: de verzekeringsuitkering valt in de failliete boedel en de benadeelde heeft tegen deze slechts een concurrente vordering (vgl. HR 10-5- 1985, NJ 1985, 794). Een oplossing is de benadeelde een eigen recht jegens de verzekeraar te verlenen, doch deze oplossing is slechts goed uitvoerbaar bij een algemene wettelijk verplichte verzekering met de daarbij behorende centrale administratie. Minder ver gaat, doch speciaal in faillissement even effectief is een voor- recht van de benadeelde op de vordering van de verzekerde op de verzekeraar, mits dit voorrecht hoog in rang is. In lid 1 van artikel 287 is een zodanig voorrecht vervat, in lid 2 wordt daaraan een hoge rang toegerekend met een verhaalsrecht dat tegen derden-rechthebbenden kan worden ingeroepen (zie de toelichting op artikel 276). Niet alleen is het bestand tegen cessie van de vordering op de verzekeraar, ook gaat het boven een al dan niet bij voorbaat geleverd pandrecht daarop. Het in artikel 287 geregelde voorrecht van de benadeelde dient afgestemd te worden op het recht van afdracht van de tussenpersoon ingevolge het voorgestelde artikel 7:936 lid 2. Deze laatste bepaling verplicht de verzekeraar tot afdracht van de door de tussenpersoon betaalde premies aan de tussenpersoon ‘ongeacht de rechten van derden’, terwijl ook de benadeelde zijn voorrecht kan uitoefenen ‘zonder dat hem rechten van derden (...) kunnen worden tegengeworpen’. Het recht van afdracht van de tussenpersoon verdient voorrang op het voorrecht van de benadeelde, omdat de benadeelde niet over een voorrecht zou beschikken wanneer de tussenpersoon de premie niet zou hebben voldaan. In de redactie van artikel 287 lid 2 is dit tot uitdrukking gebracht. Hierbij zij opgemerkt dat het voorrecht van de benadeelde hierdoor niet wordt achtergesteld bij het recht op afdracht van de tussenpersoon indien het premies en kosten ter zake van een verplichte aansprakelijkheidsverzekering betreft. Uit artikel 7:936 lid 4 onderdeel b, vloeit immers voort dat de tussenpersoon in dat geval geen recht heeft op afdracht. Afdeling 3.10.3 - Bevoorrechte vorderingen op alle goederen

  1341. Artikel 288 bevat de regeling van de algemene voorrechten, waarvan de rangorde wordt bepaald in de artikelen 279, 280 en 281 lid 2. Het vervangt daarmee artikel 1179, maar wijkt daarvan in een aantal opzichten af. Uit dat artikel vervallen de voorrechten genoemd in de onderdelen 3 (kosten van de laatste ziekte), 5 (levensmiddelen geleverd over de laatste zes maanden), 6 (kostschoolhouders) en 7 (onbekwamen). Voor deze voorrechten bestaat in de huidige maatschappij weinig goede reden en degenen die deze vorderingen hebben verkregen, onderscheiden zich niet wezenlijk van andere schuldeisers. Gehandhaafd zijn de in artikel 1179, onderdelen 1, 2 en 4 opgesomde voorrechten - zij het in enigszins gewijzigde vorm - terwijl een tweetal nieuwe voorrechten, met betrekking tot pensioenen, is toegevoegd. Ten opzichte van artikel 1179, onderdeel 1, is de reikwijdte van het in onderdeel a opgenomen voorrecht beperkt, en wel tot de algemene kosten van uitlokking en voorbereiding van een vereffening, zoals de aan- vraag van een faillissement en van een erfrechtelijke rangregeling en boedelafscheiding. Voor de kosten van de executie bestaat geen behoefte aan een voorrecht, omdat immers de schuldeisers alleen in de netto- opbrengst na executie delen; vgl. de toelichting bij afdeling 3.10.2, Algemeen. Het gaat hier om kosten die voor alle schuldeisers zijn gemaakt. 2024 -529- No. 164 In onderdeel b zijn de begrafeniskosten van artikel 1179, onderdeel 2, verruimd tot kosten van lijkbezorging, zodat zij ook de kosten van andere toegelaten wijzen van lijkbezorging, in het bijzonder crematie, omvatten. De beperking van die kosten tot een passende wijze is iets anders geformuleerd. De motivering van het voor- recht is dat de nabestaanden niet in een noodtoestand behoren te komen verkeren door voorwaarden van financiële aard die anders door uitvaartondernemers zouden kunnen worden gesteld. De onderdelen c en d zijn nieuw. Beide betreffen zij pensioenuitkeringen van (ex-)werknemers en hun nabe- staanden, en hebben dus dezelfde - en zelfs enigermate sterkere - sociale inslag als het bestaande loonprivilege van artikel 1179, onderdeel 4 - vandaar dat zij daarboven zijn gerangschikt. De geprivilegieerde vorderingen in deze onderdelen onderscheiden zich hierin dat die in onderdeel c reeds bestaande, opeisbare vorderingen zijn, en die in onderdeel d nog niet opeisbaar, doch wel reeds "verdiend", immers toegezegd zijn. Op deze vorderingen volgt ten slotte het loonprivilege van onderdeel e, overeenkomend met dat van artikel 1179, onderdeel 4. Onder "al hetgeen een werknemer .. in geld op grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft" valt niet alleen het loon, maar ook onder andere de in artikel 1179, onderdeel 4, genoemde verhoging van het loon als bedoeld in artikel 1614g. Onder "bedragen ... in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking" kunnen vallen de rechten uit een afvloeiingsregeling ter voorkoming van kennelijk onredelijke beëindiging in de zin van artikel 1615s (HR 23-5-1980, NJ 1980, 502). Evenals de bijzondere voorrechten gelden ook de algemene als nevenrechten; zie het slot van de algemene opmerkingen bij afdeling 3.10.2. Het artikel dat onder artikel 289 in het Nederlandse BW is opgenomen, heeft betrekking op heffingen van de Europese Kolen- en Staalgemeenschap, en mist hier te lande grondslag. Afdeling 3.10.4 - Retentierecht Algemeen Het retentierecht, de bevoegdheid tot opschorting van de afgifte van een zaak die aan een ander toebehoort, wordt in de huidige wet incidenteel toegekend, hetgeen de vraag heeft opgeroepen, of het recht ook in andere min of meer vergelijkbare gevallen bestaat. In de huidige wet ontbreekt een algemene regeling omtrent de rechtsgevolgen van de bevoegdheid, bijvoorbeeld de vraag of zij ook tegenover anderen dan de schuldenaar kan worden ingeroepen, waaromtrent enige jurisprudentie bestaat. In de onderhavige afdeling wordt zulk een algemene regeling omtrent de rechtsgevolgen voorgesteld. Zij houdt nauw verband met andere regels omtrent het verhaal op goederen van een schuldenaar of derden en met de rangorde, hetgeen de reden is waarom zij een plaats in titel 3.10 heeft gevonden. De afdeling behandelt niet de vraag, wanneer een retentierecht bestaat. Veelal zal dat deel uitmaken van een verbintenisrechtelijke verhouding, die onder bepaalde omstandigheden rechtvaardigt dat een der partijen de nakoming van haar verbintenis tegenover de ander opschort. Dit opschortingsrecht, dat uit een retentierecht kan bestaan, zal zijn regeling vinden in Boek 6 (zie afdeling 6.1.7 en de artikelen 6:262 tot en met 6:264). Anderzijds kan een afgifteverplichting ook voorkomen in een zakenrechtelijke verhouding, bijvoorbeeld voor de bezitter tegenover de eigenaar - ook daar kan een retentierecht tot opschorting van die verplichting leiden (zie artikel 120 lid 3). Voorts kan ook een andere wet een retentierecht toekennen; vgl. de toelichting bij de artikelen 276 tot en met 281.

  1342. Artikel 290 omschrijft de inhoud van het retentierecht. Het komt toe aan iemand die schuldeiser is én tegelijkertijd een zaak (van een ander) onder zich heeft die hij aan zijn schuldenaar moet afgeven. Men denke aan een horlogemaker die wegens reparatie van het horloge een vordering op de eigenaar daarvan heeft, en omgekeerd verplicht is tot afgifte van het horloge, doch dat niet behoeft te doen zolang de vordering niet is voldaan. In een soortgelijke situatie verkeert een vervoerder, en ook de in het reeds genoemde artikel 120 lid 3 bedoelde, bezitter te goeder trouw die de in zijn macht zijnde zaak niet aan de eigenaar behoeft af te geven, 2024 -530- No. 164 zolang deze hem niet het hem toekomende betaalt. Ook een onroerende zaak kan voorwerp van retentierecht zijn: zie HR 15-2-1991, NJ 1991, 628: omdat het recht niet uit de openbare registers valt af te leiden, stelt de Hoge Raad dat het beperkt is tot het geval dat de retentor op een ook voor derden voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht over de zaak uitoefent, zodat feitelijke afgifte, zoals ontruiming, nodig is om haar ongedaan te maken. Tussen vordering en zaak zal een zeker verband bestaan dat in de in de wet aangegeven gevallen waarnaar het artikel verwijst, nader wordt bepaald, hetzij in een algemene formule (zie aldus artikel 6:52), hetzij specifiek, zoals in artikel 120 lid 3 (vgl. voor het vigerende recht HR 11-4-1975, NJ 1975, 345). Op een eventueel bedongen retentierecht dat niet uit de wet voortvloeit, is de regeling van afdeling 3.10.4, met zijn werking tegen derden bijvoorbeeld, niet van toepassing. Het retentierecht is een bevoegdheid die de rechthebbende al dan niet kan uitoefenen, niet een beperkt recht op de zaak. Wel is het in zoverre accessoir dat het een, nog onbetaalde, vordering veronderstelt, maar meestal neemt men aan dat het geen afhankelijk of nevenrecht is dat bij cessie of subrogatie van rechtswege op cessionaris of gesubrogeerde overgaat: de rechthebbende zal niet bevoegd zijn de zaak in diens macht te brengen; wel kan uit de aard der rechtsverhouding voortvloeien dat hij de bevoegdheid nog ten behoeve van de verkrijger der vordering kan uitoefenen. Het retentierecht bestaat zolang de vordering nog niet geheel is voldaan of op andere wijze, zoals door verrekening, is tenietgegaan; verjaring van de rechtsvordering maakt geen einde aan het retentierecht (zie artikel 6:56). Vgl. voorts artikel 294. Als regel is vereist dat voor de uitoefening van het retentierecht de vordering opeisbaar is, tenzij uit de wet in een bijzonder geval het tegendeel voortvloeit (zie artikel 6:80). De toekenning van het retentierecht betekent niet dat het ook mag worden uitgeoefend indien dat in strijd met redelijkheid en billijkheid zou komen - zie HR 4-1-1991, NJ 1991, 723. Een retentor kan zijn recht in de eerste plaats inroepen tegen medeschuldeisers, hetgeen in het bijzonder van belang is indien dezen beslag leggen of de schuldenaar in staat van faillissement verkeert. Daarbij is onverschillig of zo'n medeschuldenaar bevoorrecht is en of zijn vordering ouder of jonger is dan die van de retentor. Diens verhouding tot deze medeschuldeiser wordt niet in afdeling 3.10.4 uitgewerkt, maar zal een plaats vinden in Boek 6 bij de opschortingsrechten in het algemeen (artikel 6:53), en voor faillissement in de Faillissementswet 1935 (vgl. het - bij de aanpassingswetgeving nog te wijzigen - artikel 56 daarvan). In afdeling 3.10.4 is wel neergelegd de regeling der verhouding tussen de retentor en derde-rechthebbenden - eigenaar of beperkt gerechtigde - op de teruggehouden zaak, die kan leiden tot verhaal op goederen van een ander dan de schuldenaar en tot doorbreking van beperkte rechten op zo'n zaak - zie hieromtrent in het algemeen de toelichting op artikel 276. Of onder het huidige recht de retentor zijn recht ook tegen deze derden-rechthebbenden kan inroepen, valt uit de wet niet te lezen; zie voor jurisprudentie in het bijzonder HR 1-5-1964, NJ 1965, 339.

  1343. Artikel 291 beoogt, mede op basis van deze jurisprudentie, met een genuanceerd antwoord hier duidelijkheid te verschaffen. Het onderscheidt daartoe in de leden 1 en 2 tussen de rechten van derden die jonger en die ouder zijn dan het retentierecht. Om als jonger te gelden dan het retentierecht moet volgens lid 1 de vordering van de retentor zijn ontstaan vóór het ontstaan van het recht van de derde én de zaak vóór het ontstaan van het recht van de derde in de macht van de retentor zijn gekomen. Voor de toepassing van dit dubbele criterium zij eraan herinnerd dat de vordering van de retentor, indien deze op overeenkomst berust, reeds ontstaat met het sluiten van de overeenkomst, hetgeen zelfs mede geldt voor de vordering tot aanvullende of vervangende schadevergoeding (HR 13-4-1962, NJ 1964, 395). En voorts vraagt de aandacht dat voor het tweede criterium niet beslissend is het tijdstip waarop de retentor voor het eerst een beroep op zijn retentierecht kan doen - in het algemeen het verzuim van de wederpartij - maar het tijdstip waarop hij de zaak, bijvoorbeeld voor reparatie of vervoer, in zijn macht heeft gekregen. Het tijdstip waarop aan deze beide criteria tezamen is voldaan, is doorslaggevend voor de vraag of van een jonger dan wel ouder recht van een derde kan worden gesproken. 2024 -531- No. 164 Tegen jongere rechten nu kan het retentierecht steeds worden ingeroepen, aldus lid 1. Daarbij houde men nog rekening met het volgende. Het nieuwe BW zal noch aan de ontbinding van overeenkomsten, noch aan de ontbindende voorwaarde, noch aan het reclamerecht nog terugwerkende kracht toekennen; alleen voor de vernietiging blijft zij gehandhaafd. Herkrijgt nu een rechthebbende zijn recht zonder terugwerkende kracht na het tijdstip waarop de retentor zijn vordering verkreeg en de zaak in zijn macht kreeg, dan heeft de in zijn recht herstelde (slechts) een jonger recht. Voor de werking tegen oudere rechten geldt volgens lid 2 een beperktere regeling: deze behoren immers niet door de werking van het retentierecht te worden belast, als zij geheel buiten de rechtsverhouding tussen de retentor en diens wederpartij staan. Hier is in beginsel gekozen voor het criterium van de bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten die een retentierecht meebrengen. In de regel zal een zakelijk gerechtigde zoals een vruchtgebruiker, en in verschillende gevallen ook een pand- en hypotheekhouder bepaalde handelingen zoals reparaties mogen laten verrichten (vgl. artikelen als 207, 243 en 267); ten aanzien van een retentierecht op een onroerende zaak, zie overigens lid 3. Hetzelfde zal dikwijls gelden voor een huurder. Als zo'n bevoegdheid bestaat, is het redelijk dat de oudere gerechtigde het retentierecht ook tegen zich moet laten gelden. Een zeker onderzoek van de zijde van de retentor naar die bevoegdheid kan daartoe zijn verlangd: zie artikel 11; een al te diepgaand onderzoek kan anderzijds niet worden geëist wanneer het bijvoorbeeld om reparatie van min of meer alledaagse zaken gaat. Vandaar dat het retentierecht ook aan een oudere gerechtigde mag worden tegengeworpen indien de retentor geen reden heeft om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen. Lid 2 geldt niet voor retentierechten die niet aan een contractuele verhouding zijn verbonden, maar die, daarbuiten, uit de wet voortvloeien; in hoeverre het retentierecht hier aan derden-rechthebbenden met ouder recht kan worden tegengeworpen, moet uit de afzonderlijke wetsbepalingen worden afgeleid. Blijkens HR 15-2-1991, NJ 1991, 628 is een retentierecht op onroerend goed mogelijk, ook in een geval waarin een aannemer een retentierecht uitoefent jegens de rechthebbende die tevens de aanbesteder is, ter zake van de grond en het door hem daarop gebouwde, zoals hij dat uit hoofde van de aannemingsovereenkomst onder zich heeft gekregen. Een zodanig retentierecht - dat niet kenbaar is uit de openbare registers, en derhalve een bron van onzekerheid kan opleveren voor derden die deze registers met het oog op de rechtstoestand van het onroerend goed hebben geraadpleegd - dient echter te worden beperkt tot het geval waarin de schuldeiser die het retentierecht uitoefent, op een ook voor derden voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht over het goed uitoefent, zodat feitelijke afgifte, veelal ontruiming, nodig is om deze macht weer op de rechthebbende te doen overgaan. Naar de mening van de ondergetekende hoort een dergelijk retentierecht niet zonder meer te kunnen worden tegengeworpen aan een eerdere hypotheekhouder. Redelijk is dat de aannemer slechts het retentierecht aan deze hypotheekhouder kan tegenwerpen voor zover door zijn werkzaamheden de executieopbrengst hoger is geworden. Aldus het voorgestelde lid 3. In dit verband houde men in het oog dat de aannemer betaling door de opdrachtgever kan bedingen die ten minste correspondeert met de voorgang van de bouw; en dat aannemer er redelijkerwijs op bedacht moeten zijn dat de onroerende zaak verhypothekeerd is. Anders dan in het huidige recht zal het retentierecht in de nieuwe wetgeving niet slechts een bevoegdheid tot opschorting van een afgifte - en daarmee een pressiemiddel - zijn, en zal het bovendien onder omstandigheden krachtens artikel 291 verhaal bieden op een zaak die aan een ander dan de schuldenaar toebehoort, het zal ook worden gecomplementeerd met een voorrang bij verhaal. Dit laatste wordt in artikel 292 uitgedrukt, dat daarmee de impasse doorbreekt die kan ontstaan wanneer de zaak aan een derde toebehoort of een mede-schuldeiser een vordering heeft die hoger in rang is dan die van de retentor. Het artikel geeft de retentor niet de bevoegdheid tot parate executie - een executoriale titel blijft vereist. Bij verhaal heeft de retentor voorrang (op de netto-opbrengst der zaak) boven allen tegen wie hij zijn retentierecht kan inroepen, dat wil zeggen mede-schuldeisers en, volgens de regels van artikel 291, rechtheb- benden op de zaak. Deze voorrang is niet zelf een voorrecht, hetgeen bijvoorbeeld reeds blijkt uit artikel 294. 2024 -532- No. 164 Bij cessie van de vordering of subrogatie gaat het retentierecht, anders dan een privilege, niet van rechtswege mee over, en ook artikel 283 inzake zaaksvervanging geldt er niet voor. Voor het geval van verhaal in faillissement en surséance van betaling zal via de aanpassingswetgeving een nadere uitwerking in de Faillissementswet 1935 worden opgenomen; vgl. bijvoorbeeld de artikelen 60, 157 en 232 van de Nederlandse Faillissementswet.

  1344. Artikel 293 Degene die een zaak onder zich heeft die hij moet afleveren, moet voor haar zorg dragen; zie het huidige artikel 1252 en artikel 6:27. Daarmee zijn kosten gemoeid die in geval van de uitoefening van een retentie- recht - dat de wederpartij in verzuim doet komen (artikel 6:59) - nader wettelijk zullen worden geregeld bij Boek 6. Voor die kosten kan de retentor evenzeer zijn recht uitoefenen en daarvoor heeft hij eveneens verhaal op de zaak, met dezelfde voorrang als hij voor zijn hoofdvordering heeft, aldus het onderhavige artikel.

  1345. Artikel 294 geeft een bijzondere wijze van beëindiging van het retentierecht aan, en wel doordat de zaak definitief terugkeert in de macht van de schuldenaar of rechthebbende. De bepaling vloeit voort uit de aard van het recht: het eindigt als het niet langer kan worden uitgeoefend. Is de herkrijging niet definitief, dan herleeft het retentierecht als de retentor de zaak binnen de oude rechtsverhouding weer in handen krijgt. Dat kan bijvoorbeeld geschieden, wanneer de schuldenaar of rechthebbende de zaak tegen de wil van de retentor aan deze heeft onttrokken, en deze haar met een geslaagde vordering uit onrechtmatige daad opnieuw onder zich weet te brengen. Het retentierecht kan vanzelfsprekend ook op andere wijze tenietgaan - zie artikel 290 met de toelichting daarop, terwijl het in dit opzicht voorts het lot zal delen van de in Boek 6 te regelen opschortingsrechten in het algemeen (zie de artikelen 6:52 tot en met 6:57 en 6:262 tot en met 6:264). Zie voorts nog HR 13-5-1988, NJ 1989, 201: het retentierecht gaat niet teniet door verbeurdverklaring van de zaak.

  1346. Artikel 295 Het retentierecht gaat in beginsel niet teniet, wanneer de zaak in de macht van een ander dan de schuldenaar of rechthebbende komt. Alsdan is de retentor bevoegd haar van die ander op te eisen met een vordering die de eigenaar ten dienste staat - zie voor een gelijk recht artikel 124 voor de bezitter, en vgl. ook de artikelen 218 voor de vruchtgebruiker en 245 voor de pandhouder. Heeft een derde echter de zaak te goeder trouw verkregen, dan wordt deze binnen de grenzen die artikel 86 trekt, ook tegen de vordering van de retentor beschermd. Stelt zowel de retentor als de eigenaar een vordering als de revindicatie in, dan zal de retentor voorgaan. Uit de redelijkheid en billijkheid zal voortvloeien dat de een de ander van zijn rechtsvordering verwittigt. TITEL 3.11 Algemeen Titel 3.11 bevat allereerst een aantal bepalingen omtrent hetgeen met rechtsvorderingen kan worden bereikt, en is vervolgens gewijd aan de verjaring van rechtsvorderingen. De eerste reeks beantwoordt goeddeels aan hetgeen, meestal als ongeschreven of jurisprudentierecht, ook thans reeds wordt aangenomen, de tweede reeks is een modernisering en verfijning van de verjaringsbepalingen uit het huidige Vierde Boek van het BW, voor zover die niet betrekking hebben op de verkrijgende verjaring, die in het nieuwe BW een plaats heeft gevonden in afdeling 3.4.3. Tussen het materiële vermogensrecht en de rechtsvordering bestaat een nauw verband. Wie een vermogens- recht heeft, heeft in de regel ook een rechtsvordering om daaraan zo nodig kracht bij te zetten. De rechtsvorde- ring, de procedure, is het rechtsmiddel ter handhaving van de rechten en bevoegdheden die iemand toekomen. 2024 -533- No. 164 Terminologisch dient onderscheid te worden gemaakt tussen de rechtsvordering en het vorderingsrecht, ook al worden beide wel met "vordering" aangeduid. Een vorderingsrecht is een bepaald soort materieel vermogensrecht, de actiefzijde van een verbintenis die recht geeft op de prestatie van een wederpartij, terwijl de rechtsvordering van processuele aard is. De regeling van de rechtsvorderingen, in het bijzonder de wijze waarop zij in een proces kunnen worden ingesteld en vervolgd, is uiteraard goeddeels voorbehouden aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maar een aantal algemene aspecten die nauw met - in hoofdzaak - het materiële vermogensrecht verband houden, is in deze titel bijeengebracht. De indeling van de titel is als volgt: artikelen: 296 en 297 - afdwingen van nakoming van verplichting door het instellen van een rechtsvordering; 298 - botsende rechten op levering; 299 tot en met 301 - reële executie; 302 - declaratoire uitspraken; 303 - het vereiste van voldoende belang; 304 - onafscheidbaarheid der rechtsvordering van het vermogensrecht; 305 – arbitrage; 305a en 305b - collectieve actie; 306 tot en met 325 - bevrijdende verjaring; 326 – schakelbepaling. Wie jegens een ander een verplichting heeft, kan in de regel worden veroordeeld tot nakoming daarvan, aldus artikel 296 lid 1, dat daarmee de verkeerde indruk die artikel 1260 van het huidige BW vestigt, wegneemt. Zulk een verplichting kan zijn een verbintenis, ze kan ook bijvoorbeeld voortvloeien uit het zakenrecht, zoals de verplichting tot afgifte van een gestolen zaak aan de eigenaar. Naar de bestaande indeling van artikel 1255 onderscheidt artikel 296 de verplichtingen tot geven - de afgifte van een goed, geld daaronder begrepen - tot doen - het verrichten van een feitelijke of rechtshandeling - en tot niet doen - het zich onthouden van bepaalde gedragingen. De onderscheiding heeft zin voor de wijze waarop verplichtingen in rechte kunnen worden afgedwongen, in het bijzonder of reële executie mogelijk is; zie de toelichting op de artikelen 299 tot en met 301. Om te slagen in een rechtsvordering tot nakoming van de verplichting tot het verrichten van een prestatie is niet vereist dat de wederpartij in die nakoming is tekortgeschoten (aldus reeds HR 15-5-1964, NJ 1964, 414) - voor het vorderen van vervangende of aanvullende schadevergoeding wegens wanprestatie is wél vereist dat de wederpartij is tekortgeschoten in de nakoming van de primaire prestatie, niet echter dat hij in verzuim is met de betaling der schadevergoeding. Lichtvaardig aanspannen van een procedure tot nakoming kan door een kostenveroordeling worden afgestraft; zie ook artikel 303. Uitzonderingen op de regel kunnen bestaan op grond van de wet, de aard der verplichtingen en een rechtshandeling. Zo erkent de wet de natuurlijke verbintenis als een verplichting waarvan de nakoming niet kan worden afgedwongen. Zie ook bijvoorbeeld artikel 6:168. De nakoming van de verplichting tot vervaardiging van een bepaald wetenschappelijk of kunstwerk zal wegens de aard der verplichting niet rechtstreeks in rechte kunnen worden afgedwongen. Bij overeenkomst of testament kan een rechtsvordering tot nakoming worden uitgesloten. Lid 2 stelt buiten twijfel dat ook een veroordeling onder tijdsbepaling of voorwaarde mogelijk is, los van de dogmatische vraag of vóór de vervulling der voorwaarde wel recht op de prestatie bestaat. Wél zal de eisende partij voldoende belang bij zulk een vordering moeten kunnen aantonen (zie artikel 303). 2024 -534- No. 164

  1347. Artikel 297 stelt het rechtsgevolg van de in rechte afgedwongen prestatie gelijk met dat van de vrijwillige nakoming. Een zaak die met behulp van de sterke arm is afgegeven, wordt even zo goed eigendom van de verkrijger als wanneer zij vrijwillig krachtens overdracht was geleverd. In het algemeen heeft elke afgedwongen prestatie dezelfde bevrijdende werking voor de schuldenaar als de vrijwillig verrichte. Evenals een vrijwillig verrichte prestatie kan een afgedwongen prestatie onverschuldigd betaald blijken. Dit kan gebeuren omdat bijvoorbeeld de overeenkomst die de grond tot de veroordeling vormde, naderhand vernietigd wordt, doch het meest voor de hand liggende voorbeeld is dat de rechterlijke uitspraak waarop zij berust, in hoger beroep wordt vernietigd (vgl. HR 8-10-1976, NJ 1977, 485). Is een prestatie in kort geding afgedwongen, en beslist de rechter in de bodemprocedure anders, dan is niet daardoor de prestatie waartoe de rechter in kort geding veroordeelde, onverschuldigd geworden (HR 31-5-1963, NJ 1966, 336). Is door middel van een dwangsom in kort geding een overdracht afgedwongen, dan ontvalt daaraan echter de titel als in de bodemprocedure wordt beslist dat geen aanspraak op de overdracht bestond (HR 2-12-1966, NJ 1967, 353, en, laatstelijk HR 11-2-1994, NJ 1994, 651).

  1348. Artikel 298 Het kan zich voordoen dat iemand verplicht is dezelfde zaak aan meer dan een persoon, elk voor zich en niet gezamenlijk, te leveren. De oorzaak hiervan kan zijn dat hij de zaak aan twee verschillende personen heeft verkocht, of aan twee crediteuren eerste hypotheek heeft toegezegd, enz. Levert hij dan, vrijwillig, aan de een, dan zal hij aan de ander schadevergoeding verschuldigd zijn. (Denkbaar is dat in zo'n geval ook de verkrijger tot schadevergoeding wordt verplicht, omdat hij door aanvaarding der leveringen een onrechtmatige daad jegens zijn medeschuldeiser pleegt; denkbaar is dan tevens dat die schadevergoeding in natura - namelijk overdracht van het verkregene - wordt toegewezen.) Door echter vóór enige levering door de schuldenaar beslag te leggen, kan elk der schuldeisers de levering aan de ander blokkeren; doen beiden dat, dan ontstaat een impasse, waaruit een richtlijn, vervat in het onderhavige artikel, de uitweg kan wijzen: in het algemeen gaat het oudste recht op levering voor. De regel toont verwantschap met die van artikel 21, maar mag daarmee geenszins worden verward: laatst- genoemd artikel veronderstelt dat de leveringen door de inschrijving reeds zijn voltooid, bij artikel 298 is het juist de vraag aan wie moet worden geleverd. Vanzelfsprekend heeft artikel 298 evenmin iets met de rangorde van vorderingen te maken; deze wordt in titel 3.10 geregeld.

  1349. Artikel 296 stelt als beginsel de regel dat degene die verplicht is tot geven, doen of niet doen, tot nakoming van die verplichting kan worden veroordeeld. De vraag die vervolgens rijst, is hoe deze veroordelende uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd. Welke mogelijkheden de gerechtigde tot de prestatie openstaan, volgt ten dele uit de artikelen 299 tot en met 301, ten dele uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De artikelen 299 tot en met 301 en verschillende bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geven de eiser het recht op "reële executie", hetgeen niet inhoudt dat de schuldenaar steeds wordt gedwongen zelf de prestatie te verrichten - bij onwil en onmacht faalt daartoe elk machtsmiddel - maar wel dat de eiser met behulp van de rechterlijke uitspraak zichzelf de prestatie kan verschaffen. Een verplichting tot "geven" kan bestaan in een verplichting tot levering in de zin van artikel 84. Gaat het om een roerende zaak die geen registergoed is, dan is daarvoor vereist bezitsverschaffing (artikel 90) of ten minste verschaffing van feitelijke macht (artikel 91); voor de vestiging van vuistpand vereist artikel 236 dat de zaak buiten de macht van de pandgever wordt gebracht. Dit alles veronderstelt (meestal) afgifte, hetgeen ook kan voorkomen bij verbintenissen uit huur, vervoersovereenkomst, bewaargeving en dergelijke. Reeds onder het huidige recht neemt men aan dat hier zgn. reële executie mogelijk is, dat wil zeggen dat de eiser met behulp van de sterke arm de afgifte rechtstreeks kan afdwingen. Met het oog hierop zal het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden aangevuld (artikelen 491 e.v.). 2024 -535- No. 164 Bestaat het geven uit het verschaffen van een geldsom - ook in geval van een veroordeling tot schade- vergoeding - dan bevat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering reeds nu een regeling omtrent de executie (Tweede tot Vierde Titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Moet een registergoed of een ander recht worden geleverd, dan is medewerking van de schuldenaar aan een akte vereist (artikelen 89, 94 en 95). De artikelen 300 en 301 beogen ook voor deze en dergelijke gevallen reële executie van de verplichting tot medewerking aan een rechtshandeling mogelijk te maken, ook buiten de zeldzame gevallen waar het huidige recht dat toestaat. Bestaat de prestatie die moet worden verricht, anderszins in een "doen", dan opent artikel 299 lid 1, in navolging van artikel 1262 van het thans geldende BW, evenzeer de weg tot reële executie: de rechter kan in beginsel de eiser machtigen om zelf te bewerkstelligen datgene waartoe nakoming zou hebben geleid. Bestaat de prestatie ten slotte in een "niet-doen", dan dient men te onderscheiden: heeft degene op wie de verplichting rustte, reeds gedaan waarvan hij zich had te onthouden, en heeft dit tot een tastbaar resultaat geleid, dan kan de rechter tot tenietdoening machtigen (artikel 299 lid 2 - thans artikel 1261), is dat nog niet het geval dan kan de nakoming van de verplichting feitelijk door een verbod worden afgedwongen, zoals ook thans reeds wordt aangenomen. De aandacht verdient dat de artikelen 299, leden 1 en 2, en 300 de rechter niet, desverlangd, verplichten de reële executie te bevelen of daartoe machtiging te geven: het is zijn discretionaire bevoegdheid - hij zal daartoe niet behoeven over te gaan, als bijvoorbeeld het nadeel voor de schuldenaar onevenredig zwaar zou zijn. Immers, ook op andere wijze dan door de hierboven besproken reële executie zal nakoming kunnen wor- den verzekerd, en wel door het opleggen van een dwangsom - alleen niet voor de voldoening van een geldvordering - en door lijfsdwang. Voorts kan een verplichting tot nakoming ook worden omgezet in scha- devergoeding, ook daar waar reële executie, bijvoorbeeld wegens de persoonlijke aard der verplichting, geen effect kan hebben. Opmerking verdient nog dat de artikelen 299 tot en met 301, anders dan de artikelen 1261 en 1262 van het huidige BW, niet de termen "schuldeiser" en "schuldenaar" bezigen. Zoals bij artikel 296 is uiteengezet, staan eiser en opgeroepene immers niet steeds als zodanig tot elkaar - men denke aan de zakenrechtelijke rechts- vorderingen als de revindicatie en de bezitsvorderingen - en voorts lette men op de schakelbepaling van artikel 326, die de werking van de artikelen 299 tot en met 301 in beginsel ook buiten het gebied van het vermo- gensrecht toepasselijk verklaart.

  1350. Artikel 299 lid 1 verschilt in zoverre van artikel 1262, dat de reële executie niet is beperkt tot het doen uitvoeren van de prestatie, maar dat de eiser ook kan worden gemachtigd tot het zelf verrichten. Voor de terminologie van "schuldeiser en schuldenaar" zij verwezen naar de opmerkingen in de vorige alinea. Reële executie zal niet mogelijk zijn in de gevallen waarin de prestatie strikt persoonlijk is: het schrijven van een boek, het maken van een schilderij, het verschaffen van inlichtingen, enz. De eiser zal, om zijn prestatie te bemachtigen, niet op het middel van artikel 299 lid 1, zijn aangewezen: hij kan ook zonder machtiging de prestatie van de schuldenaar (door een ander doen) verrichten en dan de kosten daarvan bij wijze van schadevergoeding op de schuldenaar verhalen, maar dat is dan een ander soort vordering waarvoor, in geval van wanprestatie, onder meer vereist is dat er een tekortkoming in de nakoming der ver- plichting is. Bestaat het doen in het verrichten van een rechtshandeling, dan is niet lid 1, doch artikel 300 van toepassing. Bij lid 2 is een combinatie met een vordering tot herstel in de oude toestand, bij wijze van schadevergoeding in natura (vgl. artikel 6:103), mogelijk. Lid 3 regelt het verhaal van de kosten der uitvoering op degene die niet is nagekomen. Deze kosten moeten noodzakelijk zijn voor die uitvoering, aldus de bepaling, en de rechter kan in zijn uitspraak aangeven op vertoon van welke bescheiden - in het bijzonder rekeningen - de daarbij vermelde bedragen moeten worden betaald. 2024 -536- No. 164

  1351. Artikel 300 is een lex specialis ten opzichte van artikel 299 lid 1, voor het geval de prestatie bestaat uit het verrichten van een rechtshandeling. In beginsel staan twee wegen voor reële executie op dit gebied open: de directe weg, waarbij aan de rechterlijke uitspraak de kracht der rechtshandeling toekomt en zij de rechts- handeling geheel of ten dele kan vervangen, en de middellijke weg, waarbij de rechter een "dwangvertegen- woordiger" aanwijst, die de rechtshandeling in de plaats van de opgeroepene verricht. De eerste weg komt in aanmerking als de uitspraak zelf volledig de rol van de rechtshandeling kan overnemen. Is dat het geval, dan treedt de uitspraak in de plaats van de rechtshandeling, ook waar de wet voor deze bijvoorbeeld een notariële akte verlangt. Lid 2 regelt het bijzondere geval van vereiste medewerking van de opgeroepene aan een akte. Alsdan kan de uitspraak de gehele akte vervangen, maar ook slechts een deel daarvan, in het bijzonder de verklaring van de opgeroepene. Voor toepassing zal in het bijzonder aanleiding zijn bij de overdracht van en de vestiging en afstand van beperkte rechten op registergoederen, die de wet nu nog slechts spaarzaam toelaat (zie artikel 1201 lid 3 en overdracht en hypotheek van te boek gestelde schepen); op reële executie langs deze weg als algemene regel is reeds geanticipeerd door HR 3-4-1987, NJ 1988, 276. De tweede weg, aanwijzing van een dwangvertegenwoordiger, zal in het bijzonder in aanmerking komen als de totstandkoming der rechtshandeling nog zoveel voorbereiding kost dat zij niet met een enkele rechterlijke uitspraak kan worden voltooid. Men denke aan het bijzondere geval van de "onzijdige persoon" van artikel 181, die deelgenoten bij (het overleg over) de verdeling van een gemeenschap vertegenwoordigt. Acht de rechter nog controle achteraf wenselijk, dan opent de tweede zin van lid 1 de weg daartoe. Soms zal de aard van de te verrichten rechtshandeling toepassing van dit artikel in het geheel niet toelaten - men denke bijvoorbeeld aan de rechtshandeling van een bindend advies.

  1352. Artikel 301 bevat een aantal nadere voorzieningen voor het geval dat artikel 300 lid 2, toepassing vindt op de levering van een registergoed. Lid 1 behelst de bijzondere vereisten voor inschrijving. Dat de uitspraak moet worden betekend aan degene die tot levering verplicht is, vloeit voort uit de omstandigheid dat het hier om een executoriale titel gaat. Dat inschrijving kan worden bewerkstelligd als de uitspraak kracht van gewijsde heeft, spreekt vanzelf, doch dat de inschrijving ook krachtens uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan geschieden, ligt minder voor de hand, omdat de uitspraak dan nog voor vernietiging vatbaar is. Het belang bij zodanige inschrijving, vooral bij woningen en met het oog op de financiering, kan evenwel zo dringend zijn, dat dit het zwaarst moet wegen; de rechter zal de tegenstrijdige belangen hier in het bijzonder tegen elkaar moeten afwegen, waarbij hij bijvoorbeeld een verplichting tot zekerheidstelling kan opleggen. Voorts wordt een termijn - als regel veertien dagen - gesteld, die tussen de uitspraak en de inschrijving verstreken moet zijn, zodat degene te wiens laste de uitspraak komt, nog rechtsmaatregelen tegen de inschrij- ving, bijvoorbeeld in een executiegeschil, kan nemen. Lid 2 geeft, in navolging van artikel 29 lid 3 derde zin, een regel omtrent de termijn voor verzet. Wegens de verplichte inschrijving van de aanhangige rechtszaken hier te lande krachtens artikel 45 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het lid eenvoudiger zijn dan de ermee corresponderende bepaling van het Nederlandse BW. Lid 3 houdt rekening met een veroordeling onder voorwaarde, zoals storting van de koopsom in handen van degene die tot levering is verplicht of van een notaris. Een vonnis dat niet een toewijzing of ontzegging van een op een rechtsverhouding gegronde eis inhoudt, doch zich beperkt tot een verklaring van recht omtrent die rechtsverhouding zelf, een zuivere declaratoire uitspraak, is thans niet wettelijk erkend, doch wel in de rechtspraak aanvaard; zie HR 15-12-1939, NJ 1940, 206, en HR 30-3-1951, NJ 1952, 29. Zie ook HR 15-10-1993, NJ 1994, 8, en HR 22-1-1993, NJ 1994, 734. 2024 -537- No. 164 Zulk een uitspraak kan, aldus artikel 302, alleen worden gevorderd door een persoon die onmiddellijk bij zulk een rechtsverhouding is betrokken, zoals een partij bij een overeenkomst en de benadeelde bij een verbintenis uit onrechtmatige daad. De vordering strekt ertoe jegens de andere belanghebbenden bindend vast te stellen of de rechtsbetrekking bestaat en wat haar inhoud is (zie laatstgenoemde arresten). Of een dergelijke vordering tot een zuiver declaratoir kan slagen, hangt mede af van het vereiste dat artikel 303 stelt. De regel "point d'intérêt, point d'action" geldt ook hier te lande als ongeschreven recht, dat in de rechtspraak toepassing vindt. De gedachte, in deze regel vervat, is in artikel 303 enigermate genuanceerd weergegeven. In de eerste plaats is vóór het woord "belang" het woord "voldoende" ingevoegd: ook al is er enig belang, een vordering kan op deze grond worden afgewezen als dat belang onvoldoende is tegenover een ander belang, zoals dat van de wederpartij om niet om een futiliteit in een procedure te worden betrokken, maar ook ten opzichte van de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen; zie HR 30-3-1951, NJ 1952, 29. In de tweede plaats is de regel niet beperkt tot het ontzeggen van rechtsvorderingen, doch geldt hij ook voor het opvoeren van verweermiddelen tegen een eis en het instellen van rechtsmiddelen tegen een uitspraak. Zie bijvoorbeeld HR 18-12-1964, NJ 1965, 159. In de regel zal ervan mogen worden uitgegaan dat degene die een vordering instelt, verweermiddelen bezigt of van een uitspraak in beroep komt, daarbij voldoende belang heeft. Alleen in bijzondere gevallen zal men zo'n belang ook moeten aantonen. Dit kan zich vooral voordoen bij vorderingen tot veroordeling onder een voorwaarde of een tijdsbepaling (artikel 296 lid 2) en vorderingen tot een zuiver declaratoire uitspraak (artikel 302). Of de overheid een gerechtvaardigd belang heeft bij een procedure voor de burgerlijke rechter, wordt mede aan artikel 303 getoetst; niet is vereist dat haar belang van civielrechtelijke aard is: HR 18-2-1994, NJ 1995, 718. Het is onder het huidige recht betwist geweest of een rechtsvordering aan een ander kan worden overgedragen, terwijl het recht zelf waarop die vordering berust, bij de vervreemder verblijft. Zo werd de geldigheid van een overdracht van de rechtsvordering inzake bijvoorbeeld een gestolen auto aan de verzekeraar bepleit, omdat men aannam dat de auto zelf niet kan worden geleverd wegens het ontbreken van het bezit. Artikel 95 maakt in ieder geval zulk een levering wel mogelijk, in overeenstemming met recente jurisprudentie, en daarmee is aan de behoefte tot afsplitsing van de rechtsvordering de grond ontvallen. Artikel 304 sluit deze afsplitsing, die een zeer gekunstelde constructie is, dan ook uit. In het algemeen geldt de regel dat op het gebied van het vermogensrecht arbiters dezelfde bevoegdheden hebben als de rechter. Artikel 305 legt dat vast voor de bevoegdheden die voortvloeien uit de eerste artikelen van deze titel, in het bijzonder de maatregelen betreffende de reële executie, waar wellicht zonder uitdrukke- lijke regel onzekerheid zou heersen. De bepaling is niet van dwingend recht: in de overeenkomst tot of het reglement inzake arbitrage kan ervan worden afgeweken. De artikelen 305a en 305b, in Nederland pas ingevoerd op 1-7-1994, strekken ertoe organisaties bevoegd te verklaren ter bescherming van belangen van anderen op te treden, mits aan bepaalde vereisten is voldaan. Dit kunnen zijn privaatrechtelijke belangenorganisaties, zoals consumenten-, beroeps- en milieuorganisaties, maar ook organisaties met een zeer beperkt doel, het kunnen ook zijn publiekrechtelijke organisaties waaraan be- paalde belangen van andere personen zijn toevertrouwd. Voor de eerste geldt artikel 305a, voor de tweede artikel 305b. In deze organisaties zijn de belangen als het ware gebundeld: voor die van artikel 305a moet dat uit de statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheid blijken, voor die van artikel 305b is vereist dat de bescherming van die belangen aan hen is toevertrouwd. Aldus kan door "collectieve actie" een effectieve belangenbehartiging worden bereikt, waar individuele actie te kort zou schieten - niet altijd is duidelijk welke schade een belanghebbende individueel lijdt -, of slechts telkens het beperkte belang van een enkeling zou beschermen, terwijl het beweerde euvel zich op grote schaal voordoet. 2024 -538- No. 164 In Nederland was aan de wettelijke regeling erkenning van de collectieve actie in incidentele gevallen zowel door de rechter als door de wetgever voorafgegaan. Voor de eerste zie men HR 1-7-1983, NJ 1984, 360 (de Landelijke Specialistenvereniging), HR 27-6-1986, NJ 1987, 743 (milieuorganisaties inzake De Nieuwe Meer), HR 11-12-1987, NJ 1990, 73 (Vereniging van erkende reclamebureaus) en, mede anticiperend op het nieuwe recht, HR 2-9-1994, NJ 1995, 369 (Consumentenbond). Niet altijd werden echter organisaties ontvankelijk verklaard: HR 5-10-1984, NJ 1985, 445 (Stichting zonder Recht of Titel, waarin de gevraagde voorziening alleen door gedupeerden zelf zou kunnen worden gevorderd), HR 3-4-1987, NJ 1987, 744 (Gedetineerdenvereniging Justa Causa - ongelijksoortigheid van belangen; er bestaat reeds een wettelijk geregeld klachtrecht voor de leden), en HR 10-11-1989, NJ 1990, 113 (Ver. Landelijk Interdisciplinair Overleg Feminisme en Theologie - te weinig representatief). In artikel 305a wordt het "collectieve actierecht" toegekend aan bepaalde stichtingen en verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid. Vereist is dat zij de bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen dan zij zelf als doel in de statuten hebben opgenomen, en dat zij deze dientengevolge ook daadwerkelijk behartigen. De tekst verlangt niet dat de organisatie algemeen bescherming van belangen van een bepaalde soort behartigt - ze kan ook voor het bereiken van een beperkt doel zijn opgericht. Welke die belangen kunnen zijn, wordt niet nader gespecificeerd - er vallen zowel ideële als materiële belangen onder. Ook bescherming van belangen van natuur en cultuur kunnen belangen van de bedoelde andere personen zijn en eveneens bijvoorbeeld dierenbescherming is te beschouwen als een belang van personen die zich die bescherming aantrekken. Een bepaalde representativiteit wordt niet vereist, en evenmin wordt verlangd dat individuele personen geen vordering toekomt. De vordering die de vereniging of stichting kan instellen, moet strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen die zij zich heeft aangetrokken. Uit het vereiste van "gelijksoortigheid van belangen" volgt dat de vordering geen betrekking kan hebben op bijzondere belangen van individuele personen - in zo'n geval zou een vereniging slechts met procesvolmacht van een lid kunnen optreden. Wél is denkbaar dat een individueel geval aanleiding kan zijn voor een vordering tot een verbod voor de toekomst, dat ook andere personen, die in gelijke omstandigheden verkeren, in bescherming neemt. De aard van de vordering kan verschillend zijn; zij kan strekken tot nakoming van een verplichting, ook uit overeenkomst, leidend tot een bevel of verbod, maar ook tot ongedaan making van - gelijksoortige - onverschuldigde betalingen, tot vernietiging van rechtshandelingen, en tot een declaratoir. In lid 3 wordt echter een vordering tot schadevergoeding in geld aan de leden of aangeslotenen uitgesloten: zulk een vordering dienen zij zelf in te stellen, eventueel nadat de organisatie bij declaratoir de onrechtma- tigheid heeft doen vaststellen; reeds juridisch-technische bezwaren verzetten zich tegen het vorderen van zulk een schadevergoeding, die door het vaststellen van de som der individuele schaden zou moeten worden voorafgegaan en door de verdeling van de toegewezen vergoeding worden gevolgd. Wél kan de organisatie schadevergoeding in natura eisen en ook kan zij voor vergoeding van de door zichzelf geleden schade opkomen. De uitspraak heeft slechts gezag van gewijsde tussen de organisatie en de opgeroepene: een individueel verenigingslid wordt derhalve niet beperkt in zijn bevoegdheid om een vordering in te stellen als zijn vereni- ging bijvoorbeeld niet in het verlangde bewijs van haar stellingen is geslaagd. Is de vereniging er wel in geslaagd de onrechtmatigheid van een bepaalde handeling bij rechterlijk gewijsde te doen vaststellen, dan zal een lid op zo'n uitspraak feitelijk wel kunnen voortbouwen, ook al ontbeert zij jegens hem het juridisch gezag van gewijsde. In lid 2 wordt voor de ontvankelijkheid van de collectieve actie nog een tweede vereiste gesteld: de organisatie moet hebben gepoogd haar doel door overleg met de opgeroepene te bereiken - aldus kan zij aantonen dat zij ook feitelijk ter bescherming van de door haar geformuleerde belangen optreedt, zoals lid 1 verlangt. Dat deze eis wordt gesteld is niet onredelijk: organisaties moeten in het algemeen trachten hun doeleinden eerst langs minnelijke weg te verwezenlijken. 2024 -539- No. 164 De leden 4 en 5 ten slotte regelen de individuele positie van belanghebbenden die om hen moverende redenen niet in de collectieve actie wensen te worden betrokken (lid 4), of niet van de gevolgen van de uitspraak willen profiteren (lid 5). Lid 5 beperkt zich uiteraard tot die gevallen waarin de belanghebbenden een individueel recht aan de uitspraak ontlenen - bijvoorbeeld op herstel van constructiefouten of inruil van gebrekkige producten - en geldt dus niet bijvoorbeeld voor een declaratoir of een bevel tot of verbod van bepaalde gedragingen in de toekomst.

  1353. Artikel 305b biedt aan publiekrechtelijke - territoriale of functionele - overheidsorganisaties dezelfde be- voegdheid als artikel 305a aan privaatrechtelijke organisaties. Een afzonderlijke bepaling is vereist, omdat hier geen sprake is van in statuten neergelegde doelstellingen; uit de wettelijke instellingsregeling zal blijken de behartiging van welke belangen aan het overheidslichaam is toevertrouwd. De bevoegdheid van artikel 305b is van privaatrechtelijke aard; zij staat uiteraard niet aan het bezigen van enig publiekrechtelijk middel in de weg; vgl. over de "tweewegen-leer" mede de toetsing op artikel 14. De bevoegdheden en beperkingen van artikel 305a, leden 2 tot en met 5, gelden mede voor de collectieve actie van een publiekrechtelijk lichaam. In de artikelen 306 tot en met 325 behandelt het ontwerp de zgn. bevrijdende verjaring, in tegenstelling tot de verkrijgende verjaring die in afdeling 3.4.3 haar plaats heeft gevonden. Evenals bij deze kan de term "verja- ring" in tweeërlei zin worden gebezigd, namelijk als "voltooide verjaring" en als "lopende verja- ring(stermijn)", naar gelang de daarvoor gestelde termijn al dan niet is vervuld en het rechtsgevolg is bereikt. Bij de bevrijdende verjaring houdt dat rechtsgevolg in dat een rechtsvordering niet langer kan worden ingesteld. Treedt bij de verkrijgende verjaring het rechtsgevolg - de verkrijging van een recht - van rechtswege in, bij de bevrijdende verjaring geeft de voltooiing van de termijnen de wederpartij de bevoegdheid de vordering af te weren door een beroep op verjaring te doen - de rechter kan niet ambtshalve een vordering als verjaard afwijzen (artikel 322 lid 1). Evenals de verkrijgende verjaring dient de bevrijdende de rechtszekerheid: na verloop van tijd wordt het steeds moeilijker te achterhalen of een schuld - nog - bestaat en of zij door betaling of anderszins teniet is gegaan. In de moderne tijd, die een veelheid van rechtsbetrekkingen meebrengt, klemt dit des te meer; deze gedachte ligt ook ten grondslag aan de verkorting van de verjaringstermijnen, die in het ontwerp wordt voor- gesteld. Anders dan bij de verkrijgende verjaring, is goede trouw, in casu omtrent de voldoening van een vordering, geen vereiste voor het intreden van de bevrijdende verjaring. Onder het huidige recht bestaat enige onzekerheid over de vraag, of een beroep op de voltooide verjaring het (vorderings)recht zelf doet eindigen (zgn. sterke werking), dan wel, of alleen de rechtsvordering doet stranden (zgn. zwakke werking). Het ontwerp kiest voor deze laatste, reeds door het aangeven van de plaats in titel 3.11. In dit opzicht verschilt de verjaring van het vervallen van een (vorderings)recht door verloop van een termijn, hetgeen dan ook ambtshalve door de rechter moet worden uitgesproken. Op zo'n verval zijn, tenzij anders bepaald, ook de regels omtrent stuiting en verlenging niet van toepassing. Zie voor het praktisch belang in verband met artikel 321, onderdeel a, HR 18-2-1994, NJ 1994, 463, inzake een verrekenbeding. Als uitzondering zie men artikel 86 lid 4, waarin enige verjaringsartikelen op een vervaltermijn van toepassing worden verklaard, alsmede artikel 52 lid 2, dat een vervaltermijn koppelt aan de verjaringstermijn van artikel 52 lid 1. Na een beroep op de voltooiing der verjaring blijft een natuurlijke verbintenis over, die zelfs soms tot het afdwingen van de prestatie kan leiden doordat de verjaring niet aan de bevoegdheid tot verrekening in de weg staat (zie artikel 6:131 lid 1). Dezelfde zwakke werking ligt ook ten grondslag aan artikel 323 lid 2, (verhaal op een vuistpand blijft ondanks verjaring mogelijk) en aan de regel dat de verjaring een schuldeiser niet de bevoegdheid ontneemt zijn eigen verbintenis jegens de schuldenaar op te blijven schorten (zie artikel 6:56, mede geldend voor het in stand blijven van het retentierecht). 2024 -540- No. 164 Wél heeft de voltooiing van de verjaringstermijn - ook zonder dat de schuldenaar daarop een beroep doet - andere gevolgen op materieelrechtelijk gebied: zie de artikelen 92 lid 3 (zij heeft, evenals vervulling van een voorwaarde, bij voorwaardelijke levering gemaakt, tot gevolg dat de overdracht als voltooid geldt), 105 en 106 (eigendom gaat over, een beperkt recht gaat teniet) en 323 (pand- en hypotheekrechten gaan teniet, behoudens, volgens lid 2, vuistpand; idem borgtocht - zie artikel 7:853). Zie voor het verband met de verkrijgende verjaring voorts artikel 103. De regeling der bevrijdende verjaring is in zoverre van dwingend recht dat zij tijdens de loop der verjaring niet kan worden uitgesloten (zie artikel 322, leden 2 en 3). Wél kunnen partijen een kortere verjaringstermijn dan de wettelijke overeenkomen, evenals een vervaltermijn. In de wet komen vorderingen die in het geheel niet aan verjaring onderhevig zijn, voor; alsdan pleegt dit te blijken uit de zinsnede dat zij "te allen tijde" kunnen worden ingesteld (zie bijvoorbeeld artikel 178). Ten opzichte van het huidige recht brengt het ontwerp een aantal vernieuwingen: het rechtskarakter wordt verduidelijkt, vooral ten opzichte van de verkrijgende verjaring, de termijnen van verjaring worden verkort (de algemene van dertig tot twintig jaar, met verdere verkorting van vele en belangrijke termijnen tot vijf jaar (zie daaromtrent in het algemeen de toelichting op artikel 306), het tijdstip van aanvang van de termijnen wordt gepreciseerd, de stuitingsmogelijkheid wordt verruimd en de schorsingsregeling wordt vervangen door een regeling van verlenging der termijnen. Voor de aanvang van de verjaringstermijnen is telkens gekozen voor de dag, volgende op die waarop een bepaalde gebeurtenis plaats vond; zie de artikelen 307 tot en met 311 en 313 tot en met 315, en voorts 324. In het verbintenissenrecht is zo'n gebeurtenis veelal het opeisbaar worden van de vordering. Het kan zijn dat de schuldeiser zich van het tijdstip daarvan niet bewust is, hetgeen bij een korte verjaringstermijn onbillijk kan werken. Onder het bestaande recht heeft de Hoge Raad – HR 9-10-1992, NJ 1994, 286 en 287 - beslist dat de verjaring in zo'n geval niet geacht kan worden eerder te zijn aangevangen dan het tijdstip van het bekend worden met het bestaan van vordering. In het ontwerp is door precisering van de omschrijving van de aan- vangstermijn zelf hiermee rekening gehouden. Zoals hierboven is aangegeven, wordt voorgesteld - in artikel 306 - de algemene termijn van verjaring te verkorten van dertig jaar - artikel 1988 van het huidige BW - tot twintig jaar. In de volgende artikelen wordt daarop echter voor de meest voorkomende gevallen inbreuk gemaakt, meestal door verkorting tot vijf jaar; vgl. ook artikel 52 met de korte termijn van drie jaar. Anderzijds keren de zeer korte verjaringstermijnen van de artikelen 1989 tot en met 1991 niet terug, evenmin als de eed die volgens artikel 1994 bij een beroep op die artikelen en op artikel 1992 kan worden opgelegd. De verkorting van de termijn tot vijf jaar bestrijkt het overgrote deel van het verbintenissenrecht. Daarbuiten vallen bijvoorbeeld vorderingen krachtens erfrecht, waar zich veelal verwikkelingen voordoen die een snelle afwikkeling verhinderen, en ook de zakenrechtelijke revindicatie, waar de voltooiing van de termijn de verkrijging van een goed door de bezitter te kwader trouw tot gevolg kan hebben (zie artikel 105 lid 1) en een korte termijn mede om die reden niet past.

  1354. Artikel 307 lid 1 bepaalt de termijn voor vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst om te geven of te doen in beginsel op vijf jaar vanaf de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar wordt; zie de volgende artikelen over andere vorderingen uit een verbintenis, zoals schadevergoeding en herstel. Het tijdstip van opeisbaarheid is niet altijd duidelijk, in het bijzonder niet bij verbintenissen die voor een onbepaalde tijd zijn aangegaan, zoals voorkomt onder andere bij de teruggaveplicht in geval van bewaar- geving en bruikleen en de aflossing van een verbruiklening. Lid 2 regelt deze gevallen, en stelt als criterium dat de verjaringstermijn gaat lopen vanaf de dag na die waarop de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan. Blijft zo'n mededeling echter lange tijd achterwege en wordt de verjaring in die tijd ook niet gestuit, dan bestaat er grond voor toepassing van de hoofdregel van artikel 306: de onzekerheid omtrent het bestaan neemt met de tijd toe, bewijsmateriaal gaat verloren. De termijn van twintig jaar wordt dan gerekend 2024 -541- No. 164 vanaf de dag waarop de opeising op zijn vroegst mogelijk was, dat wil zeggen onmiddellijk na het ontstaan der vordering, tenzij anders bedongen. Veelal is in dat geval de opeisbaarheid afhankelijk van een opzegging; de termijn van twintig jaar vangt dan aan na verloop van de opzegtermijn die in acht moet worden genomen en die zou aanvangen wanneer de verbintenis zo spoedig mogelijk na haar ontstaan zou zijn opgezegd. De bepaling geldt niet wanneer de overeenkomst periodiek betaling van rente of een andere vorm van erkenning meebrengt: alsdan zal ze, bij inachtneming daarvan, telkens worden gestuit (zie artikel 318). Zie tevens artikel 323 lid 3 dat inbreuk maakt op vooral artikel 307, door de korte verjaringstermijn niet te doen gelden als aan de vordering hypotheek is verbonden.

  1355. Artikel 308 sluit aan bij het huidige artikel 1996, en valt ten dele samen met artikel 307, maar omvat, anders dan die bepaling, bijvoorbeeld ook vorderingen uit de wet, zoals die tot betaling van wettelijke rente. Vele van de in het artikel genoemde vorderingen worden periodiek verschuldigd. De bepaling voorkomt dat het totaal alsdan te hoog oploopt bij niet-betaling van een aantal termijnen. Op elk van deze termijnen afzonderlijk is het artikel van toepassing. Overigens is de werkingssfeer niet tot termijnbetalingen beperkt: ook de enkele, bijvoorbeeld laatste, huur- of rentetermijn die nog verschuldigd is, valt eronder. Men mag ook verwachten dat de schuldeiser bij vorderingen als in dit artikel bedoeld, verzuimen van de schuldenaar niet over zijn kant zal laten gaan, hetgeen mede de korte duur van de termijn rechtvaardigt. Een vordering die verband houdt met een door artikel 308 bestreken vordering, doch die uit een andersoortige rechtsbetrekking voortvloeit en zelf niet aan de omschrijving van het artikel voldoet, wordt niet door artikel 308 getroffen. Aldus voor het huidige recht een vordering uit onverschuldigde betaling van huurtermijnen (de Antilliaanse zaak, beslist door HR 24-2-1975, NJ 1975, 244) en een tot schadevergoeding van de werkgever aan de werknemer, voor wiens ouderdomsvoorziening de werkgever had verzuimd de periodiek verschuldigde premie te betalen (HR 10-9-1993, NJ 1993, 736). Zie, naast artikel 308, voor alimentatievorderingen de vervaltermijn van artikel 1:403. Ook de vordering uit onverschuldigde betaling behoort tot de vorderingen uit het verbintenissenrecht; zij zal in Boek 6 worden geregeld (afdeling 6.4.2). Zij doet zich onder andere voor bij betaling, al dan niet onbewust, aan een ander dan de schuldeiser, of op grond van een nietige of achteraf vernietigde overeenkomst of andere rechtshandeling. De vordering ontstaat op het tijdstip waarop de onverschuldigde prestatie is verricht; is echter een prestatie verricht, waaraan zoals door vernietiging (artikel 53 lid 1) of wijziging of ontbinding wegens on- voorziene omstandigheden (artikel 6:258 lid 1), met terugwerkende kracht de rechtsgrond is ontvallen, dan ontstaat de vordering door de vernietiging, wijziging of ontbinding. Ook bij deze vordering, die weleens moeilijk is te onderscheiden van die tot schadevergoeding, kan aanleiding bestaan tot het verkorten van de verjaringstermijn. Daartoe moet ingevolge artikel 309 aan een tweetal vereisten zijn voldaan: de schuldeiser moet bekend zijn met het bestaan van zijn vordering én met zijn schuldenaar. Het eerste vereiste zal bijvoorbeeld niet zijn vervuld zolang de schuldeiser in de waan verkeert dat hij een verschuldigd bedrag aan zijn schuldeiser heeft voldaan, terwijl de overeenkomst later - met terugwerkende kracht - wordt vernietigd. Dat de schuldenaar onbekend is, kan zich bijvoorbeeld voordoen als de schuldeiser aan een onbevoegd persoon heeft betaald die moeilijk te achterhalen blijkt. Is aan beide vereisten echter voldaan, dan is er geen bezwaar tegen om een korte verjaringstermijn te doen aanvangen, en wel een van vijf jaar, conform de overige artikelen uit de reeks van artikel 307 tot artikel 311. Is aan een van beide of aan beide vereisten niet voldaan, dan geldt de hoofdregel van artikel 306.

  1356. Artikel 310 behelst in lid 1 allereerst de mogelijkheid van een verkorte verjaringstermijn voor de vorderingen tot schadevergoeding en, contractuele of statutaire, al dan niet gefixeerde, boete. De vordering tot schade- vergoeding kan zowel ontstaan uit wanprestatie als uit onrechtmatige daad, maar ook uit zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking; ook de vordering van artikel 70 - instaan voor een gepretendeerde volmacht - is er een tot schadevergoeding. 2024 -542- No. 164 Evenals bij artikel 309 geldt voor toepasselijkheid van de verkorte verjaringstermijn een dubbel vereiste: zowel het bestaan der schade (of de opeisbaarheid der boete) als de identiteit van de aansprakelijke persoon moet aan de schuldeiser bekend zijn. Zolang dat niet het geval is, loopt de algemene termijn van artikel 306 vanaf de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt of de boete opeisbaar heeft doen worden. Dat de schade niet bekend is, doet zich onder andere voor bij "sluipende" schade die pas geruime tijd na het voorvallen van haar oorzaak bekend wordt - bijvoorbeeld bepaalde letsels of ziekten, een milieuschade of de gevolgen van een constructiefout. Ter zake van milieuschade – men denke bijvoorbeeld aan giftige vaten in de grond – wordt echter in lid 2 de lange verjaringstermijn gehandhaafd op dertig jaar. Niet van belang is daarentegen dat de hoogte der schade nog niet definitief bekend is - ook voordien kan de benadeelde immers reeds zijn vordering instellen. Dat de aansprakelijke persoon, althans voorlopig, onbekend blijft, komt bijvoorbeeld bij onrechtmatige daad veelvuldig voor. In lid 3 wordt nader gedefinieerd hetgeen lid 1 onder "gebeurtenis" moet worden verstaan, in het bijzonder wanneer de schade niet wordt veroorzaakt door een enkel afzonderlijk feit, doch door een reeks van feiten of door een voortdurende toestand - men denke bijvoorbeeld aan het innemen van vergiften of blootstelling aan straling over een bepaalde periode. Een tijdstip waarop de schade is ingetreden, is dan niet nauwkeurig aan te geven, maar het is wel wenselijk ook dan de aanvang van de verjaringstermijn te preciseren. Lid 1 bekort de verjaringstermijn tot vijf jaar wanneer dader en schade bekend zijn. Bij ernstige zedendelicten, gepleegd tegen minderjarigen, werkt deze verkorting echter onbillijk, en is er veeleer reden tot verlenging. Weliswaar zullen dader en schade dan bij de minderjarige bekend zijn, maar het blijkt dikwijls dat het slachtoffer pas na jaar zich daarover uit. Onder het huidige recht is de verjaring dan krachtens artikel 2006 tijdens de minderjarigheid geschorst, en begint daarna een termijn van dertig jaar te lopen. Deze regeling zal echter vervallen en worden vervangen door de artikelen 320 en 321, die de verjaringstermijnen verlengen tot zes maanden na het bereiken van de meerderjarigheid, althans tot sluiting van de eindrekening, doch alleen ten aanzien van ouder of voogd. In lid 4 wordt daarom voorgesteld de bestaande toestand in zoverre te handhaven, dat de korte verjaringstermijn van vijf jaar hier geen toepassing vindt, en de (lange) verjaringstermijn pas vanaf het bereiken van de 18-jarige leeftijd gaat lopen; het enige verschil met de huidige toestand is dan dat deze termijn niet dertig, doch twintig jaar zal zijn.

  1357. Artikel 310a hangt samen met de artikelen 86a, 99 lid 2 en 238. Beoogd wordt een zekere bescherming te bieden aan cultuurgoederen in musea, kerken e.d. Aangesloten wordt bij de terminologie van het op 24 juni 1995 op initiatief van Unidroit te Rome tot stand gekomen Verdrag inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen (Trb. 1996 no. 227; Nederlandse vertaling in Trb. 1997 no. 46). In artikel 2 van het verdrag, in samenhang met de Bijlage bij het verdrag, wordt een omschrijving gegeven van het begrip "cultuurgoederen", in artikel 3 lid 7 van het begrip "openbare collecties". Het artikel regelt de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering tot teruggave van cultuurgoederen die uit openbare collecties e.d. zijn gestolen. Het artikel kent, in overeenstemming met artikel 310 lid 1, twee verjaringstermijnen: een korte en een lange. De korte termijn begint pas te lopen, nadat de plaats waar de gestolen zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of houder zijn bekend geworden. Deze termijn is, eveneens in overeenstemming met artikel 310 lid 1, gesteld op vijf jaar. De lange verjaringstermijn is een termijn waarna de terugvordering in ieder geval is verjaard. Deze begint te lopen na de datum van diefstal. Welke termijn moet gelden als lange verjaringstermijn, heeft iets arbitrairs. Gekozen is voor vijfenzeventig jaar. Een aanknopingspunt daarvoor kan worden gevonden in de eerste volzin van lid 5 van artikel 3 van het verdrag ("Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan elke Verdragsluitende Staat verklaren dat een rechtsvordering onderworpen is aan een verjaringstermijn van 75 jaar of zo veel langer als in zijn wetge- ving is bepaald"). 2024 -543- No. 164

  1358. Artikel 311 sluit zich aan bij het voorgaande in zoverre dat het mede een regeling biedt voor de verjaring van vorderingen die ontstaan door een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis: in artikel 310 zijn dat de vorderingen tot schadevergoeding en boete, in artikel 311 die tot ontbinding van een overeenkomst, herstel van de tekortkoming en ongedaan making na ontbinding. Het is van belang de verjaringstermijnen van deze vorderingen in beginsel aan een gelijk regiem te onderwerpen, daar zij door dezelfde gebeurtenis worden veroorzaakt en ook niet altijd scherp van elkaar zijn te onderscheiden, zoals de vordering tot herstel en die tot schadevergoeding in natura. De regeling omtrent de vorderingen zelf zal zijn te vinden in Boek 6, en die omtrent herstel ten dele in Boek 7. Vgl. voor ontbinding de artikelen 6:265 e.v., voor herstel in geval van koop 7:20 en 7:21 - overigens met eigen termijn: artikel 7:23 - en voor ongedaan making 6:271. Ontbinding kan niet alleen de uitslag van een rechtsvordering zijn, doch zal ook door een schriftelijke verklaring kunnen worden bewerkstelligd (artikel 6:267); de bevoegdheid tot ontbinding buiten rechte zal gelijktijdig met de voltooiing van de verjaringstermijn der vordering vervallen, behalve ter afwering van een rechtsmaatregel (artikel 6:268; vgl. de artikelen 49 en 52 lid 2). De vordering tot herstel van de tekortkoming zou ook kunnen worden gezien als een variant van de vordering tot nakoming, en de verjaringstermijn zou dan worden geregeld door artikel 307, beginnend op de dag na die waarop de vordering tot nakoming opeisbaar wordt, hetgeen niet een gelukkige oplossing zou zijn; vandaar dat ze in artikel 311 wordt geregeld. Volgens artikel 311 lid 1 geldt, evenals volgens artikel 310, een alternatieve verjaringstermijn, een van vijf en een van twintig jaar; de eerste loopt vanaf de dag na het bekend worden van de tekortkoming, de tweede vanaf de dag na haar ontstaan. Daar de bepaling slechts vorderingen uit overeenkomst betreft, behoeft hier, anders dan bij het onder andere ook onrechtmatige daad bestrijkende artikel 310, geen rekening met onbekendheid van de dader te worden gehouden. De vordering tot ongedaan making na ontbinding ontstaat door de ontbinding, en het ligt voor de hand de aanvangstermijn voor de verjaring dan ook op de dag na die der ontbinding te bepalen - aldus lid 2. Ook hier behoeft met onbekendheid van de dader geen rekening te worden gehouden, evenmin als met onbekendheid met het feit der ontbinding; vandaar de enkele termijn van vijf jaar. Vorderingen tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen verjaren - kort gezegd - na een termijn die begint te lopen vanaf de dag na die waarop ze opeisbaar zijn geworden: artikel 313; zie ook bijvoorbeeld artikel 307. Van een verplichting om niet te doen zal de verjaring in beginsel aanvangen met de dag na die waarop die verplichting is geschonden; vgl. artikel 314. Voor vorderingen die voortspruiten uit een tekortko- ming in de nakoming gelden eigen, soms alternatieve, termijnen met eigen dies a quo; zie artikel 311, maar ook de artikelen 308 tot en met 310, voor zover die betrekking hebben op vorderingen die een gevolg van de tekortkoming zijn, zoals rente en boete en schadevergoeding. Voorts zijn er nevenvorderingen die wél afhankelijk zijn van een hoofdverplichting, maar die toch een eigen leven leiden en niet pas ontstaan door een tekortkoming in de nakoming van de hoofdverplichting: de betaling van rente, bijvoorbeeld een die bedongen is over een geleende hoofdsom, en de verplichting tot afgifte van vruchten door de bezitter die ook de zaak zelf moet afstaan aan de rechthebbende. Geen nevenvorderingen zijn die welke met een andere vordering verband houden, maar die daarvan niet afhankelijk zijn, zoals die uit onverschuldigde betaling en tot schadevergoeding, die bij artikel 308 ter sprake kwamen. Omdat zowel het tijdstip vanaf wanneer de verjaring van de nevenvorderingen begint te lopen, als de duur van hun verjaringstermijn veelal afwijkt van de aanvang en de duur van de verjaringstermijn van de vordering tot nakoming der hoofdverplichting, zou het, zonder nadere bepaling, gemakkelijk kunnen voorkomen dat de laatste reeds verjaard is, terwijl dat nog niet het geval is met een vordering uit tekortkoming of uit een neven- verplichting. Deze consequentie is niet wenselijk: de hoofdvordering is aan een verjaringstermijn onder- worpen, omdat het bewijs van haar (nog) bestaan na verloop van tijd bezwaarlijk wordt, maar áls zij eenmaal verjaard is, dan geldt datzelfde voor de van haar bestaan afhankelijke nevenvorderingen. Is de hoofdvordering tot terugbetaling van een geleende hoofdsom verjaard, omdat de schuldenaar haar gedurende de verjaringster- 2024 -544- No. 164 mijn niet is nagekomen en de schuldeiser gedurende die tijd heeft stilgezeten, dan gaat het niet aan dat de schuldenaar nadien nog wordt overvallen door vorderingen die uit zijn verzuim zijn ontstaan of door een vordering tot rente die zelf nog niet op grond van artikel 308 zou zijn verjaard. Artikel 312 strekt ertoe dit gevolg te verhinderen.

  1359. Artikel 313 behelst de algemene regel omtrent de aanvang der verjaring van verplichtingen om te geven en te doen. In de voorafgaande artikelen 307 tot en met 311 zijn mede daaromtrent specifieke regels gegeven voor bepaalde verbintenissen. Zo wordt in de artikelen 307 en 308 het criterium van de opeisbaarheid der vordering gekozen. Artikel 313 bestrijkt echter ook de rechtsvorderingen die niet uit een verbintenis voortvloeien, zoals de revindicatie, waar men niet van opeisbaarheid van een vorderingsrecht kan spreken; vandaar de meer algemene term van het kunnen vorderen van onmiddellijke nakoming. Daarvan is nog geen sprake zolang de verplichting is onderworpen aan een voorwaarde of tijdsbepaling, of wanneer eerst nog opzegging plaats moet vinden. Dat de rechthebbende zijn recht nog niet kende, verhindert in beginsel het intreden van de verjaringstermijn niet; evenmin dat hij, zoals bijvoorbeeld bij letsel dikwijls het geval is, nog niet de precieze hoogte van het door hem te vorderen bedrag kent; zie de opmerkingen bij de artikelen 306 tot en met 325, slot, alsmede die bij artikel 310.

  1360. Artikel 314 lid 1 geeft aan, wanneer de verjaringstermijn van een onrechtmatige toestand - schending van een verplichting om niet te doen - begint te lopen: beslissend is hier wanneer daarvan voor het eerst onmiddellijke opheffing kan worden gevorderd. Onder toestand moet worden verstaan een duurzame periode tijdens welke de onrechtmatigheid onafgebroken voortduurt; daarvan is geen sprake, als telkens afzonderlijke gebeur- tenissen optreden, ook al vormen deze een reeks. Denkbaar is wel dat een toestand aanvankelijk rechtmatig is geweest en op een bepaald ogenblik onrechtmatig is geworden. Bij de onrechtmatige toestand kan men denken zowel aan strijd met een verbintenis als aan schending van verplichtingen uit bijvoorbeeld het burenrecht of het subjectief recht van een ander. Wordt degene die de onrechtmatige toestand deed aanvangen, door een ander onder bijzondere titel opgevolgd, dan vangt geen nieuwe termijn aan, maar wordt de lopende voortgezet. Wel vangt een nieuwe termijn aan, wanneer de on- rechtmatige toestand wordt afgebroken en door een nieuwe vervangen, bijvoorbeeld wanneer een in strijd met burenrecht of servituut opgericht bouwsel wordt gesloopt en door een ander vervangen. De termijn van verjaring is twintig jaar, indien hij, zoals meestal het geval zal zijn, niet door een speciale bepaling wordt geregeerd.

  1361. Artikel 310 lid 3 doet de termijn der verjaring van een vordering tot schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige toestand aanvangen nadat die toestand is geëindigd. Artikel 312 verhindert echter dat de rechtsvordering der schadevergoeding die der onmiddellijke opheffing overleeft. Verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tot opheffing van een met zijn recht strijdige toestand heeft krachtens artikel 106 het tenietgaan van dat recht tot gevolg. Lid 2 is een toepassing van lid 1 voor het geval de onrechtmatige toestand meebrengt het bezit van een goed door iemand die daarop geen recht heeft. Het criterium voor de aanvang van de verjaring is hier de aanvang van het bezit door een ander dan de rechthebbende dan wel de mogelijkheid tot opheffing van de toestand waarvan dat bezit de voortzetting vormt. Niet altijd is immers duidelijk of degene die van een onrechtmatige toestand profiteert, reeds als bezitter kan worden aangemerkt; voor de aanvang van de verjaring is dan in elk geval de aanvang van de toestand beslissend. Ook de voltooiing van deze verjaring heeft een materieel gevolg: artikel 105 doet alsdan het recht op het goed ontstaan.

  1362. Artikel 315 vormt een uitzondering op de regel omtrent de verjaringstermijn voor het geval van de vordering tot opeising van een nalatenschap (hereditatis petitio): deze vangt niet aan op de dag, volgende op die waarop de vordering voor het eerst kan worden ingesteld, doch reeds op die, volgende op die van het overlijden van de erflater - afgezien van de uren die tussen dat overlijden en de aanvang van de volgende dag verlopen, wordt aldus de regel van artikel 864 van het huidige BW gevolgd. Zie voorts artikel 100 en de toelichting daarbij. 2024 -545- No. 164 De artikelen 316 tot en met 319 behandelen de stuiting der verjaring. Stuiting breekt een lopende verjaring af: na de stuiting vangt in beginsel een nieuwe verjaringstermijn aan, een regel die echter in het bijzonder bij stuiting door instelling van een eis niet of niet zonder meer van toepassing is. Stuiting geschiedt door instelling van een eis of andere daad van rechtsvervolging (artikel 316), door aanmaning en dergelijke handelingen (arti- kel 317) en door erkenning (artikel 318). Artikel 319 regelt, tezamen met artikel 324, de nieuwe verjaring die na de stuiting aanvangt. De stuiting der bevrijdende verjaring is thans geregeld in de artikelen 2000 tot en met 2006. In hoofdlijnen is zij, met de daarop gebaseerde jurisprudentie, in het ontwerp gevolgd, doch de regeling is verruimd en gemo- derniseerd, en overbodige bepalingen vervallen.

  1363. Artikel 316 verbindt stuiting der verjaring volgens lid 1 aan de instelling van een eis in rechte - niet slechts op de wijze van artikel 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maar bijvoorbeeld ook door een conclusie van eis in reconventie, het uitlokken van een arbitrale uitspraak of een andere daad van rechts- vervolging - bijvoorbeeld beslag en indiening van een vordering ter verificatie in een faillissement (zie het overbodig wordende artikel 32 van de Faillissementswet 1935) - en volgens lid 3 door een, aan de wederpartij meegedeelde, handeling tot verkrijging van een bindend advies, die door zo'n advies wordt gevolgd. De term "van de zijde van de gerechtigde" houdt in dat ook een ander de daad van rechtsvervolging kan verrichten, bijvoorbeeld de pandhouder in het geval van artikel 246 en de schuldeiser die conservatoir derdenbeslag onder de schuldenaar van zijn schuldenaar legt. Door de hierboven genoemde maatregelen wordt stuiting echter alleen bereikt, als zo'n maatregel werkelijk gevolg heeft. Een aangespannen procedure leidt gewoonlijk uiteindelijk, eventueel in hogere instantie, hetzij tot toewijzing, hetzij tot afwijzing van de eis. In het eerste geval is de stuiting, naar dan blijkt, inderdaad gevolgd, er is ook geen nieuwe verjaring aangevangen (artikel 319) behalve de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraak (artikel 324). In het tweede geval, aldus lid 2, blijkt in beginsel geen stuiting te zijn gevolgd en is dus de verjaring ondanks de procedure voortgezet en eventueel voltooid. Behalve in toe- en afwijzing van de vordering die haar grond in deze zelf vindt, kan een procedure echter ook eindigen door oorzaken die niet in de vordering zelf zijn gelegen, zoals niet-ontvankelijkheid van de eiser of nietigheid van een exploot wegens vormgebrek. Eindigt de procedure aldus, dan verhindert ook de kracht van gewijsde die deze uitspraak krijgt, niet dat de eis zelf opnieuw kan worden ingesteld. Wordt dat inderdaad binnen zes maanden gedaan, aldus lid 2, dan is de verjaring niettemin gestuit, toen zij voor de eerste keer werd ingesteld; alsdan heeft instelling van de nieuwe eis opnieuw stuiting tot gevolg, mits zij niet door afwijzing wordt gevolgd. Intrekking van iedere daad van rechtsvervolging, inclusief de instelling van de eis, maakt de stuiting ongedaan, aldus de tweede zin van lid 2. De tweede zin van lid 3 trekt deze lijn door voor het aanvragen van bindend advies.

  1364. Artikel 317 verbindt het gevolg der stuiting aan een aanmaning onder zekere voorwaarden. Voor wat de vorm betreft, is geschrift vereist, doch ook - anders dan thans volgens artikel 2000 - voldoende; zie ook artikel 37 lid 2, voor het exploot. De aanmaning heeft niet het karakter van een ingebrekestelling; deze is immers niet vereist voor nakoming, anders dan voor het verkrijgen van het recht op schadevergoeding of ontbinding. Lid 1, dat slechts geldt voor verjaring van rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, volstaat met dit vereiste, en stelt daarnaast de mogelijkheid van een schriftelijke mededeling van ondubbelzinnig voorbehoud van recht. Van deze mogelijkheden kan in het bijzonder gebruik worden gemaakt als partijen nog in onderhandeling zijn en een aanmaning niet de meest passende wijze van stuiting is. Voor andere vorderingen dan die tot nakoming van een verbintenis, zoals de revindicatie en een bezits- vordering, stelt lid 2 het vereiste dat deze binnen zes maanden moet worden gevolgd door het instellen van eis of een van de andere in artikel 316 genoemde middelen tot stuiting. Voor de vorderingen tot nakoming van een verbintenis is dit vereiste niet wenselijk geacht - de schuldeiser zal vaak nog niet op korte termijn behoefte aan een procedure hebben. 2024 -546- No. 164 Zie nog HR 10-12-1993, NJ 1994, 190, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat niet elk schriftelijk stuk in een geding als een aanmaning kan worden beschouwd.

  1365. Artikel 318 Ook onder het huidige recht stuit erkenning de verjaring: artikel 2003. De erkenning kan met zoveel woorden worden gedaan, maar ook uit andere gedragingen blijken, zoals de nakoming van nevenvorderingen, bijvoorbeeld het betalen van rente of aflossing. Rentebetaling houdt wel erkenning van de verschuldigdheid van de hoofdsom in, maar niet die van andere termijnen; evenmin betekent betaling van een alimenta- tietermijn, behoudens bijzondere omstandigheden, erkenning van de verschuldigdheid van andere alimen- tatiebedragen: de verjaring daarvan wordt niet gestuit (HR 10-12-1993, NJ 1994, 190).

  1366. Artikel 319 lid 1 bevat de hoofdregel: de dag na aanvang van de stuiting begint in beginsel een nieuwe verja- ringstermijn te lopen. Het behoort niet zo te zijn dat een rechtsvordering, eenmaal gestuit, nimmer meer aan verjaring onderhevig is. Ook onder het huidige recht wordt de hoofdregel aanvaard, zij het dat hij niet uitdrukkelijk in de wet is vastgelegd. Het artikel is reeds ten dele in de toelichting op de artikelen 316 tot en met 319 in het algemeen, en in die op artikel 316 lid 2, in het bijzonder, behandeld. Uit laatstgenoemde bepaling, tezamen met lid 1 van het onderha- vige artikel, volgt, waarom de hoofdregel van artikel 319 niet van toepassing is wanneer de stuiting door instelling van een eis is veroorzaakt, tenzij die eis leidt tot niet-ontvankelijkverklaring, gevolgd door de instelling van een nieuwe eis. Bij bindend advies ligt de situatie iets ingewikkelder. Bindend advies is niet een rechterlijke (of arbitrale) uitspraak die de eisende partij een executoriale titel kan geven. Is het advies gunstig voor de eiser, maar wil de verweerder zich niet vrijwillig daarnaar gedragen, dan zal eiser alsnog een gerechtelijke procedure moeten aanspannen, met als gevolg een nieuwe stuiting. Is het advies voor eiser ongunstig, dan zal de eiser, wil hij alsnog zijn zin krijgen, hetzelfde moeten doen. De oplossing, die in de tweede zin van lid 1 is vervat, is dat na het verkrijgen van het bindend advies een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen, tijdens welke gedragingen van partijen het verdere verloop daarvan zullen bepalen. Aan een lange duur van de nieuwe verjaringstermijn die na stuiting aanvangt, bestaat geen behoefte: door de stuiting zijn beide partijen op de hoogte van de situatie, en van de rechthebbende mag nu bijzondere oplettendheid worden verlangd. Bij de combinatie lopende oude verjaringstermijnen-stuiting-aanvang nieuwe volledige verjaringstermijnen zou de verjaring in totaal een zeer langdurige aangelegenheid kunnen worden met schade aan de rechtszekerheid. Vandaar dat de duur van de nieuwe termijn op maximaal vijf jaar wordt gesteld. Anderzijds behoeft de verwikkeling door stuiting er ook niet toe te leiden dat de verjaring nu korter gaat duren dan wanneer er geen stuiting had plaatsgevonden - men denke bijvoorbeeld aan stuiting van een nog slechts kortlopende 20-jarige verjaringstermijn. Voor dit geval is dan ook in de tweede zin een bijzondere regel gesteld. Het huidige BW kent in de artikelen 2007 tot en met 2013 naast de stuiting (afbreking van een lopende verjaringstermijn) het instituut der schorsing (de verhindering van het intreden of van het doorlopen van een verjaringstermijn). Tijdens de schorsing loopt geen verjaring. Wordt de schorsing opgeheven, dan treedt de termijn in, respectievelijk wordt hij voortgezet over de periode waarvoor hij nog niet was verstreken. De gronden van schorsing worden door de wet omschreven: minderjarigheid en curatele (artikel 2008), huwelijk (artikel 2009), voorwaarde en tijdsbepaling, alsmede niet uitwinning met betrekking tot de vordering tot vrijwaring (artikel 2011), aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving (artikel 2012) en de duur van een termijn van beraad in het erfrecht (artikel 2013). Voor twee van deze gronden bestaat weinig goede reden: in het algemeen is er tijdens minderjarigheid en curatele een ouder of voogd dan wel een curator die voor de belangen van de minderjarige, respectievelijk de curandus waakt, al be- staat daarop een enkele uitzondering. En tijdens de periode waarin de voorwaarde of de tijdsbepaling nog niet is vervuld, is een vordering nog niet opeisbaar en zal de verjaringstermijn nog geen aanvang nemen; iets dergelijks geldt voor de vrijwaringsvordering. 2024 -547- No. 164 Het ontwerp breekt met het instituut der schorsing, die de termijn waarna de verjaring kan worden voltooid, aanzienlijk kan uitbreiden. In zijn plaats stelt het ontwerp het instituut van de verlenging der verjaring: is er een grond tot verlenging, dan loopt de verjaringstermijn niettemin gewoon door, maar zijn (ver)loop leidt niet tot verjaring, voordat zes maanden na de opheffing, verdwijning, van de grond tot verlenging zijn verstreken. Aldus wordt bepaald in artikel 320.

  1367. Artikel 321 noemt de gronden tot verlenging. Daarvan is de in onderdeel a genoemde grond - de vordering tussen echtgenoten zolang het huwelijk duurt - gelijk aan de schorsingsgrond van artikel 2009, behalve dat de grond der verlenging ook eindigt als scheiding van tafel en bed is ingetreden. De motivering van de verlenging is dat echtgenoten niet behoren te worden genoopt tot het onderling verrichten van stuitingshandelingen ter voorkoming van verjaring. De gronden in de onderdelen b tot en met d vinden hun rechtvaardiging daarin dat degene tegen wie de verjaring loopt, juist wordt vertegenwoordigd door degene te wiens bate dat geschiedt. De grond, opgenomen in onderdeel e, is ten dele dezelfde als die van artikel 2012 lid 1, maar geldt nu niet slechts verjaring van de vorderingen van een erfgenaam op de nalatenschap, maar ook, omgekeerd, die van de nalatenschap op de erfgenaam: tijdens de duur der afwikkeling behoren deze vorderingen niet te kunnen verja- ren. De grond in onderdeel f berust op billijkheidsoverwegingen. Lid 2 doet de verlengingsgronden voor de in de onderdelen b en c genoemde gronden niet reeds verdwijnen met het bewind zelf, doch pas met het sluiten van de eindrekening en -verantwoording. Opmerking verdient dat artikel 36 van de Nederlandse Faillissementswet een zevende verlengingsgrond inhoudt: tijdens de duur van het faillissement, die onder omstandigheden lang kan zijn, loopt een verjarings- termijn - gestuit krachtens artikel 316 - wel voort, doch de schuldeiser behoeft niet te vrezen dat zijn rechtsvordering tijdens het faillissement verjaart. Het artikel is in de plaats gekomen van een - overbodig geworden - artikel, overeenkomende met artikel 32 van de Faillissementswet 1935, dat de verjaring door de indiening ter verificatie deed stuiten (zie de toelichting op artikel 316). Laatstgenoemde bepaling zal door middel van de aanpassingswetgeving een vergelijkbare wijziging ondergaan.

  1368. Artikel 322 De voltooiing van de verjaringstermijn heeft van rechtswege enige gevolgen - zie de algemene opmerkingen inzake de verjaring - doch daartoe behoort niet zonder meer dat aan het recht geen rechtsvordering meer is verbonden: daartoe is vereist dat op de verjaring een beroep wordt gedaan door degene aan wie dat beroep toekomt. Daaruit vloeit voort dat de rechter niet ambtshalve het rechtsmiddel der verjaring mag toepassen; aldus lid 1. Zolang het beroep niet is gedaan, blijft de rechtsvordering in stand. Is het beroep gedaan, dan blijft een natuurlijke verbintenis over. Het staat iemand vrij een bevoegdheid die hem toekomt, al dan niet uit te oefenen, en hij kan daarvan ook afstand doen. Een dergelijke afstand is een eenzijdige, gerichte, rechtshandeling, waarop de bepalingen van titel 3.2 van toepassing zijn. Lid 2 sluit daarbij aan: zie artikel 37. Ontkenning van het bestaan van de verbintenis houdt geen afstand van verjaring in (zie HR 18-1-1980, NJ 1980, 263). Schuldeisers komt eventueel beroep op artikel 45 e.v. toe, als hun schuldenaar jegens een andere schuldeiser afstand van verjaring doet (zie thans artikel 1973). Vgl. ter bescherming van hoofdelijke medeschuldenaren artikel 6:11 lid 3, dat de tot bijdragen aangesproken medeschuldenaar het beroep op verjaring niet ontneemt als de schuldenaar die heeft betaald, van de verjaring afstand heeft gedaan. Afstand van een bevoegdheid kan veelal pas worden gedaan als men die bevoegdheid bezit - aldus kan ook van de bevoegdheid tot het inroepen van de verjaring niet bij voorbaat afstand worden gedaan: voordat de verjaring is voltooid, is afstand niet mogelijk - aldus lid 3. De regel verhindert dat het beroep reeds bijvoorbeeld bij het sluiten van een overeenkomst wordt uitgesloten, hetgeen aan het instituut der verjaring elke zin zou ontnemen. Wél kan zo'n "afstand" bij voorbaat worden opgevat als een erkenning van het recht 2024 -548- No. 164 van de ander, die de verjaring stuit. Afstand van het beroep op verjaring na voltooiing van de termijn houdt eveneens de rechtsvordering in stand, met de werking van een stuiting, waaraan de gevolgen van artikel 319 zijn verbonden. Contractuele verlenging van de verjaringstermijn (voordat deze is voltooid) is hetzelfde als afstand bij voor- baat voor de periode tussen de voltooiing van de wettelijke termijn en die van de contractuele; een dergelijke verlening valt mede onder de regel van lid 3 en heeft derhalve geen werking. Contractuele verkorting daartegen is op zichzelf wel geldig, evenals het stellen van een vervaltermijn; wordt zij evenwel bij algemene voorwaarde bedongen, dan is zij niet zonder meer acceptabel (zie artikel 6:236, onderdeel g, dat het beding aan vernietiging blootstelt, wanneer zo'n wettelijke termijn tot minder dan een jaar wordt bekort). Vgl. voor het huidige recht bij lid 1 artikel 1971, bij lid 2 artikel 1969 en bij lid 3 artikel 1968. Onder de huidige wetgeving is onzeker welke gevolgen de verjaring van een rechtsvordering heeft voor de nevenrechten. In het ontwerp worden deze gevolgen wél geregeld, en wel op genuanceerde wijze.

  1369. Artikel 323 lid 1, stelt het beginsel voorop dat pand en hypotheek vervallen door voltooiing van de verjarings- termijn, dat wil zeggen: onverschillig of de schuldenaar zelf daarop een beroep doet of wil doen; vgl. de artikelen 105 en 106. In het bijzonder derde pand- en hypotheekgevers moeten weten waaraan zij toe zijn. Dezelfde regel zal voor borgtocht worden opgenomen; zie artikel 7:853. Een uitzondering op lid 1 van het onderhavige artikel wordt in lid 2 gemaakt voor vuistpand: dit herinnert als het ware dagelijks aan het (nog voort) bestaan der schuld en geeft de schuldeiser het vertrouwen dat hij zijn vordering nog steeds daarop zal kunnen verhalen; lid 2 ondersteunt dit vertrouwen, ook al doet de verjaring het verhaal op (andere) goederen van de schuldenaar vervallen. Eenzelfde overweging houdt ook de bevoegd- heid tot inroeping van het verweermiddel van de opschorting in stand, en daarmee het retentierecht op een goed - ook op zulk een goed blijft daardoor krachtens artikel 292 verhaal mogelijk ondanks de voltooiing van de verjaringstermijn (artikel 6:56). Lid 3 brengt een uitzondering op de regel van 307: is aan een vordering een hypotheek verbonden, dan verjaart de rechtsvordering niet reeds na vijf jaar, maar pas twintig jaar na de dag, volgende op die waarop de hypotheek is gevestigd, onverschillig of dat is gebeurd gelijktijdig met het ontstaan van het vorderingsrecht, dan wel, bij voorbaat, zoals bij krediethypotheek, daarvóór, of wel daarna - in dit laatste geval werkt de vestiging van de hypotheek als erkenning met als gevolg stuiting. De reden voor de uitzondering is dat de vordering zonder deze bepaling als het ware ongemerkt zou kunnen verjaren doordat zij krachtens beding vroegtijdig opeisbaar is geworden, terwijl de schuldeiser niet op grond daarvan daadwerkelijk tot opeising overgaat; het verstrijken van de, vanaf de opeisbaarheid lopende, verjaringstermijn, met de verjaring als gevolg, zou dan voor hem, terwijl hij op de hypotheek vertrouwt, een onaangename, en ook niet voldoende te rechtvaardigen verrassing betekenen.

  1370. Artikel 324 regelt, tezamen met artikel 325, waarin een uitwerking aan artikel 324 wordt gegeven, een bij- zondere vorm van verjaring, namelijk niet van een rechtsvordering, maar van een bevoegdheid, namelijk die tot executie van een rechterlijke (of arbitrale) uitspraak. Onder het huidige recht is het onderwerp wel in de literatuur besproken, maar niet in de wet geregeld. Voor het verband met de stuiting der verjaring van de rechtsvordering zie ook de toelichting op artikel 316. Executie kan alleen volgen op een veroordelende (condemnatoire) uitspraak, niet op een declaratoire of een constitutieve. Een declaratoir is dan ook niet voor verjaring vatbaar - zijn inhoud kan te allen tijde worden ingeroepen. Bij een veroordelende uitspraak blijkt de behoefte aan verjaring wel te bestaan: de winnende partij in een procedure moet niet de tenuitvoerlegging tot in het oneindige kunnen uitstellen. Wél kan de duur van de termijn voor deze verjaring lang zijn, omdat er een formeel vastgelegd uitgangspunt is, een rechterlijke of arbitrale uitspraak, en daaromtrent het verloop van een tijdsduur geen onzekerheid schept. Om die reden is in lid 1 gekozen voor een verjaringstermijn van twintig jaar. Voor de aanvang van de termijn (dies a quo) wordt in beginsel uitgegaan van de dag na de uitspraak, waarop een tweetal uitzonderingen wordt gemaakt. Nog in lid 1 wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat voorshands nog niet tot executie kán worden 2024 -549- No. 164 overgegaan. Dat doet zich in het bijzonder voor bij veroordelingen onder voorwaarde of tijdsbepaling (zie artikel 296 lid 2), en wanneer de veroordeling tot een negatieve prestatie - een niet doen of zich onthouden - verplicht. In dit laatste geval bestaat er voor stuiting der verjaring geen aanleiding, totdat die verplichting wordt geschonden. (Schending kan inhouden dat een onrechtmatige toestand aanvangt die aanleiding geeft tot het ontstaan van een rechtsvordering tot opheffing daarvan; zie omtrent de verjaring van die rechtsvordering artikel 314.) Lid 2 behelst de tweede uitzondering op de regel omtrent de aanvangstermijn der verjaring. De verjaring volgens lid 1 kan aanvangen voordat de uitspraak definitief is - niet vereist wordt immers dat ze in kracht van gewijsde is gegaan, en ook kan een arbitrale uitspraak voor aantasting vatbaar zijn; deze omstandigheden sluiten tenuitvoerlegging echter niet steeds uit. Als echter beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld, moet eerst de uitslag van het geding daarover worden afgewacht voordat, bij handhaving van de oorspronkelijke uitspraak in beroep of ook door bijvoorbeeld intrekking van het beroep of verval van instantie, de verjaringstermijn van de bevoegdheid tot executie daarvan een aanvang kan nemen. Lid 3 bevat een afwijking van de normale verjaringstermijn van twintig jaar: deze termijn wordt, in aansluiting op artikel 308, op vijf jaar gesteld voor de uitspraken tot betaling bij het jaar of kortere termijn: zulke be- dragen moeten niet door verzuim van executie tot hoge bedragen oplopen, terwijl van de rechthebbende juist hier op zijn minst stuiting der verjaring binnen een redelijke termijn kan worden verwacht. Lid 4 sluit aan bij artikel 312: zoals nevenvorderingen niet pas na de hoofdvordering behoren te verjaren, behoort ook de verjaring van nevenveroordelingen te zijn afgestemd op die van de hoofdveroordeling. Dit wordt geregeld door de eerste niet later te doen aanvangen dan de laatste. Nevenveroordelingen verjaren derhalve tegelijk met de hoofdveroordeling twintig jaar nadat volgens lid 1 de termijn daarvan is begonnen, tenzij ze overeenkomstig lid 2 reeds vijf jaar daarna zijn verjaard.

  1371. Artikel 325 verklaart in lid 1 op de verjaring van artikel 324 de artikelen 319 tot en met 325 voor de verjaring van de rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, doch formuleert in lid 2 eigen regels voor de gevallen waarin de verjaring van artikel 324 wordt gestuit. De onderdelen a en b daarvan zijn, naast de betekening van de uitspraak, analoog aan de artikelen 317 en 318; onderdeel c - iedere daad van tenuitvoerlegging - loopt parallel met de daad van rechtsvervolging in artikel 316 lid 1.

  1372. Artikel 326, het slotartikel van titel 3.11, bevat een schakelbepaling, zoals de artikelen 15, 59, 78 en 79. Daarin wordt deze titel buiten het vermogensrecht in beginsel van overeenkomstige toepassing verklaard: de rechter moet de bepalingen van de titel daar toepassen, tenzij afwijking gemotiveerd is, doordat de aard der rechtsverhouding zich daartegen verzet. Buiten het vermogensrecht liggen in de eerste plaats het personen- en familierecht en handelsrecht, inclusief het rechtspersonenrecht, maar ook het procesrecht en zelfs het publiek- recht; voor dit laatste denke men bijvoorbeeld aan de verjaring van publiekrechtelijke rechtsvorderingen zoals belastingsvorderingen (zie HR 1-2-1928, NJ 1928, 782). Afwijking kan echter zijn geboden: tegen een declaratoire uitspraak in een familieverhouding binnen de grenzen van artikel 302 zal geen bezwaren bestaan, evenmin als tegen het vereiste van voldoende belang voor het instellen van een rechtsvordering, maar reële executie van uitspraken zal veelal wél op bezwaren stuiten, anders dan lijfsdwang en dwangsom (zie voor deze laatste HR 1-10-1982, NJ 1983, 614, in overeenstemming met de uitspraak van het Benelux Gerechtshof). WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 4 2024 -550- No. 164 BOEK 4 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 4 Erfrecht Titel 1 Algemene bepalingen

  1373. Artikel 1 1. Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking. 2. Van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt.

  1374. Artikel 2 1. Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de andere ten deel. 2. Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen, zulks voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd.

  1375. Artikel 3 1. Van rechtswege zijn onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken: a. degene die onherroepelijk is veroordeeld ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen; b. degene die onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving in Suriname een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste zes jaar, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf; c. hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de wettelijke omschrijving in Suriname een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste zes jaar is gesteld; d. degene die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken; e. degene die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst. 2. Rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet zijn verkregen, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van degene die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen. 3. Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven. 2024 -551- No. 164

  1376. Artikel 4 1. Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is nietig, voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens dit Boek met betrekking tot die nalatenschap toekomen. 2. Overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig.

  1377. Artikel 5 1. Op verzoek van de schuldenaar kan de kantonrechter wegens gewichtige redenen bepalen dat een geldsom die krachtens dit Boek of, in verband met de verdeling van de nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is verschuldigd, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, eerst na verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij let de rechter op de belangen van beide partijen; aan een inwilliging kan de voorwaarde worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd een door de rechter goedgekeurde zakelijke of persoonlijke zekerheid voor de voldoening van hoofdsom en rente wordt gesteld. 2. Een in lid 1 bedoelde beschikking kan op verzoek van een der partijen, gegrond op ten tijde van die beschikking niet voorziene omstandigheden, door de rechter worden gewijzigd.

  1378. Artikel 6 In dit Boek wordt onder de waarde van de goederen der nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater, waarbij geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten.

  1379. Artikel 7 1. Schulden van de nalatenschap zijn: a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel h; b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene; c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar; d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur; e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten; f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3; g. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten; h. de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten. 2. Bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap worden achtereenvolgens met voorrang voldaan: 1°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e; 2°. de schulden, bedoeld in lid 1 onder f. 3. In de nalatenschap van de langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en de stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een verplichting tot overdracht van goederen als bedoeld in die artikelen met een schuld als bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld. 2024 -552- No. 164

  1380. Artikel 8 Onder stiefkind van de erflater wordt in dit Boek verstaan een kind van de echtgenoot van de erflater, van welk kind de erflater niet zelf de ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind, indien het huwelijk is geëindigd. Titel 2 Erfopvolging bij versterf Artikel 9 Teneinde als erfgenaam bij versterf te kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.

  1381. Artikel 10 1. De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens: a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met de kinderen van de erflater; b. de ouders van de erflater tezamen met de broers en zusters van de erflater; c. de grootouders van de erflater; d. de overgrootouders van de erflater. 2. De afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen. 3. Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de leden 1 en 2 genoemde bloedverwanten gerekend.

  1382. Artikel 11 1. Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot een nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen. 2. In afwijking van lid 1 is het erfdeel van een halfbroer of halfzuster de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zuster of een ouder. 3. Wanneer het erfdeel van een ouder door toepassing van de leden 1 en 2 minder zou bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd tot een kwart en worden de erfdelen van de overige erfgenamen naar evenredigheid verminderd.

  1383. Artikel 12 1. Plaatsvervulling geschiedt met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn of verwerpen of wiens erfrecht is vervallen. 2. Degenen die bij plaatsvervulling erven, worden staaksgewijze geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen. 3. Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet. Titel 3 Het erfrecht bij versterf van een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en gemeenschappelijke kinderen alsmede andere wettelijke rechten 2024 -553- No. 164 Afdeling 1 Het erfrecht bij versterf van een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en gemeenschappelijke kinderen

  1384. Artikel 13 1. De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt, mits voor alle kinderen geldt dat zij tevens kind zijn van de echtgenoot, overeenkomstig de volgende leden verdeeld, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft. Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater bepalen dat deze afdeling toepasselijk is ongeacht of zijn kinderen voldoen aan de in de eerste volzin gestelde vereisten. 2. De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten. 3. Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Deze vordering is opeisbaar: a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard; b. wanneer de echtgenoot is overleden. De vordering is ook opeisbaar in de door de erflater bij uiterste wilsbeschikking genoemde gevallen. 4. De in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen. 5. In deze afdeling wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed gescheiden echtgenoot.

  1385. Artikel 14 1. Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot. 2. Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot. 3. Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden. 4. De uit lid 1, tweede volzin, voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd artikel 184 lid 2.

  1386. Artikel 15 1. Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 2024 -554- No. 164 2. Indien bij de vaststelling van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering: a. omtrent de waarde van de goederen en de schulden van de nalatenschap is gedwaald en daardoor een erfgenaam voor meer dan een vierde is benadeeld, b. het saldo van de nalatenschap anderszins onjuist is berekend, dan wel c. de geldvordering niet is berekend overeenkomstig het deel waarop het kind aanspraak kon maken, wordt de vaststelling op verzoek van een kind of de echtgenoot dienovereenkomstig door de kantonrechter gewijzigd. Op de vaststelling is hetgeen omtrent verdeling is bepaald in artikel 196 leden 2 tot en met 4, artikel 199 en artikel 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing. 3. Bij de vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met 233 van overeenkomstige toepassing. 4. De artikelen 187 en 188 van Boek 3 zijn op de vaststelling van overeenkomstige toepassing.

  1387. Artikel 16 1. De echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap. 2. Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen een jaar na het overlijden van de erflater een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats van de echtgenoot onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte dient te geschieden. 3. Op de boedelbeschrijving en de waardering zijn de artikelen 673 tot en met 676 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De echtgenoot en ieder kind zijn voor de toepassing van de in de eerste volzin genoemde bepalingen partij bij de boedelbeschrijving. 4. De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen des verzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.

  1388. Artikel 17 1. De echtgenoot kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering en de in artikel 13 lid 4 bedoelde verhoging te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de verhoging, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald. 2. Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 of 22, gaan de echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot voldoening dan na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 25 lid 3. 3. Is het in lid 2 bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de goedkeuring van de kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel 26 lid 1.

  1389. Artikel 18 1. De echtgenoot kan binnen negen maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling overeenkomstig artikel 13 ongedaan maken. In naam van de echtgenoot kan de verklaring slechts krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke volmacht worden afgelegd. 2024 -555- No. 164 2. De verklaring werkt terug tot het tijdstip van het openvallen der nalatenschap. Voor het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn verkregen rechten van derden, mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden geëerbiedigd. Indien de echtgenoot voor het afleggen van de verklaring op de voet van artikel 13 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en de kinderen verrekend. 3. De omstandigheid dat de echtgenoot onder curatele staat of dat de goederen die deze uit de nalatenschap van de erflater verkrijgt onder een bewind vallen, staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet in de weg. De bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot in staat van faillissement verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de curator onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de bewindvoerder. 4. Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn van negen maanden vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.

  1390. Artikel 19 Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.

  1391. Artikel 20 Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was, dan zijn de erfgenamen van de langstlevende ouder of is de stiefouder, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig titel 3, afdeling 1, verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in artikel 13 lid 4 bedoelde verhoging.

  1392. Artikel 21 Indien een kind, doordat de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig titel 3, afdeling 1, een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in artikel 13 lid 4 bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de stiefouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.

  1393. Artikel 22 Indien een kind, doordat de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig titel 3, afdeling 1, een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is overleden, zijn diens erfgenamen verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in artikel 13 lid 4 bedoelde verhoging. 2024 -556- No. 164

  1394. Artikel 23 1. Op het in de artikelen 19 en 21 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien verstande dat: a. de echtgenoot is vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 205 lid 4 van Boek 3, alsmede van het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 206 lid 1 van Boek 3, en artikel 206 lid 2 van Boek 3 niet van toepassing is; b. een machtiging als bedoeld in artikel 212 lid 3 van Boek 3 ook gegeven kan worden voor zover de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot of de nakoming van zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid 2 dit nodig maakt. 2. De kantonrechter kan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek van de echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering als bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de rechter nadere regelingen treffen. 3. In afwijking van de eerste volzin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van artikel 215 lid 1 van Boek 3 verkrijgt de hoofdgerechtigde, tenzij hij met de echtgenoot anders overeenkomt, op het tijdstip van vervreemding een vordering op de echtgenoot ter grootte van de waarde die het goed op dat tijdstip had. Op de vordering zijn artikel 13 leden 3 en 4 en artikel 15 lid 1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip van het ontstaan van de vordering. 4. Bij de vestiging van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen worden getroffen door de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de rechter op verzoek van een van hen. 5. De echtgenoot is niet bevoegd het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren. 6. Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden van de nalatenschap of schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren. In geval van zodanige uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet van toepassing.

  1395. Artikel 24 1. De in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van de erflater of van de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap. In afwijking van de eerste volzin heeft de in de artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht geen betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de huwelijksgemeenschap met de erflater zijn gevallen. 2. De in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht betreft mede goederen die in de plaats zijn gekomen voor goederen als bedoeld in lid 1, eerste volzin. Indien een goed is verkregen met middelen die voor minder dan de helft afkomstig zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het niet onder de in de eerste volzin bedoelde verplichting. Is een goed mede met middelen uit een lening verkregen, dan blijven deze middelen voor de toepassing van de tweede volzin buiten beschouwing. 3. Een goed dat behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te hebben uitgemaakt van de in lid 1, eerste volzin, bedoelde nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanig goed in de plaats te zijn gekomen. 2024 -557- No. 164

  1396. Artikel 25 1. De waarde van de over te dragen goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan het kind verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de verhoging, tenzij door de erflater of bij de overdracht anders is bepaald. Voor de toepassing van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de goederen vastgesteld zonder daarbij het vruchtgebruik in aanmerking te nemen. 2. Een kind dat voornemens is een in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen die een dergelijk verzoek kunnen doen, op een zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te stellen dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens een verzoek te doen. 3. Degene die tot overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een kind een redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe over, dan stelt hij ook de andere kinderen die een zodanig verzoek kunnen doen, daarvan in kennis. 4. Bestaat tussen degene die tot overdracht van goederen verplicht is en het kind, of tussen twee of meer kinderen geen overeenstemming over de overdracht van een goed, dan beslist op verzoek van een hunner de rechter, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen. 5. Voor zover een kind de in artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een andere persoon overdraagt, gaat de in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde bevoegdheid teniet. 6. Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22, uitbreiden, beperken of opheffen.

  1397. Artikel 26 1. Indien een minderjarig kind een bevoegdheid heeft als in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen zes maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid aan de kantonrechter schriftelijk zijn voornemen met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze termijn vanaf de dag van de benoeming. De rechter verleent zijn goedkeuring aan het voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van het kind, de andere kinderen aan wie de bevoegdheid eveneens toekomt en van degene jegens wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan de goedkeuring voorwaarden verbinden. Zo nodig neemt de rechter een eigen beslissing. 2. Hetzelfde geldt indien het kind meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering onder een bewind, dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor het desbetreffende bewind gelden. Is het kind in staat van faillissement verklaard dan wel aan hem surseance van betaling verleend, dan rust de verplichting op de curator, onderscheidenlijk op het kind met medewerking van de bewindvoerder. 3. Indien met goedkeuring van de rechter is afgezien van het doen van een verzoek als genoemd in de artikelen 19, 20, 21 en 22, kan zodanig verzoek nadien niet alsnog worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de rechter anders bepalen.

  1398. Artikel 27 Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater bepalen dat een stiefkind in een verdeling als bedoeld in artikel 13 als eigen kind wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling van toepassing, behoudens voor zover de erflater anders heeft bepaald. De afstammelingen van het stiefkind worden bij plaatsvervulling geroepen. 2024 -558- No. 164

  1399. Artikel 27a 1. Indien deze afdeling ten onrechte is toegepast, worden te goeder trouw door derden verkregen rechten hierdoor nochtans niet geschaad. 2. Voorts bestaat voor de echtgenoot te goeder trouw geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de toepassing van deze afdeling zijn voortgevloeid, voor zover de echtgenoot daardoor niet was gebaat op het tijdstip dat op de niet-toepasselijkheid van deze afdeling jegens hem beroep gedaan werd. Artikel 27b Een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap na het overlijden van de verwekker laat toepassing van deze afdeling in stand.

  1400. Artikel 27c De kantonrechter kan de in artikel 18 leden 1 en 4 en artikel 26 lid 1 gestelde termijnen, ook na het verstrijken daarvan, op verzoek van een belanghebbende een of meer malen verlengen. Afdeling 2 Andere wettelijke rechten

  1401. Artikel 28 1. Indien de woning die de echtgenoot van de erflater bij diens overlijden bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater, anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam, is de echtgenoot jegens de erfgenamen in ieder geval bevoegd tot voortzetting van de bewoning gedurende een termijn van negen maanden onder gelijke voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is op gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot voortzetting van het gebruik van de inboedel, voor zover die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater ten gebruike toekwam. 2. Jegens de erfgenamen en de echtgenoot van de erflater hebben degenen die tot diens overlijden met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van de woning en de inboedel die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. 3. In deze afdeling wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed gescheiden echtgenoot.

  1402. Artikel 29 1. Voor zover de echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater of doordat niet aan de in artikel 13, lid 1, eerste volzin, gestelde vereisten is voldaan niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen werd bewoond, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit van hen verlangt. De eerste volzin geldt niet voor zover de rechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 33 lid 2 onder a heeft toegepast. 2. Zolang de echtgenoot een beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet bevoegd tot beschikking over die goederen, noch tot verhuring daarvan; gedurende dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts worden uitgewonnen voor de in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f genoemde schulden. 2024 -559- No. 164 3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.

  1403. Artikel 30 1. De erfgenamen zijn verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 29 ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover met inachtneming van artikel 30a de echtgenoot daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging – daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen – behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt. 2. Lid 1 is mede van toepassing met betrekking tot hetgeen moet worden geacht in de plaats te zijn gekomen van goederen van de nalatenschap. Voorts is lid 1 mede van toepassing op een geldvordering als bedoeld in artikel 13 lid 3 indien de erflater bij uiterste wilsbeschikking de gronden voor opeisbaarheid heeft uitgebreid. Een vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld in de tweede volzin eindigt in elk geval indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard. 3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen. Onder goederen als bedoeld in de eerste volzin worden mede begrepen ingevolge een legaat of een testamentaire last verkregen geldsommen en beperkte rechten op goederen van de nalatenschap. 4. De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking komen. 5. Voor zover de erflater de in lid 4 toegekende bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een testamentaire last verkregen goederen slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking, indien de overige goederen der nalatenschap tot verzorging van de echtgenoot onvoldoende zijn. Voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, komt zij pas na de andere makingen voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking. 6. Voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen over de goederen waarop dit zal komen te rusten, gelast op verzoek van een hunner de kantonrechter de aanwijzing van die goederen of wijst hij deze zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen. 7. Bij de bepaling van de behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de echtgenoot toekomt, in mindering gebracht hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen met uitzondering van het vruchtgebruik dat hij ingevolge artikel 29 had kunnen doen vestigen. Voorts komt daarop in mindering hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

  1404. Artikel 30a Een echtgenoot die, na aftrek van de kosten van gebruik van diens woning, niet ten minste een gemiddeld inkomen heeft of in redelijkheid kan verwerven dat correspondeert met het wettelijk minimum uurloon, wordt geacht in elk geval behoefte te hebben aan de vestiging van een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 30.

  1405. Artikel 30b 1. Heeft de erflater onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden tien jaar of langer samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, bepalen dat de ander voor de toepassing van deze afdeling met een echtgenoot gelijkgesteld wordt. 2. Heeft de erflater een echtgenoot achtergelaten, dan is deze afdeling op de echtgenoot van toepassing en op de op grond van lid 1 met een echtgenoot gelijkgestelde persoon alleen wat betreft de artikelen 28 en 29. 2024 -560- No. 164

  1406. Artikel 31 1. Op het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 is artikel 23 leden 1, 2, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing. Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f. De uitwinning is echter niet toegelaten, indien de echtgenoot niet met vruchtgebruik belaste goederen der nalatenschap aanwijst die voldoende verhaal bieden. 2. De mogelijkheid om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van artikel 29 negen maanden en voor de toepassing van artikel 30 een jaar en drie maanden na het overlijden van de erflater heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te maken. 3. De rechtsvordering ingevolge de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop van een jaar en negen maanden na het openvallen der nalatenschap. 4. Heeft de erflater bij uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de bevoegdheid ontzegd om zich bij de overdracht van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21 een vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in afwijking van lid 2, de mogelijkheid om ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door verloop van zes maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt. In dat geval verjaart de rechtsvordering tot vestiging van het vruchtgebruik door verloop van een jaar en zes maanden nadat op overdracht van het goed aanspraak is gemaakt.

  1407. Artikel 32 De echtgenoot kan geen aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de erflater en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer tot stand heeft kunnen komen. De eerste volzin blijft buiten toepassing indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in overwegende mate de echtgenoot kan worden aangerekend.

  1408. Artikel 32a Indien de duur van het huwelijk niet meer heeft bedragen dan vijf jaar en uit dit huwelijk geen kind is geboren, zijn de artikelen 29 en 30 niet van toepassing, tenzij zulks onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

  1409. Artikel 33 1. De kantonrechter kan op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad: a. aan die hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik belast goed uit de nalatenschap, al dan niet onder de last van het vruchtgebruik, toedelen; b. het vruchtgebruik van een of meer goederen beëindigen; c. aan het vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen; d. het vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigde onder bewind stellen. 2024 -561- No. 164 2. De rechter kan, onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan het vruchtgebruik, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder begrepen de nakoming van het overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen, geen behoefte heeft: a. op verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen, of b. op verzoek van een hoofdgerechtigde het vruchtgebruik beëindigen. 3. De andere rechthebbenden worden in het geding geroepen. Bij zijn beschikking kan de rechter nadere regelingen treffen. 4. Een rechthebbende kan te allen tijde, ter afwering van een vordering of andere rechtsmaatregel, gericht op de nakoming van een verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik, een beroep in rechte doen op de in lid 2 genoemde grond voor opheffing van die verplichting. 5. De rechter houdt bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening met: a. de leeftijd van de echtgenoot; b. de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort; c. de mogelijkheden van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen; d. hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd; e. het in artikel 30a bepaalde.

  1410. Artikel 34 1. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt, kan hij overgaan tot inkorting van de daarvoor vatbare giften, met toepassing van de artikelen 34a tot en met 34e. 2. De echtgenoot verkrijgt door uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in lid 1, het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de inkorting is geschied of waarvoor hij verhaal heeft genomen. Op het vruchtgebruik is artikel 23 leden 1, 2, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing. 3. Zo nodig kan het vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken over alle goederen der nalatenschap en alle geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften kunnen worden ingekort. 4. Geschillen over de toepassing van het onderhavige artikel en de artikelen 34a tot en met 37 worden op verzoek van de meest gerede partij beslist door de kantonrechter.

  1411. Artikel 34a 1. Voor inkorting als bedoeld in artikel 34 zijn vatbaar: a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor de echtgenoot wordt benadeeld; b. giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard; c. giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten; d. andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaar voor zijn overlijden is geschied. 2. Een gift komt voor inkorting slechts in aanmerking, voor zover de echtgenoot hetgeen hem ingevolge de artikelen 29 en 30 toekomt niet door inkorting van jongere giften kan verkrijgen. Giften van een voordeel bestemd om pas na het overlijden van de erflater ten volle te worden genoten, worden hierbij beschouwd als giften op het tijdstip van zijn overlijden. 2024 -562- No. 164

  1412. Artikel 34b 1. Inkorting van een gift als bedoeld in artikel 34 geschiedt door een verklaring aan de begiftigde. Deze is verplicht de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan de echtgenoot te vergoeden, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is. 2. De bevoegdheid van een echtgenoot tot inkorting van een gift vervalt na verloop van een hem daarvoor door de begiftigde gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaar na het overlijden van de erflater.

  1413. Artikel 34c 1. Voor de toepassing van artikel 34 worden giften gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie, behoudens het in de volgende leden bepaalde. Met een mogelijkheid dat de erflater de gift had kunnen herroepen wordt geen rekening gehouden. 2. Giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften van een voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van prestaties die de erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht, met dien verstande dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de nalatenschap niet toereikend is. Een gift die bestaat in de aanwijzing van een begunstigde bij sommenverzekering, wordt in aanmerking genomen tot haar waarde overeenkomstig artikel 188 leden 2 en 3 van Boek 7. 3. Giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van dat goed.

  1414. Artikel 34d Giften van de erflater aan zijn echtgenoot worden voor de toepassing van artikel 34 buiten beschouwing gelaten voor zover zich, ten gevolge van een gemeenschap van goederen waarin de erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift gehuwd waren of ten gevolge van een tussen hen op dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking ten koste van het vermogen van de gever heeft voorgedaan.

  1415. Artikel 34e 1. Voor de toepassing van artikel 34 worden niet als giften beschouwd: a. giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater; b. gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig waren. 2. Lid 1 is niet van toepassing op giften als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder h.

  1416. Artikel 35 1. Een kind van de erflater, een kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 daaronder begrepen, kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor: a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaar; en voorts voor: b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaar. 2024 -563- No. 164 2. De som ineens ter zake van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De som ineens ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht is om in de kosten daarvan te voorzien. 3. Op de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

  1417. Artikel 36 1. Een kind, stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de erflater dat in diens huishouding of in het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens, strekkende tot een billijke vergoeding. 2. Op de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft ontvangen of krachtens making, lastbevoordeling of sommenverzekering op het leven van de erflater verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover dat als een beloning voor zijn werkzaamheden kan worden beschouwd.

  1418. Artikel 37 1. Degene die krachtens de artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien de rechthebbende niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk een jaar na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen. 2. De vordering is niet opeisbaar totdat negen maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater. 3. De rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar en zes maanden na het overlijden van de erflater. Indien de erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar en zes maanden na het overlijden van die echtgenoot. 4. Voor zoveel nodig ondergaan de sommen ineens elk een evenredige vermindering. 5. De voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte der nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen. Tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, komen alle erfstellingen en legaten gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking, met dien verstande dat voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, zij pas na de andere makingen voor inkorting in aanmerking komt. 6. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is, kan de somgerechtigde, met van overeenkomstige toepassing van de artikelen 34a tot en met 34e, overgaan tot inkorting van de daarvoor vatbare giften.

  1419. Artikel 38 1. Op verzoek van een kind of stiefkind van de erflater kan de kantonrechter, mits daardoor een zwaarwegend belang van het kind of stiefkind wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij zijn beschikking kan de rechter nadere regelingen treffen. 2024 -564- No. 164 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van aandelen in een naamloze vennootschap waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is of nadien die positie van de erflater voortzet. 3. Lid 2 is slechts van toepassing voor zover de statutaire regels omtrent overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten. 4. Het recht om een verzoek als bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na verloop van een jaar en zes maanden na het overlijden van de erflater. 5. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de echtgenoot van de erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik van de desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen.

  1420. Artikel 39 1. Degene aan wie een in de artikelen 29 tot en met 33, 35, 36 en 38 bedoeld recht toekomt en niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de bepaling van zijn recht behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen. 2. Op zijn verzoek kan de kantonrechter een of meer der erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs doen oproepen teneinde de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de verzoeker onder ede te bevestigen.

  1421. Artikel 40 Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in artikel 28 lid 1, artikel 31 leden 2 en 3, artikel 37 lid 1, tweede volzin, lid 2 en lid 3, alsmede artikel 38 lid 4 vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.

  1422. Artikel 40a De kantonrechter kan de in artikel 31 leden 2, 3 en 4, artikel 37 leden 1 en 3 en artikel 38 lid 4 gestelde termijnen, ook na het verstrijken daarvan, op verzoek van een belanghebbende een of meer malen verlengen. Artikel 41 Bij uiterste wilsbeschikking kan van het in deze afdeling bepaalde niet worden afgeweken. Titel 4 Uiterste willen Afdeling 1 Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen

  1423. Artikel 42 1. Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. 2024 -565- No. 164 2. De erflater kan een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen. 3. Een uiterste wilsbeschikking kan alleen bij uiterste wil en slechts door de erflater persoonlijk worden gemaakt en herroepen.

  1424. Artikel 43 1. Niet vatbaar voor vernietiging op de grond dat zij door misbruik van omstandigheden is totstandgekomen is een uiterste wilsbeschikking getroffen ten voordele van iemand die bloed- of aanverwant tot de vierde graad, stief- of pleegkind dan wel echtgenoot of andere levensgezel van de erflater is. Is een beroep op misbruik van omstandigheden toegelaten, dan is wat betreft de verdeling van de bewijslast artikel 176 van Boek 7 van overeenkomstige toepassing. 2. Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van die veronderstelling had kennis gedragen. 3. Een uiterste wilsbeschikking kan niet op grond van misbruik van omstandigheden, bedreiging, bedrog of een onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater haar heeft bevestigd nadat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden te werken of het bedrog of de onjuistheid van de beweegreden is ontdekt.

  1425. Artikel 44 1. Een uiterste wilsbeschikking waarvan de inhoud in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig. 2. Eveneens is een uiterste wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze een in de uiterste wil vermelde beweegreden die in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, beslissend is geweest.

  1426. Artikel 45 1. Een voorwaarde of een last die onmogelijk te vervullen is, of die in strijd is met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling, wordt voor niet geschreven gehouden. De beschikking waaraan de voorwaarde of de last is toegevoegd, is nietig, indien deze de beslissende beweegreden tot die beschikking is geweest. 2. Een voorwaarde of last die de strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt voor niet geschreven gehouden.

  1427. Artikel 46 1. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. 2. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. 3. Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld. 2024 -566- No. 164

  1428. Artikel 47 Wanneer de uitvoering van een beschikking, anders dan als gevolg van een na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid, blijvend onmogelijk is, vervalt de beschikking, zonder dat een andere beschikking daarvoor in de plaats mag worden gesteld, tenzij de wet het tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater die andere beschikking zou hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest.

  1429. Artikel 48 Wanneer in eenzelfde uiterste wil twee of meer personen tot hetzelfde, al of niet voor bepaalde delen, zijn geroepen en de beschikking ten opzichte van een geroepene geen gevolg heeft, vindt ten behoeve van de overigen aanwas naar evenredigheid van de hun toekomende delen plaats, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.

  1430. Artikel 49 1. Een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op een bepaald goed te vestigen recht, vervalt indien het goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild. 2. Kan in laatstgenoemd geval degene op wie de verplichting rust, zich het gelegateerde goed niet of slechts ten koste van een onevenredig grote opoffering verschaffen, dan is hij gehouden de waarde van het goed uit te keren. 3. Voor de toepassing van lid 1 wordt een goed geacht niet tot de nalatenschap te behoren, indien de erflater tot overdracht van het goed verplicht was en deze verbintenis niet met zijn dood is tenietgegaan.

  1431. Artikel 50 1. Tenzij de erflater anders heeft beschikt, wordt een gelegateerd goed geleverd in de staat waarin het zich op het ogenblik van overlijden van de erflater bevindt. 2. Mitsdien is een erfgenaam niet verplicht het vermaakte goed te bevrijden van enig beperkt recht dat daarop is gevestigd. 3. Is een vordering van de erflater op een erfgenaam, een beperkt recht van de erflater op een goed van een erfgenaam, of een goed van de erflater waarop een beperkt recht van een erfgenaam is gevestigd gelegateerd, dan vindt geen vermenging plaats, tenzij het legaat wordt verworpen.

  1432. Artikel 51 1. Wanneer een echtgenoot ten laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een bepaald goed uit de huwelijksgemeenschap heeft vermaakt, kan de legataris levering van het gehele goed van hen vorderen, doch zij kunnen, voor zover het goed bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot of diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met uitkering van de waarde van het goed. Deze bevoegdheid komt ook toe aan de andere echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens erfgenamen. 2. Lid 1 is alleen van toepassing indien de huwelijksgemeenschap op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt, nog niet was ontbonden. 2024 -567- No. 164

  1433. Artikel 52 Een beschikking, getroffen ten voordele van degene met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de uiterste wil was gehuwd of reeds trouwbeloften had gewisseld, vervalt door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.

  1434. Artikel 53 Een uiterste wilsbeschikking ten voordele van de naaste bloedverwanten of het naaste bloed van de erflater, zonder nadere aanduiding, wordt vermoed gemaakt te zijn ten voordele van de door de wet geroepen bloedverwanten van de erflater naar evenredigheid van ieders aandeel bij versterf.

  1435. Artikel 54 1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaren een jaar nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van degene die een beroep op deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger. 2. De bevoegdheid om ter vernietiging van een uiterste wilsbeschikking een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt buiten het geval bedoeld in artikel 51 lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaar nadat de dood van de erflater en de uiterste wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, dan wel van zijn rechtsvoorganger. Afdeling 2 Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit voordeel kunnen genieten

  1436. Artikel 55 1. Behalve degenen die handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen die de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt uiterste wilsbeschikkingen maken. 2. Degene die onder curatele staat, kan slechts met toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen maken. De rechter kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. 3. De bekwaamheid van de erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin hij zich bevond op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt.

  1437. Artikel 56 1. Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten uit een making ten voordele van een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving dat bepaalt. Indien aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon, is artikel 352 van Boek 2 van overeenkomstige toepassing. 2. Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen hij aan een afstammeling van een ouder van de erflater nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze, ontlenen deze aan de making een recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater. 2024 -568- No. 164 3. Heeft een erflater bepaald dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een afstammeling van een ouder van de erflater, en tevens dat indien die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden, dan verkrijgen deze dit recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater. 4. Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het hem nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de erflater in de erfelijke graad, dan verkrijgt deze dit recht, ook al bestond hij nog niet bij het overlijden van de erflater.

  1438. Artikel 57 1. Een erflater kan geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van degene die op het tijdstip van het maken van de beschikking zijn voogd is. 2. Degene die voogd van de erflater is geweest, kan uit diens uiterste wilsbeschikkingen geen voordeel genieten, indien de erflater binnen het jaar na zijn meerderjarig worden en voor het afleggen en sluiten van de voogdijrekening is overleden. 3. De leden 1 en 2 zijn niet toepasselijk op bloedverwanten van de erflater in de opgaande lijn, die zijn voogden zijn of zijn geweest. Artikel 58 Minderjarigen kunnen geen uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van hun leermeesters, met wie zij samenwonen.

  1439. Artikel 59 1. De beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de geestelijk verzorgers die hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die een zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt. 2. Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt.

  1440. Artikel 60 Van het in de artikelen 58 en 59 bepaalde zijn uitgezonderd: a. de beschikkingen tot vergelding van bewezen diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming echter zowel van de gegoedheid van de maker, als van de diensten die aan deze zijn bewezen; b. de beschikkingen ten voordele van iemand die bloed- of aanverwant tot de vierde graad, stief- of pleegkind dan wel echtgenoot of andere levensgezel van de erflater is.

  1441. Artikel 61 De notaris of andere persoon, die een uiterste wil of een akte van bewaargeving van een niet gesloten aangeboden onderhandse uiterste wil heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niet bij die uiterste wil worden bevoordeeld. 2024 -569- No. 164

  1442. Artikel 62 1. Een uiterste wilsbeschikking die in strijd is met het in de artikelen 57 tot en met 61 bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van degene die zich op de vernietigingsgrond beroept. 2. Een beschikking ten behoeve van een tussenbeide komende persoon is op gelijke wijze vernietigbaar als een ten behoeve van de uitgesloten persoon zelf. 3. De vader, de moeder, de afstammelingen en de echtgenoot van een uitgesloten persoon worden geacht tussenbeide komende personen te zijn, behalve wanneer zij bloedverwant in de rechte lijn of echtgenoot van de erflater zijn. 4. Indien een legataris in verband met een krachtens de leden 1 tot en met 3 vernietigbaar legaat is gehouden een tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing. Afdeling 4 Vorm van uiterste willen Artikel 93 Een uiterste wil die bij dezelfde akte door twee of meer personen is gemaakt, is nietig.

  1443. Artikel 94 Behoudens hetgeen in de artikelen 97 tot en met 107 is bepaald, kan een uiterste wil alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.

  1444. Artikel 95 1. Een onderhandse uiterste wil kan niet geldig worden gemaakt door degene die door onkunde of door andere oorzaken niet in staat is geweest de uiterste wil te lezen. 2. Een bij onderhandse akte gemaakte uiterste wil moet door de erflater zijn ondertekend. Is de uiterste wil door een ander dan de erflater of met mechanische middelen geschreven, en bestaat de wil uit meer dan één bladzijde, dan moet iedere bladzijde zijn genummerd en door de handtekening van de erflater zijn gewaarmerkt. 3. Een onderhandse uiterste wil wordt door de erflater aan een notaris ter hand gesteld. De erflater moet daarbij verklaren dat het aangeboden stuk zijn uiterste wil bevat en dat aan de vereisten van lid 2 is voldaan. Indien het stuk gesloten wordt aangeboden, kan de erflater bij de aanbieding tevens verklaren dat het stuk slechts mag worden geopend, indien bepaalde door hem genoemde voorwaarden op de dag van zijn overlijden zijn vervuld. 4. Van de bewaargeving en de verklaringen van de erflater maakt de notaris een akte op die door de erflater en de notaris wordt ondertekend. 5. Wanneer de erflater verklaart dat hij door een met name door hem genoemde, na de ondertekening van de uiterste wil opgekomen oorzaak verhinderd wordt de akte van bewaargeving te ondertekenen, vervangt die verklaring zijn ondertekening van de akte van bewaargeving, mits de verklaring in de akte van bewaargeving wordt opgenomen. 6. De onderhandse uiterste wil blijft berusten onder de minuten van de notaris die deze akte heeft ontvangen. 2024 -570- No. 164

  1445. Artikel 96 Op degene die de geldigheid van een in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden waaruit de wil bestaat niet eigenhandig heeft gewaarmerkt, rust de bewijslast daarvan.

  1446. Artikel 97 Bij een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot: a. het maken van legaten van: 1°. kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden; 2°. bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken; b. bepaling dat goederen, bedoeld onder a, buiten een huwelijksgemeenschap vallen; c. regeling van de lijkbezorging; d. orgaandonatie.

  1447. Artikel 98 1. In geval van oorlog of burgeroorlog kunnen militairen en andere tot de krijgsmacht behorende personen een uiterste wil maken ten overstaan van een officier van de krijgsmacht. 2. Ook buiten het geval van oorlog of burgeroorlog kan op deze wijze een uiterste wil worden gemaakt door militairen en andere personen, die behoren tot een gedeelte van de krijgsmacht dat is aangewezen: a. ter deelneming aan een militaire expeditie; b. ter bestrijding van een vijandelijke macht; c. ter handhaving van de onzijdigheid van de Staat; d. tot enig optreden hetzij tot collectieve of individuele zelfverdediging, hetzij tot handhaving of herstel van de internationale orde en veiligheid; of e. ter voldoening aan een vordering van het bevoegde gezag in geval van oproerige beweging. 3. In krijgsgevangenschap kan in plaats van een officier ook een onderofficier optreden. 4. Officieren en onderofficieren mogen hun medewerking slechts verlenen, indien de erflater zich niet tot een bevoegde notaris of consulaire ambtenaar kan wenden. Niet-inachtneming van dit voorschrift schaadt de geldigheid van de uiterste wil niet.

  1448. Artikel 100 1. De in artikel 98 lid 1 vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat de President heeft vastgesteld dat voor de toepassing van die bepaling de oorlog of de burgeroorlog als geëindigd moet worden beschouwd. 2. De in artikel 98 lid 2 vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat de President heeft bekendgemaakt dat de aanwijzing is geëindigd.

  1449. Artikel 101 Degenen die zich op een reis aan boord van een zeeschip of luchtvaartuig bevinden, kunnen een uiterste wil maken ten overstaan van de gezagvoerder of de eerste officier, of bij gebreke van deze personen ten overstaan van degene die hun plaats vervult. 2024 -571- No. 164

  1450. Artikel 102 Op plaatsen waar voor de erflater het normale verkeer met een notaris of bevoegde consulaire ambtenaar verboden of verbroken is als gevolg van rampen, gevechtshandelingen, besmettelijke ziekten of andere buitengewone omstandigheden, kan hij een uiterste wil maken ten overstaan van een consulaire ambtenaar, ook indien deze niet krachtens de gewone regelen bevoegd is, of elke openbare ambtenaar, een kandidaat- notaris, een advocaat, een officier van de krijgsmacht of van een brandweer.

  1451. Artikel 103 1. De uiterste willen, bedoeld in de artikelen 98, 101 en 102, worden verleden in tegenwoordigheid van twee getuigen. Zij worden op behoorlijke wijze op schrift gesteld en door de erflater, alsmede door de getuigen en degene te wiens overstaan zij zijn verleden, ondertekend. 2. De getuigen moeten meerderjarig zijn en de taal verstaan, waarin de uiterste wil is opgesteld. In de gevallen van de artikelen 98 en 102 geldt het vereiste van meerderjarigheid niet voor getuigen die militairen zijn of deelnemen aan het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval. 3. Indien de erflater of een van de getuigen verklaart door onkunde of een andere met name door hem genoemde oorzaak niet te kunnen ondertekenen, vervangt die verklaring zijn ondertekening, mits zij in de akte wordt opgenomen.

  1452. Artikel 104 1. De erflater is in de gevallen van de artikelen 98, 101 en 102 ook bevoegd een door hem ondertekende onderhandse uiterste wil te maken, die hij in tegenwoordigheid van twee getuigen in bewaring geeft aan een persoon te wiens overstaan hij ingevolge die artikelen een uiterste wil kan doen verlijden. Deze persoon maakt daarvan onmiddellijk een akte van bewaargeving op, hetzij op het papier van de uiterste wil, hetzij op de omslag daarvan, hetzij op een afzonderlijk papier; artikel 103 is op die akte van overeenkomstige toepassing. 2. Artikel 98 lid 4 en artikel 100 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Op degene die de geldigheid van de in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig heeft ondertekend, rust de bewijslast daarvan.

  1453. Artikel 105 Indien in een geval, bedoeld in artikel 104, de onderhandse uiterste wil is gedagtekend en de erflater overlijdt zonder dat de uiterste wil overeenkomstig de wet in bewaring is gegeven, is de uiterste wil niettemin geldig, tenzij de erflater redelijkerwijze alsnog een uiterste wil overeenkomstig de artikelen 93 tot en met 104 van deze afdeling had kunnen maken.

  1454. Artikel 106 1. Degene die een akte van uiterste wil, van bewaargeving of van terugneming, als bedoeld in de artikelen 98, 100 tot en met 105 en 113 onder zich heeft, geeft de akte zo spoedig mogelijk in gesloten omslag in bewaring van een notaris. Deze maakt een akte van bewaargeving op, neemt de in lid 1 bedoelde akte op onder zijn minuten en geeft bericht aan het testamentenregister. 2. Lid 1 geldt niet voor akten, opgemaakt door of ten overstaan van een volgens de gewone regelen bevoegde notaris of consulaire ambtenaar, en voor de door deze in bewaring genomen akten van uiterste wil. 2024 -572- No. 164

  1455. Artikel 107 1. De uiterste willen, bedoeld in de artikelen 98 en 100 tot en met 104, zijn vernietigbaar, indien de erflater overlijdt meer dan zes maanden nadat voor hem de mogelijkheid is geëindigd, een uiterste wil te maken op een van de in die artikelen genoemde wijzen. 2. De termijn wordt telkens met een maand verlengd, indien de erflater redelijkerwijze niet in staat is geweest in de laatstverstreken maand een uiterste wil te maken.

  1456. Artikel 108 Een uiterste wil die op een in een der artikelen 98, 101, 102 en 104 vermelde wijze, doch niet onder de daar aangegeven omstandigheden is gemaakt, is, indien de erflater binnen zes maanden daarna overlijdt, niet van rechtswege nietig, doch vernietigbaar.

  1457. Artikel 109 1. Een uiterste wil is nietig, indien aan de akte van uiterste wil of aan de akte van bewaargeving, zo deze voorgeschreven is, de vereiste ondertekening door de erflater ontbreekt. 2. Een uiterste wil die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt is nietig, indien de akte van uiterste wil niet door een notaris is ondertekend. Een uiterste wil, die aan een notaris in bewaring moet worden gegeven, is nietig, indien een door een notaris ondertekende akte van bewaargeving ontbreekt. Is echter, in dit laatste geval, de akte van uiterste wil door een notaris ondertekend, dan is de uiterste wil vernietigbaar. 3. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op een uiterste wil die ten overstaan van een in de artikelen 98, 101 en 102 genoemde persoon moet worden gemaakt of aan een aldaar genoemde persoon in bewaring moet worden gegeven. 4. Het niet in acht nemen van andere door de wet voor de geldigheid van de uiterste wil gestelde vormvereisten maakt de uiterste wil vernietigbaar. Artikel 110 Het bepaalde in artikel 54 is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot vernietiging van een uiterste wil. Afdeling 5 Herroeping van uiterste wilsbeschikkingen Artikel 111 Voor het herroepen van een uiterste wilsbeschikking gelden dezelfde vormvoorschriften als voor het maken van die beschikking.

  1458. Artikel 112 Een latere uiterste wilsbeschikking die een vroegere niet uitdrukkelijk herroept, doet deze vervallen voor zover zij door de latere beschikking onuitvoerbaar is geworden of vervangen is. 2024 -573- No. 164

  1459. Artikel 113 Een erflater kan te allen tijde zijn onderhandse, in bewaring gegeven uiterste wil terugvorderen, mits hij ter verantwoording van de notaris of andere persoon die de akte krachtens wettelijk voorschrift onder zich heeft, van de teruggave doet blijken bij een ten overstaan van die notaris of, met overeenkomstige toepassing van artikel 103, ten overstaan van die persoon verleden akte. Door de teruggave wordt de onderhandse uiterste wil herroepen.

  1460. Artikel 114 Een uiterste wilsbeschikking die geldig bij een onderhands en niet in bewaring gegeven stuk gemaakt is, wordt herroepen wanneer de erflater dit stuk vernietigt. Is het stuk vernietigd, dan wordt dit vermoed door de erflater te zijn geschied. Titel 5 Onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen Afdeling 1 Erfstellingen Artikel 115 Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat. Artikel 116 Bij uiterste wilsbeschikking ingestelde erfgenamen hebben gelijke rechten en verplichtingen als erfgenamen bij versterf. Afdeling 2 Legaten §1 Algemene bepalingen

  1461. Artikel 117 1. Een legaat is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toekent. 2. Een legaat komt, tenzij het aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen is opgelegd, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. 3. Is de prestatie deelbaar, dan zijn de belaste erfgenamen ieder voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, verbonden, tenzij de erflater anders heeft beschikt. 2024 -574- No. 164

  1462. Artikel 118 1. Is een bepaalde persoon die als erfgenaam met een legaat is belast, niet erfgenaam geworden of is zijn erfrecht vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin niet, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard iets anders voortvloeit, op degenen aan wie zijn erfdeel toevalt; zij kunnen echter volstaan met uitkering aan de legataris van hetgeen zij in de plaats van de belaste persoon uit de nalatenschap genieten of van de waarde daarvan. 2. Is een met een sublegaat belaste persoon niet legataris geworden of is zijn recht uit het hem gemaakte legaat vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin niet, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard iets anders voortvloeit, op degenen die met het hem gemaakte legaat waren belast; zij kunnen echter volstaan met voldoening aan de sublegataris van het aan de belaste persoon gelegateerde of van de waarde daarvan.

  1463. Artikel 119 Degenen op wie een legaat rust, alsmede de executeur, dragen zorg dat de legataris zo spoedig mogelijk van het legaat wordt kennisgegeven. Is het adres van een legataris aan hen onbekend gebleven, dan delen zij dit mede aan de kantonrechter, die hen het doen van nasporingen of een bepaalde wijze van oproeping kan gelasten.

  1464. Artikel 120 1. Schulden van de nalatenschap uit een legaat worden slechts ten laste van de nalatenschap voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. 2. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij verminderd. 3. Tenzij uit de uiterste wil een andere wijze van vermindering voortvloeit, ondergaan deze verplichtingen alle een evenredige vermindering, met dien verstande dat, voor zover de prestatie is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de andere voor vermindering in aanmerking komt. 4. Vermindering geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot van de erflater. Voor zover de prestatie reeds is verricht, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand, behoudens de mogelijkheid van terugvordering en verhaal als bedoeld in de artikelen 216 en 220 lid 3. 5. Ondanks de vermindering blijven de erfgenamen die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, gehouden tot voldoening voor het geheel.

  1465. Artikel 121 1. Een legataris is bevoegd de hem opgelegde sublegaten en tot een uitgave in geld of goed verplichtende lasten te verminderen, voor zover de waarde van het hem gelegateerde ontoereikend is of door vermindering ontoereikend wordt om aan de hem opgelegde verplichtingen te voldoen. 2. Tenzij uit de uiterste wil een andere wijze van vermindering voortvloeit, ondergaan deze verplichtingen alle een evenredige vermindering, met dien verstande dat voor zover de prestatie is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de andere voor vermindering in aanmerking komt. 2024 -575- No. 164

  1466. Artikel 122 1. Een legataris wiens legaat wordt verminderd, is bevoegd volledige voldoening van het legaat te verlangen, mits hij het bedrag van de vermindering in geld oplegt. 2. Maakt de legataris geen gebruik van deze bevoegdheid, dan kan de wederpartij ermede volstaan hem de waarde van het verminderde legaat uit te keren.

  1467. Artikel 123 1. De rechter kan op verzoek van de legataris of van degene die met het legaat is belast, de verbintenissen uit een legaat wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten. 2. Bij een wijziging of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht. 3. Artikel 258 lid 1, tweede volzin, leden 2 en 3 van Boek 6 en artikel 260 leden 1 en 2 van Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing.

  1468. Artikel 124 Tenzij de erflater anders heeft beschikt, heeft een legataris aan wie een bepaald goed der nalatenschap of het vruchtgebruik van een zodanig goed, van de gehele nalatenschap of van een aandeel daarin is vermaakt, recht op uitkering van de vruchten van het hem vermaakte die de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering opeisbaar is geworden. De rechtsvordering tot uitkering van deze vruchten verjaart door verloop van drie jaar nadat zij zijn geïnd.

  1469. Artikel 125 1. Een legaat van een geldsom wordt negen maanden na het overlijden van de erflater opeisbaar, tenzij hij anders heeft beschikt. 2. Nochtans kan een erfgenaam aan wie een goed der nalatenschap is gelegateerd tegen vergoeding van de waarde of een gedeelte daarvan, de betaling van die vergoeding opschorten tot de verdeling van de nalatenschap, tenzij de erflater anders heeft beschikt. 3. Degene op wie de schuld uit een legaat van een geldsom rust, komt niet in verzuim door het enkele verstrijken van een voor de voldoening bepaalde termijn. 4. Op legaten van een geldsom is artikel 5 van overeenkomstige toepassing. §2 Giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten

  1470. Artikel 126 1. Een schenking of andere gift wordt, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd, voor de toepassing van hetgeen in dit Boek is bepaald betreffende vermindering aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. In afwijking van artikel 120 lid 3 komt de schenking of andere gift, indien daarbij niet anders is bepaald, als laatste voor vermindering in aanmerking. Kan de schenking of andere gift tot aan het overlijden van de schenker of gever worden herroepen, dan mist de tweede volzin toepassing. 2024 -576- No. 164 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op: a. een beding dat een goed van een der partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie op een ander overgaat of kan overgaan, voor zover het beding wordt toegepast in geval van overlijden van degene aan wie het goed toebehoort; wederkerigheid van het beding geldt niet als tegenprestatie; b. een begunstiging bij een sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt; c. een omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare, voor zover deze de strekking heeft dat de verbintenis pas na het overlijden van de schuldenaar zal worden nagekomen, en deze verbintenis niet reeds tijdens diens leven is nagekomen. 3. Een toedeling van een aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap als bedoeld in artikel 821 lid 1 van Boek 7 en het uit artikel 821 lid 4 van Boek 7 voortvloeiende recht op levering van een aandeel in de vennootschap die rechtspersoon is worden voor de toepassing van lid 2 onder a gelijkgesteld met een beding dat een goed van een der partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling op een ander overgaat. 4. De artikelen 34c en 34d zijn van overeenkomstige toepassing.

  1471. Artikel 127 Betreft de vermindering een begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij een beding ten behoeve van een derde, dan heeft zij tot gevolg dat de begunstigde verplicht is tot vergoeding van de waarde van het in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is. Indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is de in de eerste volzin bedoelde vergoeding verschuldigd aan de echtgenoot van de erflater. Een begunstiging als bedoeld in de eerste volzin kan slechts worden verminderd binnen drie jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft ontvangen.

  1472. Artikel 128 Hetgeen met betrekking tot legatarissen is bepaald in artikel 29 lid 3 en artikel 30 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als bedoeld in artikel 126. Met gelegateerde goederen als bedoeld in artikel 30 lid 5 worden gelijkgesteld goederen die zijn verkregen krachtens een handeling als bedoeld in artikel 126. Hetgeen met betrekking tot legatarissen is bepaald in artikel 216 en artikel 220 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als bedoeld in artikel 126 lid 1 en lid 2 onder c, alsmede, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is, door een handeling als bedoeld in artikel 126 lid 2 onder b. Afdeling 3 Testamentaire lasten

  1473. Artikel 130 1. Een testamentaire last is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan de gezamenlijke erfgenamen of aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen een verplichting oplegt, die niet bestaat in de uitvoering van een legaat. 2. Een testamentaire last kan ook worden opgelegd aan een executeur. De hem opgelegde verplichting rust mede op de gezamenlijke erfgenamen, tenzij uit haar aard of uit de uiterste wil iets anders voortvloeit. 3. Artikel 120 is van overeenkomstige toepassing op een last die strekt tot een uitgave van geld of van een goed uit de nalatenschap; deze wordt tegelijk met een legaat en in gelijke mate verminderd. 2024 -577- No. 164

  1474. Artikel 131 1. Een erfgenaam of legataris op wie een testamentaire last rust, verkrijgt zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter. 2. De vervallenverklaring kan door de rechter worden uitgesproken op verzoek van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende. 3. Een erfgenaam die met zijn gehele vermogen jegens schuldeisers van de erflater en legatarissen aansprakelijk was, blijft jegens hen na de vervallenverklaring van zijn recht tot voldoening gehouden, onverminderd zijn recht van verhaal op degenen aan wie het door hem geërfde opkomt.

  1475. Artikel 132 Is een last aan een bepaalde persoon als erfgenaam of legataris opgelegd en is hij niet erfgenaam of legataris geworden of is zijn recht vervallen, dan rust de hem opgelegde verplichting, tenzij uit haar aard of uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, op degenen aan wie zijn erfdeel toevalt of die met het hem gemaakte legaat waren belast.

  1476. Artikel 133 1. Is de vervulling van een aan een testamentaire last toegevoegde opschortende voorwaarde belet door degene op wie de last rust, dan geldt de voorwaarde als vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen. 2. Is de vervulling van een aan een testamentaire last toegevoegde ontbindende voorwaarde teweeggebracht door degene op wie de last rust, dan geldt de voorwaarde als niet vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen. 3. Artikel 140 lid 1 is van overeenkomstige toepassing.

  1477. Artikel 134 1. De rechter kan op verzoek van degene op wie de last rust of van het openbaar ministerie de last wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen: a. op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn; b. op grond dat de last door vermindering van de last, of van de making waaraan hij is verbonden, bezwaarlijk of onmogelijk uitvoerbaar is geworden; c. in geval de last ingevolge artikel 132 op een ander is komen te rusten dan degenen aan wie hij bij de uiterste wilsbeschikking is opgelegd. 2. Bij een wijziging of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht. 3. Artikel 258 leden 1, tweede volzin, 2 en 3 van Boek 6 en artikel 260 leden 1 en 2 van Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling 4 Stichtingen

  1478. Artikel 135 1. Wanneer een erflater iets heeft vermaakt aan een stichting die hij in een bij notariële akte gemaakte uiterste wilsbeschikking heeft opgericht, is de stichting erfgenaam of legataris, naar gelang het haar vermaakte aan een erfstelling of aan een legaat beantwoordt. 2024 -578- No. 164 2. Heeft hij bij een in andere vorm gemaakte uiterste wil verklaard een stichting in het leven te roepen, dan wordt deze beschikking aangemerkt als een aan de gezamenlijke erfgenamen opgelegde last om die stichting op te richten. 3. Degene op wie een last om een stichting op te richten rust, kan daartoe op vordering van het openbaar ministerie worden veroordeeld door de kantonrechter van het sterfhuis of, indien de erflater zijn laatste woonplaats niet in Suriname had, door de kantonrechter in het Eerste Kanton. De rechter kan bepalen, dat het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is of dat een door de rechter aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Afdeling 5 Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde

  1479. Artikel 136 1. Bevat een uiterste wil een erfstelling onder tijdsbepaling, dan wordt deze beschikking aangemerkt als een dadelijk ingaande erfstelling van degene die, bij uitvoering van de uiterste wil zoals deze luidt, het laatst tot het erfdeel zou zijn geroepen, belast met een legaat van vruchtgebruik van het erfdeel voor de gestelde tijd ten behoeve van degene die het eerst tot het erfdeel zou zijn geroepen. 2. In geval van een erfstelling onder een ontbindende tijdsbepaling zonder een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende tijdsbepaling komt de eerstgeroepene vruchtgebruik met bevoegdheid tot vervreemding en vertering toe, voor zover de erflater deze bevoegdheid niet heeft uitgesloten.

  1480. Artikel 137 Om aan een making onder opschortende voorwaarde een recht te kunnen ontlenen, moet men nog bestaan op het ogenblik dat de voorwaarde wordt vervuld, tenzij uit de uiterste wil of uit de aard van de beschikking het tegendeel voortvloeit.

  1481. Artikel 138 1. Wanneer een erfstelling onder een voorwaarde is gemaakt, wordt degene aan wie het vermaakte tot de vervulling der voorwaarde toekomt, als de uitsluitend rechthebbende aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen. 2. Voor het overige vinden, zolang de vervulling der voorwaarden onzeker is, de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik, zoals geregeld in titel 8 van Boek 3, overeenkomstige toepassing. Dientengevolge is hij verplicht het vermaakte gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te houden, tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de goederen te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden. 3. In geval van een erfstelling onder een ontbindende voorwaarde zonder een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde is hij jegens degene aan wie het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt, bevoegd de goederen te vervreemden en te verteren op dezelfde voet als een vruchtgebruiker aan wie deze bevoegdheid is gegeven, voor zover de erflater niet anders heeft bepaald.

  1482. Artikel 139 1. Is de vervulling van een aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde belet door iemand aan wie het vermaakte toekomt zolang de voorwaarde niet is vervuld, dan geldt zij als vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen. 2024 -579- No. 164 2. Is de vervulling van de voorwaarde teweeggebracht door iemand aan wie het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt, dan geldt zij als niet vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.

  1483. Artikel 140 1. Is een aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde dertig jaar na het overlijden van de erflater nog niet vervuld, dan vervalt de beschikking, wanneer het een opschortende voorwaarde is; is het een ontbindende voorwaarde, dan vervalt de voorwaarde. Hiermede strijdige beschikkingen van de erflater zijn nietig. 2. Lid 1 vindt mede toepassing op een legaat van een bepaald goed der nalatenschap of van een beperkt recht op een zodanig goed. Artikel 141

  1484. Artikel 140 vindt geen toepassing op een making onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende making onder opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte of het onverteerde deel daarvan op het tijdstip van overlijden van de bezwaarde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan de verwachter, indien deze het aangewezen tijdstip overleeft. Afdeling 6 Executeurs

  1485. Artikel 142 1. Een erflater kan bij uiterste wilsbeschikking een of meer executeurs benoemen. Hij kan aan een executeur de bevoegdheid toekennen een of meer andere executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen; hij kan ook beschikken dat wanneer een benoemde executeur komt te ontbreken, de kantonrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een vervanger te benoemen. 2. Zijn er twee of meer executeurs, dan kan, tenzij de erflater anders heeft beschikt, ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten. 3. Bij verschil van mening tussen de executeurs beslist op verzoek van een van hen de kantonrechter. Deze kan een verdeling van de werkzaamheden of van het hun toekomende loon vaststellen.

  1486. Artikel 143 1. Men wordt executeur door aanvaarding van zijn benoeming na het overlijden van de erflater. De kantonrechter kan op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen, na afloop waarvan de benoeming niet meer kan worden aanvaard. 2. Handelingsonbekwamen, zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement verkeren, kunnen geen executeur worden.

  1487. Artikel 144 1. Onverminderd de testamentaire lasten die de erflater aan de executeur mocht hebben opgelegd, heeft deze, voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, tot taak de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan. 2. Tenzij bij uiterste wil anders is geregeld, komt de executeur, of als er meer dan een executeur is, aan hen tezamen, een ten honderd van de waarde van het vermogen van de erflater op diens sterfdag toe. 3. Artikel 159 leden 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing. 2024 -580- No. 164

  1488. Artikel 145 1. Is een executeur benoemd, die tot taak heeft goederen der nalatenschap te beheren, dan kunnen de erfgenamen, tenzij hij zijn benoeming niet aanvaardt, niet zonder zijn medewerking of machtiging van de kantonrechter over die goederen of hun aandeel daarin beschikken, voordat zijn bevoegdheid tot beheer is geëindigd. 2. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.

  1489. Artikel 146 1. De executeur die met het beheer van de nalatenschap is belast, kan een boedelnotaris aanwijzen; deze geeft van de aanvaarding van zijn opdracht kennis aan de erfgenamen. 2. De executeur moet met bekwame spoed een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van de schulden der nalatenschap opmaken en de hem bekende schuldeisers oproepen tot indiening van hun vorderingen bij de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij een der executeurs. De aanmelding van een vordering stuit de verjaring.

  1490. Artikel 147 1. De executeur is bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap en de nakoming der hem opgelegde lasten. 2. Tenzij de erflater anders heeft beschikt, treedt de executeur omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen en stelt hij, zo bij een erfgenaam bezwaar bestaat tegen een voorgenomen tegeldemaking, die erfgenaam in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen. 3. De erflater kan bepalen dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed de toestemming van de erfgenamen behoeft. Deze toestemming kan echter vervangen worden door een machtiging van de kantonrechter. 4. Het in de leden 1 tot en met 3 ten aanzien van de erfgenamen bepaalde geldt mede ten aanzien van hen aan wie het vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel daarin is vermaakt. Artikel 148 De executeur moet aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak geven.

  1491. Artikel 149 1. De taak van een executeur eindigt: a. wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid; b. door tijdverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd; c. door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen; d. wanneer de nalatenschap overeenkomstig afdeling 3 van titel 6 moet worden vereffend; e. in de bij de uiterste wil bepaalde gevallen; f. door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent. 2024 -581- No. 164 2. Het ontslag wordt hem verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen treffen en de executeur schorsen. 3. Een gewezen executeur blijft verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard. 4. Eindigt de hoedanigheid van executeur door diens faillissement of ondercuratelestelling dan rust de in lid 3 bedoelde verplichting op de curator, indien deze van de executele kennis draagt; eindigt de hoedanigheid van executeur door de onderbewindstelling van een of meer van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in dat geval optredende bewindvoerder. Eindigt de hoedanigheid van executeur door diens dood, dan zijn de erfgenamen verplicht, indien zij van de executele kennis dragen, het overlijden van de executeur mede te delen aan de erfgenamen van degene die hem heeft benoemd.

  1492. Artikel 150 1. Een executeur die zijn taak, met het oog waarop hem het beheer was opgedragen, heeft volbracht, is bevoegd zijn beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen. 2. De erfgenamen kunnen de bevoegdheid van een executeur tot beheer beëindigen: a. na voldoening van de schulden der nalatenschap en nakoming der lasten, waarvan de afwikkeling reeds tot zijn taak behoort of nog binnen het jaar na het overlijden van de erflater tot zijn taak zou kunnen gaan behoren; b. wanneer een jaar en zes maanden zijn verlopen sedert een of meer der executeurs de nalatenschap in beheer hebben kunnen nemen. De kantonrechter kan deze termijn, ook na het verstrijken daarvan, op verzoek van een executeur een of meer malen verlengen. 3. Wanneer de erfgenamen de nodige middelen voor de in lid 2 onder a bedoelde afwikkeling ter beschikking van de executeur stellen, kunnen zij zijn beheersbevoegdheid voor het overige beëindigen. 4. Zijn niet alle erfgenamen bekend of niet allen bereid de goederen in ontvangst te nemen, dan zijn de artikelen 225 en 226 van overeenkomstige toepassing.

  1493. Artikel 151 Een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, is verplicht aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.

  1494. Artikel 152 Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam aangemerkt. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 150 de leden 2 en 3, komen mede aan die echtgenoot toe. 2024 -582- No. 164 Afdeling 7 Testamentair bewind §1 Algemene bepalingen

  1495. Artikel 153 1. Een erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bewind instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen. 2. Tenzij de erflater anders heeft bepaald, treedt het bewind in werking op het tijdstip van zijn overlijden.

  1496. Artikel 154 Tenzij bij de instelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een onder bewind staand goed te treden, benevens de vruchten en andere voordelen die zulk een goed oplevert, zolang de vruchten niet zijn uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft ingevolge artikel 162.

  1497. Artikel 155 1. Het bewind over een erfdeel of een legaat wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende, tenzij een der volgende leden van toepassing is. 2. Het bewind over een vruchtgebruik wordt vermoed zowel in het belang van de vruchtgebruiker als van de hoofdgerechtigde te zijn ingesteld. Hetzelfde geldt voor het bewind over de rechten van gebruik en bewoning. 3. Het bewind over een voorwaardelijke making wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van zowel degene die het goed bij vervulling der voorwaarde verkrijgt, als van degene die het alsdan verliest. 4. Het bewind over goederen of aandelen in goederen die gemeenschappelijk beheerd dienen te worden, wordt vermoed te zijn ingesteld in een gemeenschappelijk belang.

  1498. Artikel 156 Is het bewind uitsluitend of mede ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende op de onder bewind gestelde goederen, dan wordt die ander, zolang niet vaststaat wie hij is, voor de toepassing van deze afdeling aangemerkt als iemand die niet in staat is zijn wil te bepalen. §2 De bewindvoerder

  1499. Artikel 157 1. Indien de uiterste wil niet voorziet in de regeling der benoeming van een bewindvoerder, wijst de kantonrechter een of meer bewindvoerders aan op verzoek van de rechthebbende, een erfgenaam, legataris of andere belanghebbende dan wel van de executeur. De kantonrechter vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen personen. 2. Handelingsonbekwamen, zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld of zij die in staat van faillissement verkeren, alsmede de personen genoemd in artikel 59 kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd. 2024 -583- No. 164 3. Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd. 4. Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd. 5. De door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de griffier hem van zijn benoeming mededeling heeft gedaan, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. 6. De niet door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat hij de benoeming heeft aanvaard.

  1500. Artikel 158 1. Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden die tot het bewind behoren alleen verrichten, tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders bepaalt. 2. Bij verschil van mening tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de kantonrechter, tenzij bij uiterste wil een andere regeling is getroffen. 3. De kantonrechter kan des verzocht, indien daartoe een gewichtige reden bestaat, een verdeling van de werkzaamheden vaststellen of wijzigen.

  1501. Artikel 159 1. Tenzij bij uiterste wil anders is geregeld, komt de bewindvoerder, of als er meer dan een bewindvoerder is, hun tezamen, per jaar een ten honderd van de waarde aan het einde van dat jaar van het onder bewind staande vermogen toe. 2. Zijn er twee of meer bewindvoerders en bevat de uiterste wil geen regeling omtrent de verdeling van hun beloning, dan ontvangt elk van hen een gelijke beloning, tenzij de kantonrechter anders bepaalt of zij tezamen anders overeenkomen. 3. Op grond van onvoorziene omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder, van de rechthebbende of iemand in wiens belang het bewind is ingesteld, voor bepaalde of voor onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de uiterste wil of de wet is aangegeven.

  1502. Artikel 160 1. De bewindvoerder moet zo spoedig mogelijk een beschrijving opmaken van de goederen waarop het bewind betrekking heeft. Is hij door de rechter benoemd, dan moet hij een afschrift van de beschrijving tegen ontvangstbewijs inleveren ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats van de rechthebbende. Tot het stellen van zekerheid is hij slechts verplicht, indien dit bij de instelling van het bewind is bepaald. 2. Tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald, moet de bewindvoerder het bewind en zijn benoeming doen inschrijven: a. in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, indien het bewind betrekking heeft op registergoederen; b. in het register van aandeelhouders, indien het bewind betrekking heeft op aandelen op naam in een naamloze vennootschap; c. in het handelsregister indien het bewind betrekking heeft op een onderneming of een aandeel van een volledig aansprakelijke vennoot in een openbare vennootschap. 2024 -584- No. 164

  1503. Artikel 161 1. De bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van zijn bewind rekening en verantwoording af aan de rechthebbende en aan degenen in wiens belang het bewind is ingesteld. Aan het einde van zijn bewind legt hij rekening en verantwoording mede af aan degene die hem in het beheer van de goederen opvolgt. Is de bewindvoerder benoemd door de rechter, dan legt hij ten overstaan van deze de rekening en verantwoording af. 2. Indien de rechthebbende of een belanghebbende niet in staat is tot het opnemen van de rekening, of het onzeker is wie de rechthebbende of belanghebbende is, wordt de rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd, tenzij de uiterste wil iets anders bepaalt. Goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de kantonrechter belet niet dat de rechthebbende of belanghebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is. 3. De kantonrechter kan de bewindvoerder, hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve, vrijstelling van de verplichting tot het afleggen van de periodieke rekening en verantwoording te zijnen overstaan verlenen; hij kan ook beschikken dat de bewindvoerder de rekening en verantwoording op deze wijze slechts eens in een bepaald aantal jaren zal afleggen. 4. Voor het overige vindt het bepaalde aangaande de voogdijrekening in de paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14 van Boek 1 overeenkomstige toepassing.

  1504. Artikel 162 1. Voor zover bij de instelling van het bewind niet anders is bepaald, wordt telkens bij het afleggen van de rekening en verantwoording hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de verschuldigde beloning, uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft. Op verzoek van deze kan de kantonrechter andere tijdstippen voor de uitkering vaststellen. 2. Zolang er onzekerheid bestaat wie de rechthebbende is of de rechthebbende niet tot ontvangst in staat is, blijft de netto-opbrengst onder het bewind van de bewindvoerder, tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders bepaalt. Artikel 163 De bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

  1505. Artikel 164 1. De hoedanigheid van bewindvoerder eindigt: a. bij het einde van het bewind; b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd; c. door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen; d. in de bij de uiterste wil bepaalde gevallen; e. door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent. 2. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, van de rechthebbende, van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld of van het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen. 2024 -585- No. 164

  1506. Artikel 165 1. De gewezen bewindvoerder draagt de goederen die hij wegens het bewind beheert af aan degene die na hem tot het beheer daarover bevoegd is. Hij mag de afdracht opschorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo. 2. De gewezen bewindvoerder blijft voorts al datgene doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende of de belanghebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer der goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. 3. Eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door diens faillissement of ondercuratelestelling dan rust de in lid 2 bedoelde verplichting op de curator, indien deze van het bewind kennis draagt; eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door de onderbewindstelling van een of meer van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in dat geval optredende bewindvoerder. Eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door diens dood, dan zijn de erfgenamen verplicht, indien zij van het bewind kennis dragen, de kantonrechter te verzoeken een andere bewindvoerder te benoemen. §3 De gevolgen van het bewind

  1507. Artikel 166 De rechthebbende is naast de bewindvoerder bevoegd tot handelingen dienende tot gewoon onderhoud van de goederen die hij in gebruik heeft en tot handelingen die geen uitstel kunnen lijden. Voor het overige komt het beheer uitsluitend toe aan de bewindvoerder.

  1508. Artikel 167 1. Indien het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende, is deze slechts met medewerking of toestemming van de bewindvoerder bevoegd tot andere handelingen dan die in artikel 166 bedoeld, welke een onder bewind staand goed rechtstreeks betreffen. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van een vruchtgebruiker met betrekking tot de goederen waarop onder bewind gesteld vruchtgebruik rust en die verder gaan dan het gebruik daarvan. 2. Indien het bewind is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang, is de rechthebbende slechts onder voorbehoud van het bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling als bedoeld in lid 1. 3. Indien het bewind zowel in het belang van de rechthebbende als van een of meer anderen of in een gemeenschappelijk belang is ingesteld, dan is de rechthebbende slechts met medewerking of toestemming van de bewindvoerder en onder voorbehoud van dat bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling als bedoeld in lid 1.

  1509. Artikel 168 1. Een rechtshandeling die ondanks zijn uit de artikelen 166 en 167 voortvloeiende onbevoegdheid is verricht door of gericht tot de rechthebbende is niettemin geldig, indien de wederpartij het bewind kende noch behoorde te kennen. Niettemin is geen veroordeling mogelijk tot nakoming van een uit de rechtshandeling voortvloeiende verbintenis tot vervreemding of bezwaring van een onder het bewind staand goed. 2. De uit het bewind voortvloeiende ongeldigheid van beschikking door de rechthebbende over een goed als bedoeld in artikel 88 van Boek 3, staat niet in de weg aan de geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde verkrijger te goeder trouw is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht op zulk een goed. 2024 -586- No. 164

  1510. Artikel 169 1. De bewindvoerder mag met toestemming van de rechthebbende: a. de in artikel 167 lid 1 bedoelde handelingen verrichten; b. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijk schuldenaar verbinden; c. een overeenkomst tot beëindiging van een geschil aangaan; hij behoeft deze toestemming niet in het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of indien het voorwerp van het geschil een door de President van het Hof van Justitie bepaalde waarde niet te boven gaat. 2. Is het bewind uitsluitend of mede in het belang van een ander dan de rechthebbende of in hun gemeenschappelijk belang ingesteld, dan is ook toestemming van die ander vereist. 3. Verleent iemand wiens toestemming is vereist deze niet, dan kan de kantonrechter haar desverzocht door zijn machtiging vervangen. De kantonrechter kan de machtiging verlenen onder zodanige voorwaarden als hij geraden acht.

  1511. Artikel 170 1. Behoren de goederen die onder het bewind staan of die met een onder het bewind staand beperkt recht zijn belast tot een gemeenschap, dan is de bewindvoerder bevoegd tot het vorderen van verdeling en is hij, met toestemming van de rechthebbende, bevoegd tot het aangaan van een overeenkomst tot uitsluiting van verdeling voor een bepaalde tijd. 2. De bewindvoerder is met toestemming van de rechthebbende bevoegd tot medewerking aan de verdeling. 3. Artikel 169 leden 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing.

  1512. Artikel 171 1. Bij de uiterste wil kunnen de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader worden geregeld; zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld dan uit de voorgaande bepalingen van deze afdeling voortvloeit. 2. De kantonrechter kan op verzoek van de bewindvoerder, de rechthebbende of een persoon in wiens belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld, de regels omtrent het voeren van het bewind wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. De kantonrechter kan het verzoek toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden.

  1513. Artikel 172 1. De bewindvoerder die, anders dan in de vorm van medewerking of toestemming, zijn taak uitoefent, is bevoegd daarbij de rechthebbende te vertegenwoordigen of in eigen naam te zijnen behoeve op te treden. 2. De bepalingen van titel 3 van Boek 3 zijn in geval van vertegenwoordiging van overeenkomstige toepassing op de rechten en verplichtingen van een wederpartij. Regels die de bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen, en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze met die regels of feiten niet bekend was of behoorde te zijn.

  1514. Artikel 173 De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende in gedingen ter zake van onder het bewind staande goederen. Hij kan zich, alvorens in rechte op te treden, te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende en degenen in wiens belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld. Wordt de machtiging niet verleend, dan kan de kantonrechter haar door zijn machtiging vervangen. 2024 -587- No. 164

  1515. Artikel 174 1. De rechthebbende is, onverminderd het bepaalde in artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht. 2. Voor zover de rechthebbende onder het bewind staande goederen aanwijst die voldoende verhaal bieden, kunnen zijn overige goederen niet worden uitgewonnen voor de in lid 1 bedoelde schulden.

  1516. Artikel 175 1. Tijdens het bewind kunnen de onder het bewind staande goederen ten laste van de rechthebbende slechts worden uitgewonnen voor: a. de schulden van de nalatenschap, voor zover die schulden ten laste van die goederen kunnen worden gebracht; b. de schulden die de goederen betreffen; c. de schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen die door de rechthebbende binnen de grenzen van zijn in de artikelen 166 en 167 bedoelde bevoegdheid zijn verricht; d. de schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen die ondanks onbevoegdheid van de rechthebbende krachtens artikel 168 lid 1 geldig zijn, tenzij de bewindvoerder goederen van de rechthebbende aanwijst die niet onder bewind staan en die geheel of gedeeltelijk verhaal bieden; e. de schulden waarvoor de rechthebbende overeenkomstig artikel 174 wegens gedragingen van de bewindvoerder aansprakelijk is. 2. De goederen kunnen voor de in lid 1 onder e bedoelde schulden ook worden uitgewonnen, nadat ze onder last van het bewind op een andere rechthebbende zijn overgegaan. 3. De goederen worden vrij van het bewind uitgewonnen, tenzij dit uitsluitend of mede in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang is ingesteld.

  1517. Artikel 176 Indien het bewind uitsluitend is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende, dan wel in een gemeenschappelijk belang, kunnen de onder bewind gestelde goederen ten laste van de rechthebbende ook voor andere schulden worden uitgewonnen, doch dan slechts onder de last van het bewind. §4 Einde van het bewind

  1518. Artikel 177 1. Het bewind eindigt door het verstrijken van de termijn waarvoor het werd ingesteld. 2. Het bewind eindigt door verwerping van de nalatenschap of het legaat waarbij de goederen zijn vermaakt, indien het door het bewind gediende belang daarmede vervalt. De beëindiging door verwerping heeft geen terugwerkende kracht.

  1519. Artikel 178 1. Het bewind eindigt door het overlijden van de rechthebbende indien het uitsluitend in diens belang was ingesteld. Is deze een rechtspersoon, dan eindigt het door diens ontbinding, en voorts door diens opzegging wanneer dertig jaar na het overlijden van de erflater zijn verlopen. 2024 -588- No. 164 2. De kantonrechter kan een zodanig bewind ook opheffen op verzoek van de bewindvoerder op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaar na het overlijden van de erflater kan het bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek van de rechthebbende. Bij afwijzing van een verzoek tot opheffing kan de kantonrechter desverzocht de regels omtrent het bewind, al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden, wijzigen.

  1520. Artikel 179 1. Voor zover het bewind is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende, eindigt het, wanneer dat belang vervalt, alsmede wanneer de rechthebbende en degene in wiens belang de instelling geschiedde, een gemeenschappelijk besluit tot opheffing schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen. Het besluit tot opheffing kan ook slechts een of meer der onder bewind gestelde goederen betreffen. 2. Is het bewind ingesteld in het belang van degene die is bevoordeeld bij een legaat onder opschortende tijdsbepaling of opschortende voorwaarde of bij een testamentaire last, dan kan het, wanneer dertig jaar na het overlijden van de erflater zijn verstreken, door opzegging worden beëindigd.

  1521. Artikel 180 1. Voor zover het bewind is ingesteld in het gemeenschappelijk belang van de rechthebbende en een of meer anderen, eindigt het wanneer dat belang vervalt. 2. Het bewind kan eveneens worden beëindigd door opzegging, wanneer vijf jaar na het overlijden van de erflater zijn verstreken.

  1522. Artikel 181 1. De in deze paragraaf bedoelde opzegging kan slechts geschieden door de rechthebbende, en wel schriftelijk met inachtneming van een termijn van een maand. 2. De opzegging moet worden gericht tot de bewindvoerder en tot de belanghebbenden zo die er zijn. Titel 6 Gevolgen van de erfopvolging Afdeling 1 Algemene bepalingen

  1523. Artikel 182 1. Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De eerste volzin geldt niet wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 13 wordt verdeeld; in dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater. 2. De erfgenamen worden van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verbonden. 2024 -589- No. 164

  1524. Artikel 183 Een erfgenaam kan de goederen van de nalatenschap met inbegrip van die welke de erflater op het tijdstip van zijn overlijden voor derden hield, opvorderen van iedere derde die deze goederen zonder recht houdt. Is de nalatenschap verdeeld overeenkomstig artikel 13, dan komt de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid uitsluitend toe aan de echtgenoot van de erflater.

  1525. Artikel 184 1. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen. 2. Een erfgenaam is niet verplicht een op hem rustende schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij: a. zuiver aanvaardt, behalve voor zover de schuld niet op hem rust of hij deze geheel of gedeeltelijk niet hoeft te voldoen ingevolge artikel 194a lid 2 en onverminderd artikel 14 lid 3; b. de voldoening van de schuld verhindert en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt; c. opzettelijk goederen der nalatenschap zoek maakt, verbergt of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers der nalatenschap onttrekt; of d. vereffenaar is, in de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet, en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. 3. In ieder geval kunnen, wanneer uit de nalatenschap een uitkering heeft plaatsgevonden aan een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, de schuldeisers van de nalatenschap zich op het vermogen van die erfgenaam verhalen tot de waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap heeft verkregen. Artikel 223 lid 1 vindt daarbij overeenkomstige toepassing. 4. Degene die ingevolge lid 2 onder b of c met zijn gehele vermogen aansprakelijk is geworden, blijft dit ook na verwerping van de nalatenschap. 5. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting van een erfgenaam tot nakoming van een last die bestaat uit een uitgave van geld of van een goed dat niet tot de nalatenschap behoort.

  1526. Artikel 185 1. Gedurende zes maanden na het overlijden van de erflater kan op goederen van een nalatenschap die niet door alle erfgenamen zuiver is aanvaard, geen verhaal worden genomen, tenzij de schuldeiser hiertoe ook in geval van faillissement van de erflater had kunnen overgaan. 2. Gedurende die tijd kan de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende de maatregelen voorschrijven die hij in diens belang nodig acht. 3. De termijn kan voor de afloop daarvan door de kantonrechter ten aanzien van bepaalde schuldeisers een of meer malen op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. De verlenging wordt in het boedelregister ingeschreven.

  1527. Artikel 186 1. De griffiers van de kantongerechten houden een openbaar boedelregister, waarin krachtens wettelijk voorschrift feiten worden ingeschreven, die voor de rechtstoestand van opengevallen nalatenschappen van belang zijn. 2. Een notaris die is betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap, doet zich in het boedelregister inschrijven. 3. De wijze van inrichting en raadpleging van het boedelregister worden bij staatsbesluit geregeld. 2024 -590- No. 164 4. Bij staatsbesluit kan worden bepaald dat de openbare boedelregisters, bedoeld in lid 1, in afwijking van lid 1 door een ander of door anderen dan de griffiers van de kantongerechten worden gehouden. Bij staatsbesluit kan eveneens worden bepaald dat de verstrekking van gegevens ter inschrijving in het openbaar boedelregister door degenen die daartoe bevoegd of die daartoe gehouden zijn, uitsluitend op een in dat staatsbesluit aan te geven wijze plaats vindt.

  1528. Artikel 187 1. Degene die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, geldt te dezen aanzien als te goeder trouw. 2. Een schuldenaar die, afgaande op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald. 3. Het in de leden 1 en 2 bepaalde lijdt uitzondering, indien van degene die op de verklaring is afgegaan, op grond van bijzondere omstandigheden een nader onderzoek kon worden gevergd, dat hem de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen blijken.

  1529. Artikel 188 1. Een verklaring van erfrecht is een notariële akte waarin een notaris een of meer van de volgende feiten vermeldt: a. dat een of meer in de verklaring genoemde personen, al dan niet voor bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij de nalatenschap reeds hebben aanvaard; b. dat al dan niet aan de echtgenoot van de erflater het vruchtgebruik van een of meer tot de nalatenschap behorende goederen krachtens afdeling 2 van titel 3 toekomt, met vermelding of aan hem een machtiging tot vervreemden of bezwaren of een bevoegdheid tot vervreemding en vertering is verleend, alsmede of en tot welk tijdstip de echtgenoot een beroep toekomt op artikel 29 leden 1 en 3; c. dat de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, met vermelding of en tot welk moment de echtgenoot de bevoegdheid toekomt als bedoeld in artikel 18 lid 1; d. dat al dan niet het beheer van de nalatenschap aan executeurs, bewindvoerders of krachtens afdeling 3 van deze titel benoemde vereffenaars is opgedragen, met vermelding van hun bevoegdheden; of e. dat een of meer in de verklaring genoemde personen executeur, bewindvoerder of vereffenaar zijn; f. dat aan de notaris is bekendgemaakt dat een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is ingediend. 2. Bij staatsbesluit kunnen nadere voorschriften omtrent de inhoud en de opstelling van deze verklaringen worden vastgesteld.

  1530. Artikel 189 Indien en voor zover een erflater geen erfgenamen heeft, worden de goederen der nalatenschap op het ogenblik van zijn overlijden door de Staat onder algemene titel verkregen. Afdeling 2 Aanvaarding en verwerping van nalatenschappen en van legaten

  1531. Artikel 190 1. Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving. 2024 -591- No. 164 2. De erflater kan de erfgenamen in hun keuze niet beperken. Evenmin kan een erfgenaam dienaangaande vóór het openvallen der nalatenschap een beslissing nemen. 3. De keuze kan alleen onvoorwaardelijk en zonder tijdsbepaling geschieden. Zij kan niet een deel van het erfdeel betreffen. Hetgeen aan een erfgenaam die reeds aanvaard heeft, opkomt door de vervulling van een door de erflater aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde kan evenwel nog afzonderlijk aanvaard of verworpen worden. 4. Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen der nalatenschap. Een aanvaarding of verwerping kan niet op grond van dwaling, noch op grond van benadeling van een of meer schuldeisers worden vernietigd.

  1532. Artikel 191 1. De in artikel 190 bedoelde keuze wordt gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van het kantongerecht van het sterfhuis. De verklaring wordt in het boedelregister ingeschreven. 2. Zolang de nalatenschap niet door alle erfgenamen is aanvaard, kan de kantonrechter de maatregelen voorschrijven die hij tot behoud van de goederen nodig acht.

  1533. Artikel 192 1. Een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat hij goederen van de nalatenschap verkoopt, bezwaart of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan. 2. Indien een erfgenaam zijn keuze nog niet heeft gedaan, kan de kantonrechter hem daarvoor op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen, die ingaat op de dag nadat de belanghebbende deze beschikking aan de erfgenaam heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister. De kantonrechter kan op verzoek van de erfgenaam de termijn voor de afloop daarvan een of meer malen verlengen; de verlenging wordt in het boedelregister ingeschreven. 3. Laat de erfgenaam de termijn verlopen zonder inmiddels een keuze te hebben gedaan, dan wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden. 4. Een erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, wordt geacht beneficiair te aanvaarden, wanneer een of meer zijner mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt binnen zes maanden nadat hij van die beneficiaire aanvaarding kennis heeft gekregen of, indien voor hem op het tijdstip van die beneficiaire aanvaarding een overeenkomstig lid 2 gestelde of verlengde termijn liep, binnen die termijn. De zuivere aanvaarding kan slechts geschieden op de wijze als bepaald in lid 1 van artikel 191.

  1534. Artikel 193 1. Een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam kan voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Deze termijn kan overeenkomstig artikel 192 lid 2, tweede volzin, worden verlengd. 2. Heeft hij de termijn laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard. De kantonrechter kan hiervan aantekening doen houden in het boedelregister. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing in het geval, bedoeld in artikel 37 van de Faillissementswet. 2024 -592- No. 164

  1535. Artikel 194 1. Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil, volgens welke de legaten en lasten die hij moet voldoen, tot een geringer bedrag uit zijn erfdeel kunnen worden bestreden dan zonder die uiterste wil het geval zou zijn geweest, wordt, indien hij binnen zes maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden. Nochtans komen de schulden der nalatenschap met uitzondering van de hem tevoren niet bekende legaten, alsmede de hem tevoren reeds bekende lasten, ten laste van zijn gehele vermogen voor zover hij deze ook zonder die uiterste wil niet uit zijn erfdeel had kunnen bestrijden. 2. Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil, volgens welke zijn erfdeel groter is dan het zonder die uiterste wil zou zijn geweest, of met een na zijn aanvaarding voorgevallen gebeurtenis waardoor zijn erfdeel is vergroot, wordt, indien hij binnen zes maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd alsnog beneficiair te aanvaarden. Nochtans moet hij de schulden der nalatenschap en de lasten met zijn gehele vermogen voldoen, voor zover dat ook zonder die uiterste wil of zonder die gebeurtenis het geval zou zijn geweest.

  1536. Artikel 194a 1. Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden. 2. Wanneer een erfgenaam na vereffening of verdeling van de nalatenschap bekend wordt met een schuld, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, kan hij de kantonrechter, binnen de in lid 1 genoemde termijn, verzoeken om te worden ontheven van zijn verplichting de schuld uit zijn vermogen te voldoen voor zover deze niet uit zijn erfdeel, vermeerderd met het bedrag dat aan hem is gelegateerd, kan worden voldaan. De kantonrechter verleent deze ontheffing, tenzij de erfgenaam zich zodanig heeft gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de erfgenaam deze schuld uit zijn overige vermogen voldoet.

  1537. Artikel 195 1. Is een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair aanvaard en moet zij uit dien hoofde overeenkomstig afdeling 3 worden vereffend, dan zijn alle erfgenamen vereffenaar. 2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling en afdeling 3 inzake vereffening wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam aangemerkt, tenzij uit de strekking van de bepalingen anders voortvloeit.

  1538. Artikel 196 De kantonrechter kan, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve, de erfgenamen gelasten de beneficiaire aanvaarding bekend te maken in het nieuwsblad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer door hem aangewezen nieuwsbladen.

  1539. Artikel 197 1. Een notaris die op verzoek van een erfgenaam als boedelnotaris voor de beneficiair aanvaarde nalatenschap optreedt, doet zich als zodanig inschrijven in het boedelregister en geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de overige erfgenamen. 2024 -593- No. 164 2. Op een verzoek, uiterlijk twee maanden na die kennisgeving gedaan door de meerderheid van de erfgenamen of door een of meer erfgenamen die samen voor meer dan de helft gerechtigd zijn in de nalatenschap, kan de kantonrechter een andere notaris, die daartoe bereid is, als boedelnotaris aanwijzen. Deze doet de vervanging inschrijven en brengt haar zo spoedig mogelijk ter kennis van de eerst aangewezene en de erfgenamen. 3. In geval van bekendmaking van de beneficiaire aanvaarding overeenkomstig artikel 196, wordt de aanwijzing van een boedelnotaris op dezelfde wijze, onder vermelding van zijn naam en adres, bekendgemaakt.

  1540. Artikel 198 Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uit, doch kunnen daden van gewoon onderhoud en tot behoud van de goederen, en in het algemeen daden die geen uitstel kunnen lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig worden verricht.

  1541. Artikel 199 1. Op verzoek van een belanghebbende of van de boedelnotaris kan de kantonrechter een of meer erfgenamen van een nalatenschap die beneficiair aanvaard is, gelasten zekerheid te stellen voor hun beheer en de nakoming van hun overige verplichtingen. De kantonrechter stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast. 2. Wanneer het een erfgenaam blijkt dat de schulden der beneficiair aanvaarde nalatenschap de baten overtreffen, doet hij hiervan ten spoedigste mededeling aan de kantonrechter.

  1542. Artikel 200 1. Met betrekking tot een erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, geldt tot het einde van de vereffening het in de leden 2 en 3 bepaalde, tenzij hij voor de op hem rustende schulden der nalatenschap met zijn gehele vermogen aansprakelijk is. 2. Vorderingen van de erflater op de erfgenaam en beperkte rechten van de erflater op een goed van de erfgenaam, alsmede vorderingen van de erfgenaam op de erflater en beperkte rechten van de erfgenaam op een goed van de erflater gaan niet door vermenging teniet. 3. Heeft de erfgenaam een schuld der nalatenschap uit zijn overig vermogen voldaan, dan treedt hij op als schuldeiser van de nalatenschap voor het bedrag van die schuld in de rang die zij had. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een last die verplicht tot een uitgave in geld ten laste van de nalatenschap welke de erfgenaam uit zijn overige vermogen heeft gedaan.

  1543. Artikel 201 1. Een legaat wordt verkregen zonder dat een aanvaarding nodig is, behoudens de bevoegdheid van de legataris om het legaat te verwerpen zolang hij het niet aanvaard heeft. 2. De kantonrechter kan op verzoek van een belanghebbende aan de legataris een termijn stellen, waarbinnen deze moet verklaren of hij al dan niet verwerpt; bij gebreke van een verklaring binnen de gestelde termijn verliest de legataris de bevoegdheid om te verwerpen. 3. De verwerping van een legaat moet op ondubbelzinnige wijze geschieden, maar is aan geen vorm gebonden. 2024 -594- No. 164 Afdeling 3 Vereffening van de nalatenschap

  1544. Artikel 202 1. Een nalatenschap wordt, behoudens artikel 221, overeenkomstig de in deze afdeling gegeven voorschriften vereffend: a. wanneer zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen; geschillen dienaangaande worden door de kantonrechter beslist; b. wanneer de kantonrechter een vereffenaar heeft benoemd. 2. Indien het saldo van de nalatenschap positief is kan de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor deze beneficiair heeft aanvaard de kantonrechter verzoeken om ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet. 3. Een nalatenschap die overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, wordt in afwijking van lid 1 onder a slechts vereffend volgens de wet wanneer de echtgenoot van de erflater haar beneficiair heeft aanvaard.

  1545. Artikel 203 1. Na een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving kan de kantonrechter een vereffenaar benoemen: a. op verzoek van een erfgenaam; b. op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer degene die met het beheer der nalatenschap belast is in ernstige mate in de vervulling van zijn verplichtingen tekortschiet, daartoe ongeschikt is of niet voldoet aan een last tot zekerheidstelling, wanneer de schulden der nalatenschap de baten blijken te overtreffen, of wanneer tot een verdeling van de nalatenschap wordt overgegaan voordat deze vereffend is. 2. De door de rechter benoemde persoon treedt als vereffenaar in de plaats van de erfgenamen.

  1546. Artikel 204 1. Is een nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard, dan kan de kantonrechter een vereffenaar benoemen: a. op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer er geen erfgenamen zijn, wanneer het niet bekend is of er erfgenamen zijn, of wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten; b. op verzoek van een schuldeiser van de nalatenschap, wanneer tot een verdeling van de nalatenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn voldaan, of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de nalatenschap niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd en afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de nalatenschap gaat verhalen; c. op verzoek van een of meer andere schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden geschaad. 2. Indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, is lid 1 onder b en c van overeenkomstige toepassing op het geheel van de goederen die hebben behoord tot de huwelijksgemeenschap van de erflater en zijn echtgenoot, de in die gemeenschap gevallen of daarop verhaalbare schulden, alsmede hetgeen daarvoor in de plaats is getreden. 2024 -595- No. 164

  1547. Artikel 205 Wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, kan de kantonrechter op zijn verzoek bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden vereffend, en kan de rechter zo nodig een vereffenaar benoemen.

  1548. Artikel 206 1. De kantonrechter beslist niet op het verzoek tot benoeming van een vereffenaar dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de verzoeker, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, van de erfgenamen, de boedelnotaris en de executeur. 2. De rechter kan als vereffenaar onder de nodige door hem te bepalen waarborgen een erfgenaam, een executeur of een andere persoon aanwijzen. Worden twee of meer vereffenaars benoemd, dan kan, tenzij bij de benoeming of later door de rechter anders wordt bepaald, ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten. 3. Een door de rechter benoemde vereffenaar heeft recht op het loon dat door de rechter vóór het opmaken van de uitdelingslijst wordt vastgesteld. 4. Hij wordt vereffenaar op de dag, waarop de beslissing die de benoeming inhoudt in kracht van gewijsde is gegaan, of, zo deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de griffier hem van zijn benoeming mededeling heeft gedaan. 5. Hij kan worden ontslagen hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks op verzoek van een medevereffenaar, een erfgenaam, een schuldeiser van de nalatenschap of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de rechter voorlopige voorzieningen treffen en de vereffenaar schorsen. De taak van de vereffenaar eindigt door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of indien een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn goederen wordt ingesteld. De rechter benoemt een of meer vereffenaars waar deze ontbreken voordat de vereffening is geëindigd; hij kan een opengevallen plaats doen bezetten. 6. De griffier doet de benoeming van een vereffenaar, alsmede het eindigen van zijn hoedanigheid onverwijld in het boedelregister inschrijven. De vereffenaar maakt haar bekend in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer bij de benoeming voorgeschreven nieuwsbladen. Artikel 207 Degene die als vereffenaar door een ander is opgevolgd, is verplicht aan zijn opvolger rekening en verantwoording af te leggen op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.

  1549. Artikel 209 1. Indien de geringe waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft, kan de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende hetzij de kosteloze vereffening van de nalatenschap, hetzij de opheffing van de vereffening bevelen. Op een verzoek tot opheffing wordt de verzoeker gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, de erfgenamen, de vereffenaar en de boedelnotaris. 2. Bij het bevel tot opheffing van de vereffening stelt de kantonrechter tevens het bedrag der reeds gemaakte vereffeningskosten vast, en brengt dat ten laste van de boedel of, wanneer de boedel daartoe onvoldoende is, ten laste van de erfgenamen, voor zover deze met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn. 3. Na de opheffing is artikel 226 van overeenkomstige toepassing. 2024 -596- No. 164 4. De opheffing wordt op dezelfde wijze als de benoeming van een vereffenaar ingeschreven en bekendgemaakt. 5. Indien na de opheffing van een vereffening de benoeming van een vereffenaar wordt verzocht, is de verzoeker verplicht aan te tonen dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden.

  1550. Artikel 210 1. Vereffenaars geven aan de kantonrechter alle door deze gewenste inlichtingen en zijn verplicht diens aanwijzingen bij vereffening te volgen. 2. De rechter is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, de vereffening betreffende, getuigen en deskundigen te horen op dezelfde wijze als voor een rechter-commissaris in geval van faillissement is bepaald.

  1551. Artikel 211 1. Een vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen. Voor de vereffening wordt een last die tot een uitgave van geld of van een goed uit de nalatenschap verplicht, gelijkgesteld met een legaat. 2. Hij vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. Zij zijn niet bevoegd zonder zijn medewerking of machtiging van de kantonrechter over de goederen der nalatenschap of hun aandeel daarin te beschikken. 3. Hij moet met bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving opmaken of doen opmaken, waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van een voorlopige staat zijn opgenomen. Hij moet deze ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van het kantongerecht neerleggen, ter inzage van de erfgenamen en de schuldeisers der nalatenschap; andere schuldeisers van een erfgenaam, ook indien deze de nalatenschap verworpen heeft, kunnen tot inzage gemachtigd worden door de kantonrechter. 4. De kantonrechter kan in geval van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving de erfgenamen ontheffen van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te leggen. 5. Een door de rechter benoemde vereffenaar kan een boedelnotaris aanwijzen, indien dit nog niet is geschied. De notaris die deze opdracht heeft aanvaard, geeft daarvan kennis aan de erfgenamen en doet zich inschrijven in het boedelregister.

  1552. Artikel 212 Wanneer de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam of een door de rechter benoemde vereffenaar aan schuldeisers der nalatenschap schade heeft toegebracht, doordat hij opzettelijk goederen der nalatenschap aan het verhaal van de schuldeisers heeft onttrokken, kunnen zij van hem de voldoening van hun vordering eisen, voor zover hij niet bewijst dat hun schade op een lager bedrag moet worden gesteld.

  1553. Artikel 213 Is de erflater gehuwd geweest in een gemeenschap van goederen, dan kan de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar van de nalatenschap een vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap benoemen, in welk geval zij met overeenkomstige toepassing van het in deze afdeling bepaalde wordt vereffend. De eerste volzin is niet van toepassing indien de huwelijksgemeenschap reeds voor het overlijden van de erflater was verdeeld. 2024 -597- No. 164

  1554. Artikel 214 1. Een vereffenaar roept de schuldeisers der nalatenschap, zo dit nog niet is geschied, openlijk op om hun vorderingen vóór een door de kantonrechter bepaalde datum bij de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij hemzelf in te dienen. De oproeping geschiedt op dezelfde wijze als de bekendmaking van de beneficiaire aanvaarding of de benoeming van de vereffenaar en zoveel mogelijk tegelijkertijd. 2. De vereffenaar moet bovendien de hem bekende schuldeisers der nalatenschap per brief oproepen. Is hem het adres van een schuldeiser der nalatenschap onbekend gebleven, dan deelt hij dit mede aan de kantonrechter. 3. Aanmelding van een vordering stuit de verjaring. 4. De vereffenaar geeft, indien hij zich met een ingediende vordering of een ingeroepen voorrang niet kan verenigen, daarvan onverwijld onder opgave van redenen kennis aan degene die de vordering heeft ingediend. 5. Zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de bij de oproep der schuldeisers gestelde termijn legt de vereffenaar een lijst van de door hem erkende en betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van het kantongerecht neer, ter inzage van de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld. Hij geeft ieder van hen van deze neerlegging kennis.

  1555. Artikel 215 1. De vereffenaar maakt de goederen der nalatenschap te gelde, voor zover dit voor de voldoening van de schulden der nalatenschap nodig is. Goederen die een schuldeiser der nalatenschap te vorderen heeft, worden zoveel mogelijk in de laatste plaats te gelde gemaakt. 2. Omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking treedt de vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen. Bestaat tegen de voorgenomen tegeldemaking van een goed bezwaar bij een erfgenaam of een schuldeiser die het goed te vorderen heeft dan stelt de vereffenaar hem in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen. 3. Het in lid 2 ten aanzien van de erfgenamen bepaalde geldt mede ten aanzien van hen aan wie het vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel daarin is vermaakt. 4. Artikel 68 van Boek 3 is op de vereffenaar van overeenkomstige toepassing. 5. Met betrekking tot door de erflater gesloten sommenverzekeringen zonder onherroepelijk geworden aanwijzing van een derde als begunstigde, is artikel 18a van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing, waarbij dient te worden gelezen voor: a. de curator: de vereffenaar; b. de rechter-commissaris: de kantonrechter; c. de verzekeringnemer: de erfgenamen dan wel, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig titel 3, afdeling 1, de echtgenoot van de erflater.

  1556. Artikel 216 Een door de rechter benoemde vereffenaar kan hetgeen uit de nalatenschap aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terugvorderen, voor zover dit nodig is om schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f te voldoen. Artikel 122 lid 1 is van overeenkomstige toepassing.

  1557. Artikel 217 1. Indien iemand zowel schuldenaar als schuldeiser van de nalatenschap is, zijn de bepalingen van de Faillissementswet omtrent de bevoegdheid tot verrekening van overeenkomstige toepassing. 2024 -598- No. 164 2. Indien iemand met de erflater deelgenoot was in een gemeenschap die tijdens de vereffening wordt verdeeld, is artikel 52 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

  1558. Artikel 218 1. Een vereffenaar is verplicht binnen zes maanden nadat de voor het indienen van vorderingen gestelde tijd is verstreken, een rekening en verantwoording benevens een uitdelingslijst ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter griffie van het kantongerecht ter kennisneming van eenieder neer te leggen. De kantonrechter kan deze termijn verlengen. 2. De vereffenaar maakt de neerlegging op dezelfde wijze openlijk bekend als de oproep tot aanmelding van vorderingen en bovendien per brief aan de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld. 3. Binnen zes weken na deze openlijke bekendmaking kan iedere belanghebbende tegen de rekening en verantwoording of tegen de uitdelingslijst bij de kantonrechter in verzet komen. 4. Verbintenissen die tot levering van een goed der nalatenschap of tot vestiging van een beperkt recht op een zodanig goed verplichten, worden in een geldschuld omgezet, voor zover een tekort dit nodig maakt. Andere verbintenissen die niet in geld luiden, en verbintenissen onder een opschortende voorwaarde worden in de uitdelingslijst slechts op verzoek van de schuldeiser opgenomen; in dat geval worden zij omgezet in een geldschuld. 5. Voor het overige vinden bij de berekening van ieders vordering, het opmaken van de uitdelingslijst en het verzet daartegen de dienaangaande in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

  1559. Artikel 219 Wanneer de rechter heeft bepaald dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van iemand die haar verworpen heeft, wordt vereffend, kunnen ook deze schuldeisers hun vorderingen indienen. Zij worden in de uitdelingslijst opgenomen, doch slechts batig gerangschikt voor zover een overschot aan hun schuldenaar zou zijn toegekomen, indien deze niet verworpen had; te dien einde kan de vereffenaar voor zoveel nodig verdeling van de nalatenschap vorderen en aan de verdeling deelnemen.

  1560. Artikel 220 1. Na het verbindend worden van een uitdelingslijst is de vereffenaar verplicht eenieder het hem volgens de uitdelingslijst toekomende uit te keren. Geldsbedragen waarover niet binnen zes maanden is beschikt of die gereserveerd zijn, geeft een door de rechter benoemde vereffenaar in bewaring ter plaatse tot het ontvangen van gerechtelijke consignaties aangewezen. 2. Schuldeisers van de nalatenschap die pas na het verbindend worden van een uitdelingslijst opkomen, hebben, onverminderd hun verhaal op de goederen van erfgenamen die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, alleen recht van verhaal op de alsdan nog onverkochte goederen en op het saldo der nalatenschap. Zij worden daaruit voldaan naar gelang zij zich aanmelden. 3. Bovendien hebben schuldeisers als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met f die niet voldaan zijn, nog een recht van verhaal tegen legatarissen, voor zover deze een uitkering hebben ontvangen en niet voldoende goederen voor verhaal als bedoeld in lid 2 aanwijzen. Het recht van verhaal tegen een legataris vervalt drie jaar na het verbindend worden van de uitdelingslijst, volgens welke de uitkering aan hem is geschied. 2024 -599- No. 164

  1561. Artikel 221 1. De in artikel 214 leden 1 en 5 en artikel 218 omschreven verplichtingen rusten op de erfgenamen die uit hoofde van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving vereffenaar zijn, slechts indien de kantonrechter dit bepaalt. 2. Een door de rechter benoemde vereffenaar behoeft een rekening en verantwoording en een uitdelingslijst niet neer te leggen, wanneer alle hem voor de afloop van de in artikel 218 lid 1 bedoelde termijn bekend geworden schulden ten volle worden voldaan, of wanneer de kantonrechter hem van deze neerlegging vrijstelt. Deze vrijstelling wordt niet verleend, wanneer een schuldeiser daartegen bezwaar maakt. 3. Wordt de rekening en verantwoording niet neergelegd, dan geschiedt zij aan hen die een recht op het overschot hebben, op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald. Artikel 222 Gedurende de vereffening zijn van titel 7 van Boek 3 slechts van toepassing de artikelen 166, 167 en 169, artikel 170 lid 1 en artikel 194 lid 2.

  1562. Artikel 223 1. Gedurende de vereffening is een schuldeiser alleen bevoegd zijn vordering op goederen der nalatenschap ten uitvoer te leggen, indien deze bevoegdheid hem ook in geval van faillissement van de erflater zou zijn toegekomen. De artikelen 53 tot en met 56 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Ook tijdens de vereffening kan een schuldeiser van de nalatenschap zijn vorderingsrecht, of de voorrang die zijn vordering toekomt, bij vonnis doen vaststellen. Een vonnis waarbij een vordering tegen een vereffenaar is vastgesteld, kan op de persoonlijke goederen van een erfgenaam die met zijn gehele vermogen aansprakelijk is, alleen worden ten uitvoer gelegd, indien deze in het geding partij is geweest. 3. Op verzoek van een vereffenaar kunnen reeds gelegde beslagen, voor zover dat voor de vereffening nodig is, door de kantonrechter worden opgeheven. Artikel 224 Eerst nadat de bekende schuldeisers van de vereffende nalatenschap volledig zijn voldaan, hebben de overige schuldeisers van een erfgenaam recht van verhaal op de goederen der nalatenschap.

  1563. Artikel 225 1. Wanneer niet alle erfgenamen bekend zijn of daaromtrent onzekerheid bestaat, is een vereffenaar verplicht door oproepingen in veel gelezen dagbladen of door andere doelmatige middelen de erfgenamen op te sporen. 2. Is een vereffenaar benoemd omdat de nalatenschap geheel of ten dele onbeheerd werd gelaten, dan neemt de vereffening een einde, zodra alle erfgenamen het beheer hebben aanvaard en de reeds gemaakte kosten van vereffening hebben voldaan. 2024 -600- No. 164

  1564. Artikel 226 1. Is de vereffening voltooid en met een overschot geëindigd, dan geeft een door de rechter benoemde vereffenaar de overgebleven goederen af aan de erfgenamen dan wel, indien de nalatenschap ingevolge artikel 13 is verdeeld, aan de echtgenoot van de erflater. Zijn er geen erfgenamen, is het niet bekend of er erfgenamen zijn, of zijn de erfgenamen niet bereid de goederen in ontvangst te nemen, dan geeft hij deze aan de Staat af. 2. Zijn de erfgenamen die zich tot de inontvangstneming bereid tonen, slechts tot een deel van de nalatenschap gerechtigd, dan draagt de vereffenaar zorg dat de nalatenschap eerst wordt verdeeld. Daarna geeft hij hetgeen is toegedeeld aan erfgenamen die onbekend zijn of hebben nagelaten tot de verdeling mede te werken, aan de Staat af. 3. De Staat is bevoegd de hem afgegeven goederen te verkopen; registergoederen mag hij slechts in het openbaar verkopen, tenzij de kantonrechter hem tot onderhandse verkoop machtigt. 4. Is een goed van de nalatenschap of hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen binnen twintig jaar nadat de nalatenschap is opengevallen door niemand opgeëist, dan vervalt het aan de Staat. Afdeling 4 Verdeling van de nalatenschap Artikel 227 Onverminderd de voorschriften die voor de verdeling van iedere gemeenschap gelden, zijn op de verdeling van een nalatenschap de volgende bepalingen van toepassing.

  1565. Artikel 228 1. Tot de schulden van een erfgenaam, die bij de verdeling op verlangen van een of meer der overige erfgenamen op zijn aandeel worden toegerekend, behoort hetgeen hij aan de erflater schuldig is gebleven. 2. Ook schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder f tot en met g van een erfgenaam aan een mede- erfgenaam worden, voor zover zij bij de verdeling opeisbaar zijn, op verlangen en ten behoeve van de mede-erfgenaam toegerekend op het aandeel van de schuldenaar.

  1566. Artikel 229 1. Erfgenamen zijn verplicht ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de aan hen door de erflater gedane giften in te brengen, voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven. 2. Een bij de gift opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking worden ongedaan gemaakt.

  1567. Artikel 230 Erfgenamen die bij plaatsvervulling opkomen, moeten behalve de door henzelf ontvangen giften, ieder naar de mate van zijn erfdeel de giften inbrengen, die hij wiens plaats zij innemen, had moeten inbrengen, was hij erfgenaam geweest. 2024 -601- No. 164

  1568. Artikel 231 Ook als de begiftigde in een gemeenschap van goederen is gehuwd of in zijn huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding is opgenomen, komt de gehele gift voor inbreng in aanmerking, tenzij de erflater het tegendeel heeft bepaald.

  1569. Artikel 232 1. De aansprakelijkheid van de erfgenamen jegens de schuldeisers van de nalatenschap wordt door een verplichting tot inbreng niet gewijzigd. 2. Bij overgang van het erfdeel van een erfgenaam gaat zijn recht op of verplichting tot inbreng mede over.

  1570. Artikel 233 1. Verplichting tot inbreng betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap de waarde van de gift in mindering komt van het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam in het hem en de erfgenamen, te wiens behoeve de inbreng verplicht is, uit de nalatenschap toekomende gedeelte, vermeerderd met de onderling in te brengen bedragen. De waarde van de giften wordt berekend op de wijze als uit artikel 34c voortvloeit; deze waarde wordt verhoogd met een rente van zes procent per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen. Artikel 34d is van overeenkomstige toepassing. Met een gift wordt gelijkgesteld hetgeen een erfgenaam verkrijgt of kan verkrijgen uit een door de erflater ter nakoming van een natuurlijke verbintenis gesloten sommenverzekering die geen pensioenverzekering is en die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt. 2. Inbreng is niet verplicht voor zover de waarde van de gift groter is dan het aandeel van de erfgenaam. 2024 -602- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 4 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 4 – Erfrecht ALGEMEEN 1. Inleiding. Boek 4 BW, regelend de overgang van het vermogen na het overlijden van de rechthebbende, vormt samen met Boek 3 BW het algemeen deel van het vermogensrecht en volgt daarom onmiddellijk op dat boek. Het sluit ook nauw aan bij Boek 3 in die zin dat verschillende onderwerpen die in het oude Burgerlijk Wetboek in het erfrecht werden geregeld, thans een algemene regeling in Boek 3 hebben gevonden met een op het erfrecht toegespitste uitwerking in Boek 4; men zie met name titel 7 van Boek 3 ter zake van de gemeenschap, inclusief de verdeling daarvan. 2. Het onderhavige ontwerp is in beginsel ontleend aan het Boek 4 in de BW’s van Aruba, Curaçao en Sint- Maarten en daarmee grotendeels (maar met belangrijke afwijkingen, vooral wat betreft de wettelijke verdeling) aan het Nederlandse Boek 4. De Nederlandse wetsgeschiedenis – ruim 50 jaar omvattend – is gepubliceerd in Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Vaststellingswet Boek 4 Erfrecht, 2002 en idem, Invoeringswet Boek 4 Erfrecht, 2003, beide delen verzorgd door Gr. van der Burght e.a. (totaal 2322 bladzijden gedrukte tekst beslaande). 3. Legitieme portie. Wat betreft de afwijkingen van het Nederlandse Boek 4, is in de eerste plaats vermeldenswaard dat de legitieme portie in het ontwerp verdwenen is. Voor handhaving bestaat onvoldoende rechtvaardiging. Voor zover minderjarige en jongmeerderjarige kinderen aan verzorging behoefte hebben, kan daaraan tegemoet gekomen worden door een som ineens (artikel 35). Ook meerderjarige kinderen die soms jarenlang in de huishouding of ten behoeve van het beroep of bedrijf van een ouder hebben gewerkt zonder passende beloning, komt dwingendrechtelijk een recht op een som ineens toe (artikel 36). Verder wordt de verzorgingspositie van de langstlevende echtgenoot sterk verbeterd; zie hierna. Anders dan in Nederland is een beroep op misbruik van omstandigheden ter aantasting van een testament wel toegelaten indien het testament is gemaakt ten voordele van een ‘buitenstaander’ (artikel 43 lid 1; vergelijk ook de artikelen 57 tot en met 61). 4. De legitieme portie is een ernstige inbreuk op de beschikkingsvrijheid van de mens, de vrijheid om over zijn vermogen bij testament of bij leven door middel van giften te beschikken (zie artikel 34 van de Grondwet), zonder dat kan worden gezegd dat de omstandigheid dat deze de rust binnen de familie bevordert een voldoende rechtvaardiging voor de inbreuk oplevert. In dit verband kan onder meer gedacht worden aan de wens van een ouder om een verslaafd kind of een kind dat zich jarenlang niet meer heeft vertoond aan zijn ouder (gedeeltelijk) te onterven dan wel de nalatenschap van het kind onder bewind te stellen. Omgekeerd behoort de wet niet in de weg te staan aan de wens van een ouder om een kind dat jarenlang de verzorging van de ouder op zich heeft genomen of dat de onderneming van de ouder wil voortzetten of dat het financieel moeilijker heeft dan zijn broers of zusters of dat een handicap heeft extra erfrechtelijk te bevoordelen. Voorts staat zonder legitieme niets in de weg aan een testamentaire gelijkstelling door de erflater van zijn pleeg- of stiefkinderen met zijn eigen kinderen. 5. Men ziet in de praktijk wel dat kinderen menen zich niets van hun ouders te hoeven aan te trekken omdat zij toch een recht op een legitieme portie hebben. Ook ziet men dat als kinderen menen dat aan hun legitieme portie te kort gedaan is, zij niet willen meewerken aan de verdeling en een van de vele moeilijk oplosbare onverdeelde boedels ontstaat. 2024 -603- No. 164 6. In Angelsaksiche landen ontbreekt in het algemeen de legitieme portie. Wel kent men aldaar verzorgingsaanspraken van de echtgenoot en kinderen na overlijden (‘family provisions’), aanspraken die in het onderhavige ontwerp worden gehonoreerd. Van de Caricom-landen heeft thans alleen Suriname de legitieme portie. Men kan zeggen dat het onderhavige ontwerp – met de royale bescherming van de langstlevende echtgenoot en andere levensgezel (ab intestaat wettelijke verdeling en dwingendrechtelijk verzorgingsvruchtgebruik) en de sommen ineens voor de kinderen – overstapt op een meer Caraïbisch model. 7. In Nederland – waar de laatste twintig jaar de aandacht geconcentreerd was op de constructie van bescherming van de langstlevende echtgenoot – is, zoals gezegd, de legitieme portie (vooralsnog) gehandhaafd. De betekenis is sterk teruggedrongen met name door titel 3, afdelingen 1 en 2 en artikel 4:82 Ned.BW (niet-opeisbaarheid jegens echtgenoot of andere levensgezel). De roep om afschaffing van de legitieme portie neemt sterk toe; zie o.a. B.M.E.M. Schols in: Nieuw erfrecht in de praktijk. Een evaluatie, preadvies KNB, 2006, p. 171: ‘De tijd lijkt, afgezien van eventueel maatwerk à la andere wettelijke rechten, reeds rijp voor definitieve afschaffing. Een ‘lege doos die nooit meer gevuld zal geraken neemt immers slechts onnodig kostbare (juridische en emotionele) ruimte in beslag.’ 8. Langstlevende echtgenoot. Sinds lang bestaat de overtuiging dat de positie van de langstlevende echtgenoot – die naar huidig recht slechts erfgenaam bij versterf is voor een kindsdeel – verbetering behoeft. Bij het overlijden van de eerste ouder kunnen de kinderen immers hun erfdelen opeisen; om aan deze vorderingen te kunnen voldoen is een verdeling van de nalatenschap (en eventueel de door het overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap) nodig, die er bijvoorbeeld in de praktijk toe kan leiden dat de echtelijke woning moet worden verkocht. Weliswaar kunnen en worden deze problemen in de praktijk wel voorkomen door het maken van een testament of doordat de kinderen gedogen dat de langstlevende in het bezit van de goederen van de nalatenschap blijft door van verdeling daarvan af te zien of in weerwil van hun rechten genoegen te nemen met toedeling van een niet opeisbare vordering. Maar het is duidelijk dat de wetgever een belangrijke taak heeft om ervoor te zorgen dat de rechtspositie van de langstlevende echtgenoot ten opzichte van de kinderen van rechtswege voldoende beschermd is. Deze doelstelling vloeit voort uit de in de maatschappij gegroeide opvattingen op het gebied van het huwelijk, waarin er groot belang aan wordt gehecht dat de langstlevende echtgenoot (m/v) zijn vroegere leefwijze ongestoord kan voortzetten. Het realiseren van deze doelstelling brengt in de meeste gevallen mee, dat de belangen van de kinderen bij die van de langstlevende worden achtergesteld. Dit kan op bevredigende wijze aldus worden geregeld, door na elkaar de langstlevende en de kinderen tot hun recht te laten komen. Dat wil zeggen dat de langstlevende tot zijn dood de goederen van de nalatenschap heeft en daarover mag beschikken. Titel 3 van het nieuwe Boek 4 brengt deze verbetering. Afdeling 1 van deze titel is van regelend recht. Indien geen andersluidend testament is gemaakt, erft de langstlevende echtgenoot alles en krijgen de kinderen een geldvordering op de langstlevende echtgenoot die in beginsel pas opeisbaar is bij diens overlijden. Dit is een eenvoudig en werkbaar systeem, gebaseerd op de praktijk van testamentaire ‘ouderlijke boedelverdelingen’. In Nederland geldt dit systeem ook indien het gaat om een stiefouder van de kinderen. Naar de mening van ondergetekende gaat dit, mede in aanmerking genomen de dwingendrechtelijke vangnet-bescherming die afdeling 2 al biedt, naar de in Suriname heersende opvattingen te ver, a fortiori indien de langstlevende stiefouder – die even oud of zelfs jonger kan zijn dan de kinderen van de erflater – aan de wettelijke verdeling van afdeling 1 geen werkelijke behoefte heeft. In het onderhavige ontwerp wordt daarom de royale Nederlandse bescherming van de langstlevende echtgenoot in beginsel beperkt tot het geval dat de erflater slechts kinderen achterlaat die ook kind zijn van de langstlevende echtgenoot. Anders gezegd: de langstlevende echtgenoot mag niet (tevens) stiefouder zijn van kinderen van de erflater. 9. Afdeling 2 van titel 3 brengt (in tegenstelling tot afdeling 1) dwingendrechtelijke bescherming. Hiervan kan niet bij testament worden afgeweken. Wel is hier het uitgangspunt dat de langstlevende echtgenoot aan de bescherming werkelijk behoefte heeft. Afdeling 2 biedt (slechts) een vangnet-bescherming op minimumniveau, te onderscheiden van de wettelijke verdeling uit afdeling 1 die ervan uitgaat dat de langstlevende echtgenoot/ouder ongestoord op hetzelfde niveau als voor het overlijden van de erflater kan 2024 -604- No. 164 doorleven. Vooral gaat het (in Suriname) om de stiefouder en om een onterfde langstlevende echtgenoot/ouder. Ingevolge deze afdeling 2 kunnen verzorgingsvruchtgebruiken gevestigd worden op de woning en inboedel (artikel 29) en op andere goederen voor zover de langstlevende echtgenoot daaraan behoefte heeft (artikel 30). In afwijking van Nederland is bepaald dat de vangnet-bescherming in beginsel niet geldt voor korte kinderloze huwelijken (artikel 32a). 10. Aangezien een langstlevende stiefouder in het ontwerp niet van afdeling 1 (artikelen 13 e.v.) kan profiteren (tenzij zulks testamentair bepaald is door de erflater), heeft de dwingendrechtelijke afdeling 2 van titel 3 (artikelen 28 e.v.) in Suriname (en in Aruba, Curaçao en Sint Maarten) grotere betekenis dan in Nederland. In verband met de rechtszekerheid en ter vermijding van procedures wordt in artikel 30a voorgesteld dat indien de langstlevende echtgenoot, afgezien van huisvestingskosten, een gemiddeld maandelijks inkomen heeft van minder dan het (hoogste) wettelijk minimumloon, hij of zij geacht wordt in elk geval behoefte te hebben aan het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 30. Uiteraard kan deze bepaling pas toepassing vinden nadat van overheidswege een wettelijk minimumloon is geïntroduceerd. 11. Concubinaat. Zoals in Boek 1 BW bij de onderhoudsverplichtingen ook reeds is rekening gehouden met het concubinaat (artikel 1:408b), zo wordt in artikel 30b voorgesteld dat de rechter, indien zulks redelijk is, degene die ten minste tien jaar heeft samengeleefd met de erflater als waren zij gehuwd als echtgenoot kan doen gelden voor de toepassing van afdeling 2 van titel 3. Een dergelijke bepaling ontbreekt in Nederland. 12. Sommen ineens. Minderjarige en jongmeerderjarige kinderen hebben recht op een som ineens ter zake van verzorging en opvoeding onderscheidenlijk levensonderhoud en studie, tenzij daarin al voorzien wordt (artikel 35). Ook wordt een som ineens voorgesteld voor een meerderjarig kind die in de huishouding van de erflater of in diens beroep of bedrijf arbeid heeft verricht zonder een passende beloning (uitgesteld inkomen, ‘salaire differé’) (artikel 36). De som ineens voor levensonderhoud en studie kan gaan tot het een en twintigste levensjaar van het kind (artikel 35 lid 1 onderdeel b; vergelijk ook artikel 1:395a ter zake van levensonderhoud. Anders dan in Nederland is – mede in verband met het ontbreken van een legitieme portie – het totaal der sommen ineens niet beperkt tot de helft van de waarde van de nalatenschap (artikel 37). De regeling van de sommen ineens is van dwingend recht (artikel 41). 13. Diversen. Een uitvoerige bewindregeling wordt geïntroduceerd in afdeling 7 van titel 5. Voorts bevat titel 6 onder meer een regeling van een openbaar boedelregister en van de verklaring van erfrecht. ARTIKELSGEWIJS TITEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN

  1571. Artikel 1 Erfopvolging kan plaatsvinden op grond van de wet (‘bij versterf’, abintestaat; zie in het bijzonder de titels 2 en 3) of krachtens uiterste wilsbeschikking (zie de titels 4 en 5). Artikel 1 gaat uit van testeervrijheid. Deze is een elementaire bevoegdheid die overigens onderworpen is aan nadere wettelijke regels, onder meer ten aanzien van de vormvereisten. Wat betreft de vormen van uiterste willen, zie de artikelen 93 e.v. en wat betreft de soorten van uiterste wilsbeschikkingen, de artikelen 115 e.v.

  1572. Artikel 2 Hierin wordt een praktische regeling ter zake van personen die min of meer gelijktijdig overlijden (‘commorientes’), een regeling die in internationaal verband is voorbereid (Benelux-overeenkomst inzake commorientes, Trb. 1973, 36), overgenomen. 2024 -605- No. 164

  1573. Artikel 3 In dit artikel is de regeling der onwaardigheid zowel voor de opvolging bij versterf als krachtens testament samengetrokken. De onwaardigheid werkt van rechtswege. Vergeving op ondubbelzinnige wijze doet de onwaardigheid vervallen (lid 3). Heeft bijvoorbeeld een erflater een testament gemaakt ten voordele van een persoon die vervolgens onwaardig blijkt, dan is onvoldoende dat de erflater het testament niet heeft herroepen. Het moet duidelijk zijn dat de erflater het testament ook later niet heeft willen herroepen. Heeft een onwaardige voordelen genoten van de nalatenschap, dan moeten deze worden gerestitueerd; wat betreft de vruchten, zie de artikelen 3:120 en 121. In lid 1 onderdelen b en c, is een hogere straf (zes jaar) vermeld dan in Nederland (vier jaar), aangezien de strafmaxima hier te lande hoger liggen.

  1574. Artikel 4 1. Het onderhavige artikel betreft nog niet opengevallen nalatenschappen (ten aanzien van reeds opengevallen nalatenschappen, zie artikel 7:48). In lid 1 moet men bij de bevoegdheden krachtens dit Boek toekomende in de eerste plaats denken aan de bevoegdheden van de erflater tot het maken en herroepen van uiterste wilsbeschikkingen. Voorts aan de bevoegdheden van de erfgenaam tot verwerping, zuivere aanvaarding en beneficiaire aanvaarding. Het artikel treft met nietigheid niet alleen de obligatoire overeenkomst, waarbij men zich voor het openvallen van de nalatenschap jegens de wederpartij verbindt om niet of wel een der bedoelde bevoegdheden uit te zullen oefenen. Ook de eenzijdige of meerzijdige rechtshandeling waaraan als (potestatieve) voorwaarde wordt verbonden het al dan niet uitoefenen van een der bedoelde bevoegdheden valt onder het artikel, dat immers iedere vóór het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling, voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden hem krachtens Boek 4 toekomende met betrekking tot die nalatenschap uit te oefenen, nietig verklaart. Zo zal nietig zijn de bepaling in een uiterste wil dat de making zal vervallen, indien de bevoordeelde zelf een uiterste wil zal maken waarbij hij de regels van het versterfrecht opzijzet en ook de zogenaamde privatieve clausules in testamenten, voor zover deze de strekking hebben om de bevoordeelde te belemmeren in zijn vrijheid om enige erfrechtelijke bevoegdheid, hem als bevoordeelde krachtens Boek 4 toekomende, al dan niet uit te oefenen. Zo zal nietig zijn de bepaling in een uiterste wil dat de erfstelling vervalt indien de bevoordeelde beneficiair mocht aanvaarden. 2. Lid 2 heeft een beperkte inhoud: de sanctie van nietigheid treft slechts overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan. Dit betekent in de eerste plaats dat overeenkomsten over bepaalde goederen met werking na dode in beginsel geldig zullen zijn. Dit is in het bijzonder van belang voor de zogenaamde verblijvens-, toescheidings-, overnemings- en optiebedingen.

  1575. Artikel 5 Uit het erfrecht kunnen geldschulden ontstaan. Te denken valt aan de vergoeding wegens overbedeling of wegens overneming van een bedrijf en aan de verplichtingen wegens rechten op een som ineens. Deze geldbedragen zijn in beginsel terstond of op korte termijn opeisbaar, doch het kan voor de schuldenaar zeer bezwaarlijk zijn zo spoedig volledig aan zijn verplichtingen te moeten voldoen. In het bijzonder is dat het geval, indien de erfrechtelijke schuld uit de opbrengsten van een beroep of bedrijf moet worden voldaan. Tegeldemaking van beroeps- of bedrijfsgoederen op korte termijn betekent voor de schuldenaar een zware slag, maar zal ook voor de schuldeiser vaak onvoordelig zijn. Voor het geval van overbedeling in het algemeen zie reeds artikel 3:185 lid 3.

  1576. Artikel 6 Deze precisering is van belang voor artikel 37 lid 4. Bij een gewone verdeling is overigens naar vaste rechtspraak bepalend de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij de deelgenoten anders zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een ander tijdstip voortvloeit. 2024 -606- No. 164

  1577. Artikel 7 1. Het begrip schulden van de nalatenschap speelt in het bijzonder een rol bij de volgende onderwerpen: a. de schuldeisers der nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen (artikel 184 lid 1); b. erfgenamen zijn voor op hen rustende schulden der nalatenschap ook in hun overige vermogen aansprakelijk, indien zij zuiver aanvaarden, alsmede in enkele andere gevallen (artikel 184 lid 2); c. de executeur en de vereffenaar zijn verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap uit de goederen daarvan (artikel 144 lid 1, onderscheidenlijk artikelen 211 en 215). 2. Door het ontbreken van legitimaire aanspraken in het onderhavige ontwerp kan lid 2 eenvoudiger gehouden worden dan artikel 4:7 lid 2, Ned. BW. De regeling komt erop neer dat in volgorde worden voldaan: (1) de schuldeisers bedoeld in lid 1, onderdelen a tot en met e, (2) de somgerechtigde kinderen bedoeld in lid 1, onderdeel f, en (3) de legatarissen en quasi-legatarissen bedoeld in lid 1 onderdelen g en h. 3. De rangorde van een letter binnen de groep geeft geen voorrang aan. Wel komt aan de kosten van lijkbezorging een bijzondere positie toe wegens artikel 3:288, aanhef en onderdeel b. Artikel 8 Hier wordt een omschrijving gegeven van stiefkind, van belang voor de artikelen 27, 36, 38, 43 en 60. TITEL 2. ERFOPVOLGING BIJ VERSTERF

  1578. Artikel 9 Een erfgenaam moet bestaan ten tijde van het overlijden van de erflater. Van belang is nog artikel 1:2, bepalende: ‘Het kind waarvan een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.’ Ten aanzien van personen wier bestaan onzeker is, geven de artikelen 1:412 e.v. voorzieningen.

  1579. Artikel 10 1. Het ontwerp geeft in artikel 12 aan het erven bij plaatsvervulling een enigszins andere betekenis dan het huidige wetboek doet. Plaatsvervulling geschiedt ook dan, wanneer degene, wiens plaats vervuld wordt, nog in leven is, maar onwaardig of onterfd is dan wel verwerpt. Dientengevolge vallen de verwanten in twee rubrieken uiteen: degenen, die alleen uit eigen hoofde en degenen, die alleen bij plaatsvervulling kunnen erven. In artikel 10 zijn nu allereerst zij genoemd, die uit eigen hoofde en dus nimmer bij plaatsvervulling erven. De vier groepen, die hier achtereenvolgens genoemd worden, beantwoorden aan de naaste verwanten in de eerste vier parentelen (groepen) van de erflater. Mede in verband met de onbeperkt toegelaten plaatsvervulling wordt hier dus een zuiver parenteel stelsel ingevoerd: een verwant in een verdere parentele komt niet aan opvolging toe, zolang nog een verwant in een nadere parentele in leven is. Overigens is de erfopvolging tot de zesde graad beperkt (artikel 12 lid 3; vergelijk ook artikel 10 lid 1). 2. In de eerste parentele wordt overeenkomstig het huidige recht naast de kinderen ook de langstlevende echtgenoot tot de erfenis geroepen. Wel is een uitzondering gemaakt voor de echtgenoot van wie de erflater gescheiden was van tafel en bed (zie ook artikel 13 lid 5 en artikel 28 lid 3). Het ontwerp roept de grootouders en de overgrootouders, zonder in geval van hun vooroverlijden de ‘kloving’ te handhaven wanneer een overleden grootouder geen afstammelingen nalaat (zie artikel 11 lid 1). Zijn er afstammelingen dan geldt er plaatsvervulling (artikel 10 lid 2) met hetzelfde effect als kloving. Ten aanzien van de echtgenoot (die niet als bloedverwant maar wegens de huwelijksband als erfgenaam geroepen wordt) en de ouders (omdat broers en zusters uit eigen hoofde erven) geldt geen plaatsvervulling. 3. De in lid 3 genoemde (juridische) bloedverwantschap wordt geregeld in Boek 1; men zie de artikelen 1:197 e.v. en artikel 1:3. 2024 -607- No. 164

  1580. Artikel 11 Hierin wordt een nadere uitwerking gegeven van het parentele stelsel. Door dit artikel wordt aan alle erfgenamen, die in een groep uit eigen hoofde erven een gelijk deel toegekend. Mitsdien erft een echtgenoot evenveel als een kind, een vader of moeder in beginsel evenveel als een broeder of zuster. Lid 2 kent in overeenstemming met het bestaande recht een groter erfdeel aan ouders en volle broers en zusters dan aan halfbroers en -zusters toe. Het spreekt vanzelf, dat waar het ontwerp van ouders, broeders en zusters spreekt, het artikel ook toepassing vindt, indien slechts een ouder, een broeder of een zuster aanwezig is. De bepaling van lid 3, waardoor een vader of moeder in ieder geval 1/4 der nalatenschap verzekerd wordt, is ook aan het bestaande recht ontleend. De omvang van het versterferfdeel voor alle halfbroers en halfzusters is gelijk, ongeacht welke ouder zij met de erflater gemeen hebben. De correctieregel van lid 3 ten behoeve van een ouder, die nimmer minder dan een kwart ontvangt, wordt pas toegepast nadat eerst rekening is gehouden met de regel van lid 2 dat een halfbroer of halfzuster ‘met halve hand’ erft.

  1581. Artikel 12 In dit artikel wordt de plaatsvervulling algemeen binnen de erfrechtelijke graad toegelaten en wordt verder geen verschil meer gemaakt of de erfgenaam overleden is, onwaardig is, onterfd is, verwerpt of dat diens erfrecht is vervallen. Er is niet voldoende reden om de onwaardigheid, de onterving, de verwerping of het verval – feiten die alleen de erfgenaam persoonlijk treffen – ook ten nadele van de kinderen en verdere afstammelingen van deze te laten werken. De plaatsvervulling betreft derhalve alleen de grootte van het aandeel, dat geërfd wordt, maar niet de vraag of men bevoegd is om als erfgenaam op te treden, indien de voorouder die de grootte van het erfdeel bepaalt, om een hem persoonlijk betreffende reden zelf niet als erfgenaam kan optreden. Het gevolg van de gegeven regeling is, dat kleinkinderen en verdere zijverwanten dan broers en zusters steeds bij plaatsvervulling erven. Lid 2 geeft nog een gevolg der plaatsvervulling aan dat daarin steeds besloten heeft gelegen, namelijk de deling bij staken. Wat lid 3 betreft, de hier aan de mogelijkheid om te erven gestelde grens is reeds in het tegenwoordige recht bekend. Voor het begrip ‘graad’ zie artikel 1:3 lid 1. Bij de woorden ‘of wier erfrecht is vervallen’ denke men aan artikel 131. TITEL 3. HET ERFRECHT BIJ VERSTERF VAN EEN NIET VAN TAFEL EN BED GESCHEIDEN ECHTGENOOT EN VAN DE KINDEREN ALSMEDE ANDERE WETTELIJKE RECHTEN Afdeling 1. Het erfrecht bij versterf van een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen Algemeen 1. Anders dan in Nederland, is ervoor gekozen de in titel 3, afdeling 1 neergelegde (niet- dwingendrechtelijke) royale regeling ten behoeve van de langstlevende echtgenoot – deze krijgt alles indien geen andersluidend testament is gemaakt – te beperken tot de situatie dat alle kinderen van de erflater ook kind zijn van de langstlevende echtgenoot (de langstlevende echtgenoot moet dus vader of moeder zijn van alle kinderen). Vermeden moet worden dat bijvoorbeeld een langstlevende echtgenoot/stiefouder die jonger is dan de kinderen (hetgeen heel goed denkbaar is bij een tweede huwelijk) alles krijgt en dat de kinderen moeten wachten op diens dood, hetgeen statistisch zal betekenen dat zij nimmer zelf feitelijk zullen erven van hun ouder (de erflater). 2. Anders gezegd: de wettelijke verdeling van afdeling 1 geldt slechts indien de langstlevende echtgenoot niet (tevens) stiefouder is. Is de langstlevende echtgenoot wel (tevens) stiefouder, dan geldt afdeling 1 niet en moet de bescherming gevonden worden in de (dwingendrechtelijke) afdeling 2, in het bijzonder in de artikelen 28 en 29 (voortgezet gebruik en vruchtgebruik van woning en inboedel) en artikel 30 (vruchtgebruik op andere goederen), voor zover daaraan behoefte is. Men zie deze Memorie van Toelichting onder Algemeen. 2024 -608- No. 164 3. De erflater kan overigens bij testament bepalen dat de wettelijke verdeling van afdeling 1 ook geldt in de situatie dat zijn kinderen wel stiefkind zijn van een langstlevende echtgenoot (artikel 13 lid 1, tweede volzin), zoals hij dat ook kan bepalen ten aanzien van zijn eigen stiefkinderen (artikel 27). Voor dat geval zie ook de artikelen 21, 22 en 24 lid 1. 4. Er is van afgezien om indien er zowel gemeenschappelijke als niet-gemeenschappelijke kinderen zijn, een partiële wettelijke verdeling in te voeren. Het maakt de afwikkeling erg ingewikkeld en heeft als nadeel een ongelijke behandeling van de kinderen die wellicht lange tijd gezamenlijk zijn opgegroeid. Ook is ervan afgezien om onderscheid te maken in niet-gemeenschappelijke kinderen die voor en die na het huwelijk zijn geboren (‘voorkinderen’ onderscheidenlijk ‘buitenkinderen’). De gedachte is dat alle niet- gemeenschappelijke kinderen eenzelfde behandeling verdienen. Van hen kan niet worden verlangd dat zij voorlopig (tot de dood van de langstlevende echtgenoot) genoegen nemen met een vordering op de langstlevende echtgenoot aan wie zij niet verwant zijn. Bij dit alles blijft cruciaal dat de dwingendrechtelijke afdeling 2 aan de langstlevende echtgenoot op minimumniveau bescherming biedt (ten koste van alle kinderen).

  1582. Artikel 13 1. Dit artikel geeft de hoofdregel van het nieuwe wettelijke stelsel weer. Dit stelsel houdt een wettelijke verdeling in, krachtens welke de echtgenoot van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkrijgt. De kinderen verkrijgen uit hoofde van deze wettelijke verdeling als erfgenaam een in beginsel niet opeisbare geldvordering op de echtgenoot, waarvan de omvang gelijk is aan hun erfdeel in de nalatenschap. In aansluiting op deze wettelijke verdeling van de goederen, geeft lid 2 een regeling met betrekking tot de draagplicht voor de schulden van de nalatenschap. In artikel 14 worden ten aanzien van de aansprakelijkheid voor en de verhaalbaarheid van de schulden nadere regels gegeven. 2. Lid 1. De verdeling van de nalatenschap volgens artikel 13 geschiedt indien de erflater als erfgenamen een echtgenoot en een of meer gemeenschappelijke kinderen achterlaat. Wanneer een kind is onterfd, neemt dat kind niet deel aan de verdeling ingevolge dit artikel. Is de echtgenoot onterfd, dan vindt geen wettelijke verdeling plaats. Onder ‘kinderen’ in lid 1 zijn begrepen hun afstammelingen die bij plaatsvervulling opkomen (zie artikel 10 lid 2 en artikel 12). Ingevolge artikel 27 is een erflater bevoegd bij uiterste wilsbeschikking een stiefkind van hemzelf (niet te verwarren met een stiefkind van de langstlevende echtgenoot) bij de wettelijke verdeling te betrekken als een eigen kind. Ook kan de erflater, ingevolge de tweede volzin van lid 1 van het onderhavige artikel 13, bij uiterste wil bepalen dat zijn echtgenoot die stiefouder is van zijn kinderen wel kan profiteren van de wettelijke verdeling. 3. Lid 2. De echtgenoot/ouder verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. Levering van de goederen is derhalve niet vereist. Voor het begrip schulden van de nalatenschap zij verwezen naar artikel 7 lid 1. Onder die schulden zijn ook begrepen de eventuele schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen van de nalatenschap worden geheven. 4. Lid 3. De kinderen verkrijgen, eveneens van rechtswege, een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot/ouder, waarvan de waarde met hun erfdeel overeenkomt. Voor de berekening van de waarde van een erfdeel dient allereerst de totale waarde van de goederen van de nalatenschap te worden bepaald. Op het aandeel van het kind daarin wordt vervolgens zijn deel van de nalatenschapschulden in mindering gebracht, dat wil zeggen het gedeelte van de schulden dat zonder de wettelijke verdeling voor rekening van het kind zou zijn gekomen. Aldus wordt voor de bepaling van de geldvorderingen zowel rekening gehouden met de op alle erfgenamen rustende schulden, als voor iedere erfgenaam afzonderlijk met de specifiek op hem of haar rustende schulden. De geldvordering van de kinderen is in beginsel niet opeisbaar. De niet opeisbaarheid is een direct gevolg van het uitgangspunt dat de langstlevende ouder verzorgd moet achterblijven en zoveel mogelijk het bestaande leefpatroon kan voortzetten. Het is mogelijk bij uiterste wilsbeschikking ook andere opeisbaarheidsgronden op te nemen. 2024 -609- No. 164 5. Lid 4. Het kan jaren duren voordat de vordering van de kinderen opeisbaar wordt. De door de echtgenoot/ouder aan de kinderen verschuldigde geldsom wordt daarom van rechtswege verhoogd teneinde een zekere inflatiecorrectie te bereiken (wettelijke rente minus zes procent). Deze inflatiecorrectie lijkt passend, ook teneinde te voorkomen dat kinderen zich genoopt zullen voelen tot uitoefening van hun wilsrechten over te gaan. Het bedrag van de verhoging wordt op zijn beurt niet met de correctieverhoging vermeerderd. De erflater, maar ook de echtgenoot/ouder en het kind tezamen bij overeenkomst, kunnen wel een andere aanpassingsmaatstaf bepalen, of van aanpassing van de geldsom geheel afzien. Ook als de erflater bij uiterste wilsbeschikking van de wettelijke maatstaf is afgeweken, kunnen de echtgenoot/ouder en het kind de maatstaf (nogmaals) aanpassen. Is de wettelijke rente gelijk aan of minder dan 6 procent, dan is uiteraard geen rentevergoeding verschuldigd. Zie voor de vaststelling van de wettelijke rente artikel 6:120. 6. Lid 5. Zowel in afdeling 1 als in afdeling 2 (zie artikel 28 lid 3) wordt onder echtgenoot overal uitsluitend verstaan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot.

  1583. Artikel 14 1. Dit artikel geeft enige regels met betrekking tot de schulden van de nalatenschap. Deze regels betreffen met name de externe werking van de toedeling van de schulden aan de echtgenoot. Tegenover de schuldeisers is de echtgenoot aansprakelijk. De kinderen zijn eveneens voor de nalatenschapschulden aansprakelijk, doch deze schulden kunnen niet op hun eigen goederen worden verhaald behoudens voor zover lid 3 van toepassing is. Indien de kinderen door een schuldeiser van de nalatenschap worden aangesproken tot nakoming van een nalatenschapschuld, zijn zij bevoegd de schuldeiser naar de echtgenoot te verwijzen. Dit ligt voor de hand omdat de echtgenoot rechthebbende is op de goederen waaruit deze schuld behoort te worden voldaan. Ook jegens de kinderen is de echtgenoot verplicht de nalatenschapschulden te voldoen. Wat betreft een negatieve nalatenschap, zie hierna bij lid 4. 2. Lid 1. Deze bepaling vestigt een zelfstandige aansprakelijkheid van de echtgenoot voor het geheel van de nalatenschapschulden. De interne draagplicht tussen echtgenoot en kinderen ligt bij de echtgenoot, ook bij een nalatenschap met negatief saldo (zie lid 4). Overigens komen de nalatenschapschulden wel indirect mede voor rekening van de kinderen doordat de hoogte van hun vordering op de echtgenoot op de voet van artikel 13 lid 3, mede wordt bepaald door de omvang van de nalatenschapschulden. 3. Lid 2. Als gevolg van de wettelijke verdeling verkrijgt de echtgenoot alle goederen van de nalatenschap. Deze goederen vermengen zich met de eigen goederen van deze echtgenoot. Indien ten gevolge van de vermenging voor de nalatenschapschuldeisers het gevaar bestaat dat de schulden niet binnen redelijke tijd zullen worden voldaan (zie artikel 204 lid 1 onderdeel b), kan de rechter op verzoek van de nalatenschapschuldeisers een vereffenaar benoemen. In dat geval worden de schuldeisers van de nalatenschap uit de goederen van de nalatenschap voldaan voordat overige schuldeisers van de echtgenoot verhaal op de goederen van de nalatenschap hebben (artikel 224). Teneinde deze voorrang ook buiten de regeling van de vereffening te realiseren, is zij in het onderhavige lid tot uitdrukking gebracht. 4. Lid 3. Dit artikellid geeft een beperkte verhaalsaansprakelijkheid van de kinderen voor de schulden van de nalatenschap. De verhaalsaansprakelijkheid omvat niet de eigen goederen van de kinderen. Wel is verhaal mogelijk op de geldvordering van artikel 13 lid 3 nu deze krachtens erfrecht is verkregen. Verder is verhaal mogelijk wanneer op die geldvordering is betaald, zulks tot het bedrag van de betaling. Hetzelfde geldt indien een kind niet een betaling in geld doch – zoals na uitoefening van wilsrechten – in goederen heeft verkregen. Het betreft immers ook hier telkens een verkrijging krachtens erfrecht. Op grond van lid 3 kan derhalve een schuldeiser voor het geheel van zijn schuld verhaal nemen tot de waarde van hetgeen door het kind op deze wijze verkregen werd. In zoverre bevat deze bepaling een specifieke aansprakelijkheidsregeling voor de kinderen. Is de schuldeiser overeenkomstig deze regeling voldaan, dan heeft het kind voor hetgeen de schuldeiser heeft verkregen verhaal op de echtgenoot. Opmerking verdient nog dat de beperkte uitwinbaarheid van het vermogen van een kind de mogelijkheid onverlet laat dat een schuldeiser van de nalatenschap met een recht van (derden)hypotheek op een goed van een kind, overgaat 2024 -610- No. 164 tot uitwinning daarvan. In een dergelijk – zeldzaam – geval zal het kind gebruik kunnen maken van zijn in lid 1 gegeven recht om van de echtgenoot te verlangen dat deze tot voldoening van de schuldeiser overgaat. 5. Lid 4. Buiten twijfel is gesteld dat als de wettelijke verdeling een nalatenschap betreft waarvan het saldo negatief is, de kinderen niet gehouden zijn uit eigen vermogen bij te dragen in het tekort. Een kind krijgt bij de wettelijke verdeling een geldvordering op de langstlevende echtgenoot en mag de afwikkeling van de nalatenschap voor het overige overlaten aan de echtgenoot. Daarbij zou niet passen dat een kind zich niettemin moet afvragen of hij door aanvaarding van de nalatenschap het risico loopt dat hij uit eigen vermogen moet bijdragen in de nalatenschapschulden. De echtgenoot zal het tekort derhalve voor zijn rekening moeten nemen, behoudens de mogelijkheid dat hij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Vergelijk ook artikel 202 lid 3. 6. Kortom, het kind aanvaardt, als de wettelijke verdeling werkt, de nalatenschap als het ware van rechtswege beneficiair. Het kind kan hier echter niet zonder meer op varen aangezien de echtgenoot de wettelijke verdeling ongedaan kan maken (artikel 18) dan wel de nalatenschap kan verwerpen; zie artikel 194. Veelal zullen overigens bij ongedaanmaking door de echtgenoot de kinderen nog niet de nalatenschap ondubbelzinnig en zonder voorbehoud hebben aanvaard, zodat alsnog beneficiaire aanvaarding door hen mogelijk zal zijn.

  1584. Artikel 15 De artikelen 166 tot en met 200 van Boek 3 zijn op de wettelijke verdeling van artikel 13 niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor de bepalingen van artikel 677 tot en met 680 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vaststelling van de omvang van de uit de verdeling resulterende geldvorderingen geschiedt bij overeenkomst tussen partijen, welke overeenkomst beschouwd kan worden als een (bijzondere) vaststellingsovereenkomst. Omdat een bepaling op grond waarvan een erfgenaam zich voor de vaststelling tot de rechter kan wenden, niet gemist kan worden, is daarin in lid 1 voorzien. Lid 2 geeft een regeling die is ontleend aan de artikelen 195 en 196 van Boek 3. De in dit lid getroffen voorzieningen zijn noodzakelijk teneinde misslagen bij de vaststelling van de omvang van de geldvordering van de kinderen te kunnen herstellen. Aangezien artikel 233 de inbreng als verdelingshandeling beschouwt en hier geen verdeling door de erfgenamen plaatsvindt, dient een verwijzing naar de inbrengregeling voor de vaststelling van de omvang van de vordering te worden opgenomen; zie lid 3.

  1585. Artikel 16 1. De boedelbeschrijving bedoeld in lid 1 is van belang voor het vaststellen van de samenstelling en de waarde van de nalatenschap. Zij kan ook als basis dienen voor de vaststelling van de hoogte van de geldvordering van de kinderen. Hoewel de erfgenamen er over het algemeen goed aan zouden doen een boedelbeschrijving te maken, wordt zulks als zodanig niet dwingend voorgeschreven, mede omdat een passende sanctie op zodanig voorschrift ontbreekt. Verlangt evenwel de echtgenoot of een kind een boedelbeschrijving dan is dit eventueel ook in rechte afdwingbaar. 2. Indien de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen heeft (lid 2), dient wel een boedelbeschrijving te worden opgemaakt. Een boedelbeschrijving bij notariële akte is hier, anders dan onder het hier niet toepasselijke artikel 671 Rv het geval is, niet zonder meer voorgeschreven. De mogelijkheid van boedelbeschrijving bij onderhandse akte kan vooral van belang zijn indien het vermogens van eenvoudige samenstelling of geringere omvang betreft. De verplichting tot inlevering van de boedelbeschrijving is ontleend aan de regeling van het voogdijbewind (artikel 1:338 lid 3). 3. De opzet van afdeling 1 leidt ertoe, dat een aantal bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent boedelbeschrijving van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard (lid 3). Omdat in de desbetreffende artikelen (673 tot en met 676 Rv) soms van partijen sprake is, wordt in de tweede volzin van lid 3 vastgesteld, dat zowel de echtgenoot als ieder kind partij bij de boedelbeschrijving is. 2024 -611- No. 164 4. Teneinde mogelijk misverstand te vermijden is in het eerste gedeelte van lid 4 bepaald, dat de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van de bescheiden en andere gegevensdragers die zij ter vaststelling van hun aanspraken als erfgenaam nodig hebben. Ook als het om derden gaat, zoals de bank, zijn zij jegens elkaar verplicht om medewerking te geven opdat die derden daadwerkelijk inlichtingen mogen verschaffen.

  1586. Artikel 17 1. Vooropgesteld wordt dat de echtgenoot te allen tijde de geldvordering (inclusief de verhoging van artikel 13 lid 4) geheel of gedeeltelijk kan betalen. Zodanige betaling impliceert geen schenking aan het kind, maar vormt nakoming van een verbintenis. 2. Betaling staat de echtgenoot niet zonder meer vrij indien aan het kind een wilsrecht toekomt tot verkrijging van goederen, belast met vruchtgebruik. Het uitgestelde uitzicht op goederen rechtvaardigt dat hier de uitoefening van het wilsrecht voorgaat. Indien, na het stellen van een redelijke termijn (zie artikel 25 lid 3), blijkt dat het kind niet tot uitoefening van zijn wilsrecht overgaat, is nakoming overeenkomstig lid 1 mogelijk. Indien termijnstelling achterwege is gelaten, zal het kind kunnen verlangen dat hem, tegen terugbetaling van het ontvangene, alnog goederen worden overgedragen. Nietigheid van de betaling is hier niet beoogd, evenmin als bij het voorschrift van de tweede volzin van artikel 25 lid 4. Wenst het kind wel op bepaalde goederen het wilsrecht van de artikelen 19 of 21 uit te oefenen, dan kan de echtgenoot blijkens die artikelen de desbetreffende goederen ook zonder dat daarop een vruchtgebruik wordt gevestigd aan het kind overdragen. De ratio voor de uitoefening van deze bevoegdheid is dezelfde als die voor de bevoegdheid van lid 1: indien de echtgenoot de schuldverhouding met de kinderen wenst te beëindigen dient dit in beginsel ook mogelijk te zijn. Aangezien voldoening van de geldvordering gevolgen heeft voor genoemde wilsrechten is, ingeval het kind minderjarig is of meerderjarig maar het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft, de goedkeuring van de rechter voorgeschreven, welke goedkeuring door de echtgenoot dient te worden verzocht.

  1587. Artikel 18 1. Niet altijd zal de echtgenoot behoefte hebben aan de goederen waaruit de nalatenschap bestaat. Daarom wordt de mogelijkheid geboden de verdeling overeenkomstig artikel 13 ongedaan te maken binnen negen maanden na het overlijden van de erflater. Deze handeling is behalve aan die van een notariële akte ook gebonden aan het voorschrift van inschrijving in het boedelregister, waarvoor de notaris eveneens zal zorgdragen. Het zou onjuist zijn dat een zo ingrijpende handeling die het ongedaan maken van de verdeling is, krachtens een algemene volmacht zou kunnen geschieden (lid 1). Door de verklaring vervalt ook de volledige aansprakelijkheid van de echtgenoot voor de schulden van de nalatenschap, bedoeld in artikel 14 lid 1. In plaats van de aansprakelijkheidsregels van dat artikel geldt nu de regel van artikel 182 lid 2. Partiële ongedaanmaking van de verdeling is niet mogelijk gemaakt. Dit zou de regeling te zeer hebben gecompliceerd. 2. In verband met de terugwerkende kracht die aan de ongedaanmaking van de verdeling dient te zijn verbonden, is een voorschrift ter bescherming van door derden (waaronder ook mede-erfgenamen) verkregen rechten noodzakelijk. Om praktische reden worden deze personen, zowel vanuit obligatoir als goederenrechtelijk oogpunt, beschermd gedurende de gehele termijn van negen maanden van lid 1. Zou deze voorziening er niet zijn dan zou op een verklaring van erfrecht die binnen die termijn is afgegeven, niet kunnen worden afgegaan (vergelijk het onderdeel b van artikel 188 lid 1). 2024 -612- No. 164 3. In lid 3 is een regeling gegeven voor de situatie dat de echtgenoot van de erflater onder curatele staat, een of meer goederen van de echtgenoot onder het bewind van titel 19 van Boek 1, een testamentair of een ander bewind zijn gesteld, of de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard dan wel aan hem surséance van betaling is verleend. Het gaat in artikel 18 niet om rechten die naar hun aard slechts door de echtgenoot zelf kunnen worden uitgeoefend. In lid 3 is, teneinde mogelijke twijfel uit te sluiten, een regeling opgenomen die vertegenwoordiging overeenkomstig de wettelijke regels van de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind mogelijk maakt. Lid 4 geeft een voorziening ten aanzien van de termijn in geval van toepassing van artikel 1:417 lid 2, (verklaring van rechtsvermoeden van overlijden) en artikel 1:427 lid 1, (vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen).

  1588. Artikel 19 1. Deze bepaling verschaft een wilsrecht om rechthebbende te worden op goederen, onder de last van vruchtgebruik (vergelijk artikel 3:81), indien de echtgenoot van de erflater opnieuw in het huwelijk treedt. Het wilsrecht ontstaat op het tijdstip waarop aangifte van het huwelijksvoornemen is gedaan (artikel 1:43 e.v.). Het wilsrecht blijft bestaan totdat het is uitgeoefend, tenzij een door de langstlevende echtgenoot aan het kind gestelde termijn voor de uitoefening is verstreken (artikel 25 lid 3), dan wel ten aanzien van een handelingsonbekwame op de voet van artikel 26 met goedkeuring van de rechter van uitoefening is afgezien. De testamentaire praktijk van de ouderlijke boedelverdeling (al komt deze niet veel voor) heeft laten zien dat in geval van hertrouwen van de echtgenoot vrijwel altijd een voorziening werd getroffen ten behoeve van de kinderen indien zij een niet opeisbare vordering hebben. 2. Het wilsrecht bestaat met betrekking tot goederen, of een aandeel daarin, met een waarde tot ten hoogste de aan het kind ingevolge artikel 13 lid 3 verschuldigde geldsom. Die geldsom en dus ook de omvang van het wilsrecht worden uiteraard verminderd voor zover met toepassing van artikel 17 lid 1, betaling op de geldvordering heeft plaatsgevonden. Bij een conflict tussen kind en langstlevende echtgenoot beslist de kantonrechter (artikel 25 lid 4).

  1589. Artikel 20 Het wilsrecht van deze bepaling komt aan de orde indien de geldvordering van het kind op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder, opeisbaar is geworden. Laat deze langstlevende ouder bij zijn overlijden een nieuwe echtgenoot achter, dan zal – anders dan in Nederland – niet zonder meer de wettelijke verdeling gelden, aangezien het kind niet tevens kind is van de stiefouder. In het geval dat de wettelijke verdeling niet geldt heeft het kind jegens de erfgenamen van de langstlevende ouder het wilsrecht van voldoening in goederen van zijn nu opeisbaar geworden geldvordering ter zake van de eerstopengevallen nalatenschap. Het kind wordt dan (volledig) rechthebbende op de desbetreffende goederen. Zijn de kinderen zelf erfgenaam van de langstlevende ouder, dan kan dit plaatsvinden door toedeling en levering van de goederen. Is de wettelijke verdeling wel van toepassing, dan heeft het kind het wilsrecht jegens de stiefouder. Het hierbedoelde wilsrecht komt alleen aan de orde indien en voor zover het wilsrecht van artikel 19 niet is uitgeoefend.

  1590. Artikel 21 Dit artikel en het volgende artikel 22 betreffen de nalatenschap van een ouder die ten tijde van zijn overlijden gehuwd is met iemand die niet de ouder is van de kinderen van de overledene, terwijl de wettelijke verdeling wel van toepassing is. Dat de kinderen een stiefouder hebben zal zich kunnen voordoen wanneer de andere ouder van de kinderen is vooroverleden, dan wel het huwelijk met de andere ouder door echtscheiding is geëindigd; denkbaar is ook dat met de andere ouder geen huwelijk heeft bestaan. Indien de overleden ouder bij zijn overlijden een stiefouder achterlaat, verkrijgen de kinderen krachtens artikel 13 lid 3 (indien testamentair toepasselijk gemaakt) een niet opeisbare geldvordering op deze stiefouder. In deze situatie is de stiefouder verplicht ieder kind desverzocht goederen over te dragen met een waarde ten hoogste tot de aan het kind verschuldigde geldsom. De stiefouder verkrijgt daarbij, tenzij hij of zij daarvan afziet, een vruchtgebruik van die goederen. 2024 -613- No. 164

  1591. Artikel 22 Het wilsrecht van artikel 22 geeft net als het wilsrecht van artikel 20 recht op voldoening in goederen zonder voorbehoud van vruchtgebruik. Het gaat hier echter om de vordering terzake van de nalatenschap van een ouder die een stiefouder heeft achtergelaten, welke vordering door het overlijden van de stiefouder opeisbaar is geworden. Dit wilsrecht komt slechts aan de orde indien en voor zover het wilsrecht van artikel 21 niet is uitgeoefend.

  1592. Artikel 23 1. Op het te vestigen vruchtgebruik is titel 8 van Boek 3 BW van toepassing. Daarbij is evenwel een uitzondering gemaakt voor de verplichting tot het doen van een jaarlijkse opgave (artikel 3:205 lid 4) alsmede van die tot het stellen van zekerheid (artikel 3:206 lid 1). Ook de verplichting om de goederen op verlangen van de hoofdgerechtigde jaarlijks te tonen (artikel 3:206 lid 2) is uitgesloten. Deze verplichtingen zouden te bezwaarlijk voor de echtgenoot zijn. 2. Artikel 3:212 lid 3 bepaalt dat de rechterlijke machtiging alleen mag worden gegeven indien het belang van de ander (in dit geval het kind) door vervreemden of bezwaren van het aan een vruchtgebruik onderworpen goed niet wordt geschaad. Dit onderdeel van de toetsingsgrond is hier niet passend. Vandaar dat in lid 1 onderdeel b, van het onderhavige artikel 23 wordt bepaald dat de machtiging reeds kan worden gegeven in het bijzonder indien de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot dit noodzakelijk maakt. Voorop blijft overigens staan dat rechterlijke tussenkomst eerst dan aan de orde is indien de hoofdgerechtigde zelf geen toestemming tot vervreemding wil geven. Ook het kind zal zich daarbij moeten realiseren dat de rechter de machtiging zal moeten verlenen, als er van een verzorgingsbehoefte sprake is. In die gevallen is het dus zinloos om het op de gang naar de rechter aan te doen komen. 3. Het ligt alleszins in de rede dat de verzorgingsbehoefte ook bepalend is voor de bevoegdheid tot vervreemden en verteren als bedoeld in artikel 3:215. Een goed dat aan een kind wordt overgedragen onder voorbehoud van vruchtgebruik, ter voldoening aan de uit artikel 13 lid 3, voortvloeiende geldvordering, is voortaan voor risico van het kind. Gaat het goed teloor, dan herleeft deze vordering niet. De echtgenoot kan de bevoegdheid hebben verkregen tot vervreemden en verteren van een goed. Gaat deze daartoe over, dan zou het onbillijk zijn wanneer het kind daarvoor niet zou worden gecompenseerd. Om die reden verschaft lid 3 van het onderhavige artikel 23 het kind bij vervreemding en vertering wederom een niet opeisbare vordering. Voor de hoogte van de vordering wordt uitgegaan van de waarde van het goed ten tijde van de vervreemding en vertering, aangezien de waarde zich tot dat tijdstip voor risico van het kind heeft ontwikkeld. 4. Lid 4 van dit artikel biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid aan hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker om bij de vestiging van het vruchtgebruik het stemrecht verbonden aan aandelen in een vennootschap aan de vruchtgebruiker te doen toekomen (zie artikel 3:219). Zouden betrokkenen over een punt als dit van mening blijven verschillen, dan kan de rechter een regeling treffen. 5. Het vruchtgebruik wordt gegeven in verband met de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot. Het ligt dus voor de hand dat de echtgenoot het vruchtgebruik niet aan derden kan overdragen of dit recht kan bezwaren. Aldus lid 5 van het onderhavige artikel. 6. Lid 6 ziet op de situatie dat een nalatenschapschuld ten tijde van de uitoefening van het wilsrecht nog niet is voldaan. De echtgenoot-vruchtgebruiker dient ingevolge artikel 13 lid 2, alle schulden der nalatenschap te dragen. Voorts kan het voorbehouden vruchtgebruik evenmin worden tegengeworpen aan schuldeisers wier vordering kon worden verhaald op de goederen van de huwelijksgemeenschap van de echtgenoot en de erflater of van een andere gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren (bijvoorbeeld in geval van een ‘man-vrouw-vennootschap’). In geval van verhaal door een nalatenschapschuldeiser, waardoor het vruchtgebruik vervalt, kan de echtgenoot niet ingevolge artikel 3:282 regres nemen op de hoofdgerechtigde. 2024 -614- No. 164

  1593. Artikel 24 1. De leden 1 en 2 leggen vast op welke goederen de wilsrechten materieel kunnen worden uitgeoefend. Om in een procedure uit te kunnen maken welke goederen onder lid 1 vallen, bevat lid 3 een bewijsvermoeden. 2. In de redactie van lid 1, tweede volzin, en van lid 3 komt tot uitdrukking op welke huwelijksgemeenschap wordt gedoeld. De derde volzin van lid 2 dient om te voorkomen dat de bepaling van de tweede volzin eenvoudig kan worden ontgaan door middel van het sluiten van een lening. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het volgende geval. Van de nalatenschap maakt deel uit de echtelijke woning ter waarde van SRD 300.000,-; voor het aankopen van deze woning was de erflater indertijd een hypothecaire lening van SRD 200.000,- aangegaan; deze hypothecaire lening wordt door de langstlevende echtgenoot voorlopig voortgezet. Verkoopt de echtgenoot van de erflater de woning, dan zal de lening worden afgelost en een netto-opbrengst van SRD 100.000,- overblijven. Koopt de echtgenoot vervolgens met deze netto-opbrengst en een nieuwe lening van SRD 200.000,- een andere woning ter waarde van SRD 300.000,-, dan zou deze woning naar de maatstaf van de tweede volzin van lid 2 niet geacht worden in de plaats te komen van de echtelijke woning. De derde volzin van lid 2 bewerkstelligt dat in een dergelijk geval de wilsrechten van de kinderen op de echtelijke woning na verwerving van de nieuwe, vervangende, woning ook met betrekking tot die woning kunnen worden uitgeoefend.

  1594. Artikel 25 1. In lid 1 wordt een toerekening volgorde gegeven, waarvan overigens kan worden afgeweken. Bij de uitoefening van de bloot-eigendomswilsrechten (artikelen 19 en 21) wordt bij de overdracht van goederen het feit dat een vruchtgebruik wordt voorbehouden, weggedacht. Dit past bij het gegeven dat wordt overgedragen op in beginsel niet-opeisbare vorderingen. 2. Lid 2 beoogt te bewerkstelligen dat, wanneer een kind zijn wilsrecht wil uitoefenen, de andere kinderen die ook een wilsrecht hebben daarvan tijdig op de hoogte zijn. Zij zijn daardoor in de gelegenheid te bezien of zij dit zelf ook wensen. Weliswaar gaat hun wilsrecht niet teniet zolang de ouder aan hen geen termijn stelt voor de uitoefening (lid 3), maar ten aanzien van goederen die aan een mede-erfgenaam zijn overgedragen is uitoefening wel feitelijk onmogelijk. Er is van afgezien in de wet een concrete termijn op te nemen voor het op de hoogte stellen van de mede-erfgenamen, omdat het te zeer van de omstandigheden van het geval zal afhangen welke termijn in concreto redelijk is. Nietigheid, indien het voorschrift niet zou zijn nageleefd, zou een te zware sanctie zijn. De formulering van de bepaling houdt hiermee rekening. 3. Lid 3 geeft degene jegens wie een wilsrecht is ontstaan de mogelijkheid zich duidelijkheid te verschaffen over de vraag of het wilsrecht zal worden uitgeoefend. Hiertoe kan aan de kinderen een redelijke termijn worden gesteld. Nietigheid, indien de tweede volzin van lid 3 niet is gevolgd, is ook hier niet beoogd. 4. Blijkens lid 4 zal uiteindelijk de rechter kunnen beslissen over geschillen omtrent een over te dragen goed. De rechter zal desverzocht beslissen, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van echtgenoot en kind, of de onderscheiden belangen van de kinderen onderling. De rechter heeft bij zijn beslissing een ruime marge. Zo zal hij, indien hem blijkt dat meer dan een kind hetzelfde goed wenst, ook kunnen beslissen dat dit aan hen gezamenlijk zal toebehoren (geregeld in titel 7 van Boek 3). Met het belang van de echtgenoot wordt mede rekening gehouden doordat hem of haar desgewenst vruchtgebruik over het desbetreffende goed zal toekomen. Op dit vruchtgebruik is titel 8 van Boek 3 BW in hoofdzaak van toepassing. Zie ook artikel 23 en de toelichting daarop. 5. Lid 5 geeft aan dat de niet-opeisbare geldvordering overdraagbaar is. Wordt die vordering overgedragen, dan komt aan de derde-verkrijger (waaronder ook een mede-erfgenaam) het wilsrecht niet toe. 6. De mogelijkheid om bij uiterste wilsbeschikking van de wilsrechten af te wijken, is in lid 6 uitdrukkelijk neergelegd. De verplichtingen uit artikel 19 kan bijvoorbeeld aldus worden uitgebreid dat de aan de echtgenoot van de erflater toekomende bevoegdheid om zich bij overdracht van een goed daarop een vruchtgebruik voor te behouden, wordt uitgesloten. Beperking is ook in die zin mogelijk, dat bijvoorbeeld door de erflater goederen worden aangeduid die niet zijn onderworpen aan de werking van de wilsrechten. 2024 -615- No. 164

  1595. Artikel 26 1. De bepaling van lid 1 beoogt een praktische regeling te geven voor het geval dat aan een kind een wilsrecht toekomt en dit kind nog minderjarig is. Benoeming van een bijzondere curator op de voet van artikel 1:250 is in de regel niet nodig, omdat de wettelijke vertegenwoordiger verplicht zal zijn een gemotiveerd voorstel omtrent de uitoefening van een wilsrecht aan de rechter ter goedkeuring voor te leggen. De rechter kan aan deze goedkeuring voorwaarden verbinden (bijvoorbeeld dat enigerlei vorm van zekerheid wordt gesteld, indien van het wilsrecht wordt afgezien). De rechter kan ook een eigen beslissing geven, bijvoorbeeld indien het voorstel van de wettelijke vertegenwoordiger niet aanvaardbaar blijkt. De wettelijke vertegenwoordiger zal ook door de voorlichting van de notaris, wanneer deze gevraagd wordt een verklaring van erfrecht af te geven, van de verplichting op de hoogte worden gesteld. Het wilsrecht is een vermogensrechtelijke bevoegdheid, dat derhalve onder het bewind valt van de ouder die na overlijden het gezag alleen uitoefent, of van de voogd. Komt de ouder of de voogd zijn verplichting niet na, dan kan dit leiden tot aansprakelijkheid wegens slecht bewind (artikel 1:253j respectievelijk artikel 1:362). De rechter kan ervan op de hoogte zijn dat een wettelijke vertegenwoordiger de verplichting van artikel 26 heeft, door de inlichtingen die hij op de voet van de artikelen 1:48 en 1:342 lid 2, van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ontvanger verkrijgt. Het kan voorkomen, dat een kind bij het overlijden van de erflater geen wettelijke vertegenwoordiger heeft. De erflater was bijvoorbeeld eerder gescheiden en oefende het gezag alleen uit. In dat geval begint de termijn van zes maanden te lopen vanaf de dag van de benoeming, dus van de voorziening in het gezag over de minderjarige. 2. In lid 2 wordt een overeenkomstige regel gegeven voor het geval het kind aan wie een wilsrecht toekomt, meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft. Indien met goedkeuring van de rechter van uitoefening van een wilsrecht is afgezien, vervalt het wilsrecht, tenzij de rechter anders bepaalt (lid 3). Zo zal de rechter onder omstandigheden kunnen goedkeuren dat van uitoefening van een wilsrecht voorlopig wordt afgezien, zonder dat het wilsrecht teniet gaat.

  1596. Artikel 27 Het komt in de praktijk voor dat ouders een stiefkind ook voor het erfrecht zoveel als mogelijk gelijk met hun eigen kinderen wensen te behandelen. Artikel 27 opent de mogelijkheid om stiefkinderen in de wettelijke verdeling te betrekken (hetgeen, indien daarnaast althans geen expliciete erfstelling van het stiefkind heeft plaatsgevonden, dient te worden opgevat als een impliciete erfstelling van het stiefkind). Deze voorziening gaat verder dan onder een testamentaire ouderlijke boedelverdeling mogelijk is, maar wordt uit een oogpunt van gelijke behandeling wenselijk geacht. De bepaling brengt mee dat een stiefkind derhalve in de daarvoor geëigende omstandigheden evenals een eigen kind van de erflater recht kan verkrijgen op overdracht van goederen uit de nalatenschap. Met het oog op het niet-dwingende karakter van afdeling 1 is het de erflater echter mogelijk gemaakt ook op dit punt afwijkende beschikkingen te treffen, waardoor bijvoorbeeld een stiefkind niet of slechts ten dele van de wilsrechten zal kunnen profiteren. Tenslotte is bepaald dat ook ten aanzien van het stiefkind plaatsvervulling door diens afstammelingen mogelijk is.

  1597. Artikel 27a Denkbaar is dat na enige tijd een kind van de erflater opduikt die niet tevens kind is van de langstlevende echtgenoot. Afdeling 1 is dan in beginsel niet van toepassing (artikel 13 lid 1). Hetzelfde doet zich voor als na enige tijd een testament wordt ontdekt (dat bijvoorbeeld in het buitenland was gemaakt). Het onderhavige artikel – dat is ontleend aan artikel 1:202, leden 2 en 3, artikel 206, leden 2 en 3 en artikel 3:45 lid 3 – is in het belang van de rechtszekerheid opgenomen. Derden te goeder trouw worden beschermd en de langstlevende echtgenoot hoeft niet terug te geven wat inmiddels is verteerd. 2024 -616- No. 164

  1598. Artikel 27b Het is redelijk dat indien, op verzoek door of voor een buiten huwelijk geboren niet-erkend kind, pas na het overlijden van de verwekker een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt uitgesproken, de wettelijke verdeling onaangetast blijft ook al is door de terugwerking van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet meer voldaan aan de in artikel 13 lid 1, gestelde eis dat alle kinderen van de erflater ook kind zijn van de langstlevende echtgenoot. Vergelijk ten aanzien van een postume gerechtelijke vaststelling ook artikel 1:207a.

  1599. Artikel 27c Deze versoepeling is aangebracht naar aanleiding van beschouwingen van Schols in het themanummer van WPNR (’Een tropisch nieuw BW’), WPNR 6807 (2009), p. 650-651. Aldus wordt aangesloten bij wat op Caraïbische eilanden geldt naar Anglo-Amerikaans recht. Over de termijnen in Boek 4, zie eerder Schols, WPNR 6717 (2007), p. 594-595. Afdeling 2. Andere wettelijke rechten

  1600. Artikel 28 1. Deze bepaling biedt de langstlevende echtgenoot en, ingevolge lid 2, eventuele huisgenoten de gelegenheid na het overlijden zonder onmiddellijke zorg over huisvesting zich in te stellen op de nieuwe situatie na het overlijden. Gedurende negen maanden bestaat van rechtswege een recht op voortgezette bewoning en voortgezet gebruik van de inboedel. Een termijn van negen maanden wordt ook gesteld in artikel 1:165 (na echtscheiding). Het gaat hier om een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot (lid 3; zie ook artikel 13 lid 5). Zie overigens ook het overnamerecht van artikel 1:101. Het begrip inboedel is gedefinieerd in artikel 3:5. 2. De aanspraak van de langstlevende echtgenoot bestaat uitsluitend jegens de erfgenamen, dus niet jegens derden. Had bijvoorbeeld de erflater een woning van een derde in vruchtgebruik (inclusief recht van gebruik en bewoning), dan is dat recht met het overlijden geëindigd en kan artikel 28 geen toepassing vinden. 3. Wat betreft een huurrecht geldt dat ingevolge het ontwerp-Boek 7 de langstlevende echtgenoot van rechtswege medehuurder was tijdens het huwelijk (artikel 7:243 lid 1) en dus aldus bescherming geniet.

  1601. Artikel 29 1. Dit artikel 29 en het volgende artikel 30 regelen dwingendrechtelijk (zie artikel 41) een tweetal verzorgingsvruchtgebruiken van de langstlevende echtgenoot (mits niet van tafel en bed gescheiden: zie artikel 28 lid 3). Doordat, anders dan in Nederland, de toepasselijkheid van afdeling 1 van titel 3 in beginsel beperkt is tot de situatie dat de langstlevende echtgenoot ook de ouder is van de kinderen van de erflater, vervullen de artikelen 29 en 30 in Suriname een belangrijker rol dan in Nederland. 2. In dit artikel 29 wordt aan de echtgenoot een wettelijk recht op vruchtgebruik toegekend op de woning die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, alsmede op de inboedel. Een van de voorbeelden waaraan men kan denken bij alleen bewonen door de echtgenoot is de situatie dat de erflater ten tijde van zijn overlijden in een verpleeghuis verbleef en de echtgenoot nog in de woning. De bepaling gaat uit van de veronderstelling dat de langstlevende in het algemeen voor zijn verzorging behoefte zal hebben aan het gebruik van de woning en inboedel. Indien zulks in werkelijkheid niet het geval is, kunnen de erfgenamen via de rechter de langstlevende echtgenoot de aanspraak op het verzorgingsvruchtgebruik doen ontzeggen (lid 1; zie in het bijzonder ook artikel 33, leden 2 en 5). 2024 -617- No. 164 3. De bepaling is toepasselijk voor zover de echtgenoot niet de enige rechthebbende op de woning en inboedel is. Het vruchtgebruik dient overeenkomstig artikel 3:202 te worden gevestigd. Het onderhavige artikel 29 verplicht de erfgenamen tot medewerking hieraan. Reële executie van deze verplichting is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:300 mogelijk. Ten aanzien van de aanspraak op het verzorgingsvruchtgebruik geldt een vervaltermijn (artikel 31 lid 2); en ten aanzien van de rechtsvordering tot vestiging een verjaringstermijn (artikel 31 lid 3). Zie ook de andere in de artikelen 31 tot en met 34 gestelde nadere regels. 4. Ingevolge lid 2 zijn de erfgenamen gedurende de vervaltermijn van maximaal negen maanden (artikel 31 lid 2) beschikkingsonbevoegd ten aanzien van bedoelde woning en inboedel. De bepaling verhindert niet uitwinning door schuldeisers ten aanzien van de in artikel 7 lid 1, onderdelen a tot en met f, genoemde schulden. 5. Ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de erfgenamen kunnen legatarissen of door een last bevoordeelden goederen hebben verkregen (zie artikel 3:86). Daarom verplicht lid 3 van het onderhavige artikel 29 ook hen aan een verzorgingsvruchtgebruik mee te werken. Ten aanzien van een begiftigde bij dode (e.a.), zie artikel 126.

  1602. Artikel 30 1. Artikel 29 verschaft aan de langstlevende echtgenoot in beginsel een aanspraak op een verzorgingsvruchtgebruik ten aanzien van woning en inboedel; de echtgenoot wordt verondersteld daaraan behoefte te hebben (in artikel 29 ontbreken de woorden ‘voor zover de echtgenoot daaraan … behoefte heeft’; wel is artikel 33 toepasselijk). Het onderhavige artikel 30 betreft de overige goederen van de nalatenschap. Uit artikel 30a vloeit voort dat indien de langstlevende echtgenoot afgezien van huisvestingskosten een inkomen op minimumniveau heeft, de langstlevende echtgenoot geacht wordt aan het verzorgingsvruchtgebruik op de overige goederen behoefte te hebben; in zoverre geldt dan hetzelfde als voor de woning en inboedel. Voor het overige zal de langstlevende echtgenoot moeten aantonen dat aan een aanvullend vruchtgebruik op deze goederen behoefte is; daarbij zal tevens moeten worden gelet op in redelijkheid te verwachten toekomstige ontwikkelingen (HR 8-6-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2507, NJ 2008, 210). Bij artikel 29 is al uiteengezet dat de artikelen 29 en 30 in Suriname een belangrijker functie hebben dan in Nederland waar ook een stiefouder door afdeling 1 van titel 3 beschermd wordt. Zie ook de artikelen 31 tot en met 34. 2. Het criterium van de verzorging van de echtgenoot zelf wordt in lid 1 uitgebreid met dat van de verplichting tot verzorging en opvoeding van kinderen van de overledene, welke overeenkomstig artikel 35 lid 2, op de echtgenoot rust: zonder deze uitbreiding zou deze die verplichting wellicht niet op zich kunnen nemen en zou het kind aanspraak moeten maken op een som ineens, met de daaraan nu eenmaal verbonden bezwaren. Ten aanzien van de aanspraak op het verzorgingsvruchtgebruik geldt een vervaltermijn (artikel 31 lid 2); en ten aanzien van de rechtsvordering tot vestiging een verjaringstermijn (artikel 31 lid 3). Zie ook de andere in de artikelen 30a tot en met 34 gestelde nadere regels. 3. Bij de woning en inboedelgoederen kon in artikel 29 lid 2 een beschikkingsverbod worden gesteld zolang de termijn loopt. Zo'n verbod past niet in dit artikel, dat in beginsel op alle goederen der nalatenschap betrekking heeft. Vandaar dat lid 2 niet voorziet in een zodanig verbod, doch een regel van zaaksvervanging – analoog aan die van artikel 3:167 voor de gemeenschap – stelt. 4. Lid 3 heeft dezelfde strekking als lid 3 van artikel 29. De volgende drie leden geven enige richtlijnen voor de aanwijzing van goederen waarop het vruchtgebruik zal komen te rusten. Lid 4 stelt voorop de bevoegdheid van de erflater om ten deze regels te geven bij uiterste wil. Lid 5 neemt legaten en lasten zoveel mogelijk in bescherming, en daaronder in de eerste plaats die welke als voldoening aan een natuurlijke verbintenis kunnen worden beschouwd (verg. ook artikel 37 lid 5). Lid 6 is ontleend aan artikel 3:185 lid 1, dat betrekking heeft op het vergelijkbare geval bij de verdeling van een gemeenschap. 2024 -618- No. 164 5. Lid 7 legt vast dat de echtgenoot niet straffeloos afstand kan doen van erfrechtelijke verkrijgingen om een beroep te kunnen doen op het vruchtgebruik krachtens het onderhavige artikel. Het slot van de eerste volzin verhindert dat de echtgenoot die slechts verzorgingsgoederen nodig acht, wordt gedwongen eerst ook een beroep op het vruchtgebruik van inboedelgoederen te doen. De tweede volzin stelt een mogelijke verkrijging uit sommenverzekering – men denke in het bijzonder aan levensverzekering – met een erfrechtelijke verkrijging gelijk.

  1603. Artikel 30a 1. Het is wenselijk, opdat men weet waaraan men toe is en ter vermijding van procedures, dat de wet een financiële inkomensgrens geeft waaronder de langstlevende echtgenoot in elk geval geacht wordt behoefte te hebben aan het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 30. In de regel zal het gaan om een stiefouder van de kinderen van de erflater, aangezien een langstlevende echtgenoot die tevens ouder is van de kinderen van de erflater, behoudens afwijkende regeling in een testament, de gehele nalatenschap zal verkrijgen op grond van afdeling 1 van de onderhavige titel 3 (artikelen 13 e.v.). 2. De inkomensgrens wordt in artikel 30a gesteld op een inkomen dat correspondeert met het wettelijk minimum uurloon (zie de Wet Minimum Uurloon van 9 september 2014, Staatsblad van de Republiek Suriname 2014, no. 112), na aftrek van eventuele huisvestingskosten als huur of hypotheekrente. Uiteraard heeft deze grens iets arbitrairs. Niets belet de langstlevende echtgenoot om aannemelijk te maken dat in de gegeven omstandigheden aan een hoger inkomen behoefte bestaat. Wel houde men in het oog dat het hier gaat om een ‘vangnet’; zie de toelichting bij artikel 33 lid 5.

  1604. Artikel 30b 1. In artikel 1:408b is de mogelijkheid geopend dat de rechter aan een persoon met wie een langdurig buitenhuwelijkse samenleving heeft bestaan recht op alimentatie toekent. Dit artikel luidt: ‘Hebben twee personen langdurig samengeleefd als waren zij gehuwd en is aan deze samenleving anders dan door de dood een einde gekomen, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, aan een van hen op diens verzoek ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het bepaalde omtrent een uitkering tot levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot is van overeenkomstige toepassing.’ 2. In het kader van de verbetering van de rechtspositie van de langstlevende echtgenoot, wordt thans ook een opening voorgesteld om tegemoet te komen aan de positie van een levensgezel met wie de erflater langdurig ongehuwd heeft samengeleefd. Vereist is een samenleving van ten minste tien jaar. Verder geldt als beperking dat de rechter slechts tot gelijkstelling met een langstlevende echtgenoot overgaat ‘indien dat redelijk is’ (idem artikel 1:408b). 3. Indien de erflater ook een echtgenoot achterlaat, kunnen eventueel zowel de echtgenoot als de levensgezel voordeel hebben van de onderhavige dwingendrechtelijke afdeling 2 van titel 3. Het voordeel van de levensgezel wordt in dit geval echter beperkt tot de door deze bewoonde woning met inboedel (artikelen 28 en 29).

  1605. Artikel 31 1. In dit artikel zijn enige bepalingen bijeengebracht, die zowel voor het vruchtgebruik van artikel 29 als voor dat van artikel 30 gelden. Verwezen wordt in lid 1 naar bepalingen van artikel 23 uit afdeling 1 van titel 3, betreffende het voorbehouden vruchtgebruik als gevolg van uitoefening van een wilsrecht. Belangrijk is dat de echtgenoot niet zonder meer de bevoegdheden tot vervreemding en vertering als bedoeld in artikel 3:215 heeft. Voor zover noodzakelijk in verband met de verzorgingsbehoefte, moeten deze door de rechter worden toegekend (artikel 23 lid 2). 2024 -619- No. 164 2. Steeds zal overigens artikel 33 van toepassing zijn, dat ontlasting of beperking van het vruchtgebruik krachtens rechterlijke beschikking mogelijk maakt; dit is een voorziening die een soepele aanpassing aan verandering van omstandigheden mogelijk maakt. Een spiegelbeeld van dit artikel, uitbreiding van het vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende over andere goederen der nalatenschap is niet wel te verwezenlijken en daarom niet voorgesteld. 3. De crediteuren bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdelen a tot en met f, kunnen verhaal uitoefenen zonder dat het vruchtgebruik aan hen kan worden tegengeworpen. Onder deze crediteuren vallen ook de somgerechtigde kinderen, genoemd in artikel 35; verg. ook artikel 29 lid 2. Wordt een goed waarop het vruchtgebruik rust, uitgewonnen door een schuldeiser tegen wie dat vruchtgebruik niet kan worden ingeroepen, dan is artikel 3:282 van toepassing, hetgeen betekent dat de vruchtgebruiker zoveel mogelijk bescherming vindt. Voorts komt de laatste volgens de laatste volzin van onderhavige lid 1 een voorrecht van uitwinning toe. 4. Van de echtgenoot mag worden verwacht en verlangd dat hij zich op korte termijn een mening kan vormen over de vraag, of hij prijs stelt op het vruchtgebruik van inboedelgoederen; vandaar dat het tweede lid hem slechts een termijn van uiterlijk negen maanden gunt om zich hierover uit te spreken. Een langere termijn is ook niet gewenst, daar het beraad blokkering van transacties met deze goederen meebrengt. Langer zal de echtgenoot echter nodig hebben, om zich te oriënteren over de vraag of hij een beroep op het verzorgingsvruchtgebruik zal doen. Daarvoor moet hij voldoende inzicht in de toestand van de boedel hebben, en zich voorts kunnen vergewissen van de houding van eventuele somgerechtigden. Anderzijds mag ook deze termijn niet te lang zijn, omdat anders de afwikkeling van de boedel te veel wordt vertraagd. Daarom is hier de termijn op uiterlijk een jaar en drie maanden gesteld. Dit brengt echter wel mee dat de echtgenoot, als hij beslist, en ook als hij eventueel zijn vordering moet instellen, eveneens ten opzichte van de somgerechtigden moet weten waar hij aan toe is. Vandaar dat artikel 37 lid 1 het recht op een som ineens bindt aan een verklaring binnen een termijn van een jaar. 5. Voorts weerspiegelt de verhouding van deze termijnen zich in die van de verjaringstermijnen: die van de rechtsvordering van de echtgenoot stelt het onderhavige artikel 31 lid 3, op een jaar en negen maanden, die van de rechtsvordering van de somgerechtigden is in artikel 37 lid 3, eerste volzin, op een jaar en zes maanden gesteld. 6. Ook wanneer de erflater zou hebben bepaald dat de langstlevende echtgenoot bij een overdracht van nalatenschapgoederen krachtens de wilsrechten van de artikelen 19 en 21 zich geen vruchtgebruik mag voorbehouden, kan een beroep op de artikelen 29 en 30 worden gedaan. Na een overdracht ingevolge deze wilsrechten is de echtgenoot immers ten gevolge van de uiterste wilsbeschikking van de erflater niet (langer) rechthebbende tot de in dat artikel bedoelde woning en inboedel, zodat op vestiging van vruchtgebruik aanspraak kan worden gemaakt jegens de erfgenamen (kinderen) die de goederen hebben verkregen. Ook artikel 30 kan in een zodanig geval toepassing vinden. Niet geheel ondenkbaar is echter dat in zo'n geval de verval- en verjaringstermijn van de leden 2 en 3 van artikel 31 inmiddels verstreken zijn. Daarom worden de bedoelde termijnen voor dat geval in lid 4 verlengd.

  1606. Artikel 32 1. Onwenselijk is als een echtgenoot door het rekken van de scheidingsprocedure het vooruitzicht op het verzorgingsvruchtgebruik kan veiligstellen. Het onderhavige artikel strekt ertoe dit tegen te gaan. Is de procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed langer dan een jaar voor het overlijden van de erflater aangevangen, dan vervalt in beginsel het recht op het verzorgingsvruchtgebruik. De meeste procedures kunnen binnen de genoemde termijn tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed hebben geleid. Met het oog op de rechtszekerheid wordt voorgesteld om het vooruitzicht op het verzorgingsrecht in elk geval gedurende deze termijn in stand te laten. 2024 -620- No. 164 2. Ingevolge de tweede volzin blijft het verzorgingsrecht ook nadien in stand in gevallen waarin de lange duur van de procedure niet in overwegende mate de langstlevende echtgenoot valt aan te rekenen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie dat de erflater hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking heeft ingesteld omdat hij zich met de vastgestelde verplichting tot verstrekking van levensonderhoud niet kon verenigen. Omgekeerd zal het zich ook kunnen voordoen dat de langstlevende echtgenoot zelf, op redelijke gronden, hoger beroep heeft ingesteld tegen een nevenvoorziening, hetgeen de langstlevende dan bezwaarlijk aan te rekenen valt. In zo'n geval zal echter de erflater de echtscheiding zelf veelal wel reeds hebben kunnen inschrijven, waardoor geen aanspraak op het verzorgingsrecht kan worden gemaakt. Ook is denkbaar dat partijen de procedure ‘op een laag pitje’ hebben gezet in verband met pogingen om tot verzoening te komen. Het zou niet redelijk zijn om ook in zo'n geval het verzorgingsrecht te onthouden.

  1607. Artikel 32a 1. Dit artikel sluit in beginsel de toepasselijkheid van de regeling van het verzorgingsvruchtgebruik uit voor korte kinderloze huwelijken (vergelijk ook artikel 1:157 lid 6). De dwingendrechtelijke vangnet- bescherming van de langstlevende echtgenoot, die ten koste gaat van de erfrechtelijke aanspraken van de overige erfgenamen, is dan onvoldoende gerechtvaardigd. Gedacht moet worden aan het geval dat de erflater voorkinderen achterlaat. Zijn er geen kinderen van de erflater, dan zal de echtgenoot in beginsel – bij ontbreken van een testament – enig erfgenaam zijn (artikel 10 lid 1). 2. De vangnet-bescherming geldt echter wel indien niet-toepasselijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Men denke aan het geval dat de erflater en de echtgenoot vóór hun korte huwelijk langdurig hebben samengewoond of dat de echtgenoot met het oog op het huwelijk een woning heeft opgegeven die niet kan worden teruggekregen of betaalde werkzaamheden waarvoor hetzelfde geldt. 3. Waren de erflater en de echtgenoot gehuwd in gemeenschap van goederen, dan heeft de echtgenoot uiteraard recht op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap; de andere helft valt in de nalatenschap en daarvan krijgt de echtgenoot in beginsel een kindsdeel. Uiteraard kan de erflater ook bij testament de echtgenoot goed hebben bedacht.

  1608. Artikel 33 1. Het vruchtgebruik van de artikelen 29 en 30 kan in alle gevallen niet alleen naar beneden worden bijgesteld (lid 1), maar ook worden beëindigd voor zover de echtgenoot daaraan voor zijn verzorging geen behoefte heeft (lid 2). Het vruchtgebruik zou bijvoorbeeld in geval van hertrouwen van de langstlevende echtgenoot kunnen worden beëindigd. Aldus kan een op de concrete omstandigheden toegesneden voorziening worden bereikt. Ook een beperking van de duur van het vruchtgebruik is mogelijk, indien de omstandigheden dat wenselijk maken. Voordelen van het vruchtgebruik zijn dus dat het kan voorzien in waar de langstlevende in de meeste gevallen behoefte aan heeft: het voortgezet gebruik van goederen, alsmede dat het slechts gaat om een tijdelijk gebruik dat ten laste van de nalatenschap komt. Voordeel is verder dat bij het bepalen van de goederen die voor vruchtgebruik in aanmerking komen, een globale benadering mogelijk is, waardoor ook niet gevreesd hoeft te worden voor al te veel procedures zoals over alimentatie tussen ex-echtgenoten. 2. Als vuistregel kan ervan worden uitgegaan dat de langstlevende echtgenoot behoefte heeft aan voortgezet gebruik van de woning en de inboedel, zeker als deze ook nog dienst doet als woning voor het overblijvende gezin. Dit zal bijvoorbeeld anders kunnen zijn wanneer de langstlevende echtgenoot alleen achterblijft in een heel grote woning. In dergelijke omstandigheden kan de echtgenoot niet steeds verwachten het gebruik daarvan ongewijzigd en voor onbepaalde tijd te mogen voortzetten. Ook de leeftijd van de betrokkene kan van belang zijn: is de langstlevende echtgenoot nog jong, dan zal er in veel gevallen vanuit mogen worden gegaan dat deze op zeker moment zelf in eigen huisvesting kan voorzien. Een beperking van de duur van het vruchtgebruik kan dan passend zijn. Eveneens zal als vuistregel aangenomen kunnen worden dat vruchtgebruik van andere goederen dan de woning en de inboedel niet 2024 -621- No. 164 aan de orde zal zijn indien door middel van een pensioen een passend inkomen verzekerd is. Ook zal terdege rekening gehouden moeten worden met de mogelijkheid dat de langstlevende zelf in voldoende mate inkomsten kan verwerven. Bij gebreke daarvan is aanvulling denkbaar met een vruchtgebruik van bepaalde nalatenschapgoederen, zo nodig met verteringsbevoegdheid. In het oog dient echter gehouden te worden dat verregaande inperking van de beschikkingsvrijheid van de erflater niet zonder goede grond dient plaats te vinden. 3. Direct na verschaffing van vruchtgebruik kan beëindiging daarvan worden gevraagd, maar de erfgenamen kunnen de echtgenoot ook bij voorbaat, nog voordat het vruchtgebruik is gevestigd, de aanspraak op vruchtgebruik doen ontzeggen. Deze mogelijkheid is vooral nuttig als aanstonds duidelijk is dat het vruchtgebruik voor de verzorging van de echtgenoot niet nodig is. Wel zullen de erfgenamen de echtgenoot eerst ingevolge artikel 31 lid 2 in de gelegenheid dienen te stellen zich over het vruchtgebruik uit te spreken. Het is zinvol dat ontzegging van het vruchtgebruik mede aan de orde kan komen in het kader van het verweer tegen een door de langstlevende echtgenoot ingestelde rechtsvordering tot vestiging van zodanig vruchtgebruik (lid 4). 4. De positie van de echtgenoot is overigens voor de toepassing van artikel 29 anders dan voor de toepassing van artikel 30, tenzij artikel 30a van toepassing is. Om aanspraak te kunnen maken op een vruchtgebruik van de woning en de inboedel (artikel 29) hoeft de echtgenoot niet bij voorbaat aannemelijk te maken dat het vruchtgebruik nodig is voor zijn verzorging. Als de erfgenamen bezwaar hebben tegen vestiging van het vruchtgebruik, zullen zij in de procedure ingevolge artikel 33 lid 2 onderdeel a, moeten aangeven waarom woning en/of inboedel voor een passende verzorging niet nodig zijn. Gaat het om een vruchtgebruik van andere goederen, waarop artikel 30 betrekking heeft, dan dient blijkens de redactie van artikel 30 de echtgenoot zo nodig de verzorgingsbehoefte aannemelijk te maken. Het gaat hier derhalve om een verschil in bewijslast, behalve als artikel 30a van toepassing is. 5. De grond voor opheffing van de verplichting van de rechthebbende tot medewerking aan vestiging van vruchtgebruik kan bijvoorbeeld ook aan de orde komen in verband met een conservatoir beslag ter verkrijging van levering van het vruchtgebruik (artikel 730 Rv). De formulering van lid 4 is deels ontleend aan artikel 3:51 lid 3. 6. De langstlevende kan aanspraak maken op een passende voorziening, doch dit is niet hetzelfde als een aanspraak om onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen te kunnen voortzetten. Gegeven de beperkte strekking van de andere wettelijke rechten van afdeling 2 van titel 3, te weten het bieden van een vangnet aan de echtgenoot in gevallen dat diens verzorging anderszins niet is gewaarborgd, dient de verzorgingsbehoefte in deze afdeling beperkter te worden opgevat dan in afdeling 1 van titel 3. Met het oog op meer duidelijkheid hierover zijn in lid 5 elementen opgenomen die voor de bepaling van de verzorgingsbehoefte relevant zijn. Het gaat hier om een niet-limitatieve opsomming. 7. De leeftijd van de echtgenoot (onderdeel a) kan van belang zijn, bijvoorbeeld in die zin dat naarmate de echtgenoot jonger is, er over het algemeen meer mogelijkheden zijn om zelf in de verzorging te voorzien. De samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort (onderdeel b) kan bijvoorbeeld van betekenis zijn als de huisgenoten ook bijdragen aan gemeenschappelijke kosten. Omgekeerd kunnen bijvoorbeeld ook kosten die de echtgenoot maakt ten behoeve van tot zijn huishouding behorende kinderen de verzorgingsbehoefte mede bepalen. Onderdeel c bepaalt dat de rechter rekening dient te houden met andere bronnen voor de verzorging van de echtgenoot. Het gaat daarbij niet slechts om feitelijk aanwezige bronnen, maar bijvoorbeeld ook om arbeidsinkomsten die de echtgenoot zich in redelijkheid, mede gezien diens leeftijd en opleiding, kan verwerven. Bij eigen vermogen moet mede gedacht worden aan aanspraken uit sommenverzekeringen. Met andere middelen of voorzieningen wordt bijvoorbeeld gedoeld op een wettelijk algemeen nabestaandenpensioen. Dat daaronder geen onderstand is te begrijpen ligt gezien het subsidiaire karakter daarvan voor de hand. 2024 -622- No. 164 8. Uit onderdeel d, dat spreekt van een passend verzorgingsniveau, komt naar voren dat een beperktere reikwijdte is beoogd dan het zoveel mogelijk voortleven als voorheen, dat in afdeling 1 van titel 3 voorop staat. Wat passend is, zal van geval tot geval kunnen verschillen en mede afhankelijk kunnen zijn van factoren als genoemd in de onderdelen a en b, alsmede van de maatschappelijke positie van de echtgenoot. Uitgangspunt is wel dat een stap terug na het overlijden van de echtgenoot in vele gevallen, evenals na echtscheiding, onvermijdelijk is. Niet uitgesloten is ook dat een passend verzorgingsniveau de eerste tijd na het overlijden van de erflater wat hoger ligt dan nadien, hetgeen onder omstandigheden een zekere afbouw van het verzorgingsrecht kan rechtvaardigen. 9. In onderdeel e is een verwijzing naar artikel 30a opgenomen. In Nederland ontbreekt deze, aangezien ook artikel 30a in Nederland ontbreekt (zie de toelichting bij dat artikel). Bij een gemiddeld maandelijks inkomen lager dan het in artikel 30a genoemde bedrag zal de rechter in elk geval een behoefte aan het in artikel 30 bedoelde verzorgingsvruchtgebruik moeten aannemen, althans tot hoogte van dat bedrag. Artikelen 34 tot en met 34e 1. Deze artikelen regelen de inkorting van giften waartoe de langstlevende echtgenoot kan overgaan voor zover deze uit de nalatenschap onvoldoende in vruchtgebruik kan verkrijgen voor zijn verzorging. Opgemerkt zij dat de somgerechtigde kinderen van artikel 35 voorgaan boven de echtgenoot, zodat de aanwezigheid van rechten op sommen ineens de echtgenoot kan nopen om tot inkorting over te gaan. 2. De onderhavige regeling wordt in artikel 37 lid 6, van overeenkomstige toepassing verklaard op de inkortingsmogelijkheid van somgerechtigden. 3. In artikel 4:34 lid 1, Ned.BW wordt verwezen naar artikelen betreffende inkorting door een legitimaris (artikelen 4:89, leden 2 en 3, 4:90, leden 1 en 3, 4:66, 4:68 en 4:69 Ned. BW). Aangezien het onderhavige ontwerp de legitieme portie niet kent, zijn deze bepalingen uitgeschreven in de artikelen 34a tot en met 34e. Artikel 34a correspondeert met artikel 4:89 lid 2, Ned.BW jo artikel 4:67 Ned.BW, en artikel 4:89 lid 3, Ned.BW; artikel 34b met artikel 90, leden 1 en 3, Ned.BW; artikel 34c met 4:66 Ned.BW; artikel 34d met artikel 68 Ned. BW; en artikel 34e met artikel 69 Ned.BW. 4. De derde volzin van lid 1 van artikel 4:34 Ned.BW is niet overgenomen aangezien de legitieme portie ontbreekt. Derhalve wordt in lid 2 gesproken van ‘bevoegdheid’ in plaats van ‘bevoegdheden’ zoals in de Nederlandse tekst. 5. In lid 2 zijn de gevolgen van de inkorting geregeld. De tweede volzin verklaart een aantal leden van artikel 23 van overeenkomstige toepassing, waardoor de echtgenoot bijvoorbeeld, zo nodig, de rechter zal kunnen verzoeken om een verteringsbevoegdheid vast te stellen met betrekking tot hetgeen de echtgenoot in vruchtgebruik verkrijgt. Lid 6 van artikel 23 dient niet van overeenkomstige toepassing te zijn, omdat nalatenschapschuldeisers zich in het geheel niet zullen kunnen verhalen op hetgeen de echtgenoot door inkorting in vruchtgebruik verkrijgt. 6. Voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft, kan een verzorgingsvruchtgebruik betrekking hebben op alle goederen van de nalatenschap en alle geldsommen betreffen waarvoor giften kunnen worden ingekort (artikel 34 lid 3), met dien verstande dat dit vruchtgebruik niet kan worden ingeroepen tegen schuldeisers ter zake van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1, onderdelen a tot en met f (artikel 31 lid 1, tweede en derde volzin). Ingevolge artikel 34, lid 4, bestaat een geschillenregeling. 2024 -623- No. 164

  1609. Artikel 35 1. Op de onderhavige som ineens van een minderjarig of meerderjarig kind (tot uiterlijk de een en twintigjarige leeftijd) zal geen beroep gedaan worden indien de langstlevende echtgenoot ouder van het kind is, omdat dan op hem de verplichting tot levensonderhoud blijft rusten. Is echter afdeling 1 ook van toepassing ten behoeve van een stiefouder van het kind, dan kan zulks meebrengen dat het levensonderhoud van het kind in de knel komt als hem geen eigen terstond geldend te maken aanspraak wordt toegekend. Artikel 35 is, met de overige bepalingen van deze titel, van dwingend recht (artikel 41). Er kan dus niet van worden afgeweken bij testament. Men lette overigens op de term ‘voor zover’ in lid 1 en tweemaal in lid 2, die het mogelijk maakt met de draagkracht van de onderhoudsplichtige rekening te houden. 2. Wat betreft het buitenhuwelijkse niet-erkende kind geeft het huidige artikel 342i BW ook reeds recht op een som ineens. Lid 3 heeft dezelfde strekking als artikel 30 lid 7. Zie voorts artikel 37.

  1610. Artikel 36 Mede gelet op het vervallen van de legitieme portie is het van belang dat aan de meerderjarige kinderen die zonder behoorlijke vergoeding geruime tijd voor hun ouders arbeid hebben verricht een billijke vergoeding toekomt (uitgesteld inkomen, ‘salaire differé’). De som ineens wordt verminderd met hetgeen het kind verkrijgt uit de nalatenschap voor zover die verkrijging kan worden gezien als een beloning voor de werkzaamheden (lid 2). Zie ook het overnamerecht van artikel 38. De regeling van alle ‘andere wettelijke rechten’ van de onderhavige afdeling 2 is van dwingend recht (artikel 41).

  1611. Artikel 37 1. In de leden 1 tot en met lid 3 worden verval- en verjaringstermijnen gegeven; men vergelijke de toelichting bij artikel 32, leden 2 en 3. Anders dan in Nederland wordt geen maximum aan de sommen ineens gesteld (Nederlandse artikel 37 lid 4: de helft van de waarde der nalatenschap). In dit verband bedenke men dat in het onderhavige ontwerp de kinderen geen legitieme portie hebben. In het onderhavige ontwerp kunnen de somgerechtigde kinderen ook giften inkorten (lid 6). 2. In lid 5 van de Nederlandse pendant (artikel 4:37 lid 5, Ned.BW) is verwezen naar artikel 87 lid 2, tweede volzin, Ned. BW inzake de inkorting door een legitimaris. Aangezien in het onderhavige ontwerp de legitieme portie niet voorkomt, is deze bepaling in lid 5 uitgeschreven.

  1612. Artikel 38 1. Dit artikel kent aan een kind of stiefkind (lid 1) en de echtgenoot van de erflater (lid 5) het recht toe tot de nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf tegen een redelijke prijs over te nemen. Derden hebben met de regeling rekening te houden. Indien zij in dit artikel bedoelde goederen verkrijgen en het bedrijf of beroep wordt voortgezet, kan ook van deze derden overdracht gevorderd worden. 2. In lid 1 wordt gesproken over goederen die dienstbaar waren aan een beroep of bedrijf. Men dient hier te denken aan goederen die een functie in de beroeps- of bedrijfsuitoefening hebben. Zo is bijvoorbeeld een verhuurd huis dat tot het bedrijf behoort maar dat geen functie in de bedrijfsuitoefening heeft, niet dienstbaar aan het bedrijf. 3. Indien volgens de bepaling aanspraak wordt gemaakt op voortzetting van het beroep of bedrijf is uiteindelijk de rechter geroepen uit te maken of voortzetting in de rede ligt en daarnaast ook wie van de mogelijk belangstellenden voor voortzetting in aanmerking komt. Bij deze vragen is aan de rechter een grote mate van beoordelingsvrijheid toegedacht. Hij kan ook nadere regelingen treffen, bijvoorbeeld indien de echtgenoot het bedrijf samen met een kind gaat voortzetten. 2024 -624- No. 164 4. Van het stellen van de eis dat de erflater het bedrijf tot zijn overlijden moet hebben uitgeoefend, is afgezien. Ook als de erflater bijvoorbeeld door ziekte reeds voor zijn overlijden het bedrijf niet meer uitoefende, dient overdracht van bedrijfsgoederen bij voortzetting door bijvoorbeeld een kind mogelijk te zijn. Niet gevreesd hoeft te worden dat de rechter zal verplichten tot overdracht van goederen die behoren tot een bedrijf dat de erflater reeds lang aan een derde heeft overgedragen. In dat geval kan immers niet gesproken worden van voortzetting van het bedrijf van de erflater. 5. De overnameprijs dient redelijk te zijn in de zin dat het niet onmogelijk moet zijn het bedrijf voort te zetten. Uiteindelijk beslist in geval van geschil ook hier de rechter. 6. Lid 2 geeft een voorziening voor het geval de erflater bestuurder was van een NV en hij alleen of tezamen met de medebestuurders de meerderheid van de aandelen hield. Als het kind of diens echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is of na het overlijden de positie als bestuurder van de erflater voortzet, is het bepaalde in lid 1 van overeenkomstige toepassing. Ook als de erflater reeds voor zijn overlijden als bestuurder is teruggetreden, kan lid 2 onder omstandigheden worden toegepast. Door lid 3 staat vast dat voortzetting in het kader van lid 2 alleen kan plaatsvinden indien de voortzetter daartoe ook statutair bevoegd is. Anders gezegd: een blokkeringsregeling moet zich niet tegen de overdracht der aandelen verzetten. 7. Lid 4 bevat in verband met de rechtszekerheid een vervaltermijn van een jaar en zes maanden na het overlijden.

  1613. Artikel 39 Degene die een aanspraak op een wettelijk recht als bedoeld in afdeling 2 van titel 3 kan maken, maar vanwege het ontbreken van erfgenaamschap geen toegang tot nalatenschapgegevens heeft, verkrijgt ingevolge dit artikel een aanspraak op informatie.

  1614. Artikel 40 In geval van vermoedelijk overlijden en de vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen, zoals geregeld in de afdelingen 2 en 3 van titel 18 van Boek 1 behoren termijnen die aanvangen met het overlijden van de erflater dan wel het openvallen van de nalatenschap, in plaats daarvan te lopen vanaf de dag dat de desbetreffende beschikkingen in kracht van gewijsde gaan. Voor de relevante termijnen in afdeling 2 van titel 3 is zulks bepaald in het onderhavige artikel. Een vergelijkbare bepaling is in afdeling 1 van titel 3 opgenomen in artikel 18 lid 4.

  1615. Artikel 40a Zie de toelichting bij artikel 27c.

  1616. Artikel 41 Met dit artikel wordt het dwingendrechtelijk karakter van deze afdeling tot uitdrukking gebracht. 2024 -625- No. 164 TITEL 4. UITERSTE WILLEN Afdeling 1. Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen

  1617. Artikel 42 1. De uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling in die zin, dat voor de geldigheid van de handeling de wilsverklaring van een persoon volgens de wet voldoende is. Ook als de erflater zelf zijn beschikking afhankelijk mocht hebben gesteld van de wilsverklaring van een ander, blijft de uiterste wilsbeschikking een eenzijdige rechtshandeling in de hier bedoelde zin. Het typerende van de uiterste wilsbeschikking is dat zij eerst werkt na het overlijden van degene die de rechtshandeling verricht; vóór het overlijden van de erflater wordt tussen hem en de bij uiterste wilsbeschikking bevoordeelde door de beschikking geen enkele rechtsband geschapen. 2. Naast dit materiële vereiste verlangt lid 1 dat de beschikking na overlijden in Boek 4 of elders in de wet geregeld moet zijn; men denke wat dat laatste betreft aan een insluitingsclausule (artikel 1:94 lid 3, tweede volzin, en artikel 1:121a) en de aanwijzing van een voogd over de nagelaten kinderen (artikel 1:292). Hier geldt dus een gesloten stelsel. Uiterste wilsbeschikkingen volgens Boek 4 zijn met name: erfstellingen, legaten, testamentaire lasten, door de wet toegestane beschikkingen in het kader van de wettelijke verdeling, het bewind en de executele. 3. In de definitie is niet meer opgenomen, dat de erflater zijn verklaring herroepelijk moet hebben afgelegd. De herroepelijkheid is in lid 2 tot een bijzondere voor testamenten geldende regel gemaakt. Mocht dus een erflater in zijn testament zijn beschikking voor onherroepelijk hebben verklaard, dan houdt de akte niet op een testament te zijn; de verklaring van onherroepelijkheid is echter als in strijd met lid 2 van dit artikel nietig. Herroeping kan uitdrukkelijk of stilzwijgend (bijvoorbeeld door een vervangende uiterste wilsbeschikking) geschieden. 4. Het hoogstpersoonlijke karakter van deze rechtshandeling, neergelegd in lid 3, brengt mede, dat een wettelijke vertegenwoordiger of een gevolmachtigde nimmer rechtsgeldig ten name van de vertegenwoordigde een uiterste wilsbeschikking kan maken. In het ontwerp behoort deze regel in de wet te staan, omdat titel 3 van Boek 3 BW ervan uitgaat dat in beginsel alle vermogensrechtelijke rechtshandelingen via een vertegenwoordiger kunnen worden verricht.

  1618. Artikel 43 1. Het is niet gewenst om binnen de ‘familiekring’ (in ruime zin) misbruik van omstandigheden als grond van vernietiging van uiterste wilsbeschikkingen te erkennen, omdat dit juist bij uiterste willen een voortdurende bron van processen zou zijn; degenen, die door een testament in hun verwachtingen zijn teleurgesteld, menen bijna steeds dat de bevoordeelden een onoorbare invloed hebben uitgeoefend om de erflater tot het maken van zijn uiterste wil te bewegen. Gaat het daarentegen om ‘buitenstaanders’ dan is – anders dan in Nederland – een beroep op misbruik van omstandigheden wel mogelijk. Zie ook de artikelen 57 tot en met 61 die dienen ter voorkoming van ongeoorloofde beïnvloeding van de testateur. De uitzondering in artikel 60 onder b is afgestemd op het onderhavige artikel 43 lid 1. 2. Misbruik van omstandigheden is volgens artikel 3:44 lid 4, aanwezig ‘wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het totstandkomen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.’ Het is uiteraard de taak van de notaris in het algemeen om te trachten – door goede voorlichting en advies – te vermijden dat bij het maken van een testament misbruik van omstandigheden zich voordoet. Gaat het om een buitenstaander en wordt (door de kinderen) beroep gedaan op misbruik van omstandigheden, dan geldt een omkering van de bewijslast (lid 1, tweede volzin). Deze omkering van de bewijslast is ontleend aan de regeling ter zake van een schenking of gift (artikelen 7:176 en 7:186). 2024 -626- No. 164 3. Lid 2 geeft aan, wanneer een uiterste wil op grond van een dwaling in de beweegreden kan worden vernietigd. In het ontwerp is dit beroep slechts in beperkte mate toegelaten: de onjuiste beweegreden (falsa causa) moet uit het testament zelf blijken; en bovendien moet vaststaan, dat de beschikking niet gemaakt zou zijn, wanneer de erflater beter was ingelicht. Een beweegreden is onjuist, wanneer een erflater tot een beschikking wordt bewogen door een omstandigheid, die hij ten onrechte als bestaande aanmerkt of die ontijdig opgehouden heeft te bestaan of door een verwachting, die niet in vervulling is gegaan. Van een dwaling in de beweegredenen is wel te onderscheiden een onjuiste aanduiding van een persoon of van een goed in een uiterste wil. Dit geval is geregeld in artikel 46 lid 3. Het is meer een geval van uitlegging van de uiterste wilsbeschikking dan van een grond van nietigheid of vernietigbaarheid wegens dwaling in de beweegredenen. 4. Lid 3 heeft betrekking op bevestiging door de erflater van een uiterste wilsbeschikking die is tot stand gekomen onder invloed van een wilsgebrek. Het gaat hier om een andere figuur dan de bevestiging, bedoeld in artikel 3:55 lid 1 die in geval van een uiterste wilsbeschikking uitsluitend kan plaats vinden na het overlijden door degene die als onmiddellijk belanghebbende tot vernietiging bevoegd was. Voor de bevestiging gelden geen vormvoorschriften.

  1619. Artikel 44 Een uiterste wilsbeschikking kan nietig zijn wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde, zowel wanneer daarmede in strijd is haar inhoud als haar beslissende grond. In overeenstemming met hetgeen in artikel 43 is bepaald, moet de beweegreden zelf in het testament zijn te vinden; haar beslissend karakter kan echter zo nodig door feiten buiten het testament staande worden bewezen.

  1620. Artikel 45 Lid 1 betreft de onmogelijke of ongeoorloofde voorwaarde of last. Lid 2 is als een toepassing van het in artikel 44 bepaalde te beschouwen. Slechts is hier niet alleen van een onzedelijke beweegreden sprake maar ook van een die onmogelijk is.

  1621. Artikel 46 1. Dit artikel geeft enige regels voor de uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen. Voorop staat de regel, dat men steeds bij de uitlegging dient rekening te houden met de verhoudingen, die de wil wenst te regelen, dus ook als die verhoudingen uit de wil zelf niet te kennen zijn. Of bijvoorbeeld een uiterste wilsbeschikking een bevestiging van het erfrecht bij versterf wil geven, dan wel daarbuiten wil treden, hangt in de eerste plaats af van de verwanten, die de erflater in leven heeft, iets wat niet uit het testament zelf te kennen is. Is de geroepene geen erfgenaam bij versterf, dan heeft de erflater ongetwijfeld van de erfopvolging bij versterf willen afwijken. Heeft de geroepene daarentegen een gelijk erfdeel bij versterf als het testament hem toekent, dan is de beschikking op zichzelf niet duidelijk en zal men uit de overige testamentaire bepalingen en, zo deze geen uitkomst geven, buiten de uiterste wil om, de bedoeling van de erflater vaststellen. 2. Lid 2 geeft dezelfde regel weer, die in het huidige recht aldus wordt uitgedrukt: ‘Indien de bewoordingen ener uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.’ Tegen de tegenwoordige redactie maakt men echter terecht het bezwaar, dat het dikwijls slechts afhangt van welke gegevens men bij zijn interpretatie gebruik maakt of men de woorden uit een testament voor duidelijk of onduidelijk moet verklaren. Vandaar dat het van meer gewicht is in de wet aan te geven welke gegevens men bij de uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen mag gebruiken. Uit lid 1 volgt dat de te regelen verhoudingen steeds bij de uitlegging te hulp geroepen mogen worden. Daarentegen mogen daden of verklaringen van de erflater, die niet in het testament zelf zijn vervat, slechts voor de uitlegging van de uiterste wil gebruikt worden wanneer deze daarzonder geen duidelijke zin heeft. 2024 -627- No. 164 3. Het laatste lid van het artikel geeft een regel van uitlegging, die noodzakelijk wordt door de veelal onvolkomen of onjuiste aanduiding van de persoon te wiens behoeve of van het goed waarover beschikt wordt. In dat geval mag steeds een uitlegging naar de bedoeling van de erflater met behulp van de uiterste wil of zelfs met andere gegevens plaatsvinden.

  1622. Artikel 47 1. Hier wordt als hoofdregel gesteld, dat, wanneer op het ogenblik van het overlijden van de erflater een door deze getroffen beschikking onmogelijk is geworden, de beschikking vervalt, zonder dat iets anders als surrogaat daarvoor in de plaats treedt. Deze regel is in het belang der rechtszekerheid gewenst; beschikkingen, die niet in de door de wet voorgeschreven vorm getroffen zijn, kunnen niet in aanmerking komen, ook al is de bedoeling om aldus te beschikken te bewijzen. 2. Op het beginsel wordt slechts een uitzondering gemaakt, wanneer de wet zelf dit doet (zie artikel 51) of uit het testament zelf de bedoeling is af te leiden om een andere beschikking in de plaats van de onmogelijk gewordene te doen treden. Zo kan bijvoorbeeld wanneer A na B tot een goed krachtens fideicommissaire substitutie geroepen wordt en de bezwaarde voor de erflater overleden is op grond van de klaarblijkelijke bedoeling van de erflater de als verwachter aangewezene als onmiddellijke erfgenaam worden beschouwd.

  1623. Artikel 48 1. Als algemene regel wordt in het onderhavige artikel gesteld dat indien onderscheiden personen bij eenzelfde uiterste wil tot de gehele nalatenschap, tot hetzelfde erfdeel of hetzelfde bepaalde goed geroepen worden en de uiterste wilsbeschikking ten opzichte van een hunner geen gevolg heeft, als regel aanwas ten behoeve van de overigen plaats vindt, wanneer ieder tot het geheel of ieder voor een gelijk deel geroepen wordt. Bij dit gelijke deel wordt geen onderscheid gemaakt of het deel al of niet met een breuk is aangeduid. Deze regel vindt dus ook plaats wanneer ieder der geroepenen een bepaald deel aangewezen is (1/2, 1/3 enz.). 2. Men denke hier aan vooroverlijden, verwerping of onwaardigheid van een hunner of aan het geval dat de uiterste wilsbeschikking jegens een hunner wegens het niet uitvoeren van een last is vervallen verklaard, een vernietiging heeft plaats gevonden of de uiterste wilsbeschikking nietig is wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde enz. 3. De aanwas ten behoeve der overige geroepenen is voorgeschreven, omdat deze als het meest met de bedoeling van de erflater overeenstemmend mag beschouwd worden. Hieruit volgt, dat zij niet mag worden toegepast telkens wanneer uit de uiterste wil van een tegenovergestelde bedoeling blijkt.

  1624. Artikel 49 1. In lid 1 wordt bepaald dat een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed dat bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, vervalt, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild. 2. Is uit de uiterste wil zelf af te leiden dat de erflater het legaat ook heeft willen maken voor het geval dat het gelegateerde bepaalde goed niet tot zijn nalatenschap behoort, dan betekent dit dat op de belaste erfgenaam de plicht rust zich het gelegateerde goed te verschaffen ten einde aan de beschikking uitvoering te kunnen geven. Blijkt echter dat het de erfgenaam niet mogelijk is zich van deze verplichting te kwijten of dat dit slechts ten koste van een onevenredig grote opoffering mogelijk zou zijn, dan ware het noch in de lijn van erflaters bedoeling dat het legaat toch vervalt, noch ook redelijk de erfgenaam voor wanprestatie aansprakelijk te stellen; de juiste oplossing is dan dat de erfgenaam gehouden is in plaats van het gelegateerde goed de waarde hiervan uit te keren (lid 2). Het spreekt vanzelf dat lid 2 niet toepasselijk is, wanneer de erflater blijkens zijn uiterste wil het hier bedoelde geval heeft voorzien en voor dat geval het legaat in het geheel niet heeft gewild. 2024 -628- No. 164 3. Volgens lid 3 wordt voor de toepassing van lid 1 een goed niet geacht tot de nalatenschap te behoren, indien op de erflater een verbintenis tot overdracht van dat goed rust, die niet met zijn dood teniet gaat. Men zal ermede willen instemmen, dat de derde, die aanspraak op levering kan maken, ook inderdaad geleverd krijgt. In de regel zal het niet stroken met hetgeen de erflater heeft bedoeld dat de legataris schadeloos moet worden gesteld.

  1625. Artikel 50 1. Lid 1 schrijft – overeenkomstig het huidige recht – voor dat beslissend is de staat van het gelegateerde goed ten tijde van overlijden. Lid 2 geeft de belangrijkste gevolgtrekking uit lid 1 het niet verplicht zijn van een erfgenaam om het gelegateerde goed te bevrijden van de beperkte rechten, ook niet van die de erflater daarop na het maken van het testament heeft gevestigd; men denke aan hypotheek, vruchtgebruik en erfdienstbaarheden. De regel van lid 1 ziet overigens niet alleen op de feitelijke, maar ook op de juridische staat van de gelegateerde zaak op het ogenblik van overlijden van de erflater. 2. Bij bedoeld beginsel sluit zich ook lid 3 aan. Wanneer een erflater een vorderingsrecht op de erfgenaam zelf aan een ander legateert, zou dit vorderingsrecht niettemin, omdat het krachtens artikel 182 bij het openvallen van de nalatenschap op de erfgenaam overgaat, door vermenging tenietgaan en dus niet meer vatbaar zijn voor overdracht aan de legataris ter uitvoering van het legaat. Daarom bepaalt het onderhavige lid 3 dat in dit geval geen vermenging intreedt. Hetzelfde geldt voor een legaat van een beperkt recht van de erflater op een goed van de erfgenaam, en omgekeerd ook voor het legaat van een goed van de erflater, waarop een beperkt recht van de erfgenaam rust.

  1626. Artikel 51 Dit artikel betreft een goed uit de door het overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap. Het is een voorbeeld van een afwijking van de regel van artikel 47 krachtens wettelijk voorschrift. Het artikel vindt toepassing zowel wanneer een goed uit de huwelijksgemeenschap voor het geheel als voor een deel vermaakt is; verder zowel wanneer het goed aan de andere echtgenoot door erfopvolging als door boedelscheiding is ten deel gevallen.

  1627. Artikel 52 1. De rechtspraak heeft zich over het algemeen in die zin ontwikkeld dat wanneer in een making bij de naam van degene te wiens voordele zij is gemaakt de aanduiding ‘echtgenoot’ of ‘aanstaande echtgenoot’ is geplaatst, hiermede de beslissende beweegreden van de making is aangegeven, en wel in die zin dat de erflater tot de beschikking is bewogen door de veronderstelling dat het huwelijk op het tijdstip van zijn dood nog in stand zou zijn. Het voorgestelde artikel bouwt op die ontwikkeling voort. Het beperkt zich niet tot de gevallen waarin in de akte van uiterste wil een zodanige aanduiding is opgenomen, zonder welke toepassing van artikel 43 niet mogelijk is. Het ontbreken van die aanduiding in de uiterste wil behoort niet beslissend te zijn; indien de bevoordeelde inderdaad op het tijdstip van het maken van de uiterste wil de verloofde of de echtgenoot van de erflater is, zal die hoedanigheid en de veronderstelling dat het huwelijk bestendig zal zijn, bijna altijd de beweegreden van de erflater zijn. 2. Echter behoort de testamentaire bevoordeling niet te vervallen, wanneer uit de uiterste wil is af te leiden dat de beslissende beweegreden tot het maken van de beschikking niet was gelegen in de veronderstelling dat het huwelijk of het voorgenomen huwelijk van erflater en bevoordeelde bij de dood van de erflater nog in stand zou zijn. De thans gebruikte term ‘is af te leiden’ komt ook voor in artikel 47 en artikel 49 lid 1.

  1628. Artikel 53 Dit artikel geeft een uitleg aan de in een uiterste wil gebruikte term naaste bloed(verwanten). Het gaat hier o m een wettelijk vermoeden, dat door tegenbewijs kan worden ontzenuwd. 2024 -629- No. 164

  1629. Artikel 54 Het onderhavige artikel bepaalt dat de bevoegdheid om een beroep te doen op een vernietigingsgrond met betrekking tot een uiterste wilsbeschikking verjaart één jaar nadat de dood van de erflater, de beschikking en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van degene die deze grond kan inroepen, dan wel zijn rechtsvoorganger. In de praktijk kan dit betekenen dat het aldus aan drie vereisten gekoppelde aanvangstijdstip zeer lang kan uitblijven. Aan de daaraan verbonden bezwaren is tegemoet gekomen door naast de eventueel pas zeer laat intredende verjaringstermijn nog een vervaltermijn in het leven te roepen van drie jaar, nadat de tot vernietiging bevoegde dan wel zijn rechtsvoorganger kennis heeft genomen van de dood van de erflater en van de beschikking. Dit artikel sluit aan bij de artikelen 3:52 en 3:53. Zie ook artikel 110 ten aanzien van een uiterste wil.

  1630. Artikel 55 1. Dit artikel bouwt voort op hetgeen in de titel Rechtshandelingen van Boek 3 BW in het algemeen omtrent geestelijke stoornis en handelingsonbekwaamheid is bepaald (zie de artikelen 3:32 tot en met 3:34). Dientengevolge kan iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk gestoord zijn geen uiterste wil maken indien dientengevolge een op een rechtsgevolg gerichte wil geheel ontbreekt, de stoornis in het algemeen een redelijke waardering der bij het testament betrokken belangen belet of een bepaalde verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. 2. Wat de handelingsonbekwamen betreft, deze kunnen in het algemeen volgens de algemene voor rechtshandelingen geldende regels geen geldige uiterste wil maken. Het artikel zondert hiervan echter uit de minderjarigen boven 16 jaar. 3. In lid 3 is aangesloten bij artikel 1:382. In de voorgestelde regeling is het de taak van de rechter om te beoordelen, eventueel na het inwinnen van een deskundigenbericht, of de curandus een redelijke waardering van de bij het maken van de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen belet (overeenkomstig artikel 3:34 lid 1). Indien dit niet het geval is, dan geeft de rechter zijn toestemming. De rechter kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld dat de notariële akte die de uiterste wil bevat binnen een bepaalde periode dient te zijn verleden, of dat de onderhandse akte die de uiterste wil bevat binnen een bepaalde periode aan de notaris ter hand dient te worden gesteld (zie artikel 94). De door de rechter verleende toestemming laat de mogelijkheid onverlet om de geldigheid van de uiterste wil aan te tasten met een beroep op artikel 3:33. 4. Artikel 55 wijkt wat betreft de curatele af van de Nederlandse pendant, dit in overeenstemming met wat in Boek 1 is geschied. Geen rekening wordt namelijk gehouden met de gronden van curatele. In het kader van Boek 1 is erop gewezen dat curatele bijna uitsluitend wordt ingesteld (mede) in verband met geestelijke stoornissen. Verslaving aan drugs leidt daar - al dan niet tijdelijk - toe. Hier komt bij dat drugsverslaafden zich regelmatig lenen voor schijnhuwelijken en schijnerkenningen. Dit geeft voldoende grond om geen onderscheid meer te maken, wat betreft de mate van handelingsonbekwaamheid, tussen enerzijds curatele wegens geestelijke stoornis en anderzijds curatele wegens verslaving of verkwisting. Wat betreft de curatele wegens verkwisting geldt nog dat deze zich zelden voordoet of het zou moeten zijn omdat ook sprake is van een verslaving. In artikel 1:382 is daarom bepaald dat een curandus, ongeacht de grond waarvoor de curatele is ingesteld, slechts familierechtelijke handelingen mag verrichten met toestemming van de kantonrechter. Het gaat hier onder meer om het aangaan van een huwelijk, een scheidingsverzoek (HR 28 maart 1980, NJ 1980, 378), de aantasting van het vaderschap en de erkenning van een kind. De rechter zal moeten beoordelen of de curandus voldoende in staat moet worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 2024 -630- No. 164

  1631. Artikel 56 1. Om voordeel te trekken uit een nalatenschap moet men bestaan; zie voor het versterferfrecht artikel 9 en voor het testamentaire erfrecht het onderhavige artikel 56. In verband hiermee is de algemene regel dat makingen over de hand geoorloofd zijn als de verwachter bestaat op het ogenblik dat de erflater overlijdt en de bezwaarde overleeft. Dergelijke makingen over de hand worden als voorwaardelijke uiterste wilsbeschikkingen aangemerkt (artikel 141). Desgewenst kan de erflater van deze makingen over de hand een zogenaamd ‘fideïcommis de residuo’ maken (artikel 138 lid 2). In het onderhavige artikel 56, lid 2 tot en met lid 4, worden aan bovenstaande hoofdregel enkele uitbreidingen gegeven. In bepaalde gevallen kan een making over de hand ook rechtsgeldig worden getroffen, al bestaan bij het openvallen van de nalatenschap de verwachters nog niet. 2. Volgens lid 2 kan de erflater bepalen, dat het vermaakte aan bij zijn overlijden nog niet geboren verwachters zal ten goede komen, mits de bezwaarde een afstammeling van een ouder is (zijn afstammeling, broer of zuster) of een afstammeling van laatstgenoemden, en de verwachters de erfgenamen bij versterf in de rechte nederdalende lijn van die bezwaarde zijn, staaksgewijze. 3. In lid 3 mag de bezwaarde iedere willekeurige derde zijn (in de praktijk vaak de echtgenoot), de verwachters moeten afstammelingen van een ouder van de erflater zijn. Voorts kunnen, indien die afstammeling het overlijden van de bevoordeelde niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats treden, ook al bestonden zij nog niet ten tijde van overlijden van de erflater. 4. Lid 4 betreft de fideï-commis de residuo. Hier geldt de uitzondering op de bestaanseis in de meest vergaande vorm. Verwachters moeten zijn bloedverwanten van de erflater in de erfelijke graad, d.i. tot in de zesde (artikel 12 lid 3). Artikelen 57 tot en met 62 Deze reeks artikelen dient ter voorkoming van ongeoorloofde beïnvloeding van de testateur; de sanctie is niet langer nietigheid, maar vernietigbaarheid. Zie de huidige artikelen 931 tot en met 934 en 937 BW. Afdeling 3 van titel 4 van Boek 4 Ned.BW (artikelen 4:63 tot en met 4:92 Ned.BW), inzake de legitieme portie, is niet overgenomen. Men zie deze Memorie van Toelichting onder Algemeen. Afdeling 4. Vorm van uiterste willen

  1632. Artikel 93 Deze bepaling correspondeert met het huidige recht en is gehandhaafd aangezien een gemeenschappelijk testament gemakkelijk bij een of beide erflaters de indruk kan wekken dat de beschikkingen niet eenzijdig kunnen worden herroepen.

  1633. Artikel 94 De testamentvormen zijn tot twee teruggebracht. Een geheim testament heeft naast een gedeponeerd onderhands geen enkele reden van bestaan. Behoudens noodgevallen worden testamenten, die niet bij een notaris zijn gedeponeerd, niet als geldig erkend.

  1634. Artikel 95 Dit artikel verenigt het tegenwoordige holografische met het geheime testament tot één vorm van uiterste wil, de onderhandse uiterste wil (depot-testament). De erflater kan de onderhandse akte open of gesloten aanbieden (lid 3). Wanneer hij deze gesloten aanbiedt kan hij daarbij verklaren dat het stuk slechts geopend mag worden indien door hem genoemde voorwaarden op de dag van overlijden zijn vervuld. De voorwaarden vormen op zichzelf uiterste wilsbeschikkingen die aan de vormvoorschriften van notarieel testament dienen te voldoen. Worden de voorwaarden niet vervuld dan blijft het testament gesloten. Belanghebbenden hebben recht op een afschrift van de akte van bewaargeving. Deze belanghebbenden kunnen er belang bij hebben aan te tonen dat de voorwaarden wel zijn vervuld. Een belanghebbende is onder meer een door een eerdere uiterste wil van de erfopvolging uitgesloten erfgenaam bij versterf. 2024 -631- No. 164

  1635. Artikel 96 Uit artikel 95 lid 2 volgt dat bewijs van de bewering dat het handschrift van de uiterste wil niet dat des erflaters is of dat de handtekeningen ter waarmerking van de bladzijden niet door de erflater zelf zijn gezet, alleen zin heeft wanneer de wil uit meer dan een bladzijde bestaat en gesteld wordt dat aan geen van beide alternatieve vereisten is voldaan.

  1636. Artikel 97 1. In vergelijking met het geldende recht is de mogelijkheid vervallen om bij codicil executeurs aan te stellen. Dit kan in het nieuwe recht nog slechts geschieden bij notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Op deze wijze wordt voorkomen dat de notaris een verklaring van erfrecht aan de erfgenamen afgeeft, terwijl later blijkt dat de erflater bij codicil een executeur heeft aangesteld. 2. De tekst wijkt in onderdeel c af van de Nederlandse pendant in verband met in Suriname afwijkende wetgeving inzake de lijkbezorging en het auteursrecht. Toegevoegd is in onderdeel d de orgaandonatie, ten aanzien waarvan in Suriname geen speciale wetgeving bestaat. Artikelen 98 tot en met 108 Deze gemoderniseerde regeling van het noodtestament is ontleend aan de Nederlandse wet van 27 september 1961, Stb. 304.

  1637. Artikel 109 1. Het is ongewenst om aan het niet inachtnemen van iedere formaliteit, die voor een uiterste wil voorgeschreven is, een absolute nietigheid te verbinden. Het artikel maakt daarom onderscheid tussen enige vereisten, die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven en de overige formaliteiten, bij wier niet inachtneming slechts een vernietiging mogelijk is. In de laatste gevallen wordt in tegenstelling met de eerstbedoelde niet alleen slechts aan enkele personen de bevoegdheid toegekend om zich op het gebrek te beroepen, maar is bovendien slechts gedurende een beperkte tijd na het openvallen der nalatenschap een beroep op het gebrek toegestaan. 2. De gevallen van absolute nietigheid worden in de leden 1 en 2 genoemd. Het zijn er slechts twee: het ontbreken van de vereiste handtekening van de erflater of van de notaris. De nietigheid correspondeert met de hoofdregel van artikel 3:39. Het ontbreken van de handtekening van de erflater is alleen dan grond voor nietigheid, wanneer die handtekening is vereist. Verklaart de erflater dat hij niet kan ondertekenen, dan is het testament volkomen geldig, wanneer die verklaring van de erflater en de oorzaak van verhindering door de notaris in de akte wordt vermeld. 3. Ontbreekt die vermelding doch staat vast, dat de erflater niet ondertekenen kon of daarin verhinderd was, dan is het testament volgens lid 4 vernietigbaar. Ook wanneer op grond van vereisten in de wetgeving op het notarisambt de authenticiteit aan de akte ontbreekt, is de uiterste wil slechts vernietigbaar en niet nietig. Wie de vordering tot vernietiging toekomt in geval een testament vernietigbaar is, en hoe lang deze vordering kan worden ingesteld, zijn vragen die in titel 2 (Rechtshandelingen) van Boek 3 hun antwoord vinden. 4. Lid 3 verklaart lid 2 van overeenkomstige toepassing op een noodtestament, zodat het niet ondertekenen door de desbetreffende functionaris tot nietigheid leidt.

  1638. Artikel 110 Deze schakelbepaling verklaart artikel 54 inzake verjaring van de vordering tot vernietiging van overeenkomstige toepassing. 2024 -632- No. 164 Afdeling 5. Herroeping van uiterste wilsbeschikkingen Artikelen 111 tot en met 114 1. Een herroeping is een uiterste wilsbeschikking in de zin van artikel 42 lid 1(zie lid 3 van dit artikel). De herroeping kan in het algemeen in dezelfde vorm geschieden als waarin de beschikking, die herroepen wordt, gemaakt had kunnen worden (artikel 111). 2. Artikel 112 spreekt van een vervallen der beschikking voor zover de latere beschikking de vroegere onuitvoerbaar maakt of vervangt. Het onuitvoerbaar maken ziet op een ‘incompatibilité materielle’, het vervangen op de ‘incompatibilité intentionelle’. Wanneer een vervangingsbedoelding aanwezig is, is een vraag uitlegging der beschikking. Wanneer een erflater in twee testamenten verschillende personen voor het geheel tot erfgenaam heeft ingesteld of aan hen eenzelfde zaak vermaakt, zijn de beschikkingen niet beide uitvoerbaar en zal dus de latere de eerste geheel vervangen. 3. Artikel 113 vormt een uitzondering op de hoofdregel van artikel 42 lid 3, dat een uiterste wilsbeschikking alleen door een uiterste wil kan worden herroepen. Een onderhandse, in bewaring gegeven uiterste wil kan ook door teruggave, met inachtneming van dezelfde vormvoorschriften als bij de inbewaringgeving, worden herroepen. 4. Ook artikel 114 is een uitzondering op artikel 42 lid 3. De erflater kan het codicil vernietigen, bijvoorbeeld verscheuren of verbranden. Bovendien geeft het artikel een (weerlegbaar) vermoeden dat wanneer het stuk is vernietigd, zulks door de erflater is gebeurd. TITEL 5. ONDERSCHEIDEN SOORTEN VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN Afdeling 1. Erfstellingen Artikelen 115 en 116 Deze artikelen brengen niets nieuws. Afdeling 2. Legaten § 1. Algemene bepalingen

  1639. Artikel 117 Anders dan in het bestaande recht wordt thans een definitie gegeven van legaat. Centraal staat daarbij het vorderingsrecht dat aan een of meer personen wordt toegekend (lid 1). Voor de definitie van een last, die aansluit bij die van een legaat, zie artikel 130 lid 1. Een legaat kan ook, mits aldus opgelegd, ten laste komen van een of meer bepaalde erfgenamen of van legatarissen; zie het onderhavige artikel 117 lid 2. In lid 3 wordt een met artikel 6:6 overeenstemmende regel gegeven.

  1640. Artikel 118 1. Lid 1 ziet op legaten die ten laste van een of meer bepaalde wettelijke of testamentaire erfgenamen zijn gemaakt. Veelal bevat de uiterste wil een subsidiaire beschikking voor de gevallen dat een bepaalde persoon die als erfgenaam met een legaat is belast door vooroverlijden, verwerping of anderszins – onwaardigheid, nietigheid of vernietiging van de erfstelling – niet erfgenaam wordt of zijn erfrecht komt te vervallen. Ontbreekt een zodanige voorziening in de uiterste wil, dan komt in die gevallen volgens lid 1 de verplichting uit het legaat, tenzij haar aard zich daartegen verzet, te rusten op hen aan wie het erfdeel van de belaste persoon toevalt, doch met deze bijzonderheid dat zij, wanneer zij daaraan de voorkeur geven, kunnen volstaan met uitkering aan de legataris van hetgeen zij in de plaats van degene die de erflater met het legaat had belast uit de nalatenschap genieten of van de waarde daarvan. 2024 -633- No. 164 2. Lid 2 bevat de overeenkomstige regeling voor sublegaten, d.w.z. legaten die de erflater ten laste van een of meer legatarissen heeft gemaakt. De verbintenis uit het sublegaat komt te rusten op degenen die belast waren met het legaat aan de persoon aan wie de erflater het sublegaat had opgelegd of had willen opleggen, doch zij kunnen, als zij dat willen, volstaan met voldoening aan de sublegataris van het aan de oorspronkelijk belaste persoon gelegateerde of van de waarde daarvan.

  1641. Artikel 119 Mede met het oog op zijn bij de artikelen 124 en 125 te bespreken recht op vruchten of rente behoort een legataris met bekwame spoed in kennis te worden gesteld met het feit dat hem een legaat is toegevallen. Daarom is te dezer plaatse het voorschrift opgenomen dat degenen op wie een legaat rust, alsmede de executeurs zo die er zijn, moeten zorgdragen dat de legataris zo spoedig mogelijk van het legaat wordt kennisgegeven. Zijn zij niet bekend met het adres van een legataris, dan behoren zij dit op te sporen, voor zover een eenvoudig onderzoek daartoe voldoende is. Gelukt dit niet, dan – zo bepaalt de tweede zin – moeten zij dit aan de rechter mededelen, opdat deze aan hen het doen van verdere nasporingen of een bepaalde wijze van oproeping, bijvoorbeeld door een advertentie, kan gelasten. De rechter kan bij de bepaling, of hij een aanwijzing zal geven en zo ja welke, rekening houden met de grootte van het legaat. Het spreekt vanzelf dat overtreding van dit artikel tot een verplichting tot schadevergoeding kan leiden. Men vergelijke voorts artikel 214.

  1642. Artikel 120 Legaten gaan niet ten koste van eerdere schuldeisers; zie ook artikel 7 lid 2. De verminderingsregel van het onderhavige artikel 120 lid 2 betreft de verhouding legataris en andere schuldeisers. De erfgenamen blijven na vermindering in privé aansprakelijk (lid 5). Om hieraan te ontkomen moeten zij verwerpen of beneficiair aanvaarden.

  1643. Artikel 121 Hier wordt, evenals in artikel 120, een verminderingsregel gegeven, zonder een met artikel 120 lid 5, overeenstemmende bepaling. Een erfgenaam is bevoegd door aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving te voorkomen dat zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap, waaronder de verbintenissen uit op hem rustende legaten en de tot een uitgave in geld of goed strekkende verplichtingen uit op hem rustende lasten, zich uitbreidt tot zijn gehele vermogen, dus ook tot hetgeen hij reeds buiten de door hem geërfde goederen der nalatenschap bezat. Een legataris mist deze bevoegdheid. Hij kan wel het legaat verwerpen. Het is redelijk dat wordt voorkomen dat een legataris in een dwangpositie komt te verkeren, wanneer het onzeker is, of de waarde van het hem gelegateerde niet geringer zal blijken dan zijn verplichtingen uit sublegaat of last.

  1644. Artikel 122 Dreigt een legaat te worden verminderd (zie de artikelen 120 en 121), dan kan de legataris volledige voldoening vorderen, mits hij het verschil in geld oplegt (lid 1). Maakt de legataris geen gebruik van deze bevoegdheid dan kan de wederpartij (de erfgenaam of bij sublegaat de legataris) volstaan met uitkering van de waarde. De wederpartij kan dus eventueel kiezen tussen deze uitkering in geld of in een medegerechtigdheid in een goed.

  1645. Artikel 123 Dit artikel is een erfrechtelijke pendant van artikel 6:258 (wijziging wegens onvoorziene omstandigheden). Verwezen mag worden naar de toelichting die bij dat artikel is gegeven. De bepaling moet met grote terughoudendheid worden toegepast, mede in aanmerking genomen dat de erflater geen nieuwe beschikking kan geven. 2024 -634- No. 164

  1646. Artikel 124 Dit artikel – inzake het recht van de legataris op vruchten – verwijst naar het tijdstip van opeisbaar worden. Wat betreft de termijn van opeisbaarheid bij een legaat van een geldsom, zie artikel 125 (negen maanden na overlijden). Voor andere legaten geldt dat de vordering in beginsel direct opeisbaar is (artikel 6:38).

  1647. Artikel 125 1. In beginsel kan ter zake van schade die de legataris door vertraagde betaling van de gelegateerde som zou kunnen lijden worden volstaan met de desbetreffende algemene regels van het verbintenissenrecht uit Boek 6 (artikelen 6:74 e.v.). In het algemeen komt de schuldenaar van een opeisbare vordering volgens artikel 6:82 pas in verzuim door een ingebrekestelling, bevattende een aanmaning tot nakoming binnen redelijke tijd. Is echter voor de voldoening een bepaalde termijn aangewezen, dan komt de schuldenaar volgens artikel 6:83, onderdeel a, zonder ingebrekestelling in verzuim, tenzij van een andere bedoeling blijkt. Artikel 6:119 fixeert de vergoeding van vertragingsschade, waartoe een in verzuim zijnde schuldenaar van een geldsom gehouden is, op de wettelijke rente. 2. Met betrekking tot het vorderingsrecht uit legaat zijn enkele bijzondere bepalingen gewenst. Ook wanneer de nalatenschap niet beneficiair aanvaard is en deswege aan vereffening overeenkomstig afdeling 3 van titel 6 onderworpen is, vereist de verkrijging van de voor een behoorlijke afwikkeling nodige liquide middelen enige tijd. Veelal wordt daarmede in de redactie van de uiterste wil rekening gehouden door aan geldlegaten een tijdsbepaling te verbinden. Het is gewenst dat deze praktijk in de wet wordt neergelegd. Hiertoe strekt lid 1 van het onderhavige artikel, bepalende dat een legaat van een geldsom negen maanden na het overlijden van de erflater opeisbaar wordt, tenzij de erflater iets anders heeft beschikt (vergelijk artikel 37 lid 2). 3. Het zou voorts niet gewenst zijn dat de schuldenaars over een opeisbaar geworden gelegateerde geldsom pas wettelijke rente verschuldigd worden, wanneer de legataris een rechtsvordering instelt; tot het instellen daarvan komt een legataris begrijpelijkerwijze zelden. Deze overweging hoeft er echter niet toe te leiden dat wettelijke rente van rechtswege verschuldigd wordt, zodra het legaat opeisbaar is. Het is redelijk dat, wanneer de erflater omtrent rentevergoeding niets heeft bepaald, deze pas verschuldigd wordt, nadat de schuldenaars door de legataris in gebreke zijn gesteld, waartoe deze met een duidelijke schriftelijke aanmaning als bedoeld in artikel 6:82 kan volstaan. Ten einde te voorkomen dat uit artikel 6:83, onderdeel a, zou worden afgeleid dat wanneer de erflater zelf een tijdsbepaling heeft opgenomen of de tijdsbepaling van lid 1 van het onderhavige artikel geldt, het enkele verloop van die tijd de verschuldigdheid van wettelijke rente doet intreden, bepaalt lid 3 dat degene op wie de schuld uit een legaat van een geldsom rust, niet in verzuim komt door het enkele verloop van een voor de nakoming aangewezen termijn. Lid 3 belet uiteraard niet dat in de uiterste wil aan de legataris een dadelijk bij het opeisbaar worden van de geldsom intredende rente wordt toegekend, tot een percentage al dan niet gelijk aan dat van de wettelijke rente. 4. Lid 2 beoogt een erfgenaam aan wie een goed is gelegateerd tegen vergoeding (prelegataris) liquiditeitsmoeilijkheden te besparen. Hij kan zijn legaat direct opeisen en zijn vergoedingsverplichting laten verrekenen met zijn erfdeel. Het gaat hier om een lex specialis ten opzichte van artikel 3:184. 5. Krachtens lid 4, waarin artikel 5 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, heeft de rechter in het algemeen de bevoegdheid ook geldschulden uit legaat wegens gewichtige redenen op termijn te stellen. § 2. Giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten

  1648. Artikel 126 1. Hier vindt wat betreft de mogelijkheid van vermindering wegens schulden (zie artikel 120) een gelijkstelling plaats van zgn. quasi-legaten met legaten. Ook ten aanzien van quasi-legaten voelt de erflater tijdens zijn leven geen teruggang in zijn vermogen. 2024 -635- No. 164 2. Lid 1 betreft schenkingen (omschreven in artikel 7:175 lid 1) en andere giften (omschreven in art ikel 7:186 lid 2) ter zake des doods. In de tweede volzin wordt de in het algemeen gevoelde wens van de schenker of gever geformuleerd dat de verkrijger ook een reële kans op verkrijging moet hebben. Indien de schenking of gift herroepelijk is, zodat de verkrijging niet zeker is, ligt het echter anders (derde volzin). 3. Het gaat in lid 2, onderdeel a, om verblijvens-, toescheidings- en overnemingsbedingen: bedingen op grond waarvan een goed van een der partijen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie op een ander overgaat of kan overgaan. Op dergelijke bedingen worden, net als op schenkingen in de zin van lid 1, de regels betreffende vermindering toegepast alsof zij een legaat inhouden ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. De regeling ziet niet op bedingen waar de overgang zonder redelijke tegenprestatie zijn grond vindt in een bevoordelingsbedoeling: dergelijke bedingen vallen immers reeds onder de regeling voor schenkingen in lid 1. Evenmin ziet de regeling, zoals de tekst tot uitdrukking brengt, op bedingen waar wèl sprake is van een redelijke tegenprestatie. Daarbij geldt als uitgangspunt, dat de redelijkheid van de tegenprestatie in beginsel moet worden vastgesteld naar het tijdstip van de overgang. Niettemin kunnen er omstandigheden zijn die tot gevolg hebben dat een tegenprestatie die op het eerste gezicht minder dan redelijk is, niettemin redelijk moet worden geacht. In de eerste plaats kan hierbij gedacht worden aan het geval van het familiebedrijf waarvoor slechts met moeite een verwant kan worden gevonden die tot voortzetting van het bedrijf bereid is. De lage prijs die uiteindelijk voor deze verwant de tegenprestatie vormt voor de verkrijging van de bedrijfsgoederen wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het alleen zo voor deze verwant rendabel is om zijn arbeidsinspanning aan te wenden ten behoeve van het bedrijf. Een vergelijkbare situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een advocatenmaatschap, waar de jongste maat bij toetreding tot de maatschap voor een aantal jaren genoegen neemt met een lager winstaandeel mede met het oog op het vooruitzicht dat hij bij uittreding van een oudere maat diens aandeel tegen een op zichzelf beperkte tegenprestatie kan verwerven. Als voorbeeld kan verder gewezen worden op de eigenaar van bepaalde archeologisch belangwekkende voorwerpen, die deze aan een plaatselijk museum in bruikleen geeft en daarbij overeenkomt dat het museum de voorwerpen bij zijn overlijden zal mogen overnemen. Stemt de eigenaar uit ideële overwegingen, omdat hij wil voorkomen dat de voorwerpen terechtkomen in een buitenlands museum, bij voorbaat in met een aanzienlijk lagere prijs voor de voorwerpen dan de internationale ‘marktwaarde’ voor dergelijke voorwerpen, dan zou die omstandigheid in weg kunnen staan aan de conclusie dat de overneming uiteindelijk ‘zonder redelijke tegenprestatie’ plaatsvindt. Tenslotte kan gewezen worden op bedingen waarbij degene die het goed zal of kan verwerven het risico draagt van fluctuaties in de waarde van het goed. Dit zal zich voordoen bij overeenkomsten op grond waarvan een goed eerst later op de verkrijger zal overgaan, tegen een vooraf bepaalde prijs waarvan voor partijen niet vaststaat in hoeverre deze uiteindelijk voor de verkrijger gunstig zal uitpakken. Te denken valt aan optiecontracten, waarbij de prijs – of zij nu hoog of laag uitvalt – gerechtvaardigd wordt door het daaraan inherente element van speculatie. Het notariaat behoort ervoor zorg te dragen dat in voorkomende gevallen in akten tot uitdrukking wordt gebracht dat en op welke gronden de tegenprestatie bij bedingen als hier aan de orde redelijk moet worden geacht. 4. Onderdeel b van lid 2 betreft de begunstiging bij sommenverzekering die als gift geldt; zie artikel 7:188. Uit de laatste volzin van lid 1 vloeit voort dat zolang sprake is van een herroepelijke begunstiging de gewone volgorde van vermindering van toepassing is. Als de uitkering wordt gedaan ter nakoming van een natuurlijke verbintenis of een civiele verbintenis anders dan uit schenking, is de bepaling niet van toepassing. 5. In onderdeel c van lid 2 gaat het om de omzetting van een natuurlijke verbintenis in een civiele verbintenis voor zover deze de strekking heeft dat nakoming pas na het overlijden van de schuldenaar plaatsvindt en deze op dat moment ook nog niet is voldaan. Ook hier prevaleert de gedachte dat de schuldenaar tijdens leven geen teruggang in zijn vermogen heeft gevoeld. Dat sprake was van een natuurlijke verbintenis geeft overigens bij vermindering een voorrang (artikel 120 lid 3). 2024 -636- No. 164 6. Naar nieuw recht zal in het geval van gedeeltelijke ontbinding van een vennootschap het aandeel van de uittredende vennoot in de vennootschappelijke gemeenschap ook zonder specifiek beding verblijven aan de overblijvende vennoten (artikel 7:821 lid 1). Hier is als het ware sprake van een ‘wettelijk verblijvensbeding’, waarvan de werking gelijk behoort te zijn als door partijen in hun overeenkomst opgenomen verblijvensbeding. Het voorgestelde lid 3 van artikel 126 strekt daartoe. De gelijkstelling van een toedeling op de voet van artikel 7:821 lid 1, met een verblijvensbeding in de zin van artikel 126 lid 2 onder a, brengt mee dat deze toedeling, welke de titel vormt voor overgang van het aandeel van de uittredende vennoot in de tot de vennootschappelijke gemeenschap behorende goederen op de andere vennoten (en voor de daarvoor vereiste levering), onder omstandigheden als een legaat kan worden verminderd. Door vermindering wordt de aan de levering ten grondslag liggende titel aangetast. 7. Het zal duidelijk zijn dat een toedeling eerst kan worden ingekort of verminderd, wanneer tevens is voldaan aan de in artikel 126 lid 2 onder a, gestelde voorwaarde dat de overgang plaatsvindt ‘zonder redelijke tegenprestatie’. Als tegenprestatie moet in dit verband worden aangemerkt de in artikel 7:821 lid 2, verschuldigde vergoeding ter grootte van de economische deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap, zoals die nader bij of krachtens de overeenkomst van vennootschap kan zijn bepaald. Van een overgang zonder redelijke tegenprestatie zal eerst sprake kunnen zijn als de economische deelgerechtigdheid bij of krachtens de overeenkomst zodanig nader is bepaald, dat deze moet worden beschouwd als onredelijk laag. Daarvan zal naar aan te nemen valt niet snel sprake zijn. In een geval dat de economische deelgerechtigdheid met het oog op de voortzetting van de activiteiten van de vennootschap zodanig is vastgesteld dat een rendabele bedrijfsvoortzetting nog juist mogelijk is, kan de tegenprestatie niet reeds op die grond als onredelijk laag worden beschouwd, ook al gaat het aandeel in de goederen daarmee in feite over tegen een lagere prijs dan een reële marktwaarde; vgl. HR 13-2-2004, NJ 2004, 653. 8. Hiervoor werd reeds vermeld dat vermindering leidt tot aantasting van de titel voor de overgang. Deze aantasting kan door de opvolgende vennoten worden voorkomen door het bedrag van de vermindering – dat wil zeggen het bedrag dat nodig is om de tegenprestatie zodanig aan te vullen dat deze niet langer als onredelijk kan worden beschouwd – in geld ‘op te leggen’ (artikel 122 lid 1). 9. Het voorgestelde lid 3 van artikel 126 heeft mede betrekking op het geval van gedeeltelijke ontbinding van een vennootschap die rechtspersoon is. Hoewel daarbij geen sprake is van een vennootschappelijke gemeenschap en er dus geen overgang (en levering) plaatsvindt van het aandeel daarin van de uittredende vennoot op de voortzettende vennoten, dient daarbij wel op de voet van artikel 7:821 lid 4, levering plaats te vinden van een aandeel in de vennootschap die rechtspersoon is tegen vergoeding van de economische deelgerechtigdheid van de uitgetreden vennoot. Niet uitgesloten is dat bij of krachtens de overeenkomst de economische deelgerechtigdheid van de uitgetreden vennoot zodanig is vastgesteld, dat deze kan worden beschouwd als onredelijk laag. 10. In lid 4 wordt de waardebepalingsregeling van artikel 34c en de giftenregeling bij gemeenschap van goederen van artikel 34d van overeenkomstige toepassing verklaard.

  1649. Artikel 127 Bepaald wordt ten aanzien van de hier genoemde gevallen dat vermindering tot gevolg heeft dat de begiftigde verplicht wordt tot voldoening van de waarde van het verminderde deel aan de erfgenamen. De regeling beperkt zich tot giften waarbij de prestatie niet uit het vermogen van de erflater afkomstig is en de erfgenamen daarvoor ook niet aansprakelijk zijn. De reden daarvoor is dat de uitkering veelal immers, anders dan bij legaten, direct opeisbaar zal zijn. Vermindering zou daardoor in veel gevallen te laat plaatsvinden om te voorkomen dat het quasi-legaat aan de begunstigde wordt uitgekeerd. Door aan de vermindering een terugvorderingsrecht te verbinden, wordt voorkomen dat in vele gevallen een vereffenaar benoemd zou moeten worden om de schuldenlast op juiste wijze te verdelen. Met het oog op de rechtszekerheid is een vervaltermijn van drie jaar gesteld; zie ook artikel 216 lid 3, en artikel 220 lid 3. 2024 -637- No. 164

  1650. Artikel 128 Het gaat hier om de bescherming van de langstlevende echtgenoot, een terugvorderingsbevoegdheid van een vereffenaar en het verhaal van schuldeisers in bepaalde gevallen. Bepalingen die legatarissen treffen worden van overeenkomstige toepassing verklaard op quasi-legatarissen. Het Nederlandse artikel 129 van Boek 4 betreft de legitieme portie en is daarom niet overgenomen. Afdeling 3. Testamentaire lasten

  1651. Artikel 130 1. Tussen legaten en lasten wordt een scherp onderscheid gemaakt; vergelijk artikel 117. Bij een last ontstaat géén vorderingsrecht jegens een of meer erfgenamen of legatarissen. 2. Bij wege van testamentaire last kunnen verplichtingen van zeer verschillende aard worden opgelegd. Een last kan verplichten tot een daad die uitsluitend door de belaste persoon zelf kan worden verricht en die wel of niet bestaat in of gepaard moet gaan met een uitgave in geld of goed. Een last kan ook verplichten tot het teweegbrengen van een resultaat dat de belaste persoon niet zelf kan bereiken, zodat hij naar de strekking van de last het nodige, gewoonlijk tegen betaling, door een ander moet laten verrichten. Het kan ook zijn dat de belaste persoon weliswaar het nodige zelf zou kunnen verrichten, maar dat het gebruikelijk is zulke werkzaamheden tegen betaling te laten verrichten door iemand die daarvan zijn beroep maakt. Ook in dit geval is er, tenzij uit de uiterste wil blijkt dat de belaste persoon het nodige persoonlijk moet verrichten, sprake van een verplichting die tot een uitgave in geld of goed strekt. 3. Ook de verplichtingen die een erflater bij uiterste wil verklaart op te leggen aan een door hem benoemde executeur, kunnen van zeer verschillende aard zijn. Voor zover zij strekken tot een uitgave in geld of goed beoogt hij gewoonlijk dat deze uitgave door de executeur uit de nalatenschap zal worden bekostigd. Het zal voorts van de aard der verplichting en de bedoeling van de erflater afhangen, wat er moet geschieden, wanneer een executeur ontbreekt doordat de benoemde persoon vooroverleden is of zijn functie niet aanvaardt, wanneer de executeur – door overlijden, ontslag of ontzetting – defungeert voordat hij de hem opgelegde verplichting heeft vervuld, of wanneer zijn beheer van de nalatenschap eindigt voordat hij de verplichting heeft vervuld. In vele gevallen zal het niet met de bedoeling van de erflater stroken dat daarmede de verplichting geheel vervalt. Om deze redenen is in lid 2 aan de bepaling dat een testamentaire last ook aan een executeur kan worden opgelegd, toegevoegd dat de hem opgelegde verplichting mede op de gezamenlijke erfgenamen rust, tenzij uit de aard der verplichting of uit de uiterste wil iets anders voortvloeit. 4. Voor zover het gaat om een last die strekt tot een uitgave van geld of van een goed uit de nalatenschap, levert voldoening aan de last hetzelfde effect op als de uitkering van een legaat (die wel op een vorderingsrecht berust). Daarom wordt in lid 3 de verminderingsbevoegdheid van artikel 120 mede van toepassing verklaard.

  1652. Artikel 131 1. Het onderhavige artikel houdt in dat de erfgenaam of legataris op wie een testamentaire last rust, zijn erfdeel, respectievelijk zijn vorderingsrecht verkrijgt onder de ontbindende voorwaarde dat zijn recht wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter. Deze rechterlijke uitspraak heeft dus het gevolg dat Boek 3 BW, met name artikel 3:38, aan de vervulling van een ontbindende voorwaarde, waaronder een recht is verkregen, toekent: verval van het recht zonder terugwerking. 2. Niet alleen de werking van een vervallenverklaring wegens niet-nakoming van een last, maar ook de overige rechtsgevolgen van de last met betrekking tot het recht dat de belaste persoon toekomt, vinden door de redactie van het onderhavige artikel hun regeling in de bepalingen betreffende voorwaardelijke rechten. Enkele consequenties zijn de volgende. De legataris op wie een last rust, heeft een vorderingrecht onder de vermelde ontbindende voorwaarde. Is hem een goed gelegateerd, dan verkrijgt hij door de 2024 -638- No. 164 levering ter uitvoering van het legaat een recht dat aan dezelfde ontbindende voorwaarde is onderworpen (artikel 3:84 lid 4). Dit recht eindigt dus eveneens met de vervallenverklaring, ook als de legataris het inmiddels mocht hebben vervreemd. Is het gelegateerde een registergoed en mocht bij de levering aan de legataris de last in strijd met artikel 3:89 lid 2 niet in de leveringsakte vermeld en dus niet in de registers ingeschreven zijn, dan kan echter de vervallenverklaring niet worden ingeroepen tegen degene die, onkundig van de last, het registergoed inmiddels van de legataris had verkregen (artikel 3:24). Overeenkomstige consequenties heeft het onderhavige artikel wanneer de last op een erfgenaam rust. Ook deze verkrijgt, bijvoorbeeld een registergoed der nalatenschap, onder de vermelde ontbindende voorwaarde. Mocht de last, ten spijt van artikel 3:17 lid 1, onderdeel a, niet met de erfopvolging ingeschreven zijn geweest, toen hij het goed vóór de vervallenverklaring aan een van de last onkundige derde vervreemdde, dan vindt deze weder bescherming in artikel 3:24. Ten slotte zij nog gewezen op artikel 3:17 lid 1 onderdeel c, in verbinding met artikel 3:24 voor het geval dat het goed nog na de vervallenverklaring, dat is dus na de vervulling van de ontbindende voorwaarde, door de belaste persoon of diens rechtsopvolger mocht zijn vervreemd. 3. Lid 2 van het onderhavige artikel 131 preciseert dat de vervallenverklaring op vordering van onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende wordt uitgesproken door de rechter. Dit lid 2 brengt tot uitdrukking dat de rechter niet steeds verplicht is de vervallenverklaring desgevorderd uit te spreken. De mogelijkheid van vervallenverklaring heeft immers de strekking van een sanctie op het niet-nakomen van de last. De rechter moet dan ook kunnen beslissen dat genoegen behoort te worden genomen met een spoedig herstel van het begane verzuim, en hij moet beoordelen of de tekortkoming ernstig genoeg is om een vervallenverklaring te rechtvaardigen. Ook moet hij in aanmerking nemen, of de niet-nakoming van de last een oorzaak heeft, die voor rekening van de belaste persoon behoort te komen. Lid 2 laat de rechter voorts bij onmogelijkheid van nakoming buiten schuld van de belaste persoon niet alleen voldoende ruimte om de gevraagde vervallenverklaring af te wijzen als de onmogelijkheid van tijdelijke aard is, maar ook om tijd te geven voor een verzoek krachtens artikel 134 als die onmogelijkheid duurzaam is. 4. Als door een vervallenverklaring het erfrecht van een bepaalde erfgenaam vervalt, blijft deze ingevolge lid 3 jegens de schuldeisers van de nalatenschap met zijn hele vermogen aansprakelijk. Hij kan dus niet na een zuivere aanvaarding langs deze weg alsnog onder de aansprakelijkheid uitkomen. Wel heeft hij een verhaalsrecht op degene of degenen aan wie in plaats van hem het geërfde opkomt.

  1653. Artikel 132 Deze bepaling loopt in hoofdzaak parallel aan het voor legaten geldende artikel 118. Doch terwijl volgens dat artikel degenen op wie de verplichting is overgegaan met de daar genoemde prestatie aan de legataris of sublegataris kunnen volstaan, indien zij de voor de uitvoering van het legaat of sublegaat vereiste prestatie te bezwaarlijk achten, kon deze oplossing met betrekking tot een overgegane last niet worden gevolgd. Hier kan artikel 134 lid 1 onderdeel c, uitkomst bieden.

  1654. Artikel 133 1. Dit artikel beperkt zich tot de gevallen dat degene op wie de last rust, de vervulling van een daaraan toegevoegde opschortende voorwaarde heeft belet (lid 1 of de vervulling van een daaraan toegevoegde ontbindende voorwaarde heeft teweeggebracht (lid 2). 2. Het omgekeerde behoeft – gelet op artikel 131 lid 2 – hier geen afzonderlijke regeling. Wordt de vervallenverklaring van het recht van degene op wie de last rust, gevorderd wegens niet-uitvoering van de last nadat de vervulling van de daaraan toegevoegde opschortende voorwaarde was teweeggebracht door iemand die van uitvoering van de last voordeel zou hebben of door een onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende, dan zal de rechter de vordering kunnen afwijzen, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangt. Immers, de rechter is ingevolge artikel 131 lid 2, niet verplicht een wegens niet-uitvoering van de last gevorderde vervallenverklaring uit te spreken. Hetzelfde geldt bij niet-uitvoering van de last nadat de vervulling van een aan de last toegevoegde ontbindende voorwaarde door degene die van uitvoering van de last voordeel zal hebben of door een onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende was belet. 2024 -639- No. 164 3. In verband met de rechtszekerheid behoort omtrent de gevolgen van een aan een testamentaire last verbonden voorwaarden, net als voor de voorwaarden verbonden aan een erfstelling of legaat, na dertig jaar duidelijkheid te bestaan. Lid 3 voorziet hierin.

  1655. Artikel 134 1. Op verzoek van de lastbezwaarde of het openbaar ministerie – het algemeen belang kan nauw betrokken zijn – kan de rechter een last wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen. In lid 1 onderdeel a, is een algemene mogelijkheid van herziening opgenomen telkens wanneer na het overlijden van de erflater de omstandigheden zich zodanig gewijzigd hebben, dat daardoor een herziening of vervallenverklaring gerechtvaardigd is. Men vergelijke wat ten aanzien van de stichting geldt. Door aan een erfgenaam of legataris lasten op te leggen, die voor tientallen jaren besteding van gelden op de door de erflater voorgeschreven wijze verlangen, oefent een erflater een overeenkomstige invloed uit als door het in het leven roepen van een stichting. Evenals nu bij stichtingen zich in de loop der tijd onvoorziene omstandigheden kunnen voordoen, die, had de erflater die gekend, hem zeker tot andere regels voor de stichting gebracht zouden hebben, evenzo kan dit een langdurige last het geval zijn. 2. Wat betreft de in onderdeel a aan te leggen maatstaf voor herziening of opheffing, verdient de aandacht dat anders dan bijvoorbeeld in artikel 123 betreffende legaten en artikel 6:258 (de algemene imprévision- bepaling) het hier niet zo zeer gaat om wat redelijkheid en billijkheid tussen partijen meebrengen, maar veeleer om een voorziening met het oog op lasten die door, na het overlijden van de erflater ingetreden, omstandigheden hun zin verloren hebben, niet meer met de bedoeling van de erflater overeenstemmen, aanpassing behoeven aan hun maatschappelijke strekking of aan het algemeen belang, etc. Om deze reden is een verwijzing opgenomen naar de bij de last betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen waarmee de rechter rekening moet houden. 3. Onderdeel b van lid 1 betreft de vermindering als bedoeld in de artikelen 120 en 121. Onderdeel c is een aanvulling op artikel 132. 4. De bedoeling van de erflater behoort in beginsel leiddraad te zijn, aldus lid 2. Lid 3 correspondeert met artikel 123 lid 3 inzake legaten. Afdeling 4. Stichtingen

  1656. Artikel 135 Dit artikel betreft de testamentaire stichting. De in het artikel neergelegde leer correspondeert met HR 11-3- 1932, NJ 1932, p. 698. De overeenkomstig dit artikel bij een in een notariële akte neergelegde uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting bestaat vanaf het moment dat de erflater overlijdt en voldoet daardoor aan het door artikel 56 lid 1 gestelde bestaansvereiste. Afdeling 5. Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde

  1657. Artikel 136 1. Een erfstelling kan niet onder een tijdsbepaling worden gemaakt. Een tijdelijke eigendom heeft in zijn regeling zoveel gelijkenis met een vruchtgebruik, dat het niet wenselijk is geoordeeld, hier twee verschillende rechtsfiguren te erkennen. Zou in een testament toch een tijdelijk erfgenaamschap ingesteld worden, dan wordt deze beschikking in een vruchtgebruik omgezet. Erfgenaam is dan degene, die volgens het testament onder opschortende tijdsbepaling zou erven. 2. De bepaling verzet zich er niet tegen, dat een beperkt recht onder tijdsbepaling gevestigd wordt, of dat de erflater beschikt, dat een bepaalde zaak aan een legataris eerst na een bepaalde tijd behoeft te worden geleverd, of dat hem periodieke uitkeringen van soortzaken worden toegezegd; slechts het in het leven roepen van een in de tijd beperkt eigendomsrecht wordt verboden. 2024 -640- No. 164 3. Aangezien het denkbaar en zelf waarschijnlijk is dat een erflater die zijn beschikking als een erfstelling onder ontbindende tijdsbepaling heeft geformuleerd zonder een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende tijdsbepaling, heeft beoogd de daarbij tot erfgenaam ingestelde persoon de bevoegdheid om de goederen te vervreemden en te verteren toe te kennen, bepaalt lid 2 de erflater die deze beschikking heeft gemaakt, wordt geacht die bevoegdheid te hebben toegekend, tenzij uit de uiterste wil het tegendeel voortvloeit. Zie ook artikel 138 lid 3. 4. Voor legaten onder tijdsbepaling geldt het overeenkomstige algemene artikel 3:85.

  1658. Artikel 137 Wordt een ontbindende voorwaarde vervuld en is daarnaast iemand door de erflater onder dezelfde voorwaarde opschortend tot de making geroepen, dan zal op die opschortende making de bepaling toepassing vinden. Is daarentegen een ontbindende voorwaarde gesteld en niet aangegeven aan wie bij de vervulling der voorwaarde het vermaakte ten deel valt, dan komt na de vervulling der voorwaarde het vermaakte op aan degene, die dit ontvangen zou hebben, wanneer de ganse making achterwege ware gebleven. Is deze persoon vóór de vervulling der voorwaarde overleden, dan komt het vrijgekomene aan zijn erfgenaam ten goede. In dit geval immers bestaat er geen aanleiding de voor een opschortende voorwaarde gegeven regel toe te passen; deze regel is gerechtvaardigd omdat het de erflater was, die een onmiddellijk verband tussen de voorwaarde en de als bevoordeelde aangewezen persoon heeft gelegd; in het geval van de ontbindende voorwaarde is dit onmiddellijk verband niet gegeven.

  1659. Artikel 138 1. Dit artikel beantwoordt de vraag, hoe de rechtspositie is van de erfgenaam, aan wie het vermaakte toekomt, zolang de voorwaarde niet vervuld is. Daar het recht van de onder voorwaarde geroepene nog onzeker is, kan men deze niet als rechthebbende beschouwen en degene, aan wie tot de vervulling der voorwaarde het goed toekomt slechts als vruchtgebruiker aanmerken. Men kent daarom laatstgenoemde persoon tegen derden de positie van eigenaar toe, d.w.z. ten aanzien van de uit te oefenen rechten en de door hem tegen derden in te stellen rechtsvorderingen. 2. Voor het overige, dus wat de verhouding tot de voorwaardelijk geroepene betreft, vinden de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik overeenkomstige toepassing. De bepaling van lid 2 vindt toepassing zowel wanneer een erfstelling onder op schortende voorwaarde op zichzelf staat, als wanneer deze is toegevoegd aan een erfstelling onder ontbindende voorwaarde. In de tweede volzin van lid 2 wordt een gevolgtrekking uit de eerste volzin getrokken. Deze gevolgtrekking wordt wegens haar bijzonder belang afzonderlijk vermeld. Het is de verplichting van de eerstgeroepene om het ontvangene goed gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te houden, tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de goederen te vervreemden en te verbruiken. Andere gevolgen lid zijn: de verplichting tot zekerheidstelling; de verplichting tot het doen der gewone herstellingen; de mogelijkheid van een onderbewindstelling bij grove verwaarlozing enz. 3. Lid 3 heeft betrekking op het geval dat de erflater een erfstelling onder een ontbindende voorwaarde heeft gemaakt, zonder een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde. In dit geval geldt onverkort de hoofdregel van lid 1, dat de ingestelde erfgenaam jegens derden – dus extern – als de uitsluitend rechthebbende geldt en dus ook tot onvoorwaardelijke vervreemding en bezwaring bevoegd is. Doch lid 3 geeft aan in hoeverre hij ook jegens degenen aan wie het vermaakte bij vervulling der voorwaarde zal toekomen, tot vervreemding bevoegd is. Bepaald is dat hij jegens laatstgenoemden bevoegd is de goederen te vervreemden en te verteren op dezelfde voet als een vruchtgebruiker aan wie deze bevoegdheid is gegeven, dus op de voet van artikel 3:215, tenzij de erflater iets anders heeft bepaald. De erflater kan deze bevoegdheid inkrimpen, en ook uitbreiden door de ingestelde erfgenaam een ruimere bevoegdheid tot beschikking om niet te geven dan volgens artikel 3:215 in den regel toekomt aan de vruchtgebruiker aan wie de bevoegdheid tot vervreemding en vertering is gegeven. 2024 -641- No. 164 Artikel 139 Men zie artikel 133 betreffende testamentaire lasten en het algemene artikel 6:23 dat mede voor legaten geldt.

  1660. Artikel 140 1. Dit artikel stelt een wettelijke beperking aan de testeervrijheid. Onvervulde voorwaarden mogen de rechtstoestand van een goed niet te lang in het onzekere houden. Daarom is hier een maximumtermijn gesteld. Buiten het in artikel 141 voorziene geval, waarin deze toestand zijn begrenzing vindt in de levensduur van een natuurlijke persoon, is een limiet gekozen, gelijk aan de maximumduur geldende voor een vruchtgebruik dat ten behoeve van een rechtspersoon is ingesteld (artikel 3:203 lid 3), welke tijdsduur overeenstemt met het gemiddelde leeftijdsverschil tussen twee generaties. 2. Naar lid 2 bepaalt, geldt de beperking niet voor legaten van naar de soort bepaalde goederen onder een opschortende voorwaarde. Hier schept de onzekerheid weinig bezwaar en is het stellen van een voorwaarde, die eerst na dertig jaar vervuld wordt, dikwijls maatschappelijk alleszins gerechtvaardigd, men denke bijvoorbeeld aan een pensioen in te gaan op een bepaalde leeftijd.

  1661. Artikel 141 Ingevolge het onderhavige artikel, betreffende zgn. fideïcommissaire voorwaardelijke makingen, makingen ‘over de hand’ of tweetrapsmakingen (voor de kenmerken zie de tekst van het artikel), kan de onzekerheid eventueel langer dan dertig jaar en met name een mensenleven lang bestaan. Dit is in overeenstemming met hetgeen omtrent de duur van een vruchtgebruik is vastgesteld: ook deze duur kan ten hoogste dertig jaar of een mensenleven zijn. Afdeling 6. Executeurs

  1662. Artikel 142 1. Aan executeurs is de taak toegekend, die zij thans reeds in de praktijk vervullen. In de praktijk zijn zij degenen, die de boedel vereffenen, d.w.z. niet alleen de legaten, maar ook de schulden voldoen en voor een en ander zo nodig de goederen verkopen. In verband met deze ruimere taak worden de bedoelde personen ook niet meer uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, maar kortweg executeurs genoemd. Aan lid 1 is toegevoegd, dat de erflater aan een executeur de bevoegdheid van assumptie of subrogatie kan verlenen. 2. Ingevolge lid 2 is, indien er meer executeurs zijn, ieder bevoegd. Dit bevordert een vlotte gang van zaken. Eventueel kan lid 3 als veiligheidsklep dienen. 3. Het verschil tussen de executele, het bewind en de vereffening kan nader in het licht worden gesteld, wanneer men deze drie instituten projecteert tegen de achtergrond van de fasen, welke zich bij de behandeling van een boedel laten onderscheiden. De eerste fase omvat het voldoen van schulden en legaten. Als dat is geschied, zijn er wellicht maatregelen van node om de boedel beter geschikt te maken voor verdeling; die maatregelen vormen de tweede fase. De derde fase heeft betrekking op de verdeling. In een aantal gevallen volgt er nog een vierde fase, als namelijk de erflater heeft gewild, dat er na de verdeling nog een periode zou zijn, gedurende welke het beheer aan de erfgenamen zelf wordt onthouden. De vereffenaar treedt uitsluitend in de eerste fase op; in beginsel geldt dit ook voor de executeur. Voor de verdere fasen is er de mogelijkheid van het bewind. De erflater kan uiteraard alleen kiezen tussen executele en bewind. De vereffening komt aan de orde, als aan de voorwaarden, omschreven in de artikelen 202 e.v., is voldaan. Een kenmerkend onderscheid tussen de regeling voor de executele en die van de vereffening is hierin gelegen, dat de executeur alleen bevoegd is de schulden en legaten te voldoen, welke onmiddellijk opeisbaar zijn, dan wel tijdens de executele opeisbaar worden. De vereffenaar moet zich tot taak rekenen ook alle andere schulden en legaten te vereffenen. 2024 -642- No. 164

  1663. Artikel 143 1. Lid 1 geeft aan dat men executeur wordt door aanvaarding van zijn benoeming na het overlijden van de erflater; hierin ligt opgesloten dat men niet verplicht is de benoeming te aanvaarden en dat men niet reeds tijdens het leven van de erflater kan aanvaarden. Ten einde te beletten dat de benoemde persoon de erfgenaam of andere belanghebbende in ongelegenheid brengt door zijn beslissing slepende te houden, bepaalt de tweede volzin dat de rechter op verzoek van een belanghebbende een termijn kan stellen, na afloop waarvan de benoeming niet meer kan worden aanvaard. 2. Handelingsonbekwaamheid, beschermingsbewind krachtens de artikelen 1:431 e.v. en faillissement hebben ingevolge lid 2 tot gevolg dat de betrokkene geen executeur kan zijn; zie ook artikel 149 lid 1 onderdeel c, welke bepaling van rechtswege de beëindiging van de taak van de executeur tot gevolg heeft. Ook een rechtspersoon kan executeur zijn. Daarom is voor lid 2 een negatieve formulering gekozen.

  1664. Artikel 144 1. Het artikel stelt tot regel dat executeurs de taak hebben de goederen der nalatenschap te beheren (wat betreft het begrip beheer verg. art. 3:170) en daaruit de opeisbare schulden en legaten te voldoen. De in het onderhavige artikel omschreven wettelijke taak van een executeur kan in de uiterste wil worden beperkt of uitgesloten; bijvoorbeeld door te bepalen dat de executeur slechts een gedeelte der nalatenschap goederen zal beheren of alleen legaten, niet de nagelaten schulden of slechts een gedeelte daarvan zal voldoen. 2. Duidelijkheidshalve is in de aanhef van het nieuwe lid 1 gereleveerd dat de erflater naast of in de plaats van de wettelijke taak van een executeur ook andere kan vaststellen, door hem een of meer testamentaire lasten op te leggen. Deze vinden hun regeling in afdeling 3 van titel 5 (artikelen 130 e.v.). 3. De wettelijke taakomschrijving bevat twee elementen: ten eerste de voldoening van de opeisbare schulden en legaten, en ten tweede het beheer van de nalatenschap. In tegenstelling tot een vereffenaar, wiens in afdeling 3 van titel 6 (artikelen 202 e.v.) omschreven taak de voldoening van alle schulden en legaten omvat, ook al zijn zij nog niet opeisbaar, heeft de executeur slechts tot taak de schulden en legaten te voldoen, die bij het openvallen van de nalatenschap opeisbaar zijn of gedurende zijn beheer opeisbaar worden. 4. De beheerstaak van de executeur is in de wettelijke omschrijving niet strikt aan eerstgenoemde taak gekoppeld, in die zin dat het beheer vanzelf zou eindigen wanneer de opeisbare schulden en legaten zijn voldaan. Een automatisch verval van de beheersbevoegdheid zou tot rechtsonzekerheid kunnen leiden, in het bijzonder wanneer het niet spoedig precies vaststaat welke opeisbare schulden de erflater heeft nagelaten. Voorts kan het zijn dat het de erfgenamen welkom is dat de executeur het beheer nog enige tijd voortzet, zonder dat het duidelijk is of zij kunnen worden gezegd de executeur daartoe, stilzwijgend, volmacht te hebben gegeven; bovendien zou een volmacht eigen beheersdaden van de erfgenamen niet uitsluiten. Om deze redenen kent het ontwerp, buiten de in artikel 149 bedoelde gevallen, er geen waarin het beheer van de executeurs van rechtswege eindigt, maar bepaalt 150 dat de executeur of de erfgenamen in de daar genoemde gevallen aan zijn beheer een eind kunnen maken. De executeur kan hiertoe overgaan wanneer de taak, met het oog waarop hem het beheer was opgedragen, is volbracht. De erfgenamen kunnen de beheersbevoegdheid van een executeur beëindigen, onder meer wanneer de schulden en legaten, welker voldoening tot zijn taak behoort en die opeisbaar zijn of nog binnen het jaar na overlijden van de erflater opeisbaar kunnen worden, zijn voldaan. Ook kunnen zij, door de nodige middelen voor de voldoening van die schulden en legaten ter beschikking van de executeur te stellen, zijn beheersbevoegdheid voor het overige beëindigen. 5. De leden 2 en 3, omtrent het loon, lopen parallel aan artikel 159 ten aanzien van de bewindvoerder. Opgemerkt worde nog dat uit de uiterste wil kan blijken dat de erflater de beloning van een executeur op nihil heeft vastgesteld, hetgeen meermalen voorkomt wanneer deze tevens tot erfgenaam of legataris wordt benoemd. 2024 -643- No. 164

  1665. Artikel 145 1. Wanneer een executeur is benoemd die overeenkomstig de regel van artikel 144 tot taak heeft goederen der nalatenschap te beheren, behoren de erfgenamen niet bevoegd te zijn zonder zijn medewerking over die goederen of hun aandeel daarin te beschikken en worden zij gedurende het beheer van de executeur door deze bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigd. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur is met andere woorden privatief. 2. De onbevoegdheid der erfgenamen om zonder medewerking van de met het beheer belaste executeur te beschikken treedt dadelijk bij het openvallen der nalatenschap in, dus nog voordat de benoemde persoon zijn benoeming heeft aanvaard, uiteraard tenzij hij weigert zijn benoeming te aanvaarden of een hem overeenkomstig artikel 143 lid 1, tweede volzin, gestelde termijn zonder aanvaarding laat verlopen en er geen ander naast hem of te zijner vervanging is benoemd. Wanneer de benoemde nog niet heeft aanvaard of de executeur niet tijdig bereikbaar is of weigert aan een dringend nodige handeling mede te werken, kunnen de erfgenamen machtiging van de rechter verzoeken om zelfstandig te handelen. Artikelen 146 tot en met 148 Hierin worden de verplichtingen en bevoegdheden van de executeur nader bepaald. Zie voorts artikel 119 en vergelijk ten aanzien van de vereffenaar de artikelen 211, 214 en 215. De term ‘met bekwame spoed’ in artikel 146 lid 2, impliceert dat enige tijd wordt toegemeten voor beraad of onderzoek. Men lette erop dat de tegeldemaking van artikel 147 (na overleg met de erfgenamen) niet een onderdeel is van de beheerstaak (artikel 144), maar specifiek gericht is op de voldoening van schulden van de nalatenschap en nakoming der lasten.

  1666. Artikel 149 1. In dit artikel wordt aangegeven wanneer de taak van de executeur eindigt, met name indien hij zijn werkzaamheden heeft voltooid. De taak eindigt van rechtswege behalve in het geval bedoeld in lid 1 onderdeel f (ontslag door de kantonrechter). Het einde van de taak houdt overigens niet van rechtswege het einde van het beheer en de daaruit voortvloeiende vertegenwoordigingsbevoegdheid in (artikel 150). Een eigen verzoek om ontslag van de executeur moet door de rechter worden ingewilligd (lid 2). 2. Een gewichtige reden voor ontslag op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar ministerie als bedoeld in lid 2 is allereerst misbruik van bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen of de omstandigheid dat de executeur niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn taak (vergelijk artikel 1:327 lid 1 onderdeel b, ten aanzien van de voogd). De omstandigheid dat de erflater de executeur wel bekwaam heeft bevonden, is irrelevant. Is de executeur niet in staat zijn taak te vervullen wegens een geestelijk of lichamelijk gebrek, dan is het onverschillig of dit voor of na de aanvaarding van de executele is opgekomen (vergelijk artikel 1:322 lid 1, onderdeel a). Niet ieder verzuim van de executeur levert een gewichtige reden op (HR 23-11-1945, NJ 1946, 79).

  1667. Artikel 150 1. Dit artikel vermeldt de gevallen, waarin de bevoegdheid van een executeur tot beheer van de nalatenschap en zijn hieruit voortvloeiende bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de erfgenamen niet van rechtswege eindigt, doch door de executeur of de erfgenamen kunnen worden beëindigd. Lid 1 bepaalt dat een executeur bevoegd is zijn beheer te beëindigen, door de door hem beheerde goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen, wanneer zijn in artikel 144 of in de uiterste wil omschreven taak met het oog waarop hem het beheer was opgedragen, is volbracht. 2. Volgens lid 2 onderdeel a, kunnen de erfgenamen aan de beheersbevoegdheid van een executeur een eind maken, wanneer de schulden en legaten, waarvan de voldoening aan hem is opgedragen en die reeds opeisbaar zijn of nog binnen het jaar na het overlijden van de erflater opeisbaar kunnen worden, zijn voldaan, hetzij door de executeur, hetzij door henzelf. Zijn die schulden en legaten voldaan, dan kunnen de erfgenamen deze bepaling toepassen, ook al zou de erflater een uitgebreider taak aan de executeur hebben 2024 -644- No. 164 opgedragen met het oog waarop deze het beheer zou dienen voort te zetten. Zouden de erfgenamen verplicht zijn zich hierbij neer te leggen, dan zou de executele in feite neerkomen op een onderbewindstelling. Dit neemt uiteraard niet weg dat de erflater de executele inderdaad door een bewind kan laten volgen, maar hiervoor gelden dan de desbetreffende bepalingen van afdeling 7 van de onderhavige titel 5. 3. Volgens lid 2, onderdeel b, kunnen de erfgenamen de beheersbevoegdheid van een executeur ook beëindigen, wanneer anderhalf jaar is verlopen sedert een of meer der executeurs de nalatenschap in beheer hebben kunnen nemen, ook al zijn de onder a genoemde schulden en legaten nog niet voldaan. Deze termijn kan echter door de rechter op verzoek van de executeur worden verlengd. 4. Lid 3 doet uitkomen dat de erfgenamen de middelen die zij voor de voldoening van de hier genoemde schulden en legaten ter beschikking van de executeur stellen, zowel uit de nalatenschap als uit hun overig vermogen kunnen putten, alsmede dat de executeur de te zijner beschikking gestelde middelen blijft beheren op dezelfde voet als hij tevoren de gehele nalatenschap beheerde, zodat zijn bevoegdheid tot beheer over de nalatenschap slechts voor het overige dadelijk eindigt. Men denke aan de mogelijkheid dat op het ogenblik dat de erfgenamen hiertoe overgaan nog niet alle schulden der nalatenschap of de tijdstippen waarop deze opeisbaar zullen zijn, nauwkeurig vaststaan. Ook deze bepaling kunnen de erfgenamen toepassen, al zou de erflater een langduriger beheer van de nalatenschap door de executeur hebben gewild. 5. In het algemeen kunnen op grond van de bepalingen van dit artikel slechts de erfgenamen, d.w.z. als er twee of meer erfgenamen zijn, de gezamenlijke erfgenamen tot beëindiging van de beheersbevoegdheid van de executeur overgaan. Men bedenke evenwel dat het hier gaat om een voorziening in het beheer van de nalatenschap. Bij meningsverschil tussen de erfgenamen, deelgenoten in deze gemeenschap, waartoe de executeur menigmaal ook zelf behoort, opent artikel 3:168 de weg naar een oplossing door middel van een beroep op de rechter. 6. Voor de gevallen dat niet alle erfgenamen bekend zijn of niet alle bereid zijn de goederen aan het einde van het beheer van de executeur in ontvangst te nemen, verklaart lid 4 de artikelen 225 en 226 inzake vereffening van overeenkomstige toepassing. Men vergelijke ook artikel 204 lid 1 onderdeel a.

  1668. Artikel 151 Wat betreft de rekening en verantwoording wordt in dit artikel verwezen naar wat geldt voor bewindvoerders (artikel 161). De verplichting geldt echter niet periodiek, zoals bij testamentair bewind, maar eenmalig bij beëindiging van het beheer van de executeur.

  1669. Artikel 152 Hier wordt de langstlevende echtgenoot die het verzorgingsvruchtgebruik heeft en niet reeds erfgenaam is als erfgenaam aangemerkt. Aangezien een vruchtgebruik ook het beheer heeft, zou zonder dit artikel er aanleiding tot conflicten zijn Afdeling 7. Testamentair bewind 1. Algemeen. Bewind betekent vóór alles: beheer. De hoofdtaak van de bewindvoerder is het beheren van een goed, van een aantal goederen of van een vermogen. Al omvat het bewind over bijvoorbeeld een onderneming meer dan het bewind over bijvoorbeeld een vermogen dat uit spaarbrieven bestaat, tot de normale taak van de bewindvoerder behoort het niet, door zijn transacties de goederen onder het bewind aan bijzondere risico's bloot te stellen. Integendeel, het bewind wordt juist ingesteld om het vermogen tegen zulke risico's te beschermen of om het te vereffenen. Aldus beheerst de aard van het bewind de rechtsgevolgen die in deze paragraaf worden omschreven. 2024 -645- No. 164 2. Voor de nadere detaillering is van essentiële betekenis, in wiens belang of voor welk doel het bewind is ingesteld. Gezien het verschil in rechtsgevolgen zal het voor de praktijk van belang zijn in de beschikking waarbij het bewind wordt ingesteld, aan te geven in welk belang of in welke belangen het wordt ingesteld. Voor het geval dat niet is geschied, kunnen de in artikel 155 gecreëerde weerlegbare vermoedens uitkomst bieden. 3. In het kader van paragraaf 3 kan drieërlei worden onderscheiden: a. het bewind is ingesteld om de rechthebbende op de goederen tegen zichzelf te beschermen; b. het bewind is ingesteld om een ander tegen de rechthebbende te beschermen; c. het bewind is ingesteld in een gemeenschappelijk belang. 4. Ad a. Dit bewind is vergelijkbaar met dat van titel 19 van Boek 1 BW (Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen): verwacht wordt dat het bestuur over de goederen de rechthebbende te zwaar zal vallen. Daarbij past dat niet alleen het beheer van de goederen op de bewindvoerder overgaat, maar dat de rechthebbende ook overigens niet vrijelijk, d.w.z. buiten de bewindvoerder om over de goederen mag beschikken en voorts – een bijzonderheid van het testamentaire en schenkingsbewind – dat deze goederen tijdens het bewind in beginsel niet vatbaar zijn voor verhaal voor zijn schulden, en zeker niet voor die welke op zichzelf niets met de goederen te maken hebben (bijvoorbeeld de kosten van een wereldreis). 5. Ad b. In het erfrecht zal het meest typerende voorbeeld zijn het bewind over een vruchtgebruik of een fideicommis: de hoofdgerechtigde behoeft bescherming tegen de vruchtgebruiker, de latere verkrijger tegen de eerdere. Mits het goed maar onder het beheer van de bewindvoerder blijft, doet het er niet toe, of de vruchtgebruiker of de bezwaarde zijn eigen recht, het vruchtgebruik of zijn tijdelijk recht vervreemdt: de hoofdgerechtigde of verwachter wordt daardoor niet benadeeld. Hetzelfde geldt voor uitwinning van die rechten. 6. Ad c. Een aantal goederen of, zoals in het erfrecht veelvuldig zal voorkomen, een aantal aandelen in een vermogen behoort bijeen en behoort, duurzaam of tot aan de verdeling, als eenheid te worden beheerd. De rechtsgevolgen zullen dezelfde kunnen zijn als die van de vorige categorie – het is onverschillig wie de rechthebbende is, mits de goederen maar bijeenblijven – maar het is duidelijker hier althans terminologisch een onderscheid te maken. Een combinatie van verschillende belangen is vanzelfsprekend mogelijk. Verg. artikel 167 lid 3. § 1. Algemene bepalingen

  1670. Artikel 153 De in lid 1 bedoelde goederen zijn de tot de nalatenschap behorende goederen alsmede gelegateerde goederen ongeacht of ze tot de nalatenschap behoorden, dus ook bijvoorbeeld ingevolge legaat gevestigde beperkte rechten. In lid 2 is ter wille van de rechtszekerheid buiten twijfel gesteld dat het bewind aanvangt op het tijdstip van overlijden van de erflater. Het bewind kan dus aanvangen voordat er een bewindvoerder is.

  1671. Artikel 154 Deze zaakvervangingsregel komt overeen met artikel 1:433 lid 1. Is een vruchtgebruik onder bewind gesteld, dan volgt de zaaksvervanging van de daarmee belaste goederen uit artikel 3:213 lid 1. Overigens kan het dwingendrechtelijk geregelde verzorgingsvruchtgebruik van de artikelen 29 en 30 niet onder bewind gesteld worden. 2024 -646- No. 164

  1672. Artikel 155 1. De rechtsgevolgen van het bewind worden voor een belangrijk deel bepaald door de vraag in wiens belang dit bewind is ingesteld. Niet altijd zal in het testament uitdrukkelijk zijn aangegeven wat de strekking van het ingestelde bewind is. Omdat hierover toch de nodige duidelijkheid dient te bestaan, creëert dit artikel voor de meest voorkomende categorieën van gevallen een weerlegbaar vermoeden. Dit vermoeden kan worden weerlegd door een uitdrukkelijke bepaling dienaangaande in het testament of door toepassing van artikel 46. Indien niet duidelijk is in wiens belang het bewind is ingesteld gelden de zwaarste gevolgen, zoals aangegeven in artikel 167 lid 3. 2. De bepaling van de tweede volzin van lid 2 kan reeds worden afgeleid uit artikel 3:226 lid 1, maar is toegevoegd om elke onzekerheid hierover uit te sluiten. Artikel 156 De betekenis van deze regel blijkt vooral uit artikel 169, leden 2 en 3. Zie ook artikel 171 lid 1. § 2. De bewindvoerder

  1673. Artikel 157 1. Deze bepaling is ontleend aan artikel 1:435. Gewoonlijk zal het testament de benoeming van de bewindvoerder(s) regelen. De aldus aangewezene kan echter al voor de aanvang van het bewind zijn overleden of tijdens het bewind overlijden, hij kan weigeren zijn benoeming te aanvaarden of ontslag nemen, enz. Het is mogelijk dat het testament niet of onvoldoende in die mogelijkheden voorziet, zodat daarvoor een subsidiaire wettelijke regeling op haar plaats is. 2. Lid 2 geeft aan welke personen niet tot bewindvoerder kunnen worden benoemd. Hiertoe behoren ook de verzorgers genoemd in artikel 59. Deze bepaling regelt welke personen geen voordeel kunnen trekken uit een uiterste wilsbeschikking. Deze personen zouden ook uit het bewind voordeel kunnen trekken. Weliswaar ontvangt een bewindvoerder niet noodzakelijk een beloning voor zijn werkzaamheden maar hij ontleent aan deze functie wel bevoegdheden. Het is daarom gewenst om ook deze personen – onder de in artikel 59 genoemde omstandigheden – uit te sluiten van de benoeming tot testamentaire bewindvoerder. 3. Bij rechtspersonen die bewindvoerder zijn (lid 3) kan worden gedacht aan banken of instellingen die het beheer van vermogens tot doel hebben. Zie ook artikel 1:435. 4. Lid 4 geeft een voorziening voor het geval de ingevolge lid 1 benoemde bewindvoerder – bijvoorbeeld door ziekte of verblijf in het buitenland – tijdelijk niet in staat is zijn functie uit te oefenen. Deze tijdelijke benoeming door de rechter kan ook ambtshalve geschieden. 5. De leden 5 en 6 regelen op welk tijdstip iemand bewindvoerder wordt. Indien iemand door de erflater als zodanig is aangewezen lid 6), dan wordt die persoon pas bewindvoerder daags nadat hij heeft aanvaard (vergelijk artikel 1:280 lid 1, onderdeel b). Deze aanvaarding behoeft niet uitdrukkelijk te geschieden (vergelijk artikel 3:37 lid 1).

  1674. Artikel 158 Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 1:437, voor zover dit betrekking heeft op de werkzaamheden van de bewindvoerder. Omdat een eventuele verdeling van de werkzaamheden gewoonlijk haar grond in de uiterste wil zal vinden, wordt hier het rechterlijk ingrijpen beperkt tot het geval van gewichtige redenen. De rechter kan de verdeling van de werkzaamheden bij de benoeming van de bewindvoerders (lid 1) ook ambtshalve vaststellen. 2024 -647- No. 164

  1675. Artikel 159 1. Deze bepaling is ontleend aan artikel 1:447, maar wijkt daarvan op enkele plaatsen af. In lid 1 (vergelijk artikel 1:447 lid 1, eerste volzin) is voor de beloning van de bewindvoerder niet meer aangeknoopt bij de vruchten van de onder bewind staande goederen verminderd met de ten laste daarvan komende uitgaven. Daarbij kan zich namelijk het probleem voordoen dat de bewindvoerder er belang bij kan hebben geen onderhoud te laten plegen; dit kan immers van invloed zijn op zijn honorarium, omdat dan het nettobedrag lager wordt. Om deze reden is voor de beloning van de bewindvoerder gekozen voor een percentage van de waarde – telkens aan het einde van het jaar – van het onder bewind gestelde vermogen. 2. In lid 2 is in vergelijking met artikel 1:447 lid 2, voor een andere, eenvoudiger te hanteren, verdeelsleutel gekozen. 3. In lid 3 is – in tegenstelling tot in artikel 1:447 lid 1, tweede volzin, wegens de andere strekking die een testamentair bewind kan hebben – naast de rechthebbende tevens genoemd degene in wiens belang het bewind is ingesteld. Het begrip onvoorziene omstandigheden dient te worden begrepen in de zin van artikel 6:258: het gaat er om van welke omstandigheden de erflater bij het instellen van het testamentaire bewind is uitgegaan en of hij – al dan niet stilzwijgend – met de mogelijkheid van het optreden van onvoorziene omstandigheden rekening heeft willen houden.

  1676. Artikel 160 1. Zie artikel 1:436, leden 1 en 3. Is een beperkt recht, zoals een vruchtgebruik, onder bewind gesteld, dan zijn de goederen waarop het bewind betrekking heeft en die beschreven moeten worden, niet beperkt tot het goed dat onder het bewind staat – bijvoorbeeld het vruchtgebruik van de nalatenschap van X – maar vallen daaronder mede de activa en passiva van dat vermogen zelf. 2. De tweede volzin van lid 1 is beperkt tot een verplichting voor de door de rechter benoemde bewindvoerder, daar de uiterste wil hier een eigen voorziening zal voorschrijven. 3. Lid 2 bepaalt dat de bewindvoerder verplicht is om het bewind en zijn benoeming te doen inschrijven in respectievelijk de openbare registers, het aandelenregister en het handelsregister. De erflater kan in zijn testament echter anders bepalen, indien hij wenst dat het bewind geheim blijft. Dit schept weliswaar het gevaar dat derden het bewind kunnen verwaarlozen maar de erflater heeft dit gevaar dan boven het bekend worden van het bewind verkozen. De gevolgen van het al dan niet inschrijven van het bewind voor de bescherming van de derdeverkrijger zijn geregeld in artikel 168.

  1677. Artikel 161 Zie artikel 1:445. De laatste volzin van lid 1 is beperkt tot de bewindvoerder die door de rechter is benoemd. De woorden ‘ten overstaan van’ brengen tot uitdrukking dat rekening en verantwoording wordt afgelegd aan de rechthebbende of belanghebbende in het bijzijn van, dan wel met afschrift aan de rechter. Dit betekent, dat de vrijstelling die de rechter de bewindvoerder kan verlenen op grond van lid 3, de verantwoordingsplicht ten opzichte van de rechthebbende of belanghebbende onaangetast laat.

  1678. Artikel 162 Zie artikel 1:446, ten opzichte waarvan echter enige veranderingen zijn aangebracht. De eerste volzin is niet beperkt tot de periodieke rekening en verantwoording, daar hij ook voor de slotrekening moet gelden. In plaats van ‘de rechthebbende’ wordt hierom de iets ruimere term ‘degene die daar recht op heeft’, ook omvattende de erfgenamen van de overleden rechthebbende na het einde van het bewind, gebezigd. Deze bepaling impliceert dat de vruchten onder het bewind blijven totdat ze zijn uitgekeerd, zie ook artikel 154. Lid 2 van artikel 1:446 vindt een plaats in artikel 165 waar de bepaling in de gevolgde systematiek thuis behoort. Hetzelfde geldt voor lid 3 van de genoemde bepaling, voor zover dat betrekking heeft op de aan het eind van het bewind af te dragen bewindsgoederen. Voor het overige is dit lid 3 overgenomen in artikel 162, evenwel zonder de beperking dat het voorschrift slechts geldt, indien de rekening en verantwoording aan de rechter wordt afgelegd. 2024 -648- No. 164

  1679. Artikel 163 Zie artikel 1:444. De formulering van deze bepaling sluit nauw aan bij artikel 6:74 lid 1. Overigens kan de erflater op grond van artikel 171 de aansprakelijkheid van de bewindvoerder modificeren.

  1680. Artikel 164 Zie artikel 1:448. In lid 1 is de term ‘hoedanigheid’ in plaats van ‘taak’ gebezigd. Toegevoegd is onderdeel d. In lid 2 is ingevoegd degene in wiens belang het bewind is ingesteld. De bewindvoerder is bevoegd de rechter om ontslag te verzoeken. Deze zal hem dit ontslag verlenen tegen een nader te bepalen dag en daarbij tevens kunnen voorzien in eventueel nodige voorlopige voorzieningen dan wel de benoeming van een opvolger.

  1681. Artikel 165 Zie artikel 1:448. Lid 3 regelt de verplichtingen indien de hoedanigheid van bewindvoerder eindigt ingevolge de in artikel 164 genoemde gevallen. Voor de curator (bij faillissement en ondercuratelestelling) en de bewindvoerder (bij het meerderjarigenbewind) gelden dezelfde verplichtingen als voor de gewezen bewindvoerder, althans indien zij van het bewind kennis dragen. Voor de erfgenamen gaat een dergelijke verplichting in haar algemeenheid te ver: daarom zijn zij slechts gehouden de rechter te verzoeken een andere bewindvoerder te benoemen. § 3. De gevolgen van het bewind

  1682. Artikel 166 1. Zie artikel 1:438 lid 1. Hierboven is er (bij afdeling 7, algemeen) reeds op gewezen dat kenmerkend voor het bewind het beheer door de bewindvoerder is; hij neemt dat beheer als het ware van de rechthebbende over, voor zover dat recht strekt. Dit recht kan eigendom zijn maar bijvoorbeeld ook vruchtgebruik of een persoonlijk recht als huur of bruikleen. 2. Dat beheer is in het algemeen privatief: de rechthebbende mist de beheersbevoegdheid. Dat laatste gaat echter te ver voor goederen die de rechthebbende in gebruik heeft, bijvoorbeeld een huis waarin de vruchtgebruiker woont. Het zou onpraktisch zijn, indien het bewind hem zou verhinderen kranen en sloten te laten repareren, het gras te laten maaien, enz. Daarom wordt hem in de eerste volzin de bevoegdheid toegekend tot het verrichten van handelingen dienende tot gewoon onderhoud van de genoemde goederen. Daarnaast is er geen bezwaar tegen, hem ook bevoegd te maken tot handelingen die geen uitstel kunnen lijden. De terminologie is ontleend aan artikel 3:170 lid 1. Daaruit zijn echter niet overgenomen de handelingen tot behoud van een goed, die wel uitstel kunnen lijden: men moet geen discussies kunnen krijgen over de vraag, of de rechthebbende al dan niet bevoegd is tot het aanbesteden van een uitgebreide dakreparatie.

  1683. Artikel 167 1. Vergelijk artikel 1:438 lid 2 voor zover deze betrekking heeft op beschikkingshandelingen. Lid 1 heeft betrekking op een bewind dat is ingesteld in het belang van de rechthebbende, lid 2 op een bewind in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang en lid 3 ziet op de situatie dat zowel lid 1 als lid 2 op het bewind van toepassing zijn. 2. Lid 1. Indien het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende, zijn andere handelingen dan die in artikel 166 bedoeld ongeldig, indien zij door de rechthebbende buiten de bewindvoerder om worden verricht. In artikel 1:438 lid 2, wordt de medewerking van de bewindvoerder vereist. Voorgesteld wordt daarnaast toestemming toe te laten; deze leent zich beter voor een mogelijke gewenste bekrachtiging achteraf. De term ‘beschikking’ die in bovengenoemd artikel wordt gebezigd is hier vermeden, vooral omdat deze tot enige onzekerheid aanleiding kan geven: omvat ‘beschikking’ hier alle handelingen die niet tot het beheer behoren, d.w.z. onder omstandigheden bijvoorbeeld ook verhuur en verpachting, of is zij beperkt tot vervreemding en bezwaring? Om de ruimere betekenis aan te duiden, is hier voor een negatieve 2024 -649- No. 164 omschrijving gekozen: het gaat om alle handelingen die verder gaan dan beheer, althans voor zover ze rechtstreeks een bewindsgoed betreffen. Hieronder valt derhalve niet het sluiten van een lening met de bedoeling daarmede (het onderhoud van) bewindsgoederen te financieren. Wel onder de bepaling vallen obligatoire handelingen die rechtstreeks op een bewindsgoed betrekking hebben, zoals verkoop of aanbesteding. Is de verkoop van een onder het bewind staand huis door de rechthebbende ongeldig, dan is ook geen boete verschuldigd als de bewindvoerder later weigert zijn medewerking aan de levering te verlenen. 3. Lid 2. Is het bewind ingesteld in het belang van een ander – bijvoorbeeld de hoofdgerechtigde – of in een gemeenschappelijk belang, dan mag de rechthebbende met betrekking tot zijn eigen recht vrij zijn gang gaan, mits binnen de grenzen van zijn bevoegdheden en met instandhouding van het bewind. Hier vooral komt het eropaan, tot welke handelingen de rechthebbende bevoegd is. Voor een deelgenoot, bijvoorbeeld een erfgenaam, wiens aandeel onder bewind staat, zie men titel 3.7 BW (bijvoorbeeld artikel 3:170 en 3:190 e.v.), voor een vruchtgebruik titel 3.8 BW. Voor een vruchtgebruikbewind betekent dit het volgende. In het algemeen is een vruchtgebruiker bevoegd tot het beschikken over – vervreemden en bezwaren van – zijn vruchtgebruiksrecht. Is dat recht uitsluitend in het belang van de hoofdgerechtigde onder bewind gesteld, dan heeft de vruchtgebruiker voor die beschikking krachtens lid 2 de medewerking of toestemming van de bewindvoerder niet nodig; wel blijft het bewind op dat overgedragen of bezwaarde vruchtgebruik rusten. De vruchtgebruiker kan, buiten het recht tot gebruik, ook bevoegdheden hebben ten aanzien van de vruchtgebruiksgoederen, zoals vervreemding en vertering (artikelen 3:212 en 215). Is een bewind ingesteld, dan valt de uitoefening van die bevoegdheden onder lid 1, tweede volzin, voor zover ze geen beheershandeling is. 4. Lid 3. Is het bewind zowel ingesteld in het belang van de rechthebbende als in dat van een of meer anderen, dan is er sprake van samenloop van de leden 1 en 2. Lid 3 bepaalt dat de rechthebbende in zo'n geval slechts onder de voorwaarden van zowel lid 1 als lid 2 – medewerking of toestemming van de bewindvoerder en voorbehoud van het bewind – bevoegd is tot het verrichten van handelingen als bedoeld in lid 1.

  1684. Artikel 168 1. Zie artikel 1:439. 2. Lid 1. Deze bepaling beschermt de wederpartij te goeder trouw, d.w.z. degene die het bewind niet kent en ook niet behoeft te kennen; zie artikel 3:11. In artikel 160 lid 2 is voorgeschreven dat de bewindvoerder het bewind in de daartoe bestemde registers dient in te schrijven. Is dat geschied, dan is het bewind voor derden kenbaar en worden zij niet beschermd. Is het bewind daarentegen niet ingeschreven, bijvoorbeeld omdat de erflater, overeenkomstig de ruimte die artikel 160 lid 2 hem daartoe geeft, de voorkeur heeft gegeven aan geheimhouding van het bewind, dan wordt de wederpartij slechts beschermd indien deze het bewind kende noch behoorde te kennen. Dit betekent, dat ook als het bewind niet is ingeschreven er voor de koper toch een zekere onderzoeksplicht kan bestaan. 3. Dat een rechtshandeling overeenkomstig lid 1 geldig is, houdt niet in dat de bewindvoerder zich nimmer tegen de verdere uitvoering kan verzetten. Heeft de rechthebbende een bewindsgoed geldig verkocht zonder medewerking of goedkeuring van de bewindvoerder, dan kan de bewindvoerder die medewerking of goedkeuring alsnog voor de levering weigeren, indien hij meent dat de uitvoering van zijn taak dit meebrengt. Om deze reden bepaalt de tweede volzin dat de rechthebbende niet tot vervreemding of bezwaring kan worden veroordeeld, een van de gevallen waarmee de aanhef van artikel 3:296 rekening houdt. Zou de rechthebbende in zo'n geval wel door de rechter tot nakoming kunnen worden veroordeeld, dan zou het vreemd zijn dat de bewindvoerder toch zijn medewerking of toestemming zou kunnen weigeren. Wel kan de niet-nakoming voor de rechthebbende leiden tot een verplichting tot schadevergoeding. 2024 -650- No. 164 4. Lid 2. De bepaling beschermt een derde-verkrijger te goeder trouw, indien de wederpartij van de rechthebbende wegens het ontbreken van goede trouw aan haar zijde niet door lid 1 wordt beschermd. Voor de verkrijging van goederen waarop artikel 3:86 van toepassing is, bestaat aan zulk een bijzondere bepaling geen behoefte. Voor andere goederen geldt evenwel artikel 3:88, dat de derde-verkrijger te goeder trouw slechts bescherming verleent, als de onbevoegdheid van een eerdere vervreemder niet de oorzaak is van de onbevoegdheid van de latere vervreemder. Is die eerdere vervreemder een rechthebbende die in strijd met artikel 167 lid 1 of lid 3, heeft gehandeld, dan ligt diens onbevoegdheid ten grondslag aan alle daaropvolgende vervreemdingen, waartegen artikel 3:88 de verkrijgers geen bescherming biedt. Dit zou echter niet stroken met de onbevoegdheid wegens bewind, waartegen krachtens artikel 168 lid 1, ook de wederpartij te goeder trouw wordt beschermd. Vandaar dat hier een bijzondere bepaling, die verder gaat dan artikel 3:88, op haar plaats is.

  1685. Artikel 169 1. Zie artikel 1:441, leden 2, 3 en 6. Zoals uit artikel 166 blijkt, is de normale en hoofdtaak van de bewindvoerder het beheer van de bewindsgoederen. Niet altijd zal hij daarmede kunnen volstaan, in het bijzonder, indien de opbrengst der goederen onvoldoende is tot dekking van de beheerskosten of omdat anderszins de omstandigheden nopen tot het treffen van buitengewone maatregelen. In die gevallen moet de bewindvoerder wel de nodige voorzieningen kunnen treffen maar hij mag dit niet vrijelijk, buiten de rechthebbende, de eventuele andere belanghebbende of de rechter, om. 2. Lid 1. Onderdeel a correspondeert met onderdeel a van artikel 1:441 lid 2, maar is afgestemd op artikel 167 lid 1. Aan onderdeel b van dat artikellid bestaat hier geen behoefte. De onderdelen c en e daarvan zijn overgenomen in de onderdelen b en c van artikel 169 lid 1. 3. Lid 3. Zie lid 2, aanhef, van artikel 1:441. Volgens de nieuwe bepaling kan de rechterlijke machtiging ook worden verleend, als bijvoorbeeld de rechthebbende of belanghebbende slecht bereikbaar is, hoewel niet kan worden gezegd dat hij weigerachtig of niet in staat is tot het verlenen van toestemming. Aan een doorlopende machtiging – vergelijk artikel 1:441 lid 3 – voor de hier bedoelde handelingen zal weinig behoefte bestaan, maar de rechter moet wel zijn machtiging aan voorwaarden kunnen binden. 4. Lid 4. Dit komt overeen met artikel 1:441 lid 6.

  1686. Artikel 170 1. In het artikel zijn bijeengebracht de bepalingen die artikel 1:441 in de leden 2 en 4 omtrent de verdeling van een gemeenschap bevat, zij het dat het artikel in enkele opzichten enige afwijkingen bevat, welke echter geheel passen in het systeem van de artikelen 167 en 169. 2. Lid 1 Voor de zinsnede ‘of die onder een met het bewind staand beperkt recht zijn belast’ zie men artikel 3:178 lid 1: zo kan de nalatenschap zijn belast met een vruchtgebruik dat onder bewind is gesteld. Ook andere beperkte rechten kunnen voorkomen, zoals hypotheek of erfpacht die onder bewind staan. De bevoegdheid van de bewindvoerder tot het vorderen van de verdeling van een gemeenschap is te vinden in artikel 1:441 lid 4, eerste volzin, waar zij hem zelfs met uitsluiting van de rechthebbende is toegekend. Aan deze laatste beperking van diens bevoegdheden bestaat geen behoefte; krachtens artikel 167 lid 1 zal de rechthebbende toch de medewerking of toestemming van de bewindvoerder behoeven, tenzij lid 2 van dat artikel van toepassing is en aan bemoeienis van de bewindvoerder geen behoefte bestaat. Voor de bevoegdheid tot uitsluiting van verdeling zie artikel 1:441 lid 1 onder d. 3. Lid 2 Zie artikel 1:441 lid 4, tweede volzin. Neemt de rechthebbende zelf deel aan de verdeling, dan is artikel 167 van toepassing. 4. Lid 3 Zie artikel 1:441 lid 2, aanhef en lid 4, tweede volzin. 2024 -651- No. 164

  1687. Artikel 171 1. Lid 1. De erflater is in beginsel vrij de bevoegdheden van de bewindvoerder te verruimen, als ook te beperken. Zo kan de erflater de bewindvoerder opdragen om de rechthebbende periodiek uitkeringen uit het bewindsvermogen te doen. Hij kan tevens bepalen dat de beschikkingsbevoegdheid uitsluitend aan de bewindvoerder toekomt, zonder medewerking van de rechthebbende doch met machtiging van de rechter; hij kan eveneens bepalen dat de bewindvoerder zonder medewerking van de rechthebbende en zonder machtiging van de rechter kan beschikken. 2. Lid 2. Een bewind is in de regel bestemd voor een betrekkelijke lange tijd te bestaan. Gedurende die tijd kunnen zich steeds omstandigheden voordoen die aanvulling of wijziging nodig maken. Zie voor het begrip ‘onvoorziene omstandigheden’ artikel 6:258.

  1688. Artikel 172 Zie voor lid 1 artikel 1:441 lid 1, met als verduidelijking dat de bewindvoerder ook op eigen naam kan handelen. In lid 2 worden de regels ter zake van volmacht van overeenkomstige toepassing verklaard, behalve dat in de tweede volzin ten aanzien van de bevoegdheid van de bewindvoerder een eigen regel wordt gegeven. Artikel 173 Zie voor de eerste volzin artikel 1:441 lid 1 en voor de tweede artikel 1:443.

  1689. Artikel 174 1. Het artikel regelt de aansprakelijkheid van de rechthebbende voor handelingen van de bewindvoerder. Zie artikel 1:442 lid 1. De regels die het verhaal op de bewindsgoederen regelen zijn ter wille van de overzichtelijkheid, tezamen met de andere verhaalsregels, afgesplitst in de artikelen 175 en 176. 2. Lid 1 stelt de rechthebbende, voor zover hij door de bewindvoerder in diens functie is vertegenwoordigd, aansprakelijk voor diens verrichtingen, een aansprakelijkheid die staat naast die uit onrechtmatige daad op grond van artikel 6:172 (waarmee ze overigens kan samenlopen). 3. Zie voor lid 2 artikel 1:96 lid 1 en artikel 1:442 lid 2.

  1690. Artikel 175 1. Het artikel regelt, tezamen met artikel 176 de mogelijkheid van verhaal op de bewindsgoederen. De regeling geldt voor de periode ‘tijdens het bewind’. Wat daarna gebeurt, hangt af van de aard van het onder bewind gestelde recht. Vererven de schulden van de rechthebbende op degenen die zonder bewind recht op die goederen verkrijgen, dan kunnen de schulden van zijn nalatenschap mede op die goederen worden verhaald (zie HR 17 juni 1988, NJ 1988, 958). Is het echter een beperkt recht, zoals het vruchtgebruik, of een voorwaardelijk of een tijdelijk recht zoals het fideicommis, dan worden de goederen aan verhaal voor schulden van de voormalige rechthebbende onttrokken. 2. Lid 1 somt limitatief op de schulden waarvoor de bewindsgoederen kunnen worden uitgewonnen. Onderdeel a noemt allereerst de schulden der nalatenschap. Gewoonlijk begrijpt men die onder de schulden die de goederen betreffen (onderdeel b), maar dat is dubieus, en het verdient daarom aanbeveling de categorie afzonderlijk te vermelden: het gaat uiteraard niet aan de schuldeisers der nalatenschap door instelling van een bewind te benadelen. Welke de schulden der nalatenschap zijn, die ten laste van de goederen kunnen worden gebracht, en in hoeverre dit het geval is, hangt af van de regeling in het erfrecht, in het bijzonder de artikelen 7 en artikel 184 lid 1, dat vooral een rol zal spelen zolang de nalatenschap niet is verdeeld of aanvaard, en daarnaast de artikelen 182 lid 2, en 184 lid 2, die de aansprakelijkheid der erfgenamen regelen, welke ook tot verhaal op de bewindsgoederen kan leiden. 3. Wat betreft onderdeel b denke men aan de lasten die deze goederen meebrengen. 4. Onderdeel c. Indien de rechthebbende handelt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid (artikelen 166 en 167) en uit deze rechtshandelingen schulden voortvloeien, is verhaal mogelijk op de onder bewind staande goederen. 2024 -652- No. 164 5. Onderdeel d. Indien de rechthebbende onbevoegd een rechtshandeling verricht (artikel 166 en 167) maar deze rechtshandeling niettemin geldig is op grond van artikel 168 lid 1, dan is krachtens dezelfde bepaling geen veroordeling tot nakoming mogelijk en is uitwinning op grond van een veroordelend vonnis eveneens uitgesloten. Verhaal wegens een veroordeling tot schadevergoeding is echter niet uitgesloten. Dit verhaal dient in eerste instantie gezocht te worden op de goederen van de rechthebbende die niet onder het bewind zijn gesteld. De bewindvoerder heeft daarom in dit soort gevallen een aanwijzingsbevoegdheid analoog aan artikel 1:96 lid 1. 6. Onderdeel e. Onder deze schulden vallen ook de in artikel 174 genoemde schulden waartoe de aansprakelijkheid van de rechthebbende krachtens artikel 6:174 zich uitstrekt, en eveneens een schuld uit onverschuldigde betaling welke in de macht van de bewindvoerder is gekomen. 7. Lid 2 Overdracht van bewindsgoederen met instandhouding van het bewind is mogelijk op grond van artikel 167, leden 2 en 3. Uitwinning van de goederen onder een in die artikelleden bedoeld bewind, geschiedt eveneens onder de last van dat bewind. Ook na overgang kunnen deze goederen voor de schulden waarvoor de eerdere rechthebbende overeenkomstig artikel 6:174 wegens gedragingen van de bewindvoerder aansprakelijk is, worden uitgewonnen. 8. Lid 3. In het algemeen moet degene die krachtens executie verkrijgt, niet door het testamentaire bewind worden belast. Dat is echter anders, indien dit uitsluitend of mede in het belang van een ander of in een gemeenschappelijk belang is ingesteld; in zoverre vormt de bepaling de tegenhanger van artikel 167 lid 3. Instelling van het bewind in het belang van een ander zal het meest voorkomen bij vruchtgebruik en fideicommis. Bij vruchtgebruikbewind komt men aan de toepassing van deze bepaling in sommige gevallen niet toe: bij betaling op grond van artikel 3:222 vervalt het onder bewind gestelde vruchtgebruik zelf.

  1691. Artikel 176 1. Het artikel betreft de gevallen waarin het bewind uitsluitend is ingesteld in het belang van een ander (de hoofdgerechtigde tegenover de vruchtgebruiker, de verwachter onder fideicommis tegenover de bezwaarde) of een gemeenschappelijk belang (beheer van gemeenschappelijke nagelaten goederen, al dan niet tot aan de verdeling). In deze gevallen maakt het niet uit wie de rechthebbende is en is er geen bezwaar tegen als zijn persoon door beschikking of executie wisselt; hier bestaat verband met artikel 167 lid 2. 2. Is het recht van de rechthebbende niet alleen in het belang van een ander maar ook in diens eigen belang onder bewind gesteld, dan is het artikel niet van toepassing: uitwinning is dan beperkt tot de gevallen van artikel 175 en met de daar geregelde gevolgen. § 4. Einde van het bewind

  1692. Artikel 177 Wat betreft lid 1 kan men denken aan het geval dat de erflater een bewind heeft ingesteld voor de tijd dat de rechthebbende een bepaalde leeftijd nog niet heeft bereikt. Bij lid 2 denke men aan het geval dat het bewind is ingesteld uitsluitend in het belang van een rechthebbende die vervolgens verwerpt. Een verwerping werkt terug tot het openvallen van de nalatenschap. De tweede volzin voorkomt dat de bevoegdheden daardoor aan de bewindvoerder ook met terugwerking worden ontnomen.

  1693. Artikel 178 Dit artikel betreft een bewind dat uitsluitend in het belang van de rechthebbende is ingesteld. Van rechtswege eindigt dit bewind bij overlijden of ontbinding van de rechtspersoon. Na dertig jaar kan de rechtspersoon opzeggen. De rechter kan het bewind op verzoek opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden (vergelijk artikel 6:258). De laatste volzin is een verwijzing naar artikel 171 lid 2. 2024 -653- No. 164

  1694. Artikel 179 Hier gaat het om een bewind dat niet uitsluitend is ingesteld in het belang van de rechthebbende. Het vervalt doordat het belang vervalt of door een gemeenschappelijk besluit. Bij legaat of last is opzegging na dertig jaar mogelijk; vergelijk artikel 140

  1695. Artikel 180 Dit artikel betreft het bewind dat is ingesteld in het gemeenschappelijk belang van de rechthebbend en anderen. Het bewind vervalt als het gemeenschappelijk belang vervalt en verder is na vijf jaar opzegging mogelijk (door de rechthebbende; zie artikel 181); vgl artikel 178 lid 2, tweede volzin, en ook artikel 3:178 lid 5. Artikel 181 Hier worden formele bepalingen gegeven ten aanzien van de in de artikelen 178, 179 en 180 voorziene opzegging. TITEL 6. GEVOLGEN VAN DE ERFOPVOLGING Afdeling 1. Algemene bepalingen

  1696. Artikel 182 1. Bij de eerste volzin van lid 1 van dit artikel (het beginsel van de saisine) sluiten aan de regels van artikel 3:80, dat men door erfopvolging goederen onder algemene titel verkrijgt, en van artikel 3:116, dat degene die onder een algemene titel een ander opvolgt, daarmede die ander opvolgt in diens bezit en houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken van dat bezit of houderschap. De tweede volzin van lid 1 bevat de uitzondering ingeval van een wettelijke verdeling. 2. Ook de overgang der schulden is, ingevolge de eerste volzin van lid 2, niet afhankelijk van aanvaarding. Ten aanzien van de wettelijke verdeling zie de artikelen 13 en 14. De tweede volzin van lid 2 bepaalt dat wanneer de prestatie deelbaar is, ieder der erfgenamen verbonden is voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk verbonden zijn. Men vergelijke artikel 6:6. 3. Lid 2 heeft alleen betrekking op de door de erflater achtergelaten schulden (artikel 7 lid 1 onderdeel a). Voor de ten laste van erfgenamen komende legaten volgt reeds uit artikel 117 dat de belaste erfgenamen als zodanig schuldenaar zijn, en wel indien de prestatie deelbaar is, ieder voor een deel evenredig aan zijn erfdeel, tenzij de erflater anders heeft beschikt. Aan testamentaire lasten wordt geen vorderingsrecht verbonden; de verplichting uit een op een erfgenaam rustende last is dus niet een schuld, een verbintenis, van de erfgenaam in de zin van Boek 6 BW. 4. Schuldenaar van de kosten van lijkbezorging zijn niet de erfgenamen als zodanig maar degene die haar heeft besteld of degenen die deze daarbij heeft vertegenwoordigd; wel zijn deze kosten, voor zover zij in overeenstemming zijn met de stand en het fortuin van de overledene, krachtens artikel 3:288, onderdeel b, op de goederen der nalatenschap – zelfs bij voorrang – verhaalbaar. Wat de kosten van vereffening betreft, zie men artikel 209 lid 2, voor het geval deze niet uit de boedel kunnen worden bestreden.

  1697. Artikel 183 In dit artikel is de zogenaamde hereditatis petitio geregeld. Deze rechtsvordering komt aan de erfgenaam toe, die daarmee de goederen die ten tijde van het overlijden van de erflater tot de boedel behoorden, kan opvorderen; onverschillig is daarbij of de erflater deze goederen in eigendom had dan wel slechts bezitter of houder was. Opgemerkt zij dat de woorden ‘zonder recht houdt’' aldus moeten worden verstaan, dat de gedaagde geen enkel recht tegen de eiser kan inroepen; onverschillig is of de gedaagde tegen een derde een recht kan inroepen. 2024 -654- No. 164

  1698. Artikel 184 1. In de leden 1 en 2 is, in aansluiting aan lid 2 van artikel 182, de regel opgenomen dat schuldeisers van de erflater en andere schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen wel op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen, maar dat een erfgenaam niet verplicht is een op hem rustende schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen en dus ook geen verhaal op zijn overig vermogen kan worden genomen, tenzij hij zuiver aanvaardt, behoudens artikel 194a lid 2, of zich schuldig maakt aan een der hier opgesomde misdragingen. 2. Afgezien van deze gedragingen, bepaalt die regel de rechtspositie van de schuldeisers der nalatenschap en de erfgenaam zolang deze niet – binnen de daarvoor openstaande termijn – de hem krachtens artikel 190 toekomende keuze tussen zuivere aanvaarding, aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving en verwerping heeft gedaan, en voorts wanneer hij van deze keuzebevoegdheid gebruik heeft gemaakt om beneficiair te aanvaarden. Wat hier en elders in deze titel onder schulden der nalatenschap valt te verstaan is aangegeven in artikel 7. Wat betreft het effect van een wettelijke verdeling ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, onder andere als het gaat om een negatieve nalatenschap, zie bij artikel 14, in het bijzonder bij lid 4. 3. Aangezien artikel 185 de schuldeisers de bevoegdheid tot het nemen van executiemaatregelen gedurende zes maanden na erflaters dood ontzegt, behoeft in het hiernavolgende in het algemeen slechts te worden gesproken over het geval dat de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard en deswege overeenkomstig de derde afdeling van deze titel wordt vereffend. Voor de door de erflater achtergelaten schulden, waarvan de erfgenaam krachtens artikel 182 lid 2, schuldenaar is geworden, en voor de schulden van de erfgenaam uit de op hem rustende legaten, bevat het onderhavige artikel een afwijking van de hoofdregel van artikel 3:276, dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen. Bovendien kunnen de schuldeisers van de erflater of uit legaat, die geld – met inbegrip van schadevergoeding ter vervanging van andere prestaties dan geldsommen – te vorderen hebben, tot het verhaal op de goederen der nalatenschap ter afdwinging van nakoming, buiten de bijzondere gevallen bedoeld in artikel 223, gedurende de vereffening van de nalatenschap niet zelfstandig overgaan; zij kunnen slechts hun vorderingen bij de vereffenaar indienen. Hetzelfde geldt voor vorderingen tot levering van een goed der nalatenschap of tot vestiging van een beperkt recht op een zodanig goed. 4. Deze beperking en kanalisering van het verhaalsrecht van de schuldeisers der nalatenschap zou hen niet beletten tegen de erfgenaam-schuldenaar een der overige dwangmiddelen tot nakoming van een verbintenis toe te passen, zoals gijzeling of een veroordeling onder dwangsom tot nakoming van een verbintenis om te doen of niet te doen of om andere goederen dan geld te geven. Doch lid 2 van het onderhavige artikel bepaalt tevens dat de erfgenaam-schuldenaar niet verplicht is de schulden der nalatenschap uit zijn overig vermogen te voldoen. Gijzeling of een rechtsvordering tot veroordeling onder dwangsom tot nakoming van een verbintenis om te doen zal dus tegen een beneficiair aanvaard hebbende erfgenaam ook niet kunnen worden te baat genomen, voor zover de nakoming hem op een uitgave in geld of goed zou komen te staan. 5. Door lid 3 kan een erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard, door schuldeisers in zijn eigen vermogen aansprakelijk worden gehouden tot het bedrag van hetgeen de erfgenaam ontvangt uit de nalatenschap. Aldus wordt voorkomen dat een beneficiair erfgenaam voordeel geniet uit de nalatenschap voordat alle schuldeisers zijn voldaan die zich binnen de voor hen geldende verjaringstermijn melden. De bepaling laat in het midden of en zo ja onder welke omstandigheden het ontvangen van een uitkering uit de nalatenschap beschouwd moet worden als een daad van zuivere aanvaarding. Artikel 223 is van overeenkomstige toepassing verklaard teneinde te bewerkstelligen dat zolang vereffening overeenkomstig afdeling 3 van titel 6 plaatsvindt, verhaal slechts geschiedt via de voor vereffening gegeven regels. 2024 -655- No. 164 6. De erfgenaam die verwerpt nadat hij de voldoening van een schuld verwijtbaar heeft verhinderd of opzettelijk goederen der nalatenschap heeft zoekgemaakt of verborgen, is ingevolge lid 4 ook na zijn verwerping voor de schulden der nalatenschap met zijn hele vermogen aansprakelijk, ofschoon hij ingevolge zijn verwerping geacht wordt nimmer schuldenaar te zijn geweest. 7. Lid 5 betreft de nakoming van een last die bestaat uit een uitgave van geld of van een goed dat niet tot de nalatenschap behoort. Ook al resulteren lasten niet in een schuld, deze lasten lijken zozeer op legaten dat zij in dit opzicht met schulden van de nalatenschap worden gelijkgesteld.

  1699. Artikel 185 1. Dit artikel betreft het recht van beraad. Er is geen reden om dit recht alleen aan hen, die een daartoe strekkende verklaring afleggen, te geven. Het ontwerp geeft dit recht aan allen, die nog niet zuiver aanvaard hebben. Het is ook vast gebruik, om een erfgenaam in de eerste weken na het overlijden niet met processuele maatregelen te vervolgen, tenzij daartoe een bijzondere reden bestaat. 2. De termijn van het recht van beraad is gesteld op zes maanden. Langer behoeven maatregelen tot vervolging van schuldeisers in beginsel niet opgeschort te worden. 3. De bepaling geldt ten hoogste voor de eerste zes maanden na het openvallen van de nalatenschap. Het zou te ver gaan de opschorting van de bevoegdheid van executie uit te strekken tot de gehele periode, waarin nog erfgenamen in termen van beraad kunnen verkeren. Deze periode kan aanzienlijk langer zijn dan zes maanden sedert het overlijden van de erflater, met name wanneer de nalatenschap door een erfgenaam wordt verworpen en de daarna geroepen erfgenamen niet dadelijk aanvaarden. Ook een door de rechter verleende verlenging van de termijn van beraad behoort niet van rechtswege de verhaalsbevoegdheid van een schuldeiser die een executoriale titel heeft, verder op te schorten. Wel kan dit bij uitzondering gerechtvaardigd zijn. Hierin voorziet lid 3.

  1700. Artikel 186 1. Dit artikel legt de basis voor het openbaar boedelregister. Anders dan ten aanzien van de openbare registers, bedoeld in artikel 3:16, is aan inschrijving geen derdenbescherming gebonden. Slechts voor ongedaanmaking van de wettelijke verdeling (artikel 18 lid 1) is inschrijving een constitutief vereiste. De inschrijfplicht van de notaris (zie het onderhavige artikel 186 lid 2) strekt ertoe dat anderen – men denke aan crediteuren – kunnen nagaan wie de erfgenamen zijn. 2. Inschrijfbare feiten geeft de wet in voornoemd artikel 18 lid 1, artikel 185 lid 3, voornoemd artikel 186 lid 2, artikel 191 lid 1, artikel 192 lid 2, artikel 193 lid 2, artikel 197 lid 1, artikel 206 lid 6, artikel 209 lid 4 en artikel 211 lid 5. De verklaring van erfrecht (zie de artikelen 187 en 188) is niet inschrijfbaar in het openbaar boedelregister. Men kan een verklaring van erfrecht wel inschrijven in het openbare register, bedoeld in artikel 3:16; zie artikel 3:17 lid 1 onderdeel b. 3. De leden 3 en 4 schrijven een besluit boedelregister voor. Boedelregisters kunnen eventueel in elektronische vorm worden gehouden. Artikelen 187 en 188 1. Deze artikelen betreffen de notariële verklaring van erfrecht De voornaamste functie daarvan is dat degene die zonder nader onderzoek op haar afgaat, in beginsel als te goeder trouw in de zin der wet wordt beschouwd. Is voor het intreden van een rechtsgevolg de goede trouw van een persoon vereist, dan wordt bij het oordeel of hij inderdaad te goeder trouw moet worden geacht, in aanmerking genomen hetgeen hij had behoren te kennen, en voor de vaststelling van hetgeen hij behoorde te kennen kan met een zekere mate van onderzoekplicht worden gerekend; zie artikel 3:11. De hier bedoelde betekenis van de verklaring van erfrecht is derhalve, kort gezegd, deze: degene die volgens een door een notaris schriftelijk afgelegde verklaring erfgenaam is, kan door een derde die daarop afgaat, in den regel, zonder het instellen van een ander onderzoek, te goeder trouw als erfgenaam worden aangemerkt. Een verklaring van erfrecht levert geen dwingend bewijs van erfgenaamschap op (vergelijk HR 24-1-1997, NJ 1998, 204 en HR 30-6-2000, NJ 2001, 389). 2024 -656- No. 164 2. Lid 1 stelt dan ook tot regel dat degene die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, te dezen aanzien geldt als te goeder trouw. Het belangrijkste voorbeeld van een bepaling die voor het intreden van een rechtsgevolg goede trouw van een persoon eist, is artikel 3:86, dat bescherming verleent aan iemand die een roerende zaak heeft verkregen van een onbevoegde vervreemder. Niet alleen verklaringen wie erfgenaam zijn, maar ook die betreffende executeurs en bewindvoerders zijn van belang, mede voor andere doeleinden dan ten bewijze van inningsbevoegdheid. Zo valt bij verkrijging van een goed van een nalatenschap niet alleen te denken aan vervreemding door erfgenamen, maar ook aan vervreemding door executeurs of bewindvoerders aan wie krachtens uiterste wil het beheer van de nalatenschap is opgedragen. Bovendien wordt door een onderbewindstelling of benoeming van een executeur met beheersbevoegdheid de bevoegdheid van de erfgenamen uitgesloten of beperkt. 3. In artikel 188 zijn in lid 1 de feiten opgesomd die in een verklaring van erfrecht kunnen voorkomen, met het gevolg dat men, daarop afgaande, in het algemeen als te goeder trouw zal worden aangemerkt. Anders dan in Nederland, is in lid 1 onder f, ook rekening gehouden met een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, mits aan de notaris bekend gemaakt. De notaris hoeft niet zonder meer ambtshalve te informeren bij de griffies der kantongerechten. Overigens kan een verzoek ook in het buitenland aanhangig zijn. Deze opsomming van lid 1 zal zo nodig krachtens lid 2 van artikel 188 nog bij staatsbesluit kunnen worden uitgewerkt en aangevuld. 4. Wat de legitimatie als executeur die met het beheer der nalatenschap is belast of als bewindvoerder betreft, de verklaring van een notaris dat een bepaalde persoon die functie heeft zal in het algemeen met die vermelding en de aanduiding van de desbetreffende akte van uiterste wil kunnen volstaan. De omvang van de bevoegdheden van de functionaris kan men aan de hand van die akte en de bepalingen der wet zelf verifiëren. 5. De regel van lid 1 van artikel 187, dat degene die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten als te dezen aanzien te goeder trouw geldt, lijdt krachtens lid 3 uitzondering, indien van degene die op de verklaring is afgegaan, op grond van bijzondere omstandigheden een nader onderzoek kon worden gevergd, dat hem de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen blijken. Dezelfde uitzondering wordt in lid 3 ook gemaakt op de regel van lid 2. 6. Lid 2 van artikel 187 betreedt hetzelfde terrein als artikel 6:34, waarvan lid 1 niet spreekt van goede trouw, maar van het geval dat de schuldenaar op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger bevoegd was. Het onderhavige lid 2 van artikel 187 heeft derhalve deze betekenis: de notariële verklaring levert voor de schuldenaar een redelijke grond op om aan te nemen dat de persoon die volgens de inhoud van die verklaring als erfgenaam, executeur of bij uiterste wilsbeschikking benoemde bewindvoerder tot de aanneming van de prestatie bevoegd is, daartoe inderdaad bevoegd is, zodat de schuldenaar die op de verklaring is afgegaan, zich als door die betaling bevrijd kan beschouwen, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden van hem een nader onderzoek kon worden gevergd, dat de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen blijken.

  1701. Artikel 189 1. Naast de in artikel 5:24 neergelegde regel dat onroerende zaken die geen andere eigenaar hebben toebehoren aan de Staat, staat de onderhavige regel – beperkt tot de situatie na overlijden maar betrekking hebbend op alle soorten goederen – inhoudende dat aan de Staat toebehoren al de goederen van de erflater, indien en voor zover erfgenamen ontbreken. Wanneer geen erfgenamen van een overledene bekend worden of de personen, voor zover bekend, die als erfgenamen in aanmerking zouden komen dit ten gevolge van onwaardigheid of verwerping niet zijn, kan veelal geen zekerheid worden verkregen of er inderdaad geen erfgenamen zijn, doch er doen zich ook gevallen voor waarin dat wel zeker is of met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden aangenomen. 2024 -657- No. 164 2. De onderhavige bepaling dient om te voorkomen, niet dat nalatenschappen onbeheerd blijven – daarin voorziet afdeling 3 van deze titel – maar dat ten gevolge van het overlijden een rechthebbende voor de nagelaten goederen komt te ontbreken. Dit is onaanvaardbaar voor roerende zaken omdat deze, als zij aan niemand toebehoren, krachtens artikel 5:4 door de eerste de beste kunnen worden geoccupeerd. Het is ook onaanvaardbaar voor andere goederen – als beperkte rechten, vorderingsrechten, absolute rechten – omdat het de constructie van subjectloze rechten nodig zou maken. 3. Het thans voorgestelde artikel preciseert dat de Staat de goederen onder algemene titel verkrijgt. Daardoor doet, wat betreft onroerende zaken, de situatie van artikel 5:24 zich niet voor. De Staat is geen erfgenaam en evenmin schuldenaar. De nalatenschap kan echter ten behoeve van schuldeisers worden vereffend; zie voorts artikel 226. Afdeling 2. Aanvaarding en verwerping van nalatenschappen en van legaten

  1702. Artikel 190 1. Aan de erfgenamen staan drie keuzen open: zuiver aanvaarden, beneficiair aanvaarden en verwerpen. De keuze wordt uitgebracht: door het afleggen van een verklaring ter griffie (artikel 191), door feitelijk handelen resulterend in zuivere aanvaarding (artikel 193 lid 1), door stilzitten resulterend in zuivere aanvaarding (artikel 192 lid 2) en door stilzitten resulterend in beneficiaire aanvaarding (artikel 193 lid 2). 2. Het belangrijkste gevolg van zuivere aanvaarding is dat de erfgenaam verplicht is de schulden van de nalatenschap voor zover deze op hem rusten ook uit zijn overig vermogen te voldoen. Het belangrijkste gevolg van een verwerping is dat de erfgenaam het recht op de goederen der nalatenschap verliest, evenals de schulden der nalatenschap. De belangrijkste gevolgen van een beneficiaire aanvaarding zijn dat voorkomen wordt dat de schulden de nalatenschap die op hem rusten ten laste van zijn overig vermogen moeten worden voldaan, dat de nalatenschap in alle gevallen een afgescheiden vermogen vormt en dat afwikkeling in beginsel plaats vindt overeenkomstig de regels van de vereffening. 3. De keuze is onherroepelijk (lid 4, eerste volzin), behoudens artikel 194. Een beroep op dwaling of de Pauliana is niet mogelijk (lid 4, tweede volzin); zie wel ten behoeve van crediteuren van een erfgenaam die heeft verworpen artikel 205. De erfgenaam kan wel beroep doen op bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden.

  1703. Artikel 191 1. Ook de zuivere aanvaarding van een erfenis kan geschieden door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie, opdat een erfgenaam die tot zuivere aanvaarding wenst over te gaan voordat de in het volgende artikel bedoelde termijn is verstreken, niet zijn toevlucht behoeft te nemen tot enigerlei handeling als in lid 1 van dat artikel bedoeld. Dit neemt natuurlijk niet weg dat zuivere aanvaarding eveneens kan, en in de praktijk ook veel vaker zal blijven geschieden door handelingen als aangeduid in lid 1 van artikel 192. Soms overigens is de verklaring ter griffie de enige manier van zuivere aanvaarding; zie artikel 192 lid 4, slot. 2. Lid 2 bepaalt dat zolang de nalatenschap niet door alle erfgenamen is aanvaard, de rechter de maatregelen kan voorschrijven, die hij tot behoud van de goederen nodig acht; vergelijk artikel 185 lid 2.

  1704. Artikel 192 1. Lid 1 worden de handelingen waardoor een erfenis – op andere wijze dan door een verklaring ter griffie – zuiver wordt aanvaard, nader omschreven als die waarbij een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver aanvaard heeft. Beperkt een erfgenaam zich binnen zijn tijd van beraad tot de daden van beheer waartoe de wet een erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard bevoegd verklaart, dan behoort hij zijn keuzebevoegdheid niet te verspelen. Dat is wel het geval wanneer hij, gelijk vrijstaat aan erfgenamen die zuiver aanvaard hebben, over goederen der nalatenschap als heer en meester beschikt (in lid 1 nader aangeduid), of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers der nalatenschap doet blijken dat hij de schulden der nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. 2024 -658- No. 164 2. De erfgenaam is in principe vrij zijn keuze tussen aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping zo lang aan te houden als hij nodig acht. Wenst daarentegen een belanghebbende – een schuldeiser van de erflater, een legataris, een subsidiaire erfgenaam – zekerheid omtrent een nog niet aanvaarde of verworpen nalatenschap, dan vindt hij een eenvoudig rechtsmiddel in de mogelijkheid zich tot de rechter te wenden, met het verzoek de erfgenaam een termijn te stellen waarbinnen deze zijn keuze moet doen; men zie lid 2. De rechter is niet verplicht al dadelijk een termijn vast te stellen; hij kan uitspraak doen naar bevind van zaken. Nadere waarborgen voor de erfgenaam en voor de derden geeft lid 2 nog met de bepaling dat de door de rechter vastgestelde termijn pas ingaat op de dag nadat de belanghebbende de beschikking, houdende de termijnstelling, aan de erfgenaam heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister, opdat ook andere belanghebbenden van de ingegane termijn kunnen kennisnemen. De erfgenaam van zijn kant kan nog een verlenging van de lopende termijn vragen, welke verlenging eveneens in het boedelregister wordt ingeschreven. 3. Lid 3 bepaalt dat de erfgenaam, als hij de hem op de geschetste wijze gestelde termijn heeft laten verlopen, geacht wordt de nalatenschap zuiver te aanvaarden. 4. Lid 4 betreft de situatie dat een of meer der mede-erfgenamen beneficiair aanvaarden. De erfgenaam wordt geacht dan ook beneficiair aanvaard te hebben mits aan de in dit lid gestelde vereisten is voldaan.

  1705. Artikel 193 1. In dit artikel wordt aangegeven, welke bevoegdheden een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam heeft ten aanzien van een erfenis, die aan de vertegenwoordigde is opgekomen. Voorop staat de regel, dat de wettelijke vertegenwoordiger door geen daden zijnerzijds een zuivere aanvaarding kan bewerkstelligen en daardoor de erfgenaam persoonlijk kan doen aansprakelijk worden. Voor een verwerping behoeft een wettelijke vertegenwoordiger de machtiging van de rechter. Een verwerping zonder die machtiging heeft geen rechtsgevolg. 2. Wanneer de wettelijke vertegenwoordiger de termijn heeft laten verlopen zonder dat de erfenis die aan de door hem vertegenwoordigde erfgenaam is opgekomen, is aanvaard of verworpen, geldt de nalatenschap van rechtswege als door die erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard, aldus lid 2. Het voordeel is dat de rechtstoestand van de nalatenschap en de rechtspositie van de erfgenaam niet langdurig in het onzekere kunnen blijven. 3. Ter bevordering van een geordend rechtsverkeer en ter vermijding van de noodzaak en kosten, ook in kleine boedels, van een verklaring van beneficiaire aanvaarding en inschrijving daarvan, is in de tweede volzin van lid 1 bepaald dat de termijn voor de keuze van de wettelijk vertegenwoordiger van rechtswege aanvangt, zodat ingevolge lid 2 de nalatenschap na ongebruikt verloop van de termijn als beneficiair aanvaard geldt. De termijn loopt vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap de erfgenaam toekomt, dat wil in de meeste gevallen zeggen vanaf het overlijden van de erflater. Komt de nalatenschap de erfgenaam eerst toe nadat een eerder geroepen erfgenaam haar verwierp, dan loopt de termijn vanaf het tijdstip van de verwerping. Komt een aandeel in de nalatenschap eerst later op aan een erfgenaam, door de vervulling van een door de erflater aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde (het geval, bedoeld in artikel 190 lid 3), dan loopt de termijn vanaf het tijdstip dat de voorwaarde werd vervuld. Ingevolge de derde volzin van lid 1 kan de rechter de termijn een of meer malen verlengen. 4. De tweede volzin van lid 2 bepaalt dat de rechter, in het belang van de schuldeisers der nalatenschap en andere belanghebbenden, van de niet door een verklaring maar van rechtswege ingetreden beneficiaire aanvaarding, zo deze hem bekend is geworden, aantekening in het boedelregister kan doen houden. 2024 -659- No. 164 5. Ingevolge lid 3 mist artikel 193 toepassing in geval van faillissement, nu daarvoor in artikel 37 Faillissementswet een eigen regeling is gegeven. Bij faillissement is er geen reden af te wijken van de in artikel 37 Fw gestelde eis van toestemming van de rechter-commissaris voor beneficiaire aanvaarding. Voorts bestaat er onvoldoende aanleiding om ook bij faillissement uit te gaan van het systeem dat de nalatenschap na zes maanden in beginsel als beneficiair aanvaard geldt. Aan te nemen valt dat de faillissementscurator vrijwel altijd een tijdige keuze voor beneficiaire aanvaarding of verwerping zal maken, zeker wanneer hem om een keuze wordt verzocht. Niet uit te sluiten valt voorts dat de faillissementscurator in verband met de aan beneficiaire aanvaarding verbonden verplichting tot vereffening van de nalatenschap, daarvan in meer gevallen zal willen afzien dan de ouder of voogd.

  1706. Artikel 194 1. Lid 1 ziet in de eerste plaats op het geval dat een erfgenaam na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil die hem tevoren onbekende legaten of lasten bevat. Het voorziet echter tevens in de mogelijkheid van latere ontdekking van een uiterste wil, die hem eveneens op een deficit of groter deficit komt te staan; namelijk wanneer deze – bij een gelijk blijvende of zelfs geringere belasting met legaten of lasten waarvoor hij aansprakelijk is – zijn erfdeel zodanig verkleint dat dit nu niet toereikend blijkt ter bekostiging van de legaten en lasten waarvoor hij aansprakelijk is, hetzij omdat zij hem persoonlijk zijn opgelegd hetzij omdat zij tot een ondeelbare prestatie verplichten. 2. Ter toelichting van lid 2 dient ook, dat er naast de in lid 1 voorziene mogelijkheden nog deze is, dat een erfgenaam zuiver aanvaard heeft in de mening slechts voor een gering deel in de nalatenschap gerechtigd en dus ook voor een gering deel van de – meestal deelbare – schulden der nalatenschap aansprakelijk te zijn, doch daarna een uiterste wil ontdekt, volgens welke hij universeel of althans voor een groter deel erfgenaam is. Ook in dit geval is het redelijk dat deze erfgenaam zich door een verlate beneficiaire aanvaarding kan bevrijden van zijn aansprakelijkheid met zijn overig vermogen, voor zover deze een groter deel van de schulden der nalatenschap betreft dan het deel waarvoor hij aldus zonder die uiterste wil aansprakelijk zou zijn geweest. 3. Hetzelfde doet zich voor, wanneer een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam ervaart dat zijn erfdeel door een op zijn zuivere aanvaarding gevolgde gebeurtenis is vergroot. In het geval dat de gebeurtenis bestaat in de vervulling van een door de erflater aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde, kan de erfgenaam het erbij gekregen erfdeel reeds krachtens artikel 190 lid 2, afzonderlijk beneficiair aanvaarden of zelfs verwerpen; bij de overige gebeurtenissen van dien aard biedt het onderhavige lid 2 de mogelijkheid tot verlate beneficiaire aanvaarding. 4. Belanghebbenden die een verlate beneficiaire aanvaarding in het boedelregister aantreffen, kunnen niet gemakkelijk nagaan of voldaan is aan de vereisten, waarvan haar geldigheid afhangt. Daarom verlangt het onderhavige artikel een machtiging van de rechter.

  1707. Artikel 194a Hierin wordt, naast artikel 194 (onbekend testament), erfgenamen verdere bescherming geboden tegen onbekende schulden. Het kan zich voordoen dat een erfgenaam die weloverwogen heeft gekozen voor zuivere aanvaarding, wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld van de overledene; hij moet deze schuld uit zijn privévermogen voldoen als het nalatenschapssaldo hiertoe niet toereikend is; hierdoor kan hij in de financiële problemen komen. In navolging van de Nederlandse Wet bescherming erfgenamen tegen schulden van 8 juni 2016, Stb. 226 wordt het onderhavige artikel voorgesteld. De voorgestelde uitzonderingsclausule geeft een erfgenaam die na zuivere aanvaarding van de nalatenschap bekend wordt met een onverwachte schuld de mogelijkheid om binnen drie maanden na ontdekking van deze schuld een verzoek bij de kantonrechter in te dienen om verhaal op zijn privévermogen te voorkomen ter voldoening van deze schuld. 2024 -660- No. 164

  1708. Artikel 195 1. De beneficiaire aanvaarding heeft ook voor de erfgenaam, die reeds zuiver heeft aanvaard, gevolgen. Weliswaar blijft deze voor zijn deel in de schulden en legaten der nalatenschap met zijn gehele vermogen aansprakelijk, maar hij wordt door de beneficiaire aanvaarding mede tot een vereffening volgens de wet verplicht: wenst hij deze verplichting niet op zich te nemen, dan kan hij overeenkomstig artikel 203 aan de rechter de benoeming van een vereffenaar verzoeken. 2. Ingevolge lid2 wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft krachtens de afdeling 2 van titel 3 voor de toepassing van de bepalingen inzake aanvaarding en verwerping en vereffening in beginsel als erfgenaam aanmerkt; vergelijk artikel 152. Dit kan evenwel niet zonder uitzondering gelden, met name niet voor bepalingen die gevolgen verbinden aan het feit dat een erfgenaam met zijn gehele vermogen voor de schulden van de nalatenschap aansprakelijk is c.q. opvolgt in de goederen van de nalatenschap; men zie de artikelen 120 en 200, artikel 202 lid 1 onderdeel a, artikel 209 lid 2, artikel 220 lid 2 en artikel 223 lid 2.

  1709. Artikel 196 In dit artikel is de bekendmaking van de beneficiaire aanvaarding facultatief gesteld, in die zin dat het aan de rechter wordt overgelaten te beslissen of hiertoe aanleiding bestaat. Er worden tal van nalatenschappen beneficiair aanvaard zonder dat er enig gevaar voor insolventie bestaat, mede als gevolg van de regel dat de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam, afgezien van de mogelijkheid van verwerping met machtiging van de rechter, slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan aanvaarden. Het gaat te ver in alle gevallen van beneficiaire aanvaarding op de vereffening de voorschriften van de derde afdeling van deze titel onverkort van toepassing te doen zijn en de vereffening steeds in te luiden met een openlijke bekendmaking, waarvan de kosten ook betrekkelijk hoog kunnen zijn in verhouding tot het actief van de nalatenschap.

  1710. Artikel 197 1. De taak van de boedelnotaris is niet die van vereffenaar, maar van raadgever. Op enkele plaatsen krijgt de boedelnotaris evenwel specifieke taken en bevoegdheden; men zie artikel 199, artikel 206 lid 1, artikel 209 lid 1, artikel 211 lid 3, artikel 214, leden 1 en 5 en artikel 218 lid 1. 2. Blijkens lid 1van het onderhavige artikel 197 kan de meest gerede der erfgenamen, ook als deze zelf zuiver aanvaard heeft, desgewenst een notaris aanzoeken om als boedelnotaris op te treden. De notaris die zich hiertoe bereid verklaart, zorgt voor de inschrijving hiervan in het boedelregister. Toegevoegd is dat hij van zijn optreden als boedelnotaris zo spoedig mogelijk kennisgeeft aan de andere erfgenamen. 3. In lid 2 is bepaald dat in geval van onenigheid over de gedane keuze een ontevreden meerderheid der erfgenamen zich tot de rechter moet wenden om aanwijzing van een vervanger te verzoeken, in plaats van zelf een vervanger aan te wijzen. De rechter zal uiteraard de eerst aangewezen boedelnotaris horen, alvorens op het verzoek tot vervanging te beslissen. 4. Volgens lid 3 moet, ingeval de rechter bekendmaking van de beneficiaire aanvaarding overeenkomstig artikel 196 heeft gelast, de aanwijzing van een boedelnotaris op gelijke wijze worden gepubliceerd, onder vermelding van naam en adres. Dit geldt ook voor een vervanging als in lid 2 van het onderhavige artikel 197 bedoeld.

  1711. Artikel 198 Wanneer er twee of meer erfgenamen-vereffenaars zijn, moeten zij als regel tezamen handelen. Een uitzondering wordt gemaakt voor daden van gewoon onderhoud en tot behoud van de goederen der nalatenschap, en in het algemeen voor daden die geen uitstel kunnen lijden. Voorts zal de rechter van een en ander kunnen afwijken door een verdeling van de werkzaamheden vast te stellen. Men vergelijke de artikelen 3:168 en 3:170 en artikel 206 lid 2. 2024 -661- No. 164

  1712. Artikel 199 1. Hierin is de bevoegdheid van de rechter om zekerheidsstelling te gelasten opgenomen. Als zulks is geschied, kan de erfgenaam, wanneer hij deze verplichting niet wil of kan nakomen, de benoeming van een vereffenaar aan de rechter vragen; zie artikel 203. Onder de belanghebbenden, die de zekerheid kunnen verlangen, is ook de boedelnotaris genoemd. Deze kan dikwijls het best beoordelen of het stellen van deze zekerheid nodig is. 2. In dit verband zij hier nog vermeld dat niet-voldoening aan een bevel van de rechter tot zekerheidstelling grond oplevert voor een verzoek tot benoeming van een vereffenaar. Dit plichtsverzuim is in artikel 203 lid 1 onderdeel b, afzonderlijk vermeld. 3. Ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel 199 moet een erfgenaam aan wie blijkt dat de schulden van de beneficiair aanvaarde nalatenschap de baten overtreffen, hiervan ten spoedigste mededeling aan de rechter doen. De rechter zal hem dan kunnen wijzen op de mogelijkheid en wenselijkheid van een verzoek tot benoeming van een vereffenaar en verwaarlozing van zulk een aanwijzing zou wellicht als een ernstige misslag, waarop artikel 184 lid 2 onderdeel d, het oog heeft, kunnen worden aangemerkt. Bovendien kan naar omstandigheden de rechter het openbaar ministerie waarschuwen, opdat dit zo nodig de benoeming van een vereffenaar verzoekt. Opgemerkt zij nog dat ook al zou verzuim van de mededelingsplicht niet de toepasselijkheid van artikel 184 lid 2 onderdeel d, rechtvaardigen, een erfgenaam die door een zodanig verzuim schade veroorzaakt, in den regel wel tot vergoeding hiervan gehouden zal zijn, doch dit behoeft geen afzonderlijke bepaling.

  1713. Artikel 200 1. Met het overlijden van de erflater gaan zijn goederen en schulden van rechtswege op zijn erfgenaam over, zodat op dat ogenblik bestaande vorderingen van de erflater op de erfgenaam of van de erfgenaam op de erflater en beperkte rechten van de erflater op een goed van de erfgenaam of van de erfgenaam op een goed van de erflater in beginsel door vermenging tenietgaan. Voor de situatie dat de nalatenschap door de erfgenaam niet zuiver doch onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard en de erfgenaam ook niet uit anderen hoofde met zijn gehele vermogen voor de schulden der nalatenschap aansprakelijk wordt, bevat dit artikel terzake enige andere voorzieningen, die met name van belang zijn, wanneer de nalatenschap niet toereikend is om daaruit alle schulden te voldoen. 2. In het zojuist genoemde geval kunnen schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen slechts op de goederen der nalatenschap verhalen en is de erfgenaam niet verplicht de op hem rustende schulden der nalatenschap uit zijn overig vermogen te voldoen. Hiermede ware bezwaarlijk verenigbaar dat de erfgenaam niettemin ten detrimente van de schuldeisers der nalatenschap zou kunnen inroepen dat een vordering van de erflater op hemzelf door vermenging zou zijn tenietgegaan, met andere woorden aan het voor de voldoening van de schuldeisers der nalatenschap bestemde actief van de erflater diens vordering op hemzelf te eigen bate zou onttrekken. En in de situatie dat de erfgenaam een vordering op de erflater heeft zou door vermenging een schuld van de nalatenschap wegvallen. De erfgenaam zou aldus bijdragen aan het voor de voldoening van de schuldeisers der nalatenschap beschikbare actief, ofschoon hij ingevolge zijn beneficiaire aanvaarding juist niet gehouden is hen uit zijn overige vermogen te voldoen. Geheel hetzelfde geldt ten aanzien van beperkte rechten 3. Om deze redenen bepaalt lid 2 dat in de in lid 1 situatie vorderingen van de erflater op de erfgenaam, beperkte rechten van de erflater op een goed van de erfgenaam, vorderingen van de erfgenaam op de erflater en beperkte rechten van de erfgenaam op een goed van de erflater niet voor het einde van de vereffening der nalatenschap door vermenging tenietgaan. 2024 -662- No. 164 4. Lid 3 ziet onder meer op de mogelijkheid dat de erfgenaam, ondanks de in lid 1 omschreven situatie, een schuld der nalatenschap uit zijn overig vermogen heeft voldaan. Hiervoor is de oplossing gekozen, dat de erfgenaam voor het bedrag van een door hem uit zijn overig vermogen betaalde schuld der nalatenschap bij de vereffening als schuldeiser van de nalatenschap optreedt in dezelfde rang die deze schuld, ware zij niet voldaan, daarbij zou hebben ingenomen. Deze rang wordt bij voorbeeld bepaald door de voorrang die schulden van de erflater boven die uit legaat toekomt en door een eventueel voorrecht of recht van hypotheek of pand op een goed der nalatenschap, dat aan het vorderingsrecht van de betaalde schuldeiser verbonden was. 5. Opgemerkt zij nog dat het in dit artikel bepaalde geldt, ongeacht of de door de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap door hemzelf of door een gerechtelijk benoemde vereffenaar wordt vereffend. Dit laatste is gewoonlijk het geval wanneer het actief van de nalatenschap ontoereikend is om alle schulden der nalatenschap ten volle te voldoen en, als gezegd, met name voor dat geval zijn de hier gestelde regels van belang.

  1714. Artikel 201 1. Voor verkrijging van een legaat, dus van het vorderingsrecht (zie artikel 117 lid 1) is geen aanvaarding nodig, wel voor de afgifte door levering (artikel 3:84). De wet gaat ervan uit dat aanvaarding regel is en verwerping uitzondering; vergelijk artikel 6:5 lid 2, (natuurlijke verbintenis) en artikel 175 lid 2, (schenking). 2. De termijnstelling van lid 2 is van nut voor eventuele sublegatarissen. Zij hebben er belang bij zekerheid te krijgen ter zake van de honorering van hun aanspraken. 3. Anders dan de verwerping van een erfenis (artikel 191), is de verwerping van een legaat niet aan een vorm gebonden; men zie lid 3. Afdeling 3. Vereffening van de nalatenschap

  1715. Artikel 202 1. Door artikel 3:193 uit de algemene titel 3.6 BW (Gemeenschap) bestrijkt de onderhavige afdeling een groter gebied dan alleen het erfrecht. De wettelijke vereffening is een flexibele figuur. Men zie in het bijzonder artikel 211 lid 4, (ontheffing door kantonrechter) en artikel 221 (‘lichte’ vereffening), waaraan het onderhavige artikel 202 lid 1, duidelijkheidshalve uitdrukkelijk refereert. De wettelijke vereffening van een insolvente nalatenschap heeft raakvlakken met het faillissementsrecht. 2. Artikel 202 lid 1, geeft de twee gronden voor de wettelijke vereffening: aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving (zie artikel 195) en gerechtelijke benoeming van een vereffenaar (zie de artikelen 203 tot en met artikel 205). 3. In drie gevallen wordt de nalatenschap niet vereffend volgens de regels van afdeling 3 (behoudens artikel 203). De eerste uitzondering is de aanwezigheid van een executeur in een solvente boedel, zoals bepaald in lid 1 onderdeel a, welke uitzondering voorkomt dat men een executeur ‘eruit kan werken’ door beneficiair te aanvaarden. 4. De tweede uitzondering geeft lid 2 ingeval van beneficiaire aanvaarding door een wettelijke vertegenwoordiger (zie artikel 193) in een solvente boedel. De wettelijke vertegenwoordiger kan ontheffing aan de rechter vragen. 5. De derde uitzondering, geregeld in lid 3, betreft de wettelijke verdeling van artikel 13. Een beneficiaire aanvaarding door een kind is dan niet zinvol, aangezien diens positie al verzekerd is door artikel 14. Het is niet zinvol voor een kind. Daarom beperkt lid 3 de vereffening tot het geval dat de langstlevende echtgenoot beneficiair heeft aanvaard. 2024 -663- No. 164

  1716. Artikel 203 1. Dit artikel 203 en het volgende artikel 204 geven aan, wanneer de rechter een vereffenaar kan benoemen, het ene artikel voor het geval onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard is, het andere artikel wanneer niet aldus aanvaard is. In alle in de wet genoemde gevallen, kan de rechter een vereffenaar benoemen, verplicht is hij daartoe niet. 2. Het eerste in artikel 203 lid 1 genoemde geval is dat, waarin een of meer erfgenamen de benoeming verzoeken. Een erfgenaam die zelf geen tijd of bekwaamheid heeft om de boedel te vereffenen, behoeft daarom nog niet van het voorrecht van boedelbeschrijving verstoken te worden. Zijn er meerdere erfgenamen en willen sommigen zelf vereffenen, anderen daarentegen een vereffenaar door de rechter doen benoemen, dan dient de rechter een uitspraak te doen. De rechter kan dan de erfgenaam die zich daartoe bereid verklaart, als vereffenaar aanwijzen: hij behoeft dit echter niet te doen. 3. In de tweede plaats kan door de rechter tot het benoemen van een vereffenaar worden overgegaan wanneer degene die met de vereffening belast is, in ernstige mate te kort schiet in de vervulling van zijn verplichtingen, daartoe ongeschikt is, niet voldoet aan een last tot zekerheidstelling (zie artikel 199 lid 1) of wanneer tot een verdeling van de nalatenschap wordt overgegaan voordat deze vereffend is (vergelijk artikel 204 lid 1 onderdeel b). Degene die met de vereffening belast is, zal gewoonlijk zijn de erfgenaam, die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard heeft: het kan echter ook een executeur zijn, die bij uitzondering krachtens het voorgaande artikel 202, niettegenstaande een beneficiaire aanvaarding, vereffent. Het tekortschieten in de vervulling van de verplichtingen dient een ernstig karakter te dragen; een kleine tekortkoming kan met een terechtwijzing van de rechter eindigen, een afzetting als vereffenaar behoeft dit niet ten gevolge te hebben. 4. In de derde plaats bestaat een grond voor benoeming van een vereffenaar door de rechter, wanneer blijkt, dat de nalatenschap meer schulden dan baten heeft. Zodra dit blijkt, dient de rechter in het geval gekend te worden en dient deze na te gaan of de erfgenaam nog wel de meest aangewezen vereffenaar is. 5. In de twee laatste gevallen kan de benoeming van een vereffenaar door iedere belanghebbende worden gevraagd. Bovendien kan het openbaar ministerie haar verzoeken, wanneer de belanghebbende stil zit en hem uit de gedeponeerde staat van activa en passiva of uit anderen hoofde de overbelasting met schulden blijkt. 6. De door de rechter benoemde vereffenaar treedt in de plaats van de erfgenamen (lid 2). De erfgenamen zijn verplicht aan hem rekening en verantwoording af te leggen (artikel 207). 7. Er zij tenslotte op gewezen, dat ook al mocht een erfgenaam, die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, door een andere vereffenaar vervangen worden, de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving in stand blijft.

  1717. Artikel 204 1. In dit artikel worden de gevallen genoemd, waarin een vereffenaar benoemd kan worden als er niet beneficiair is aanvaard. Ook artikel 3:193 kan in voorkomende gevallen toepassing vinden, maar in elk geval niet als er maar één erfgenaam is. De kantonrechter heeft een discretionaire bevoegdheid blijkens het woord ‘kan’. 2. Ad onderdeel a. De grond voor de benoeming van de vereffenaar is niet, dat de schuldeisers geen persoon hebben, die zij kunnen aanspreken. Immers wanneer de erfgenaam de tijd voor het doen van een keuze tussen verwerping en aanvaarding heeft laten voorbijgaan, wordt hij met eigen vermogen aansprakelijk: toch kan dan nog een vereffenaar worden benoemd, wanneer de erfgenaam zich niets van de nalatenschap aantrekt. Echter, afgezien van de al of niet persoonlijke aansprakelijkheid van de erfgenaam, hebben schuldeisers en legatarissen recht op een behoorlijke vereffening. Wanneer van meerdere erfgenamen slechts één of enkelen zich met de nalatenschap inlaten, hangt het van de handelwijze van laatstgenoemden af of een vereffenaar benoemd kan worden. Doen de mede-erfgenamen bij het stilzitten van de overigen, in overeenstemming met het in de titel 7 van Boek 3 (Gemeenschap) bepaalde, de nodige stappen, die hen tot de vereffening der ganse nalatenschap bevoegd maken, dan is de nalatenschap niet onbeheerd. Doen zij dit echter niet en voldoen zij schuldeisers en innen zij vorderingen slechts voor hun deel, dan is de nalatenschap ten dele onbeheerd en kan een vereffenaar benoemd worden. 2024 -664- No. 164 3. Het doet zich slechts bij uitzondering voor, dat met zekerheid bekend is dat er geen erfgenamen zijn en deswege vaststaat dat de goederen der nalatenschap op de Staat zijn overgegaan (artikel 189). Veelal zal de rechter na een eerste onderzoek slechts kunnen vaststellen dat niet bekend is geworden of er erfgenamen zijn; de benoemde vereffenaar zal dan volgens artikel 225 lid 1, tot taak hebben nasporingen naar de vererving en de personen der erfgenamen te doen. Opgemerkt zij dat hiervan wel onderscheiden moet worden het geval dat twee of meer personen elkaar betwisten erfgenaam te zijn; alsdan zal een der strijdende partijen zo nodig wel het initiatief nemen tot toepassing van artikel 710 (en artikel 709) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4. Ofschoon de executeur niet een vereffenaar in de zin van deze afdeling is, bestaat er geen behoefte aan de benoeming van een vereffenaar, indien en zolang de nalatenschap door een executeur wordt beheerd, uiteraard behoudens de mogelijkheid van toepassing van het onder b of c bepaalde; vandaar het slot van het onder a bepaalde. 5. Ad onderdeel b. Het tweede geval vervangt het faillissement van een nalatenschap. De wijze van vereffening is immers in beide gevallen in hoofdtrekken gelijk. Is reeds voor het overlijden van de schuldenaar diens faillissement uitgesproken, dan wordt uit de aard der zaak de vereffening volgens de Faillissementswet voortgezet. Schuldeisers en legatarissen kunnen niet alleen benoeming van een vereffenaar vragen, wanneer de nalatenschap ontoereikend is om alle schulden en legaten te voldoen, maar ook wanneer er gevaar ontstaat, dat zij niet ten volle zullen worden voldaan, omdat de erfgenaam de goederen van de nalatenschap met zijn overig vermogen vermengt of de privé-schuldeisers van de erfgenaam zich op de goederen der nalatenschap gaan verhalen. 6. Ad onderdeel c. Gaat het om een verwerping dan is artikel 205 van toepassing. Wil een schuldeiser van de erfgenaam de benoeming van een vereffenaar kunnen verkrijgen, dan zal hij moeten aantonen, dat door de handeling van de erfgenaam zijn belangen als schuldeiser ernstig geschaad worden. 7. In lid 2 wordt rekening gehouden met de wettelijke verdeling, bedoeld in de artikelen 13 e.v. Artikel 3:193 mist te dezen toepassing.

  1718. Artikel 205 1. In het onderhavige artikel wordt voorgesteld dat, wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, de rechter op zijn verzoek kan bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden vereffend, en de rechter zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Deze benoeming is uiteraard nodig als er nog geen vereffenaar is, maar kan, als de erfgenamen vereffenaars zijn, door de rechter ook nodig geacht worden met het oog op de strijdige belangen van de erfgenamen en de schuldeisers van de gewezen erfgenamen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. 2. Wanneer de rechter met toepassing van het onderhavige artikel heeft bepaald dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van iemand die haar verworpen heeft moet worden vereffend, kunnen volgens artikel 219 ook deze schuldeisers hun vorderingen bij de vereffenaars indienen. Zij worden in de uitdelingslijst batig gerangschikt, voor zover een restant aan hun schuldenaar zou zijn toegekomen, indien deze niet verworpen had; voor zoveel nodig kan de vereffenaar daartoe verdeling van de nalatenschap vorderen, indien er, naast degene die verworpen heeft, andere erfgenamen tot de nalatenschap zijn geroepen. 2024 -665- No. 164

  1719. Artikel 206 1. Dit artikel regelt de formaliteiten, die vóór en na de benoeming van een vereffenaar door de kantonrechter gelden, en wie tot vereffenaar kan benoemd worden. De rechter kan tot vereffenaar ook de erfgenaam of de executeur benoemen. De rechter zal in de regel de erfgenaam of de executeur niet als vereffenaar handhaven zonder van deze nodige waarborgen te verlangen. Men vergelijke lid 2 van het voorgestelde artikel. Deze waarborgen kunnen o.a. bestaan in een zekerheidsstelling, de verplichting de activa op een bepaalde wijze te deponeren, de noodzakelijkheid voor bepaalde handelingen de toestemming van de boedelnotaris of de rechter te vragen, enz. 2. Een vereffenaar heeft recht op loon dat door de rechter vóór het openmaken der uitdelingslijst wordt vastgesteld. Daarbij kan met het belang, dat de vereffenaar bij de vereffening heeft, rekening worden gehouden. Is de vereffenaar zelf erfgenaam, dan heeft hij veelal voldoende belang bij de vereffening om een beloning misplaatst te achten. Brengt de vereffening echter veel werk mee en wordt dit voor een belangrijk deel ten bate van schuldeisers of mede-erfgenamen verricht, dan is een beloning op haar plaats.

  1720. Artikel 207 Worden de erfgenamen in een beneficiair aanvaarde nalatenschap als vereffenaars opgevolgd door een gerechtelijk benoemde vereffenaar, of wordt deze wegens overlijden, ontslag of ontzetting door een ander vervangen, dan behoort aan de door de rechter benoemde opvolger rekening en verantwoording te worden afgelegd. Hierin voorziet het onderhavige artikel, dat bepaalt dat de rekening en verantwoording moet worden afgelegd op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald; men zie daaromtrent artikel 461 en ook de artikelen 771 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  1721. Artikel 208 van het Nederlandse Boek 4, inzake de benoeming door de rechtbank van een rechter- commissaris, is niet overgenomen aangezien de rechtspraak in eerste aanleg in Suriname geschiedt door een alleensprekende rechter.

  1722. Artikel 209 1. Iedere behoorlijke vereffening kost geld. De boedel kan echter zo weinig activa hebben, dat de kosten der vereffening deze baten geheel of zo goed als geheel zouden doen verdwijnen. Evenals in geval van faillissement opent dan ook het ontwerp voor dat geval de mogelijkheid, dat de rechter hetzij de kosteloze vereffening, hetzij de opheffing der vereffening kan bevelen. De bijzonderheden der regeling van deze opheffing zijn aan die van de opheffing van een faillissement ontleend. 2. Na de opheffing keert de vereffenaar de baten aan de erfgenamen en, voor zover die onbekend zijn, aan de Staat uit (artikel 209 lid 3 in verbinding met artikel 226). De erfgenamen, die beneficiair aanvaard hebben, zijn dan niet verplicht verder te vereffenen: zij kunnen de goederen verbruiken, zonder persoonlijk aansprakelijk te worden; tegen persoonlijke aansprakelijkheid zijn zij immers door hun beneficiaire aanvaarding gedekt.

  1723. Artikel 210 De vereffenaar is verplicht de aanwijzingen van de rechter te volgen. Voor de keus staande tussen een enumeratie van bevoegdheden van de rechter, nodig om de gewenste controle uit te oefenen – welk stelsel in de Faillissementswet is gevolgd – en een algemeen gestelde bepaling, is voor deze laatste gekozen. Terwijl insolventie van een failliete boedel hoogstwaarschijnlijk is, behoeft dit voor een overeenkomstig de onderhavige afdeling te vereffenen nalatenschap geenszins het geval te zijn. Hier kunnen dus in veel sterker mate reële belangen van de rechthebbende erfgenamen tegenover belangen van de schuldeisers der nalatenschap komen te staan. Voorts plegen faillissementscuratoren altijd deskundigen te zijn, hetgeen van de beneficiair aanvaard hebbende erfgenamen in den regel niet kan worden gezegd, en er kunnen voor de rechter ook goede redenen bestaan een erfgenaam of een executeur tot vereffenaar te benoemen, al zal de aard of de omvang van de nalatenschap dikwijls wel de benoeming van een deskundige, in het bijzonder uit het notariaat, geraden doen zijn. 2024 -666- No. 164

  1724. Artikel 211 1. Dit artikel bevat de algemene verplichtingen en bevoegdheden van een vereffenaar. De formulering in lid 2, dat een vereffenaar bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt brengt tot uitdrukking dat de erfgenamen partij worden bij de verbintenissen die bij zijn taakvervulling ontstaan. Of de erfgenamen niet alleen met de goederen der nalatenschap maar ook met hun overig vermogen aansprakelijk worden, hangt af van de omstandigheid of zij in het algemeen voor de schulden der nalatenschap met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn. 2. De tweede volzin van lid 2 bepaalt dat de erfgenamen niet bevoegd zijn zonder medewerking van de vereffenaar over de goederen der nalatenschap of hun aandeel daarin te beschikken. Een overeenkomstige bepaling bevat artikel 145 lid 1. Dat de erfgenamen tijdens de vereffening door een gerechtelijk benoemde vereffenaar of tijdens het beheer van de nalatenschap door een executeur de goederen der nalatenschap of hun aandeel daarin kunnen verkopen, ontmoet uiteraard geen bezwaar; maar ook spreekt het vanzelf dat zij niet bevoegd zijn door overdracht de goederen aan het beheer van de vereffenaar of executeur te onttrekken. De vraag is echter, of zij bevoegd behoren te zijn de goederen onder de last van dat beheer over te dragen, zoals in bepaalde gevallen de rechthebbende aan wie een onder bewind gesteld goed toebehoort, bevoegd is dit onder de last van het bewind te vervreemden. De doorslag moet geven dat dit de positie van de vereffenaar of de executeur bij de vervulling van zijn op de voldoening van schuldeisers der nalatenschap gerichte taak te zeer zou compliceren; in het bijzonder bij de toepassing van artikel 215 respectievelijk artikel 147 en bij de verantwoording van de afdracht van het restant van de opbrengst van te gelde gemaakte goederen der nalatenschappen aan de rechthebbenden, nadat daaruit de schuldeisers der nalatenschap voldaan zijn. Met het bewind is er het sprekende verschil dat de vereffening en de executele in beginsel van veel korter duur zijn, zodat de behoefte aan een bevoegdheid tot tussentijdse overdracht veel geringer is, en de taak van een bewindvoerder het te gelde maken van het onder zijn bewind gestelde goed in den regel niet insluit. 3. Ook de zogenaamde privé-schuldeisers van een erfgenaam kunnen behoefte aan inzage van de neergelegde boedelbeschrijving, met inbegrip van de staat van schulden der nalatenschap, hebben, ter wille van een doeltreffend gebruik van de bevoegdheden, hun toegekend in artikel 204 lid 1 onderdeel c, artikel 205 en artikel 219. Een bepaling die hun de bevoegdheid tot inzage geeft, is aan lid 3 toegevoegd maar bindt deze aan een machtiging van de rechter om ongemotiveerde nieuwsgierigheid de pas af te snijden. 4. Lid 4 verklaart voorts de rechter bevoegd, wanneer de nalatenschap uit hoofde van beneficiaire aanvaarding overeenkomstig deze afdeling moet worden vereffend, de erfgenamen ontheffing van de verplichting tot het ter inzage leggen van de boedelbeschrijving te verlenen; men vergelijke artikel 196. 5. Het verdient geen aanbeveling voor te schrijven dat een vereffenaar, telkens wanneer een boedelnotaris ontbreekt, zorg dient te dragen voor de aanwijzing van een boedelnotaris. De boedel kan van zo eenvoudige aard of geringe omvang zijn, dat aan de bijstand van een boedelnotaris geen dringende behoefte bestaat en het maken van de daaraan verbonden kosten niet gerechtvaardigd zou zijn. Het kan ook zijn dat de deskundigheid van een gerechtelijk benoemde vereffenaar, bijvoorbeeld een notaris, deze bijstand overbodig maakt. 6. Wel wordt in lid 5 buiten twijfel gesteld dat ook een gerechtelijk benoemde vereffenaar bevoegd is een boedelnotaris aan te wijzen, zo dit niet reeds geschied is, en de werkzaamheden die een boedelnotaris pleegt te verrichten aan deze over te laten. Gaat een vereffenaar hiertoe over, dan blijft hij uiteraard als zodanig voor de naleving van de volgens de wet ingevolge zijn functie van vereffenaar op hem rustende verplichtingen in beginsel aansprakelijk en dus ook zelf tot rekening en verantwoording gehouden. Doch in lid 5 wordt duidelijk erkend dat het in een goede vervulling van die functie kan passen de werkzaamheden die veelal door een boedelnotaris plegen te worden verricht, inderdaad aan een boedelnotaris over te laten. Begaat de door hem aangewezen boedelnotaris daarbij een misslag, dan kan de vereffenaar hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld, tenzij hem gebrek aan zorg in de keuze of in de handhaving van de eenmaal gekozen boedelnotaris zou kunnen worden verweten. 2024 -667- No. 164 7. Voorts is, evenals in artikel 197, voorgeschreven dat de boedelnotaris de aanvaarding van zijn functie aan de erfgenamen bericht en zich doet inschrijven in het boedelregister, bedoeld in artikel 186, zodat ook de schuldeisers der nalatenschap steeds kunnen weten of er een boedelnotaris is en wie als zodanig optreedt.

  1725. Artikel 212 1. Men kan deze bepaling beschouwen als het complement van artikel 184 lid 2 onderdeel c. Worden de daar genoemde handelingen door een erfgenaam zelf gepleegd, dan wordt deze met zijn gehele vermogen jegens de schuldeisers der nalatenschap aansprakelijk, even alsof hij zuiver aanvaard had en onverschillig of hij de erfenis verwerpt. Dit gevolg jegens de erfgenaam heeft een overeenkomstige handeling van zijn wettelijke vertegenwoordiger of een gerechtelijk benoemde vereffenaar uiteraard niet. Dat een schuldeiser die kan bewijzen dat de wettelijke vertegenwoordiger of vereffenaar opzettelijk een goed der nalatenschap zoekgemaakt, verborgen of aan het verhaal van de schuldeisers onttrokken heeft, de fraudeur tot schadevergoeding kan aanspreken, behoeft geen wetsbepaling, maar zij zou veelal moeilijk kunnen nagaan hoeveel goederen zijn weggemaakt en welke waarde deze hadden. 2. De onderhavige bepaling geldt ook jegens een wettelijke vertegenwoordiger die de erfenis van de door hem vertegenwoordigde persoon met machtiging van de rechter verwerpt. 3. Zij doet uiteraard niet af aan de verder gaande bepaling van artikel 184 lid 2 onderdeel d, krachtens welke een vereffenaar die zelf beneficiair aanvaard hebbend erfgenaam is, voor de schulden der nalatenschap met zijn gehele vermogen aansprakelijk wordt bij elk hem verwijtbaar ernstig tekortschieten in zijn verplichtingen als vereffenaar.

  1726. Artikel 213 1. Wanneer de erflater gehuwd is geweest in een bij of reeds voor zijn overlijden ontbonden gemeenschap van goederen en deze nog niet verdeeld is, bestaat de te vereffenen nalatenschap geheel of ten dele in het aandeel van de erflater in die gemeenschap. Bevoegd tot het beheer van de gemeenschap zijn de vereffenaar of vereffenaars van de nalatenschap en de andere echtgenoot of diens rechtsopvolgers. Ter wille van de vereffening van de nalatenschap dient het beheer van de ontbonden huwelijksgemeenschap gericht te worden op een spoedige afwikkeling daarvan en met name op de voldoening, zoveel mogelijk, van de opeisbare gemeenschapsschulden. Gewoonlijk zal men daaromtrent onderling tot overeenstemming weten te komen en mocht dit niet gelukken, dan kan de rechter krachtens artikel 3:168 een regeling treffen. 2. Het gevaar bestaat echter dat een ordelijke afwikkeling van de gemeenschap en dus ook de regelmatige vereffening van de nalatenschap wordt doorkruist doordat een of meer schuldeisers die recht van verhaal op de goederen der ontbonden huwelijksgemeenschap hebben, van dit recht gebruik maken. Dit gevaar kan worden bezworen doordat ook een vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap wordt benoemd, in welk geval individueel verhaal op het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 223 afstuit. Het verzoek tot deze benoeming kan door schuldeisers van de nalatenschap krachtens artikel 3:193 worden gedaan – zie ook artikel 204 lid 2 – maar het komt gewenst voor dat daartoe ook de vereffenaar of vereffenaars van de nalatenschap bevoegd worden verklaard. Hiertoe strekt het onderhavige artikel. 3. Zowel bij een verzoek van schuldeisers uit artikel 3:193 – dat in vele gevallen reeds aan een verzoek tot benoeming van een vereffenaar der nalatenschap zal worden gekoppeld – als bij een verzoek van vereffenaars van de nalatenschap uit het onderhavige artikel blijft het aan het oordeel van de rechter overgelaten, of er voldoende reden tot inwilliging van het verzoek bestaat, alsmede of het in het gegeven geval opportuun is dezelfde persoon of personen zowel met de vereffening van de ontbonden gemeenschap als met die van de nalatenschap te belasten. Het is ook niet ondenkbaar dat de rechter de vereffenaar van de nalatenschap en de andere echtgenoot tezamen tot vereffenaars van de gemeenschap benoemt; in dit verband zij gewezen op artikel 206 lid 2, tweede volzin. 2024 -668- No. 164

  1727. Artikel 214 1. In lid 1, eerste volzin, is bepaald dat de bij de openlijke oproeping van de schuldeisers der nalatenschap te stellen datum, waarop zij hun vorderingen uiterlijk moeten indienen, door de rechter wordt vastgesteld. Hierbij zij opgemerkt dat in artikel 221 de verplichting tot openlijke oproeping in beginsel is beperkt tot de gerechtelijk benoemde vereffenaar; op de erfgenamen die uit hoofde van beneficiaire aanvaarding vereffenaar zijn, rust zij alleen wanneer de rechter hun die verplichting oplegt. 2. De tweede volzin regelt de wijze van openlijke oproeping. Lid 2, eerste volzin, bepaalt dat vereffenaars in ieder geval de hun bekende schuldeisers der nalatenschap per brief moeten oproepen. Als tweede volzin is toegevoegd dat, wanneer aan vereffenaars het adres van een schuldeiser onbekend is gebleven, zij hiervan mededeling moeten doen aan de rechter. Krachtens artikel 210 lid 1, kan deze hun het doen van nasporingen of een bepaalde wijze van oproeping gelasten. Men vergelijke artikel 119. 3. In lid 3 is de stuiting van de verjaring geregeld; vergelijk ook artikel 3:316 lid 1. 4. Volgens lid 5 moet de vereffenaar op de lijst van door hem erkende en betwiste vorderingen ook eventueel aanspraken op voorrang vermelden en aangeven of hij deze erkent of betwist. Een aantekening op deze lijst van de redenen van een betwisting is naast het in lid 4 bepaalde niet nodig. Aangezien geen termijn voor de inzage is gesteld, moet de lijst ter inzage blijven liggen. Voorts is het voorschrift opgenomen dat de vereffenaar van de neerlegging van de lijst kennisgeeft aan de erfgenamen, de legatarissen en allen die zich als schuldeisers hebben gemeld.

  1728. Artikel 215 1. Voor zover dit voor de vereffening nodig is, is de vereffenaar tot verkoop van goederen der nalatenschap bevoegd. De vereffenaar is in beginsel vrij de wijze van verkoop te kiezen, die het meest in overeenstemming is met zijn plicht de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen. Wel kan de rechter hem ook op dit punt – op verzoek van een belanghebbende, bijvoorbeeld een schuldeiser, of zelfs ambtshalve – aanwijzingen geven krachtens artikel 210. 2. De vereffenaar treedt ingevolge lid 2 niet alleen omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen maar ook omtrent de wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen; deze kunnen ook hieromtrent de beslissing van de rechter inroepen. 3. Als tweede volzin is in lid 1 de bepaling opgenomen dat goederen die een schuldeiser der nalatenschap te vorderen heeft, zoveel mogelijk in de laatste plaats worden te gelde gemaakt. Men denke aan het geval dat de erflater een goed had verkocht doch nog niet geleverd of een bepaald goed der nalatenschap heeft gelegateerd. In zulke gevallen kan ook de koper of legataris volgens lid 2 de beslissing van de rechter inroepen. 4. Lid 3 betreft het geval dat de erflater het vruchtgebruik van zijn nalatenschap of van een aandeel daarin heeft vermaakt. Het is redelijk dat de vereffenaar met degene aan wie dit vruchtgebruik is gelegateerd op gelijke wijze rekening moet houden als met de erfgenamen en dat deze zich op dezelfde wijze kan doen horen als zij, wanneer hij meent dat zijn belangen onvoldoende worden in acht genomen. 5. Wanneer de vereffenaar zich niet houdt aan de voorschriften van het onderhavige artikel, heeft zulks slechts interne werking. Het belang van een vlot verlopend rechtsverkeer staat hier voorop. 6. De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen. Lid 4 betreft de zogenaamde ‘Selbsteintritt’, het handelen met zichzelf. Artikel 3:68 is dan van toepassing. 7. In lid 5 gaat het om een sommenverzekering ten name van de erflater die door diens overlijden niet tot uitkering is gekomen. Het verzekerd risico betreft derhalve een ander dan de erflater. Tot de nalatenschap behoren dan de rechten die de erflater als verzekeringnemer aan de verzekering kan ontlenen. De vereffenaar kan de rechten uit de sommenverzekering uitoefenen op de wijze waarop de erfgenamen, of in geval van de wettelijke verdeling, de langstlevende echtgenoot dat ook zouden kunnen. De van overeenkomstige toepassing van artikel 18a Faillissementswet heeft onder meer tot gevolg dat de vereffenaar het recht op het doen afkopen van de sommenverzekering slechts kan uitoefenen voor zover de begunstigde of de erfgenamen dan wel langstlevende echtgenoot door de afkoop niet onredelijk worden benadeeld. 2024 -669- No. 164

  1729. Artikel 216 1. Het ontwerp gaat ervan uit dat bij de afwikkeling van een nalatenschap daaruit de schuldeisers van de erflater bij voorrang boven de legatarissen behoren te worden voldaan. De onderhavige bepaling is nodig in verband met de mogelijkheid dat de vereffening wordt afgesloten en de vereffenaars tot uitkering aan legatarissen overgaan, zonder dat het tot de neerlegging van een uitdelingslijst is gekomen (zie artikel 196, artikel 199 lid 2, artikel 211 lid 4, en artikel 221 lid 1). Bovendien kan het zich voordoen dat op een niet beneficiair aanvaarde nalatenschap de regels van deze afdeling pas toepasselijk worden doordat geruime tijd na het overlijden van de erflater de rechter tot benoeming van een vereffenaar overgaat. In dit geval is het zeer wel denkbaar dat de erfgenamen of de executeur inmiddels reeds uit het actief der nalatenschap legaten hebben uitgekeerd, waardoor er bij de aanvang van het beheer van de vereffenaar niet genoeg over is om allen die zich bij hem als schuldeiser van de erflater aanmelden, ten volle te voldoen. Weliswaar zijn de niet onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard hebbende erfgenamen gehouden de schulden uit hun overig vermogen te voldoen, maar verhaal daarop kan hoogst twijfelachtig zijn. Het is daarom gewenst dat de door de rechter benoemde vereffenaars in de gelegenheid zijn zo nodig over te gaan tot terugvordering van hetgeen zonder neerlegging van een uitdelingslijst uit het actief der nalatenschap aan een legataris blijkt te zijn uitgekeerd. 2. Deze terugvorderingsmogelijkheid is beperkt tot drie jaar na de gedane uitkering; men vergelijke het slot van artikel 220 lid 3. 3. Artikel 128 bewerkstelligt voor de quasi-legaten hetzelfde. Zie voor de begunstiging bij sommenverzekering de bijzondere regel van artikel 127.

  1730. Artikel 217 De bevoegdheid tot verrekening is in de Faillissementswet ruimer dan in het burgerlijk recht in het algemeen. Met name enkele vereisten die artikel 6:127 lid 2 stelt, behoren in casu te worden ter zijde gesteld. In lid 2 van het onderhavige artikel 217 wordt ook artikel 52 Fw van toepassing verklaard (gedwongen schuldtoerekening).

  1731. Artikel 218 1. In dit artikel en de volgende artikelen wordt aangegeven hoe na verkoop van de nodige goederen, die uitkering door de vereffenaar aan de schuldeisers en legatarissen zal plaats vinden. De regeling van de Faillissementswet is daarbij zoveel mogelijk tot voorbeeld genomen. Daar bij deze vereffening een akkoord niet kan voorkomen, is geen afzonderlijke verificatie voorgeschreven, maar gaat de vereffenaar onmiddellijk tot het opmaken van de uitdelingslijst over. Een geschil over het toelaten van een vordering of haar voorrang, kan echter aan het opmaken van de uitdelingslijst voorafgaan. Daartoe is de vereffenaar verplicht zodra hij zich met een vordering of een voorrang niet kan verenigen, daarvan aan de belanghebbende kennis te geven. Deze kan dan volgens artikel 223 lid 2, zonder de uitdelingslijst af te wachten, een procedure tot erkenning van zijn vordering of zijn voorrang instellen. Wanneer de vereffenaar niet tijdig kennis geeft, zal hij jegens de belanghebbenden tot vergoeding der schade gehouden zijn, die dezen uit de vertraging der afwikkeling ondervinden. 2. De omstandigheid, dat een of meer vaststellingsprocedures gevoerd worden, behoeft geen reden te zijn, om het opmaken van de uitdelingslijst uit te stellen. Evenals in geval van faillissement kan de rechter op verzoek van de belanghebbende de vereffenaar gelasten de vordering of de voorrang voorwaardelijk te erkennen. Er zij op gewezen, dat hier het verhaal van schuldeisers en legatarissen alleen wordt geregeld voor zover dit de goederen der nalatenschap betreft. Is een erfgenaam om een of andere reden persoonlijk voor de schulden der nalatenschap aansprakelijk, dan kunnen de schuldeisers het persoonlijk vermogen van de erfgenaam aanspreken zonder de vereffening af te wachten en zelfs zonder bij de vereffenaar zich te hebben aangemeld. Omgekeerd geeft een erkenning van een schuld door de vereffenaar de schuldeiser nog niet een executoriale titel of een bindend bewijsmiddel tegen de erfgenaam, die persoonlijk aansprakelijk is (men verg. artikel 223 lid 2, aan het slot). Daar geen afzonderlijke verificatie der 2024 -670- No. 164 schuldvorderingen met een mogelijk verzet voor de erfgenaam mogelijk is, zal de erkenning door de vereffenaar niet meer dan een vrij vermoeden voor het bestaan van de vordering zijn. 3. In lid 5 worden met betrekking tot de opneming van schulden der nalatenschap in de uitdelingslijst de regels van de Faillissementswet voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. Hieruit volgt onder meer dat ook schulden der nalatenschap die nog niet opeisbaar zijn, worden opgenomen, doch slechts voor hun berekende contante waarde, alsmede dat schulden der nalatenschap die aan een opschortende voorwaarde gebonden zijn en in het algemeen die welke niet in geld luiden slechts voor hun geschatte geldswaarde in aanmerking kunnen komen. 4. Met de formule in lid 5 dat de faillissementsvoorschriften ‘zoveel mogelijk’ overeenkomstige toepassing vinden, wordt geoogd rekening te houden met het verschil in karakter van de vereffening ener nalatenschap en die van de nagenoeg steeds deficitaire boedel van een schuldenaar die failliet verklaard is. Dit verschil in karakter maakt enige nadere bepalingen gewenst. Deze zijn in lid 4 ingevoegd. Door de erflater achtergelaten of bij legaat in het leven geroepen verbintenissen tot levering van een goed dat zich in de nalatenschap bevindt, of tot vestiging van een beperkt recht op een zodanig goed, dient de vereffenaar te voldoen, tenzij de boedel een tekort vertoont; alleen in dat geval behoren zij voor zoveel nodig in een geldschuld te worden omgezet. Tot de ter opneming in de uitdelingslijst noodzakelijke omzetting van andere niet in geld luidende vorderingen behoort slechts te worden overgegaan, indien de schuldeiser dit verzoekt; voor zover hem de bevoegdheid toekomt van de erfgenamen nakoming, verrichting van de door hen verschuldigde prestatie, af te dwingen, behoort hij deze bevoegdheid niet tegen zijn wil te verliezen. Hetzelfde geldt voor verbintenissen onder een opschortende voorwaarde welker vervulling ten tijde van het opmaken van de uitdelingslijst nog onzeker is; de schuldeiser dient te beslissen of hij wil opkomen voor de geschatte waarde dan wel afwachten of de voorwaarde wordt vervuld.

  1732. Artikel 219 1. Hier wordt aan schuldeisers van een erfgenaam die door diens verwerping zijn benadeeld ook de bevoegdheid gegeven hun vordering bij de vereffenaar aan te melden. Deze bevoegdheid sluit aan bij hetgeen in artikel 205 is bepaald. 2. Zijn er alsdan naast de erfgenaam, die verworpen heeft nog andere erfgenamen, dan kan de vereffenaar in het belang van die schuldeisers verdeling der nalatenschap vorderen; hij zal dit echter alleen doen wanneer de baten de schulden der nalatenschap overtreffen, omdat in het tegenovergestelde geval er geen belang voor de schuldeisers van de erfgenaam die verworpen heeft, bij een scheiding is.

  1733. Artikel 220 Dit artikel stelt regels voor de uitkeringen die na het verbindend worden van de uitkeringslijst worden gedaan. Meest voorkomend is de gewone uitkering aan een schuldeiser; men zie lid 1. De leden 2 en 3 regelen de positie van later opkomende schuldeisers. De post-concurrente plaats die de legataris in de rangorde der nalatenschapscrediteuren inneemt wordt door lid 3 verduidelijkt.

  1734. Artikel 221 1. Geschiedt de vereffening van de nalatenschap door een gerechtelijk benoemde vereffenaar, dan moet dit worden bekend gemaakt in het officiële nieuwsblad en een of meer nieuwsbladen, ingevolge artikel 206 lid 6. Moet de nalatenschap overeenkomstig deze afdeling vereffend worden door de erfgenamen, omdat zij beneficiair aanvaard is, dan behoeft dit ingevolge artikel 196 alleen dan op die wijze bekend te worden gemaakt, wanneer de rechter dit gelast. Volgens het onderhavige artikel zijn de erfgenamen-vereffenaars ook niet van rechtswege onderworpen zijn aan de in artikel 214, leden 1 en 5, en artikel 218 omschreven verplichtingen tot openlijke oproeping van de schuldeisers der nalatenschap, tot neerlegging van een lijst van erkenden betwiste vorderingen en tot neerlegging van een rekening en verantwoording en een uitdelingslijst. Volgens lid 1 van het onderhavige artikel rusten deze verplichtingen op de erfgenamen- vereffenaars alleen wanneer de rechter dit bepaalt, waartoe deze te allen tijde kan besluiten zodra hem blijkt dat dit in het belang van een regelmatige vereffening geboden is. 2024 -671- No. 164 2. Lid 2 bevat de uiteraard tot gerechtelijk benoemde vereffenaars beperkte, regel dat de rekening en verantwoording en een uitdelingslijst niet behoeven te worden neergelegd, wanneer alle schuldeisers van de nalatenschap ten volle worden voldaan. Deze regel geldt natuurlijk ook wanneer de schuldeisers door de erfgenamen uit eigen middelen worden betaald. Gepreciseerd is dat het gaat om de voldoening van de schuldeisers die vóór de afloop van de in artikel 218 lid 1 bedoelde, eventueel door de rechter verlengde termijn aan de vereffenaar bekend zijn geworden. 3. Voorts is toegevoegd dat de rechter de vereffenaar van de verplichting tot nederlegging van een uitdelingslijst kan vrijstellen, ofschoon nog niet alle schuldeisers worden voldaan. De rechter zal tot deze vrijstelling niet mogen overgaan, wanneer een schuldeiser wiens vordering nog niet voldaan is, daartegen bezwaar maakt. Het is echter zeer wel mogelijk dat een schuldeiser, bijvoorbeeld omdat zijn vordering door een onderpand met ruime overwaarde gedekt is, aflossing voorlopig niet begeert. 4. Lid 3 geeft aan op welke wijze de rekening en verantwoording aan hen die recht op het restant hebben behoort te geschieden, wanneer de neerlegging op grond van dit artikel achterwege wordt gelaten. Degenen die een recht op het restant hebben, zijn in de eerste plaats de erfgenamen of de overheid, maar daaronder vallen ook zij aan wie het vruchtgebruik van de nalatenschap of van een aandeel daarin is vermaakt.

  1735. Artikel 222 1. Het merendeel van de bepalingen betreffende gemeenschap van titel 7 van Boek 3 BW leent zich niet voor toepassing gedurende de vereffening van een nalatenschap. Dit houdt verband met de omstandigheid dat de onderhavige afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 afwijkende regels stelt voor het beheer van de nalatenschap en de mogelijkheid van verhaal op de goederen van de nalatenschap, terwijl een verdeling van de nalatenschap pas aan de orde kan komen nadat de vereffening is voltooid (zoals bijvoorbeeld blijkt uit artikel 226 lid 2). Door de voorgestelde bepaling, die een afwijking inhoudt van artikel 3:189 lid 2, wordt tot uitdrukking gebracht dat vragen die bij de vereffening kunnen rijzen in beginsel beantwoord dienen te worden aan de hand van de in afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 gegeven regels en de wel van toepassing verklaarde bepalingen van titel 7 van Boek 3. Dat sluit echter niet uit dat in onder omstandigheden, bij vragen waarvoor een oplossing uit afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 bezwaarlijk valt af te leiden, daarvoor mede aansluiting wordt gezocht bij bepalingen van titel 7 van Boek 3. 2. Met betrekking tot de verschillende bepalingen van titel 7 van Boek 3 die buiten toepassing blijven, worden hier enkele opmerkingen gemaakt. Aan toepassing van artikel 3:168 en artikel 3:170, leden 2 en 3, is naast de regeling van het beheer in artikel 211 lid 1 geen behoefte. In het verlengde daarvan dient ook artikel 3:171 betreffende het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften buiten toepassing te blijven. Aangezien uit de nalatenschapsgoederen voortvloeiende vruchten en voordelen, evenals daarmee verband houdende uitgaven, mede in de vereffening worden betrokken, komt men niet toe aan toepassing van artikel 3:172. De verplichting tot het doen van rekening en verantwoording van artikel 3:173 is gedurende vereffening overbodig naast artikel 218 lid 1. De regeling van tegeldemaking van goederen van artikel 215 maakt toepasselijkheid van artikel 3:174 overbodig. Artikel 3:175 (beschikkingsbevoegdheid over een aandeel) komt bij een nalatenschap, ook zonder vereffening, niet aan de orde in verband met de regels van artikel 3:190 en volgende (tijdens vereffening gelden hier de artikelen 211 en 223). Hetzelfde geldt voor artikel 3:176. Artikel 3:177 (verdeling of overdracht van een gemeenschappelijk goed terwijl op het aandeel van een deelgenoot een beperkt recht rust) komt in verband met artikel 211 lid 2, tweede volzin, niet voor toepassing in aanmerking. De artikelen 3:177 tot en met 188 betreffende verdeling komen zoals hierboven gezegd niet voor toepassing bij vereffening in aanmerking; overigens zal een vereffening er niet aan in de weg hoeven staan dat een vordering tot verdeling wordt toegewezen onder opschortende voorwaarde van voltooiing van de vereffening. Artikel 3:189 regelt welke bepalingen op bepaalde gemeenschappen kunnen worden toegepast, en bevat geen regels die tijdens vereffening van belang zijn. De artikelen 3:190 tot en met 193 betreffende beschikking over en verhaal op gemeenschapsgoederen, aandelen in gemeenschapsgoederen en aandelen in de gemeenschap, missen 2024 -672- No. 164 betekenis naast artikel 211 lid 2 en artikel 223. Artikel 3:194 lid 1, (boedelbeschrijving) is overbodig naast artikel 211 lid 3. De bepalingen van de artikelen 3:195 tot en met 200 ten slotte, betreffende nietige en vernietigbare verdelingen, komen niet voor toepassing tijdens vereffening in aanmerking nu verdeling eerst na de vereffening aan de orde komt.

  1736. Artikel 223 1. In de artikelen 223 en 224 wordt in het belang van een goede vereffening vastgesteld, dat zolang de vereffenaar werkzaam is, geen individuele executie, hetzij door de schuldeisers der nalatenschap, hetzij door die der erfgenamen mogelijk is. Slechts die schuldeisers der nalatenschap, die in geval van faillissement hun recht kunnen vervolgen zonder op het faillissement acht te slaan, zijn ook hier uitgezonderd. Wel is het mogelijk, dat een schuldeiser der nalatenschap tijdens de vereffening zijn vordering of de voorrang van die vordering gerechtelijk doet vaststellen. Dit kan geschieden, wanneer de schuldeiser bericht van de vereffenaar krijgt, dat deze zijn voorrang of vordering niet wil erkennen, of wanneer een schuldeiser in verzet komt tegen een uitdelingslijst, waarop vordering en voorrang niet zijn opgenomen en dit verzet tot een renvooiprocedure leidt. 2. Een zodanige procedure is echter, ook onafhankelijk van deze omstandigheden, te allen tijde mogelijk. Heeft bijvoorbeeld een erfgenaam zuiver aanvaard en wenst hij niet te betalen, dan is het begrijpelijk, dat de schuldeiser de erfgenaam tezamen met de vereffenaar dagvaardt tot betaling, met het voorbehoud dat de veroordeling niet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd dan voor zover en in voege als de wet tegenover een vereffenaar en de door hem beheerde nalatenschap toelaat. Men vergelijke in dezelfde zin voor het tegenwoordige recht ten aanzien van een beneficiair aanvaarde nalatenschap HR 20-2-1936, NJ 1936, 42. 3. Lid 3 betreft de opheffing van voor de aanvang der vereffening reeds gelegde beslagen. Een regel die alle gelegde beslagen van rechtswege doet vervallen, zou voor de vereffening, wier strekking immers geenszins steeds vergelijkbaar is met die van een faillissement, te ver gaan. Anderzijds kan opheffing van beslagen voor een doeltreffende afwikkeling nodig zijn, bijvoorbeeld als alle goederen van de nalatenschap met het oog op de voldoening van de schuldeisers te gelde moeten worden gemaakt. Lid 3 legt daarom de beslissing ter zake bij de rechter.

  1737. Artikel 224 In dit artikel wordt de volgorde vastgesteld, waarin de schuldeisers van de nalatenschap en schuldeisers van de erfgenaam, in geval van de vereffening van een boedel verhaalsrecht hebben. Het spreekt vanzelf, dat daarbij de schuldeisers van de nalatenschap een voorrang is toegekend. Artikelen 225 en 226 1. Deze artikelen beantwoorden aan de huidige regeling van de onbeheerde nalatenschappen, behoudens dat de nalatenschap onder de vereffenaar moet verblijven totdat de vereffening voltooid is. Mocht dit binnen de drie jaar afgelopen zijn, dan is er weinig reden om de nalatenschap nog onder de vereffenaar te laten; zou daarna nog een erfgenaam opkomen, dan kan deze zich evengoed tot de Staat als tot een vereffenaar wenden. Eveneens moet in geval van opheffing van een vereffening, de vereffenaar de aanwezige goederen aan de Staat afdragen, wanneer geen erfgenamen bekend zijn. 2. Worden tijdens de vereffening de erfgenamen bekend, dan eindigt de vereffening eerst, indien alle bekend geworden erfgenamen aanvaarden. Dit is in overeenstemming met artikel 204, volgens welk artikel een vereffenaar ook kan benoemd worden, wanneer van de bekende erfgenamen enigen hun aandeel onbeheerd laten. 3. In lid 2 van artikel 224 is het geval voorzien dat de erfgenamen die zich bereid tot de inontvangstneming tonen, slechts tot een deel der nalatenschap gerechtigd zijn en voor het overige zich een der omstandigheden voordoet als bedoeld in de tweede volzin van lid 1 van artikel 224. In het stelsel van het huidige BW, dat niet de benoeming van een vereffenaar der nalatenschap doch de benoeming van een curator over een onbeheerde nalatenschap, eventueel van een deelcurator kent, behoort tot de 2024 -673- No. 164 bevoegdheden van een deelcurator mede het uitlokken van of het medewerken aan een scheiding en deling der nalatenschap; zie HR 2-6-1961, NJ 1961, 410. Een analoge oplossing wordt thans in lid 2 van artikel 226 voorgesteld: in het genoemde geval zal het tot de taak van de vereffenaar behoren te zorgen dat de nalatenschap eerst wordt verdeeld. Veelal zal een erfgenaam die tot de inontvangstneming bereid is, het initiatief nemen tot een verdeling, of anders kan en moet de vereffenaar dit doen. De artikelen 3:178 lid 1 en 3:181 geven de weg aan. Erfgenamen die onbekend zijn of stilzitten worden bij de verdeling door een onzijdig persoon vertegenwoordigd, maar in casu blijft het hun toebedeelde bij de vereffenaar, die het aan de Staat afdraagt, evenals hij met de overgebleven goederen in hun geheel zou hebben te doen in de gevallen van lid 1, tweede volzin. 4. Lid 3 van artikel 226 laat het aan de Staat over de afgegeven goederen in natura te beheren of te verkopen, zij het dat het registergoederen slechts in het openbaar zal mogen verkopen, tenzij de rechter tot onderhandse verkoop machtigt. Deze restrictie geldt uiteraard niet in het uitzonderingsgeval dat het vaststaat dat er geen erfgenamen zijn; in dit geval kan de Staat na de vereffening onbeperkt als heer en meester over de goederen beschikken (artikel 189). Lid 4 is naast artikel 189 niet overbodig. Zij ontheft de Staat na twintig jaar van de bewijslast dat de overledene geen erfgenamen heeft en verschaft zij bovendien aan de Staat een titel voor het geval de erfgenamen de vereffende nalatenschap of bestanddelen daarvan na twintig jaar nog niet hebben opgeëist. Zolang de termijn van twintig jaar niet is verstreken, kunnen schuldeisers der nalatenschap, wier vordering nog niet is verjaard, met inachtneming van artikel 220 op het afgedragen saldo verhaal zoeken. Afdeling 4. Verdeling van de nalatenschap

  1738. Artikel 227 Doordat de verdeling van gemeenschappelijke goederen reeds uitvoerig in Boek 3 geregeld is, behoefden hier alleen die verdelingsvoorschriften, die bijzonder zijn bij de verdeling van een nalatenschap gegeven te worden. Zij betreffen twee onderwerpen: de gedwongen toerekening en de inbreng.

  1739. Artikel 228 1. Daar reeds bij de gemeenschap bepaald is, dat hetgeen een deelgenoot aan de gemeenschap schuldig is, hem op zijn deel wordt toegerekend, is dit artikel streng genomen overbodig. Om echter te voorkomen, dat men een onderscheid gaat maken tussen schulden van een deelgenoot aan de gemeenschap en schulden aan de erflater, is dit artikel opgenomen. Het valt dientengevolge niet te betwijfelen, dat schulden van een deelgenoot aan de erflater bij de deling kunnen worden verrekend. 2. Gelijk bij de gemeenschap ten aanzien van gedwongen toerekening in artikel 3:184 lid 1, in het algemeen bepaald is, komen niet opeisbare vorderingen voor hun contante waarde voor toerekening in aanmerking. Voorwaardelijke vorderingen daarentegen dragen nog een te onzeker karakter om deze aan de schuldenaar tegen zijn wil voor een geschatte waarde op zijn aandeel toe te rekenen. 3. Wat lid 2 betreft zij het volgende opgemerkt. Wanneer de erflater aan een of meer erfgenamen een legaat heeft gemaakt, dat ten laste van een of meer mede-erfgenamen komt, behoort tussen eerstgenoemden als schuldeisers uit het legaat en hun schuldenaren de regel van lid 1 eveneens te gelden, doch alleen voor zover de schuld uit het legaat bij de verdeling opeisbaar is. Men denke met name aan het legaat van een goed der nalatenschap ‘tegen inbreng van de waarde’. Hetzelfde geldt voor eventueel verschuldigde sommen ineens. 2024 -674- No. 164 Artikelen 229 tot en met 233 1. Deze artikelen behandelen de inbreng van giften. Bij de vaststelling van de geldvorderingen bij een wettelijke verdeling zijn zij van overeenkomstige toepassing (artikel 15 lid 3). 2. Artikel 229 geeft weer in welke gevallen een erfgenaam verplicht is tot inbreng. Het gaat hier om inbreng ‘ten behoeve van zijn mede-erfgenamen’, zonder enige beperkende bepaling, derhalve onverschillig of zij door de wet aangewezen erfgenamen zijn, en zo ja, of zij bij versterf of krachtens uiterste wil geroepen zijn. Een beperking tot door de wet aangewezen erfgenamen zou hier als regel niet juist zijn. Wel staat het de erflater natuurlijk vrij de door hem opgelegde inbrengplicht beperkt te houden door te bepalen dat de inbreng alleen ten behoeve van alle of bepaalde door de wet als erfgenaam aangewezen personen zal geschieden. 3. Lid 2 van artikel 229 bepaalt volledigheidshalve dat een bij de gift opgelegde inbrengplicht bij uiterste wil weder terzijde gesteld kan worden. 4. Artikel 230 beantwoordt aan het huidige recht behoudens dat het niet meer mogelijk is dat eenzelfde persoon of bij plaatsvervulling of uit eigen hoofde in de nalatenschap van een voorvader kan opkomen. Zie voor de plaatsvervulling artikel 10 lid 2 en artikel 12. 5. Artikel 231 brengt het beginsel tot uiting, dat alleen door hem, die de gift ontving, ingebracht moet worden, ook al zou door een gemeenschap of verrekenbeding de gift ten voordele van een andere echtgenoot komen. 6. Dat de inbreng de verkrijgingen der erfgenamen wijzigt is niet van invloed op hun aansprakelijkheid jegens de schuldeisers der nalatenschap, aldus artikel 232. 7. Artikel 233 ten slotte regelt de wijze van inbreng, de waardering en de maximale inbreng. WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 5 2024 -675- No. 164 BOEK 5 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 5 Zakelijke rechten Titel 1 Eigendom in het algemeen

  1740. Artikel 1 1. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. 2. Het staat de eigenaar met uitsluiting van eenieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. 3. De eigenaar van de zaak wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar van de afgescheiden vruchten.

  1741. Artikel 1a Allodiale eigendom geldt als eigendom, bedoeld in dit boek. Artikel 2 De eigenaar van een zaak is bevoegd haar van eenieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. Artikel 3 Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen. Titel 2 Eigendom van roerende zaken Artikel 4 Degene die een aan niemand toebehorende roerende zaak in bezit neemt, verkrijgt daarvan de eigendom.

  1742. Artikel 5 1. Degene die een onbeheerde zaak vindt en onder zich neemt, is verplicht: a. met bekwame spoed overeenkomstig lid 2, eerste volzin, van de vondst aangifte te doen, tenzij hij ter- stond na de vondst daarvan mededeling heeft gedaan aan degene die hij als eigenaar of als tot ont- vangst bevoegd mocht beschouwen; b. met bekwame spoed tevens overeenkomstig lid 2, tweede volzin, mededeling van de vondst te doen, indien deze is gedaan in een woning, een gebouw of een vervoermiddel, tenzij hij krachtens onderdeel a, slot, ook niet tot aangifte verplicht was; c. de zaak bij de overheid in bewaring te geven, indien deze dat vordert. 2. De in lid 1 onder a bedoelde aangifte wordt bij de overheid gedaan. De in lid 1 onder b bedoelde mede- deling geschiedt bij degene die de woning, het gebouw of vervoermiddel in gebruik of exploitatie heeft, dan wel bij degene die daar voor hem toezicht houdt. 3. De vinder is te allen tijde bevoegd de zaak bij de overheid in bewaring te geven. Zolang hij dit niet doet, is hij verplicht zelf voor bewaring en onderhoud zorg te dragen. 4. De vinder kan van de overheid een bewijs van aangifte of van inbewaringgeving verlangen. 2024 -676- No. 164 5. De in dit artikel en de artikelen 6 tot en met 13 aan de overheid toegekende bevoegdheden en taken wor- den uitgeoefend door de Districtscommissaris van het district waar de zaak is gevonden, dan wel door een ambtenaar, voor zover deze door de Districtscommissaris is belast met de uitvoering van de in deze bepalingen genoemde bevoegdheden en taken.

  1743. Artikel 6 De vinder die aan de hem in artikel 5 lid 1 gestelde eisen heeft voldaan, verkrijgt de eigendom van de zaak één jaar na de aldaar bedoelde aangifte of mededeling, mits de zaak zich op dat tijdstip nog bevindt in de macht van de vinder of bij de overheid in bewaring is.

  1744. Artikel 7 De vinder kan, door de zaak onverwijld af te geven aan de bewoner van de woning of de gebruiker of exploitant van de ruimte waar de vondst is gedaan, dan wel aan degene die daar voor hem toezicht houdt, zijn rechtspositie met alle daaraan verbonden verplichtingen doen overgaan op die bewoner, gebruiker of exploi- tant, met dien verstande dat geen recht op beloning bestaat.

  1745. Artikel 8 1. Indien een bij de overheid in bewaring gegeven zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of wegens de onevenredig hoge kosten of ander nadeel de bewaring daarvan redelijkerwijs niet langer kan worden gevergd, is de overheid bevoegd haar te verkopen. 2. Indien de zaak zich niet voor verkoop leent, is de overheid bevoegd haar om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te vernietigen. 3. Indien de gevonden zaak een dier is, is de overheid na verloop van acht dagen nadat het dier bij haar in bewaring is genomen, bevoegd het zo mogelijk tegen betaling van een koopprijs, en anders om niet, aan een derde in eigendom over te dragen. Mocht ook dit laatste zijn uitgesloten, dan is de overheid bevoegd het dier te doen afmaken. De termijn van acht dagen behoeft niet in acht te worden genomen, indien het dier slechts met onevenredig hoge kosten gedurende dat tijdvak kan worden bewaard, of afmaking om geneeskundige redenen vereist is. 4. De opbrengst treedt in de plaats van de zaak.

  1746. Artikel 9 1. Degene die de zaak opeist van de overheid of van de vinder die aan de hem in artikel 5 lid 1 gestelde eisen heeft voldaan, is verplicht de kosten van bewaring en onderhoud en tot opsporing van de eigenaar of een andere tot ontvangst bevoegde te vergoeden. De overheid of de vinder is bevoegd de afgifte op te schorten totdat deze verplichting is nagekomen. Indien degene die de zaak opeist, de verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem zijn opgegeven, heeft voldaan, wordt hij geacht zijn recht te hebben prijsgegeven. 2. De vinder die aan de hem opgelegde verplichtingen heeft voldaan, heeft naar omstandigheden recht op een redelijke beloning.

  1747. Artikel 10 Indien een vinder die op grond van artikel 6 eigenaar is geworden van een bij de overheid in bewaring gegeven zaak, zich niet binnen één maand na zijn verkrijging bij haar heeft aangemeld om de zaak in ont- vangst te nemen, is deze met overeenkomstige toepassing van artikel 8 bevoegd de zaak voor rekening van de Staat te verkopen, om niet aan een derde over te dragen of te vernietigen. Hetzelfde geldt indien geen vinder eigenaar van de zaak is geworden. 2024 -677- No. 164

  1748. Artikel 11 Bestaat de door de overheid in bewaring genomen zaak uit geld, dan is zij slechts verplicht aan degene die haar kan opeisen, onverminderd artikel 9, een gelijk bedrag uit te keren. Zij is van deze verplichting ontslagen in de gevallen, bedoeld in artikel 10.

  1749. Artikel 12 Bij of krachtens staatsbesluit kunnen: a. nadere regels worden gesteld omtrent de uitoefening van de uit de artikelen 5 tot en met 11 voor de over- heid voortvloeiende bevoegdheden; b. nadere regels worden gesteld omtrent de aanwijzing van bepaalde soorten personen en instellingen, waarbij deze geheel of gedeeltelijk en al dan niet onder nadere voorwaarden worden vrijgesteld van de aangifteplicht van artikel 5 lid 1 onder a of voor de afwikkeling van vondsten met de overheid worden gelijkgesteld; c. voor de afwikkeling van vondsten door personen of instellingen als bedoeld onder b groepen van niet afgehaalde zaken met gevonden zaken worden gelijkgesteld.

  1750. Artikel 13 1. Een schat komt voor gelijke delen toe aan degene die hem ontdekt, en aan de eigenaar van de onroerende of roerende zaak waarin de schat wordt aangetroffen. 2. Een schat is een zaak van waarde, die zolang verborgen is geweest dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord. 3. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing. De overheid kan inbewaringgeving van de schat overeen- komstig artikel 5 lid 1 onder c slechts vorderen, indien en voor zolang bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  1751. Artikel 14 1. De eigendom van een roerende zaak die een bestanddeel wordt van een andere roerende zaak die als hoofdzaak is aan te merken, gaat over op de eigenaar van deze hoofdzaak. 2. Indien geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en zij toebehoren aan verschillende eigenaars, worden deze eigenaars mede-eigenaars van de nieuwe zaak, ieder voor een aandeel evenredig aan de waarde van de zaak. 3. Als hoofdzaak is aan te merken de zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens verkeersopvatting als zodanig wordt beschouwd. Artikel 15 Worden roerende zaken die aan verschillende eigenaars toebehoren, door vermenging tot één zaak verenigd, dan is artikel 14 van overeenkomstige toepassing.

  1752. Artikel 16 1. Indien iemand uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak vormt, wordt deze eigendom van de eigenaar van de oorspronkelijke zaken. Behoorden deze toe aan verschillende eigenaars, dan zijn de artikelen 14 en 15 van overeenkomstige toepassing. 2. Indien iemand voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen uit of mede uit een of meer hem niet toebehorende roerende zaken, wordt hij eigenaar van de nieuwe zaak, tenzij de kosten van de vorming dit wegens hun geringe omvang niet rechtvaardigen. 3. Bij het verwerken van stoffen tot een nieuwe stof of het kweken van planten zijn de leden 1 en 2 van overeenkomstige toepassing. 2024 -678- No. 164 Artikel 17 Degene die krachtens zijn genotsrecht op een zaak gerechtigd is tot de vruchten daarvan, verkrijgt de eigen- dom der vruchten door hun afscheiding. Artikel 18 De eigendom van een roerende zaak wordt verloren, wanneer de eigenaar het bezit prijsgeeft met het oog- merk om zich van de eigendom te ontdoen.

  1753. Artikel 19 1. De eigenaar van tamme dieren verliest daarvan de eigendom wanneer zij, nadat zij uit zijn macht zijn gekomen, zijn verwilderd. 2. De eigenaar van andere dieren verliest daarvan de eigendom wanneer zij de vrijheid verkrijgen en de eigenaar niet terstond probeert ze weer te vangen of zijn pogingen daartoe staakt. Titel 3 Eigendom van onroerende zaken

  1754. Artikel 20 1. De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt: a. de bovengrond; b. de daaronder zich bevindende aardlagen; c. het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen; d. het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat; e. gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders on- roerende zaak; f. met de grond verenigde beplantingen. 2. In afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.

  1755. Artikel 21 1. De bevoegdheid van de eigenaar van de grond om deze te gebruiken, omvat de bevoegdheid tot gebruik van de ruimte boven en onder de oppervlakte. 2. Het gebruik van de ruimte boven en onder de oppervlakte is aan anderen toegestaan indien dit zo hoog boven of zo diep onder de oppervlakte plaats vindt, dat de eigenaar geen belang heeft zich daartegen te verzetten. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de bevoegdheid tot vliegen.

  1756. Artikel 22 Wanneer een erf niet door bebouwing, omheining, door water of anderszins is afgesloten, mag eenieder er zich op begeven, tenzij de eigenaar schade of hinder hiervan kan ondervinden of op duidelijke wijze kenbaar is dat het verboden is zonder zijn toestemming zich op het erf te bevinden, een en ander onverminderd hetgeen omtrent openbare wegen moge zijn bepaald. 2024 -679- No. 164

  1757. Artikel 23 1. Is een voorwerp of een dier anders dan door opzet of grove nalatigheid van de eigenaar op de grond van een ander terecht gekomen, dan moet de eigenaar van de grond hem op zijn verzoek toestaan het voor- werp of het dier op te sporen en weg te voeren. 2. De bij de opsporing en wegvoering aangerichte schade moet door de eigenaar van het voorwerp of het dier aan de eigenaar van de grond worden vergoed. Voor deze vordering heeft laatstgenoemde een retentierecht op het voorwerp of het dier. Artikel 24 Aan de Staat behoren onroerende zaken die geen andere eigenaar hebben. Artikel 25 De bodem van de territoriale zee is eigendom van de Staat.

  1758. Artikel 26 1. De stranden der zee, de grond onder de binnenwateren, alsmede de grote en kleine eilanden en platen die in die wateren voorkomen, worden vermoed eigendom te zijn van de Staat. 2. Beperking van de openbaarheid van aan de Staat toebehorende stranden door vervreemding, bezwaring, ingebruikgeving of anderszins, behoeft een bij wet te verlenen bijzondere toestemming. Artikel 27 De grond waarop zich openbare vaarwateren bevinden, wordt vermoed eigendom van de Staat te zijn.

  1759. Artikel 29 De grens van een langs een water liggend erf verplaatst zich met de oeverlijn, behalve in geval van opzettelijke drooglegging of tijdelijke overstroming. Een overstroming is niet tijdelijk, indien tien jaren na de overstroming het land nog door het water wordt overspoeld en de drooglegging niet is begonnen.

  1760. Artikel 30 1. Een verplaatsing van de oeverlijn wijzigt de grens niet meer nadat deze is vastgelegd, hetzij door de eigenaars van land en water overeenkomstig artikel 31, hetzij door de rechter op vordering van een hunner tegen de ander overeenkomstig artikel 32. De vastlegging geldt jegens eenieder. 2. Indien bij de vastlegging in plaats van de werkelijke eigenaar van een erf iemand die als zodanig in de openbare registers was ingeschreven, partij is geweest, is niettemin lid 1 van toepassing, tenzij de werkelijke eigenaar tegen inschrijving van de akte of het vonnis verzet heeft gedaan voordat zij is geschied.

  1761. Artikel 31 1. De vastlegging van de grens door de eigenaars van land en water geschiedt bij een daartoe bestemde notariële akte, binnen veertien dagen gevolgd door de inschrijving daarvan in de openbare registers. 2. De bewaarder der registers is bevoegd van de inschrijving kennis te geven aan eenieder die als recht- hebbende of beslaglegger op een der erven staat ingeschreven. 3. Voor zover de in de akte beschreven grens van de toenmalige oeverlijn afwijkt, kan een derde die op het ogenblik van de inschrijving een recht op een der erven heeft, daarvan huurder is of daarop een beslag heeft doen inschrijven, de toenmalige oeverlijn als vastgelegde grens aanmerken. 2024 -680- No. 164

  1762. Artikel 32 1. Een vordering tot vastlegging van de grens wordt slechts toegewezen, indien allen die ten tijde van de inschrijving van de instelling der vordering als rechthebbende of beslaglegger op een der erven stonden ingeschreven, tijdig in het geding zijn geroepen. 2. De rechter bepaalt de grens overeenkomstig de oeverlijn op het tijdstip van de inschrijving van de vordering. Alvorens de eis toe te wijzen, kan hij de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van niet-verschenen belanghebbenden nuttig oordeelt. 3. De kosten van de vordering komen ten laste van de eiser. 4. In afwijking van artikel 84 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering begint de termijn van ver- zet tegen het vonnis te lopen vanaf de betekening daarvan aan de ingeschrevene, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt, tenzij de rechter hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel niet is voldaan. 5. De vastlegging treedt in op het tijdstip dat het vonnis waarbij de vordering is toegewezen, in de openbare registers is ingeschreven. Deze inschrijving geschiedt niet voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

  1763. Artikel 33 1. Verplaatst zich, nadat de grens is vastgelegd, de oeverlijn van een openbaar water landinwaarts, dan moet de eigenaar van het overspoelde erf het gebruik van het water overeenkomstig de bestemming dulden. 2. Verplaatst zich, nadat de grens is vastgelegd, de oeverlijn van een water dat de eigenaar van het aan- liggende erf voor enig doel mag gebruiken, in de richting van het water, dan kan de eigenaar van dat erf vorderen dat hem op de drooggekomen grond een of meer erfdienstbaarheden worden verleend, waardoor hij zijn bevoegdheden ten aanzien van het water kan blijven uitoefenen. 3. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing ten behoeve van hem die het water voor enig doel mag gebruiken en daartoe een erfdienstbaarheid op het aan het water liggende erf heeft. 4. In geval van grensvastlegging overeenkomstig artikel 32 zijn de leden 1 tot en met 3 reeds van toepas- sing, wanneer de oeverlijn zich na de inschrijving van de vordering verplaatst.

  1764. Artikel 34 De oeverlijn in de zin van de artikelen 29 tot en met 33 wordt bepaald door de normale waterstand, of, bij wateren waarvan het peil periodiek wisselt, door de normale hoogwaterstand. Grond, met andere dan gewoonlijk in het water levende planten begroeid, wordt echter gerekend aan de landzijde van de oeverlijn te liggen, ook al wordt die grond bij hoogwater overstroomd.

  1765. Artikel 36 Dient een muur, hek, heg of greppel, dan wel een sloot, gracht of dergelijke watergang als afscheiding van twee erven, dan wordt het midden van deze afscheiding vermoed de grens tussen deze erven te zijn. Dit vermoeden geldt niet indien een muur slechts aan één zijde een gebouw of werk steunt. Titel 4 Bevoegdheden en verplichtingen van eigenaars van naburige erven

  1766. Artikel 37 De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtma- tig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. 2024 -681- No. 164 Artikel 38 Lagere erven moeten het water ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt.

  1767. Artikel 39 De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtma- tig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water of van het grondwater, dan wel door gebruik van water dat zich op zijn erf bevindt en in open gemeenschap staat met het water op het erf van een ander.

  1768. Artikel 40 1. De eigenaar van een erf dat aan een openbaar of stromend water grenst, mag van het water gebruik maken tot bespoeling, tot drenking van vee of tot andere dergelijke doeleinden, mits hij daardoor aan eigenaars van andere erven geen hinder toebrengt in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is. 2. Betreft het een openbaar water, dan is lid 1 slechts van toepassing voor zover de bestemming van het water zich er niet tegen verzet. Artikel 41 Van de artikelen 38 en 39 kan bij staatsbesluit worden afgeweken.

  1769. Artikel 42 1. Het is niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. 2. De in lid 1 bedoelde afstand bedraagt voor bomen twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de heesters en heggen een halve meter, tenzij ingevolge een staatsbesluit of plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. 3. De nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. 4. Ter zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is slechts vergoeding verschuldigd van de schade, ontstaan na het tijdstip waartegen tot opheffing van die toestand is aangemaand. Artikel 43 Onder muur wordt in deze en de volgende titel verstaan iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting.

  1770. Artikel 44 1. Indien een nabuur wiens beplantingen over eens anders erf heenhangen, ondanks aanmaning van de eigenaar van dit erf, nalaat het overhangende te verwijderen, kan laatstgenoemde eigenaar eigenmachtig het overhangende wegsnijden en zich toe-eigenen. 2. Degene op wiens erf wortels van een ander erf doorschieten, mag deze voor zover ze doorgeschoten zijn, weghakken en zich toe-eigenen. 2024 -682- No. 164 Artikel 45 Vruchten die van bomen van een erf op een naburig erf vallen, behoren aan degene aan wie de vruchten van dit laatste erf toekomen.

  1771. Artikel 46 De eigenaar van een erf kan te allen tijde van de eigenaar van het aangrenzende erf vorderen dat op de grens van hun erven behoorlijk waarneembare afpalingstekens gesteld of de bestaande zo nodig vernieuwd worden. De eigenaars dragen in de kosten hiervan voor gelijke delen bij.

  1772. Artikel 47 1. Indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, kan ieder der eigenaars te allen tijde vorderen dat de rechter de grens bepaalt. 2. In geval van onzekerheid waar de grens tussen twee erven ligt, geldt niet het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar is. 3. Bij het bepalen van de grens kan de rechter naar gelang van de omstandigheden het gebied waarover onzekerheid bestaat, in gelijkwaardige of ongelijkwaardige delen verdelen dan wel het in zijn geheel aan een der partijen toewijzen, al dan niet met toekenning van een schadevergoeding aan een der partijen. Artikel 48 De eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten.

  1773. Artikel 49 1. Ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengesloten gedeelte van een district kan te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt dat op de grens van de erven een scheidsmuur van anderhalve meter hoogte wordt opgericht, voor zover een staatsbesluit of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte der afscheiding niet anders regelt. De kosten van de aanleg van de scheidsmuur komen voor rekening van de eiser, doch de andere eigenaar draagt daarin bij voor zover dit gelet op de eisen van een goed nabuurschap redelijkerwijze van hem kan worden verlangd. 2. Lid 1 is niet toepasselijk, indien een der erven een openbare weg of een openbaar vaarwater is.

  1774. Artikel 50 1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen anderhalve meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven. 2. De nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken, indien zijn erf een openbare weg of een openbaar water is, indien zich tussen de erven openbare wegen of openbare wateren bevinden of indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen anderhalve meter van de ope- ning of het werk zich bevindende muur. Uit deze hoofde geoorloofde openingen of werken blijven geoor- loofd, ook nadat de erven hun openbare bestemming hebben verloren of de muur is gesloopt. 3. De in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur. 4. Wanneer de nabuur als gevolg van verjaring geen wegneming van een opening of werk meer kan vorderen, is hij verplicht binnen een afstand van anderhalve meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen, behoudens voor zover zulk een gebouw of werk zich daar reeds op het tijdstip van de voltooiing van de verjaring bevond. 2024 -683- No. 164 5. Ter zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is slechts vergoeding verschuldigd van schade, ontstaan na het tijdstip waartegen opheffing van die toestand is aangemaand. Artikel 51 In muren, staande binnen de in artikel 50 aangegeven afstand, mogen steeds lichtopeningen worden gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters worden voorzien.

  1775. Artikel 52 1. Een eigenaar is verplicht de afdekking van zijn gebouwen en werken zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op eens anders erf afloopt. 2. Afwatering op de openbare weg is geoorloofd, indien zij niet bij wettelijk voorschrift verboden is. Artikel 53 Een eigenaar is verplicht er voor te zorgen dat geen water of vuilnis van zijn erf in de goot van eens anders erf komt, tenzij hij de bevoegdheid daartoe heeft verkregen.

  1776. Artikel 54 1. Is een gebouw of werk ten dele op, boven of onder het erf van een ander gebouwd en zou de eigenaar van het gebouw of werk door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder benadeeld worden dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan, dan kan de eigenaar van het gebouw of werk te allen tijde vorderen dat hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf, een daartoe benodigd gedeelte van het erf wordt overgedragen. 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing, wanneer een gebouw of werk na verloop van tijd over andermans erf is gaan overhellen. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing, indien dit voortvloeit uit een op de wet of rechtshandeling ge- gronde verplichting tot het dulden van de bestaande toestand of indien de eigenaar van het gebouw of werk ter zake van de bouw of zijn verkrijging kwade trouw of grove schuld kan worden verweten.

  1777. Artikel 55 Indien door een dreigende instorting van een gebouw of werk een naburig erf in gevaar wordt gebracht, kan de eigenaar van dat erf te allen tijde vorderen dat maatregelen worden genomen teneinde het gevaar op te heffen.

  1778. Artikel 56 Wanneer het voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een onroerende zaak noodzakelijk is van een andere onroerende zaak tijdelijk gebruik te maken, is de eigenaar van deze zaak gehouden dit na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen.

  1779. Artikel 57 1. De eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg of een openbaar vaar- water, kan van de eigenaars van de naburige erven te allen tijde aanwijzing van een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen tegen vooraf te betalen of te verzekeren vergoeding van de schade welke hun door die noodweg wordt berokkend. 2024 -684- No. 164 2. Indien zich na de aanwijzing van de noodweg onvoorziene omstandigheden voordoen, waardoor die weg een grotere last aan de eigenaar van het erf veroorzaakt dan waarmee bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde vergoeding was gerekend, kan de rechter het bedrag van de vergoeding verhogen. 3. Bij de aanwijzing van de noodweg wordt rekening gehouden met het belang van het ingesloten erf dat langs die weg de openbare weg of het openbare water zo snel mogelijk kan worden bereikt, en met het belang van de bezwaarde erven om zo weinig mogelijk overlast van die weg te ondervinden. Is een erf van de openbare weg afgesloten geraakt doordat het ten gevolge van een rechtshandeling een andere eigenaar heeft gekregen dan een vroeger daarmee verenigd gedeelte dat aan de openbare weg grenst of een behoorlijke toegang daartoe heeft, dan komt dit afgescheiden gedeelte het eerst voor de belasting met een noodweg in aanmerking. 4. Wanneer een wijziging in de plaatselijke omstandigheden dat wenselijk maakt, kan een noodweg op vordering van een onmiddellijk belanghebbende eigenaar worden verlegd. 5. Een noodweg vervalt, hoelang hij ook heeft bestaan, zodra hij niet meer nodig is.

  1780. Artikel 58 1. De eigenaar van een erf die water dat elders te zijner beschikking staat, door een leiding wil aanvoeren, kan tegen vooraf te betalen of te verzekeren schadevergoeding van de eigenaars der naburige erven vorderen te gedogen dat deze leiding door of over hun erven gaat. 2. Artikel 57 leden 2 tot en met 5 vindt daarbij overeenkomstige toepassing.

  1781. Artikel 59 1. Wanneer de grens van twee erven in de lengterichting onder een niet bevaarbaar stromend water, een sloot, gracht of dergelijke watergang doorloopt, heeft de eigenaar van elk van die erven met betrekking tot die watergang in zijn gehele breedte dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als een mede-eigenaar. Iedere eigenaar is verplicht de op zijn erf gelegen kant van het water, de sloot of de watergang te onderhouden. 2. Iedere eigenaar is gerechtigd en verplicht hetgeen tot onderhoud daaruit wordt verwijderd, voor zijn deel op zijn erf te ontvangen. 3. Een door de eigenaars overeengekomen afwijkende regeling is ook bindend voor hun rechtverkrijgenden. Titel 5 Mandeligheid

  1782. Artikel 60 Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd bij een tussen hen opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers.

  1783. Artikel 61 1. Mandeligheid die is ontstaan ingevolge artikel 60, eindigt: a. wanneer de gemeenschap eindigt; b. wanneer de bestemming van de zaak tot gemeenschappelijk nut van de erven wordt opgeheven bij een tussen de mede-eigenaars opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers; c. zodra het nut van de zaak voor elk van de erven is geëindigd. 2. Het feit dat het nut van de zaak voor elk van de erven is geëindigd, kan in de openbare registers worden ingeschreven. 2024 -685- No. 164

  1784. Artikel 62 1. Een vrijstaande scheidsmuur, een hek of een heg is gemeenschappelijk eigendom en mandelig, indien de grens van twee erven die aan verschillende eigenaars toebehoren, er in de lengterichting onderdoor loopt. 2. De scheidsmuur die twee gebouwen of werken, welke aan verschillende eigenaars toebehoren, gemeen hebben, is eveneens gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Artikel 63 1. Het recht op een mandelige zaak kan niet worden gescheiden van de eigendom der erven. 2. Een vordering tot verdeling van een mandelige zaak is uitgesloten. Artikel 64 Mandeligheid brengt mee dat iedere mede-eigenaar aan de overige mede-eigenaars toegang tot de mandelige zaak moet geven. Artikel 65 Mandelige zaken worden op kosten van alle mede-eigenaars onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd.

  1785. Artikel 66 1. Een mede-eigenaar van een mandelige zaak kan zijn aandeel in die zaak ook afzonderlijk van zijn erf aan de overige mede-eigenaars overdragen. 2. Indien een mede-eigenaar hiertoe op zijn kosten wil overgaan uit hoofde van de lasten van onderhoud, reiniging en vernieuwing in de toekomst, zijn de overige mede-eigenaars gehouden tot die overdracht mee te werken, mits hij aan hen zo nodig een recht van opstal of erfdienstbaarheid verleent, waardoor zij met betrekking tot de zaak hun rechten kunnen blijven uitoefenen. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op een muur die twee gebouwen of werken gemeen hebben, noch op een muur, hek of heg waardoor twee erven van elkaar worden gescheiden.

  1786. Artikel 67 1. Iedere mede-eigenaar mag tegen de mandelige scheidsmuur aanbouwen en daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers en andere werken aanbrengen, mits hij aan de muur en aan de door de buur bevoegdelijk daarmee verbonden werken geen nadeel toebrengt. 2. Behalve in noodgevallen kan een mede-eigenaar vorderen dat vóór de andere mede-eigenaar begint met aanbrengen van het werk, deskundigen zullen vaststellen op welke wijze dit kan geschieden zonder nadeel voor de muur of voor bevoegd aangebrachte werken van de eerstgenoemde eigenaar. Artikel 68 Iedere mede-eigenaar mag op de mandelige scheidsmuur tot op de helft der dikte een goot aanleggen, mits het water niet op het erf van de andere mede-eigenaar uitloost.

  1787. Artikel 69 De artikelen 64 en 65, artikel 66 lid 2 en de artikelen 67 en 68 vinden geen toepassing voor zover een over- eenkomstig artikel 168 van Boek 3 getroffen regeling anders bepaalt. 2024 -686- No. 164 Titel 6 Erfdienstbaarheden

  1788. Artikel 70 1. Een erfdienstbaarheid is een last, waarmee een onroerende zaak - het dienende erf - ten behoeve van een andere onroerende zaak - het heersende erf - is bezwaard. 2. In de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid kan aan de eigenaar van het heersende erf de ver- plichting worden opgelegd aan de eigenaar van het dienende erf op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - de retributie - te betalen.

  1789. Artikel 71 1. De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, bestaat in een verplichting om op, boven of onder een der beide erven iets te dulden of niet te doen. In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de last bovendien een verplichting inhoudt tot het aanbrengen van gebouwen, werken of beplantingen die voor de uitoefening van die erfdienstbaarheid nodig zijn, mits deze gebouwen, werken en beplantingen zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf zullen bevinden. 2. De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, kan ook bestaan in een verplichting tot onder- houd van het dienende erf of van gebouwen, werken of beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf bevinden of zullen bevinden. Artikel 72 Erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door vestiging en door verjaring.

  1790. Artikel 73 1. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend. 2. Niettemin kan de eigenaar van het dienende erf voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het erf aanwijzen dan waarop de erfdienstbaarheid ingevolge lid 1 dient te worden uitgeoefend, mits deze verplaatsing zonder vermindering van genot voor de eigenaar van het heersende erf mogelijk is. Kosten, noodzakelijk voor zodanige verandering, komen ten laste van de eigenaar van het dienende erf. Artikel 74 De uitoefening der erfdienstbaarheid moet op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze geschieden.

  1791. Artikel 75 1. De eigenaar van het heersende erf is bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. 2. Hij is eveneens bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen, die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn. 3. Hij is verplicht het door hem op het dienende erf aangebrachte te onderhouden, voor zover dit in het belang van het dienende erf nodig is; hij is bevoegd het weg te nemen, mits hij het erf in de oude toestand terugbrengt. 4. De eigenaar van het dienende erf heeft geen recht van gebruik van de gebouwen, werken en beplantingen die daarop door de eigenaar van het heersende erf rechtmatig zijn aangebracht. 2024 -687- No. 164 5. In de akte van vestiging kan van de leden 1 tot en met 4 worden afgeweken. 6. In geval van mandeligheid zijn in de plaats van de leden 3 en 4 de uit dien hoofde geldende regels van toepassing.

  1792. Artikel 76 1. Wanneer het heersende erf wordt verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid bestaan ten behoeve van ieder gedeelte ten voordele waarvan zij kan strekken. 2. Wanneer het dienende erf wordt verdeeld blijft de last rusten op ieder gedeelte ten aanzien waarvan naar de akte van vestiging en de aard der erfdienstbaarheid de uitoefening mogelijk is. 3. In de akte van vestiging kan van de leden 1 en 2 worden afgeweken.

  1793. Artikel 77 1. Behoort het heersende of het dienende erf toe aan twee of meer personen, hetzij als deelgenoten, hetzij als eigenaars van verschillende gedeelten daarvan, dan zijn zij hoofdelijk verbonden tot nakoming van de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende geldelijke verplichtingen die tijdens hun recht opeisbaar worden, voor zover deze niet over hun rechten zijn verdeeld. 2. Na overdracht of toedeling van het heersende of het dienende erf of van een gedeelte daarvan of een aandeel daarin zijn de verkrijger en zijn rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de in lid 1 bedoelde geldelijke verplichtingen die in de voorafgaande twee jaren opeisbaar zijn geworden. 3. In de akte van vestiging kan van de leden 1 en 2 worden afgeweken, doch van lid 2 niet ten nadele van de verkrijger.

  1794. Artikel 78 De rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen: a. op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd; b. indien ten minste twintig jaren na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn verlopen en het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang.

  1795. Artikel 79 De rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid of het redelijk belang daarbij zal terug- keren.

  1796. Artikel 80 De rechter kan op vordering van de eigenaar van het heersende erf de inhoud van een erfdienstbaarheid, wanneer door onvoorziene omstandigheden de uitoefening blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden of het belang van de eigenaar van het heersende erf aanzienlijk is verminderd, zodanig wijzigen dat de mo- gelijkheid van uitoefening of het oorspronkelijke belang wordt hersteld, mits deze wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.

  1797. Artikel 81 1. De rechter kan een vordering als bedoeld in de artikelen 78 tot en met 80, toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden. 2024 -688- No. 164 2. Rust op een der erven een beperkt recht, dan is de vordering slechts toewijsbaar, indien de beperkt gerechtigde in het geding is geroepen. Bij het oordeel of aan de maatstaven van artikel 78 onder a en de artikelen 79 en 80 is voldaan, dient mede met zijn belangen rekening te worden gehouden.

  1798. Artikel 82 1. Indien de eigenaar van het heersende erf uit hoofde van de aan de erfdienstbaarheid verbonden lasten en verplichtingen op zijn kosten afstand van zijn recht wil doen, is de eigenaar van het dienende erf gehouden hieraan mee te werken. 2. In de akte van vestiging kan voor de eerste twintig jaar anders worden bepaald.

  1799. Artikel 83 Indien op het tijdstip waarop het heersende en het dienende erf één eigenaar krijgen, een derde een der erven in huur of uit hoofde van een ander persoonlijk recht in gebruik heeft, gaat de erfdienstbaarheid pas door vermenging teniet bij het einde van dit gebruiksrecht.

  1800. Artikel 84 1. Degene die een recht van erfpacht, grondhuur, opstal of vruchtgebruik op een onroerende zaak heeft, kan een erfdienstbaarheid ten behoeve van deze zaak bedingen. Hij kan haar ook met een erfdienstbaarheid belasten. 2. Erfdienstbaarheden, bedongen door een beperkt gerechtigde ten behoeve van de zaak waarop zijn recht rust of door een opstaller ten behoeve van de opstal, gaan bij het einde van het beperkte recht slechts teniet, indien dit in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid is bepaald. Blijft de erfdienstbaarheid voortbestaan, dan staat een beding als bedoeld in artikel 82 lid 2 niet langer aan afstand van de erfdienst- baarheid in de weg. 3. Erfdienstbaarheden, gevestigd door een beperkt gerechtigde ten laste van de zaak waarop zijn recht rust of door een opstaller ten laste van de opstal, gaan teniet bij het einde van het beperkte recht, tenzij dit eindigt door vermenging of afstand, of de eigenaar van de zaak waarop het beperkte recht rustte, bij een in de openbare registers ingeschreven akte heeft verklaard met de vestiging van de erfdienstbaarheid in te stemmen. 4. De erfpachter, grondhuurder, opstaller of vruchtgebruiker wordt voor de toepassing van de overige artikelen van deze titel aangemerkt als eigenaar van het heersende, onderscheidenlijk het dienende erf. Titel 7 Erfpacht

  1801. Artikel 85 1. Erfpacht is een zakelijk recht, dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken. 2. In de akte van vestiging kan aan de erfpachter de verplichting worden opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - de canon - te betalen. Artikel 86 Partijen kunnen in de akte van vestiging de duur van de erfpacht regelen.

  1802. Artikel 87 1. Een erfpacht kan door de erfpachter worden opgezegd, tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald. 2024 -689- No. 164 2. Een erfpacht kan door de eigenaar worden opgezegd, indien de erfpachter in verzuim is de canon over twee achtereenvolgende jaren te betalen of in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn andere verplichtingen. Deze opzegging moet op straffe van nietigheid binnen acht dagen worden betekend aan degenen die als beperkt gerechtigde of beslaglegger op de erfpacht in de openbare registers staan ingeschreven. Na het einde van de erfpacht is de eigenaar verplicht de waarde die de erfpacht dan heeft, aan de erfpachter te vergoeden, na aftrek van hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft, de kosten daaronder begrepen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 3. Een beding dat ten nadele van de erfpachter van lid 2 afwijkt, is nietig. In de akte van vestiging kan aan de eigenaar de bevoegdheid worden toegekend tot opzegging, behoudens op grond van tekortschieten van de erfpachter in de nakoming van zijn verplichtingen.

  1803. Artikel 88 1. Iedere opzegging geschiedt bij exploot. Zij geschiedt ten minste een jaar voor het tijdstip waartegen wordt opgezegd, doch in het geval van artikel 87 lid 2 ten minste een maand voor dat tijdstip. 2. In het geval van artikel 87 lid 2 weigert de bewaarder de inschrijving van de opzegging als niet tevens wordt overgelegd de betekening daarvan aan degenen die in de openbare registers als beperkt gerechtigde of beslaglegger op de erfpacht stonden ingeschreven.

  1804. Artikel 89 1. Voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald, heeft de erfpachter hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar. 2. Hij mag echter zonder toestemming van de eigenaar niet een andere bestemming aan de zaak geven of een handeling in strijd met de bestemming van de zaak verrichten. 3. Voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald, heeft de erfpachter, zowel tijdens de duur van de erfpacht als bij het einde daarvan, de bevoegdheid gebouwen, werken en beplantingen, die door hem- zelf of een rechtsvoorganger onverplicht zijn aangebracht of van de eigenaar tegen vergoeding der waar- de zijn overgenomen, weg te nemen, mits hij de in erfpacht gegeven zaak in de oude toestand terug- brengt.

  1805. Artikel 90 1. Voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald, behoren vruchten die tijdens de duur der erf- pacht zijn afgescheiden of opeisbaar geworden, en voordelen van roerende aard die de zaak oplevert, aan de erfpachter. 2. Voordelen van onroerende aard behoren aan de eigenaar toe. Zij zijn eveneens aan de erfpacht onder- worpen, tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald.

  1806. Artikel 91 1. In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpacht niet zonder toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen of toebedeeld. Een zodanige bepaling staat aan executie door schuldeisers niet in de weg. 2. In de akte van vestiging kan ook worden bepaald dat de erfpachter zijn recht niet zonder toestemming van de eigenaar kan splitsen door overdracht of toedeling van de erfpacht op een gedeelte van de zaak. 3. Een beding als bedoeld in de leden 1 of 2 kan ook worden gemaakt ten aanzien van de appartements- rechten, waarin een gebouw door de erfpachter wordt gesplitst. Het kan slechts aan een verkrijger onder bijzondere titel van een recht op het appartementsrecht worden tegengeworpen, indien het in de akte van splitsing is omschreven. 4. Indien de eigenaar de vereiste toestemming zonder redelijke gronden weigert of zich niet verklaart, kan zijn toestemming op verzoek van degene die haar behoeft, worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. 2024 -690- No. 164

  1807. Artikel 92 1. Behoort de erfpacht toe aan twee of meer personen, hetzij als deelgenoten hetzij als erfpachter van verschillende gedeelten van de zaak, dan zijn zij hoofdelijk verbonden voor de gehele canon die tijdens hun recht opeisbaar wordt, voor zover deze niet over hun rechten verdeeld is. 2. Na overdracht of toedeling van de erfpacht op de zaak of een gedeelte daarvan of van een aandeel in de erfpacht zijn de verkrijger en zijn rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de door laatstgenoemde verschuldigde canon die in de voorafgaande vijf jaren opeisbaar is geworden. 3. In de akte van vestiging kan van de leden 1 en 2 worden afgeweken, doch van lid 2 niet ten nadele van de verkrijger.

  1808. Artikel 93 1. De erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht rust, geheel of ten dele in ondererfpacht te geven, voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald. Aan de ondererfpachter komen ten aanzien van de zaak niet meer bevoegdheden toe dan de erfpachter jegens de eigenaar heeft. 2. De ondererfpacht gaat bij het einde van de erfpacht teniet, tenzij deze eindigt door vermenging of afstand. De eigenaar kan voor de ter zake van de erfpacht verschuldigde canon het recht van erfpacht vrij van ondererfpacht uitwinnen. De eerste en tweede volzin gelden niet, indien de eigenaar bij een in de openbare registers ingeschreven notariële akte heeft verklaard met de vestiging van de ondererfpacht in te stemmen. 3. Voor de toepassing van de overige artikelen van deze titel wordt de erfpachter in zijn verhouding tot de ondererfpachter als eigenaar aangemerkt.

  1809. Artikel 94 1. De erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht rust, te verhuren, voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald. 2. Na het einde van de erfpacht is de eigenaar verplicht een bevoegdelijk aangegane verhuur gestand te doen. Hij kan nochtans gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming hetzij de overeen- gekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het plaatselijk gebruik overeenstemt of, bij gebreke van zulk een gebruik, langer is dan twee jaren, hetzij de verhuring is geschied op ongewone voor hem bezwarende voorwaarden. 3. Hij verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer de huurder hem een redelijke termijn heeft gesteld om zich omtrent de gestanddoening te verklaren en hij zich niet binnen deze termijn heeft uitgesproken.

  1810. Artikel 95 Tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die zowel het recht van de eigenaar als dat van de erfpachter betreft, is ieder van hen bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.

  1811. Artikel 96 1. Gewone lasten en herstellingen worden door de erfpachter gedragen en verricht. De erfpachter is ver- plicht wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn, aan de eigenaar van deze noodzakelijkheid kennis te geven en hem gelegenheid te verschaffen tot het doen van deze herstellingen. De eigenaar is niet tot het doen van enige herstelling verplicht. 2. De erfpachter is verplicht de buitengewone lasten die op de zaak drukken, te voldoen. 3. In de akte van vestiging kan van de leden 1 en 2 worden afgeweken. 2024 -691- No. 164

  1812. Artikel 97 1. Indien vijfentwintig jaren na de vestiging van de erfpacht zijn verlopen, kan de rechter op vordering van de eigenaar of de erfpachter de erfpacht wijzigen of opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden, die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de akte van vestiging niet van de eigenaar of de erfpachter kan worden gevergd. 2. De rechter kan de vordering onder door hem vast te stellen voorwaarden toewijzen. 3. Rust op de erfpacht of op de zaak een beperkt recht, dan is de vordering slechts toewijsbaar, indien de be- perkt gerechtigde in het geding is geroepen en ook te zijnen aanzien aan de maatstaf van lid 1 is voldaan.

  1813. Artikel 98 1. Wanneer de tijd waarvoor de erfpacht is gevestigd, is verstreken en de erfpachter de zaak niet op dat tijdstip heeft ontruimd, blijft de erfpacht doorlopen, tenzij de eigenaar uiterlijk zes maanden na dat tijd- stip doet blijken dat hij haar als geëindigd beschouwt. De eigenaar en de erfpachter kunnen de verlengde erfpacht opzeggen op de wijze en met inachtneming van de termijn, vermeld in artikel 88. 2. Ieder beding dat ten nadele van de erfpachter van lid 1 afwijkt, is nietig.

  1814. Artikel 99 1. Na het einde van de erfpacht heeft de voormalige erfpachter recht op vergoeding van de waarde van nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen, die door hemzelf of een rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn overgenomen. 2. In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpachter geen recht heeft op de vergoeding: a. indien de in erfpacht gegeven grond een andere bestemming had dan die van woningbouw; b. indien de erfpachter de gebouwen, werken en beplantingen niet zelf heeft bekostigd; c. indien de erfpacht geëindigd is door opzegging door de erfpachter; d. voor zover de gebouwen, werken en beplantingen onverplicht waren aangebracht en hij ze bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen. 3. De eigenaar is bevoegd van de door hem ingevolge dit artikel verschuldigde vergoeding af te houden hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter heeft te vorderen.

  1815. Artikel 100 1. De erfpachter heeft een retentierecht op de in erfpacht uitgegeven zaak totdat hem de verschuldigde vergoeding is betaald. 2. Ieder van lid 1 afwijkend beding is nietig. 3. De eigenaar heeft een retentierecht op hetgeen de erfpachter mocht hebben afgebroken, totdat hem hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht heeft te vorderen, is voldaan. Titel 8 Opstal

  1816. Artikel 101 1. Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. 2. Het recht van opstal kan zelfstandig dan wel afhankelijk van een ander zakelijk recht of van een recht van huur op de onroerende zaak worden verleend. 3. In de akte van vestiging kan de opstaller de verplichting worden opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - solarium - te betalen. 2024 -692- No. 164 Artikel 102 De bevoegdheden van de opstaller tot het gebruiken, aanbrengen en wegnemen van de gebouwen, werken en beplantingen kunnen in de akte van vestiging worden beperkt.

  1817. Artikel 103 Bij gebreke van een regeling daaromtrent in de akte van vestiging heeft de opstaller ten aanzien van de zaak waarop zijn recht rust, de bevoegdheden die voor het volle genot van zijn recht nodig zijn.

  1818. Artikel 104 1. De artikelen 92 en 95 zijn van overeenkomstige toepassing op het recht van opstal. 2. De artikelen 86, 87, 88, 91, 93, 94, 97 en 98 zijn van overeenkomstige toepassing op een zelfstandig recht van opstal.

  1819. Artikel 105 1. Wanneer het recht van opstal tenietgaat, gaat de eigendom van de gebouwen, werken en beplantingen van rechtswege over op de eigenaar van de onroerende zaak waarop het rustte. 2. Voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald, heeft de opstaller bij het einde van zijn recht de bevoegdheid gebouwen, werken en beplantingen die door hemzelf of een rechtsvoorganger on- verplicht zijn aangebracht dan wel van de eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn overgenomen, weg te nemen, mits hij de onroerende zaak waarop het recht rustte in de oude toestand terugbrengt. 3. De artikelen 99 en 100 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aan de opstaller toekomende retentierecht slechts de gebouwen, werken en beplantingen omvat. Titel 9 Appartementsrechten Afdeling 1 Algemene bepalingen

  1820. Artikel 106 1. Een eigenaar, erfpachter, grondhuurder of opstaller is bevoegd zijn recht op een gebouw met toebehoren en op de daarbij behorende grond met toebehoren te splitsen in appartementsrechten en deeltijdappartementsrechten 2. Een eigenaar, erfpachter, grondhuurder of opstaller is eveneens bevoegd zijn recht op een stuk grond te splitsen in appartementsrechten en deeltijdappartementsrechten. 3. Een appartementsrecht is op zijn beurt voor splitsing in appartementsrechten of deeltijdappartementsrechten vatbaar. Een appartementseigenaar is tot deze ondersplitsing bevoegd, voor zover in de akte van splitsing niet anders is bepaald. Een deeltijdappartementsrecht is niet voor ondersplitsing in deeltijdappartementsrechten vatbaar, tenzij de akte van splitsing daartoe de mogelijkheid uitdrukkelijk opent. 4. In deze titel wordt verstaan onder: a. appartementsrecht: een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, dat de bevoegdheid omvat tot het voltijd uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; het aandeel kan mede omvatten de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van de bij het gebouw behorende grond; in het geval van lid 2 omvat het aandeel de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het stuk grond, die blijkens hun inrichting of aanduiding bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; 2024 -693- No. 164 b. deeltijdappartementsrecht: een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, dat de bevoegdheid omvat tot het op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen gedurende een al dan niet vastgestelde periode uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; het aandeel kan mede omvatten de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van de bij het gebouw behorende grond; in het geval van lid 2 omvat het aandeel de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het stuk grond, die blijkens hun inrichting of aanduiding bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. 5. Onder appartementseigenaar wordt verstaan de gerechtigde tot een appartementsrecht. Onder deeltijdappartementseigenaar wordt verstaan de gerechtigde tot een deeltijdappartementsrecht. 6. Onder gebouw wordt in deze titel mede verstaan een groep van gebouwen die in één splitsing zijn betrokken. 7. Een erfpachter, grondhuurder of opstaller is tot een splitsing in appartementsrechten en deeltijdappartementsrechten slechts bevoegd na verkregen toestemming van de grondeigenaar. Indien deze de vereiste toestemming kennelijk zonder redelijke grond weigert of zich niet verklaart, kan de toestemming op verzoek van degene die haar behoeft, worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. 8. Het in deze titel met betrekking tot splitsing in appartementsrechten en de gevolgen daarvan bepaalde is van overeenkomstige toepassing op splitsing in deeltijdappartementsrechten en de gevolgen daarvan, tenzij anders is bepaald.

  1821. Artikel 107 Een eigenaar, erfpachter, grondhuurder of opstaller is ook bevoegd in verband met een door hem beoogd stichten of gewijzigd inrichten van een gebouw zijn recht op het gebouw met toebehoren en de daarbij behorende grond met toebehoren te splitsen in appartementsrechten. Ook in geval van zodanige splitsing ontstaan de appartementsrechten op het tijdstip van inschrijving van de akte van splitsing.

  1822. Artikel 108 1. De appartementseigenaars zijn jegens elkaar verplicht de bouw, de inrichting van het gebouw of de inrichting dan wel aanduiding van de grond tot stand te brengen en in stand te houden in overeenstem- ming met het daaromtrent in de akte van splitsing bepaalde. 2. De rechter kan de uitspraak op een vordering, gegrond op lid 1, aanhouden wanneer een op artikel 144 lid 1 onder c, d of h gegrond verzoek aanhangig is.

  1823. Artikel 109 1. De splitsing geschiedt door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door inschrijving van die akte in de openbare registers. 2. Aan de minuut van de akte van splitsing wordt een tekening gehecht, aangevende de begrenzing van de onderscheidene gedeelten van het gebouw en de grond die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan volgens de akte het uitsluitend gebruik in een appartementsrecht zal zijn begrepen. De tekening dient te voldoen aan de eisen, voor de inschrijving daarvan te stellen krachtens de wet, bedoeld in artikel 16 lid 2 van Boek 3. 3. Waar in deze titel wordt gesproken van akte van splitsing, is hieronder de tekening begrepen, tenzij uit de bepaling het tegendeel blijkt.

  1824. Artikel 110 1. Ondanks onbevoegdheid van degene die de splitsing heeft verricht, om over een daarin betrokken registergoed te beschikken, is de splitsing geldig, indien zij is gevolgd door een geldige overdracht van een appartementsrecht of vestiging van een beperkt recht op een appartementsrecht. 2024 -694- No. 164 2. Een ongeldige splitsing wordt eveneens als geldig aangemerkt, wanneer een appartementsrecht is verkregen door verjaring.

  1825. Artikel 111 De akte van splitsing moet inhouden: a. de vermelding van de plaatselijke ligging van het gebouw of de grond; b. een nauwkeurige omschrijving van de onderscheiden gedeelten van het gebouw of de grond, die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, welke omschrijving kan plaatsvinden door verwijzing naar de in artikel 109 lid 2 bedoelde tekening, alsmede de vermelding voor elk dier gedeelten, tot welk appartementsrecht de bevoegdheid tot gebruik daarvan behoort; c. de aanduiding van de appartementsrechten in het Grondregistratie en Land Informatie Systeem en de vermelding van de appartementseigenaar; d. een reglement, waartoe geacht worden te behoren de bepalingen van een nauwkeurig aangeduid model- reglement dat is ingeschreven in de openbare registers ter plaatse waar de akte moet worden ingeschreven; e. in geval van deeltijdappartementsrechten tevens: een nauwkeurige vermelding van tijdstippen en periodes gedurende welke de deeltijdappartementseigenaars hun gebruiksrecht mogen uitoefenen.

  1826. Artikel 112 1. Het reglement moet inhouden: a. welke schulden en kosten voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars komen; b. een regeling omtrent een jaarlijks op te stellen exploitatierekening, lopende over het voorafgaande jaar, en de door de appartementseigenaars te storten bijdragen; c. een regeling omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gedeelten die niet bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. door wiens zorg en tegen welke gevaren het gebouw ten behoeve van de gezamenlijke appartements- eigenaars moet worden verzekerd; e. de oprichting van een vereniging van eigenaars, die ten doel heeft het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars, en de statuten van de vereniging. 2. De statuten van de vereniging van eigenaars moeten bevatten: a. de naam van de vereniging en de plaats waar zij haar zetel heeft; de naam van de vereniging moet aanvangen met de woorden "Vereniging van Eigenaars", hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot "V.v.E.", en voorts melding maken van de ligging van het gebouw of de grond; b. het doel van de vereniging; c. een regeling omtrent door de appartementseigenaars periodiek, ten minste jaarlijks, aan de vereniging verschuldigde bijdragen; d. de wijze van bijeenroeping van de vergadering van eigenaars en de bepaling van het aantal stemmen dat ieder der appartementseigenaars in de vergadering kan uitbrengen. 3. Het reglement kan een regeling inhouden, krachtens welke aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een andere, nader in het reglement omschreven vereniging of coöperatie, voor zover dit lidmaatschap in overeenstemming is met de statuten van die vereniging of coöperatie. 4. Het reglement kan inhouden een regeling omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gedeelten die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Een zodanige regeling kan inhouden dat de vergadering van eigenaars bevoegd is een appartementseigenaar of degene die zijn rechten uitoefent, om nader in het reglement aangegeven gewichtige redenen het gebruik van deze gedeelten te ontzeggen. 2024 -695- No. 164

  1827. Artikel 113 1. De aandelen die door de splitsing in appartementsrechten ontstaan zijn gelijk, tenzij bij de akte van splitsing een andere verhouding is bepaald. In het laatste geval blijkt uit de akte op welke grondslag die verhouding berust. 2. In de schulden en kosten die ingevolge de wet of het reglement voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars komen, moeten zij onderling en jegens de vereniging van eigenaars voor elk appartementsrecht een gelijk deel bijdragen, tenzij daarvoor bij het reglement een andere verhouding is bepaald. 3. Indien de appartementseigenaars voor een in lid 2 genoemde schuld jegens de schuldeisers gezamenlijk aansprakelijk zijn en de verschuldigde prestatie deelbaar is, zijn zij ieder verbonden voor een deel, in de verhouding, bedoeld in lid 2. 4. Indien de appartementseigenaars voor een in lid 2 genoemde schuld gezamenlijk aansprakelijk zijn, is de vereniging voor die schuld hoofdelijk verbonden. 5. Voor de schulden der vereniging zijn zij die appartementseigenaar waren ten tijde van het ontstaan van de schuld, met de vereniging hoofdelijk verbonden en wel, indien de prestatie deelbaar is, ieder voor een deel in de verhouding bedoeld in lid 2.

  1828. Artikel 114 1. Rust op het ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing een hypotheek, een beslag of een voor- recht op alle in de splitsing betrokken registergoederen, dan rust dit verband, beslag of voorrecht van dat ogenblik af op elk der appartementsrechten voor de gehele schuld. 2. Rust op het ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing een hypotheek, een beslag of een voor- recht op slechts een deel van de registergoederen, dan blijft de bevoegdheid tot uitwinning van dit deel ondanks de splitsing bestaan; door de uitwinning wordt met betrekking tot dat deel de splitsing beëindigd. 3. Een recht van erfdienstbaarheid, erfpacht, grondhuur, opstal of vruchtgebruik, dat op dat ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing rust op de registergoederen of een deel daarvan, bestaat daarna ongewijzigd voort.

  1829. Artikel 115 1. Wanneer een recht van erfpacht, grondhuur of opstal in de splitsing wordt betrokken, wordt hetgeen daarna aan canon, vergoeding of solarium opeisbaar wordt, over de appartementsrechten verdeeld in een verhouding als bedoeld in artikel 113 lid 2. 2. De vereniging van eigenaars is hoofdelijk verbonden voor de door een of meer appartementseigenaars verschuldigde canon, vergoeding of het verschuldigde solarium.

  1830. Artikel 116 1. Wanneer een recht van erfpacht, grondhuur of opstal in de splitsing is betrokken, gelden ter aanvulling van artikel 87 leden 2 en 3 en artikel 88 de leden 2 tot en met 7. 2. Opzegging van het recht wegens verzuim in de betaling van de canon, vergoeding of het solarium kan slechts geschieden, wanneer de gehele canon, vergoeding of het gehele solarium over twee achtereenvolgende jaren onbetaald is gebleven. 3. Rust op een of meer appartementsrechten een beperkt recht of een beslag, dan zijn artikel 87 lid 2, tweede volzin, en artikel 88 lid 2 mede van overeenkomstige toepassing met betrekking tot dit beperkte recht of dit beslag. 2024 -696- No. 164 4. Is het voor een appartementsrecht verschuldigde deel van de canon, vergoeding of het solarium over twee achtereenvolgende jaren onbetaald gebleven, dan kan het appartementsrecht door de rechter op vordering van de grondeigenaar aan deze worden toegewezen. Het verzoekschrift en het geschrift, bedoeld in artikel 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen worden betekend aan hen die als beperkt gerechtigde of beslaglegger op het appartementsrecht in de openbare registers staan ingeschreven. Oproepingen en andere exploten worden mede aan deze personen uitgebracht. 5. Door inschrijving in de openbare registers van het vonnis waarbij de toewijzing is uitgesproken, gaat het appartementsrecht op de grondeigenaar over en gaan de daarop rustende beperkte rechten en beslagen teniet. Deze inschrijving geschiedt niet voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Na deze inschrijving is de grondeigenaar verplicht de waarde die het appartementsrecht heeft op het tijdstip van de inschrijving aan de gewezen appartementseigenaar te vergoeden, na aftrek van hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van de gewezen appartementseigenaar te vorderen heeft, de kosten daaronder begrepen. 6. In de akte van vestiging kan worden aangegeven op welke wijze de waarde, bedoeld in lid 5 zal worden bepaald. 7. Ieder beding dat ten nadele van een appartementseigenaar van dit artikel afwijkt, is nietig.

  1831. Artikel 117 1. Een appartementsrecht kan als een zelfstandig registergoed worden overgedragen, toegedeeld, bezwaard en uitgewonnen. 2. Onverminderd artikel 114 lid 2, kunnen goederen die in de splitsing betrokken zijn, niet geheel of voor een deel worden overgedragen, verdeeld, bezwaard of uitgewonnen. 3. Beëindiging van de splitsing met betrekking tot een gedeelte van de in de splitsing betrokken register- goederen kan slechts geschieden door wijziging van de akte van splitsing. 4. In afwijking van lid 2 kunnen in de splitsing betrokken onroerende zaken door de gezamenlijke apparte- mentseigenaars belast worden met een erfdienstbaarheid.

  1832. Artikel 118 1. Een appartementseigenaar kan, voor zover in de akte van splitsing niet anders is bepaald, zonder medewerking van de overige appartementseigenaars op het gedeelte van de onroerende zaken dat bestemd is om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, een erfdienstbaarheid vestigen ten behoeve van een ander gedeelte van die zaken of van een andere onroerende zaak. 2. Een appartementseigenaar kan, voor zover in de akte van splitsing niet anders is bepaald, zonder mede- werking van de overige appartementseigenaars de vestiging van een erfdienstbaarheid die uitsluitend strekt ten behoeve van een gedeelte van de onroerende zaken dat bestemd is om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, aannemen en van zodanige erfdienstbaarheid afstand doen. 3. De in dit artikel bedoelde erfdienstbaarheden gaan teniet, wanneer de bevoegdheid tot uitsluitend gebruik van het gedeelte dat met de erfdienstbaarheid is belast of ten behoeve waarvan de erfdienstbaarheid is bedongen, eindigt.

  1833. Artikel 118a 1. Een appartementseigenaar kan, voor zover in de akte van splitsing niet anders is bepaald, zonder medewerking van de overige appartementseigenaars en beperkt gerechtigden op het gedeelte van de onroerende zaken dat bestemd is om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, een recht van erfpacht en, behoudens voor zover het betreft in de splitsing betrokken gebouwen, werken en beplantingen, een recht van opstal vestigen. 2. In de akte van vestiging van het recht wordt bepaald in hoeverre de gerechtigde naast de appartementseigenaar hoofdelijk aansprakelijk is voor de ter zake van het appartementsrecht verschuldigde bijdragen. 2024 -697- No. 164 3. Tenzij bij de vestiging van het recht van erfpacht anders wordt bepaald, wordt het aan een appartementsrecht verbonden stemrecht in de vergadering van eigenaars uitgeoefend door de erfpachter. Tenzij bij de vestiging van het recht van opstal anders wordt bepaald, behoudt de appartementseigenaar die een recht van opstal heeft gevestigd, het aan zijn appartementsrecht verbonden stemrecht in de vergadering van eigenaars.

  1834. Artikel 119 1. Een appartementseigenaar mag zonder toestemming van de overige appartementseigenaars in een gedeelte dat bestemd is om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, veranderingen aan- brengen, mits deze geen nadeel aan een ander gedeelte toebrengen. Van hetgeen hij bij een geoorloofde verandering wegneemt, wordt hij enig eigenaar. 2. Hij is verplicht de vereniging van eigenaars onverwijld van een verandering kennis te geven. Leidt de verandering tot een wijziging van de verzekeringspremie, dan komt het verschil voor rekening van hem en zijn rechtsopvolgers. 3. Blijkt ten gevolge van een verandering de waarde van de in de splitsing betrokken goederen bij de opheffing van de splitsing te zijn verminderd, dan wordt hiermee, ook al was de verandering geoorloofd, bij de verdeling van de gemeenschap rekening gehouden ten laste van degene die de verandering heeft aangebracht of zijn rechtsopvolger. 4. Bij het reglement kan van dit artikel worden afgeweken en kunnen voor de toepassing van lid 2 wijzigin- gen in de wijze van gebruik met veranderingen worden gelijkgesteld.

  1835. Artikel 119a De artikelen 118, 118a en 119 zijn niet van toepassing op deeltijdappartementsrechten. Tot het vestigen van een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal en het aanbrengen van veranderingen, als in die artikelen bedoeld, zijn slechts de tot gebruik van de betrokken gedeelten bevoegde deeltijdappartementseigenaars gezamenlijk bevoegd na een besluit, genomen op de wijze en met de meerderheid als in het reglement van splitsing is voorgeschreven.

  1836. Artikel 120 1. Onverminderd artikel 112 lid 4 is een appartementseigenaar bevoegd het gedeelte dat bestemd is om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, zelf te gebruiken of aan een ander in gebruik te geven, met inbegrip van het hem toekomende medegebruik van de gedeelten die niet bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. 2. Voorschriften van het reglement omtrent gebruik, beheer en onderhoud zijn ook van toepassing op de- gene die het gebruik verkrijgt. Andere bepalingen van het reglement kunnen in het reglement op de ge- bruiker van toepassing worden verklaard. 3. Ten aanzien van een huurder geldt een na het totstandkomen van de huurovereenkomst ingeschreven reglementsbepaling niet, tenzij hij daarin heeft toegestemd. Weigert hij zijn toestemming of verklaart hij zich niet, dan kan de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen op verzoek van iedere appartementseigenaar beslissen dat de reglementsbepaling ten aanzien van de huurder komt te gelden. 4. Na opheffing van de splitsing zijn de gerechtigden tot de goederen die in de splitsing waren betrokken, verplicht een verhuur gestand te doen, mits de tijd van de verhuur in overeenstemming is met het plaatse- lijk gebruik en de verhuur niet op ongewone, voor hen bezwarende voorwaarden is geschied. 2024 -698- No. 164

  1837. Artikel 121 1. In alle gevallen waarin een appartementseigenaar voor het verrichten van een bepaalde handeling met betrekking tot de gedeelten die niet bestemd zijn als afzonderlijk geheel gebruikt te worden, en, in het geval van een beding als bedoeld in artikel 112 lid 4, met betrekking tot gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel gebruikt te worden, medewerking of toestemming behoeft van een of meer andere appartementseigenaars, van de vereniging van eigenaars of van haar organen, of waarin de vereniging of haar organen voor het verrichten van zodanige handeling toestemming behoeven van een of meer appartementseigenaars, kan die medewerking of toestemming op verzoek van degene die haar behoeft, worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. De machtiging kan worden verleend indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd of degene die haar moet geven zich niet verklaart. 2. Gaat de handeling met kosten gepaard, dan kan de rechter op verzoek van een appartementseigenaar of van de vereniging van eigenaars tevens bepalen in welke verhouding alle of bepaalde appartements- eigenaars of de vereniging van eigenaars in de kosten moeten bijdragen. 3. Betreft het de aanbrenging van een nieuw werk of nieuwe installatie, dan kan de rechter desverzocht ook een regeling vaststellen, bepalende dat en in welke verhouding de appartementseigenaars van alle of bepaalde appartementsrechten de kosten van onderhoud van het werk of de installatie in de toekomst zullen dragen.

  1838. Artikel 122 1. Overgang onder bijzondere titel of toedeling van een appartementsrecht omvat, voor zover niet anders is bepaald, mede de als appartementseigenaar verkregen rechten. 2. Na de overgang of toedeling moet de verkrijger onverwijld schriftelijk aan de vereniging van eigenaars mededeling doen van zijn verkrijging. 3. Voor de ter zake van het verkregene verschuldigde bijdragen die in het lopende of het voorafgaande boekjaar opeisbaar zijn geworden of nog zullen worden, zijn de verkrijger en de vroegere appartements- eigenaar hoofdelijk aansprakelijk. 4. In het reglement kan worden bepaald in hoeverre voor bijdragen als bedoeld in lid 3 alleen de vroegere eigenaar of alleen de verkrijger aansprakelijk zal zijn. In het reglement kan ook worden bepaald dat voor bepaalde bijdragen die later opeisbaar worden, de vroegere appartementseigenaar in plaats van de verkrijger verbonden zal zijn. 5. De notaris draagt zorg dat aan de akte van overdracht of toedeling een door het bestuur van de vereniging van eigenaars afgegeven verklaring wordt gehecht, die met betrekking tot de in lid 3 genoemde bijdragen waarvoor de verkrijger aansprakelijk zal zijn, een opgave inhoudt van hetgeen de betrokken appartementseigenaar op de dag van de overdracht of toedeling aan de vereniging schuldig is. De verkrijger is jegens de vereniging niet verder aansprakelijk dan tot het bedrag dat uit de opgave blijkt. 6. De verklaring houdt tevens een opgave in van de omvang van het reservefonds van de vereniging, bedoeld in artikel 126 lid 1.

  1839. Artikel 123 1. In geval van vruchtgebruik van een appartementsrecht treedt de vruchtgebruiker in de plaats van de appartementseigenaar ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de gezamenlijke schulden en de aan de gezamenlijke appartementseigenaars en de vereniging van eigenaars verschuldigde bijdragen. De vrucht- gebruiker is echter bevoegd de door hem betaalde bedragen, voor zover zij geen betrekking hebben op de gewone lasten en herstellingen, bij het einde van het vruchtgebruik van de appartementseigenaar terug te vorderen. 2024 -699- No. 164 2. Wanneer de appartementseigenaar schulden of bijdragen als bedoeld in lid 1, heeft voldaan, kan hij van de vruchtgebruiker vorderen dat deze hem de betaalde bedragen, vermeerderd met de rente vanaf de dag der betaling, teruggeeft voor zover zij op gewone lasten en herstellingen betrekking hebben. Van de andere door de appartementseigenaar betaalde bedragen is de vruchtgebruiker slechts de rente van de dag der betaling tot het einde van het vruchtgebruik verschuldigd. 3. Tenzij bij de instelling van het vruchtgebruik anders wordt bepaald, wordt in afwijking van artikel 219 van Boek 3 het aan een appartementsrecht verbonden stemrecht in de vergadering van eigenaars uitgeoefend door de vruchtgebruiker. 4. Artikel 122 is van overeenkomstige toepassing bij de vestiging, bij de overdracht en bij het einde van het vruchtgebruik van een appartementsrecht. Afdeling 2 De vereniging van eigenaars

  1840. Artikel 124 1. De vereniging van eigenaars is een rechtspersoon. 2. Op de rechtsbetrekkingen tussen de vereniging en haar leden, alsmede op die tussen de leden onderling is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.

  1841. Artikel 125 1. Aan de vergadering van eigenaars komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door wet of statuten aan andere organen zijn opgedragen. 2. Iedere appartementseigenaar is van rechtswege lid van de vereniging van eigenaars. Wanneer een lid ophoudt appartementseigenaar te zijn, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege. 3. Een eenstemmig besluit van alle stemgerechtigden, ook al zijn zij niet in vergadering bijeen, heeft, mits met voorkennis van het bestuur genomen, dezelfde kracht als een besluit van de vergadering van eigenaars.

  1842. Artikel 126 1. De vereniging van eigenaars voert het beheer over de gemeenschap, met uitzondering van de gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. De vereniging houdt een reservefonds in stand ter bestrijding van andere dan de gewone jaarlijkse kosten. 2. De vereniging kan binnen de grenzen van haar bevoegdheid de gezamenlijke appartementseigenaars in en buiten rechte vertegenwoordigen. 3. De vereniging ziet toe op de nakoming van de verplichtingen die voor de appartementseigenaars uit het bij of krachtens de wet en het reglement bepaalde jegens elkaar voortvloeien, en kan te dien einde in rechte tegen hen optreden. Onder appartementseigenaars wordt hier mede begrepen degene die een gebruiksrecht aan een appartementseigenaar ontleent.

  1843. Artikel 127 1. Alle appartementseigenaars hebben toegang tot de vergadering van eigenaars. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, voor zover de statuten niet anders bepalen. 2. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt de voorzitter van de vergadering van eigenaars door de vergadering uit de leden der vereniging benoemd. Zowel de voorzitter als het bestuur van de vereniging zijn bevoegd de vergadering bijeen te roepen. 2024 -700- No. 164 3. In geval van ondersplitsing komen de stemmen van de appartementseigenaar wiens recht is gesplitst, toe aan de gerechtigden tot de door de ondersplitsing ontstane appartementsrechten. Deze stemmen worden in de vergadering van eigenaars uitgebracht door het bestuur van de bij de ondersplitsing opgerichte vereniging van eigenaars. De stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht. De gerechtigden tot de door de ondersplitsing ontstane appartementsrechten zijn bevoegd de vergadering van eigenaars bij te wonen. Het bestuur, bedoeld in de tweede volzin, is bevoegd om in de vergadering het woord te voeren.

  1844. Artikel 128 1. De vergadering van eigenaars is bevoegd regels te stellen betreffende het gebruik van de gedeelten die niet bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, voor zover het reglement daarover geen bepalingen bevat. 2. Iedere appartementseigenaar kan een gebruiker vragen te verklaren of hij bereid is een regel als bedoeld in lid 1, na te leven. Is de gebruiker daartoe niet bereid of verklaart hij zich niet, dan kan de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen op verzoek van iedere appartementseigenaar beslissen dat de regel ten aanzien van de gebruiker komt te gelden.

  1845. Artikel 129 Een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars dat in strijd is met de wet, de akte van splitsing, met inbegrip van het reglement, bedoeld in artikel 111 onder d, of de statuten, is nietig. Hetzelfde geldt als het besluit door een onbevoegd orgaan is genomen.

  1846. Artikel 130 1. Wanneer een appartementseigenaar van oordeel is dat een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars waarop artikel 129 niet van toepassing is, door de inhoud of wijze van totstandkoming zijn belangen onredelijk aantast, kan hij binnen een maand na het tijdstip waarop hij van het besluit kennis heeft kunnen nemen, aan de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen verzoeken het te vernietigen. 2. De verzoeker, alle andere stemgerechtigden en de vereniging van eigenaars worden bij name opgeroepen om op het verzoek te worden gehoord. Hoger beroep kan door de verzoeker of de vereniging slechts worden ingesteld binnen een maand na de dagtekening der eindbeschikking; de eerste volzin is in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. 3. De rechter voor wie het verzoek aanhangig is, is bevoegd het besluit te schorsen totdat op het verzoek onherroepelijk is beslist.

  1847. Artikel 131 1. Het bestuur van de vereniging wordt gevormd door een bestuurder, tenzij de statuten bepalen dat er twee of meer zullen zijn. 2. Het bestuur wordt door de vergadering van eigenaars, al dan niet uit de leden, benoemd en kan te allen tijde door haar worden geschorst of ontslagen. Een veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking tus- sen de vereniging en een bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken. 3. Voor zover de statuten niet anders bepalen, beheert het bestuur de middelen der vereniging en draagt het zorg voor de tenuitvoerlegging van de besluiten van de vergadering van eigenaars. 4. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging, voor zover de wet, de statuten en het in artikel 111 onder d bedoelde reglement niet anders bepalen. Zijn er twee of meer bestuurders, dan vertegenwoordigt ieder hunner de vereniging, voor zover in de statuten niet anders is bepaald. De statuten kunnen ook andere personen dan bestuurders de bevoegdheid tot vertegenwoordiging toekennen. 2024 -701- No. 164 5. Bij besluit van de vergadering van eigenaars kan van de leden 3 en 4 worden afgeweken en kunnen aan het bestuur aanwijzingen met betrekking tot de uitoefening van zijn taak worden gegeven. Deze besluiten kunnen niet worden ingeroepen tegen de wederpartij, tenzij zij haar bekend waren of behoorden te zijn.

  1848. Artikel 132 De appartementseigenaars en de gebruikers van de voor het gebruik als afzonderlijk geheel bestemde gedeelten zijn verplicht een bestuurder en door hem aan te wijzen personen toegang tot die gedeelten te verschaffen, wanneer dit voor de vervulling van de taak van het bestuur noodzakelijk is.

  1849. Artikel 133 1. Bij belet of ontstentenis van het bestuur wordt dit vervangen door de voorzitter van de vergadering van eigenaars, tenzij in de statuten of door de vergadering een andere voorziening is getroffen. 2. In gevallen waarin de vereniging of de gezamenlijke appartementseigenaars een belang hebben, tegen- strijdig met dat van een bestuurder, treedt de voorzitter van de vergadering van eigenaars bij belet of ontstentenis van andere bestuurders eveneens in de plaats van het bestuur.

  1850. Artikel 134 1. Exploten en kennisgevingen, gericht tot de gezamenlijke appartementseigenaars, kunnen aan de persoon of de woonplaats van een bestuurder van de vereniging worden gedaan; zij behoeven dan niet de namen en de woonplaatsen van de appartementseigenaars te bevatten. 2. De bestuurder deelt de appartementseigenaars onverwijld de inhoud van het exploot of de kennisgeving mee.

  1851. Artikel 135 1. Het bestuur brengt op een algemene vergadering binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering, een jaarverslag uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid. Het legt een balans en een staat van baten en lasten met een toelichting ter goedkeuring aan de vergadering over. Deze stukken worden ondertekend door de bestuurders en door de commissarissen zo die er zijn; ontbreekt de ondertekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. Na verloop van de termijn kan ieder lid van de gezamenlijke bestuurders vorderen dat zij deze verplichtingen nakomen. 2. Zijn er geen commissarissen en is omtrent de getrouwheid der stukken geen accountantsverklaring over- gelegd, dan benoemt de algemene vergadering jaarlijks een commissie van ten minste twee leden die geen deel van het bestuur mogen uitmaken. De commissie onderzoekt de stukken en brengt aan de algemene vergadering verslag omtrent haar bevindingen uit. Het bestuur is verplicht de commissie ten behoeve van haar onderzoek alle door haar gevraagde inlichtingen te verschaffen, haar desgewenst de kas en de waarden te tonen en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vereniging voor raadpleging beschikbaar te stellen. Afdeling 3 Rechten uit verzekeringsovereenkomsten

  1852. Artikel 136 1. Degene die krachtens het reglement verplicht is het gebouw te doen verzekeren, vertegenwoordigt de gezamenlijke appartementseigenaars bij de uitoefening van de rechten die uit de verzekeringsovereen- komst voortvloeien, en voert voor hen het beheer over de ontvangen verzekeringspenningen. 2024 -702- No. 164 2. Zodra tot herstel is besloten, worden de verzekeringspenningen tot dit doel aangewend, met dien verstande dat de verhouding van de waarde van de appartementsrechten na het herstel dezelfde moet zijn als tevoren. Bij de berekening van die waarde mag echter geen rekening worden gehouden met veranderingen die een appartementseigenaar in het gedeelte dat bestemd is om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, heeft aangebracht, tenzij hij hiervan tijdig aan de vereniging van eigenaars had kennis gegeven. 3. Herstel van schade aan gedeelten die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, geschiedt zoveel mogelijk volgens de aanwijzingen van de appartementseigenaars die het aangaat. 4. Uitkering aan ieder der appartementseigenaars van het hem toekomende aandeel in de assurantie- penningen geschiedt slechts: a. indien na het herstel van de schade een overschot aanwezig blijkt te zijn; b. indien drie maanden zijn verlopen nadat de vergadering van eigenaars heeft besloten van herstel of verder herstel af te zien; c. in geval van opheffing van de splitsing. 5. Van dit artikel kan in het reglement worden afgeweken.

  1853. Artikel 138 Geschillen over herstel of de wijze van herstel beslist de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen op verzoek van de meest gerede partij. Hoger beroep kan slechts worden ingesteld binnen een maand na de dagtekening van de eindbeschikking. Afdeling 4 Wijziging van de akte van splitsing en opheffing van de splitsing.

  1854. Artikel 139 1. De akte van splitsing kan worden gewijzigd met medewerking van alle appartementseigenaars. 2. De wijziging kan ook met medewerking van het bestuur geschieden, indien het tot de wijziging strekkende besluit, met inachtneming van artikel 139a, is genomen in de vergadering van eigenaars met een meerderheid van ten minste vier vijfden van het aantal stemmen dat aan de appartementseigenaars toekomt of met een zodanige grotere meerderheid als in de akte van splitsing is bepaald. 3. Wijziging van de akte van splitsing behoeft de toestemming van hen die een beperkt recht op een appartementsrecht hebben, van hen die daarop beslag hebben gelegd alsmede, indien een recht van erfpacht, grondhuur of opstal in de splitsing is betrokken, van de grondeigenaar. Ook is toestemming nodig van de gerechtigden tot een erfdienstbaarheid, indien hun recht door de wijziging wordt verkort. 4. Indien de wijziging uitsluitend betrekking heeft op het reglement, is de toestemming van de beslagleggers niet nodig. 5. De wijziging geschiedt door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door inschrijving van die akte in de openbare registers. Indien de wijziging betrekking heeft op de begrenzing van gedeelten van het gebouw of de grond die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, is artikel 109 lid 2 van overeenkomstige toepassing.

  1855. Artikel 139a 1. Tot de vergadering van eigenaars als bedoeld in artikel 139 lid 2 worden de appartementseigenaars opgeroepen met de mededeling dat aldaar het tot de wijziging strekkende besluit zal worden voorgesteld. De termijn voor oproeping tot een zodanige vergadering bedraagt ten minste zeven dagen, de dag van de oproeping en de dag van vergadering niet meegerekend. 2. Zij die de oproeping hebben gedaan, moeten ten minste vijf dagen vóór de vergadering een afschrift van het voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen, op een daartoe geschikte plaats voor de leden ter inzage leggen tot na afloop van de dag waarop de vergadering wordt gehouden. 2024 -703- No. 164 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing, indien in de vergadering van eigenaars alle appartementseigenaars of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en het tot de wijziging strekkende besluit met algemene stemmen wordt genomen.

  1856. Artikel 140 1. Indien een of meer der in artikel 139 leden 1 en 3 genoemden zich niet verklaren of zonder redelijke grond weigeren hun medewerking of toestemming te verlenen, kan deze worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. 2. De machtiging kan slechts worden verleend op verzoek van een of meer appartementseigenaars aan wie ten minste de helft van het aantal stemmen in de vergadering van eigenaars toekomt. 3. De machtiging kan ook op verzoek van twee appartementseigenaars, of op verzoek van een apparte- mentseigenaar aan wie verschillende appartementsrechten toebehoren, worden verleend, wanneer de wijziging uitsluitend strekt tot een verandering van de onderlinge begrenzing der gedeelten die bestemd zijn door hen als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, al dan niet gepaard gaande met een verandering in de onderlinge verhouding van hun aandelen in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, of van hun bijdragen in de schulden en kosten die ingevolge de wet of het reglement voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars komen. 4. Alle personen wier medewerking of toestemming ingevolge artikel 139 is vereist, worden bij name op- geroepen om op een verzoek als bedoeld in de leden 2 en 3 te worden gehoord.

  1857. Artikel 140a 1. Op vordering van een appartementseigenaar die niet voor een overeenkomstig artikel 139 lid 2 bij meerderheid van stemmen genomen besluit tot wijziging van de akte van splitsing heeft gestemd, wordt het besluit bij rechterlijke uitspraak vernietigd. 2. De bevoegdheid om vernietiging te vorderen verjaart door verloop van drie maanden, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het besluit door de vergadering van eigenaars is genomen. 3. De rechter kan de vordering afwijzen, wanneer de eiser geen schade lijdt of hem een redelijke schadeloosstelling wordt aangeboden en voor de betaling hiervan voldoende zekerheid is gesteld.

  1858. Artikel 141 1. Bij gebreke van de in de artikelen 139 en 140 bedoelde toestemming of daarvoor in de plaats tredende machtiging wordt de wijziging vernietigd bij rechterlijke uitspraak op vordering van degene wiens toe- stemming achterwege is gebleven. 2. De bevoegdheid om vernietiging te vorderen, verjaart door verloop van een jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop degene die de vernietiging kan vorderen, kennis heeft genomen van de wijziging dan wel hem schriftelijk van die wijziging mededeling is gedaan. 3. De rechter kan de vordering afwijzen, wanneer de eiser geen schade lijdt of hem een redelijke schade- loosstelling wordt aangeboden en voor de betaling hiervan voldoende zekerheid is gesteld.

  1859. Artikel 142 1. Beperkte rechten en beslagen, waarmee de appartementsrechten zijn belast, rusten na de wijziging van de akte van splitsing op de gewijzigde appartementsrechten, tenzij de akte van wijziging anders bepaalt. 2. Voorrechten blijven na de wijziging bestaan. 2024 -704- No. 164

  1860. Artikel 143 1. De splitsing wordt van rechtswege opgeheven: a. bij het eindigen van een in de splitsing betrokken recht van erfpacht, grondhuur of opstal, wanneer naast dit recht geen andere registergoederen in de splitsing betrokken zijn en de beëindiging niet gepaard gaat met de vestiging van een nieuw recht van erfpacht, grondhuur of opstal van de appartementseigenaars op dezelfde onroerende zaak; b. door inschrijving in de openbare registers van het vonnis waarbij een in de splitsing betrokken perceel in zijn geheel is onteigend, wanneer geen andere percelen in de splitsing betrokken zijn. 2. In alle andere gevallen geschiedt de opheffing van de splitsing door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door inschrijving van die akte in de openbare registers. Artikel 139 leden 1 en 3, artikel 140 leden 1, 2 en 4 en artikel 141 zijn van overeenkomstige toepassing.

  1861. Artikel 144 1. Op verzoek van een persoon wiens medewerking of toestemming tot de wijziging van de akte van split- sing of tot opheffing van de splitsing is vereist, kan de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen bevelen dat de akte van splitsing wordt gewijzigd dan wel de splitsing wordt opgeheven, wanneer: a. de akte van splitsing niet voldoet aan de in de artikelen 111 en 112 gestelde vereisten; b. uit de inrichting van de gedeelten van het gebouw of uit de inrichting of aanduiding van de gedeelten van de grond die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, deze bestemming niet blijkt; c. de bouw of inrichting van het gebouw dan wel de inrichting of aanduiding van de grond niet of niet meer beantwoordt aan de omschrijving in de akte van splitsing; d. in geval van splitsing met toepassing van artikel 107, de stichting of de gewijzigde inrichting van het gebouw niet binnen een termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de dag van de inschrijving, is voltooid; e. een recht van erfpacht, grondhuur of opstal dat naast een of meer andere registergoederen in de splitsing betrokken is, eindigt; f. een deel der in de splitsing betrokken registergoederen is uitgewonnen, een gedeelte van de percelen is onteigend, of degene die de splitsing verricht heeft, onbevoegd was over een deel der in de splitsing betrokken registergoederen te beschikken; g. het gebouw ernstig is beschadigd of geheel of gedeeltelijk is gesloopt, tenzij herstel binnen redelij- ke tijd is te verwachten; h. alle appartementseigenaars zich bij een overeenkomst tot de wijziging of opheffing hebben verbon- den. 2. Aan de toewijzing van het verzoek kan de rechter voorwaarden verbinden. 3. Artikel 140 lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

  1862. Artikel 145 1. De appartementseigenaars zijn verplicht aan een bevel als bedoeld in artikel 144, uitvoering te geven, zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De in artikel 139 leden 1 en 3 en artikel 143 lid 2 bedoelde toestemming is in dit geval niet vereist. 2. Indien de kantonrechter met toepassing van artikel 300 van Boek 3 een vertegenwoordiger heeft aange- wezen, stelt hij op verzoek van de meest gerede partij of ambtshalve diens salaris vast; het salaris komt ten laste van de vertegenwoordigde.

  1863. Artikel 146 Beperkte rechten, beslagen en voorrechten op een appartementsrecht rusten na opheffing van de splitsing op het aandeel van de gewezen appartementseigenaar in de goederen die in de splitsing waren betrokken. 2024 -705- No. 164

  1864. Artikel 147 1. De vereniging van eigenaars wordt door opheffing van de splitsing van rechtswege ontbonden. Zij blijft echter voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen noodzakelijk is. 2. Na de vereffening vervalt het batig slot van de vereniging aan hen die bij de opheffing der splitsing appartementseigenaar waren, en wel voor een aandeel als bedoeld in artikel 113 lid 1.

  1865. Artikel 148 Voor zover mogelijk is het in deze titel bepaalde met betrekking tot splitsing in appartementsrechten, deeltijdsappartementsrechten, en de gevolgen daarvan, van overeenkomstige toepassing op de splitsing in gedeelten van rechten op andere registergoederen.

  1866. Artikel 149 1. De President van de Republiek kan een categorie gebouwen aanwijzen waarvoor geldt dat het verboden is om een recht op een gebouw zonder vergunning van de Minister van Openbare Werken te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106 leden 1 en 4 indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte. 2. Bij staatsbesluit kunnen gevallen worden aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt of waarin een ontheffing kan worden verleend van het verbod, bedoeld in lid 1. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3. Op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 2024 -706- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 5 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 5– Zakelijke rechten ALGEMEEN Het opschrift van Boek 5 - Zakelijke rechten - sluit aan bij het begrip "zaak" dat in het wetboek wordt gebezigd en dat wordt gedefinieerd in artikel 3:2: een stoffelijk object dat voor menselijke beheersing vatbaar is. Dienovereenkomstig behelst Boek 5 een regeling die betrekking heeft op de rechten die - uitsluitend - op zulke zaken kunnen rusten: in de eerste plaats de eigendom (titels 1 tot en met 3), vormen van mede-eigendom (titels 5 - mandeligheid - en 9 - appartementsrechten), de verhouding tussen eigenaars van naburige erven (titels 4 en 5), alsmede beperkte rechten die alleen op zaken kunnen rusten (titels 6, 7 en 8). Aldus vormt Boek 5 een deel van wat onder het oude recht als "zakenrecht" wordt beschouwd, waarin onder het begrip "zaak" ook de "onlichamelijke zaak" wordt begrepen. In de nieuwe wet wordt dit "vermogensrecht" genoemd en worden met "goederen" aangeduid alle vermogensbestanddelen, dat wil zeggen zaken en vermogensrechten tezamen (artikel 3:1). In Boek 3 is daarom het algemeen "goederenrecht" opgenomen, met de onderscheiding tussen de soorten goederen, de rechtshandelingen die ten aanzien van goederen kunnen worden verricht, zoals overdracht en de vestiging van beperkte rechten (titel 3.4) en de beperkte rechten van vruchtgebruik, pand en hypotheek, die, anders dan de zakelijke rechten van Boek 5, ook op andere goederen dan zaken, zoals vorderingen of erfpacht, kunnen rusten (voor zover vruchtgebruik, pand en hypotheek op een zaak drukken, zijn zij wel als "zakelijke rechten" te beschouwen). Onder de term "zakelijke rechten" zijn, zoals uit het voorgaande bleek, de eigendom van en de beperkte rechten op zaken samengevat; voor een omschrijving van de term "beperkte rechten" zie men artikel 3:8. Over de wezenskenmerken van de zakelijke rechten tegenover de persoonlijke bestaan uiteenlopende opvattingen; hier moet worden volstaan met een verwijzing naar de literatuur daaromtrent. In het algemeen kan worden gezegd dat zakelijke rechten tegen eenieder kunnen worden gehandhaafd en aan een zaak blijven "kleven" in wiens handen deze zich ook bevindt (tenzij zich een omstandigheid voordoet die krachtens de wet daaraan een einde maakt - zie bijvoorbeeld artikel 3:248 lid 3, tegenover artikel 3:273, en vgl. ook artikel 3:86 lid 2 met artikel 3:238 lid 2). Hierin verschillen zij van de persoonlijke, obligatoire, rechten, die in beginsel slechts tegen een of meer bepaalde personen kunnen worden uitgeoefend. Dat de vraag naar het wezen van de zakelijke rechten een in hoofdzaak theoretische kwestie is, is te danken aan een volgende eigenschap die hen kenmerkt. Een belangrijk kenmerk van de zakelijke rechten - en mede van de beperkte rechten die niet op zaken rusten - is dat zij een "gesloten systeem" vormen: alleen de wetgever is bij machte aan te geven welke rechten op goederen worden erkend - zie aldus voor beperkte rechten in het algemeen artikel 3:81 lid 1, eerste zin. Wél wordt aan partijen in verscheidene wetsbepalingen de bevoegdheid gegeven de inhoud van het recht nader te regelen - zie in het bijzonder artikel 73 inzake de erfdienstbaarheid, alsmede in ver- scheidene artikelen de zinsnede "tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald": deze bepaling van de inhoud, mits in voldoende nauw verband met de wettelijke regels die het zakelijk recht beheersen, geeft dan aan hoever het zakelijk recht zich uitstrekt - dat wil zeggen dat het in zoverre ook tegen derden werkt en van rechtswege op latere verkrijgers overgaat, en niet slechts obligatoir tussen partijen werkt. 2024 -707- No. 164 Op de grens van zakelijk recht en obligatoire verplichting ligt de zgn. kwalitatieve verbintenis, een verplichting om te dulden of niet te doen ten aanzien van een registergoed, die, indien in de registers ingeschreven, ook de latere verkrijgers onder bijzondere titel verbindt (artikel 6:252). Van obligatoire aard blijft wel de huur, ook al vertoont deze zakelijke trekken (zie artikel 1597 van het huidige BW). Een regeling van hetgeen wel "de economische eigendom" wordt genoemd, is in Boek 5 niet te vinden: deze rechtsfiguur is een samenstel van obligatoire rechten en bedingen, verbonden met zekerheidsrechten, die elk op eigen wijze moeten worden geanalyseerd, doch niet tezamen de (juridische) eigendom van een zaak opleveren. Vgl. onder meer HR 5-3-2004, NJ 2004, 316. TITEL 5.1 - EIGENDOM IN HET ALGEMEEN Het eigendomsrecht wordt beschouwd als een van de grondvormen van het recht. In vervlogen tijden is het om die reden wel erkend als bij uitstek "inviolable et sacré", maar welke sociale betekenis het in de rechts- orde heeft, wordt vooral bepaald door de vraag welke regels het (kunnen) beperken. De omschrijving van de eigendom in het huidige artikel 625 als "het recht om van een zaak het vrije genot te hebben en daarover op de meest volstrekte wijze te beschikken" is van die normatieve betekenis nog de weerklank, doch zij wordt in het vervolg der bepaling dan ook goeddeels teruggenomen. In verband daarmee geeft artikel 1 lid 1, bij wijze van inleiding aan wat de juridisch-technische betekenis van de eigendom in de rechtsorde is, zonder zich uit te laten over enige normatieve waarde daarvan. Omtrent die betekenis zegt lid 1 dat de eigendom het "meest omvattende recht" is dat een persoon op een zaak kan hebben. Enerzijds volgt uit deze relativerende formulering dat de eigendom niet absoluut is in die zin dat de eigenaar niet gebonden zou zijn aan regels die zijn bevoegdheden inperken, anderzijds blijkt dat het recht van de eigenaar niet, als dat van een beperkt gerechtigde, tot bepaalde bevoegdheden is beperkt - in dat verband wordt ook wel gesproken van de elasticiteit van de eigendom. Uit de eigendom, als het meest omvattende recht, kunnen beperkte rechten worden afgeleid, aldus volgt uit artikel 3:8. Ten slotte stempelt lid 1 de eigendom tot zakelijk recht: in de terminologie van het wetboek kan men alleen eigendom van een zaak hebben, niet van een beperkt recht of een vorderingsrecht. Lid 2 gaat in op een van de voornaamste bevoegdheden die de eigenaar toekomen, en op de regels waar- door die bevoegdheid kan worden beperkt. Regelt titel 3.4 dat de eigenaar in beginsel bevoegd is tot beschikking over een hem toebehorende zaak, lid 2 van het onderhavige artikel voegt daaraan toe dat hij zulk een zaak in beginsel kan en mag "gebruiken". Onder deze term wordt in dit verband niet slechts verstaan "gebruik maken van", doch ook verbruiken, vervormen, beschadigen, vernietigen, enz. Dit gebruik wordt in lid 2 aan de eigenaar exclusief, met uitsluiting van anderen, toegekend: tenzij er een rechtvaardigingsgrond bestaat, mogen zij hem in zijn gebruik niet storen, of zelfs zonder stoornis zich met de zaak bemoeien. Anderzijds wordt dit recht van gebruik ook vatbaar geacht voor beperking, en wel op drieërlei wijze, namelijk door de rechten van anderen, door wettelijke voorschriften en door regels van ongeschreven recht. De drie categorieën zijn niet strikt te scheiden. Het burenrecht, dat in titel 5.4 als een reeks wettelijke voorschriften is opgenomen, verschaft rechten aan anderen; zie ook de artikelen 21, 22 en 23. Het wettelijke voorschrift van de verplichtingen uit onrechtmatige daad verwijst naar het ongeschreven recht der maatschappelijke betamelijkheid (vgl. in dit verband ook artikel 6:162 lid 2). Zie ook artikel 3:13 inzake misbruik van bevoegdheid. Bij de rechten van anderen valt uiteraard mede te denken aan de rechten die de eigenaar zelf, aan bijvoorbeeld een beperkt gerechtigde of een huurder, heeft verleend. De beperkingen van de eigendom kunnen zowel van privaatrechtelijke als van publiekrechtelijke aard zijn - zie voor wat deze laatste betreft ook artikel 3:14. Onder "wettelijke voorschriften" zijn naast de wetten ook de voorschriften van lagere regelgeving begrepen. De mogelijkheid tot beperking van het gebruiksrecht gaat aldus verder dan die der beschikkings- bevoegdheid - overtreding van bijvoorbeeld een lokaal ventverbod tast immers niet de beschikkingsbe- voegdheid (en daardoor de geldigheid van een overdracht) aan. De bevoegdheden van de lagere regelgever zijn echter niet ongelimiteerd. In de eerste plaats mag hij het gebruiksrecht wel beperken, doch niet 2024 -708- No. 164 ontnemen - aldus al HR 14-3-1904, W 8050 (lantaarnpaalarrest) - en evenmin mag hij bijvoorbeeld vernietiging onder bepaalde omstandigheden bevelen. Ook een ernstige beperking van het gebruik die niet zover als ontneming van alle genot gaat, kan ongeoorloofd zijn: HR 14-5-1976, NJ 1976, 550. Is een specifieke bevoegdheid, bijvoorbeeld in het burenrecht, uitputtend geregeld, dan kan de lagere regelgever niet andere beperkingen van het gebruiksrecht daarnaast voorschrijven. Over de vraag welke beperkingen bij lagere regelgeving kunnen worden gesteld - bijvoorbeeld de bevesti- ging van waarschuwingsborden aan een muur (HR 16-6-1930, NJ 1930, 1345) - en welke wetten in dat opzicht onverbindend zijn, heeft zich onder het oude Nederlandse recht reeds een rijke jurisprudentie ontwikkeld; deze blijft ook onder het nieuwe recht van belang als inspiratiebron. De beperkingen die het ongeschreven recht stelt aan het gebruik van de eigendom worden in hoofdzaak door de regeling van de onrechtmatige daad gekanaliseerd - vgl. in dit verband ook artikel 37 inzake hinder.

  1867. Artikel 17 bepaalt dat degene die krachtens zijn genotsrecht tot de vruchten van een zaak - dier of plant - gerechtigd is, de eigendom daarvan door afscheiding verkrijgt - vóór de afscheiding vormen de vruchten bestanddeel van de zaak. Artikel 1 lid 3, heeft twee aspecten: de eigenaar heeft in beginsel recht op de vruchten, én hij heeft dat recht, tenzij het een ander - zoals vruchtgebruiker, erfpachter, huurder, bezitter te goeder trouw - toekomt. Dit laatste aspect houdt mede in een vermoeden van het recht op de vruchten ten gunste van de eigenaar, dat het vermoeden ten gunste van de bezitter (artikel 3:119) doorbreekt: HR 17-10- 1986, NJ 1987, 985. Zie voorts artikel 17 met toelichting. In artikel 1a wordt een strijdpunt opgelost die tot verwarring heeft geleid en als weinig vruchtbaar moet worden beschouwd. Bepaald wordt thans dat de zgn. “allodiale eigendom”, zijn oorsprong vindend in het leenrecht en niet deugdelijk geregeld, geldt als eigendom in de zin van dit Boek 5 BW. Zoals titel 3.11 onder meer regelt welke mogelijkheden er zijn om de nakoming van verplichtingen in rechte af te dwingen, zo biedt artikel 2 de grondslag van de revindicatie, de vordering tot opeising van een zaak door de eigenaar, gericht tegen degene die haar zonder recht, al dan niet als bezitter, houdt; vgl. voor diens positie de artikelen 3:120 tot en met 3:124. Omgekeerd staat de bezitter volgens artikel 3:125 evenzeer de revindicatie ten dienste. Vgl. ook de artikelen 3:218 voor de vruchtgebruiker, 3:245 voor de pandhouder en 5:95 voor de erfpachter. Een bijzonder geval van revindicatie is geregeld in de artikelen 3:86 lid 3 en 3:238 lid 3, wanneer een zaak is ontvreemd en aan een derde te goeder trouw is overgedragen. Het artikel wijkt niet af van wat onder het huidige recht op grond van artikel 629 van het BW wordt aangenomen.

  1868. Artikel 3 Wat als bestanddeel van een zaak geldt, is in artikel 3:4 omschreven; naar dat artikel en de toelichting daar- op zij hier verwezen. De consequentie van de hoedanigheid van bestanddeel als onzelfstandige zaak, is dat het deel uitmaakt van een hoofdzaak; aldus ook artikel 643 van het huidige BW. Was de zaak oorspronkelijk zelfstandig en wordt zij nadien krachtens verkeersopvatting of vereniging bestanddeel van een hoofdzaak, dan behoort zij toe aan de eigenaar van deze laatste - behoorde zij tevoren aan een ander, dan verliest deze van rechtswege door natrekking zijn eigendom. In artikel 14 wordt dit voor roerende zaken uitgewerkt. Voor onroerende zaken is in artikel 20 opgesomd wat de grond omvat, en aldus door de eigenaar van de grond wordt verkregen, waarbij in het midden kan blijven in hoeverre het hier om bestanddelen gaat. Bij enkele overeenkomst kan natrekking niet worden uitgesloten. Ten aanzien van onroerende zaken zijn er rechtsfiguren in Boek 5, die natrekking wel tegenhouden, in het bijzonder bij gebouwen, werken en beplantingen. Zo heeft een mandelige muur eigenaars die elk voor zich alleen eigenaar van de helft der ondergrond zijn (artikel 62), en kan door vestiging van een recht van opstal de eigendom van bepaalde bestanddelen van die der hoofdzaak worden afgesplitst (artikelen 101 e.v.). 2024 -709- No. 164 TITEL 5.2 - EIGENDOM VAN ROERENDE ZAKEN De titel is goeddeels gewijd aan verschillende wijzen waarop – buiten overdracht en verjaring, die in Boek 3 hun regeling vinden – de eigendom van roerende zaken wordt verkregen en verloren. Degene die een zaak op grond van een der bepalingen van deze titel verkrijgt, geldt als verkrijger onder bijzondere titel (artikel 3:80 lid 3). Het meeste daarvan bouwt voort op het bestaande recht, doch nieuw is de regeling van de positie van de vinder van een roerende zaak, die tot eigendomsverkrijging kan leiden, een regeling die in het huidige wetboek geheel ontbreekt.

  1869. Artikel 4 regelt het geval van toe-eigening door inbezitneming van een roerende zaak die aan geen ander toebehoort (res nullius). Te denken valt aan wild en vissen, en ook aan zaken waarvan de vorige eigenaar zich welbewust heeft ontdaan (res derelictae); vgl. artikel 18. De wijze van inbezitneming (occupatie) is geregeld in artikel 3:113. Voor de eigendomsverkrijging is niet vereist dat de inbezitneming rechtmatig geschiedt: de stroper wordt evenzeer eigenaar als degene die tot de jacht is gerechtigd. De artikelen 5 tot en met 12 regelen de positie van de vinder: hetgeen hij behoort te doen als hij een zaak van enigerlei waarde vindt, onder welke omstandigheden hij de eigendom daarvan krijgt, en de rol die de overheid bij de inbewaringneming van gevonden voorwerpen zal spelen. De tekst van de artikelen is aangepast aan de hier te lande bestaande omstandigheden. Geldt als de over- heid volgens het Nederlandse BW in dit opzicht de burgemeester, in het ontwerp komt hiervoor in de plaats de Districtscommissaris van het district waar de zaak is gevonden; de aanwijzing kan worden beperkt, zowel voor een bepaald ressort, als wel voor de uitoefening van bepaalde taken en bevoegdheden. Zie de tekst van artikel 5 lid 5. Ook in andere opzichten is van de Nederlandse tekst afgeweken, waar de omstandigheden daartoe aanleiding geven. "Vinder" in de zin van deze artikelen is degene die een onbeheerde zaak niet slechts vindt, maar deze ook tot zich neemt. Het laten liggen van een waardevolle zaak zonder daarvoor de nodige zorg op zich te nemen, kán onder omstandigheden als onrechtmatige daad jegens de verliezer worden beschouwd. De vinder kan ten onrechte menen dat zich niet het geval van artikel 5, maar dat van artikel 4 voordoet. Hij wordt dan noch krachtens artikel 4, noch krachtens artikel 6 eigenaar, maar kan dat alleen door verjaring worden: toepasselijk is dan de verjaringstermijn van drie jaar van artikel 3:99, indien hij voldoet aan de omschrijving van "goede trouw" in artikel 3:11, en anders de termijn die na twintig jaar volgens artikel 3:105 tot verkrijging leidt. Het laatste geldt ook als de vinder welbewust zijn verplichtingen uit dit artikel niet nakomt. Lid 1, uitgewerkt in lid 2, van artikel 5 legt de vinder - eventueel samenlopende - verplichtingen op: aangifte bij de overheid, mededeling bij vondst in een woning, gebouw of vervoermiddel, en afgifte aan de overheid die dit, uit hoofde van haar bevoegdheid, vordert, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de aangifte. Aangifte of mededeling moet "met bekwame spoed" worden gedaan, hetgeen wat meer (tijd)ruimte ver- schaft dan "ten spoedigste" of "onverwijld", doch minder dan "binnen een redelijke termijn". De vraag of een aangetroffen zaak als onbeheerd moet worden aangemerkt, moet worden beantwoord aan de hand van het geval, waarbij het niet terzake doet of het gaat om omstandigheden die eerst na het ontdekken van de zaak zijn gebleken; en het met bekwame spoed aangifte doen bij de politie van (in casu) een gevonden auto mag worden gelijkgesteld met een onder zich nemen van de auto door de vinder (HR 25-10-1996, NJ 1998, 16). De mededeling krachtens onderdeel b moet in beginsel naast de aangifte van onderdeel a worden gedaan; zie echter artikel 7. Lid 3 bepaalt dat de vinder zich van de zorgplicht die in beginsel op hem rust, kan ontslaan door onver- plicht de zaak aan de overheid in bewaring te geven. Lid 4 verplicht de overheid om desgewenst een bewijs van ontvangst aan de vinder af te geven. Zie voor lid 5 de algemene toelichting op de artikelen 5 tot en met 12. 2024 -710- No. 164

  1870. Artikel 6 regelt het normale geval, waarin de vinder heeft voldaan aan zijn verplichtingen die in artikel 5 zijn omschreven, en de rechthebbende niet is komen opdagen: de vinder wordt één jaar na de aangifte, respectievelijk mededeling, eigenaar. Vereist is dat de zaak zich op dat tijdstip bevindt in de macht van de vinder of de overheid; zie echter artikel 7. De termijn van een jaar is vrij kort gehouden - korter dan de termijn van artikel 3:99 - omdat de praktijk uitwijst dat het zelden gebeurt dat, nadat enkele maanden na de aangifte zijn verstreken, zich nog een rechthebbende aanmeldt. De Nederlandse tekst van artikel 6 laat nog een drietal leden volgen, waaraan een onderscheid tussen kostbare en niet-kostbare zaken ten grondslag ligt - zo mogen de laatste op een kortere termijn door de burgemeester van de hand worden gedaan. Een behoefte aan deze onderscheiding bestaat hier te lande niet: verwacht mag worden dat, ook voor de niet kostbare zaken, kan worden volstaan met de mogelijkheden van de artikelen 8 en 10. In de vorige artikelen zijn de verplichtingen en het recht van de vinder tot verkrijging van de zaak omschreven; zie in dit verband ook artikel 10. Krachtens artikel 5 lid 1 onderdeel b, moet de vinder, als hij de zaak in een woning, gebouw of vervoer- middel heeft gevonden, zijn vondst niet alleen aanmelden bij de bewoner, respectievelijk gebruiker of exploitant, maar daarnaast ook, overeenkomstig onderdeel a, bij de overheid. Artikel 7 ontheft hem van deze laatste verplichting, als hij door onverwijlde afgifte zijn rechtspositie op de bewoner, gebruiker of exploitant of toezichthouder doet overgaan: hij is dan van al zijn verplichtingen, inclusief die tot zorg voor de zaak, verlost, maar anderzijds gaat ook de eigendom van de zaak na een jaar niet op hem, maar op de opvolger over, evenals het recht op vergoeding van kosten volgens artikel 9 lid 1. Alleen het recht op vindersloon van lid 2 van artikel 9 vervalt voor de vinder en gaat ook niet op de opvolger over; wil de vinder dat voorkomen, dan moet hij de zaak onder zich houden. Overigens zij er nog op gewezen dat het begrip "ruimte" in artikel 7 niet alleen de overdekte ruimten van artikel 5 omvat: ook onoverdekte ruimten, zoals zwembaden en sportvelden, vallen daaronder. Niet uitgesloten wordt dat de vinder zijn verplichtingen ook contractueel aan een ander toevertrouwt, mits dit geschiedt met de zorgvuldigheid die zijn positie als zaakwaarnemer van de rechthebbende vereist. In de wet behoeft dat geen specifieke regeling. Niet elke zaak leent zich voor opslag gedurende een jaar. Men denke aan gevaarlijke of bederfelijke zaken of ook dieren. Artikel 8 geeft daarom in deze gevallen of wanneer opslag andere nadelen meebrengt, de overheid de bevoegdheid zich van die zaken te ontdoen. Is de zaak een dier, dan mag de overheid, tenzij daarvoor een in lid 3 derde zin omschreven dringende reden is, van deze bevoegdheid pas na acht dagen gebruik maken in verband met de affectiewaarde die aan dieren eerder wordt gehecht. Kan de zaak worden verkocht, dan treedt de opbrengst in haar plaats, aldus lid 4; zie ook verder artikel 11. De bevoegdheden die artikel 8 aan de overheid toekent, komen niet de bewarende vinder, met diens allicht subjectief oordeel, toe; wil deze vinder zich van de zaak ontdoen, dan zal hij haar aan de overheid moeten afgeven. De artikelen 9 tot en met 11 regelen de verplichting tot afgifte van de overheid dan wel van de vinder aan hetzij de rechthebbende, hetzij de vinder. Mede als gevolg van de afwijkingen van de Nederlandse tekst in de voorgaande artikelen is ter wille van de eenvoud en overzichtelijkheid de volgorde van deze artikelen gewijzigd: de bijzondere regeling voor de vondst van geld, in Nederland in artikel 9 opgenomen, is naar het slot in artikel 11 verplaatst, waardoor de Nederlandse artikelen 10 en 11 in het ontwerp de nummers 9 en 10 verkrijgen.

  1871. Artikel 9 lid 1, geeft de overheid en de vinder de bevoegdheid om aan de rechthebbende de in dat lid aan- geduide kosten in rekening te brengen; de overheid heeft eenzelfde recht als de zaak of de opbrengst daar- van aan de vinder toekomt, mits deze aan zijn verplichtingen heeft voldaan. 2024 -711- No. 164 Overheid en vinder hebben daarvoor een retentierecht. Omgekeerd hebben rechthebbende en vinder uiteraard recht op schadevergoeding, als de bewaarder in de nakoming van zijn zorgplicht is tekortgescho- ten. De laatste zin voorkomt dat een onduidelijke toestand ontstaat. Als gevolg van de prijsgave door de recht- hebbende kunnen vinder en overheid hun rechten al terstond uitoefenen. Lid 2 van het artikel stelt daarnaast de aanspraak op vindersloon - waarop overigens alleen de vinder, en niet de overheid, recht heeft. Ook de beroepsmatige vinder kan in aanmerking komen voor vindersloon; ter zake van het vindersloon bestaat overigens geen retentierecht (HR 25-10-1996, NJ 1998, 16 over een gevonden gestolen auto). Een bepaald percentage van de waarde der zaak wordt daarvoor niet vastgesteld; veeleer gaat het om een, gezien de omstandigheden - zoals de moeite die de vinder zich heeft getroost - redelijk bedrag.

  1872. Artikel 10 Evenals, volgens artikel 9 lid 1 laatste zin, de rechthebbende, krijgt ook de vinder tegenover de overheid een korte tijd om de, door hem verkregen, gevonden zaak op te eisen. Op de overheid wordt niet de verplichting gelegd de vinder te waarschuwen. In de tweede zin wordt aangegeven hoe de overheid kan handelen indien er geen vinder is die eigenaar is geworden, met name als hij niet aan de verplichtingen van artikel 5 lid 1 heeft voldaan. Deze laatste zin ontbreekt in de Nederlandse tekst; de overeenkomstige regel is daar vervat in artikel 6 leden 2 en 3.

  1873. Artikel 11 Is aan de overheid geld in bewaring gegeven, dan behoeft zij dat niet als zodanig te blijven bewaren: zij kan het met ander geld vermengen of op een bankrekening storten, mits zij maar een gelijk bedrag kan afgeven aan de rechthebbende of vinder. De regel geldt mede voor de opbrengst die de overheid verkrijgt door de toepassing van artikel 8 lid 4. De overheid mag in de gevallen van artikel 10 het gevonden geld behouden. Het artikel geldt alleen voor de overheid; bewaart de vinder het geld, dan rusten op hem de verplichtingen van een zaakwaarnemer.

  1874. Artikel 12 Een ruime delegatiemogelijkheid inzake details van de regeling over gevonden voorwerpen wordt in onderdeel a voorgesteld, waaraan al naar gelang van de behoefte uitvoering kan worden gegeven. Bij onderdeel b kan men denken aan bijvoorbeeld bepaalde vervoermaatschappijen, waaraan vele, in de vervoermiddelen gevonden, voorwerpen plegen te worden aangegeven en die beter zelf voor de afdoening zorg kunnen dragen. Onderdeel c houdt rekening met de mogelijkheid dat aan de in onderdeel b bedoelde (personen en) instellingen nogal eens zaken voor korte tijd in bewaring worden gegeven, die later niet worden afgehaald. Uit artikel 642 van het huidige BW vloeit voort de, reeds uit het Romeinse recht stammende, regel dat een gevonden schat voor de helft toekomt aan de vinder(s), voor de andere helft aan de eigenaar(s) van de grond waarin hij is gevonden.

  1875. Artikel 13 handhaaft met geringe afwijking deze regel. Een afwijking in lid 1 is dat er rekening mee wordt gehouden dat een schat ook kan worden gevonden in een - onroerende - opstal, zoals een huis, en in een roerende zaak, zoals een oude kast. Ook in die gevallen moet de regel gelden. In lid 2 wordt omschreven aan welke vereisten een zaak moet voldoen om als schat te kunnen gelden: zij moet zolang verborgen zijn geweest dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord. Het zal dus de - betrekkelijke - ouderdom der zaak zijn die de doorslag geeft, in combinatie met het verborgen zijn, dat wil zeggen het niet zonder meer kunnen worden opgemerkt, en met de vergetelheid omtrent de eigenaar. Onverschillig is of de schat bewust is verborgen dan wel, bijvoorbeeld door een natuurramp, is verloren geraakt. Evenzeer, doch anders dan de tekst van artikel 642 van het huidige BW doet concluderen, of ze door toeval of als gevolg van speurwerk wordt ontdekt. Zijn er meer personen bij het vinden betrok- ken, dan hangt het van hun onderlinge rechtsverhouding af, wie als vinder geldt: onder omstandigheden 2024 -712- No. 164 kan dat de werkgever zijn van degene die de zaak het eerst waarneemt, in het bijzonder wanneer deze een zoekexpeditie organiseert en leidt, of ook een gehele groep mensen die gezamenlijk op zoek zijn naar de schat. Door de omschrijving van de schat in lid 2 zal gewoonlijk duidelijk zijn of men met een schat heeft te doen dan wel met een "gewoon" gevonden voorwerp. Bewijsproblemen kunnen echter optreden. Om mede in zulke gevallen de afwikkeling in goede banen te leiden, is in lid 3 artikel 5 van overeenkomstige toepassing verklaard, onder meer met betrekking tot de positie van de overheid. Deze laatste wordt in haar bevoegdheden enigermate beperkt. Wil zij inbewaringgeving vorderen, dan moeten daarvoor bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, zoals bewijsmoeilijkheden of onenigheid tussen de (gepretendeerde) rechthebbenden - zijn er geen problemen, dan heeft de overheid ook geen reden tot inmenging. Lid 3 is enigszins ruimer geformuleerd dan de overeenkomstige bepaling in het Neder- landse wetboek. De artikelen 14 tot en met 16 behelzen verwante regels die originaire verkrijging van eigendom van roerende zaken door samenvoeging of vervorming tot gevolg hebben.

  1876. Artikel 14 regelt de eigendomsverkrijging door natrekking: een, oorspronkelijk zelfstandige, roerende zaak wordt bestanddeel van een andere roerende zaak. Voor het begrip bestanddeel zij verwezen naar artikel 3:4 en de toelichting daarop. Dat een bestanddeel niet als zodanig voorwerp van eigendom kan zijn, is uitgedrukt in artikel 4: de eigenaar van de hoofdzaak is ook eigenaar van haar bestanddelen. Artikel 14 belicht daarvan het dynamische aspect, de eigendomsovergang, als de zaken niet reeds aan dezelfde eigenaar toebehoorden: de hoofdzaak trekt de eigendom van de bestanddeel wordende zaak naar zich toe. Deze natrekking kan niet door bedingen tussen partijen of door enig eigendomsvoorbehoud worden verhinderd. Dit betekent niet dat de voormalige eigenaar van de bestanddeel geworden zaak niet onder omstandigheden ook schadevergoe- ding, wegens ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad enz., kan verkrijgen; soms zal hij ook ongedaanmaking der natrekking kunnen vorderen. Het artikel heeft uitsluitend betrekking op natrekking van roerende zaken: een zaak die met een onroerende zaak wordt verbonden wordt in beginsel steeds door deze nagetrokken (zie artikel 20). Wat als hoofdzaak heeft te gelden, blijkt uit lid 3 van artikel 14: in eerste instantie wordt naar de waarde- verhouding gekeken, daarnaast naar de verkeersopvatting. Wijst het eerste criterium in een andere richting dan het laatste, dan geeft het laatste de doorslag: men denke aan een oude auto waarin een nieuwe dure motor is gezet, of aan een gouden of zilveren ring die een kostbare edelsteen draagt. Voor het geval dat van de samengevoegde zaken niet één als hoofdzaak kan worden aangewezen, doch zij beide, of alle, wel in één zaak als bestanddelen opgaan, geeft lid 2 de oplossing: de ene zaak wordt mede- eigendom (en vormt dan een gemeenschap waarop titel 3.7 van toepassing is). In het huidige BW wordt de natrekking uit artikel 643 afgeleid.

  1877. Artikel 15 behandelt het geval van verkrijging door vermenging. Hiervan is sprake als twee of meer stoffen of hoeveelheden product tot één worden, zoals dat kan geschieden bij gassen en vloeistoffen, en ook bij producten als granen, zout enz., waarvan de hoeveelheid door maat, gewicht of getal pleegt te worden aangeduid. Op een zodanige vermenging is de regeling van de eigendomsovergang door natrekking van overeenkomstige toepassing. Het huidige BW, dat deze vermenging in de artikelen 661 tot en met 663 regelt, onderscheidt nog naar gelang de vermenging door toeval dan wel door een der eigenaars geschiedt: in het laatste geval is de regeling der zaaksvorming van toepassing. Artikel 15 maakt dit onderscheid niet. Ook wordt in het ont- werp niet genoemd het in artikel 663 genoemde geval dat de stoffen nog gevoeglijk kunnen worden gescheiden - van echte vermenging kan men dan nog niet spreken. Van de hierboven bedoelde eigenlijke vermenging pleegt men te onderscheiden de oneigenlijke: de zaken "geraken door elkaar", zoals bankbiljetten en effecten die in één voorraad terecht komen: zij verenigen zich niet tot één zaak, maar zijn niet meer te individualiseren. 2024 -713- No. 164 De kwestie die zich hierbij voordoet, is niet zozeer van zakenrechtelijke als wel van bewijsrechtelijke aard: wie aanspraak maakt op bepaalde zaken van deze aard, moet zijn recht bewijzen; slaagt hij daarin niet, dan wordt de houder/bezitter als de rechthebbende beschouwd: artikelen 3:109 en 3:119 lid 1. Zie ook HR 12- 1-1968, NJ 1968, 274 (Teixeira-de Mattos).

  1878. Artikel 16 Het derde in de reeks verwante wijzen van originaire verkrijging van roerende zaken is de zaaksvorming. Zoals uit de term zelf al volgt, is het onderscheidende bij dit type de vormgeving, waardoor, anders dan bij natrekking, een nieuw type product ontstaat, dat, anders dan bij vermenging, door een eigen, afwijkende vorm wordt gekenmerkt. Bij zulke zaaksvorming moet niet slechts worden gedacht aan producten van nijverheid, industrie of beeldhouwwerk, maar ook bijvoorbeeld aan een geschreven tekst op papier en aan een schildering op enig materiaal. Dat de term ruim moet worden genomen, blijkt ook uit lid 3 dat onder meer de verwerking van ruwe olie en het kweken van planten omvat. Zie ook voor het kunstmatig uitbroe- den van eieren door een gespecialiseerd bedrijf HR 24-3-1995, NJ 1996, 158. Het artikel onderscheidt verschillende gevallen die de weg naar verschillende eigenaars wijzen. In de eerste zin van lid 1 is gedacht aan de eigenaar van een zaak of stof waaraan óf door hem zelf óf in zijn opdracht door een ander vorm wordt gegeven: de aldus ontstane zaak komt dan die eigenaar toe. De tweede zin van lid 1 sluit daarbij aan, en verwijst naar de artikelen 14 en 15; dit heeft het voordeel dat soortgelijke gevallen gelijk worden behandeld; hoewel theoretisch de verschillen tussen natrekking, ver- menging en zaaksvorming zijn te maken, in de praktijk zal er dikwijls twijfel kunnen rijzen, die echter tot geen problemen leidt, als het rechtsgevolg niet verschilt. Lid 2 maakt een belangrijke uitzondering op het eerste; degene die, ook als hij dat doet met behulp van materiaal van anderen, voor zichzelf een nieuwe zaak vormt of door een ander in zijn opdracht, bijvoorbeeld door zijn werknemers, doet vormen, wordt daarvan eigenaar. Evenals bij natrekking verliest de eigenaar van het gebezigde materiaal van rechtswege zijn eigendom; enig eigendomsvoorbehoud beschermt hem daartegen niet (zie aldus HR 5-12-1987, NJ 1987, 745, met betrekking tot het scheuren van planten). Of zich een geval van lid 1 dan wel van lid 2 voordoet, hangt af van de rechtsbetrekking tussen de vormgever/producent en de eigenaar/leverancier van het materiaal. Deze rechtsbetrekking, blijkend uit een overeenkomst, kan, in het licht der verkeersopvattingen, ertoe leiden dat de producent niet voor zichzelf werkt, maar voor de leverancier, zoals ook buiten dit geval krachtens artikel 3:110 iemand een zaak die hij onder zich krijgt, voor een ander kan gaan houden. In zo'n geval is niet sprake van een eigendomsvoor- behoud van de leverancier, maar volgt uit de wet dat de zaak nimmer aan de producent heeft toebehoord, met de (negatieve) gevolgen van dien voor bij voorbaat door de producent gevestigde pandrechten - zie de toelichting op artikel 3:110, alsmede HR 5-10-1990, NJ 1992, 226 (bij industriële fabricage zal het erop aankomen wie beslissende invloed had op de wijze van productie en de definitieve vorm van het product en wie het risico draagt voor verliezen wegens tegenvallende bruikbaarheid, verhandelbaarheid of winstge- vendheid van het product). Zie bovengenoemd HR-arrest van 24-3-1995 voor een geval waarin de producent door zaaksvorming voor zichzelf eigenaar van de nieuwe zaak wordt. Op de hoofdregel van lid 2 wordt nog een uitzondering gemaakt als de kosten van vormgeving, mede ten opzichte van de waarde van het materiaal, van geringe omvang zijn. Evenmin als bij natrekking het geval is, sluit de eigendomsverkrijging uiteraard uit dat de eigenaar schade- vergoeding kan zijn verschuldigd aan degenen die hun eigendom verliezen. In het huidige wetboek komt artikel 660 overeen met de regeling van artikel 16 lid 2. In beginsel is krachtens artikel 1 lid 3, de eigenaar van een zaak tevens eigenaar van de vruchten, maar een ander kan, als beperkt gerechtigde of krachtens persoonlijk recht een genotsrecht op de vruchten ople- verende zaak hebben, dat hem tevens recht op de vruchten geeft - zie de toelichting bij artikel 1 lid 3. Zie voor de bezitter te goeder trouw artikel 3:120.

  1879. Artikel 17 geeft aan dat de gerechtigde op de vruchten bij de afscheiding - en niet pas door levering of inbezitneming - eigenaar der vruchten wordt, en onverschillig wie de afscheiding, rechtmatig of onrecht- matig, tot stand brengt, dan wel of dit op natuurlijke wijze geschiedt. 2024 -714- No. 164 Buiten dit artikel staat het geval waarin de rechthebbende de vruchten als toekomstige zaken bij voorbaat aan een ander heeft geleverd - of die ander dan eigenaar wordt, hangt af van de vraag of de rechthebbende op het tijdstip der afscheiding beschikkingsbevoegd is (zie de toelichting op artikel 3:97). De artikelen 18 en 19 geven nog enige bijzondere wijzen van verlies van roerende zaken.

  1880. Artikel 18 regelt de prijsgave (derelictie). De eigendom gaat verloren door een feitelijke handeling, de prijsgave van het bezit, gepaard met het oogmerk zich daardoor van de eigendom te ontdoen. Hierna staat het een ander vrij de eigendom door toe-eigening te verwerven (artikel 4). Of uit de feitelijke handeling het oogmerk mag worden afgeleid, is een kwestie van redelijke interpretatie - vgl. artikel 3:35.

  1881. Artikel 600 van het huidige BW regelt alleen het bezitsverlies door prijsgave.

  1882. Artikel 19 geeft nog bijzondere regels voor het verlies van de eigendom van dieren. Daarbij maakt het onderscheid tussen tamme en andere, "wilde", dieren. Een getemd roofdier, zoals een leeuw, is niet tot de eerste categorie overgegaan. Verwildering van een tam dier heeft plaats wanneer het in zijn nieuwe leef- omgeving is gewend geraakt en niet meer naar de eigenaar terug keert. Het eigendomsverlies betekent niet op zichzelf dat ook de aansprakelijkheid voor de gedragingen van het dier ophoudt - deze is gekoppeld aan de gedragingen van de voormalige eigenaar zelf met daarnaast de bijzondere risicoaansprakelijkheid van de bezitter van het dier - zie artikel 6:179 van het Ned. BW. Het tegenwoordige recht kent geen bijzondere wettelijke regel voor het verlies van de eigendom van dieren. TITEL 5.3 - EIGENDOM VAN ONROERENDE ZAKEN De titel behelst een aantal bepalingen omtrent de aard van de eigendom van grond en hetgeen daarbij behoort, en het gebruik en de beperkingen daarvan (artikelen 20 tot en met 23), omtrent de eigendom van bijzondere onroerende zaken (artikelen 24 tot en met 28 en 35), de vastlegging van de grens tussen percelen in verband met (de verplaatsing van) de oeverlijn (artikelen 29 tot en met 34) en ten slotte een vermoeden van de afscheiding van twee erven (artikel 36).

  1883. Artikel 20 bepaalt hetgeen door de eigendom van de grond wordt omvat, de artikelen 21 tot en met 23 regelen de bevoegdheden van de eigenaar van de grond over het gebruik van de grond en hetgeen daarbij behoort als ruimte - een ander kan, bijvoorbeeld door zijn beperkt recht, wel ruimte op en in de grond in beslag nemen en gebruiken, maar heeft daarmee nog niet het eigendomsrecht van die "ruimte". Dikwijls zijn onroerende zaken niet in gebruik bij de eigenaar zelf, doch bij een derde die een beperkt zakelijk of een persoonlijk recht aan de eigenaar ontleent. Waar in de bepalingen van deze titel de eigenaar wordt verplicht om voor bepaalde handelingen ook aan anderen zekere bevoegdheden toe te staan - zie de artikelen 21 lid 2, 22 en 23 - zullen die verplichtingen ook voor de gebruikers der zaak gelden.

  1884. Artikel 20 lid 1, dat bepaalt hetgeen door de eigendom van de grond wordt omvat, vertoont een zekere sa- menhang met artikel 3:3 lid 1, waarin bepaalde zaken als onroerend worden aangemerkt, en met artikel 3:4, dat een omschrijving van bestanddelen geeft, juncto het natrekkingsartikel 3 dat, behoudens anders luidende wettelijke bepaling, de eigenaar van een (onroerende) zaak tot eigenaar van mede haar bestand- delen verklaart. De eigen rol van artikel 20 lid 1, in dit verband is dat het, onder hetzelfde voorbehoud als artikel 3, naast de in artikel 3:3 lid 1, als onroerend genoemde zaken ook andere - roerende - als door de grondeigendom "omvat" aanduidt, onverschillig of zij ook alle als bestanddelen in de zin van artikel 3:4 kunnen worden omschreven (en uit dien hoofde door natrekking volgens artikel 3 aan de grondeigenaar toebehoren). De onderdelen a en b vormen tezamen de gehele bodem, inclusief onder meer de zich daarin bevindende onontgonnen delfstoffen (vgl. artikel 3:3). Afgegraven aarde en gewonnen delfstoffen behoren daartoe niet - zij kunnen als roerende zaken, eventueel bij voorbaat, worden geleverd. Bij mijnwetgeving kan echter overeenkomstig de aanhef van het artikel de eigendom van onontgonnen delfstoffen aan een ander dan de grondeigenaar worden toegewezen. 2024 -715- No. 164 De onderdelen c en d betreffen het water dat zich aan de oppervlakte bevindt, hetzij opgeweld of opgepompt uit de diepte (onderdeel c), hetzij als oppervlaktewater (onderdeel d). Water is roerend. Het water dat zich nog in de grond bevindt, behoort aan niemand toe (res nullius). Hetzelfde geldt voor opper- vlaktewater dat niet aan de omschrijving van onderdeel d voldoet, doordat het in open verbinding met oppervlaktewater op een anders erf - eventueel op publieke bodem - staat, zelfs als het niet stroomt omdat het door bijvoorbeeld twee erven wordt omsloten. Zie over het oppervlaktewater voorts de artikelen 21 en 40. De onderdelen e (gebouwen en werken) en f (beplantingen) zijn dezelfde als die welke in artikel 3:3 worden genoemd als onroerend - naar de toelichting op dat artikel zij hier verwezen. Het slot van onderdeel e komt niet in dat artikel voor, omdat het een beperking van de eigendom van de grondeigenaar inhoudt: "horizontale" natrekking kan de verticale van de grondeigendom doorbreken (onafhankelijk of de situatie die daartoe aanleiding geeft, rechtmatig of onrechtmatig is). Deze horizontale natrekking doet zich bijvoorbeeld voor bij de uitbouw van een kelder in andermans grond, en voorts bij de aanleg van leidingen en buizen; voor zulke horizontale natrekking komen alleen in aanmerking gebouwen en werken die als bestanddeel van de hoofdzaak zijn te beschouwen en niet een onderdeel van een ander gebouw of werk vormen (aldus HR 28-10-1994, NJ 1995, 96). Uitzonderingen op de verticale natrekking doen zich voorts voor bij de mandeligheid, de beperkte zakelijke rechten van erfdienstbaarheid en opstal – vgl. artikel 3 en de toelichting daarop – alsmede in lid 2 van het onderhavige artikel ter zake van een net. Onder onderdeel f valt niet levend gedierte dat zich vastzet (HR 6-10-1902, W 7811: mosselzaad). In het huidige recht geeft artikel 626 lid 1, van het BW een soortgelijke, zij het minder uitgewerkte, regeling als artikel 20, doch artikel 646 van dat wetboek maakt het stromende water zelf voorwerp van eigendom, dat de eigendom van de bodem natrekt. In artikel 20 lid 2 wordt, in navolging van het Nederlandse wetsvoorstel 29 834, ten aanzien van een net een “doorknip” gerealiseerd van de verticale natrekking van lid 1, onderdeel e; vgl. HR 6-6-2003, BNB 2003, 271-272. Bij een net zoals in dit tweede lid omschreven, moet in eerste instantie worden gedacht aan de grote distributienetten van openbaar belang, zoals elektriciteitsnetten, gasnetten, de riolering, waterleidingnetten en elektronische communicatienetwerken. Daarnaast bestaan er netten van buisleidingen waardoor aardolie en gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Ook deze netten doorkruizen een groot aantal verschillende percelen en vallen onder artikel 20 lid 2. Overigens is ook denkbaar dat het net uit een enkele kabel of leiding bestaat. De eigendom komt te liggen bij de bevoegde aanlegger; op naam van deze aanlegger zal het net in de openbare registers worden gesteld (artikel 3:17 lid 1, onderdeel k). Met bevoegd wordt bedoeld dat de aanlegger gerechtigd moet zijn om het net aan te leggen in andermans grond.

  1885. Artikel 21 betreft in lid 1 het met de grondeigendom verbonden gebruiksrecht van de ruimte boven en onder de grondoppervlakte. Dat gebruik komt de eigenaar in beginsel exclusief toe, maar is op de wijze van artikel 1 beperkt. In beginsel kan de grondeigenaar derhalve afbraak verlangen van hetgeen hem als rechthebbende stoort. Zie voor een geval waarin deze bevoegdheid door de ongeoorloofdheid van misbruik daarvan wordt beperkt, HR 17-4-1970, NJ 1971, 89, en vgl. voorts artikel 54. Lid 2 geeft aan anderen dan de eigenaar het medegebruiksrecht van de ruimte boven en onder de opper- vlakte, als de uitoefening zo hoog, respectievelijk zo diep geschiedt dat de eigenaar er geen belang bij heeft zich daartegen te verzetten. Uit de formulering volgt dat op de ander de last rust te bewijzen dat zulk een belang afwezig is. Daarbij gaat het om een belang dat voortvloeit uit het gebruik dat de eigenaar als zodanig toekomt, bijvoorbeeld het uitzicht dat hij kan genieten, niet zijn belang om een vergoeding voor het gebruik van de ander te verlangen. Het belang wordt medebepaald door het gebruik dat van de grond wordt gemaakt, bijvoorbeeld of deze voor agrarisch gebruik is bestemd dan wel als bouwgrond dient. Lid 3 wordt de bevoegdheid tot vliegen uitgezonderd van de toepasselijkheid van de beide voorgaande leden: of die bevoegdheid bestaat, en in hoeverre zij stoornis mag inhouden, wordt door eigen regels - goeddeels van publiekrechtelijke aard - beheerst. In de huidige wet regelt artikel 626, leden 2 en 3, het gebruiksrecht van de eigenaar. 2024 -716- No. 164

  1886. Artikel 22 geeft in beginsel eenieder de bevoegdheid zich op een niet afgesloten erf - dat wil zeggen een perceel grond en eventueel met water overdekt - te begeven. De bevoegdheid bestaat niet, als de eigenaar daarvan schade of hinder kan ondervinden, of de toegang uitdrukkelijk heeft verboden. De slotzinsnede verwijst naar eventuele (toekomstige) bijzondere wetgeving inzake openbare wegen.

  1887. Artikel 23 is het derde artikel in de reeks die bepaalde bevoegdheden ten opzichte van de onroerende zaak aan derden toekent, namelijk om op het erf geraakte voorwerpen en dieren op te sporen en weg te halen. De bevoegdheid ontbreekt onder andere als de derde daartoe systematisch en regelmatig de eigenaar stoort. De reeks artikelen 24 tot en met 27 behelst aanwijzing van de eigenaars van bepaalde onroerende zaken. Deze aanwijzing is op verschillende wijzen geformuleerd: in artikel 24 als een "restant", in artikel 25 als een waaraan alleen bij wet kan worden gederogeerd en in artikel 26 als weerlegbaar vermoeden. In het huidige recht is de rechtspositie van de territoriale zee en de bodem daarvan onduidelijk; het huidige wetboek zwijgt daarover. Veelal wordt verdedigd dat althans de zee, ook de territoriale, niet voor men- selijke beheersing vatbaar is, en dus eigendom van niemand kan zijn; ook wordt wel verdedigd dat de zeebodem aan de Staat toebehoort. Artikel 25 strekt ertoe aan deze onzekerheid een einde te maken: de bodem van de territoriale zee behoort aan de Staat toe, de zee zelf, als open water, aan niemand (vgl. artikel 20, onderdeel d). Uit de formulering, die afwijkt zowel van artikel 24 als van de artikelen 26 e.v., blijkt dat een ander geen eigenaar van de bodem der territoriale zee kan zijn of, bijvoorbeeld door overdracht, worden, tenzij bij wettelijke bepaling van artikel 25 wordt afgeweken. Voor zover hiervan in het verleden is afgeweken, wordt dit door artikel 3, onderdeel a, van de Overgangswet gedekt. Tegen vestiging van beperkte rechten verzet het artikel zich niet. Een en ander is van belang voor de plaatsing van installaties en voor de winning van bodemschatten. De begrenzing der territoriale zee wordt door volkenrechtelijke regels bepaald; zie ook de wet van 14-4- 1978 (S.B. 1978 no. 26). De tekst van het artikel komt overeen met die van het Nederlandse BW, doch in de Nederlandse tekst wordt ook aandacht aan (de bodem van) de Waddenzee gewijd.

  1888. Artikel 26 lid 1, bepaalt, met gebruikmaking van een weerlegbaar vermoeden, hetgeen voor de stranden der zee ook nu reeds uit artikel 577 van het BW volgt. Hier te lande heeft geen goede zin de in de Ne- derlandse tekst voorkomende zinsnede "tot aan de duinvoet" ter begrenzing van de reikwijdte van de stran- den der zee. Lid 2 beoogt – voor de toekomst – een zekere garantie te bieden voor het behoud van de openbaarheid van aan de overheid toebehorende stranden. Ook artikel 27 geeft een vermoeden van eigendom van de Staat en wel ten aanzien van de grond onder openbare vaarwateren. Een tweede en derde lid en een artikel 28 ontbreken. In het Nederlandse BW hebben deze bepalingen betrekking op de openbare vaarwateren en onroerende zaken die door een openbaar lichaam worden onderhouden. De artikelen 644 tot en met 653 van het huidige BW behelzen een gedetailleerde, weinig overzichtelijke en tot onzekerheid aanleiding gevende regeling betreffende hetgeen onder de termen aanwas tegenover afslag door verandering van de oeverlijn kan worden samengevat. Artikel 29 heeft de strekking hierin vereenvoudiging en verduidelijking te brengen. Het geldt voor percelen die worden begrensd door de oeverlijn van elke soort water, en onverschillig of de verandering door toeval dan wel door menselijk ingrijpen ("kunstwerken") wordt teweeggebracht - in het laatste geval uiteraard met de mogelijkheid van schadevergoeding, dan wel verwijdering van de werken en herstel van de oude toestand. Op de hoofdregel van de eerste zin maakt het ontwerp een tweetal uitzonderingen. Bij opzettelijke droog- legging zou het niet billijk zijn dat de aanwas van rechtswege aan de oevereigenaar ten goede zou komen. 2024 -717- No. 164 Tijdelijke overstroming - in de tweede zin nader bepaald - behoort geen grensverschuiving tot gevolg te hebben. Zie voor het geval de grens tussen de percelen wel door water, doch niet door de oeverlijn wordt bepaald, artikel 36. Tot schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking geeft de grensverandering van rechtswege ingevolge dit artikel geen aanleiding. Wat als oeverlijn heeft te gelden, wordt in artikel 34 bepaald. De artikelen 30 tot en met 33 hebben betrekking op vastlegging van de grens tussen twee percelen, welke vastlegging grenswijziging door verplaatsing van de oeverlijn verhindert, alsmede op enige verdere gevolgen van zodanige vastlegging. De vastlegging kan zowel krachtens overeenkomst (artikel 31) als krachtens rechterlijk vonnis (artikel 32) geschieden, en wordt in de openbare registers ingeschreven, ten gevolge waarvan de gefixeerde grens in beginsel tegen een ieder geldt (artikel 30 lid 1, tweede zin; zie echter artikel 31 lid 3). In het huidige wetboek ontbreekt een vergelijkbare regeling. De inhoud van artikel 30 lid 1, is reeds in het bovenstaande weergegeven. In beginsel is vereist dat beide eigenaars als partij, hetzij bij de overeenkomst, hetzij ten processe, zijn betrokken, doch lid 2 verklaart de vastlegging ook geldig indien een ander dan de eigenaar optreedt, mits hij wel krachtens inschrijving in de openbare registers als eigenaar kan gelden; men denke bijvoorbeeld aan degene wiens titel van eigendoms- verkrijging achteraf wordt vernietigd. De registers hebben in dit geval positieve werking. Tot aan het tijdstip van inschrijving kan de werkelijke eigenaar in zo'n geval de vastlegging verhinderen.

  1889. Artikel 31 De overeenkomst tot grensvastlegging dient, om het beoogde rechtsgevolg te verkrijgen, bij notariële akte te geschieden, gevolgd door inschrijving in de openbare registers binnen veertien dagen: de termijn is kort, om zoveel mogelijk de kans uit te sluiten dat de loop van de oeverlijn tussen het tijdstip der akte en dat der inschrijving verandert. Lid 2 kent de bewaarder der registers de bevoegdheid toe andere rechthebbenden en beslagleggers van de inschrijving kennis te geven - aan zulk een kennisgeving bestaat uiteraard geen behoefte als is gebleken dat zij reeds bij de overeenkomst op enigerlei wijze zijn betrokken geweest; de uitoefening der bevoegdheid kan bij instructie nader worden geregeld. Bij een overeenkomst tot vastlegging bestaat geen garantie dat partijen juist de oeverlijn ten tijde van het opmaken der akte in acht nemen. Derden - beperkt gerechtigden, huurders en beslagleggers – zouden daar- door kunnen worden benadeeld, en te hunner bescherming wordt lid 3 voorgesteld – wél rust op hen dan de last van het bewijs der afwijking.

  1890. Artikel 32 geeft enige bijzondere regels omtrent de procedure die tot vastlegging kan leiden. Vereist wordt in de eerste plaats dat allen die ten tijde van de inschrijving van de instelling der vordering in de registers als rechthebbende of beslagleggers stonden ingeschreven, in het geding zijn geroepen. De vaststelling van de grens geschiedt naar de toestand op dat tijdstip (lid 2, eerste zin), ook al treedt de vastlegging zelf pas in werking met de inschrijving van het vonnis, nadat dit kracht van gewijsde heeft verkregen (lid 5). De vordering kan ook worden ingesteld door een vruchtgebruiker krachtens artikel 3:218 of een erfpachter krachtens artikel 95, mits de eigenaar in het geding wordt geroepen. De tekst van lid 1 van artikel 32 van het Ned. BW schrijft nog uitdrukkelijk voor dat de instelling der vordering moet worden ingeschreven, en wel in de, in afdeling 3.1.2 bedoelde, openbare registers. Hier te lande geschiedt de inschrijving van elke vordering echter krachtens artikel 45 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de griffie in het bij het gerecht gehouden register. Wel kan daarnaast de vordering mede op grond van artikel 17 lid 1 onderdeel f, in de openbare registers worden ingeschreven met het oog op derdenwerking. Voor het overige zijn de bijzondere regels omtrent de procedure afgestemd op die omtrent de vorderingen, omschreven in artikel 3:29 – zie de toelichting op dat artikel. 2024 -718- No. 164

  1891. Artikel 33 veronderstelt verplaatsing van de oeverlijn na vastlegging van de grens: geschiedt zij land- inwaarts, dan wordt een strook land van de eigenaar overspoeld (lid 1), geschiedt zij landafwaarts, dan komt een strook land van de buurman droog te liggen, en kan de voormalige oevereigenaar niet langer zon- der meer bij het water komen (leden 2 en 3). Lid 1 verhindert dat de eigenaar van de overspoelde grond het gebruik van het water, indien dat openbaar is, daarboven verhindert, bijvoorbeeld door palen te slaan. De leden 2 en 3 garanderen de eigenaar van de voormalige oevers en degenen die daarop een servituut hebben, de toegang tot het water. Wijst de rechter de vordering toe, dan worden erfdienstbaarheden ge- vestigd, eventueel met behulp van reële executie volgens de artikelen 3:300 en 301. Lid 4 geeft een aanvulling op de leden 1 tot en met 3 voor het geval van rechterlijke vaststelling van de grens, die immers bepaald wordt naar de toestand op het tijdstip van de inschrijving der vordering (en niet naar die op het tijdstip van de inschrijving der vastlegging: artikel 32 lid 2 eerste zin).

  1892. Artikel 34 omschrijft hetgeen in de artikelen 29 tot en met 33 onder "oeverlijn" moet worden verstaan. Ook onder het huidige recht neemt men meestal aan dat dit de hoogwaterlijn is, wanneer, zoals bij eb en vloed, het waterpeil pleegt te veranderen; zie artikel 578 van het BW. Onder "in het water levende planten" worden onder andere mangroven, riet en biezen begrepen, ook al zijn dit geen waterplanten in de eigenlijke zin. De plaats van artikel 35 is niet vervuld. In het Nederlandse BW worden in dat artikel de gevolgen van duinvorming en -verstuiving geregeld, welke verschijnselen zich hier te lande niet voordoen. Ook in het huidige BW ontbreken dergelijke bepalingen.

  1893. Artikel 36 sluit zich aan bij de reeks van bepalingen van de artikelen 26 tot en met 28, waarin vermoedens omtrent de eigendom van bepaalde onroerende zaken zijn neergelegd, evenwel niet als daar met betrekking tot publiek terrein, doch evenals de artikelen 29 tot en met 35 ter zake van afgrenzingsproblemen. Verondersteld wordt dat de muur, het hek of de greppel enz. die in het artikel worden genoemd, dienen als afscheiding tussen twee erven, en dat zo'n muur niet slechts aan één zijde een gebouw of werk steunt. Het vermoeden, dat weerlegbaar is, is dan dat de grens in de lengterichting door het midden van de afscheiding loopt. Wordt het vermoeden niet weerlegd - bijvoorbeeld door het bewijs dat de grens niet onder de muur, doch daarlangs loopt - dan brengt dit mee dat de muur of andere afscheiding die de grens overdekt, gemeen- schappelijk eigendom is (artikel 20, onderdeel e), en mandelig wordt indien voldaan is aan de daartoe in artikel 60 gestelde eisen. Wordt de afscheiding door een watergang gevormd, dan ontstaat de door artikel 59 geregelde verhouding van burenrecht. TITEL 5.4: BEVOEGDHEDEN EN VERPLICHTINGEN VAN EIGENAARS VAN NABURIGE ERVEN EN TITEL 5.5: MANDELIGHEID Inleiding De beide titels die bij het ontwerp worden voorgesteld, hebben gemeen dat ze betrekking hebben op de verhoudingen die tussen "buren" kunnen ontstaan: het eigenlijke burenrecht en de mandeligheid. Bij "buren" wordt in de eerste plaats gedacht aan de eigenaars van aangrenzende gronderven, maar het begrip is daartoe niet beperkt. Vele voorschriften van het burenrecht moeten aldus worden geïnterpreteerd, dat ze zich weliswaar richten tot de eigenaars, maar van overeenkomstige toepassing zijn op anderen, gebruikers, die krachtens hun - zakelijk of persoonlijk - genotsrecht of als bezitters de feitelijke macht over een erf hebben. Aldus reeds HR 24-1-1992, NJ 1992, 280 en 281 voor het bestaande recht. Anderzijds is de term "erf", die hier en elders in Boek 5 wordt gebezigd, niet beperkt tot een - al dan niet bebouwd - perceel grond, mede bijvoorbeeld een weg omvattend, maar omvat hij tevens een gebouw eventueel zonder de grond waarop het staat. 2024 -719- No. 164 En ten slotte beperken de titels 4 en 5 zich niet louter tot de betrekkingen die voortvloeien uit de verhouding tussen twee erven die een gemeenschappelijke grens hebben, maar kan zulk een betrekking ook uit naburigheid in ruimere zin ontstaan. TITEL 5.4 - BEVOEGDHEDEN EN VERPLICHTINGEN VAN EIGENAARS VAN NABURIGE ERVEN Algemeen De bepalingen van deze titel vervangen in hoofdzaak die van de vierde titel van het Tweede Boek van het huidige BW, doch de bepalingen omtrent de mandeligheid zijn nu in de nieuwe titel 5.5 ondergebracht, terwijl de bepaling van artikel 718 omtrent de buurweg vervalt: deze zal voortaan slechts bij wijze van erfdienstbaarheid dan wel door bestemming als mandelig kunnen worden gevestigd. De regeling van het burenrecht, die de inhoud van de eigendom nader bepaalt, moet worden gezien in samenhang met andere bepalingen. Zij geeft specifieke regels naast de algemene van de artikelen 3:13 (misbruik van bevoegdheid) en 6:162 (onrechtmatige daad - zie de verwijzing in de artikelen 37 en 39). De bijzondere regels concretiseren hetgeen men in burenrechtelijke verhoudingen in het licht van de algemene regels als eigenaar mag en niet mag - in zoverre beperken zij een beroep op de algemene regels. Met betrekking tot publiek domein handhaaft artikel 3:14 de voorrang van de regels van publieke bestemming ten opzichte van het burenrecht. Conflicten kunnen in dit opzicht bijvoorbeeld rijzen bij de toepassing van artikelen als 54 en 56, maar zij zullen niet heel dikwijls voorkomen, nu in de titel reeds in talrijke bepalingen zelf rekening wordt gehouden met de bijzondere positie van "openbare erven". Titel 5.4 bevat geen dwingend recht, doch anderzijds is het de lagere regelgever niet toegestaan inbreuk te maken op de bevoegdheden die voor eigenaars uit de titel voortvloeien (vgl. HR 19-3-1946, NJ 1946, 223); zie echter de artikelen 41, 42 en 52. Voor de uitstraling van het burenrecht naar andere gebruikers van onroerende zaken dan de eigenaar zij herinnerd aan de hierboven vermelde arresten HR 24-1-1992, NJ 1992, 280 en 281, het eerste omtrent de burenrechtelijke positie van een huurder als eiser, het tweede omtrent die van een huurder als gedaagde. Daarin besliste de Hoge Raad onder meer dat de aard en de inhoud van de rechten en verplichtingen welke toekomen aan dan wel rusten op een niet-eigenaar die op grond van een bepaalde rechtsverhouding met de eigenaar bevoegd is tot gebruik van een erf, in samenhang met de aard en strekking van een burenrechtelijke bepaling kunnen meebrengen dat bepalingen van het burenrecht van overeenkomstige toepassing zijn op de gebruiker/niet-eigenaar. Zo zullen bepalingen die de uit het recht op eigendom voortvloeiende bevoegdheden beperken, in het algemeen ook gelden indien deze bevoegdheden worden uitgeoefend krachtens een beperkt recht of een persoonlijk genotsrecht. Het bovenstaande betekent echter niet dat alsdan steeds de beperkt of persoonlijk gerechtigde zonder meer in de plaats komt van de eigenaar: voor zover deze daarbij belang heeft, in het bijzonder omdat de bevoegdheid de feitelijke of rechtstoestand van het erf zelf betreft, dient hij op enigerlei wijze bij de uitoefening van de bevoegdheid in kwestie te worden betrokken, hetgeen er bijvoorbeeld toe kan leiden dat hij in het geding wordt geroepen. Het burenrecht brengt mee dat de ene buurman een rechtsvordering tegen de ander kan instellen. Zo'n rechtsvordering is, overeenkomstig de artikelen 3:306 e.v., in beginsel aan verjaring onderworpen - zie bijvoorbeeld in artikel 3:314 de rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand. In een aantal gevallen echter, met name in de artikelen 46, 47, 49, 54, 55 en 57, is daarop een uitzondering geformuleerd door te bepalen dat de rechtsvorderingen uit deze artikelen "te allen tijde" kunnen worden ingesteld.

  1894. Artikel 37 Onder het regime van het huidige BW werd hinder door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen en door vervuiling en vervuild houden van erven aanvankelijk gezien als een aantasting van het genot dat een (onroerende) zaak aan haar eigenaar verschaft. Aldus werd gezocht naar de grens waartoe de eigenaar deze moet dulden - hij kon bijvoorbeeld in actie komen, wanneer de hinder of dreiging daarvan werkelijk en ernstig was. Geleidelijk aan is men in het toebrengen van hinder een vorm van onrechtmatige daad gaan zien en werd de grondslag van de vordering uit hinder dan ook daarin gezocht 2024 -720- No. 164 (zie HR 16-3-1973, NJ 1975, 74 - Stikke Trui). Daardoor werd tevens bereikt dat niet slechts de eigenaar doch ook bijvoorbeeld elke andere zakelijk gerechtigde gebruiker werd beschermd, en tevens dat de criteria voor het toebrengen van hinder hun grondslag in de reikwijdte van de onrechtmatige daad gingen vinden. Het onthouden van licht en lucht en het ontnemen van steun aan belendende gebouwen enz. werd daarentegen gezien als een activiteit door de eigenaar van een onroerende zaak, die daardoor, voor zover dat als ongeoorloofd werd beschouwd, misbruik van zijn eigenaarsbevoegdheden maakte. Ook hier is de ontwik- keling dat zulke activiteit eveneens onder het bereik van hinder als onrechtmatige daad kan worden gebracht. Of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt - daargelaten de betekenis van terzake geldende specifieke regels - af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in ver- band met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, mede gelet op de daarna verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. Aldus HR 15-2-1991, NJ 1992, 639; zie ook HR 28-4-1995, NJ 1995, 729. Het voorstel omtrent artikel 37 met zijn verwijzing naar de regeling van de onrechtmatige daad betekent het sluitstuk van deze ontwikkelingen. Het belang van het artikel naast de algemene bepalingen omtrent onrechtmatige daad is dat het als recht- vaardigingsgrond uitsluit dat de eigenaar door de in de tekst genoemde en dergelijke activiteiten niet anders doet dan zijn eigen bevoegdheden uitoefenen. Dat de eigenaar ook met een beroep op een van overheidswege verleende vergunning niet steeds is gedekt, is reeds onder het huidige recht uitgemaakt: HR 30-1-1914, NJ 1914, 497 en 10-3-1972, NJ 1972, 278. Bij de voorstellen omtrent de onrechtmatige daad zal worden geregeld in hoeverre men activiteiten als de genoemde op grond van een maatschappelijk belang heeft te dulden (zie artikel 6:168). De benadering langs de weg van de onrechtmatige daad verschilt in zoverre van die langs de weg van misbruik van bevoegdheid, dat voor deze laatste scherpere criteria plegen te worden aangelegd. De tekst van artikel 37 beperkt de hinder tot de activiteit van een eigenaar ten opzichte van andere eigenaars; voor de uitstraling daarvan naar hinder door en ten opzichte van andere gebruikers, zie onder Algemeen. Op "hinder" die ook daarbuiten valt, bijvoorbeeld door vliegverkeer, zijn de bepalingen omtrent onrechtmatige daad, eventueel mede in verband met regels van publiek recht, zonder meer rechtstreeks toepasselijk. Artikelen 38 tot en met 41 De artikelen betreffen alle de verplichtingen en bevoegdheden van naburen ten aanzien van de loop van wate- ren - zie voor andere bepalingen inzake waterafvoer de artikelen 52, 53 en 58. Artikel 39 haakt bovendien aan bij de in artikel 37 omschreven hinderbepaling - waardoor het regime minder strak wordt - terwijl artikel 41 afwijking van de artikelen 38 en 39 bij lagere regelgeving toelaat.

  1895. Artikel 38 Het artikel behelst de verplichting van de eigenaar van een lager gelegen erf tot het ontvangen van het water dat van nature van hoger gelegen erven naar het zijne afstroomt: hij mag daartegen geen verhindering bouwen. Anderzijds kan een eigenaar van een hoger gelegen erf zich niet op deze bepaling beroepen, indien hij de waterloop kunstmatig beïnvloedt; zie artikel 39. Het recht op het ontvangen van water valt onder de regeling van artikel 39. Artikel 39

  1896. Artikel 39 ziet op het belang van de eigenaars van naburige erven - onverschillig of daartussen hoogteverschil is - bij het behoud van de bestaande waterloop en van het grondwatergebruik, en bij het gebruik van water dat zich op verschillende erven bevindt. De maatstaf voor de onderlinge verhouding is hier dat de ene eigenaar geen hinder in de zin van artikel 37 aan de andere eigenaars mag toebrengen - waarbij wordt verwezen naar de regeling van de onrechtmatige daad. Wat stromend water en grondwater betreft moet worden gedacht aan hinder door wijziging van de waterloop en -hoeveelheid en beïnvloeding van de grondwaterstand, doch ook aan vervuiling - de "hoedanigheid" van het water. 2024 -721- No. 164

  1897. Artikel 40 In dit artikel wordt in navolging van artikel 40 van het Ned. BW bepaald dat de eigenaar van een oevererf dat grenst aan openbaar of stromend water, onverschillig of het water ook over zijn eigen erf stroomt of daarop staat, binnen de grenzen door artikel 37 gesteld, van dat water gebruik mag maken voor ruim omschreven doeleinden, die ook bijvoorbeeld het gebruik voor nijverheid en industrie omvatten.

  1898. Artikel 41 In het voorgestelde systeem worden de hoofdregels in het wetboek vastgelegd, afwijking, binnen de daardoor gestelde grenzen, bij lagere regelgeving wordt toegestaan. Bij deze lagere regelgeving kunnen voor de afwijking nadere criteria worden gesteld. Artikelen 42 tot en met 45 De artikelen 42, 44 en 45 regelen enkele buurproblemen met betrekking tot beplantingen, terwijl artikel 43 een omschrijving geeft van hetgeen in artikel 42 en de volgende artikelen van deze en de volgende titel onder "muur" moet worden verstaan.

  1899. Artikel 42 correspondeert met de artikelen 712 en 713 lid 1, van het thans geldende BW, artikel 43 met artikel 697 en artikel 44 met artikel 713 leden 2 en 3, zij het dat er allerlei kleine verschillen bestaan. Artikel 45 heeft in het huidige wetboek geen equivalent.

  1900. Artikel 42 Hierin wordt, in de lijn van het huidige artikel 713, voorgesteld een minimumafstand tot de grens aan te hou- den, waarvan echter in verschillende gevallen afwijking mogelijk is: in lid 1 door toestemming van de buur- man, of in geval het perceel grenst aan de openbare weg of een openbaar water, in lid 2 door regeling bij - staatsbesluit of krachtens plaatselijke gewoonte, in lid 3 als een ten minste even hoge scheidsmuur de grens tussen de erven vormt. Een door de buurman verleende toestemming kan tegen diens opvolger krachtens bijzondere titel alleen worden ingeroepen als zij is ingeschreven in de openbare registers (artikel 3:17 j artikel 3:24). Overtreding van het voorschrift schept een onrechtmatige toestand, waarvan opheffing kan worden geëist; de rechtsvordering daartoe verjaart ingevolge artikel 3:314 lid 1, twintig jaar na het ontstaan van de toestand. Op grond van het maatschappelijk belang kan de rechter de vordering tot het rooien van de beplanting afwijzen onder toekenning van schadevergoeding (zie artikel 6:168). Lid 4 geeft een redelijke beperking op het recht tot vergoeding van schade wegens het bestaan van de onrechtmatige toestand: men moet geen schadevergoeding ontvangen over een periode in het verleden, waarin men klaarblijkelijk niet erg onder de onrechtmatigheid heeft geleden.

  1901. Artikel 43 In het huidige recht vindt een aantal bepalingen van het burenrecht betreffende "muren" overeenkomstige toepassing op wanden van hout: artikel 697. Artikel 43 verruimt dit in tweeërlei opzicht: in de eerste plaats door naast steen en hout ook muren van ander materiaal, mits ondoorzichtig, zoals kunststof en rietmatten, daaronder te begrijpen, en vervolgens door de regel voor alle artikelen betreffende de muur in de titels 5.4 en 5.5 te laten gelden.

  1902. Artikel 44 Het artikel geeft weer hetgeen de laatste twee leden van artikel 713 van het BW thans bepalen. Aan het slot van de beide leden van artikel 44 is alleen toegevoegd dat de buurman die takken en wortels verwijdert, zich deze mag toe-eigenen. Artikel 45

  1903. Artikel 45 regelt een kwestie die onder het huidige recht nog betwist is, namelijk de vraag aan wie de vruchten toekomen van een boom of andere beplanting, die op het erf van een buurman zijn gevallen - de bepaling beslist ten gunste van de eigenaar van laatstgenoemd erf. Een "plukrecht" met betrekking tot de op zijn erf overhangende vruchten verschaft hem dit echter niet - zie artikel 44, dat in deze situatie toepassing kan vinden. 2024 -722- No. 164 Artikelen 46 tot en met 49 De artikelen regelen het burenrecht met betrekking tot de begrenzing, inclusief afscheiding, van erven. Zij komen in de plaats van de tegenwoordige artikelen 677 en 678. Toepassing van de artikelen 46, 47 en 49 kan leiden tot rechtsvorderingen die volgens de formulering van die artikelen "te allen tijde" kunnen worden ingesteld; deze terminologie houdt in dat deze vorderingen niet aan verjaring onderhevig zijn. Ook de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 48 is niet aan een verjarings- of vervaltermijn gebonden.

  1904. Artikel 46 Het artikel kan zonder meer toepassing vinden, wanneer zekerheid omtrent de grens tussen de erven bestaat; zo niet, dan zal eiser daarnaast - of gedaagde daartegenover - toepassing van artikel 47 moeten verlangen. "Afpaling" houdt niet meer in dan eenvoudige markering van de grens. Is de begrenzing tevens bedoeld als afsluiting van een erf, dan kan de oprichting en medebekostiging van een scheidsmuur worden verlangd: artikel 49.

  1905. Artikel 47 In tegenstelling tot het vorige artikel veronderstelt lid 1 dat omtrent de ligging van de grens geen zekerheid bestaat. Meent een der eigenaars te weten waar de grens ligt, en stelt hij zich op het standpunt dat zijn buurman ten onrechte een strook van zijn grond in bezit heeft, dan zal hij allicht daarvoor de revindicatie instellen; blijkt dan dat het verloop van de grens niet zeker is, dan zal artikel 47 eerst toepassing moeten vinden. Lid 2 derogeert voor dat geval aan artikel 3:119 inzake het door bezit geschapen vermoeden van recht: de rechter is vrij in het verdelen van de bewijslast en het toekennen van bewijskracht aan feiten. Lid 3 geeft ook in ander opzicht de rechter veel vrijheid, namelijk in het vaststellen van het verloop van de grens. Hij kan daarbij zelfs dat verloop ten nadele van een der eigenaars, onder toekenning van schadevergoe- ding, vaststellen, indien dat uit bijvoorbeeld een oogpunt van doelmatige exploitatie van (een van) de percelen de voorkeur verdient. Artikel 48 Evenals artikel 678 thans verleent artikel 48 een eigenaar de bevoegdheid tot afsluiting van zijn erf, een lagere regelgever kan daarop geen inbreuk maken.

  1906. Artikel 49 Het artikel is de opvolger van artikel 689 van het huidige BW, maar is meer gedetailleerd en geeft ook zelf normen voor zover die niet uit de lagere regelgeving - zie artikel 41 - of de plaatselijke gewoonte volgen voor de wijze van afscheiding, zoals met betrekking tot het materiaal, en de hoogte daarvan. Bij gebreke van zulke buitenwettelijke normen geldt de wettelijke van een scheidsmuur van anderhalve meter hoog. Zou de overheid onder bepaalde omstandigheden iedere afscheiding willen verbieden, dan kan zij dit slechts doen door vestiging van een erfdienstbaarheid of een kwalitatieve verbintenis (artikel 6:252). Een scheidsmuur die in de lengterichting over de grens tussen de erven loopt, is mandelig: artikel 62. De eigenaar die de afscheiding verlangt, is aansprakelijk voor de kosten van aanleg, doch de andere eigenaar draagt in die kosten bij voor zover dat van hem vanuit een oogpunt van goed nabuurschap kan worden verlangd. Dat zal bijvoorbeeld veelal het geval zijn als het gaat om de afscheiding tussen twee bebouwde percelen. Indien een van beide erven een openbare weg is of een openbaar water, is lid 1 niet van toepassing, aldus lid 2. Artikelen 50 en 51 In het tegenwoordige wetboek geven de artikelen 692 en 693 de burenrechtelijke regeling omtrent licht, de artikelen 694 tot en met 695 die omtrent uitzicht. In het ontwerp vinden deze, in omgekeerde volgorde, hun plaats in de artikelen 50 en 51. In veel opzichten bouwt deze regeling op de oude voort, terwijl een oplossing is gezocht voor vragen die de oude regeling heeft doen rijzen. 2024 -723- No. 164

  1907. Artikel 50 Lid 1 van het artikel is goeddeels gelijk aan artikel 694 van het huidige BW, doch, anders dan in dat artikel en artikel 695 van het BW, wordt geen verschil gemaakt tussen rechtstreekse en zijdelingse uitzichten. Afwijking van het wettelijk verbod van het hebben van het uitzicht is door toestemming van de buurman mogelijk; aan diens rechtsopvolgers onder bijzondere titel kan de verleende toestemming worden tegengeworpen, indien zij overeenkomstig artikel 3:17 in de openbare registers is ingeschreven. Over de betekenis van het woord "werken" in dit verband ziet men reeds de jurisprudentie onder het huidige recht. Onder de verbodsbepaling kan ook een plat dak vallen als dat dak blijkens zijn constructie kennelijk bestemd is om als dakterras te worden gebruikt (HR 13-6-2003, NJ 2003, 507). In lid 2 wordt de toepasselijkheid van lid 1 uitgesloten voor een aantal bijzondere gevallen, waarin de literatuur onder het oude recht dat meestal ook aanneemt (anders voor uitzicht op een blinde muur nog HR 7- 11-1902, W 7830). Lid 3 behelst de regel omtrent de wijze van meting van de geoorloofde afstand. Het hebben van het ongeoorloofde uitzicht is een onrechtmatige toestand, waaraan een rechtsvordering een einde kan maken: de buurman heeft het recht om het uitzicht ongedaan te doen maken, zo mogelijk langs de minst bezwaarlijke weg, zoals door het ondoorzichtig maken van de vensters of door middel van vaste, in de muur gebouwde, horizontaal geplaatste maar schuine balken die dienen om een luchtstroom door te laten, eerder dan door dichtbouwen. De rechtsvordering is krachtens artikel 3:314 aan verjaring onderhevig. Nadien kan door verjaring de erfdienstbaarheid van uitzicht zijn ontstaan, hetgeen ook onder het huidige recht is aanvaard, maar deze verhindert volgens HR 30-1-1970, NJ 1970, 192, de buurman niet daarna door het optrekken van een muur alsnog het uitzicht te beletten. Aan deze onbevredigende toestand wordt lid 4 een einde gemaakt: de buurman mag binnen de afstand van anderhalve meter geen gebouwen of werken meer optrekken, die het uitzicht onredelijk zouden hinderen; reeds bestaande mag hij echter handhaven en ook vervangen. Zie voor lid 5, artikel 42 lid 4, en de toelichting daarop.

  1908. Artikel 51 Het artikel kan worden beschouwd als de voortzetting van de artikelen 692 en 693 van het geldende BW, die afgrenzen in welke mate - en op welke hoogte - men licht zonder - of met minimaal - uitzicht over het erf van zijn buurman mag opvangen, maar de uitwerking verschilt aanzienlijk. De nieuwe formulering doet, met in- achtneming van de stand der techniek, beter recht wedervaren aan de bedoeling. Artikelen 52 en 53 De artikelen regelen de burenrechtelijke verhoudingen omtrent de afvoer van water en afval.

  1909. Artikel 52 Het artikel komt overeen met artikel 699 van het huidige BW. De bepaling heeft de strekking te verhinderen dat men het erf van zijn buurman belast met de afvoer van het op daken gevallen regenwater. Voor de lagere regelgeving zie de toelichting bij artikel 41.

  1910. Artikel 53 Het artikel komt naar zijn inhoud overeen met het huidige artikel 700. Het artikel vormt een complement op de artikelen 38 betreffende de natuurlijke afloop van water op een lager gelegen erf en 39 betreffende eenzijdige wijziging in de loop van het water. Het onderhavige artikel verzet zich tegen eigenmachtige lozing van water via de goten op andermans erf. Duidelijkheidshalve is, in vergelijking tot de Nederlandse tekst, toegevoegd de zinsnede "tenzij hij de bevoegdheid daartoe heeft verkregen", die in enigszins andere bewoordingen ook aan artikel 700 is toege- voegd. De bevoegdheid verkrijgt men hetzij door toestemming van de buurman, hetzij - en dan met zakelijke werking - door vestiging van een erfdienstbaarheid. 2024 -724- No. 164

  1911. Artikel 54 De eigendom van de grond omvat volgens artikel 20, onderdeel b, de zich daaronder liggende aardlagen; het exclusieve gebruiksrecht van de ruimte daarin en van de ruimte boven die grond komt volgens artikel 21 in beginsel de eigenaar van de grond toe. Hetgeen in strijd daarmee op of boven of onder de grond is gebouwd als bestanddeel van een gebouw of werk van een buurman (en als zodanig door horizontale natrekking diens eigendom is) kan hij, eveneens in beginsel, laten verwijderen (vgl. artikel 701 van het huidige BW). De situatie kan evenwel zo zijn dat het dwingen tot afbraak als misbruik van recht zou moeten worden beschouwd: de schade door het gebruik van de ruimte is dan onevenredig veel geringer dan de schade door afbraak; alsdan moet de grondeigenaar met schadevergoeding genoegen nemen, vgl. HR 17-4-1970, NJ 1971, 89. Artikel 54 geeft voor dit geval een bevredigende regeling van burenrecht: de eigenaar van de grond moet in zodanig geval een erfdienstbaarheid ten gunste van de buurman doen vestigen dan wel de strook grond aan deze afstaan, alles tegen schadeloosstelling. Lid 3 beperkt deze verplichting van de grondeigenaar: in de daar genoemde gevallen bestaat de verplichting niet. Is bij rechtshandeling alleen aan de buurman persoonlijk de bevoegdheid tot de bouw verleend, dan kan diens opvolger zich niettemin daarop beroepen, indien hij bij de verkrijging van zijn recht te goeder trouw mocht menen dat de verplichting tot dulden van de bestaande toestand ook te zijnen opzichte bestond. Kwade trouw of grove schuld van de aannemer die bij de bouw de grens der erven overschreed, kan niet zonder meer worden toegerekend aan de eigenaar van het gebouw dat zich uitstrekt tot in of boven de grond van de ander. Overigens is ook bij kwade trouw of grove schuld van de eigenaar, een beroep op misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 niet (geheel) uitgesloten (HR 15-11-2003, NJ 2003, 48).

  1912. Artikel 55 Het artikel is de voortzetting van artikel 701 van het bestaande BW: de eigenaar van een erf kan "te allen tijde" - zie de toelichting bij deze titel onder Algemeen, slot - vorderen dat bij dreigende instorting van een gebouw of werk op een naburig erf maatregelen worden genomen tot opheffing van het gevaar dat zijn erf bedreigt. Vereist is dreigend gevaar voor het erf, dat niet is beperkt tot vrees voor beschadiging, maar ook bijvoorbeeld overlast of ontsiering omvat. Evenmin is vereist dat het gebouw of werk over het erf overhelt. Welke maat- regelen - stutten, herstel, afbraak - kunnen worden verlangd, hangt af van de omstandigheden van het geval.

  1913. Artikel 56 Het artikel is de opvolger van artikel 698, de regeling van wat wel als "het ladderrecht" wordt aangeduid, maar is ietwat ruimer geformuleerd. De verplichting om tijdelijk gebruik van het erf te dulden wordt niet langer be- perkt tot de uitvoering van reparaties aan een naburig gebouw en slechts voor bepaalde werkzaamheden (vgl. reeds Hof 's-Hertogenbosch 2-7-1985, NJ 1986, 62). Anderzijds wordt een recht van de eigenaar tot weigering of uitstel in geval van gewichtige redenen erkend, zodat er ruimte is voor belangenafweging. Artikelen 57 en 58 De artikelen betreffen de verplichting tot het gedogen van een noodweg (artikel 57) en een noodwaterleiding (artikel 58). In het huidige wetboek wordt de eerste geregeld door de artikelen 714 tot en met 717, de tweede was niet wettelijk geregeld, maar werd in de jurisprudentie daaruit wel afgeleid.

  1914. Artikel 57 De regeling omtrent de noodweg (uitweg) in het huidige BW is in hoofdtrekken gehandhaafd, doch hier en daar verfijnd en aangevuld. Aldus is in lid 1 niet vereist dat het erf geheel ligt ingesloten, doch alleen dat hetgeen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg of een openbaar vaarwater; bij de beoordeling daarvan moet mede met de exploitatie van het erf rekening worden gehouden. Zo is het mogelijk dat als noodweg wordt aangewezen een strook grond naast een pad waarop de eigenaar van het erf reeds een servituut heeft. Niet terzake dienend is wat de “normale exploitatie” van een gemiddeld (vergelijkbaar) bedrijf eist (HR 23-1-1998, NJ 1998, 457) of de wijze waarop de overige erven ter plaatse bereikbaar zijn, zoals per auto (HR 11-9-1992, NJ 1992, 729). Voorts is vereist dat de schadevergoeding vooraf wordt betaald of voor de betaling vooraf zekerheid wordt gesteld. Voor de term "te allen tijde" zie deze memorie aan het slot van het algemeen deel van de toelichting 2024 -725- No. 164 op titel 5.4. De verkrijging van de noodweg kan worden ingeschreven in de openbare registers (artikel 3:17), met de rechtsgevolgen ten opzichte van latere verkrijgers. Echter ook zonder inschrijving is een opvolger onder bijzondere titel aan de bezwaring gebonden (HR 2-5-1997, NJ 1997, 315). Ook lid 2, dat verhoging van de vergoeding bij onvoorziene omstandigheden, bijvoorbeeld wijziging in de exploitatie van het erf, mogelijk maakt, is een verfijning. Overigens kan een eigenaar die de noodweg zonder vergoeding heeft toegestaan, nadien alsnog vergoeding vorderen (HR 30-11-1998, NJ 1999, 305). De eerste zin van lid 3 geeft weer wat thans uit artikel 708 van het BW volgt: de belangen der eigenaars der betrokken erven moeten bij de bepaling van de ligging en omvang van de noodweg tegen elkaar worden afgewogen. Het is echter voor de ontvankelijkheid der vordering niet noodzakelijk dat alle eigenaars van erven waarover de weg zou kunnen lopen, in het geding worden geroepen; eventueel kunnen zij daarin later worden betrokken (HR 14-10-1994, NJ 1995, 564 en HR 12-4-1996, NJ 1996, 437). De tweede zin van het lid beoogt te verhinderen dat de eigenaars van andere naburige erven worden gedupeerd wanneer de eigenaar bijvoorbeeld door overdracht van een strook grond het restant van zijn erf zelf van de openbare weg afsluit (zie de situatie die aanleiding gaf tot het arrest HR 13-2-1959, NJ 1959, 184). Het sluit echter niet uit dat de weg niettemin over een ander naburig erf wordt gelegd, indien daartoe voldoende ge- wichtige redenen zijn - zie het arrest van 14-10-1994. Lid 4 biedt de mogelijkheid tot verlegging van een noodweg op verlangen van een onmiddellijk belangheb- bende eigenaar bij wijziging van omstandigheden. Lid 5 komt overeen met artikel 717 van het huidige BW; het doet uitkomen dat een noodweg niet een recht is als een erfdienstbaarheid.

  1915. Artikel 716 van het BW is, als overbodig, niet in het ontwerp opgenomen. Artikel 58 Het artikel geeft voor een noodwaterleiding een aanvulling op artikel 57. Deze leiding kan zowel open zijn als bestaan in een buis op of onder de grond. Artikel 59

  1916. Artikel 36 behelst het vermoeden dat een muur e.d. en een watergang, die tot afscheiding van twee erven dienen, tevens daarvan de grens aangeven, en wel aldus dat die grens door het midden van de afscheiding in de lengterichting verloopt. Voor de muur heeft dit vermoeden, als het niet weerlegd wordt, tot gevolg dat hij mandelig wordt. Voor de bodem van de watergang is dit uiteraard niet het geval, maar artikel 59 kent de buren wel het gemeenschappelijk gebruik van de watergang toe, en verplicht ieder van hen anderzijds mede in het belang van de buurman tot onderhoud van de aan zijn kant gelegen oever. De in lid 3 bedoelde regeling is vatbaar voor inschrijving in de openbare registers, waardoor zij aan een latere verkrijger kan worden tegengeworpen, ook als deze niet van haar bestaan op de hoogte is (artikel 3:24). TITEL 5.5 - MANDELIGHEID Algemeen Mandeligheid is een bijzondere eigenschap die kleeft aan de mede-eigendom van bepaalde onroerende zaken die aan naburige erven zijn verbonden. Op de mede-eigendom zijn in beginsel de regels van titel 3.7 inzake de gemeenschap van toepassing. De mandeligheid verkrijgt daarnaast echter een eigen regeling in titel 5.5, die niet alleen die van titel 3.7 aanvult, doch ook daarvan in enkele opzichten afwijkt. Mandeligheid kenmerkt zich daardoor dat zij is gebonden aan bepaalde gemeenschappelijke zaken, behorende tot erven tot welker gemeenschappelijk nut die zaken strekken, en ze is als zodanig een van de eigendom van die erven afhankelijke eigenschap: een aandeel in een mandelig werk enz. kan niet los van (een deel van) zo'n erf worden vervreemd en gaat, omgekeerd, bij overdracht van het erf van rechtswege mee over, en het mandelig werk is, in afwijking van artikel 3:178, evenmin vatbaar voor verdeling, alles behoudens het in artikel 66 bepaalde (zie artikel 63). Mandeligheid kan met een erfdienstbaarheid gepaard gaan, namelijk wanneer de erfdienstbaarheid gebruik van bijvoorbeeld een werk vereist, en dit werk bovendien gemeen- schappelijk eigendom van de eigenaar van het heersende en van die van het dienende erf is en dat werk tot nut van beide erven strekt (zie ook artikel 75 lid 6). 2024 -726- No. 164 Mandeligheid van een gebouw of werk behoeft niet mee te brengen dat ook de grond daaronder gemeen- schappelijk eigendom is; zie echter artikel 36. Het huidige wetboek verbindt mandeligheid aan een gemeenschappelijke scheidsmuur (artikelen 680 e.v.) en, naar men mag aannemen, ook aan de zaken, bedoeld in artikel 703. Of daarbuiten ook mandeligheid kan bestaan, en met name, of deze ook kan worden gevestigd, is thans betwist. Het ontwerp maakt aan deze onzekerheid een einde, door haar ontstaan ook door bestemming bij notariële akte toe te staan (artikel 60). Daaraan bestaat behoefte bij gemeenschappelijke voorzieningen, zoals parkeer- plaatsen, antenne-inrichtingen, plantsoenen en speelplaatsen.

  1917. Artikel 60 Zoals hierboven reeds is aangegeven, behelst het artikel de mogelijkheid om door bestemming bij een in de openbare registers ingeschreven notariële akte een gemeenschappelijke onroerende zaak mandelig te maken. De bestemming houdt niet in dat de zaak gemeenschappelijk wordt, maar wél kan bij één akte én levering van mede-eigendom plaatsvinden én de bestemming als mandelig. Niet is vereist dat de tot mandelig bestemde zaak aan één of meer der erven moet grenzen - zo is bijvoorbeeld denkbaar dat een mandelige parkeerplaats op enige afstand van de erven is gelegen.

  1918. Artikel 61 Lid 1 geeft een drietal wijzen van beëindiging van de mandeligheid door bestemming aan. De eerste daarvan spreekt voor zichzelf. Ook de tweede ligt voor de hand: zij is het spiegelbeeld van het ontstaan over- eenkomstig artikel 60; is niet aan de formele vereisten voldaan, dan blijft de mandeligheid in stand. De derde wijze waarop de mandeligheid haar einde vindt, betekent dat zij nog blijft bestaan zolang ook maar één der erven van de gemeenschappelijke zaak nut heeft. In zo'n geval zal echter gewoonlijk artikel 66 toe- passing vinden. Lid 2 is een aanvulling op artikel 3:17, met de gevolgen voor verkrijgers te goeder trouw. De opsomming van lid 1 is niet limitatief. Zo eindigt de mandeligheid ook, als de bestemming slechts voor een bepaalde tijd geldt of aan het intreden van een ontbindende voorwaarde is gebonden. De bestemmings- overeenkomst is geen wederkerige overeenkomst, omdat partijen geen tegenover elkaar staande verbintenissen op zich nemen - ontbinding wegens wanprestatie door een hunner komt als wijze van beëindiging dus niet aan de orde.

  1919. Artikel 62 De wettelijke mandeligheid van artikel 62 is de klassieke van ook het huidige wetboek: zie artikel 680. De artikelen 680, 681, 705 en 709 vullen dit aan met allerlei vermoedens, die in de praktijk nog wel tot onzeker- heid aanleiding geven. Het ontwerp onderscheidt tussen tweeërlei scheidsmuur: de vrijstaande (lid 1) en die welke onderdeel van twee gebouwen is (lid 2). Voor de eerste soort geldt het vermoeden van artikel 36: de grens der erven loopt in het midden van de grond onder de muur in de lengterichting. Wordt het vermoeden niet weerlegd, dan is de muur gemeenschappelijk en als zodanig mandelig. Zie voorts artikel 49. Voor de tweede categorie zijn de gemeenschappelijkheid en mandeligheid met aard en ligging van de muur gegeven - waar de grens precies loopt, is daarbij onverschillig. Behoort de muur slechts aan één gebouw, dan is er geen mandeligheid; gewoonlijk zal de muur dan bestanddeel van het gebouw zijn, en als zodanig horizontaal zijn nagetrokken. Een muur waarlangs de grens der erven loopt, is niet krachtens dit artikel mandelig, noch wanneer hij vrijstaat, noch wanneer hij onderdeel van één gebouw is. 2024 -727- No. 164

  1920. Artikel 63 Het artikel geeft de rechtsgevolgen van de eigenschap der mandeligheid: het recht op het aandeel in de onroe- rende zaak is een afhankelijk recht, en wel afhankelijk van de eigendom van de betrokken erven, en de ge- meenschap der mandelige zaak is niet voor verdeling vatbaar - zie onder Algemeen in deze memorie ter inleiding van titel 5.5, en voorts artikel 66, dat voor een speciaal geval van artikel 63 afwijkt.

  1921. Artikel 64 In het algemeen volgt de toegankelijkheid tot de mandelige zaak uit haar ligging, maar dat kan anders zijn als zij niet op de grens van alle betrokken erven is gelegen. Van hun bevoegdheid moeten de eigenaars der erven naar redelijkheid en billijkheid gebruik maken (artikel 3:166 lid 3). Afwijking van het artikel is blijkens artikel 69 toegestaan.

  1922. Artikel 65 Het in dit artikel bepaalde bouwt voort op de artikelen 682, 689 lid 1, en 703 van het bestaande wetboek. In het algemeen volgt het ook uit de bepalingen omtrent de gemeenschap van titel 3.7 inzake het beheer, maar bijzonder is de verplichting tot bijdragen in de kosten van vernieuwing. De bijdrage zal in de regel evenredig zijn aan de omvang van het aandeel in de mandelige zaak (zie artikel 3:172 j artikel 3:166 lid 2), doch een beheers regeling overeenkomstig artikel 3:168 kan hier preciseren en eventueel afwijken (zie artikel 69).

  1923. Artikel 66 Het artikel vormt, min of meer voortbouwend op artikel 682 lid 2, van het huidige BW, een uitzondering op artikel 63, dat overdracht van een mandelig aandeel in een onroerende zaak zonder overdracht van het erf als regel uitsluit. De mogelijkheid is beperkt: overdracht is slechts mogelijk aan mede-eigenaars, niet aan derden (leden 1 en 2), en geldt voor een aandeel in een gemeenschappelijke muur slechts in een zeer beperkt aantal gevallen (lid 3). Lid 1 betreft overdracht van het aandeel aan de overige mede-eigenaars (of eventueel een of meer hunner): dit kan slechts indien dezen daarmee instemmen en hun medewerking verlenen. Lid 2, waarvan overeenkomstig artikel 69 afwijking mogelijk is, verplicht de overige mede-eigenaars tot zulke medewerking indien een hunner van oordeel is dat het nut dat hij aan zijn aandeel ontleent, niet opweegt tegen de kosten die het meebrengt - zie in deze geest ook artikel 682 lid 2, van het BW. Bij de toepassing van laatstgenoemde bepaling volgt uit de wetstekst niet of onder die kosten ook zijn begrepen die welke reeds ten laste van de mede-eigenaars zijn gemaakt; in het ontwerp worden deze uitgesloten. De verplichte medewerking kan door reële executie worden afgedwongen: artt. 3:300 en 3:301. Elk der overige mede-eigenaars, voor wie op deze wijze de kosten eveneens te zwaar worden, kan zich verzetten, door ook te zijnen aanzien de toepassing van lid 2 in te roepen. Doen allen dit, dan kan de vordering niet worden toegewezen. Als voor het nut der mandelige zaak gebruik van het erf van de overdragende mede-eigenaar vereist is, bijvoorbeeld omdat de mandelige zaak zich geheel of ten dele op dat erf bevindt of slechts daarover te berei- ken is, moet deze mede-eigenaar daartoe een passend servituut of opstalrecht ten behoeve van de overigen vestigen. Lid 3 sluit zowel de toepasselijkheid van lid 1 als die van lid 2 voor een gemene muur enz. in de meeste gevallen uit, en wel in die gevallen waarin de mede-eigenaar wel voortaan van de kosten van de zaak zou worden verlost, maar zijn profijt daarvan niet zou verminderen; vgl. ook hier artikel 682 lid 2 (slot). Artikelen 67 en 68 Het geldende BW behelst verspreid een aantal bevoegdheden van de mede-eigenaars van mandelige zaken, met de beperkingen daarop. Deze zijn voor het ontwerp goeddeels overbodig, omdat zij volgen uit de toepasselijkheid van de bepalingen van titel 3.7 inzake de gemeenschap in het algemeen. Aldus de artikelen 682 lid 1 (bijdrage in de gemeenschappelijke kosten), 688 (maken van holten in een mandelige muur), 691 (maken van vensters en openingen in een mandelige muur) en 690 (vervanging van een muur door een heining). Weinig wenselijk is de regeling van de artikelen 684 en 686 omtrent de verhoging van een gemene muur door een der mede-eigenaars buiten de anderen om, met de mogelijkheid dat de verhoging alleen aan de eerste komt toe te behoren. 2024 -728- No. 164 Alleen de bepalingen van de artikelen 683, 688 lid 2 en artikel 685 blijven over voor bijzondere regeling in titel 5.5. Artikel 67 vervangt daarvan de eerste twee, artikel 68 het laatste. Van de artikelen kan overeenkomstig artikel 69 bij regeling worden afgeweken.

  1924. Artikel 67 Het bijzondere van lid 1 is dat elk der buren de naar zijn erf toegekeerde helft van de scheidsmuur ter inbalking, inankering e.d. mag gebruiken. Lid 2 verplicht de mede-eigenaar die een werk aan of tegen de muur wil aanbrengen, tot medewerking aan het opmaken van een deskundigenrapport. Artikel 68 Op de wijze van lid 1 van artikel 67 geeft dit artikel elk der mede-eigenaars het gebruik van de helft van een gemeenschappelijke muur, en wel tot het aanleggen van een goot daarover.

  1925. Artikel 69 Bij de toelichting op de artikelen 64, 65, 66 lid 2, 67 en 68 is reeds op dit artikel vooruitgelopen. Een regeling die afwijkt van, inclusief nadere details bevat omtrent, de toepassing van de genoemde artikelen is de door de deelgenoten of de rechter in eerste aanleg vastgestelde regeling ter zake van het genot, gebruik en beheer van gemeenschappelijke goederen, bedoeld in artikel 168 van Boek 3. Deze regeling leent zich voor inschrijving in de openbare registers (artikel 3:17) en bindt dan mede de rechtverkrijgenden van de eigenaars (artikel 3:168 lid 4). TITELS 5.6-5.9 Inleiding De titels 5.6, 5.7 en 5.8 bevatten de regeling van de drie beperkte rechten die uitsluitend op - onroerende - zaken, en niet op andere goederen, kunnen worden gevestigd, namelijk erfdienstbaarheid (servituut), erfpacht en opstal. De - relatief omvangrijke - titel 5.9 tot slot betreft het appartementsrecht. De ontworpen regeling is, evenals die in het huidige wetboek, in beginsel van dwingend recht: aangegeven is, wanneer afwijking is toegelaten, terwijl partijen ook veel vrijheid is geboden om zelf inhoud aan het zakelijk recht te geven. In de regel kan dit geschieden bij de akte van vestiging (waaronder een eventuele akte van wijziging is begrepen). Zie deze memorie van toelichting onder Algemeen. De verhouding tussen beperkt gerechtigde en hoofdgerechtigde wordt voorts beheerst door de regels van redelijkheid en billijkheid (vgl. artikel 6:248 j artikel 6:216). Zie voor de vestiging der beperkte rechten artikel 3:98. TITEL 5.6 - ERFDIENSTBAARHEDEN Algemeen De erfdienstbaarheid (het servituut) is een oud, uit het Romeinse recht stammend, zakelijk recht, dat in het huidige recht is opgenomen (artikelen 720 tot en met 756). Kenmerkend is dat op het ene erf een last, bijvoorbeeld het gebruik van een overweg, rust ten behoeve van het andere: zij staan tot elkaar als dienend erf tot heersend erf; in beginsel bestaat de last dan ook in een verplichting van de eigenaar van het dienende erf tot niet-doen of dulden (artikel 71). De huidige regeling is voor de behoeften van deze tijd niet erg passend meer. De belangen die ermee worden gediend, zijn niet alleen meer die van buren als rechthebbenden op een perceel grond ten opzichte van elkaar, maar kunnen ook concurrentieverhoudingen betreffen - aldus reeds erkend in HR 28-6-1957, NJ 1957, 491 - en de ruimtelijke ordening van overheidswege raken. Mede met het oog daarop verruimt het ontwerp de mogelijkheden tot het gebruik van het instituut der erfdienstbaarheid. Zo worden niet langer het nutsvereiste en het naburigheidsvereiste gesteld (zie bij artikel 70). Verder is afgezien van een catalogus van soorten erfdienstbaarheden, maar wordt de invulling in beginsel overgelaten aan de akte van vestiging. Voorts vervalt de onderscheiding tussen zichtbare en onzichtbare en die tussen voortdurende en niet 2024 -729- No. 164 voortdurende erfdienstbaarheden (met de gevolgen voor verjaring, zie de toelichting op de artikelen 3:99 en 3:106), en wordt de rechter de bevoegdheid gegeven om bij verandering van omstandigheden of strijd met het algemeen belang een erfdienstbaarheid te wijzigen of op te heffen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de verwante regeling van de kwalitatieve verbintenis met zakelijke werking in artikel 6:252 (zie ook de artikelen 6:258 tot en met 6:260). Onder "erf" wordt, evenals in de vorige titels, niet slechts een perceel grond, bebouwd of onbebouwd, begrepen, doch eventueel de (onroerende) opstal. In het vervolg van deze toelichting wordt er gemakshalve van uitgegaan dat een erfdienstbaarheid een rechtsverhouding schept tussen de eigenaars van twee erven; zie echter artikel 84, dat toelaat dat ook bepaalde beperkt gerechtigden partij kunnen zijn. En voorts spreekt het vanzelf dat niet alleen voor deze, maar ook voor andere tot genot van een erf gerechtigden, zoals huurders, uit een bestaande erfdienstbaarheid bevoegdheden en verplichtingen kunnen voortvloeien.

  1926. Artikel 70 lid 1, karakteriseert de erfdienstbaarheid als een last, die op het dienende erf rust ten behoeve van een heersend erf; de inhoud van deze last wordt nader in artikel 71 aangegeven. Stemt de karakteristiek van de erfdienstbaarheid als last overeen met de regel van artikel 713 thans, niet is daaruit overgenomen het vereiste dat ze strekt "tot gebruik en tot nut" van het heersende erf. De beperking die daarin is gelegen, is te eng voor de praktijk gebleken, terwijl ze anderzijds te vaag was geformuleerd om houvast te bieden - zie het hierboven genoemde arrest HR 28-6-1957, NJ 1957, 491. Het ontwerp laat daarom het "nutsvereiste" vallen en stelt als ruimer criterium dat de erfdienstbaarheid moet strekken "ten behoeve van" het heersende erf. Dit betekent dat daaronder alles valt wat de eigenaar van het heersende erf - als eigenaar - tot voordeel kan strekken, ook een persoonlijk genot dat niet afhankelijk is van de bestemming of inrichting van het erf; evenzo kan de overheid als eigenares van een weg bij wege van erfdienstbaarheid zeggenschap krijgen over de wijze van bebouwing der daaraan grenzende erven. Evenmin wordt in het ontwerp het vereiste van naburigheid door erven gesteld, een vereiste dat men wel uit de huidige wet afleidt. Zo kan door een erfdienstbaarheid de uitstoot van bepaalde gassen worden verhinderd, ook al is het heersende erf dat van die gassen schade zou lijden, enige kilometers van het dienende erf verwijderd. Tenslotte wordt ook niet, anders dan door de tekst van artikel 720 van het huidige BW, uitgesloten dat dezelfde persoon eigenaar van zowel het heersende als het dienende erf is: op een van beide kan immers een ander beperkt zakelijk recht rusten, ten behoeve of ten laste van welks gerechtigde een erfdienstbaarheid is gevestigd: zie artikel 84, en voorts, met betrekking tot relativering van de gevolgen van afstand en vermenging, artikel 3:81 lid 2, onderdelen c en e, en lid 3. In de omschrijving van lid 1 ligt voorts opgesloten dat een erfdienstbaarheid een afhankelijk recht is; zie de artikelen 3:7 en 3:82. Het recht is onlosmakelijk verbonden met de eigendom van het heersende en die van het dienende erf. Lid 2 voorziet in de mogelijkheid om aan de retributie een zakelijk karakter te geven door een beding in de akte van vestiging, dat voor inschrijving in de openbare registers vatbaar is. Evenals artikel 721 van het huidige BW zoekt de eerste zin van lid 1 van artikel 71 het meest karakteristieke van de erfdienstbaarheid in een verplichting om te dulden of niet te doen aan de zijde van het dienende erf; de tweede zin en lid 2 geven daarop een beperkte aanvulling. De verplichting tot het dulden of niet doen heeft slechts betrekking op een toestand of handelingen van feitelijke aard: een verplichting om een rechtshandeling - bijvoorbeeld het verhuren van het dienende erf - niet te verrichten, kan niet bij wege van erfdienstbaarheid worden opgelegd - zie omtrent zulke verplichtingen artikel 6:252 (kwalitatieve verbintenissen). Wél kan bijvoorbeeld het niet-uitoefenen van een (bepaald) bedrijf op het dienende erf worden bedongen - aldus reeds het eerder genoemde arrest HR 28-6-1957, NJ 1957, 491. Niet kan worden opgelegd een dulden ten behoeve van het erf van een derde. De erfdienstbaarheid houdt in dat de eigenaar van het dienende erf wordt verplicht iets te dulden of niet te doen op (of boven of onder) hetzij zijn eigen erf, hetzij op het heersende erf, zulks in afwijking van de bevoegdheden die hem anders, bijvoorbeeld op grond van het burenrecht, zouden toekomen. Dulden op eigen 2024 -730- No. 164 erf kan bijvoorbeeld zijn het toelaten van de eigenaar van het heersende erf op het dienende erf, of het toestaan dat hij leidingen in de grond daarvan houdt. Dulden op het heersende erf kan inhouden dat de eigenaar daar- van in afwijking van de regels van het burenrecht vensters of balkons aanhoudt. Een verplichting tot niet doen op het dienende erf kan inhouden dat de eigenaar daarvan verplicht is op eigen terrein niet te bouwen, waar het volgens de regels van het burenrecht wel geoorloofd zou zijn. De tweede zin van lid 1 schept de mogelijkheid om aan de eigenaar van het dienende erf een bijkomstige verplichting, en wel tot doen - namelijk het aanleggen van gebouwen, werken of beplantingen - op te leggen, hetgeen voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid van de eerste zin nodig is, mits die aanleg althans ten dele op het dienende erf plaats vindt. Men denke bijvoorbeeld aan de aanleg van een weg, brug of leiding. Ook lid 2 opent de mogelijkheid tot het opleggen van een verplichting tot een doen aan de eigenaar van het dienende erf, en wel tot onderhoud van hetzij dit erf, hetzij van gebouwen, werken of beplantingen, zoals die in lid 1, tweede zin, zijn omschreven. Het verschil met deze laatste bepaling is dat de in lid 2 bedoelde verplichtingen ook zelfstandig het onderwerp van een erfdienstbaarheid kunnen uitmaken, en derhalve niet verbonden behoeven te zijn aan een verplichting tot dulden of niet doen.

  1927. Artikel 72 bevat op zichzelf niets bijzonders: zie artikel 3:80 lid 3. Zie voorts artikel 3:81 lid 1, omtrent overdracht van het erf onder voorbehoud van een erfdienstbaarheid, artikel 3:82 omtrent de overgang van de erfdienstbaarheid als afhankelijk recht, en artikel 3:89 leden 1 en 3 voor de wijze van levering. Tegenover het huidige recht echter is het bijzondere van het artikel dat het enerzijds voor verkrijging door verjaring geen uitzondering maakt voor de niet zichtbare of niet voortdurende erfdienstbaarheden (artikel 745), en anderzijds vestiging door enkele bestemming en door herleving uitsluit (artikelen 746 en 747). Verjaring kan volgens het nieuwe recht op tweeërlei wijze tot verkrijging van een erfdienstbaarheid leiden, namelijk op de wijze van artikel 3:99 en op die van artikel 3:105. Voor de eerste is vereist een onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende tien jaar. Een zodanig bezit kan bestaan, ook indien het vermeende recht niet zichtbaar is (niet uit een uiterlijk teken blijkt) of niet voortdurend - dat wil zeggen dat het vermeende recht, bijvoorbeeld tot het betreden van het dienende erf, telkens opnieuw moet worden uitgeoefend. Niet voldoende is dat de toestand al sinds mensenheugenis voortduurt (HR 3-5-1996, NJ 1996, 501). Men denke voor de mogelijkheid van goede trouw en dus van verjaring in zo'n geval in het bijzonder aan een in de registers inge- schreven akte van vestiging die een gebrekkige titel behelst. Verjaring langs de weg van artikel 3:105 wordt voltooid door verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit - zie artikel 3:314; voor dit bezit is goede trouw, en dus bijvoorbeeld een ingeschreven vestigingsakte, niet vereist. Aangezien het in artikel 3:105 gegeven rechtsgevolg in het huidige recht niet bestaat, zal de verjaringstermijn niet kunnen aanvangen voor de inwerkingtreding van dat artikel. De mogelijkheid van verkrijging van een erfdienstbaarheid door bestemming is niet gehandhaafd, omdat de rechtszekerheid voor derden-verkrijgers van het dienende erf daardoor zou worden ondermijnd: de be- stemmingshandeling blijkt immers niet uit de openbare registers.

  1928. Artikel 73 lid 1, verwijst voor de inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid in de eerste plaats naar (uitleg van) de akte van vestiging. Dit is in het bijzonder van belang bij een wijziging van de toestand, bijvoorbeeld in de inrichting van het heersende erf. De uitoefening moet ook dan blijven binnen de inhoud van het servituut, zoals in de akte omschreven, en bij de uitleg daarvan moet mede worden gelet op de toestand zoals die ten tijde der vestiging bestond, maar de inhoud kan ruimer zijn dan partijen ten tijde der vestiging praktisch voor ogen stond (zie HR 7-2-1936, NJ 1936, 440). De rol van de plaatselijke gewoonte komt op de tweede plaats, maar kan bij twijfel beslissend zijn. Uiteraard dienen partijen zich jegens elkaar naar redelijkheid en billijkheid te gedragen. De laatste zin van lid 1 leent zich ook voor toepassing voor een erfdienstbaarheid die door verjaring is ontstaan. 2024 -731- No. 164 Lid 2 correspondeert met artikel 738 lid 2, van het huidige BW, dat de bevoegdheid van de eigenaar van het dienende erf regelt om een weg of pad op zijn erf te verleggen. Is aan het daarvoor gestelde vereiste voldaan, dan behoeft hij noch de toestemming van de eigenaar van het heersende erf, noch een rechterlijke uitspraak, noch ook aanpassing van de akte van vestiging, indien door de verlegging weg of pad op een andere plaats komt te liggen dan door de akte aangewezen. Niet iedere genotsvermindering, hoe gering ook, staat aan verplaatsing van de erfdienstbaarheid in de weg (HR 24-9-1999, NJ 1999, 754). De eigenaar is niet bevoegd tot verlegging naar een ander, hem eveneens toebehorend, erf (HR 21-1-1972, NJ 1973, 480).

  1929. Artikel 74 komt overeen met artikel 737 lid 1, slot, van het geldende BW.

  1930. Artikel 75 bakent de wederzijdse bevoegdheden en verplichtingen van de eigenaar van het heersende en van die van het dienende erf tegenover elkaar af - vgl. artikel 734 van het huidige BW. Het gaat daarbij uit van beperking tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het genot van de erfdienstbaarheid, maar bevat geen dwingend recht (zie lid 5). De door partijen getroffen afwijkende regeling, mits opgenomen in de ingeschre- ven akte, maakt deel uit van de erfdienstbaarheid, en behelst dan kwalitatieve rechten en verplichtingen. De leden 2 tot en met 4 en ook lid 6 hebben in het bijzonder betrekking op de inrichtingen - gebouwen, werken en beplanting - die ter uitoefening van de erfdienstbaarheid op het dienende erf zijn aangebracht. Wie eigenaar is van de op het dienende erf aangebrachte inrichtingen, volgt in beginsel uit artikel 20: de eigenaar van dat erf is ook hiervan eigenaar. Maar partijen kunnen afwijken door het vestigen van een opstal- recht. Een zodanig opstalrecht kan dan als een van de erfdienstbaarheid afhankelijk opstalrecht vorm krijgen (zie artikel 101 lid 2), en daarmee de eigenaar van de opstal in zijn bevoegdheden beperken. Een andere mogelijkheid is om de inrichting tot een mandelige zaak te bestemmen, met de gevolgen van dien: zie lid 6.

  1931. Artikel 76 regelt de gevolgen van splitsing van het heersende erf (lid 1) en die van het dienende erf (lid 2). In beginsel blijft de erfdienstbaarheid ondeelbaar en heeft splitsing daarop geen invloed. Het recht der erf- dienstbaarheid blijft bestaan ten behoeve van elk deel van het heersende erf dat daarvan profijt heeft, de last der erfdienstbaarheid valt van een door de deling gevormd erf alleen af, indien dat niet vatbaar is voor de uitoefening der erfdienstbaarheid. Lid 1 vervangt artikel 736 van het huidige BW, maar niet is overgenomen de beperking "zonder dat evenwel de toestand van het dienstbare erf moge verzwaard worden". Voor een erfdienstbaarheid van weg zal splitsing van het heersende erf allicht voor het dienende erf worden verzwaard, doordat meer personen ervan gebruik maken. Of dit geoorloofd is, moet worden getoetst aan de akte van vestiging en het plaatselijk gebruik (zie artikel 73) en eventueel door de rechter: zie artikel 78. Lid 2 vervangt artikel 740, maar voor de vraag of de erfdienstbaarheid op een deelerf blijft rusten, zal het criterium niet meer zijn, of het voor haar uitoefening "noodzakelijk" is, doch of die uitoefening daarop mo- gelijk is. Denkbaar is dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid slechts op één deel noodzakelijk is, maar onverschillig is, op welk deel - in zo'n geval dienen alle delen met het beperkte recht te blijven belast.

  1932. Artikel 70 lid 2 schept de mogelijkheid dat de eigenaar van het heersende erf een retributie verschuldigd wordt aan de eigenaar van het dienende erf. Zulk een schuld is ook in omgekeerde richting denkbaar, bijvoorbeeld een vergoeding door de eigenaar van het dienende erf voor het medegebruik van een inrichting die bij de erfdienstbaarheid behoort (vgl. artikel 75 lid 4, j lid 6). Beide leden van artikel 77 regelen nu wat er gebeurt, indien er meer dan een persoon als schuldenaar wordt aangewezen: het gevolg is dan hoofdelijkheid, dat wil zeggen dat elk hunner voor het geheel is gebonden; de rechtsgevolgen daarvan worden geregeld in afdeling 6.1.2. In lid 1 wordt het geval van mede-eigendom geregeld. Lid 2 schept het gevolg van hoofdelijkheid voor het geval van overdracht of toedeling: de nieuwe schuldenaar wordt hoofdelijk met zijn voorganger gebonden voor de schulden, opeisbaar geworden in de twee jaar die aan zijn verkrijging voorafgaan. Vgl. artikel 92 voor erfpacht. Is er meer dan één schuldeiser, dan zijn de regels omtrent de pluraliteit van schuldeisers van toepassing (vgl. de artikelen 6:15 en 6:16). 2024 -732- No. 164 Artikelen 78 tot en met 81 Het huidige recht kent geen mogelijkheid tot wijziging of opheffing van een erfdienstbaarheid als gevolg van een rechterlijke uitspraak. Voor het nieuwe recht wordt hier een regeling geboden: wijziging (artikel 78) en opheffing (artikelen 78 en 79) op vordering van de eigenaar van het dienende erf, en wijziging (artikel 80) op vordering van de eigenaar van het heersende erf. Wijziging en opheffing op vordering van de eigenaar van het dienende erf - artikel 78 - kunnen plaatsvinden op soortgelijke gronden als die welke in de artikelen 6:258 en 6:259 lid 1 onderdeel a, tot wijziging en ontbin- ding van overeenkomsten - bij artikel 6:259 voor overeenkomsten verwant met een servituut - zullen kunnen leiden, namelijk onvoorziene omstandigheden en, na het verstrijken van een periode, strijd met het algemeen belang. Onvoorziene omstandigheden is een begrip dat ruimer is dan onvoorzienbare omstandigheden; van on- voorziene omstandigheden kan ook sprake zijn als zich omstandigheden voordoen waarmee partijen bij de vestiging (of verkrijging door verjaring) van de erfdienstbaarheid blijkbaar geen rekening hebben gehouden, ook al waren zij objectief wel voorzienbaar. Een agrarische erfdienstbaarheid kan bijvoorbeeld op den duur met het algemeen belang in strijd komen bij verstedelijking van de omgeving. Zijn partijen het eens over het beëindigen van de erfdienstbaarheid, dan kan die uiteraard buiten de rechter om worden verkregen doordat de eigenaar van het heersende erf afstand doet (artikel 3:98).

  1933. Artikel 79 regelt een tweetal gevallen waarin uitsluitend opheffing der erfdienstbaarheid - niet wijziging daar- van - door rechterlijke uitspraak op vordering van de eigenaar van het dienende erf kan worden verkregen, namelijk het geval van blijvende onmogelijkheid van uitoefening en dat van het ontbreken van een redelijk belang bij de erfdienstbaarheid. Voor het eerste vergelijke men artikel 749 van het huidige BW, dat echter de erfdienstbaarheid van rechtswege doet vervallen. Het tweede is nieuw en zal zijn tegenhanger in het verbintenissenrecht vinden voor bepaalde verplichtingen die bij overeenkomst zijn gelegd op een recht- hebbende op of gebruiker van een registergoed (zie artikel 6:259 lid 1, onderdeel b). De rechter moet hier afwegen, maar in elk geval is vereist dat niet aannemelijk is dat het redelijk belang zal herleven. Buiten opheffing door rechterlijke uitspraak om kan ook hier, evenals in de gevallen van artikel 78 beëindi- ging door afstand van het servituut worden bereikt. Ook de eigenaar van een heersend erf kan door het optreden van "onvoorziene omstandigheden" (zie artikel 78) belang hebben bij wijziging van de erfdienstbaarheid. Zie aldus het geval van HR 11-4-1940, NJ 1940, 649: een oud servituut van overpad met paard en kar, dat door de ontwikkeling van het motorverkeer was achterhaald. In zulke, door artikel 80 omschreven gevallen - onmogelijkheid van uitoefening of aanzienlijke vermindering van het belang - kan de rechter wijziging aanbrengen, in het bijzonder door enige uitbreiding van de bevoegdheden van eiser. Ook hier moet de rechter de wederzijdse belangen afwegen.

  1934. Artikel 81 geeft in twee leden een aanvulling op de artikelen 78 tot en met 80. Lid 1 geeft de rechter de bevoegdheid tot het stellen van voorwaarden voor de verlangde wijziging of opheffing van de erfdienst- baarheid, bijvoorbeeld vergoeding van kosten of schadeloosstelling. Lid 2 waarborgt dat bij de afweging van belangen door de rechter ter zake van de wijziging of opheffing ook die van een eventuele beperkt gerechtigde (in het bijzonder vruchtgebruiker, erfpachter en opstaller), mits hun recht door de uitspraak van de rechter zou worden aangetast (HR 15-12-1995, NJ 1996, 691), aan de orde komen en worden meegewogen. Zie voor hun eigen recht in dezen de artikelen 3:218, 5.95 en 5.104 lid 1. De artikelen 82 en 83 geven een aanvulling op de regeling van tenietgaan van een erfdienstbaarheid door afstand en vermenging, die in het algemeen is geregeld in artikel 3:81 leden 2 en 3. Een voorbeeld van afstand van een erfdienstbaarheid wegens lasten en verplichtingen biedt in het huidige recht artikel 731 van het BW. Naar men aanneemt, kan onder dit recht afstand eenzijdig door de recht- hebbende geschieden, hetgeen onder het nieuwe recht niet meer zal kunnen: artikel 3:98. 2024 -733- No. 164

  1935. Artikel 82 verhindert dat de eigenaar van het dienende erf door zijn medewerking te weigeren de recht- hebbende in het onderhavige geval kan dwarsbomen; de medewerking kan desnoods door reële executie worden afgedwongen (artikelen 3:300 en 3:301). Lid 2 laat toe om lid 1 voor een termijn van twintig jaar uit te sluiten, zodat de eigenaar van het dienende erf voor die periode gerechtigd is tot voldoening van de lasten en verplichtingen.

  1936. Artikel 3:81 lid 3, relativeert de gevolgen in het tenietgaan van een beperkt recht als gevolg van vermenging (en afstand) ten opzichte van degene die op het beperkte recht of het bezwaarde goed een beperkt recht hebben. Aldus werkt het tenietgaan van een erfdienstbaarheid doordat heersend en dienend erf in één hand komen, niet ten nadele van degene die bijvoorbeeld een erfpachtrecht op het heersende erf heeft.

  1937. Artikel 83 beschermt op vergelijkbare wijze degene die niet een beperkt recht op het heersende erf heeft, doch slechts een persoonlijk genotsrecht zoals huur, terwijl omgekeerd de huurder enz. van het dienende erf niet wordt bevoordeeld door de vermenging. Een verschil met artikel 3:81 lid 3 is echter dat, indien een der erven is verhuurd, het tenietgaan door vermenging zelf tot het einde der huur wordt opgeschort en niet slechts in zijn werking wordt gerelativeerd. Aldus wordt verzekerd dat deze huurder het genot van de erfdienstbaarheid behoudt, ook als beide erven later onder bijzondere titel in handen van een derde geraken. In de Nederlandse tekst van artikel 83 wordt naast de huur nog afzonderlijk de pacht vermeld. De artikelen 758 en 769 van het bestaande BW verlenen aan de opstaller en de erfpachter de bevoegdheid de goederen waarop hun recht rust, voor de duur van hun genot met erfdienstbaarheden te bezwaren. Artikel 84 breidt die bevoegdheid uit tot de grondhuurder en de vruchtgebruiker, en verleent de vier gerechtigden voorts de bevoegdheid ook ten behoeve van de zaken waarop hun recht rust, erfdienstbaarheid te bedingen (lid 1). In beginsel houden deze bedongen erfdienstbaarheden ook na afloop van het beperkte recht stand, zodat de gewezen hoofdgerechtigde daarvan mede profiteert (lid 2). Hetzelfde geldt voor een erfdienstbaarheid die de opstaller niet bedong ten behoeve van de zaak waarop zijn opstal was gevestigd, maar ten behoeve van de - aan hem als eigenaar voor de duur van zijn recht toebehorende - opstal zelf. Van het beginsel kan bij akte van vestiging van de erfdienstbaarheid worden afgeweken, terwijl de eigenaar die na afloop van het beperkte recht in het genot van de erfdienstbaarheid komt, niet wordt gebonden door het in die akte voorkomende beding van artikel 82 lid 2. Conform de artikelen 758 en 769 van het huidige BW gaat lid 3 uit van het beginsel dat bij het eindigen van het vruchtgebruik, de erfpacht, grondhuur of de opstal ook de erfdienstbaarheid die de beperkt gerechtigde ten laste van het dienend, aan zijn recht onderworpen, erf vestigde, vervalt. In de lijn van artikel 3:81 lid 3, is ech- ter bepaald dat dit niet geldt, wanneer zijn recht eindigt door vermenging of afstand: de eigenaar, vruchtge- bruiker enz. van het heersende erf wordt aldus niet de dupe, als de erfdienstbaarheid zou verdwijnen doordat de beperkt gerechtigde op het dienende erf tevens eigenaar van dat erf wordt. Wel vervalt deze erfdienstbaarheid indien het beperkte recht op andere wijze tenietgaat, zoals door het verstrijken van de termijn waarvoor het is gevestigd, of in geval van vruchtgebruik door het overlijden van de vruchtgebruiker. Evenmin vervalt de erfdienstbaarheid als de hoofdgerechtigde zelf op de in lid 3 omschreven wijze met de vestiging der erfdienstbaarheid heeft ingestemd. Lid 4 verklaart de wettelijke bevoegdheden en verplichtingen van de eigenaar van het heersende, respectievelijk dienend erf van toepassing op de beperkt gerechtigde die overeenkomstig lid 1 een erfdienst- baarheid heeft gevestigd of bedongen. TITEL 5.7 - ERFPACHT Algemeen Evenals de erfdienstbaarheid is de erfpacht een uit oud recht stammend beperkt recht; zij geeft de erfpachter de bevoegdheid eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken: de erfpachter die zijn recht bezit, houdt de zaak voor haar eigenaar (artikel 85 lid 1). De wijze van gebruik kan in de akte waarbij de erfpacht wordt gevestigd (artikel 3:98 j artikel 3:89 lid 4) of eventueel gewijzigd, nader worden geregeld. Door inschrijving van de akte krijgt de regeling een zakelijk karakter - dat wil zeggen: zij kan door en tegen latere 2024 -734- No. 164 verkrijgers ook onder bijzondere titel worden tegengeworpen, mits haar inhoud nauw genoeg aansluit bij aard en inhoud der wettelijke regeling (zie de inleiding op Boek 5 in de memorie van toelichting). Als vatbaar voor zodanige zakelijke werking kunnen onder andere gelden bedingen omtrent een bepaald gebruik van de grond, het aanbrengen en al dan niet wegnemen van gebouwen, het verdelgen van ongedierte, maar ook omtrent het betalen en dragen van zakelijke lasten en het betalen van boete bij overtreding. Hoewel de oorspronkelijke erfpacht bedoeld was voor het agrarisch gebruik van de grond, wordt ze thans ook gebezigd voor industrieel en commercieel gebruik, terwijl ze voorts als instrument tot grondpolitiek van over- heidswege kan dienen. In de terminologie van het ontwerp heet de wederpartij van de erfpachter de eigenaar (zelfs als hij slechts beperkt gerechtigde is - zie artikel 93). De huidige regeling van de erfpacht is te vinden in de artikelen 766 tot en met 781 van het BW.

  1938. Artikel 85 lid 1, dat de aard van de erfpacht omschrijft, is in de algemene inleiding op deze titel reeds ter sprake gekomen. Erfpacht kan ook worden gevestigd op een appartement als aandeel in een onroerende zaak. Lid 2 geeft aan dat, anders dan onder het huidige recht (artikel 766), de verschuldigdheid van een erfpachtcanon geen essentiële van de erfpacht is. Als erfpachtcanon komt, in verband met de artikelen 87 en 92, alleen een geldbedrag in aanmerking; wel is een verplichting in natura toegelaten (zie artikel 90), maar de bepalingen omtrent de canon zijn daarop niet van toepassing. Omtrent de aansprakelijkheid voor betaling door een latere verkrijger van erfpacht over een periode vóór zijn verkrijging zie artikel 92 lid 2.

  1939. Artikel 86 In de vestigingsakte kunnen partijen zelfstandig de duur van de erfpacht bepalen - zie ook artikel 98 - en ook kunnen zij de erfpacht "eeuwigdurend" maken. Dit alles verhindert echter niet de toepasselijkheid van de artikelen 87 en 97. Komen partijen geen bepaalde duur overeen, dan geldt een duur van onbepaalde tijd, waarvoor eveneens de artikelen 87 en 97 gelden.

  1940. Artikel 87 behandelt de mogelijkheid van beëindiging van de erfpacht door opzegging, lid 1 die van de zijde van de erfpachter, leden 2 en 3, tweede zin, die van de zijde van de eigenaar. Lid 1 is van regelend recht, lid 2 - blijkens lid 3 eerste zin - van semi-dwingend recht. De bevoegdheid tot opzegging door de erfpachter kan bij de akte van vestiging worden beperkt of uitgesloten, die tot opzegging door de eigenaar kan, buiten het geval van ernstig tekortschieten aan de zijde van de erfpachter, door de akte van vestiging worden geschapen. Opzegging wegens tekortschieten van de zijde van de erfpachter is geheel wettelijk geregeld, met dien verstande dat bij de akte van vestiging een voor de erfpachter gunstiger regeling kan worden getroffen; een voor deze ongunstiger beding heeft in dat geval niet alleen geen zakelijke, maar ook geen verbintenis- rechtelijke werking. Tekortschieten in niet ernstige mate, inclusief wanbetaling van de canon over een kortere termijn dan twee jaar, kan niet met opzegging worden gesanctioneerd; anderzijds is voor een beroep op het tekortschieten niet vereist, dat dit aan de erfpachter is toe te rekenen. Betekening aan een beperkt gerechtigde die lid 2 vereist, zoals aan een hypotheekhouder en een vrucht- gebruiker, alsmede aan een beslaglegger, stelt dezen in staat de nodige maatregelen te nemen; de hypothecaire schuld zal voorts in de regel opeisbaar worden in geval van zo'n opzegging. De laatste zin van lid 2 verplicht de eigenaar tot vergoeding van de waarde van de erfpacht onder verrekening met het door de erfpachter verschuldigde. De vergoeding is mede van belang voor de houder van de hypotheek op de opgezegde erfpacht: deze hypotheek wordt ingevolge artikel 3:229 omgezet in een pandrecht, dat op het saldo komt te rusten. Aftrek van hetgeen de eigenaar heeft te vorderen, is toegelaten, ook al zouden de vereisten voor verrekening niet zijn vervuld. De waarde der erfpacht kan onder andere door veiling daarvan worden vastgesteld. De bepaling biedt een ruimere vergoeding dan die van artikel 99, dat voor het onder- havige geval niet geldt, welk artikel alleen verplicht tot vergoeding van gebouwen, werken en beplantingen. Deze regeling geldt echter niet als bij ander wettelijk voorschrift anders is bepaald (men denke aan de Agrarische wet). Zie voor het vigerende recht artikel 781 j artikel 765 van het BW. 2024 -735- No. 164

  1941. Artikel 88 geeft enige uitwerking van formaliteiten aan het voorgaande artikel, die bij elkaar de rechts- zekerheid voor partijen en derden dienen. Het exploot kan uiteraard in de openbare registers worden ingeschreven. Zie voor het bestaande recht eveneens artikel 775 j artikel 758 van het BW. Lid 1 van artikel 89 betreft het genot van de in erfpacht uitgegeven zaak, lid 2 wijziging van de bestemming daarvan en het verrichten van handelingen in strijd met de bestaande bestemming, lid 3 het wegnemingsrecht bij het einde van de erfpacht. De leden geven hoofdregels die doorbroken kunnen worden, die van de leden 1 en 3 bij de akte van vestiging, die van lid 2 door toestemming van de eigenaar. Zie bij lid 1 de inleiding bij de titels 5.6-5.9. De toestemming van de eigenaar volgens lid 2 kan, met werking tegen rechtsopvolgers van de eigenaar, in de openbare registers worden ingeschreven. Zie voor het geldende recht in het bijzonder artikel 767. Het ontwerp is in zoverre wat strenger, dat het ook toestemming van de eigenaar vereist als wijziging van de bestemming de waarde niet zou verminderen: de eigenaar - bijvoorbeeld de overheid - kan andere belangen bij de zaak hebben dan (exploitatie van) de financiële waarde.

  1942. Artikel 90 Evenals aan de vruchtgebruiker volgens artikel 3:216, komen ook aan de erfpachter de vruchten der zaak toe, voor zover deze tijdens de duur van het recht zijn afgescheiden of opeisbaar geworden; vgl. artikel 1 lid 3. Datzelfde geldt voor de roerende voordelen die geen vruchten zijn, zoals delfstoffen en een gevonden schat voor de helft die niet de vinder toekomt (artikel 13), doch een onroerend voordeel, zoals aanwas, valt de eigenaar toe; vgl. artikel 3:213 lid 2, omtrent de voordelen in geval van vruchtgebruik, welke regeling het onderscheid tussen roerend en onroerend niet maakt.

  1943. Artikel 91, leden1 tot en met 3, vormt een uitzondering op de hoofdregel van artikel 3:83, die beperkte rech- ten in beginsel tot overdraagbaar verklaart. Verkrijging door vererving, ook krachtens testament, kan niet aan het vereiste van toestemming worden onderworpen, wel overdracht krachtens legaat, en toedeling uit bijvoorbeeld een nalatenschap. Het vereiste van toestemming wordt aan de eigenaar geboden, omdat deze bijvoorbeeld als overheid, er een gerechtvaardigd belang bij kan hebben, zeggenschap uit te oefenen over de keuze van een opvolgende erfpachter. Dit belang moet echter wijken voor het belang van schuldeisers die als beslaglegger of hypotheekhouder tot executie overgaan, aldus het slot van lid 1. Volgens artikel 106 kan ook een erfpachter een gebouw in appartementen splitsen en volgens artikel 117 kan hij en kan een appartementseigenaar het appartementsrecht overdragen, doch krachtens lid 3 van het onderhavige artikel kan de eigenaar zeggenschap behouden over overdracht en toedeling aan personen aan wie hij het (ingeschreven) vereiste van toestemming kan tegenwerpen. De bevoegdheid tot bezwaring van de onroerende zaak met bijvoorbeeld hypotheek kan niet door het vereiste van toestemming worden beperkt. Lid 4 waakt tegen de gevolgen van het uitblijven van de toestemming en tegen onredelijk gebruik van de bevoegdheid tot weigering daarvan. Zie voor het bestaande recht artikel 769 van het BW, dat echter geen regeling geeft omtrent een mogelijk vereiste van toestemming van de eigenaar.

  1944. Artikel 92 behandelt de aansprakelijkheid van personen die gezamenlijk tot betaling van dezelfde canon zijn gebonden. In lid 1 is dat het geval met deelgenoten, bijvoorbeeld erfgenamen, alsmede dat van erfpachters van elk een deel van de onroerende zaak, in lid 2 is dat de bij dat lid voorgeschreven medeaansprakelijkheid van een opvolgend erfpachter met zijn voorganger voor achterstallige canon over een maximale termijn van vijf jaar. De aansprakelijkheid in deze gevallen is hoofdelijk. De regeling van de hoofdelijkheid zal zijn te vinden in Boek 6 (afdeling 6.1.2), waar ook het regres op "de schuldenaar die het aangaat" - bijvoorbeeld van de opvolger op zijn voorganger - is uitgewerkt. De eigenaar kan zijn vordering desnoods door beslag op en executie van de erfpacht kracht bijzetten. 2024 -736- No. 164 Het slot van lid 1 ziet op splitsing van de canon bij overeenkomst, bij de akte van erfpacht of krachtens de wet, zoals in het appartementsrecht geregeld. Bij lid 2 valt nog aan te tekenen dat de opvolger zich uiteraard bij de eigenaar kan vergewissen van het risico dat hij door de opvolging loopt. Lid 3 laat bijvoorbeeld toe de wettelijke termijn van aansprakelijkheid van de opvolger te verkorten, doch niet die te verlengen. De huidige wet bevat geen regeling van de in dit artikel behandelde problematiek.

  1945. Artikel 93 Evenals voor het huidige recht, doch zonder wettelijke basis, wordt aanvaard, kan de erfpachter ondererfpacht vestigen, en wel niet als een beperkt recht op zijn eigen beperkte recht (hetgeen ook niet zou stroken met het karakter van zakelijk recht), doch als een beperkt recht op de door hem in erfrecht gehouden zaak zelf (zie ook de constructie van artikel 84 lid 2, voor de erfdienstbaarheid). Tegenover de ondererfpachter neemt de erfpachter de positie van de eigenaar in (aldus lid 3), tegenover de eigenaar-erfverpachter heeft de onder-erfpachter een "zwakker" recht. In de eerste plaats is de omvang van zijn recht beperkt door de beperkingen die ook voor de erfpachter gelden en die bij de akte van vestiging zijn gesteld (lid 1 tweede zin). Ook in duur is de ondererfpachter afhankelijk van die van de erfpacht, behalve in het geval van beëindiging daarvan door afstand en vermenging - conform artikel 3:81 lid 3 (dat niet rechtstreeks toepasselijk is, omdat de ondererfpacht niet een beperkt recht op een beperkt recht, de erfpacht is, maar op de zaak zelf rust); zie aldus lid 2, eerste zin, te vergelijken met artikel 84 lid 3. In de derde plaats is de ondererfpacht niet bestand tegen executie van de erfpacht wegens wanprestatie in betaling van de canon (lid 2 tweede zin). De derde zin van lid 2 maakt een begrijpelijke uitzondering op de eerste twee zinnen; zie ook hier artikel 84 lid 3.

  1946. Artikel 94 kent in beginsel aan de erfpachter de bevoegdheid tot verhuring van de zaak toe, met de mogelijk- heid van uitsluiting van die bevoegdheid bij de akte van vestiging (lid 1). Lid 2 regelt de gevolgen van een verhuring die is overeengekomen over een periode na het einde van de erfpacht. Deze regeling is afgestemd op die van artikel 3:217 met betrekking tot een huur die nog loopt bij het einde van een vruchtgebruik. De tekst van het ontwerp bevat gelijksoortige afwijkingen van de parallelle tekst van het Nederlandse BW als artikel 3:217, waarin rekening moest worden gehouden met de in Nederland geldende regels van huur- en pachtbescherming.

  1947. Artikel 95 behelst een met de artikelen 3:218 voor vruchtgebruik en 3:245 voor pand vergelijkbare regeling omtrent het procederen in zaken die zowel de eigendom als de erfpacht raken; men vergelijke de algemene opmerkingen in de memorie ter inleiding van titel 5.4 inzake het burenrecht. Zie ook HR 7-3-2003, NJ 2003, 244.

  1948. Artikel 96 lid 1, bepaalt voor de erfpachter tegenover de eigenaar hetzelfde als artikel 3:220 lid 1, voor de vruchtgebruiker tegenover de hoofdgerechtigde. Onder lasten zijn niet alleen te verstaan financiële lasten, doch ook verplichtingen bijvoorbeeld uit het burenrecht. Lid 2 legt de verplichting tot voldoening van buitengewone lasten zonder meer op de erfpachter en wijkt daarmee, in verband met het verschil in aard van de beide rechten, af van artikel 3:222 lid 2, met betrekking tot vruchtgebruik. Lid 3 laat afwijking van de leden 1 en 2 toe bij de akte van vestiging. Het artikel komt in hoofdlijnen overeen met de artikelen 768 en 772 van het huidige BW.

  1949. Artikel 97 Een voorziening die het ontwerp, in afwijking van de huidige wet, bevat, is de mogelijkheid tot opheffing of wijziging van de erfpacht door de rechter. Zij is een lex specialis ten opzichte van de regeling die in Boek 6 zal worden voorgesteld voor wijziging van overeenkomsten en andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen (artikelen 6:258 en 6:216). Zij wijkt daarin af dat wijziging of opheffing pas kan worden verlangd nadat ten minste vijfentwintig jaar sinds de vestiging der erfpacht zijn verstreken: erfpacht pleegt 2024 -737- No. 164 voor een lange termijn te worden gevestigd en schept daardoor een verhouding waarvoor stabiliteit een eerste vereiste is. Overigens kan zij op dezelfde grond worden toegewezen die ook de maatstaf voor artikel 6:258 vormt: onvoorziene omstandigheden van dien aard dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de akte van vestiging niet kan worden gevergd. Aldus ook artikel 78, aanhef en onderdeel a, met het verschil dat bij erfpacht beide partijen de wijziging of opheffing kunnen verlangen; zie ook de toelichting op artikel 78 ter zake van de maatstaf. De rechterlijke uitspraak is vatbaar voor inschrijving in de openbare registers, met de gevolgen van dien (afdeling 3.1.2). Zie voor lid 2 artikel 81 lid 1, met toelichting en voor lid 3 artikel 81 lid 2, met toelichting. Bij beperkte rechten denke men in dit verband vooral aan hypotheek en ondererfpacht; voor de toewijzing is niet vereist dat ook het beperkte recht zelf ten minste vijfentwintig jaar heeft geduurd.

  1950. Artikel 98 regelt de rechtspositie van partijen, wanneer de duur van de erfpacht is verstreken en alsdan nog geen van beide partijen daadwerkelijk heeft blijk gegeven zich daarnaar ook te (zullen) gedragen. De erfpacht blijft dan stilzwijgend voor onbepaalde tijd doorlopen, doch de eigenaar heeft volgens het ontwerp nog gedurende zes maanden de gelegenheid om zich zonder meer op het einde van de erfpacht te beroepen; heeft hij zich ook in die tijd niet uitgesproken, dan staat hem voor de beëindiging slechts opzegging overeenkomstig artikel 88 open. De verlenging behoeft niet, om ook tegenover derden te kunnen worden ingeroepen, in de openbare registers te worden ingeschreven. Uiteraard kunnen partijen een verlengingsover- eenkomst sluiten, die zich voor inschrijving in de registers leent. Lid 2 verklaart bedingen die afwijken ten nadele van de erfpachter, nietig: zulke bedingen hebben niet alleen ten opzichte van derden-verkrijgers geen werking, maar ook niet tussen partijen zelf. Tegenover het huidige artikel 777 geeft artikel 98 een meer verfijnde regeling; zie voor het huidige recht ook HR 26-1-1979, NJ 1979, 452, dat voor de opzegging een redelijke termijn verlangt. Anders dan het huidige recht behelst het ontwerp, en wel in artikel 99, een regeling omtrent de vergoeding die de eigenaar in beginsel verplicht is de erfpachter toe te kennen voor de waarde der gebouwen, werken en beplantingen die laatstgenoemde heeft aangebracht en die bij het einde van de erfpacht achterblijven; onder deze waarde zal ook begrepen zijn de waardeverhoging die de in erfpacht gegeven zaak verkrijgt door het ach- terblijven der gebouwen, enz. Geen vergoeding is verschuldigd voor zover het aanbrengen der zaken een gevolg is van het onderhoud waartoe de erfpachter is verplicht. Krachtens artikel 89 lid 3, zal de erfpachter deze zaken dikwijls ook mogen wegnemen, zodat hij dan de keus heeft tussen de toepassing van artikel 89 en die van artikel 99, voor zover lid 2 van dit artikel, onderdeel d, daaraan niet in de weg staat. Lid 1 legt het beginsel van de vergoeding vast. In het algemeen is deze billijk: de eigenaar kan bij het vaststellen van de hoogte van de canon desgewenst rekening houden met zijn vergoedingsverplichting bij het einde van de erfpacht. Niettemin kunnen belangrijke uitzonderingen op hun plaats zijn. Lid 2 vermeldt de gevallen waarin afwijking bij de akte van vestiging is toegestaan. Zie voorts ook artikel 87 lid 2 laatste zin (met de toelichting daarop), waarin een afwijkende regeling voor het geval van beëindiging door opzegging vanwege de eigenaar voor het geval van ernstige wanprestatie en van wanbetaling van de canon is vervat. Voor lid 3 zie men artikel 87 lid 2, laatste zin, met de toelichting daarop.

  1951. Artikel 100 biedt zowel de erfpachter (lid 1) als de eigenaar (lid 3) een retentierecht; in het eerste geval kan daarvan niet, ook niet bij slechts obligatoir werkend, beding worden afgeweken (lid 2). Zie voor het reten- tierecht in het algemeen de artikelen 3:290 e.v. Het retentierecht van de erfpachter rust op de gehele in erfpacht gegeven zaak, dat van de eigenaar op hetgeen de erfpachter op grond van zijn wegneemrecht (artikel 89 lid 3) heeft afgebroken. Is de afbraak nog niet voltooid, dan zal de eigenaar gewoonlijk een verbod tot (verdere) afbraak kunnen uitlokken. Zie voor het retentierecht in het huidige wetboek artikel 761 j artikel 765, en artikel 770. 2024 -738- No. 164 TITEL 5.8 - OPSTAL Algemeen Het opstalrecht heeft twee aspecten: enerzijds is het een beperkt zakelijk recht om op een anders onroerende zaak een zakelijk recht te hebben, namelijk daarin, daarop of daarboven gebouwen, werken of beplantingen te hebben, anderzijds kent het de eigendom van deze "opstallen" aan de beperkt gerechtigde toe. Als zodanig doorbreekt het de regel van artikel 20, onderdelen e en f; zie in de toelichting op dit artikel, en eveneens op die van artikel 3:3 nader over de begrippen gebouwen, werken en beplantingen. De eigendom van de opstal vloeit voort uit het opstalrecht en kan daarvan niet worden losgemaakt; overdracht van het opstalrecht brengt mede dat de eigendom van de opstallen mee overgaat, hypotheek kan niet op de afzonderlijke opstallen worden gevestigd, wel op het opstalrecht, tenzij dit een afhankelijk recht is (zie artikel 101 lid 2). In dit opzicht verschilt het opstalrecht van de erfpacht, waarmee het overigens zodanige gelijkenis vertoont dat een groot aantal bepalingen uit titel 5.7 op het opstalrecht van toepassing wordt verklaard (zie de artikelen 104 en 105 lid 3). Met betrekking tot de leden van artikel 101 zij het volgende opgemerkt. Lid 1: Het is mogelijk een opstal niet alleen op een onroerende zaak - veelal de grond - te hebben, maar ook daarin of, zonder verbinding, daarboven: men denke aan leidingen en buizen. Ook is het mogelijk een opstalrecht op een gebouw te hebben, hetgeen het bestaan van opstal op opstal veronderstelt. Lid 2: Dikwijls is het opstalrecht een uitvloeisel van een ander (genots)recht, meestal erfpacht of huur. Als zodanig is het een afhankelijk recht - zie voor de algemene gevolgen daarvan de artikelen 3:7 en 3:82 en de toelichting daarop. De specifieke gevolgen komen in de volgende artikelen aan de orde. In het ontwerp zijn de woorden "of pacht", die in het Nederlands BW voorkomen, evenals elders niet overgenomen omdat hier te lande pacht naast huur geen zelfstandige betekenis heeft. Lid 3: Vergelijk artikel 85 lid 2, voor de erfpachtcanon. De in de Nederlandse tekst voorkomende term "retributie" is door de term "solarium" vervangen.

  1952. Artikel 757 van het huidige wetboek gaat slechts uit van opstal als een zakelijk recht op een anders grond, zonder de aard daarvan als eigendom te karakteriseren, terwijl het evenmin onderscheid maakt tussen het zelfstandige en het afhankelijke opstalrecht.

  1953. Artikel 102 Als eigenaar van de opstal heeft de opstalgerechtigde in beginsel de bevoegdheden die artikel 1 hem toekent. Wegens het bijzondere karakter van het onderhavige recht als tevens beperkt recht ten opzichte van de eigendom van de grond enz. kunnen echter beperkingen in de vestigingsakte worden aangegeven die mede zakelijke werking hebben. Vergelijk voor het geldende recht de artikelen 758 en 763.

  1954. Artikel 103 Regelt artikel 102 de verhouding tussen het opstalrecht en de onroerende zaak waarop het rust, vanuit de bevoegdheden ten aanzien van de opstal, artikel 103 doet dat vanuit de bevoegdheden met betrekking tot de onroerende zaak: de opstalgerechtigde mag die uitoefenen voor zover hij die voor het vol genot van zijn recht - strikt - nodig heeft. Zo komt hem, als zodanig, anders dan de erfpachter (artikel 90), geen recht van vrucht- trekking toe. De wet verzet zich er niet tegen dat deze rechten bij de vestigingsakte worden uitgebreid, waardoor zij, mits in voldoende verband met de aard van het beperkte recht, zakelijke werking verkrijgen; men denke bijvoorbeeld het recht om vruchten te plukken van gewassen die groeien op de grond waarop het opstalrecht rust, doch niet zelf onder het recht vallen. Is het opstalrecht afhankelijk van bijvoorbeeld erfpacht of huur, dan zullen dit soort rechten gewoonlijk uit die rechten voortvloeien en de aard daarvan volgen. Is het opstalrecht afhankelijk van huur, dan zullen die be- voegdheden derhalve niet zakenrechtelijk, doch verbintenisrechtelijk zijn - zie HR 7-3-1979, NJ 1980, 116. Zie voor het geldende recht artikel 759 van het BW. 2024 -739- No. 164 Lid 1 van artikel 104 verklaart een tweetal artikelen uit de erfpachtregeling van overeenkomstige toepassing op ieder opstalrecht, namelijk artikel 92 (hoofdelijke verbondenheid voor de betaling van de canon, in artikel 100 lid 3, voor het opstalrecht als solarium aangeduid) en artikel 95 (de bevoegdheid tot procederen). Lid 2 verklaart bovendien een achttal andere erfpachtregels van toepassing op het zelfstandige opstalrecht, de artikelen 86 (duur), 87 en 88 (opzegging), 91 (toestemming in geval van overdracht, enz.), 93 ("ondererfpacht"), 94 (bevoegdheid tot verhuring), 97 (mogelijkheid van opheffing na vijfentwintig jaar) en 98 (voortzetting na afloop). Is het opstalrecht een afhankelijk recht, dan gelden uiteraard de regels van het hoofd- recht. In artikel 765 van het huidige BW kan, anders dan op grond van toepassing van artikel 104 j artikel 97, de eigenaar het opstalrecht na een termijn van dertig jaar doen ophouden, mits hij bij exploot ten minste een jaar van te voren opzegt.

  1955. Artikel 105 regelt de gevolgen van het einde van het opstalrecht. De hoofdregel van artikel 20 herneemt dan zijn werking: de eigenaar van de grond wordt eigenaar van de opstallen zonder dat overdracht is vereist (lid 1). Tijdens de duur van het opstalrecht heeft de opstaller als eigenaar de bevoegdheid de opstallen ook te verwijderen. Is zijn recht geëindigd, dan heeft hij dat ingevolge lid 1 in beginsel niet meer. Lid 2 biedt hem nochtans voor korte tijd ("bij het einde") de bevoegdheid tot verwijdering, op dezelfde wijze en binnen dezelfde beperkingen als de erfpachter die bevoegdheid heeft, en kent hem mede een retentierecht toe (lid 3). Vgl. voor het huidige BW de artikelen 761 en 762. TITEL 5.9 - APPARTEMENTSRECHTEN Algemeen In een modern Burgerlijk Wetboek mag een regeling van het appartementsrecht niet ontbreken. De praktijk vraagt om de mogelijkheid van een zakelijk recht op een verdieping of gedeelte van bijvoorbeeld een “mall”, met de mogelijkheid van vestiging van hypotheek en daarmee een eenvoudige methode van verkrijging van krediet. Zonder wettelijke regeling komt men in aanvaring met de oude regel dat alles wat op de grond gebouwd wordt en daarmee duurzaam verenigd is, als een bestanddeel van de grond te beschouwen is. Thans is deze regel verduidelijkt in artikel 20: de eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt, de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Onder het begrip appartementsrecht zoals dit in het voorgestelde artikel 106 lid 4 is omschreven, dient te worden verstaan een aandeel in de eigendom van een gebouw met toebehoren en de daarbij behorende grond met toebehoren (dan wel in een recht van erfpacht, grondhuur of opstal op de grond), in welk aandeel is begrepen de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt (de zogenaamde privé-gedeelten), alsmede het medegebruik van de overige gedeelten (de gemeenschappelijke gedeelten) en van de gemeenschappelijke zaken (bijvoorbeeld meubilair in de gemeenschappelijke gedeelten). Het aandeel kan verder mede omvatten de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van de grond, bijvoorbeeld een tuin. De basis van het begrip appartementsrecht wordt aldus gevonden in de mede-eigendom (vgl. de gemeenschap van artikel 3:166 e.v.). Hieruit blijkt wel, dat het begrip appartementsrecht van gecompliceerde aard is. Enerzijds is het recht van appartement een aandeel in het gebouw en de daarbij behorende grond (eventueel in een recht van erfpacht, grondhuur of opstal rustend op de grond) - een bijzondere vorm van gemeenschap - anderzijds verschaft het een exclusief recht op het gebruik van een privé-gedeelte (een of meer bepaalde gedeelten van het gebouw of de grond die voor afzonderlijk gebruik bestemd zijn). Dit exclusief recht op gebruik is een afhankelijk recht. Voorts is van rechtswege aan een appartementsrecht verbonden het lidmaatschap van de verplichte vereniging van eigenaars (VEV) (artikel 125 lid 2). 2024 -740- No. 164 Voorzien wordt bovendien – zonder pendant in het Nederlandse recht, maar wel in dat van de Nederlandse Antillen – in een zakenrechtelijke vorm waarin timeshare (rechten van gebruik in deeltijd) van onroerende zaken (vgl. artikel 7:48a onder a) kan worden gegoten, te weten een deeltijdappartementsrecht. Voor de rechtsvorm waarin in het algemeen de timeshare gegoten wordt zijn geen dwingende regels. Men is vrij de vorm te kiezen die het beste uitkomt. Gedacht kan worden in het huidige recht aan: - aandelen in een gemeenschap (waarbij de vordering tot verdeling is uitgesloten; zie de memorie van toelichting bij artikel 3:178 lid 1), - (eigen) beperkte zakelijke genotsrechten, waarbij het recht wordt gevestigd voor jaren of onbepaalde tijd, maar de periodieke uitoefening van het recht beperkt wordt tot een of enkele weken per jaar; - rechten in een rechtspersoon waarbij het gebruiksrecht van de onroerende zaak is verbonden aan een zeggenschapsrecht, in het bijzonder een aandeel in een naamloze of besloten vennootschap of een lidmaatschap in een coöperatieve vereniging, en - obligatoire rechten, waarbij in het bijzonder valt te denken aan huur. Hieraan wordt thans het deeltijdappartementsrecht als goederenrechtelijke vorm toegevoegd. Het appartementsrecht is bij uitstek toegesneden op timeshare, aangezien voorzien wordt in samenwerking van betrokkenen en onderhoud van de zaak. De goederenrechtelijke vormen bieden veel zekerheid, maar hebben als nadeel dat de vestiging en overdracht nogal omslachtig is (vereiste van notariële akte en inschrijving in de openbare registers). Bij gebruikmaking van een rechtspersoon, zou ter beperking van het risico van de timeshare holders de eigendom van de desbetreffende onroerende zaak in een stichting kunnen worden ondergebracht. Bij huur biedt artikel 1597 van het huidige BW (“koop breekt geen huur”) goede bescherming, ook in geval van faillissement, althans indien de huurprijs vooruit betaald is en de opzeggingsbevoegdheid van de verhuurder beperkt is, aangenomen dat in het gegeven geval huur moet worden aangenomen. Door de voorgestelde schakelbepaling in artikel 106 lid 8, kan de uitwerking zeer beperkt blijven. Afdeling 5.9.1 - Algemene bepalingen In artikel 106 lid 1, is de splitsingsbevoegdheid van de eigenaar, erfpachter, grondhuurder en opstaller neergelegd. De erfpachter, grondhuurder en opstaller behoeven daarvoor echter de toestemming van de eigenaar, met de mogelijkheid van vervangende machtiging van de kantonrechter (lid 7). In lid 3 is uitdrukkelijk de bevoegdheid tot "ondersplitsing" in appartementen toegekend. Daaraan kan bijvoorbeeld behoefte bestaan, als een gebouw uit verschillende lagen bestaat, die gesplitst zijn in een onderste laag van winkels en bovenlagen van woningen; de ondersplitsing geldt dan voor de benedenlaag enerzijds en de bovenlagen anderzijds. Timeshare in de vorm van een deeltijdappartementsrecht wordt geïntroduceerd in lid 1. Splitsing van een gebouw in zowel appartementsrechten als deeltijdappartementsrechten is in beginsel mogelijk. In lid 2 is de mogelijkheid geopend om een eigendoms-, erfpachts-, grondhuur- of opstalrecht op een onbebouwd stuk grond te splitsen, ook zonder dat op die grond een gebouw is of in de toekomst zal worden gesticht. Bij wijze van voorbeeld kan in dit verband worden gedacht aan de splitsing ten behoeve van parkeerplaatsen. Ook het geval dat zich op de grond water bevindt, is onder de bepaling begrepen (vergelijk artikel 20, onderdeel d). Men denke hierbij aan de splitsing ten behoeve van ligplaatsen voor vaartuigen, waarbij bijvoorbeeld de ligplaats met de daarbij behorende meerpaal een appartementsrecht kan vormen. Hieruit vloeit tevens voort dat in één en dezelfde splitsing een combinatie van een appartement als woning en bijvoorbeeld een appartement als staanplaats voor een auto mogelijk is. In Nederland is deze mogelijkheid ingevoerd bij wet van 19 februari 2005, Stb. 89 (Kamerstukken 28 614). In lid 3 wordt het begrip “ondersplitsing” geïntroduceerd, mede met het oog op lid 3 van artikel 127. Gaat het om deeltijdappartementsrechten, dan is de mogelijkheid van ondersplitsing in beginsel uitgesloten. Aangezien het echter niet ondenkbaar is dat deeltijdappartementsrechten voor ruimere periodes dan de gebruikelijke week of veertien dagen in het leven worden geroepen, kan de akte van splitsing expliciet de mogelijkheid van ondersplitsing van deeltijdappartementsrechten openen. 2024 -741- No. 164 Lid 4 definieert het appartementsrecht. Niet ieder gebouw mag worden gesplitst. De delen moeten geschikt zijn om zelfstandig, als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Ook het begrip deeltijdappartementsrecht wordt in lid 4 omschreven. Hieruit volgt dat ook “floating systems”, waarbij de deelgerechtigde recht heeft op een bepaalde periode per jaar, maar de data en het seizoen kunnen verschillen, alsmede het opsparen van gebruiksrechten goederenrechtelijk kunnen worden geregeld. Dit vereist wel een gedetailleerde regeling in de akte van splitsing omtrent de wijze van toekenning en vaststelling van de concrete periodes waarin de deeltijdappartementseigenaars hun gebruiksrecht kunnen uitoefenen. Het kan daarom aanbeveling verdienen om te kiezen voor op regelmatige tijdstippen terugkerende tijdstippen gedurende een bepaalde periode en een eventueel “floating system” en opspaarsysteem verbintenisrechtelijk (obligatoir) te regelen. De gebruiksrechten kunnen immers verbintenisrechtelijk onderling worden gewisseld. Blijkens lid 4 kan behalve de inrichting ook een aanduiding worden genoemd als element waaruit de bestemming kan worden afgeleid om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. In het geval van een parkeerplaats zal bijvoorbeeld een afsluitklem als (behorend tot de) inrichting en de belijning als aanduiding kunnen worden beschouwd. In het geval van een ligplaats voor een vaartuig zal bijvoorbeeld een meerpaal als (behorend tot de) inrichting kunnen worden beschouwd. Evenals onder lid 3 het geval is, is niet uitgesloten dat het appartementsrecht recht geeft op het gebruik van bijvoorbeeld een willekeurig parkeervak in een parkeergarage, dus zonder dat de gerechtigde tot het appartementsrecht aanspraak kan maken op het uitsluitende gebruik van één specifiek parkeervak in die garage (“floating space”). Hetzelfde geldt voor een deeltijdappartementsrecht ter zake van een stuk grond. De gerechtigde tot een appartementsrecht wordt in lid 5 aangeduid als appartementseigenaar. Dit kan een eigenaar, een opstaller, grondhuurder of een erfpachter zijn, die door splitsing van zijn recht een appartementsrecht heeft gekregen. Appartementseigenaars zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (vgl. HR 30-10-1998, NJ 1999, 83 en hierna artikel 124 lid 2). In lid 6 is rekening gehouden met één splitsing die verschillende, bijeenhorende, flatgebouwen betreft, bijvoorbeeld bejaardenwoningen. In lid 7 wordt de mogelijkheid geopend de vereiste toestemming van de grondeigenaar bij splitsing door de erfpachter, grondhuurder of opstaller te vervangen door een rechterlijke machtiging. (Een soortgelijke mogelijkheid is ook voorzien in de artikelen 120 lid 3, 121 lid 1, 128 en 140; vgl. bij artikel 121 ook HR 7- 4-1978, NJ 1978, 545, en HR 25-6-1993, NJ 1993, 627). In lid 8 is een schakelbepaling neergelegd, die aanpassing van praktisch alle bepalingen van titel 5.10 aan de nieuw geïntroduceerde deeltijdappartementsrechten onnodig maakt.

  1956. Artikel 107 komt de praktijk tegemoet door "splitsing op tekening", als voorgenomen splitsing, toe te laten. Het gebouw waarop de splitsing betrekking heeft, hoeft dus nog niet klaar te zijn. Vereist wordt, in artikel 109, aanhechting van een tekening der splitsing aan de splitsingsakte. Heeft de splitsing plaatsgevonden door iemand die niet bevoegd was, bijvoorbeeld een persoon die ten onrechte meende eigenaar, erfpachter of opstaller te zijn, dan leidt dit tot nietigheid van de splitsingshandeling. Niettemin biedt artikel 110 lid 1, bescherming indien er een (niet bestaand) appartementsrecht is overgedragen aan een derde of daarop een beperkt recht is gevestigd. Het behoeft geen betoog, dat de ongeldigheid van de splitsing tot ernstige gevolgen leidt: niet alleen de appartementsrechten, maar ook de daarop gevestigde hypotheken zijn ongeldig. Onduidelijk is of de beschermingsbepalingen van de titel 3.4 van toepassing zijn, omdat er bij splitsing geen sprake is van de vestiging van een beperkt recht (artikel 3:88 jo. 98). In verband hiermee is bepaald dat, ondanks onbevoegdheid van degene die de splitsing heeft verricht, de splitsing toch geldig is, indien zij is gevolgd door een (overigens) geldige overdracht van een appartementsrecht of vestiging van een beperkt recht op een appartementsrecht. Bij de beantwoording van de vraag of de overdracht of vestiging geldig is, zal men uiteraard geen rekening mogen houden met de omstandigheid, dat de splitsing ongeldig was op grond van onbevoegdheid; anders zou de bepaling geen zin hebben. Want indien de splitsing ongeldig is, kunnen er in het geheel geen appartementsrechten zijn ontstaan, die geldig overgedragen zouden kunnen worden of 2024 -742- No. 164 waarop een beperkt recht zou kunnen worden gevestigd. De bedoeling van artikel 110 is echter juist om te bereiken, dat wanneer na de ongeldige splitsing een appartementsrecht wordt overgedragen, of wanneer er een beperkt recht op wordt gevestigd, de splitsing (en daardoor ook de overdracht of de vestiging) achteraf toch nog geldig wordt. Dit betekent, dat niet alleen het overgedragen appartementsrecht, maar ook de andere door de splitsing in het leven geroepen appartementsrechten als geldig worden beschouwd. De ratio hiervan hangt samen met het bijzonder karakter van een appartementsrecht: het is niet een recht dat op zichzelf kan bestaan, omdat de inhoud ervan gevormd wordt door een complex van rechten en verplichtingen jegens andere appartementseigenaars. Het ene recht kan dus niet bestaan zonder het andere recht. Vooral kan worden gedacht aan drie gevallen: a. Nadat een gebouw door een ander dan de eigenaar is gesplitst, heeft de eigenaar van het gesplitste registergoed zelf een appartementsrecht overgedragen aan een derde. Men zou in deze overdracht een soort bekrachtiging van de splitsing kunnen zien. In ieder geval is het gevolg, dat alle appartementsrechten geacht worden rechtsgeldig te zijn ontstaan. b. Na de splitsing door een onbevoegde en de overdracht of bezwaring van een appartementsrecht, wordt degene die splitste alsnog bevoegd, bijvoorbeeld doordat hij het desbetreffende registergoed erft van de werkelijke eigenaar. In dat geval bestaat een situatie te vergelijken met die welke is geregeld in artikel 3:58 (convalescentie). c. De splitsing is geschied door iemand die verkregen heeft krachtens een ongeldige titel. In dat geval bestaat behoefte aan bescherming van een derden-verkrijger tegen het gebrek in de overdracht (artikel 3:88). In het onderhavige geval kan deze slechts bereikt worden, wanneer niet alleen de overdracht van het appartementsrecht, maar ook de splitsing zelf als geldig wordt beschouwd. Het overgedragen appartementsrecht kan immers niet op zichzelf bestaan. Een zeker even belangrijke bescherming tegen onbevoegdheid van degene die de splitsing tot stand heeft gebracht, treft men aan, wanneer de onbevoegdheid slechts bestond met betrekking tot een deel van de in de splitsing betrokken goederen (artikel 144). Uit artikel 144 lid 1 onder f, volgt dat de splitsing in zo'n geval niet nietig is, maar dat de kantonrechter kan bevelen dat de akte van splitsing wordt gewijzigd, dan wel de splitsing wordt opgeheven. Op deze wijze wordt bereikt dat wanneer achteraf blijkt dat een derde een recht heeft op een deel van de in de splitsing betrokken percelen (bijvoorbeeld eigenaar blijkt te zijn van een deel van de mede in de splitsing betrokken tuin), de na de splitsing in het leven geroepen rechten niet automatisch vervallen, maar in beginsel blijven bestaan. Wordt de kantonrechter ingeschakeld, dan kan deze trachten een zoveel mogelijk bij de feitelijke situatie passende oplossing te vinden. In artikel 110 lid 2 is bepaald dat een splitsing in appartementsrechten door een onbevoegde eveneens geldig is, indien een appartementsrecht of een beperkt recht op een appartementsrecht door verjaring is verkregen. Wanneer dus bijvoorbeeld een ongeldige splitsing tot stand is gebracht door A die geen eigenaar was en niet als bezitter te goeder trouw kan gelden, en A vervolgens een appartementsrecht overdraagt aan B die wel te goeder trouw is en daarom door verjaring rechthebbende wordt, dan is de werkelijke eigenaar X in zover aan de splitsing gebonden, dat hij niet het goed zelf, maar slechts de appartementsrechten die na de splitsing zijn ontstaan (met uitzondering van het recht van B) van A kan terugvorderen. Het resultaat is dan dat B gerechtigd is tot één appartementsrecht, en de andere appartementsrechten toekomen aan X, de oorspronkelijke eigenaar. In artikel 111 worden de eisen gesteld waaraan de akte van splitsing moet voldoen. Onder andere moet de akte van splitsing een reglement bevatten die echter niet in extenso hoeft te worden opgenomen. In artikel 112 geeft de wet een regeling over de inhoud van het reglement. Hierbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen verplichte bepalingen, die het reglement moet bevatten (dit vereiste komt dus boven het in artikel 111 opgenomen vereiste van de bepalingen die de splitsingsakte minimaal moet bevatten) en facultatieve bepalingen, die het reglement kan bevatten. Veelal wordt daarbij gebruik gemaakt van een modelreglement (artikel 111, onderdeel d). Onderdeel e stelt de oprichting van een Vereniging van Eigenaars verplicht. In lid 2 onderdeel b, van dit artikel wordt toegestaan dat het doel der vereniging ruimer is 2024 -743- No. 164 dan het "uitsluitend voeren van het beheer over het gebouw"; een nevendoel kan bijvoorbeeld zijn het verrichten van bepaalde diensten ten behoeve van de gebruikers der appartementen ("verzorgingsflats"). Lid 3 van artikel 112 biedt de mogelijkheid om aan het lidmaatschap van de VvE het lidmaatschap van een bepaalde andere vereniging te koppelen, waaraan bijvoorbeeld niet alle appartementseigenaars behoefte hebben, of die werkt in het belang van de appartementseigenaars van verschillende gebouwen. In lid 4 wordt onder meer de geldigheid van zgn. welstands- of ballotageregelingen expliciet erkend. De regels omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud behoren in beginsel thuis in het reglement dat deel uitmaakt van de splitsingsakte en door openbaarmaking ook voor derden kenbaar is. Opneming van zulke regels in het huishoudelijk reglement is daarom nietig, behalve voor zover het gaat om regels van orde, voor zover bedoeld reglement de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk opent. Aldus HR 10-3-1995, NJ 1996, 594 en 595. In artikel 113 is een regeling gegeven omtrent de schulden en kosten van de gezamenlijke appartements- eigenaars. De omvang van het aandeel van een appartementseigenaar in gebouw en grond is een belangrijk gegeven, met name omdat deze omvang vaak bepalend is voor het aantal aan het appartementsrecht verbonden stemmen, alsmede voor de hoogte van het bedrag dat de appartementseigenaar moet bijdragen aan de gemeenschappelijke schulden en kosten (vgl. over deze bijdrage lid 2). De beantwoording van de vragen naar het aantal stemmen en de hoogte van de verschuldigde bijdrage kan worden bemoeilijkt doordat niet altijd duidelijk is welke maatstaf in het verleden is gehanteerd bij de bepaling van de omvang van het aandeel van een appartementseigenaar in gebouw en grond, of doordat deze maatstaf de vereiste helderheid ontbeert. Daarom is in lid 1 bepaald dat in het geval dat de akte van splitsing voorziet in ongelijke aandelen, uit de akte tevens blijkt op welke grondslag die verhouding berust. Het is aan de notaris om erop toe te zien dat de in de akte vermelde grondslag voldoende duidelijk is. Het verdient aanbeveling dat de notaris ervoor zorgdraagt dat aan de akte een actueel en door een deskundige opgesteld taxatie- of berekeningsrapport wordt gehecht waaruit de basis van de bepaling van de omvang van de aandelen blijkt. Lid 2 regelt de interne verhouding, lid 3 de externe tegenover schuldeisers: de omvang der aansprakelijkheid jegens de laatsten is gelijk aan de draagplicht in de interne verhouding. Lid 4 stelt de VvE met haar reservefonds hoofdelijk aansprakelijk met de appartementseigenaars voor de gezamenlijke schulden, lid 5 doet het omgekeerde, en wel volgens de in lid 2 geregelde (interne) verhouding. De artikelen 114 tot en met 116 beheersen de verhouding van de appartementseigenaars ten opzichte van anderen die een zakelijk recht hebben; artikel 114 - dat mede met beslagleggers en bevoorrechte schuldeisers rekening houdt - voor zover het recht al voor de splitsing op het goed rust, de artikelen 115 en 116 indien erfpacht, grondhuur of opstalrecht in de splitsing is betrokken. Artikel 114 geeft een regeling voor de vraag welke invloed de splitsing in appartementsrechten heeft op hypotheken die reeds tevoren op de grond waren gevestigd. Meestal zal de financiering van de bouw geschieden door een bouwhypotheek waarmee de grond is belast. Volgens lid 1 van artikel 114 blijft het hypothecair verband na splitsding op elk der appartementsrechten rusten voor de gehele schuld (beginsel van ondeelbaarheid). Artikel 115 regelt de externe aansprakelijkheid voor de canon, de vergoeding of het solarium; zie in dit verband HR 6-11-1998, NJ 1999, 131. Voor het gebruik van de term "solarium" zij verwezen naar de toelichting bij artikel 101 lid 3. De tweede zin van artikel 116 lid 4 is aan het hier te lande geldende procesrecht aangepast. Dat een appartementsrecht als een zelfstandig registergoed kan worden overgedragen enz. (artikel 117) brengt met zich dat de in de splitsing betrokken goederen hun karakter als zelfstandig rechtsobject verliezen (zie lid 2). Zij gaan deel uitmaken van het appartementsrecht.

  1957. Artikel 118 betreft erfdienstbaarheden die buiten medewerking van de overige appartementseigenaars na de splitsing bedongen of gevestigd kunnen worden ten bate of ten laste van privé-gedeelten. Als een erfdienstbaarheid wordt gevestigd op een privé-gedeelte, dan kan dat zowel ten behoeve van een gedeelte waarvan een andere appartementseigenaar het privégebruik heeft als ten behoeve van een aan een derde toebehorende onroerende zaak geschieden (lid 1). Een erfdienstbaarheid die wordt bedongen ten behoeve van 2024 -744- No. 164 een privé-gedeelte, kan ten laste komen van een ander privé-gedeelte of van een erf dat aan een derde toebehoort (lid 2). Hetgeen met een “onderlinge erfdienstbaarheid” kan worden bereikt, zou overigens in beginsel ook door aanvulling van de akte van splitsing kunnen worden verwezenlijkt, mits aan de eisen van een dergelijke aanvulling wordt voldaan. Artikel 118 noemt niet uitdrukkelijk het geval van vestiging van een erfdienstbaarheid ten laste of ten bate van een privé-gedeelte ten opzichte van een gemeenschappelijk gedeelte, maar aangenomen moet worden dat dit ook kan (zie lid 1 “een andere onroerende zaak”). Regeling in het reglement is echter eenvoudiger. Met artikel 118a wordt beoogd om te voorzien in de behoefte die een appartementseigenaar kan hebben tot het vestigen van een erfpacht- of opstalrecht op zijn privé-gedeelte van het appartementencomplex, zonder dat daarvoor de medewerking van de andere appartementseigenaars en van eventuele beperkt gerechtigden noodzakelijk is. Een voorbeeld is de vestiging van een opstalrecht op de bij een appartement behorende tuin ten behoeve van een openbare nutsvoorziening. In de voorgestelde bepaling zijn enige beperkingen opgenomen. De bedoelde bevoegdheid kan in de akte van splitsing worden beperkt of uitgesloten. Voorts kan een opstalrecht alleen worden gevestigd ten behoeve van het oprichten van toekomstige gebouwen, werken en beplantingen, tenzij alle appartementseigenaars en beperkt gerechtigden meewerken aan de vestiging van het opstalrecht. De onttrekking van reeds bestaande gebouwen, werken en beplantingen aan de splitsing zonder dat de andere appartementseigenaars en eventuele beperkt gerechtigden hun medewerking behoeven te verlenen aan de vestiging van het opstalrecht, zou een te ver gaande inbreuk maken op de mede-eigendom van die andere gerechtigden (vgl. artikel 117 leden 2 en 3). In lid 1 wordt gesproken van de vestiging van een recht van erfpacht of recht van opstal op het gedeelte van de onroerende zaken dat bestemd is om door de appartementseigenaar als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Hieruit vloeit voort dat het voor de gerechtigde tot een opstalrecht mogelijk is om een erfpachtrecht te vestigen op de zaak welke die gerechtigde op grond van het opstalrecht in eigendom heeft, alsmede dat een opstalrecht afhankelijk van een erfpachtrecht op de onroerende zaak kan worden gevestigd. Het kan aan de akte van vestiging van het recht worden overgelaten om te bepalen of, en zo ja, in hoeverre de gerechtigde naast de appartementseigenaar hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijdragen die ter zake van het appartementsrecht verschuldigd zijn. Aldus wordt dan ook bepaald in lid 2. Lid 3 betreft de uitoefening van het aan het appartementsrecht verbonden stemrecht in de vergadering van eigenaars in het geval van vestiging van een recht van erfpacht. Hiervoor wordt een regel gegeven analoog aan die in artikel 123 lid 3, voor het geval van vruchtgebruik van een appartementsrecht: het stemrecht komt aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de instelling van het vruchtgebruik anders is bepaald. De in de toelichting (Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Invoering Boek 5, p. 1096) bij dat derde lid gegeven argumenten voor deze van artikel 3:219 afwijkende regel, namelijk dat bij de vereniging van eigenaars het bewonersbelang van de vruchtgebruiker voorop staat, terwijl deze in beginsel ook de financiële lasten draagt, waar de besluiten vaak betrekking op zullen hebben, gelden ook voor het geval van erfpacht. In lid 3 is tevens tot uitdrukking gebracht dat in geval van vestiging van een recht van opstal het stemrecht in de vergadering van eigenaars blijft berusten bij de appartementseigenaar die het recht heeft gevestigd. Hiervan kan evenwel worden afgeweken in de akte van vestiging van het opstalrecht. Indien overeenkomstig artikel 112 lid 3, op grond van het reglement aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een vereniging of coöperatie, dient in de statuten van die vereniging of coöperatie te worden geregeld aan wie het stemrecht in zodanige vereniging of coöperatie toekomt. Een appartementseigenaar mag zonder toestemming van de overige appartementseigenaars in zijn privé- gedeelte veranderingen (waaronder mede verbeteringen zoals nieuwe privé-installaties) aanbrengen, mits deze geen nadeel aan een ander gedeelte toebrengen. Van hetgeen hij bij een geoorloofde verandering wegneemt, wordt hij enig eigenaar. Aldus artikel 119 lid 1. In beginsel mag een appartementseigenaar veranderingen in de hem toekomende privé-gedeelten aanbrengen. Dikwijls zullen deze veranderingen 2024 -745- No. 164 bestaan in het wegnemen van tussenwanden of het aanbrengen van nieuwe privé-installaties. De veranderingen mogen echter geen nadeel toebrengen aan andere gedeelten, hetzij gemeenschappelijk, hetzij privé. Zo kan het onoordeelkundig verwijderen van een draagmuur grote schade veroorzaken. Bij reglement kan de bevoegdheid tot het aanbrengen van veranderingen nader worden geregeld, bijvoorbeeld afhankelijk worden gesteld van een bepaalde toestemming (zie HR 7 mei 1971, NJ 1973, 15); dit volgt uit lid 4. Dat de appartementseigenaar na wegneming van de weggenomen gedeelten daarvan eigenaar wordt, is mede een uitvloeisel van het in art. 3:80 lid 3. Lid 2 van artikel 119 verplicht de appartementseigenaar van een door hem aangebrachte verandering in zijn privé-gedeelte onverwijld aan de VvE kennis te geven. Lid 4 geeft de mogelijkheid tot een gelijke verplichting bij wijziging van het gebruik. Deze verplichting houdt verband met de regeling die de wet geeft voor de verzekering van het gebouw (artikel 136). Wanneer immers een van de eigenaars veranderingen aanbrengt die leiden tot een verhoging van de waarde van het gebouw, al dan niet samenhangend met een ander gebruik, dan zal het bedrag waarvoor het gebouw verzekerd is, wellicht moeten worden verhoogd, wil het gebouw niet ten nadele van alle eigenaars onderverzekerd raken. Hij kan ook aanvullend verzekeren. Bij niet-naleving van de verplichting tot kennisgeving zal de nalatige eigenaar ingevolge lid 2 aansprakelijk zijn voor de schade, welke de eigenaars gezamenlijk lijden. Bovendien zal hij de verandering niet in aanmerking kunnen brengen bij de aanwending van de assurantiepenningen tot het herstel van de schade in het geval van artikel 136 lid 2. Leidt de verandering (nadat daarvan kennis is gegeven) tot verhoging van de verzekeringspremie, bijvoorbeeld de aanpassing van een kantoorruimte tot horeca-inrichting, dan komt het verschil voor rekening van de betrokken appartementseigenaar, dan wel zijn rechtsopvolger, terwijl de meerdere schadepenningen die als gevolg van de verhoging door de verzekeraar verschuldigd zijn, ook aan hem ten goede komen. In het reglement kan een overeenkomstige regeling worden opgenomen, wanneer het niet gaat om een materiële wijziging van het gebouw, maar om een wijziging van de bestemming van het privé-gedeelte, waardoor de waarde daarvan is verhoogd (artikel 119 lid 4). Een verandering kan uiteraard ook leiden tot vermindering van de waarde of verlaging van het risico, bijvoorbeeld een bakkerij wordt veranderd in een kantoorruimte, en dus tot verlaging van de verzekeringspremie. Volgens artikel 119 lid 2, zal de premieverlaging dan aan de betrokken appartementseigenaar ten goede komen. Lid 3 van artikel 119 regelt de gevolgen van de aangebrachte verandering indien de splitsing naderhand wordt opgeheven. Een eventuele waardevermindering behoort dan in beginsel ten laste te komen van de eigenaar die haar heeft veroorzaakt. Omgekeerd geeft de wet aan de eigenaar geen recht op de waardevermeerdering. Hiervoor bestond geen reden, omdat de eigenaar de waardevermeerdering geheel vrijwillig heeft aangebracht. Uiteraard bestaat voor hem wel de mogelijkheid met de andere eigenaars overeen te komen dat hem een zekere vergoeding voor de waardevermeerdering zal worden toegekend. In artikel 119a is een bijzondere bepaling voor deeltijdappartementsrechten (timeshares) opgenomen uit praktische overwegingen. Een deeltijdappartementseigenaar behoort niet in staat te zijn zelf een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal te vestigen op dan wel veranderingen aan te brengen aan het privé-gedeelte. Tot een vestiging of verandering dienen de gezamenlijke deeltijdappartementseigenaars te besluiten. In het reglement van splitsing zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat een twee derde meerderheid nodig is. Een appartementseigenaar is, uiteraard met in achtneming van het in het reglement bepaalde (artikel 112 lid 4), bevoegd zijn privé-gedeelte zelf te gebruiken of aan een ander in gebruik te geven, met inbegrip van het hem toekomende medegebruik van de gemeenschappelijke gedeelten (artikel 120 lid 1). Met het aan de appartementseigenaar toekomende recht op uitsluitend gebruik gaat gepaard het recht van beheer en de bevoegdheid het privé-gedeelte te onderhouden zoals men dit wenst en daaraan eventuele herstellingen te verrichten. In beginsel is iedere appartementseigenaar dus geheel heer en meester in de hem toekomende privé-gedeelten (zie artikel 126 lid 1: “met uitzondering van de gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt”). Ook in dit opzicht kan het reglement echter beperkingen inhouden. 2024 -746- No. 164 Wat betreft het aan een ander in gebruik gegeven privé-gedeelte, maakt lid 2 tweede volzin, het mogelijk bepalingen uit het reglement die niet het gebruik, het beheer of het onderhoud betreffen, toch op een gebruiker toepasselijk te maken. Men denke bijvoorbeeld aan boetebepalingen. In beginsel gelden de reglementsbepalingen tegenover de gebruiker onverschillig of zij vóór of tijdens het genotsrecht van de gebruiker tot stand zijn gekomen. Ten aanzien van de huurder bevat de wet echter een speciale regeling: een na het totstandkomen van de huurovereenkomst ingeschreven reglementsbepaling geldt niet tegenover hem, tenzij hij daarin heeft toegestemd (lid 3 eerste volzin). Weigert een huurder zijn toestemming of verklaart hij zich niet, dan kan de kantonrechter op verzoek van iedere appartementseigenaar beslissen dat de reglementsbepaling toch ten aanzien van hem komt te gelden (lid 3 tweede volzin). Artikel 126 lid 3 bepaalt dat het toezicht van de VvE op het naleven van de verplichtingen die uit wet of reglement voortvloeien, zich ook uitstrekt tot de gedragingen van een gebruiker die een gebruiksrecht aan een appartementseigenaar ontleent.

  1958. Artikel 121 voorziet in de mogelijkheid van vervangende machtiging van de kantonrechter in gevallen dat een vereiste toestemming niet wordt gegeven. De kantonrechter kan ook een regeling treffen ten aanzien van de kosten.

  1959. Artikel 122 betreft de overgang van een appartementsrecht. Behoudens afwijkende regeling in het reglement (lid 4) zijn op grond van lid 3 de verkrijger en de vroegere appartementseigenaar hoofdelijk aansprakelijk voor de ter zake van het verkregene verschuldigde bijdragen die in het lopende of het voorafgaande boekjaar opeisbaar zijn geworden of nog zullen worden. In de praktijk zal het niet altijd mogelijk zijn om ten tijde van het verlijden van de akte van overdracht of toedeling duidelijkheid te hebben omtrent de omvang van de achterstallige bijdragen van de vervreemdende appartementseigenaar. Daardoor zullen verkrijgers naderhand worden geconfronteerd met een vordering tot betaling van deze bijdragen aan de vereniging van eigenaars. Lid 5 van artikel 122 strekt ertoe, zulks te voorkomen. Daartoe wordt bepaald dat de notaris ervoor zorgdraagt dat aan de akte van overdracht of toedeling een verklaring wordt gehecht van het bestuur van de vereniging van eigenaars waarin de achterstallige bijdragen waarvoor de verkrijger uit hoofde van artikel 122 lid 3, aansprakelijk is, worden vermeld naar de stand van de dag van overdracht of toedeling. De aansprakelijkheid van de verkrijger is dan beperkt tot het bedrag dat in de verklaring is vermeld (tweede volzin). Denkbaar is dat de vervreemder de hoogte van het in de verklaring vermelde bedrag betwist. De overdracht of toedeling behoeven daardoor niet te worden opgehouden. Voor de hand ligt immers dat het betwiste bedrag van de koopprijs wordt afgehouden en in depot wordt gesteld totdat over de hoogte van dat bedrag overeenstemming wordt bereikt of de hoogte daarvan in rechte komt vast te staan. Voorts kan zich de situatie voordoen dat het bestuur van de vereniging van eigenaars in zijn verklaring een te hoog of een te laag bedrag vermeldt. Als het bestuur een te laag bedrag opgeeft, is de verkrijger op grond van de tweede volzin van lid 5 slechts aansprakelijk tot het door het bestuur opgegeven bedrag. Geeft het bestuur een te hoog bedrag op en betwist de vervreemder zulks niet, dan zal achteraf, als de juiste hoogte van het bedrag blijkt, verrekening van het teveel betaalde behoren plaats te vinden. Denkbaar is dat het bestuur van de vereniging van eigenaars, ondanks een voldoende inspanning van de notaris om de in lid 5 bedoelde verklaring te verkrijgen, deze verklaring niet afgeeft. Een zorgvuldige taakuitoefening van de notaris brengt mee dat hij het bestuur (dat op grond van artikel 131 lid 1, in beginsel door één bestuurder wordt gevormd en zo niet, waarvoor in beginsel tegenover derden ieder der bestuurders kan optreden) een redelijke termijn stelt voor het geven van de verklaring. Voor de hand ligt dat van het niet verkregen zijn van de verklaring, welke omstandigheid niet aan de overdracht of toedeling in de weg staat, in de akte van overdracht of toedeling melding wordt gemaakt. In de tweede volzin van lid 5 ligt besloten dat de verkrijger niet aansprakelijk is uit hoofde van artikel 122 lid 3, indien de verklaring niet is verkregen. Een zorgvuldige taakuitoefening van de notaris brengt voorts mee dat hij ervoor zorgdraagt dat het in de verklaring vermelde bedrag wordt ingehouden op de koopsom, dan wel dat dit bedrag op andere wijze wordt verrekend. 2024 -747- No. 164 In lid 6 wordt bepaald dat de verklaring tevens een opgave inhoudt van de omvang van het reservefonds van de vereniging (zie ook de tweede volzin van artikel 126 lid 1). Ook hier rust een zorgplicht op de notaris: bij ontbreken van de verklaring zal hiervan in de akte melding moeten worden gemaakt.

  1960. Artikel 123 geeft een bijzondere regeling van de rechten en verplichtingen van een vruchtgebruiker van een appartementsrecht. Deze bijzondere regeling is nodig omdat hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker van een appartementsrecht niet zelfstandig kunnen beslissen over de wenselijkheid van uitgaven voor onderhoud en herstel van de zaken die het onderwerp van hun recht vormen voorzover deze de gemeenschappelijke zaken betreffen. Immers de zeggenschap over deze uitgaven berust bij de VvE; zij moeten worden bekostigd uit bijdragen die deze VvE vaststelt en die daarna over de eigenaars worden omgeslagen. Van belang is dan wie er stemrecht heeft in de VvE (lid 3). Afdeling 5.9.2 - De vereniging van eigenaars Het is wenselijk in artikel 124 buiten twijfel te stellen dat de vereniging een rechtspersoon is. Deze rechtspersoonlijkheid is echter zeer betrekkelijk, aangezien de vereniging eigenlijk niet meer is dan de organisatiestructuur van de gemeenschap van appartementseigenaars. Haar oprichting is verplicht, het lidmaatschap is het sequeel van de kwaliteit van appartementseigenaar, zodat alle appartementseigenaars van rechtswege lid zijn (artikel 125 lid 2), en zij wordt ontbonden bij opheffing van de splitsing. Uit lid 2 van artikel 124 volgt dat de appartementseigenaars verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (vgl. HR 30-10-1998, NJ 1999, 83); zie ook de artikelen 2:7 lid 1 en 3:166 li 3d. In artikel 125 lid 3 is de tekst opgenomen die correspondeert met het Nederlandse artikel 2:40 lid 2. In artikel 126 zijn beheer en vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vereniging van eigenaars (VvE) geregeld. Verenigingen van eigenaars zijn ingevolge lid 1 tweede volzin, wettelijk verplicht tot de vorming van een reservefonds om daaruit andere dan de gewone jaarlijkse kosten te kunnen voldoen. Bij deze kosten kan met name aan die van (groot) onderhoud worden gedacht, waarmee hoge en ook plotselinge investeringen gemoeid kunnen zijn, die zonder fondsvorming vooraf wellicht moeilijk zijn op te brengen. Ook ingeval een appartementseigenaar zijn appartementsrecht te koop aanbiedt, zal hij er belang bij hebben dat er een voldoende gevuld reservefonds bestaat. Denkbaar is immers dat een aspirant-koper alleen wenst te kopen indien er een met een passend bedrag gevuld reservefonds bestaat, of dat hij slechts een lagere prijs wil betalen indien zo’n fonds ontbreekt. Men zie omtrent het reservefonds ook lid 6 van artikel 122; en voorts artikel 112 lid 1, onderdeel c, op grond waarvan het reglement moet inhouden een regeling omtrent onder meer het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten. Ondersplitsing van appartementsrechten is mogelijk op grond van lid 3 van artikel 106, behoudens voor zover in de akte van splitsing anders is bepaald. In de praktijk zal er behoefte zijn aan duidelijkheid omtrent enkele vragen die bij de ondersplitsing plegen te rijzen. Deze vragen betreffen het stemrecht van de appartementseigenaar wiens recht is gesplitst in appartementsrechten (bijvoorbeeld: aan wie komen diens stemmen toe en wie brengt deze stemmen uit), alsmede de bevoegdheid van de gerechtigden tot de door de ondersplitsing ontstane appartementsrechten om de vergadering van eigenaars van de door de hoofdsplitsing ontstane appartementsrechten bij te wonen en daarin het woord te voeren. Met het lid 3 van artikel 127 wordt beoogd om aan bedoelde behoefte tegemoet te komen. Daarbij wordt vooropgesteld dat de stemmen van de appartementseigenaar wiens recht in appartementsrechten is gesplitst, toekomen aan de gerechtigden tot deze appartementsrechten (eerste volzin). Het uitbrengen van deze stemmen in de vergadering van eigenaars van de door de hoofdsplitsing ontstane appartementsrechten geschiedt door het bestuur van de bij de ondersplitsing opgerichte vereniging van eigenaars (tweede volzin). Zulks strookt met de in artikel 131 lid 3, opgenomen hoofdregel dat het bestuur zorgdraagt voor de tenuitvoerlegging van de besluiten van de vergadering van eigenaars. Uiteraard zullen de stemmen namens het bestuur door een daartoe gevolmachtigde kunnen worden uitgebracht. De stemmen behoeven niet 2024 -748- No. 164 eensluidend te worden uitgebracht (derde volzin), daar de belangen van de onderappartementseigenaars niet parallel behoeven te lopen. De onderappartementseigenaars zullen de vergadering van eigenaars van de door de hoofdsplitsing ontstane appartementsrechten als toehoorder mogen bijwonen (vierde volzin), zodat zij zich goed op de hoogte kunnen stellen van hetgeen voorvalt op de vergadering. Het bestuur van de bij de ondersplitsing opgerichte vereniging van eigenaars is bevoegd om namens hen in deze vergadering het woord te voeren (laatste volzin). Daarbij kan uiteraard van eventuele meerderheids- en minderheidsstandpunten en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen melding worden gemaakt.

  1961. Artikel 128 geeft regels omtrent het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten, waaronder het toezicht. De VvE is bevoegd regels ten aanzien van het gebruik te stellen. Deze regels mogen echter niet derogeren aan bepalingen van het reglement. Voor de positie van de gebruiker zie lid 2.

  1962. Artikel 129 behelst de regeling der nietigheid, die van toepassing is indien het besluit naar zijn inhoud in strijd is met de wet, de splitsingsakte inclusief het reglement dat daartoe behoort, of de statuten der vereniging, of in strijd is met de bevoegdheidsregeling. Een dergelijk besluit moet eenieder te allen tijde naast zich kunnen neerleggen en het kan bij declaratoir nietig worden verklaard (zie HR 10-3-1995, NJ 1996, 595, inzake de vaststelling van een huishoudelijk reglement).

  1963. Artikel 130 regelt de materie der vernietigbaarheid van besluiten die door hun inhoud of wijze van totstand- koming een onredelijke benadeling van een of meer appartementseigenaars inhouden. Uit de terminologie van het artikel blijkt dat het hier gaat om een zogenaamde “extra-judiciële” procedure, eindigend met een beschikking. Er is een bestuurder tenzij de statuten bepalen dat er meer zijn; in het laatste geval wordt de VvE in beginsel door elk van hen tegenover derden vertegenwoordigd, aldus artikel 131. Een bestuurder kan een buitenstaander zijn. Artikel 132 verleent een bestuurder de bevoegdheid van toegang tot de privé-gedeelten.

  1964. Artikel 133 regelt het belet of de ontstentenis van het bestuur artikel 134 het uitbrengen van exploten en kennisgevingen. De plaats van artikel 5.135 van het Ned. BW wordt in het ontwerp (artikel 135) ingenomen door bepalingen die een nadere wettelijke uitwerking geven aan de verplichting tot het periodiek afleggen van financiële verantwoording - zie artikel 112 lid 1, onderdeel b. Zij stemmen overeen met die van artikel 2:48 van het Ned. BW, waarnaar artikel 5.135 van het wetboek verwijst; slechts enige wijzigingen van ondergeschikte betekenis, verband houdende met afwijkingen tussen het hier te lande en het in Nederland geldende recht, zijn aangebracht. De krachtens lid 1 over te leggen stukken zijn een jaarverslag, een balans en een exploitatiereke- ning. Lid 2 voorziet in de controle, die, naar gelang van de omvang der VvE, op verschillende wijze kan worden uitgevoerd. Afdeling 5.9.3 - Rechten uit verzekeringsovereenkomsten Iedere appartementseigenaar heeft er belang bij dat zowel privé- als gemeenschappelijke delen verzekerd zijn. Op grond van artikel 112 lid 1 onderdeel d, moet het reglement inhouden door wiens zorg en tegen welke gevaren het gebouw ten behoeve van de gezamenlijke appartementseigenaars moet worden verzekerd. Daarnaast zijn in de artikelen 136 en 138 - artikel 137 is ook in het Nederlandse wetboek gereserveerd – bepalingen opgenomen die aangeven wat er moet gebeuren als tot een uitkering uit de verzekeringsovereenkomst wordt overgegaan. 2024 -749- No. 164 Afdeling 5.9.4 - Wijziging van de akte en opheffing van de splitsing De waarde van een appartementsrecht is voor een groot deel afhankelijk van de wijze waarop de rechten en plichten in de akte van splitsing (inclusief reglement) zijn uitgewerkt. Daarom dient de wijziging van de akte van splitsing met waarborgen te worden omkleed. Dat de akte van splitsing slechts kan worden gewijzigd met medewerking van alle appartementseigenaars zou in de praktijk te restrictief zijn. Zo kan een bij oudere gebouwen noodzakelijke renovatie worden tegengehouden of vertraagd doordat de daartoe noodzakelijke wijziging van de akte van splitsing niet of niet zonder rechterlijke machtiging mogelijk blijkt door de weigering tot medewerking aan die wijziging van een minderheid van de appartementseigenaars, of zelfs van één enkele appartementseigenaar. Met het oog op gevallen als deze is een verruiming tot op zekere hoogte van de mogelijkheden tot wijziging van de splitsingsakte gewenst. Bij deze verruiming dient echter voldoende recht gedaan worden aan de belangen van zowel de meerderheid die een wijziging wenst als de minderheid die tegen zodanige wijziging is. Tegen deze achtergrond is gekozen voor het volgende, in lid 2 van artikel 139 neergelegde, stelsel: a. wijziging op grond van een besluit van een meerderheid van het aan de appartementseigenaars toekomende aantal stemmen is mogelijk; b. als vereiste meerderheid geldt ten minste vier vijfden van het aan de appartementseigenaars toekomende aantal stemmen; c. ten aanzien van de oproeping is ingevolge artikel 139a een regeling van toepassing gelijk aan die van artikel 2:86 lid 1, lid 2 eerste volzin en lid 3; d. de rechter vernietigt het besluit op een binnen drie maanden nadat het besluit is genomen ingestelde vordering van een appartementseigenaar die niet heeft voorgestemd (artikel 140a lid 1), maar de rechter kan de vernietigingsvordering afwijzen, (onder meer) indien een redelijke schadeloosstelling is aangeboden en zeker gesteld (artikel 140a lid 3); e. in geval van een besluit als bedoeld onder a, kan de wijziging van de akte van splitsing ook geschieden met medewerking van het bestuur van de vereniging van eigenaars. Ad a. Aandacht verdient dat lid 2 alleen een afwijking inhoudt van lid 1 van artikel 139. Wel is toestemming vereist van beperkt gerechtigden, zoals hypotheekhouders, en van beslagleggers; zie lid 3. Ad b. Voor de wijziging is vereist een daartoe strekkend, in de vergadering van eigenaars aangenomen, meerderheidsbesluit. Er is gekozen voor een meerderheid van vier vijfden van het aan de appartementseigenaars toekomende aantal stemmen. In de akte van splitsing kan een hogere meerderheid worden bepaald. Bovendien wordt in de voorgestelde bepaling ook aan de akte van splitsing overgelaten of de vereiste meerderheid voor verschillende soorten van wijzigingen al dan niet verschillend dient te zijn, zodat bijvoorbeeld voor de ene categorie wijzigingen een meerderheid van vier vijfden en voor een andere categorie een van negen tienden of zelfs unanimiteit vereist wordt. De keuze van de omvang van de minimaal vereiste meerderheid is uiteraard tot op zekere hoogte arbitrair. Bij een meerderheid van minimaal vier vijfden moet voldoende draagvlak voor de wijziging aanwezig worden geacht om gebondenheid aan die wijziging ook van de tegenstanders daarvan in beginsel (zie artikel 140a) gerechtvaardigd te achten. Voorts brengt de minimaal vereiste meerderheid van vier vijfden mee dat de hier voorgestelde regeling niet geldt voor splitsingen waarin minder dan vijf appartementen zijn betrokken. Bij een en ander dient te worden bedacht dat de in de artikelen 140 en 144 neergelegde, mogelijkheden van tussenkomst van de rechter onveranderd in stand blijven. Door het meerderheidsvereiste in te richten op de hiervoor aangegeven wijze, wordt aan de belangen van een eventuele minderheid die tegen de wijziging is, voldoende recht gedaan, terwijl tevens een zekere flexibiliteit in de regeling wordt bereikt. Ad c. Men zie de toelichting bij artikel 139a. 2024 -750- No. 164 Ad d. Men zie de toelichting bij artikel 140a. Ad e. De uitvoering van een meerderheidsbesluit van de vergadering van eigenaars tot wijziging van de akte van splitsing kan ook geschieden door het bestuur. De medewerking van alle appartementseigenaars aan de wijziging van de akte van splitsing is in dit geval dus niet vereist. De achtergrond van dit voorstel is gelegen in de wens om de effectuering van een meerderheidsbesluit te vergemakkelijken. Het is niet ondenkbaar dat het verkrijgen van de medewerking van de minderheid van appartementseigenaars die tegen een bepaalde wijziging van de akte van splitsing heeft gestemd, vertragend zal werken bij de totstandbrenging van de wijziging van de akte van splitsing. De notaris voor wie de wijzigingsakte wordt verleden, zal moeten nagaan of de voor de wijziging geldende vereisten, zoals de in artikel 139 lid 2 geëiste meerderheid van stemmen van vier vijfden, zijn vervuld. Op grond van lid 7 van artikel 106, is voor de splitsing van een erfpacht-, grondhuur of opstalrecht in appartementsrechten de toestemming van de grondeigenaar vereist. Wijziging van de akte van splitsing behoeft krachtens lid 1 van artikel 139 de toestemming van beperkt gerechtigden en beslagleggers. Beide toestemmingsvereisten zijn in de wet opgenomen teneinde grondeigenaars, onderscheidenlijk beperkt gerechtigden en beslagleggers de gelegenheid te bieden om met het oog op hun gerechtvaardigde belangen zich tegen splitsing onderscheidenlijk wijziging van de akte van splitsing te verzetten. Toestemming van de grondeigenaar voor wijziging van de akte van splitsing wordt, ingeval een erfpacht-, grondhuur of opstalrecht in de splitsing is betrokken, door de wet echter thans niet vereist, terwijl diens gerechtvaardigde belangen ook dan in het geding kunnen zijn. Men denke aan gevallen waarin een splitsing van een erfpachtrecht in enkele appartementsrechten, waarvoor de grondeigenaar zijn toestemming heeft gegeven, wordt gewijzigd in een splitsing in een veel groter aantal appartementsrechten, waarvoor de grondeigenaar zijn toestemming op goede grond zou hebben geweigerd. Mede met het oog op de verruiming van de mogelijkheid tot wijziging van de akte van splitsing, zoals deze wordt voorgesteld, is er reden om te bepalen dat voor wijziging van de akte van splitsing toestemming van de grondeigenaar vereist is indien een erfpacht-, grondhuur- of opstalrecht in de splitsing is betrokken. Het opnemen van dit vereiste in lid 3 van artikel 139 brengt mee dat vervangende rechterlijke machtiging op de voet van artikel 140 ook dan kan worden verzocht, indien de grondeigenaar zich niet verklaart of zonder redelijke grond weigert zijn toestemming te verlenen. In artikel 2:86 leden 1 tot en met 3, wordt het wijzigen van de statuten van een vereniging door een besluit van de algemene vergadering met waarborgen omkleed. Deze waarborgen houden in dat bij de oproeping tot de vergadering moet worden vermeld dat aldaar wijziging van de statuten zal worden voorgesteld, dat de termijn voor oproeping tot de vergadering ten minste zeven dagen bedraagt, alsmede dat ten minste vijf dagen voor de vergadering een afschrift van het voorstel tot statutenwijziging met de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging op een daartoe geschikte plaats voor de leden ter inzage moet worden gelegd tot na afloop van de dag waarop de vergadering wordt gehouden. Deze waarborgen gelden niet indien het voorstel tot statutenwijziging met algemene stemmen wordt aangenomen in een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Met het oog op de belangen van de appartementseigenaars die tegen een wijziging van de akte van splitsing zijn, bestaat er goede grond om bovengenoemde waarborgen ook van toepassing te verklaren op wijziging van de akte van splitsing als bedoeld in artikel 139 lid 2. Aldus is geschied in artikel 139a. Een vereiste medewerking en toestemming kan binnen de in artikel 140 gestelde grenzen door een rechterlijke machtiging worden vervangen. 2024 -751- No. 164 In artikel 140a is het sluitstuk neergelegd van de bescherming van de belangen van appartementseigenaars die tegen een wijziging van de akte van splitsing zijn, waartoe de vergadering van eigenaars bij meerderheidsbeslissing overeenkomstig lid 2 van artikel 139 heeft besloten. Lid 1 van artikel 140a geeft de mogelijkheid tot vernietiging van zodanig besluit op vordering van een appartementseigenaar die niet heeft voorgestemd. Van dit laatste is zowel sprake indien een appartementseigenaar die op de vergadering aanwezig of vertegenwoordigd was, heeft tegengestemd dan wel zich van stemming heeft onthouden, als indien een appartementseigenaar niet aanwezig of vertegenwoordigd was en dientengevolge niet over het wijzigingsbesluit heeft gestemd. Men zij erop bedacht dat op grond van de woorden “wordt vernietigd” in lid 1 de rechter het besluit zal moeten vernietigen, en dat de vernietigingsvordering alleen kan worden afgewezen in de limitatief in lid 3 genoemde gevallen. De vernietigingsvordering moet ingevolge lid 2 worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag na die waarop het wijzigingsbesluit is genomen. Dit aanvangstijdstip is gekozen omdat iedere appartementseigenaar behoort te weten wanneer de vergadering van eigenaars plaatsvindt en welke punten er op de agenda staan (zie lid 2 van artikel 139 in verbinding met artikel 139a), zodat hij, als hij de vergadering niet heeft kunnen bijwonen, direct daarna kan informeren wat de uitkomst van de stemming op een bepaald punt is geweest. De (eveneens tot op zekere hoogte arbitraire) keuze van de lengte van deze verjaringstermijn is ingegeven door de gedachte dat enerzijds de appartementseigenaar die tegen een wijzigingsbesluit is een reële mogelijkheid moet hebben om door middel van het instellen van een vernietigingsvordering voor zijn belang op te komen en anderzijds aan de effectiviteit van de mogelijkheid tot wijziging bij meerderheidsbesluit zo min mogelijk afbreuk mag worden gedaan. Lid 3, waarvan de formulering is ontleend aan artikel 141 lid 3, bevat een uitputtende opsomming van gevallen waarin de rechter bevoegd is om de vordering tot vernietiging af te wijzen. Behalve in het geval dat de eiser geen schade lijdt, kan de vordering ook worden afgewezen indien de eiser een redelijke schadeloosstelling wordt aangeboden en voor de betaling hiervan voldoende zekerheid is gesteld. Dit laatste element draagt in belangrijke mate bij aan het evenwicht tussen de belangen van de appartementseigenaars die een wijziging van het reglement nastreven en de belangen van de appartementseigenaars die tegen zo’n wijziging zijn. Terwijl een akte van wijziging bij gebreke van medewerking (of een vervangende rechterlijke machtiging) krachteloos is, geeft artikel 141 een andere regeling voor het geval van het ontbreken van de vereiste goedkeuring (door beperkt gerechtigden of beslagleggers) of daarvoor in de plaats tredende rechterlijke machtiging. De wijziging is dan vernietigbaar op vordering van degene wiens toestemming achterwege is gebleven, die heeft daarvoor een jaar de tijd nadat hij schriftelijk op de hoogte is gesteld van de wijziging. Intussen is de rechter ingevolge lid 3 bevoegd de vordering tot vernietiging af te wijzen, wanneer de eiser geen schade lijdt of hem een redelijke schadeloosstelling wordt aangeboden en voor de betaling hiervan voldoende zekerheid wordt gesteld. Deze bepaling is opgenomen, omdat een vernietiging van de wijziging niet alleen voor de appartementseigenaars zelf, maar ook voor hun rechtverkrijgenden ernstige gevolgen kan hebben. Men denke aan het geval dat een hypotheekhouder een vordering tot vernietiging van de wijziging instelt, omdat deze zonder zijn toestemming tot stand is gekomen. In zodanig geval heeft toewijzing van de vordering geen zin wanneer voor de betaling van de hypothecaire schuld voldoende aanvullende zekerheid wordt gesteld. Ook lijkt toewijzing van de eis tot vernietiging tot de onmogelijkheden te behoren indien de hypotheekhouder geen schade ondervond. Beperkte rechten en beslagen waarmee de appartementsrechten zijn belast, rusten na de wijziging van de akte van splitsing op de gewijzigde appartementsrechten, tenzij de akte van wijziging anders bepaalt. Voorrechten blijven na de wijziging bestaan. Aldus artikel 142. Vgl. voor de situatie na opheffing artikel 146. Een besluit tot opheffing van de splitsing volgt dezelfde hoofdlijnen als een besluit tot wijziging: artikel 143 lid 2. 2024 -752- No. 164 Naast het vrijwillig besluit tot wijziging der splitsingsakte en tot opheffing der splitsing stelt artikel 145 het rechterlijk bevel daartoe (zie nog artikel 143 lid 1, voor opheffing van rechtswege). Beperkte rechten, beslagen en voorrechten rusten na opheffing van de splitsing op een aandeel in de goederen die in de splitsing waren betrokken, aldus artikel 146. Het artikel geeft een toepassing van het beginsel van zaaksvervanging. Overigens is voor de opheffing van de splitsing in beginsel de toestemming van de zakelijk gerechtigden en beslagleggers nodig (artikel 143 lid 2, jo artikel 139 lid 3), die er dan voor kunnen zorgen dat met hun belangen wordt rekening gehouden. Vgl. voor de situatie na wijziging van de akte van splitsing artikel 142.

  1965. Artikel 5.147 van het Ned. BW verwijst in de leden 2 en 4 naar de regels van zijn Boek 2 omtrent de vereffening na ontbinding van een rechtspersoon. Deze regeling, die een groot aantal bepalingen beslaat, is in het ontwerp niet overgenomen. Wel is, zij het in iets andere bewoordingen, in de tweede volzin van lid 1 van artikel 147 de bepaling opgenomen dat de VvE blijft bestaan voor zover dat voor de vereffening van haar vermogen noodzakelijk is, en in lid 2 de regeling in welke verhouding het batig saldo wordt verdeeld. Herinnerd zij voorts aan artikel 3:189, dat vanaf de opheffing der splitsing regels omtrent de (bijzondere) gemeenschap van toepassing verklaart.

  1966. Artikel 148 is overgenomen uit het Arubaanse ontwerp-Landverordening aanpassing appartementsrecht en een regeling gebruik in deeltijd van onroerende zaken en andere registergoederen. Men denke men in het bijzonder aan de mogelijkheid timeshares in de vorm van deeltijdsappartementsrechten te vestigen in cruiseschepen.

  1967. Artikel 149 is opgenomen naar aanleiding van het advies van de Staatsraad. De Staatsraad adviseert dat in geval van misbruik van splitsingen een administratiefrechtelijke splitsingsvergunning kan worden voorgeschreven. De mogelijkheid een splitsingsvergunning voor te schrijven voor bepaalde gebouwen, indien misbruik dreigt, behoeft een wettelijke basis, zoals in Nederland artikel 22 Huisvestigingswet 2014. In Nederland waren vooral in de grotere steden in de tweede helft van de vorige eeuw de eigenaars van meergezinshuizen in verband met de grote vraag naar etagewoningen – doordat enerzijds de stadsbewoners een huis in de randgemeenten kochten, en anderzijds de toevloed van buitenlandse arbeiders en de verlaging van de leeftijd van personen die een eigen woning verlangden in dat decennium geleid hebben tot een groot tekort aan woningen – ertoe overgegaan deze feitelijk en juridisch te splitsen in een aantal kleinere woningen, die vervolgens verkocht werden tegen soms exorbitante prijzen, terwijl de woningen zich op het tijdstip van de splitsing dikwijls in slechte staat bevonden. De kopers werden vervolgens geconfronteerd met vaak hoge bijdragen in de kosten, die door het achterstallige onderhoud werden veroorzaakt. Artikel 22 van de Nederlandse Huisvestigingswet 2014 luidt: 1. Het is verboden om een recht op een gebouw dat behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe aangewezen categorie gebouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte. 2. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening gevallen aanwijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarin een ontheffing kan worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3. Op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Het is wenselijk dat in Suriname ook de mogelijkheid van ingrijpen bij misbruik bestaat. In dit artikel 5:149 wordt (naar voorbeeld van het Nederlandse artikel 22 Huisvestingswet 2014) die mogelijkheid geboden. Hopelijk zal het niet nodig zijn dit middel in te zetten – Suriname kampt minder met ruimtegebrek dan Nederland – maar het is goed dat de wet zekerheidshalve een opening geeft. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) bestaat de splitsingsvergunning overigens niet, zonder dat (de afgelopen twintig jaar) van misbruik is gebleken. WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 6 2024 -753- No. 164 BOEK 6 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 6 Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht Titel 1 Verbintenissen in het algemeen Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.

  1968. Artikel 2 1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  1969. Artikel 3 1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet-afdwingbare verbintenis. 2. Een natuurlijke verbintenis bestaat, wanneer: a. de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt; b. iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

  1970. Artikel 4 Op natuurlijke verbintenissen zijn de wettelijke bepalingen betreffende verbintenissen van overeenkomstige toepassing, tenzij de wet of haar strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een niet-afdwingbare verbintenis.

  1971. Artikel 5 1. Een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser. 2. Een door de schuldenaar tot de schuldeiser gericht aanbod tot een zodanige overeenkomst om niet geldt als aanvaard, wanneer het aanbod ter kennis van de schuldeiser is gekomen en deze het niet onverwijld heeft afgewezen. 3. Op de overeenkomst zijn de bepalingen betreffende schenkingen en giften niet van toepassing. 2024 -754- No. 164 Afdeling 2 Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid

  1972. Artikel 6 1. Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. 2. Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. 3. Uit een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer rechtsopvolgers overgaat, deze voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zullen zijn.

  1973. Artikel 7 1. Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. 2. Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt. Artikel 8 Op de rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke schuldenaren onderling is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.

  1974. Artikel 9 1. Iedere hoofdelijke schuldenaar is bevoegd namens de overige schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere schuldenaren betreft. 2. Uitstel van betaling, door de schuldeiser aan een der schuldenaren verleend, werkt ook ten aanzien van zijn medeschuldenaren, voor zover blijkt dat dit de bedoeling van de schuldeiser is.

  1975. Artikel 10 1. Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig de leden 2 en 3 in de schuld en in de kosten bij te dragen. 2. De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat. 3. In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen. 2024 -755- No. 164

  1976. Artikel 11 1. Een uit hoofde van artikel 10 tot bijdragen aangesproken medeschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen jegens de schuldeiser had, ook inroepen tegen de hoofdelijke schuldenaar die de bijdrage van hem verlangt. 2. Niettemin kan hij een zodanig verweermiddel niet tegen deze schuldenaar inroepen, indien het na hun beider verbintenis is ontstaan uit een rechtshandeling die de schuldeiser met of jegens de aangesprokene heeft verricht. 3. Een beroep op verjaring van de rechtsvordering van de schuldeiser komt de tot bijdragen aangesprokene slechts toe, indien op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen zowel hijzelf als degene die de bijdrage verlangt, jegens de schuldeiser de voltooiing van de verjaring had kunnen inroepen. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn slechts van toepassing, voor zover uit de rechtsverhouding tussen de schuldenaren niet anders voortvloeit.

  1977. Artikel 12 1. Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden krachtens subrogatie voor dit meerdere op die schuldenaar over, telkens tot ten hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar of de derde aangaat in zijn verhouding tot die schuldenaar. 2. Door de subrogatie wordt de vordering, indien zij een andere prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering van gelijke waarde.

  1978. Artikel 13 1. Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar voor een vordering als bedoeld in de artikelen 10 en 12, geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over al zijn medeschuldenaren omgeslagen naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen in hun onderlinge verhouding aanging. 2. Werd de schuld geheel of gedeeltelijk gedelgd ten laste van een hoofdelijke schuldenaar wie de schuld zelf niet aanging, en blijkt op geen van de medeschuldenaren wie de schuld wel aanging, verhaal mogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over alle medeschuldenaren wie de schuld niet aanging, omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de delging van de schuld jegens de schuldeiser aansprakelijk was. 3. Ieder der in een omslag betrokkenen blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van degene die geen verhaal bood, terug te vorderen.

  1979. Artikel 14 Afstand door de schuldeiser van zijn vorderingsrecht jegens een hoofdelijke schuldenaar bevrijdt deze niet van zijn verplichting tot bijdragen. De schuldeiser kan hem niettemin van zijn verplichting tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag dat als bijdrage had kunnen worden gevorderd. 2024 -756- No. 164 Afdeling 3 Pluraliteit van schuldeisers

  1980. Artikel 15 1. Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie aan hen voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben. 2. Is de prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een gemeenschap, dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht. 3. Aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten heeft gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten dat dit recht van die gemeenschap ging deel uitmaken.

  1981. Artikel 16 Wanneer met de schuldenaar is overeengekomen dat twee of meer personen als schuldeiser de prestatie van hem voor het geheel kunnen vorderen, met dien verstande dat de voldoening aan de een hem ook jegens de anderen bevrijdt, doch in de onderlinge verhouding van die personen de prestatie niet aan hen allen gezamenlijk toekomt, zijn op hun rechtsverhouding jegens de schuldenaar de in geval van gemeenschap geldende regels van overeenkomstige toepassing. Afdeling 4 Alternatieve verbintenissen

  1982. Artikel 17 1. Een verbintenis is alternatief, wanneer de schuldenaar verplicht is tot een van twee of meer verschillende prestaties ter keuze van hemzelf, van de schuldeiser of van een derde. 2. De keuze komt toe aan de schuldenaar, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling anders voortvloeit. Artikel 18 Een alternatieve verbintenis wordt enkelvoudig door het uitbrengen van de keuze door de daartoe bevoegde.

  1983. Artikel 19 1. Wanneer de keuze aan een der partijen toekomt, gaat de bevoegdheid om te kiezen op de andere partij over, indien deze haar wederpartij een redelijke termijn heeft gesteld tot bepaling van haar keuze en deze daarbinnen haar keuze niet heeft uitgebracht. 2. De bevoegdheid om te kiezen gaat echter niet over op de schuldeiser voordat deze het recht heeft om nakoming te vorderen, noch op de schuldenaar voordat deze het recht heeft om te voldoen. 3. Indien op de vordering een pandrecht of een beslag rust en de aangevangen executie bij gebreke van een keuze niet kan worden voortgezet, kan de pandhouder of de beslaglegger aan beide partijen een redelijke termijn stellen om overeenkomstig hun onderlinge rechtsverhouding een keuze uit te brengen. Indien de keuze niet binnen deze termijn geschiedt, gaat de bevoegdheid tot kiezen op de pandhouder of beslaglegger over. Zij zijn gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken. 2024 -757- No. 164

  1984. Artikel 20 1. De onmogelijkheid om een of meer der prestaties te verrichten, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid om te kiezen. 2. Indien de keuze aan de schuldenaar toekomt, is deze echter niet bevoegd een onmogelijke prestatie te kiezen, tenzij de onmogelijkheid een gevolg is van een aan de schuldeiser toe te rekenen oorzaak of deze met de keuze instemt. Afdeling 5 Voorwaardelijke verbintenissen Artikel 21 Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld.

  1985. Artikel 22 Een opschortende voorwaarde doet de werking der verbintenis eerst met het plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis vervallen.

  1986. Artikel 23 1. Wanneer de partij die bij de niet-vervulling belang had, de vervulling heeft belet, geldt de voorwaarde als vervuld, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen. 2. Wanneer de partij die bij de vervulling belang had, deze heeft teweeggebracht, geldt de voorwaarde als niet vervuld, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.

  1987. Artikel 24 1. Nadat een ontbindende voorwaarde is vervuld, is de schuldeiser verplicht de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken, tenzij uit de inhoud of strekking van de rechtshandeling anders voortvloeit. 2. Strekt de verplichting tot ongedaanmaking tot teruggave van een goed, dan komen de na de vervulling van de voorwaarde afgescheiden natuurlijke of opeisbaar geworden burgerlijke vruchten aan de schuldenaar toe en zijn de artikelen 120 tot en met 124 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent de vergoeding van kosten en van schade, voor zover die kosten en die schade na de vervulling zijn ontstaan.

  1988. Artikel 25 Is een krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie vóór de vervulling van de voorwaarde verricht, dan kan overeenkomstig titel 4, afdeling 2, ongedaanmaking van de prestatie worden gevorderd zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan.

  1989. Artikel 26 Op voorwaardelijke verbintenissen zijn de bepalingen betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing, voor zover het voorwaardelijk karakter van de betrokken verbintenis zich daartegen niet verzet. 2024 -758- No. 164 Afdeling 6 Nakoming van verbintenissen

  1990. Artikel 27 Degene die een individueel bepaalde zaak moet afleveren, is verplicht tot de aflevering voor deze zaak zorg te dragen op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen.

  1991. Artikel 28 Indien de verschuldigde zaak of zaken slechts zijn bepaald naar de soort en binnen de aangeduide soort verschil in kwaliteit bestaat, mag hetgeen de schuldenaar aflevert, niet beneden goede gemiddelde kwaliteit liggen. Artikel 29 De schuldenaar is zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen.

  1992. Artikel 30 1. Een verbintenis kan door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet. 2. De schuldeiser komt niet in verzuim, indien hij een door een derde aangeboden voldoening weigert met goedvinden van de schuldenaar.

  1993. Artikel 31 Betaling aan een onbekwame schuldeiser bevrijdt de schuldenaar, voor zover het betaalde de onbekwame tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht is gekomen van diens wettelijke vertegenwoordiger.

  1994. Artikel 32 Betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen, bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie moest worden betaald, de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat.

  1995. Artikel 33 Is de betaling gedaan in weerwil van een beslag of terwijl de schuldeiser wegens een beperkt recht, een bewind of een soortgelijk beletsel onbevoegd was haar te ontvangen, en wordt de schuldenaar deswege genoodzaakt opnieuw te betalen, dan heeft hij verhaal op de schuldeiser.

  1996. Artikel 34 1. De schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie moest worden betaald, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald. 2024 -759- No. 164 2. Indien iemand zijn recht om betaling te vorderen verliest, in dier voege dat het met terugwerkende kracht aan een ander toekomt, kan de schuldenaar een inmiddels gedane betaling aan die ander tegenwerpen, tenzij hetgeen hij omrent dit verlies kon voorzien, hem van de betaling had behoren te weerhouden.

  1997. Artikel 35 1. Is in geval van betaling door een derde te zijnen aanzien aan de vereisten van artikel 34 lid 1 of lid 2 voldaan, dan kan hij te zijnen behoeve de bevrijdende werking van die betaling inroepen. 2. De schuldenaar kan de bevrijdende werking van die betaling te zijnen behoeve inroepen, indien, bij betaling door hemzelf, ook wat hem betreft aan die vereisten zou zijn voldaan. Artikel 36 In de gevallen, bedoeld in de artikelen 34 en 35, heeft de ware gerechtigde verhaal op degene die de betaling zonder recht heeft ontvangen. Artikel 37 De schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten, indien hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden. Artikel 38 Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de verbintenis terstond worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd. Artikel 39 1. Is wel een tijd voor de nakoming bepaald, dan wordt vermoed dat dit slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd. 2. Betaling vóór de vervaldag geldt niet als onverschuldigd.

  1998. Artikel 40 De schuldenaar kan de tijdsbepaling niet meer inroepen, wanneer: a. hij in staat van faillissement is verklaard; b. hij in gebreke blijft de door hem toegezegde zekerheid te verschaffen; c. door een aan hem toe te rekenen oorzaak de voor de vordering gestelde zekerheid verminderd is, tenzij het overgeblevene nog een voldoende waarborg voor de voldoening oplevert.

  1999. Artikel 41 Indien geen plaats voor de nakoming is bepaald, moet de aflevering van een verschuldigde zaak geschieden: a. in geval van een individueel bepaalde zaak: ter plaatse waar zij zich bij het ontstaan van de verbintenis bevond; b. in geval van een naar de soort bepaalde zaak: ter plaatse waar de schuldenaar zijn beroep of bedrijf uitoefent of, bij gebreke daarvan, zijn woonplaats heeft. 2024 -760- No. 164

  2000. Artikel 42 Degene die ter nakoming van een verbintenis een zaak heeft afgeleverd waarover hij niet bevoegd was te beschikken, kan vorderen dat deze wordt afgegeven aan degene aan wie zij toekomt, mits hij tegelijkertijd een andere, aan de verbintenis beantwoordende zaak aanbiedt en het belang van de schuldeiser zich niet tegen teruggave verzet.

  2001. Artikel 43 1. Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens eenzelfde schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis die de schuldenaar bij de betaling aanwijst. 2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.

  2002. Artikel 44 1. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. 2. De schuldeiser kan, zonder daardoor in verzuim te komen, een aanbod tot betaling weigeren, indien de schuldenaar een andere volgorde voor de toerekening aanwijst. 3. De schuldeiser kan volledige aflossing van de hoofdsom weigeren, indien daarbij niet tevens de verschenen en lopende rente alsmede de kosten worden voldaan.

  2003. Artikel 45 Slechts met toestemming van de schuldeiser kan een schuldenaar zich van zijn verbintenis bevrijden door een andere prestatie dan de verschuldigde, al mocht zij van gelijke of zelfs hogere waarde zijn.

  2004. Artikel 46 1. Wanneer de schuldeiser een cheque, postcheque, overschrijvingsorder of een ander hem bij wijze van betaling aangeboden papier in ontvangst neemt, wordt vermoed dat dit geschiedt onder voorbehoud van goede afloop. 2. Is de schuldeiser bevoegd de nakoming van een op hem rustende verplichting tot het tijdstip van de betaling op te schorten, dan behoudt hij dit opschortingsrecht totdat zekerheid van goede afloop bestaat of door hem had kunnen worden verkregen.

  2005. Artikel 47 1. De kosten van betaling komen ten laste van degene die de verbintenis nakomt. 2. De kosten van een kwitantie komen ten laste van degene ten behoeve van wie het stuk wordt afgegeven. 2024 -761- No. 164

  2006. Artikel 48 1. De schuldeiser is verplicht voor iedere voldoening een kwitantie af te geven, tenzij uit overeenkomst, gewoonte of billijkheid anders voortvloeit. 2. Indien de schuldeiser een ter zake van de schuld afgegeven bewijsstuk heeft, kan de schuldenaar bij voldoening bovendien de afgifte van dat bewijsstuk vorderen, tenzij de schuldeiser een redelijk belang heeft bij het behoud van het stuk en daarop de nodige aantekening tot bewijs van de bevrijding van de schuldenaar stelt. 3. De schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten, indien de schuldeiser niet voldoet aan lid 1.

  2007. Artikel 49 1. Bij voldoening van een vordering aan toonder of order kan de schuldenaar eisen dat een kwijting op het papier wordt gesteld en dat hem het papier wordt afgegeven. 2. Indien de voldoening niet de gehele vordering betreft of de schuldeiser het papier nog voor de uitoefening van andere rechten nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij naast de kwijting die op het papier is gesteld, tevens een afzonderlijke kwijting afgeeft. 3. De schuldeiser kan, ongeacht of geheel of gedeeltelijk voldaan wordt, volstaan met de enkele afgifte van een kwijting, mits hij op verlangen van de wederpartij aantoont dat het papier vernietigd of waardeloos is geworden, of zekerheid stelt voor twintig jaar of een zoveel kortere tijdsduur als verwacht mag worden dat de wederpartij nog aan een vordering uit hoofde van het papier bloot zal kunnen staan. 4. De schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten, indien de schuldeiser niet aan de leden 1 tot en met 3 voldoet.

  2008. Artikel 50 1. Moeten op achtereenvolgende tijdstippen gelijksoortige prestaties worden verricht, dan leveren de kwitanties van twee achtereenvolgende termijnen het vermoeden op dat ook de vroegere termijnen zijn voldaan. 2. Indien de schuldeiser een kwitantie afgeeft voor de hoofdsom, wordt vermoed dat ook de rente en de kosten zijn voldaan.

  2009. Artikel 51 1. Wanneer uit de wet voortvloeit dat iemand verplicht is tot het stellen van zekerheid of dat het stellen van zekerheid voorwaarde is voor het intreden van enig rechtsgevolg, heeft degene die daartoe overgaat, de keuze tussen persoonlijke en zakelijke zekerheid. 2. De aangeboden zekerheid moet zodanig zijn dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. 3. Is de gestelde zekerheid door een niet aan de schuldeiser toe te rekenen oorzaak onvoldoende geworden, dan is de schuldenaar verplicht haar aan te vullen of te vervangen. Afdeling 7 Opschortingsrechten

  2010. Artikel 52 1. Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. 2024 -762- No. 164 2. Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen in geval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.

  2011. Artikel 53 Een opschortingsrecht kan ook worden ingeroepen tegen de schuldeisers van de wederpartij.

  2012. Artikel 54 Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat, voor zover: a. de nakoming van de verbintenis van de wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim; b. de nakoming van de verbintenis van de wederpartij blijvend onmogelijk is; c. op de vordering van de wederpartij geen beslag is toegelaten.

  2013. Artikel 55 Zodra zekerheid is gesteld voor de voldoening van de verbintenis van de wederpartij, vervalt de bevoegdheid tot opschorting, tenzij deze voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd.

  2014. Artikel 56 Een bevoegdheid tot opschorting blijft ook na verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij in stand.

  2015. Artikel 57 Indien een bevoegdheid tot opschorting voldoet aan de omschrijving van het retentierecht in artikel 290 van Boek 3, is deze afdeling van toepassing, voor zover daarvan in titel 10, afdeling 4, van Boek 3 niet is afgeweken. Afdeling 8 Schuldeisersverzuim

  2016. Artikel 58 De schuldeiser komt in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis wordt verhinderd doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend.

  2017. Artikel 59 De schuldeiser komt eveneens in verzuim, wanneer hij ten gevolge van hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting zijnerzijds jegens de schuldenaar en deze op die grond bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort.

  2018. Artikel 60 Is de schuldeiser in verzuim, dan kan de rechter op vordering van de schuldenaar bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn, al dan niet onder door de rechter te stellen voorwaarden. 2024 -763- No. 164 Artikel 61 1. Verzuim van de schuldeiser maakt een einde aan verzuim van de schuldenaar. 2. Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar niet in verzuim geraken. Artikel 62 Gedurende het verzuim van de schuldeiser is deze niet bevoegd maatregelen tot executie te nemen.

  2019. Artikel 63 De schuldenaar heeft, binnen de grenzen der redelijkheid, recht op vergoeding van de kosten, gevallen op een aanbod of een inbewaringstelling als bedoeld in de artikelen 66 tot en met 70, of op andere wijze als gevolg van het verzuim gemaakt.

  2020. Artikel 64 Komt tijdens het verzuim van de schuldeiser een omstandigheid op, die behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt, dan wordt dit niet aan de schuldenaar toegerekend, tenzij deze door zijn schuld of die van een ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.

  2021. Artikel 65 Wanneer bij een verbintenis tot aflevering van soortzaken de schuldenaar bepaalde, aan de verbintenis beantwoordende zaken voor de aflevering heeft aangewezen en de schuldeiser daarvan heeft verwittigd, dan is hij in geval van verzuim van de schuldeiser nog slechts tot aflevering van deze zaken verplicht. Hij blijft echter bevoegd tot aflevering van andere zaken die aan de verbintenis beantwoorden.

  2022. Artikel 66 Strekt de verbintenis tot betaling van een geldsom of tot aflevering van een zaak, dan is in geval van verzuim van de schuldeiser de schuldenaar bevoegd het verschuldigde ten behoeve van de schuldeiser in bewaring te stellen.

  2023. Artikel 67 De inbewaringstelling van een geldsom geschiedt door consignatie overeenkomstig de wet, die van een af te leveren zaak door deze in bewaring te geven aan iemand die zijn bedrijf maakt van het bewaren van dergelijke zaken ter plaatse waar de aflevering moet geschieden. Op deze bewaring zijn de regels betreffende gerechtelijke bewaring van toepassing, voor zover uit de artikelen 68 tot en met 71 niet anders voortvloeit. Artikel 68 Gedurende de bewaring loopt over een in bewaring gestelde geldsom geen rente ten laste van de schuldenaar.

  2024. Artikel 69 1. Gedurende de bewaring kan de schuldeiser zijn verzuim slechts zuiveren door het in bewaring gestelde te aanvaarden. 2024 -764- No. 164 2. Zolang de schuldeiser het in bewaring gestelde niet heeft aanvaard, is de bewaargever bevoegd het uit de bewaring terug te nemen.

  2025. Artikel 70 De bewaarder mag de zaak slechts aan de schuldeiser afgeven, indien deze hem alle kosten van de bewaring voldoet. Hij is na de afgifte verplicht aan de bewaargever terug te betalen, wat deze reeds had voldaan. Is de zaak afgegeven vóórdat de schuldeiser alle kosten voldeed, dan gaan de rechten te dier zake door de betaling aan de bewaargever op de bewaarder over. Artikel 71 De rechtsvordering tegen de schuldenaar verjaart niet later dan de rechtsvordering tot uitlevering van het in bewaring gestelde. Artikel 72 In geval van hoofdelijke verbondenheid gelden de rechtsgevolgen van het verzuim van de schuldeiser jegens ieder van de schuldenaren.

  2026. Artikel 73 Weigert de schuldeiser een aanbod van een derde, dan zijn de artikelen 60, 62, 63 en 66 tot en met 70 ten behoeve van de derde van overeenkomstige toepassing, mits het aanbod aan de verbintenis beantwoordt en de derde bij de voldoening een gerechtvaardigd belang heeft. Afdeling 9 De gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis §1 Algemene bepalingen

  2027. Artikel 74 1. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt, te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. 2. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, vindt lid 1 slechts toepassing met inachtneming van hetgeen in § 2 betreffende het verzuim van de schuldenaar is bepaald.

  2028. Artikel 75 Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

  2029. Artikel 76 Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk. 2024 -765- No. 164

  2030. Artikel 77 Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die daardoor ontstaat, de schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.

  2031. Artikel 78 1. Indien een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend, maar hij in verband met die tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad, dan heeft de schuldeiser met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking recht op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van dit voordeel. 2. Bestaat dit voordeel uit een vordering op een derde, dan kan de schuldenaar aan lid 1 voldoen door overdracht van die vordering.

  2032. Artikel 79 Indien de schuldeiser wiens schuldenaar door een hem niet toe te rekenen oorzaak verhinderd is na te komen, desondanks in staat is zelf zich door executie of verrekening het verschuldigde te verschaffen, dan is hij daartoe bevoegd.

  2033. Artikel 80 1. De gevolgen van niet-nakoming treden reeds in voordat de vordering opeisbaar is, indien: a. vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn; b. de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten; of c. de schuldeiser goede gronden heeft te vrezen dat de schuldenaar in de nakoming zal tekortschieten en deze niet voldoet aan een schriftelijke aanmaning met opgave van die gronden om zich binnen een bij die aanmaning gestelde redelijke termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen na te komen. 2. Het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging en de toerekening aan de schuldenaar van het onmogelijk worden van nakoming tijdens zijn verzuim. §2 Verzuim van de schuldenaar

  2034. Artikel 81 De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.

  2035. Artikel 82 1. Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. 2024 -766- No. 164 2. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.

  2036. Artikel 83 Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in, wanneer: a. een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft; b. de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen; c. de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

  2037. Artikel 84 Elke onmogelijkheid van nakoming, ontstaan tijdens het verzuim van de schuldenaar en niet toe te rekenen aan de schuldeiser, wordt aan de schuldenaar toegerekend; deze moet de daardoor ontstane schade vergoeden, tenzij de schuldeiser de schade ook bij behoorlijke en tijdige nakoming zou hebben geleden.

  2038. Artikel 85 Tot vergoeding van schade wegens vertraging in de nakoming is de schuldenaar slechts verplicht over de tijd waarin hij in verzuim is geweest.

  2039. Artikel 86 De schuldeiser kan een na het intreden van het verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten.

  2040. Artikel 87 1. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, wordt de verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk meedeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. 2. Geen omzetting vindt plaats, die door de tekortkoming, gezien haar ondergeschikte betekenis, niet wordt gerechtvaardigd. §3 Verdere gevolgen van niet-nakoming

  2041. Artikel 88 1. De schuldenaar die in de nakoming van zijn verbintenis is tekort gekomen, kan aan de schuldeiser een redelijke termijn stellen, waarbinnen deze moet meedelen welke van de hem bij de aanvang van de termijn ten dienste staande middelen hij wenst uit te oefenen, op straffe van slechts aanspraak te kunnen maken op: a. de schadevergoeding waarop de tekortkoming recht geeft en, zo de verbintenis strekt tot betaling van een geldsom, op die geldsom; 2024 -767- No. 164 b. ontbinding van de overeenkomst waaruit de verbintenis voortspruit, indien de schuldenaar zich erop beroept dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. 2. Heeft de schuldeiser nakoming verlangd, doch wordt daaraan niet binnen een redelijke termijn voldaan, dan kan hij al zijn rechten wederom doen gelden; lid 1 is van overeenkomstige toepassing.

  2042. Artikel 89 De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

  2043. Artikel 90 1. Bij een verhindering tot aflevering van een zaak die aan snel tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan om een andere reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij in de gegeven omstandigheden niet van de schuldenaar kan worden gevergd, is deze bevoegd de zaak op een geschikte wijze te doen verkopen. De schuldenaar is jegens de schuldeiser tot een zodanige verkoop gehouden, wanneer diens belangen deze verkoop onmiskenbaar eisen of de schuldeiser te kennen geeft de verkoop te verlangen. 2. De netto-opbrengst treedt voor de zaak in de plaats, onverminderd de rechten van de schuldeiser wegens tekortkomingen in de nakoming van de verbintenis. §4 Boetebeding

  2044. Artikel 91 Als boetebeding wordt aangemerkt ieder beding waarbij is bepaald dat de schuldenaar, indien hij in de nakoming van zijn verbintenis tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te voldoen, ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan.

  2045. Artikel 92 1. De schuldeiser kan geen nakoming vorderen zowel van het boetebeding als van de verbintenis waaraan het boetebeding is verbonden, tenzij de boete op de enkele vertraging is gesteld. 2. Hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, treedt in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet. 3. De schuldeiser kan geen nakoming vorderen van het boetebeding, indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

  2046. Artikel 93 Voor het vorderen van nakoming van het boetebeding is een aanmaning of een andere voorafgaande verklaring nodig in dezelfde gevallen als deze is vereist voor het vorderen van schadevergoeding op grond van de wet.

  2047. Artikel 94 1. Op verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. 2024 -768- No. 164 2. Op verlangen van de schuldeiser kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, naast een bedongen boete die bestemd is in de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet, aanvullende schadevergoeding toekennen. 3. Van lid 1 afwijkende bedingen zijn nietig. Afdeling 10 Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding

  2048. Artikel 95 1. De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. 2. Het recht op een vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, is niet vatbaar voor beslag. Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.

  2049. Artikel 96 1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst. 2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking: a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht; b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid; c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens, wat de kosten als bedoeld onder b en c, betreft, voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 63a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.

  2050. Artikel 97 De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

  2051. Artikel 98 Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

  2052. Artikel 99 Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door ten minste een van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

  2053. Artikel 100 Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht. 2024 -769- No. 164

  2054. Artikel 101 1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. 2. Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan worden bij toepassing van lid 1 omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde.

  2055. Artikel 102 1. Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 10 in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. 2. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, vindt artikel 101 toepassing op de vergoedingsplicht van ieder van de in lid 1 bedoelde personen afzonderlijk, met dien verstande dat de benadeelde in totaal van hen niet meer kan vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien voor de omstandigheden waarop hun vergoedingsplichten berusten, slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest. Indien verhaal op een der tot bijdragen verplichte personen niet ten volle mogelijk blijkt, kan de rechter op verlangen van een hunner bepalen dat bij toepassing van artikel 13 het onvoldaan gebleven deel mede over de benadeelde wordt omgeslagen.

  2056. Artikel 103 Schadevergoeding wordt voldaan in geld. Nochtans kan de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom toekennen. Wordt niet binnen redelijke termijn aan een zodanige uitspraak voldaan, dan herkrijgt de benadeelde zijn bevoegdheid om schadevergoeding in geld te verlangen.

  2057. Artikel 104 Indien iemand die op grond van onrechtmatige daad of een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis jegens een ander aansprakelijk is, door die daad of tekortkoming winst heeft genoten, kan de rechter op vordering van die ander de schade begroten op het bedrag van die winst of op een gedeelte daarvan.

  2058. Artikel 105 1. De begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het laatste geval kan de rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot betaling van een bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, al of niet met verplichting tot zekerheidstelling; deze veroordeling kan geschieden onder door de rechter te stellen voorwaarden. 2024 -770- No. 164 2. Voor zover de rechter de schuldenaar veroordeelt tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, kan hij in zijn uitspraak bepalen dat deze op verzoek van elk van de partijen door de rechter die in eerste aanleg van de vordering tot schadevergoeding heeft kennis genomen, kan worden gewijzigd, indien zich na de uitspraak omstandigheden voordoen, die voor de omvang van de vergoedingsplicht van belang zijn en met de mogelijkheid van het intreden waarvan bij de vaststelling der bedragen geen rekening is gehouden.

  2059. Artikel 106 Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien: a. de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; c. het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.

  2060. Artikel 107 1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van: a. de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen; en b. een bij of krachtens staatsbesluit vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel. 2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn: a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de gekwetste; b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert; c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is; d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is; e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft; f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft; g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt. 3. Bij staatsbesluit kunnen regels worden gesteld waarmee nader wordt bepaald wanneer letsel als ernstig en blijvend letsel als bedoeld in lid 1 onder b wordt aangemerkt. 4. Aanspraken van derden ter zake van als gevolg van het letsel geleden schade kunnen niet ten nadele van het recht op schadevergoeding van de gekwetste worden uitgeoefend. 5. Hij die krachtens lid 1 tot schadevergoeding wordt aangesproken kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben gestaan. 2024 -771- No. 164

  2061. Artikel 107a 1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, houdt de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de gekwetste aanspraak kan maken, rekening met de aanspraak op loon waarop de gekwetste krachtens zijn dienstbetrekking aanspraak kan maken. 2. Indien degene in wiens dienst de gekwetste is, krachtens wet of overeenkomst tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid verplicht is aan deze loon door te betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken van de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, jegens deze ander recht op schadevergoeding ten bedrage van het door hem betaalde loon, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor de aansprakelijke persoon bij het ontbreken van de verplichting tot het doorbetalen van loon aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de gekwetste is gehouden. 3. Degene in wiens dienst de gekwetste is, heeft het in lid 2 bedoelde recht op schadevergoeding tegen iemand die eveneens in zijn dienst is, slechts indien de ongeschiktheid tot werken het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid.

  2062. Artikel 108 1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan: a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud; b. andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was; c. degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijs niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien; d. degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien. 2. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. 3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens staatsbesluit vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden. 4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn: a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de overledene; b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert; c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is; d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is; e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft; f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft; g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. 2024 -772- No. 164 5. Degene die krachtens de leden 1 en 2 tot schadevergoeding wordt aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren dat hem tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan. 6. Geen recht op vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade bestaat, voor zover de rechthebbende op grond van dezelfde gebeurtenis reeds een vergoeding uit hoofde van artikel 107 lid 1 onder b heeft ontvangen.

  2063. Artikel 109 1. Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen. 2. De matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken. 3. Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.

  2064. Artikel 110 Opdat de aansprakelijkheid die ter zake van schade kan ontstaan niet gaat boven hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt, kunnen bij staatsbesluit bedragen worden vastgesteld, waarboven de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade en de grond van de aansprakelijkheid. Afdeling 11 Verbintenissen tot betaling van een geldsom

  2065. Artikel 111 Een verbintenis tot betaling van een geldsom moet naar haar nominale bedrag worden voldaan, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling anders voortvloeit.

  2066. Artikel 112 Het geld dat ter voldoening van de verbintenis wordt betaald, moet op het tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het land in welks geld de betaling geschiedt.

  2067. Artikel 114 1. Bestaat in een land waar de betaling moet of mag geschieden ten name van de schuldeiser een rekening, bestemd voor girale betaling, dan kan de schuldenaar de verbintenis voldoen door het verschuldigde bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten. 2. In het geval van lid 1 geschiedt de betaling op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd.

  2068. Artikel 115 De plaats waar de betaling moet geschieden wordt bepaald door de artikelen 116 tot en met 118, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat op een andere plaats moet of mag worden betaald. 2024 -773- No. 164

  2069. Artikel 116 1. De betaling moet worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser op het tijdstip van de betaling. 2. De schuldeiser is bevoegd een andere plaats voor de betaling aan te wijzen in het land van de woonplaats van de schuldeiser op het tijdstip van de betaling of op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis.

  2070. Artikel 117 Indien de betaling overeenkomstig artikel 116 moet geschieden op een andere plaats dan de woonplaats van de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis en het voldoen aan de verbintenis daardoor voor de schuldenaar aanmerkelijk bezwaarlijker zou worden, is deze bevoegd de betaling op te schorten, totdat de schuldeiser in een der in artikel 116 lid 2 bedoelde landen een andere plaats voor de betaling heeft aangewezen, waaraan een zodanig bezwaar niet is verbonden.

  2071. Artikel 118 Indien de verbintenis is ontstaan bij de uitoefening van bedrijfs- of beroepsbezigheden van de schuldeiser, geldt in de artikelen 116 en 117 de plaats van vestiging waar die bezigheden worden uitgeoefend, als woonplaats van de schuldeiser.

  2072. Artikel 119 1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. 2. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. 3. Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de leden 1 en 2 verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.

  2073. Artikel 120 De wettelijke rente wordt bij staatsbesluit vastgesteld. Wettelijke rente die loopt op het tijdstip van inwerkingtreding van een nieuwe bij zulk een staatsbesluit vastgestelde rentevoet, wordt met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend.

  2074. Artikel 121 1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden, dan is de schuldenaar bevoegd de verbintenis in het geld van de plaats van betaling te voldoen. 2. Lid 1 geldt niet, indien uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt.

  2075. Artikel 122 1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden en is de schuldenaar niet in staat of beweert hij niet in staat te zijn in dit geld te voldoen, dan kan de schuldeiser voldoening in het geld van de plaats van betaling vorderen. 2. Lid 1 geldt mede, indien de schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt. 2024 -774- No. 164

  2076. Artikel 123 1. In geval in Suriname een rechtsvordering wordt ingesteld ter verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld, kan de schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling te zijner keuze in dat buitenlandse geld of in Surinaams geld. 2. De schuldeiser die een in buitenlands geld luidende executoriale titel in Suriname kan executeren, kan het hem verschuldigde bij deze executie opeisen in Surinaams geld. 3. De leden 1 en 2 gelden mede, indien de schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt.

  2077. Artikel 124 Wordt de verbintenis als gevolg van toepassing van de artikelen 121 tot en met 123 of van omzetting in een vordering tot schadevergoeding overeenkomstig afdeling 9 voldaan in ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt, dan geschiedt de omrekening naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.

  2078. Artikel 125 1. Artikel 119 laat onverlet het recht van de schuldeiser op vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat na het intreden van het verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd. 2. Lid 1 is niet van toepassing, indien de verbintenis strekt tot betaling van Surinaams geld, de betaling in Suriname moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis in Suriname zijn woonplaats had.

  2079. Artikel 126 Voor de toepassing van deze afdeling geldt als koers de koers tegen welke de schuldeiser zich onverwijld het geld kan verschaffen, zulks met inachtneming van hetgeen uit wet, gewoonte en inhoud of strekking van de verbintenis mocht voortvloeien. Afdeling 12 Verrekening

  2080. Artikel 127 1. Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. 2. Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. 3. De bevoegdheid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen.

  2081. Artikel 128 1. De schuldeiser van een vordering aan toonder of order brengt deze in verrekening door zijn verrekeningsverklaring op het papier te stellen en dit aan de wederpartij af te geven. 2024 -775- No. 164 2. Indien de verrekening niet zijn gehele vordering betreft of hij het papier nog voor de uitoefening van andere rechten nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij de verklaring niet alleen op het papier stelt, maar haar ook schriftelijk tot de wederpartij richt. 3. Hij kan, ongeacht of de verrekening de gehele vordering betreft, bij enkele, niet op het papier gestelde schriftelijke verklaring verrekenen, mits hij op verlangen van de wederpartij aantoont dat het papier vernietigd of waardeloos is geworden, of zekerheid stelt voor twintig jaar of voor een zoveel kortere tijdsduur als verwacht mag worden dat de wederpartij nog aan een vordering uit hoofde van het papier bloot zal kunnen staan.

  2082. Artikel 129 1. De verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. 2. Is over een der vorderingen of over beide reeds opeisbare rente betaald, dan werkt de verrekening niet verder terug dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan. 3. Indien voor de bepaling van de werking van een verrekening bij geldschulden een koersberekening nodig is, geschiedt deze volgens dezelfde maatstaven als wanneer op de dag der verrekening wederzijdse betaling had plaatsgevonden.

  2083. Artikel 130 1. Is een vordering onder bijzondere titel overgegaan, dan is de schuldenaar bevoegd ondanks de overgang ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden. 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing, wanneer op een vordering beslag is gelegd of een beperkt recht is gevestigd waarvan mededeling aan de schuldenaar is gedaan. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing, indien de overgang of de vestiging van het beperkte recht een vordering aan toonder of order betrof en is geschied overeenkomstig artikel 93 van Boek 3.

  2084. Artikel 131 1. De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering. 2. Uitstel van betaling of van executie, bij wijze van gunst door de schuldeiser verleend, staat aan verrekening door de schuldeiser niet in de weg.

  2085. Artikel 132 Wordt een verrekeningsverklaring uitgebracht door een daartoe bevoegde, dan kan niettemin de wederpartij die grond had om nakoming van haar verbintenis te weigeren, aan de verrekeningsverklaring haar werking ontnemen door op de weigeringsgrond een beroep te doen, onverwijld nadat die verklaring werd uitgebracht en zij tot dit beroep in staat was.

  2086. Artikel 133 Nadat de ene partij een verrekeningsverklaring heeft uitgebracht, kan de andere partij, mits onverwijld, aan die verklaring haar werking ontnemen door alsnog gebruik te maken van een eigen bevoegdheid tot verrekening, doch alleen indien deze laatste verrekening verder terugwerkt. 2024 -776- No. 164

  2087. Artikel 134 De schuldenaar uit een wederkerige overeenkomst, die tot verrekening bevoegd is, kan aan de verklaring van zijn wederpartij, strekkende tot ontbinding van de overeenkomst wegens niet-nakoming, haar werking ontnemen door onverwijld van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik te maken.

  2088. Artikel 135 Een schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening: a. voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn; b. indien zijn verplichting strekt tot vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft toegebracht.

  2089. Artikel 136 De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de opgeroepene op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.

  2090. Artikel 137 1. Voor zover een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, geldt de volgorde van toerekening, aangegeven in artikel 43 lid 2 en artikel 44 lid 1. 2. De wederpartij van degene die heeft verklaard te verrekenen, kan door een onverwijld protest aan die verklaring haar werking ontnemen, indien de toerekening op de haar verschuldigde hoofdsom, kosten en met inachtneming van artikel 129 te berekenen rente in deze verklaring in een andere volgorde is geschied dan die van artikel 44 lid 1.

  2091. Artikel 138 1. De omstandigheid dat de plaats van voldoening der verbintenissen niet dezelfde is, sluit verrekening niet uit. Degene die verrekent, is in dit geval verplicht zijn wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat niet wederzijds te bestemder plaatse voldoening geschiedt. 2. De wederpartij van degene die ondanks een verschil in de plaats van nakoming heeft verrekend, kan door een onverwijld protest aan de verklaring tot verrekening haar werking ontnemen, als zij er een gerechtvaardigd belang bij heeft dat geen verrekening, maar nakoming plaatsvindt.

  2092. Artikel 139 1. De borg en degene wiens goed voor de schuld van een ander is verbonden, kunnen de opschorting van hun aansprakelijkheid inroepen, voor zover de schuldeiser bevoegd is zijn vordering met een opeisbare schuld aan de schuldenaar te verrekenen. 2. Zij kunnen de bevrijding van hun aansprakelijkheid inroepen, voor zover de schuldeiser een bevoegdheid tot verrekening met een schuld aan de schuldenaar heeft doen verloren gaan, tenzij hij daartoe een redelijke grond had of hem geen schuld treft. 2024 -777- No. 164

  2093. Artikel 140 1. Moeten tussen twee partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldvorderingen en geldschulden in één rekening worden opgenomen, dan worden zij, in de volgorde waarin partijen volgens de voorgaande artikelen van deze afdeling of krachtens hun onderlinge rechtsverhouding tot verrekening bevoegd worden, dadelijk van rechtswege verrekend en is op ieder tijdstip alleen het saldo verschuldigd. Artikel 137 is niet van toepassing. 2. De partij die de rekening bijhoudt, sluit deze jaarlijks af en deelt het op dat tijdstip verschuldigde saldo mee aan de wederpartij, met opgave van de aan deze nog niet eerder meegedeelde posten waaruit het is samengesteld. 3. Indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge lid 2 meegedeelde saldo protesteert, geldt dit als tussen partijen vastgesteld. 4. Na vaststelling van het saldo kan ten aanzien van de afzonderlijke posten geen beroep meer worden gedaan op het intreden van verjaring of op het verstrijken van een vervaltermijn. De rechtsvordering tot betaling van het saldo verjaart door verloop van vijf jaar na de dag, volgende op die waarop de rekening is geëindigd en het saldo opeisbaar is geworden. 5. Uit de tussen partijen bestaande rechtsverhouding kan anders voortvloeien dan in de leden 1 tot en met 4 is bepaald.

  2094. Artikel 141 Indien een verbintenis geheel of gedeeltelijk door verrekening tenietgaat, zijn de leden 1 en 2 van artikel 48 van overeenkomstige toepassing. Titel 2 Overgang van vorderingen en schulden en afstand van vorderingen Afdeling 1 Gevolgen van overgang van vorderingen

  2095. Artikel 142 1. Bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser verkrijgt deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen. 2. Onder de nevenrechten zijn tevens begrepen het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang.

  2096. Artikel 143 1. In geval van overgang van een vordering is de vorige schuldeiser verplicht de op de vordering en op de nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken af te geven aan de nieuwe schuldeiser. Behoudt hij zelf belang bij een bewijsstuk, dan is hij slechts verplicht om aan de nieuwe schuldeiser op diens verlangen en op diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven, waaruit met overeenkomstige bewijskracht als uit het oorspronkelijke stuk van de vordering blijkt. 2. De vorige schuldeiser is tevens verplicht tot afgifte van de in artikel 142 bedoelde executoriale titels of, indien hijzelf belang bij deze titels behoudt, om de nieuwe schuldeiser tot tenuitvoerlegging daarvan in de gelegenheid te stellen. 2024 -778- No. 164 3. In geval van overgang van de gehele vordering is de vorige schuldeiser verplicht de zich in zijn handen bevindende panden af te geven aan de nieuwe schuldeiser. 4. In geval van overgang van een vordering waaraan hypotheek is verbonden, is de vorige schuldeiser verplicht desverlangd ertoe mee te werken dat uit de openbare registers van deze overgang blijkt.

  2097. Artikel 144 1. Brengt de overdracht van een vordering mee dat verplichtingen die uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien, overgaan op de nieuwe schuldeiser, dan staat de vorige schuldeiser in voor de nakoming van deze verplichtingen. 2. Lid 1 is niet van toepassing in geval van overdracht van een vordering aan toonder of order overeenkomstig artikel 93 van Boek 3.

  2098. Artikel 145 Overgang van een vordering laat de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet.

  2099. Artikel 146 1. Na een overdracht overeenkomstig artikel 93 van Boek 3 van een vordering aan toonder of aan order kan de schuldenaar een verweermiddel, gegrond op zijn verhouding tot een vorige schuldeiser, niet tegenwerpen aan de verkrijger en diens rechtsopvolgers, tenzij op het tijdstip van de overdracht het verweermiddel bekend was aan de verkrijger of voor hem kenbaar was uit het papier. 2. Een beroep op onbekwaamheid of onbevoegdheid kan ook jegens een daarmee niet bekende verkrijger worden gedaan, indien zij ten tijde van zijn verkrijging kenbaar was uit een in een openbaar register opgenomen inschrijving, bij of krachtens de wet voorgeschreven teneinde kennisneming mogelijk te maken van de feiten waarop de onbekwaamheid of onbevoegdheid berust.

  2100. Artikel 147 In geval van overdracht van een papier aan toonder of aan order verliest degene die volgens dat papier schuldenaar is, en aan wie is toe te rekenen dat het papier tegen zijn wil in omloop is of dat zijn handtekening vals of het papier vervalst is, de bevoegdheid zich daarop te beroepen tegenover de verkrijger te goeder trouw en diens rechtsopvolgers.

  2101. Artikel 148 De artikelen 146 en 147 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vestiging van een beperkt recht op een vordering aan toonder of aan order.

  2102. Artikel 149 1. Oefent de schuldenaar na overgang van de vordering onder bijzondere titel jegens de oorspronkelijke schuldeiser een bevoegdheid uit tot vernietiging of ontbinding van de rechtshandeling waaruit de vordering voortspruit, dan is hij verplicht om de nieuwe schuldeiser zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen, tenzij de vernietiging of ontbinding niet aan deze kan worden tegengeworpen. 2. Na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging of ontbinding wordt een beroep op de vernietigings- of ontbindingsgrond ter afwering van een op de rechtshandeling steunende rechtsvordering of andere rechtsmaatregel gericht tot de nieuwe schuldeiser en is de schuldenaar verplicht zo spoedig mogelijk nadien mededeling daarvan aan de oorspronkelijke schuldeiser te doen. 2024 -779- No. 164 3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing ter zake van de uitoefening van een bevoegdheid van de schuldenaar tot vernietiging of ontbinding, nadat op de vordering met mededeling aan hem een beperkt recht is gevestigd. Afdeling 2 Subrogatie

  2103. Artikel 150 Een vordering gaat bij wijze van subrogatie over op een derde: a. indien een hem toebehorend goed voor de vordering wordt uitgewonnen; b. indien hij de vordering voldoet omdat een hem toebehorend goed voor de vordering verbonden is; c. indien hij de vordering voldoet om uitwinning te voorkomen van een hem niet toebehorend goed, mits door de uitwinning een recht dat hij op het goed heeft, verloren zou gaan of de voldoening van een hem toekomend vorderingsrecht in gevaar zou worden gebracht; d. krachtens overeenkomst tussen de derde die de vordering voldoet en de schuldenaar, mits de schuldeiser op het tijdstip van de voldoening deze overeenkomst kende of hem daarvan kennis was gegeven.

  2104. Artikel 151 1. Subrogatie overeenkomstig artikel 150 vindt niet plaats voor zover de schuld de derde aangaat in zijn verhouding tot de schuldenaar. 2. De rechten van de schuldeiser jegens borgen en personen die geen schuldenaar zijn, gaan slechts op de derde over tot ten hoogste de bedragen waarvoor de schuld ieder van hen aangaat in hun verhouding tot de schuldenaar.

  2105. Artikel 152 1. Blijkt verhaal krachtens subrogatie overeenkomstig artikel 150 geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onvoldaan gebleven deel over de gesubrogeerde en andere in artikel 151 lid 2 genoemde derden omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk was. 2. De gesubrogeerde kan van geen der andere bij de omslag betrokken derden een groter bedrag vorderen dan de oorspronkelijke schuldeiser op het tijdstip van de voldoening op deze had kunnen verhalen. 3. Ieder der in de omslag betrokkenen blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te vorderen.

  2106. Artikel 153 In het geval van subrogatie in de hoofdvordering verkrijgt de gesubrogeerde het recht op bedongen rente slechts voor zover deze betrekking heeft op het tijdvak na de overgang.

  2107. Artikel 154 De schuldeiser is jegens degene die, zo hij de vordering voldoet, zal worden gesubrogeerd, verplicht zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van deze afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag verwachten krachtens de subrogatie te zullen treden. 2024 -780- No. 164 Afdeling 3 Schuld- en contractsoverneming

  2108. Artikel 155 Een schuld gaat van de schuldenaar over op een derde, indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven.

  2109. Artikel 156 1. Heeft de schuldeiser bij voorbaat zijn toestemming tot een schuldoverneming gegeven, dan vindt de overgang plaats, zodra de schuldenaar tot overeenstemming is gekomen met de derde en partijen de schuldeiser schriftelijk van de overneming kennis hebben gegeven. 2. De schuldeiser kan een bij voorbaat gegeven toestemming niet herroepen, tenzij hij zich de bevoegdheid daartoe bij de toestemming heeft voorbehouden.

  2110. Artikel 157 1. De bij de vordering behorende nevenrechten worden na het tijdstip van de overgang tegen de nieuwe in plaats van tegen de oude schuldenaar uitgeoefend. 2. Tot zekerheid van de overgegane schuld strekkende rechten van pand en hypotheek op een aan een der partijen toebehorend goed blijven bestaan; die op een niet aan partijen toebehorend goed en rechten uit borgtocht gaan door de overgang teniet, tenzij de pand- of hypotheekgever of borg tevoren in handhaving heeft toegestemd. 3. Voorrechten op bepaalde goederen waarop de schuldeiser niet tevens een verhaalsrecht jegens derden heeft, gaan door de overgang teniet, tenzij de schuldoverneming plaatsvindt ter uitvoering van de overdracht van een onderneming waartoe ook het goed waarop het voorrecht rust, behoort. Voorrechten op het vermogen van de schuldenaar gelden na de overgang als voorrechten op het vermogen van de nieuwe schuldenaar. 4. Bedongen rechten en boeten, alsmede dwangsommen die vóór de overgang aan de schuldenaar werden opgelegd, worden door de nieuwe in plaats van door de oude schuldenaar verschuldigd, voor zover zij na het tijdstip van de overgang zijn opeisbaar geworden of verbeurd.

  2111. Artikel 158 Indien de rechtsverhouding tussen de vorige en de nieuwe schuldenaar op grond waarvan de schuld is overgenomen, nietig, vernietigd of ontbonden is, kan de schuldeiser de schuld weer op de vorige schuldenaar doen overgaan door daartoe strekkende kennisgevingen aan de beide betrokken partijen; elk van hen kan de schuldeiser daartoe een redelijke termijn stellen.

  2112. Artikel 159 1. Een partij bij een overeenkomst kan haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. 2. Hierdoor gaan alle rechten en verplichtingen over op de derde, voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald. 3. Artikel 156 en artikel 157 leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing. 2024 -781- No. 164 Afdeling 4 Afstand en vermenging

  2113. Artikel 160 1. Een verbintenis gaat teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. 2. Een door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot afstand om niet geldt als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen. 3. Artikel 48 leden 1 en 2 en artikel 49 leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2114. Artikel 161 1. Een verbintenis gaat teniet door vermenging, wanneer door overgang van de vordering of de schuld de hoedanigheid van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon verenigen. 2. Lid 1 is niet van toepassing: a. zolang de vordering en de schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen; b. in geval van overdracht overeenkomstig artikel 93 van Boek 3 van een vordering aan toonder of order; c. indien de voormelde vereniging van hoedanigheden het gevolg is van een rechtshandeling onder ontbindende voorwaarde, zolang niet vaststaat dat de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan. 3. Tenietgaan van een verbintenis door vermenging laat de op de vordering rustende rechten van derden onverlet. Titel 3 Onrechtmatige daad Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2115. Artikel 162 1. Degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. 2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. 3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Artikel 163 Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

  2116. Artikel 164 Een gedraging van een kind dat de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt, kan aan hem niet als een onrechtmatige daad worden toegerekend. 2024 -782- No. 164

  2117. Artikel 165 1. De omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. 2. Is jegens de benadeelde tevens een derde wegens onvoldoende toezicht aansprakelijk, dan is deze derde jegens de dader verplicht tot bijdragen in de schadevergoeding voor het gehele bedrag van zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde.

  2118. Artikel 166 1. Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend. 2. Zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert.

  2119. Artikel 167 1. Wanneer iemand krachtens deze titel jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, kan de rechter hem op vordering van die ander veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze. 2. Hetzelfde geldt, indien aansprakelijkheid ontbreekt, omdat de publicatie aan de dader wegens diens onbekendheid met de onjuistheid of onvolledigheid niet als een onrechtmatige daad is toe te rekenen. 3. In het geval van lid 2 kan de rechter die de vordering toewijst, bepalen dat de kosten van het geding en van de openbaarmaking van de rectificatie geheel of gedeeltelijk moeten worden gedragen door degene die de vordering heeft ingesteld. Elk der partijen heeft voor het gedeelte van de kosten van het geding en van de openbaarmaking van de rectificatie dat ingevolge de uitspraak door hem moet worden gedragen, verhaal op ieder die voor de door de publicatie ontstane schade aansprakelijk is.

  2120. Artikel 168 1. De rechter kan een vordering, strekkende tot verbod van een onrechtmatige gedraging, afwijzen op de grond dat deze gedraging op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen behoort te worden geduld. De benadeelde behoudt zijn recht op vergoeding van de schade overeenkomstig deze titel. 2. In het geval van artikel 170 is de ondergeschikte voor deze schade niet aansprakelijk. 3. Wordt aan een veroordeling tot schadevergoeding of tot het stellen van zekerheid daarvoor niet voldaan, dan kan de rechter alsnog een verbod van de gedraging opleggen. Afdeling 2 Aansprakelijkheid voor personen en zaken

  2121. Artikel 169 1. Voor schade, aan een derde toegebracht door een als een doen te beschouwen gedraging van een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk. 2024 -783- No. 164 2. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een kind dat de leeftijd van veertien jaren al wel maar die van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet.

  2122. Artikel 170 1. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult, aansprakelijk indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. 2. Stond de ondergeschikte in dienst van een natuurlijke persoon en was hij niet werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze persoon, dan is deze slechts aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak. 3. Zijn de ondergeschikte en degene in wiens dienst hij stond, beiden voor de schade aansprakelijk, dan behoeft de ondergeschikte in hun onderlinge verhouding niet in de schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van hun verhouding, kan anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.

  2123. Artikel 171 Indien een niet ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout, is ook die ander jegens de derde aansprakelijk.

  2124. Artikel 172 Indien een gedraging van een vertegenwoordiger ter uitoefening van de hem als zodanig toekomende bevoegdheden een fout jegens een derde inhoudt, is ook de vertegenwoordigde jegens de derde aansprakelijk.

  2125. Artikel 173 1. De bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 1 zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben gekend. 2. Indien de zaak niet aan de in lid 1 bedoelde eisen voldoet wegens een gebrek als bedoeld in afdeling 3, bestaat geen aansprakelijkheid op grond van lid 1 voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij alle omstandigheden in aanmerking genomen, aannemelijk is dat het gebrek niet bestond op het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht of dat het gebrek op een later tijdstip is ontstaan. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op dieren, schepen en luchtvaartuigen.

  2126. Artikel 174 1. De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 1 zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. 2024 -784- No. 164 2. Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het erfpachtrecht. Bij openbare wegen rust zij op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert, bij leidingen op de leidingbeheerder, behalve voor zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk. 3. Onder opstal wordt in dit artikel verstaan gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. 4. Degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven, wordt vermoed de bezitter van de opstal te zijn. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.

  2127. Artikel 179 De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 1 zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

  2128. Artikel 180 1. In de gevallen van de artikelen 173, 174 en 179 zijn medebezitters hoofdelijk aansprakelijk. 2. In geval van overdracht van een zaak onder opschortende voorwaarde van voldoening van een tegenprestatie rust de aansprakelijkheid die de artikelen 173, 174 en 179 op de bezitter leggen, vanaf het tijdstip van deze overdracht op de verkrijger.

  2129. Artikel 181 1. Worden de in de artikelen 173, 174 en 179 bedoelde zaken, opstallen of dieren gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit artikel 173 lid 1, artikel 174 lid 1 en lid 2, eerste volzin, en artikel 179 op degene die dit bedrijf uitoefent, tenzij het een opstal betreft en het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. 2. Wanneer de zaken, opstallen of dieren in de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt door ze ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan wordt die ander als de uit hoofde van lid 1 aansprakelijke persoon aangemerkt.

  2130. Artikel 183 1. Ter zake van aansprakelijkheid op grond van deze afdeling kan de aangesprokene geen beroep doen op zijn jeugdige leeftijd of geestelijke of lichamelijke tekortkoming. 2. Degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent over een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is in zijn plaats uit de artikelen 173 en 179 voor de daar bedoelde zaken en dieren aansprakelijk, tenzij deze worden gebruikt in de uitoefening van een bedrijf.

  2131. Artikel 184 1. Onder de schade waarvoor op grond van de artikelen 173 tot en met 181 aansprakelijkheid bestaat, vallen ook: a. de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen, nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt die krachtens die artikelen voor vergoeding in aanmerking komt; b. schade en verlies, veroorzaakt door zulke maatregelen. 2024 -785- No. 164 2. Indien de maatregelen, bedoeld in lid 1, door een ander worden genomen dan degene die de schade zou hebben geleden ter zake waarvan de ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan, kan deze ander slechts vergoeding van de in lid 1 bedoelde kosten, schaden en verliezen vorderen, voor zover zij gevorderd hadden kunnen worden door degene die de dreigende schade zou hebben geleden, en kan de aangesprokene jegens die ander hetzelfde verweer voeren als hem jegens deze ten dienste zou hebben gestaan. Afdeling 3 Productenaansprakelijkheid

  2132. Artikel 185 1. De producent is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product, tenzij: a. hij het product niet in het verkeer heeft gebracht; b. het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan; c. het product noch voor de verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met een economisch doel van de producent is vervaardigd, noch is vervaardigd of verspreid in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf; d. het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende overheidsvoorschriften; e. het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken; f. wat de producent van een grondstof of fabrikant van een onderdeel betreft, het gebrek is te wijten aan het ontwerp van het product waarvan de grondstof of het onderdeel een bestanddeel vormt, dan wel aan de instructies die door de fabrikant van het product zijn verstrekt. 2. De aansprakelijkheid van de producent wordt verminderd of opgeheven, rekening houdende met alle omstandigheden, indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in het product als door schuld van de benadeelde of een persoon voor wie de benadeelde aansprakelijk is. 3. De aansprakelijkheid van de producent wordt niet verminderd, indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in het product als door een gedraging van een derde.

  2133. Artikel 186 1. Een product is gebrekkig, indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder: a. de presentatie van het product; b. het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product; c. het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht. 2. Een product mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend omdat nadien een beter product in het verkeer is gebracht.

  2134. Artikel 187 1. Onder "product" wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende of onroerende zaak, alsmede elektriciteit. 2. Onder "producent" wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen. 2024 -786- No. 164 3. Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt eenieder die een product in Suriname invoert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of anderszins te verstrekken in het kader van zijn commerciële activiteiten, beschouwd als producent; zijn aansprakelijkheid is dezelfde als die van de producent. 4. Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Indien ten aanzien van een in Suriname geïmporteerd product niet kan worden vastgesteld wie de importeur van dat product is, wordt eveneens elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de importeur die het in Suriname heeft ingevoerd of van een in Suriname gevestigde leverancier die hem het product heeft geleverd. Artikel 188 De benadeelde moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.

  2135. Artikel 189 Indien verschillende personen op grond van artikel 185 lid 1 aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, is elk hunner voor het geheel aansprakelijk.

  2136. Artikel 190 De aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 185 lid 1 bestaat voor: a. schade door dood of lichamelijk letsel; b. schade, door het product toegebracht aan een andere zaak die gewoonlijk voor gebruik of verbruik in de privé-sfeer is bestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer is gebruikt of verbruikt, met dien verstande dat deze schade slechts wordt vergoed tot een door de rechter in redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag.

  2137. Artikel 191 1. De rechtsvordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen de producent ingevolge artikel 185 lid 1 verjaart door verloop van drie jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent bekend is geworden of had moeten worden. 2. Het recht op schadevergoeding van de benadeelde jegens de producent ingevolge artikel 185 lid 1 vervalt door verloop van tien jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de producent de zaak die de schade heeft veroorzaakt, in het verkeer heeft gebracht. Hetzelfde geldt voor het recht van een derde die mede voor de schade aansprakelijk is, ter zake van regres jegens de producent.

  2138. Artikel 192 1. De aansprakelijkheid van de producent uit hoofde van deze afdeling kan jegens de benadeelde niet worden uitgesloten of beperkt. 2. Is jegens de benadeelde tevens een derde aansprakelijk die het product niet gebruikt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan kan niet ten nadele van die derde worden afgeweken van de regels inzake het regres. 2024 -787- No. 164

  2139. Artikel 193 Het recht op schadevergoeding jegens de producent uit hoofde van deze afdeling komt de benadeelde toe, onverminderd alle andere rechten of vorderingen. Afdeling 4 Misleidende en vergelijkende reclame

  2140. Artikel 194 Degene die omtrent goederen of diensten die door hem of degene ten behoeve van wie hij handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt of laat openbaar maken, handelt onrechtmatig, indien deze mededeling in een of meer opzichten misleidend is, zoals ten aanzien van: a. de aard, samenstelling, hoeveelheid, hoedanigheid, eigenschappen of gebruiksmogelijkheden; b. de herkomst, de wijze of het tijdstip van vervaardigen; c. de omvang van de voorraad; d. de prijs of de wijze van berekenen daarvan; e. de aanleiding of het doel van de aanbieding; f. de toegekende onderscheidingen, getuigschriften of andere door derden uitgebrachte beoordelingen of gedane verklaringen, of de gebezigde wetenschappelijke of vaktermen, technische bevindingen of statistische gegevens; g. de voorwaarden waaronder goederen worden geleverd of diensten worden verricht of de betaling plaatsvindt; h. de omvang, inhoud of tijdsduur van de garantie; i. de identiteit, hoedanigheden, bekwaamheid of bevoegdheid en degene door wie, onder wiens leiding of toezicht of met wiens medewerking de goederen zijn of worden vervaardigd of aangeboden of de diensten worden verricht.

  2141. Artikel 194a 1. Onder vergelijkende reclame wordt verstaan elke vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd. 2. Vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft, geoorloofd op voorwaarde dat deze: a. niet misleidend is; b. goederen of diensten vergelijkt die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd; c. op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken van deze goederen en diensten, zoals de prijs, met elkaar vergelijkt; d. er niet toe leidt dat op de markt de adverteerder wordt verward met een concurrent, of de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, goederen of diensten van de adverteerder met die van een concurrent; e. niet de goede naam schaadt van of zich niet kleinerend uitlaat over de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, goederen, diensten, activiteiten of omstandigheden van een concurrent; f. voor producten met een benaming van oorsprong in elk geval betrekking heeft op producten met dezelfde benaming; g. geen oneerlijk voordeel oplevert ten gevolge van de bekendheid van een merk, handelsnaam of andere onderscheidende kenmerken van een concurrent dan wel van de oorsprongsbenamingen van concurrerende producten; en h. niet goederen of diensten voorstelt als een imitatie of namaak van goederen of diensten met een beschermd merk of beschermde handelsnaam. 2024 -788- No. 164 3. Elke vergelijking die verwijst naar een speciale aanbieding, moet duidelijk en ondubbelzinnig het einde en, zo de speciale aanbieding nog niet loopt, het begin aangeven van de periode gedurende welke de speciale prijs of andere specifieke voorwaarden gelden dan wel vermelden dat de speciale aanbieding loopt zo lang de voorraad strekt of de diensten kunnen worden verleend.

  2142. Artikel 195 1. Indien een vordering ingevolge artikel 194 wordt ingesteld tegen iemand die inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen, rust op hem de bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de feiten die in de mededeling zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter van de mededeling berust, behoudens voor zover deze bewijslastverdeling onredelijk is. 2. Indien een vordering ingevolge artikel 194 of artikel 194a wordt ingesteld tegen iemand die inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele heeft bepaald of doen bepalen, rust op hem de bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de feiten die in de mededeling zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter van de mededeling berust onderscheidenlijk waarop de ongeoorloofdheid van de vergelijkende reclame berust. Ingeval van vergelijkende reclame dient degene die inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen binnen korte termijn de bewijzen aan te dragen waarop de materiële juistheid en volledigheid van de feitelijke gegevens in de reclame rust.

  2143. Artikel 196 1. Indien iemand door het openbaar maken of laten openbaar maken van een in artikel 194 omschreven mededeling of een ongeoorloofde vergelijkende reclame aan een ander schade heeft toegebracht of dreigt toe te brengen, kan de rechter hem op vordering van die ander niet alleen het openbaar maken of laten openbaar maken van zodanige mededeling of zodanige ongeoorloofde vergelijkende reclame verbieden, maar ook hem laten veroordelen tot het op een door de rechter aangegeven wijze openbaar maken of laten openbaar maken van een rectificatie van die mededeling of die ongeoorloofde vergelijkende reclame. 2. Indien de vordering wordt toegewezen jegens iemand die niet tevens aansprakelijk is voor de in artikel 195 lid 2 bedoelde schade, is artikel 167 lid 3 van overeenkomstige toepassing. Titel 4 Verbintenissen uit andere bron dan onrechtmatige daad of overeenkomst Afdeling 1 Zaakwaarneming

  2144. Artikel 198 Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

  2145. Artikel 199 1. De zaakwaarnemer is verplicht bij de waarneming de nodige zorg te betrachten en, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, de begonnen waarneming voort te zetten. 2024 -789- No. 164 2. De zaakwaarnemer doet, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is, aan de belanghebbende verantwoording van hetgeen hij heeft verricht. Heeft hij voor de belanghebbende gelden uitgegeven of ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.

  2146. Artikel 200 1. De belanghebbende is, voor zover zijn belang naar behoren is behartigd, gehouden de zaakwaarnemer de schade te vergoeden die deze als gevolg van de waarneming heeft geleden. 2. Heeft de zaakwaarnemer in de uitoefening van een beroep of bedrijf gehandeld, dan heeft hij, voor zover dit redelijk is, bovendien recht op een vergoeding voor zijn verrichtingen, met inachtneming van de prijzen die daarvoor ten tijde van de zaakwaarneming gewoonlijk werden berekend. Artikel 201 Een zaakwaarnemer is bevoegd rechtshandelingen te verrichten in naam van de belanghebbende, voor zover diens belang daardoor naar behoren wordt behartigd.

  2147. Artikel 202 Heeft iemand die is opgetreden ter behartiging van eens anders belang, zich zonder redelijke grond daarmee ingelaten of dit belang niet naar behoren behartigd, dan kan de belanghebbende door goedkeuring van het optreden zijn bevoegdheid prijsgeven jegens hem het gebrek in te roepen. Aan de belanghebbende kan door hem een redelijke termijn voor de goedkeuring worden gesteld. Afdeling 2 Onverschuldigde betaling

  2148. Artikel 203 1. Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. 2. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag. 3. Degene die zonder rechtsgrond een prestatie van andere aard heeft verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking daarvan.

  2149. Artikel 204 1. Heeft de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed zorg gedragen, dan wordt hem dit niet toegerekend. 2. Degene die namens een ander, maar onbevoegd een niet aan die ander verschuldigde geldsom heeft ontvangen, is van zijn verplichting tot teruggave bevrijd, voor zover hij die geldsom aan die ander heeft doorbetaald in een periode waarin hij redelijkerwijs met die verplichting geen rekening behoefde te houden.

  2150. Artikel 205 Heeft de ontvanger het goed te kwader trouw aangenomen, dan is hij zonder ingebrekestelling in verzuim. 2024 -790- No. 164

  2151. Artikel 206 De artikelen 120, 121, 123 en 124 van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent de afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en schade.

  2152. Artikel 207 De ontvanger heeft, tenzij hij het goed te kwader trouw heeft aangenomen, binnen de grenzen van de redelijkheid ook recht op vergoeding van de kosten van het ontvangen en teruggeven van het goed, alsmede van uitgaven in de in artikel 204 bedoelde periode die zouden zijn uitgebleven als hij het goed niet had ontvangen.

  2153. Artikel 208 De ontvanger verliest zijn recht op de in de artikelen 206 en 207 bedoelde vergoedingen, indien de wederpartij afstand doet van haar recht op terugvordering en, voor zover nodig, het onverschuldigd betaalde ter bevrijding van deze vergoedingen op haar kosten aan de ontvanger overdraagt. De ontvanger is verplicht aan een zodanige overdracht mee te werken.

  2154. Artikel 209 Op de onbekwame die een onverschuldigde betaling heeft ontvangen, rusten de in deze afdeling omschreven verplichtingen slechts voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.

  2155. Artikel 210 1. Op de ongedaanmaking van prestaties die niet in het geven van een goed hebben bestaan, zijn de artikelen 204 tot en met 209 van overeenkomstige toepassing. 2. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt, voor zover dit redelijk is, vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst daarvoor in de plaats, indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt, indien het aan hem is toe te rekenen dat de prestatie is verricht, of indien hij erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichten.

  2156. Artikel 211 1. Kan een prestatie die op grond van een nietige overeenkomst is verricht, naar haar aard niet ongedaan worden gemaakt en behoort zij ook niet in rechte op geld te worden gewaardeerd, dan is een tot ongedaanmaking van een tegenprestatie of tot vergoeding van de waarde daarvan strekkende vordering, voor zover deze deswege in strijd met redelijkheid en billijkheid zou zijn, eveneens uitgesloten. 2. Is ingevolge lid 1 terugvordering van een overgedragen goed uitgesloten, dan brengt de nietigheid van de overeenkomst niet de nietigheid van de overdracht mee. Afdeling 3 Ongerechtvaardigde verrijking

  2157. Artikel 212 1. Degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. 2024 -791- No. 164 2. Voor zover de verrijking is verminderd als gevolg van een omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend, blijft zij buiten beschouwing. 3. Is de verrijking verminderd in de periode waarin de verrijkte redelijkerwijs met een verplichting tot vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden, dan wordt hem dit niet toegerekend. Bij de vaststelling van deze vermindering wordt mede rekening gehouden met uitgaven die zonder de verrijking zouden zijn uitgebleven. Titel 5 Overeenkomsten in het algemeen Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2158. Artikel 213 1. Een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan. 2. Op overeenkomsten tussen meer dan twee partijen zijn de wettelijke bepalingen betreffende overeenkomsten niet toepasselijk, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen verzet.

  2159. Artikel 215 Voldoet een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan zijn de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.

  2160. Artikel 216 Deze afdeling en de afdelingen 2 tot en met 4 vinden overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet. Afdeling 2 Het totstandkomen van overeenkomsten

  2161. Artikel 217 1. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. 2. De artikelen 219 tot en met 225 zijn van toepassing, tenzij iets anders voortvloeit uit het aanbod, uit een andere rechtshandeling of uit een gewoonte.

  2162. Artikel 218 Een aanbod is geldig, nietig of vernietigbaar overeenkomstig de regels voor meerzijdige rechtshandelingen. 2024 -792- No. 164

  2163. Artikel 219 1. Een aanbod kan worden herroepen, tenzij het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgt. 2. De herroeping kan slechts geschieden, zolang het aanbod niet is aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding, is verzonden. Bevat het aanbod de mededeling dat het vrijblijvend wordt gedaan, dan kan de herroeping nog onverwijld na de aanvaarding geschieden. 3. Een beding waarbij een der partijen zich verbindt om, indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst te sluiten, geldt als een onherroepelijk aanbod.

  2164. Artikel 220 1. Een bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd gedaan aanbod kan wegens gewichtige redenen worden herroepen of gewijzigd. 2. In geval van herroeping of wijziging van een uitloving kan de rechter aan iemand die op grond van de uitloving met de voorbereiding van een gevraagde prestatie is begonnen, een billijke schadeloosstelling toekennen.

  2165. Artikel 221 1. Een mondeling aanbod vervalt, wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard, een schriftelijk aanbod, wanneer het niet binnen een redelijke tijd wordt aanvaard. 2. Een aanbod vervalt, doordat het wordt verworpen.

  2166. Artikel 222 Een aanbod vervalt niet door de dood of het verlies van handelingsbekwaamheid van een der partijen, noch doordat een der partijen de bevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst verliest als gevolg van een bewind.

  2167. Artikel 223 1. De aanbieder kan een te late aanvaarding toch als tijdig gedaan laten gelden, mits hij dit onverwijld aan de wederpartij meedeelt. 2. Indien een aanvaarding te laat plaatsvindt, maar de aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de wederpartij niet duidelijk was, geldt de aanvaarding als tijdig gedaan, tenzij hij onverwijld aan de wederpartij meedeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt.

  2168. Artikel 224 Indien een aanvaarding de aanbieder niet of niet tijdig bereikt door een omstandigheid op grond waarvan zij krachtens artikel 37 lid 3, tweede zin, van Boek 3 niettemin haar werking heeft, wordt de overeenkomst geacht tot stand te zijn gekomen op het tijdstip waarop zonder de storende omstandigheid de verklaring zou zijn ontvangen.

  2169. Artikel 225 1. Een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, geldt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke. 2024 -793- No. 164 2. Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod daarvan slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen. 3. Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe, wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen.

  2170. Artikel 226 Stelt de wet voor de totstandkoming van een overeenkomst een vormvereiste, dan is dit voorschrift van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst waarbij een partij in wier belang het strekt, zich tot het aangaan van een zodanige overeenkomst verbindt, tenzij uit de strekking van het voorschrift anders voortvloeit. Artikel 227 De verbintenissen die partijen op zich nemen, moeten bepaalbaar zijn.

  2171. Artikel 227a 1. Indien uit de wet voortvloeit dat een overeenkomst slechts in schriftelijke vorm geldig of onaantastbaar tot stand komt, is, onverminderd het bepaalde in of krachtens de Wet overeenkomsten langs elektronische weg, aan deze eis tevens voldaan indien de overeenkomst langs elektronische weg is totstandgekomen en: a. raadpleegbaar door partijen is; b. de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd is; c. het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld; en d. de identiteit van de partijen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. 2. Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten, waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de rechter, een overheidsorgaan of van een beroepsbeoefenaar die een publieke taak uitoefent.

  2172. Artikel 228 1. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar, indien: a. de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten; b. de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten; c. de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. 2. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft, of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. 2024 -794- No. 164

  2173. Artikel 229 Een overeenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een reeds tussen partijen bestaande rechtsverhouding, is vernietigbaar, indien deze rechtsverhouding ontbreekt, tenzij dit in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van degene die zich op dit ontbreken beroept, behoort te blijven.

  2174. Artikel 230 1. De bevoegdheid tot vernietiging op grond van de artikelen 228 en 229 vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst voorstelt die het nadeel dat de tot vernietiging bevoegde bij instandhouding van de overeenkomst lijdt, op afdoende wijze opheft. 2. Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen. Afdeling 3 Algemene voorwaarden

  2175. Artikel 231 In deze afdeling wordt verstaan onder: a. algemene voorwaarden: een of meer schriftelijke bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd; b. gebruiker: degene die algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt; c. wederpartij: degene die door ondertekening van een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard. Artikel 232 Een wederpartij is ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende.

  2176. Artikel 233 Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar, indien: a. het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn totstandgekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij, of b. de gebruiker noch de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld, noch de algemene voorwaarden nadien op verzoek van de wederpartij onverwijld op zijn kosten aan haar heeft toegezonden, noch, voor zover terhandstelling of toezending niet van hem kan worden gevergd, haar op andere wijze een redelijke mogelijkheid heeft verschaft van de algemene voorwaarden kennis te nemen. 2024 -795- No. 164

  2177. Artikel 235 1. Op de vernietigingsgrond, bedoeld in artikel 233 onder a, kan mede een beroep worden gedaan door een partij voor wie de algemene voorwaarden door een gevolmachtigde zijn gebruikt, mits de wederpartij meermalen overeenkomsten sluit waarop dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden van toepassing zijn. 2. Op de vernietigingsgrond, bedoeld in artikel 233, kan geen beroep worden gedaan door een partij die meermalen dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden in haar overeenkomsten gebruikt. 3. De termijn, bedoeld in artikel 52 lid 1 onder d van Boek 3, begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een beroep op het beding is gedaan.

  2178. Artikel 236 Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding: a. dat de wederpartij geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de gebruiker toegezegde prestatie op te eisen; b. dat de aan de wederpartij toekomende bevoegdheid tot ontbinding, zoals deze in afdeling 5 is geregeld, uitsluit of beperkt; c. dat een aan de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid tot opschorting van de nakoming uitsluit of beperkt of de gebruiker een verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan hem volgens de wet toekomt; d. dat de beoordeling van de vraag of de gebruiker in de nakoming van een of meer van zijn verbintenissen is tekortgeschoten aan hem zelf overlaat, of dat de uitoefening van de rechten die de wederpartij ter zake van een zodanige tekortkoming volgens de wet toekomen, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze eerst een derde in rechte heeft aangesproken; e. krachtens hetwelk de wederpartij aan de gebruiker bij voorbaat toestemming verleent zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen op een der in titel 2, afdeling 3, bedoelde wijzen op een derde te doen overgaan, tenzij de wederpartij te allen tijde de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden, of de gebruiker jegens de wederpartij aansprakelijk is voor de nakoming door de derde, of de overgang plaatsvindt in verband met de overdracht van een onderneming waartoe zowel die verplichtingen als de daartegenover bedongen rechten behoren; f. dat voor het geval uit de overeenkomst voor de gebruiker voortvloeiende rechten op een derde overgaan, ertoe strekt bevoegdheden of verweermiddelen die de wederpartij volgens de wet jegens die derde zou kunnen doen gelden, uit te sluiten of te beperken; g. dat een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend maken, tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar verkort; h. dat voor het geval bij de uitvoering van de overeenkomst schade aan een derde wordt toegebracht door de gebruiker of door een persoon of zaak waarvoor deze aansprakelijk is, de wederpartij verplicht deze schade hetzij aan de derde te vergoeden, hetzij in haar verhouding tot de gebruiker voor een groter deel te dragen dan waartoe zij volgens de wet verplicht zou zijn; i. dat de gebruiker de bevoegdheid geeft de door hem bedongen prijs binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst te verhogen, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden; j. dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing van meer dan een jaar; 2024 -796- No. 164 k. dat de bevoegdheid van de wederpartij om bewijs te leveren uitsluit of beperkt, of dat de uit de wet voortvloeiende verdeling van de bewijslast ten nadele van de wederpartij wijzigt, hetzij doordat het een verklaring van haar bevat omtrent de deugdelijkheid van de haar verschuldigde prestatie, hetzij doordat het haar belast met het bewijs dat een tekortkoming van de gebruiker aan hem kan worden toegerekend; l. dat ten nadele van de wederpartij afwijkt van artikel 37 van Boek 3, tenzij het betrekking heeft op de vorm van door de wederpartij af te leggen verklaringen of bepaalt dat de gebruiker het hem door de wederpartij opgegeven adres als zodanig mag blijven beschouwen totdat hem een nieuw adres is meegedeeld; m. waarbij een wederpartij die bij het aangaan van de overeenkomst werkelijke woonplaats hier te lande heeft, elders woonplaats kiest anders dan voor het geval zij te eniger tijd geen bekende werkelijke woonplaats in Suriname zal hebben, tenzij de overeenkomst betrekking heeft op een registergoed en woonplaats ten kantore van een notaris wordt gekozen; n. dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan hetzij de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, hetzij een of meer arbiters, tenzij het de wederpartij een termijn gunt van ten minste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens haar op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen.

  2179. Artikel 237 Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding: a. dat de gebruiker een, gelet op de omstandigheden van het geval, ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn geeft om op een aanbod of een andere verklaring van de wederpartij te reageren; b. dat de inhoud van de verplichtingen van de gebruiker wezenlijk beperkt ten opzichte van hetgeen de wederpartij, mede gelet op de wettelijke regels die op de overeenkomst betrekking hebben, zonder dat beding redelijkerwijs mocht verwachten; c. dat de gebruiker de bevoegdheid verleent een prestatie te verschaffen die wezenlijk van de toegezegde prestatie afwijkt, tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden; d. dat de gebruiker van zijn gebondenheid aan de overeenkomst bevrijdt of hem de bevoegdheid daartoe geeft, anders dan op in de overeenkomst vermelde gronden die van dien aard zijn dat deze gebondenheid niet meer van hem kan worden gevergd; e. dat de gebruiker een ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn voor de nakoming geeft; f. dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding; g. dat een aan de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid tot verrekening uitsluit of beperkt of de gebruiker een verdergaande bevoegdheid tot verrekening verleent dan hem volgens de wet toekomt; h. dat als sanctie op bepaalde gedragingen van de wederpartij, nalaten daaronder begrepen, verval stelt van haar toekomende rechten of van de bevoegdheid bepaalde verweren te voeren, behoudens voor zover deze gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen; i. dat voor het geval de overeenkomst wordt beëindigd anders dan op grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van haar verbintenis is tekortgeschoten, de wederpartij verplicht een geldsom te betalen, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst; j. dat de wederpartij verplicht tot het sluiten van een overeenkomst met de gebruiker of met een derde, tenzij dit, mede gelet op het verband van die overeenkomst met de in dit artikel bedoelde overeenkomst, redelijkerwijs van de wederpartij kan worden gevergd; k. dat voor een overeenkomst als bedoeld in artikel 236 onder j een duur bepaalt van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij de bevoegdheid heeft de overeenkomst telkens na een jaar op te zeggen; 2024 -797- No. 164 l. dat de wederpartij aan een opzegtermijn bindt die langer is dan drie maanden of langer dan de termijn waarop de gebruiker de overeenkomst kan opzeggen; m. dat voor de geldigheid van een door de wederpartij te verrichten verklaring een strengere vorm dan het vereiste van een onderhandse akte stelt; n. dat bepaalt dat een door de wederpartij verleende volmacht onherroepelijk is of niet eindigt door haar dood of ondercuratelestelling, tenzij de volmacht strekt tot levering van een registergoed.

  2180. Artikel 238 1. Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237, kan jegens de wederpartij geen beroep worden gedaan op het feit dat: a. de overeenkomst in naam van een derde is gesloten, indien dit beroep berust op het enkele feit dat een beding van deze strekking in de algemene voorwaarden voorkomt; b. de algemene voorwaarden beperkingen bevatten van de bevoegdheid van een gevolmachtigde van de gebruiker die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze zonder het beding niet behoefde te verwachten, tenzij zij ze kende. 2. Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237 moeten de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de wederpartij gunstigste uitleg.

  2181. Artikel 240 1. Een rechtspersoon als bedoeld in lid 2, is bevoegd om tegen een gebruiker een vordering in te stellen, strekkende tot het onredelijk bezwarend verklaren van een beding in diens algemene voorwaarden; artikel 233 onder a en de artikelen 236 en 237 zijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt een beding dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling, als onredelijk bezwarend aangemerkt. Bij de beoordeling van een beding blijft de uitlegregel van artikel 238 lid 2, tweede zin, buiten toepassing. 2. De vordering komt toe aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die ten doel hebben de behartiging van belangen van eindgebruikers van niet voor een beroep of bedrijf bestemde goederen. Zij kan slechts betrekking hebben op algemene voorwaarden die worden gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met personen wier belangen door de rechtspersoon worden behartigd. 3. De eiser is niet ontvankelijk indien niet blijkt dat hij, alvorens de vordering in te stellen, de gebruiker de gelegenheid heeft geboden om in onderling overleg de algemene voorwaarden zodanig te wijzigen dat de bezwaren die de grond voor de vordering zouden opleveren, zijn weggenomen. Een termijn van zes maanden na schriftelijke kennisgeving van de bezwaren is daartoe in elk geval voldoende. 4. Voor zover een rechtspersoon met het gebruik van bedingen in algemene voorwaarden heeft ingestemd, komt hem geen vordering als bedoeld in lid 1, toe.

  2182. Artikel 241 1. Het Hof van Justitie is bij uitsluiting bevoegd tot kennisneming van vorderingen als bedoeld in artikel 240. 2. De in artikel 240 lid 2 bedoelde rechtspersonen hebben de bevoegdheden, geregeld in de artikelen 214 en 287 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; artikel 290 van dat wetboek is niet van toepassing. 3. Op vordering van de eiser kan aan de uitspraak worden verbonden: a. een verbod van het gebruik van de door de uitspraak getroffen bedingen; b. een veroordeling tot het openbaar maken of laten openbaar maken van de uitspraak, zulks op door de rechter te bepalen wijze en op kosten van de door de rechter aan te geven partij of partijen. 2024 -798- No. 164 4. De rechter kan in zijn uitspraak aangeven op welke wijze het onredelijk bezwarend karakter van de bedingen waarop de uitspraak betrekking heeft, kan worden weggenomen. 5. Geschillen ter zake van de tenuitvoerlegging van de in lid 3 bedoelde veroordelingen, alsmede van de veroordeling tot betaling van een dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij uitsluiting door het Hof beslist. 6. Tot kennisneming van vorderingen in kort geding strekkende tot veroordelingen als bedoeld in lid 3, ingesteld door rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid 2, is de kantonrechter in het Eerste kanton bij uitsluiting bevoegd. Geschillen ter zake van de tenuitvoerlegging van de in lid 3 bedoelde veroordelingen in kort geding, alsmede van de veroordeling tot betaling van een dwangsom in kort geding, zo deze is opgelegd, worden bij uitsluiting door deze kantonrechter beslist.

  2183. Artikel 242 1. Op vordering van een gebruiker tegen wie de in artikel 240 lid 1 bedoelde uitspraak is gedaan, kan de rechter die uitspraak wijzigen of opheffen op grond dat zij ten gevolge van een wijziging in de omstandigheden niet langer gerechtvaardigd is. 2. De vordering wordt gericht tegen de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak was gedaan. Indien echter deze rechtspersoon is ontbonden, worden de in het verzoekschrift genoemde andere rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid 2 opgeroepen om over het verzoek als belanghebbenden te worden gehoord; de rechter kan ook zulke rechtspersonen doen oproepen die niet in het verzoekschrift worden vermeld. 3. Artikel 241 leden 1, 2, 3 onder b en 5 is van overeenkomstige toepassing. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing voor zover de uitspraak betrekking had op een beding dat door de wet als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt.

  2184. Artikel 243 Een beding in algemene voorwaarden dat door degene jegens wie een verbod tot gebruik ervan is uitgesproken, in strijd met het verbod in een overeenkomst wordt opgenomen, is vernietigbaar. Artikel 235 is van overeenkomstige toepassing.

  2185. Artikel 244 1. Een persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kan geen beroep doen op een beding in een overeenkomst met een partij die ter zake van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft, met gebruikmaking van algemene voorwaarden overeenkomsten met haar afnemers heeft gesloten, voor zover een beroep op dat beding onredelijk zou zijn wegens zijn nauwe samenhang met een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat krachtens deze afdeling is vernietigd of door een uitspraak als bedoeld in artikel 240 lid 1 is getroffen. 2. Is tegen een gebruiker een vordering als bedoeld in artikel 240 lid 1 ingesteld, dan is hij bevoegd die persoon in het geding te roepen, teneinde voor recht te horen verklaren dat het beroep onredelijk zou zijn. Artikel 241 leden 2, 3 onder b, 4 en 5 van dit boek, alsmede de artikelen 71, 72 en 76 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Op de uitspraak is artikel 242 van overeenkomstige toepassing. 4. Op eerdere overeenkomsten met betrekking tot de voormelde goederen en diensten zijn de leden 1 tot en met 3 van overeenkomstige toepassing.

  2186. Artikel 245 Deze afdeling is noch van toepassing op arbeidsovereenkomsten, noch op collectieve arbeidsovereenkomsten. 2024 -799- No. 164

  2187. Artikel 246 Van de artikelen 231 tot en met 244 kan niet worden afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens deze afdeling door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen, kan niet worden uitgesloten.

  2188. Artikel 247 1. Op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die beide in Suriname gevestigd zijn, is deze afdeling van toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. 2. Op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Suriname gevestigd zijn, is deze afdeling niet van toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. 3. Een partij is in de zin van de leden 1 en 2 in Suriname gevestigd, indien haar hoofdvestiging of, zo de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, deze andere vestiging zich in Suriname bevindt. 4. Op overeenkomsten tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is, indien de wederpartij haar gewone verblijfplaats in Suriname heeft, deze afdeling van toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Afdeling 4 Rechtsgevolgen van overeenkomsten

  2189. Artikel 248 1. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. 2. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  2190. Artikel 249 De rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden mede voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. In geval van verdeling van de nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst niet mede voor de kinderen van de erflater, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.

  2191. Artikel 250 Bij overeenkomst kan worden afgeweken van de volgende artikelen van deze afdeling, met uitzondering van artikel 251 lid 3, artikel 252 lid 2, voor zover het de eis van een notariële akte betreft, en lid 3, artikel 253 lid 1 en de artikelen 257 tot en met 260.

  2192. Artikel 251 1. Staat een uit een overeenkomst voortvloeiend, voor overgang vatbaar recht in een zodanig verband met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft zolang hij het goed behoudt, dan gaat dat recht over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt. 2024 -800- No. 164 2. Is voor het recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat de verplichting tot het verrichten van die tegenprestatie mee over voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang. De vervreemder blijft naast de verkrijger jegens de wederpartij aansprakelijk, behoudens voor zover deze zich na de overgang in geval van uitblijven van de tegenprestatie van haar verbintenis kan bevrijden door ontbinding of beëindiging van de overeenkomst. 3. De leden 1 en 2 gelden niet, indien de verkrijger van het goed tot de wederpartij bij de overeenkomst een verklaring richt dat hij de overgang van het recht niet aanvaardt. 4. Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, kan voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt.

  2193. Artikel 252 1. Bij een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat mede gebonden zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen. 2. Voor de werking van het beding is vereist dat van de overeenkomst tussen partijen een notariële akte wordt opgemaakt, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers. Degene jegens wie de verplichting bestaat waarop het beding betrekking heeft, moet in de akte ter zake van de inschrijving in Suriname woonplaats kiezen. 3. Ook na inschrijving heeft het beding geen werking jegens: a. degenen die vóór de inschrijving onder bijzondere titel een recht op het goed of tot gebruik van het goed hebben verkregen; b. een beslaglegger op het goed of een recht daarop, indien de inschrijving op het tijdstip van de inschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming nog niet had plaats gevonden; c. degenen die hun recht hebben verkregen van iemand die ingevolge de onderdelen a of b niet aan de bedongen verplichting gebonden was. 4. Is voor de verplichting een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat bij de overgang van de verplichting het recht op de tegenprestatie mee over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang en ook het beding omtrent deze tegenprestatie in de registers is ingeschreven. 5. De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op verplichtingen die een rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te vervreemden of te bezwaren.

  2194. Artikel 253 1. Een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt. 2. Tot de aanvaarding kan het beding door degene die het heeft gemaakt, worden herroepen. 3. Een aanvaarding of herroeping van het beding geschiedt door een verklaring, gericht tot een van de beide andere betrokkenen. 4. Is het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet gemaakt, dan geldt het als aanvaard, indien het ter kennis van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen.

  2195. Artikel 254 1. Nadat de derde het beding heeft aanvaard, geldt hij als partij bij de overeenkomst. 2. Hij kan, indien dit met de strekking van het beding in overeenstemming is, daaraan ook rechten ontlenen over de periode vóór de aanvaarding. 2024 -801- No. 164

  2196. Artikel 255 1. Heeft een beding ten behoeve van een derde ten opzichte van die derde geen gevolg, dan kan degene die het beding heeft gemaakt, hetzij zichzelf, hetzij een andere derde als rechthebbende aanwijzen. 2. Hij wordt geacht zichzelf als rechthebbende te hebben aangewezen, wanneer hem door degene van wie de prestatie is bedongen, een redelijke termijn voor de aanwijzing is gesteld en hij binnen deze termijn geen aanwijzing heeft uitgebracht.

  2197. Artikel 256 De partij die een beding ten behoeve van een derde heeft gemaakt, kan nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich daartegen verzet.

  2198. Artikel 257 Kan een partij bij een overeenkomst ter afwering van haar aansprakelijkheid voor een gedraging van een aan haar ondergeschikte aan de overeenkomst een verweermiddel jegens haar wederpartij ontlenen, dan kan ook de ondergeschikte, indien hij op grond van deze gedraging door de wederpartij wordt aangesproken, dit verweermiddel inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.

  2199. Artikel 258 1. De rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend. 2. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. 3. Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.

  2200. Artikel 259 1. Indien een overeenkomst ertoe strekt een rechthebbende op of een gebruiker van een registergoed als zodanig te verplichten tot een prestatie die niet bestaat in of gepaard gaat met het dulden van voortdurend houderschap, kan de rechter op zijn verlangen de gevolgen van de overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden, indien: a. ten minste tien jaar na het sluiten van de overeenkomst zijn verlopen en het ongewijzigd voortduren van de verplichting in strijd is met het algemeen belang; b. de schuldeiser bij de nakoming van de verplichting geen redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat dit belang zal terugkeren. 2. Voor de termijn, vermeld in lid 1 onder a, telt mee de gehele periode waarin rechthebbenden op of gebruikers van het goed aan een beding van dezelfde strekking gebonden zijn geweest. De termijn geldt niet, voor zover de strijd met het algemeen belang hierin bestaat dat het beding een beletsel vormt voor verwezenlijking van een geldend door de overheid vastgesteld ruimtelijk ordeningsplan. 2024 -802- No. 164

  2201. Artikel 260 1. Een wijziging of ontbinding als bedoeld in de artikelen 258 en 259, kan worden uitgesproken onder door de rechter te stellen voorwaarden. 2. Indien de rechter op grond van de artikelen 258 en 259 de overeenkomst wijzigt of gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een of meer der partijen de overeenkomst binnen een bij de uitspraak vast te stellen termijn door een schriftelijke verklaring geheel zal kunnen ontbinden. De wijziging of gedeeltelijke ontbinding treedt niet in, voordat deze termijn is verstreken. 3. Is de overeenkomst die op grond van de artikelen 258 en 259 wordt gewijzigd of geheel of gedeeltelijk ontbonden, ingeschreven in de openbare registers, dan kan ook de uitspraak waarbij de wijziging of ontbinding plaatsvond, daarin worden ingeschreven, mits deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is. 4. Wordt iemand te dier zake opgeroepen aan zijn overeenkomstig artikel 252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan zijn daarmee tevens opgeroepen al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. Artikel 29 leden 2 en 3, tweede tot en met vierde zin, van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. 5. Andere rechtsfeiten die een ingeschreven overeenkomst wijzigen of beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar, voor zover het rechterlijke uitspraken betreft, mits zij in kracht van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn. Afdeling 5 Wederkerige overeenkomsten

  2202. Artikel 261 1. Een overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt. 2. De bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten zijn van overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor zover de aard van die rechtsbetrekkingen zich daartegen niet verzet.

  2203. Artikel 262 1. Komt een der partijen haar verbintenis niet na, dan is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. 2. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.

  2204. Artikel 263 1. De partij die verplicht is het eerst te presteren, is niettemin bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te schorten, indien na het sluiten van de overeenkomst te harer kennis gekomen omstandigheden haar goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen. 2. In geval er goede grond bestaat te vrezen dat slechts gedeeltelijk of niet behoorlijk zal worden nagekomen, is de opschorting slechts toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.

  2205. Artikel 264 In geval van opschorting op grond van de artikelen 262 en 263 zijn artikel 54 onder b en c en artikel 55 niet van toepassing. 2024 -803- No. 164

  2206. Artikel 265 1. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. 2. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.

  2207. Artikel 266 1. Geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is. 2. Wordt echter tijdens het verzuim van de schuldeiser behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan kan de overeenkomst worden ontbonden, indien door schuld van de schuldenaar of zijn ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.

  2208. Artikel 267 1. De ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring van de daartoe gerechtigde. 2. Zij kan ook op zijn vordering door de rechter worden uitgesproken.

  2209. Artikel 268 De bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding vervalt door verjaring van de rechtsvordering tot ontbinding. De verjaring staat niet in de weg aan gerechtelijke of buitengerechtelijke ontbinding ter afwering van een op de overeenkomst steunende rechtsvordering of andere rechtsmaatregel.

  2210. Artikel 269 De ontbinding heeft geen terugwerkende kracht, behoudens dat een aanbod tot nakoming, gedaan nadat de ontbinding is gevorderd, geen werking heeft indien de ontbinding wordt uitgesproken.

  2211. Artikel 270 Een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid.

  2212. Artikel 271 Een ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.

  2213. Artikel 272 1. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst. 2. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. 2024 -804- No. 164

  2214. Artikel 273 Een partij die een prestatie heeft ontvangen, is vanaf het tijdstip dat zij redelijkerwijs met een ontbinding rekening moet houden, verplicht er als een zorgvuldig schuldenaar zorg voor te dragen dat de ingevolge die ontbinding verschuldigde ongedaanmaking van de prestatie mogelijk zal zijn. Artikel 78 is van overeenkomstige toepassing.

  2215. Artikel 274 Heeft een partij in weerwil van een dreigende ontbinding te kwader trouw een prestatie ontvangen, dan wordt zij na de ontbinding geacht vanaf de ontvangst van de prestatie in verzuim te zijn geweest.

  2216. Artikel 275 De artikelen 120 tot en met 124 van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent de afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en schade.

  2217. Artikel 276 Op de onbekwame die een prestatie heeft ontvangen, rusten de in deze afdeling omschreven verplichtingen slechts, voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.

  2218. Artikel 277 1. Wordt een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, dan is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming, doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. 2. Indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, is lid 1 slechts van toepassing binnen de grenzen van artikel 78.

  2219. Artikel 278 1. De partij die ontbinding kiest van een reeds uitgevoerde overeenkomst, nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, zich ten gunste van haar heeft gewijzigd, is verplicht door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen, indien aannemelijk is dat zij zonder deze wijziging geen ontbinding zou hebben gekozen. 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval de partij ten gunste van wie de wijziging is ingetreden, op andere grond dan ontbinding de stoot tot ongedaanmaking geeft en aannemelijk is dat zij daartoe zonder deze wijziging niet zou zijn overgegaan.

  2220. Artikel 279 1. Op overeenkomsten waaruit tussen meer dan twee partijen verbintenissen voortvloeien, vinden de bepalingen betreffende wederkerige overeenkomsten met inachtneming van de leden 2 en 3 overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet. 2. De partij die een verbintenis op zich heeft genomen ter verkrijging van een daartegenover van een of meer der andere partijen bedongen prestatie, kan haar recht op ontbinding gronden op een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis jegens zichzelf. 3. Schiet een partij met samenhangende rechten en verplichtingen zelf tekort in de nakoming van haar verbintenis, dan kunnen in ieder geval de overige partijen gezamenlijk de overeenkomst ontbinden. 2024 -805- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 6 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 6 - Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht ALGEMEEN De stof die Boek 6 regelt, is ingedeeld in een vijftal titels, waarvan de eerste twee betrekking hebben op alle verbintenissen, de overige op verbintenissen uit verschillende bron: de onrechtmatige daad, andere oorzaken "uit de wet" (zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking) en de overeenkomst. In bijzondere mate voor dit boek geldt dat zijn regels voortbouwen op het bestaande recht, zoals dat uit de wet is ontwikkeld door rechtspraak, rechtspraktijk en rechtsleer. In de hiernavolgende toelichting, die per titel en afdeling is geordend, zal in het bijzonder aandacht voor de systematiek en voor de afwijkingen ten opzichte van het huidige recht worden gevraagd. Een algemene trek van Boek 6 is dat het, veel meer dan het Derde Boek van het huidige BW, systematisch is opgezet. Zo zijn in titel 1, afdeling 10, regels omtrent de wettelijke verplichting tot schadevergoeding te vinden, onverschillig of die verplichting ontstaat uit overeenkomst, onrechtmatige daad of enige andere bron. Hierin uit zich de gelaagdheid van het nieuwe wetboek: wat omtrent een koopovereenkomst geldend recht zal zijn, volgt niet slechts uit de bijzondere regeling daaromtrent in titel 7.1, maar ook uit titel 6.5, titel 6.1 en tevens uit titel 3.2 inzake de rechtshandeling. Het ontwerp bevat geen definitie van hetgeen onder "verbintenis" moet worden verstaan. Zij vormt die categorie van rechtsplichten die jegens een of meer bepaalde personen bestaan, aan wie een vorderingsrecht tot nakoming van een verschuldigde prestatie toekomt; dit vorderingsrecht is een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 en als zodanig een goed in de zin van artikel 3:1. Rechtsplichten die niet aan deze vereisten voldoen, zijn geen verbintenissen, maar hun schending kan wel een onrechtmatige daad opleveren, die kan leiden tot een verbod of bevel en, indien aan de eisen daarvoor is voldaan, tot een verbintenis tot schadevergoeding. TITEL 6.1 - VERBINTENISSEN IN HET ALGEMEEN Algemeen De afdelingen van deze titel bergen onder meer het meeste van hetgeen in de titels 1 en 4 van het Derde Boek van het BW is geregeld, doch slechts ten dele - zie in het bijzonder de afdelingen 2 tot en met 6 en afdeling 12 - in een indeling in afdelingen die vergelijkbaar is met die van de rubriceing van het huidige wetboek; een deel is voorts overgebracht naar titel 6.2. Voorts zijn sommige onderwerpen, zoals de nietigheid en vernietigbaarheid van verbintenissen - behalve die op grond van dwaling - geregeld in Boek 3 en wel in titel 3.2, tezamen met die omtrent andere rechtshandelingen. Het belang van de titel komt ook hierin uit dat het aantal van zijn artikelen (ruim) de helft van het aantal van geheel Boek 6 beslaat. 2024 -806- No. 164 Afdeling 6.1.1 - Algemene bepalingen

  2221. Artikel 1 is van belang omdat het de mogelijke bronnen van verbintenissen aanduidt. Het artikel heeft een andere inhoud dan artikel 1254 BW thans. Dat ook de overeenkomst verbintenissen doet ontstaan, "vloeit" in de zin van artikel 1 uit de wet "voort". Verbintenissen plegen te worden onderscheiden in die van het geschreven recht en die van het ongeschreven recht. Ook het ongeschreven recht leidt tot verbintenissen die uit de wet voortvloeien. Zo doen de wetsartikelen 2 en 248 verbintenissen uit redelijkheid en billijkheid ontstaan en schept artikel 162 een verbintenis tot schadevergoeding wegens een fout die onder andere kan bestaan in een doen of handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, enz. Uit de wet vloeien mede voort verbintenissen welke de rechter krachtens zijn wettelijke bevoegdheid oplegt en eveneens kunnen daartoe worden gerekend die welke in het stelsel der wet passen en aansluiten bij de wel in de wet geregelde gevallen (zie omtrent deze laatste reeds voor het geldende recht HR 30-1-1959, NJ 1959, 548, Quint-te Poel).

  2222. Artikel 2 verheft de regel van artikel 1359 lid 3 en artikel 1360 van het huidige BW betreffende overeenkomsten tot een regel die het gehele verbintenissenrecht beheerst (zie daarnaast artikel 248 in het bijzonder voor overeenkomsten). De term "goede trouw" wordt in dit - verbintenisrechtelijk - verband niet meer gebezigd: hij wordt hier vervangen door "(de eisen van) redelijkheid en billijkheid". (De term "goede trouw" komt wettelijk nu nog slechts voor in zijn (andere) betekenis van "niet weten en niet behoeven te weten", zoals die met name in het goederenrecht gebruikelijk is; zie artikel 3:11.) Zie voor zijn nadere omschrijving artikel 3:12; vgl. ook de ver- wijzingen naar artikel 2 in de artikelen 3:166 en 5:124. Ook elders kan krachtens wet en rechtspraak de norm van redelijkheid en billijkheid rechtsverhoudingen beheersen - aldus bijvoorbeeld in het ontwerp artikel 8 en in de rechtspraak de precontractuele verhouding (HR 15-11-1957, NJ 1958, 67). Men pleegt te onderscheiden tussen de aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor de eerste denke men aan verplichtingen zoals die tot het verschaffen van inlichtingen en mededelingen, tot het voeren van overleg, tot het inachtnemen van opzegtermijnen. Lid 1 van artikel 2 behelst de algemene regel, lid 2 spitst deze toe op de zgn. beperkende of derogerende werking daarvan, in een omschrijving die enerzijds afwijking van – zelfs dwingende – regels, voortvloeiend uit wet, gewoonte of rechtshandeling, kan toelaten, doch anderzijds de mogelijkheid tot die afwijking sterk begrenst. Te denken valt bijvoorbeeld aan de gevallen van rechtsverwerking en exoneratie (vgl. HR 31-12-1993, NJ 1995, 389, waarin een beroep op de beperkende werking werd ontzegd). Zie ook HR 31-1-1992, NJ 1992, 686, voor derogatie aan een wettelijke bepaling, waarover verder bij de artikelen 4 en 130. Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten is onvoldoende voor rechtsverwerking (HR 26-3-1999, NJ 1999, 445). Uit de redelijkheid en billijkheid kunnen verbintenissen voortvloeien, doch ook kan niet-nakoming van de verplichting tot andere rechtsgevolgen leiden - zie HR 9-6-1995, NJ 1995, 639: als de bank niet aan degene ten behoeve van wie zij een bankgarantie heeft gesteld, meedeelt dat diens beroep niet aan de vereisten voldoet, kan het gevolg zijn ontzegging van haar recht zich op het gebrek te beroepen, doch, afhankelijk van de omstandigheden van het geval - waaronder de aard van het gebrek en de gevolgen van de niet-mededeling daarvan - is het ook mogelijk dat moet worden volstaan met, gehele of gedeeltelijke, vergoeding van schade. De artikelen 3, 4 en 5 geven regels omtrent de natuurlijke verbintenis, die weliswaar verbintenis is, maar waarvan de verschuldigde prestatie niet kan worden afgedwongen; zie echter wel de artikelen 56 en 131 die on- danks het intreden van verjaring van een rechtsvordering, waarna een natuurlijke verbintenis resteert, niettemin de bevoegdheden tot opschorting en verrekening handhaven. Voorbeelden van artikel 3 lid 2 onderdeel a zijn, behalve de verbintenissen uit spel en weddenschap (artikel 1807 van het geldende BW), de verbintenissen die overblijven na verjaring van de rechtsvordering en na homologatie van een faillissementsakkoord, van lid 2 onderdeel b, die tot het verzorgd achterlaten van een weduwe en het verstrekken van pensioen; zie ook HR 4-12- 1987, NJ 1988, 610, inzake een recht tot vergoeding voor werkzaamheden door de ene echtgenoot ten behoeve van de ander verricht. 2024 -807- No. 164 Ook de regeling van de artikelen 3, 4 en 5 steunt op de rechtsontwikkeling onder het bestaande recht. Uit artikel 4 volgt onder meer dat voldoening aan een natuurlijke verbintenis als nakoming geldt, waarop titel 6.6 in beginsel van toepassing is, en niet een gift (al zal zo’n voldoening wel een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 3:45 zijn). De schuldenaar van een natuurlijke verbintenis zal bijvoorbeeld ook kunnen verrekenen, als overigens aan de vereisten is voldaan; verrekening door de schuldeiser kan, behalve in het hierboven genoemde geval van artikel 131, bij wijze van uitzondering op de redelijkheid en billijkheid worden gegrond (HR 31-1- 1992, NJ 1992, 686). Versterking, bijvoorbeeld door het stellen van borgtocht, is mogelijk. Anders dan onder het geldende recht pleegt te worden aangenomen, laat artikel 5 lid 1, omzetting van een natuurlijke verbintenis in een afdwingbare alleen bij overeenkomst toe. Uitgesloten wordt derhalve omzetting bij eenzijdige rechtshandeling, zoals bij uiterste wil - wel kan een legaat worden gegoten in de vorm van een aanbod tot het sluiten van de omzettingsovereenkomst. Afdeling 6.1.2 - Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid De afdeling bevat één bepaling, artikel 6, omtrent pluraliteit van schuldenaren in het algemeen - het geval dat een aantal schuldenaren gezamenlijk tot één prestatie is gehouden - en betreft voor het overige de zgn. (passieve) hoofdelijkheid. De laatste geldt als uitzondering op de hoofdregel van artikel 6 lid 1, dat alle schuldenaren tegen- over de schuldeiser tot een gelijk aandeel in de schuld zijn gebonden. Van deze hoofdregel is tweeërlei afwijking mogelijk. In de eerste plaats aansprakelijkheid voor ongelijke delen van de schuld, die bijvoorbeeld in het erfrecht voorkomt, als de erfgenamen de erflater voor ongelijke delen opvolgen. In de tweede plaats hoofdelijkheid, wanneer elke schuldenaar tegenover de schuldeiser voor het geheel is verbonden. Deze laatste rechtsfiguur is veruit het ingewikkeldst; vandaar dat het ontwerp daaraan zijn meeste bepalingen wijdt. Het huidige recht onderscheidt tussen actieve en passieve hoofdelijkheid, naar gelang er een veelheid van schuldeisers of een veelheid van schuldenaren is. Het ontwerp reserveert de term hoofdelijkheid voor het laatste geval; de veelheid van schuldeisers tot eenzelfde prestatie vindt haar behandeling in afdeling 6.1.3. Het bestaande recht onderscheidt voorts het probleem der deelbaarheid van schulden van dat der hoofdelijkheid. In het ontwerp is ondeelbaarheid der prestatie een van de gevallen die hoofdelijkheid der schuldenaren meebrengen (artikel 6 lid 2). De verplichting tot levering van één bepaalde zaak kan als ondeelbaar worden geconstrueerd: ook al kan elk der schuldenaren zijn aandeel daarin leveren, het belang van de schuldeiser vereist dat hij ook elk der medeschuldenaren voor het geheel kan aanspreken. Het vervallen van het onderscheid tussen ondeelbaarheid en hoofdelijkheid, met zijn consequenties in het bestaande recht voor de rechtsgevolgen, vereenvoudigt de toepassing der wet.

  2223. Artikel 6 lid 2 vereist voor hoofdelijkheid (naast het geval van ondeelbaarheid) dat de schuldenaren "ten aanzien van een zelfde schuld" ieder voor het geheel aansprakelijk zijn. Of er hoofdelijkheid is, volgt uit de wet, uit de gewoonte of uit een rechtshandeling, vooral overeenkomst en uiterste wil waarbij de schuldenaren voor het geheel worden verbonden "des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd". Wettelijke hoofdelijkheid is er, wanneer de wet bepaalt dat de schuldenaren hoofdelijk, of elk voor het geheel zijn verbonden. Op ruimere schaal dan de huidige wet kent het ontwerp deze eigenschap toe aan schulden. Dat is onder meer het geval bij hetgeen onder het vigerende recht wordt aangeduid als de rechtsfiguur der toevallig samenlopende verbintenissen, die zich voordoet, wanneer meer dan één schuldenaar wettelijk gehouden is tot betaling van de, door een benadeelde geleden, volle schade. Het kan zijn dat ook dan zonder meer aan het vereiste van artikel 6 lid 2 is voldaan al behoeft dit niet, namelijk dan, wanneer de verplichting tot schadevergoeding op verschillende grond berust. Ook deze toevallig samenlopende verbintenissen, die het vigerende recht onderscheidt van hoofdelijkheid wegens de daaraan verbonden consequenties, worden thans alle in artikel 102 bij de groep der hoofdelijke verbintenissen ondergebracht. (De vordering tot schadevergoeding uit verzekering behoort daar niet bij: deze verbondenheid is niet wettelijk, maar contractueel.) 2024 -808- No. 164 Als nieuw geval, waarop de regels der hoofdelijkheid in beginsel toepassing vinden, zal de nieuwe wet voorts de borgtocht bestempelen: artikel 7:850 lid 3. De verruiming van de toepasselijkheid van de bepalingen betreffende de hoofdelijkheid is gerechtvaardigd, omdat het ontwerp de zelfstandigheid der verschillende schulden die tezamen een onderlinge verhouding van hoofdelijke verbondenheid teweegbrengen, beter doet gelden dan het bestaande recht. Zo heeft kwijtschelding door de schuldeiser aan één schuldenaar in beginsel geen werking jegens de andere(n), anders dan uit artikel 1461 BW thans wordt afgeleid (HR 11-3-1988, NJ 1988, 580); zie artikel 9 van het ontwerp. Ook andere bepalingen die toepassing van de hoofdelijkheidsregels thans ongewenst maken, komen in het ontwerp niet meer voor. Zie aldus de artikelen 1307, 1960 en 2004 van het huidige BW. Wegens de zelfstandigheid der schulden die in beginsel bestaat, kan de regeling van de invloed van handelingen tussen de schuldeiser en een of meer der medeschuldenaren op de (externe) verhouding der overigen tot de schuldeiser tot slechts enkele regels beperkt worden. Die invloed vindt zijn regeling in artikel 7 (delging van de schuld door een of meer schuldenaren bevrijdt ook de anderen) en artikel 9 (aanbod tot kwijtschelding en verlening van uitstel van betaling). De overige artikelen betreffen de (interne) verhouding tussen de medeschuldenaren onderling. Artikel 8 is een algemene bepaling: de eisen van redelijkheid en billijkheid beheersen ook deze verhouding. De artikelen 10 tot en met 14 regelen het onderling verhaal tussen de schuldenaren. Zulk verhaal bestaat voor zover de schuld ten laste van een schuldenaar is gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Deze gedeelten kunnen onderling gelijk zijn, maar ze kunnen ook onderling verschillen: zo zal de schuld de hoofd- schuldenaar intern voor het geheel aangaan, de borg intern voor nihil; zie ook de regeling van artikel 102 voor het geval van "eigen schuld" van de benadeelde aan de schade. Voor zijn verhaal heeft de schuldenaar jegens elk van zijn medeschuldenaren twee vorderingen van verschillende aard: een eigen regresvordering en de vordering van de schuldeiser waarin hij (ten dele) wordt gesubrogeerd. De eerste vindt haar grondslag in de bijdrageplicht zoals die in artikel 10 is neergelegd en nader is uitgewerkt in de artikelen 11 en 14: het regres kan worden uitgeoefend tot maximaal het aandeel van de medeschuldenaar in de schuld en de kosten. Langs de weg van subrogatie verkrijgt krachtens artikel 12 de schuldenaar te wiens laste meer dan zijn interne aandeel in de delging der schuld is gekomen, bovendien voor dat meerdere de vordering van de schuldeiser. Dat betekent onder meer dat hij daarvoor mede gebruik kan maken van de zekerheidsrechten en de voorrechten die aan de oorspronkelijke vordering zijn verbonden. Anderzijds is verhaal langs deze weg meer beperkt. Zo kan de medeschuldenaar of derde alle verweermiddelen die hij jegens de schuldeiser had, aan de gesubrogeerde tegenwerpen en niet slechts in de beperkte mate die artikel 11 toelaat voor het eigen regres; het verschil blijkt bij kwijtschelding aan een der medeschuldenaren en bij verjaring van de rechtsvordering. Voorts is er - uiteraard - slechts subrogatie voor het aandeel in de schuld, niet in de kosten. In de rechten jegens medeschuldenaren en derden, zoals derden-hypotheekgevers, wie de schuld niet aangaat, vindt geen subrogatie plaats; zie voor afwijking bij borgtocht artikel 7:866 lid 3. De subrogatie in geval van hoofdelijkheid is zelfstandig geregeld naast die van artikel 150; wel zijn de artikelen 153 en 154 op haar van toepassing.

  2224. Artikel 13 geeft een sluitstuk op de verhaalsregeling van de artikelen 10 en 12: een omslagregeling indien er medeschuldenaren zijn die ten tijde van het verhaal insolvent blijken te zijn; vgl. artikel 1314 lid 2 van het huidige BW. 2024 -809- No. 164 Afdeling 6.1.3 - Pluraliteit van schuldeisers Zoals afdeling 6.1.2 in artikel 6 tot uitgangspunt heeft dat de schuldenaren van één prestatie ieder voor een gelijk aandeel zijn verbonden, zo verklaart artikel 15 van afdeling 6.1.3 in beginsel de schuldeisers van één prestatie ieder voor zijn aandeel daartoe gerechtigd. Parallel aan artikel 6 kunnen uitzonderingen op de regel voortvloeien uit wet, gewoonte of rechtshandeling. Naast de mogelijkheid van een vorderingsrecht voor ongelijke delen staat hier die van één gezamenlijk vorderingsrecht, hetzij wegens ondeelbaarheid der prestatie, hetzij wegens het bestaan van een gemeenschap tussen de schuldeisers waarin, ook al is de prestatie deelbaar, het vorderingsrecht valt. Het begrip "actieve hoofdelijkheid" uit het bestaande recht is in het ontwerp vervangen door het vorderingsrecht dat aan de schuldeisers gezamenlijk toekomt. De uitzonderingen op de regel zullen in de praktijk wellicht vaker voorkomen dan toepassing van de regel zelf. Bij een gemeenschap van schuldeisers kan men in het bijzonder denken aan de huwelijksgemeenschap, de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap. De eerste wordt beheerst door de regels van het huwelijksgoederenrecht, tegenover de schuldenaar in het bijzonder door de bestuursregels. Op de beide andere zijn, naast de regels van het huwelijksgoederen-, respectievelijk erfrecht, de regels van titel 3.7 - zie met name artikel 3:189 - van toepassing. Voor de praktijk brengt het nieuwe recht hier een belangrijke verandering; terwijl artikel 1320 van het geldende BW ook erfgenamen elk voor zich jegens de schuldenaar aanspraak op hun aandeel in de vordering geeft, mag volgens artikel 3:170 lid 2 in beginsel de in een gemeenschap vallende vordering slechts aan de schuldeisers gezamenlijk worden betaald; zie in dit verband HR 18-3-1994, NJ 1995, 410.

  2225. Artikel 16 ziet op een geval waarin er niet één vorderingsrecht in de zin van artikel 15 lid 1 is, omdat de schuldeisers niet alleen gezamenlijk recht op de prestatie hebben, maar de schuldeisers jegens de schuldenaar - elk voor het geheel - de volle prestatie kunnen opeisen, des dat voldoening aan de een ook jegens de anderen bevrijdt. Het in de praktijk meest voorkomende, sprekende geval is de zgn. "en/of"-bank- of girorekening op naam van bijvoorbeeld twee echtgenoten die buiten gemeenschap zijn gehuwd. Waren zij wel in gemeenschap gehuwd, dan was het recht omtrent die gemeenschap op de rekening van toepassing met de bijzonderheid dat beiden overeenkomstig het beding jegens de schuldenaar het volledige vorderingsrecht kunnen uitoefenen. Bestaat zo'n gemeenschap echter niet, dan verklaart artikel 16, met dezelfde bijzonderheid, dat wil zeggen in afwijking van de hoofdregel van artikel 3:170 lid 2, tweede zin, slot, de externe regels van titel 3.7 in de verhouding tot de schuldenaar van overeenkomstige toepassing op het vorderingsrecht. Afdeling 6.1.4 - Alternatieve verbintenissen De afdeling met de artikelen 17 tot en met 20 vervangt de artikelen 1293 tot en met 1298 van het BW, betreffende de alternatieve verbintenis, dat wil zeggen de verbintenis die verplicht tot één uit verschillende ter keuze gestelde prestaties; door het uitbrengen van de keuze wordt de verbintenis enkelvoudig. Het ontwerp houdt met meer situaties rekening dan de bestaande wet - bijvoorbeeld het geval dat de keuze aan een derde toekomt, overgang van het keuzerecht bij gebreke van een keuze door de bevoegde -, maar verschilt vooral daarin dat de keuze, behalve in het geval van artikel 20 lid 2, kan worden uitgebracht op een prestatie die inmiddels onmogelijk is geworden of gebleken; geschiedt dat, dan zal vervolgens de regeling van de niet-nakoming van verbintenissen toepassing vinden. Afdeling 6.1.5 - Voorwaardelijke verbintenissen De bepalingen der afdeling vervangen de artikelen 1274 tot en met 1288 van het geldende BW en wijken daarvan in enige opzichten af. 2024 -810- No. 164 In artikel 21 is tot uitdrukking gebracht dat in beginsel elke rechtshandeling de werking van de verbintenis, als voorwaardelijk, van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk kan stellen; vgl. artikel 3:38. De rechtshandeling kan meerzijdig, bijvoorbeeld een overeenkomst, zijn, doch ook eenzijdig, bijvoorbeeld de uiterste wil; op de voorwaarden in een uiterste wil zijn, eventueel bij voorrang, de bepalingen van erfrecht van toepassing. In een overeenkomst kan de verbintenis van de een - bijvoorbeeld het verstrekken van een van het in leven zijn afhankelijke pensioenuitkering - voorwaardelijk zijn, die van de ander - de voorfinanciering - onvoorwaardelijk; vgl. HR 12-11-1993, NJ 1994, 229. De afdeling is niet van toepassing op voorwaarden die de wet aan verbintenissen stelt. Als vereiste voor de voorwaarde geldt dat de gebeurtenis toekomstig en onzeker is. Niet is overgenomen het slot van artikel 1284 lid 1, BW dat daarmee gelijkstelt "een reeds gebeurde, doch aan partijen nog onbekende zaak": in dat geval is er of reeds een "zuivere" verbintenis, óf in het geheel geen verbintenis. Dat neemt niet weg dat partijen de werking van hun verbintenis wél afhankelijk kunnen stellen van het toekomstig bekend worden van enig feit.

  2226. Artikel 22 maakt het bekende onderscheid tussen de opschortende en de ontbindende voorwaarde. De voorwaardelijke verbintenis bestaat reeds vóór het plaatsvinden van de gebeurtenis, alleen haar werking is daarvan afhankelijk. Voor de verbintenis onder ontbindende voorwaarde spreekt dit vanzelf, maar ook die onder opschortende voorwaarde bestaat in beginsel vanaf het verrichten van de rechtshandeling; zij kan worden overgedragen, zij kan tot een veroordeling in rechte leiden (artikel 3:296 lid 2) enz. Zie artikel 26. Dat de zuiver potestatieve voorwaarde geen echte voorwaarde is, behoeft niet uitdrukkelijk te worden bepaald - artikel 1277 BW is niet overgenomen. Hetzelfde geldt voor de onmogelijke voorwaarde van artikel 1275 BW en de noodzakelijke. Op de voorwaarden die in strijd met de wet, de openbare orde en de goede zeden zijn, is titel 3.2 van toepassing.

  2227. Artikel 23 is vergelijkbaar met artikel 1281 BW, maar is enerzijds ruimer - bepalend is niet of de schuldenaar de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd, doch of is ingegrepen door degene die bij het al of niet vervullen belang had - en anderzijds soepeler doordat naar de redelijkheid en billijkheid wordt verwezen. Een belangrijke verandering ten opzichte van het geldende recht - artikelen 1282 en 1286 BW - is dat de vervulling der voorwaarde geen terugwerkende kracht meer heeft. Wel heeft zij "zakelijke werking" ten opzichte van derden: levering van een goed onder ontbindende voorwaarde geeft de verkrijger een voorwaardelijk recht (artikel 3:84 lid 3), dat vervalt wanneer de - ontbindende - voorwaarde wordt vervuld. Het goed keert dan van rechtswege terug naar de vervreemder, tenzij dat onmogelijk is of de verkrijger kan profiteren van een bepaling van derdenbescherming uit Boek 3. Daarnaast geeft artikel 24 de schuldenaar die zich onder ontbindende voorwaarde heeft verbonden en gepresteerd, bij vervulling een obligatoir recht op herstel en op de nadien afgescheiden, respectievelijk opeisbaar geworden vruchten en, op de voet van de rechtsverhouding tussen eigenaar en bezitter, op vergoeding van schade en kosten; de regeling van afdeling 6.4.2 is niet rechtstreeks van toepassing, omdat de betaling niet onverschuldigd was of is geworden. Bij de vervulling van een opschortende voorwaarde zal zich zo’n situatie niet voordoen, tenzij de schuldenaar reeds voor de vervulling heeft gepresteerd; alsdan verklaart artikel 25 de regeling der ongedaanmaking in geval van onverschuldigde betaling van toepassing.

  2228. Artikel 1287 BW, dat aan de ontbinding van een wederkerige overeenkomst op grond van wanprestatie de wer- king van de vervulling van een ontbindende voorwaarde toekent, is niet in het onderhavige ontwerp overgeno- men. Dientengevolge zal de ontbinding niet alleen voortaan terugwerkende kracht ontberen, maar ook de op de wet gebaseerde "zakelijke werking"; ontbinding zal volgens artikel 269 voortaan slechts obligatoire gevolgen hebben. Dit sluit niet uit dat wanprestatie wel contractueel als ontbindende voorwaarde kan worden geconstrueerd. 2024 -811- No. 164 De verbintenissen met tijdsbepaling vormen in het huidige BW, onderwerp van een, zij het kleine, afdeling: de zesde afdeling van titel 1 van het Derde Boek (artikelen 1289 tot en met 1292). Zo'n afdeling is in Boek 6 niet opgenomen; de nodige bepalingen zijn in afdeling 6.1.6 (Nakoming van verbintenissen) verwerkt. Afdeling 6.1.6 - Nakoming van verbintenissen Nakoming van een verbintenis betekent voldoening van een schuld; de termen nakoming en voldoening zijn synoniemen en worden door elkaar gebezigd. Eveneens wordt de term betaling in deze betekenis gebruikt, ook daar waar de wetgever niet speciaal het oog op geldschulden heeft. Betaling heeft echter tevens een ruimere betekenis, namelijk die van een prestatie, ook waar geen schuld blijkt te bestaan en die leidt tot toepassing van de regels der onverschuldigde betaling (afdeling 6.4.2) en, in de onderhavige afdeling, in sommige gevallen van de artikelen 31 tot en met 35 waar de betaling niet tot voldoening leidt - de betaling niet "bevrijdend" is. Onder de term aflevering wordt verstaan de voldoening aan een verbintenis die ertoe strekt de wederpartij bezitter of houder van een zaak te maken. In het geldende wetboek wordt de betaling geregeld in de eerste afdeling van de vierde titel van het Derde Boek, in de artikelen 1403 tot en met 1424. De daarin vervatte regels liggen voor een belangrijk deel ten grondslag aan de bepalingen van het ontwerp, die hen preciseren en verder uitwerken. De plaatsing in de huidige vierde titel - Van het tenietgaan der verbintenissen - is in zoverre niet geheel correct dat betaling van een schuld niet steeds betekent dat de schuld tenietgaat - zo kan de vordering door subrogatie op een ander overgaan (zie de artikelen 1421 tot en met 1424 BW). Ook aan een andere afdeling van het Derde Boek van het huidige wetboek - de zesde van de eerste titel, Van verbintenissen met tijdsbepaling - (artikelen 1289 tot en met 1292) - zijn enige bepalingen van het ontwerp ont- leend. Ten slotte begint de afdeling met een regel die in het vigerende BW is te vinden in artikel 1256 lid 1, slot. De samenhang tussen oud en nieuw laat zich als volgt weergeven. Artikelen ontwerp Artikelen (oud) BW 27 zorgplicht vóór aflevering 1256 lid 1, slot 28 kwaliteit genuszaak 1413 29 algehele nakoming 1411 30 nakoming door derde 1403 en 1404 31 betaling aan handelingsonbekwame 1408 32 betaling aan onbevoegde derde 1406 33 betaling aan onbevoegde schuldeiser 1409 34 betaling door schuldenaar te goeder trouw aan onbevoegde 1407 35 betaling door derde aan derde - 36 verhaal door ware gerechtigde - 37 opschortingsbevoegdheid - 38 terstond nakomen - 39 tijdsbepaling 1290 en 1291 40 verval tijdsbepaling 1292 41 aflevering haalschuld 1414 42 aflevering door onbevoegde 1405 43 toerekening van betaling 1417 en 1420 44 toerekening betaling geldsom 1418 45 inbetalinggeving 1410 46 betaling per cheque e.d. - 47 kosten van betaling 1416 2024 -812- No. 164 48 kwitantie - 49 afgifte van of kwijting op papier - 50 vermoeden van betaling 1415 51 zekerheidsstelling - De afdeling behelst regels die in het algemeen van toepassing zijn op alle soorten van voldoening. Regels die speciaal de betaling van geldschulden betreffen, zijn, behalve in artikel 44, te vinden in afdeling 11 (artikelen 111 tot en met 126). De volgende bepalingen verdienen nog bijzondere aandacht. Ten opzichte van artikel 1413 van het huidige BW is het criterium, opgenomen in artikel 28, iets verscherpt: de kwaliteit van de genuszaak moet van een goed gemiddelde zijn. De artikelen 30 tot en met 36 regelen de rechtsgevolgen van betalingen (van een bestaande schuld) die niet geschieden door de schuldenaar en/of niet aan de, bevoegde en bekwame, schuldeiser. In de artikelen wordt telkens aangegeven onder welke omstandigheden zulke betalingen kunnen gelden als bevrijdend, dat wil zeggen als een geldige voldoening van de schuld. Uit de termen "indien" en "tenzij" ligt opgesloten op wie de bewijslast van zulke omstandigheden rust. De weigering om een bevrijdende betaling in ontvangst te nemen, kan meebrengen dat de schuldeiser in verzuim komt, met de gevolgen die afdeling 8 daaraan verbindt; zie echter bepalingen als artikel 30 lid 2 en artikel 44 lid 2. Aan artikel 30 lid 1, wordt slechts voldaan, indien de derde welbewust en zonder pressie de verbintenis van de schuldenaar nakomt; zie HR 22-4-1983, NJ 1984, 726. De artikelen 1408 en 1406 van het huidige BW gebruiken beide de term dat de schuldeiser door de betaling "wer- kelijk gebaat" moet zijn, wil de betaling bevrijdend zijn. In artikel 31 wordt, anders dan in artikel 32, de term "gebaat" niet overgenomen, om tot uitdrukking te brengen dat er een verschil in vereisten is: de onbekwame moet van de betaling werkelijk voordeel hebben gehad door de wijze van besteding der betaling; voor de toepassing van artikel 32 is zulke besteding niet vereist, maar is voldoende dat de betaling in de macht van de schuldeiser of andere bevoegde is gekomen. Het onderscheid in uitleg wordt reeds onder het geldende recht gemaakt. In artikel 33 is de regel van artikel 1409 van het BW verruimd door de vermelding van een beperkt recht (artikel 3:210 voor vruchtgebruik, artikel 3:246 voor pandrecht) en bewind.

  2229. Artikel 34 betreft niet betaling aan een pseudo-vertegenwoordiger (vandaar de beperking "aan degene aan wie betaald moest worden"): daarvoor geldt artikel 3:61 lid 2, dat vereist dat degene aan wie moest worden betaald door een verklaring of gedraging de schijn van volmacht heeft gewekt. Evenmin is het artikel van toepassing bij betaling aan de cedent: de vordering gaat pas door mededeling aan de schuldenaar op de cessionaris over (artikel 3:94). Wel kan het artikel toepassing vinden wanneer een beding iemand als bevoegd tot ontvangst der betaling aanwijst, hoewel hij die bevoegdheid door wijziging van omstandigheden op grond van de wet heeft verloren; zie HR 18-3- 1994, NJ 1995, 410, waar de vordering in een gemeenschap was komen te vallen. Alsdan stelt artikel 34 een minder strenge eis van goede trouw dan uit de onderzoeksplicht van artikel 3:11 zou kunnen worden afgeleid.

  2230. Artikel 34 lid 2, is in het bijzonder van belang indien de bevoegdheid om betaling te ontvangen na de betaling alsnog, met terugwerkende kracht, wordt vernietigd; onder het nieuwe wetboek vervalt de terugwerkende kracht van de vervulling der voorwaarde en van de ontbinding der wederkerige overeenkomst, zodat de bepaling daarop niet van toepassing is.

  2231. Artikel 35 breidt de werking der bevrijdende betaling van artikel 34 uit zowel naar de derde - bijvoorbeeld derde- pand- of hypotheekgever - die betaalt (lid 1), als naar de schuldenaar voor wie een ander heeft betaald (lid 2). 2024 -813- No. 164 Het recht van verhaal dat artikel 36 toekent, is een eigen regresrecht - subrogatie is hier niet bedoeld.

  2232. Artikel 37 geeft de schuldenaar een bijzondere bevoegdheid tot opschorting, naast die van de artikelen 52, 262 en 263; de bepalingen van afdeling 6.1.7 zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

  2233. Artikel 38 geeft de regel dat een schuld zonder tijdsbepaling onmiddellijk kan worden betaald en onmiddellijk opeisbaar is, volgens artikel 39 betekent een tijdsbepaling in een verbintenis dat zij wordt vermoed te zijn gesteld in het belang van de schuldenaar - welk vermoeden weerlegbaar is -, maar dat dit niet meebrengt dat een betaling vóór de vervaldag als onverschuldigd geldt - voor de opschortende voorwaarde geldt volgens artikel 25 het omgekeerde. In vergelijking met artikel 1292 van het bestaande BW voegt artikel 40, onderdeel b, nog een grond tot verval van een tijdsbepaling toe. Verschaft de schuldenaar niet de volledige door hem toegezegde zekerheid, maar is de zekerheid die hij wel verschaft, voldoende ter waarborging van de nakoming van zijn verbintenis, dan zou een be- roep op de bepaling in strijd met redelijkheid en billijkheid zijn. Onderdeel c verruimt het criterium van toedoen van de schuldenaar tot een aan hem toe te rekenen oorzaak.

  2234. Artikel 41, onderdeel b, wijkt af van artikel 1414 lid 2, van het BW, dat de verplichting tot aflevering van een genuszaak tot brengschuld verklaart. Het geval van verhuizing wordt in het ontwerp niet geregeld, maar wordt overgelaten aan de regels van redelijkheid en billijkheid (artikel 2). Een geldschuld blijft volgens artikel 116 lid 1 in beginsel een brengschuld.

  2235. Artikel 42 geeft duidelijker regels dan artikel 1405 lid 1 van het huidige BW. De artikelen 43 en 44 leiden tot vrijwel hetzelfde resultaat als het bestaande recht. Hetzelfde geldt voor artikel 45.

  2236. Artikel 46 heeft vooral betaling van geldschulden op het oog; men denke echter ook aan levering van ceel of cognossement als nakoming van een verbintenis.

  2237. Artikel 50 is, anders dan artikel 1415 van het geldende BW, niet beperkt tot kwitanties voor periodieke betalin- gen, terwijl het zijn vermoeden reeds hecht aan de afgifte van twee kwitanties over achtereenvolgende termijnen, in plaats van die aan drie.

  2238. Artikel 51 verruimt en versoepelt de, slechts voor borgtocht geldende, regeling van de artikelen 1848 tot en met 1851 van het BW. Het artikel is bedoeld voor een verplichting tot het stellen van zekerheid die uit de wet voortvloeit, daartoe kan ook worden gerekend de verplichting die door de rechter op grond van de wet wordt opgelegd. Afdeling 6.1.7 - Opschortingsrechten Onder het geldende recht vindt het opschortingsrecht slechts incidenteel, en dan vooral in de vorm van een retentierecht, steun in de wet; zie bijvoorbeeld de artikelen 1499 en 1537 van het BW. Het recht, een algemene bevoegdheid om onder aangegeven omstandigheden de nakoming van de eigen verbintenis op te schorten zolang de wederpartij niet presteert, is ontwikkeld in rechtspraak (bijvoorbeeld HR 31-1-1958, NJ 1958, 97) en literatuur, in het bijzonder als een bevoegdheid die wordt gereguleerd door de redelijkheid en billijkheid welke een contractuele verhouding beheerst. Vgl. HR 20-3-1981, NJ 1981, 640, inzake opschorting van leveranties door een openbaar nutsbedrijf in geval van wanbetaling. 2024 -814- No. 164 Ook onder het nieuwe recht zullen redelijkheid en billijkheid het opschortingsrecht in sterke mate blijven beheersen. De aard der bevoegdheid is een verweermiddel: degene die er zich op beroept, moet duidelijk maken of hij uiteindelijk nakoming, ontbinding of schadevergoeding wenst (vgl. HR 23-9-1994, NJ 1995, 26) en indien hij wegens ondeugdelijke levering zijn eigen verplichting wil opschorten, het geleverde ter beschikking van de wederpartij stellen (vgl. HR 31-1-1958, NJ 1958, 97). Het resultaat is dat zijn schuld niet opeisbaar is en hij niet in verzuim kan komen. De bevoegdheid tot opschorten is te rekenen onder de gevolgen van niet-nakoming van een verbintenis (in casu van de wederpartij) in de zin van afdeling 6.1.9. Afdeling 6.1.7 geeft de algemene regeling omtrent de opschortingsrechten, met daarnaast enige bijzondere bepalingen - de artikelen 262, 263 en 264 - voor de wederkerige overeenkomst; bovendien kan gerechtvaardigde uitoefening van het opschortingsrecht tevens schuldeisersverzuim van de wederpartij tot gevolg hebben (artikel 59). Vindt de verplichting tot afgifte van een zaak haar grond in een obligatoire rechtsverhouding, dan uit het opschortingsrecht zich als retentierecht en zijn de artikelen van afdeling 3.10.4 daarop bij voorrang toepas- selijk: artikel 57. Berust het opschortingsrecht op een andere rechtsgrond - bijvoorbeeld de bevoegdheid die artikel 3:120 lid 3, de bezitter te goeder trouw verleent tegenover de revindicerende eigenaar - dan zijn de bepalingen van afdeling 6.1.7 niet rechtstreeks van toepassing, al wordt analogische toepassing niet uitgesloten. Zie HR 28-6-1996, NJ 1997, 397. Hetzelfde geldt voor de in Boek 6 speciaal genoemde gevallen van een opschortingsrecht, die, zoals de artikelen 37, 48 lid 3, 49 lid 4, 117 en 139, niet rechtstreeks aan de omschrijving van de vereisten van artikel 52 voldoen. De bepalingen zijn in beginsel van regelend recht, doch voor regeling bij algemene voorwaarden in "consumentencontracten" geldt het bepaalde in artikel 236, onderdeel d.

  2239. Artikel 52 veronderstelt een verbintenisrechtelijke verhouding tussen twee partijen die elkaars schuldeiser zijn, terwijl hun beider vordering opeisbaar is (uitzonderingen op dit laatste vereiste vormen de gevallen van de artikelen 56, 80 en 263); niet is vereist dat de vordering van de opschortende schuldenaar ook liquide - vatbaar voor dadelijke vereffening - is. De bevoegdheid van een der partijen bestaat dan als gevolg van de niet-nakoming van de verbintenis van de wederpartij. Daarbij is de veronderstelling dat deze wederpartij óf als eerste behoort te presteren, óf er een verhouding van "gelijk oversteken" is en uit de gedragingen van de wederpartij of uit andere omstandigheden valt af te leiden dat het daarvan aan de zijde van de wederpartij niet zal komen. Niet is vereist dat deze ook wegens een haar toe te rekenen tekortkoming in verzuim is - de bevoegdheid kan in beginsel bijvoorbeeld ook bestaan, zolang de nakoming voor deze tijdelijk onmogelijk is. Is de nakoming evenwel blijvend onmogelijk, dan kan de bevoegdheid, bij wijze van inleiding op ontbinding, slechts worden uitgeoefend tussen partijen bij een wederkerige overeenkomst (artikel 54, onderdeel b, jo artikel 264). Ten slotte vereist artikel 52 lid 1, dat er tussen de wederzijdse vorderingen "voldoende samenhang" bestaat, hetgeen aan de hand van een tweetal voorbeelden in lid 2 wordt uitgewerkt. Prototype van het eerste daarvan is de wederkerige overeenkomst, doch niet steeds wordt aangenomen dat ook hieruit de wederzijdse verbintenissen tegenover elkaar staan - zie enerzijds HR 4-3-1977, NJ 1977, 337 (reparatie tv-toestel), anderzijds HR 30-6-1978, NJ 1978, 693 (reparatieplicht verhuurder) en, meer genuanceerd, HR 4-1-1991, NJ 1991, 723. Het tweede voorbeeld is ontleend aan HR 26-4-1934, NJ 1934, 1612: blijft een partij in gebreke met de nakoming uit een contract, dan komt de wederpartij een opschortingsrecht met betrekking tot haar verbintenis uit een opvolgend contract toe. Bij de, in artikel 53 genoemde, schuldeisers van de wederpartij dient gedacht te worden aan hen die derdenbeslag leggen. Het recht kan tevens worden ingeroepen tegen de curator in het faillissement van de wederpartij. Onverschillig is, of de vordering van de schuldeiser van de wederpartij vóór of na de eigen vordering is ontstaan; volgens artikel 3:291 is dat anders, indien het opschortingsrecht de vorm van een retentierecht heeft. Zie voorts artikel 145, dat in geval van overgang van een vordering ook voor de opschortingsbevoegdheid geldt. 2024 -815- No. 164

  2240. Artikel 54, dat in drie gevallen de bevoegdheid tot opschorting aan een schuldenaar onthoudt, geldt voor toepassing bij een wederkerige overeenkomst alleen voor het in onderdeel a vermelde: in de in de onderdelen b en c genoemde gevallen kan er aan opschorting, als inleiding op maatregelen tot ontbinding, behoefte bestaan (artikel 264). Zie bij het in onderdeel a bedoelde geval HR 16-9-1994, NJ 1995, 8. Onderdeel b geldt ook als de blijvende onmogelijkheid van de prestatie niet aan de schuldenaar is toe te rekenen. Ook artikel 55 geldt in de door artikel 264 aangegeven gevallen niet bij wederkerige overeenkomsten. Hoewel door verjaring een rechtsvordering aan een vorderingsrecht komt te ontvallen, blijft dit laatste nog wel enige effecten behouden boven die welke aan natuurlijke verbintenissen eigen zijn; zie naast artikel 56 ook artikel 131 lid 1. Afdeling 6.1.8 - Schuldeisersverzuim Een algemene regeling van het onderwerp van deze afdeling komt in het geldende BW niet voor; wel is daarin, als wijze van tenietgaan van verbintenissen, in de artikelen 1425 tot en met 1433, de detailregeling van het aanbod van gerede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving, te vinden - zie ook het desbetreffende Besluit van 10 februari 1874 (G.B. no. 2) houdende aanwijzing der plaats tot het ontvangen van consignaties. Voorts is het onderwerp ten dele in de rechtspraak en literatuur ontwikkeld. Buiten de afdeling komt in de artikelen 30, 44, 54 en 266 jo artikel 265 een enkele bepaling omtrent schuldeisersverzuim voor. Schuldeisersverzuim is niet het spiegelbeeld van schuldenaarsverzuim. Het laatste doet bepaalde rechtsgevolgen ontstaan, wanneer de schuldenaar zijn verbintenis niet nakomt. Bij schuldeisersverzuim is er echter juist geen verbintenis waaraan de crediteur - in zijn functie van crediteur - niet voldoet: ieder op wie een verbintenis rust, is in zoverre per definitie schuldenaar. Bij schuldeisersverzuim komt dan ook geen ingebrekestelling te pas en, anders dan schuldenaarsverzuim, doet het zich ook voor bij blijvende onmogelijkheid van de prestatie. De rechtsgevolgen verschillen dan ook van die van schuldenaarsverzuim. Schuldeisersverzuim doet zich in twee gevallen voor: a. de schuldenaar kan zijn, aan de inhoud der verbintenis beantwoordende, prestatie niet kwijt wegens een omstandigheid die de schuldeiser kan worden toegerekend, bijvoorbeeld omdat deze zijn medewerking aan de aflevering niet verleent (artikel 58); b. de schuldenaar schort de nakoming van zijn verbintenis op wegens, de schuldeiser toe te rekenen, niet- nakoming van een verplichting, veelal een verbintenis, die op deze in diens rol van wederkerig schuldenaar rust (artikel 59). Geval a veronderstelt dat de medewerking van de of aanvaarding door schuldeiser aan het (af)leveren van de prestatie, hoewel niet verplicht, toch noodzakelijk is. Zie voor een bijzonder geval artikel 30: de schuldeiser wei- gert bevrijdende betaling door een derde, terwijl zich niet de omstandigheden van lid 2 van dat artikel voordoen. In geval b zal het dikwijls gaan om opschorting door A van zijn verbintenis uit een wederkerige overeenkomst, omdat wederpartij B haar verbintenis uit die overeenkomst niet nakomt: B komt door A's opschorting in schuldeisersverzuim ten aanzien van A's verbintenis. Maar ook kan het gaan om een verplichting van B van andere aard dan een verbintenis, indien de niet-nakoming daarvan opschorting rechtvaardigt, bijvoorbeeld als door toedoen van B zich het geval van artikel 37 voordoet. 2024 -816- No. 164 Essentieel is in beide gevallen het vereiste dat nakoming door de schuldenaar van diens verbintenis achterwege blijft op grond van een omstandigheid aan de zijde van de schuldeiser die aan deze moet worden toegerekend. Bij crediteursovermacht of andere onmogelijkheid van rechtsuitoefening ontbreekt dit laatste element. In dit geval kan op grond van artikel 265 een wederkerige overeenkomst wel worden ontbonden, als de prestatie tijdelijk of blijvend onmogelijk is, maar verder is deze situatie aan redelijkheid en billijkheid overgelaten - niet zelden is het dan trouwens niet zo eenvoudig uit te maken, of er crediteursovermacht is dan wel of de schuldenaar in de nakoming tekort schiet. Schuldeisersverzuim heft de werking der verbintenis op: het is een situatie van overmacht die niet voor rekening van de schuldenaar komt. Evenmin is deze dan schadevergoeding verschuldigd (buiten het geval van artikel 78). Weliswaar blijft de verbintenis in stand, maar krachtens artikel 60 kan de rechter op vordering van de schuldenaar deze van zijn verbintenis ontheven verklaren. Zie artikel 7 lid 2 dat bepaalt dat deze verklaring in beginsel mede de hoofdelijke schuldenaren bevrijdt en artikel 7:33 dat bij koop mede in geval van crediteursverzuim onder omstandigheden ontbinding toelaat. De schuldeiser van zijn kant kan tijdens zijn verzuim een wederkerige overkomst niet ontbinden: artikel 266 bepaalt dat voor het geval van artikel 58, terwijl in het geval van artikel 59 de schuldenaar wegens de opschorting van zijn verbintenis niet in de nakoming daarvan tekort schiet. De verdere gevolgen van schuldeisersverzuim in de verhouding tot de schuldenaar zijn geregeld in de artikelen 61 tot en met 71. Zo bevat artikel 61 de regel dat het schuldeisersverzuim het schuldenaarsverzuim verdringt.

  2241. Artikel 64 beperkt in enkele opzichten de aansprakelijkheid van de schuldenaar, wanneer tijdens schuldeisers- verzuim een omstandigheid opkomt die de nakoming van diens verbintenis geheel of ten dele onmogelijk maakt: de aansprakelijkheid bestaat alleen bij schuld van de schuldenaar zelf of van een ondergeschikte en de bewijslast van deze omstandigheid rust op de schuldeiser. De artikelen 66 tot en met 71 vormen een reeks betreffende inbewaringstelling die de artikelen 1425 tot en met 1433 van het BW vervangt. In beginsel is daarop afdeling 7.9 van toepassing, maar de regeling veronderstelt een nadere wettelijke uitwerking bij wet. Anders dan volgens het geldende recht doet de regeling van de artikelen 66 e.v. de verbintenis niet tenietgaan: zij blijft in beginsel op de schuldenaar rusten, totdat hij daarvan volgens artikel 60 wordt bevrijd. Artikel 90 geeft de schuldenaar onder omstandigheden de bevoegdheid zich door verkoop van af te leveren zaken te ontdoen, in plaats van hen in bewaring te stellen. In de artikelen 72 en 73 wordt ten slotte de werking van het schuldeisersverzuim tegen derden geregeld. In artikel 72 is dat de werking jegens hoofdelijk verbonden medeschuldenaren, die voor het gevolg van artikel 60 in artikel 7 van de beslissing van de rechter afhankelijk wordt gesteld. Verzet de schuldenaar zich niet tegen de voldoening door een derde, maar weigert de schuldeiser die te aan- vaarden, dan komt deze daardoor in verzuim en is afdeling 6.1.8 rechtstreeks van toepassing.

  2242. Artikel 30 lid 2, geeft de schuldeiser de bevoegdheid om zonder in verzuim te komen de door een derde aangeboden voldoening met goedvinden van de schuldenaar te weigeren. Heeft de derde echter een gerecht- vaardigd belang bij die voldoening, zoals wanneer hij met executie van de door hem gestelde zekerheid wordt bedreigd, dan zou het gevolg van die weigering voor hem onbillijk zijn. Op dat geval verklaart daarom artikel 73 een aantal artikelen uit afdeling 6.1.8 van overeenkomstige toepassing. Afdeling 6.1.9 - De gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis De afdeling vervangt ruwweg de bepalingen omtrent wanprestatie en overmacht volgens het huidige recht, met uitzondering van de regels omtrent ontbinding van wederkerige overeenkomsten, die in de nieuwe versie in afdeling 6.5.4 zijn opgenomen. De bepalingen der afdeling gelden in beginsel voor elke verbintenis, onverschillig haar aard of bron. 2024 -817- No. 164 De afdeling is onderverdeeld in een viertal paragrafen, te weten: § 1 Algemene bepalingen (artikelen 74 tot en met 80); § 2 Verzuim van de schuldenaar (artikelen 81 tot en met 87); § 3 Verdere gevolgen van niet-nakoming (artikelen 88, 89 en 90); § 4 Boetebeding (artikelen 91 tot en met 94). De afdeling bevat regelend recht, met uitzondering van artikel 94, dat in lid 1 een semi-dwingende regel inhoudt. Het staat partijen bijvoorbeeld vrij contractueel bepaalde handelingen bij voorbaat als wanprestatie aan te wijzen ("garantie") en anderzijds - binnen de grenzen van titel 3.2 en afdeling 6.5.3 - door exoneratiebedingen de aansprakelijkheid te beperken. Het systeem van afdeling 6.1.9 - tezamen met dat van de regeling der ontbinding in afdeling 6.5.4 - wijkt in opzet, uitwerking en terminologie aanmerkelijk af van het bestaande recht. Zo vervalt de onderscheiding die het huidige recht wel maakt tussen het in het geheel niet voldoen en de niet tijdige en de niet behoorlijke voldoening; dit alles valt onder het ene begrip "niet-nakoming". In het nieuwe recht zijn voor de gevolgen van niet-nakoming twee andere criteria van fundamenteel belang, namelijk het onderscheid tussen toerekenbare en niet toerekenbare tekortkoming en de vraag of de niet-nakoming berust op - tijdelijke of blijvende - onmogelijkheid van nakoming. De in § 3 (artikelen 88, 89 en 90) geregelde gevolgen treden in, onverschillig of de tekortkoming toerekenbaar is; voor artikel 90 is verhindering in de nakoming, onverschillig de oorzaak, vereist. Uit de omschrijving van artikel 75 volgt uit welke bronnen de maatstaven van toerekening van een tekortkoming voortvloeien. De formulering is negatief om te doen uitkomen dat het de schuldenaar is op wie de bewijslast rust om aan te tonen dat de tekortkoming hem niet valt toe te rekenen. Het artikel noemt twee rubrieken van toerekening: schuld en risico. Schuld veronderstelt verwijtbaarheid, die bij risico ontbreekt. Risico komt voor rekening van de schuldenaar, indien dat voortvloeit uit de wet, uit een rechtshandeling of uit de verkeers- opvattingen. Toerekenbaarheid buiten schuld krachtens de wet wordt in het bijzonder uitgewerkt in de artikelen 76 (aansprakelijkheid voor zgn. hulppersonen) en 77 (aansprakelijkheid voor zaken); zie ook bijvoorbeeld artikel 84. De aansprakelijkheid voor zaken is minder strikt geformuleerd dan die voor hulppersonen: bij de uitvoering van een verbintenis moet een schuldenaar dikwijls gebruik maken van apparaten of stoffen, zoals medicijnen, die met onverwachte gebreken kunnen zijn behept, waarvoor eventueel de producent aansprakelijk kan worden gesteld, maar die de schuldenaar redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend. Voor de maatstaven van toerekening vergelijke men HR 5-1-1968, NJ 1968, 102 (Vliegtuigvleugel). Onder hulppersonen zijn niet slechts ondergeschikten te begrijpen, maar ook zelfstandigen die voor de uitvoering der verbintenis worden ingeschakeld; zie echter artikel 64, voor het geval dat de schuldeiser zelf in verzuim is. Bij de toerekening buiten schuld krachtens rechtshandeling denke men aan afwijkende bedingen in een over- eenkomst, zoals die hierboven zijn aangestipt. Tekortkomingen buiten schuld die krachtens verkeersopvatting voor rekening van de schuldenaar komen, zijn onder andere de hem persoonlijk betreffende omstandigheden, zoals zijn onbekwaamheid of onervarenheid en zijn financieel onvermogen. Ziekte zal, indien de schuldenaar de verbintenis persoonlijk moet nakomen, hem veelal niet kunnen worden toegerekend. Kan de schuldenaar de tekortkoming niet worden toegerekend, dan verkeert hij in een toestand van - tijdelijke of blijvende - overmacht. 2024 -818- No. 164 Een andere onderscheiding die voor de toepassing van de regels omtrent niet-nakoming op verschillende plaatsen naar voren komt, is of alsnog nakoming al dan niet mogelijk is en, in het laatste geval, of die onmogelijkheid tijdelijk of blijvend is. Onmogelijkheid van nakoming wordt niet alleen aangenomen als de nakoming fysiek of logisch onmogelijk is geworden - bijvoorbeeld de voor nakoming bepaalde termijn is verstreken, of de te leveren zaak is tenietgegaan -, maar ook als ze niet van de schuldenaar kan worden gevergd, bijvoorbeeld omdat de prestatie van overheidswege is verboden, of de nakoming een onevenredig offer van de schuldenaar eist (HR 21- 5-1976, NJ 1977, 73). Waar het ontwerp het criterium van blijvende onmogelijkheid stelt, zal moeten worden uitgemaakt of de bedoelde oorzaken als blijvend zullen moeten worden aangemerkt. Als bijzonder geval van blijvende onmogelijkheid geldt de ondeugdelijke prestatie waarvan het gebrek of het - schade toebrengend - gevolg onherstelbaar is. Is het gebrek onherstelbaar, dan behoeft de schuldeiser daarmee geen genoegen te nemen, ook niet als aanvullende schadevergoeding wordt aangeboden. Is het gebrek in de prestatie op zichzelf wel herstelbaar en is derhalve in zoverre de nakoming niet blijvend onmogelijk, dan kan de ondeugdelijkheid niettemin zgn. gevolgschade hebben teweeggebracht - bijvoorbeeld schade door explosie of verspreiding van ziektekiemen (vgl. HR 20-2-1976, NJ 1976, 486; HR 4-2-2000, NJ 2000, 258 en HR 11-1-2002, NJ 2003, 255) - en in zoverre geldt de (correcte) na- koming dan als blijvend onmogelijk. Wat de verhouding tussen de onderscheiding al dan niet toerekenbaar en die tussen mogelijkheid en onmogelijkheid van nakoming betreft: een niet toerekenbare tekortkoming (overmacht) veronderstelt steeds onmogelijkheid van nakoming, maar, omgekeerd, onmogelijkheid van nakoming kan uiteraard wel degelijk toerekenbaar zijn. De hierboven aangeduide onderscheidingen, tezamen met de gebezigde terminologie, leveren de hoofdtrekken van het volgende, in het ontwerp ontwikkelde, systeem op. De meest algemeen gebezigde term is niet nakomen van de verbintenis. Deze term is neutraal - zij is ook van toepassing, als de vordering uit de verbintenis nog niet opeisbaar is of het voor tekortkoming vereiste verzuim nog niet is ingetreden in de in § 2 der afdeling omschreven gevallen. Ook aan deze enkele niet-nakoming kan een rechtsgevolg zijn verbonden. Aldus artikel 80: de gevolgen van niet-nakoming, ook die van een tekortkoming, treden voor de, in het artikel omschreven gevallen, reeds in voordat er in technische zin van een tekortkoming sprake is. Ook kan reeds een bevoegdheid tot opschorting bestaan, wanneer nog geen termijn voor nakoming is gesteld of overschreden; zie de toelichting op afdeling 6.1.7 onder 2 en 3 (ad artikel 52). De aard der verbintenis, namelijk of ze strekt tot resultaat of tot inspanning, bepaalt wanneer er van niet-nakoming sprake is. Met uitzondering van artikel 80 veronderstellen de bepalingen der afdeling voor de gevolgen der niet-nakoming echter een tekortkoming in de nakoming (tekortschieten), waartoe de enkele niet-nakoming zich kan verscherpen. Deze toestand ontstaat bij niet-nakoming van een opeisbare vordering (welke niet wordt gerechtvaardigd door bevoegde uitoefening van een opschortingsrecht) en wel indien óf de niet-nakoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend, óf, als dat wel het geval is, indien de nakoming blijvend onmogelijk is of de schuldenaar in verzuim is geraakt. Is er een tekortkoming, dan verschillen de gevolgen al naar gelang zij kan worden toegerekend. Kan ze niet aan de schuldenaar worden toegerekend, dan is er sprake van overmacht; vgl. voor overmacht in geval van niet-nakoming van een resultaatsverbintenis HR 23-2-1968, NJ 1968, 103. Zolang deze toestand duurt, kan geen nakoming worden geëist (HR 9-5-1969, NJ 1969, 338 en HR 21-5-1976, NJ 1977, 73); soms zijn de omstandigheden dan zo dat de schuldeiser nog wel kan executeren of verrekenen (artikel 79). Schadevergoeding kan de schuldeiser vorderen voor zover zich het geval van artikel 78 voordoet. Wenst hij van zijn eigen verbintenis uit een wederkerige overeenkomst definitief te worden ontslagen, dan moet hij die overeenkomst (doen) ontbinden (artikel 265). In geval van ontbinding is artikel 78 voor het recht op schadevergoeding van overeenkomstige toepassing (artikel 277 lid 2). Tenzij anders is bedongen, kan een boetebeding niet tegen de schuldenaar worden ingeroepen (artikel 92 lid 3). 2024 -819- No. 164 Kan de tekortkoming wel aan de schuldenaar worden toegerekend (wanprestatie), dan kan de schuldeiser alleen geen nakoming vorderen indien de nakoming blijvend, dan wel zolang ze tijdelijk onmogelijk is: zie de hierboven vermelde arresten. Daarnaast kan hij schadevergoeding verlangen - zowel ter vervanging van de ondeugdelijke prestatie (vervangende schadevergoeding) als voor de schade die, zoals vertragingsschade en gevolgschade, daar- naast is ontstaan (aanvullende schadevergoeding). Deze vergoeding kan hij zonder meer vorderen, voor zover de nakoming blijvend onmogelijk is (artikelen 74 en 81, slot; zie voor onmogelijkheid die tijdens verzuim intreedt artikel 84). Voor zover de nakoming niet blijvend onmogelijk is - en correcte nakoming van de verbintenis dus nog niet uitgesloten is - kan vergoeding van de door deze tekortkoming veroorzaakte schade pas worden gevorderd vanaf het tijdstip waarop de schuldenaar in verzuim is geraakt (artikel 74 lid 2); in de regel geschiedt dit door ingebrekestelling (artikel 82), soms reeds doordat zich bijzondere omstandigheden voordoen (artikel 83; men lette in het bijzonder op onderdeel a, dat, tegenovergesteld aan artikel 1259 BW, het vermoeden bevat dat een bepaalde termijn "fataal" is). Overigens kan onder omstandigheden de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een ingebrekestelling achterwege kan blijven (HR 4-10-2002, NJ 2003, 257; HR 6-10-2000, NJ 2000, 691; en HR 28-11-2003, NJ 2004, 237). Het intreden van het verzuim beperkt de schuldeiser in zijn bevoegdheid tot zuivering van de tekortkoming (artikel 86). Pas vanaf het tijdstip waarop het verzuim is ingetreden, wordt de schuldenaar vergoeding van vertra- gingsschade verschuldigd (artikel 85). Ook eerst van dat tijdstip af kan de schuldeiser zijn recht op nakoming omzetten in een recht op vervangende schadevergoeding; anders dan het huidige recht eist het ontwerp daarvoor een bijzondere, schriftelijke, verklaring; zuivering wordt daardoor uitgesloten (artikel 87). Zie voor analogische toepassing van de schadevergoedingsregels op het boetebeding artikel 92 lid 2, en artikel 93, die overigens van regelend recht zijn. De schuldeiser kan, bij wanprestatie door de schuldenaar, de wederkerige overeenkomst ontbinden, zowel wanneer deze laatste in verzuim is, als wanneer de nakoming blijvend of ook slechts tijdelijk onmogelijk is (artikel 265), althans wanneer hij niet zelf in verzuim verkeert (artikel 266); voor het recht op schadevergoeding in dat geval zie artikel 277 lid 1. Ontbinding kan niet slechts door een rechterlijke uitspraak worden verkregen, doch ook, evenals omzetting in een aanspraak op vervangende schadevergoeding, door een schriftelijke verklaring worden bewerkstelligd. § 3 komt in een drietal artikelen de schuldenaar tegemoet. Krachtens artikel 88 kan hij de schuldeiser door termijnstelling nopen, op straffe van beperking van diens rechten, zich uit te spreken over hetgeen hij naar aanleiding van de tekortkoming in de nakoming verlangt. Artikel 89 verplicht de schuldeiser om "binnen bekwame tijd" na de ontdekking (of het kunnen ontdekken) een beroep te doen op het gebrek in de prestatie - vgl. artikel 1528 van het huidige BW; de regel is een uitwerking van de rechtsverwerking. Artikel 90 geeft de schul- denaar die niet kan afleveren, in noodgevallen de bevoegdheid - en legt hem soms zelfs de verplichting op - tot verkoop van de af te leveren zaken. Bepalingen uit § 4 (artikelen 91 tot en met 94) zijn in het voorgaande reeds verspreid ter sprake gekomen.

  2243. Artikel 91 geeft een ruime omschrijving, omdat meestal verschillende overwegingen aan het beding ten grond- slag liggen. De regeling is, op de rechterlijke bevoegdheid tot matiging na (artikel 94 lid 1 jo lid 3), van regelend recht. Dit geldt ook voor de drie regels van artikel 92, inhoudende een drietal uitlegbepalingen van aanvullend recht die alle een toepassing zijn van het beginsel dat een boetebeding waarvan de strekking niet duidelijk is in het voordeel van de schuldenaar moet worden uitgelegd. De op grond van het beding te vorderen boete is een afhankelijk recht in de zin van de artikelen 3:7 en 3:82 en een nevenrecht in de zin van artikel 142, maar volgt niettemin niet de hoofdvordering wanneer deze nietig is of wordt, indien met het beding (mede) wordt beoogd de schadevergoeding voor zo’n geval te regelen. Wat betreft de matiging van artikel 94 zij opgemerkt dat het enkele uiteenlopen van schade en boete onvoldoende grond voor matiging is, maar dat aan de maatstaf wel kan zijn voldaan in het geval dat de bedongen boete in verhouding tot de schade buitensporig is (HR 11-2-2000, NJ 2000, 277). Aan de maatstaf zal in beginsel zijn voldaan indien een boetebeding één bedrag bevat voor vele, uiteenlopende tekortkomingen (HR 13-2-1998, NJ 1998, 725 en HR 26-10-2001, NJ 2002, 595). 2024 -820- No. 164 Afdeling 6.1.10 - Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding De regels van de afdeling zijn van toepassing op de gevallen waarin de wet zelf verplicht tot het vergoeden van schade. De belangrijkste gevallen daarvan zijn die van niet-nakoming van een verbintenis (afdeling 6.1.9) en die van (of in verband met) onrechtmatige daad (titel 6.3). Maar ook denke men aan schadevergoeding in geval van zaakwaarneming en ongerechtvaardigde verrijking (titel 6.4) en aan de vele incidentele gevallen buiten Boek 6, zoals de artikelen 3:70, 3:188, 3:282, 5:54 e.v., 7:36 tot en met 7:38 en 7:658 (het huidige artikel 1614x BW), veelal met eigen aanvullende regels. Evenzeer vallen eronder gevallen waarin de wet niet de term scha- devergoeding (of schadeloosstelling) bezigt, maar verplicht tot bijvoorbeeld vergoeding van kosten en uitgaven (bijvoorbeeld artikel 3:120); ook regresvorderingen zijn als vorderingen tot schadevergoeding aan te merken. De regeling der wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, is in afdeling 6.1.11 opgenomen in de artikelen 119 en 120 (zie ook artikel 125). Buiten de (rechtstreekse) toepasselijkheid van de afdeling vallen de schadevergoedings-verplichtingen die, onverschillig of zij regeling in de wet vinden, hun grondslag hebben in een, op die vergoeding gerichte, over- eenkomst, zoals de overeenkomst van schadeverzekering en het boetebeding. Wel kan afdeling 6.1.10 dan als inspiratiebron fungeren (vgl. HR 2-5-1997, NJ 1998, 281). De huidige wet kent niet een, voor elke vorm van wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding in beginsel geldende, regeling. De enkele bepalingen die de tegenwoordige artikelen 1267, 1268 en 1269 BW bevatten, gelden volgens het wettelijk systeem slechts voor wanprestatie (de artikelen 1268 en 1269 keren in het nieuwe wetboek niet terug) en de artikelen 1391 e.v. BW gelden slechts voor onrechtmatige daad. Het voordeel van het nieuwe systeem is dat vorderingen tot schadevergoeding uit bijvoorbeeld wanprestatie en onrechtmatige daad, gebaseerd op dezelfde feiten, in het algemeen ook tot dezelfde schadevergoeding leiden; samenloop geeft aldus minder problemen. De bepalingen van afdeling 6.1.10 geven overigens wel in hoge mate het thans, door rechtspraak en literatuur ontwikkelde, geldende recht weer. Nieuw is artikel 104 - begroting van de schade op het bedrag van de onrechtmatig genoten winst - als algemene regel en voorts zijn er nieuwe regels en nuanceringen in de artikelen 106, 107 en 108. Nieuw zijn ook de algemene regeling van het rechterlijk matigingsrecht in artikel 109 en de wettelijke mogelijkheid tot limitering van vergoedingsbedragen in artikel 110; artikel 109 lid 1, is de enige bepaling der afdeling, waarvan niet contractueel kan worden afgeweken.

  2244. Artikel 95 lid 1, maakt het bekende onderscheid tussen vermogensschade en ideële schade. De eerste wordt in artikel 96 gespecificeerd, de tweede komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover de wet het recht daarop toekent, waarop artikel 106 aansluit. In lid 2 wordt voorgesteld de aanspraak op smartengeld – affectieschade daaronder begrepen (zie hierna) – niet vatbaar te laten zijn voor beslag. Voorts kan de aanspraak op smartengeld zonder enige beperking overgaan onder bijzondere titel. Op deze wijze wordt meer recht gedaan aan de keuzevrijheid van de gerechtigden om al dan niet aanspraak te maken op de vordering tot smartengeld. Het verdient om de volgende drie redenen aanbeveling om de aanspraak op smartengeld in het algemeen niet vatbaar te laten zijn voor beslag. In de eerste plaats omdat door het leggen van beslag de benadeelde de keuze wordt ontnomen om te beslissen of hij deze aanspraak te gelde wil maken. In de tweede plaats komen de functies van erkenning en genoegdoening van het recht op smartengeld niet of onvoldoende tot hun recht indien er door het beslag geen betaling aan de benadeelde plaatsvindt. In de derde plaats: indien de aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt, voorkomt het leggen van (derden)beslag onder de aansprakelijke persoon niet dat zijn verzekeraar krachtens de directie actie van artikel 7:954 BW bevoegd is om de uitkering rechtstreeks aan de benadeelde te voldoen. Betaalt een aansprakelijke persoon, dan is (derden)beslag onder voorwaarden dus mogelijk; betaalt de verzekeraar, dan treft dat beslag geen doel. Dat is onwenselijk. Anders dan bij beslag verzet het persoonlijk karakter van het recht op smartengeld zich niet tegen een (ongeclausuleerde) overgang onder bijzondere titel. 2024 -821- No. 164 Zie bij artikel 96 lid 1, artikel 1267 van het geldende BW, dat formeel echter alleen bij wanprestatie geldt.

  2245. Artikel 96 lid 2, onderdeel a, beperkt zich niet tot de ná het toebrengen der schade gemaakte kosten - zie reeds voor het huidige recht de arresten betreffende de kosten van reservemateriaal (onder andere HR 31-3-1950, NJ 1950, 592 en HR 1-5-1959, NJ 1961, 571). Onverschillig is voorts, of de maatregelen ook zouden zijn genomen, als de schadeveroorzakende gebeurtenissen waarop de aansprakelijkheid berust, achterwege zouden zijn gebleven (HR 23-9-1988, NJ 1989, 743). Onder lid 2 onderdeel b vallen bijvoorbeeld expertisekosten en kosten voor het verzamelen van bewijs. Vergoeding is verschuldigd ook al blijkt dat er geen (andere) schade is, mits het redelijk was deskundige bijstand in te roepen en de kosten redelijk zijn (HR 11-7-2003, NJ 2005, 50). Ook intern gemaakte bedrijfskosten komen in beginsel in aanmerking (HR 1-7-1993, NJ 1995, 150 en HR 16-10-1998, NJ 1999, 196). De in onderdeel c genoemde post kan ook een zelfstandige schade betekenen, gemaakt bijvoorbeeld in een procedure strekkende tot nakoming van een verbintenis. Zie voor het criterium van de redelijkheid der kosten bijvoorbeeld HR 2-11-1962, NJ 1963, 61 en HR16-10-1998, NJ 1999, 196; niet vereist is bijvoorbeeld dat de kosten, in onderdeel a genoemd, de schade ook daadwerkelijk hebben voorkomen of beperkt.

  2246. Artikel 97 betreft de begroting van de omvang van de schade en laat in een geding daarbij in beginsel de rechter grote vrijheid, zij het dat de wet op sommige punten bijzondere regels stelt: uit de eerste zin volgt dat de gewone regels van stel- en bewijslast hier niet gelden, terwijl de tweede zin de motiveringsplicht van de rechter in belangrijke mate verlicht. Het begrip begroting laat toe een schatting, wanneer de schade niet nauwkeurig is vast te stellen. Dit alles stemt overeen met hetgeen voor het huidige recht wordt aangenomen. Begroting van de schade kan plaats vinden op basis van abstracte, dan wel op die van concrete berekening. In de regel is aan de rechter de keus gelaten welke in het voorliggende geval het meest passend is. Reeds onder het huidige recht zijn normen ontwikkeld voor schadebegroting op basis van abstracte waardering, zoals de marktprijs of de objectieve herstelkosten, ook als herstel plaatsvindt in het eigen bedrijf van de benadeelde. Een voorbeeld van wettelijke abstracte schadebegroting vormt de wettelijke rente van de artikelen 119 en 120; zie ook de artikelen 7:36 tot en met 7:38 voor schadevergoeding op basis van de marktprijs bij koop. Element in een concrete waardering der schade is bijvoorbeeld, welke schade is toegebracht in de functie die het beschadigde object vervulde (zie bijvoorbeeld HR 20-9-1985, NJ 1986, 211, Meerstoelarrest). Zie voor een geval van concrete schadeberekening HR 18-4-1986, NJ 1986, 567 (produktiecapaciteit ENCI). Bij schade aan een gebouw is het uitgangspunt dat de benadeelde aanspraak heeft op herstel, indien dat verantwoord is, ook als de kosten daarvan de waardevermindering overtreffen, tenzij dat in de gegeven omstandigheden niet redelijk zou zijn (HR 1-7-1993, NJ 1995, 43 en HR 7-5-2004, NJ 2005, 76). Abstracte berekening van schade leent zich voor vaststelling zodra ze is toegebracht, bij toepassing van de concrete methode is men mede afhankelijk van rekeningen welke nadien worden ingediend. Ook artikel 98 inzake het causaal verband tussen de schadetoebrengende gebeurtenis enerzijds en de schade en haar omvang anderzijds sluit zich aan bij de rechtsontwikkeling gedurende de laatste decennia in literatuur en rechtspraak. Daarbij wordt niet langer vastgehouden aan de voorzienbaarheid als enig criterium, zoals de artikelen 1268 en 1269 van het huidige BW dat voor wanprestatie voorschrijven: het criterium dat artikel 98 stelt, laat de rechter meer ruimte: het wordt wel het "redelijkheidscriterium" genoemd. Indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel - dat wil zeggen behoudens tegenbewijs - gegeven (HR 26-1-1996, NJ 1996, 607; zie reeds HR 16-11-1990, NJ 1991, 55, voor onrechtmatige daad). Over deze zgn. omkeringsregel zie HR 29-11-2002, NJ 2004, 304-305. Causaal verband wordt vereist zowel tussen de gebeurtenis en het ontstaan der schade als tussen de gebeurtenis en de omvang der schade. 2024 -822- No. 164 Als factoren bij de toerekening noemt het ontwerp bij name de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade. Bij de eerste denke men aan het verschil tussen schade door wanprestatie en door onrechtmatige daad, tussen schuld- en risicoaansprakelijkheid en dergelijke. In de rechtspraak komt in het bijzonder ook naar voren het belang van de aard van de geschonden norm: zo brengt de aard van verkeers- en veiligheidsregels mee dat aan de voorzienbaarheid van het gevolg der overtreding - in het bijzonder de omvang der schade - geen zware eisen voor de toerekening worden gesteld. Bij de aard der schade is van belang het onderscheid tussen overlijdens- en letselschade enerzijds en zaak- en vermogensschade anderzijds en voorts de typische schade waarop de wettelijke regels omtrent risico- aansprakelijkheid het oog hebben (vgl. HR 13-6-1975, 509, Amercentrale, en, inzake de aansprakelijkheid voor dieren, HR 24-2-1984, NJ 1984, 415 en HR 29-11-1985, NJ 1987, 291).

  2247. Artikel 99 keert de bewijslast omtrent het causaal verband om, indien de schade door meer dan één gebeurtenis kan zijn veroorzaakt, waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn (zgn. alternatieve causaliteit). Ook deze regel heeft onder het bestaande recht reeds toepassing gevonden in het geruchtmakende DES-dochters- arrest (HR 9-10-1992, NJ 1994, 535). Handelen in groepsverband is hier niet vereist, anders dan in artikel 166 voor aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad, waarin geen disculpatie wordt toegelaten. Evenmin behoeft te worden bewezen dat er causaal verband is tussen de gedraging van de aangesprokene (of voor wat hem wordt toegerekend) en de in concreto geleden schade, noch behoeft komen vast te staan wie tot de kring der aansprakelijke personen behoren. Zie voor een geval van milieuaansprakelijkheid HR 17-1-1997, NJ 1997, 230. De in artikel 100 opgenomen regel omtrent voordeelstoerekening stemt eveneens overeen met de stand van zaken, zoals die onder het geldende recht in rechtspraak en literatuur is ontwikkeld. Een voordeel dat verkregen wordt uit de gebeurtenis die ook de schade heeft veroorzaakt, wordt met die schuld verrekend, voor zover dit - naar het oordeel van de rechter - redelijk is. Staat een voordeel tegenover schadeposten van verschillende aard, dan staat het ter beoordeling van de rechter in hoeverre het redelijk is dat voordeel in rekening te brengen op een of meer van die schadeposten; zo zal het in de regel niet redelijk zijn een uitkering ter dekking van inkomensschade te verrekenen met geleden immateriële schade (vgl. HR 17-12-1976, NJ 1977, 351). Een zodanig voordeel kan bijvoorbeeld bestaan uit de besparing van kosten die anders hadden moeten worden gemaakt. De discussie omtrent de redelijkheid speelt zich in het bijzonder af met betrekking tot verzekeringsuitkeringen. Inzake uitkeringen van schadeverzekering wordt voordeelstoerekening in beginsel toegepast, doch in de regel betekent dit, wegens subrogatie van de verzekeraar, geen verlichting van de last van de aansprakelijke persoon. Daarentegen wordt gewoonlijk aangenomen dat uitkeringen van sommenverzekering, zeker indien vrijwillig gesloten en bekostigd door de benadeelde, in beginsel niet voor verrekening in aanmerking komen; wellicht zal een uitzondering worden gemaakt voor zover de verzekering in het bijzonder met het oog op de dekking van schade is gemaakt. Dit betekent niet dat een sommenverzekering buiten zo'n uitzonderingsgeval bij de schadever- goeding geheel buiten beschouwing blijft. Bij de toepassing van artikel 106 kan zij een factor vormen voor de toekenning van vergoeding van immateriële schade naar billijkheid, voor de toepassing van artikel 108 heeft zij tot gevolg dat de schade door het derven van levensonderhoud vermindert en bij toepassing van artikel 109 kan zij een factor voor de beoordeling van de wenselijkheid van matiging vormen. Over fiscale voor- en nadelen zie HR 19-5-1995, NJ 1995, 531 en HR 19-11-1999, NJ 2000, 70.

  2248. Artikel 101 geeft, in aansluiting op geldend, buitenwettelijk, recht de regels weer die strekken tot vermindering van aansprakelijkheid, indien de schade mede is veroorzaakt door gedragingen die afwijken van hetgeen een redelijk mens behoort te doen en die aan de benadeelde worden toegerekend. Dit betreft in de eerste plaats diens "eigen schuld"- de term waaronder het onderwerp veelal in de literatuur bekend staat, onder andere bij het nalaten van maatregelen ter voorkoming of vermindering van de schade, maar ook onder omstandigheden zijn gedragingen waaraan schuld, in de zin van verwijtbaarheid, ontbreekt (zie artikelen 162 lid 3 en artikel 165) en eveneens gebeurtenissen waarvoor hij risicoaansprakelijkheid draagt (zie in het bijzonder de artikelen 76, 77 en 169 tot en met 184). Zelfs daarbuiten is toerekening niet uitgesloten; zie HR 20-3-1959, NJ 1959, 81 (toerekening 2024 -823- No. 164 van gedragingen van echtgenote), alsmede de uitbreiding in artikel 101 lid 2. Aan een (minderjarig) kind kan niet een fout van zijn ouders worden toegerekend (HR 31-5-1985, NJ1986, 690). In beginsel geschiedt de toerekening naar de verhouding van de causaliteit van de gebeurtenissen - niet van de schuld daaraan - die voor rekening van de aansprakelijke persoon enerzijds en van de benadeelde zelf anderzijds komen, maar op grond van het slot van lid 1 is afwijking - bijvoorbeeld toerekening naar de mate van schuld – mogelijk (HR 2-6-1995, NJ 1997, 700 en HR 5-12-1997, NJ 1998, 400). Aan het oordeel, dat veelal op intuïtief inzicht berust, kunnen slechts beperkte motiveringseisen worden gesteld (HR 31-12-1993, NJ 1994, 275). Ook onder het huidige recht is hiervan gebruik gemaakt, bij groot verschil in de ernst van de gemaakte fouten, maar in het bijzonder ook ten gunste van jonge kinderen en bij verkeersongevallen ook van voetgangers en fietsers en ten nadele van bestuurders van motorrijtuigen (zie onder meer HR 30-6-1978, NJ 1978, 685, HR 28-2-1992, NJ 1993, 566 en HR 24-12-1993, NJ 1995, 236). De overwegingen die hieraan ten grondslag liggen, verliezen echter aan gewicht, indien de schade van het slachtoffer ten laste van een verzekeraar is gekomen; dan geldt weer de hoofd- regel van artikel 101 lid 1 (HR 2-6-1995, NJ1997, 700-702). De consequentie, hieruit getrokken, is dat dan ook de schade die omgekeerd de benadeelde in zulke gevallen aan de aansprakelijke persoon toebrengt, ten laste van deze laatste blijft (zgn. reflexwerking: HR 6-2-1987, NJ 1988, 57). Lid 2 veronderstelt het geval van schade, door A toegebracht aan een zaak van B, die door deze voor C werd gehouden, terwijl de schade mede aan een gedraging van deze laatste kan worden toegerekend. In dit geval komt C's gedrag voor de toepassing van artikel 101 voor rekening van B.

  2249. Artikel 102 is reeds bij afdeling 6.1.2 inzake de hoofdelijkheid ter sprake gekomen. De tweede zin specificeert de norm voor de onderlinge bijdrageplicht van artikel 10 tot de regels die artikel 101 geeft voor de "eigen schuld", indien ook deze bij het veroorzaken der schade een rol heeft gespeeld. Voor wettelijke afwijkingen zie artikel 165 lid 2, artikel 166 lid 2 en artikel 170 lid 3. Voor een geval van samenlopende oorzaken zie HR 24-12-1999, NJ 2000, 351. Lid 2 regelt de combinatie van hoofdelijke aansprakelijkheid van twee of meer personen met eigen schuld van de benadeelde. De laatste kán dan elk van de aansprakelijke personen - onafhankelijk van de mate van aansprake- lijkheid van de ander(en) - aanspreken volgens de norm van artikel 101, met uiteraard de beperking dat hij in totaal niet meer vergoeding kan krijgen dan bij toepassing van artikel 101. Ter verduidelijking het volgende voorbeeld. A heeft een schade van 4800 geleden, voor 1/8 door eigen schuld, voor 3/8 door B en voor de helft (4/8) door C veroorzaakt. Uiteindelijk moet A derhalve zelf 600 dragen en moet de schade voor het overige voor rekening van B en C in de verhouding 3:4 komen. Als A nu eerst B aanspreekt, kan deze zich op A's eigen schuld beroepen, zodat tegenover hem het schadebedrag van 4800 in de verhouding 1:3 moet worden verdeeld: voor B's rekening komt dan 3/4, d.i. 3600, voor A's eigen rekening 1200. Alsdan kan A nog 600 van C vorderen. De totale, voor rekening van B en C gezamenlijk te vergoeden schade bedraagt dan 4200, door hen te delen in de verhouding 3:4, d.i. 1800:2400. B, die reeds 3600 aan A heeft betaald, kan nu in een regresprocedure C tot het betalen van een bijdrage van 1800 nopen, waardoor de juiste verhouding tenslotte wordt bereikt. Als A eerst C zou hebben aangesproken, was de onderlinge verhouding 1:4 geweest: 4/5 van 4800, 3840, was voor rekening van C gekomen, A had zelf 960 moeten dragen. De 360 die boven zijn aandeel in de schade uitgaan, had hij nog van B kunnen opeisen. C zou tenslotte voor 1440 regres op B hebben. Vermeden wordt aldus dat in de eerste procedure ook zou moeten worden beslist over de verhouding tussen de benadeelde en de andere aansprakelijke personen die niet in het geding zijn betrokken. Deze verhoudingen komen dan in eventuele vervolg- en regresprocedures aan de orde, terwijl in een omslagprocedure wegens insolvabiliteit van een der aansprakelijke personen de anderen de benadeelde zelf kunnen betrekken (lid 2, tweede zin). 2024 -824- No. 164

  2250. Artikel 103 stelt als hoofdregel voorop dat schadevergoeding in de vorm van geld wordt uitgekeerd. De bena- deelde kan echter schadevergoeding in andere vorm vorderen en de rechter is, bij wege van discretionaire bevoegdheid, dan vrij om deze vordering al dan niet toe te wijzen. Vergoeding in natura kan bestaan in allerlei vorm (zie HR 28-6-1974, NJ 1974, 400, Kamsteeg), onder andere in het verrichten van feitelijke handelingen, zoals herstel of vervanging, maar ook in het verrichten van rechtshandelingen; in die zin onder het huidige recht reeds HR 17-11-1967, NJ1968, 42 (Pos-van den Bos).

  2251. Artikel 104 geeft aan de wijze van schadevergoeding van artikel 70 lid 4, van de Nederlandse Rijksoctrooiwet 1995 een ruimere toepassing. De daar bedoelde afdracht van onrechtmatig genoten winst kan nu ter zake van elke onrechtmatige daad en wanprestatie - doch niet daarbuiten - worden gevorderd - de "des bewustheid" van artikel 70 lid 3, van de Rijksoctrooiwet 1995 is geen vereiste - en de rechter kan deze vordering toewijzen, als hij een zodanige schadevergoeding een passende sanctie acht. Bij onrechtmatige daad denke men in het bijzonder aan schending van absolute rechten, ongeoorloofde mededinging en publicaties in "roddelbladen", bij wanprestatie aan schending van concurrentiebedingen. Indien in het geheel geen schade is geleden, is voor toepassing geen plaats (HR 24-12-1993, NJ 1995, 421). Ook toekomstige schade kan voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel 105 regelt, in aansluiting op het geldende recht, welke vrijheid de rechter hier heeft. Op de begroting van de schade zelf is artikel 97 van toepassing. Begroot de rechter de schade voordat deze is ingetreden, dan heeft hij de keuze tussen een veroordeling tot het betalen van een bedrag ineens en een tot betaling van periodiek uit te keren bedragen. Bij het verdisconteren van goede en kwade kansen komt het aan op de redelijke verwachtingen van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen (HR 15-5-1998, NJ 1998, 624). Onder het huidige recht is onzeker, of, naast de gevallen van letsel (artikel 1392), belediging (1393 en 1396 BW) en enkele andere bij de wet geregelde gevallen zoals artikel 1614x BW, vergoeding voor immateriële schade (smartegeld) gevorderd kan worden; zie de terughoudendheid in HR 14-11-1958, NJ 1959, 15 en HR 4-2-1983, NJ 1984, 631. Artikel 106 noemt thans uitdrukkelijk de gevallen waarin de vordering van smartegeld kan worden ingesteld; de opsomming is limitatief, behoudens een wettelijke aanvulling. Het bedrag van smartegeld wordt naar billijkheid vastgesteld: met alle relevante omstandigheden, zoals de mate van schuld en de wederzijdse economische verhoudingen moet rekening worden gehouden; zie voorts HR 8-7-1992, NJ 1992, 714. Onderdeel a behelst een verruiming ten opzichte van de artikelen van het huidige wetboek. Onderdeel b is ruimer dan hetgeen thans de artikelen 1392 en 1393 BW omvatten - ook aantasting van de persoonlijkheid op andere wijze dan letsel en belediging komt daarvoor in aanmerking, zoals vrijheidsberoving en inbreuken op de persoonlijke levenssfeer; vgl. reeds HR 30-10-1987, NJ 1988, 277. Daaronder wordt echter niet gerekend het verdriet om het overlijden of letsel van een ander, tenzij wellicht in een bijzonder geval van "shockschade" ten gevolge van de schrik die bij het meemaken van een daartoe leidend ongeval kan worden ervaren (HR 8-4-1983, NJ 1984, 717 en HR 22-2-2002, NJ2002, 240). Onderdeel c preciseert enigermate het tegenwoordige artikel 1396 BW. Over een staat van bewusteloosheid zie HR 20-9-2002, NJ 2004, 112.

  2252. Artikel 107 vervangt artikel 1392 van het BW, doch geldt nu ook buiten onrechtmatige daad en betreft zowel de vermogensschade, inclusief bijvoorbeeld kosten van revalidatie en inkomensschade, als de immateriële schade die het gevolg van letsel zijn. Onderdeel a van lid 1 ziet op zgn. "verplaatste schade", dat wil zeggen schade die door de gekwetste wordt geleden, doch door anderen die tot hem in een nauwe betrekking staan, wordt gedragen - men denke bijvoorbeeld aan ziekenhuiskosten die de ouders van het gekwetste kind dragen, maar ook aan kosten als huishoudelijke hulp, door een huisgenoot geleverd, en kosten van bezoek door nauwe relaties. Zie HR 28-5-1999, NJ 1999, 564. Erbuiten valt de uitkering waartoe een schadeverzekeraar is verplicht; deze zal in de regel worden gesubrogeerd. Eveneens valt erbuiten het loon tot doorbetaling waarvan de werkgever is verplicht; zie daarom- trent artikel 107a. Onderdeel b van lid 1, in verbinding met de leden 2 en 3 van dit artikel 107 (verwonding) alsmede artikel 108 (dood) verbeteren de positie van naasten van personen die ernstig letsel lijden of overlijden 2024 -825- No. 164 door toedoen van een ander. Voorgesteld wordt een regeling voor de vergoeding van affectieschade. Vergoeding van affectieschade is een vorm van smartengeld voor naasten: het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, maar in leed dat men ondervindt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. Een ongeval is niet slechts een aangrijpende gebeurtenis in het leven van betrokkene. Het wijzigt ook, in de gevallen waarop dit voorstel ziet voor altijd, het leven van diens naasten. Ernstig en blijvend letsel of het overlijden van een naaste wordt ook door de verwanten als een groot verlies ervaren. Verlies waarvoor die naasten eerst en vooral erkenning willen. Ook hun is iets overkomen; ook hun is iets aangedaan. Bij de vormgeving van het voorstel geldt als belangrijk uitgangspunt dat zo veel mogelijk vermeden moet worden dat de vaststelling van de vergoeding van affectieschade leidt tot langdurige en pijnlijke discussies over de intensiteit van het leed. In een stelsel waarbij per geval de omvang van de vergoeding moet worden vastgesteld, zijn de kosten van afwikkeling bovendien omvangrijker. Deze zogenoemde transactiekosten kunnen een drempel vormen voor de mate waarin mensen die recht hebben op een vergoeding, deze vorderen. Een wettelijk systeem met een vaste kring van gerechtigden en vaste bij staatsbesluit vastgestelde bedragen als vergoeding beperkt de transactiekosten tot een minimum en kan veel procedures voorkomen. De in artikel 107 bedoelde derde heeft een eigen vordering, maar de aansprakelijke persoon kan tegen hem hetzelfde verweer voeren als tegen de gekwetste zelf (lid 5).

  2253. Artikel 107a regelt de positie van de werkgever - in ruime zin - die tijdens ziekte of andere arbeidsongeschikt- heid, daartoe verplicht aan zijn gekwetste ondergeschikte het loon doorbetaalt. Hierbij valt zowel te denken aan artikel 7:629 voor de arbeidsovereenkomst, als aan een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Het doorbetaalde loon heeft twee aspecten. In de eerste plaatst vermindert het de schade van de gekwetste, anderzijds wordt (een deel van de) schade afgewenteld op de werkgever. Lid 1 van artikel 107a behandelt het eerste aspect, in de leden 2 en 3 gaat het om het tweede. Het artikel heeft slechts betrekking op doorbetaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid, waartoe de werkgever verplicht is. Voor zover hij dat onverplicht doet, vermindert dit uiteraard ook de schade van de benadeelde, doch de werkgever heeft dan geen wettelijk recht op schadevergoeding; om niettemin vergoeding te ontvangen, kan hij een van de, in de toelichting op artikel 107 bedoelde, constructies bezigen. Lid 2 schept voor de werkgever een zelfstandig, zij het mede van de rechtspositie van de gekwetste afhankelijk recht op schadevergoeding. Enerzijds behoeft hij niet te bewijzen dat het veroorzaken van het letsel van de benadeelde werknemer ook jegens hem onrechtmatig is, anderzijds betreft zijn recht slechts zijn "loonschade" - bedrijfsschade die hij lijdt door het uitvallen van zijn ondergeschikte, komt niet voor deze vergoeding in aanmerking: aansprakelijkheid jegens de gekwetste brengt van rechtswege aansprakelijkheid jegens de werkgever mee, doch slechts voor het verplicht doorbetaalde loon. De vergoeding waarop de werkgever recht heeft, heeft twee grenzen: het bedrag van het door hem betaalde loon en het aan schadevergoeding jegens de gekwetste verschuldigde bedrag, vermeerderd met het loonbedrag doch verminderd met het aan de gekwetste in feite verschuldigde bedrag. De betekenis van de laatste grens komt uit in de gevallen waarin de aansprakelijke persoon slechts beperkt jegens de gekwetste aansprakelijk is, zoals op grond van diens eigen schuld (artikel 101). Bijvoorbeeld de totale schade van de gekwetste bedraagt 80, te vermeerderen met diens fictieve loonschade, het door de werkgever doorbetaalde loon 20, tezamen 100, die door de aansprakelijke persoon slechts voor de helft moet worden vergoed. De werkgever heeft dan ook slechts aanspraak op de helft van het doorbetaalde loon: 1/2 x 100 – 1/2 x 80 = 10. Lid 3 stelt een mede-ondergeschikte van dezelfde werkgever als die van de gekwetste, vrij van aansprakelijkheid jegens de werkgever, behalve in het geval dat hij het letsel opzettelijk of in bewuste roekeloosheid heeft toegebracht. De bepaling past in de lijn van de jurisprudentie waarin verhaal van de werkgever op zijn werknemers voor door hem begane fouten wordt uitgesloten, tenzij hem ernstig verwijt treft (HR 26-6-1959, NJ 1959, 551, HR 4-2-1983, NJ 1983, 543 en HR 3-4-1987, NJ 1987, 606; vgl. artikel 170). 2024 -826- No. 164 In het Nederlandse BW is een artikel 107a van dezelfde strekking ingevoegd bij wet van 21 december 1995, Stb. 691 naar aanleiding van een herziening van de daar geldende Ziektewet, als gevolg waarvan de werkgever met loondoorbetaling gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid is belast. Verwijzingen naar de Nederlandse wetgeving zijn in het ontwerp uiteraard achterwege gelaten, terwijl een enkele verbetering en verduidelijking is aangebracht. Daardoor heeft artikel 107a in het ontwerp enerzijds een ruimere reikwijdte dan in de Nederlandse wet; anderzijds legt artikel 1614c BW hier te lande op de werkgever slechts een beperkte loondoorbetalingsverplichting, in tegenstelling tot de, tevoren daarmee equivalente, Nederlandse bepaling.

  2254. Artikel 108 (affectieschade na overlijden) is reeds hiervóór bij artikel 107 toegelicht. Bij staatsbesluit worden per geval forfaitaire bedragen vastgesteld.

  2255. Artikel 109 geeft algemene regels omtrent matiging van wettelijke schadevergoeding waartoe de rechter, uit hoofde van hem toekomende bevoegdheid die het artikel hem verleent, kan besluiten. Het criterium daarvoor is dat volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Onder die omstandigheden rekent de wet, enumeratief, de aard der aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande verhouding en hun beider draagkracht. Voor het eerste zij verwezen naar de aantekeningen bij artikel 98, waarin het begrip "de aard van de aansprakelijkheid" ook reeds voorkomt. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan het onderscheid tussen schuld- en risicoaansprakelijkheid. Voor toetsing aan de verhouding tussen partijen kan bijvoorbeeld van belang zijn of de schade door onrechtmatige daad wordt toegebracht, dan wel bij de uitvoering van een overeenkomst, bijvoorbeeld met een bedrijf, wordt veroorzaakt. Dat de schade is ontstaan bij kosteloze dienstverlening door de aansprakelijke personen, kan een reden tot matiging zijn (zie reeds HR 3-12- 1971, NJ 1972, 144). Voor de draagkracht van beide partijen zie reeds de rechtspraak op de wederzijdse stand en fortuin, een begrip, gebezigd in de artikelen 1391 en 1392 van het huidige BW. Andere omstandigheden die van belang kunnen zijn, zijn bijvoorbeeld de mate van schuld bij de aansprakelijke persoon, de mogelijke omstandigheid dat de aansprakelijke persoon bij het werken in zijn dienstverband een fout maakte (zie in verband hiermee ook artikel 257) en de omvang van de schade die de aansprakelijke persoon zelf lijdt. De invloed van een aansprakelijkheidsverzekering die de aansprakelijke persoon heeft gesloten of had moeten sluiten, wordt in lid 2 uitgewerkt. Lid 3 verklaart lid 1 tot dwingend recht. In het bijzonder risicoaansprakelijkheid voor ernstige ongevallen kan leiden tot onvoorspelbare bedragen van schadevergoeding die niet meer goed zijn te verzekeren. Limitering van zulke bedragen, een vorm van wettelijke matiging, teneinde verzekerbaarheid te bevorderen, kan dan wenselijk zijn. Artikel 110 opent daartoe de mogelijkheid. In het bijzonder in het vervoersrecht met betrekking tot kernenergie-ongevallen gelden daarvoor in internationaal verband reeds regels. Een toepassing is niet de vaststelling van een minimum-bedrag voor een verplichte verzekering, zoals krachtens de wet van 14 augustus 1979, regelende de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen (S.B. 1979, 33) is geschied: de schadevergoeding kan het ver- zekerd bedrag overtreffen - voor matiging van het excedent kan eventueel artikel 109 worden ingeroepen.

  2256. Artikel 110 opent in het algemeen op nationaal niveau de weg tot limitering bij wege van staatsbesluit. Van zo’n delegatie is tot nog toe in Nederland geen gebruik gemaakt. Afdeling 6.1.11 - Verbintenissen tot betaling van een geldsom De afdeling is geheel gewijd aan de bijzondere problematiek van vorderingen en schulden die in geld zijn uitgedrukt, onverschillig of dat hier te lande wettig betaalmiddel is of vreemd geld en of, in het laatste geval, het vreemd geld "effectief" behoort te worden betaald, of, naar een geldende koers, ook in een andere waarde mag of moet worden voldaan. Buiten de afdeling vallen echter transacties waarin geld - munten, bankbiljetten enz. - niet vanwege zijn eigenschap als rekeneenheid en ruilmiddel, maar om bijvoorbeeld zijn zeldzaamheidswaarde of curiositeit wordt verhandeld. 2024 -827- No. 164 De afdeling sluit aan bij afdeling 6.1.6 - en wijkt daarvan ook wel af: vgl. de artikelen 115 tot en met 118 met artikel 41 - terwijl de artikelen 119 en 120 een bijzondere regeling geven ten opzichte van artikel 97. Enige bepalingen geven weer hetgeen volgens het huidige BW reeds krachtens (extensieve interpretatie van) titel 13 van het Derde Boek inzake verbruiklening als geldend recht wordt beschouwd. Voor een belangrijk deel zijn de bepalingen van de afdeling voorts ontleend aan de - overigens niet in werking getreden - verdragen Convention Européenne relative aux obligations en monnaie étrangère (CEME - 1968) en de Convention Européenne relative au lieu de paiement des obligations monétaires (CELP - 1972). De afdeling behelst de artikelenreeksen: a. artikelen 111 tot en met 114: de wijze van betaling; b. artikelen 115 tot en met 118: de plaats van betaling; c. artikelen 119 en 120: de wettelijke rente; d. artikelen 121 tot en met 126: betaling van in vreemd geld uitgedrukte schulden. De bepalingen bevatten regels die niet van dwingend recht zijn.

  2257. Artikel 111 drukt het zgn. nominaliteitsbeginsel uit: het bedrag verandert niet als gevolg van inflatie of deflatie. Aldus reeds artikel 1775 volgens de befaamde uitleg van HR 2-1-1931, NJ 1931, 274 (Mark is Mark). Onbillijk- heden kunnen worden weggenomen door partijen onderling, door het volgen van wellicht in bepaalde branches bestaande gewoonten, door buitengewoon ingrijpen van de wetgever en eventueel door een beroep op de redelijkheid en billijkheid, in het bijzonder door toepassing van artikel 258.

  2258. Artikel 112 erkent een tweede, voor de hand liggend beginsel: het (chartale) geld waarin een schuld wordt betaald, moet gangbaar, courant, zijn in het land in welks geld die betaling geschiedt. Het moet daar voor geldige betaling als muntgeld, muntbiljet of bankbiljet, worden aanvaard. De schuldeiser kan op zulk geld aanspraak maken en kan omgekeerd een betaling daarin niet straffeloos weigeren. Verliest het geld tussen het ontstaan van de verbintenis en de betaling zijn gangbaarheid, in het bijzonder door wettelijke geldhervorming, dan moet na omrekening het bedrag in een wél gangbare geldsoort worden betaald. Het artikel is van regelend recht: zo kan de schuldeiser door toepassing van artikel 116 lid 2, betaling in gangbaar chartaal recht uitsluiten. Redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een groot bedrag slechts in giraal geld kan of moet worden voldaan.

  2259. Artikel 114 lid 1, kent de schuldenaar de bevoegdheid tot girale betaling toe op een daartoe bestemde rekening in het land van betaling. Anders dan bij betaling in gangbaar chartaal geld kan de schuldeiser een girale betaling echter eenzijdig uitsluiten. Men kan zo’n uitsluiting bijvoorbeeld aannemen voor girale betaling van kleine bedragen voor de koop van zaken die contant in de winkel van de schuldeiser worden verkocht. Wordt ondanks uitsluiting toch giraal betaald, dan kan de schuldeiser opnieuw betaling – en eventueel schadevergoeding – verlan- gen (HR 28-2-1997, NJ 1998, 218), maar hij is dan verplicht het giraal betaalde terug te geven, waarbij hij een verklaring van de schuldenaar tot verrekening kan voorkomen. Lid 2 van het artikel geeft een algemene regel over het tijdstip van girale betaling: het tijdstip waarop de bank of giro-instelling het betaalde bedrag overboekt op de rekening van de schuldeiser. Bij overboeking van de rekening van de debiteur bij instelling A naar de rekening van de crediteur bij instelling B, geeft dus de bijschrijving het tijdstip van betaling aan; wél geldt dat door de afschrijving en verdere afwerking door A het bedrag uit het vermogen van de (mogelijk inmiddels gefailleerde) debiteur is geraakt (HR 31-3-1989, NJ 1990, 1). Een geldbedrag tot welks overschrijving een schuldenaar opdracht heeft gegeven, valt zelfs niet meer onder derdenbe- slag onder de schuldenaar (of bank) als de opdracht ten tijde van de beslaglegging niet meer kan worden herroepen, ook al is de overschrijving nog niet voltooid (HR 21-3-1969, NJ 1969, 304). Omgekeerd valt een nog niet op de rekening van de crediteur overgeschreven geldbedrag wel onder het, onder de bank gelegde, derdenbeslag ten laste van de crediteur, omdat hier (evenals bij faillissement) het criterium is, of de bank het bedrag aan deze verschuldigd is (HR 7-6-1929, NJ 1929, 1285). Evenmin pleegt het tijdstip der betaling het tijdstip te zijn dat beslissend is voor de renteberekening ("valutering"). 2024 -828- No. 164 De artikelen 115 tot en met 118, die de plaats van betaling van geldstukken betreffen, zijn ontleend aan de, hierboven genoemde, CELP. Zij gelden ook wanneer overeenkomstig artikel 46 ter betaling van een geldschuld een cheque e.d. wordt aangeboden. Zie voor wettelijke bijzondere bepalingen omtrent de plaats van betaling de artikelen 7:26 lid 2, (koop) en 7:622 (arbeidsovereenkomst) van het BW, 219 (wissels), 247 (orderbriefjes) en 279, leden 3 e.v. (cheques) van het Wetboek van Koophandel en 184 van de Faillissementswet 1935 (faillissementsuitkering).

  2260. Artikel 116 lid 1 geeft, in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 1414 lid 2, BW als algemene regel voor de plaats van betaling van een geldschuld de woonplaats van de schuldeiser aan: een geldschuld is een brengschuld; de regel is een lex specialis naast artikel 41, onderdeel b. Zie voor "de woonplaats" van een natuurlijke en een rechtspersoon de artikelen 10 tot en met 15 van Boek 1 (nieuw). Aanwijzing van een andere plaats van betaling overeenkomstig lid 2 kan onder andere geschieden door aanwijzing van (een betalingsrekening bij) een bank- of giro-instelling. Het artikel geldt mede bij verandering van woonplaats van de schuldeiser ook naar een ander land.

  2261. Artikel 117 biedt de schuldenaar verweer tegen een verplichting tot betaling op een andere plaats dan die hij bij het ontstaan van de verbintenis mocht verwachten, indien zo’n verandering de betaling aanmerkelijk bezwaarlijker zou maken. Zo'n verandering kan het gevolg zijn van uitoefening van de bevoegdheid van artikel 116 lid 2, maar ook van verhuizing van de schuldeiser of van cessie van of subrogatie in de vordering. Het verweermiddel is in zo’n geval een bevoegdheid van de schuldenaar tot opschorting met de daaraan verbonden sancties zoals die welke uit schuldeisersverzuim kunnen voortvloeien.

  2262. Artikel 118 heeft een bijzondere regeling voor de vorderingen uit bedrijf en beroep: de plaats van vestiging in plaats van de woonplaats van de schuldeiser. Verschil met artikel 1:14 is dat hier, voor de betaling van een geldschuld, kantoor of filiaal niet mede als woonplaats gelden, maar daarvoor in de plaats komen. De artikelen 119 en 120 betreffende de wettelijke rente ("moratoire interessen") vervangen de artikelen 1271, 1272 en 1273 van het BW. De strekking - de schade als gevolg van vertraging in de betaling van een geldsom wordt gefixeerd op een krachtens de wet vastgesteld percentage (zie HR 1-2-1985, NJ 1985, 560) - blijft daarbij gelijk: er is hier aanleiding tot een uniforme behandeling, met als uitgangspunt dat de schade bestaat uit de rente die de schuldeiser zelf had moeten betalen, als hij het verschuldigde bedrag bij een bank had moeten lenen. Vragen, wat bijvoorbeeld de individuele schuldeiser met het bedrag, ware het tijdig voldaan, had kunnen doen, worden aldus afgesneden. De belangrijkste wijziging is dat volgens het ontwerp de wettelijke rente begint te lopen vanaf het intreden van het verzuim - zie § 2 van afdeling 6.1.10 - en niet pas vanaf de oproeping of een aanma- ning, zoals volgens het huidige recht. Schuldenaarsverzuim wordt verdrongen door schuldeisersverzuim (artikel 61) en zolang op de vordering derdenbeslag onder de schuldenaar ligt, is deze geen wettelijke rente verschuldigd (HR 31-5-1991, NJ 1992, 261). In het voorgestelde systeem, waarin de rente vanaf het intreden van het verzuim gaat lopen, is er geen ruimte voor het vorderen van "compensatoire interessen", gebaseerd op de schade die de schuldeiser door het missen van het geld in feite heeft geleden doordat hij bijvoorbeeld bij een bank een bedrag heeft moeten lenen, niet alleen over het tijdperk waarover ook moratoire interessen kunnen worden gevorderd (aldus reeds voor het bestaande recht HR 26-3-1993, NJ 1995, 42), maar ook niet die over de periode waarover hij nog geen wettelijke rente kan vorderen. Wel kan naast de wettelijke rente overeenkomstig artikel 125 vergoeding wegens koerswijziging worden gevorderd, evenals vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 96 lid 1. Wil er sprake zijn van vertraging, dan moet de vordering in elk geval opeisbaar zijn. Strekt de vordering tot schadevergoeding, dan is van belang of deze abstract of concreet wordt berekend. Bij abstracte berekening is de vergoeding opeisbaar zodra de schade is gevallen en treedt ook het verzuim van rechtswege terstond in (artikel 83, onderdeel b), bij concrete berekening, zoals bij ziekenhuiskosten, wordt de vordering pas opeisbaar als de rekening bij de benadeelde persoon wordt ingediend. 2024 -829- No. 164 Wel kan wettelijke rente worden toegewezen over een geldsom waarvan de omvang nog niet vaststaat (HR 26-3- 1993, NJ 1995, 42). Een andere wijziging is dat in artikel 119 lid 2 de thans nog geldende beperkingen op de aanspraak op samengestelde interest ("anatocisme", rente op rente) vervallen. In artikel 119 lid 3 wordt bepaald dat een bedongen rente, indien hoger dan de wettelijke, in de plaats van deze laatste blijft doorlopen.

  2263. Artikel 120 regelt de vaststelling van de hoogte der wettelijke rente bij staatsbesluit en het gevolg van een nieuwe vaststelling voor een lopende rente (vgl. artikel 1271 van het huidige BW: “bij wet”). In het overgangsrecht zal worden bepaald dat zolang geen staatsbesluit terzake is genomen, het percentage van de wettelijke rente 12% zal zijn. Bijzondere, van artikel 119 afwijkende, bepalingen zijn te vinden in de artikelen 7:625 BW (arbeidsovereen- komst) en 224, 225 (wissels, die buitenslands zijn uitgegeven of betaalbaar gesteld) en 284 leden 3 en 4 (cheques idem) van het Wetboek van Koophandel. De artikelen 121 tot en met 126 zijn in belangrijke mate ontleend aan de hierboven reeds vermelde CEME. Zij betreffen zgn. eigenlijke valutaschuld, dat wil zeggen de verbintenis die strekt tot voldoening van een geldsom in ander geld dan dat van het land van betaling, in tegenstelling tot de zgn. oneigenlijke valutaschulden die moeten worden voldaan in het geld van het land van betaling, maar die worden berekend op de tegenwaarde van een bedrag in ander geld; problemen die in deze artikelen worden behandeld, spelen bij deze laatste niet of nauwelijks een rol. Volgens HR 17-2-1995, NJ 1995, 423, geven de artikelen 123, 124 en 125 ook het geldende recht weer.

  2264. Artikel 121 lid 1 bepaalt dat ook de schuldenaar van een eigenlijke valutaschuld deze in beginsel mag voldoen in het geld van de plaats van betaling (zonder door de bank berekende provisie voor omruil) - voor de koers waartegen dat kan geschieden - zie de artikelen 124 tot en met 126. Uit de bevoegdheid, die de valutaschuld tot een bijzonder geval van een facultatieve verbintenis maakt, vloeit voort dat hij ook mag verrekenen met een vordering in geld van de plaats van betaling die hij op zijn schuldeiser heeft; deze laatste mag dat pas als blijkt dat de schuldenaar zijn bevoegdheid uit het onderhavige artikel daadwerkelijk wil uitoefenen. Lid 2 geeft de uitzondering op de regel. Zie voor bijzondere gevallen de artikelen 215 en 273 van het Wetboek van Koophandel (wissels en cheques). Tegenover de bevoegdheid die artikel 121 lid 2 de schuldenaar toekent, stelt artikel 122 de bevoegdheid van de schuldeiser om betaling in geld van de plaats van betaling te vorderen - zelfs als de verbintenis tot betaling effectief strekt - doch slechts beperkt tot het in lid 1 omschreven geval. Door de bepaling wordt een beroep op overmacht beperkt.

  2265. Artikel 123 voegt aan het vorige een geval toe waarin de schuldeiser de keuze heeft tussen betaling effectief en in hier te lande gangbaar geld (lid 1) en het geval waarin hij bij executie hier te lande het verschuldigde in hier gangbaar geld kan opeisen (lid 2). Het artikel ontneemt overigens de schuldenaar niet de bevoegdheid die artikel 121 hem toekent. De artikelen 124, 125 en 126 houden zich in het bijzonder bezig met de koers van omrekening en wijzigingen daarin. De verwijzing in artikel 124 naar afdeling 6.1.9 heeft betrekking op de omzetting volgens artikel 87 van het recht op nakoming in een vordering tot (vervangende) schadevergoeding en wel in de valuta waarin de schade het best kan worden uitgedrukt of vergoed.

  2266. Artikel 125 opent de mogelijkheid om schade door koerswijziging tijdens verzuim te verhalen naast de vertragingsschade van artikel 119 - aldus reeds HR 8-12-1972, NJ 1973, 377. Of schade is geleden en tot welk bedrag en of ze toerekenbaar is aan de schuldenaar, moet overeenkomstig de afdelingen 6.1.9 en 6.1.10 worden beoordeeld. 2024 -830- No. 164 Lid 2 sluit vergoeding van zulke schade echter uit, als de verbintenis buiten de rechtssfeer hier te lande ligt.

  2267. Artikel 126 wijst als de koers van vreemd geld voor valutaschulden aan de aankoopkoers waartegen dat geld bij een bank op de plaats van betaling verkrijgbaar is. Afdeling 6.1.12 - Verrekening Algemeen De afdeling vervangt de artikelen 1446 tot en met 1456 - titel 4, afdeling 4 - van het huidige Derde Boek van het BW. Het opschrift van die afdeling luidt "Van compensatie of vergelijking van schuld", in het nieuwe BW wordt het verschijnsel betiteld als: verrekening. Verrekening waardoor wederzijdse vorderingen tenietgaan, is een voor de hand liggende praktische afwikkeling van schulden die over en weer tussen partijen bestaan: "men betaalt met gesloten beurzen". Als zodanig heeft zij veel met (het effect van) wederzijdse betaling gemeen. Anderzijds schept de bevoegdheid tot verrekening ook een waarborg van voldoening van een schuld: ze geschiedt onafhankelijk van de gegoedheid of de goede wil van de schuldenaar. Zie in dit verband mede artikel 79. Bijzonder belang heeft de verrekeningsbevoegdheid dan ook in faillissement en surséance van betaling, waarvoor bijzondere, van afdeling 6.1.12 afwijkende bepalingen voorkomen; zie de artikelen 49 tot en met 52 en 224 en 225 van de Faillissementswet 1935, die enerzijds de mogelijkheden tot verrekening verruimen, anderzijds die beperken ter voorkoming van misbruik. De bepalingen bevatten regelend recht; zo behouden bijvoorbeeld banken zich de bevoegdheid tot verrekening voor, ook in gevallen waarin niet ten volle aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan; zie echter voor algemene voorwaarden artikel 237, onderdeel g (vermoeden van onredelijk bezwarende algemene voorwaarde) en ook artikel 236, onderdeel f. Zie voorts de beperking van verrekening met een loonschuld artikel 7:632.

  2268. Artikel 127 lid 1 beslist een vraag die lang wegens onduidelijkheid der huidige wet onbeantwoord is gebleven: verrekening werkt volgens het ontwerp niet van rechtswege, doch treedt slechts in als daarop door een der partijen een beroep wordt gedaan, tenzij artikel 140 (rekening-courant enz.) van toepassing is. Het gevolg van de verklaring is dat de wederzijdse vorderingen tot hun gezamenlijk beloop tenietgaan. De verklaring - zie voor haar werking artikel 3:37 - moet worden gericht tot de schuldeiser, ook als het geval van artikel 130 lid 1 zich voordoet en de schuldeiser niet zelf tevens de schuldenaar van de tegenoverstaande verbintenis is. Lid 2 - beperkt door lid 3 - stelt, in een enkel opzicht enigszins afwijkend van het huidige recht, de vereisten voor de bevoegdheid tot verrekening: a. partijen zijn over en weer schuldeiser en schuldenaar Verrekening is uitgesloten, indien een partij haar vordering en schuld niet in dezelfde hoedanigheid heeft: bijvoorbeeld een privé-schuld tegenover een vordering als voogd. Pandhouder en vruchtgebruiker zijn, evenals een vertegenwoordiger, als zodanig geen schuldeiser ook al zijn ze tot inning bevoegd. Afscheiding van vermogen, zoals in lid 3 bedoeld, kan worden veroorzaakt door bewind of door aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving. b. de prestatie waarop zij recht hebben, beantwoordt aan hun schuld. Verrekening vindt praktisch steeds tussen geldvorderingen plaats. Zie de artikelen 121, 122 en 123 voor de vraag of een valutavordering beantwoordt aan een vordering in ander geld. c. de partij die wil verrekenen, moet bevoegd zijn tot betaling van haar schuld Aan dit vereiste is ook voldaan, als de schuld weliswaar nog niet voor onmiddellijke vereffening vatbaar is, bijvoorbeeld omdat ze nog niet opeisbaar is. d. zij moet bovendien bevoegd zijn tot het afdwingen van de nakoming van haar vordering. Betaling van een vordering is in elk geval niet afdwingbaar, zolang de vordering niet opeisbaar is. Ook als zij opeisbaar is, kan de nakoming voor de schuldeiser niet afdwingbaar zijn in een geval als bedoeld in artikel 33. Zie voor uitzonderingen de artikelen 79 en 131. 2024 -831- No. 164

  2269. Artikel 128 stelt enige nadere vereisten omtrent de verrekening van een vordering aan order of toonder.

  2270. Artikel 129 lid 1, doet de verrekeningsverklaring terugwerken tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan en verleent haar daardoor in dat opzicht het effect van een verrekening die van rechtswege werkt (zie bij artikel 127); vaak wordt de verklaring in de praktijk pas achteraf afgelegd. De leden 2 en 3 geven uitzonderingen op de regel van lid 1. Lid 2 beperkt de terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop, na het ontstaan van de bevoegdheid, de termijn eindigt, waarover op een of beide schulden nog rente is betaald. Lid 3 zondert van de terugwerkende kracht uit het effect daarvan op de koersberekening van artikel 124: deze is niet die van de dag van het ontstaan van de verrekeningsbevoegdheid doch die van de dag van het afleggen der verklaring. De artikelen 130 en 131 breiden de bevoegdheid tot verrekening uit over een aantal gevallen waarin niet aan de vereisten van artikel 127 lid 2 is voldaan. Ook de artikelen 49 en 224 van de Faillissementswet 1935 bevatten, naast beperking, ook uitbreiding van de bevoegdheid tot verrekening, met name indien niet aan het vereiste van opeisbaarheid is voldaan.

  2271. Artikel 130 regelt de bevoegdheid tot verrekening van een schuldenaar, als de bevoegdheid van de schuldeiser tot inning in andere handen is overgegaan of door beslag is geblokkeerd, de materie die thans in de artikelen 1448 en 1451 van het BW is geregeld. Het artikel onderscheidt tweeërlei situatie: a. overgang van de vordering van de oorspronkelijke schuldeiser op een andere door cessie, subrogatie, contractsoverneming, overgang van een kwalitatief recht (lid 1); b. beslag, vestiging van vruchtgebruik (artikel 3:210) of pand (artikelen 3:236 en 3:246) (lid 2). Hoewel in deze gevallen aan de vereisten van artikel 127 lid 2, niet langer is voldaan, is de schuldenaar dan in een tweetal gevallen niettemin tot verrekening bevoegd: (1) indien de bevoegdheid tot verrekening reeds vóór de overgang enz. bestond; (2) indien de tegenvordering van de schuldenaar, hoewel pas later ontstaan, voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als zijn schuld, bijvoorbeeld door ontbinding van de overeenkomst die een vordering tot schadevergoeding tot gevolg heeft. Met name dit laatste is een uitbreiding van de verrekeningsbevoegdheid onder het bestaande recht. Vgl. in dit verband ook HR 31-1-1992, NJ 1992, 686, inzake verrekening van een schuld met een vordering uit een natuurlijke verbintenis krachtens dezelfde rechtsverhouding. Beslag op de vordering zal de schuldeiser van een hem eventueel toekomende bevoegdheid tot verrekening beroven: hij kan betaling van zijn vordering niet langer afdwingen. Lid 3 onthoudt de toepasselijkheid van de leden 1 en 2 aan overdracht en dergelijke van order- en toonder- vorderingen. Een contractueel beding tot uitbreiding van de verrekeningsbevoegdheid is ook geldig ten opzichte van de derde (HR 30-1-1984, NJ 1984, 512). Zie voorts artikel 236, onderdeel f, voor algemene voorwaarden, mede met betrekking tot de verrekeningsbevoegdheid. Ook artikel 131 breidt de bevoegdheid tot verrekening uit tot gevallen, waarin niet aan de vereisten van artikel 127 lid 2, is voldaan. Het noemt daartoe een tweetal gevallen: (a) de tegenvordering van de schuldenaar die wil verrekenen, is verjaard (lid 1) en (b) uitstel van betaling, bij wijze van gunst door de schuldeiser verleend (terme de grâce) verhindert deze niet de bevoegdheid uit te oefenen (lid 2). De artikelen 132 en 133 regelen twee gevallen waarin de wederpartij van degene die de verrekeningsverklaring aflegt, daaraan haar werking kan ontnemen. Evenals de oorspronkelijke verrekeningsverklaring heeft ook de ongedaanmaking terugwerkende kracht. Zie ook artikel 137 lid 2 en artikel 138 lid 2.

  2272. Artikel 132 betreft het geval dat de wederpartij een grond had om nakoming van haar verbintenis te weigeren (voor zover althans artikel 79 niet van toepassing is). 2024 -832- No. 164 De wederpartij was bijvoorbeeld bevoegd tot opschorting, of kon de overeenkomst vernietigen of ontbinden. De verklaring tot ongedaanmaking moet onverwijld - dat wil zeggen zonder onnodige vertraging - door haar worden afgelegd nadat zij de verrekeningsverklaring heeft ontvangen en zij tot de ongedaanmaking in staat was geraakt; er moet rekening mee worden gehouden dat het laatste niet altijd onmiddellijk het geval is, bijvoorbeeld als pas later wanprestatie blijkt of dwaling wordt ontdekt.

  2273. Artikel 133 regelt als tweede geval dat van een verrekening die verder terugwerkt, omdat de wederpartij eerder de bevoegdheid tot verrekening kreeg dan degene die de eerste verklaring aflegde, bijvoorbeeld omdat zij, hoewel de vordering op haar niet opeisbaar was, wel tot betaling bevoegd was. Het belang schuilt met name in de verplichting tot betaling van rente en eventueel in toerekening volgens artikel 137; bovendien houdt ten gevolge van de tweede verrekening verzuim eerder op. Over de term "onverwijld" zie bij artikel 132.

  2274. Artikel 134 behandelt het geval waarin een verrekeningsverklaring aan een andersoortige verklaring, namelijk die tot ontbinding van een wederkerige overeenkomst (artikel 267) haar werking ontneemt: de verrekening maakt, met terugwerkende kracht, een einde aan de niet-nakoming die de grond tot ontbinding vormde. Zie ook hier voor het begrip "onverwijld" bij artikel 132.

  2275. Artikel 135 behelst twee gevallen waarin de bevoegdheid tot verrekening door een schuldenaar voor bepaalde vorderingen van zijn wederpartij is uitgesloten. De rubriek in onderdeel a is dezelfde als die welke artikel 54, onderdeel c, van de bevoegdheid tot opschorting uitsluit en die ook reeds in artikel 1450, onderdeel ten 3°, van het huidige BW wordt bedoeld. De rubriek, bedoeld in onderdeel b, geldt slechts schulden tot vergoeding van schade die door de schuldenaar zélf opzettelijk is toegebracht. Uit de wet of haar systeem kan voorts ook in andere gevallen onbevoegdheid worden afgeleid - zie aldus HR 11-4-1924, NJ 1924, 646, voor verrekening van een belastingschuld met een vordering op de overheid; zie echter HR 16-6-1995, NJ 1996, 508, waarin onder meer wordt overwogen dat het publiekrechtelijk karakter van een vordering op de fiscus en de daar tegenover staande schuld van de fiscus aan toepassing van enige bepalingen van de compensatieregeling van het (oude) BW niet in de weg staat.

  2276. Artikel 136 behelst een geval waarin de rechter het beroep op de verrekening afwijst, zulks in aansluiting op het slot van artikel 1448 lid 1 van het huidige BW: het vereiste van de liquiditeit van de vordering. Artikel 136 geeft de rechter hier, anders dan artikel 1448, een discretionaire bevoegdheid, doch niet meer is vereist dan dat naar zijn oordeel de tegenvordering van een gedaagde die zich, bij wijze van verweer, op verrekening beroept, "niet op eenvoudige wijze is vast te stellen" en de vordering van eiser wel voor toewijzing vatbaar is. Aan het eerste vereiste is onder meer voldaan, als de omvang van de vordering van gedaagde nog niet vaststaat (tenzij wél vaststaat dat zij groter is dan zijn schuld) en wanneer die vordering wordt betwist en de beslissing daarop niet eenvoudig is. Evenals artikel 1454 van het BW verklaart artikel 137 de volgorde van toerekening (imputatie) bij betaling van overeenkomstige toepassing op die bij verrekening indien de verrekeningsverklaring zelf niet voldoende duide- lijkheid verschaft, of, in geval van protest van de wederpartij, afwijkt van de regel van artikel 44 lid 1. In lid 2 wordt aan de gehele verrekeningsverklaring haar werking ontnomen, niet slechts de volgorde der toerekening. Voor het vereiste dat het protest "onverwijld" moet worden geuit, zie de toelichting bij artikel 132 op die term.

  2277. Artikel 138 houdt in de eerste plaats in dat verschil in de plaats van betaling in beginsel geen reden is om verrekening te verhinderen op grond dat vordering en schuld niet van elkaar beantwoorden. Voor het uitzonde- ringsgeval geeft het artikel de wederpartij hetzij een schadevergoedingsvordering, hetzij de bevoegdheid tot ongedaanmaking der verrekening; zie voor "onverwijld" de toelichting bij artikel 132. 2024 -833- No. 164 Gaat een schuld door verrekening teniet, dan vervallen ook de zekerheden daarvoor en is bijvoorbeeld de borg bevrijd. Artikel 139 behandelt de positie van de borg in het geval dat de vereisten voor verrekening voor de schuldeiser van de vordering waarvoor hij zich heeft verbonden, zijn vervuld, doch verrekening (nog) niet heeft plaats gevonden; met de borg wordt gelijkgesteld degene wiens goed voor de schuld van een ander is verbonden: de derde-pand- of hypotheekgever en de derde-rechthebbende in de gevallen van artikel 3:284 lid 2, artikel 3:287 lid 2 en artikel 3:292. Al deze mede-verbondenen kunnen dan hun verbintenis opschorten, indien de eigen schuld van de schuldeiser opeisbaar is (lid 1) en bevrijding van hun aansprakelijkheid inroepen, als de schuldeiser zijn bevoegdheid tot verrekening, bijvoorbeeld door betaling van zijn eigen schuld, heeft doen verloren gaan (lid 2). Dit is slechts anders, indien de schuldeiser een redelijke grond daarvoor had of hem geen schuld trof, bijvoorbeeld omdat hij dwaalde omtrent het bestaan van zijn vordering, of verrekende met een andere vordering, die niet door zekerheid was gedekt. Voor de toepasselijkheid van lid 1 is vereist dat de schuld van de schuldenaar opeisbaar is, voor de toepasselijkheid van lid 2 geldt dit vereiste niet.

  2278. Artikel 139 bouwt voort op de gedachten die ook thans aan de artikelen 1451 en 1456 van het BW ten grondslag liggen, maar, behalve dat deze zich tot de positie van de borg beperken, is de nieuwe regeling ook duidelijker en meer genuanceerd. Evenmin als artikel 1451 laat ze toe een beroep van een schuldenaar dat een vordering op een mede-schuldenaar voor verrekening vatbaar is.

  2279. Artikel 140 geeft enkele regels voor de rekening-courant en daarmee verwante rekeningen, zoals beheersrekeningen, waarin wederzijdse geldvorderingen tussen partijen worden opgenomen: doordat zij in één rekening komen, worden zij "dadelijk en van rechtswege" en in volgorde van opneming doorlopend verrekend, zodra ze voor verrekening vatbaar worden, en is te allen tijde slechts het saldo verschuldigd, met de gevolgen daarvan voor rente en beslag en faillissement. Hiermee wordt afgeweken van artikel 127 lid 1 en artikel 137. Het voorgaande betekent niet dat door de opneming in de rekening op zichzelf de vorderingen hun zelfstandigheid verliezen - schuldvernieuwing wordt niet aangenomen, zodat de vorderingen, totdat zij zijn verrekend, hun zelfstandigheid behouden, met de gevolgen voor nevenrechten zoals pand en hypotheek, voor verweermiddelen enz. Dat is voor verjaring en verval anders, wanneer de rekening wordt afgesloten - niet slechts bij opheffing, doch ook jaarlijks - en het saldo wordt vastgesteld: het vastgestelde saldo gaat dan een eigen leven leiden: zie de leden 2 tot en met 4. Voor het overige hangen de voorwaarden voor en de gevolgen van opneming in de rekening in de eerste plaats af van de contractuele verhouding die aan de rekening ten grondslag ligt en die van de bepalingen van afdeling 6.1.12, inclusief artikel 140, kan afwijken. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat ook niet opeisbare vorderingen voor de opneming en verrekening vatbaar zijn.

  2280. Artikel 141 verklaart artikel 48 leden 1 en 2, bepalingen uit afdeling 6.1.6 betreffende nakoming (betaling), inzake het bewijs van de nakoming van overeenkomstige toepassing op verrekening. TITEL 6.2 - OVERGANG VAN VORDERINGEN EN SCHULDEN EN AFSTAND VAN VORDERINGEN Algemeen Titel 6.2 bestaat uit een viertal afdelingen: 6.2.1 Gevolgen van overgang van vorderingen (artikelen 142 tot en met 149) 6.2.2 Subrogatie (artikelen 150 tot en met 154) 6.2.3 Schuld- en contractsoverneming (artikelen 155 tot en met 159) 6.2.4 Afstand en vermenging (artikelen 160 en 161) 2024 -834- No. 164 Van de wijzen van overgang van vordering en schulden worden in deze titel alleen de subrogatie en de schuld- en contractsoverneming behandeld. De overgang van vorderingen en schulden onder algemene titel vindt men in het erfrecht en, tot op zekere hoogte, in het huwelijksgoederenrecht, overdracht en overgang door verjaring in titel 3.4, overgang door toedeling uit een gemeenschap in artikel 3:186, overgang van kwalitatieve vorderingen en schulden in de artikelen 251 en 252, enz. De bepalingen omtrent subrogatie zijn in het huidige wetboek te vinden in de artikelen 1421 tot en met 1424, over schuldvernieuwing in de artikelen 1434 tot en met 1445, over kwijtschelding in de artikelen 1459 tot en met 1464 en over vermenging in de artikelen 1457 en 1458. Afdeling 6.2.1 - Gevolgen van overgang van vorderingen In de afdeling worden een aantal algemene gevolgen van overgang van vorderingen geregeld, die in beginsel gepaard gaan met overgang op iedere wijze.

  2281. Artikel 142 houdt in dat nevenrechten van rechtswege de vordering bij overgang volgen. Nevenrechten zijn ten dele - namelijk voor pand, hypotheek en borgtocht - afhankelijke rechten in de zin van artikel 3:7; zie ook artikel 3:82. Maar er zijn afhankelijke rechten, zoals servituten, die geen nevenrecht zijn, omdat zij niet aan een vordering zijn verbonden, en anderzijds zijn er nevenrechten - zie de overige rechten in de opsomming van artikel 142 - die geen afhankelijk recht zijn, omdat zij geen vermogensrecht zijn. De opsomming in artikel 142 is enuntiatief: tot de nevenrechten behoort bijvoorbeeld ook de bevoegdheid tot het uitbrengen van een keuze bij een alternatieve verbintenis. Geen nevenrechten zijn de rechten op aanvullende en vervangende schadevergoeding en de bevoegdheid tot opzegging en tot vernietiging en ontbinding van een overeenkomst, omdat zij niet slechts de overgaande vordering, maar een gehele rechtsverhouding betreffen. Evenmin het retentierecht, de voorbehouden eigendom en de eigendom tot zekerheid (HR 18-2-1994, NJ 1994, 462): worden zij niet afzonderlijk overgedragen, dan verblijven zij bij de oorspronkelijke schuldeiser. "Nevenrechten" die uitsluitend ten behoeve van de oorspronkelijke schuldeiser zijn bedongen, vallen niet onder artikel 142. Het recht op toekomstige rente kan, als toekomstig goed, overeenkomstig artikel 3:97, afzonderlijk worden overgedragen - zie de toelichting op genoemd artikel.

  2282. Artikel 143 geeft een nadere uitwerking van de overgang van de nevenrechten van vorderingen, bedoeld in artikel 142.

  2283. Artikel 144 veronderstelt het geval dat op een schuldeiser bepaalde verplichtingen rusten, die met de vordering op zijn opvolger overgaan: de voormalige schuldeiser staat dan in voor de nakoming ervan. De bepaling geldt alleen voor cessie, niet voor subrogatie, die zich veelal onafhankelijk van de wil van de oorspronkelijke schuldeiser voltrekt. Evenmin geldt de bepaling voor overgang onder algemene titel en, volgens lid 2, bij overdracht van order- en toondervorderingen.

  2284. Artikel 145 heeft tot strekking dat de schuldenaar door de overgang van de vordering niet wordt benadeeld, evenmin als wanneer slechts de inningsbevoegdheid overgaat op pandhouder of vruchtgebruiker; hij behoudt zijn verweermiddelen die hij - reeds - tegenover de oorspronkelijke schuldeiser had, afgezien van de werking van artikel 3:36. Gelden de verweermiddelen uitsluitend de overgegane vordering, of dienen zij tot verweer in een procedure tussen de nieuwe schuldeiser en de schuldenaar omtrent de vordering - de vraag of de schuld reeds is voldaan, bedingen omtrent bewijsmiddelen en arbitrage, beroep op voorwaarde of tijdsbepaling - dan kan hij die aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen. Eveneens, als de vordering wegens nietigheid niet bestaat. Wil de schuldenaar de gehele rechtsverhouding waaruit de vordering voortspruit, door vernietiging of ontbinding ongedaan maken, dan dient hij zijn verklaring tot de oorspronkelijke schuldeiser te richten, met mededeling aan diens opvolger 2024 -835- No. 164 (artikel 149 lid 2); tegen deze heeft hij dan onder omstandigheden wel een bevoegdheid tot opschorting. Een uitzondering vormt een beroep op een grond tot vernietiging of ontbinding, bij wijze van verweer na de verjaring van de rechtsvordering daartoe - zie artikel 3:51, derde lid, en artikel 268, tweede zin -: deze moet tot de nieuwe schuldeiser worden gericht, met mededeling aan de oorspronkelijke schuldeiser (artikel 149 lid 2). Zie omtrent de bevoegdheid tot verrekening artikel 130. De plaats van betaling van een geldsom verschuift in beginsel naar de woonplaats van de nieuwe schuldeiser: artikelen 116 en 117. Uit de aard van een vordering aan order of toonder volgt dat de regel van artikel 145 slechts beperkt toepassing kan vinden op deze vorderingen. Aldus artikel 146, voor het geval van overdracht overeenkomstig artikel 3:93 (waaronder niet valt afgifte van het papier ter incasso). Onder de openbare registers, bedoeld in lid 2, vallen het register van de burgerlijke stand, het huwelijksgoederenregister, curatelenregister, handelsregister, faillissementregister en surséanceregister

  2285. Artikel 147 sluit zich bij artikel 146 aan voor het geval dat het order- of toonderpapier tegen de wil van de daarin als schuldenaar aangeduide persoon in omloop is gebracht of dat diens handtekening vals is, dan wel het papier vervalst: de verkrijger en diens rechtsopvolgers worden dan beschermd, indien zo'n omstandigheid aan die persoon is toe te rekenen. Ook artikel 148 geeft nog een regel omtrent order- en toondervorderingen: de artikelen 146 en 147 zijn van overeenkomstige toepassing bij vestiging van een beperkt recht (vruchtgebruik of pand) op de vordering.

  2286. Artikel 149, leden 1 en 2, is reeds bij artikel 145 ter sprake gekomen; lid 3 verklaart de leden 1 en 2 eveneens van overeenkomstige toepassing bij vestiging van een beperkt recht. Afdeling 6.2.2 - Subrogatie Subrogatie is, naast cessie, een van de wijzen waarop een vordering onder bijzondere titel op een ander overgaat.

  2287. Artikel 150 geeft de gevallen aan waarin door subrogatie een vordering op een derde overgaat. Zie daarnaast subrogatie van een hoofdelijke (mede)schuldenaar volgens artikel 12, met rechtsgevolgen die ten dele afwijken van die krachtens subrogatie volgens artikel 150. Tenslotte zijn er ook buiten deze reeksen enkele wettelijke gevallen van subrogatie, waarvan die van de schadeverzekeraar krachtens artikel 7:962 de belangrijkste is. Overgang door subrogatie heeft tot gevolg dat de gesubrogeerde derde dezelfde vordering verkrijgt als de oorspronkelijke schuldeiser had. Enerzijds vallen hem de nevenrechten van die vordering toe (artikel 142 - zie echter artikel 151 lid 2), anderzijds behoudt de schuldenaar zijn verweren (artikel 145). In deze opzichten verschilt de subrogatie van de toekenning van een eigen recht van regres aan een derde die de schuld van een ander heeft betaald. Soms lopen overigens beide vormen samen en heeft de derde de keus. De artikelen 151 en 152 gelden slechts voor subrogatie krachtens artikel 150, de artikelen 153 en 154 voor alle gevallen van subrogatie. Voorwaarde voor het intreden van subrogatie volgens artikel 150 is dat een schuld is voldaan ten laste van het vermogen van een ander dan de schuldenaar. De gevallen van subrogatie, in de artikelen 1422 en 1423 van het huidige BW opgenomen, komen slechts ten dele overeen met die van artikel 150. Subrogatie bij overeenkomst, thans in artikel 1423 BW geregeld, wordt in het ontwerp in soepeler vorm ondergebracht in onderdeel d van artikel 150. De gevallen a en b van artikel 150 ver- vangen ten dele het geval van artikel 1423, onderdeel ten 3°, BW, voor het overige vindt dit onderdeel, voor hoofdelijke schuldenaren, zijn plaats in artikel 12. Artikel 150, onderdeel c, vervangt artikel 1423, onderdeel ten 1°, BW. Artikel 1423, onderdeel ten 2°, BW dat resulteert in hypotheek op eigen goed, valt systematisch niet te verdedigen, doet daardoor moeilijk oplosbare vragen rijzen en keert daarom niet terug. Artikel 1423, onderdeel ten 4°, BW zal, in andere opzet, worden vervangen door een erfrechtelijke bepaling. 2024 -836- No. 164 Het in artikel 150, onderdeel a, bedoelde geval doet zich voor, wanneer de schuldeiser verhaal neemt op een goed dat aan een ander dan de schuldenaar toebehoort. Dat doet zich met name voor bij de derde wiens goed door pand of hypotheek voor de schuld is verbonden, waarvoor een retentierecht geldt (artikel 3:291) of waarop krachtens de artikelen 3:284 lid 2 of 3:287 lid 3 een vordering met voorrang kan worden verhaald. Voor de borg zie men artikel 12 jo artikel 7:850 lid 3 en artikel 7:866. Onderdeel b veronderstelt eenzelfde soort recht op verhaal op het goed van de derde, maar deze derde betaalt nu om uitwinning te voorkomen. Onderdeel c verruimt artikel 1423, onderdeel ten 1°, van het huidige BW. Het veronderstelt als eerste mogelijkheid dat de derde een beperkt recht heeft op een goed waarop de schuldeiser verhaal kan nemen en dat recht door het verhaal zou vervallen - men denke bijvoorbeeld aan de tweede hypotheekhouder. Als tweede mogelijkheid wordt genoemd het geval waarin de derde zelf ook een vordering heeft op degene op wiens goed verhaal kan worden genomen, terwijl dat verhaal de voldoening van zijn vordering in gevaar brengt - men denke bijvoorbeeld aan een huurder van het huis waarop verhaal kan worden genomen. Deze tweede mogelijkheid in het bijzonder heeft ruime reikwijdte.

  2288. Artikel 150, onderdeel d, behelst de contractuele subrogatie die eveneens ruim wordt toegelaten. De artikelen 151 en 152, die beide slechts van toepassing zijn bij subrogatie krachtens artikel 150, veronder- stellen medeaansprakelijkheid van anderen naast de schuldenaar.

  2289. Artikel 151 lid 1 sluit de subrogatie van de derde uit voor zover de schuld hem aangaat in zijn verhouding tot de schuldenaar voor wie hij betaalde, met andere woorden voor zover hij zelf "intern draagplichting" is. Krachtens lid 2 heeft de subrogatie, in afwijking van het geldende recht, geen werking jegens andere derden wie de schuld niet aangaat. Deze regel die onderlinge subrogatie van derden-pand-en hypotheekhouders uitsluit, wordt gemotiveerd doordat anders de aangesproken derden op hun beurt weer zouden worden gesubrogeerd. De regeling van artikel 151 lid 2 zou onbillijk zijn, als de gesubrogeerde feitelijk het verhaal op de schuldenaar - of de medeschuldenaar wie de schuld aangaat - zou ontvallen op grond van hun onvermogen: alleen de gesubrogeerde zou met zijn betaling blijven zitten, terwijl er nog andere derde-hypotheekgevers enz. zijn, die krachtens artikel 151 lid 2 in eerste instantie van verhaal zijn bevrijd.

  2290. Artikel 152 trekt dit recht, door de gesubrogeerde een eigen regresrecht jegens deze derden te verlenen in een omslagregeling; de maatstaf voor deze omslag is - uiteraard - niet evenredigheid naar de mate waarin de schuld hun intern aangaat - voor geen van allen geldt immers die grond - maar de mate waarin de schuldeiser op hen verhaal had kunnen nemen.

  2291. Artikel 153 geeft een bijzondere regel voor de overgang van het recht op bedongen rente, in geval van subrogatie, naast artikel 142 lid 2. Volgens artikel 142 verkrijgt de nieuwe schuldeiser in het algemeen zo’n aanspraak voor de nog niet opeisbare rente, maar in het geval van artikel 153 krijgt hij bij subrogatie die aanspraak slechts over het tijdvak na de overgang, ook voor zover de rente over het voorafgaande tijdvak niet opeisbaar is.

  2292. Artikel 154 geeft een algemene strekking aan de regel die in artikel 1869 van het huidige BW (borgtocht) en in het huidige artikel 356, slot, van het Wetboek van Koophandel (verzekering) is bepaald: de oorspronkelijke schuldeiser is aansprakelijk voor alle handelingen waardoor hij de laatste in een slechtere toestand brengt; men denk bijvoorbeeld aan het prijsgeven van rechten, verweermiddelen of bewijsmogelijkheden. In afwijking van artikel 1869 van het huidige BW is de sanctie niet ontslag uit de schuld, doch een recht op vergoeding van de door de gesubrogeerde geleden schade. Afdeling 6.2.3 - Schuld- en contractsoverneming Terwijl de afdelingen 6.2.1 en 6.2.2 de overgang van de vordering regelen, hebben de artikelen 155 tot en met 158 betrekking op de overgang van de schuld en artikel 159 op de overgang van een gehele contractuele verhou- ding, dat wil zeggen van alle vorderingen, bevoegdheden en schulden. 2024 -837- No. 164 De artikelen van de onderhavige afdeling zijn toegesneden op overgang door (de rechtshandeling van) over- neming en gelden dus niet rechtstreeks voor overgang van kwalitatieve verbintenissen - zie artikel 251 lid 2 en artikel 252. De overneming is niet een verbintenisscheppende overeenkomst, zodat daarop artikel 216 en artikel 261 lid 2 van toepassing zijn. Voorts wordt van de overneming, anders dan voor overdracht van een goed (artikel 3:84) niet een geldige titel vereist - zij is een abstracte rechtshandeling. De rechtshandeling die aan de overneming ten grondslag ligt (bijvoorbeeld overgang van de onderneming van de schuldenaar op een ander) heeft in beginsel geen invloed op de overneming - zie artikel 158, waar uit de formulering - "weer op de vorige schuldenaar doen overgaan" - het abstracte karakter van de overneming blijkt. Bij schuldoverneming blijft de identiteit van de schuld zelf in stand; daarin verschilt zij van de - in het nieuwe BW niet meer geregelde - schuldvernieuwing (novatie), die zich tussen dezelfde partijen afspeelt, maar in de systematiek van het nieuwe BW uiteenvalt in afstand van een vordering en het aangaan van een nieuwe verbintenis. Bij de enkele schuldoverneming gaan bevoegdheden die niet aan de schuld zelf zijn verbonden, maar aan de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar, zoals vernietiging en ontbinding, niet mee over op de nieuwe schuldenaar (vgl. de toelichting op artikel 142). Daarmee hangt samen dat schuldoverneming een tweepartijenovereenkomst tussen de oude en de nieuwe schuldenaar is, die de toestemming van de schuldeiser behoeft, wil zij haar werking jegens de schuldeiser hebben (artikel 155) en contractsoverneming een driepar- tijenovereenkomst waarvoor de medewerking van de schuldeiser is vereist (artikel 159). Op de contractsover- neming zijn, behalve bepalingen omtrent schuldoverneming - zie artikel 159 lid 3 - in beginsel ook bepalingen omtrent de overgang van vorderingen van toepassing - behalve uiteraard artikel 149. Voorbeelden van wettelijke contractsovergang bieden artikel 7:226 (huur) en artikel 7:948 (verzekering). Zie tenslotte artikel 3:179 lid 3, dat de bepalingen van afdeling 6.2.3 op de toedeling van een schuld uit een gemeenschap van overeenkomstige toepassing verklaart.

  2293. Artikel 155 Het vereiste voor schuldoverneming is de enkele overeenkomst tussen de oude en de nieuwe schuldenaar. Op het tijdstip van de overeenkomst gaat de schuld over, maar de oude schuldenaar is dan niet van zijn schuld ontslagen, zolang de schuldeiser zijn toestemming niet heeft verleend nadat (beide) partijen hem van de overeenkomst hebben verwittigd. De toestemming kan in elke soort verklaring of gedraging worden gegeven. In het systeem van het ontwerp kan zo'n toestemming ook bij voorbaat zijn verleend (zie artikel 156). Omgekeerd heeft de toestemming geen terugwerkende kracht: aan haar voorafgaande handelingen jegens de oude schuldenaar worden daardoor niet ongedaan gemaakt. De toestemming is uiteraard vereist om te voorkomen dat de schuldeiser een minder solvabele schuldenaar wordt opgedrongen. Derden die een gelijksoortig belang bij de solvabiliteit van de schuldenaar hebben, kunnen de overneming vernietigen op grond van artikel 3:45 (Pauliana). Zie voor pand en hypotheek artikel 157 lid 2 en voor voorrechten artikel 157 lid 3; vgl. voor vruchtgebruik artikel 3:207 lid 2, tweede zin. De nieuwe schuldenaar kan jegens de schuldeiser een beroep doen op de verweermiddelen, die aan de schuld zelf zijn gehecht, bijvoorbeeld een voorwaarde, tijdsbepaling of opschortingsrecht, doch niet op die welke de gehele rechtsverhouding betreffen, namelijk vernietiging en ontbinding, uiteraard wel op het gevolg daarvan, indien de schuldeiser of de oude schuldenaar van hun bevoegdheden dienaangaande gebruik hebben gemaakt. Ook kan hij zich verweren op grond van gebreken in de (rechtshandeling van) schuldoverneming zelf, doch niet op gebreken in de onderlinge rechtsverhouding tussen de nieuwe en de oude schuldenaar die aan de overneming ten grondslag ligt. 2024 -838- No. 164

  2294. Artikel 156 is reeds bij artikel 155 ter sprake gekomen. Voor toestemming bij voorbaat is schriftelijke kennis- geving door partijen aan de schuldeiser vereist. Zie voor toestemming bij voorbaat krachtens een beding in alge- mene voorwaarden artikel 236, onderdeel e. Ook artikel 157 is voor de leden 2 en 3, reeds bij artikel 155 aangehaald. Lid 1 vormt het spiegelbeeld van artikel 142 lid 1, lid 4 dat van artikel 142 lid 2. Lid 2 leent zich voor analogische toepassing op de in het ontwerp niet geregelde, doch ook niet uitgesloten, eigendom tot zekerheid. De achtergrond van artikel 158 is in de toelichting op artikel 155 eveneens aan de orde gekomen. Voor artikel 159 inzake contractsoverneming zij verwezen naar de algemene opmerkingen bij deze afdeling. Zie wat betreft de medewerking van de wederpartij ook HR 23-4-1999, NJ 1999, 497. Contractsoverneming is een zelfstandige rechtsfiguur naast overgang van vorderingen en schulden (en overdracht van vorderingen): voor haar totstandkoming gelden andere vereisten en bij de overgang gaan ook de uit de overgaande overeenkomst voortvloeiende bevoegdheden, zoals die tot opzegging, ontbinding en vernietiging mee over. Ook wijkt artikel 159 lid 2 af van artikel 142 lid 2 en artikel 157 lid 4. Contractsoverneming is veelal een gevolg van overgang van een gehele onderneming door verkoop of door inbreng in een vennootschap. Zie in dit verband de uitsluiting van de overgang van rechtswege van een concurrentiebeding volgens HR 31-3-1978, NJ 1978, 325. Afdeling 6.2.4 - Afstand en vermenging De afdeling behandelt twee gevallen van tenietgaan van een vorderingsrecht (met de daar tegenover staande schuld). Zie in het huidige BW de artikelen 1457 en 1458 voor vermenging en de artikelen 1459 tot en met 1464 voor "kwijtschelding" van een schuld. Daarnaast behelzen de artikelen 1434 tot en met 1445 nog een afzonderlijke regeling van de rechtsfiguur der schuldvernieuwing; in het systeem van het nieuwe wetboek is dit een voorbeeld van afstand van een vordering onder bezwarende titel, namelijk door het aangaan van een nieuwe overeenkomst.

  2295. Artikel 160 geeft enkele regels over afstand van een vorderingsrecht, waarvoor steeds een overeenkomst, dat wil zeggen wilsovereenstemming, tussen schuldeiser en schuldenaar is vereist. Dat geldt, anders dan onder het huidige recht, ook voor afstand om niet, zij het dat de aanvaarding van het daartoe strekkende aanbod spoedig wordt aangenomen (lid 2; vgl. ook artikel 5 en artikel 253 lid 4). De bepalingen omtrent de totstandkoming van overeenkomsten en rechtshandelingen in het algemeen (afdeling 6.5.2 en titel 3.2) zijn overigens van toepassing. Derden die belang hebben bij het voortbestaan van de vordering, kunnen een beroep doen op artikel 3:45 e.v. (Pauliana; zie voor vruchtgebruik ook artikel 3:207 lid 2, slot).

  2296. Artikel 161 Verbintenisrechtelijke vermenging is een gevolg van overgang van een vordering of een schuld, waardoor één persoon tegelijk schuldeiser en schuldenaar wordt, met op zijn beurt als gevolg dat in beginsel vordering en schuld tenietgaan. Het bekendste geval is vererving van een vordering aan de schuldenaar. Met de zaken- rechtelijke vermenging van artikel 5:15 is er geen enkel verband, wel is er verwantschap met de goederen- rechtelijke vermenging van artikel 3:81 lid 2 onderdeel e, wanneer hoofdrecht en beperkt recht in één hand geraken. De verwantschap komt ook daarin uit dat beide relatieve werking kunnen hebben. Vermenging dient de praktijk: ze behoort geen, of althans niet haar volle werking, te hebben als er een belang tot handhaving van vordering en schuld is. 2024 -839- No. 164 Geen effect heeft de vermenging in de in lid 2 bedoelde gevallen. Bij onderdeel a kan men bijvoorbeeld denken aan de erfgenaam die de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard of voor wie zijn erfdeel onder bewind is gesteld (HR 11-9-1992, NJ 1992, 730). A fortiori is er geen vermenging, als niet de vordering zelf, doch slechts de inningsbevoegdheid in handen komt van de schuldenaar: men denke aan de voogd, bewindvoerder, vruchtgebruiker, pandhouder. Door de regel van onderdeel b kan het waardepapier zonder bezwaar weer in omloop worden gebracht. Terwijl vernietiging van een rechtshandeling terugwerkende kracht heeft, waardoor de vermenging zelf ongedaan wordt gemaakt, mist de vervulling van een (ontbindende) voorwaarde in het nieuwe recht dat effect. Vandaar dat aan de bepaling van onderdeel c behoefte komt te bestaan. Lid 3 ontneemt aan vermenging ten dele haar gevolg: vordering en schuld gaan wel teniet, maar dat heeft geen gevolg ten aanzien van een derde die bij het bestaan van de vordering een belang heeft, in het bijzonder indien deze tot zekerheid aan een pandhouder is verbonden. Te denken valt ook aan voorrechten. Lid 3 leent zich voorts tot analogische toepassing, bijvoorbeeld ten gunste van een beslaglegger; ook onderhuur vervalt niet, als de huurder eigenaar wordt. Anderzijds werkt vermenging niet ten voordele van derden-pand- en hypotheekgevers, die intern wel bijdrageplichtig zijn - zie de artikelen 12, 151 en 152. Een verwant geval biedt bijvoorbeeld HR 3- 12-1982, NJ 1983, 400: boedelmenging door het huwelijk van schuldeiser en schuldenaar heeft niet tot gevolg dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn verplichting wordt ontslagen. TITEL 6.3 - ONRECHTMATIGE DAAD De titel bestaat uit een viertal afdelingen, te weten 6.3.1 (Algemene bepalingen), 6.3.2 (Aansprakelijkheid voor personen en zaken), 6.3.3 (Productenaansprakelijkheid) en 6.3.4 (Misleidende reclame). De titel regelt niet alle vraagstukken die men met de onrechtmatige daad in verband pleegt te brengen. Zo zijn de regels omtrent causali- teit en schadevergoeding te vinden in afdeling 6.1.10. Voor het verband met misbruik van bevoegdheid zie men artikel 3:13, voor dat met hinder de artikelen 5:37 e.v. Titel 6.3 beperkt zich in hoofdzaak tot omschrijving van de gevallen waarin aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad al of niet wordt gevestigd - voor de omschrijving van de vereisten voor de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad zelf steunt het op het huidige recht, zoals dit vooral door de ontwikkeling in de rechtspraak is gevormd, doch naast schuldaansprakelijkheid aanvaardt het ontwerp nu ook risicoaansprakelijkheid - zie bijvoorbeeld de artikelen 162 lid 3, 165 en 167 lid 2 en verschillende van de bepalin- gen van de afdelingen 6.3.2 tot en met 6.3.4, waarin een onrechtmatige gedraging geen element is en dus althans niet behoeft te worden aangetoond.

  2297. Artikel 162 spreekt alleen van de verbintenis tot schadevergoeding als sanctie; daarnaast is er de rectificatie van artikel 167. Maar dit sluit niet uit een bevel of verbod in geval van (dreigende) schade, dat op artikel 3:296 is gebaseerd; zie in dit verband artikel 168. Samenloop van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad met die uit contract blijft, evenals het tegenwoordige recht, mogelijk (zie onder andere HR 19-12-1955, NJ 1956, 157). Onder het nieuwe recht neemt het verschil in gevolgen verder af, niet slechts doordat afdeling 6.1.10 voor beide gemeenschappelijk geldt, maar ook doordat bijvoorbeeld artikel 171 de buiten-contractuele aansprakelijkheid in de richting van artikel 76 uitbreidt en ook overigens in afdeling 6.3.2 de risicoaansprakelijkheid is uitgebreid. Exoneratiebedingen gelden als mede ten aanzien van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad te zijn gemaakt. In de titel is geen regeling gegeven van de bijzondere normen die door een onrechtmatige daad op een bepaald terrein worden geschonden. Dientengevolge ontbreken bepalingen omtrent de onrechtmatige daad door rechts- personen in het algemeen en door de overheid in het bijzonder, alsmede omtrent bijvoorbeeld de onrechtmatige daad in concurrentieverhoudingen, op het gebied van het verkeer, arbeidsongevallen, beroepsfouten en milieuschade. De ontwikkeling is hier door de wet opengelaten en, evenals thans, aan rechtspraak en literatuur overgelaten. 2024 -840- No. 164

  2298. Artikel 162 vormt het uitgangspunt voor de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Deze ontstaat, als schade wordt toegebracht door een onrechtmatige daad die aan derden kan worden toegerekend. De "toerekenbare on- rechtmatige daad" wordt in het vervolg ook "fout" genoemd - zie bijvoorbeeld de artikelen 169 e.v. Afdeling 1 heeft betrekking op de aansprakelijkheid voor eigen fouten, afdeling 2 op de aansprakelijkheid voor fouten en andere gedragingen van anderen en voor schade toegebracht door zaken en stoffen, los van de vraag of deze aan een fout is te wijten, afdeling 3 op de aansprakelijkheid voor (gevolg)schade door gebreken in producten. Afdeling 4 geeft bijzondere regels voor schade door misleidende reclame. Afdeling 6.3.1 - Algemene bepalingen De artikelen 162 en 163 vormen tezamen de grondslag voor de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De artikelen 164 en 165 betreffen een uitwerking van het element der toerekening, artikel 166 stelt personen aansprakelijk voor gedragingen in een groep ook al ontbreekt wellicht het causaal verband tussen een individuele gedraging en de schade.

  2299. Artikel 167 voegt rectificatie toe aan de sancties tegen onrechtmatige daad door misleidende publicatie en artikel 168 onthoudt de sanctie van een verbod - en in lid 2 ook die van schadevergoeding - ter zake van onrechtmatige gedragingen die zwaarwegende maatschappelijke belangen dienen. De artikelen 162 en 163 stellen tezamen de algemene vereisten voor de aansprakelijkheid van de schade wegens onrechtmatige daad. De vereiste elementen zijn: de onrechtmatigheid van de gedraging, de toerekening aan de dader, de schade, het causaal verband tussen daad en schade en het verband tussen de geschonden norm en de schade ("relativiteitsbeginsel" - artikel 163). Van deze elementen hebben de schade en het causaal verband hun behandeling reeds gevonden in de - algemene - regels van afdeling 6.1.10. De artikelen 162 en 163 geven voor de overige elementen in hoofdzaak de stand van zaken weer waartoe de ontwikkeling in rechtspraak en literatuur reeds onder het geldende recht heeft geleid. Zij bieden dezelfde ruimte tot verdere ontwikkeling als het huidige recht. In artikel 162 lid 2 zijn de varianten van onrechtmatigheid - bij ontbreken van een rechtvaardigingsgrond - weergegeven in nauwe aansluiting aan het befaamde arrest HR 31-1-1919, NJ 1919, 161. De daarin gebezigde terminologie "hetgeen indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid" is samengevat in de zinsnede: in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht ...... betaamt. In artikel 162 lid 3 wordt bepaald dat in twee gevallen de daad aan de dader wordt toegerekend, namelijk indien zij te wijten is aan zijn schuld, of indien zij te wijten is "aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt". Het eerste criterium komt ook reeds voor in artikel 1382 van het huidige BW, het tweede is nieuw. Het geheel stemt overeen met de vereisten voor toerekening van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, die artikel 75 stelt (daargelaten de daar opgenomen, maar in artikel 162 niet passende toerekening op grond van een rechtshandeling). Voor toerekening op grond van de wet zie men in het bijzonder artikel 165 (geestelijke of lichamelijke tekortkoming - gedragingen van andere personen voor wie men volgens afdeling 6.3.2 of 6.3.3 medeaansprakelijk is, worden niet volgens artikel 161 lid 2 aan de aansprakelijke persoon toegerekend). Voor toerekening krachtens verkeersopvattingen zij verwezen naar de toelichting op artikel 75. Uitwerking van het relativiteitsbeginsel is, evenals die van het vereiste der onrechtmatigheid, te vinden in de jurisprudentie - zie nog de recente arresten HR 9-2-1990, NJ 1991, 462, HR 24-4-1992, NJ 1993, 643-644 en HR 7-5-2004, NJ 2004, 67. In het eerstgenoemde arrest komt ook ter sprake de verhouding tussen het relativiteits- beginsel en de, daarvan te onderscheiden, vraag, of het aangetaste belang wel behoort tot de, thans door artikel 162, beschermde belangen (zie over deze, niet in de wet zelf geregelde kwestie, voorts onder andere HR 9-11- 1973, NJ 1974, 91). Voor de concrete betekenis van deze elementen, voor zover zij geen nieuw recht brengen, worde hier volstaan met een verwijzing naar rechtspraak en literatuur. 2024 -841- No. 164 De artikelen 164 en 165 snijden een vraag van de mogelijkheid van toerekening af en wel die of gedragingen van jonge kinderen - beneden veertien jaar - en van personen met een lichamelijke of geestelijke tekortkoming hun, indien zij voldoen aan het vereiste van artikel 162 lid 2, als onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend.

  2300. Artikel 164 beantwoordt deze vraag voor de kinderen negatief, artikel 165 voor personen met een tekortkoming in beginsel positief. Op het ontbreken van aansprakelijkheid volgens artikel 164 stelt artikel 169 lid 1 het complement: aansprakelijkheid van ouders en voogd. Artikel 164 objectiveert aldus ten gunste van de kinderen de criteria voor hun aansprakelijkheid, zoals ontwikkeld door de Hoge Raad sinds het arrest 9-12-1966, NJ 1967, 69. Ook artikel 165 lid 1 beslecht een punt dat sinds lang in discussie is geweest, ook al werd in de rechtspraak de aansprakelijkheid ontkend op grond van het ontbreken van het in artikel 1386 van het huidige BW neergelegde vereiste van schuld (HR 9-12-1960, NJ 1963, 1). Het artikel stelt de betrokken persoon wel aansprakelijk voor "een als doen te beschouwen gedraging" die onrechtmatig is in de zin van artikel 162 lid 2, niet voor een niet-doen. Voor het eerste geldt als overweging dat het niet billijk is de benadeelde in zo'n geval met de door de ander aangerichte schade te laten zitten, voor het tweede geldt als overweging dat een dove nu eenmaal geen hulpgeroep hoort, een verlamde niet in het water kan springen om een ander te redden, enz. Voor een niet-doen is de gehandicapte wél aansprakelijk, als zijn gedraging hem valt te verwijten, bijvoorbeeld wanneer hij iets nalaat waartoe hij, naar hij beseft, verplicht en bij machte is. Toerekening is volgens de tekst ook mogelijk niet alleen als het gebrek de schuld zou wegnemen, maar ook de gedraging zelf van haar onrechtmatigheid zou beroven, bijvoorbeeld wanneer een plotseling bewusteloos geraakte persoon een verkeersongeluk veroorzaakt. Onder een als "doen" te beschouwen gedraging vallen voorts niet slechts bewust verrichte gedragingen, doch ook bijvoorbeeld onwillekeurige reflexbewegingen en een vallen als gevolg van bewusteloos geraken.

  2301. Artikel 165 lid 2 geeft nog een, ten opzichte van de artikelen 10, 101 en 102, bijzondere regel voor de interne draagplicht jegens de dader van de - jegens het slachtoffer eveneens aansprakelijke - toezichthouder: de mate van die interne draagplicht is dezelfde als die van de externe aansprakelijkheid, bij hoofdelijkheid derhalve, behoudens "eigen schuld" van de benadeelde en medeaansprakelijkheid van anderen, tot het volle bedrag der schade. Terwijl de beide voorgaande artikelen het element toerekening nader uitleggen, heeft artikel 166 lid 1 betrekking op het element der causaliteit: indien vanuit een groepsverband aan iemand onrechtmatig schade wordt toegebracht, is elk lid van die groep aansprakelijk ook al kan niet worden aangetoond dat de schade door een gedraging van hem is veroorzaakt. In plaats daarvan is, voor het element der onrechtmatigheid, vereist dat de kans op het toebrengen van de schade hem had behoren te weerhouden van zijn gedragingen in groepsverband. Deelneming aan een groep die duidelijk op relletjes uit is, valt daaronder, deelneming aan een operatieteam niet. Demonstraties moeten naar de omstandigheden worden beoordeeld: het maakt doorslaggevend verschil of de organisatoren maatregelen tot een vreedzaam verloop hebben genomen, of wel de menigte, bijvoorbeeld blijkens het meedragen van stokken en projectielen, duidelijk uit is op relletjes. Voorts is wel vereist dat de schade onrechtmatig wordt toegebracht, niet dat de daad de feitelijke dader ook kan worden toegerekend. Een lichamelijk of verstandelijk gehandicapte is niet aansprakelijk als hij zich wegens zijn handicap niet (tijdig of op eigen gelegenheid) aan de groep kan onttrekken, wel als hij actief aan de gedragingen van de groep deelneemt, omdat dit als een "doen" is te beschouwen. Een kind beneden veertien jaar is nimmer aansprakelijk, zijn ouders of voogd zijn dat volgens artikel 169 lid 1, wél voor zover het kind actief aan de gedragingen der groep heeft deelgenomen. Anders dan bij de toepassing van artikel 99 komt bij die van artikel 166 de mogelijkheid van tegenbewijs inzake causaliteit niet aan de orde, indien moet worden aangenomen dat de betrokkene heeft deelgenomen aan de gedragingen van een groep, waaraan hij zich had behoren te onttrekken. Lid 2 neemt als uitgangspunt voor de (interne) bijdrageplicht een verdeling van de schuld voor gelijke delen, maar laat correctie op billijkheidsgronden toe. 2024 -842- No. 164

  2302. Artikel 167 biedt een bijzondere sanctie, namelijk die van een door de rechter op te leggen openbaarmaking van een rectificatie van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard. De rechter kán deze rectificatie (discretionair) opleggen en daarom ook inhoud en wijze van publicatie, bijvoorbeeld kolom en lettertype van een krant, bepalen. Lid 2 biedt de mogelijkheid tot het opleggen van rectifi- catie ook indien aan de publicatie, althans voor de gedaagde, de onrechtmatigheid ontbreekt of zij hem niet als zodanig kan worden toegerekend, indien hij de onjuistheid of onvolledigheid der gepubliceerde gegevens niet kende noch ook behoefde te kennen; volgens lid 3 kan de rechter in dat geval bepalen dat de kosten geheel of ten dele door de eiser worden gedragen, zij het met regres op personen die wél aansprakelijk zijn. De sanctie kan worden opgelegd aan de auteur, maar ook aan de verspreider, zoals (de hoofdredacteur van) een krant, de rectificatie kan ook worden bevolen in een ander medium dan dat waarin de publicatie geschiedde; tenslotte kan de rechter toevoeging van commentaar verbieden. Rectificatie moet worden onderscheiden van een recht op een weerwoord door de benadeelde zelf. Zij kan ook buiten gevallen van aantasting van eer en goede naam worden opgelegd. Naast de rectificatie staat publicatie van een veroordelend rechterlijk vonnis, die hetzij als schadevergoeding anders dan in geld (artikel 103) of mogelijk zelfs ter nakoming van een verplichting uit ongeschreven recht (artikel 3:296) kan worden opgelegd. Artikel 196 ter zake van misleidende reclame derogeert aan artikel 167.

  2303. Artikel 168 tenslotte behelst eveneens een bijzondere bepaling die niet op de vereisten van de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad betrekking heeft, maar op het rechtsgevolg: gevallen waarin wel schadevergoeding kan worden toegewezen, maar niet een eis tot verbod van de onrechtmatige gedraging en wel op de grond dat deze behoort te worden geduld wegens "zwaarwegende maatschappelijke belangen". De bepaling heeft haar geschiedenis in arresten als HR 19-3-1943, NJ 1943, 312 (Voorste Stroom VI) en HR 18- 2-1944, NJ 1944, 226 (duinwaterleiding), beide inzake overheidsaansprakelijkheid. De gedragslijn welke de overheid volgde, kon gerechtvaardigd en zelfs geboden zijn, maar zij moest de nadelige gevolgen die daardoor (voor particulieren) ontstonden, niettemin voor haar rekening nemen. Over de juistheid van de beslissingen en de constructie van deze aansprakelijkheid heeft lang verdeeldheid bestaan - zie nader HR 19-12-1952, NJ 1953, 642 (Voorste Stroom VII: de hinder is onrechtmatig, maar kan door bijkomende omstandigheden, zoals het aanbieden of betalen van schadevergoeding, zijn onrechtmatig karakter verliezen). Thans verkrijgt de erkenning van de aansprakelijkheid onder uitsluiting van de sanctie van een verbod in artikel 168 lid 1, een wettelijke grondslag. De beperking tot overheidshandelen, hinder en algemeen belang zijn daarbij verruimd tot in het algemeen "zwaarwegende maatschappelijke belangen". Het artikel is slechts van toepassing indien er sprake is van een onrechtmatige gedraging; bestaat voor een gedraging een rechtvaardigingsgrond, dan kan zij in het geheel niet als onrechtmatig worden verboden en is er evenmin plaats voor schadevergoeding ex artikel 162. Afdeling 6.3.2 - Aansprakelijkheid voor personen en zaken De bepalingen der afdeling behelzen gevallen van risicoaansprakelijkheid: men wordt aansprakelijk gesteld voor gedragingen van anderen (artikelen 169 tot en met 172) en voor schade veroorzaakt door zaken (inclusief dieren en stoffen) (artikelen 173 e.v.). De aansprakelijkheid is kwalitatief: men wordt niet wegens eigen gedragingen aansprakelijk gesteld, maar omdat men een bepaalde hoedanigheid bezit. De aansprakelijkheid voor personen beperkt zich tot die voor hun onrechtmatige daden, die hun kunnen worden toegerekend ("fouten"). Kunnen die personen zich op een rechtvaardigingsgrond beroepen dan is er geen onrechtmatige daad en vervalt ook de aansprakelijkheid op grond van de artikelen 169 tot en met 172; idem als zij beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond, tenzij de daad hun ook bij ontbreken van schuld kan worden toegerekend. Alleen artikel 169 gaat in dit alles verder. De (mede)aansprakelijk gestelde persoon staat tot de dader in een bijzondere betrekking, namelijk als ouder of voogd (artikel 169), werkgever (artikel 170), opdrachtgever enz. (artikel 171), vertegenwoordigde (artikel 172). 2024 -843- No. 164 De artikelen 169 en 170 zetten de aansprakelijkheid krachtens artikel 1388 van het BW voort, de artikelen 171 en 172 zijn van dit laatste een uitbreiding, terwijl de speciale aansprakelijkheid van "schoolonderwijzers en werk- meesters" vervalt. Anders dan in Nederland geldt het vermoeden van schuld der ouders in artikel 169 lid 2 niet slechts kinderen tussen de veertien en zestien jaar, maar alle minderjarige kinderen ouder dan veertien jaar: dus tussen veertien en achttien jaar. De aansprakelijkheid voor zaken is uitgewerkt voor gebrekkige roerende zaken (artikel 173), opstallen (artikel 174) en dieren (artikel 179). Bij artikel 173 vergelijke men artikel 1388 lid 1 van het BW (waaruit echter geen risicoaansprakelijkheid wordt afgeleid), bij artikel 174 artikel 1390 BW, bij artikel 179 artikel 1389 BW. Afzonderlijk, in afdeling 6.3.3, is de productenaansprakelijkheid geregeld. De risicoaansprakelijkheid voor zaken geldt niet voor elk risico. In het bijzonder zie men de in de artikelen 173, 174 en 179 voorkomende beperking: tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 zou hebben ontbroken, indien enz. De aansprakelijkheid wordt daardoor ook in deze gevallen gent op die uit onrechtmatige daad. Er wordt enerzijds mee aangegeven dat weliswaar wordt geabstraheerd van het vereiste van een "fout" van de aansprakelijke persoon zelf (zie voor de precisering daarvan de formulering achter het "indien"), maar niet van de overige vereisten voor de aansprakelijkheid, zoals causaliteit, relativiteit, het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond en voor vergoeding in aanmerking komende schade. Anderzijds volgt uit de voorwaarde achter het "indien", waar de grens van deze (risico)aansprakelijkheid ligt. In het bijzonder moet men denken aan van buiten komende oorzaken als menselijk of natuurgeweld, die eerst een gebrek in een roerende zaak of gebouw veroorzaken, zodat als gevolg daarvan schade wordt veroorzaakt. De directe oorzaak valt in al deze gevallen wel onder de omschrijving van de vereisten voor de risicoaansprakelijkheid (bijvoorbeeld het gebrek in de zaak), maar deze is zelf weer een gevolg van overmacht die de in beginsel aansprakelijke persoon redelijkerwijs niet kan voorkomen en waarvoor hij redelijkerwijs ook niet aansprakelijk kan worden gesteld, omdat hij bijvoorbeeld niet de tijd en gelegenheid heeft gehad om het gebrek te repareren of voor het gevaar te waarschuwen. In de bijzondere artikelen zijn ook overigens wel elementen te vinden, die de strekking hebben het risico te beperken tot bepaalde omstandigheden, zoals de bekendheid van het gevaar als gevolg van het gebrek in een zaak. De aansprakelijkheid volgens de artikelen 173, 174 en 179 rust in beginsel op de bezitter, maar kan overeen- komstig artikel 180 naar de exploitant verschuiven. Zie voor de verhouding tussen de bezitter en de eigenaar artikel 3:120 lid 2. De risicoaansprakelijkheid wordt gemotiveerd door de bijzondere band die tussen de aansprakelijkgestelde persoon en de persoon voor wie of de zaak waarvoor hij aansprakelijk is en veelal ook door het gevaar dat hij door zijn, dikwijls als winstgevend bedoelde, activiteiten schept. In het algemeen kan men zeggen dat het billijker is hem met het dragen der - financiële - schade te belasten dan een willekeurige derde die het slachtoffer wordt, terwijl ook zijn vermogen in de regel beter verhaal zal bieden. Men denke ook aan de bewijsmoeilijkheden die de benadeelde bij zijn verhaal zou ondervinden, wanneer hij zou moeten uitzoeken door wie de bedrijfshandelingen die tot schade hebben geleid, zijn gepleegd. Het is, zowel in het belang van de slachtoffers als in het algemeen belang de aansprakelijkheid te "kanaliseren", bij voorkeur naar degene die de gevaarlijke zaken en stoffen exploiteert. De artikelen 180 e.v. geven nog nadere regels, zoals die omtrent de bedrijfsaansprakelijkheid volgens artikel 181. Veelal zal naast de volgens deze afdeling aansprakelijke persoon ook een ander aansprakelijk zijn. Beiden, eventueel allen, zijn dan hoofdelijk verbonden en hun aansprakelijkheid en bijdrageplicht wordt dan volgens de daarvoor gestelde algemene regels afgewikkeld; zie omtrent werknemers in hun interne verhouding tot de werk- gever voorts artikel 168 lid 2, artikel 170 lid 3 en artikel 257, alsmede artikel 7:661; zie voorts HR 16-10-1992, NJ 1993, 264. 2024 -844- No. 164 Ook kan zich samenloop voordoen. In beginsel kan de benadeelde op de aansprakelijkheidsregelingen naar keuze een beroep doen. Overigens zullen de regelingen in de praktijk dikwijls bij dezelfde aansprakelijke persoon uitkomen. Zie echter artikel 173 lid 3, voor samenloop tussen aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken en productenaansprakelijkheid.

  2304. Artikel 169 is te beschouwen als de voortzetting van artikel 1388 lid 2, van het BW. Er bestaan echter belangrijke verschillen. Anders dan artikel 1388 BW onderscheidt artikel 169 naar, objectief vastgelegde, leeftijdscategorieën. Lid 1 vormt daarbij het complement van artikel 164: aan een kind beneden veertien jaar kunnen gedragingen niet als onrechtmatig worden toegerekend, daarvoor dragen zijn ouders - voor zover zij het ouderlijk gezag uitoefenen - of voogd risicoaansprakelijkheid, althans voor zover die gedragingen als een doen zijn te beschouwen (vgl. voor dit laatste artikel 165 en de toelichting op artikel 166, alsmede, voor het huidige recht inzake de aansprakelijkheid van kinderen voor nalatigheid, HR 22-11-1974, NJ 1975, 149). Voor de toepassing van de maatstaf van lid 1 voor de aansprakelijkheid van ouders of voogd dient men zich af te vragen of het kind, ware het veertien jaar of ouder geweest, voor zijn gedragingen aansprakelijk zou zijn geweest; zou een volwassene aansprakelijk zijn, omdat de daad onrechtmatig was en hem toe te rekenen zou zijn - inclusief het geval van artikel 165 - dan zijn ouders en voogd aansprakelijk, als de daad als een doen is te beschouwen. Lid 2 komt voor de leeftijdsgroep van veertien- tot achttienjarigen overeen met het huidige recht: een vermoeden van verwijtbaarheid, in het bijzonder wegens gebrek aan toezicht, aan ouders of voogd (HR 26-11-1948, NJ 1949, 149: rekening moet worden gehouden met leeftijd en aard van het kind, met de eisen van het dagelijks leven en met de levensomstandigheden der ouders); een geestelijke of lichamelijke tekortkoming die de onrechtmatige daad en de schade veroorzaakt, ontslaat het kind niet van aansprakelijkheid (artikel 165), maar zal anderzijds van de ouders en voogd ook extra zorg eisen en het tekortschieten daarin maakt hen te eerder aansprakelijk. Ouders en voogd zijn - hoofdelijk (artikel 102) - naast het kind aansprakelijk. In Nederland is het vermoeden van schuld beperkt tot veertien- en vijftenjarigen. Ouders en voogd dragen niet langer risicoaansprakelijkheid. Noch lid 1, noch lid 2 beperkt de aansprakelijkheid tot die voor kinderen die bij ouders of voogd inwonen. Hier wordt een kennelijke misslag hersteld. Krachtens artikel 170 lid 1 is de werkgever - in ruime zin - aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een fout van de hem ondergeschikte - is aan de in het artikel gestelde vereisten voldaan, dan kan hij zich niet disculperen. Dit geldt in de eerste plaats als er tussen werkgever en ondergeschikte een - privaatrechtelijk of publiekrechtelijk - dienstverband bestaat, ook al geniet de werknemer bij de uitoefening van zijn taak grote zelfstandigheid. Maar de bepaling kan ook van toepassing zijn, indien de ondergeschikte in opdracht buiten dienstverband werkt, zoals bijvoorbeeld de "uitgeleende" werknemer; zie omtrent zulke verhoudingen reeds de rechtspraak onder het regime van artikel 1388 van het BW. Evenals artikel 1388 van het BW vereist artikel 170 daarnaast een zeker functioneel verband tussen de fout van de ondergeschikte en de werkzaamheden die hem zijn opgedragen; zie het slot van lid 1 en voorts, beperkter, voor huispersoneel en dergelijke lid 2. Daaruit volgt bijvoorbeeld dat de werkgever slechts zelden aansprakelijk zal zijn voor hetgeen de ondergeschikte in zijn vrije tijd doet. Lid 3 is als wetsbepaling geheel nieuw, maar is reeds sinds HR 26-6-1959, NJ 1959, 551 (buschauffeur), geleidelijk in rechtspraak en literatuur ontwikkeld. Hoewel de ondergeschikte in beginsel aansprakelijk blijft, rust op de werkgever in de regel niet slechts externe mede-aansprakelijkheid, maar ook interne draagplicht - zie de laatste alinea van de algemene opmerkingen inzake deze afdeling. 2024 -845- No. 164 Nieuw is artikel 171 dat artikel 170 aanvult met aansprakelijkheid voor personen die in de uitoefening van een bedrijf van een ander werken, doch aan deze niet ondergeschikt zijn, zoals een onderaannemer, of een vervoerder. Ook hier is een functioneel verband tussen fouten en overeengekomen werkzaamheden vereist. Het artikel geldt niet voor personen die werken voor de opdrachtgever in privé of in de uitoefening van diens beroep (bijvoorbeeld een arts die voor een andere arts waarneemt), maar anderzijds vallen onder de bepaling wel een overheidsbedrijf en een ziekenhuis. De aansprakelijkheid van de opdrachtgever geldt ook voor de fouten van de ondergeschikte van de opdrachtnemer. De bepaling moet restrictief worden toegepast (HR 21-12-2001, NJ 2002, 75). Dikwijls zullen onrechtmatige daden van een vertegenwoordiger aan de vertegenwoordigde kunnen worden toegerekend - aldus bijvoorbeeld voor de gedragingen van een orgaan van een rechtspersoon (nog uit te breiden met die van gedragingen van anderen die in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de rechtspersoon hebben te gelden: HR 6-4-1979, NJ 1980, 34). Daaraan voegt artikel 172 - in afwijking van HR 10-6-1955, NJ 1955, 552 - een risicoaansprakelijkheid van de vertegenwoordigde in het algemeen toe voor fouten van zijn vertegenwoordigers, ook indien door een niet ondergeschikte buiten bedrijfsuitoefening wordt gehandeld en wel in de uitoefening van diens bevoegdheden als zodanig. Men denke aan bedrog bij het sluiten van een overeenkomst, of handelingen van een voogd of (faillissements)curator. In artikel 173 begint de reeks van risicoaansprakelijkheid voor zaken en stoffen, zie daaromtrent in het algemeen de algemene opmerkingen inzake deze afdeling. Artikel 173 zelf stelt aansprakelijk voor gebreken in een roerende zaak; zie voor de begrippen "zaak" en "roerend" de artikelen 3:2 en 3:3. Ook hier wordt een kennelijke misslag hersteld. Onderdeel b van lid 2 moet vervallen, aangezien de ‘franchise’ (zie artikel 6:190 lid 1 onder b van het Nederlandse BW) in het Surinaamse ontwerp niet bestaat. De leden 2 en 3 geven beperkingen in de reikwijdte van lid 1: dit lid geldt niet, wanneer voor de schade productaansprakelijkheid bestaat (die niet naar de bezitter of bedrijfsexploitant, doch naar de producent of importeur wordt gekanaliseerd), of wanneer de roerende zaak een dier, schip of luchtvaartuig is, waarvoor eigen aansprakelijkheidsregels bestaan. Lid 1 vereist voor het ontstaan van aansprakelijkheid dat de zaak een "gebrek" heeft: een zaak "waarvan bekend is dat zij, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert". Gewoonlijk zal dit zijn een gebrek in (de constructie van) de zaak zelf; men denke echter ook aan een het tegen gerechtvaardigde verwachting in geladen zijn van een geweer. Een vloeistof in een fles, een gas in een tank e.d. zijn ook te beschouwen als zaken, waarvoor aansprakelijkheid volgens dit artikel bestaat, als daaraan een gebrek kleeft. Voor een geval van brandbaar isolatiemateriaal zie HR 20-10-2000, NJ 2000, 700. De vereiste bekendheid met het gevaar - niet het concrete gebrek zelf - doelt op bekendheid in de kring van de aansprakelijke persoon: behalve algemene bekendheid valt daaronder ook bekendheid die hij als bezitter (respectievelijk exploitant van een bedrijf of beroepsbeoefenaar) verondersteld mag worden te hebben. Voor de formulering van het gebrek vergelijke men die in de artikelen 186 en 7:17. Het is, anders dan bij de aansprakelijkheid volgens artikel 176, het gebrek - het abnormale aan de concrete zaak - dat het gevaar schept en waarop de aansprakelijkheid berust wanneer dat gevaar zich verwezenlijkt. Die aansprakelijkheid ontstaat niet als een normale zaak onverwachts een gevaar schept. Verder is vereist dat het gebrek een "bijzonder" gevaar veroorzaakt, buiten of boven de kans op onheil die ook van een normaal exemplaar, zoals een wapen, het gevolg kan zijn en dat dit gevaar zich verwezenlijkt. Voor vergoeding komen in aanmerking letselschade en zaakschade, maar ook bijvoorbeeld bedrijfsschade die van een van beide het gevolg is. Voor de terminologie van de uitzondering in de "tenzij ...., indien ...."-clausule zij verwezen naar de algemene opmerkingen ter zake in de toelichting bij de onderhavige afdeling. In beginsel rust de aansprakelijkheid op de bezitter; zie echter de artikelen 180, 181 en 183. 2024 -846- No. 164

  2305. Artikel 174 vervangt het huidige artikel 1390 BW, maar de omschrijving van de vereisten voor de aansprakelijk- heid voor opstallen loopt goeddeels parallel aan die voor de aansprakelijkheid (gebrek en verwezenlijking van gevaar, de "tenzij....., indien......"-clausule) voor roerende zaken volgens artikel 173 - zie daarvoor bij dat artikel en onder 3 van de toelichting op de afdeling. Ook wordt, evenals in artikel 173, in beginsel de bezitter aan- sprakelijk gesteld, met verplaatsing overeenkomstig artikel 181; lid 2 voegt daaraan nog andere gevallen van ver- plaatsing toe, terwijl lid 4 een vermoeden van bezit formuleert. Zie voorts artikel 180. Lid 3 geeft een omschrijving van opstallen, waaronder niet alleen gebouwen, maar ook werken (onder andere leidingen en wegen) moeten worden verstaan - vgl. de artikelen 3:3 en 5:20, onderdeel e. Niet is vereist dat het geschapen gevaar "bijzonder" moet zijn, zoals in artikel 173, maar wel moet het door het gebrek zijn ontstaan (vgl. HR 13-6-1975, NJ 1975, 509, over de "typische gevolgen"). Het gevaar verwezenlijkt zich niet slechts door instorting, zoals artikel 1386 van het BW bepaalt (maar dat vrij ruim werd uitgelegd), doch bijvoorbeeld ook door het vallen van een losgeraakte dakpan. Ook is de beperking in de oorzaak van het gebrek tot "verzuim van onderhoud of ...... een gebrek in de bouwing of inrichting" van artikel 1386 vervallen. In het Nederlandse wetboek zijn, bij afzonderlijke wet, de artikelen 175 tot en met 178 in Boek 6 ingevoegd. Zij behelzen een gedetailleerde regeling van de risicoaansprakelijkheid voor schade door gevaarlijke stoffen, op een stortplaats gestorte (afval)stoffen en uit een boorgat gestroomde delfstoffen; voor het vervoer van gevaarlijke stoffen heeft de regeling een speciaal vervolg in het in Nederland geldende Boek 8 van het BW inzake verkeersmiddelen en vervoer. Voorgesteld wordt de nogal gecompliceerde regeling voorshands hier te lande niet over te nemen. De regeling steunt in Nederland in belangrijke mate op een daar uitgewerkte milieu- en vervoerswetgeving, zoals die hier niet geldt. Zonder zo’n steun is de regeling hier te lande moeilijk te verwezenlijken. De bedoelde vier artikelen worden derhalve vooralsnog gereserveerd, terwijl uiteraard verwijzingen naar deze artikelen in de artikelen 181 en 184 van de Nederlandse tekst niet zijn overgenomen en artikel 182 eveneens is gereserveerd.

  2306. Artikel 179 betreft de aansprakelijkheid voor gedragingen van dieren en is aldus de opvolger van artikel 1389 van het huidige BW, doch het stelt niet de eigenaar of gebruiker, doch de bezitter aansprakelijk. In afwijking van eerdere jurisprudentie heeft de Hoge Raad, anticiperend op het nieuwe recht, bij arrest van 7-3-1980, NJ 1980, 353, ook voor het laatstgenoemd artikel de keuze voor risicoaansprakelijkheid gemaakt voor het geval de begeleider het dier niet in zijn macht heeft of het niet als "instrument" gebruikt (zie HR 23-2-1990, NJ 1990, 365). Haar grondslag vindt deze aansprakelijkheid in het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat die energie losmaakt. Onder het bereik van de bepaling valt daarom niet de schade door besmetting met ziekte door het dier die niet een gevolg is van door het dier toegebrachte letsel (HR 24-2- 1984, NJ 1984, 415). Uit een behandelingsovereenkomst voor het dier met een dierenarts kan voortvloeien dat artikel 179 buiten toepassing blijft (HR 27-4-2001, NJ 2002, 54); hetzelfde is denkbaar bij een manageovereenkomst (HR 25-10-2002, NJ 2004, 556). De "tenzij...."- formule beperkt de ontheffing van aansprakelijkheid door niet alleen te verlangen dat de bezitter ook bij toepassing van afdeling 6.3.1 niet aansprakelijk zou zijn geweest, maar ook door daarbij te eisen dat hij dan niet aansprakelijk zou zijn geweest zelfs als hij het dier in zijn macht zou hebben gehad. Er is op die grond dus wel aansprakelijkheid als het dier door schrik, bijvoorbeeld wegens een bliksemschicht, bevangen of opgehitst op hol slaat. Geen aansprakelijkheid is er alleen, als hij ondanks het welbewust toelaten van het toebrengen der schade vrijuit zou zijn gegaan, in het bijzonder als hem dan beroep op een rechtvaardigingsgrond zou toekomen - aldus bijvoorbeeld het geval van een waakhond die een inbreker aanvalt (noodweer). De artikelen 180 tot en met 184 geven aan de voorafgaande artikelen der afdeling nadere nuancering.

  2307. Artikel 180 lid 1 stelt medebezitters hoofdelijk aansprakelijk ten gerieve van de benadeelde. Lid 2 doet het risico van de bezitter overgaan op, in het bijzonder, de huurkoper. 2024 -847- No. 164

  2308. Artikel 181 lid 1 legt de aansprakelijkheid volgens de artikelen 173, 174 en 179 op degene die het bedrijf uitoefent, indien de zaak, de opstal of het dier daarin wordt gebruikt. De uitzondering aan het slot geldt vooral, indien het bedrijf de opstal heeft gehuurd en de schade ook los van de bedrijfsuitoefening zou zijn voorgevallen. Lid 2 schuift de aansprakelijkheid door naar het feitelijk gebruikend bedrijf (of in geval van lid 3 ook naar de feitelijk gebruikende beroepsbeoefenaar). "Bedrijf" in de zin van dit artikel moet ruim worden genomen: ook een overheidsinstelling en een ziekenhuis vallen daaronder.

  2309. Artikel 182 is gereserveerd; zie de toelichting op de artikelen 175 tot en met 178.

  2310. Artikel 183 lid 1 ontzegt een beroep op de ontheffing van aansprakelijkheid volgens de artikelen 164 en 165 voor de risicoaansprakelijkheid van afdeling 6.3.2: ook het jeugdige kind en de gehandicapte worden belast met de risicoaansprakelijkheid van afdeling 6.3.2. Lid 2 maakt hierop ten aanzien van het jeugdige kind evenwel een uitzondering voor de aansprakelijkheid voor (niet in de uitoefening van een bedrijf gebruikte) roerende zaken en dieren: de risicoaansprakelijkheid daarvoor rust - volgens de regel van artikel 169 - op ouders of voogd.

  2311. Artikel 184 breidt de regel van artikel 96 lid 2 onderdeel a, uit: de in lid 1 bedoelde kosten, alsmede schade en verlies, zijn vatbaar voor vergoeding, ook indien zij zijn gemaakt door derden die zelf niet rechtstreeks zijn bedreigd, in het bijzonder ook de overheid. Afdeling 6.3.3 - Productenaansprakelijkheid De afdeling komt overeen met de – bij wet van 9 december 1995 (S.B. 1995, no. 101) vastgestelde – artikelen 1401a tot en met 1401i van het huidige BW en behoeft daarom niet opnieuw toelichting. Wel is, overeenkomstig wat in Nederland geldt sedert de wet van 29 november 2000, Stb. 493 (in verband met de “gekke koeien ziekte”), in de omschrijving van “product” in artikel 187 lid 1 de uitzondering voor landbouwproducten en producten van de jacht komen te vervallen. Hiermee is ook een einde gemaakt aan de onzekerheid over de vraag wanneer gezegd kan worden dat landbouwproducten “een eerste bewerking of verwerking” (zie het huidige artikel 1401c lid 1 onderdeel a, slot, BW) hebben ondergaan zodat zij daarom toch onder het producten-aansprakelijkheidsregiem vallen. In plaats van een ‘franchise’ stelt de rechter in redelijkheid en billijkheid vast hoeveel gevolgschade vergoed moet worden (artikel 6:190 onder b). Afdeling 6.3.4 - Misleidende en vergelijkende reclame Ook deze afdeling behelst overwegend bestaand recht, te weten de – eveneens bij voornoemde wet van 9 december 1995 (S.B. 1995, no. 101) in het bestaande Surinaamse BW geïntroduceerde – artikelen 1401j tot en met 1401l BW en behoeft daarom in zoverre niet opnieuw toelichting. De nieuwe afdeling is echter aangevuld met een bepaling inzake vergelijkende reclame (artikel 194a), gebaseerd op de Nederlandse wet van 28 maart 2002, Stb. 187, ter implementatie van een richtlijn van de Europese Unie. Lid 1 van artikel 194a geeft een ruime definitie, waardoor ook gevallen bestreken worden die niet op het eerste gezicht als vergelijkende reclame gelden. De leden 2 en 3 geven (negen) cumulatieve voorwaarden voor geoorloofde vergelijking. In Nederland wordt afdeling 6.3.4 nog gevolgd door een afdeling 6.3.5, welke een tijdelijke regeling voor de verhaalsrechten van sociale en particuliere verzekeraars inhoudt. De uitbreiding van de risicoaansprakelijkheid, in het bijzonder als gevolg van de nieuwe regeling van afdeling 6.3.2, betekent dat niet alleen de benadeelde zelf, doch ook diens sociale en particuliere verzekeraar krachtens het hem toegekende verhaalsrecht of de voor hem geldende subrogatie of een eventuele cessie een ruimere aanspraak jegens de aansprakelijke persoon verkrijgt. Deze verruiming ten behoeve van de verzekeraar werd voorshands niet volledig gerechtvaardigd geacht, zodat in artikel 197, als enig artikel van afdeling 6.3.5, te zijnen aanzien voorshands bij wege van compromis het oude recht werd gehandhaafd. Hiertegen rijzen echter bezwaren. Het valt niet goed in te zien waarom een aansprakelijke persoon wel tegenover de benadeelde zelf het bedoelde risico draagt, maar niet tegenover diens verzekeraar die een van de benadeelde afgeleide vordering heeft. Zolang goede grond voor het verhaalsrecht of de subrogatie aanwezig wordt geacht, kan het maken van zo’n onderscheid weinig bevredigen. Om deze reden wordt dan ook voorgesteld artikel 197 hier te lande niet over te nemen. 2024 -848- No. 164 TITEL 6.4 - VERBINTENISSEN UIT ANDERE BRON DAN ONRECHTMATIGE DAAD OF OVEREENKOMST De titel behelst een drietal afdelingen, te weten 6.4.1 (Zaakwaarneming; artikelen 198 tot en met 202), 6.4.2 (Onverschuldigde betaling; artikelen 203 tot en met 211) en 6.4.3 (Onrechtmatige verrijking; artikel 212). In het huidige BW is regeling van de eerste twee bronnen van verbintenissen "uit de wet" naast onrechtmatige daad te vinden in de artikelen 1375 tot en met 1379, respectievelijk 1380 tot en met 1385; de nieuwe bepalingen bouwen daarop voort. De summiere regeling van de ongerechtvaardigde verrijking vindt haar oorsprong in de ontwikkeling in literatuur en jurisprudentie, de laatste in het bijzonder gemarkeerd in HR 30-1-1959, NJ 1959, 548 (Quint-Te Poel). Afdeling 6.4.1 - Zaakwaarneming De ontworpen regeling wijkt niet essentieel af van die in de huidige wet. Artikel 198 geeft een omschrijving van het begrip zaakwaarneming, artikel 199 geeft aan welke hoofdverbintenissen op de zaakwaarnemer rusten, artikel 200 welke op de belanghebbende, artikel 201 regelt de bevoegdheid van de zaakwaarnemer om de belang- hebbende te vertegenwoordigen en artikel 202 de bevoegdheid van deze laatste om gebreken in verrichte handelingen door goedkeuring te helen. Daar zaakwaarnemer en belanghebbende over en weer in een verbintenisrechtelijke verhouding staan, zijn de bepalingen van titel 6.1 in beginsel daarop van toepassing - aldus bijvoorbeeld afdeling 6.1.7 inzake opschortingsrechten, met het retentierecht van de zaakwaarnemer volgens afdeling 3.10.4 als sequeel (zie reeds HR 10-12-1948, NJ 1949, 122) en afdeling 6.1.10 omtrent de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding.

  2312. Artikel 198 stelt de vereisten voor zaakwaarneming: a. behartiging van de belangen van een ander De belangenbehartiging kan bestaan uit het verrichten van materiële handelingen (bijvoorbeeld hulp bij een ongeval) of rechtshandelingen, zoals het sluiten van overeenkomsten of het ontvangen van betalingen ten behoeve van een ander tijdens diens afwezigheid, deze rechtshandelingen kunnen worden verricht hetzij op eigen naam, hetzij op die van de ander. Zaakwaarneming is niet beperkt tot handelingen op vermogensrechtelijk gebied. Behartiging van andermans belang sluit niet uit dat de zaakwaarnemer tevens eigen belang behartigt (aldus reeds HR 24-1-1902, W 7714 en HR 26-6-1959, NJ 1959, 586). Niet is vereist dat de belanghebbende al bestaat - men denke aan het handelen voor een nog op te richten rechtspersoon (HR 8-1-1982, NJ 1982, 333) - of zelf tot de handeling bevoegd is (HR 2-5-1935, NJ 1935, 1461), dan wel zelf niet tot de handeling in staat of in de gelegenheid is (HR 10-12-1948, NJ 1949, 122). b. willens en wetens De zaakwaarnemer moet de wil hebben tot behartiging van andermans belang en tevens weten dat hij dat doet. Wie meent allen zijn eigen belang te behartigen, bijvoorbeeld zijn eigen schuld te betalen, is geen zaakwaar- nemer (HR 6-1-1938, NJ 1938, 525 en HR 10-4-1953, NJ 1953, 630). c. op redelijke grond Een zekere terughoudendheid om spoedig zaakwaarneming aan te nemen, is op haar plaats: de handelingen geschieden immers niet alleen in het belang van de ander, maar ook voor diens rekening. Bemoeizucht behoort niet te worden beloond. Wel kan volgens artikel 202 zulk optreden zonder redelijke grond door goed- keuring worden geheeld. d. zonder bevoegdheid op grond van een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding Zaakwaarneming is niet de vervulling van een opdracht, al of niet in dienstverband, evenmin valt daaronder bijvoorbeeld belangenbehartiging als voogd. Wel is het mogelijk als zaakwaarneming te aanvaarden handelin- gen waardoor een bestaande bevoegdheid wordt overschreden, uiteraard mits aan de overige vereisten is voldaan. Hulpverlening aan een hulpbehoevende, ook waar die strafrechtelijk is verplicht, is niet een "in de wet geregelde rechtsverhouding" die de bevoegdheid schept - hier is sprake van zaakwaarneming. 2024 -849- No. 164

  2313. Artikel 199 somt, in overeenstemming met het huidige recht, de verbintenissen van de zaakwaarnemer op: betrachten van de nodige zorg, voortzetting van de begonnen zaakwaarneming, afleggen van verantwoording en doen van rekening. Van deze verbintenissen kan de belanghebbende nakoming eisen; niet-nakoming leidt tot schadevergoeding overeenkomstig afdeling 6.1.10.

  2314. Artikel 200 stelt tegenover de verbintenissen van de zaakwaarnemer die van de belanghebbende: vergoeding van schade en, voor zover de zaakwaarnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld - bijvoorbeeld medische verrichtingen - een vergoeding voor zijn diensten. Voorwaarde is niet alleen dat aan de vereisten voor zaakwaarneming is voldaan, doch ook dat het gediende belang behoorlijk is behartigd; een gebrek in dit laatste kan weer door goedkeuring volgens artikel 202 worden geheeld. De zaakwaarnemer kan in eigen naam de rechtshandelingen verrichten die voor de belanghebbende nodig zijn, maar mag krachtens artikel 201 ook in naam van de belanghebbende optreden. Volgens artikel 3:78 is dan een aantal bepalingen uit de titel Volmacht van overeenkomstige toepassing. Is het belang niet naar behoren behartigd, dan is er onbevoegde vertegenwoordiging, waardoor de belanghebbende, behoudens het bepaalde in artikel 3:61 lid 2, niet wordt gebonden. De zaakwaarnemer zelf is jegens de wederpartij op grond van artikel 3:70 jo 3:78 aansprakelijk; de belanghebbende kan echter de onbevoegde vertegenwoordiging bekrachtigen (artikel 3:69).

  2315. Artikel 202 is in het voorgaande reeds ter sprake gekomen. Afdeling 6.4.2 - Onverschuldigde betaling Overeenkomstig de traditie bezigt het opschrift van de afdeling de term "onverschuldigde betaling". Uit artikel 203 blijkt dat de term betaling ruim dient te worden genomen - zie ook de inleidende opmerkingen bij afdeling 6.1.6. De term doet in het spraakgebruik het eerst denken aan betaling van een geldsom, maar deze is niet het uitgangspunt van de regeling en komt pas in lid 2 van artikel 203 naar voren en wel bij wijze van versoepeling van lid 1. Blijkens lid 1 is het uitgangspunt van de afdeling de afgifte van een goed - zowel de juridische levering als een feitelijke afgifte - zonder rechtsgrond en daarop is de afdeling in hoofdzaak afgestemd. In lid 3 wordt daar het verrichten van een prestatie van andere aard, in het bijzonder een doen, zonder rechtsgrond aan vastgehecht en in artikel 210 worden de regels die gelden voor de teruggave van het goed daarop van overeenkomstige toepassing verklaard. In de leden 1 en 3 van artikel 203 worden bovendien in plaats van "onverschuldigd" de woorden "zonder rechtsgrond" gebruikt, die op vergelijkbare wijze een iets ruimere reikwijdte dan "onverschuldigd" hebben; zie HR 17-11-2000, NJ 2001, 580. Het verschil schuilt in het bijzonder daarin dat een prestatie in strikte zin onverschuldigd kan zijn, zonder een rechtsgrond te missen. Zo verplicht een overeenkomst van levensverzekering de verzekeringnemer veelal niet tot premiebetaling, doch zegt de verzekeraar alleen voorwaardelijk een uitkering toe, áls premie wordt betaald. Niettemin geschiedt de betaling van de premie niet zonder rechtsgrond en ze kan dan ook niet als "onverschuldigd" worden teruggevorderd. De regeling van de onverschuldigde betaling is van verbintenisrechtelijke aard, die in de eerste plaats strekt tot teruggave van een goed. Zo’n teruggave zal, als ze een zaak betreft, in beginsel ook langs de zakenrechtelijke weg van de revindicatie kunnen worden gevorderd en in geval van samenloop kan de eiser dan kiezen. Om de gevolgen van die keuze zo weinig mogelijk te laten verschillen, verklaart artikel 206 enige bepalingen uit de bezitsregeling van titel 3.5 van overeenkomstige toepassing, terwijl in artikel 208 aansluiting is gezocht bij artikel 3:122, eveneens uit afdeling 3.5. 2024 -850- No. 164 Onder het regime van het huidige BW is lang betwist geweest, of de grondslag van de vordering uit onverschuldigde betaling moet worden gezocht in een aanspraak tot vergoeding van ongerechtvaardigde verrij- king van de wederpartij. In het ontwerp zijn beide vorderingen duidelijk onderscheiden. Voor de vordering uit onverschuldigde betaling is in beginsel onverschillig in hoeverre de wederpartij door de betaling is verrijkt of niet (zie echter als uitzondering artikel 209 ten aanzien van de onbekwame als ontvanger van de betaling en voorts artikel 210 lid 2). Evenmin is de vordering uit onverschuldigde betaling beperkt tot het bedrag der verarming - onderwerp van de vordering is de verrichte prestatie dan wel haar waarde ten tijde van de ontvangst (artikel 210), terwijl de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is geconstrueerd als een tot schadevergoeding (artikel 212). In de praktijk blijkt de aard der vordering uit onverschuldigde betaling onder meer, indien de betaling is gedaan aan of door een tussenpersoon. Indien deze bevoegdelijk als vertegenwoordiger van een derde is opgetreden of indien artikel 3:61 lid 2, van toepassing is, wordt die betaling aan deze derde toegerekend. Is de tussenpersoon echter in eigen naam opgetreden, of was hij als vertegenwoordiger onbevoegd en vindt artikel 3:61 lid 2 geen toepassing, dan blijft de derde buiten spel en is de tussenpersoon zelf - als gedaagde of eiser - partij bij de vordering (zie echter de uitzondering, uit billijkheidsoverwegingen voorzien in artikel 204 lid 2). Afdeling 6.4.2 wordt in artikel 25 van toepassing verklaard, indien iemand vóór de vervulling van een opschortende voorwaarde zijn prestatie verricht, doch slechts indien hij de teruggave vordert vóór de vervulling van de voorwaarde. De vordering wordt uitgesloten, indien vóór afloop van een gestelde termijn wordt betaald (artikel 39 lid 2). Bij ontbinding van een wederkerige overeenkomst blijft, anders dan in geval van vernietiging van een rechtshandeling, die immers terugwerkende kracht heeft (artikel 3:53 lid 1), de rechtsgrond voor de reeds geleverde prestaties in stand, zodat afdeling 6.4.2 voor de daarop gegronde verbintenis tot ongedaanmaking niet van toepassing is - zie de eigen regeling in de artikelen 271 tot en met 276. De afdeling is ook van toepassing indien op grond van een publiekrechtelijke verhouding onverschuldigd is betaald, voor zover niet uit de wet het tegendeel voortvloeit. De vordering is dan echter niet toewijsbaar, voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de beoordeling van een vordering van de overheid moet rekening worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zie omtrent dit alles HR 25-10-1991, NJ 1992, 299 en HR 26-3-2004, RvdW 2004, 56. De vordering strekt in beginsel tot teruggave van de prestatie en wel in de staat waarin deze verkeerde, toen de betaling werd verricht. Bij niet-nakoming van deze verbintenis zijn in beginsel de bepalingen van afdeling 6.1.9 van toepassing. Afdeling 6.4.2 behelst echter verschillende bepalingen waarin de gevolgen daarvan worden aangepast of verzacht. Zie de artikelen 204, 205 en 209, artikel 210 lid 2 en artikel 211.

  2316. Artikel 203 stelt de algemene vereisten voor de vordering uit onverschuldigde betaling. Zie daaromtrent de inleidende opmerkingen bij deze afdeling. Betaling zonder rechtsgrond kan geschieden uit dwaling, doch een welbewust onverschuldigde betaling wordt evenzeer door deze afdeling bestreken (aldus reeds HR 20-4-1917, NJ 1917, 600 en HR 25-2-1926, NJ 1926, 361). Zie voor welbewuste betaling van de schuld van een ander onder druk van de schuldeiser HR 22-4-1983, NJ 1984, 726; in het algemeen ontbeert echter betaling van andermans schuld geen rechtsgrond, ook al weet de betaler dat hij zelf geen schuldenaar is. Zelfs een onbewuste prestatie, zoals vervoer van een verstekeling, kan als onverschuldigde betaling worden beschouwd. Voldoening van een nietige verbintenis leidt in beginsel tot de vordering uit onverschuldigde betaling; zie echter artikel 211. Inbetalinggeving ter voldoening aan een overeenkomst is geen onverschuldigde betaling, ook niet als de waarde van het in betaling gegevene het bedrag van de schuld overtreft (HR 2-12-1977, NJ 1978, 130). 2024 -851- No. 164

  2317. Artikel 204 behelst in lid 1 een bepaling die de gevolgen van niet-nakoming, in casu van artikel 27 (zie de laatste inleidende opmerking bij deze afdeling) verzacht voor de ontvanger van een onverschuldigde betaling: wordt de niet-nakoming ingevolge deze bepaling niet toegerekend, dan treden de gevolgen van overmacht in; zie de toelichting op afdeling 6.1.9. Een vordering uit artikel 78 is niet uitgesloten. Lid 2 ontheft de ontvanger van een onverschuldigd ontvangen geldsom in het daarin omschreven bijzonder geval. Tegen de, in deze bepaling bedoelde, andere derde blijft in beginsel de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking of eventueel bijvoorbeeld onrechtmatige daad bestaan. Zie HR 31-3-1978, NJ 1978, 363, waaraan de bepaling is ontleend.

  2318. Artikel 205 stelt degene die "te kwader trouw" de onverschuldigde betaling heeft ontvangen, zonder ingebrekestelling in verzuim - zie voor andere gevallen artikel 83. De term "te kwader trouw" stelt scherpere eisen dan "niet te goeder trouw": vereist wordt dat de ontvanger wist of althans vermoedde dat de betaling niet hem toekwam - hij omvat niet degene die niet wist, maar had behoren te weten. Wist ook de betaler dat de betaling niet verschuldigd was, met name omdat beide partijen zich er van bewust waren een nietige overeenkomst uit te voeren, dan kan niet van kwade trouw worden gesproken. Wetenschap van de onverschuldigdheid die pas achteraf ontstaat, valt evenmin onder kwade trouw. Voor artikel 206 zie men de inleidende opmerkingen ter zake. Bepalingen uit het bezitsrecht omtrent vruchten, kosten, schade en retentierecht worden van overeenkomstige toepassing verklaard, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de bezitter (en houder) te goeder trouw en degene die niet te goeder trouw bezit of houdt (vgl. hierboven bij artikel 205), alsmede de regeling omtrent het wegnemingsrecht.

  2319. Artikel 207 sluit hierbij aan voor de kosten van ontvangst en teruggave van het terug te geven goed (of andere prestatie) voor de ontvanger die niet te kwader trouw is en voor verdere uitgaven gedurende de tijd dat hij nog niet met de teruggave rekening behoefde te houden, doch alles binnen de grenzen der redelijkheid.

  2320. Artikel 208 bevat een bepaling, analoog aan artikel 3:122: de wederpartij van de ontvanger kan afstand doen van het herkrijgen van het goed of de prestatie om aldus de kosten, bedoeld in de artikelen 206 en 207, te besparen. Terwijl artikel 3:122 zakenrechtelijk is geformuleerd, is artikel 208 verbintenisrechtelijk ingekleed; zakenrechtelijk is het artikel slechts in zoverre dat de wederpartij afstand doet van zijn vorderingsrecht, waarvoor medewerking van de ontvanger is vereist (artikel 3:98). Op de afstand van het vorderingsrecht is artikel 160 van toepassing, zodat daarvoor een overeenkomst tussen partijen is vereist.

  2321. Artikel 209 biedt een bijzondere bescherming aan de onbekwame die een onverschuldigde betaling heeft ontvangen, geheel analoog aan artikel 31 voor betaling aan een onbekwame schuldeiser; verwezen zij naar de opmerkingen bij dat artikel - zie voorts artikel 276 voor de ongedaanmaking in geval van ontbinding. Is de ontvanger vóór het instellen van de vordering jegens hem handelingsbekwaam geworden, dan is het artikel van toepassing over de daaraan voorafgaande periode.

  2322. Artikel 210 geeft regels omtrent ongedaanmaking wegens onverschuldigde betaling van een prestatie die bestaat in iets anders dan het geven van een goed. Volgens lid 1 zijn in beginsel daarop de voorafgaande bepalingen omtrent de teruggave van een goed van toepassing. Zo zal een rechtshandeling gewoonlijk door een rechts- handeling in tegengestelde richting kunnen worden teruggedraaid. Op niet-nakoming van de verplichting daartoe - toerekenbaar of door overmacht - zijn de bepalingen van afdeling 6.1.9 in beginsel van toepassing. Lid 2 maakt daarop echter inbreuk voor prestaties die zich door hun aard niet tot (zinvolle) ongedaanmaking lenen. Zo is een eenmaal genoten gebruik van een zaak, een reis, e.d. niet meer ongedaan te maken. Het vervaardigen van een product kan wel feitelijk ongedaan worden gemaakt door het te vernielen, maar dat is geen zinvolle handeling die voor degene die de prestatie verrichtte, de oorspronkelijke toestand herstelt. Volgens de hoofdregel van de niet- nakoming zou in al deze gevallen de ontvanger van de prestatie schadevergoeding moeten betalen, tenzij de niet- nakoming hem niet is toe te rekenen (artikel 74 - zie ook artikel 78). Lid 2 stelt echter voor deze gevallen een 2024 -852- No. 164 andere regel in de plaats: de schadevergoeding gaat niet verder dan vergoeding van de waarde der prestatie en wel die ten tijde van de ontvangst, zij is slechts verschuldigd voor zover die vergoeding redelijk is en alleen als zich bovendien één (of meer) van de in de bepaling opgesomde gevallen voordoet. Daarbij kan nog het volgende worden opgemerkt. De waarde die moet worden vergoed is die in het maat- schappelijk verkeer, berekend volgens objectieve maatstaf. Vergoeding is niet altijd redelijk, bijvoorbeeld wanneer de ontvanger de dupe van misbruik van omstandigheden is geworden of is bedrogen. Bij het geval van ongedaanmaking wegens onverschuldigde betaling is, anders dan bij toepassing van artikel 212, niet vereist dat de wederpartij is verarmd: de verstekeling kan er zich niet op beroepen dat het vliegtuig toch niet was volgeboekt. Toerekening van het verrichten van de prestatie aan de ontvanger doet zich bijvoorbeeld voor als een over- eenkomst is vernietigd wegens door de ontvanger gepleegd misbruik van omstandigheden of bedrog, of omdat de wederpartij door een gedraging van de ontvanger heeft gedwaald. Lid 2 is niet van toepassing, als de prestatie naar haar aard wel ongedaanmaking toelaat, doch feitelijke omstandigheden die ongedaanmaking verhinderen - bijvoorbeeld omdat de ontvanger niet meer over de daartoe nodige middelen kan beschikken; alsdan is lid 1 van toepassing met de (gewone) gevolgen van niet-nakoming. Zie ook HR 13-4-2001, NJ 2001, 581 en HR 12-12-2003, NJ 2005, 431.

  2323. Artikel 211 geeft nog een correctie voor een geval waarvoor in de geschiedenis nimmer een geheel bevredigende oplossing is gevonden (enigszins verhuld in de spreuk: nemo suam turpitudinem allegans auditur). Het geval doet zich voor wanneer iemand een ander een beloning toezegt (of betaalt) voor het verrichten van een rechtens of moreel ongeoorloofde handeling; men denke, behalve aan huurmoord, ook bijvoorbeeld aan ambtelijke corruptie voor het verkrijgen van vergunningen, enz. De overeenkomst is nietig, maar daarmee is niet opgelost wat met de beloning moet gebeuren, indien desondanks de overeenkomst door het verrichten van de ongeoorloofde prestatie is uitgevoerd. Zo'n prestatie behoort niet te worden beloond, maar het is evenzeer in strijd met het rechtsgevoel als degene die haar heeft uitgelokt, zijn zin heeft gekregen en bovendien zijn tegenprestatie kan weigeren. Het ontwerp kiest in overeenstemming met het huidige recht volgens HR 28-6-1991, NJ 1992, 787, een soort tussenweg: de ontvanger van de, op grond van een nietige rechtshandeling geleverde, prestatie die naar haar aard niet ongedaan kan worden gemaakt (zie artikel 211) en ook niet op geld behoort te worden gewaardeerd, behoeft zijn toegezegde tegenprestatie - veelal een geldsom - niet te leveren, maar áls hij niettemin heeft betaald, kan hij haar ook niet ongedaan doen maken, voor zover dat deswege - namelijk omdat de prestatie ook niet ongedaan kan worden gemaakt - in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn. In strijd met de redelijkheid en billijkheid zal bijvoorbeeld niet worden geacht teruggave van door chantage afgeperst zwijggeld; degene die heeft betaald is, in zijn verhouding tot de ontvanger, niet uitlokker doch slachtoffer, de geleverde prestatie, het verzwijgen, zal trouwens veelal niet ongeoorloofd zijn. Men bedenke bij de gekozen oplossing dat deze slechts het civielrechtelijke aspect, de verhouding tussen partijen, bestrijkt; voor het dienen van het algemeen belang dient uiteraard een beroep op het strafrecht te worden gedaan. Is ingevolge de nietige overeenkomst onverschuldigd een goed geleverd, dan is er, omdat een geldige titel ontbreekt, geen geldige overdracht (artikel 3:84). Nu de prestatie niet ongedaan mag worden gemaakt, zou het recht op het goed zwevend blijven. In het belang van het rechtsverkeer gedoogt lid 2 hier een "abstracte" wijze van overdracht. Afdeling 6.4.3 - Ongerechtvaardigde verrijking Onder de werking van het huidige BW is het bestaan van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking - ook wel ongegronde vermogensvermeerdering genoemd - zeer betwist geweest. De lagere jurisprudentie heeft haar herhaaldelijk aanvaard, maar een algemene vordering, daartoe strekkend, is door de Hoge Raad bij het arrest van 30-1-1959, NJ 1959, 548 (Quint-te Poel), afgewezen. Volgens de Hoge Raad kan het bestaan van zo'n vordering echter wel worden aanvaard in door de wet niet geregelde gevallen als oplossing die in het stelsel der wet past en aansluit bij wél geregelde gevallen. 2024 -853- No. 164 In artikel 212 wordt het bestaan van de vordering erkend, terwijl haar begrenzing wordt gezocht enerzijds in het vereiste van de elementen "verrijking" en "verarming" en anderzijds in het vereiste dat de verrijking "ongerechtvaardigd" moet worden geacht en dat schadevergoeding slechts wordt verschuldigd "voor zover dit redelijk is". De vordering strekt niet tot teruggave, zoals die uit onverschuldigde betaling, doch tot schadevergoeding: afdeling 6.1.10 is, genuanceerd door de bepalingen van artikel 212, leden 2 en 3, van toepassing. Voor de verhouding tot afdeling 6.4.2 zie de algemene opmerkingen ter zake bij die afdeling. De vordering is niet subsidiair van aard. Bij samenloop kan zij in beginsel worden ingesteld naast die uit onrechtmatige daad (zie echter HR 14-10-1994, NJ 1995, 720: nu het handelen niet onrechtmatig was, was de verrijking in casu niet ongerechtvaardigd), zaakwaarneming of onverschuldigde betaling; zie HR 27-6-1997, NJ 1997, 719. Dit kan leiden tot alternativiteit - schadevergoeding kan maar één keer en dus op één grond worden toegewezen - maar ook tot cumulatie: zo kan naast teruggave uit onverschuldigde betaling schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking door het gebruik van het onverschuldigd betaalde goed worden gevorderd. De mogelijkheid van verarming wordt niet uitgesloten door het enkele feit dat een vordering tot schadevergoeding op andere grond is ontstaan tegen een andere, maar bijvoorbeeld insolvabele, schuldeiser. Is niet voldaan aan de vereisten voor bijvoorbeeld onrechtmatige daad, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, dan kan wel schadevergoeding worden verlangd voor ongerechtvaardigde verrijking, als aan de vereisten van artikel 212 is voldaan.

  2324. Artikel 212 vereist voor de vordering tot schadevergoeding dat er een ongerechtvaardigde verrijking is. Berust de verrijking op een rechtshandeling tussen de verarmde en de verrijkte, dan is zij gerechtvaardigd, mits de rechts- handeling niet nietig of vernietigd is - onevenredigheid van wederzijdse prestaties maakt verrijking niet ongerechtvaardigd. Wél kan een rechtshandeling tussen een persoon en een in eigen naam ten behoeve van een ander handelend tussenpersoon tot een vordering op of schuld aan die ander uit ongerechtvaardigde verrijking aanleiding geven, naast de vordering op of de schuld aan de tussenpersoon uit onverschuldigde betaling - zie de algemene opmerkingen ter zake bij afdeling 6.4.2. Uit het systeem der wet moet volgen of verrijking op grond van een wetsbepaling de verrijking al dan niet rechtvaardigt; vgl. HR 30-1-1959, NJ 1959, 548, hierboven reeds genoemd; vgl. ook het geval van artikel 204 lid 2. Vloeit de verrijking voort uit een wettelijke regel inzake bescherming van de wederpartij of een derde, dan geldt zij als gerechtvaardigd, evenals de verrijking die het gevolg is van het verlopen van een verjarings- of vervaltermijn. Hetzelfde geldt ook voor de eigendomsovergang van een verloren zaak op de vinder en voor de verkrijging van het recht op de vruchten door de bezitter te goeder trouw (artikel 3:120). Ongerechtvaardigd daarentegen wordt verrijking door natrekking, vermenging en zaaksvorming (artikelen 5:14 tot en met 5:16) geacht; zij leidt tot schadevergoeding, in beginsel in geld, doch eventueel in natura (artikel 103). Als verrijking geldt zowel het verkrijgen van voordeel als het ontgaan van nadeel, zoals uitsparing van kosten. Als verarming geldt zowel verlies als derving van winst; het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een ander betekent op zichzelf nog geen verarming (HR 11-4-1986, NJ 1986, 622). De verrijking moet volgens lid 1 zijn bereikt "ten koste van" de verarmde, maar de verrijking behoeft, naar aard noch bedrag, met de verarming overeen te stemmen. Het verschil tussen beide komt echter voor vergoeding niet in aanmerking. Voorts komt de schade slechts voor vergoeding in aanmerking "voor zover dat redelijk is". Het tijdstip waarnaar de schade wordt berekend, is uiteraard in beginsel dat waarop ze is ontstaan, maar de leden 2 en 3 nuanceren dit uitgangspunt door vermindering van de verrijking in bepaalde gevallen de verrijkte niet toe te rekenen - en derhalve als niet toerekenbare schade te behandelen (vgl. artikel 204; zie, conform lid 3 reeds voor het huidige recht HR 29-1-1993, NJ 1994, 172). 2024 -854- No. 164 TITEL 6.5 - OVEREENKOMSTEN IN HET ALGEMEEN Deze titel, met algemene bepalingen omtrent de overeenkomst als bron van verbintenissen, is in een vijftal afdelingen ingedeeld: 6.5.1 - Algemene bepalingen (artikelen 213 tot en met 216); 6.5.2 - Het totstandkomen van overeenkomsten (artikelen 217 tot en met 230); 6.5.3 - Algemene voorwaarden (artikelen 231 tot en met 247); 6.5.4 - Rechtsgevolgen van overeenkomsten (artikelen 248 tot en met 260); 6.5.5 - Wederkerige overeenkomsten (artikelen 261 tot en met 279). Overeenkomstig zijn plaats in Boek 6 behandelt de titel in beginsel slechts de verbintenisscheppende overeenkomst - zie aldus de omschrijving in artikel 213. Het begrip "overeenkomst" als wilsovereenstemming met bepaalde, beoogde, rechtsgevolgen omvat meer dan de verbintenisscheppende overeenkomst. Zo onder andere haar tegendeel, de liberatoire overeenkomst, zoals de kwijtschelding, die partijen van hun verbintenissen ontslaat. Op verschillende terreinen van het recht doen zich voorts zulke overeenkomsten die geen vermogensrechtelijke verbintenissen scheppen, voor, zoals het huwelijk als familierechtelijke overeenkomst en de zakelijke overeenkomsten, gericht op de overdracht van goederen en op de vestiging en afstand van beperkte rechten. Titel 6.5 is op deze vormen niet rechtstreeks van toepassing, maar artikel 216 verklaart een groot aantal bepalingen van de titel - namelijk de afdelingen 6.5.1 tot en met 6.5.4 - van overeenkomstige toepassing, voor zover hun strekking in verband met de aard van die rechtshandelingen zich daartegen niet verzet; zie voor afdeling 6.5.5 de iets beperktere bepaling van artikel 261 lid 2. Voor publiekrechtelijke overeenkomsten houde men bovendien rekening met artikel 3:14. Een belangrijk gevolg is dat aldus aan artikel 248, inzake de norm van redelijkheid en billijkheid een bijzonder ruime werking wordt gegeven. Vgl. ook voor precontractuele verhoudin- gen HR 15-11-1957, NJ 1958, 67. De - verbintenisscheppende - overeenkomst valt onder de categorie der rechtshandelingen. In de eerste plaats zijn op haar derhalve de bepalingen van titel 3.2 van toepassing. Een aantal bepalingen van titel 6.5 is als aanvulling daarop te beschouwen - aldus bijvoorbeeld die van afdeling 6.5.2. Op de verbintenissen die uit de overeenkomst voortvloeien, zijn uiteraard de titels 6.1 en 6.2 van toepassing; afdeling 6.5.5 geeft daarop bijvoorbeeld aanvulling voor het opschortingsrecht bij en de ontbinding wegens niet-nakoming van wederkerige overeenkomsten. De bijzondere regels over de "benoemde" overeenkomsten zullen in Boek 7 worden vastgesteld. Afdeling 6.5.1 - Algemene bepalingen De afdeling houdt algemene bepalingen van verschillende inhoud in.

  2325. Artikel 213 lid 1, is hierboven reeds ter sprake gekomen. Lid 2 geeft een beperkende bepaling met betrekking tot "meerpartijen-overeenkomsten": zij geven moeilijkheden in de praktijk, omdat twee partijen niet zonder meer tegenover elkaar staan, maar met meer personen aan dezelfde rechtsverhouding deelnemen: de vraag is dan, of en hoe de verhouding tussen hen de verhouding met die anderen kan en mag beïnvloeden; zie voor nadere bepalin- gen artikel 279. Op dit terrein, waarop de verhoudingen telkens verschillend zijn, zal veel, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aan de rechter moeten worden overgelaten. In het Nederlandse BW houdt artikel 214 een aantal bepalingen omtrent de zgn. standaardregeling in, dat wil zeggen een regeling omtrent een bepaalde overeenkomst, die door een van overheidswege aangewezen commissie kan worden vastgesteld voor een bepaalde bedrijfstak of een bepaald bedrag. In Nederland is overigens van de mogelijkheid hiertoe nog geen gebruik gemaakt. Ook hier te lande lijkt de behoefte aan vaststelling van zo’n regeling zeer gering, zo mogelijk nog geringer dan in Nederland met zijn meer geformaliseerde structuren. Voorgesteld wordt dan ook het artikel hier niet over te nemen. 2024 -855- No. 164

  2326. Artikel 215 geeft een vuistregel voor de zgn. gemengde overeenkomst, die onder de omschrijving van twee (of meer) benoemde overeenkomsten valt, zodat er zich een geval van samenloop van wetsbepalingen voordoet; een bekend voorbeeld is de pensionovereenkomst, die aspecten van huur, voedselverstrekking door koop en dienstbetoon in zich verenigt. Artikel 215 kiest als uitgangspunt voor cumulatie, dat wil zeggen. dat de bepalingen omtrent beide, eventueel alle typen, van toepassing zijn. Bij strijd zal men echter moeten kiezen, evenals wanneer een wettelijke bepaling voor een der overeenkomsten niet strookt met de aard der bijzondere overeenkomst. Vgl. artikel 1613c van het huidige BW, dat in geval van strijd de arbeidsovereenkomst, met haar dwingend recht, laat prevaleren. Het belang van de schakelbepaling van artikel 216 is hierboven, onder de algemene opmerkingen bij deze titel, reeds toegelicht. Afdeling 6.5.2 - Het totstandkomen van overeenkomsten De afdeling geeft een aantal bijzondere, voor overeenkomsten geldende, bepalingen naast die welke artikel 3:2 voor rechtshandelingen in het algemeen bevat. Voor de totstandkoming beperkt zij zich tot de - enigszins schematische - voorstelling van totstandkoming door aanvaarding van een aanbod (artikel 217 lid 1). In de praktijk komen ingewikkelde overeenkomsten gewoonlijk in een proces van onderhandelingen tot stand. Zie HR 18-6-1982, NJ 1983, 723 (Plas-Valburg) en, na een voorstel tot vastlegging daarvan in het nieuwe BW, HR 23-10-1987, NJ 1988, 1017, HR 31-5-1991, NJ 1991, 647, HR 16- 6-1995, NJ 1995, 705, HR 24-11-1995, NJ 1996, 160 en HR 12-8-2005, NJ 2005, 467. Hieromtrent geven de arresten het volgende beeld. Onderhandelende partijen zijn verplicht hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten leiden; ieder van hen is vrij de onderhandelingen af te breken, tenzij dat op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn. In die situatie, namelijk wanneer partijen door onderhandelingen op hoofdpunten reeds overeenstemming hebben bereikt, kan er ook plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding voor gederfde winst. Een verplichting tot vergoeding van de in het kader van de voorafgaande onderhandelingen gemaakte kosten kan voorts bestaan als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zijn geraakt dat de ene partij te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wél in een stadium dat zulk afbreken hem in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door de andere partij gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening te nemen. Ook als partijen anders dan door "onderhandelen" betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, zal in het algemeen dezelfde maatstaf als bij afgebroken onderhandelingen moeten worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of het afbreken tegenover de wederpartij onaanvaardbaar is. De artikelen 217 tot en met 225 houden regels omtrent aanbod en aanvaarding in. Artikel 226 heeft betrekking op de vorm van voorovereenkomsten, artikel 227 op de bepaalbaarheid van de inhoud van overeengekomen verbin- tenissen. De artikelen 228 tot en met 230, betreffende dwaling en voortbouwende overeenkomst, regelen enige gebreken die aan de overeenkomst bij haar totstandkoming kunnen kleven.

  2327. Artikel 217 lid 1 geeft de hierboven besproken grondregel omtrent aanbod en aanvaarding weer. Een uitnodiging om te onderhandelen, zoals bij een advertentie waarin een bepaald goed, bijvoorbeeld een huis, te koop of te huur aan het publiek wordt "aangeboden", is nog geen aanbod in de zin van het artikel - de adverteerder verplicht zich daarmee niet de overeenkomst te sluiten met iemand die op de uitnodiging ingaat (HR 1-4-1981, NJ 1981, 532). Een openbaar aanbod (in de zin van het artikel) zal gewoonlijk gelden onder het voorbehoud "zolang de voorraad strekt". Aanbod en aanvaarding zijn rechtshandelingen; voor de vereisten daaraan te stellen, zie de artikelen 3:32 e.v., voor hun werking zie artikel 218 met toelichting. 2024 -856- No. 164 Lid 2 geeft aan de artikelen 219 tot en met 225 het karakter van aanvullende bepalingen. Onder "andere rechtshandeling" kunnen worden verstaan de uiterste wil en de statuten van een rechtspersoon.

  2328. Artikel 218 houdt een bijzondere regel voor het aanbod in. Vanaf de aanvaarding is de totstandgekomen overeenkomst een meerzijdige rechtshandeling en als zodanig geldig, vernietigbaar of nietig. Artikel 218 heeft tot gevolg dat de regels hiervoor ook reeds voor een (nog) niet aanvaard aanbod gelden. Voor een tot een bepaald persoon gericht aanbod maakt het overigens nauwelijks uit, of het als eenzijdig of als meerzijdig geldt: zie artikel 3:32 lid 2 en artikel 3:34 lid 2. Aanvaarding van het aanbod leidt tot de overeenkomst, waarin de aanvaarding, evenals het aanbod, ophoudt zelfstandig te zijn - vraagstukken van geldigheid, nietigheid en vernietigbaarheid hebben dan niet meer het aanbod of de aanvaarding afzonderlijk tot onderwerp, doch de overeenkomst zelf.

  2329. Artikel 219 lid 1, gaat ervan uit dat een aanbod in beginsel herroepelijk is; is een termijn voor aanvaarding gesteld, dan wordt in beginsel aangenomen dat het gedurende die termijn onherroepelijk is. De overeenkomst komt, krachtens artikel 3:37 lid 3, tot stand op het tijdstip dat de verklaring van (gave) aanvaarding de aanbieder bereikt. Lid 2 geeft regels omtrent de vraag gedurende welke periode het aanbod uiterlijk nog geldig kan worden herroepen. De eerste zin verkort die periode tot het tijdstip van de verzending van de aanvaarding, maar de tweede zin verlengt die voor het, als vrijblijvend gedaan aanbod tot na de aanvaarding, mits de herroeping onverwijld, dat wil zeggen zonder nodeloze vertraging, geschiedt; zie voor intrekking van het aanbod artikel 3:37 lid 5. Lid 3 duidt de optie als een onherroepelijk aanbod. Een uitloving, waarbij een beloning voor een bepaalde prestatie wordt toegezegd, wordt in artikel 220 gezien als een (openbaar) aanbod. Wordt dit aanbod voor een bepaalde tijd gedaan, dan geldt het gedurende die tijd volgens artikel 219 lid 1 als onherroepelijk. Artikel 220 laat echter, in afwijking daarvan, herroeping of wijziging wegens gewichtige redenen wel toe. Wordt het aanbod, hetzij krachtens lid 1, hetzij volgens de bepalingen van het aanbod zelf, hetzij wanneer het voor onbepaalde tijd is gedaan, herroepen of gewijzigd, dan kan volgens lid 2 een billijke schadeloosstelling op haar plaats zijn - vgl. de in de algemene opmerkingen van de toelichting bij deze afdeling vermelde arresten.

  2330. Artikel 221 geeft nog enkele, niet dwingende, regels voor het aannemen van het vervallen van een aanbod.

  2331. Artikel 222 geeft eveneens enkele regels van aanvullende aard omtrent omstandigheden die een aanbod niet doen vervallen. Ook faillietverklaring van de aanbieder doet het aanbod niet vervallen, doch voor een door aanvaarding daarvan totstandgekomen overeenkomst gelden, met betrekking tot de boedel, de gewone faillissementsregels. Wordt een aanbod te laat aanvaard, dan geldt het als vervallen (artikel 221), maar artikel 223 nuanceert deze regel.

  2332. Artikel 224 bepaalt het tijdstip waarop een overeenkomst tot stand komt, indien een aanvaarding de aanbieder niet of tijdig bereikt en niettemin werking heeft.

  2333. Artikel 225 lid 1 laat in beginsel een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, gelden als een nieuw aanbod en als verwerping van het eerste. Lid 2 verzacht dit gevolg. Lid 3 geeft een speciale, niet dwingende, regel voor de gelding van algemene voorwaarden, als aanbod en aanvaarding naar verschillende van zulke voorwaarden verwijzen ("battle of forms"). Als uitdrukkelijke afwijzing zal niet gelden enkele verwijzing naar "eigen" voorwaarden, als standaard op brief- papier gedrukt. Afwijking van de regels van lid 3 kan worden aangenomen, indien partijen reeds eerder onder bepaalde algemene voorwaarden met elkaar hebben gehandeld en de wil tot afwijking niet duidelijk blijkt. Of men kan zeggen dat de algemene voorwaarden zijn aanvaard als zij pas in een later stadium, dat van de 2024 -857- No. 164 bevestiging van de order of de factuur, te berde worden gebracht, hangt van de omstandigheden af. Is vóór de bevestiging de overeenkomst door aanbod en aanvaarding reeds "compleet", dan kan de ene partij de ander geen algemene voorwaarden meer opdringen. Is het aanbod echter nog maar globaal gedaan en aanvaard en behoeft het nadere uitwerking, dan is er voor de algemene voorwaarden nog ruimte en geeft lid 3 een regeling voor eventuele botsing. Zie HR 10-6-1994, NJ 1994, 611.

  2334. Artikel 226 geeft een regel omtrent de vorm van voorovereenkomsten, dat wil zeggen overeenkomsten waarbij ten minste een der partijen zich ertoe verbindt in de toekomst en al dan niet onder zekere voorwaarden, een bepaalde overeenkomst, of overeenkomsten van een bepaalde soort, met de wederpartij of een derde aan te gaan. De overeenkomst waartoe de voorovereenkomst verbindt, kan aan een vormvoorschrift zijn onderworpen dat strekt tot bescherming van een der partijen. Teneinde te voorkomen dat die partij zonder inachtneming van een dergelijk voorschrift zich bij de voorovereenkomst verplicht tot het sluiten van de (hoofd)overeenkomst en zo in feite het tot zijn bescherming strekkende voorschrift zou worden ontkracht, stelt het artikel dat ook voor de voorovereenkomst een soortgelijk vormvoorschrift voor de geldigheid is vereist. Men denke aan de vormvoor- schriften die gelden voor schenking en huurkoop; het vormvoorschrift voor de oprichting van een naamloze vennootschap geldt echter niet voor een voorovereenkomst tot oprichting, omdat het niet de strekking heeft, de oprichters zelf te beschermen. Zie voor particuliere borgtocht nog artikel 7:859 lid 3 dat echter een bewijsvoorschrift behelst. De sanctie op artikel 226 zal in de regel vernietigbaarheid van de voorovereenkomst zijn: zie artikel 3:40 lid 2.

  2335. Artikel 1341, onderdeel ten 3, stelt thans aan de bestaanbaarheid van een overeenkomst het vereiste van "een bepaald onderwerp", een vereiste dat in artikel 1354 wordt uitgewerkt. In de rechtspraak - zie bijvoorbeeld HR 13-1-1938, NJ 1938, 566 en HR 14-6-1968, NJ 1968, 331 - is het vereiste soepel uitgelegd, in die zin dat de verbintenissen van partijen bepaalbaar behoren te zijn: waartoe partijen zich precies hebben verbonden, moet, eventueel achteraf, aan de hand van de bij de overeenkomst gestelde criteria zijn vast te stellen. Zo kan die nadere vaststelling zijn opgedragen aan een der partijen of aan een derde, die zich daarbij naar de eisen van redelijkheid en billijkheid moet gedragen. Deze opvatting is nu in artikel 227 van het ontwerp neergelegd. Vgl. het iets scherper geformuleerde vereiste van artikel 3:84 lid 2, voor de titel van een overdracht, die onder meer verhindert dat iemand al zijn toekomstige vorderingen aan een ander overdraagt. Voor het vereiste van redelijkheid en billijkheid bij de nadere vaststelling zie onder het nieuwe recht artikel 7:904 (vaststellingsovereenkomst).

  2336. Artikel 227a Dit artikel, dat ontbreekt in de Wet overeenkomsten langs elektronische weg, beoogt het sluiten van overeenkomsten die op grond van de wet in schriftelijke vorm tot stand moeten komen, eveneens langs elektronische weg mogelijk te maken. Het artikel bepaalt aan welke voorwaarden daarvoor moet zijn voldaan, hetgeen de rechtszekerheid dienaangaande vergroot en de elektronische handel bevordert. De bepaling is ontleend aan het corresponderende Nederlandse artikel 6:227a, ingevoerd bij Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel van 13 mei 2004, Stb. 210 (Kamerstukken 28 197); de onderstaande toelichting is ontleend aan de Nederlandse Memorie van Toelichting (nr.3, p. 51 e.v.). Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat de onderhavige bepaling uitsluitend geldt voor het langs elektonische weg sluiten van overeenkomsten die op grond van de wet in schriftelijke vorm tot stand dienen te komen, willen zij geldig of onaantastbaar zijn. Dit artikel bevat derhalve geen dwingendrechtelijke regeling ten aanzien van overeenkomsten waarvoor geen wettelijke vormvereisten gelden, zodat partijen daarbij vrij zijn om een afwijkende regeling te treffen. Het wordt niet noodzakelijk geacht om een bepaling in de wet op te nemen die het sluiten van overeenkomsten langs elektronische weg in het algemeen mogelijk maakt. Uit artikel 6:217 vloeit voort dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding, beide rechtshandelingen waarop Boek 3, titel 2, van overeenkomstige toepassing is. Aanbod en aanvaarding zijn verklaringen die ingevolge artikel 3:37 lid 1 in iedere vorm kunnen geschieden, tenzij anders is bepaald. Hieruit volgt dat voor de totstandkoming van een overeenkomst in beginsel geen vormvereiste geldt en deze tevens elektronische weg kan geschieden. 2024 -858- No. 164 Vormvereisten worden in het algemeen voorgeschreven, omdat zij voor betrokkenen bepaalde warborgen met zich meebrengen en zodoende de rechtszekerheid bevorderen. De beoogde waarborgen kunnen verschillen, afhankelijk van de aard van de overeenkomst en de partijen. Zo zal het op schrift stellen van een overeenkomst in de praktijk veelal ter bescherming van partijen strekken en uitsluitend bieden over wie deze zijn, de inhoud van de overeenkomst en het tijdstip van totstandkoming. Het is derhalve wenselijk te verzekeren dat een daarmee rechtens gelijk te stellen overeenkomst die langs elektronische weg tot stand komt een vergelijkbare mate van zekerheid biedt. Zonder aanvullende maatregelen te nemen, kan bij het sluiten van een overeenkomst via het internet bijvoorbeeld moeilijk vastgesteld worden wie de contractspartijen zijn, omdat het internet een betrekkelijk anonieme omgeving is. Voorts kan de inhoud van een elektronisch vastgelegde overeenkomst ongemerkt gewijzigd worden, indien deze daar niet tegen beveiligd is. Om te bewerkstelligen dat een langs elektronische weg totstandgekomen overeenkomst garanties biedt die gelijkwaardig zijn aan die van een op papier vastgelegde overeenkomst, wordt in lid 1 een viertal vereisten dienaangaande gesteld. Een langs elektronische weg gesloten overeenkomst die voldoet aan de in lid 1 genoemde voorwaarden wordt gelijkgesteld aan een schriftelijk totstandgekomen overeenkomst. Bij het hanteren van deze vereisten dient steeds te worden bedacht dat het artikel een rechtens gelijke behandeling van schriftelijk en langs elektronische weg totstandgekomen overeenkomsten beoogt. Dit zal bijvoorbeeld meebrengen dat voor de invulling van de in de onderdelen b, c en d genoemde relatieve maatstaven (‘in voldoende mate’; ‘met voldoende zekerheid’) aansluiting zal moeten worden gezocht bij het ‘paperen’ rechtsverkeer. Evenmin, bijvoorbeeld, als in het geval van een op papier gestelde, gedateerde en ondertekende overeenkomst in het algemeen zal kunnen worden gezegd dat daarmee het moment van totstandkoming en de identiteit van partijen vaststaat, zal dit voor de geldigheid van dezelfde, maar dan langs elektronische weg totstandgekomen overeenkomst kunnen worden geëist. Voor gelijkstelling is niet nodig dan dat een gelijke mate van zekerheid bestaat omtrent deze feiten. Met behulp van het woord ‘voldoende’ kan hier de grens op de juiste plaats worden getrokken. Voorts dient te worden bedacht dat het artikel niet meer doet dan aangeven in welke gevallen bedoelde gelijkstelling in ieder geval plaatsvindt. Het is derhalve zelfs niet ondenkbaar dat de rechter daarnaast in een concreet geval tot de conclusie komt dat gelijkstelling op zijn plaats is, ook al is niet aan alle vier genoemde voorwaarden voldaan. Gedacht kan worden aan een geval, waarin kan worden vastgesteld dat de eis van schriftelijkheid door de wetgever uitsluitend werd gesteld met het oog op de bewijsbaarheid van hetgeen tussen partijen is overeengekomen. Een langs elektronische weg totstandgekomen overeenkomst die raadpleegbaar door partijen is en waarvan de authenticiteit in voldoende mate is gewaarborgd – een overeenkomst dus die voldoet aan het in lid 1 onderdelen a en b gestelde – vervult in dat bijzondere geval alle functies die de wetgever met het stellen van de eis van schriftelijkheid beoogde te waarborgen en behoort derhalve rechtens met een schriftelijke overeenkomst gelijk te worden gesteld. Afgezien van deze bijzondere gevallen echter geldt dat in de praktijk voor gelijkstelling aan de vier in lid 1 genoemde voorwaarden moet zijn voldaan. De eerste voorwaarde (onderdeel a) is dat de elektronische overeenkomst raadpleegbaar moet zijn door de partijen bij de overeenkomst. Deze dient op zodanige wijze te worden vastgelegd, dat de partijen in staat zijn om de inhoud daarvan ter latere kennisneming te ontsluiten en te bewaren. Dit vereiste kan meebrengen dat de partij, die daarbij gebruik wil maken van een bepaalde techniek, gehouden zal zijn om de wederpartij over de juiste technische middelen te doen beschikken om de inhoud van de overeenkomst te kunnen raadplegen, indien deze daarover niet beschikt. Daarbij kan onder meer van belang zijn of gekozen wordt voor een bijzondere techniek of voor een techniek waarover een gebruiker in het algemeen geacht mag worden te beschikken. Een voorbeeld van een bijzondere techniek waar niet iedereen op dit moment over beschikt, is speciale encryptiesoftware als PGP (‘Pretty Good Privacy’), waarmee een elektronisch bestand kan worden versleuteld. Om de inhoud daarvan te kunnen raadplegen, zal de gebruiker naast de juiste sleutel meestal ook over dergelijke encryptiesoftware moeten kunnen beschikken. Wordt de overeenkomst echter ‘on-line’ raadpleegbaar gemaakt na het intikken van een persoonlijke code op een internetpagina, dan is dat een techniek waarvan in beginsel verondersteld mag worden dat eenieder daarover in het algemeen beschikt, omdat hiervoor slechts een ‘webbrowser’ nodig is, die tegenwoordig op vrijwel alle computers standaard is geïnstalleerd. 2024 -859- No. 164 Door het stellen van een overeenkomst op een papieren geschrift ontstaat een bepaalde zekerheid omtrent de inhoud daarvan, omdat manipulatie naderhand vaak op zal vallen. Partijen alsook derden kunnen derhalve in de regel vertrouwen op de juistheid van een papieren geschrift. De inhoud van elektronische berichten of bestanden kan daarentegen vrij eenvoudig en ongemerkt gemanipuleerd worden, indien er niet voldoende maatregelen zijn genomen ter beveiliging daarvan. Daarom wordt als tweede voorwaarde (onderdeel b) gesteld dat de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd is. Ter uitvoering van dit voorschrift dienen partijen de elektronische overeenkomst op zodanige wijze vast te leggen dat er in voldoende mate vertrouwd kan worden op de juistheid van de inhoud daarvan. Afgezien de woorden ‘in voldoende mate’ een relatief criterium vormen, zal het antwoord op de vraag of hieraan voldaan wordt, mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, zoals de stand van de techniek, de aard van de overeenkomst en de hoedanigheid van de partijen. Tevens kan van belang zijn of aan het gebruik van een veiliger techniek dan de daadwerkelijk gebruikte bijvoorbeeld kosten verbonden zouden zijn geweest die gelet op het belang van de overeenkomst disproportioneel moeten worden geacht. Partijen kunnen aan de onderhavige voorwaarde voldoen door een overeenkomst in een elektronisch bestand vast te leggen dat voorzien is van een elektronische handtekening zoals omschreven in de Wet overeenkomsten langs elektronische weg, omdat de elektronische handtekening op zodanige wijze aan het bestand wordt verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens opgespoord kan worden. De derde voorwaarde (onderdeel c) is dat het moment van de totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Deze eis wordt gesteld, omdat het in veel gevallen belangrijk is om te weten op welk tijdstip een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, bijvoorbeeld om te kunnen bepalen vanaf wanneer partijen verplichtingen ten opzichte van elkaar hebben of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die uit de overeenkomst voortvloeit. Of het moment van totstandkoming van de overeenkomst ‘met voldoende zekerheid’ kan worden vastgesteld, is mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de stand van de techniek, de aard van de overeenkomst en de hoedanigheid van partijen. Indien bijvoorbeeld door uitwisseling van elektronische post wordt beoogd een overeenkomst tot stand te doen komen die ‘schriftelijk’ moet geschieden, dan zal ten aanzien van de onderhavige voorwaarde doorgaans voldoende zijn dat vastgesteld kan worden op welk tijdstip de aanbieder de aanvaarding ontvangen heeft, omdat daarmee in het normale geval het moment van totstandkoming vaststaat. Omdat bewijs van het moment van ontvangst van elektronische post bij de huidige stand van de techniek echter fraudeerbaar is door partijen met enige technische kennis, mag naarmate de belangen bij de overeenkomst groter zijn, eerder verwacht worden dat partijen deugdelijke maatregelen nemen om te waarborgen dat het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst kan worden vastgesteld. Bij het sluiten van een overeenkomst in schriftelijke vorm is meestal duidelijk wie de partijen zijn; zij zullen bijvoorbeeld aanwezig zijn bij het op papier stellen van de overeenkomst of een ondertekend contract aan de wederpartij doen toekomen, indien deze per post wordt uitgewisseld. In de praktijk wordt de handtekening in het laatste geval veelal voldoende geacht om een partij te identificeren. De identiteit van de persoon die zich in de informatiemaatschappij begeeft, is echter veel moeilijker vast te stellen. Zo moeten dienstverleners erop vertrouwen dat afnemers hun juiste identiteit opgeven, terwijl aanbod en aanvaarding via elektronische post geen garanties dienaangaande bieden, onder meer omdat een e-mailadres eenvoudig onder opgave van een valse identiteit verkregen kan worden. Om toch een redelijke mate van zekerheid te hebben dat partijen bij overeenkomsten, waarover een schriftelijke vormvereiste geldt en die langs elektronische weg totstandkomen elkaar kunnen identificeren, is de vierde voorwaarde (onderdeel d) opgenomen. Deze houdt in dat de identiteit van partijen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld op het moment dat de overeenkomst langs elektronische weg wordt gesloten. Partijen kunnen bijvoorbeeld hieraan voldoen door de overeenkomst van een elektronische handtekening te voorzien, zoals omschreven in de Wet overeenkomsten langs elektronische weg. Voor zover een vormvereiste meebrengt dat een schriftelijke overeenkomst ondertekend moet worden om tot stand te kunnen komen, zijn partijen verplicht om deze elektronisch te ondertekenen. Ingevolge artikel 7:2 lid 1, moet elke koop van een onroerende zaak schriftelijk worden aangegaan (zie ook de schakelbepaling artikel 7:47 BW). Deze koop zal ingevolge het onderhavige artikel 6:227a ook elektronisch kunnen totstandkomen. Partijen kunnen echter niet worden gedwongen een overeenkomst tot koop langs 2024 -860- No. 164 elektronische weg te sluiten. Het onderhavige voorstel biedt partijen alleen een keuzemogelijkheid tussen een schriftelijke en een elektronische mogelijkheid. Bij het sluiten van overeenkomsten is het in alle gevallen van belang dat partijen zich ervan gewissen, waarmee zij instemmen. Om die reden bepaalt artikel 7:2 lid 2 dat, indien het gaat om een woning en de koper een ‘consument’ is, dat de koper drie dagen bedenktijd heeft. Die bedenktijd geldt zowel indien de overeenkomst schriftelijk als langs electronische weg tot stand is gekomen. Te bedenken valt dat de huidige praktijk vaak is dat ook indien de koopovereenkomst schriftelijk tot stand komt, de concepten daarvan over en weer per emailbericht zijn verzonden. Voor de elektronische akte, zie artikel 135a Rv nieuw. Lid 2 van het onderhavige artikel 227a sluit de werking van lid 1 in het algemeen uit voor overeenkomsten, waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de rechter, een overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een publieke taak uitoefent. Voor het sluiten van deze overeenkomsten wordt het, in het bijzonder gelet op de aard van de overeenkomsten waar het hier om gaat, wenselijk geacht om vooralsnog onverkort vast te houden aan de vormvereisten die in de fysieke wereld gelden. In artikel 3:44 is een opsomming gegeven van wilsgebreken die in beginsel iedere rechtshandeling vernietigbaar maken: bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden. Aan die opsomming ontbreekt dwaling, omdat de regels daarvoor niet zonder meer op eenzijdige rechtshandelingen, zoals de uiterste wil, toegepast kunnen worden. Voor de meerzijdige rechtshandelingen, overeenkomsten en, via artikel 216, meerzijdige rechtshandelingen van andere aard, stelt artikel 28 hier de regels (zie echter voor de verdeling van een gemeenschap artikel 3:199 en voor dwaling in het kader van een verzekeringsovereenkomst artikel 7:931). Als dwaling in de zin van artikel 228 wordt niet beschouwd de zgn. oneigenlijke dwaling, het geval waarin een partij iets anders verklaart dan hij bedoelt; zie hiervoor de artikelen 3:33 tot en met 3:35. De vorm waarin artikel 228 is gegoten, wijkt in sterke mate af van die van het huidige artikel 1343 BW, maar zij sluit wel aan bij de ontwikkeling die het leerstuk der dwaling in rechtspraak en literatuur heeft ondergaan. Zie in dit verband in het bijzonder HR 15-11-1957, NJ 1958, 67 (Baris-Riezenkamp): door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst komen partijen tot elkaar te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding; deze brengt mee dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen der wederpartij. Dwaling kan in het algemeen worden omschreven als het hebben van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van het sluiten van een overeenkomst. Niet elke dwaling geeft aanleiding tot de bevoegdheid tot vernietiging daarvan. In de eerste plaats moet daartoe de dwaling haar grond vinden in de een onjuiste voorstelling omtrent bestaande feiten. Onjuiste toekomstver- wachtingen geven op zichzelf geen grond tot een vernietiging (artikel 228 lid 2; HR 10-6-1932, NJ 1933, 5); wel echter, als die verwachtingen zijn gebaseerd op ten onrechte veronderstelde omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (HR 21-1-1966, NJ 1966, 183, Booy-Wisman). Vervolgens is vereist dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken in het geheel niet of alleen op andere voorwaarden zou zijn gesloten (artikel 228 lid 1, inleiding) - de omstandigheid waaromtrent is gedwaald, moet voor het sluiten van de overeenkomst essentieel zijn geweest. Voorts geldt in het algemeen dat men gehouden is om zelf binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat men de overeenkomst sluit onder invloed van onjuiste voorstellingen (HR 15-11-1957, NJ 1958, 67, Baris-Riezenkamp). Op inlichtingen van bevoegden en deskun- digen zal men in het algemeen mogen afgaan zonder eigen nader onderzoek, ook al blijken de inlichtingen achteraf onjuist te zijn geweest (zie HR 13-2-1981, NJ 1981, 441). Om die reden wordt een, tot vernietiging leidend, beroep op dwaling slechts in drie gevallen toegekend: a. een door de wederpartij gegeven misleidende inlichting; b. een ten onrechte door de wederpartij verzwegen inlichting; c. wederzijdse dwaling. In al deze gevallen is bovendien op verschillende wijze uitgedrukt dat de wederpartij moet hebben begrepen dat de omstandigheid waaromtrent werd gedwaald, van essentieel belang voor het sluiten van de overeenkomst was (zgn. eis der kenbaarheid). In de onderdelen a en c is dit vereiste in een "tenzij"-formule gevat, hetgeen tot gevolg heeft dat de bewijslast in beginsel op de wederpartij rust. 2024 -861- No. 164 Ad a: In het algemeen mag men afgaan op (serieuze) inlichtingen die de wederpartij verstrekt - redelijkheid en billijkheid zullen zich ertegen verzetten dat de wederpartij ter afwering van een beroep op dwaling aanvoert dat ten onrechte op de juistheid van haar mededelingen is vertrouwd (HR 21-1-1966, NJ 1966, 183, hierboven reeds vermeld). De inlichtingen kunnen ook in een eerder stadium dan dat van het aangaan van de overeenkomst zijn gedaan (HR 16-6-2000, NJ 2001, 559). Ad b: Of spreekplicht bestaat, hangt van de concrete omstandigheden van het geval af, vgl. HR 19-6-1953, NJ 1960, 59 (Kantharos van Stevensweert) en HR 25-4-1947, NJ 1947, 270 (alimentatieregeling). Zie voorts naast elkaar HR 30-11-1973, NJ 1974, 97 en HR 18-4-1986, NJ 1986, 747, voor de vraag wie onderzoek moet doen en voor wiens risico het komt, indien een essentiële inlichting niet wordt gegegven. Dat een bedongen prestatie elders goedkoper, in een betere vorm, op betere voorwaarden of met minder ongemak is te verkrijgen, leidt voor wederpartij die daarvan op de hoogte is, nog niet tot een spreekplicht. Zie voorts HR 19-5-1995, NJ 1997, 648 (voor kredietverlening om met behulp daarvan te kunnen deelnemen in een onder- neming, geldt niet de voor particuliere borgtocht door HR 1-6-1990, NJ 1991, 759 aangenomen verplichting tot voorlichting over risico's). Ad c: Voor toepasselijkheid van de dwalingsregeling in dit geval is vereist dat ook voor de wederpartij van de dwalende de ten onrechte veronderstelde omstandigheid een rol heeft gespeeld: ook zij moet daarvan zijn "uitgegaan". Met de beweegredenen van de ander om de overeenkomst aan te gaan, heeft de wederpartij niet te maken, indien deze voor haarzelf voor het aangaan van de overeenkomst niet relevant zijn, ook al is het belang voor de dwalende aan haar kenbaar. Aldus bijvoorbeeld indien iemand een bruiloftscadeau koopt en de bestemming ook aan de verkoper meedeelt, doch geen van beiden weet dat de verloving inmiddels is verbroken - voor de verkoper is dit alles niet van belang en van wederzijdse dwaling die tot toepassing van artikel 228 lid 1 kan leiden, kan hier dan ook niet worden gesproken. Lid 2 noemt, naast dwaling in een uitsluitend toekomstige omstandigheid - zie hierboven - nog een algemene negatieve omstandigheid die een beroep op dwaling in de weg staat, namelijk dat op grond van de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven. De rechter moet de verschillende omstandigheden in concreto afwegen: vgl. HR 15-4-1994, NJ 1995, 614. Zie voor de aard der overeenkomst artikel 1879 lid 2 inzake dading, een overeenkomst die onder het nieuwe recht in de regeling der vaststellingsovereenkomst (afdeling 7.15) zal opgaan; zie in dit verband ook HR 15-11-1985, NJ 1986, 228. Ook in andere overeenkomsten zal een beroep op dwaling uitsluitende onzekerheid vaak al zijn verdisconteerd, bijvoorbeeld bij de koop van een ongesigneerd schilderij. Van de overwegingen in de bij dit artikel aangehaalde arresten zal veel in de verkeersopvattingen steun vinden. Een beroep op rechtsdwaling is niet uitgesloten, maar zal toch niet al te spoedig mogen worden aanvaard. Een verkoper zal door zijn aanbod in beginsel zijn beroep op dwaling verspelen: blijkt achteraf dat de zaak onvermoede hoedanigheden had, dan kan hij haar niet door vernietiging van de verkoop terugkrijgen, tenzij bijvoorbeeld de koper als deskundige beter wist (HR 19-6-1959, NJ 1960, 59). Voor de gevolgen van een beroep op dwaling zie titel 3.2, alsmede nog artikel 230.

  2337. Artikel 229 Het huidige recht behelst de uitdrukkelijke bepaling dat voor de geldigheid van een overeenkomst een "geoorloofde oorzaak" is vereist (artikel 1341, onderdeel ten 4, van het BW) - zo is een overeenkomst zonder oorzaak krachteloos (artikel 1356). Daargelaten de vraag, wat "oorzaak" in dit verband betekent - waarover veel strijd is gevoerd -, naast het terrein, bestreken door de reeds bekende gronden van nietigheid (artikel 3:40) en de wilsgebreken (artikelen 3:44 en 6.228) enerzijds en dat van de niet-nakoming (afdeling 6.1.9) anderzijds, blijft er slechts weinig plaats voor een overeenkomst zonder oorzaak. Zo wordt het klassieke geval van koop van eigen zaak opgelost door hetzij de bepalingen omtrent dwaling, hetzij die omtrent niet-nakoming toe te passen. 2024 -862- No. 164 Er blijven slechts over overeenkomsten die voortbouwen op een rechtsverhouding en beogen die te wijzigen, nader vast te stellen, op te heffen (schuldvernieuwing), voort te zetten of over de uitvoering nadere regels te geven, terwijl blijkt dat die rechtsverhouding niet bestaat; zie voor zo’n geval HR 9-9-1994, NJ 1995, 270, inzake een opvolgende verzekering. Weliswaar zal ook hier meestal aan de vereisten voor dwaling zijn voldaan, maar nodig is dit niet. Voor zulke gevallen is artikel 229 geschreven. Omdat deze dicht naast dwaling liggen, is er ter voorkoming van nodeloze haarkloverij voor gezorgd dat de regeling geheel aansluit bij die der dwaling, zowel wat het rechtsgevolg der vernietigbaarheid betreft, als ten aanzien van de maatstaven der niet toepasselijkheid ("tenzij .....").

  2338. Artikel 230 behelst voor de dwaling en de voortbouwende overeenkomst dezelfde bepaling als artikel 3:54 voor misbruik van omstandigheden; naar de toelichting op dat artikel zij verwezen. Zie ook HR 18-1-2002, NJ 2002, 106. Afdeling 6.5.3 - Algemene voorwaarden Talrijke contracten worden tegenwoordig mede geregeld door zgn. algemene voorwaarden, die een ondernemer pleegt te bedingen voor overeenkomsten van een bepaald type. Soms worden ze opgesteld door de ondernemer zelf, soms door zijn organisatie of door enige organisaties in onderling overleg. Ook de overheid en semi-overheid maken er, bijvoorbeeld voor de levering van gas, water en elektriciteit en van vervoersdiensten, gebruik van. Het voordeel van zulke algemene voorwaarden is duidelijk: er behoeft niet telkens opnieuw over allerlei details te worden onderhandeld, voor allerlei mogelijke bronnen van geschillen worden bij voorbaat regels gesteld. Nadelen zijn dat de voorwaarden (meestal) eenzijdig worden vastgesteld, in het bijzonder door leveranciers van goederen en diensten en als zodanig het gevaar lopen van onevenwichtigheid ten opzichte van de afnemers en dat deze laatsten de inhoud veelal niet of nauwelijks (kunnen) kennen ("kleine lettertjes", verwijzing naar publicatie elders). Een bijzondere wettelijke regeling bestaat thans niet. Wel zijn de problemen, onder meer ten aanzien van exoneratiebedingen, aan de orde gekomen in de rechtspraak: zie HR 19-5-1967, NJ 1967, 261 (Saladin-HBU), HR 20-2-1976, NJ 1976, 486 (Pseudo-vogelpest), HR 25-4-1986, NJ 1986, 714 (gemeente Smilde) en HR 16-1- 1987, NJ 1987, 553 (Hooyen-Tilburgse Hypotheekbank). Daarin gaat het enerzijds om de vraag of de algemene voorwaarden wel van toepassing kunnen zijn, indien de wederpartij van degene die ze bedong, niet of nauwelijks van hun inhoud op de hoogte kon zijn, anderzijds om de vraag of het beding naar zijn inhoud geheel of ten dele als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd en een beroep op dat beding om die reden in strijd met de goede trouw komt. Zie voorts HR 15-6-1992, NJ 1992, 565: verwijzing naar algemene voorwaarden op facturen van een of andere transactie noopt er niet zonder meer toe toepasselijkheid daarvan op latere overeenkomsten te aanvaarden, maar dat betekent geenszins dat een dergelijke verwijzing die slotsom nimmer zou wettigen - bij de beantwoording van de vraag of dat het geval is, mogen geen andere maatstaven worden aangelegd dan die van de artikelen 3:33 en 3:35. Tenslotte zij in dit verband verwezen naar artikel 225 met de toelichting daarop. In het ontwerp is een regeling van het onderwerp opgenomen, die enerzijds de "wederpartij" van de "gebruiker" van "algemene voorwaarden" - zie de begripsomschrijvingen in artikel 231 - bindt aan de, door haar globaal aanvaarde, algemene voorwaarden, ook als zij de inhoud daarvan niet kende en de gebruiker dat begreep of behoorde te begrijpen (artikel 232; vgl. ook artikel 225 lid 2), anderzijds een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar verklaart, als het onredelijk bezwarend is of indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (artikel 233). 2024 -863- No. 164 De strekking van de regeling is vooral de "zwakke" contractspartij te beschermen tegen aan haar opgedrongen onereuze bedingen; vandaar dat de bepalingen van dwingend recht zijn (artikel 246). Bij de uitwerking van artikel 233 zijn dan ook van bijzonder belang de zgn. "zwarte lijst" van artikel 236 en de zgn. "grijze lijst" van artikel 237, die in het bijzonder de consument - de wederpartij, natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelt - beschermen. De eerste lijst bevat een opsomming van allerlei bedingen die als onredelijk bezwarend worden aangemerkt - en dus door de consument als wederpartij zonder meer vernietigd kunnen worden, de tweede een opsomming van allerlei bedingen die worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn - en waar het dus op de weg van de gebruiker rust aannemelijk te maken dat zij niettemin tegenover de wederpartij redelijk zijn, bijvoorbeeld omdat tegen het beding een concreet voordeel voor de consument staat. De lijsten geven niet alleen een zeker houvast voor de aanvaardbaarheid van algemene voorwaarden, maar zullen daarop ook invloed van preventieve aard hebben. De sanctie op de wettelijke vereisten voor de geldigheid van algemene voorwaarden is hun vatbaarheid voor vernietiging, indien zij niet aan die vereisten voldoen. Het is in het algemeen de wederpartij van de gebruiker die de bevoegdheid daartoe kan uitoefenen; zie echter artikel 235 lid 2. Zolang een beding niet is vernietigd, blijft het tussen partijen gelden; zo is een beding in algemene voorwaarden dat een geschil aan een beslissing bij bindend advies onderwerpt, zonder meer vernietigbaar (artikel 236, onderdeel n), maar het is zeer wel mogelijk dat de wederpartij niet tot vernietiging overgaat en het zelfs gaarne aanvaardt als een goedkope en informele wijze van oplossing van zijn geschil. Omtrent de omschrijvingen in artikel 231 valt nog het volgende op te merken. Algemene voorwaarden kunnen zowel in de overeenkomst zelf worden opgenomen, doch ook door verwijzing daarnaar toepasselijk worden verklaard. Ontlening aan een model bij het opstellen van een contract door een notaris of advocaat maakt zulke bedingen nog niet tot algemene voorwaarden. Als kernbedingen, die krachtens de omschrijving in onderdeel a niet tot de algemene voorwaarden behoren, zijn te beschouwen de bedingen waarover partijen het eens moeten zijn, wil er van een overeenkomst sprake kunnen zijn: bijvoorbeeld bij een koop de zaak, of, bestaat deze uit een of meer soortzaken, soort en aantal of hoeveelheid en anderzijds de bedongen prijs, althans de wijze waarop deze zal worden bepaald; zie HR 21-2-2003, NJ 2004, 567. De kernbedingen moeten, ingevolge het slot van onderdeel a, wel duidelijk en begrijpelijk geformuleerd zijn. Een algemene voorwaarde verliest haar karakter niet als daarover door partijen bij het sluiten van de over- eenkomst uitdrukkelijk onderhandeld is of indien tegenover het bezwarende beding een voordeel voor de wederpartij is gesteld.

  2339. Artikel 232 is, met zijn achtergrond, reeds bij de algemene opmerkingen behandeld. Datzelfde geldt voor artikel 233. Onderdeel a noemt een aantal maatstaven waaraan mede moet worden getoetst of een bepaald beding - in de concrete omstandigheden van het geval waarin de bepaling wordt ingeroepen - als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd. Bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen bij de bedingen komen alleen die in aanmerking die ook aan de ander kenbaar zijn - zo zal aan de wederpartij niet steeds kenbaar zijn, in welke positie de gebruiker zich tegenover zijn "voorschakel" bevindt (vgl. artikel 244). Reeds ter sprake zijn gekomen de omstandigheid dat tegenover het beding een voordeel voor de wederpartij staat en dat partijen er uitdrukkelijk over onderhandeld hebben. Verder zij verwezen naar de omstandigheden waarop de Hoge Raad ter toetsing wees in de hierboven genoemde arresten van 19-5-1967, NJ 1967, 261, 20-2-1976, NJ 1976, 486 en 23-3-1990, NJ 1991, 214. Voor overeenkomsten met consumenten zal het voorkomen op de zwarte of grijze lijst uiteraard van groot belang zijn; voor contracten buiten die sfeer zullen die lijsten indirect van belang kunnen zijn ("reflex-werking"). Onderdeel b noemt de tweede mogelijke grond van vernietiging, het gebrek aan kenbaarheid van de algemene voorwaarden. Het beperkt als het ware de tegemoetkoming van artikel 232 aan de gebruiker van de algemene voorwaarden. Het onderdeel wijkt af van het corresponderende onderdeel b Ned.BW, ermee samenhangende dat artikel 234 Ned.BW niet is overgenomen (zie hierna). 2024 -864- No. 164 Samenloop met vernietigbaarheid op een andere grond of op gebreken in de totstandkoming der wilsovereen- stemming is niet uitgesloten. Evenmin een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, bijvoorbeeld in geval van rechtsverwerking, of omgekeerd, conversie van een nietig beding, maar naast de uit- gewerkte bepalingen van afdeling 6.5.3 zal dit toch van beperkt praktisch belang zijn. Niet is overgenomen artikel 234 Ned.BW waarin het vereiste van artikel 233, onderdeel b, Ned.BW nader (en limitatief) is uitgewerkt. Deze Nederlandse bepalingen hebben in de rechtspraak al de nodige moeilijkheden opgeleverd (zie HR 1 oktober 1999, NJ 2000, 207 en HR 6 april 2001, NJ 2002, 385). Het onderhavige onderdeel b van artikel 233 is ontleend aan het Nederlandse regeringsvoorstel (zie de Nederlandse Parlementaire Geschiedenis van het nieuw Burgerlijk Wetboek, Invoering Boek 6, p. 1588). De gedachte van de onderhavige regeling van algemene voorwaarden is dat voor de gebondenheid aan algemene voorwaarden voldoende is dat de wederpartij ze heeft aanvaard en dat de vraag of dit het geval is aan de hand van de regels van titel 3.2 moet worden beantwoord. Voor een zodanig aanvaarden zal in het algemeen wel vereist zijn dat de wederpartij weet of moet begrijpen dat de andere partij algemene voorwaarden gebruikt, maar niet dat hij de inhoud daarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst kent. Dit stelsel is gebaseerd op de gedachte het accent van een regeling ter bestrijding van misbruik van onereuze algemene voorwaarden behoort te vallen op een toetsing van de inhoud daarvan en niet op het stellen van strenge eisen voor de inlassing van de algemene voorwaarden in de overeenkomst. Men bedenke hierbij dat de wederpartij zelfs als zij tijdig over de algemene voorwaarden beschikt, deze veelal toch niet zou lezen dan wel begrijpen. Deze overwegingen nemen echter niet weg dat de mogelijkheid voor de wederpartij om kennis te nemen van de algemene voorwaarden gewaarborgd moet zijn. Deze waarborg is in onderdeel b langs de weg van een vernietigingsgrond gerealiseerd. De bepaling maakt het de gebruiker van de algemene voorwaarden op verschillende wijzen mogelijk de vernietigbaarheid te ecarteren. Hij kan de algemene voorwaarden vooraf of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand stellen. Hij kan ook de algemene voorwaarden op verzoek van de wederpartij onverwijld aan haar toezenden. De kosten van terhandstelling of toezending komen voor rekening van de gebruiker. De laatste zinsnede van onderdeel b houdt rekening met het geval dat terhandstelling of toezending in redelijkheid niet van de wederpartij kan worden gevergd; men denke aan heel omvangrijke algemene voorwaarden. Voor zulke gevallen is bepaald dat de gebruiker kan volstaan met een redelijke mogelijkheid te verschaffen van de algemene voorwaarden kennis te nemen, bijvoorbeeld door deponering bij de griffie van het Hof van Justitie of Kamer van Koophandel en Fabrieken. Dit is echter alleen dan voldoende als inderdaad terhandstelling of toezending door de gebruiker “niet van hem kan worden gevergd”. Aldus wordt op een bevredigende wijze tegemoetgekomen aan de belangen van beide partijen.

  2340. Artikel 235 lid 1, breidt de reikwijdte van de regeling der algemene voorwaarden uit. Normaliter is het de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden aan wie de bevoegdheid tot vernietiging van onereuze bedingen toekomt. Voor het begrip van lid 1 moet men denken aan een geval als het volgende. Een particulier sluit via een beroepstussenpersoon een verzekeringsovereenkomst met een verzekeringsmaatschappij op de, bij die tussenpersoon gebruikelijke, voorwaarden, die ook - geheel of nagenoeg geheel - in de gehele verzekeringsbranche gelijk zijn. In dit geval is, ten gevolge van de vertegenwoordiging de particulier niet wederpartij maar zelf gebruiker en, zonder het in lid 1 bepaalde, zou hij derhalve van de bescherming van afdeling 6.5.3 verstoken blijven. De in lid 1 veronderstelde situatie zal zich vooral voordoen in branches waar op grote schaal van gelijke voorwaarden gebruik wordt gemaakt. Ook bij lid 2 dient men zich zo'n situatie voor te stellen: in het onderling verkeer bedient de ene branchegenoot zich tegenover de andere van dezelfde voorwaarden. Dan is het niet redelijk dat men onder een van zulke voorwaarden die men zelf tegenover anderen bezigt, probeert uit te komen. De algemene regeling omtrent de vernietiging van rechtshandelingen is te vinden in titel 3.2; artikel 3:52 daarvoor heeft betrekking op de verjarings- en vervaltermijn van die bevoegdheid daartoe. Uit lid 1 onderdeel d van dat artikel zou zijn af te leiden dat de bevoegdheid in het onderhavige geval zou verjaren drie jaar na het sluiten van 2024 -865- No. 164 het contract, waarop de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Deze uitkomst zou, zeker bij langlopende contracten, onbillijk zijn, omdat het jaren kan duren voor een situatie zich voordoet waarop een bepaalde, onereus geachte, voorwaarde van toepassing is. Daarom verschuift lid 3 de aanvangstermijn naar de dag, volgende op die waarop door de gebruiker een beroep op de voorwaarde is gedaan. De leden 1, 2 en 3 zijn in de tekst van het Nederlandse wetboek genummerd als 2, 3 en 4 omdat daar aan deze leden nog een lid voorafgaat dat de bijzondere regeling omtrent algemene voorwaarden niet van toepassing verklaart op ondernemingen van zekere omvang. De argumenten voor deze uitsluiting, die ook in Nederland door sommigen wordt betreurd, zijn weinig overtuigend, omdat niet goed valt in te zien waarom deze ondernemingen niet gelijke bescherming tegen onereuze voorwaarden behoeven. Artikelen 236 en 237 In de algemene opmerkingen van de toelichting bij deze afdeling reeds gewezen op de functie van deze twee artikelen en op het verschil tussen de "zwarte lijst" van artikel 236 en de "grijze lijst" van artikel 237. Aan beide lijsten is het karakter van consumentenrecht gemeen, dat wil zeggen dat alleen een consument - omschreven als "wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf" - op deze artikelen een rechtstreeks beroep kan doen - hetgeen natuurlijk niet wegneemt dat de karakterisering van de bedingen in deze lijsten ook wel zal kunnen uitstralen naar verhoudingen waarin niet een consument de wederpartij is. De lijsten van beide artikelen hebben een vergelijkbare opbouw: 1. bedingen die de wettelijke rechten van de wederpartij of de wettelijke verplichtingen van de gebruiker beperken: artikel 236, onderdelen a tot en met g, artikel 237, onderdelen a tot en met h; 2. bedingen die de wettelijke verplichtingen van de wederpartij of de wettelijke rechten van de gebruiker uitbreiden: artikel 236, onderdelen h tot en met j, artikel 237, onderdelen i en j; 3. bedingen van andere aard: artikel 236, onderdelen k tot en met n, artikel 237, onderdelen k tot en met n. Binnen de onder 1 bedoelde groep vallen nader de volgende subgroepen te onderscheiden: - in artikel 236: a. bedingen betreffende tekortkoming in de nakoming: onderdelen a tot en met d; b. bedingen inzake overgang van verplichtingen en rechten van de gebruiker op een derde: onderdelen e tot en met f; c. verkorting van een wettelijke verjarings- of vervaltermijn tot minder dan een jaar: onderdeel g; - in artikel 237: a. termijn voor de gebruiker om te reageren: onderdeel a; b. bedingen ter zake van (niet-)nakoming: onderdelen b tot en met e; c. exoneratiebeding: onderdeel f; d. verrekening: onderdeel g; e. verval van rechten en bevoegdheden van de wederpartij.

  2341. Artikel 238 sluit aan bij de lijsten van artikel 236 en 237: ook dit artikel beschermt een consument-wederpartij tegen een beroep op algemene voorwaarden, in dit geval toegespitst op overeenkomsten die door een gevolmachtigde van de gebruiker tot stand zijn gebracht. Onderdeel a veronderstelt dat de gevolmachtigde tegen- over de wederpartij de indruk heeft gewekt voor zichzelf te zijn opgetreden, naderhand beweert dat niet hijzelf, doch zijn volmachtgever is gebonden en deze bewering alleen doet steunen op een beding in de algemene voorwaarden waaruit de wederpartij zijn positie als vertegenwoordigde had moeten begrijpen. Onderdeel b ontzegt een beroep op een beding in algemene voorwaarden dat zeer ongebruikelijke beperkingen stelt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gevolmachtigde. De bepaling is als het ware een verlengstuk van artikel 3:61 lid 3, voor de niet openbaar gemaakte, doch in algemene voorwaarden opgenomen volmacht. 2024 -866- No. 164

  2342. Artikel 239 biedt in het Nederlandse wetboek de mogelijkheid om door gedelegeerde wetgeving de grijze lijst van artikel 237 te wijzigen, waardoor aan dit deel van het consumentenrecht een grotere soepelheid zou kunnen worden gegeven. Daartegen pleit echter dat in het algemeen de wetgever met delegatie van zijn bevoegdheid op het gebied van het burgerlijk recht zeer terughoudeden behoort te zijn; zie artikel 98 lid 1, van de Staatsregeling. Het valt niet goed in te zien waarom juist op het terrein van de algemene voorwaarden van deze stelregel zou moeten worden afgeweken, temeer daar de rechter toch krachtens het algemene artikel 233, onderdeel a, voldoen- de leiding kan geven aan de ontwikkeling van de toetsing der algemene voorwaarden. Noodzaak tot onverwijld ingrijpen van de wetgever is daarom weinig waarschijnlijk; blijkt uit de zich vormende jurisprudentie op den duur de wenselijkheid tot aanvulling of wijziging der lijsten, dan kan de gewone wetgever daarin voorzien. Om deze redenen wordt voor artikel 239 de Nederlandse wet niet gevolgd. De artikelen 240 tot en met 243 behelzen in het Nederlandse wetboek een regeling van de bevoegdheid van organisaties tot collectieve actie tegen een individuele gebruiker van algemene voorwaarden of tegen een organisatie die voor haar leden het gebruik daarvan bevordert. Voor de situatie hier te lande is deze regeling te zwaar en te ingewikkeld. Voor het voeren van zulke collectieve acties komen hier uitsluitend consumenten- organisaties in aanmerking. In de praktijk komen ondernemersorganisaties die zich actief met algemene voorwaarden inlaten, niet voor, zodat er vooralsnog geen behoefte bestaat aan een speciale regeling van collectie- ve acties op dit terrein op initiatief van dan wel gericht tegen zulke organisaties. In de artikelen 240 e.v. van het ontwerp is daarom slechts behouden een regeling van de bevoegdheid van een consumentenorganisatie, gericht tegen een (individuele) gebruiker van algemene voorwaarden. In verband hiermee wijkt de tekst van de onderhavige artikelen op onderdelen van de Nederlandse tekst af. In artikel 240 lid 1, wordt de bevoegdheid tot toetsing van algemene voorwaarden door middel van collectieve actie neergelegd. Deze actie richt zich tegen een concrete voorwaarde die door een individuele ondernemer wordt gebruikt (of door hem voor zulk gebruik is bestemd). De toetsing kan betreffen de vraag of het bestreden beding er een is dat op een van de lijsten van de artikelen 236 en 237 voorkomt - voor zo'n geval zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing -, maar kan ook betreffen de vraag of het, los daarvan, onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 233, onderdeel a, in welk geval de rechter, meer in abstracto dan in geval van individuele toetsing, in aanmerking moet nemen de aard en inhoud van de overeenkomsten waarvoor de voorwaarden zijn bestemd en de personen met wie, als wederpartij, de overeenkomsten plegen te worden gesloten, met hun belangen en eigenschappen. Terwijl de individuele wederpartij van een gebruiker van algemene voorwaarden zich rechtstreeks kan richten op de vernietiging van een beding, strekt de collectieve actie tot een declaratoir, inhoudend dat een beding als onredelijk bezwarend zal gelden; hierop steunend kan de individuele wederpartij van de gebruiker zo'n beding in zijn eigen overeenkomst vernietigen (artikel 243). Lid 2 geeft een omschrijving van de consumentenorganisaties waaraan de bevoegdheid tot deze collectieve actie wordt toegekend, de leden 3 en 4 waarborgen dat de eisende organisatie niet rauwelijks of onredelijk daarvan gebruik maakt. De tekst van lid 2 van het Ned. BW is, voor zover deze is gehandhaafd, in lid 1 van het ontwerp verwerkt.

  2343. Artikel 241 bevat enkele processuele voorzieningen inzake procedures als bedoeld in artikel 240. In lid 1 wordt het Hof van Justitie als enig bevoegde rechter aangewezen. In lid 2 worden voeging en tussenkomst (artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en derdenverzet (artikel 287 van laatstgenoemd wetboek) mogelijk gemaakt, het laatste echter zonder de bevoegdheid van schorsing (artikel 290 van dat wetboek), omdat deze in verband met het onderhavige artikel 243 van Boek 6 BW te veel onzekerheid zou teweeg brengen. De tekst van deze leden verschilt uiteraard van de Nederlandse paralleltekst, die in lid 1 het Gerechtshof te 's Gravenhage aanwijst en in lid 2 de desbetreffende artikelen van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering noemt. In lid 3 worden maatregelen opgesomd waarmee het Hof aan zijn uitspraak kracht kan bijzetten, lid 4 verklaart het Hof bevoegd om - ook ambtshalve - aan te geven hoe het beding door wijziging der voorwaarden de toets der redelijkheid wel zou kunnen doorstaan. 2024 -867- No. 164 Lid 5 betreft executiegeschillen en oplegging van een dwangsom. Lid 6 maakt het mogelijk de abstracte toetsing ook tot inzet van een kort geding te maken; ook hier is gekozen voor concentratie van rechtspraak.

  2344. Artikel 242 biedt degene tegen wie de uitspraak is gedaan, de mogelijkheid herziening of opheffing van de uitspraak van het Hof uit te lokken, indien wegens wijziging in de omstandigheden de grond daaraan is ontvallen. Heeft de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak is gedaan, inmiddels opgehouden te bestaan, dan volgt volgens lid 2 een behandeling van het verzoek buiten geding of tegenspraak. De tekst wijkt enigszins af van de in Nederland geldende tekst, die naar het daar geldend procesrecht verwijst.

  2345. Artikel 243 regelt de doorwerking van de uitspraak in de collectieve actie naar de verhouding tussen de gebruiker en de individuele consument. Deze laatste verkeert in een betere positie dan de consument die zich alleen op artikel 233, onderdeel a, kan beroepen: het staat namelijk vast dat het beding als onredelijk bezwarend geldt, zodat de vernietiging niet kan worden betwist.

  2346. Artikel 244 veronderstelt het bestaan van een keten van leveranciers en afnemers, die kan lopen tussen producent en consument, verbonden door overeenkomsten, terwijl ten minste op één daarvan algemene voorwaarden van toepassing zijn waaruit een beding is vernietigd. De schakel tegen wie de uitspraak is gedaan, kan nu "bekneld" geraken, doordat hij in zijn verhouding tot zijn voorschakel hetzelfde of een dergelijk beding - al dan niet in algemene voorwaarden vervat - heeft moeten aanvaarden. In zo'n geval ontzegt artikel 244 de voorschakel een beroep op het gebruik - waarna, bij wijze van dominostenen-effect - ook aan de voorafgaande schakels een beroep op soortgelijke bedingen kan ontvallen (zie lid 2).

  2347. Artikel 245 zondert arbeidsovereenkomsten en collectieve arbeidsovereenkomsten van de toepasselijkheid van de overige bepalingen der afdeling uit. De wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst is zo uitvoerig en reeds voorzien van zoveel eigen nietigheden ten aanzien van afwijkende bedingen dat er geen behoefte aan zal bestaan daarop ook nog afdeling 6.5.3 van toepassing te verklaren. Collectieve arbeidsovereenkomsten worden tussen (organisaties van) werkgevers en organisaties van werknemers gesloten, die voor de belangen van hun leden zullen waken. De leden van de werknemersbonden worden bovendien rechtstreeks gebonden aan de inhoud der c.a.o., zodat de omschrijving van artikel 231, onderdeel a, daarop niet zou passen.

  2348. Artikel 246 verklaart de regeling van afdeling 6.5.3 (voor zoveel dat zin heeft) tot dwingend recht; zie daarover nog de algemene opmerkingen bij de toelichting bij deze afdeling. Het artikel zelf wordt in de reeks van dwingend verklaarde bepalingen uiteraard niet genoemd; hetzelfde geldt voor de artikelen 245 en 247, die blijkens hun tekst geen afwijking toelaten.

  2349. Artikel 247 geeft in de leden 1, 2 en 4, enige regels van internationaal privaatrecht, die de bepalingen van de afdeling al (leden 1 en 3) dan niet (lid 2) van toepassing verklaren, ongeacht het recht dat - overigens - van toepassing is op de overeenkomst waarvoor de algemene voorwaarden gelden. De regel lid 4 gaat, in het belang van de consument, het verst. Verblijft de consument niet gewoonlijk hier te lande, dan zal afdeling 6.5.3 van toepassing zijn indien ook op de overeenkomst als geheel het hier te lande geldende recht van toepassing is. Afdeling 6.5.4 - Rechtsgevolgen van overeenkomsten De eerste drie artikelen - de artikelen 248 tot en met 250 - geven enkele bepalingen van algemene aard, de arti- kelen 251 tot en met 257 regelen rechtsgevolgen in de verhouding tot derden (251: kwalitatieve rechten, 252: kwalitatieve verplichtingen, 253 tot en met 256: derdenbeding, 257: verweer van een ondergeschikte tegen de "paardensprong"), de artikelen 258 tot en met 260 geven de rechter de bevoegdheid in te grijpen in gevolgen van overeenkomsten (258: onvoorziene omstandigheden, 259: voortdurende verplichtingen). 2024 -868- No. 164

  2350. Artikel 248 is de opvolger van de bekende bepalingen in artikel 1359 lid 3 en artikel 1360 van het huidige BW: de rol van goede trouw, billijkheid, gebruik en wet. De volgorde van deze factoren is enigszins gewijzigd: na de overeengekomen gevolgen noemt artikel 248 de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid, doch zakelijk is hier geen verandering bedoeld en een rangorde wordt met deze volgorde ook niet gegeven. Evenmin is met de vervanging van de "goede trouw" door "redelijkheid en billijkheid" materiële wijziging bedoeld. Eerstbedoelde term is gereserveerd voor de zgn. objectieve ("zakenrechtelijke") goede trouw; vgl. de artikelen 3:11 en 3:12. Voor de "overeengekomen gevolgen" van de overeenkomst zij verwezen naar de artikelen 3:33 tot en met 3:35 inzake de rol van wil, verklaring en vertrouwen bij de totstandkoming van rechtshandelingen. De bepalingen van de wet kunnen aanvullend of dwingend zijn - voor het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, geldt dat uit de bewoordingen of de aard der bepalingen moet blijken dat het dwingend is. Een gewoonte kan algemeen of plaatselijk zijn, of ook binnen een bepaalde groep, bijvoorbeeld een bedrijfs- branche, gelden. De gelding van een bestendig gebruikelijk beding, zoals thans door artikel 1368 BW wordt geformuleerd, is in het ontwerp niet geregeld: een zodanig beding, voor zover dat niet de kracht van een gewoonte heeft verworven, geldt slechts, indien het door partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend, volgens de normen van de artikelen 3:33 en 3:35 is aanvaard. De formulering van de eisen van redelijkheid en billijkheid, algemeen in lid 1 en voor de beperkende werking in lid 2, is analoog aan die van artikel 2 voor de verbintenis. Er is hier echter geen herhaling, slechts gedeeltelijke samenval: artikel 2 betreft de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar bij de enkele verbintenissen, onverschillig of die ontstaan uit wet en overeenkomst, artikel 248 geldt voor alle rechtsgevolgen van de verhouding tussen partijen bij een overeenkomst of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 216. Zo kan opzegging van een overeenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn onder omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn (HR 23-12-1994, NJ 1995, 263). Evenals in artikel 2 lid 2, wordt in artikel 248 lid 2 de term "onaanvaardbaar" gebezigd, om uit te drukken dat de rechter terughoudend moet zijn in de toepassing ("marginale toetsing"); deze kan partiële nietigheid tot gevolg hebben - zie laatstelijk HR 15-2-1991, NJ 1991, 493. Met de huidige artikelen 1359 en 1360 BW is er slechts in zoverre verschil dat voortaan niet - in de eerste plaats - artikel 248, doch afdeling 6.5.3 de verhouding van partijen zal beheersen, voor zover daarop algemene voorwaar- den van toepassing zijn en dat het nieuwe wetboek ook op enkele andere terreinen, zoals de vaststellings- overeenkomst in titel 7.15 een eigen, zij het ook op redelijkheid en billijkheid afgestemde, regeling brengt. Voor het overige echter blijven rechtspraak en literatuur onder het huidige recht relevant.

  2351. Artikel 249 geeft de regel dat degene die een partij bij een overeenkomst onder algemene titel, in het bijzonder vererving, opvolgt, in diens contractuele rechten, bevoegdheden en verplichtingen treedt, zodat de overeenkomst met hem wordt voortgezet. De regel is niet zonder uitzondering. Bij beding kan ervan worden afgeweken, ook de strekking kan meebrengen dat de overeenkomst een zo persoonlijke prestatie vergt dat deze niet op de opvolger overgaat en evenzeer doet de wet de rechtsverhouding soms met de dood eindigen; zie bijvoorbeeld artikel 7:415 voor lastgeving. Ook bij opvolging door boedelmenging wordt bijvoorbeeld aangenomen dat de andere echtgenoot niet zelf medeschuldenaar uit de overeenkomst wordt, hoewel de schuld mede op de gemeenschapsgoederen kan worden verhaald. De tweede volzin van artikel 249, die met het nieuwe erfrecht samenhangt, strekt ertoe te bewerken dat in geval van de wettelijke verdeling zowel de uit overeenkomst voortvloeiende schulden als eventuele aan de overeenkomst verbonden bevoegdheden (bijvoorbeeld tot opzegging) uitsluitend bij de langstlevende echtgenoot terecht komen en niet bij de kinderen.

  2352. Artikel 250 wijkt voor een aantal bepalingen af van de regel dat het overeenkomstenrecht niet van dwingend recht is. 2024 -869- No. 164 In de huidige wet is in de artikelen 1336 en 1361 BW het beginsel uitgedrukt dat een overeenkomst haar werking slechts tot partijen uitstrekt. Als uitzonderingen op dit beginsel erkent zij in het bijzonder de overgang van kwalitatieve rechten, het derdenbeding, de regel van artikel 1597 BW ("koop breekt geen huur") en 330 van het Wetboek van Koophandel (overgang van verzekering). Het nieuwe recht regelt in de onderhavige afdeling hiervan de kwalitatieve rechten (artikel 251) en het derden- beding (artikelen 253 tot en met 256) en breidt de reeks uit met de kwalitatieve verbintenissen (artikel 252) en het beroep van een ondergeschikte op een door zijn werkgever gemaakt exoneratiebeding (artikel 257). Ook elders voorziet de nieuwe wet in verschillende gevallen in de werking van een overeenkomst tegenover derden - aldus bijvoorbeeld de artikelen 3:291 (retentierecht), 6.11 (verweer van een hoofdelijk schuldenaar tegen een aanspraak op bijdrage) en 7:419 tot en met 7:421 (lastgeving). Mede wegens deze uitbreidingen en ook omdat zich in de jurisprudentie enkele gevallen van derdenwerking van overeenkomsten hebben voorgedaan - zie HR 7-3-1969, NJ 1969, 249 (gegaste uien) en HR 12-1-1979, NJ 1979, 362 (Securicor), alsmede gevallen waarin het profiteren van contractsschending als onrechtmatige daad werd aangemerkt - is afgezien van een zo algemene wettelijke regel als in de artikelen 1332 en 1357 is vervat. De artikelen 251 en 252 behandelen, als eerste voorbeelden van de doorwerking van overeenkomsten naar derden, de overgang van rechtswege van zgn. kwalitatieve rechten, respectievelijk verplichtingen, dat wil zeggen contractuele rechten en verplichtingen die nauw samenhangen met een bepaalde kwaliteit en wel die van recht- hebbende op een bepaald goed, indien dat goed onder bijzondere titel overgaat. Van bijzonder belang zijn hier bijvoorbeeld concurrentiebedingen, bedongen ten bate, respectievelijk ten laste van een op een bepaalde plaats ge- vestigde onderneming. Bij kwalitatieve rechten denke men bijvoorbeeld ook aan garanties behorend bij een gekochte zaak, zoals een auto die weer wordt doorverkocht. Als voorbeeld van een kwalitatieve verbintenis kan gelden de verplichting van een contractspartij om te dulden dat de wederpartij van een niet openbare weg gebruik maakt. Onder het oude recht werden beide categorieën geacht te zijn geregeld in artikel 1339 BW, tot de Hoge Raad bij arrest van 3-3-1905, W 8191 (Blaauboer-Berlips), besliste dat het woord "bedingen" in dat artikel gebezigd, niet omvat het "zich verbinden": het artikel zou anders immers de veel strakkere regeling omtrent de erf- dienstbaarheden, met haar waarborgen in het bijzonder van openbaarmaking, ondermijnen. Vandaar dat de nieuwe regeling in artikel 252 van het ontwerp vergelijkbare waarborgen ten behoeve van derden schept. Voor de toepasselijkheid van artikel 251 is vereist het bestaan van een contractueel recht dat zo nauw verbonden is met een, aan de schuldeiser toebehorend, goed dat de rechthebbende bij overgang van dat goed zijn belang bij het recht verliest; is het recht voor overgang vatbaar, dan gaat het met het goed van rechtswege over (zie de artikelen 142 e.v.). De leden 2 en 3 betreffen de eventuele tegenprestatie die de rechthebbende verschuldigd is; lid 3 is dwingend recht (artikel 250). Het beding waarop artikel 252 betrekking heeft, is dat van kwalitatieve overgang van een obligatoire verplichting bij overgang van het goed waaraan het verbonden is. De vereisten die dit artikel stelt, zijn strenger dan die van het vorige. De kwalitatieve verplichtingen die voor overgang vatbaar zijn, zijn beperkt tot een dulden of niet doen (lid 1) en dan niet inhoudend een beperking van de beschikkingsbevoegdheid (lid 5), terwijl het goed waarmee zij kunnen zijn verbonden, slechts een registergoed kan zijn. Wel wordt uitdrukkelijk bepaald dat ook de gebruiksge- rechtigden op het goed, zoals huurders, bij de overgang in beginsel mede worden gebonden. Zoals reeds is opgemerkt, ligt de kwalitatieve verbintenis dicht naast de erfdienstbaarheid en kan het door beide bestreken terrein ook gemakkelijk samenvallen. Maar, is het servituut een zakelijk recht, de kwalitatieve verbintenis blijft, evenals het er tegenoverstaande recht, obligatoir van aard, zij dient de belangen van de schuldeiser als persoon, meer dan die in zijn kwaliteit van rechthebbende op het goed. Zo zijn partijen zelf door de enkele overeenkomst reeds verbonden. Binding van de rechtsopvolgers van de schuldenaar alsmede (latere) gebruiksgerechtigden wordt bewerkstelligd door de in lid 2 vereiste notariële akte gevolgd door inschrijving; van dit vereiste kan niet worden afgeweken (artikel 250). 2024 -870- No. 164 Lid 3 beperkt de werking van het beding. Lid 4 heeft betrekking op de kwalitatieve overgang van de tegen- prestatie; vgl. artikel 251 lid 3. De regeling omtrent de kwalitatieve verbintenis ondervangt voor het door haar bestreken gebied de behoefte aan het kettingbeding waarvan de huidige praktijk gebruik maakt. Ze beschermt tegen doorbreking van de keten - vgl. de Antilliaanse zaak HR 17-5-1985, NJ 1986, 760 (Curaçao-Boyé), al is ze wel evenals het kettingbeding, onderworpen aan de beperkingen van artikel 259. Waar de regeling van de kwalitatieve verbintenis niet van toepassing kan zijn - de verplichting bestaat in een doen of in het niet vervreemden of bezwaren van het goed - blijft de behoefte aan het kettingbeding bestaan. De artikelen 253 tot en met 256 regelen het beding ten behoeve van een derde (derdenbeding), te vinden in artikel 1338 van het huidige BW. De nieuwe regeling onderscheidt zich ten opzichte van de bestaande niet alleen door haar grotere uitvoerigheid, waardoor enige dubia worden opgeheven, doch ook doordat zij een beperking voor haar geldigheid laat vallen, namelijk dat de bedinger ("stipulator") mede iets voor zichzelf bedingt, of wanneer hij zijn wederpartij, de belover ("promissor") tevens een gift doet. Van de regeling is alleen artikel 253 lid 1 dwingend (artikel 250). Het derdenbeding komt in vele vormen in het dagelijks leven voor. De bekendste zijn wel de begunstiging bij een levensverzekeringsovereenkomst, de aanwijzing van de geadresseerde bij een vervoersovereenkomst, de (bank)garantie, onder andere verbonden aan de gegarandeerde betaalcheque of creditkaart en voorts ook bedingen ten behoeve van een op te richten rechtspersoon (zie het huidige artikel 59 van het Wetboek van Koophandel). Vereist is dat voor de derde wordt bedongen een eigen recht op de overeengekomen prestatie of een eigen bevoegdheid om zich anderszins op een beding uit de overeenkomst, zoals een exoneratie, te beroepen. (Vgl. als gevallen waarin de wet een derde zo’n recht toekent artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en artikel 257 hierna.) Enkele aanwijzing als betaaladres geeft de derde nog geen eigen recht om de betaling af te dwingen en is dus geen derdenbeding. Niet vereist is dat de derde zijn recht om niet verkrijgt - men denke aan verzending onder rembours. Het recht van de derde ontstaat door aanvaarding - de zgn. rechtsverkrijgende verklaring, die vormvrij is, doch tot een der partijen bij de overeenkomst moet zijn gericht (artikel 253 leden 1 en 3). In de regel is het beding herroepelijk tot aan de aanvaarding (artikel 253 lid 2), maar afwijking is mogelijk: het beding kan onherroepelijk zijn gemaakt, maar herroeping ook na aanvaarding kan zijn voorbehouden en ook kan zijn bedongen dat aanvaarding tijdens het leven van de stipulator slechts met diens toestemming geldig is. Is het beding voor aanvaarding vatbaar, dan kan het ook door de curator in het faillissement van de derde ten behoeve van de boedel worden aanvaard (HR 5-12-1913, W 9610). Vgl. bij artikel 253 lid 4, artikel 5 lid 2: men mag tegen zijn zin geen gunsten krijgen opgedrongen, doch de aanvaarding wordt spoedig aangenomen. Door aanvaarding wordt de derde partij bij de overeenkomst tussen stipulator en promissor, tenzij anders is bedongen (artikel 254 lid 1). Hetgeen tussen hen beiden is overeengekomen, geldt ook voor hem en in zoverre is zijn recht afhankelijk van het bestaan en de inhoud der overeenkomst. Als partij kan hij nakoming vorderen; zie voor het recht van de stipulator ten deze artikel 256. Bij wanprestatie van de promissor komt de derde een recht op schadevergoeding toe. Tezamen met de stipulator kan hij dan ook ontbinding vorderen (artikel 279 lid 3). De aanvaarding heeft geen terugwerkende kracht, maar de derde kan in beginsel wél rechten over de periode vóór de aanvaarding aan het beding ontlenen (artikel 254 lid 2). Zo bijvoorbeeld, wanneer de derde het te zijnen behoeve gemaakte exoneratiebeding pas aanvaardt, nadat hij aansprakelijk is gesteld.

  2353. Artikel 255 geeft nog een regeling voor het geval er geen derde is die het beding kan aanvaarden. Partijen kunnen in dit geval reeds tevoren voorzien door een subsidiaire begunstiging. 2024 -871- No. 164

  2354. Artikel 257 veronderstelt dat iemands aansprakelijkheid voor handelingen van zijn ondergeschikte (zie de artikelen 76 en 170) bij overeenkomst of krachtens de wet is uitgesloten of beperkt. Op zichzelf staat het de benadeelde vrij in plaats van deze persoon de ondergeschikte (voor het volle bedrag) aan te spreken, doch artikel 257 kent de ondergeschikte alsdan mede een beroep op het verweer toe. Het artikel regelt aldus een deel van hetgeen bekend staat onder de naam van de problematiek van "de paardensprong", doch alleen ten behoeve van de ondergeschikte. Deze kan zich nu verweren, als ware hij zelf partij bij de overeenkomst. Hij kan derhalve onafhankelijk van zijn "werkgever" een beroep op het verweer doen, ook al heeft de laatste zijn recht daarop verwerkt; omgekeerd zal hij geen verweer hebben als hij de schade opzettelijk heeft veroorzaakt. De artikelen 258 tot en met 260 vormen in zoverre een groep dat de artikelen 258 en 259 de rechter onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid toekennen een overeenkomst te wijzigen of geheel of gedeeltelijk - naar prestatie of naar tijdsduur, bijvoorbeeld voor de toekomst - te ontbinden, terwijl artikel 260, leden 1 tot en met 3, enkele aan beide gevallen gemeenschappelijke bepalingen toevoegt.

  2355. Artikel 258 behandelt het geval van wijziging enz. van overeenkomsten (en andere meerzijdige vermogens- rechtelijke rechtshandelingen: artikel 216) op grond van "onvoorziene omstandigheden", artikel 259 die van zulke overeenkomsten en rechtshandelingen die de rechthebbende op of gebruiker van een goed als zodanig (langdurig) lasten opleggen; beide bepalingen zijn van dwingend recht, evenals artikel 260. Een beroep op een der bepalingen kan bij rechtsvordering, doch ook bij wijze van verweer worden gedaan.

  2356. Artikel 260 lid 1, bepaalt dat de rechter bij zijn uitspraak tot wijziging of ontbinding voorwaarden kan stellen, bijvoorbeeld tot schadeloosstelling kan verplichten; lid 2 van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om aan zo'n uitspraak nog toe te voegen dat een partij, alvorens de uitspraak in werking treedt, de overeenkomst geheel mag ontbinden. Lid 3 regelt dat de uitspraak in de openbare registers kan worden ingeschreven, als ook de overeenkomst zelf daarin is - of alsnog wordt - ingeschreven. De leden 4 en 5 geven nadere bepalingen omtrent de ingeschreven overeenkomsten.

  2357. Artikel 258 veronderstelt voor zijn toepassing dat zich na het sluiten van de overeenkomst onvoorziene omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat haar ongewijzigde instandhouding niet mag worden verwacht. Niet vereist is dat de omstandigheden ook onvoorzienbaar waren - het criterium is dat voor de omstan- digheden de overeenkomst niet een passende voorziening biedt. Dat de rechter niet te spoedig mag ingrijpen, volgt uit de formulering, die even "marginaal" van karakter is als die van artikel 248 lid 2 (zie ook HR 19-11- 1993, NJ 1994, 156 en HR 20-2-1998, NJ 1998, 493). Het verschil met toepassing van deze bepaling bestaat daar- in dat de rechter hier bij constitutief vonnis de overeenkomst zelf wijzigt of geheel of gedeeltelijk ontbindt. Hij heeft daarin grote vrijheid; zo is ook een combinatie van wijziging voor het verleden - zie de laatste zin van lid 1 - en ontbinding voor de toekomst mogelijk. De beslissing van de rechter kan bij vordering worden uitgelokt, maar ook bij wege van verweer, hetgeen volgt uit de term "op verlangen". Lid 2 geeft een nadere uitwerking aan lid 1. Lid 3 heeft tot gevolg dat een beroep op de onvoorziene om- standigheden ook kan worden gedaan door of tegen een cessionaris, een gesubrogeerde of degene op wie ingevolge de artikelen 251 of 252 de kwaliteit van schuldeiser of schuldenaar is overgegaan. Het artikel is in beginsel ook van toepassing op publiekrechtelijke overeenkomsten; vgl. HR 23-7-1989, NJ 1991, 673.

  2358. Artikel 259 heeft betrekking op langlopende rechtsverhoudingen, betrekking hebbend op een registergoed, die, hetzij voortdurend, hetzij periodiek, hetzij incidenteel, een der partijen tot een prestatie verplichten. Als zodanig geldt niet de rechtsverhouding van voortdurend houderschap zelf die ontstaat door huur of - bij toepassing van artikel 216 - door erfpacht, vruchtgebruik en dergelijke; evenmin de erfdienstbaarheid, waarvoor de artikelen 5:78 tot en met 5:80 een eigen regeling geven. Vooral moet worden gedacht aan de kwalitatieve verbintenis van artikel 252 en aan een kettingbeding - ook de verplichting tot het doorgeven van het kettingbeding zelf is zo’n prestatie; een beperking tot een dulden of een niet doen, zoals in artikel 252, is hier niet. 2024 -872- No. 164 Het in lid 1 onderdeel a, genoemde geval doet zich bijvoorbeeld voor als het beding de omgeving economisch te zwaar belast, het in lid 1 onderdeel b, bedoelde geval bijvoorbeeld als het beding ten behoeve van de wederpartij de concurrentie beperkt, doch het bedrijf van de wederpartij niet langer bestaat. Omtrent de berekening van de in lid 1 onderdeel a, bedoelde termijn geeft lid 2 een nadere bepaling. Het lid bevat bovendien de bepaling dat geen termijn als bedoeld in lid 1 geldt, indien het beding in de weg staat aan een ruimtelijk ordeningsplan, dat kan worden beschouwd als equivalent van het "bestemmingsplan", waarnaar de tekst van de Nederlandse bepaling hier verwijst. Anders dan bij toepassing van artikel 258 kan de wijziging of ontbinding krachtens artikel 259 geen terug- werkende kracht verkrijgen. Afdeling 6.5.5 - Wederkerige overeenkomsten De afdeling is opgenomen, omdat voor de overeenkomsten waarop zij betrekking heeft, bijzondere bepalingen behoren te gelden inzake opschortingsrechten (artikelen 262 tot en met 264) en ontbinding (artikelen 265 tot en met 278). Artikel 261 is een inleidende bepaling die aangeeft op welke tweezijdige betrekkingen de afdeling (in beginsel) van toepassing is, artikel 279 in hoeverre zij van overeenkomstige toepassing is op meerpartijen- overeenkomsten.

  2359. Artikel 261 lid 1, geeft een omschrijving van hetgeen onder een wederkerige overeenkomst wordt verstaan; essentieel is dat beide partijen verbintenissen jegens elkaar op zich nemen, elk ter verkrijging van recht op de tegenprestatie. Deze omschrijving komt overeen met hetgeen ook thans met het begrip wederkerige overeenkomst wordt bedoeld - men denke aan koop, arbeidsovereenkomst, huur, enz. Daarbij moet er echter rekening mee worden gehouden dat een overeenkomst als verbruikleen, thans een eenzijdige, "reële", overeenkomst - waarbij slechts een der partijen (hoofd)verbintenissen op zich neemt, i.c. tot teruggave en, meestal rentebetaling - in het komend recht als wederkerig geconstrueerd zal worden; er zal dan van worden uitgegaan dat ook de uitlener zich verbindt en wel tot het ter leen verstrekken. Lid 2 breidt het terrein van de afdeling in beginsel uit tot een aantal rechtsfiguren die dicht tegen de wederkerige overeenkomst aan liggen. In de eerste plaats zijn dat de zgn. onvolmaakt wederkerige overeenkomsten, zoals de schenking onder last en de lastgeving zonder loon: zo rusten op de lastgever geen hoofdverbintenissen, maar wel nevenverbintenissen, in het bijzonder vergoeding van onkosten van de lasthebber. Vervolgens is lid 2 toepasselijk op overeenkomsten waarbij de ene partij zich tot een prestatie verbindt, onder voorwaarde dat ook de wederpartij een prestatie levert, waartoe deze zich echter niet verbindt; levensverzekeringovereenkomsten kunnen hiertoe dikwijls worden gerekend, omdat de verzekeringnemer zich niet tot premiebetaling verplicht. Ten slotte kan men bij lid 2 denken aan rechtsverhoudingen die niet uit overeenkomst zijn ontstaan, in het bijzonder het legaat tegen inbreng. Ook in deze drie genoemde gevallen zijn derhalve de bijzondere bepalingen omtrent opschorting en ontbinding van deze afdeling van toepassing, voor zover de aard der rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. Zo zal de aard van de schenking onder last zich er wél tegen verzetten haar gedeeltelijk te ontbinden als de last niet wordt vervuld. In het hiernavolgende zullen, tenzij anders blijkt, wanneer de term wederkerige overeenkomst wordt gebezigd, daaronder ook de rechtsfiguren van lid 2 worden begrepen. De artikelen 262 tot en met 264 vullen voor de wederkerige overeenkomst de bepalingen van afdeling 6.1.7 (artikelen 52 tot en met 57) aan en wijken daarvan ten dele af. Voor het systeem van de opschortingsrechten zij verwezen naar de toelichting bij afdeling 6.1.7. Voor uitoefening van het opschortingsrecht is vereist dat de wederpartij haar verbintenis niet nakomt, ook al is er nog geen sprake van een tekortkoming in de nakoming, omdat zij nog niet in gebreke is gesteld; evenmin is vereist dat de tekortkoming, zo deze er wél is, aan de wederpartij kan worden toegerekend. Voor niet-nakoming is wél vereist dat de verbintenis van de wederpartij opeisbaar is en dat deze óf eerst moet presteren óf dat partijen "gelijk moeten oversteken". 2024 -873- No. 164 Dit alles geldt mede voor de toepassing van artikel 262. Het artikel legt in lid 1 slechts vast, dat aan de vereisten van artikel 52 bij de wederkerige overeenkomst in ieder geval is voldaan, indien de wederpartij haar verbintenis die tegenover die van de opschortende partij staat, niet nakomt (zgn. exceptio non adimpleti contractus). Zo zal een koper betaling van de koopprijs mogen opschorten, zolang de verkoper niet behoorlijk levert, of ook zolang hij de verschuldigde vervangende schadevergoeding niet betaalt. Zulk verband is echter niet door artikel 262 gegeven bij de verbintenissen die uit ongedaanmaking wederzijds ontstaan: hier is toetsing aan het algemene criterium van artikel 52 op haar plaats. Lid 2 brengt een redelijkheidsbeperking aan; vgl. voor ontbinding artikel 265 lid 1, slot. Hier wordt wel de term "tekortkoming" gebezigd - bedoeld is de tekortkoming die ontstaat indien de gedeeltelijke of niet behoorlijke niet- nakoming niet wordt geheeld.

  2360. Artikel 263 breidt de bevoegdheid tot opschorting uit tot een geval waarin nog niet van niet-nakoming door de wederpartij sprake is omdat degene die opschort als eerste moet presteren, zodat de verbintenis van de wederpartij nog niet opeisbaar is; hij mag niettemin opschorten als hij moet vrezen voor een dreigende niet-nakoming aan de zijde van de wederpartij (zgn. onzekerheidsexceptie). Slaat de onzekerheid om in zekerheid van niet-nakoming, dan wordt artikel 80 van toepassing. Zie voor het bezigen van de term "tekortkoming" in lid 2 de toelichting bij artikel 262 lid 2.

  2361. Artikel 264 verklaart enkele bepalingen uit afdeling 6.1.7 niet van toepassing op de wederkerige overeenkomst, omdat de opschorting hier, anders dan daarbuiten, mag en ook veelal zal, worden gebezigd als inleiding op (de verklaring tot) ontbinding - zie hieromtrent bij de artikelen 54 en 55. De artikelen 265 tot en met 278 regelen de ontbinding van wederkerige overeenkomsten als sanctie op "tekortkoming in de nakoming". De regeling is niet alleen uitvoeriger dan die van de huidige artikelen 1287 en 1288 BW, maar vertoont daarmee ook belangrijke verschillen. De voornaamste daarvan zijn de volgende: a. ontbinding kan zowel bij rechterlijk vonnis als, ook zonder desbetreffend beding, bij schriftelijke verklaring worden uitgesproken (artikel 267); b. zo’n vonnis of verklaring is niet alleen vereist bij wanprestatie ("toerekenbare tekortkoming", mits de schuldenaar in verzuim is), maar ook bij overmacht ("niet toerekenbare tekortkoming") (artikel 265): partijen worden in geval van overmacht niet van rechtswege van haar verbintenis ontheven; c. het is dan ook niet de wanprestatie die ontbindt, maar het vonnis, respectievelijk de verklaring (artikel 267); d. de ontbinding heeft noch terugwerkende kracht, noch zakelijke werking (artikel 269) - partijen kunnen anders overeenkomen, maar dit beding werkt niet tegenover derden; e. de ontbinding kon gedeeltelijk zijn, zowel naar prestatie als naar de tijd (bijvoorbeeld voor de toekomst) (artikel 270); f. na ontbinding moeten geleverde prestaties waar nodig ongedaan worden gemaakt, waartoe een vordering dient die gelijkt op die uit onverschuldigde betaling, met dien verstande dat de ontbinding, die in beginsel niet terugwerkt, aan de geleverde prestaties hun rechtsgrond niet ontneemt (artikel 271). Aldus wordt het rigoureuze stelsel van de artikelen 1287 en 1288 van het huidige BW, dat wegens zijn terug- werkende kracht in het rechtsverkeer, in het bijzonder met derden, bezwaren meebrengt en daarom bij onroerend- goed-transacties steeds wordt uitgesloten, vervangen door een soepeler en meer genuanceerd systeem. Wel blijft het partijen vrijstaan al dan niet toerekenbare tekortkoming in hun overeenkomst als ontbindende voorwaarde te construeren, waaraan geen terugwerkende kracht, doch, zij het beperkt door de regels van derdenbescherming, zakelijke werking is verbonden (zie artikel 3:38). Zakelijke werking heeft wel het eigendomsvoorbehoud van artikel 3:92 en voorts de bijzondere vorm van ontbinding, die de uitoefening van het reclamerecht bij koop is (artikel 7:39 e.v.). 2024 -874- No. 164 Het nieuwe in artikel 265 is dat algehele blijvende overmacht niet meer van rechtswege partijen van hun verbintenissen ontslaat, zoals thans op grond van HR 17-6-1949, NJ 1949, 544 (AKU-Stalen Steiger), wordt aan- genomen en dat de overeenkomst ook bij tijdelijke overmacht kan worden ontbonden. De overeenkomst kan, zolang de schuldenaar in gebreke blijft, worden ontbonden door - of op initiatief van - de wederpartij. Op de schuldenaar rust aldus, totdat hij heeft gepresteerd, ook in geval van overmacht, het risico voor de tegenprestatie door de wederpartij: gaat de zaak die hij moet leveren, vóór de levering teniet, dan kan de wederpartij ontbinden en is deze van haar verbintenis ontslagen. Door de prestatie van de schuldenaar gaat diens risico over op de schuldeiser, die wegens hetgeen nadien eventueel nog met de prestatie gebeurt, niet meer kan ontbinden en zijn tegenprestatie moet leveren. Voor koop van een bepaalde zaak is dit aldus uitgewerkt dat onder het nieuwe recht artikel 7:10 het risico van de verkoper voor schade aan de zaak in beginsel bij de aflevering doet overgaan en dat dit risico niet meer, zoals artikel 1481 BW thans, reeds bij het sluiten van de koopovereenkomst op de koper overgaat. Dat voor ontbinding geen plaats is als de tekortkoming haar niet rechtvaardigt wegens haar bijzondere aard of geringe betekenis, stemt overeen met het huidige recht (vgl. HR 16-1-1959, NJ 1960, 467 en HR 25-6-1971, NJ 1971, 398). Denkbaar is dat de tekortkoming onvoldoende is ter rechtvaardiging van algehele ontbinding, doch wel van gedeeltelijke. Betalingen, na het intreden van het verzuim gedaan, kunnen nog meewegen bij het oordeel over de vraag of de tekortkoming van geringe betekenis is (HR 11-6-1982, NJ 1983, 695). De vraag of de tekortkoming ontbinding rechtvaardigt, zal gewoonlijk nauw met de feitelijke omstandigheden zijn verweven (zie de Arubaanse zaak HR 24-11-1995, NJ 1996, 160). Naar de vraag of ontbinding is gerechtvaardigd, stelt de rechter niet ambtshalve een onderzoek in (HR 31-12-1993, NJ 1994, 317).

  2362. Artikel 266 behelst een beperking van de bevoegdheid tot ontbinding. Lid 1 sluit aan bij artikel 54, onderdeel a; evenmin als een schuldenaar die zelf ten aanzien van een verbintenis op grond van artikel 58 of artikel 59 in verzuim is, de nakoming kan opschorten, kan hij op de tekortkoming ontbinding baseren - hij blijft tot nakoming van zijn verbintenis gehouden. Lid 2 grijpt terug op artikel 64, dat de aansprakelijkheid van de schuldenaar tijdens schuldeisersverzuim verlicht: hij is slechts aansprakelijk in geval de onmogelijkheid van nakoming te wijten is aan gebrek aan zorg van hemzelf of zijn ondergeschikten. In datzelfde geval laat artikel 266 lid 2 de ontbinding door de schuldeiser toe, daarbuiten blijft hij gebonden en is het risico voor zijn rekening. Onder het huidige recht kan ontbinding door partijverklaring slechts geschieden als dat bedongen is; voortaan is zo'n beding niet meer nodig - artikel 267. Een, voorwaardelijke, ontbindingsverklaring kan, bij toepassing van artikel 265 lid 2, worden gecombineerd met een ingebrekestelling waar die voor het intreden van verzuim is vereist (artikelen 81 e.v.). Een rechterlijke uitspraak tot ontbinding is constitutief. De regeling omtrent verjaring en verval van het recht op ontbinding in artikel 268 vormt het equivalent van die van vernietiging van een rechtshandeling in de artikelen 3:52 lid 2, jo 3:51 lid 3. Omtrent de termijn van verjaring van de vordering tot ontbinding zie men artikel 3:311. Wegens het ontbreken van terugwerkende kracht en zakelijke werking - artikel 269 - kan een vóór de ontbinding geleverde zaak niet worden gerevindiceerd - vandaar artikel 271. Partijen kunnen wel terugwerkende kracht bedingen, maar alsdan kan slechts van de wederpartij zelf worden gerevindiceerd, niet van een derde-verkrijger. Zie voor de uitoefening van het reclamerecht bij koop die wel zakelijke werking heeft, de artikelen 7:39 e.v. De artikelen 273 en 274 verlenen voor de verbintenis tot ongedaanmaking enige terugwerkende kracht aan de ontbinding. Een rechterlijke uitspraak tot ontbinding heeft in zoverre nog terugwerkende kracht dat zij zuivering, op grond van een aanbod gedaan tussen het instellen der vordering en de uitspraak, uitsluit. 2024 -875- No. 164 Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling wordt de mogelijkheid van gedeeltelijke ontbinding thans in de rechtspraak wel erkend. Artikel 270 bevestigt dat met een wetsbepaling. Gedeeltelijke ontbinding houdt in een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties. Zij kan verschillende vormen aannemen en wel naar hoeveelheid of prijs. Vermindering naar hoeveelheid geschiedt, indien de te leveren hoeveelheid zaken wordt verminderd, bijvoorbeeld beperkt tot de hoeveelheid die deugdelijk is geleverd, waartegenover de bedongen prijs in gelijke verhouding wordt beperkt. Vermindering naar prijs, indien de geleverde goederen, hoewel in kwaliteit minder dan bedongen, door de koper worden behouden tegen prijsreductie. De gedeeltelijke ontbinding kan naar het criterium van een tijdstip worden bepaald: bijvoorbeeld alleen voor het verleden of alleen voor de toekomst - men denke in het bijzonder aan duurovereenkomsten en afleveringscontracten. Artikelen 271 tot en met 277 Uit het systeem van het wettelijk ontbindingsrecht volgens het ontwerp - geen terugwerkende kracht, geen zakelijke werking, geen "onverschuldigdheid" van reeds gedane "betalingen" - volgt dat reeds vóór de ontbinding geleverde prestaties ongedaan behoren te worden gemaakt met een eigensoortige vordering, die noch, als de revindicatie, zakenrechtelijk van aard is, noch een vorm van de vordering uit onverschuldigde betaling is. Wel is de vordering in de artikelen 272 tot en met 277 gemodelleerd naar analogie van de genoemde vorderingen, terwijl daarnaast ook aansluiting op het overige verbintenissenrecht, zoals afdeling 6.1.9, is gezocht. De vordering heeft twee modaliteiten: de fysieke ongedaanmaking door teruggave van het gepresteerde (artikel 271) en de verbintenis tot waardevergoeding (artikel 272). Deze vorderingen ontstaan door en tegelijk met de ontbinding en van dat tijdstip af zijn dus in beginsel de algemene bepalingen omtrent verbintenissen, onder meer die omtrent nakoming en niet-nakoming, daarop van toepassing, in plaats van op de door de ontbinding getroffen verbintenissen. Wel kunnen restanten van deze eerste verbintenissen nog in stand blijven, zoals een boetebeding.

  2363. Artikel 271 verplicht tot teruggave van de prestatie in de staat waarin zij is ontvangen. Is dat, buiten het geval van artikel 272, niet meer mogelijk, dan treden de gevolgen van afdeling 6.1.9 in, die afhankelijk zijn van de al dan niet toerekenbaarheid van de tekortkoming - zie echter artikel 273.

  2364. Artikel 272 sluit aan bij artikel 210 lid 2, voor de vordering uit onverschuldigde betaling - zie de toelichting bij dat artikel. De hoogte der vergoeding zal in het algemeen worden bepaald naar de waarde in het economisch verkeer - zie artikel 97 e.v. Lid 2 vormt een uitzondering hierop. De artikelen 273 en 274 breiden enige rechtsgevolgen van verbintenissen uit over de periode waarover de verbintenis tot ongedaanmaking nog niet bestond. In zoverre heeft derhalve ook hier de ontbinding een zekere terugwerkende kracht. Bedoelde rechtsgevolgen zijn op grond van artikel 273 de zorgverplichting van artikel 27 en de beperkte vergoedingsverplichting van artikel 78. De eerste verplichting begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de partij op wie de teruggaveverplichting gaat rusten, redelijkerwijs met de ontbinding rekening moest gaan houden, de tweede geldt ook reeds over de periode daarvóór.

  2365. Artikel 274 laat het verzuim in geval van ontvangst te kwader trouw van de prestatie ingaan op het tijdstip van die ontvangst. Zie de artikelen 204 en 205 voor onverschuldigde betaling. Het praktisch belang schuilt vooral in de toepasselijkheid van artikel 84 (verzwaarde aansprakelijkheid) en artikel 85 (vertragingsschade).

  2366. Artikel 275 verklaart een vijftal artikelen uit titel 3.5 omtrent de verhouding tussen bezitter en rechthebbende inzake de afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en schade van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen de partijen bij een overeenkomst die ontbonden is. De bepaling is analoog aan artikel 206 voor de vordering uit onverschuldigde betaling, met dien verstande dat in artikel 275 ook artikel 3:122 in de reeks is opgenomen, anders dan in artikel 206, omdat bij de onverschuldigde betaling artikel 208 een eigen bepaling omtrent afstand en overdracht bevat. Zie overigens de toelichting bij artikel 206.

  2367. Artikel 276 heeft dezelfde inhoud als de artikelen 31 en 209; naar de toelichting op die artikelen zij verwezen. 2024 -876- No. 164 In overeenstemming met het huidige recht kan in geval van wanprestatie naast ontbinding schadevergoeding worden gevorderd - artikel 277. Voor vergoeding komt in aanmerking niet alleen de schade die door de wanpres- tatie is geleden, doch ook die door de ontbinding ontstaat, omdat de overeenkomst - geheel of ten dele - van de baan is (het zgn. positief contractsbelang). Ook in geval van overmacht kan, anders dan onder het geldende recht, er aanleiding zijn tot een recht op schadevergoeding, doch dan alleen binnen de grenzen van artikel 78.

  2368. Artikel 278 lid 1 strekt tot het keren van misbruik van de ontbindingsbevoegdheid en wel in die gevallen waarin het aannemelijk is dat zij juist door de schuldeiser wordt gekozen om een ongerechtvaardigd voordeel in de wacht te slepen. Voorwaarde daarvoor is dat de overeenkomst reeds - geheel of ten dele - is uitgevoerd en dat de ontbinding verplicht tot restitutie, terwijl er na de levering der prestaties een verandering in de omstandigheden heeft plaatsgevonden die tot gevolg heeft dat de ontbindende partij er voordeel bij heeft dat de prestaties ongedaan worden gemaakt. Zo'n verandering kan bestaan in wijziging van de prijsverhouding tussen de prestaties, maar ook bijvoorbeeld doordat de ontbindende partij door overmacht wordt verhinderd de door haar ontvangen prestatie terug te geven. Voorwaarde voor de toepassing van artikel 278 is voorts dat de ontbindende partij een voor de wederpartij minder bezwarende weg had kunnen kiezen, bijvoorbeeld gedeeltelijke in plaats van algehele ontbinding, of prijsvermindering in plaats van teruggave, dan wel gewone aanvullende schadevergoeding. Het middel dat zich tegen dit misbruik richt, is afgifte van het voordeel voor zover het de oorspronkelijke waardeverhouding herstelt. Lid 2 breidt het rechtsgevolg van lid 1 uit door de regeling ook analogisch van toepassing te verklaren op de ongedaanmaking krachtens andere handelingen dan ontbinding, zoals omzetting in vervangende schadevergoe- ding (artikel 87), vernietiging (artikel 3:49) in verband met afdeling 6.4.2 en uitoefening van het reclamerecht. Het artikel zal, naar mag worden verwacht, mede preventieve werking hebben. Deze mogelijkheid van correctie ontbreekt in het huidige recht: zie HR 24-11-1995, NJ 1996, 160, in een Arubaanse zaak.

  2369. Artikel 279

  2370. Artikel 213 lid 2 bepaalt dat de artikelen van de afdelingen 6.5.1 tot en met 6.5.4 (rechtstreeks) van toepassing zijn op zgn. meerpartijenovereenkomsten, voor zover niet hun strekking in verband met de aard van de betrokken overeenkomst zich daartegen verzet. Voor de onderhavige, vijfde, afdeling van titel 6.5 geeft artikel 279 een ietwat afwijkende constructie: de artikelen 261 tot en met 278 zijn op de meerzijdige overeenkomst van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard der overeenkomst zich daartegen niet verzet, terwijl in de leden 2 en 3 twee speciale bepalingen met betrekking tot ontbinding van een meerpartijenovereenkomst worden gegeven. Voorbeelden bieden HR 23-1-1998, NJ 1999, 97 en HR 14-1-2000, NJ 2000, 307. Overeenkomsten tussen meer (dan twee) partijen kunnen verschillend van aard zijn: elke partij kan zich hetzij jegens alle andere, hetzij tegenover elk hunner afzonderlijk verbinden; elke partij verbindt zich tegenover een of enkelen der anderen (driepartijenruil bijvoorbeeld); een of meer partijen ontlenen aan de overeenkomst tussen twee anderen recht op een prestatie (met name het aanvaarde derdenbeding). Lid 1 heeft tot gevolg dat in het algemeen de bepalingen omtrent opschorting en ontbinding, al dan niet met aanvullende schadevergoeding, van afdeling 6.5.5 ook op de meerpartijenovereenkomst kunnen worden toegepast. Ontbinding echter geeft bijzondere problemen: ontbinding betekent niet slechts dat de ontbindende partij zich van haar verbintenissen bevrijdt, maar tevens dat een eind komt aan de verbintenissen tussen de anderen, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. Lid 2 bepaalt dat een partij die zelf verbintenissen op zich heeft genomen, dus bijvoorbeeld een partij bij een driepartijenruil of de promissor bij een derdenbeding, kan ontbinden als een of meer van de anderen tekortschie- ten in de nakoming van de daartegenover bedongen prestatie. Een derde die, zonder tot tegenprestatie te zijn verplicht, een te zijnen behoeve gemaakt beding heeft aanvaard, komt zo’n ontbinding dus niet toe - wel de stipulator jegens wie de promissor tekortschiet. Lid 3 bepaalt dat indien een der partijen in de nakoming van haar verbintenis tekortschiet, in elk geval de anderen gezamenlijk kunnen ontbinden. Deze bepaling geldt derhalve wél ten behoeve van degene die het derdenbeding heeft aanvaard: hij kan tezamen met de stipulator ontbinden. WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 7 2024 -877- No. 164 BOEK 7 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 7 Bijzondere overeenkomsten Titel 1 Koop en ruil Afdeling 1 Koop: Algemene bepalingen Artikel 1 Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen.

  2371. Artikel 2 1. De koop van een onroerende zaak wordt schriftelijk aangegaan. Zolang aan dit vereiste niet is voldaan en nog geen levering heeft plaatsgevonden, is de koop vernietigbaar zowel in het belang van de koper als van de verkoper. 2. Gaat het om een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan en is de koper een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan wordt de tussen partijen opgemaakte akte of een afschrift daarvan aan de koper ter hand gesteld, desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de koper het recht de koop te ontbinden, tenzij levering heeft plaatsgevonden; artikel 48e is van overeenkomstige toepassing. Komt, nadat de koper van dit recht gebruik heeft gemaakt, binnen zes maanden tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde zaak of hetzelfde bestanddeel daarvan opnieuw een koop tot stand, dan ontstaat het recht niet opnieuw. 3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven op het gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 4. Van de leden 1 tot en met 3 kan niet worden afgeweken ten nadele van een koper die een natuurlijk persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Van lid 1 kan evenmin worden afgeweken ten nadele van een verkoper die een natuurlijk persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 5. De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op de koop op een openbare veiling ten overstaan van een notaris, een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 268 lid 2 van Boek 3 en op een koop van rechten van gebruik in deeltijd als bedoeld in artikel 48a onder a.

  2372. Artikel 4 Wanneer de koop is gesloten zonder dat de prijs is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd; bij de bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de door de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen. 2024 -878- No. 164

  2373. Artikel 5 1. In deze titel wordt verstaan onder consumentenkoop: de koop met betrekking tot een roerende zaak, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 2. Wordt de zaak verkocht door een gevolmachtigde die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan wordt de koop aangemerkt als een consumentenkoop, tenzij de koper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst weet dat de volmachtgever niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst door leidingen naar de verbruiker aangevoerd gas of water betreft. 4. Indien de te leveren roerende zaak nog tot stand moet worden gebracht en de overeenkomst krachtens welke deze zaak moet worden geleverd voldoet aan de omschrijving van aanneming van werk, dan wordt de overeenkomst mede als een consumentenkoop aangemerkt indien de overeenkomst wordt gesloten door een aannemer die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De bepalingen van deze titel en die betreffende aanneming van werk zijn naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.

  2374. Artikel 6 1. Bij een consumentenkoop kan van de afdelingen 1 tot en met 7 niet ten nadele van de koper worden afgeweken en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de koper ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de verkoper toekent, niet worden beperkt of uitgesloten. 2. Lid 1 is niet van toepassing op de artikelen 11, 12, 13, 26 en 35, doch bedingen in algemene voorwaarden waarbij ten nadele van de koper wordt afgeweken van die artikelen, worden als onredelijk bezwarend aangemerkt. 3. De toepasselijkheid op de consumentenkoop van een recht dat de door deze titel voorziene bescherming niet of slechts ten dele biedt, kan er niet toe leiden dat de koper de bescherming verliest die hem krachtens de dwingende bepalingen van deze titel wordt geboden, indien hij in Suriname zijn gewone verblijfplaats heeft.

  2375. Artikel 6a 1. Indien in geval van een consumentenkoop in een garantie door de verkoper of de producent bepaalde eigenschappen zijn toegezegd, bij het ontbreken waarvan de koper bepaalde rechten of vorderingen worden toegekend, dan kan de koper deze uitoefenen onverminderd alle andere rechten of vorderingen die de wet de koper toekent. 2. In een garantie moet op duidelijke en begrijpelijke wijze worden vermeld welke in lid 1 bedoelde rechten of vorderingen een koper worden toegekend en moet worden vermeld dat deze een koper toekomen onverminderd de rechten of vorderingen die de wet hem toekent. Voorts moeten in een garantie de naam en het adres worden vermeld van de verkoper of de producent van wie de garantie afkomstig is, alsmede de duur en het gebied waarvoor de garantie geldt. 3. De in lid 2 bedoelde gegevens moeten de koper op zijn verlangen worden verstrekt. Dit geschiedt schriftelijk of op een andere ter beschikking van de koper staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager. 4. De aan de koper door de verkoper of de producent in een garantiebewijs toegekende rechten of vorderingen komen hem ook toe indien de zaak niet de eigenschappen bezit die in een reclame door deze verkoper of producent zijn toegezegd. 5. In dit artikel wordt verstaan onder: a. garantie: een in een garantiebewijs of reclame gedane toezegging als bedoeld in lid 1; b. producent: de fabrikant van de zaak, degene die de zaak in Suriname invoert, alsmede een ieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op de zaak aan te brengen. 2024 -879- No. 164

  2376. Artikel 7 1. Degene aan wie een zaak is toegezonden en die redelijkerwijs mag aannemen dat deze toezending is geschied teneinde hem tot een koop te bewegen, is ongeacht enige andersluidende mededeling van de verzender jegens deze bevoegd de zaak om niet te behouden, tenzij het hem is toe te rekenen dat de toezending is geschied. 2. De toezending aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet door deze bestelde zaak met het verzoek tot betaling van een prijs, is niet toegestaan. Wordt desalniettemin een zaak toegezonden als bedoeld in de eerste volzin, dan is het in lid 1 bepaalde omtrent de bevoegdheid, de zaak om niet te behouden, van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de ontvanger in de gevallen, bedoeld in de leden 1 en 2, de zaak terugzendt, komen de kosten hiervan voor rekening van de verzender. 4. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op het verrichten ten behoeve van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet door deze opgedragen dienst.

  2377. Artikel 8 Wordt een nieuw gebouwde of te bouwen woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, verkocht en is de koper een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan is artikel 767 van overeenkomstige toepassing. Hiervan kan niet ten nadele van de koper worden afgeweken. Afdeling 2 Verplichtingen van de verkoper

  2378. Artikel 9 1. De verkoper is verplicht de verkochte zaak met toebehoren in eigendom over te dragen en af te leveren. Onder toebehoren zijn de aanwezige titelbewijzen en bescheiden begrepen; voor zover de verkoper zelf daarbij belang behoudt, is hij slechts verplicht om aan de koper op diens verlangen en op diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven. 2. Onder aflevering wordt verstaan het stellen van de zaak in het bezit van de koper. 3. In geval van koop met eigendomsvoorbehoud wordt onder aflevering verstaan het stellen van de zaak in de macht van de koper.

  2379. Artikel 10 1. De zaak is voor risico van de koper vanaf de aflevering, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen. Derhalve blijft hij de koopprijs verschuldigd, ongeacht tenietgaan of achteruitgang van de zaak door een oorzaak die niet aan de verkoper kan worden toegerekend. 2. Hetzelfde geldt vanaf het ogenblik waarop de koper in verzuim is met het verrichten van een handeling waarmee hij aan de aflevering moet meewerken. In geval naar de soort bepaalde zaken zijn verkocht, doet het verzuim van de koper het risico eerst op hem overgaan, wanneer de verkoper de voor de uitvoering van de overeenkomst bestemde zaken heeft aangewezen en de koper daarvan heeft verwittigd. 3. Indien de koper op goede gronden het recht op ontbinding van de koop of op vervanging van de zaak inroept, blijft deze voor risico van de verkoper. 4. Wanneer de zaak na de aflevering voor risico van de verkoper is gebleven, is het tenietgaan of de achteruitgang ervan door toedoen van de koper eveneens voor rekening van de verkoper. De koper moet echter vanaf het ogenblik dat hij redelijkerwijs rekening moet houden met het feit dat hij de zaak zal moeten teruggeven, als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan zorgen; artikel 78 van Boek 6 is van overeenkomstige toepassing. 2024 -880- No. 164

  2380. Artikel 11 Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen vervoerder, is de zaak pas voor risico van de koper vanaf de bezorging, zelfs al was zij reeds eerder afgeleverd in de zin van artikel 9.

  2381. Artikel 12 1. Kosten van aflevering, die van weging en telling daaronder begrepen, komen ten laste van de verkoper. 2. Kosten van afhalen en kosten van een koopakte en van de overdracht komen ten laste van de koper.

  2382. Artikel 13 Indien bij een consumentenkoop de zaak bij de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze aangewezen vervoerder, kunnen daarvoor slechts kosten worden gevorderd, voor zover zij bij het sluiten van de overeenkomst door de verkoper afzonderlijk zijn opgegeven of door de verkoper de gegevens zijn verschaft op grond waarvan zij door hem worden berekend. Hetzelfde geldt voor kosten, verschuldigd voor andere werkzaamheden die de verkoper in verband met de koop voor de koper verricht.

  2383. Artikel 14 Vanaf de dag van aflevering komen de vruchten toe aan de koper, met dien verstande dat burgerlijke vruchten van dag tot dag berekend worden.

  2384. Artikel 15 1. De verkoper is verplicht de verkochte zaak in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen, met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard. 2. Ongeacht enig andersluidend beding staat de verkoper in voor de afwezigheid van lasten en beperkingen die voortvloeien uit feiten die vatbaar zijn voor inschrijving in de openbare registers, doch daarin ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet waren ingeschreven.

  2385. Artikel 16 Wanneer tegen de koper een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot erkenning van een recht waarmee de zaak niet belast had mogen zijn, is de verkoper gehouden in het geding te komen teneinde de belangen van de koper te verdedigen.

  2386. Artikel 17 1. De afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden. 2. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. 3. Een andere zaak dan is overeengekomen, of een zaak van een andere soort, beantwoordt evenmin aan de overeenkomst. Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal, maat of gewicht van het overeengekomene afwijkt. 2024 -881- No. 164 4. Is aan de koper een monster of model getoond of verstrekt, dan moet de zaak daarmee overeenstemmen, tenzij het slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt zonder dat de zaak daaraan behoefde te beantwoorden. 5. De koper kan zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Ook kan de koper zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer dit te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van grondstoffen afkomstig van de koper, tenzij de verkoper hem voor deze gebreken of ongeschiktheid had moeten waarschuwen. 6. Bij koop van een onroerende zaak wordt vermelding van de oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te zijn, zonder dat de zaak daaraan behoeft te beantwoorden.

  2387. Artikel 18 1. Bij de beoordeling van de vraag of een op grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt, gelden mededelingen die door of ten behoeve van een vorige verkoper van die zaak, handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, omtrent de zaak zijn openbaar gemaakt, als mededelingen van de verkoper, behoudens voor zover deze een bepaalde mededeling kende noch behoorde te kennen of deze mededeling uiterlijk ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op een voor de koper duidelijke wijze is herroepen, dan wel de koop niet door deze mededeling beïnvloed kan zijn. 2. Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. 3. Indien in geval van een consumentenkoop de verkoper verplicht is zorg te dragen voor de installatie van de zaak en deze installatie ondeugdelijk is uitgevoerd, wordt dit gelijkgesteld aan een gebrek aan overeenstemming van de zaak aan de overeenkomst. Hetzelfde geldt indien de installatie door de koper ondeugdelijk is uitgevoerd en dit te wijten is aan de montagevoorschriften die met de levering van de zaak aan de koper zijn verstrekt.

  2388. Artikel 19 1. In geval van een executoriale verkoop kan de koper zich er niet op beroepen dat de zaak behept is met een last of een beperking die er niet op had mogen rusten, of dat deze niet aan de overeenkomst beantwoordt, tenzij de verkoper dat wist. 2. Hetzelfde geldt indien de verkoop bij wijze van parate executie plaatsvindt, mits de koper dit wist of had moeten weten. Bij een consumentenkoop kan de koper zich er echter wel op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Afdeling 3 Bijzondere gevolgen van niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper

  2389. Artikel 20 Is de zaak behept met een last of een beperking die er niet op had mogen rusten, dan kan de koper eisen dat de last of de beperking wordt opgeheven, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen.

  2390. Artikel 21 1. Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan kan de koper eisen: a. aflevering van het ontbrekende; b. herstel van de afgeleverde zaak, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen; 2024 -882- No. 164 c. vervanging van de afgeleverde zaak, tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om dit te rechtvaardigen, dan wel de zaak na het tijdstip dat de koper redelijkerwijs met ongedaanmaking rekening moet houden, teniet of achteruit is gegaan doordat hij niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan heeft gezorgd. 2. De kosten van nakoming van de in lid 1 bedoelde verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden gebracht. 3. De verkoper is verplicht om, mede gelet op de aard van de zaak en op het bijzondere gebruik van de zaak dat bij de overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, zijn in lid 1 bedoelde verplichtingen na te komen. 4. Bij een consumentenkoop komt de koper, in afwijking van lid 1, slechts dan geen herstel of vervanging van de afgeleverde zaak toe indien herstel of vervanging onmogelijk is of van de verkoper redelijkerwijs niet gevergd kan worden. 5. Herstel of vervanging kan bij een consumentenkoop van de verkoper niet gevergd worden indien de kosten daarvan in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht of een andere vordering die de koper toekomt, mede gelet op de beschikbaarheid van vervangende zaken of onderdelen, de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander recht of een andere vordering geen ernstige overlast voor de koper veroorzaakt. 6. Indien bij een consumentenkoop de verkoper niet binnen een redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper schriftelijk is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van de afgeleverde zaak heeft voldaan, is de koper bevoegd het herstel door een derde te doen plaatsvinden en de kosten daarvan op de verkoper te verhalen.

  2391. Artikel 22 1. Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan heeft bij een consumentenkoop de koper voorts de bevoegdheid om: a. de overeenkomst te ontbinden, tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt; b. de prijs te verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene. 2. De in lid 1 bedoelde bevoegdheden ontstaan pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wel de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3. 3. Voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken zijn op de in lid 1 onder b bedoelde bevoegdheid de bepalingen van afdeling 5 van titel 5 van Boek 6 omtrent ontbinding van een overeenkomst van overeenkomstige toepassing. 4. De rechten en bevoegdheden genoemd in lid 1 en de artikelen 20 en 21 komen de koper toe onverminderd alle andere rechten en vorderingen.

  2392. Artikel 23 1. De koper kan er geen beroep meer op doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Blijkt echter aan de zaak een eigenschap te ontbreken die deze volgens de verkoper bezat, of heeft de afwijking betrekking op feiten die hij kende of behoorde te kennen doch die hij niet heeft meegedeeld, dan moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden. Bij een consumentenkoop moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is. 2024 -883- No. 164 2. Rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaar na de overeenkomstig lid 1 gedane kennisgeving. Doch de koper behoudt de bevoegdheid om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering daarvan of op schadevergoeding tegen te werpen. 3. De termijn loopt niet zolang de koper zijn rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.

  2393. Artikel 24 1. Indien op grond van een consumentenkoop een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft de koper jegens de verkoper recht op schadevergoeding overeenkomstig titel 1, afdelingen 9 en 10, van Boek 6. 2. Bestaat de tekortkoming in een gebrek als bedoeld in titel 3, afdeling 3, van Boek 6, dan is de verkoper niet aansprakelijk voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij: a. hij het gebrek kende of behoorde te kennen, b. hij de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd. 3. Indien de verkoper de schade van de koper vergoedt krachtens lid 2 onder a of b, is de koper verplicht zijn rechten uit titel 3, afdeling 3, van Boek 6 aan de verkoper over te dragen.

  2394. Artikel 25 1. Heeft de koper, in geval van een tekortkoming als bedoeld in artikel 24, een of meer van zijn rechten ter zake van die tekortkoming tegen de verkoper uitgeoefend, dan heeft de verkoper recht op schadevergoeding jegens degene van wie hij de zaak heeft gekocht, mits ook deze bij die overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld. Kosten ter zake van verweer worden slechts vergoed voor zover zij in redelijkheid door de verkoper zijn gemaakt. 2. Van lid 1 kan niet ten nadele van de verkoper worden afgeweken. 3. Het recht op schadevergoeding krachtens lid 1 komt de verkoper niet toe indien de afwijking betrekking heeft op feiten die hij kende of behoorde te kennen, dan wel haar oorzaak vindt in een omstandigheid die is voorgevallen nadat de zaak aan hem werd afgeleverd. 4. Indien aan de zaak een eigenschap ontbreekt die deze volgens de verkoper bezat, is het recht van de verkoper op schadevergoeding krachtens lid 1 beperkt tot het bedrag waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij de toezegging niet had gedaan. 5. Op het verhaal krachtens eerdere koopovereenkomsten zijn de leden 1 tot en met 4 van overeenkomstige toepassing. 6. De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing voor zover het betreft schade als bedoeld in artikel 24 lid 2. Afdeling 4 Verplichtingen van de koper

  2395. Artikel 26 1. De koper is verplicht de prijs te betalen. 2. De betaling moet geschieden ten tijde en ter plaatse van de aflevering. Bij een consumentenkoop kan de koper tot vooruitbetaling van ten hoogste de helft van de koopprijs worden verplicht. 3. Is voor de eigendomsoverdracht een notariële akte vereist, gevolgd door inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers, dan moet het verschuldigde ten tijde van de ondertekening van de akte ten minste uit de macht van de koper zijn gebracht en behoeft het pas na de inschrijving in de macht van de verkoper te worden gebracht. 2024 -884- No. 164 4. Bij de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan, kan, onverminderd artikel 8 in verbinding met artikel 767, de koper die een natuurlijk persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, niet worden verplicht tot vooruitbetaling van de koopprijs, behoudens dat kan worden bedongen dat hij ter verzekering van de nakoming van zijn verplichtingen een bedrag dat niet hoger is dan 10% van de koopprijs, in depot stort bij een in Suriname gevestigde notaris dan wel voor dit bedrag vervangende zekerheid stelt. Van de eerste volzin kan niet ten nadele van de koper worden afgeweken. Het teveel betaalde geldt als onverschuldigd betaald. 5. Lid 4 is van overeenkomstige toepassing op de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven op het gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan. 6. De leden 4 en 5 zijn niet van toepassing op een koop van rechten van gebruik in deeltijd als bedoeld in artikel 48a onder a.

  2396. Artikel 27 Wanneer de koper gestoord wordt of goede grond heeft te vrezen dat hij gestoord zal worden door een vordering tot uitwinning of tot erkenning van een recht op de zaak dat daarop niet had mogen rusten, kan hij de betaling van de koopprijs opschorten, tenzij de verkoper voldoende zekerheid stelt om het nadeel te dekken dat de koper dreigt te lijden. Artikel 28 Bij een consumentenkoop verjaart de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs door verloop van twee jaar.

  2397. Artikel 29 1. Heeft de koper de zaak ontvangen doch is hij voornemens deze te weigeren, dan moet hij als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan zorgen; hij heeft op de zaak een retentierecht totdat hij door de verkoper voor de door hem in redelijkheid gemaakte kosten schadeloos is gesteld. 2. De koper die voornemens is een aan hem verzonden en op de plaats van bestemming te zijner beschikking gestelde zaak te weigeren, moet, zo dit geen betaling van de koopprijs en geen ernstige bezwaren of onredelijke kosten meebrengt, deze in ontvangst nemen, tenzij de verkoper op de plaats van bestemming aanwezig is of iemand aldaar bevoegd is zich voor zijn rekening met de zorg voor de zaak te belasten.

  2398. Artikel 30 Wanneer in de gevallen, in artikel 29 voorzien, de zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of wanneer de bewaring daarvan ernstige bezwaren of onredelijke kosten zou meebrengen, is de koper verplicht de zaak op een geschikte wijze te doen verkopen. Afdeling 5 Bijzondere gevolgen van verzuim van de koper

  2399. Artikel 31 Indien de overeenkomst aan de koper de bevoegdheid geeft door aanwijzing van maat of vorm of op andere wijze de zaak te specificeren en hij daarmee in verzuim is, kan de verkoper daartoe zelf overgaan, met inachtneming van de hem bekende behoeften van de koper. 2024 -885- No. 164 Artikel 32 In geval de koper met de inontvangstneming in verzuim is, vindt artikel 30 overeenkomstige toepassing. Afdeling 6 Bijzondere gevallen van ontbinding

  2400. Artikel 33 Indien de aflevering van een roerende zaak op een bepaalde dag essentieel is en op die dag de koper niet in ontvangst neemt, levert zulks een grond op tot ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek 6.

  2401. Artikel 34 De verkoper kan de koop door een schriftelijke verklaring ontbinden, indien het achterwege blijven van inontvangstneming hem goede grond geeft te vrezen dat de prijs niet zal worden betaald.

  2402. Artikel 35 1. Indien de verkoper bij een consumentenkoop krachtens een bij die overeenkomst gemaakt beding de koopprijs na het sluiten van de koop verhoogt, is de koper bevoegd de koop door een schriftelijke verklaring te ontbinden, tenzij bedongen is dat de aflevering langer dan drie maanden na de koop zal plaatsvinden. 2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder koopprijs begrepen het bedrag dat bij het sluiten van de overeenkomst onder voorbehoud van prijswijziging voorlopig als koopprijs is opgegeven. Afdeling 7 Schadevergoeding

  2403. Artikel 36 1. In geval van ontbinding van de koop is, wanneer de zaak een dagprijs heeft, de schadevergoeding gelijk aan het verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de dagprijs ten dage van de niet-nakoming. 2. Voor de berekening van deze schadevergoeding is de in aanmerking te nemen dagprijs die van de markt waar de zaak had moeten worden afgeleverd, of, indien er geen dergelijke dagprijs is of deze bezwaarlijk zou kunnen worden toegepast, de prijs van de markt die deze redelijkerwijs kan vervangen; hierbij wordt rekening gehouden met verschillen in de kosten van vervoer van de zaak.

  2404. Artikel 37 Heeft de koper of de verkoper een dekkingskoop gesloten en is hij daarbij redelijk te werk gegaan, dan komt hem het verschil toe tussen de overeengekomen prijs en die van de dekkingskoop.

  2405. Artikel 38 De artikelen 36 en 37 sluiten het recht op een hogere schadevergoeding niet uit in geval meer schade is geleden. 2024 -886- No. 164 Afdeling 8 Recht van reclame

  2406. Artikel 39 1. De verkoper van een roerende, aan de koper afgeleverde zaak die niet een registergoed is, kan, indien de prijs niet betaald is en in verband daarmee aan de vereisten voor een ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek 6 is voldaan, de zaak door een tot de koper gerichte schriftelijke verklaring terugvorderen. Door deze verklaring wordt de koop ontbonden en eindigt het recht van de koper of zijn rechtsverkrijger; de artikelen 271, 273, 275 en 276 van Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Is slechts de prijs van een bepaald deel van het afgeleverde niet betaald, dan kan de verkoper slechts dat deel terugvorderen. Is ten aanzien van het geheel een deel van de prijs niet betaald, dan kan de verkoper een daaraan evenredig deel van het afgeleverde terugvorderen indien het afgeleverde voor een zodanige verdeling vatbaar is. In beide gevallen wordt de koop slechts voor het teruggevorderde deel van het afgeleverde ontbonden. 3. In alle andere gevallen van gedeeltelijke betaling van de prijs kan de verkoper slechts het afgeleverde in zijn geheel terugvorderen tegen teruggave van het reeds betaalde.

  2407. Artikel 40 Is de koper in staat van faillissement verklaard of is aan hem surséance van betaling verleend, dan heeft de terugvordering geen gevolg, indien door de curator, onderscheidenlijk door de koper en de bewindvoerder, binnen een hun daartoe door de verkoper bij diens verklaring te stellen redelijke termijn de koopprijs wordt betaald of voor deze betaling zekerheid wordt gesteld. Artikel 41 De bevoegdheid tot terugvordering kan slechts worden uitgeoefend voor zover het afgeleverde zich nog in dezelfde staat bevindt als waarin het werd afgeleverd.

  2408. Artikel 42 1. Tenzij de zaak in handen van de koper is gebleven, vervalt de bevoegdheid tot terugvordering wanneer de zaak overeenkomstig artikel 90 lid 1 of artikel 91 van Boek 3 anders dan om niet is overgedragen aan een derde die redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht zou worden uitgeoefend. 2. Is de zaak na de aflevering anders dan om niet in vruchtgebruik gegeven of verpand, dan is lid 1 van overeenkomstige toepassing.

  2409. Artikel 43 De verkoper kan zijn in artikel 39 omschreven bevoegdheid niet uitoefenen, indien de koper voor de volle koopprijs handelspapier heeft geaccepteerd. Bij acceptatie voor een gedeelte van de prijs kan de verkoper die bevoegdheid slechts uitoefenen, indien hij ten behoeve van de koper zekerheid stelt voor de vergoeding van hetgeen de koper uit hoofde van zijn acceptatie zou moeten betalen.

  2410. Artikel 44 De in artikel 39 omschreven bevoegdheid van de verkoper vervalt, wanneer zowel zes weken zijn verstreken nadat de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden, als zestig dagen, te rekenen van de dag waarop de zaak onder de koper of onder iemand van zijnentwege is opgeslagen. 2024 -887- No. 164 Afdeling 9 Koop op proef

  2411. Artikel 45 1. Koop op proef wordt geacht te zijn gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de zaak de koper voldoet. 2. Laat deze een termijn, voldoende om de zaak te beoordelen, voorbijgaan zonder de verkoper van zijn beslissing in kennis te stellen, dan kan hij de zaak niet meer weigeren. Artikel 46 Zolang de koop niet definitief is, is de zaak voor risico van de verkoper. Afdeling 9A Overeenkomsten op afstand

  2412. Artikel 46a In deze afdeling wordt verstaan onder: a. overeenkomst op afstand: de overeenkomst waarbij, in het kader van een door de verkoper of dienstverlener georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand, tot en met het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van één of meer technieken voor communicatie op afstand; b. koop op afstand: de overeenkomst op afstand die een consumentenkoop is; c. overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten: de tot het verrichten van diensten strekkende overeenkomst op afstand tussen een dienstverlener die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf; d. financiële dienst: iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen; e. techniek voor communicatie op afstand: een middel dat zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van partijen kan worden gebruikt voor het sluiten van de overeenkomst op afstand; f. communicatietechniekexploitant: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het ter beschikking stellen van één of meer technieken voor communicatie op afstand aan verkopers of dienstverleners.

  2413. Artikel 46b 1. Artikel 5 lid 3 is niet van toepassing op koop op afstand. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op de koop op afstand: a. die wordt gesloten met gebruikmaking van distributieautomaten of geautomatiseerde handelsruimten; b. op een veiling. 3. De artikelen 46c tot en met 46e en artikel 46f lid 1 zijn niet van toepassing op de koop op afstand van hoofdzakelijk levensmiddelen die worden afgeleverd aan de koper op diens woon- of verblijfplaats of werkplek door frequent en op gezette tijden langskomende bezorgers. 2024 -888- No. 164

  2414. Artikel 46c 1. Tijdig voordat de koop op afstand wordt gesloten, moeten aan de wederpartij met alle aan de gebruikte techniek voor communicatie op afstand aangepaste middelen en op duidelijke en begrijpelijke wijze, de volgende gegevens worden verstrekt, waarvan het commerciële oogmerk ondubbelzinnig moet blijken: a. de identiteit en, indien de koop op afstand verplicht tot vooruitbetaling van de prijs of een gedeelte daarvan, het adres van de verkoper; b. de belangrijkste kenmerken van de zaak; c. de prijs, met inbegrip van alle belastingen, van de zaak; d. voor zover van toepassing: de kosten van aflevering; e. de wijze van betaling, aflevering of uitvoering van de koop op afstand; f. het al dan niet van toepassing zijn van de mogelijkheid van ontbinding overeenkomstig artikel 46d lid 1 en artikel 46e; g. indien de kosten van het gebruik van de techniek voor communicatie op afstand worden berekend op een andere grondslag dan het basistarief: de hoogte van het geldende tarief; h. de termijn voor de aanvaarding van het aanbod, dan wel de termijn voor het gestand doen van de prijs; i. voor zover van toepassing, in geval van een koop op afstand die strekt tot voortdurende of periodieke aflevering van zaken: de minimale duur van de overeenkomst. 2. Tijdig bij de nakoming van de koop op afstand en, voor zover het niet aan derden af te leveren zaken betreft, uiterlijk bij de aflevering, moeten aan de koper op duidelijke en begrijpelijke wijze schriftelijk of, voor zover het de in onderdeel a en de onderdelen c tot en met e bedoelde gegevens betreft, op een andere te zijner beschikking staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager, de volgende gegevens worden verstrekt, behoudens voor zover zulks reeds is geschied voordat de koop op afstand werd gesloten: a. de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met f van lid 1; b. de vereisten voor de gebruikmaking van het recht tot ontbinding overeenkomstig artikel 46d lid 1 en artikel 46e lid 2; c. het bezoekadres van de vestiging van de verkoper of het postadres waar de koper een klacht kan indienen; d. voor zover van toepassing: gegevens omtrent de garantie en omtrent in het kader van de koop op afstand aangeboden diensten; e. indien de koop op afstand een duur heeft van meer dan een jaar dan wel een onbepaalde duur: de vereisten voor opzegging van de overeenkomst.

  2415. Artikel 46d 1. Gedurende zeven werkdagen na de ontvangst van de zaak heeft de koper het recht de koop op afstand zonder opgave van redenen te ontbinden. Indien niet is voldaan aan alle in artikel 46c lid 2 gestelde eisen, bedraagt deze termijn drie maanden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing vanaf de voldoening binnen de in de tweede zin bedoelde termijn aan alle in artikel 46c lid 2 gestelde eisen. 2. In geval van ontbinding overeenkomstig lid 1 kan de verkoper, behoudens ten hoogste de rechtstreekse kosten van het terugzenden van de zaak, aan de koper geen vergoeding in rekening brengen. 3. In geval van ontbinding overeenkomstig lid 1 heeft de koper recht op kosteloze teruggave van het door hem aan de verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen dertig dagen na de ontbinding plaatsvinden. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op de koop op afstand: a. van zaken waarvan de prijs gebonden is aan de schommelingen op de financiële markt, waarop de verkoper geen invloed heeft; b. van zaken die: 1°. zijn tot stand gebracht overeenkomstig specificaties van de koper; 2°. duidelijk persoonlijk van aard zijn; 2024 -889- No. 164 3°. door hun aard niet kunnen worden teruggezonden; 4°. snel kunnen bederven of verouderen; c. van audio- en video-opnamen en computerprogrammatuur, indien de koper hun verzegeling heeft verbroken; d. van kranten en tijdschriften.

  2416. Artikel 46e 1. Ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 brengt van rechtswege en zonder dat de koper een boete is verschuldigd de ontbinding mee van een overeenkomst die ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent. 2. In geval van ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 heeft de koper tevens het recht een ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een derde aangegane overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent, zonder boete te ontbinden.

  2417. Artikel 46f 1. Het verzuim van de verkoper treedt zonder ingebrekestelling in, wanneer de koop op afstand niet uiterlijk binnen dertig dagen, te rekenen van de dag waarop de koper zijn bestelling bij de verkoper heeft gedaan, is nagekomen, behalve voor zover de vertraging de verkoper niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is. 2. Indien nakoming onmogelijk is doordat de gekochte zaak niet beschikbaar is, moet de koper daarvan zo spoedig mogelijk worden kennis gegeven en heeft hij recht op kosteloze teruggave van het door hem aan de verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen dertig dagen na de kennisgeving plaatsvinden. 3. Indien in het in lid 2 bedoelde geval de verkoper krachtens een voor dan wel bij het sluiten van de koop op afstand gemaakt beding de bevoegdheid heeft, een zaak van gelijke kwaliteit en prijs te geven, komen de kosten van het terugzenden van de zaak in geval van ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 ten laste van de verkoper. De koper moet daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze worden kennis gegeven.

  2418. Artikel 46g De natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, van wie een betaalkaart frauduleus is gebruikt in het kader van koop op afstand, kan niet worden verplicht tot betaling van de hem als gevolg van dat frauduleuze gebruik in rekening gebrachte bedragen, behoudens voor zover dat gebruik een gevolg is van een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend. Het terzake reeds betaalde geldt als onverschuldigd betaald.

  2419. Artikel 46h 1. Aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf moeten bij het gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan het begin van elk gesprek duidelijk de identiteit van de verkoper, alsmede het commerciële oogmerk van de oproep worden medegedeeld. 2. Het gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen en elektronische berichten voor het overbrengen van ongevraagde communicatie, ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is uitsluitend toegestaan, indien de desbetreffende persoon daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend, onverminderd het bepaalde in lid 3. 2024 -890- No. 164 3. Een ieder die elektronische contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van een zaak mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen van communicatie ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige zaken, mits bij de verkrijging van de contactgegevens aan de klant duidelijk en uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens, en, indien de klant hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hem bij elke overgebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verder gebruik van zijn elektronische contactgegevens. In geval van verzet beëindigt de gebruiker de maatregelen terstond en treft hij terstond de maatregelen die nodig zijn om de eventuele verwerking van de elektronische contactgegevens in verband met de totstandbrenging of de instandhouding van een directe relatie met de klant met het oog op werving voor commerciële of charitatieve doelen, ongedaan te maken. 4. Bij het gebruik van elektronische berichten ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand dienen te allen tijde de volgende gegevens te worden vermeld: a. de werkelijke identiteit van degene namens wie de communicatie wordt overgebracht, en b. een geldig postadres of nummer waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten. 5. Het gebruik van andere dan de in lid 2 genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het overbrengen van ongevraagde communicatie of het doen van ongevraagde mededelingen, ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is toegestaan, tenzij de desbetreffende persoon te kennen heeft gegeven dat hij communicatie of mededelingen waarbij van deze technieken gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen. 6. Degene die ongevraagd communicatie overbrengt of mededelingen doet ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, neemt passende maatregelen om ten minste eenmaal per jaar de personen, bedoeld in lid 5, bekend te maken met de mogelijkheden tot het doen van een kennisgeving als bedoeld in lid 5. De bekendmaking kan via een of meer dag-, nieuws- of huis-aan- huisbladen of op een andere geschikte wijze plaatsvinden. 7. Aan de maatregelen, bedoeld in de leden 2 en 5, zijn voor de in die leden bedoelde personen geen kosten verbonden.

  2420. Artikel 46i 1. Artikel 46b lid 2, artikel 46c, artikel 46d leden 1 tot en met 3 en lid 4 onder a, artikel 46e en artikel 46f leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten die niet een financiële dienst zijn. De artikelen 46g tot en met 46h zijn van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten. 2. In afwijking van lid 1, zijn de in dat lid genoemde artikelen niet van toepassing op de overeenkomst op afstand: a. tot het verrichten van diensten, die wordt gesloten met een telecommunicatie-exploitant door gebruikmaking van een openbare telefoon; b. tot aanneming van werk die strekt tot de bouw van een onroerende zaak. 3. In afwijking van lid 1, zijn de artikelen 46c tot en met 46e en artikel 46f lid 1 niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten die logies, vervoer, het restaurantbedrijf of vrijetijdsbesteding betreft, indien de dienstverlener zich er bij het sluiten van de overeenkomst toe verplicht, deze diensten te verrichten op een bepaalde datum of tijdens een bepaalde periode. 4. In afwijking van lid 1, is artikel 46c lid 2 niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten die in één keer worden verricht met behulp van een techniek voor communicatie op afstand en die in rekening worden gebracht door de communicatietechniekexploitant. Desalniettemin moet aan de wederpartij steeds het bezoekadres van de vestiging van de dienstverlener waar de wederpartij een klacht kan indienen, worden medegedeeld. 2024 -891- No. 164 5. In afwijking van lid 1, is artikel 46d niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten: a. waarvan de nakoming met instemming van de wederpartij is begonnen voordat de in artikel 46d lid 1, eerste en derde volzin, bedoelde termijn is verstreken; b. betreffende weddenschappen en loterijen. 6. In geval van een overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten lopen de in artikel 46d lid 1, eerste en tweede volzin, bedoelde termijnen vanaf het sluiten van de overeenkomst. 7. Een beding in een overeenkomst op afstand tot het verrichten van financiële diensten dat de wederpartij belast met het bewijs ter zake van de naleving van de verplichtingen die krachtens de dwingende bepalingen van deze titel op de dienstverlener rusten, is vernietigbaar.

  2421. Artikel 46j 1. Van deze afdeling kan niet ten nadele van de koper dan wel de wederpartij worden afgeweken. 2. Lid 1 is niet van toepassing op artikel 46f lid 1. 3. De toepasselijkheid op de overeenkomst van een recht dat de door deze afdeling voorziene bescherming niet of slechts ten dele biedt, kan er niet toe leiden dat de koper of de wederpartij die in Suriname zijn gewone verblijfplaats heeft de bescherming verliest die hem wordt geboden door de dwingende bepalingen van deze afdeling. Afdeling 10 Koop van vermogensrechten Artikel 47 Een koop kan ook op een vermogensrecht betrekking hebben. In dat geval zijn de vorige afdelingen van toepassing, voor zover dit in overeenstemming is met de aard van het recht.

  2422. Artikel 48 1. Degene die een nalatenschap verkoopt zonder de goederen daarvan stuk voor stuk op te geven, is slechts gehouden voor zijn hoedanigheid van erfgenaam in te staan. 2. Heeft de verkoper reeds vruchten genoten, een tot de nalatenschap behorende vordering geïnd of goederen uit de nalatenschap vervreemd, dan moet hij die aan de koper vergoeden. 3. De koper moet aan de verkoper vergoeden hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap heeft betaald en hem voldoen hetgeen hij als schuldeiser van de nalatenschap te vorderen had. Afdeling 10A Koop van rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken

  2423. Artikel 48a In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. koop: iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met een duur van ten minste drie jaar en met de strekking dat de ene partij, de verkoper, tegen betaling van een totaalprijs aan de andere partij, de koper, een zakelijk of persoonlijk recht geeft of zich verbindt te geven tot het gebruik voor ten minste een week per jaar van een of meer tot bewoning bestemde onroerende zaken of bestanddelen daarvan; b. verkoper: een verkoper als bedoeld onder a die bij de koop handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf; c. koper: een koper als bedoeld onder a die een natuurlijk persoon is en bij de koop niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 2024 -892- No. 164

  2424. Artikel 48b 1. De koop wordt schriftelijk aangegaan. De koopakte moet, al dan niet door middel van verwijzing en bijvoeging, ten minste de bij staatsbesluit bepaalde gegevens bevatten. 2. De in lid 1 bedoelde, tussen partijen opgemaakte, akte of een afschrift daarvan moet aan de koper worden ter hand gesteld, desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs.

  2425. Artikel 48c 1. Gedurende veertien dagen na de terhandstelling van de akte of een afschrift daarvan overeenkomstig artikel 48b lid 2 heeft de koper het recht de koop zonder opgave van redenen te ontbinden. Indien de akte niet alle bij staatsbesluit bepaalde gegevens vermeldt, wordt deze termijn verlengd met de tijd die is verstreken vanaf de terhandstelling van de akte of een afschrift daarvan totdat alle ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk aan de koper zijn verstrekt, doch ten hoogste met een maand. 2. De koper oefent zijn in lid 1 bedoelde recht de overeenkomst te ontbinden uit door binnen de gestelde termijn een schriftelijke verklaring te richten tot de verkoper of tot degene die daartoe overeenkomstig het in het staatsbesluit bepaalde in de akte is vermeld. 3. In geval van ontbinding overeenkomstig de leden 1 en 2 is de koper aan de verkoper ten hoogste 3% van de prijs als vergoeding verschuldigd.

  2426. Artikel 48d In geval van vooruitbetaling van de prijs binnen de in artikel 48c lid 1 bedoelde termijn, stelt de verkoper zekerheid voor onverwijlde terugbetaling van het vooruitbetaalde, verminderd met de vergoeding als bedoeld in artikel 48c lid 3, indien de koper gebruik maakt van zijn bevoegdheid de koop te ontbinden overeenkomstig artikel 48c leden 1 en 2.

  2427. Artikel 48e 1. Ontbinding van de koop overeenkomstig artikel 48c leden 1 en 2 brengt van rechtswege en zonder dat de koper een boete is verschuldigd de ontbinding mee van een overeenkomst die ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent. 2. In geval van ontbinding van de koop overeenkomstig artikel 48c leden 1 en 2 heeft de koper tevens het recht, zonder gebondenheid aan de in artikel 48c lid 1 bedoelde termijn, een ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een derde aangegane overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent, zonder boete te ontbinden. Op de ontbinding overeenkomstig de voorgaande volzin is artikel 48c lid 2 van overeenkomstige toepassing. 3. In geval van ontbinding overeenkomstig de leden 1 en 2 is de koper geen enkele vergoeding verschuldigd.

  2428. Artikel 48f Het in deze afdeling bepaalde vindt overeenkomstige toepassing op de koop van rechten van gebruik in deeltijd van andere registergoederen, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht.

  2429. Artikel 48g 1. Van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde kan niet ten nadele van de koper worden afgeweken. 2. Aan de koper kan, indien de in de koop bedoelde onroerende zaak is gelegen op het grondgebied van Suriname, de hem door deze afdeling toegekende bescherming niet worden onthouden, ongeacht het recht dat de koop beheerst. 2024 -893- No. 164 Afdeling 12 Ruil Artikel 49 Ruil is de overeenkomst waarbij partijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te geven.

  2430. Artikel 50 De bepalingen betreffende koop vinden overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt. Titel 3 Schenking

  2431. Artikel 175 1. Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. 2. Het tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze na er van kennis te hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen.

  2432. Artikel 175a Schenking van een registergoed geschiedt bij notariële akte. Een volmacht tot schenking van een registergoed geschiedt bij notariële akte.

  2433. Artikel 176 Indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is totstandgekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde, tenzij deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

  2434. Artikel 177 1. Voor zover een schenking de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, vervalt zij met het overlijden van de schenker, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Voor zover de schenking betrekking heeft op kleren, lijfstoebehoren, bepaalde lijfsieraden, bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken, kan worden volstaan met een door de schenker geheel met de hand geschreven, gedagtekende en ondertekende onderhandse akte. 2. Indien een bevoegdheid is bedongen tot herroeping van een schenkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1, kan deze herroeping behalve bij een tot de begiftigde gerichte verklaring ook bij een uiterste wilsbeschikking van de schenker zonder mededeling aan de begiftigde geschieden. 2024 -894- No. 164

  2435. Artikel 178 1. Een schenking is vernietigbaar, indien zij gedurende een ziekte van de schenker wordt gedaan hetzij aan een beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg die hem bijstand verleent, hetzij aan een geestelijk verzorger die hem gedurende de ziekte bijstaat. 2. Ook is een schenking vernietigbaar indien zij gedurende een verblijf van de schenker in een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling wordt gedaan aan degene die de instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is. 3. Artikel 62 leden 2 en 3 van Boek 4 is van overeenkomstige toepassing. 4. De bevoegdheid tot vernietiging op grond van de leden 1 en 2 verjaart drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte, onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is geëindigd. 5. Na het overlijden van de schenker kan de vernietiging van de schenking op grond van de leden 1 of 2 mede plaatsvinden door eenieder die door de schenking nadeel lijdt. De vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van degene die zich op de vernietigingsgrond beroept. Een rechtsvordering tot vernietiging ingevolge de eerste volzin verjaart op een met overeenkomstige toepassing van artikel 54 van Boek 4 te bepalen tijdstip, en in ieder geval drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte, onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is geëindigd.

  2436. Artikel 179 1. Een aanbod tot schenking dat de aanbieder ten tijde van zijn overlijden nog kon herroepen, komt, in afwijking van artikel 222 van Boek 6, door zijn dood te vervallen, tenzij uit een overeenkomst of uit het aanbod zelf het tegendeel voortvloeit. 2. Is het aanbod bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd gedaan, dan komt het door het overlijden van de aanbieder binnen die tijd te vervallen indien ten tijde van het overlijden een gewichtige reden tot herroeping als bedoeld in artikel 220 lid 1 van Boek 6 bestond of het overlijden zelf een zodanige reden oplevert; alsdan is artikel 220 lid 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.

  2437. Artikel 180 Op schenkingen onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende schenking onder opschortende voorwaarde zijn artikel 140 lid 1 en artikel 141 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing.

  2438. Artikel 181 1. Een aanbod tot schenking dat door de dood van de aanbieder niet vervalt, kan niet worden aanvaard door iemand die op het tijdstip van overlijden van de aanbieder nog niet bestond. 2. Lid 1 is niet van toepassing: a. indien de schenker heeft bepaald dat hetgeen hij schenkt aan een afstammeling van zijn vader of moeder, bij het overlijden van die afstammeling of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze; b. indien de schenker heeft bepaald dat hetgeen hij aan iemand schenkt, bij het overlijden van de begiftigde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een afstammeling van een ouder van de schenker, en tevens dat, indien die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden; c. indien de schenker heeft bepaald dat hetgeen de begiftigde van het hem geschonkene bij zijn overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de schenker in de erfelijke graad. 2024 -895- No. 164

  2439. Artikel 182 1. Bij een aanbod tot schenking dat schriftelijk wordt gedaan, kan worden bepaald dat het geschonkene onder bewind zal staan. 2. Het bewind heeft dezelfde rechtsgevolgen als een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind, met dien verstande dat: a. de termijnen bedoeld in artikel 178 leden 1 en 2, artikel 179 lid 2 en artikel 180 lid 2 van Boek 4, aanvangen op het tijdstip waarop de schenking wordt uitgevoerd; en b. het bewind, voor zover het niet in het belang van een ander dan de begiftigde is ingesteld, ook eindigt wanneer de schenker en de begiftigde een gemeenschappelijk besluit tot opheffing schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen.

  2440. Artikel 183 1. Een schenker is voor gebreken in het recht of voor feitelijke gebreken alleen aansprakelijk, wanneer hij deze niet heeft opgegeven ofschoon zij hem bekend waren, en de begiftigde deze gebreken niet ter gelegenheid van de aflevering van het geschonken goed had kunnen ontdekken. 2. Deze aansprakelijkheid strekt zich, behoudens in het geval van bedrog, niet uit tot schade geleden ten aanzien van het geschonken goed zelf.

  2441. Artikel 184 1. In de volgende gevallen is een schenking, ongeacht of zij reeds is uitgevoerd, vernietigbaar: a. indien de begiftigde in verzuim is met de voldoening van een hem bij de schenking opgelegde verplichting, waarvan noch de schenker noch een derde nakoming kan vorderen; b. indien de begiftigde opzettelijk een misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekkingen pleegt; c. indien een begiftigde die wettelijk of krachtens overeenkomst verplicht is tot onderhoud van de schenker bij te dragen, in verzuim is deze verplichting na te komen. 2. In lid 1 onder b wordt mede verstaan onder misdrijf: poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een misdrijf.

  2442. Artikel 185 1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van de schenking op grond van artikel 184 verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de dag waarop het feit dat grond tot vernietiging oplevert, ter kennis van de schenker is gekomen. 2. Na het overlijden van de schenker kan vernietiging van de schenking op grond van het in artikel 184 bepaalde slechts plaatsvinden door een rechterlijke uitspraak en, in de gevallen genoemd in artikel 184 lid 1 onder b en c, alleen indien het feit dat grond tot vernietiging oplevert, de dood van de schenker heeft veroorzaakt.

  2443. Artikel 186 1. De bepalingen van deze titel, met uitzondering van artikel 175a, zijn van overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de handeling zich daartegen niet verzet. 2. Als gift wordt aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld in de eerste volzin niet als gift beschouwd. 2024 -896- No. 164

  2444. Artikel 187 1. Is de begiftigde in verband met de gift gehouden een tegenprestatie te verrichten, dan is artikel 186 lid 1, behoudens voor zover het artikel 182 betreft, van toepassing, en gelden voorts de volgende twee leden. 2. In het geval, bedoeld in artikel 177 lid 1, vervalt de gift niet, doch is zij vernietigbaar. De vernietiging werkt terug tot het overlijden van degene die de gift doet. De bevoegdheid tot vernietiging vervalt indien de begiftigde tijdig een aanvullende prestatie toezegt, die de handeling haar in artikel 186 lid 2 bedoelde strekking ontneemt. Bovendien kan de rechter op verlangen van een erfgenaam of van de begiftigde, in plaats van de vernietiging uit te spreken, te dien einde de gevolgen van de handeling wijzigen. 3. Is de gift vernietigbaar op grond van artikel 178, dan is artikel 54 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing. 4. Op handelingen die ten dele als gift, ten dele als nakoming van een natuurlijke verbintenis zijn te beschouwen, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.

  2445. Artikel 188 1. De aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering wordt, wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard, aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking. De artikelen 177, 179, 181, 182 en 187 zijn op deze giften niet van toepassing. 2. Als waarde van een gift door begunstiging bij een sommenverzekering geldt de waarde van de daaruit voortvloeiende rechten op uitkering. Indien de begunstiging slechts ten dele als gift wordt aangemerkt, geldt als waarde van de gift een evenredig deel van de waarde van de daaruit voortvloeiende rechten op uitkering. 3. Het bedrag dat de verzekeraar krachtens de wet of een overeenkomst met de verzekeringnemer op de uitkering inhoudt, komt in de eerste plaats op de waarde van de gift in mindering. Titel 4 Huur Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2446. Artikel 201 1. Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. 2. Huur kan ook op vermogensrechten betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van deze titel van overeenkomstige toepassing, voor zover de strekking van die bepalingen of de aard van het recht zich daartegen niet verzet.

  2447. Artikel 202 Indien de huurder recht heeft op de vruchten van de zaak, geldt dit recht als een genotsrecht als bedoeld in artikel 17 van Boek 5. De huurder verkrijgt dit recht van de dag van ingang van de huur af met dien verstande dat burgerlijke vruchten van dag tot dag berekend worden. 2024 -897- No. 164 Afdeling 2 Verplichtingen van de verhuurder Artikel 203 De verhuurder is verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.

  2448. Artikel 204 1. De verhuurder heeft met betrekking tot gebreken van de zaak de in deze afdeling omschreven verplichtingen. 2. Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. 3. Een feitelijke stoornis door derden zonder bewering van recht als bedoeld in artikel 211 en een bewering van recht zonder feitelijke stoornis zijn geen gebreken in de zin van lid 2.

  2449. Artikel 205 De uit deze afdeling voortvloeiende rechten van de huurder komen aan deze toe, onverminderd hetgeen in afdeling 5 is bepaald ten aanzien van woonruimte en onverminderd alle andere rechten en vorderingen.

  2450. Artikel 206 1. De verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. 2. Deze verplichting geldt niet ten aanzien van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de huurder krachtens artikel 217 verplicht is, en ten aanzien van gebreken voor het ontstaan waarvan de huurder jegens de verhuurder aansprakelijk is. 3. Is de verhuurder met het verhelpen in verzuim, dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder verhalen, desgewenst door deze in mindering van de huurprijs te brengen.

  2451. Artikel 207 1. De huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen. 2. De huurder heeft geen aanspraak op huurvermindering ter zake van gebreken die hij krachtens artikel 217 verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de verhuurder aansprakelijk is.

  2452. Artikel 208 Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming van de verplichting van artikel 206 is de verhuurder tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had. 2024 -898- No. 164

  2453. Artikel 210 1. Indien een gebrek dat de verhuurder ingevolge artikel 206 niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt, is zowel de huurder als de verhuurder bevoegd de huur op de voet van artikel 267 van Boek 6 te ontbinden. 2. Een verplichting van een der partijen tot schadevergoeding ter zake van een gebrek omvat mede de door het eindigen van de huur ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.

  2454. Artikel 211 1. Wanneer tegen de huurder door een derde een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van een recht waarmee de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, ingevolge die overeenkomst niet belast had mogen zijn, is de verhuurder na kennisgeving daarvan door de huurder gehouden in het geding tussen te komen. 2. De verhuurder moet aan de huurder alle door deze vordering ontstane kosten vergoeden, maar, als de kennisgeving niet onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving ontstane kosten. 3. Wanneer tegen de onderhuurder een vordering betreffende het ondergehuurde wordt ingesteld door de hoofdverhuurder, zijn de leden 1 en 2 van overeenkomstige toepassing op de onderverhuurder. Voor de toepassing van artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze vordering gelijkgesteld aan een vordering tot uitwinning. Afdeling 3 De verplichtingen van de huurder Artikel 212 De huurder is verplicht de tegenprestatie op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen. Artikel 213 De huurder is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Artikel 214 De huurder is slechts bevoegd tot het gebruik van de zaak dat is overeengekomen, en, zo daaromtrent niets is overeengekomen, tot het gebruik waartoe de zaak naar zijn aard bestemd is.

  2455. Artikel 215 1. De huurder is niet bevoegd de inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd. 2. Indien de verhuurder de toestemming niet verleent, kan de huurder vorderen dat de rechter hem zal machtigen tot het aanbrengen van de veranderingen. Indien de verhuurder niet tevens de eigenaar, vruchtgebruiker, grondhuurder of erfpachter van de zaak is, draagt de verhuurder ervoor zorg dat ook de eigenaar, vruchtgebruiker, grondhuurder of erfpachter tijdig in het geding wordt geroepen. Indien op de zaak een hypotheek rust, bestaat deze verplichting tevens ten aanzien van de hypotheekhouder. 3. De rechter wijst de vordering slechts toe, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder of het woongenot verhogen en geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten. 2024 -899- No. 164 4. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen; hij kan op vordering van de verhuurder de huurprijs verhogen, indien de veranderingen daartoe aanleiding geven. 5. In geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan kan van de leden 1 tot en met 5 niet ten nadele van de huurder worden afgeweken. 6. Dit artikel is niet van toepassing op woonruimte waarop afdeling 5 van toepassing is.

  2456. Artikel 216 1. De huurder is tot de ontruiming bevoegd door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits daarbij het gehuurde in de toestand wordt gebracht, die bij het einde van de huur redelijkerwijs in overeenstemming met de oorspronkelijke kan worden geacht. 2. De huurder is niet verplicht tot het ongedaan maken van geoorloofde veranderingen en toevoegingen, onverminderd de bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van artikel 215 lid 5 de verplichting op te leggen hiervoor vóór de ontruiming van het gehuurde zorg te dragen. 3. De huurder kan ter zake van geoorloofde veranderingen en toevoegingen die na het einde van de huurovereenkomst niet ongedaan worden gemaakt, vergoeding vorderen voor zover artikel 212 van Boek 6 dat toestaat.

  2457. Artikel 217 De huurder is verplicht op zijn kosten de kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn geworden door het tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting tot het verhelpen van gebreken.

  2458. Artikel 218 1. De huurder is aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. 2. Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan, behoudens brandschade en, in geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de buitenzijde van het gehuurde. 3. Onverminderd artikel 224 lid 2 wordt de huurder vermoed het gehuurde in onbeschadigde toestand te hebben ontvangen.

  2459. Artikel 219 De huurder is jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden.

  2460. Artikel 220 1. Indien gedurende de huurtijd dringende werkzaamheden aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd of de verhuurder krachtens artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten behoeve van een naburig erf, moet de huurder daartoe gelegenheid geven, onverminderd zijn aanspraken op vermindering van de huurprijs, op ontbinding van de huurovereenkomst en op schadevergoeding. 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing wanneer de verhuurder met voortzetting van de huurovereenkomst wil overgaan tot renovatie van de gebouwde onroerende zaak waarop die overeenkomst betrekking heeft, en daartoe aan de huurder een, gelet op het belang van de verhuurder en de belangen van de huurder en eventuele onderhuurders, redelijk voorstel doet. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk gedaan. Onder renovatie wordt zowel sloop met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging verstaan. 2024 -900- No. 164 3. De leden 1 en 2 doen niet af aan de bevoegdheid van de verhuurder om de huurovereenkomst op te zeggen op de grond dat hij de zaak dringend nodig heeft voor renovatie, voor zover zulks kan worden gebracht onder de wettelijke opzeggingsgronden die gelden voor een gebouwde onroerende zaak als waarop de huurovereenkomst betrekking heeft.

  2461. Artikel 221 1. De huurder is niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven. 2. In afwijking van lid 1 is de huurder van een zelfstandige woonruimte die in die woonruimte zijn hoofdverblijf heeft, bevoegd een deel daarvan aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij moest aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren zal hebben.

  2462. Artikel 222 Indien de huurder gebreken aan de zaak ontdekt of derden hem in zijn genot storen of enig recht op de zaak beweren, moet hij daarvan onverwijld aan de verhuurder kennis geven, bij gebreke waarvan hij verplicht is aan de verhuurder de door de nalatigheid ontstane schade te vergoeden.

  2463. Artikel 223 De huurder van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan is, indien de verhuurder tot verhuur na afloop van de lopende huur of tot verkoop wenst over te gaan, verplicht te dulden dat aan de zaak de gebruikelijke kennisgevingen van het te huur of te koop zijn worden aangebracht, en aan belangstellenden gelegenheid te geven tot bezichtiging.

  2464. Artikel 224 1. De huurder is verplicht het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen. 2. Indien tussen de huurder en verhuurder een beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is de huurder gehouden de zaak in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de beschrijving is aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen en toevoegingen en hetgeen door ouderdom is teniet gegaan of beschadigd. 3. Indien geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder ten aanzien van het onderhoud dat ten laste van de huurder komt, behoudens tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in goede staat te hebben ontvangen en moet hij het gehuurde in die staat teruggeven.

  2465. Artikel 225 Houdt de huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich, dan kan de verhuurder over de tijd dat hij het gehuurde mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs, onverminderd, indien zijn schade meer dan deze vergoeding bedraagt, zijn recht op dit meerdere. Afdeling 4 De overgang van de huur bij overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur

  2466. Artikel 226 1. Overdracht van de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft en vestiging of overdracht van een zelfstandig recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, door de verhuurder doen de rechten en verplichtingen van de verhuurder uit de huurovereenkomst, die daarna opeisbaar worden, overgaan op de verkrijger. 2024 -901- No. 164 2. Overdracht door een schuldeiser van de verhuurder wordt met overdracht door de verhuurder gelijkgesteld. 3. De verkrijger wordt slechts gebonden door die bedingen van de huurovereenkomst, die onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de huurder te betalen tegenprestatie. 4. Bij huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan kan niet van de leden 1, 2 en 3 worden afgeweken.

  2467. Artikel 227 In geval van vestiging of overdracht van een beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet onder artikel 226 lid 1 is begrepen, is de gerechtigde jegens de huurder verplicht zich te onthouden van een uitoefening van dat recht, die het gebruik door de huurder belemmert.

  2468. Artikel 228 1. Onverminderd afdeling 5 eindigt een huur voor bepaalde tijd aangegaan, zonder dat daartoe een opzegging is vereist, wanneer die tijd is verstreken. 2. Een huur voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd verlengd eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op een onroerende zaak, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van ten minste een maand.

  2469. Artikel 229 1. Het overlijden van de huurder of de verhuurder doet de huur niet eindigen. 2. Indien de erfgenamen van de huurder niet bevoegd zijn de zaak aan een ander in gebruik te geven, kunnen zij gedurende zes maanden na het overlijden van hun erflater de overeenkomst op een termijn van ten minste een maand opzeggen. 3. Indien een huurder twee of meer erfgenamen nalaat, is de verhuurder verplicht zijn medewerking te verlenen aan de toedeling van de rechten en verplichtingen van de overleden huurder uit de huurovereenkomst door de gezamenlijke erfgenamen aan een of meer van hen, tenzij de verhuurder tegen een of meer van de aangewezenen redelijke bezwaren heeft. 4. Dit artikel is wat betreft het overlijden van de huurder niet van toepassing op woonruimte waarop afdeling 5 van toepassing is.

  2470. Artikel 230 Indien na afloop van een huurovereenkomst de huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het gehuurde behoudt, wordt daardoor, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij was aangegaan, voor onbepaalde tijd verlengd.

  2471. Artikel 231 Ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot een gebouwde onroerende zaak op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter, behoudens in het geval van artikel 210. Hiervan kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken. 2024 -902- No. 164 Afdeling 5 Bijzondere bepalingen inzake de huur van een woning § 1. Algemene bepalingen

  2472. Artikel 232 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder: a. Minister: de minister belast met de zorg voor Volkshuisvesting; b. Huurcommissie: de commissie als bedoeld in § 5 van de Huurwet Woonruimte 2020 (S.B. 2020 no. 53); c. huur en verhuur: iedere overeenkomst onder welke naam of in welke vorm ook aangegaan, die ten doel heeft het voor gebruik ter bewoning verkrijgen of verstrekken van een woonruimte; d. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte uitgedrukt in een bedrag per maand en bij voorkeur gebaseerd op de door de Huurcommissie aangegeven richtlijnen voor de bepaling van huurprijzen; e. richtlijnen huur en verhuur: de door de Huurcommissie vastgestelde voorschriften en indicatoren en andere zaken de huur en verhuur rakende; f. woonruimte: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als een zelfstandige dan wel niet zelfstandige woonruimte is verhuurd om te worden gebruikt voor bewoning, alsmede de onroerende aanhorigheden; onder woonruimte wordt mede verstaan een perceel dat verhuurd is om te worden gebruik voor bewoning; g. zelfstandige woonruimte: de woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en sanitaire voorzieningen.

  2473. Artikel 233 1. Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op de huur en verhuur van woonruimte. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op woonruimte verhuurd met bouw- of weilanden of op grond die verhuurd is als bouw- of weiland, voor zover de bedoelde woonruimte uitsluitend bestemd is ten behoeve van het gebruik van de grond als bouw- of weiland en/of dezelfde agrarische bestemming heeft. Deze wet is eveneens niet van toepassing op huur en verhuur welk een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard van korte duur is. § 2. Het eindigen van de huur en verhuur

  2474. Artikel 234 1. Voor het eindigen van de huur en verhuur van woonruimten aangegaan, hetzij voor bepaalde tijd, hetzij voor onbepaalde tijd is een opzegging altijd vereist. Het bepaalde in de eerste volzin laat eveneens onverlet de vorm waarin de huur en verhuur is aangegaan, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk. 2. De opzegging door de huurder of verhuurder geschiedt schriftelijk bij aangetekende brief of bij exploot. Is de echtgenoot of de partner van de huurder medehuurder, dan moet de opzegging door de verhuurder aan beide echtgenoten of partners afzonderlijk worden gedaan. 3. Bij de opzegging van de huur en verhuur worden de volgende termijnen in acht genomen: a. bij huur en verhuur voor bepaalde tijd: voor de huurder en verhuurder een termijn van tenminste drie maanden voor het verstrijken van de in de huurovereenkomst bedongen huurtijd; 2024 -903- No. 164 b. bij huur en verhuur voor onbepaalde tijd of bij een mondeling aangegane huur en verhuur: voor de verhuurder een termijn van tenminste zes maanden en voor de huurder een termijn van tenminste 3 (drie) maanden, voor de tijd waarop de huurder of verhuurder de huur en verhuur wenst te beëindigen. 4. In afwijking van het bepaalde in lid 3 kan: a. in de gevallen als bedoeld in artikel 235 lid 3 onder a en b voor de verhuurder een opzegtermijn van tenminste 1 (een) maand worden aangehouden; b. in geval van artikel 235 lid 3 onder c waarbij er sprake is ernstig fysiek geweld door de huurder dan wel voortdurende bedreigingen van de huurder daartoe jegens de verhuurder of zijn gezin of de omwonenden van de woonruimte, kan de huur en verhuur onmiddellijk worden beëindigd.

  2475. Artikel 235 1. Indien de opzegging rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, zulks indien deze heeft plaatsgevonden met inachtneming van het bepaalde in artikel 234, eindigt de huur en verhuur op de voorgeschreven dag. De in de eerste volzin bedoelde dag waarop de huur en verhuur zou moeten eindigen, indien het betreft een huur en verhuur voor onbepaalde tijd aangegaan, wordt op verzoek van de huurder wegens overmacht met 30 (dertig) dagen uitgesteld. Deze termijn wordt, indien de grond waarop uitstel is verleend nog aanwezig is, eenmaal voor dezelfde termijn worden verlengd. Overmacht is onder meer aanwezig in geval de huurder, ondanks pogingen daartoe, in de onmogelijkheid verkeerd te beschikken over een ander woonruimte, waarvan door de huurder van die omstandigheid aan de verhuurder mededeling moet worden gedaan binnen een maand voor de dag waarop de huur en verhuur zou moeten eindigen. 2. Een opzegging in strijd met het bepaalde in artikel 234 is nietig. In dat geval wordt de huur en verhuur, voor zover deze voor bepaalde tijd is aangegaan, geacht voor dezelfde tijd voortgezet. Voor zover het betreft een huur en verhuur voor onbepaalde tijd of een mondelinge huur of verhuur wordt geacht de huur en verhuur nimmer te zijn opgezegd. Indien de strijdigheid slechts betrekking heeft op een opzegging die korter is dan de in artikel 234 lid 3 onder a en b in acht te nemen termijnen, wordt in afwijking van het voorgaande de huur en verhuur geacht voort te duren tot 3 (drie) maanden na de datum waarop het zou moeten eindigen. 3. Door de verhuurder kan de huur en verhuur in ieder geval worden opgezegd: a. wegens wanbetaling van de huurpenningen van tenminste 2 maanden; b. wegens onbehoorlijk gebruik van de verhuurde woonruimte door de huurder, waarbij door hem ernstige schade wordt toegebracht aan de woonruimte; c. wegens ernstige wandaden van de huurder, waardoor voortzetting van de huur en verhuur redelijkerwijs niet van de verhuurder kan worden gevergd, onder meer vanwege: (1). het gebruik van fysiek geweld door de huurder tegen de verhuurder, zijn gezin of omwonenden van de woonruimte; (0). het bewezen gebruik van de verhuurde woonruimte door de huurder voor onwettige activiteiten of voor andere doeleinden dan die overeenkomstig de huur en verhuur of die in strijd zijn met de openbare orde en goede zeden.

  2476. Artikel 236 Het bepaalde in artikel 234 ten aanzien van de opzegtermijnen, is niet van toepassing indien partijen, schriftelijk en met wederzijds goedvinden tot beëindiging van de huur en verhuur wensen over te gaan. 2024 -904- No. 164 Ontruiming woonruimte

  2477. Artikel 237 1. Na beëindiging van de huur en verhuur als bedoeld in artikel 235 lid 1, is de huurder verplicht tot ontruiming en de verhuurder bevoegd tot de gedwongen ontruiming van de woonruimte. 2. In geval krachtens het bepaalde in lid 1 de huurder op de dag waarop deze de woonruimte zou moeten ontruimen niet overgaat tot ontruiming, is met betrekking tot de gedwongen ontruiming het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van toepassing. 3. De verhuurder doet uiterlijk 3 (drie) weken voor de gedwongen ontruiming van de woonruimte schriftelijke mededeling aan de Huurcommissie omtrent de voorgenomen ontruiming en de gronden waarop deze geschiedt. De mededeling geschiedt middels een door de Huurcommissie ter zake vastgesteld formulier, waarvan afschrift van de mededeling wordt gezonden aan de huurder. 4. De Huurcommissie stelt vast, uiterlijk 5 (vijf) werkdagen voor de voorgenomen ontruimingsdatum, of aan de wettelijke procedure en termijnen is voldaan die aan de verhuurder de bevoegdheid geeft tot de ontruiming. In bijzondere gevallen kan van de termijn als bedoeld in de eerste volzin worden afgeweken. 5. In het geval bedoeld in artikel 234 lid 4 onder b worden de termijnen in lid 3 vastgesteld op 3 (drie) dagen en die van lid 4 eerste volzin op 1 (een) dag. 6. Door de verhuurder kan tot gedwongen ontruiming worden overgegaan indien ter zake de ontruiming door de Huurcommissie een schriftelijke verklaring aan de verhuurder is afgegeven inhoudende dat aan de wettelijke vereisten voor de ontruiming is voldaan. Van de verklaring wordt door de Huurcommissie eveneens mededeling gedaan aan de huurder. Door de Huurcommissie wordt uiterlijk drie dagen voor de voorgenomen ontruimingsdatum de verklaring afgegeven overeenkomstig een door haar ter zake vastgesteld formulier, waarin in ieder geval worden vermeld de voldoening aan de wettelijke vereisten voor de ontruiming.

  2478. Artikel 238 In het geval bedoeld in artikel 237 en indien de huurder niet zelf tot ontruiming overgaat, geschiedt de ontruiming door de verhuurder onder toezicht van een gerechtsdeurwaarder en met hulp van een ambtenaar van politie.

  2479. Artikel 239 1. Het is de verhuurder verboden opzettelijk handelingen met betrekking tot de woonruimte te verrichten, met het oogmerk om het woongenot van de huurder ernstig te schaden. Met woonruimte in de eerste volzin wordt begrepen het aan de woonruimte behorende erf of een gedeelte daarvan. 2. Met handelingen in lid 1 bedoeld wordt niet begrepen handelingen voor zover die betrekking hebben op de aan de woonruimte, hetzij vanwege de huurder, hetzij vanwege de verhuurder te verrichten reparatie werkzaamheden, op grond van daarvoor met de huurder schriftelijk gemaakte afspraken. §. 3. Huurbescherming gezin

  2480. Artikel 240 1. De echtgenoot van een huurder of de partner van de huurder die met deze een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gedurende tenminste twee opeenvolgende jaren, al dan niet met inwonende minderjarige kinderen, en op hetzelfde adres van de gehuurde woonruimte is ingeschreven in het bevolkingsregister, is van rechtswege medehuurder, zolang de woonruimte de echtgenoot of bedoelde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huur en verhuur voor dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het partnerschap is gesloten. Bij afwezigheid van een medehuurder als bedoeld in de eerste volzin, kan, voor zover in het gezin aanwezig als medehuurder optreden een meerderjarig kind van de 2024 -905- No. 164 huurder. 2. Voor de verplichtingen uit de huur en verhuur, behalve voor zover deze reeds opeisbaar waren voordat de echtgenoot of de in lid 1 bedoelde partner medehuurder werd, zijn de huurder en de medehuurder jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk. 3. Indien de huur en verhuur ten aanzien van de huurder eindigt, anders dan door opzegging door de verhuurder, wordt de medehuurder huurder. 4. Indien de in lid 1 bedoelde echtgenoot ingevolge een rechterlijke beslissing, dan wel de in lid 1 bedoelde partner hetzij ingevolge onderlinge overeenstemming in verband met een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, dan wel ingevolge beëindiging van het partnerschap niet het gebruik heeft van de echtelijke woning, brengt dit voor de toepassing van dit artikel geen verandering in het hoofdverblijf. 5. In geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed of beëindiging van het partnerschap kan de kantonrechter op verzoek van een echtgenoot of de in lid 1 bedoelde partner bepalen wie van de betrokken echtgenoten of partners huurder van de woonruimte zal zijn. De kantonrechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur en verhuur met deze echtgenoot of partner. Op dezelfde dag eindigt de huur en verhuur met de andere echtgenoot of partner.

  2481. Artikel 241 1. Bij overlijden van de huurder zet de medehuurder de huur en verhuur als huurder voort. In het geval bedoeld in de eerste volzin en bij afwezigheid van een medehuurder, kan in geval van aanwezigheid van inwonende minderjarige kinderen en in het belang van de kinderen een wettelijke vertegenwoordiger van deze kinderen, als medehuurder optreden. Indien de medehuurder de huur niet wenst voort te zetten kan door hem de huur en verhuur binnen zes maanden na het overlijden van de huurder bij exploot of aangetekende brief opzeggen met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de opzegging. 2. Komt vast te staan, dat een persoon ten onrechte een beroep ingevolge dit artikel op voortzetting van de huur en verhuur heeft gedaan, dan blijft hij over de periode dat hij het genot van de woonruimte heeft gehad jegens de verhuurder aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen van de huurder die voor hem zouden gelden als was hij huurder.

  2482. Artikel 242 Is er geen persoon die ingevolge artikel 241 de huur voortzet, dan eindigt de huur en verhuur aan het eind van de tweede maand na het overlijden van de huurder. De echtgenoot of partner van de huurder, of indien deze er niet zijn diens erfgenamen, zijn bevoegd de huur tegen het eind van de eerste maand na het overlijden van de huurder te doen eindigen.

  2483. Artikel 243 Van het bepaalde in deze paragraaf kan door of namens partijen niet worden afgeweken. § 4. De huurprijs

  2484. Artikel 244 1. Bij huur en verhuur van een woonruimte wordt de huurprijs vastgesteld in Surinaamse Dollar (SRD). 2. Indien de huur en verhuur is aangegaan met een huurder die geen ingezetene is of die ingezetene is met een aantoonbaar vast inkomen in een vreemde munteenheid, kan de huurprijs in een vreemde munteenheid worden vastgesteld. 2024 -906- No. 164

  2485. Artikel 245 Indien ten aanzien van de huurprijs de huurder en de verhuurder niet tot een vergelijk komen, kan zowel de huurder als de verhuurder de Huurcommissie verzoeken om advies ter zake de huurprijs van de woonruimte.

  2486. Artikel 246 1. De huurprijs van woonruimte kan op verzoek van de huurder of verhuurder worden gewijzigd, met dien verstande dat de huurprijs niet binnen een jaar nadat deze is overeengekomen wordt verhoogd. 2. Een voorstel tot wijziging van de huurprijs moet door de verhuurder ten minste drie maanden vóór de voorgestelde datum van ingang van de wijziging schriftelijk aan de huurder worden gedaan en dient te vermelden: a. de geldende huurprijs; b. het percentage of het bedrag van de wijziging van de huurprijs; c. de voorgestelde huurprijs; d. de voorgestelde datum van ingang van de voorgestelde huurprijs; e. de gronden waarop de voorgestelde wijziging is gebaseerd met dien verstande dat, bij onveranderde woonruimte of woonomstandigheden, de huurprijs slechts mag worden aangepast op basis van het percentage van de jaarinflatie zoals door ABS vastgesteld en bekendgemaakt. 3. Indien de huurder met een voorstel van de verhuurder tot wijziging van de huurprijs niet instemt, kan de huurder binnen twee weken na het tijdstip waarop door de verhuurder de melding van de wijziging van de huurprijs is gedaan hiertegen bezwaar maken bij de verhuurder. Indien partijen daarna niet tot overeenstemming kunnen komen over de verhoging van de huurprijs, kan de huurder of de verhuurder tot uiterlijk een maand na kennisgeving de Huurcommissie schriftelijk verzoeken om advies omtrent de juistheid dan wel de redelijkheid van het voorstel en de hoogte van de huurprijs vast te stellen. 4. De Huurcommissie doet binnen twee weken voor het ingaan van de voorgestelde wijziging van de huurprijs schriftelijk advies omtrent de redelijkheid van de overeengekomen of voorgestelde huurprijs. Indien de Huurcommissie de door de verhuurder voorgestelde huurprijs mede gelet op de kwaliteit van de woonruimte niet redelijk acht, vermeldt de Huurcommissie in haar advies de huurprijs die zij wel redelijk acht. Indien de Huurcommissie het ongewijzigd blijven van de huurprijs redelijk acht, wordt zulks eveneens in het advies vermeld. Het voorgaande, indien partijen of een der partijen zich in het advies van de Huurcommissie niet kunnen (kan) terugvinden, laat onverlet de bevoegdheid van partijen de kantonrechter te adiëren.

  2487. Artikel 247 1. De huurder dient, indien aan de woonruimte gebreken of tekortkomingen zijn die de bewoonbaarheid van de woonruimte aantasten of op andere wijze een gevaar vormen voor de veiligheid of gezondheid van de huurder en zijn gezin, de verhuurder daarvan schriftelijk te informeren en verzoeken de gebreken en tekortkomingen op te heffen. 2. Onverminderd het bepaalde in afdeling 2 draagt de verhuurder er zorg voor de bewoonbaarheid van de verhuurde woonruimte die voldoet aan de minimumcriteria in het kader van veiligheid en gezondheid. 3. Indien de verhuurder niet binnen 30 dagen na schriftelijke aanzegging door de huurder, de daarin gestelde gebreken of tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte heeft opgeheven, kan de huurder bedoelde gebreken doen opheffen. 4. De huurder dient met betrekking tot de kosten voor de reparatie tenminste drie offertes op te vragen van ter zake geregistreerde ondernemingen. 5. De verhuurder is gehouden de huurder ten aanzien van de gemaakte kosten te vergoeden, bij gebreke waarvan de huurder deze kan verhalen op de door de huurder te betalen huurprijs te verdelen over tenminste twee huurtermijnen. 2024 -907- No. 164 6. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan de huurder de Huurcommissie schriftelijk verzoeken om advies over de redelijkheid en de hoogte van de huurprijs, gelet op de ernst waarin de gebreken of tekortkomingen het woongenot van de huurder aantasten.

  2488. Artikel 248 Van het bepaalde in deze paragraaf kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken. Titel 7 Opdracht Afdeling 1 Opdracht in het algemeen

  2489. Artikel 400 1. De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt buiten dienstbetrekking werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. 2. De artikelen 401 tot en met 412 zijn, onverminderd artikel 413, van toepassing, tenzij iets anders voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte.

  2490. Artikel 401 De opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.

  2491. Artikel 402 1. De opdrachtnemer is gehouden gevolg te geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen omtrent de uitvoering van de opdracht. 2. De opdrachtnemer die op redelijke grond niet bereid is de opdracht volgens de hem gegeven aanwijzingen uit te voeren, kan, zo de opdrachtgever hem niettemin aan die aanwijzingen houdt, de overeenkomst opzeggen wegens gewichtige redenen.

  2492. Artikel 403 1. De opdrachtnemer moet de opdrachtgever op de hoogte houden van zijn werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht en hem onverwijld in kennis stellen van de voltooiing van de opdracht, indien de opdrachtgever daarvan onkundig is. 2. De opdrachtnemer doet aan de opdrachtgever verantwoording van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten. Heeft hij bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de opdrachtgever gelden uitgegeven of te diens behoeve gelden ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.

  2493. Artikel 404 Indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer. 2024 -908- No. 164

  2494. Artikel 405 1. Indien de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de opdrachtgever hem loon verschuldigd. 2. Indien loon is verschuldigd doch de hoogte niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd.

  2495. Artikel 406 1. De opdrachtgever moet aan de opdrachtnemer de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen. 2. De opdrachtgever moet de opdrachtnemer de schade vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de hem niet toe te rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder gevaar. Heeft de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gehandeld, dan geldt de eerste volzin slechts, indien dat gevaar de risico's die de uitoefening van dat beroep of bedrijf naar zijn aard meebrengt, te buiten gaat. Geschiedt de uitvoering van de opdracht anderszins tegen loon, dan is de eerste volzin slechts van toepassing, indien bij de vaststelling van het loon met het gevaar geen rekening is gehouden.

  2496. Artikel 407 1. Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover de opdrachtnemer verbonden. 2. Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.

  2497. Artikel 408 1. De opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst opzeggen. 2. De opdrachtnemer die de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kan, behoudens gewichtige redenen, de overeenkomst slechts opzeggen, indien zij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt. 3. Een natuurlijk persoon die een opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is, onverminderd artikel 406, ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd.

  2498. Artikel 409 1. Indien de opdracht met het oog op een bepaalde persoon is verleend, eindigt zij door zijn dood. 2. Alsdan zijn diens erfgenamen, indien zij kennis dragen van de erfopvolging en van de opdracht, verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op degenen in wier dienst of met wie de opdrachtnemer een beroep of bedrijf uitoefende.

  2499. Artikel 410 1. De dood van de opdrachtgever doet de opdracht slechts eindigen, indien dit uit de overeenkomst voortvloeit, en dan eerst vanaf het tijdstip waarop de opdrachtnemer de dood heeft gekend. 2. Eindigt de opdracht door de dood van de opdrachtgever, dan is de opdrachtnemer niettemin verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. 2024 -909- No. 164

  2500. Artikel 411 1. Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. 2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Op het bedrag van het loon worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.

  2501. Artikel 412 Een rechtsvordering tegen de opdrachtnemer tot afgifte van de stukken die hij ter zake van de opdracht onder zich heeft gekregen, verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop zijn bemoeiingen zijn geëindigd.

  2502. Artikel 413 1. Van artikel 408 lid 3 kan niet worden afgeweken. 2. Van artikel 408 lid 1 en artikel 411 kan niet worden afgeweken ten nadele van een opdrachtgever als bedoeld in artikel 408 lid 3. 3. Van artikel 412 kan slechts op dezelfde voet worden afgeweken als van de regels inzake de verjaring van rechtsvorderingen die in titel 11 van Boek 3 zijn opgenomen. Afdeling 2 Lastgeving

  2503. Artikel 414 1. Lastgeving is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten. 2. De overeenkomst kan de lasthebber verplichten te handelen in eigen naam; zij kan ook verplichten te handelen in naam van de lastgever. Artikel 415 Indien een lastgeving met twee of meer lasthebbers is aangegaan, is ieder van hen bevoegd zelfstandig te handelen.

  2504. Artikel 416 1. Een lasthebber kan slechts als wederpartij van de lastgever optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten. 2. Een lasthebber die slechts in eigen naam mag handelen, kan niettemin als wederpartij van de lastgever optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten. 3. Indien de lastgever een persoon is als bedoeld in artikel 408 lid 3 is voor een rechtshandeling waarbij de lasthebber als zijn wederpartij optreedt, op straffe van vernietigbaarheid zijn schriftelijke toestemming vereist. 2024 -910- No. 164 4. De lasthebber die in overeenstemming met de leden 1 tot en met 3 als wederpartij van de lastgever optreedt, behoudt zijn recht op loon.

  2505. Artikel 417 1. Een lasthebber mag slechts tevens als lasthebber van de wederpartij optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van beide lastgevers is uitgesloten. 2. Indien de lastgever een persoon is als bedoeld in artikel 408 lid 3 is voor de geoorloofdheid van een rechtshandeling waarbij de lasthebber ook als lasthebber van de wederpartij optreedt, zijn schriftelijke toestemming vereist. 3. Een lasthebber heeft geen recht op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met de leden 1 of 2 handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de dientengevolge door die lastgever geleden schade. Van deze bepaling kan niet ten nadele van een lastgever worden afgeweken. 4. Indien een der lastgevers een persoon is als bedoeld in artikel 408 lid 3 en de rechtshandeling strekt tot koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, heeft de lasthebber geen recht op loon jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken, tenzij de rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot woonruimte bestemd gedeelte van een zelfstandige woning.

  2506. Artikel 418 1. Heeft, buiten de gevallen, bedoeld in de artikelen 416 en 417, een lasthebber direct of indirect belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling, dan is hij verplicht de lastgever daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten. 2. Een lasthebber heeft geen recht op loon jegens een lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met lid 1 handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de dientengevolge door de lastgever geleden schade. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de lastgever worden afgeweken.

  2507. Artikel 419 Indien een lasthebber in eigen naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde die in de nakoming van zijn verplichtingen tekortschiet, is de derde binnen de grenzen van hetgeen omtrent zijn verplichting tot schadevergoeding overigens uit de wet voortvloeit, jegens de lasthebber mede gehouden tot vergoeding van de schade die de lastgever door de tekortkoming heeft geleden.

  2508. Artikel 420 1. Indien een lasthebber die in eigen naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen jegens de lastgever niet nakomt of in staat van faillissement geraakt, kan de lastgever de voor overgang vatbare rechten van de lasthebber jegens de derde door een schriftelijke verklaring aan hen beiden op zich doen overgaan, behoudens voor zover zij in de onderlinge verhouding tussen lastgever en lasthebber aan deze laatste toekomen. 2. Dezelfde bevoegdheid heeft de lastgever indien de derde zijn verplichtingen tegenover de lasthebber niet nakomt, tenzij deze de lastgever voldoet alsof de derde zijn verplichtingen was nagekomen. 3. De lasthebber is in de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen gehouden de naam van de derde aan de lastgever op diens verzoek mee te delen. 2024 -911- No. 164

  2509. Artikel 421 1. Indien een lasthebber die in eigen naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen jegens de derde niet nakomt of in staat van faillissement geraakt, kan de derde na schriftelijke mededeling aan de lasthebber en de lastgever zijn rechten uit de overeenkomst tegen de lastgever uitoefenen, voor zover deze op het tijdstip van de mededeling op overeenkomstige wijze jegens de lasthebber gehouden is. 2. De lasthebber is in dat geval gehouden de naam van de lastgever aan de derde op diens verzoek mee te delen.

  2510. Artikel 422 1. Lastgeving eindigt, behalve door opzegging overeenkomstig artikel 408, door: a. de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de lastgever, met dien verstande dat de dood of de ondercuratelestelling de overeenkomst doet eindigen op het tijdstip waarop de lasthebber daarvan kennis krijgt; b. de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de lasthebber. 2. Van artikel 408 lid 1, voor zover van toepassing op lastgeving, en van lid 1 onder a kan niet worden afgeweken. Voor zover de overeenkomst strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de lasthebber of van een derde, kan echter worden bepaald dat zij niet door de lastgever kan worden opgezegd, of dat zij niet eindigt door de dood of de ondercuratelestelling van de lastgever. Artikel 74 lid 1, tweede volzin, en de leden 2 en 4 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. 3. Eindigt de lastgeving door de dood of de ondercuratelestelling van de lastgever, dan is de lasthebber niettemin verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. 4. Eindigt de lastgeving door de dood van de lasthebber, dan zijn diens erfgenamen, indien zij kennis dragen van de erfopvolging en van de lastgeving, verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op degenen in wier dienst of met wie de lasthebber een beroep of bedrijf uitoefende.

  2511. Artikel 423 1. Indien is bedongen dat de lasthebber een aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting van de lastgever zal uitoefenen, mist deze de bevoegdheid tot deze uitoefening voor de duur van de overeenkomst ook jegens derden. De uitsluiting kan niet worden tegengeworpen aan derden die haar kenden noch behoorden te kennen. 2. Indien de lasthebber die de uitsluiting bedong, een rechtspersoon is die zich ingevolge zijn statuten ten doel stelt de gezamenlijke belangen van meer lastgevers door de uitoefening van de aan hen toekomende rechten te behartigen, kan, in afwijking van artikel 422 lid 2, worden overeengekomen dat de lastgeving niet zal eindigen door opzegging door de lastgever op een termijn die minder dan een jaar bedraagt, noch door diens dood, ondercuratelestelling of faillissement. Dit beding sluit niet uit dat de overeenkomst op een termijn van ten minste één maand kan worden opgezegd door de erfgenamen van de lastgever of, in geval van diens faillissement of ondercuratelestelling, door de curator.

  2512. Artikel 424 1. De artikelen 415 tot en met 423 zijn van overeenkomstige toepassing op andere overeenkomsten dan lastgeving krachtens welke de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet. 2. Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. 2024 -912- No. 164 Afdeling 3 Bemiddelingsovereenkomst

  2513. Artikel 425 De bemiddelingsovereenkomst is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt tegen loon als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het totstandbrengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden.

  2514. Artikel 426 1. De tussenpersoon heeft recht op loon zodra door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derde is totstandgekomen. 2. Indien het recht op loon afhankelijk is gesteld van de uitvoering van de bemiddelde overeenkomst en deze overeenkomst niet wordt uitgevoerd, is de opdrachtgever het loon ook verschuldigd, tenzij de niet-uitvoering niet aan hem kan worden toegerekend.

  2515. Artikel 427 De artikelen 417 en 418 zijn van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waarbij de ene partij jegens de andere partij verplicht of bevoegd is als tussenpersoon werkzaam te zijn als bedoeld in artikel 425, met dien verstande dat met een tussenpersoon die tevens werkzaam is voor de wederpartij, gelijkgesteld is een tussenpersoon die zelf als wederpartij optreedt. Afdeling 4 Agentuurovereenkomst

  2516. Artikel 428 1. De agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn. 2. Ieder der partijen is verplicht de wederpartij op haar verzoek een ondertekend geschrift te verschaffen dat de dan geldende inhoud van de agentuurovereenkomst weergeeft.

  2517. Artikel 429 1. De handelsagent kan zich voor verplichtingen die voor derden uit een door hem bemiddelde of afgesloten overeenkomst voortvloeien, uitsluitend schriftelijk aansprakelijk stellen. 2. Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen, is de handelsagent krachtens een beding van delcredere slechts aansprakelijk voor de gegoedheid van de derde. 3. Hij kan zich niet aansprakelijk stellen tot een hoger bedrag dan de overeengekomen provisie, tenzij het beding betrekking heeft op een bepaalde overeenkomst of op overeenkomsten die hij zelf in naam van de principaal sluit. 4. Indien er een kennelijke wanverhouding is tussen het risico dat de handelsagent op zich heeft genomen, en de bedongen provisie, kan de rechter het bedrag waarvoor de handelsagent aansprakelijk is, matigen, voor zover dit bedrag de provisie te boven gaat. De rechter houdt met alle omstandigheden rekening, in het bijzonder met de wijze waarop de handelsagent de belangen van de principaal heeft behartigd.

  2518. Artikel 430 2024 -913- No. 164 1. De principaal moet alles doen wat in de gegeven omstandigheden van zijn kant nodig is om de handelsagent in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten. 2. Hij moet aan de handelsagent het nodige documentatiemateriaal ter beschikking stellen over de goederen en diensten waarvoor de handelsagent bemiddelt, en hem alle inlichtingen verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van de agentuurovereenkomst. 3. Hij is verplicht de handelsagent onverwijld te waarschuwen, indien hij voorziet dat in een uitgesproken geringere mate dan de handelsagent mocht verwachten, overeenkomsten zullen of mogen worden afgesloten. 4. Hij moet de handelsagent binnen een redelijke termijn op de hoogte stellen van zijn aanvaarding of weigering of de niet-uitvoering van een door de handelsagent aangebrachte overeenkomst.

  2519. Artikel 431 1. De handelsagent heeft recht op provisie voor de overeenkomsten die tijdens de duur der agentuurovereenkomst zijn totstandgekomen indien de overeenkomst: a. door zijn tussenkomst is totstandgekomen; b. is totstandgekomen met iemand die hij reeds vroeger voor een dergelijke overeenkomst had aangebracht; c. is afgesloten met iemand die behoort tot de klantenkring die aan de handelsagent is toegewezen, of is gevestigd in het gebied dat aan de handelsagent is toegewezen, tenzij uitdrukkelijk is overeengekomen dat de handelsagent ten aanzien van die klantenkring of in dat gebied niet het alleenrecht heeft. 2. De handelsagent heeft recht op provisie voor de voorbereiding van na het einde van de agentuurovereenkomst totstandgekomen overeenkomsten, indien: a. deze hoofdzakelijk aan de tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door hem verrichte werkzaamheden zijn te danken en binnen een redelijke termijn na de beëindiging van die overeenkomst zijn afgesloten, of b. hij of de principaal, overeenkomstig de voorwaarden, bepaald in lid 1, de bestelling van de derde heeft ontvangen voor de beëindiging van de agentuurovereenkomst. 3. De handelsagent heeft geen recht op provisie, indien deze krachtens lid 2 is verschuldigd aan zijn voorganger, tenzij uit de omstandigheden voortvloeit dat het billijk is de provisie tussen hen beiden te verdelen.

  2520. Artikel 432 1. Indien de rol van de handelsagent zich heeft beperkt tot het verlenen van bemiddeling bij de totstandkoming van de overeenkomst, wordt de order die hij aan zijn principaal heeft doen toekomen, voor wat betreft het recht op provisie krachtens artikel 426 geacht te zijn aanvaard, tenzij de principaal de handelsagent binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 430 lid 4 meedeelt dat hij de order weigert of een voorbehoud maakt. Bij gebreke van een in de agentuurovereenkomst bepaalde termijn bedraagt de termijn een maand vanaf het tijdstip waarop hem de order is meegedeeld. 2. Het beding dat het recht op provisie doet afhangen van de uitvoering van de overeenkomst, dient uitdrukkelijk te worden gemaakt. 3. Indien het beding is gemaakt, ontstaat het recht op provisie uiterlijk wanneer de derde zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd, of dit had moeten doen, indien de principaal zijn deel van de transactie had uitgevoerd. 2024 -914- No. 164

  2521. Artikel 433 1. De principaal is verplicht na afloop van iedere maand aan de handelsagent een schriftelijke opgave te verstrekken van de over die maand verschuldigde provisie, onder vermelding van de gegevens waarop de berekening berust; deze opgave moet worden verstrekt vóór het einde van de volgende maand. Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat de opgave twee- of driemaandelijks wordt verstrekt. 2. De handelsagent is bevoegd van de principaal inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken, echter zonder afgifte te kunnen verlangen. Hij kan zich op zijn kosten doen bijstaan door een deskundige, aanvaard door de principaal of, bij afwijzing, benoemd door de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, op verzoek van de handelsagent. 3. Partijen kunnen echter schriftelijk overeenkomen dat de inzage van de bewijsstukken zal geschieden aan een derde; indien deze zijn taak niet vervult, zal de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, een plaatsvervanger aanwijzen. 4. De overlegging van de bewijsstukken door de principaal geschiedt onder verplichting tot geheimhouding door de handelsagent en de in de leden 2 en 3 bedoelde personen. Deze laatsten zijn echter niet verplicht tot geheimhouding tegenover de handelsagent voor zover het betreft een gegeven als bedoeld in lid 1.

  2522. Artikel 434 De provisie wordt uiterlijk opeisbaar op het tijdstip waarop de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel 433, moet worden verstrekt.

  2523. Artikel 435 1. De handelsagent heeft recht op een beloning, indien hij bereid is zijn verplichtingen uit de agentuurovereenkomst na te komen of deze reeds heeft nagekomen, doch de principaal van de diensten van de handelsagent geen gebruik heeft gemaakt of in aanzienlijk geringere mate gebruik heeft gemaakt dan deze als normaal mocht verwachten, tenzij de gedraging van de principaal voortvloeit uit omstandigheden die redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen. 2. Bij de bepaling van deze beloning wordt rekening gehouden met het bedrag van de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren, zoals de onkosten die de handelsagent zich door het niet verrichten van werkzaamheden bespaart. Artikel 436 Een agentuurovereenkomst die na het verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan, door beide partijen wordt voortgezet, bindt partijen voor onbepaalde tijd op dezelfde voorwaarden.

  2524. Artikel 437 1. Indien de agentuurovereenkomst is aangegaan voor een onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd met recht van tussentijdse opzegging, is ieder der partijen bevoegd haar te doen eindigen met inachtneming van de overeengekomen opzeggingstermijn. Bij gebreke van een overeenkomst dienaangaande zal de opzeggingstermijn vier maanden bedragen, vermeerderd met een maand na drie jaar looptijd van de overeenkomst en met twee maanden na zes jaar. 2. De termijn van opzegging kan niet korter zijn dan een maand in het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden in het tweede jaar en drie maanden in de volgende jaren. Indien partijen langere termijnen overeenkomen, mogen deze voor de principaal niet korter zijn dan voor de handelsagent. 3. Opzegging behoort plaats te vinden tegen het einde van een kalendermaand. 2024 -915- No. 164

  2525. Artikel 438 1. De agentuurovereenkomst eindigt door het overlijden van de handelsagent. 2. In geval van overlijden van de principaal zijn zowel zijn erfgenamen als de handelsagent bevoegd, mits binnen negen maanden na het overlijden, de overeenkomst te doen eindigen met een opzeggingstermijn van vier maanden.

  2526. Artikel 439 1. De partij die de overeenkomst beëindigt zonder eerbiediging van haar duur of zonder inachtneming van de wettelijke of overeengekomen opzeggingstermijn en zonder dat de wederpartij daarin toestemt, is schadeplichtig, tenzij zij de overeenkomst doen eindigen om een dringende, aan de wederpartij onverwijld meegedeelde reden. 2. Dringende redenen zijn omstandigheden van zodanige aard dat van de partij die de overeenkomst doet eindigen, redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten. 3. Indien de beëindiging van de overeenkomst wegens een dringende reden gegrond is op omstandigheden waarvoor de wederpartij een verwijt treft, is laatstgenoemde schadeplichtig. 4. Een beding waardoor aan een der partijen de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden aanwezig is, is nietig.

  2527. Artikel 440 1. Ieder der beide partijen is bevoegd de kantonrechter te verzoeken de agentuurovereenkomst te ontbinden op grond van: a. omstandigheden die een dringende reden opleveren in de zin van artikel 439 lid 2; b. verandering in de omstandigheden die van dien aard is, dat de billijkheid eist dat aan de overeenkomst dadelijk of na korte tijd een einde wordt gemaakt. 2. Spreekt de rechter de ontbinding uit op grond van een omstandigheid als bedoeld in lid 1 onder a en kan van deze omstandigheid de verweerder een verwijt worden gemaakt, dan is deze schadeplichtig. 3. Spreekt de rechter de ontbinding uit op grond van lid 1 onder b dan kan hij aan een der partijen een vergoeding toekennen. Hij kan bepalen dat deze in termijnen wordt betaald. 4. Artikel 685 leden 5 tot en met 7 en 9 tot en met 11 is van overeenkomstige toepassing.

  2528. Artikel 441 1. De partij die krachtens artikel 439 of artikel 440 lid 2 schadeplichtig is, is aan de wederpartij een som verschuldigd, gelijk aan de beloning over de tijd dat de agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren voort te duren. Voor de vaststelling van deze som wordt rekening gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren. 2. De rechter is bevoegd deze som te verminderen, indien zij hem met het oog op de omstandigheden te hoog voorkomt. 3. De benadeelde partij kan, in plaats van de schadeloosstelling, bedoeld in de leden 1 en 2, volledige vergoeding van haar schade vorderen, onder gehoudenheid de omvang daarvan te bewijzen.

  2529. Artikel 442 1. Ongeacht het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst recht op een vergoeding, genoemd klantenvergoeding, voor zover: a. hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en 2024 -916- No. 164 b. de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten. 2. Het bedrag van de vergoeding is niet hoger dan dat van de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaar of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan. 3. Het recht op vergoeding vervalt, indien de handelsagent de principaal niet uiterlijk een jaar na het einde van de overeenkomst heeft meegedeeld dat hij vergoeding verlangt. 4. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de overeenkomst is beëindigd: a. door de principaal onder omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439 lid 3 schadeplichtig maken; b. door de handelsagent, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet; c. door de handelsagent die, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.

  2530. Artikel 443 1. Een beding dat de handelsagent beperkt in zijn vrijheid om na het einde van de agentuurovereenkomst werkzaam te zijn, is slechts geldig voor zover: a. het op schrift is gesteld, en b. betrekking heeft op het soort goederen of diensten waarvan hij de vertegenwoordiging had, en op het gebied, of de klantenkring en het gebied, aan hem toevertrouwd. 2. Zodanig beding is slechts geldig gedurende ten hoogste twee jaar na het einde van de overeenkomst. 3. Aan zodanig beding kan de principaal geen rechten ontlenen, indien de overeenkomst is geëindigd: a. doordat hij haar zonder toestemming van de handelsagent heeft beëindigd zonder inachtneming van de wettelijke of overeengekomen termijn en zonder een dringende aan de handelsagent onverwijld meegedeelde reden; b. doordat de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een dringende, onverwijld aan de principaal meegedeelde reden waarvoor laatstgenoemde een verwijt treft; c. door een rechterlijke uitspraak, gegrond op omstandigheden ter zake waarvan de principaal een verwijt treft. 4. De rechter kan, indien de handelsagent dat vraagt, zulk een beding geheel of gedeeltelijk teniet doen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de principaal, de handelsagent door het beding onbillijk wordt benadeeld.

  2531. Artikel 444 Rechtsvorderingen, gegrond op de artikelen 439 en 440, verjaren door verloop van één jaar na het feit dat de vordering deed ontstaan.

  2532. Artikel 445 1. Partijen kunnen niet afwijken van de artikelen 401 tot en met 403 en artikel 426 lid 2, noch van artikel 428 lid 3, de artikelen 429 en 430, artikel 431 lid 2, artikel 432 lid 2, artikel 433, artikel 437 lid 2 en de artikelen 439, 440, 441, 443 en 444. 2. Evenmin kan ten nadele van de handelsagent worden afgeweken van artikel 432 lid 3 en artikel 434, alsmede, vóór het einde van de overeenkomst, van artikel 442. 2024 -917- No. 164 Afdeling 5 De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling

  2533. Artikel 446 1. De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling, in deze afdeling verder aangeduid als de behandelingsovereenkomst, is de overeenkomst waarbij een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde. Degene op wiens persoon de handelingen rechtstreeks betrekking hebben, wordt in deze afdeling verder aangeduid als de patiënt. 2. Onder handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verstaan: a. alle verrichtingen, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen, die rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en ertoe strekken hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen; b. andere dan de in onderdeel a bedoelde handelingen die rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en die worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid. 3. Tot handelingen als bedoeld in lid 1, worden mede gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen van de patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden verricht. 4. Onder handelingen als bedoeld in lid 1, zijn niet begrepen handelingen op het gebied van farmacie, indien deze worden verricht door een gevestigde apotheker. 5. Geen behandelingsovereenkomst is aanwezig, indien het betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.

  2534. Artikel 447 1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden. 2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van de ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding. 3. In op die behandelingsovereenkomst betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden.

  2535. Artikel 448 1. De hulpverlener licht de patiënt op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk, in over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt. De hulpverlener licht een patiënt die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen. 2. Bij het uitvoeren van de in lid 1 neergelegde verplichting laat de hulpverlener zich leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijs dient te weten ten aanzien van: a. de aard van het doel van het onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en van de uit te voeren verrichtingen; b. de te verwachten gevolgen en risico's daarvan voor de gezondheid van de patiënt; c. andere methoden van onderzoek of behandelingen die in aanmerking komen; 2024 -918- No. 164 d. de staat van en de vooruitzichten met betrekking tot diens gezondheid voor wat betreft het terrein van het onderzoek of de behandeling. 3. De hulpverlener mag de patiënt bedoelde inlichtingen slechts onthouden voor zover het verstrekken ervan kennelijk ernstig nadeel voor de patiënt zou opleveren. Indien het belang van de patiënt dit vereist, dient de hulpverlener de desbetreffende inlichtingen aan een ander dan de patiënt te verstrekken. De inlichtingen worden de patiënt gegeven, zodra bedoeld nadeel niet meer is te duchten. De hulpverlener maakt geen gebruik van zijn in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid dan nadat hij daarover een andere hulpverlener heeft geraadpleegd.

  2536. Artikel 449 Indien de patiënt te kennen heeft gegeven geen inlichtingen te willen ontvangen, blijft het verstrekken daarvan achterwege, behoudens voor zover het belang dat de patiënt daarbij heeft, niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit voor hemzelf of anderen kan voortvloeien.

  2537. Artikel 450 1. Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist. 2. Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de ouders of voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen. 3. In het geval waarin een patiënt van zestien jaar of ouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden door de hulpverlener en een persoon als bedoeld in artikel 465 leden 2 of 3 de kennelijke opvattingen van de patiënt, geuit in schriftelijke vorm toen deze tot bedoelde redelijke waardering nog in staat was en inhoudende een weigering van toestemming als bedoeld in lid 1, opgevolgd. De hulpverlener kan hiervan afwijken indien hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht.

  2538. Artikel 451 Op verzoek van de patiënt legt de hulpverlener in ieder geval schriftelijk vast voor welke verrichtingen van ingrijpende aard deze toestemming heeft gegeven.

  2539. Artikel 452 De patiënt geeft de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.

  2540. Artikel 453 De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.

  2541. Artikel 454 1. De hulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is. 2024 -919- No. 164 2. De hulpverlener voegt desgevraagd een door de patiënt afgegeven verklaring met betrekking tot de in het dossier opgenomen stukken aan het dossier toe. 3. Onverminderd artikel 455 bewaart de hulpverlener de bescheiden, bedoeld in de leden 1 en 2, zo lang als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit.

  2542. Artikel 455 1. De hulpverlener vernietigt de door hem bewaarde bescheiden, bedoeld in artikel 454, binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van de patiënt. 2. Lid 1 geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt, alsmede voor zover het bij of krachtens de wet bepaalde zich tegen vernietiging verzet.

  2543. Artikel 456 De hulpverlener verstrekt aan de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De hulpverlener mag voor de verstrekking van het afschrift een redelijke vergoeding in rekening brengen.

  2544. Artikel 457 1. Onverminderd artikel 448 lid 3, tweede volzin, draagt de hulpverlener zorg dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht. 2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als vervanger van de hulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden. 3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.

  2545. Artikel 458 1. In afwijking van artikel 457 lid 1 kunnen zonder toestemming van de patiënt ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over de patiënt of inzage in de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt indien: a. het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de patiënt niet onevenredig wordt geschaad, of b. het vragen van toestemming, gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan worden verlangd en de hulpverlener zorg heeft gedragen dat de gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. 2. Verstrekking is slechts mogelijk indien: a. het onderzoek een algemeen belang dient; b. het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en c. voor zover de betrokken patiënt tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt. 3. Bij een verstrekking wordt daarvan aantekening gehouden in het dossier. 2024 -920- No. 164

  2546. Artikel 459 1. De hulpverlener voert verrichtingen in het kader van de behandelingsovereenkomst uit buiten de waarneming van anderen dan de patiënt, tenzij de patiënt ermee heeft ingestemd dat de verrichtingen kunnen worden waargenomen door anderen. 2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de uitvoering van de verrichting noodzakelijk is. 3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter zake van de verrichting op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door verrichtingen te doen waarnemen niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks niet toe. Artikel 460 De hulpverlener kan, behoudens gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen.

  2547. Artikel 461 De opdrachtgever is de hulpverlener loon verschuldigd, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde dan wel uit de overeenkomst anders voortvloeit.

  2548. Artikel 462 Indien ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in een ziekenhuis dat bij die overeenkomst geen partij is, is het ziekenhuis voor een tekortkoming daarbij medeaansprakelijk als ware het zelf bij de overeenkomst partij.

  2549. Artikel 463 De aansprakelijkheid van een hulpverlener of, in het geval bedoeld in artikel 462, van het ziekenhuis, kan niet worden beperkt of uitgesloten.

  2550. Artikel 464 1. Indien in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht, zijn deze afdeling alsmede artikel 404, artikel 405 lid 2 en artikel 406 van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. 2. Betreft het handelingen als omschreven in artikel 446 lid 5, dan: a. worden de in artikel 454 bedoelde bescheiden slechts bewaard zolang dat noodzakelijk is in verband met het doel van het onderzoek, tenzij het bij of krachtens de wet bepaalde zich tegen vernietiging verzet; b. wordt de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen. Indien die wens is geuit en de handelingen niet worden verricht in verband met een totstandgekomen arbeidsverhouding of burgerrechtelijke verzekering dan wel een opleiding waartoe de betrokkene reeds is toegelaten, wordt bedoelde persoon tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. . 2024 -921- No. 164

  2551. Artikel 465 1. De verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien, worden, indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, door de hulpverlener nagekomen jegens de ouders die het gezag over de patiënt uitoefenen dan wel jegens zijn voogd. 2. Hetzelfde geldt indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, maar niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, tenzij zodanige patiënt meerderjarig is en onder curatele staat of ten behoeve van hem het mentorschap is ingesteld, in welke gevallen nakoming jegens de curator of de mentor geschiedt. 3. Indien de meerderjarige patiënt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve van hem niet het mentorschap is ingesteld, worden de verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien, door de hulpverlener nagekomen jegens de persoon die daartoe door de patiënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige persoon, of treedt deze niet op, dan worden de verplichtingen nagekomen jegens de echtgenoot of andere levensgezel van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. 4. De hulpverlener komt zijn verplichtingen na jegens de in de leden 1 en 2 bedoelde wettelijke vertegenwoordigers van de patiënt en de in lid 3 bedoelde personen, tenzij die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. 5. De persoon jegens wie de hulpverlener krachtens de leden 2 of 3 gehouden is de uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeiende verplichtingen na te komen, betracht de zorg van een goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de patiënt zoveel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. 6. Verzet de patiënt zich tegen een verrichting van ingrijpende aard waarvoor een persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen.

  2552. Artikel 466 1. Is op grond van artikel 465 voor het uitvoeren van een verrichting uitsluitend de toestemming van een daar bedoeld persoon in plaats van die van de patiënt vereist, dan kan tot de verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien de tijd voor het vragen van die toestemming ontbreekt aangezien onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen. 2. Een volgens de artikelen 450 en 465 vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven, indien de desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is.

  2553. Artikel 467 Van het lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen kunnen, onder de nodige waarborgen in verband met de persoonlijke levenssfeer, worden gebruikt voor medisch statistisch of ander medisch wetenschappelijk onderzoek, voor zover de patiënt van wie het lichaamsmateriaal afkomstig is, geen bezwaar heeft gemaakt tegen zodanig onderzoek en het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid wordt verricht.

  2554. Artikel 468 Van deze afdeling en van artikel 404, artikel 405 lid 2 en artikel 406 kan niet ten nadele van de patiënt worden afgeweken. 2024 -922- No. 164 Titel 9 Bewaarneming

  2555. Artikel 600 Bewaarneming is de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven.

  2556. Artikel 601 1. Indien de overeenkomst door de bewaarnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de bewaargever hem loon verschuldigd. 2. Indien loon is verschuldigd, doch de hoogte niet door partijen is bepaald, is de bewaargever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd. 3. De bewaargever moet aan de bewaarnemer de aan de bewaring verbonden onkosten vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen, alsook de schade die de bewaarnemer als gevolg van de bewaring heeft geleden.

  2557. Artikel 602 De bewaarnemer moet bij de bewaring de zorg van een goed bewaarder in acht nemen.

  2558. Artikel 603 1. De bewaarnemer mag de zaak slechts gebruiken voor zover de bewaargever daarvoor toestemming heeft gegeven, of het gebruik nodig is om de zaak in goede staat te houden of te brengen. 2. Zonder toestemming van de bewaargever mag de bewaarnemer de zaak niet aan een derde in bewaring geven, tenzij dit in het belang van de bewaargever noodzakelijk is. 3. Voor gedragingen van een onderbewaarnemer met betrekking tot de zaak is de bewaarnemer op gelijke wijze aansprakelijk als voor eigen gedragingen, tenzij de bewaarneming niet tegen bewaarloon geschiedt en de bewaarnemer tot het in onderbewaring geven genoodzaakt was ten gevolge van hem niet toe te rekenen omstandigheden.

  2559. Artikel 604 De vruchten die de zaak in het tijdvak tussen de ontvangst en de teruggave oplevert, moeten door de bewaarnemer aan de bewaargever worden afgedragen.

  2560. Artikel 605 1. De bewaargever kan onverwijlde teruggave en de bewaarnemer onverwijlde terugneming van de zaak vorderen. 2. Wegens gewichtige redenen kan de kantonrechter, op verzoek van een van de partijen, een van lid 1 of van de overeenkomst afwijkend tijdstip voor de teruggave of terugneming bepalen. Dit lid is niet van toepassing in geval van gerechtelijke bewaring. 3. De teruggave moet geschieden op de plaats waar de zaak volgens de overeenkomst moet worden bewaard, tenzij bij de overeenkomst een andere plaats voor de teruggave is aangewezen. 4. De bewaarnemer is gehouden de zaak terug te geven in de staat waarin hij haar heeft ontvangen. 2024 -923- No. 164

  2561. Artikel 606 Indien twee of meer personen tezamen een zaak in bewaring hebben genomen, zijn zij hoofdelijk verbonden tot teruggave daarvan en tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een tekortschieten in de nakoming van die verplichting, tenzij de tekortkoming aan geen van hen kan worden toegerekend.

  2562. Artikel 607 1. Indien ter zake van een bewaarneming een ceel of een ander stuk aan toonder of order is afgegeven, geldt levering daarvan vóór de aflevering van de daarin aangeduide zaken als levering van die zaken. 2. Lid 1 is niet van toepassing op registergoederen.

  2563. Artikel 608 1. Indien een onderbewaarnemer door een bewaargever buiten overeenkomst voor met betrekking tot de zaak geleden schade wordt aangesproken, is hij jegens deze niet verder aansprakelijk dan hij zou zijn als wederpartij bij de overeenkomst, waarbij de bewaargever de zaak in bewaring gegeven heeft. 2. Indien een bewaarnemer buiten overeenkomst voor met betrekking tot de zaak geleden schade wordt aangesproken door een derde die geen bewaargever is, is hij niet verder aansprakelijk dan hij als wederpartij van de bewaargever uit de met deze gesloten overeenkomst zou zijn. 3. Indien een onderbewaarnemer door een zodanige derde wordt aangesproken, is hij niet verder aansprakelijk dan hij als bewaarnemer op grond van lid 2 zou zijn. 4. De leden 1 tot en met 3 kunnen niet worden ingeroepen door een bewaarnemer of onderbewaarnemer die bij het sluiten van de overeenkomst uit hoofde waarvan hij de zaak ontving, wist of had behoren te weten dat zijn wederpartij jegens degene door wie hij werd aangesproken, niet bevoegd was de zaak aan hem in bewaring te geven.

  2564. Artikel 609 1. De hotelhouder is als een bewaarnemer aansprakelijk voor beschadiging of verlies van zaken, die in het hotel zijn meegebracht door een gast die daar zijn intrek heeft genomen. 2. Hij is niet aansprakelijk voor gedragingen van personen die de gast zelf in het hotel heeft meegebracht of uitgenodigd, en voor schade door zaken die de gast zelf heeft meegebracht. 3. Hij heeft op de in lid 1 bedoelde zaken een retentierecht voor al hetgeen hij van de gast te vorderen heeft ter zake van logies, kost, consumpties en als hotelhouder verrichte diensten. Titel 10 Arbeidsovereenkomst Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2565. Artikel 610 1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende enige tijd arbeid te verrichten. 2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing. 2024 -924- No. 164

  2566. Artikel 610a Degene die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks ten minste acht uren dan wel gedurende ten minste vijfendertig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.

  2567. Artikel 610b Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.

  2568. Artikel 612 1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Hij staat in alles wat betrekking heeft op die arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk en kan zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte verschijnen. 2. Indien een daartoe onbekwame minderjarige een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan en vervolgens vier weken in dienst van de werkgever arbeid heeft verricht zonder dat zijn wettelijke vertegenwoordiger een beroep op de in de onbekwaamheid gelegen vernietigingsgrond heeft gedaan, wordt hij geacht de toestemming van die vertegenwoordiger tot het aangaan van deze arbeidsovereenkomst te hebben verkregen. 3. Een onbekwame minderjarige die met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan, staat in alles wat betrekking heeft op die arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk, behoudens het bepaalde in lid 3. 4. Een onbekwame minderjarige kan niet zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte verschijnen, behalve wanneer de rechter is gebleken dat de wettelijke vertegenwoordiger niet bij machte is zich te verklaren.

  2569. Artikel 613 De werkgever kan slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

  2570. Artikel 613a 1. Een door de werkgever vastgesteld reglement is voor de werknemer slechts verbindend, indien het in de Nederlandse taal is vastgesteld en indien de werknemer schriftelijk heeft verklaard zich met dat reglement te verenigen, en indien tevens is voldaan aan de volgende vereisten: 1°. dat een volledig exemplaar van het reglement kosteloos door of vanwege de werkgever aan de werknemer is verstrekt; 2°. dat door of vanwege de werkgever een door deze ondertekend volledig exemplaar van het reglement ter inzage voor een ieder is neergelegd ter griffie van het kantongerecht, binnen wiens rechtsgebied de onderneming, in welke het reglement geldt, is gevestigd; 3°. dat een volledig exemplaar van het reglement op een voor de werknemer gemakkelijk toegankelijke plaats, zo mogelijk het arbeidslokaal, zodanig opgehangen is en blijft, dat het duidelijk leesbaar is. 2. Het reglement is eveneens slechts verbindend voor zover de inhoud niet in strijd is met de door de werknemer aangegane arbeidsovereenkomst. 2024 -925- No. 164 3. De nederlegging en de inzage van het reglement ter griffie geschieden kosteloos. 4. Van dit artikel kan niet worden afgeweken.

  2571. Artikel 613b 1. Indien gedurende de arbeidsovereenkomst een reglement wordt vastgesteld of het bestaande wordt gewijzigd, is dit nieuwe of gewijzigde reglement voor de werknemer slechts verbindend, indien een volledig exemplaar van het ontwerp daarvan of van de ontworpen wijzigingen hem kort vóór de vaststelling gedurende ten minste veertien dagen kosteloos ter inzage is verstrekt. 2. Indien de werknemer na vaststelling van het nieuwe of gewijzigde reglement mededeelt dat hij zich daarmee niet verenigt, wordt dit aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst uiterlijk tegen de dag, waarop het nieuwe of gewijzigde reglement in werking zal treden. Is de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd aangegaan of liggen tussen de dag waarop het nieuwe of gewijzigde reglement algemeen bekend gemaakt is en die waarop het in werking zal treden minder vrije dagen dan de opzeggingstermijn omvat, dan is de werkgever schadeplichtig. 3. Van dit artikel kan niet worden afgeweken.

  2572. Artikel 613c De werknemer kan niet verklaren dat hij zich verbindt zich met elk in de toekomst vast te stellen reglement of met elke toekomstige wijziging van een bestaand reglement, te verenigen.

  2573. Artikel 613d Van de bepalingen van het reglement kan alleen dan bij bijzondere overeenkomst worden afgeweken, indien deze schriftelijk is aangegaan.

  2574. Artikel 614 De termijn, bedoeld in artikel 52 lid 1 onder d van Boek 3, begint met betrekking tot uit deze titel voortvloeiende vernietigingsgronden met de aanvang van de dag volgende op die waarop een beroep op een desbetreffend beding is gedaan.

  2575. Artikel 615 1. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen de rederij en de schipper en op die tussen de schipper en de scheepsofficieren en scheepsgezellen. 2. Zij zijn voorts niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van de overheid, tenzij zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wettelijke regeling, van toepassing zijn verklaard. Afdeling 2 Loon

  2576. Artikel 616 De werkgever is verplicht de werknemer zijn loon op de bepaalde tijd te voldoen. 2024 -926- No. 164

  2577. Artikel 617 1. De vastgestelde vorm van loon mag niet anders zijn dan: a. geld; b. indien die vorm van loon gewoonte is of wenselijk is wegens de aard van de onderneming van de werkgever: zaken, geschikt voor het persoonlijk gebruik van de werknemer en zijn huisgenoten, met uitzondering van alcoholhoudende drank en andere voor de gezondheid schadelijke genotmiddelen; c. het gebruik van een woning, alsmede luchtkoeling daarvan en het gebruik van water en elektra; d. diensten, voorzieningen en werkzaamheden door of voor rekening van de werkgever te verrichten, onderricht, kost en inwoning daaronder begrepen; e. effecten, vorderingen, andere aanspraken en bewijsstukken daarvan. 2. Aan de in lid 1 onder b, c en d bedoelde zaken, diensten en voorzieningen mag geen hogere waarde worden toegekend dan die welke met de werkelijke waarde daarvan overeenkomt.

  2578. Artikel 618 Indien geen loon is vastgesteld, heeft de werknemer aanspraak op het loon dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor arbeid als de overeengekomene gebruikelijk was of, bij gebreke van een dergelijke maatstaf, op een loon dat met inachtneming van de omstandigheden van het geval naar billijkheid wordt bepaald.

  2579. Artikel 618a 1. Het loon per dag wordt vastgesteld: a. door het uurloon te vermenigvuldigen met het gemiddelde aantal werkuren per week van de betrokken werknemer en het verkregen product te delen door zes of vijf; b. door het weekloon te delen door zes of vijf; c. door het maandloon te delen door vijfentwintig of twintig; afhankelijk of op de werknemer respectievelijk van toepassing is de zesdaagse of vijfdaagse werkweek. 2. Indien de werknemer slechts bij tussenpozen in de onderneming werkzaam is, wordt het dagloon geacht gelijk te zijn aan hetgeen soortgelijke werknemers gedurende een jaar gemiddeld plegen te verdienen, gedeeld door driehonderd of tweehonderdveertig, afhankelijk of op de werknemer respectievelijk de zesdaagse- of vijfdaagse werkweek van toepassing is.

  2580. Artikel 619 1. Indien het loon voor het geheel of voor een gedeelte bestaat in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de werkgever moet kunnen blijken, heeft de werknemer het recht van de werkgever overlegging te verlangen van zodanige bewijsstukken, als hij nodig heeft om dat gegeven vast te kunnen stellen. 2. Partijen kunnen bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement overeenkomen aan wie, in afwijking van lid 1, overlegging van genoemde bewijsstukken zal geschieden. Als zodanig kunnen niet worden aangewezen werknemers die in dienst van de werkgever met de boekhouding zijn belast. 3. Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van lid 1 of lid 2, tweede volzin, een beroep op de vernietigingsgrond te doen. 4. De overlegging van de bewijsstukken door of vanwege de werkgever geschiedt desverlangd onder de uitdrukkelijke verplichting tot geheimhouding door de werknemer en degene die hem overeenkomstig lid 2 vervangt; de vervanger kan echter nimmer tot geheimhouding tegenover de werknemer worden verplicht, behoudens voor zover het betreft de winst in de onderneming van de werkgever of in een deel daarvan gemaakt. 2024 -927- No. 164

  2581. Artikel 620 1. De voldoening van het in geld vastgestelde loon geschiedt in Suriname wettig betaalmiddel of door girale betaling overeenkomstig artikel 114 van Boek 6. 2. De voldoening van het in geld vastgestelde loon kan in buitenlands geld geschieden, indien dit overeengekomen is. De werknemer is echter bevoegd voldoening in Suriname gangbaar geld te verlangen met ingang van de tweede komende betaaldag. Indien omrekening nodig is, geschiedt deze naar de koers, bedoeld in de artikelen 124 en 126 van Boek 6. 3. De voldoening van het in andere bestanddelen dan in geld vastgestelde loon geschiedt volgens hetgeen daarover is overeengekomen of, als daarover niets is overeengekomen, volgens het gebruik.

  2582. Artikel 621 1. Voldoening van het loon, anders dan bij artikel 620 is bepaald of, in andere vormen vastgesteld dan door artikel 617 is toegestaan, is niet bevrijdend. De werknemer behoudt het recht om betaling van het verschuldigde loon of, zo dit in een andere vorm dan geld is vastgesteld, de waarde van de verschuldigde prestatie van de werkgever te verzoeken zonder gehouden te zijn het bij de niet- bevrijdende voldoening ontvangene terug te geven. 2. Niettemin kan de rechter bij toewijzing van het verzoek van de werknemer de veroordeling beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen, maar uiterlijk tot de som waarop de door de werknemer geleden schade zal worden vastgesteld. 3. Een rechtsvordering van de werknemer op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop de niet-bevrijdende voldoening plaatsvindt.

  2583. Artikel 622 De voldoening van in geld vastgesteld loon die niet met toepassing van artikel 114 van Boek 6 plaatsvindt, geschiedt hetzij ter plaatse waar de arbeid in de regel wordt verricht, hetzij ten kantore van de werkgever indien dit is gelegen in hetzelfde district als waarin de meerderheid van de werknemers woont, hetzij aan de woning van de werknemer, ter keuze van de werkgever.

  2584. Artikel 623 1. De werkgever is verplicht het in geld naar tijdruimte vastgesteld loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand. 2. Het tijdvak na afloop waarvan het loon moet worden voldaan, kan bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement worden verlengd, maar niet langer dan tot een maand wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, korter is dan een maand. 3. Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van dit artikel, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.

  2585. Artikel 624 1. Indien het in geld vastgestelde loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, houdt de werkgever de betalingstermijnen aan die gelden voor het naar tijdruimte vastgestelde loon voor vergelijkbare arbeid, tenzij met inachtneming van artikel 623 andere termijnen zijn overeengekomen. 2. Indien op de betaaldag het bedrag van het loon als genoemd in lid 1 nog niet te bepalen is, is de werkgever verplicht tot voldoening van een voorschot ten bedrage van het loon waarop de werknemer gemiddeld per betalingstermijn aanspraak kon maken over de drie maanden voorafgaande aan de betaaldag of, indien dat niet mogelijk is, ten bedrage van het voor vergelijkbare arbeid gebruikelijke loon. 2024 -928- No. 164 3. Schriftelijk kan worden overeengekomen dat het voorschot op een lager bedrag wordt gesteld, maar niet op minder dan drie vierde van het gemiddelde loon over drie maanden voorafgaande aan de betaaldag onderscheidenlijk van het voor vergelijkbare arbeid gebruikelijke loon. 4. Voor zover het in geld vastgestelde loon bestaat in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de werkgever moet kunnen blijken, is de werkgever tot voldoening verplicht telkens wanneer het bedrag van dat loon kan worden bepaald, met dien verstande dat ten minste eenmaal per jaar voldoening plaatsvindt. 5. Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid toe om ter vernietiging van een beding dat afwijkt van dit artikel, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.

  2586. Artikel 625 1. Voor zover het in geld vastgesteld loon of het gedeelte dat overblijft na aftrek van hetgeen door de werkgever overeenkomstig artikel 628 mag worden verrekend en na aftrek van hetgeen waarop derden overeenkomstig artikel 633 rechten doen gelden, niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop ingevolge artikel 623 en artikel 624 lid 1 de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen. 2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2587. Artikel 626 1. De werkgever is verplicht bij elke voldoening van het in geld vastgestelde loon de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken van het loonbedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld, van de bedragen die op het loonbedrag zijn ingehouden, alsmede van het bedrag van het loon waarop een persoon van de leeftijd van de werknemer over de termijn waarop het loon is berekend als wettelijk minimumloon aanspraak heeft. 2. De opgave vermeldt voorts de naam van de werkgever en van de werknemer, de datum van indiensttreding, de termijn waarover het loon is berekend, alsmede de overeengekomen arbeidsduur. 3. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2588. Artikel 627 Geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht.

  2589. Artikel 628 1. De werknemer behoudt het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. 2. Indien hem krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, een geldelijke uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die uitkering. 3. Indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing, met dien verstande dat als loon wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen. 4. Het loon wordt echter verminderd met het bedrag van de onkosten die de werknemer zich door het niet-verrichten van de arbeid heeft bespaard. 2024 -929- No. 164 5. Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement worden afgeweken ten nadele van de werknemer. 6. In geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 667c kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in totaal voor ten hoogste zes maanden worden overeengekomen. 7. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in lid 5, kan van dit artikel slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.

  2590. Artikel 628a 1. Indien een arbeidsomvang van minder dan vijftien uren per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd, dan wel indien de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd, heeft de werknemer voor iedere periode van minder dan drie uren waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uren arbeid zou hebben verricht. 2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2591. Artikel 629 1. De werknemer behoudt zijn recht op het naar tijdsruimte vastgestelde loon voor een betrekkelijk korte tijd, doch ten minste voor een periode van zes weken, wanneer hij ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten. 2. De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet: a. indien de ziekte of het ongeval door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek, waarover hij bij het aangaan van de overeenkomst de werkgever opzettelijk valse inlichtingen heeft verstrekt; b. voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; c. voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 2 voor de werkgever niet verricht; d. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 2 te verrichten. 3. Voor de toepassing van lid 1 worden perioden waarin de werknemer tengevolge van ziekte of ongeval verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 4. Eveneens behoudt de werknemer het recht op het naar tijdsruimte vastgestelde loon voor een korte naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij hetzij tengevolge van de vervulling van een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting, welke vervulling niet in zijn vrije tijd kon geschieden, hetzij tengevolge van zeer bijzondere persoonlijk omstandigheden, verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten. 5. Onder zeer bijzondere omstandigheden worden voor de toepassing van dit artikel in ieder geval begrepen: bevalling van de echtgenote van de werknemer en het overlijden en de lijkbezorging van een van zijn huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn. Onder de vervulling van een door de wet of overheid opgelegde verplichting wordt mede begrepen de uitoefening van het actief kiesrecht. 6. Artikel 628 leden 2, 3 en 4 is van overeenkomstige toepassing. 7. Van dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft. 2024 -930- No. 164

  2592. Artikel 630 1. De werkgever die tijdelijk is verhinderd het loon, voor zover dit in een andere vorm dan in geld is vastgesteld, te voldoen zonder dat deze verhindering het gevolg is van een eigen toedoen van de werknemer, is aan deze een vergoeding schuldig, waarvan het bedrag bij overeenkomst wordt vastgesteld of, bij gebreke van een overeenkomst, door de rechter wordt bepaald volgens het gebruik of de billijkheid. 2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2593. Artikel 631 1. Een beding waarbij de werkgever het recht krijgt enig bedrag van het loon op de betaaldag in te houden, is nietig, onverminderd de bevoegdheid van de werknemer om de werkgever een schriftelijke volmacht te verlenen om uit het uit te betalen loonbetalingen in zijn naam te verrichten. Deze volmacht is te allen tijde herroepelijk. 2. Bedingen waarbij de werknemer zich jegens de werkgever verbindt het ontvangen loon of zijn overige inkomsten of een gedeelte daarvan op bepaalde wijze te besteden en bedingen waarbij de werknemer zich verbindt zijn benodigdheden op een bepaalde plaats of bij een bepaalde persoon aan te schaffen, zijn nietig. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het beding waarbij de werknemer zich verbindt deel te nemen aan een ziektekosten-, ongevallen-, pensioen- of spaarregeling onder overheidstoezicht of die is ondergebracht bij een onder overheidstoezicht staande instelling. 4. Voor de nakoming van een beding als bedoeld in lid 3 mag de werkgever de daartoe nodige bedragen op het loon van de werknemer inhouden; hij is alsdan verplicht deze bedragen overeenkomstig het beding ten behoeve van de werknemer te voldoen. 5. Op de deelneming door een minderjarige aan een regeling als bedoeld in lid 3 is artikel 612 van overeenkomstige toepassing. 6. Indien de werknemer ingevolge een nietig beding als bedoeld in lid 2 een overeenkomst met de werkgever of een derde heeft aangegaan, kan hij in rechte verzoeken dat hetgeen hij uit dien hoofde heeft voldaan hem door de werkgever wordt vergoed. Indien hij de overeenkomst met de werkgever heeft aangegaan, heeft hij bovendien de bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen. 7. De rechter kan bij toewijzing van een verzoek van de werknemer op grond van lid 6 de verplichting tot betaling van de werkgever beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar uiterlijk tot de som waarop hij de door de werknemer geleden schade vaststelt. 8. Een rechtsvordering van de werknemer op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag van het ontstaan van het vorderingsrecht.

  2594. Artikel 632 1. Behalve bij het einde van de arbeidsovereenkomst, is verrekening door de werkgever van zijn schuld ter zake van het uit te betalen loon slechts toegelaten met de volgende vorderingen op de werknemer: a. de door de werknemer aan de werkgever verschuldigde schadevergoeding; b. de boetes, door de werknemer volgens artikel 650 aan de werkgever verschuldigd, mits door deze een schriftelijk bewijs wordt afgegeven, die het bedrag vermeldt van iedere boete alsmede de tijd waarop en de reden waarom zij is opgelegd, met opgave van de overtreden bepaling van het reglement of van een schriftelijk aangegane overeenkomst; c. de voorschotten op het loon, door de werkgever in geld aan de werknemer verstrekt, mits daarvan schriftelijk blijkt; d. het bedrag van hetgeen op het loon te veel is betaald; e. de huurprijs van een woning of een andere ruimte, een stuk grond of van werktuigen, machines en gereedschappen, door de werknemer in eigen bedrijf gebruikt en die bij schriftelijke overeenkomst door de werkgever aan de werknemer zijn verhuurd. 2024 -931- No. 164 2. Verrekening heeft geen plaats op het deel van het loon waarop beslag onder de werkgever niet geldig kan zijn. Ter zake van hetgeen de werkgever krachtens lid 1 onder b zou kunnen vorderen, mag door hem bij elke voldoening van het loon niet meer worden verrekend dan een tiende gedeelte van het in geld vastgestelde loon dat alsdan zou moeten worden voldaan. 3. Hetgeen de werkgever uit hoofde van een op het loon gelegd beslag inhoudt, komt in mindering op het voor verrekening toegelaten maximum. 4. Een beding waardoor de werkgever een ruimere bevoegdheid tot verrekening zou krijgen, is vernietigbaar, met dien verstande dat de werknemer bevoegd is tot vernietiging ter zake van elke afzonderlijke verrekeningsverklaring van de werkgever die van de geldigheid van het beding uitgaat.

  2595. Artikel 632a Beslag onder de werkgever op het door deze aan de werknemer verschuldigde loon is niet verder geldig dan tot een twee vijfde gedeelte van het in geld vastgestelde loon. Geen beperking geldt, indien het beslag dient tot verhaal van onderhoud, waarop hij, te wiens behoeve het beslag wordt gelegd, volgens de wet aanspraak heeft.

  2596. Artikel 633 1. Overdracht, verpanding of elke andere handeling waardoor de werknemer enig recht op zijn loon aan derden toekent, is slechts in zover geldig als een beslag op zijn loon geldig zou zijn. 2. Een volmacht tot de vordering van loon wordt schriftelijk verleend. Deze volmacht is te allen tijde herroepelijk. 3. Van dit artikel kan niet worden afgeweken. Afdeling 3 Arbeidsbescherming gezin § 1. Algemene bepalingen

  2597. Artikel 633a 1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Minister: de minister belast met de zorg inzake arbeidsaangelegenheden; b. bevallingsverlof: de vrijstelling van dienst na de bevalling zoals geregeld in artikel 633c lid 2; c. onderscheid: direct en indirect onderscheid alsmede de opdracht tot het maken van onderscheid; d. direct onderscheid: onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap; e. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht; f. loon: de naar tijdsruimte vastgestelde vergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen arbeid; g. vader: de mannelijke werknemer van wie de echtgenote of bij de werkgever geregistreerde partner, zwanger of bevallen is van een kind; h. vakvereniging: vereniging van werknemers als bedoeld in de Wet Vrijheid van Vakvereniging (S.B. 2016 no. 151); i. werkgever: de werkgever in de zin van artikel 610 lid 1; j. werknemer: de werknemer in de zin van artikel 610 lid 1; 2024 -932- No. 164 k. zwangerschapsverlof: verlof voor de bevalling zoals geregeld in artikel 633c lid 1. l. partner: 1˚. de echtgeno(o)t(e) van de werknemer; 2˚. degene, die met de werknemer een duurzame gemeenschappelijke huishouding onderhoudt. m. duurzame gemeenschappelijke huishouding: een huishouding niet voortvloeiende uit een huwelijk van een werknemer en een partner met het hoofd- en werkelijk verblijf in dezelfde woning hetgeen blijkt uit een uittreksel van het Centraal Bureau voor Burgerzaken en welke gedurende een periode van minimaal 18 (achttien) maanden is geregistreerd bij de werkgever ten tijde van de melding zoals genoemd in artikel 633f. n. Fonds: het Fonds Voorzieningen Ouderschapsverlof, als bedoeld in artikel 10 van de Wet Arbeidsbescherming Gezin (S.B. 2019 no. 64); o. vaderschapsverlof: de vrijstelling van dienst zoals geregeld in artikel 633d; p. adoptie: de wettelijke aanname van een persoon als kind ingevolge de Surinaamse wetgeving. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op de arbeidsverhouding van Landsdienaren als bedoeld in artikel 1 van de Personeelswet (S.B. 1962 no. 95 zoals laatstelijk gewijzigd bij SB 1987 no. 93), behoudens het bepaalde in artikel 19 lid 3 van de Wet Arbeidsbescherming Gezin (S.B. 2019 no. 64). Onderscheid

  2598. Artikel 633b 1. Het is de werkgever verboden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst, de toepassing van arbeidsvoorwaarden en bij de regeling van de arbeidsomstandigheden, opleiding en scholing van de werknemer. 2. Van lid 1 mag worden afgeweken: a. voor zover het betreft het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van opleiding en scholing, indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat doel is; b. indien het bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met zwangerschap en moederschap, betrekking hebben; c. indien het tijdelijke bedingen betreft die zijn gericht op feitelijke gelijkstelling van mannen en vrouwen. 3. Het in lid 1 neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. 4. Elk beding in strijd met lid 1, met uitzondering van het in lid 2 bepaalde, is nietig. 5. Indien de vrouwelijke werknemer die meent dat in haar nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in dit artikel, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de werkgever te bewijzen dat niet in strijd met dit artikel is gehandeld. 2024 -933- No. 164 § 2. Ouderschapsverlof Zwangerschaps- en bevallingsverlof

  2599. Artikel 633c 1. De werknemer heeft recht op zwangerschapsverlof gedurende tenminste 4 (vier) weken en ten hoogste 6 (zes) weken voor de vermoedelijke datum van bevalling. 2. De werknemer heeft recht op verlof gedurende tenminste 10 (tien) en ten hoogste 12 (twaalf) weken aansluitend op de werkelijke datum van bevalling als bevallingsverlof. De in lid 2 genoemde, in weken uitgedrukte verlofperiode kunnen bij staatsbesluit met in acht neming van de fasering van de uitvoering van deze afdeling, de economische situatie van Suriname en de financiële positie van het Fonds en gehoord de organisaties van werknemers en werkgevers worden verlengd tot een maximum van 24 (vierentwintig) weken, waarbij tevens de voorwaarden die voor de uitbreiding gelden, zullen worden vastgelegd. 3. Het zwangerschapsverlof en het bevallingsverlof, bedoeld in lid 1 en lid 2, duren samen 16 (zestien) weken. Voor vrouwen die bevallen van meerlingen, waarbij drie of meer kinderen worden geboren, zal het bevallingsverlof tot een maximum van 24 (vierentwintig) weken worden verlengd. 4. De werknemer is verplicht zwangerschapsverlof en bevallingsverlof op te nemen. 5. Indien een werknemer in de aangegeven periode van verlof wegens zwangerschapsverlof een miskraam krijgt of van een doodgeboren kind of kort na de geboorte gestorven kind bevalt, behoudt zij het recht op bevallingsverlof van 6 (zes) weken na het moment van die miskraam of bevalling van een doodgeboren kind of kort na de geboorte gestorven kind. 6. In het geval van een voorgenomen adoptie van een kind jonger dan 18 (achttien) maanden heeft de adoptiemoeder recht op betaald verlof gelijk aan 6 (zes) weken vanaf de aanvang van het wettelijk toegestaan feitelijk verblijf van het kind in de huishouding van de moeder. 7. De werkgever is verplicht zwangerschapsverlof en bevallingsverlof en het verlof geregeld in lid 8 te verlenen. Vaderschapsverlof

  2600. Artikel 633d 1. De vader heeft recht op betaald verlof: a. op de dag van de bevalling van zijn partner conform het Burgerlijk Wetboek; b. 3 (drie) werkdagen aansluitend op de dag van de bevalling; c. 2 (twee) werkdagen onmiddellijk na verloop van het bevallingsverlof; d. 2 (twee) werkdagen op te nemen in de eerste 4 (vier) maanden na de bevalling, in overleg met de werkgever. 2. De vader is gerechtigd doch draagt tevens de plicht tot het genieten van vaderschapsverlof. 3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 komt de vader of een familielid in de eerste graad of de tweede graad van de vader of de moeder in aanmerking voor bijzonder verlof gelijk aan het bevallingsverlof of het resterend deel daarvan, indien de moeder tijdens of na de bevalling komt te overlijden. De betaling van deze werknemers geschiedt eveneens uit het Fonds. 4. Onverminderd het bepaalde in lid 1 komt de vader of een familielid in de eerstegraad of de tweede graad van de vader of de moeder in aanmerking voor bijzonder verlof gelijk aan het bevallingsverlof of het resterend deel daarvan, wanneer de moeder tijdens het bevallingsverlof door ziekte of hospitalisatie niet in staat is het geboren kind te verzorgen. De betaling van deze werknemers geschiedt eveneens uit het Fonds. 5. In het geval van een voorgenomen adoptie van een kind jonger dan 18 (achttien) maanden heeft de adoptievader recht op minimaal 5 (vijf) werkdagen betaald vaderschapsverlof binnen de eerste 4 (vier) maanden vanaf de aanvang van het wettelijk toegestaan feitelijk verblijf van het kind in de huishouding van de vader. 2024 -934- No. 164 6. Bij een miskraam heeft de vader ook recht op een dag betaald verlof. 7. De werkgever is verplicht het vaderschapsverlof aan de werknemer te verlenen.

  2601. Artikel 633e 1. De werknemer bepaalt op grond van een door een behandelende huisarts, verloskundige of medisch specialist of diens vervanger vastgestelde vermoedelijke datum van bevalling en met inachtneming van het bepaalde in artikel 633c, de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. 2. Het is de werkgever verboden om de aanspraak op betaald vakantieverlof krachtens de Vakantiewet (S.B. 1975 no. 164) in te minderen op grond van genoten of toekomstig zwangerschapsverlof en bevallingsverlof. Meldingsplicht

  2602. Artikel 633f 1. De werknemer is verplicht om uiterlijk aan het eind van de 20 (twintig) weken van de zwangerschap deze te melden aan de werkgever alsmede de vermoedelijke datum van bevalling hetgeen moet blijken uit een schriftelijke verklaring van een behandelende huisarts of diens vervanger, verloskundige of medisch specialist. 2. De vrouwelijke werknemer en de vader maken uiterlijk aan het eind van 20 (twintig) weken van de zwangerschap, schriftelijk bekend op welke wijze ze hun zwangerschaps- en bevallingsverlof en het vaderschapsverlof wensen op te nemen. De werknemer heeft het recht om tot uiterlijk 6 (zes) weken voor de vermoedelijke datum van bevalling, de wijze waarop ze het verlof wenst op te nemen, te wijzigen, met inachtneming van de termijnen van artikel 633c. 3. De vrouwelijke werknemer en indien van toepassing de vader zullen spoedig na de bevalling middels een geboorteakte van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, de bevalling kenbaar maken aan de werkgever, doch uiterlijk 7 (zeven) werkdagen na de bevalling. 4. De meldingsplicht geldt ook bij de adoptie van een pasgeboren kind als genoemd in artikel 633c lid 6. 5. Het is de werknemer verboden om onjuiste informatie te verstrekken aan de werkgever. Ontslagbescherming

  2603. Artikel 633g 1. De werkgever mag de arbeidsovereenkomst met een werknemer niet opzeggen gedurende de zwangerschap en na haar bevalling anders dan vanwege dringende redenen. Het gestelde in de eerste volzin is niet van toepassing indien de formele ontslagprocedure al was ingezet vóór de datum van de melding van de zwangerschap. 2. De werkgever mag de arbeidsovereenkomst met een werknemer niet opzeggen gedurende de periode waarin zij bevallingsverlof als bedoeld in artikel 633c geniet en na werkhervatting, dan wel aansluitend op een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap en die aansluit op dat bevallingsverlof, anders dan vanwege dringende redenen. 3. De werknemer die zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten, heeft het recht om terug te keren naar het werk en wel in dezelfde dan wel een gelijkwaardige functie en met behoud van dezelfde beloning en voorzieningen. 4. De werkgever mag de werknemer niet ontslaan of op andere wijze benadelen in zijn arbeidsvoorwaarden wegens de omstandigheid dat de werknemer vaderschapsverlof heeft aangevraagd of vaderschapsverlof aan hem is verleend. 5. Elke beëindiging van de dienstbetrekking en elk beding in strijd met de leden 1 tot en met 4, is nietig. 2024 -935- No. 164 Arbeidsomstandigheden

  2604. Artikel 633h 1. De werkgever en vakvereniging of bij gebreke daarvan de werknemer die zwanger is of borstvoeding geeft, maken ten aanzien van de uitvoering van de werkzaamheden, indien nodig na advies van de huisarts, verloskundige of specialist, afspraken over: a. nachtarbeid; b. staand en lopend werk; c. het recht de arbeid af te wisselen met één of meer rustperiodes buiten de rustperiodes bedoeld in artikel 8 en 9 van de Arbeidswet (S.B. 1963 No. 163, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2001 No. 71). 2. De werkgever mag de werknemer geen nachtarbeid doen verrichten, gedurende de zwangerschap en gedurende ten minste 4 (vier) weken onmiddellijk volgend op het bevallingsverlof indien de werknemer daartoe een geneeskundige verklaring van de behandelende arts overlegt. 3. Indien de zwangere werknemer een geneeskundige verklaring van de behandelende arts overlegt waaruit blijkt dat zij in het geheel geen staand werk mag verrichten, mag de werkgever haar daartoe niet verplichten. 4. De arbeid van een zwangere werknemer wordt zodanig georganiseerd, dat rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. 5. De werkgever stelt de zwangere werknemer in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan indien deze alleen tijdens de werktijd kunnen worden verricht. Zij behoudt haar aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon, indien zij door het bedoelde zwangerschapsonderzoek verhinderd is geweest haar arbeid te verrichten. 6. Het is de werknemer verboden gedurende het zwangerschapsverlof, het bevallingsverlof of het vaderschapsverlof tegen betaling, in wèlke vorm dan ook, arbeid te verrichten. 7. Elk beding waarbij ten nadele van de zwangere werknemer in dit artikel wordt afgeweken van het eerste tot en met vijfde lid, is nietig. Afdeling 4 Vakantie en verlof

  2605. Artikel 634 De Vacantiewet (S.B. 1975 no. 164) is van toepassing. Afdeling 5 Enkele bijzondere bedingen in de arbeidsovereenkomst

  2606. Artikel 650 1. De werkgever kan slechts boete stellen op de overtreding van de voorschriften van de arbeidsovereenkomst of van een reglement, indien in de arbeidsovereenkomst of het reglement de voorschriften op de overtreding waarvan boete is gesteld en het bedrag van de boete zijn vermeld. 2. De overeenkomst waarbij boete wordt bedongen, wordt schriftelijk aangegaan. 3. De overeenkomst of het reglement waarbij boete is bedongen, vermeldt nauwkeurig de bestemming van de boete. Zij mogen noch onmiddellijk noch middellijk strekken tot persoonlijk voordeel van de werkgever zelf of van degene aan wie de werkgever de bevoegdheid heeft verleend om aan werknemers een boete op te leggen. 4. Iedere boete, in een overeenkomst of reglement bedongen, is op een bepaald bedrag gesteld, uitgedrukt in het geld waarin het loon in geld is vastgesteld. 2024 -936- No. 164 5. Binnen een week mag aan de werknemer geen hoger bedrag aan gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in geld vastgesteld loon voor een halve dag. Geen afzonderlijke boete mag hoger dan dit bedrag worden gesteld. 6. Elk beding in strijd met enige bepaling van dit artikel is nietig. 7. Onder het stellen en bedingen van boete in de zin van dit artikel wordt begrepen het door de werkgever bedingen van boete als bedoeld in de artikelen 91 tot en met 94 van Boek 6.

  2607. Artikel 651 1. De mogelijkheid een boete op te leggen laat het recht op schadevergoeding op grond van de wet onverlet. Echter mag de werkgever ter zake van eenzelfde feit niet boete heffen en tevens aanspraak maken op schadevergoeding. 2. Elk beding in strijd met de tweede volzin van lid 1 is nietig.

  2608. Artikel 652 Een proeftijd, gedurende welke ieder der partijen bevoegd is de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen, kan, op straffe van nietigheid, uitsluitend bij schriftelijke overeenkomst worden overeengekomen. Elk beding waarbij de proeftijd niet voor beide partijen gelijk, of op langer dan twee maanden gesteld wordt, alsmede elk beding, waarbij door het aangaan van een nieuwe proeftijd de gezamenlijke proeftijden langer dan twee maanden worden, is nietig.

  2609. Artikel 653 1. Een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig, indien de werkgever dit schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. 2. De rechter kan zulk een beding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. 3. Aan een beding als bedoeld in lid 1 kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is. 4. Indien een beding als bedoeld in lid 1 de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, kan de rechter steeds bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen. De rechter stelt de hoogte van deze vergoeding met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de vergoeding op de door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de werknemer wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is. Afdeling 6 Enkele bijzondere verplichtingen van de werkgever

  2610. Artikel 654 1. Wanneer een arbeidsovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan of gewijzigd, zijn de kosten van het geschrift en andere bijkomende kosten ten laste van de werkgever. 2. De werkgever is verplicht kosteloos een volledig, door hem ondertekend, afschrift van het geschrift waarbij de arbeidsovereenkomst is aangegaan of gewijzigd, aan de werknemer te verstrekken. 2024 -937- No. 164

  2611. Artikel 655 1. De werkgever is verplicht aan de werknemer op verlangen van de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken met ten minste de volgende gegevens: a. naam en woonplaats van partijen; b. de plaats of plaatsen waar de arbeid wordt verricht; c. de functie van de werknemer of de aard van zijn arbeid; d. het tijdstip van indiensttreding; e. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, de duur van de overeenkomst; f. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak; g. de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen; h. het loon en de termijn van uitbetaling alsmede, indien het loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, de per dag of per week aan te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per stuk en de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering is gemoeid; i. de gebruikelijke arbeidsduur per dag of per week; j. of de werknemer gaat deelnemen aan een pensioenregeling; k. indien de werknemer voor een langere termijn dan een maand werkzaam zal zijn buiten Suriname, mede de duur van die werkzaamheid, de huisvesting, de toepasselijkheid van de Surinaamse sociale verzekeringswetgeving dan wel opgave van de voor de uitvoering van die wetgeving verantwoordelijke organen, de geldsoort waarin betaling zal plaatsvinden, de vergoedingen waarop de werknemer recht heeft en de wijze waarop de terugkeer is geregeld; l. de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan; m. of de arbeidsovereenkomst een uitzendovereenkomst is als bedoeld in artikel 690. 2. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid 1 onder a tot en met j, zijn vermeld in een schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst of in de opgave, bedoeld in artikel 626, kan vermelding achterwege blijven. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid 1 onder f tot en met i, zijn vermeld in een toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan, kan worden volstaan met een verwijzing naar deze overeenkomst of regeling. 3. De werkgever die weigert de opgave te verstrekken of daarin onjuiste mededelingen opneemt, is jegens de werknemer aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die de voorwaarden regelt van een of meer arbeidsovereenkomsten die partijen zullen sluiten indien na oproep arbeid wordt verricht en op het aangaan van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst, al dan niet gevolgd door andere soortgelijke overeenkomsten, waarbij de ene partij, natuurlijk persoon, zich verbindt voor de andere partij tegen beloning arbeid te verrichten, tenzij deze overeenkomst wordt aangegaan in beroep of bedrijf. Op de in dit lid bedoelde overeenkomsten is artikel 654 van overeenkomstige toepassing. 5. Indien lid 4 van toepassing is, wordt in de schriftelijke opgave, bedoeld in lid 1, tevens vermeld welke overeenkomst is aangegaan. 6. Een beding in strijd met dit artikel is nietig.

  2612. Artikel 656 1. De werkgever is verplicht bij het einde van de arbeidsovereenkomst de werknemer op diens verzoek een getuigschrift uit te reiken. 2. Het getuigschrift vermeldt: a. de aard van de verrichte arbeid en de arbeidsduur per dag of per week; b. de begindatum en de einddatum van het dienstverband; c. een opgave van de wijze waarop de werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan; d. een opgave van de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd; e. indien de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, de reden daartoe. 2024 -938- No. 164 3. De in lid 2 onder c, d en e genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de werknemer in het getuigschrift vermeld. 4. Indien de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en hij deswege schadeplichtig is geworden, is de werkgever gerechtigd dit in het getuigschrift te vermelden. 5. De werkgever die weigert het gevraagde getuigschrift af te geven, nalaat aan een verzoek als bedoeld in lid 3 te voldoen, in het getuigschrift door opzet of schuld onjuiste mededelingen opneemt of het getuigschrift van een kenmerk voorziet of op een bepaalde wijze inricht om daarmee aangaande de werknemer enige mededeling te doen die niet in de bewoordingen van het getuigschrift is vervat, is zowel jegens de werknemer als jegens derden aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade. 6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2613. Artikel 657a De werkgever is gehouden de arbeid dusdanig te regelen, dat de werknemer geen arbeid heeft te verrichten op zondagen en die dagen, die volgens wettelijke regeling ten aanzien van de bedongen arbeid met zondagen worden gelijkgesteld, behalve voor zover het tegendeel is bedongen of uit de aard van de arbeid of uit de wet voortvloeit.

  2614. Artikel 657b 1. De werkgever is gehouden inwonende werknemers, zonder korting van het loon, in de gelegenheid te stellen hun godsdienstplichten te vervullen, alsmede ontspanning te genieten, in beide gevallen op de wijze bij overeenkomst of, bij gebreke van dien, door het plaatselijk gebruik bepaald. 2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2615. Artikel 658 1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. 2. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, alles behoudens de betrekkelijke bepalingen van een wettelijke Ongevallenregeling. 3. Van de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3 van Boek 6 bepaalt over de aansprakelijkheid van de werkgever kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. 4. Degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.

  2616. Artikel 658a 1. De werkgever is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. 2. Onder passende arbeid als bedoeld in lid 1 wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. 2024 -939- No. 164 Afdeling 7 Enkele bijzondere verplichtingen van de werknemer

  2617. Artikel 659 1. De werknemer is verplicht de arbeid zelf te verrichten; hij kan zich daarin niet dan met toestemming van de werkgever door een derde doen vervangen. 2. De rechtsvordering tot nakoming van de arbeidsverplichting van de werknemer onder de bepaling van een dwangsom of van gijzeling is niet toegelaten.

  2618. Artikel 660 1. De werknemer is verplicht zich te houden aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de werkgever, door of namens de werkgever binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften, overeenkomst of reglement aan hem, al dan niet tegelijk met andere werknemers, gegeven. 2. De werknemer, die bij de werkgever inwoont, is verplicht zich te gedragen naar de huisregels.

  2619. Artikel 660a De werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, is verplicht: a. gevolg te geven aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 658a lid 1; b. passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 2 te verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt.

  2620. Artikel 661 1. De werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de eerste volzin is bepaald. 2. Afwijking van lid 1 en van artikel 170 lid 3 van Boek 6 ten nadele van de werknemer is slechts mogelijk bij schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de werknemer te dier zake verzekerd is. Afdeling 9 Einde van de arbeidsovereenkomst § 1. Algemeen

  2621. Artikel 667 1. Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald. 2. Voorafgaande opzegging is in dat geval alleen nodig: a. indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement is bedongen; b. indien volgens wettelijk voorschrift of volgens gebruik, ook bij vooraf bepaalde duur opzegging behoort plaats te hebben, en partijen daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement zijn afgeweken. c. indien de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet. 2024 -940- No. 164 3. Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 1 kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen. 4. Indien een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, éénmaal of meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, is in afwijking van lid 1 voor de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande opzegging nodig. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 5. Van een voortgezette arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 4 is eveneens sprake indien eenzelfde werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkanders opvolger te zijn. § 2. Omzetting arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd Begripsbepalingen

  2622. Artikel 667a In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Minister: de minister belast met de zorg voor arbeidsaangelegenheden; b. arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd: een arbeidsovereenkomst waarbij het moment van eindigen bij het aangaan van de overeenkomst door de afspraak is vastgesteld; c. arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd: een arbeidsovereenkomst die niet voor bepaalde tijd is aangegaan. d. het ter beschikking stellen van arbeidskrachten: het ter beschikking stellen van arbeidskrachten door een intermediair aan een inlener zoals genoemd in artikel 1 lid 1 sub e van de Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door Intermediairs (S.B. 2017 no. 42).

  2623. Artikel 667b 1. Deze paragraaf is, met uitzondering van het gestelde in artikel 667g, niet van toepassing op arbeidskrachten als bedoeld in de Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door Intermediairs. 2. Deze paragraaf is eveneens niet van toepassing op werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zoals aangehaald in artikel 1 sub i van de Wet Algemeen Pensioen 2014 (S.B 2014 no. 113). Omzetting

  2624. Artikel 667c 1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 24 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat met ingang van de dag waarop de periode van 24 maanden is overschreden, 2. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat alsdan op de dag waarop de vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd aangegaan. 3. Lid 1 en lid 2 zijn van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. 2024 -941- No. 164 4. Lid 1 is niet van toepassing op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan zes maanden tot maximaal één jaar die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane arbeidsovereenkomst voor 24 maanden of langer. 5. De termijn van opzegging wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 van de Wet Omzetting Arbeidsovereenkomst voor Bepaalde Tijd in Arbeidsovereenkomst Onbepaalde Tijd (S.B. 2018 no. 93), berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 1 en lid 2. 6. Een beding in strijd met dit artikel is nietig, tenzij het ten voordele is van de werknemer, zulks ter beoordeling van het Hoofd van de Arbeidsinspectie of de kantonrechter. Schriftelijke arbeidsovereenkomst en verklaring arbeidsovereenkomst

  2625. Artikel 667d 1. Wanneer een arbeidsovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan of gewijzigd, zijn de kosten van het geschrift en andere bijkomende kosten ten laste van de werkgever. 2. De werkgever is verplicht kosteloos een volledig, door hem ondertekend, afschrift van de aangegane of gewijzigde arbeidsovereenkomst, aan de werknemer te verstrekken. 3. De werkgever is verplicht aan de werknemer bij de betaling van zijn loon hem een bewijsstuk te verstrekken inhoudende de naam van de werkgever en de werknemer, de functie, een vermelding van het brutoloon en andere looncomponenten, toelagen, uitkeringen, inhoudingen, premies voor verzekeringen en de gehanteerde koers bij een eventuele omrekening van een in vreemde valuta vastgesteld loon. 4. Elk beding in strijd met dit artikel is nietig.

  2626. Artikel 667e 1 . De werkgever is verplicht aan de werknemer een door de werkgever ondertekende verklaring te verstrekken op het moment dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt, zoals bedoeld in artikel 667c leden 1 en 2. 2. De schriftelijke opgave genoemd in lid 1 dient de volgende gegevens te vernielden: a. naam en woonplaats van partijen; b. de plaats of plaatsen waar de arbeid wordt verricht; c. de functie van de werknemer of de aard van zijn arbeid; d. het tijdstip van indiensttreding; e. dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd geldt; f. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak; g. de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen; h. het loon en dc termijn van uitbetaling alsmede, indien het loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, de per dag of per week aan te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per stuk en de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering is gemoeid; i. de gebruikelijke arbeidsduur per dag of per week; j. de pensioenregeling; k. de ziektekostenregeling, l. indien de werknemer voor een langere termijn dan een maand werkzaam zal zijn buiten Suriname, mede de duur van die werkzaamheid, de huisvesting, de toepasselijkheid van de Surinaamse sociale verzekeringswetgeving dan wel opgave van de voor de uitvoering van die wetgeving verantwoordelijke organen, de geldsoort waarin betaling zal plaatsvinden, de vergoedingen waarop de werknemersecht heeft en de wijze waarop de terugkeer is geregeld; m. de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. 2024 -942- No. 164 3. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid 1 onder a tot en met l, eerder zijn vermeld in een schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst kan volstaan worden met de uitdrukkelijk verwijzing daarnaar. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid 1 onder f tot en met l, zijn vermeld in een toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan, kan worden volstaan met een verwijzing naar deze overeenkomst of regeling. Mededeling vacature

  2627. Artikel 667f De werkgever is gehouden om interne vacatures van functies voor onbepaalde tijd tijdig bekend te maken binnen het bedrijf of de organisatie, op zodanige wijze dat werknemers werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd daarvan tijdig en adequaat kennis kunnen nemen. Draaideurconstructie

  2628. Artikel 667g Het is de werkgever verboden een persoon afwisselend te werk te stellen als werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en aansluitend in te lenen als uitzendkracht als bedoeld in de Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door lntermediairs. Bij niet naleving van liet voorgaande, wordt de werknemer dan wel de uitzendkracht geacht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan met de betreffende werkgever, vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen de laatste arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is aangegaan. dan wel de laatste inlening als uitzendkracht heeft plaatsgevonden.

  2629. Artikel 667h 1. Een beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wegens het in het huwelijk treden van de werknemer, is nietig. 2. Een beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wegens zwangerschap of bevalling van de vrouwelijke werknemer, is nietig.

  2630. Artikel 668 1. Indien de arbeidsovereenkomst, welke niet zuiver het verrichten van losse, ongeregelde arbeid ten doel heeft, na het verstrijken van de tijd, in artikel 667 lid 1 omschreven, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde duur, doch voor telkens ten hoogste een jaar, op de vroegere voorwaarden te zijn aangegaan. 2. Hetzelfde geldt in de gevallen, waarin tijdige opzegging, welke bij een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd behoort plaats te hebben, achterwege blijft en de gevolgen voor de voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet opzettelijk zijn geregeld. 3. Hetzelfde geldt, indien in de bij artikel 667 lid 2 gestelde gevallen tijdige opzegging achterwege blijft en partijen de gevolgen daarvan niet opzettelijk hebben geregeld.

  2631. Artikel 668b 1. Indien de duur van een arbeidsovereenkomst noch bij overeenkomst of reglement, noch bij wettelijk voorschrift noch ook door het gebruik, is aangegeven, wordt zij geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan. 2024 -943- No. 164 2. Indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd of tot wederopzegging, heeft ieder der partijen het recht, die te doen eindigen door opzegging met inachtneming van de bepalingen der volgende artikelen. § 3. Opzegging

  2632. Artikel 669 Degene die de arbeidsovereenkomst opzegt, geeft de andere partij op diens verzoek schriftelijk opgave van de reden van opzegging. Bijzondere opzegverboden

  2633. Artikel 670 1. Het is de werkgever verboden de dienstbetrekking op te zeggen van werknemers, bestuursleden, shopstewards of andere algemene of bijzondere vertegenwoordigers van een vakvereniging, federatie van vakverenigingen of andere vertegenwoordigers van de werknemers die representatief geacht kunnen worden voor de werknemers of voor een bepaalde categorie daarvan in een onderneming, indien de opzegging geschiedt op grond van: a. de specifieke hoedanigheid van werknemersvertegenwoordigers; b. de bij sub a behorende activiteiten buiten de werktijd or met toestemming van de werkgever tijdens werktijd plaatsvinden; c. het lidmaatschap van een vakvereniging of hun deelneming aan activiteiten van de vakvereniging of federatie van vakverenigingen, voor zover deze activiteiten plaatsvinden buiten de werktijd of met toestemming van de werkgever tijdens werktijd en voor zover deze handelingen rechtstreeks met de arbeidsverhoudingen of verenigingsrechten in verband staan en zij daarbij hebben gehandeld in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, collectieve arbeidsovereenkomsten of andere van kracht zijnde overeenkomsten. 2. Het is de werkgever verboden dienstbetrekkingen als bedoeld in lid 1 op te zeggen in verband met een werkstaking, tenzij deze staking onrechtmatig is verklaard door de rechter of tenzij de werkgever anderszins daartoe volgens wettelijke voorschriften bevoegd is. 3. Het is de werkgever verboden de dienstbetrekking op te zeggen gedurende de tijd dat de werknemer verhinderd is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of ongeval, tenzij de arbeidsongeschiktheid: a. tenminste 6 weken heeft geduurd met overlegging van een verklaring van een arts; b. een aanvang heeft genomen nadat een aanvraag van een ontslagvergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontslagwet 2018 (S.B. 2018 no. 94) is ontvangen. 4. Het is de werkgever verboden de dienstbetrekking met een vrouwelijke werknemer op te zeggen: a. gedurende de zwangerschap en wegens haar bevalling, tenzij er redenen zijn die niet zijn gelegen in de verlening van bevallings- of moederschapsverlof. De werkgever kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen. b. gedurende de periode waarin zij bevallingsverlof geniet en na werkhervatting aansluitend op dat bevallingsverlof, dan wel aansluitend op een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap en die aansluit op dat bevallingsverlof. 5, Het is de werkgever verboden de dienstbetrekking met een werknemer op te zeggen gedurende de tijd dat de werknemer verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten ten gevolge van de vervulling van een plicht opgelegd door wettelijke regelingen of door de overheid, tegen geldelijke vergoeding, opgelegde tijdelijke verplichting in het belang van de veiligheid of van de openbare orde en rust; het verbod geldt ook ten aanzien van de minderjarige werknemer, indien de arbeidsovereenkomst op het ogenblik waarop de verhindering aanvangt ten minste vier maanden heeft geduurd. 2024 -944- No. 164 6. Het is de werkgever voorts verboden de dienstbetrekking op te zeggen op grond van: a. het indienen van een klacht of participatie in procedures tegen de werkgever vanwege vermeende inbreuk op wetten; b. het benaderen van overheidsdiensten, onder meer belast met de arbeidsinspectie; c. ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, religie, politieke opinie, nationale of sociale afkomst, de gezondheidsstatus waaronder chronische aandoeningen, de burgerlijke staat en leeftijd, behoudens wettelijke of cao-regelingen met betrekking tot pensioen; d. het zich onttrekken door de werknemer aan een werksituatie die een serieuze bedreiging vormt voor het leven of de gezondheid op grond van veiligheidsvoorschriften en andere duidelijk aantoonbare onveilige situaties. In dit geval wordt door de werknemer daarvan terstond melding gemaakt bij de werkgever en bij de vakvereniging of bij gebreke daarvan bij de Arbeidsinspectie.

  2634. Artikel 670a

  2635. Artikel 670 lid 3 is niet van toepassing, indien de werknemer die in verband niet ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, zonder deugdelijke grond weigert: a. gevolg te geven aan door de werkgever of een door hein aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen arbeid te verrichten; b. passende arbeid te verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt op grond van de redelijkheid en billijkheid in afstemming met het Hoofd van de Arbeidsinspectie.

  2636. Artikel 670b 1. De werkgever zegt de dienstbetrekking niet op wegens redenen die gelegen zijn aan de werknemer, dan nadat aan deze de mogelijkheid is geboden om zich vooraf mondeling of schriftelijk te verweren binnen minimaal drie werkdagen. Deze verplichting geldt niet voor de beëindiging op staande voet wegens dringende reden. 2. Een werknemer heeft het recht om zich door derden te laten bijstaan indien hij door de werkgever is verzocht om zich te verweren tegen aangevoerde gronden die kunnen leiden tot opzegging van de dienstbetrekking.

  2637. Artikel 670c Een werkgever verliest zijn recht tot opzegging van dc dienstbetrekking vanwege redenen die gelegen zijn aan de werknemer, als hij verzuimt zulks te doen binnen een redelijk termijn nadat hij kennis droeg van die redenen, zulks ter beoordeling van de Ontslagcommissie dan wel kantonrechter.

  2638. Artikel 672 1. De opzegging mag alleen geschieden tegen de dag of tegen een der dagen, bij overeenkomst of reglement bepaald of, bij gebreke van die, tegen een van die dagen, welke door het gebruik daarvoor zijn aangewezen; bij gebreke van dergelijke aanwijzing mag de opzegging tegen elke dag geschieden. 2. De termijn van opzegging bedraagt voor de werkgever: a. indien de arbeidsovereenkomst ten hoogste tien jaar heeft geduurd, zoveel weken als de arbeidsovereenkomst gehele jaren heeft geduurd; b. indien de arbeidsovereenkomst langer dan tien, doch ten hoogste vijftien jaar heeft geduurd, vier maanden; c. indien de arbeidsovereenkomst langer dan vijftien jaar heeft geduurd, zes maanden. 2024 -945- No. 164 3. De termijn van opzegging bedraagt voor de werknemer: a. indien de arbeidsovereenkomst ten hoogste tien jaar heeft geduurd, zoveel weken als de arbeidsovereenkomst tijdvakken van twee gehele jaren heeft geduurd; b. indien de arbeidsovereenkomst langer dan tien jaar, doch ten hoogste vijftien jaar heeft geduurd, twee maanden; c. indien de arbeidsovereenkomst langer dan vijftien jaar heeft geduurd, drie maanden. 4. Indien de ontslagvergunning, bedoeld in artikel 2 van de Ontslagwet 2018 S.B. 2018 no. 94), is verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met de termijn waarbinnen de ontslagvergunning is verleend of geacht wordt te zijn verleend, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt. 5. De termijn, bedoeld in lid 2, kan slechts worden verkort bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan. De termijn kan schriftelijk worden verlengd. 6. Van de termijn, bedoeld in lid 3, kan schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer. 7. Van lid 4 kan, voor zover het betreft de resterende termijn van opzegging van één maand, slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer. 8. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd overheidsorgaan, mag de termijn van opzegging, bedoeld in lid 6, tweede volzin, voor de werkgever worden verkort, mits de termijn niet korter is dan die voor de werknemer. 9. Voor de toepassing van lid 2 worden arbeidsovereenkomsten geacht eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst te vormen in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 682.

  2639. Artikel 674 1. De arbeidsovereenkomst eindigt door de dood van de werknemer. 2. Niettemin is de werkgever verplicht aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende der echtgenoten van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste volzin is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede volzin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. 4. De overlijdensuitkering, bedoeld in lid 2, kan worden verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheids-verzekering. 5. Lid 2 geldt niet indien de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel 629 lid 2 geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629 lid 1 of indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering. 6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de nagelaten betrekkingen worden afgeweken. 2024 -946- No. 164

  2640. Artikel 675 De arbeidsovereenkomst eindigt niet door de dood van de werkgever, tenzij uit de overeenkomst het tegendeel voortvloeit. Echter zijn zowel de erfgenamen van de werkgever als de werknemer bevoegd de arbeidsovereenkomst, voor een bepaalde tijd aangegaan, op te zeggen met inachtneming van de artikelen 670 en 672, als ware zij aangegaan voor onbepaalde tijd.

  2641. Artikel 676 1. Indien een proeftijd is bedongen, is ieder der partijen, zolang die tijd niet is verstreken, bevoegd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. 2. Bij een zodanige opzegging zijn de artikelen 681 en 682 niet van toepassing.

  2642. Artikel 677 1. Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij. De partij die opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige mededeling van de dringende reden is schadeplichtig. 2. De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is schadeplichtig. 3. Eveneens is schadeplichtig de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, indien de wederpartij van die bevoegdheid heeft gebruik gemaakt of de rechter op die grond krachtens artikel 685 de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden. 4. Ingeval een der partijen schadeplichtig is, heeft de wederpartij de keus aanspraak te maken op de in artikel 680 genoemde gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding. 5. Het niet in acht nemen van artikel 670 leden 1 tot en met 5 maakt de werkgever niet schadeplichtig. De werknemer kan in die gevallen gedurende twee maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst een beroep doen op de vernietigingsgrond. Het beroep op de vernietigingsgrond geschiedt door kennisgeving aan de werkgever. Artikel 55 van Boek 3 is niet van toepassing.

  2643. Artikel 678 1. Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van artikel 677 lid 1 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig kunnen worden geacht: a. wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd; b. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden; c. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap, misbruik van verdovende of stimulerende middelen of ander liederlijk gedrag; d. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt; e. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt; f. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden; g. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt; 2024 -947- No. 164 h. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt; i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt; j. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt; k. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt; l. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te verrichten. 3. Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.

  2644. Artikel 679 1. Voor de werknemer worden als dringende redenen in de zin van artikel 677 lid 1 beschouwd zodanige omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van de werknemer redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden: a. wanneer de werkgever de werknemer, diens familieleden of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt dat dergelijke handelingen door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd; b. wanneer hij de werknemer, diens familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden, of gedoogt dat een dergelijke verleiding of poging tot verleiding door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd; c. wanneer hij het loon niet op de daarvoor bepaalde tijd voldoet; d. wanneer hij, waar kost en inwoning overeengekomen zijn, niet op behoorlijke wijze daarin voorziet; e. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft; f. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in behoorlijke mate verschaft; g. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt; h. wanneer hij, zonder dat de aard van de arbeidsovereenkomst dit medebrengt, de werknemer niettegenstaande diens weigering gelast arbeid in het bedrijf van een andere werkgever te verrichten; i. wanneer de voortduring van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer zou zijn verbonden met ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam, die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst; j. wanneer de werknemer door ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten. 3. Bedingen waarbij aan de werknemer de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.

  2645. Artikel 680 1. De gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid 4, is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. 2. Is het loon van de werknemer, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet naar tijdruimte vastgesteld, dan geldt de maatstaf van artikel 618. 2024 -948- No. 164 3. Elk beding waarbij ten behoeve van de werknemer een gefixeerde schadevergoeding tot een lager bedrag wordt bedongen, is nietig. 4. Bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement mag een gefixeerde schadevergoeding tot een hoger bedrag worden vastgesteld. 5. De rechter is bevoegd de gefixeerde schadevergoeding, zo deze hem met het oog op de omstandigheden van het geval bovenmatig voorkomt, op een kleinere som te bepalen, doch niet op minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de opzeggingstermijn ingevolge artikel 672, noch op minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. 6. Indien de door de werknemer verschuldigde gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld vastgestelde loon voor een maand of de door de werkgever verschuldigde gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld vastgesteld loon voor drie maanden, kan de rechter toestaan dat de schadevergoeding op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald. 7. Over het bedrag van de verschuldigde gefixeerde schadevergoeding is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen van de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

  2646. Artikel 680a De rechter is bevoegd een verzoek tot vordering tot doorbetaling van loon te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, doch op niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de opzegtermijn ingevolge artikel 672 noch op minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden.

  2647. Artikel 681 1. Indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, kan de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding naar billijkheid toekennen. 2. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden: a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden; b. wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging; c. wanneer deze geschiedt in verband met een verhindering van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 670 lid 3; d. wanneer deze geschiedt in afwijking van een in de bedrijfstak of de onderneming krachtens wettige regeling of gebruik geldende getalsverhouding- of anciënniteitregeling, tenzij hiervoor zwaarwichtige gronden aanwezig zijn. 3. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zal onder andere kennelijk onredelijk kunnen worden geacht: a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden; b. wanneer de gevolgen van de opzegging voor de werkgever te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werknemer bij de opzegging. 4. Een beding waarbij aan een van de partijen de beslissing wordt overgelaten of de arbeidsovereenkomst al of niet kennelijk onredelijk is opgezegd, is nietig. 2024 -949- No. 164

  2648. Artikel 682 1. De rechter kan de werkgever die schadeplichtig is geworden volgens artikel 677 of die de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk opzegt, ook veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen. 2. Indien de rechter een zodanige veroordeling uitspreekt, kan hij bepalen voor of op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld en kan hij voorzieningen treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking. 3. De rechter kan in de uitspraak, houdende de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, bepalen dat de verplichting tot herstel vervalt door betaling van een in de uitspraak vastgestelde afkoopsom. Is in de uitspraak geen afkoopsom vastgesteld, dan zal de rechter deze op verzoek van de werkgever alsnog vaststellen. Een zodanig verzoek schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak, voor zover het betreft de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat de werkgever in ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen. 4. De rechter stelt de hoogte van de afkoopsom met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald. 5. Indien een afkoopsom wegens het niet naleven van een verplichting om een arbeidsovereenkomst te herstellen op andere wijze is vastgesteld, kan de rechter het bedrag van de verschuldigde afkoopsom op verzoek van de meest gerede partij wijzigen in zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen en kan hij toelaten dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.

  2649. Artikel 683 1. Iedere rechtsvordering krachtens artikel 677 lid 4, artikel 681 lid 1 en artikel 682 lid 1 verjaart na verloop van zes maanden. 2. Iedere rechtsvordering van de werknemer in verband met de vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 677 lid 5 verjaart na verloop van zes maanden.

  2650. Artikel 684 1. Indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor langer dan vijf jaar of voor de duur van het leven van een bepaalde persoon, is niettemin de werknemer bevoegd, van het tijdstip waarop vijf jaar sedert haar aanvang zijn verlopen, haar op te zeggen met inachtneming van een termijn van zes maanden. 2. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

  2651. Artikel 685 1. Ieder der partijen is te allen tijde, ook voordat de arbeid is aangevangen, bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Elk beding waarbij deze bevoegdheid wordt uitgesloten of beperkt, is nietig. De rechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648 en 670 of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. 2. Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 677 lid 1 zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn, alsook veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. 3. Het verzoek wordt gedaan aan de ingevolge Boek 1, titel 10, afdeling 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantonrechter. 2024 -950- No. 164 4. Het verzoekschrift vermeldt de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, alsmede de naam en de woonplaats of bij gebreke van een woonplaats in Suriname het werkelijk verblijf van de wederpartij. 5. De rechter kan, indien het verzoek verknocht is aan een zaak die tussen dezelfde personen reeds voor een andere rechter aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. De griffier zendt een afschrift van de beschikking, alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het geding ter verdere behandeling aan de rechter naar wie is verwezen. 6. De behandeling vangt niet later aan dan in de vijfde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend. 7. Indien de rechter het verzoek inwilligt, bepaalt hij op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. 8. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden kan hij, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen; hij kan toestaan dat de vergoeding op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald. 9. Alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten. 10. Lid 9 is van overeenkomstige toepassing indien de rechter voornemens is een ontbinding uit te spreken zonder daaraan een door de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.

  2652. Artikel 686 De bepalingen van deze afdeling sluiten voor geen van beide partijen de mogelijkheid uit van ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en van schadevergoeding. De ontbinding kan slechts door de rechter worden uitgesproken. Afdeling 10 Bijzondere bepalingen voor handelsvertegenwoordigers

  2653. Artikel 687 De overeenkomst van handelsvertegenwoordiging is een arbeidsovereenkomst waarbij de ene partij, de handelsvertegenwoordiger, zich tegenover de andere partij, de patroon, verbindt tegen loon dat geheel of gedeeltelijk uit provisie bestaat, bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen en deze eventueel in naam van de patroon te sluiten.

  2654. Artikel 688 1. Op de overeenkomst van handelsvertegenwoordiging zijn de artikelen 426 en 429, artikel 430 leden 2 tot en met 4 en de artikelen 431 tot en met 434 van overeenkomstige toepassing. 2. Van artikel 426 lid 2, artikel 429, artikel 430 leden 2 tot en met 4, artikel 431 lid 2 en artikel 433 kan niet worden afgeweken. 3. Van artikel 432 lid 3 en artikel 434 kan niet ten nadele van de handelsvertegenwoordiger worden afgeweken. 4. Van artikel 426 lid 1 en artikel 431 lid 1 kan slechts schriftelijk ten nadele van de handelsvertegenwoordiger worden afgeweken.

  2655. Artikel 689 In afwijking van artikel 680 lid 2 wordt voor de vaststelling van de gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid 4, rekening gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren. 2024 -951- No. 164 Afdeling 11 Uitzendovereenkomst

  2656. Artikel 690 De Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door Intermediairs (S.B. 2017 no. 42) is van toepassing. Titel 12 Aanneming van werk Afdeling 1 Aanneming van werk in het algemeen

  2657. Artikel 750 1. Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld. 2. Bestaat de tegenprestatie niet of niet geheel in geld, dan vindt deze titel toepassing, voor zover de aard van de tegenprestatie zich daartegen niet verzet.

  2658. Artikel 751 De aannemer is bevoegd het werk onder zijn leiding door anderen te doen uitvoeren, en ten aanzien van onderdelen ook de leiding aan anderen over te laten, zulks onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de deugdelijke nakoming van de overeenkomst.

  2659. Artikel 752 1. Indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, is de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd. Bij de bepaling van de prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. 2. Indien een richtprijs was bepaald, zal deze richtprijs met niet meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd, om hem de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen. De aannemer zal binnen de grenzen van het redelijke aan zulke beperking of vereenvoudiging moeten meewerken. 3. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op aannemingen van werk waarbij de prijs afhankelijk is gesteld van de bij de overeenkomst geschatte tijdsduur voor de uitvoering van het werk.

  2660. Artikel 753 1. Indien na het sluiten van de overeenkomst kostenverhogende omstandigheden ontstaan of aan het licht komen zonder dat zulks aan de aannemer kan worden toegerekend, zal de rechter op vordering van de aannemer de overeengekomen prijs geheel of gedeeltelijk aan de kostenverhoging kunnen aanpassen, mits de aannemer bij het bepalen van de prijs geen rekening heeft behoeven te houden met de kans op zulke omstandigheden. 2. De aannemer mag de prijs zonder tussenkomst van de rechter aanpassen, indien de kostenverhoging het gevolg is van door de opdrachtgever verschafte onjuiste gegevens welke voor de prijsbepaling van belang zijn, tenzij de aannemer de onjuistheid der gegevens vóór het vaststellen van de prijs had behoren te ontdekken. 2024 -952- No. 164 3. Het in de leden 1 en 2 bepaalde geldt slechts indien de aannemer de opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van een prijsverhoging heeft gewaarschuwd, opdat deze tijdig hetzij gebruik kan maken van het hem in artikel 764 toegekende recht, hetzij een voorstel kan doen tot beperking of vereenvoudiging van het werk.

  2661. Artikel 754 De aannemer is bij het aangaan of het uitvoeren van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt in geval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.

  2662. Artikel 755 In geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken.

  2663. Artikel 756 1. Indien reeds vóór de vastgestelde tijd van oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd, kan de rechter de overeenkomst op vordering van de opdrachtgever geheel of gedeeltelijk ontbinden. 2. Indien reeds vóór de oplevering waarschijnlijk wordt dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal voldoen, of dat de aannemer de overeenkomst niet zal kunnen uitvoeren ten gevolge van een omstandigheid die hem niet kan worden toegerekend, kan de rechter de overeenkomst op vordering van de aannemer geheel of gedeeltelijk ontbinden. 3. De rechter bepaalt de gevolgen van de ontbinding; hij kan de ontbinding ook doen afhangen van door hem te stellen voorwaarden.

  2664. Artikel 757 1. Wordt de uitvoering van het werk onmogelijk doordat de zaak waarop of waaraan het werk moet worden uitgevoerd, tenietgaat of verloren raakt zonder dat dit aan de aannemer kan worden toegerekend, dan is de aannemer gerechtigd tot een evenredig deel van de vastgestelde prijs op grondslag van de reeds verrichte arbeid en gemaakte kosten. In geval van opzet of grove schuld van de opdrachtgever is de aannemer gerechtigd tot een bedrag berekend overeenkomstig artikel 764 lid 2. 2. Bevond de zaak zich echter in het geval, bedoeld in lid 1, onder de aannemer, dan is de opdrachtgever tot geen enkele vergoeding gehouden, tenzij het tenietgaan of verloren raken aan zijn schuld was te wijten, in welk geval lid 1 onverminderd toepassing vindt.

  2665. Artikel 758 1. Indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd. 2024 -953- No. 164 2. Na oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever. Derhalve blijft hij de prijs verschuldigd, ongeacht tenietgaan of achteruitgang van het werk door een oorzaak die niet aan de aannemer kan worden toegerekend. 3. De aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.

  2666. Artikel 759 1. Indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd, aan de aannemer de gelegenheid geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen, onverminderd de aansprakelijkheid van de aannemer voor schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering. 2. De opdrachtgever kan vorderen dat de aannemer de gebreken binnen redelijke termijn wegneemt, tenzij de kosten van herstel in geen verhouding zouden staan tot het belang van de opdrachtgever bij herstel in plaats van schadevergoeding.

  2667. Artikel 760 1. De gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk, die te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van door de aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen, komen voor rekening van de aannemer. 2. Is de ondeugdelijke uitvoering echter te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop hij een werk laat uitvoeren, dan komen de gevolgen voor zijn rekening, voor zover de aannemer niet zijn in artikel 754 bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met betrekking tot deze gebreken in deskundigheid of zorgvuldigheid tekort is geschoten. 3. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing in geval van fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.

  2668. Artikel 761 1. Elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaar nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het gebrek zal kunnen wegnemen, begint de verjaring pas te lopen bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de aannemer te kennen heeft gegeven het gebrek niet te zullen herstellen. 2. De rechtsvordering verjaart in ieder geval door verloop van twintig jaar na de oplevering in geval van aanneming van bouwwerken en door verloop van tien jaar na de oplevering in alle andere gevallen. 3. Indien de rechtsvordering krachtens de leden 1 of 2 zou verjaren tussen het tijdstip waarop de aannemer aan de opdrachtgever heeft medegedeeld dat hij het gebrek zal onderzoeken of herstellen, en het tijdstip waarop hij het onderzoek en de pogingen tot herstel kennelijk als beëindigd beschouwt, wordt de verjaringstermijn verlengd overeenkomstig artikel 320 van Boek 3. 4. De leden 1 tot en met 3 laten onverlet de bevoegdheid van de opdrachtgever om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering daarvan door gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst of op schadevergoeding tegen te werpen.

  2669. Artikel 762 De aansprakelijkheid van de aannemer voor hem bekende verborgen gebreken die hij heeft verzwegen, kan niet worden uitgesloten of beperkt, noch kan zij aan kortere verjaringstermijnen worden onderworpen dan die voorzien in artikel 761. Verzwijging door degenen die de aannemer met de leiding over de uitvoering van het werk heeft belast, wordt gelijkgesteld met verzwijging door de aannemer. 2024 -954- No. 164

  2670. Artikel 763 Indien de aannemer na het sluiten van de overeenkomst overlijdt of duurzaam arbeidsongeschikt wordt, kan ieder der partijen de overeenkomst beëindigen, voor zover zij, gezien de aard van de overeenkomst, aan het overlijden of de duurzame arbeidsongeschiktheid een redelijk belang bij beëindiging kan ontlenen. Voor de reeds verrichte arbeid en gemaakte kosten is de opdrachtgever een naar redelijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden te bepalen vergoeding verschuldigd.

  2671. Artikel 764 1. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. 2. In geval van zulke opzegging zal hij de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. Indien de prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken kosten, wordt de door de opdrachtgever verschuldigde prijs berekend op grondslag van de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die de aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt. Afdeling 2 Bijzondere bepalingen voor de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf

  2672. Artikel 765 Deze afdeling is van toepassing op aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

  2673. Artikel 766 1. Een overeenkomst als bedoeld in artikel 765 wordt schriftelijk aangegaan. Zolang aan dit vereiste niet is voldaan en nog geen oplevering heeft plaatsgevonden, is de overeenkomst vernietigbaar zowel in het belang van de opdrachtgever als van de aannemer. 2. De tussen partijen opgemaakte akte of een afschrift daarvan moet aan de opdrachtgever ter hand worden gesteld, desverlangd tegen afgifte aan de aannemer van een gedateerd ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de opdrachtgever het recht de overeenkomst te ontbinden. Komt, nadat de opdrachtgever van dit recht gebruik gemaakt heeft, binnen zes maanden tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde te bouwen woning opnieuw een overeenkomst tot stand, dan ontstaat het recht niet opnieuw. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst strekt tot de bouw van een woning op grond die de opdrachtgever reeds toebehoort, en de overeenkomst niet met de koop van deze grond in verband staat.

  2674. Artikel 767 De opdrachtgever kan slechts worden verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw of met de waarde van de aan hem overgedragen goederen, behoudens dat kan worden bedongen dat hij ter verzekering van de nakoming van zijn verplichtingen een bedrag dat niet hoger is dan 10% van de aanneemsom, in depot stort bij een in Suriname gevestigde notaris of advocaat dan wel voor dit bedrag vervangende zekerheid stelt. Het teveel betaalde geldt als onverschuldigd betaald. 2024 -955- No. 164

  2675. Artikel 769 Van deze afdeling kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken. Titel 13 Personenvennootschap Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2676. Artikel 800 1. Vennootschap is de overeenkomst tot samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen, de vennoten, welke samenwerking is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten door middel van inbreng door ieder van de vennoten. 2. De vennoten moeten zich tegenover elkaar gedragen zoals een goed vennoot betaamt. 3. Tussen de vennootschap en een vennoot kan geen arbeidsovereenkomst bestaan.

  2677. Artikel 801 1. De openbare vennootschap is de vennootschap tot het uitoefenen van een beroep of bedrijf dan wel tot het verrichten van beroeps- of bedrijfshandelingen, die op een voor derden duidelijk kenbare wijze naar buiten optreedt onder een door haar als zodanig gevoerde naam. 2. De stille vennootschap is de vennootschap die niet een openbare vennootschap is.

  2678. Artikel 803 1. Indien de overeenkomst van vennootschap nietig is en ten name van deze niet bestaande vennootschap een vermogen is gevormd, benoemt de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een of meer vereffenaars. Artikel 26 van Boek 2 is van overeenkomstige toepassing. Het vermogen wordt zo veel mogelijk vereffend en verdeeld overeenkomstig artikel 830. Degenen die zijn opgetreden als besturende vennoten of als ten behoeve van het vermogen handelende personen, zijn hoofdelijk verbonden voor de tot dit vermogen behorende schulden overeenkomstig artikel 2 lid 4 van Boek 2. 2. Indien alsnog een geldige overeenkomst van vennootschap is aangegaan ter opvolging in het vermogen, kan de kantonrechter desverzocht toestaan dat dit niet overeenkomstig artikel 830 zoveel mogelijk wordt vereffend en verdeeld, doch dat het in die vennootschap wordt ingebracht.

  2679. Artikel 804 In wettelijke bepalingen buiten deze titel wordt met vennootschappen gedoeld of mede gedoeld op vennootschappen in de zin van artikel 800, voor zover niet anders blijkt. Afdeling 2 De inbreng

  2680. Artikel 805 1. De inbreng waartoe iedere vennoot is gehouden, bestaat uit het ten behoeve van de samenwerking leveren van een prestatie, in het bijzonder uit het ter beschikking stellen van geld, goederen, genot van goederen of arbeid. 2024 -956- No. 164 2. De inbreng van geld, goederen of genot van goederen verplicht tot inbreng in de vennootschappelijke gemeenschap. Op een zodanige inbreng van een goed zijn de bepalingen omtrent koop, op een zodanige inbreng van genot van een goed de algemene bepalingen omtrent huur van overeenkomstige toepassing, een en ander voor zover de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. 3. Iedere vennoot kan ten behoeve van de vennootschap de naleving van de verplichting tot inbreng vorderen. 4. Van dit artikel kan niet worden afgeweken.

  2681. Artikel 806 1. Een vennoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een bepaald tot de vennootschappelijke gemeenschap behorend goed noch, behoudens in geval van overdracht van zijn aandeel bij zijn opvolging als vennoot of in geval van overdracht van een aandeel aan een toetredende vennoot, over zijn aandeel in die gemeenschap. Zijn schuldeisers kunnen een aandeel als in de eerste volzin bedoeld niet uitwinnen. Verdeling van die gemeenschap kan niet worden gevorderd. 2. Tot de vennootschappelijke gemeenschap behorende schulden kunnen op de goederen van die gemeenschap worden verhaald, ook al zijn na het ontstaan van die schulden vennoten uitgetreden, toegetreden of opgevolgd.

  2682. Artikel 808 Slechts de economische deelgerechtigdheid van een vennoot in het vermogen van de vennootschap valt in een gemeenschap van goederen waarin hij is gehuwd. Afdeling 3 De besturende vennoten en de gebondenheid tegenover derden

  2683. Artikel 809 1. Iedere vennoot is besturend vennoot. 2. Indien het bestuur uitsluitend wordt opgedragen aan een of meer derden, hebben deze dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als die welke ingevolge deze titel voor besturende vennoten gelden. 3. Een besturend vennoot is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. 4. Een besturend vennoot is ten minste éénmaal per jaar rekening en verantwoording verschuldigd aan zijn medevennoten.

  2684. Artikel 810 Een besturend vennoot is bevoegd voor rekening van de vennootschap alle rechtshandelingen te verrichten die gelet op het doel van de vennootschap tot haar normale werkzaamheden behoren. Voor het verrichten van andere rechtshandelingen voor rekening van de vennootschap behoeft hij de instemming van de andere vennoten.

  2685. Artikel 811 1. Ten aanzien van handelingen die dienstig kunnen zijn tot verwezenlijking van het doel van een openbare vennootschap, is iedere besturend vennoot van die vennootschap bevoegd haar zonder beperking te vertegenwoordigen. Met betrekking tot deze bevoegdheid kan uitsluitend bij de overeenkomst van vennootschap anders worden bepaald. 2024 -957- No. 164 2. Zolang de opgave ter inschrijving van de openbare vennootschap in het handelsregister niet overeenkomstig de eisen van het Handelsregisterbesluit is geschied, geldt zij ten aanzien van een derde als algemeen voor alle zaken, als aangegaan voor onbepaalde tijd, en als geen der vennoten uitsluitend van of beperkend in zijn bevoegdheid om rechtshandelingen in naam van de vennootschap te verrichten, tenzij wat dit laatste betreft de derde van een in de overeenkomst van vennootschap voorziene uitsluiting of beperking niet onkundig was.

  2686. Artikel 812 Een besturend vennoot van een stille vennootschap kan slechts in haar naam handelen, wanneer hij hiertoe van de andere vennoten volmacht heeft.

  2687. Artikel 813 1. De vennoten van een openbare vennootschap zijn hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. 2. Indien een openbare vennootschap een opdracht heeft ontvangen, is ieder van de vennoten voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. 3. De vennoten van een stille vennootschap zijn voor de verbintenissen van de vennootschap die een deelbare prestatie betreffen, ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij in de overeenkomst met de derde is bepaald dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. Afdeling 4 Het voeren van administratie en winst en verlies

  2688. Artikel 814 1. De besturende vennoten zijn verplicht van de vermogenstoestand van de vennootschap en van alles betreffende haar werkzaamheden, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daarbij behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde haar verplichtingen en rechten kunnen worden gekend. 2. Ieder der vennoten is bevoegd de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in te zien. Deze bevoegdheid kan niet bij overeenkomst aan een vennoot worden onthouden, tenzij daarin tevens wordt bepaald dat hij inzage kan doen nemen door een door hem aan te wijzen accountant als bedoeld in artikel 121 lid 6 van Boek 2. 3. Ten minste éénmaal per jaar worden door de besturende vennoten binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens een in de overeenkomst voorziene verlenging van deze termijn met ten hoogste zes maanden, de balans en de staat van baten en lasten opgemaakt. Het boekjaar is het kalenderjaar, tenzij in de overeenkomst een ander boekjaar is aangewezen. 4. De balans en de staat van baten en lasten moeten binnen een redelijke termijn na het opmaken daarvan worden vastgesteld door alle vennoten tezamen, of, doch uitsluitend indien zulks bij de overeenkomst van vennootschap is bepaald, bij een besluit van vennoten mits alle vennoten aan de beraadslaging hierover kunnen deelnemen, of door een of meer derden. 5. De besturende vennoten zijn verplicht de in de leden 1, 3 en 4 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende tien jaar te bewaren. 6. Artikel 15 lid 4 van Boek 2 is van toepassing. 2024 -958- No. 164

  2689. Artikel 815 1. Iedere vennoot deelt voor een gelijk deel in de winst en in het verlies ongeacht de waarde van ieders inbreng in de vennootschap. Hiervan kan slechts bij de overeenkomst van vennootschap worden afgeweken. 2. De vaststelling van ieders deel geschiedt door alle vennoten tezamen, of, doch uitsluitend indien zulks bij de overeenkomst van vennootschap is bepaald, bij een besluit van vennoten mits alle vennoten aan de beraadslaging hierover kunnen deelnemen of door een of meer derden. 3. Is het deel van een vennoot slechts in de winst of het verlies bepaald, dan geldt dit deel voor winst én verlies. 4. Het beding dat een vennoot niet in de winst zal delen, is nietig, niet echter het beding dat een vennoot niet of slechts tot een bepaald bedrag in het verlies zal delen. 5. Het beding dat een vennoot een bepaalde rente over of een vaste vergoeding voor zijn inbreng in de vennootschap ontvangt, is niet geoorloofd indien het de strekking heeft dat een andere vennoot stelselmatig niet in de winst zal kunnen delen.

  2690. Artikel 816 1. Iedere vennoot heeft na de vaststelling van de balans en de staat van baten en lasten recht op uitkering van zijn deel in de winst. Slechts bij of krachtens de overeenkomst van vennootschap kan anders worden bepaald. 2. Bij overeenkomst kan worden bepaald, dat iedere vennoot gehouden is zijn deel in het verlies aan te zuiveren. Afdeling 5 Ontbinding en voortzetting van de vennootschap

  2691. Artikel 817 1. De vennootschap wordt in haar geheel ontbonden: a. in de gevallen waarin zulks uit de overeenkomst van vennootschap volgt; b. ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst van de vennoten; c. in het geval waarin een of meer der vennoten uittreden en niet ten minste twee vennoten overblijven, opvolgende vennoten als bedoeld in de artikelen 822 en 823 daaronder begrepen; d. door faillietverklaring van de vennootschap; e. door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt; f. door omzetting in een naamoze vennootschap als bedoeld in afdeling 7. 2. Is de vennootschap ontbonden door haar faillietverklaring, dan kan zij worden voortgezet indien het faillissement eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van een akkoord. 3. Wanneer de vennoten de vennootschap stilzwijgend voortzetten na het verstrijken van de tijd waarvoor zij is aangegaan, is de vennootschap voor onbepaalde tijd verlengd.

  2692. Artikel 818 1. De vennootschap wordt alleen ontbonden ten aanzien van de vennoot die uittreedt: a. indien het uittreden het gevolg is van een daartoe strekkende overeenkomst van de vennoten; b. indien het uittreden het gevolg is van zijn dood, zijn onbekwaam worden of zijn faillissement, of, indien hij een rechtspersoon is, door het ophouden te bestaan; c. indien het uittreden het gevolg is van het aanbreken van een in de overeenkomst van vennootschap voor uittreding aangeduid tijdstip; 2024 -959- No. 164 d. indien het uittreden het gevolg is van zijn opzegging aan de andere vennoten, tenzij in de overeenkomst van vennootschap anders is bepaald, of van opzegging aan hem door één of meer andere vennoten, mits zulks in de overeenkomst van vennootschap is voorzien; e. door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt. De vennootschap wordt overigens ten aanzien van een vennoot niet ontbonden door het in vervulling gaan van een in de overeenkomst van vennootschap opgenomen ontbindende voorwaarde. 2. Indien in de overeenkomst van vennootschap is bepaald dat in de gevallen, bedoeld in lid 1 onder b, c en d de vennootschap slechts wordt voortgezet indien de overblijvende vennoten hiermee instemmen, kan die instemming slechts met bekwame spoed worden gegeven. 3. In de overeenkomst van vennootschap kan worden bepaald dat het onbekwaam worden van een vennoot slechts tot gevolg heeft dat hij ophoudt besturend vennoot te zijn. 4. Van dit artikel kan slechts worden afgeweken voor zover het uit dit artikel zelf blijkt.

  2693. Artikel 819 Een opzegging is vernietigbaar, indien zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid is geschied.

  2694. Artikel 820 1. De kantonrechter kan op vordering van ieder der vennoten de vennootschap in haar geheel of ten aanzien van een of meer vennoten ontbinden wegens gewichtige redenen of op andere gronden die in de overeenkomst van vennootschap zijn voorzien. 2. Een zodanige ontbinding heeft geen terugwerkende kracht. De rechter kan de vordering toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden en een partij die in de naleving van haar verplichtingen is tekortgeschoten, met overeenkomstige toepassing van artikel 277 van Boek 6 tot schadevergoeding veroordelen. 3. Onverminderd lid 2, zijn de artikelen 265 tot en met 279 van Boek 6 op een vennootschap niet van toepassing. 4. Indien er gronden zijn tot vernietiging van de overeenkomst van vennootschap, kan de vennootschap in haar geheel of ten aanzien van een of meer vennoten slechts door de rechter worden ontbonden op verzoek van een belanghebbende. 5. Van dit artikel kan niet worden afgeweken.

  2695. Artikel 821 1. Indien een vennootschap alleen wordt ontbonden ten aanzien van een vennoot die uittreedt en de vennootschap wordt voortgezet door de overblijvende vennoten, wordt diens aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap toegedeeld aan de overblijvende vennoten. Artikel 186 lid 1 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. Op grond van een onherroepelijke volmacht, verleend door de uittredende vennoot om de levering als in dit artikel bedoeld te bewerkstelligen, is de gevolmachtigde tot het bewerkstelligen daarvan ook bevoegd tijdens het faillissement van de uittredende vennoot. 2. De vennootschap is gehouden ten behoeve van de uitgetreden vennoot, of in geval van diens overlijden ten behoeve van zijn nalatenschap, een bedrag te betalen dat gelijk is aan de waarde van zijn economische deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap zoals die nader bij of krachtens de overeenkomst van vennootschap kan zijn bepaald. In de overeenkomst kan worden bedongen dat dit bedrag in een of meer termijnen of afhankelijk van een toekomstige gebeurtenis zal worden voldaan. Is die waarde negatief, dan is de uitgetreden vennoot gehouden een bedrag gelijk aan de negatieve waarde aan de vennootschap te vergoeden. 3. De overblijvende vennoten zijn, voor zover niet anders wordt overeengekomen, gehouden de schulden van de vennootschap voor hun rekening te nemen. 4. Van dit artikel kan slechts worden afgeweken voor zover het uit dit artikel zelf blijkt. 2024 -960- No. 164

  2696. Artikel 822 Een beding in de overeenkomst van vennootschap dat in geval van de dood van een der vennoten de vennootschap voortduurt met de bij de overeenkomst aangewezen erfgenaam of erfgenamen geldt als aanvaard, wanneer deze van het beding hebben kennisgenomen en het niet met bekwame spoed na de dood van de vennoot of eerder hebben afgewezen. Bij het voortduren van de vennootschap volgen de aangewezen erfgenaam of erfgenamen de overledene als vennoot op. Artikel 823 leden 2 tot en met 4 is van toepassing, waarbij de uitkering, bedoeld in lid 4 ten goede komt aan de nalatenschap.

  2697. Artikel 823 1. Opvolging van een uit de vennootschap tredende vennoot of toetreding tot de vennootschap van een nieuwe vennoot kan alleen met medewerking van alle vennoten geschieden, tenzij anders is overeengekomen. De medewerking van de uittredende vennoot aan zijn opvolging kan ook worden verleend nadat de vennootschap ten aanzien van hem reeds is ontbonden. Is er naast de uittredende vennoot en de opvolgende vennoot slechts één andere vennoot, dan dient zowel zijn medewerking als die van de uittredende vennoot uiterlijk te worden verleend met bekwame spoed na de in de tweede volzin bedoelde ontbinding. 2. Voor de opvolgende vennoot gelden vanaf het tijdstip van de aanvaarding van de opvolging de rechten en verplichtingen die voor hem uit de overeenkomst van vennootschap voortvloeien. Vindt de opvolging eerst plaats na het tijdstip van de ontbinding ten aanzien van de uittredende vennoot, dan kunnen voor de opvolgende vennoot die zulks heeft aanvaard ook rechten en verplichtingen gelden over de periode vanaf dat tijdstip. 3. Het aandeel van de uittredende vennoot in de goederen van de vennootschappelijke gemeenschap wordt aan de opvolgende vennoot geleverd overeenkomstig artikel 96 van Boek 3. 4. Artikel 821 lid 2 is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van de vennootschap de opvolgende vennoot gehouden is tot betaling van de in de eerste volzin bedoelde vergoeding dan wel gerechtigd is tot de in de derde volzin bedoelde vergoeding. 5. Van de tweede en derde volzin van lid 1, alsmede van de leden 3 en 4 kan niet worden afgeweken.

  2698. Artikel 824 1. Een rechtsvordering tegen de uitgetreden vennoot of zijn erfgenamen tot nakoming van ten tijde van zijn uittreden bestaande verbintenissen van de openbare vennootschap verjaart op het tijdstip dat ook de rechtsvordering tegen de vennootschap verjaart en in ieder geval door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop zijn uittreden in het handelsregister is ingeschreven. Wordt zulk een verbintenis eerst opeisbaar na die inschrijving, dan begint op dat tijdstip die verjaringstermijn te lopen. 2. Een vennoot die toetreedt of opvolgt, is slechts verbonden voor de verbintenissen na zijn toetreding of opvolging ontstaan. Afdeling 6 Vereffening en verdeling

  2699. Artikel 825 1. Bij een ontbonden stille vennootschap geschiedt de vereffening door de gewezen vennoten gezamenlijk, tenzij bij of krachtens overeenkomst anders is bepaald. 2. Bij een ontbonden openbare vennootschap geschiedt de vereffening door de gewezen besturende vennoten gezamenlijk, tenzij bij of krachtens overeenkomst anders is bepaald. 2024 -961- No. 164 3. De kantonrechter kan een vereffenaar met ingang van een door hem bepaalde dag ontslaan, hetzij op diens verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen op verzoek van een medevereffenaar, een gewezen vennoot of een belanghebbende, hetzij ambtshalve. In dit geval kan de rechter een andere vereffenaar benoemen. Indien vereffenaars ontbreken, benoemt de rechter een vereffenaar op verzoek van een gewezen vennoot of van een belanghebbende, of ambtshalve. Een benoeming tot vereffenaar door de rechter gaat in daags nadat de griffier de benoeming aan de vereffenaar heeft meegedeeld; de griffier doet de mededeling terstond, indien de beslissing die de benoeming inhoudt, bij voorraad uitvoerbaar is en anders, zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan. De ontslagen vereffenaar legt rekening en verantwoording af aan degenen die de vereffening voortzetten. Is de opvolger door de rechter benoemd, dan geschiedt de rekening en verantwoording ten overstaan van de rechter. De vereffenaar die door de rechter is benoemd, heeft recht op de beloning welke deze hem toekent. 4. Handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door iedere vereffenaar zonodig zelfstandig worden verricht.

  2700. Artikel 826 1. Vereffenaars zijn met inachtneming van artikel 830 bevoegd tot het verrichten van alle handelingen die ertoe strekken het vermogen van de vennootschap te vereffenen en tot verdeling of afwikkeling te brengen. Zij zijn gehouden tot een behoorlijke vervulling van hun taak. 2. Vereffenaars treden als zodanig op, waarbij zij bij een openbare vennootschap handelen onder de door deze gevoerde naam. In stukken en aankondigingen die van de openbare vennootschap uitgaan, moeten aan haar naam worden toegevoegd de woorden: in liquidatie. 3. De vereffenaar die door de rechter is benoemd, is verplicht alle de door deze gewenste inlichtingen te geven en diens aanwijzingen op te volgen. Tegen de aanwijzingen staan geen rechtsmiddelen open.

  2701. Artikel 827 1. Na ontbinding van een vennootschap blijft de vennootschappelijke gemeenschap voortbestaan totdat de vereffening is geëindigd. Een gewezen vennoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een bepaald tot die gemeenschap behorend goed noch over zijn aandeel in die gemeenschap. Zijn schuldeisers kunnen een aandeel als in de tweede volzin bedoeld niet uitwinnen. Verdeling van die gemeenschap kan niet worden gevorderd. 2. Tot de vennootschappelijke gemeenschap behorende schulden kunnen na de ontbinding van de vennootschap op de goederen van die gemeenschap worden verhaald. 3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing indien na ontbinding van de vennootschap de vennootschappelijke gemeenschap door verkrijging onder algemene titel nog slechts toekomt aan één rechthebbende.

  2702. Artikel 829 Voor verbintenissen van de vennootschap, ontstaan door het handelen van vereffenaars, geldt artikel 813.

  2703. Artikel 830 1. De vereffenaar roept de schuldeisers van de openbare vennootschap op om hun vorderingen binnen twee maanden bij hem in te dienen. De oproeping geschiedt in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een in Suriname verschijnend nieuwsblad. De hem bekende schuldeisers worden voorts per brief opgeroepen. Dit laatste geldt ook voor de hem bekende schuldeisers van een stille vennootschap. 2024 -962- No. 164 2. Voor zover het vermogen van de vennootschap niet toereikend is om de schulden van de vennootschap te voldoen, kan de vereffenaar van iedere gewezen vennoot vorderen in de liquidatiekas datgene te storten waartoe hij naar evenredigheid van zijn door hem te dragen aandeel in het verlies is gehouden. Voorts doet de vereffenaar in het in de eerste volzin bedoelde geval aangifte tot faillietverklaring, tenzij voldoende aannemelijk is dat het tekort zal worden voldaan door de gewezen vennoten of alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement. 3. Door de vereffenaar wordt hetgeen na voldoening der schuldeisers van de vennootschap is overgebleven van het vermogen van de ontbonden vennootschap, aan de gewezen vennoten door overdracht toegedeeld of uitgekeerd in verhouding tot ieders economische deelgerechtigdheid. 4. Voor zover tot het overblijvende iets anders dan geld behoort en de overeenkomst van vennootschap of een rechterlijke uitspraak geen nadere aanwijzing behelst, komen als wijzen van verdeling in aanmerking: a. toedeling van een gedeelte van het overschot aan ieder der gerechtigden; b. overbedeling aan een of meer gerechtigden tegen vergoeding van de overwaarde; c. verdeling van de netto-opbrengst na verkoop. 5. Bij de bepaling van ieders economische deelgerechtigdheid gelden, tenzij bij de overeenkomst van vennootschap anders is voorzien, de leden 8 tot en met 10. Op de deelgerechtigdheid van een gewezen vennoot wordt toegerekend hetgeen hij moet bijdragen aan de voor rekening van de vennootschap komende schulden. 6. De vereffenaar stelt ten behoeve van de gewezen vennoten een rekening en verantwoording op waaruit het overschot of tekort na voldoening van de schuldeisers van de vennootschap blijkt, en voorts op basis hiervan een plan dat de grondslagen bevat van de toedelingen of uitkeringen, en in geval van een tekort van de bijdragen van de gewezen vennoten in het tekort. 7. Voor zover de gewezen vennoten niet instemmen met de in het plan voorziene toedelingen, uitkeringen of bijdragen in het tekort, gelast de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied een van de vereffenaars woonplaats heeft, op verzoek van de vereffenaar of een gewezen vennoot op welke wijze, aan wie, door wie en in welke omvang deze dienen te geschieden. Hij kan ook een voorlopige toedeling of uitkering bevelen wanneer het saldo van het vermogen na voldoening van de schuldeisers der vennootschap daartoe aanleiding geeft. 8. De vennoten ontvangen zoveel mogelijk de waarde van hun inbreng in geld of goederen ten tijde van die inbreng. Zijn zij op de balans van de vennootschap gecrediteerd, dan geldt het gecrediteerde bedrag als waarde van de inbreng. 9. Tot het restant zijn de vennoten naar evenredigheid van hun winstaandeel gerechtigd. 10. Is hetgeen van het vermogen der vennootschap na voldoening der schuldeisers is overgebleven, minder dan de waarde van de inbreng van geld of goederen, dan wordt dit tekort door de vennoten gedragen naar evenredigheid van ieders aandeel in het verlies.

  2704. Artikel 831 1. De vereffening eindigt op het tijdstip dat de in het plan voorziene of door de kantonrechter bevolen toedelingen, uitkeringen of bijdragen in het verlies hebben plaatsgevonden. De vereffenaar doet van die beëindiging opgave in het handelsregister waarin de vennootschap is ingeschreven. 2. De vereffenaar of indien er meer vereffenaars zijn, degene die door de meerderheid van deze daartoe is aangewezen, bewaart de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden vennootschap gedurende tien jaar nadat haar vereffening is geëindigd. Ontbreekt de vereffenaar, of is deze of de aangewezen persoon niet bereid te bewaren, dan wordt een bewaarder op verzoek van een belanghebbende benoemd door de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied een van de gewezen vennoten woonplaats heeft. Rechtsmiddelen staan niet open. 3. Binnen acht dagen na het ingaan van zijn bewaarplicht moet de bewaarder zijn naam en adres opgeven aan het handelsregister waarin de vennootschap is ingeschreven. 2024 -963- No. 164 4. De in lid 2 bedoelde kantonrechter kan desverzocht machtiging geven tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers aan iedere gewezen vennoot of zijn rechtverkrijgende die aantoont bij die raadpleging een redelijk belang te hebben. 5. Indien na het eindigen van de vereffening nog van het bestaan van een bate blijkt, kan de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen.

  2705. Artikel 831a 1. Vereffening overeenkomstig deze afdeling kan achterwege blijven, indien de vennoten of de gewezen vennoten zulks schriftelijk overeenkomen en het door de vennootschap uitgeoefende beroep of bedrijf wordt voortgezet door een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die daartoe schriftelijk door hen is aangewezen en de aanwijzing schriftelijk heeft aanvaard. De vennoten of gewezen vennoten doen van deze voortzetting opgave in het handelsregister, waarin de vennootschap is ingeschreven met vermelding van de naam en het adres van degene die het beroep of bedrijf voortzet. 2. Alle goederen die behoren tot de vennootschappelijke gemeenschap moeten worden geleverd aan degene die het beroep of bedrijf voortzet. Deze levering kan geschieden door de besturende vennoten of de gewezen besturende vennoten gezamenlijk, tenzij bij of krachtens de overeenkomst anders is bepaald. Is degene die het beroep of bedrijf voortzet onherroepelijk gemachtigd om de levering te bewerkstelligen, dan is daarop artikel 821 lid 1, derde volzin, van overeenkomstige toepassing. 3. Behoort degene die het beroep of bedrijf voortzet, tot de gewezen vennoten, dan zijn de leden 2 en 3 van artikel 821 van overeenkomstige toepassing. 4. Zodra het beroep of bedrijf van de vennootschap overeenkomstig lid 1 is voortgezet, kunnen alle schulden van de vennootschap tevens worden verhaald op de goederen van degene die het beroep of bedrijf voortzet. Degene die het beroep of bedrijf voortzet, treedt bij rechtsverhoudingen die op dat moment bestonden tussen de vennootschap en derden, in de positie van de vennootschap. 5. Voor schulden van de vennootschap neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die hebben toebehoord tot de vennootschappelijke gemeenschap rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van degene die het beroep of bedrijf voortzet. 6. Een schuldeiser van de vennootschap kan de kantonrechter verzoeken een vereffenaar te benoemen wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen een redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat het vermogen van de ontbonden vennootschap niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de ontbonden vennootschap of de in lid 5 bedoelde goederen gaat verhalen. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar wordt gedaan binnen drie maanden nadat de schuldeiser van de voortzetting van het beroep of bedrijf in kennis is gesteld, doch in elk geval binnen zes maanden nadat de opgave aan het handelsregister overeenkomstig lid 1 is gedaan. Op deze vereffening, waarin ook de in lid 5 bedoelde goederen zijn betrokken, zijn de bepalingen van deze afdeling zoveel mogelijk van toepassing.

  2706. Artikel 831b De kantonrechter kan op vordering van een schuldeiser die is benadeeld doordat enig voorschrift van deze afdeling niet is nageleefd, een toedeling, uitkering of verdeling als bedoeld in artikel 830 leden 3 en 4 vernietigen, met dien verstande dat de vernietiging slechts te zijnen behoeve plaatsvindt en niet verder dan nodig is tot opheffing van de door hem ondervonden benadeling. Indien de benadeling daardoor voldoende kan worden opgeheven, kan de rechter desverlangd, in plaats van de vernietiging uit te spreken, aan een of meer van de gewezen vennoten een verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan die schuldeiser. 2024 -964- No. 164

  2707. Artikel 831c Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken voor zover het uit deze afdeling zelf blijkt. Afdeling 7 Omzetting in een naamloze vennootschap

  2708. Artikel 832 1. Een openbare vennootschap kan zich omzetten in een naamloze vennootschap. 2. Voor de omzetting is vereist een besluit tot omzetting, tot oprichting van een naamloze vennootschap, tot vaststelling van ieders aandeel in het vermogen van de vennootschap en tot vaststelling van de statuten van de nieuwe rechtspersoon. Dit besluit kan slechts worden genomen met de uitdrukkelijke instemming van alle vennoten en overigens met inachtneming van de vereisten die voortvloeien uit de overeenkomst van vennootschap, die voor ontbinding van de vennootschap daaronder begrepen. 3. De omzetting komt tot stand bij notariële akte van omzetting, die tevens fungeert als akte van oprichting en de statuten van de nieuwe rechtspersoon bevat. De akte wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht getekend door: a. alle vennoten die door de omzetting aandeelhouder worden van de nieuwe rechtspersoon; b. ten minste een van de derden aan wie overeenkomstig artikel 809 lid 2 het bestuur van de vennootschap uitsluitend is opgedragen. 4. De notaris, ten overstaan van wie de akte van omzetting wordt verleden, draagt zorg dat van de omzetting mededeling wordt gedaan in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en een in Suriname verschijnend dagblad, zulks onverminderd zijn verplichtingen uit artikel 5 lid 1 van Boek 2.

  2709. Artikel 833 1. Aan de akte van omzetting wordt een omzettingsbalans gehecht, die een eigen vermogen toont dat niet negatief is. Heeft de nieuwe rechtspersoon een nominaal kapitaal, dan mag het eigen vermogen niet lager zijn dan dat nominaal kapitaal. 2. De omzettingsbalans heeft betrekking op een tijdstip dat ten hoogste een maand voor de dag van de akte van omzetting ligt. Zij wordt door alle gewone vennoten van de om te zetten vennootschap getekend. 3. Bij de toepassing van artikel 24 van Boek 2 op de nieuwe rechtspersoon wordt naast ‘oprichtingshandeling’ ook gelezen: omzettingshandeling, en in plaats van ‘oprichtingsbalans’: omzettingsbalans.

  2710. Artikel 834 1. Door de omzetting wordt de vennootschap ontbonden. Het vermogen van de ontbonden vennootschap gaat onder algemene titel over op de nieuwe rechtspersoon. Vereffening vindt niet plaats. 2. De vennoten van de om te zetten vennootschap worden door de omzetting van rechtswege aandeelhouder van de nieuwe rechtspersoon, zulks in verhouding tot ieders aandeel in het vermogen van de om te zetten vennootschap, zoals deze verhouding in de akte van omzetting wordt vastgesteld. 3. De hoofdelijk aansprakelijke vennoten die ingevolge lid 2 aandeelhouder zijn geworden, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de nieuwe rechtspersoon die ontstaan tussen het tijdstip van de omzetting en de dag nadat zes maanden zijn verstreken, nadat de in artikel 832 lid 4 bedoelde inschrijving, deponering en publicatie alle drie hebben plaatsgevonden. Deze aansprakelijkheid vervalt zes maanden na het einde van de in de vorige volzin bedoelde periode. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. 2024 -965- No. 164 4. De omzetting brengt geen verandering in de op dat tijdstip bestaande aansprakelijkheid van de vennoten of hun erfgenamen voor verbintenissen van de vennootschap. Voor de toepassing van artikel 824 lid 1 wordt een vennoot die door de omzetting aandeelhouder is geworden, aangemerkt als een bij die omzetting uitgetreden vennoot.

  2711. Artikel 835 1. Indien ten gevolge van de omzetting een overeenkomst met de omgezette vennootschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven, wijzigt of ontbindt de kantonrechter de overeenkomst op vordering van een der partijen. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend. 2. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt door verloop van zes maanden, nadat de in artikel 832 lid 4 bedoelde inschrijving, deponering en publicatie alle drie hebben plaatsgevonden. 3. Indien uit de wijziging of ontbinding van de overeenkomst schade ontstaat voor de wederpartij, is de rechtspersoon gehouden tot vergoeding daarvan. Afdeling 8 De commanditaire vennootschap

  2712. Artikel 836 1. De commanditaire vennootschap is de als zodanig optredende openbare vennootschap welke naast een of meer gewone vennoten een of meer commanditaire vennoten heeft. 2. De commanditaire vennoot is de vennoot die niet uitsluitend arbeid inbrengt en die uitgesloten is van de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten voor rekening van de vennootschap.

  2713. Artikel 836a De commanditaire vennoot behoeft in het verlies der vennootschap niet verder te delen dan tot het bedrag van hetgeen hij heeft ingebracht of verplicht is in te brengen. Van dit artikel kan niet worden afgeweken.

  2714. Artikel 836b De besturende vennoten houden zich op de hoogte van de namen en adressen van alle commanditaire vennoten en het bedrag van hetgeen ieder van hen heeft ingebracht of verplicht is in te brengen.

  2715. Artikel 837 1. De gewone vennoten van de commanditaire vennootschap zijn hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap; de commanditaire vennoten zijn niet verbonden voor zodanige verbintenissen. Op de gewone vennoten is artikel 813 lid 2 van toepassing. Wordt een vennoot commanditair, dan is artikel 824 lid 1 van overeenkomstige toepassing. 2. Handelt een commanditaire vennoot al dan niet krachtens volmacht in naam van de vennootschap of oefent hij door zijn handelen een beslissende invloed uit op het optreden door de besturende vennoten namens de vennootschap, dan is hij tegenover derden hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen der vennootschap die ten tijde van zijn handelen of daarna zijn ontstaan, tenzij zijn handelen deze verbondenheid niet of niet ten volle rechtvaardigt. 3. Is de naam van de commanditaire vennoot in de naam van de vennootschap opgenomen, dan is de commanditaire vennoot hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen der vennootschap ontstaan terwijl de vennootschap deze naam voert. Dit geldt niet indien een vennoot wiens naam in die der vennootschap voorkomt, commanditaire vennoot wordt. 2024 -966- No. 164 Titel 14 Borgtocht Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2716. Artikel 850 1. Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen. 2. Voor de geldigheid van een borgtocht is niet vereist dat de hoofdschuldenaar deze kent. 3. Op borgtocht zijn de bepalingen omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing, voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.

  2717. Artikel 851 1. De borgtocht is afhankelijk van de verbintenis van de hoofdschuldenaar, waarvoor zij is aangegaan. 2. Borgtocht kan slechts voor toekomstige verbintenissen van de hoofdschuldenaar worden aangegaan, voor zover zij voldoende bepaalbaar zijn.

  2718. Artikel 852 1. Verweermiddelen die de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser heeft, kunnen ook door de borg worden ingeroepen, indien zij het bestaan, de inhoud of het tijdstip van nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar betreffen. 2. Indien de hoofdschuldenaar bevoegd is om ter vernietiging van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, een beroep op een vernietigingsgrond te doen en hem door de borg of door de schuldeiser een redelijke termijn is gesteld ter uitoefening van die bevoegdheid, is de borg gedurende die termijn bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten. 3. Zolang de hoofdschuldenaar bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort, is ook de borg bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten.

  2719. Artikel 853 Door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar, gaat de borgtocht teniet.

  2720. Artikel 854 Strekt de verbintenis van de hoofdschuldenaar tot iets anders dan tot betaling van een geldsom, dan geldt de borgtocht voor de vordering tot schadevergoeding in geld, verschuldigd op grond van niet-nakoming van die verbintenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen.

  2721. Artikel 855 1. De borg is niet gehouden tot nakoming voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten. 2. De schuldeiser die de hoofdschuldenaar overeenkomstig artikel 82 van Boek 6 in gebreke stelt, is verplicht hiervan tegelijkertijd de borg mededeling te doen. 2024 -967- No. 164

  2722. Artikel 856 1. De borg is slechts wettelijke rente verschuldigd over het tijdvak dat hijzelf in verzuim is, tenzij de hoofdschuldenaar in verzuim is krachtens artikel 83 onder b van Boek 6. 2. De borg is gehouden de kosten van rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar te vergoeden, indien hij tijdig door mededeling van het voornemen tot rechtsvervolging in de gelegenheid is gesteld deze kosten te voorkomen. Afdeling 2 Borgtocht, aangegaan buiten beroep of bedrijf

  2723. Artikel 857 Deze afdeling is van toepassing op borgtochten die zijn aangegaan door een natuurlijk persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een naamloze vennootschap, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen heeft.

  2724. Artikel 858 1. Indien het bedrag van de verbintenis van de hoofdschuldenaar op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht niet vaststaat, is de borgtocht slechts geldig, voor zover een in geld uitgedrukt maximumbedrag is overeengekomen. 2. Overeenkomstig artikel 856 verschuldigde rente en kosten kunnen ongeacht dit maximum worden gevorderd.

  2725. Artikel 859 1. Tegenover de borg wordt de borgtocht slechts door een door hem ondertekend geschrift bewezen. 2. De borgtocht kan door alle middelen worden bewezen, indien vaststaat dat de borg de verbintenis van de hoofdschuldenaar geheel of gedeeltelijk is nagekomen. 3. Voor het bewijs van de overeenkomst die tot het aangaan van de borgtocht verplicht, geldt dezelfde eis als gesteld in lid 1, en in het geval van lid 2 dezelfde vrijheid.

  2726. Artikel 860 De borg is niet gebonden voor zover voor zijn verbintenis meer bezwarende voorwaarden zouden gelden dan die waaronder de hoofdschuldenaar gebonden is, behoudens voor zover het betreft de wijze waarop tegenover de borg het bewijs van bestaan en omvang van de verbintenis van de hoofdschuldenaar geleverd kan worden.

  2727. Artikel 861 1. Een borgtocht die voor toekomstige verbintenissen is aangegaan, kan: a. te allen tijde worden opgezegd, indien zij niet voor een bepaalde duur geldt; b. na vijf jaar worden opgezegd, indien zij wel voor een bepaalde duur geldt. 2. Na de opzegging duurt de borgtocht voor de reeds ontstane verbintenissen voort. 3. Een borg is niet verbonden voor toekomstige verbintenissen tot vergoeding van schade, waarvoor de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser aansprakelijk is, voor zover de schuldeiser de schade had kunnen voorkomen door een toezicht als redelijkerwijs van hem gevergd kon worden. 2024 -968- No. 164 4. Een borg is evenmin verbonden voor toekomstige verbintenissen uit een rechtshandeling die de schuldeiser onverplicht heeft verricht, nadat hij bekend was geworden met omstandigheden die de mogelijkheid van verhaal op de hoofdschuldenaar aanmerkelijk hebben verminderd, zulks tenzij de borg uitdrukkelijk met de rechtshandeling heeft ingestemd of deze handeling geen uitstel kon lijden.

  2728. Artikel 862 Niet kan ten nadele van de borg worden afgeweken van: a. de artikelen 852 tot en met 856 en de artikelen 858 tot en met 861; b. de verplichtingen die de schuldeiser krachtens artikel 154 van Boek 6 jegens de borg heeft met het oog op diens mogelijke subrogatie.

  2729. Artikel 863 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waarbij iemand als bedoeld in artikel 857 zich verbindt tot een bepaalde prestatie voor het geval een derde een bepaalde verbintenis met een andere inhoud jegens de schuldeiser niet nakomt.

  2730. Artikel 864 1. Indien in opdracht en voor rekening van iemand als bedoeld in artikel 857, ter zake van de verbintenis van een ander een borgtocht of een overeenkomst als bedoeld in artikel 863, wordt aangegaan, heeft de opdrachtnemer voor hetgeen hij aan de schuldeiser heeft voldaan, geen recht op vergoeding jegens de opdrachtgever voor zover deze afdeling aan diens aansprakelijkheid als borg in de weg gestaan zou hebben. Artikel 861 is tussen opdrachtgever en opdrachtnemer van overeenkomstige toepassing. 2. Van lid 1 kan slechts worden afgeweken, indien dit geschiedt bij een door de opdrachtgever ondertekend geschrift waarin de aard van de afwijking wordt omschreven, en het een opdracht betreft aan een bank of andere instelling die haar bedrijf van het verstrekken van borgtochten maakt. Afdeling 3 De gevolgen van de borgtocht tussen de hoofdschuldenaar en de borg en tussen borgen en voor de verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren onderling

  2731. Artikel 865 Op de rechtsbetrekkingen tussen hoofdschuldenaar en borg en op die tussen borgen en voor de verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren onderling is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.

  2732. Artikel 866 1. De borg heeft voor het gehele bedrag dat hij aan hoofdsom, rente en kosten aan de schuldeiser heeft moeten voldoen, krachtens artikel 10 van Boek 6 een vordering op de hoofdschuldenaar. 2. De borg kan noch aan artikel 10 van Boek 6, noch aan artikel 12 van dat boek een vordering op de hoofdschuldenaar ontlenen voor wettelijke rente over de periode waarin hij door hem persoonlijk betreffende omstandigheden in verzuim is geweest of voor kosten die hem persoonlijk betreffen of door hem in redelijkheid niet behoefden te worden gemaakt. 3. Heeft iemand zich ter zake van dezelfde verbintenis borg gesteld voor twee of meer hoofdelijk verbonden hoofdschuldenaren, dan zijn deze in afwijking van artikel 10 lid 1 en artikel 12 lid 1 van Boek 6, jegens de borg hoofdelijk verbonden voor hetgeen deze aan hoofdsom, rente en kosten op hen kan verhalen. 4. Uit de rechtsverhouding tussen de borg en een of meer hoofdschuldenaren kan iets anders voortvloeien dan de leden 1 tot en met 3 meebrengen. 2024 -969- No. 164

  2733. Artikel 867 Indien de borg de verbintenis is nagekomen zonder de hoofdschuldenaar daarvan mededeling te doen en deze daarna zijnerzijds de schuldeiser heeft betaald, kan de hoofdschuldenaar tegenover de borg volstaan met overdracht aan deze van zijn vordering wegens onverschuldigde betaling op de schuldeiser.

  2734. Artikel 868 Een krachtens artikel 10 van Boek 6 aangesproken hoofdschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het tijdstip van het ontstaan van de verhaalsvordering jegens de schuldeiser had, ook inroepen tegen de borg; artikel 11 leden 2 en 4 van Boek 6 is van overeenkomstige toepassing.

  2735. Artikel 869 De borg te wiens laste de schuld is gedelgd, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 152 van Boek 6 het onverhaalbaar gebleken gedeelte omslaan over zich zelf, zijn medeborgen en de niet-schuldenaren die voor de verbintenis aansprakelijk waren.

  2736. Artikel 870 De achterborg die de verbintenis van de borg is nagekomen, kan ten behoeve van zich zelf het verhaal uitoefenen dat de borg, indien hij zelf de verbintenis was nagekomen, zou hebben gehad jegens de hoofdschuldenaar of jegens medeborgen of niet-schuldenaren die voor de verbintenis aansprakelijk waren. Titel 15 Vaststellingsovereenkomst

  2737. Artikel 900 1. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. 2. De vaststelling kan totstandkomen krachtens een beslissing van partijen gezamenlijk of krachtens een aan één van hen of aan een derde opgedragen beslissing. 3. Een bewijsovereenkomst staat met een vaststellingsovereenkomst gelijk voor zover zij een uitsluiting van tegenbewijs meebrengt. 4. Deze titel is niet van toepassing op de overeenkomst van arbitrage.

  2738. Artikel 901 1. De totstandkoming van de vaststelling is gebonden aan de vereisten waaraan moet worden voldaan om de met de beslissing beoogde rechtstoestand, uitgaande van die waarvan zij mogelijk afwijkt, tot stand te brengen. 2. Ieder van de partijen is jegens de andere verplicht te verrichten hetgeen van haar zijde nodig is om aan de vereisten voor de totstandkoming van de vaststelling te voldoen. 3. Voor zover aan deze vereisten kan worden voldaan door een verklaring van partijen of een hunner, wordt deze verklaring in de vaststellingsovereenkomst besloten geacht, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit. 2024 -970- No. 164

  2739. Artikel 902 Een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied is ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.

  2740. Artikel 903 Een vaststelling van hetgeen in het verleden rechtens is geweest, kan geen afbreuk doen aan inmiddels verkregen rechten van derden.

  2741. Artikel 904 1. Indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar. 2. Indien de beslissing van een partij of een derde vernietigd wordt, nietig blijkt of niet binnen een aan die partij of derde daartoe te stellen redelijke termijn wordt verkregen, kan de rechter een beslissing geven, tenzij uit de overeenkomst of de aard van de beslissing voortvloeit dat zij op andere wijze moet worden vervangen.

  2742. Artikel 905 Indien een ontbinding van een vaststellingsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming daarvan een reeds totstandgekomen, aan een partij of een derde opgedragen beslissing zou treffen, kan deze ontbinding niet door een eenzijdige verklaring geschieden en kan de rechter haar afwijzen op de grond dat degene die haar vordert, voldoende middelen heeft om van de wederpartij opheffing van of vergoeding voor de tekortkoming te verkrijgen.

  2743. Artikel 906 1. Deze titel vindt overeenkomstige toepassing, wanneer een vaststelling haar rechtsgrond elders dan in een overeenkomst vindt. 2. Artikel 904 vindt overeenkomstige toepassing wanneer aan een der partijen bij een rechtsverhouding of aan een derde de bevoegdheid is gegeven de regeling van de verhouding aan te vullen of te wijzigen. 3. Lid 2 geldt niet voor aanvulling of wijziging bij een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, indien dit besluit krachtens artikel 21 van Boek 2 bij strijd met redelijkheid en billijkheid vernietigbaar is. 4. De leden 1 en 2 gelden niet voor zover de strekking van de betrokken bepaling in verband met de aard van de rechtsverhouding zich tegen de overeenkomstige toepassing verzet. Titel 17 Verzekering Afdeling 1 Algemene bepalingen

  2744. Artikel 925 1. Verzekering is een overeenkomst waarbij de ene partij, de verzekeraar, zich tegen het genot van premie jegens haar wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van een of meer uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal duren. Zij is hetzij schadeverzekering, hetzij sommenverzekering. 2024 -971- No. 164 2. Persoonsverzekering is de verzekering welke het leven of de gezondheid van een mens betreft.

  2745. Artikel 926 1. Onder uitkering is mede begrepen een prestatie anders dan in geld. 2. In deze afdeling wordt onder de tot uitkering gerechtigde verstaan degene die in geval van verwezenlijking van het risico krachtens de verzekering recht heeft op uitkering of door aanvaarding van de aanwijzing recht op uitkering kan krijgen.

  2746. Artikel 927 De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op herverzekering.

  2747. Artikel 928 1. De verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. 2. Indien de belangen van een bij het aangaan van de verzekering bekende derde worden gedekt, omvat de in lid 1 bedoelde verplichting mede de hem betreffende feiten die deze kent of behoort te kennen, en waarvan naar deze weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen. De vorige volzin mist toepassing bij persoonsverzekering. 3. Betreft een persoonsverzekering het risico van een bekende derde die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan omvat de mededelingsplicht mede de hem betreffende feiten die deze kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen. 4. De mededelingsplicht betreft niet feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen, en evenmin feiten, die niet tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid. De verzekeringnemer of de derde, bedoeld in de leden 2 of 3, kan zich er echter niet op beroepen dat de verzekeraar bepaalde feiten reeds kent of behoort te kennen indien op een daarop gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. 5. De verzekeringnemer is slechts verplicht feiten mede te delen omtrent zijn strafrechtelijk verleden of omtrent dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen. 6. Indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, kan deze zich er niet op beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.

  2748. Artikel 929 1. De verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, kan de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. 2. De verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet hem te misleiden of die bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, kan de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met dadelijke ingang opzeggen. 2024 -972- No. 164 3. De verzekeringnemer kan de overeenkomst met dadelijke ingang opzeggen binnen twee maanden nadat de verzekeraar overeenkomstig lid 1 heeft gehandeld of zich bij de verwezenlijking van het risico op de niet-nakoming van de mededelingsplicht beroept. Bij persoonsverzekering kan de verzekeringnemer de beëindiging beperken tot de persoon, wiens risico het beroep op de niet-nakoming betreft.

  2749. Artikel 930 1. Indien aan de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, bestaat alleen recht op uitkering overeenkomstig de leden 2 en 3. 2. De bedongen uitkering geschiedt onverkort, indien de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico, zoals dit zich heeft verwezenlijkt. 3. Indien aan lid 2 niet is voldaan, maar de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken een hogere premie zou hebben bedongen, of de verzekering tot een lager bedrag zou hebben gesloten, wordt de uitkering verminderd naar evenredigheid van hetgeen de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen. Zou de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden hebben gesteld, dan is slechts een uitkering verschuldigd als waren deze voorwaarden in de overeenkomst opgenomen. 4. In afwijking van de leden 2 en 3 is geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. 5. In afwijking van de leden 2 en 3 is geen uitkering verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928 leden 2 of 3, die heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de derde.

  2750. Artikel 931 De verzekeraar kan zich niet beroepen op de vernietigingsgronden als bedoeld in artikel 44 lid 3 van Boek 3 en artikel 228 van Boek 6.

  2751. Artikel 932 1. De verzekeraar geeft zo spoedig mogelijk een akte, polis genaamd, af, waarin de overeenkomst is vastgelegd. Een polis die is opgemaakt op een wijze als bedoeld in artikel 135a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet zijn voorzien van een op een certificaat gebaseerde elektronische handtekening die voldoet aan de eisen, bedoeld in de Wet Elektronisch Rechtsverkeer (S.B. 2017, no. 86). De verzekeraar is niet verplicht een polis af te geven indien de aard van de overeenkomst afwijkend gebruik rechtvaardigt en de verzekeringnemer bij afgifte van de polis geen belang heeft. 2. Op wijzigingen in de overeenkomst is lid 1 van overeenkomstige toepassing. Een instemming als bedoeld in artikel 135a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ziet eveneens op wijzigingen in de overeenkomst. 3. Indien een door een verzekeraar afgegeven bewijsstuk verloren is gegaan, geeft hij desverlangd tegen vergoeding van de kosten een nieuw bewijsstuk af. Indien het bewijsstuk aan toonder of order is gesteld en bij een verzekering van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld, kan de verzekeraar als voorwaarde voor het doen van een uitkering aan de houder van een nieuw bewijsstuk verlangen, dat hem door de houder gedurende de tijd dat de verzekeraar tot betaling kan worden gedwongen, zekerheid wordt gesteld. Een instemming als bedoeld in artikel 135a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ziet, zolang zij niet is herroepen, eveneens op een nieuw bewijsstuk als bedoeld in de eerste volzin. 2024 -973- No. 164

  2752. Artikel 933 1. Alle mededelingen waartoe de bepalingen van deze titel of de overeenkomst de verzekeraar aanleiding geven, geschieden schriftelijk. De verzekeraar kan zich daarbij houden aan de laatste hem bekende woonplaats van de geadresseerde. 2. Bij staatsbesluit kunnen van lid 1 afwijkende regels worden gesteld ten aanzien van de verzending van mededelingen langs elektronische weg. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld ten aanzien van de verzending aan de verzekeraar langs elektronische weg van mededelingen waartoe de bepalingen van deze titel of de overeenkomst aanleiding geven.

  2753. Artikel 934 Het niet nakomen van de verplichting tot betaling van de vervolgpremie kan eerst leiden tot beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende op de dag na aanmaning. De eerste volzin geldt niet voor het geval, bedoeld in artikel 83 onder c van Boek 6.

  2754. Artikel 935 1. De verzekeraar kan hetgeen hij schuldig is aan de tot uitkering gerechtigde die geen schuldenaar van de premie is, verrekenen met opeisbare premie voor dezelfde verzekering, de schade wegens vertraging in de voldoening daarvan en de kosten, bedoeld in artikel 96 lid 2 onder c van Boek 6. De eerste volzin geldt niet bij verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld. 2. Bij een verzekering tegen aansprakelijkheid kan de verzekeraar in afwijking van artikel 127 lid 2 van Boek 6 geen andere premie, schade en kosten als bedoeld in lid 1 verrekenen met hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde schuldig is, dan die ter zake van dezelfde verzekering.

  2755. Artikel 936 1. Heeft een tussenpersoon zich bij de verzekeringsovereenkomst tegenover de verzekeraar tot betaling van premie en kosten als eigen schuld verbonden, dan is de verzekeringnemer jegens de verzekeraar gekweten voor zover de premie en kosten voor rekening van de tussenpersoon zijn gekomen of aan deze zijn voldaan. De verzekeringnemer is tot vergoeding van die premie en kosten aan de tussenpersoon gehouden. 2. Is een uitkering verschuldigd geworden, dan is de verzekeraar desverlangd, ongeacht rechten van derden, gehouden daarvan aan de tussenpersoon zoveel af te dragen als deze ingevolge het in lid 1 bepaalde van de verzekeringnemer heeft te vorderen. Is de verzekeringnemer krachtens de verzekeringsovereenkomst tot de uitkering gerechtigd, dan heeft de verzekeraar eenzelfde verplichting ten aanzien van andere verzekeringen waarbij dezelfde nemer en dezelfde tussenpersoon zijn betrokken. 3. De verzekeraar die voornemens is een uitkering te doen aan een ander dan de tussenpersoon, verzoekt deze laatste om binnen tien dagen het bedrag op te geven, dat deze ingevolge lid 1 van de verzekeringnemer heeft te vorderen. Indien de tussenpersoon daaraan gevolg geeft, draagt de verzekeraar voor zoveel mogelijk het opgegeven bedrag aan hem af. Heeft de verzekeraar hieraan voldaan of heeft de tussenpersoon binnen de gestelde termijn niets opgegeven, dan staat het de verzekeraar vrij aan de ander de nog verschuldigde uitkering te doen. 4. De leden 2 en 3 missen toepassing: a. bij verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld, tenzij de verzekeringnemer tot de uitkering is gerechtigd; b. bij verplichte aansprakelijkheidsverzekering. 2024 -974- No. 164 5. Het in lid 2, tweede volzin, bepaalde mist bovendien toepassing: a. indien op het recht op uitkering een pandrecht rust als bedoeld in artikel 229 van Boek 3, of een voorrecht als bedoeld in artikel 283 van Boek 3; b. bij onverplichte verzekering tegen aansprakelijkheid. 6. Wanneer de tussenpersoon de uitkering namens de tot uitkering gerechtigde in ontvangst neemt, is hij bevoegd om de vergoeding als bedoeld in lid 1, tweede volzin, te verrekenen met hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde schuldig is tot het bedrag van zijn uit de leden 2, 4 en 5 voortvloeiende aanspraken.

  2756. Artikel 937 De verzekeraar die een uitkering doet aan de tussenpersoon, is jegens de tot uitkering gerechtigde gekweten voor zover hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde verschuldigd is aan deze laatste is voldaan, doch in ieder geval voor zover de tot uitkering gerechtigde door de betaling aan de tussenpersoon is gebaat.

  2757. Artikel 938 1. Behoudens het geval van opzet van de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928 leden 2 of 3, om de verzekeraar te misleiden is geen premie verschuldigd indien in het geheel geen risico is gelopen. Indien over een vol verzekeringsjaar geen risico is gelopen, is over dat jaar geen premie verschuldigd. De verzekeraar heeft recht op een billijke vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten. 2. Gedurende één maand na afloop van een vol verzekeringsjaar waarin geen risico is gelopen, mag elke partij de overeenkomst met ingang van het nieuwe verzekeringsjaar opzeggen. Deze opzegging heeft geen rechtskracht, indien risico is gelopen tussen de aanvang van het nieuwe verzekeringsjaar en de opzegging. 3. Is slechts risico gelopen over een kleiner aantal zaken of een kleinere hoeveelheid dan was verzekerd, dan zijn de leden 1 en 2 van toepassing voor zover geen risico is gelopen.

  2758. Artikel 939 Behalve bij opzegging wegens opzet de verzekeraar te misleiden, wordt bij tussentijdse opzegging de lopende premie naar billijkheid verminderd.

  2759. Artikel 940 1. Bij opzegging tegen het einde van een verzekeringsperiode teneinde verlenging van de overeenkomst te verhinderen, wordt een termijn van twee maanden in acht genomen. 2. De verzekeringnemer en, tenzij het een persoonsverzekering betreft, de verzekeraar kunnen een overeenkomst die is aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar, of die voor zulk een periode is verlengd, opzeggen tegen het einde van elk vijfde jaar binnen die periode. Daarbij geldt de in lid 1 genoemde termijn. 3. Indien de verzekeraar de bevoegdheid heeft bedongen de overeenkomst tussentijds op te zeggen, komt de verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toe. Tenzij jegens hem is gehandeld met het opzet tot misleiding neemt de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer daarbij een termijn van twee maanden in acht. Indien een verzekering dekking biedt tegen schade veroorzaakt door risico’s verband houdende met een gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij, kan, bij de verwezenlijking van een dergelijk risico of bij een dreiging van het ophanden zijn daarvan, de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer in afwijking van deze termijn van twee maanden, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van zeven dagen opzeggen. De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd. 2024 -975- No. 164 4. Indien de verzekeraar de voorwaarden van de overeenkomst ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde wijzigt, is de verzekeringnemer gerechtigd de overeenkomst op te zeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat, en in ieder geval gedurende één maand nadat de wijziging hem is meegedeeld. 5. De verzekeraar kan een persoonsverzekering niet beëindigen of wijzigen op grond van verzwaring van het gezondheidsrisico, voor zover dat is gelegen in de persoon van degene, die de verzekering betreft. 6. De verzekeringnemer kan de overeenkomst steeds langs elektronische weg opzeggen. Bij staatsbesluit kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de verzending van opzeggingen langs elektronische weg.

  2760. Artikel 941 1. Zodra de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is, of behoort te zijn, is hij verplicht aan de verzekeraar de verwezenlijking te melden. Dit geschiedt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is. 2. De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde zijn verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. 3. Indien door de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 of 2 niet is nagekomen, kan de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt. 4. De verzekeraar kan het vervallen van het recht op uitkering wegens niet-nakoming van een verplichting als bedoeld in de leden 1 of 2 slechts bedingen voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad. 5. Het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 of 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.

  2761. Artikel 942 1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. 2. De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen. 3. Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste volzin, gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de benadeelde. In dat geval begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een ander is, aan de tot uitkering gerechtigde heeft medegedeeld dat hij de onderhandelingen afbreekt.

  2762. Artikel 943 1. Van artikel 931, artikel 932, artikel 935 lid 2, artikel 936 en artikel 939 kan niet worden afgeweken, met dien verstande dat bij een wettelijk verplichte motorrijtuigen-aansprakelijkheidsverzekering afwijking van artikel 939 wel mogelijk is. 2. Van artikel 933 lid 1, eerste volzin, artikel 937, artikel 940 leden 1, 3, 5 en 6, artikel 941 leden 1, 2, 4 en 5 en artikel 942 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken. 3. Van de artikelen 928 tot en met 930, artikel 934 en artikel 940 leden 2 en 4 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken indien de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en hij de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 2024 -976- No. 164 Afdeling 2 Schadeverzekering

  2763. Artikel 944 Schadeverzekering is de verzekering strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen lijden.

  2764. Artikel 945 In deze afdeling wordt onder verzekerde verstaan degene die in geval van door hem geleden schade krachtens de verzekering recht heeft op vergoeding of door aanvaarding van de aanwijzing recht op vergoeding kan krijgen.

  2765. Artikel 946 1. De overeenkomst dekt slechts belangen van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeengekomen. 2. Indien ingevolge een huwelijk een zaak in een gemeenschap valt, zijn bij een verzekering van die zaak de deelgenoten voor hun belang verzekerde.

  2766. Artikel 947 De verzekeringnemer kan de aanwijzing van een derde aan wie in geval van schade een uitkering moet worden gedaan, slechts herroepen met medewerking van de verzekeraar of van de derde. Met betrekking tot een reeds gevallen schade kunnen de verzekeringnemer en de verzekeraar de aanwijzing ook niet gezamenlijk ongedaan maken.

  2767. Artikel 948 1. Bij overdracht van een zaak of een beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, gaan de rechten en verplichtingen uit de verzekering die het belang van de vervreemder bij het behoud van de zaak dekt, met het risico op de verkrijger over, ook indien het risico al voor de overdracht overgaat. Hetzelfde geldt voor bijkomstige verzekeringen die bij diezelfde overeenkomst tot stand zijn gekomen. Geen overgang vindt plaats indien zulks voortvloeit uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen of uit een verklaring van de nieuwe belanghebbende aan de verzekeraar. 2. De overeenkomst vervalt een maand nadat zij op de nieuwe verzekerde is overgegaan, tenzij deze binnen die termijn aan de verzekeraar verklaart de overeenkomst voort te zetten. In dat geval kan de verzekeraar binnen twee maanden nadat de verklaring is afgelegd, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van een maand opzeggen. 3. Premies verschenen voordat de nieuwe verzekerde heeft verklaard de overeenkomst voort te zetten, zijn uitsluitend door de verzekeringnemer verschuldigd. 4. Het in lid 2 bepaalde leidt niet tot verlenging van de duur van de overeenkomst noch tot beperking van het recht tot opzegging uit anderen hoofde. 5. De leden 1 tot en met 4 missen toepassing, indien de verzekering de verkrijger aanwijst als derde, bedoeld in artikel 947.

  2768. Artikel 949 Bij verzekeringen als bedoeld in artikel 932 lid 3, tweede volzin, geldt de houder van de polis of van een ander door de verzekeraar afgegeven bewijsstuk als verzekerde, mits het verzekerde belang bij hem berust.

  2769. Artikel 253 lid 2 van Boek 6 en de artikelen 947, 948 en 950 missen hier toepassing. 2024 -977- No. 164

  2770. Artikel 950 Indien de verzekeringnemer overlijdt, kunnen zijn erfgenamen en de verzekeraar de overeenkomst binnen negen maanden nadat zij met dit overlijden bekend zijn geworden met inachtneming van een termijn van een maand opzeggen. Wanneer de nalatenschap van de verzekeringnemer ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de eerste volzin, toe aan zijn echtgenoot.

  2771. Artikel 951 De verzekeraar vergoedt geen schade aan een verzekerde zaak indien die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak.

  2772. Artikel 952 De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.

  2773. Artikel 953 Indien een verzekering tegen aansprakelijkheid bepaalde erkenningen door de verzekerde verbiedt, heeft overtreding van dat verbod geen gevolg voor zover de erkenning juist is. Een verbod tot erkenning van feiten heeft nimmer gevolg.

  2774. Artikel 954 1. Indien in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid de verzekeraar ingevolge artikel 941 de verwezenlijking van het risico is gemeld, kan de benadeelde verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. 2. De benadeelde kan zonder melding deze betaling verlangen indien de verzekerde een rechtspersoon was die heeft opgehouden te bestaan en de verplichting tot vergoeding van de schade van de benadeelde niet op een ander is overgegaan. 3. Indien de benadeelde zijn in lid 1 bedoelde bevoegdheid nog niet heeft uitgeoefend, kan de verzekeraar slechts bevrijdend aan de verzekerde betalen nadat hij de benadeelde tevergeefs verzocht heeft binnen vier weken mede te delen of hij deze bevoegdheid wil uitoefenen, of indien deze daarvan afstand heeft gedaan. 4. De verzekerde is niet bevoegd ten nadele van de benadeelde over zijn vordering op de verzekeraar te beschikken, voor zover deze vordering schade door dood of letsel betreft, noch is deze vordering in zoverre voor anderen dan de benadeelde vatbaar voor beslag. 5. Voor zover de verzekeraar in verband met overschrijding van een verzekerde som tot minder gehouden is dan het bedrag waarvoor de verzekerde aansprakelijk is, wordt de verschuldigde uitkering naar evenredigheid toegerekend aan de schade van elk der benadeelden alsmede, voor zover zij benadeelden betreft met zowel schade door dood of letsel als andere schade, aan deze onderscheiden schadesoorten. Niettemin blijft de verzekeraar die, onbekend met het bestaan van vorderingen van andere benadeelden, te goeder trouw aan een benadeelde of de verzekerde een groter bedrag dan het aan deze toekomende deel heeft uitgekeerd, jegens de andere benadeelden slechts gehouden tot het beloop van het overblijvende gedeelte van de verzekerde som. De betaling aan de benadeelden kan worden opgeschort voor zover in verband met het in de eerste volzin bepaalde op redelijke gronden kan worden betwijfeld welk bedrag dient te worden voldaan. 2024 -978- No. 164 6. De benadeelde die ter zake van zijn schade door dood of letsel een rechtsvordering instelt tegen de verzekeraar, is daartoe slechts bevoegd indien hij er zorg voor draagt dat de verzekerde tijdig in het geding wordt geroepen. Dit lijdt uitzondering in het geval, bedoeld in lid 2. 7. De leden 1 tot en met 6 missen toepassing voor zover de benadeelde schadeloos is gesteld of voor zover hem door de wet jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding is toegekend.

  2775. Artikel 955 1. De verzekerde som is het hoogste bedrag van de schadevergoeding tot uitkering waarvan de verzekeraar als gevolg van eenzelfde voorval kan worden verplicht, behoudens het bij artikel 959 bepaalde. 2. Door een uitkering als bedoeld in lid 1 wordt de verzekerde som niet verminderd.

  2776. Artikel 956 Een gebouw is naar zijn herbouwwaarde en andere zaken zijn naar hun vervangingswaarde verzekerd. Vervangingswaarde is het bedrag benodigd voor het verkrijgen van naar soort, kwaliteit, hoeveelheid, staat en ouderdom gelijkwaardige zaken.

  2777. Artikel 957 1. Zodra de verzekeringnemer of de verzekerde van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte is, of behoort te zijn, is elk hunner, naar mate hij daartoe in de gelegenheid is, verplicht binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden. 2. De verzekeraar vergoedt de kosten aan het nemen van de in lid 1 bedoelde maatregelen verbonden, en de schade aan zaken die daarbij worden ingezet. 3. Indien de verzekerde de in lid 1 bedoelde verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.

  2778. Artikel 958 1. Er is totaal verlies, wanneer een zaak: a. is tenietgegaan; b. zo is beschadigd dat zij heeft opgehouden een zaak van de verzekerde soort te zijn; of c. buiten de macht van de verzekerde is geraakt en herkrijging niet is te verwachten. 2. Bij totaal verlies vergoedt de verzekeraar de waarde van het verzekerde belang bij de zaak. 3. Heeft de verzekeraar in het geval van lid 1 onder c voldaan aan zijn verplichting en wordt het daarna mogelijk de zaak te herkrijgen, dan heeft de verzekeraar ter keuze van de verzekerde recht op terugbetaling van de vergoeding of op overdracht van de zaak. 4. De verzekeraar vergoedt in geval van verzekering tegen vervangings-, herbouw- of nieuwwaarde bij gedeeltelijke schade te zijner keuze hetzij de kosten van herstel en de waardevermindering naar verkoopwaarde ondanks herstel, hetzij de verzekerde waarde van de onbeschadigde zaak verminderd met de verkoopwaarde van de restanten. 5. Indien het bedrag van de verzekerde som lager is dan de waarde die aan de schadeberekening ten grondslag ligt, wordt de vergoeding volgens de leden 2 en 4 verminderd naar evenredigheid van hetgeen dat bedrag lager is dan de waarde. 2024 -979- No. 164

  2779. Artikel 959 1. De in artikel 957 bedoelde vergoeding en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden. 2. Indien de naar de grondslag van de verzekering berekende waarde van de onbeschadigde zaak niet ten volle is verzekerd, komt de in artikel 957 bedoelde vergoeding slechts met overeenkomstige toepassing van artikel 958 lid 5 ten laste van de verzekeraar.

  2780. Artikel 960 De verzekerde zal krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. De eerste volzin mist toepassing bij voorafgaande taxatie van de waarde van een zaak totstandgekomen krachtens een aan een deskundige opgedragen beslissing of krachtens een beslissing van partijen overeenkomstig het advies van een deskundige.

  2781. Artikel 961 1. Indien dezelfde schade door meer dan een verzekering wordt gedekt, kan de verzekerde met inachtneming van artikel 960 elke verzekeraar aanspreken. De verzekeraar is daarbij bevoegd de nakoming van zijn verplichting tot schadevergoeding op te schorten totdat de verzekerde de andere verzekeringen heeft genoemd. 2. Voor de toepassing van lid 1 wordt met schade die door een verzekering wordt gedekt gelijkgesteld schade die door de verzekeraar onverplicht wordt vergoed. 3. De verzekeraars hebben onderling verhaal opdat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van de bedragen waarvoor een ieder afzonderlijk kan worden aangesproken. Verzekeraars hebben op gelijke voet onderling verhaal voor hun redelijke kosten tot het vaststellen van de schade, alsmede voor hun redelijke kosten van verweer in en buiten rechte. De verzekerde is jegens de verzekeraars afzonderlijk verplicht zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van deze afbreuk doet aan hun onderling verhaal. 4. De bij eenzelfde verzekering betrokken verzekeraars zijn niet verder aansprakelijk dan voor hun evenredig deel van hetgeen in totaal ten laste van die verzekering komt.

  2782. Artikel 962 1. Indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar over voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. De verzekerde moet zich, nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, onthouden van elke gedraging welke aan het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet. 2. De verzekeraar kan de vordering waarin hij is gesubrogeerd, of die hij door overdracht heeft verkregen, niet ten nadele van het recht op schadevergoeding van de verzekerde uitoefenen. 3. De verzekeraar krijgt geen vordering op de verzekeringnemer, een medeverzekerde, de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van een verzekerde, de andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in de rechte lijn van een verzekerde, op een werknemer of de werkgever van de verzekerde, of op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen. 2024 -980- No. 164

  2783. Artikel 963 1. Van artikel 960 en artikel 962 lid 2 en lid 3, eerste volzin, kan niet worden afgeweken. 2. Van artikel 953 kan niet ten nadele van de verzekerde worden afgeweken. 3. Van artikel 947, tweede volzin, kan niet ten nadele van de derde worden afgeweken. 4. Van artikel 954 kan niet ten nadele van de benadeelde worden afgeweken. 5. Van artikel 957 lid 2 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken. 6. Van artikel 959 lid 1 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten. Afdeling 3 Sommenverzekering §1 Algemene bepalingen

  2784. Artikel 964 Sommenverzekering is de verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. Zij is slechts toegelaten bij persoonsverzekering en bij verzekeringen welke daartoe bij staatsbesluit, zonodig binnen daarbij vast te stellen grenzen, zijn aangewezen.

  2785. Artikel 965 In deze afdeling wordt verstaan onder verzekerde: degene op wiens leven of gezondheid de verzekering betrekking heeft; onder begunstigde: degene die tot het ontvangen van een uitkering is aangewezen. Onder uitkering zijn de bedragen, bedoeld in artikel 978 lid 2, artikel 980 lid 2 en de artikelen 981 en 983 begrepen.

  2786. Artikel 966 1. De verzekeringnemer kan door schriftelijke mededeling aan de verzekeraar: a. zichzelf of, al dan niet naast zichzelf, één of meer derden als begunstigde aanwijzen, hetzij als hoofdgerechtigde, hetzij als beperkt gerechtigde; b. het recht op uitkering onder bewind stellen; c. een beschikking als onder a of b bedoeld herroepen of wijzigen. 2. De verzekeraar kan een aanwijzing of een wijziging daarvan afwijzen, indien zij de nakoming van zijn uitkeringsverplichting onredelijk zou bemoeilijken. Hij oefent dit recht uit door binnen een maand na de aanwijzing of de wijziging de verzekeringnemer van zijn afwijzing in kennis te stellen. 3. Het bewind over een recht op uitkering heeft dezelfde rechtsgevolgen als een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind, met dien verstande dat: a. de termijnen, bedoeld in artikel 178, artikel 179 lid 2 en artikel 180 lid 2 van Boek 4, aanvangen op het tijdstip waarop de uitkering of de eerste van een reeks uitkeringen opeisbaar wordt, en b. het bewind, voor zover het niet in het belang van een ander dan de begunstigde is ingesteld, ook eindigt wanneer de verzekeringnemer en de begunstigde een gemeenschappelijk besluit tot opheffing schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen. 4. Een aanwijzing van een begunstigde als hoofdgerechtigde tot zekerheid geldt als een aanwijzing als pandhouder. Op een aanwijzing als hoofdgerechtigde tot aflossing van een schuld is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing, tenzij de aanwijzing is beperkt tot hetgeen ter zake aan de begunstigde is verschuldigd. 2024 -981- No. 164

  2787. Artikel 967 1. Tenzij van een andere bedoeling blijkt, vervalt de aanwijzing van een begunstigde, indien hij overlijdt vóórdat: a. hij de aanwijzing heeft aanvaard, of b. een uitkering waarop de aanwijzing betrekking had, opeisbaar is geworden. 2. Is de begunstigde in hoedanigheid aangeduid, dan wordt de aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve van hem die deze hoedanigheid bezit ten tijde dat de aanwijzing volgens artikel 968 onder b tot en met d onherroepelijk wordt. Indien de begunstigde zowel bij naam als in hoedanigheid is aangeduid, wordt de aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve van de bij naam aangewezen begunstigde. 3. In afwijking van het in lid 2 bepaalde strekt de begunstiging steeds ten behoeve van de begunstigde wiens aanwijzing door aanvaarding onherroepelijk is geworden, terwijl hij de in de aanwijzing aangeduide hoedanigheid bezat. 4. Zijn de als zodanig aangeduide erfgenamen van de verzekeringnemer of van de verzekerde als begunstigden aangewezen, dan worden daaronder diegenen verstaan die als erfgenamen tot de nalatenschap zijn geroepen, ongeacht of zij haar hebben aanvaard. Zij zijn tot de uitkering gerechtigd in dezelfde verhouding als waarin zij tot de nalatenschap zijn geroepen. 5. Is de nalatenschap van de verzekeringnemer of van de verzekerde als begunstigde aangewezen, dan komt het recht op uitkering toe aan de erfgenamen die de nalatenschap hebben aanvaard. Zij zijn tot de uitkering gerechtigd in dezelfde verhouding als waarin zij in de nalatenschap delen. 6. Zijn als zodanig aangeduide kinderen als begunstigden aangewezen, dan worden daaronder hun afstammelingen bij plaatsvervulling begrepen. 7. Indien een uitkering door de dood van de verzekerde opeisbaar wordt en deze en een begunstigde derde gelijktijdig zijn overleden, dan wel indien beiden zijn gestorven en men niet kan weten wie het eerst is overleden, valt, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de uitkering niet aan die begunstigde ten deel. 8. Zolang geen derde als begunstigde is aangewezen, komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer. De verzekeringnemer wordt voorts geacht zichzelf als begunstigde te hebben aangewezen voor het geval dat geen aanwijzing van een derde als begunstigde gevolg heeft.

  2788. Artikel 968 De aanwijzing van een derde als begunstigde kan niet worden herroepen: a. indien die derde haar heeft aanvaard; b. indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde; c. indien een uitkering opeisbaar wordt; d. indien dit uit de overeenkomst voortvloeit.

  2789. Artikel 969 1. De begunstigde derde verkrijgt zijn recht op uitkering door aanvaarding van zijn aanwijzing. In afwijking van artikel 253 leden 3 en 4 van Boek 6 kan hij slechts aanvaarden door een tot de verzekeraar gerichte verklaring. Tenzij de aanwijzing onherroepelijk is volgens artikel 968 onder b tot en met d, kan de begunstigde slechts schriftelijk aanvaarden met op gelijke wijze aan de verzekeraar kenbaar gemaakte toestemming van de verzekeringnemer. 2. Is de aanwijzing volgens artikel 968 onder b tot en met d onherroepelijk, dan kan de begunstigde derde zijn aanwijzing door een tot de verzekeraar gerichte verklaring afwijzen. 3. De begunstigde derde maakt de aanvaarding van zijn aanwijzing ongedaan door afstand te doen van zijn recht op uitkering. 2024 -982- No. 164

  2790. Artikel 970 1. De rechten van de verzekeringnemer uit een sommenverzekering kunnen, onverminderd de tweede volzin, slechts gezamenlijk worden overgedragen. Uit een sommenverzekering voortvloeiende vorderingsrechten kunnen afzonderlijk worden overgedragen, voor zover uit de wet of de overeenkomst niet anders voortvloeit. 2. Levering van rechten uit een verzekering vereist een daartoe bestemde akte en schriftelijke mededeling daarvan aan de verzekeraar door de vervreemder of de verkrijger.

  2791. Artikel 971 1. Bij het vestigen van een pandrecht op uit een sommenverzekering voortvloeiende rechten mist artikel 239 van Boek 3 toepassing. Bij overdracht tot zekerheid mist artikel 94 lid 3 van Boek 3 toepassing. 2. Indien het pandrecht rust op een recht op uitkering, treedt voor de toepassing van de artikelen 246 en 253 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de hoofdgerechtigde voor de pandgever in de plaats. Heeft een als hoofdgerechtigde aangewezen derde zijn aanwijzing nog niet aanvaard, dan stelt de pandhouder de derde daartoe in de gelegenheid. 3. In afwijking van lid 2 kan de pandhouder een overschot als bedoeld in artikel 253 lid 1, tweede volzin, van Boek 3 ook afdragen aan de verzekeraar. De verzekeraar is het bedrag verschuldigd aan de hoofdgerechtigde.

  2792. Artikel 972 1. De verzekeringnemer kan zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten slechts uitoefenen met schriftelijke toestemming: a. van de begunstigde, wanneer een aanwijzing volgens artikel 968 onherroepelijk is; b. van de beperkt gerechtigde, wanneer een beperkt recht is gevestigd op de voor de verzekeringnemer uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, dan wel op het recht op een uitkering. 2. Indien uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten niet zou leiden tot wijziging van de rechtspositie van de begunstigde, onderscheidenlijk de beperkt gerechtigde, is daarvoor diens toestemming niet vereist.

  2793. Artikel 973 Aan de overeenkomst kunnen geen rechten worden ontleend door degene die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht of daaraan opzettelijk meegewerkt heeft. In de overeenkomst kan worden bepaald dat ook zonder veroordeling opzettelijk veroorzaakte verwezenlijking van het risico tot uitsluiting van dekking leidt.

  2794. Artikel 974 Van de vormvoorschriften van artikel 966 lid 1 en artikel 969 lid 1, tweede volzin, en van de artikelen 972 en 973 kan niet worden afgeweken. 2024 -983- No. 164 §2 Levensverzekering

  2795. Artikel 975 Levensverzekering is de in verband met het leven of de dood gesloten sommenverzekering met dien verstande dat ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd.

  2796. Artikel 976

  2797. Artikel 978 lid 1, artikel 980 lid 1 en artikel 981, alsmede artikel 986 voor zover het op deze bepalingen betrekking heeft, missen toepassing bij verzekeringen strekkende tot voorziening in de kosten van lijkbezorging. Bij staatsbesluit kunnen hiervoor nadere maatstaven worden gesteld. De waarde van deze verzekeringen en de uit deze verzekeringen voortvloeiende rechten zijn niet vatbaar voor beslag en blijven buiten het faillissement van de verzekeringnemer en vereffening van zijn nalatenschap.

  2798. Artikel 977 1. Behoudens het elders in deze titel bepaalde kan de verzekering niet door de verzekeraar worden opgezegd of ontbonden, noch krachtens enig beding vervallen. De eerste volzin staat niet in de weg aan een beding dat de verzekering eindigt of door de verzekeraar kan worden opgezegd, indien zij als gevolg van in de overeenkomst voorziene verrekening van premie, bedongen rente en kosten niet langer premievrije waarde of afkoopwaarde heeft. 2. Behoudens het elders in deze afdeling bepaalde kan de verzekeraar de verzekering slechts afkopen of premievrij voortzetten met medewerking van de verzekeringnemer, verkregen na het aangaan van de overeenkomst.

  2799. Artikel 978 1. De verzekeringnemer heeft het recht de verzekering, voor zover deze stellig voorziet in een of meer uitkeringen, geheel of gedeeltelijk door de verzekeraar te doen afkopen. Door afkoop eindigt de verzekering, behoudens voor zover uit de verzekering nog uitkeringen kunnen voortvloeien. De afkoopwaarde komt de verzekeringnemer toe. 2. Indien de verzekering premievrije waarde heeft, komt de verzekeringnemer het recht toe haar premievrij te doen voortzetten. Dit recht kan worden uitgesloten voor het geval dat bij premievrijmaking tegen verminderde bedragen de hoogte van de verminderde uitkering of uitkeringen beneden een bij staatsbesluit vast te stellen grens zou blijven.

  2800. Artikel 979 1. De verzekeringnemer heeft het recht de verzekering als bedoeld in artikel 978 lid 1 tot het bedrag van de afkoopwaarde bij de verzekeraar te belenen op bij deze gebruikelijke voorwaarden. 2. De verzekeraar mag het bedrag dat hij ter zake van de belening betaalt, vermeerderd met rente en kosten, voor zover het hem niet wordt terugbetaald, in mindering brengen op de contante waarde van periodieke uitkeringen, en inhouden op betalingen uit hoofde of ten laste van de verzekering.

  2801. Artikel 980 1. Het niet-betalen van vervolgpremie heeft eerst gevolg, indien de verzekeraar na de vervaldag de verzekeringnemer, de begunstigde, indien deze zijn aanwijzing heeft aanvaard, de pandhouder en de beslaglegger door een mededeling op dat gevolg heeft gewezen en betaling binnen een daarbij op ten minste één maand gestelde termijn is uitgebleven. 2024 -984- No. 164 2. Indien betaling is uitgebleven, wordt de verzekering die premievrije waarde heeft, premievrij voortgezet of, indien de overeenkomst daarin voorziet, voortgezet door middel van verrekening van de premie en de bedongen rente en kosten met de afkoopwaarde. Bestaat geen recht op voortzetting als in de vorige volzin bedoeld, dan eindigt de verzekering, en heeft de verzekeringnemer bij een verzekering die afkoopwaarde heeft, recht op die waarde. 3. In afwijking van lid 1 kan worden bedongen dat van de vervaldag af rente en kosten verschuldigd zijn.

  2802. Artikel 981 Overlijdt de verzekerde ten gevolge van een van het risico uitgesloten oorzaak en heeft de verzekering afkoopwaarde, dan wordt de verzekeraar een bedrag verschuldigd gelijk aan de afkoopwaarde berekend naar de dag voorafgaande aan het overlijden. Dat bedrag komt de begunstigde toe. Heeft de verzekering geen afkoopwaarde, maar wel premievrije waarde, dan wordt de verzekeringnemer geacht de dag vóór het overlijden het recht te hebben uitgeoefend als bedoeld in artikel 978 lid 2 en wordt de verzekerde geacht te zijn overleden door een niet van het risico uitgesloten oorzaak.

  2803. Artikel 982 1. Indien de leeftijd of het geslacht van de verzekerde onjuist is opgegeven, wordt de verzekering geacht te zijn gesloten tot de aan de juiste leeftijd of het juiste geslacht aangepaste uitkering, of uitkeringen, bij handhaving van hetgeen omtrent de premiebetaling is overeengekomen. De artikelen 929 en 930 en 983 missen in zoverre toepassing. 2. Lid 1 mist toepassing indien de verzekeraar bij kennis van de juiste leeftijd of het juiste geslacht geen verzekering zou hebben gesloten.

  2804. Artikel 983 1. Indien een verzekering die de verzekeringnemer krachtens wet of overeenkomst kan doen afkopen, overeenkomstig artikel 929 wordt opgezegd, verkrijgt de verzekeringnemer recht op de afkoopwaarde van de dag vóór haar beëindiging. 2. De begunstigde verkrijgt recht op een op gelijke wijze berekend bedrag, indien de verzekeraar bij het einde van het risico een beroep doet op de gevolgen van het niet nakomen van artikel 928. Zou echter de toepassing van artikel 930 leden 2 of 3 tot een hogere uitkering leiden, dan verkrijgt de begunstigde daarop aanspraak. 3. De verzekeraar die ingevolge artikel 929 de verzekeringnemer op het niet nakomen van artikel 928 wijst onder voorbehoud van zijn rechten of die de gevolgen van dat niet nakomen inroept, stelt de begunstigde die zijn aanwijzing heeft aanvaard, en de pandhouder daarvan in kennis. In het geval, bedoeld in de eerste volzin, stelt de verzekeraar ook de beslaglegger in kennis, tenzij nog geen verklaring als bedoeld in artikel 476a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gedaan.

  2805. Artikel 984 1. Rust een pandrecht op de rechten van de verzekeringnemer, dan kan de pandhouder de verzekering doen afkopen, tenzij de verzekeringnemer de bevoegdheid mist de verzekering te doen afkopen. Tevens kan de pandhouder de begunstiging wijzigen ten behoeve van de verzekeringnemer, voor zover deze niet onherroepelijk is. Hij kan de verzekering slechts doen afkopen indien de schuldenaar in verzuim is gekomen en nadat hij daarna zijn voornemen tot het doen afkopen ten minste vier weken tevoren, bij aangetekende brief of bij deurwaardersexploot, aan de verzekeringnemer heeft medegedeeld. De verzekeraar is niet gehouden te onderzoeken of de schuldenaar in verzuim is. De pandhouder doet een afschrift van de brief of het exploot, bedoeld in de derde volzin, toekomen aan de verzekeraar. 2024 -985- No. 164 2. Om de verzekering te kunnen doen afkopen, dient de pandhouder bij de mededeling van een voornemen van afkoop tevens te vermelden dat de verzekeringnemer, tenzij deze bevoegdheid is uitgesloten, de verzekering binnen de termijn van vier weken, bedoeld in lid 1, kan belenen ter voldoening, voor zover mogelijk, van hetgeen aan de pandhouder verschuldigd is. 3. Heeft de pandhouder de verzekering doen afkopen of de verzekeringnemer deze overeenkomstig lid 2 beleend, dan rust het pandrecht nog slechts op de vordering ter zake van die afkoop of die belening. 4. De pandhouder is niet bevoegd tot verkoop overeenkomstig artikel 248 van Boek 3.

  2806. Artikel 985 Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van vijf jaar na de dag waarop die vordering opeisbaar is geworden, tenzij een langere termijn is bedongen.

  2807. Artikel 986 1. Van artikel 984 kan niet worden afgeweken. 2. Van de artikelen 977, 981 en 982 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde of de pandhouder worden afgeweken. 3. Van artikel 978 lid 2 en de artikelen 980 en 983 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde, de pandhouder of de beslaglegger worden afgeweken, indien de verzekeringnemer is een natuurlijk persoon en deze de verzekering sluit anders dan in verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf. 4. Beperking of uitsluiting van het recht, bedoeld in artikel 978 lid 1, kan niet worden tegengeworpen aan schuldeisers van de verzekeringnemer, de curator in het faillissement van de verzekeringnemer, diens bewindvoerder in geval van surséance van betaling, dan wel de vereffenaar van de nalatenschap van de verzekeringnemer. Bij een verzekering die recht geeft op periodieke uitkeringen of verstrekkingen, mist de eerste volzin toepassing voor zover de ter zake voldane premies voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking konden worden genomen voor de bepaling van het belastbaar inkomen. Titel 18 Lijfrente

  2808. Artikel 990 Lijfrente is het van het in leven zijn van een of meer personen afhankelijke recht op een periodieke uitkering in geld.

  2809. Artikel 991 1. Indien een uitkering op de vervaldag niet is betaald en ook binnen een maand na een schriftelijke aanmaning nog niet is voldaan, kan de gerechtigde de lijfrente, voor zover nog verschuldigd, bij een schriftelijke mededeling aan de schuldenaar omzetten in een vordering tot vergoeding van het bedrag dat is vereist voor het kopen van een gelijke lijfrente. 2. Nochtans is de schuldenaar van de lijfrente bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten indien hij op redelijke gronden betwijfelt of het lijf nog in leven is.

  2810. Artikel 992 Over een periode waarin het lijf overlijdt, is de rente slechts verschuldigd naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij heeft geleefd. Indien de rente vooruit moest worden betaald blijft zij over de gehele termijn verschuldigd. 2024 -986- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 7 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME INLEIDING Het is de bedoeling dat Boek 7 uiteindelijk zal bestaan uit een twintigtal titels, waarvan elk de regeling van een benoemde, bijzondere, overeenkomst zal behelzen. In zijn huidige vorm is dit doel voor een belangrijk deel verwezenlijkt. Thans omvat Boek 7: titel 1 (Koop), titel 3 (Schenking), titel 4 (Huur), titel 7 (Opdracht), titel 9 (Bewaarneming), titel 10 (Arbeidsovereenkomst), titel 12 (Aanneming van werk), titel 13 (Vennootschap), titel 14 (Borgtocht), titel 15 (Vaststellingsovereenkomst), titel 17 (Verzekering) en titel 18 (Lijfrente). In de oorspronkelijke Nederlandse opzet van veertig jaar geleden, ontbreken dus nog: titel 2 (Verbruikleen), titel 5 (Pacht), titel 6 (Bruikleen), titel 8 (Uitgave ven werken), titel 11 (Collectieve arbeidsovereenkomst), titel 16 (Kans- en andere spelen), titel 19 (Wissels) en titel 20 (Cheques). De Boek 7-systematiek is als volgt: Titels 1 tot en met 6: overeenkomsten, strekkende tot overdracht of genot van een goed: 1. Koop en ruil, 2. Verbruikleen, 3. Schenking, 4. Huur, 5. Pacht, 6. Bruikleen; Titels 7 tot en met 13: overeenkomsten die erop zijn gericht dat de ene partij bepaalde werkzaamheden ten behoeve van de andere verricht of die op samenwerking zijn gericht: 7. Opdracht, 8. Uitgave van werken, 9. Bewaarneming, 10. Arbeidsovereenkomst, 11. Collectieve arbeidsovereenkomst, 12. Aanneming van werk, 13. Vennootschap; Titels 14 tot en met 15: accessoire overeenkomsten: 14. Borgtocht, 15. Vaststellingsovereenkomst; Titels 16 tot en met 18: kansovereenkomsten: 16. Kans- en andere spelen, 17. Verzekering, 18. Lijfrente; Titels 19 en 20: accessoire overeenkomsten inzake: 19. Wissels, 20. Cheques. De vervoersovereenkomst is, tezamen met andere regelingen die het vervoer en verkeer betreffen, in Boek 8 opgenomen. De benoemde contracten die thans in het BW worden geregeld, en die – of voor zover zij – niet door het ontwerp zullen worden vervangen, zullen bij de aanpassingswetgeving in een nieuw Boek 7A worden bijeengebracht en aldaar hun oude nummering behouden; uit Boek 7A zal telkens een titel of afdeling verdwijnen, naarmate Boek 7 wordt aangevuld. 2024 -987- No. 164 In het ontwerp is, anders dan in het huidige recht, rekening gehouden met de omstandigheid dat een ‘consument’ niet zelden als zwakke partij staat tegenover zijn wederpartij, en als zodanig bescherming behoeft. Deze wordt hem - omschreven als natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt - veelal verleend door vernietigbaarheid van afwijking van de wettelijke regels te zijnen nadele, soms ook door bijzondere bepalingen. Aldus sluit Boek 7 aan bij de bepalingen uit Boek 6 die in het bijzonder in het belang van de consumentenbescherming zijn gesteld. Iets dergelijks geschiedt bij borgtocht in titel 7.14, waar de ‘particuliere borg’ weliswaar moeilijk als consument kan worden beschouwd, maar wel een vergelijkbare positie inneemt. Omgekeerd houdt het ontwerp evenzeer rekening met de bijzondere positie van degenen die een beroep of bedrijf uitoefenen, de ‘professionele’ contractpartijen. Men zie voor beide kanten de regeling van de opdracht in titel 7.7. Bij het werken met Boek 7 moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de ‘gelaagde’ opzet van het nieuwe wetboek. De regels die de bijzondere overeenkomsten beheersen zijn niet alleen in Boek 7 te vinden, doch ook in Boek 3, in het bijzonder titel 3.2 inzake rechtshandelingen, en Boek 6, de algemene regels omtrent verbintenissen in titel 6.1 en de regels omtrent overeenkomsten in het algemeen in titel 6.5. Dat de enkele koopovereenkomst bijvoorbeeld niet de eigendom doet overgaan, volgt uit artikel 7:9, maar vindt zijn vervolg in de bepalingen van afdeling 3.4.2, enz. TITEL 1 - KOOP EN RUIL Inleidende opmerkingen De titel is als volgt samengesteld: Afdeling 7.1.1 - Koop: algemene bepalingen 7.1.2 - Verplichtingen van de verkoper 7.1.3 - Bijzondere gevolgen van niet-nakoming van de verplichtingen van de koper 7.1.4 - Verplichtingen van de koper 7.1.5 - Bijzondere gevolgen van verzuim van de koper 7.1.6 - Bijzondere gevallen van ontbinding 7.1.7 - Schadevergoeding 7.1.8 - Recht van reclame 7.1.9 - Koop op proef 7.1.9A - Overeenkomsten op afstand 7.1.10 - Koop van vermogensrechten 7.1.10A - Koop van rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken 7.1.12 - Ruil. Uit de opsomming blijkt dat het ontwerp de koopovereenkomst nog niet volledig regelt: de koop op afbetaling - inclusief de huurkoop - zal te zijner tijd in afdeling 7.1.11 een plaatsvinden; voorlopig blijft zij, in de oude, zij het enigszins aangepaste vorm en met de oude nummering opgenomen in Boek 7A - zie de inleiding op deze memorie. De ruil vormt niet langer onderwerp van een afzonderlijke titel. Zij onderscheidt zich van koop alleen daarin dat de prestatie van een der partijen niet bestaat in betaling van een prijs in geld, doch dat beide partijen zich verbinden de ander een zaak te geven; artikel 50 verklaart de bepalingen omtrent koop daarop van overeenkomstige toepassing. Ten opzichte van de bestaande regelingen is de regeling van het ontwerp sterk gemoderniseerd, en zij vertoont daarmee een aantal kenmerkende verschillen. Daarvan zijn de volgende het belangrijkst. In het ontwerp zijn bepalingen omtrent de consumentenkoop - gedefinieerd in artikel 5 - opgenomen. Ten dele bestaan deze er uit dat belangrijke delen van de titel daarop van dwingend recht worden verklaard (artikel 6), ten dele zullen ook bijzondere regels daarvoor gelden. Zie ook de inleiding op deze memorie onder 4. 2024 -988- No. 164 De - beruchte, en in de rechtspraak dan ook zo beperkt mogelijk uitgelegde - regeling omtrent verborgen gebreken vervalt en wordt vervangen in afdeling 7.1.3, die in geval van samenloop andere bevoegdheden van de koper onverlet laat. De risicoregel bij koop, die van het risico vanaf het sluiten van de overeenkomst in beginsel op de koper legt, wordt eveneens vervangen. De tekst van het Nederlandse voorontwerp is in beginsel ontleend aan het ontwerp van een, overigens niet geratificeerd, Benelux-verdrag, dat op zijn beurt, met vereenvoudigingen, steunde op de zgn. LUVI (Loi Uniforme sur la Vente Internationale des objects mobiliers corporels), op initiatief van Unidroit tot stand gekomen. In een later stadium zijn tussen de bepalingen omtrent de koop in het algemeen bijzondere bepalingen omtrent de consumentenkoop verweven. Mede op de LUVI gebaseerd is het latere zgn. Weens Koopverdrag van 1980, dat op initiatief van de organisatie der Verenigde Naties Uncitral tot stand is gekomen en waartoe vele Staten zijn toegetreden (CISG-UN: Convention on Contracts for the International Sale of Goods). Afdeling 7.1.1 (Koop: algemene bepalingen)

  2811. Artikel 1 geeft een omschrijving van de koopovereenkomst. Zij gaat gemakshalve uit van de koop van een zaak in de zin van artikel 3:2 - aldus laten de bepalingen zich het meest concreet formuleren. In afdeling 10 worden ter aanvulling op de koop van vermogensrechten in de zin van artikel 3:6 de aan artikel 47 voorafgaande bepalingen in beginsel mede van toepassing verklaard. De term ‘zich verbinden tot’ moet ruim worden opgevat: de winkelier die zijn waren in een zelfbedieningszaak of in een automaat aanbiedt, verbindt zich tot een geven, ook als de klant die goederen, tegen afrekening van de prijs, zelf tot zich heeft genomen. Wat onder het ‘geven’ moet worden verstaan, volgt uit artikel 9. De identiteit van een partij kan voorlopig nog in het midden blijven: aldus als de koop door een vertegenwoordiger voor nader te noemen meester wordt tot stand gebracht (artikel 3:67, eventueel j artikel 3:78); zie voorts ook HR 20-5-1988, NJ 1988, 943.

  2812. Artikel 2 lid 1 schrijft voor dat alle koopovereenkomsten met betrekking tot onroerende zaken (ongeacht of de koper of verkoper een consument is en het verkochte een woning) schriftelijk moeten worden aangegaan (eerste volzin). Het gaat nu eenmaal om financieel gewichtige goederen en de schriftelijke vorm kan waken tegen onbezonnenheid. Voorts worden onzekerheden ten aanzien van de totstandkoming van de koop – is er tussen partijen wilsovereenstemming bereikt, mede gelet op artikel 6:225 lid 2, BW – vermeden. Ingevolge artikel 7:47 BW zal het schriftelijkheidsvereiste ook gelden voor rechten waaraan een onroerende zaak is onderworpen: erfpacht, opstal, appartementsrecht en vruchtgebruik. Daarbij dient men niet alleen te denken aan rechten die ten tijde van de koop reeds bestaan, maar ook aan rechten waaraan de zaak ter nakoming van de koop moet worden onderworpen, bijvoorbeeld de koop van een te vestigen recht van erfpacht. Blijkens de tweede volzin van artikel 2 lid 2 geldt hier vernietigbaarheid als sanctie, geen nietigheid. Een mondelinge koopovereenkomst kan echter nadat levering is gevolgd niet langer worden vernietigd. Zowel koper als verkoper hebben (vóór de levering) het recht tot vernietiging. Voor een vóórovereenkomst waaruit een gebondenheid tot koop voortvloeit zal de schriftelijke vorm ook gelden (artikel 6:226 BW). Totdat de akte door beide partijen is getekend, kunnen zowel koper als verkoper terugtreden zonder opgave van redenen. In Nederland wordt – ten aanzien van de huizenkoop door een consument (zie hiervóór onder Algemeen – wel aangenomen dat de verkoper gebonden is aan een mondelinge afspraak en de koper niet. Dit resultaat komt de ondergetekende onwenselijk voor. In de laatste volzin van artikel 2 lid 1 wordt bepaald dat ook een volmacht terzake (die al dan niet met lastgeving gepaard kan gaan) aan de schriftelijke vorm is gebonden. In de praktijk blijken er regelmatig geschillen te bestaan tussen (ver)kopers onderling en met makelaars omtrent de inhoud en strekking van verleende (verkoop)opdrachten. 2024 -989- No. 164

  2813. Artikel 2 leden 2 tot en met 5 introduceert een bedenktijd ten behoeve van de consument-koper. De omschrijving van de consument is ontleend aan (onder meer) de artikelen 6:236 (algemene voorwaarden), 7:5 (consumentenkoop van roerende zaken), 7:48a (timeshare), 7:408 lid 3 (opdracht) en 7:857 (borgtocht). Een redelijke uitleg van de woorden ‘die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf’, in geval het gaat om een overeenkomst met een tweeledig doel (bijv. koop van woning met praktijkruimte), is dat de bescherming niet geldt, tenzij de overeenkomst zo losstaat van de beroeps- of bedrijfsactiviteit van de betrokkene dat het verband marginaal wordt en bijgevolg in het kader van de verrichting, in haar totaliteit beschouwd, waarvoor deze overeenkomst is gesloten, slechts een onbetekende rol speelt (formulering ontleend aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 2005, NJ 2006, 278); de persoon die de bescherming inroept dient de bewijzen dat het beroeps- of bedrijfsmatig gebruik onbetekenend is; men zie ook Parlementaire geschiedenis van het nieuw Burgerlijk Wetboek, Invoering Boek 6, p. 1651. Wat betreft de schriftelijke vorm, zij verwezen naar artikel 2 lid 1. Als nadere eis stelt het onderhavige artikel 2 lid 2 de terhandstelling van de akte of een afschrift daarvan aan de koper-consument. Gedurende drie dagen kan deze vervolgens de koop ontbinden (tenzij levering heeft plaatsgevonden, hetgeen binnen die korte tijd niet vaak zal voorkomen). Ontbindt de koper de koop dan kan hij, doordat artikel 48e inzake timeshare van overeenkomstige toepassing is verklaard, ook terugtreden uit met de koop verband houdende financieringscontracten. De bedenktijd is korter dan bij timeshare (artikel 48c lid 1 BW: twee weken), maar timeshare heeft bijzondere aspecten. Een langere bedenktijd van drie dagen bij huizenkoop zou te bezwaarlijk zijn voor de verkoper, die veelal ook een ‘consument’ is. Voor de berekening van de drie dagen, telt de dag van terhandstelling van de koopakte of het afschrift daarvan niet mee (‘dies a quo non computatur in termino’). Voorts is de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing. Deze schrijft onder meer voor dat een in een wet gestelde termijn van ten minste drie dagen zo nodig zoveel verlengd wordt dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet zijn een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag (artikel 2 Algemene termijnenwet). Zou dus bijvoorbeeld de koopakte getekend en afgegeven zijn op zaterdag, dan moet de koper eventueel uiterlijk op dinsdagavond vóór 24.00 uur de koop ontbinden. De ontbinding is vormvrij (artikel 3:37 lid 1 BW). De ontbindingsverklaring moet de verkoper tijdig hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). De bedenktijd geldt ook voor een eventuele vóórovereenkomst, althans voor zover sprake is van een gebondenheid bij voorbaat tot koop (artikel 6:226 BW). De bedenktijd behoort in beginsel slechts eenmaal aan de koper ter beschikking te staan. Daarom is in de laatste volzin van artikel 2 lid 1 bepaald dat nadat de koop gedurende de bedenktijd van drie dagen door de koper is ontbonden, het recht op ontbinding binnen drie dagen niet opnieuw ontstaat indien binnen zes maanden tussen dezelfde partijen met betrekking tot hetzelfde object opnieuw een koop tot stand komt. Onder het begrip ‘woning’ valt mede een tweede woning. Wel zal de woning onroerend moeten zijn. Ook hier zorgt artikel 7:47 BW voor uitbreiding tot erfpacht, opstal, appartementsrecht en vruchtgebruik inzake een woning. Onder de bescherming valt voorts ingevolge lid 3 van het onderhavige artikel 2 de koop van deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven op het gebruik van een woning; men denke aan coöperatieve flatverenigingen. Het spreekt van zelf dat artikel 2 moeilijk kan worden toegepast op een veilingkoop. Voorts ligt de onderhandse verkoop door de hypotheekhouder met toestemming van de rechter (artikel 3:268 lid 2, BW in verbinding met artikel 548 Rv) dicht tegen de openbare executoriale verkoop aan (Rapportage. Wet koop onroerende zaken: de evaluatie, november 2009, p. 222). Voor de kopers van timeshares geldt reeds een bijzondere bescherming (artikelen 48a e.v. van de onderhavige titel 1). De veilingkoop voor een notaris, de verkoop als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 en de koop van timeshare zijn daarom in lid 5 uitgesloten van de toepasselijkheid van artikel 2. 2024 -990- No. 164 Dat de koper een geldprijs verschuldigd is, behoort tot de essentialia van de koopovereenkomst, niet dat deze bij het sluiten de koop reeds vaststaat. Dat volgt in het algemeen uit het voorschrift dat de verbintenissen die partijen op zich nemen, bepaalbaar moeten zijn (artikel 6:227), en artikel 4 sluit daarop aan: dit regelt hoe de koopprijs nader wordt bepaald, als dat niet bij het sluiten van de koop reeds is geschied - zie ook HR 25-2-1937, NJ 1937, 1058, en HR 5-11-1965, NJ 1966, 46. Uiteraard kunnen partijen ook zelf regelen hoe de prijs zal worden bepaald, eventueel door een derde, of kan de prijs uit de omstandigheden, bijvoorbeeld een reclameaanbod volgen.

  2814. Artikel 5 lid 1, geeft een definitie van de consumentenkoop - zie de inleidende opmerkingen bij deze afdeling. Of er sprake is van een consumentenkoop wordt niet uitsluitend bepaald door de kwaliteit van de koper, maar ook door die van de verkoper: vereist is dat die juist ‘professioneel’ is, dat wil zeggen: handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Ten slotte is vereist dat het object van de koop een roerende zaak is, waarbij lid 3 nog uitsluit dat deze door leidingen aangevoerd water is. (De Nederlandse tekst van lid 1 sluit, naast water, ook het door leidingen aangevoerd gas uit, doch dit zou in Suriname betekenis missen). Lid 2 geeft een nadere bepaling bij verkoop door bemiddeling van een gevolmachtigde in de uitoefening van diens beroep of bedrijf: deze wordt niet zelf partij als verkoper, maar zijn volmachtgever. Handelt deze niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, dan is er niettemin een consumentenkoop, tenzij de consument zijn kwaliteit kende. De situatie zal zich vooral voordoen bij koop op een veiling: uit de veilingvoorwaarden kan blijken of de veilinghouder optreedt in eigen naam of die van een volmachtgever, en, indien dit laatste, of deze verkoopt in de uitoefening van diens beroep of bedrijf. Dat een te leveren zaak nog moet worden vervaardigd zal er – zeker bij consumptiegoederen – doorgaans niet aan af doen dat er sprake is van een koopovereenkomst. Zo zal men bij de bestelling van een nog te vervaardigen auto kunnen spreken van koop van een toekomstige zaak. Zijn evenwel de te gebruiken materialen afkomstig van de ‘koper’, dan ligt de nadruk meer op de bewerking daarvan en zal eerder sprake zijn van een overeenkomst van aanneming van werk. Indien evenwel de materialen geheel of ten dele afkomstig zijn van degene die het werk moet opleveren en het bij het vervaardigen van de zaak van belang is dat deze op een bepaalde wijze tot stand wordt gebracht, kan dit afhankelijk van de omstandigheden als een koopovereenkomst, als aanneming van werk, danwel als een gemengde overeenkomst worden beschouwd. Men denke bijvoorbeeld aan de vervaardiging en levering van een kunstgebit of maatpak. Het zal dan van de omstandigheden afhangen hoe de overeenkomst moet worden getypeerd. Lid 4 van artikel 5 vereist in ieder geval dat indien het een consumptiegoed betreft de regels van koop van toepassing zijn. Dit betekent dat indien sprake zou zijn van aanneming van werk, toch ook de regels van consumentenkoop van toepassing zijn, en deze zo nodig de regels van aanneming van werk moeten verdringen. Zou evenwel sprake zijn van een gemengde overeenkomst, dan zijn ingevolge artikel 6:215 BW de bepalingen van beide soorten overeenkomsten naast elkaar van toepassing. Indien evenwel deze bepalingen voor een specifieke rechtsvraag niet verenigbaar zijn, moet gekozen worden tussen de regels van koop of van aanneming van werk. Artikel 5 lid 4, vereist echter ook voor dat geval dat de regels van consumentenkoop prevaleren, zodat voor deze situatie een van artikel 6:215 BW afwijkende regel moet worden gecreëerd.

  2815. Artikel 6 geeft terstond aan, hetgeen een van de belangrijke rechtsgevolgen is van de koopovereenkomst die consumentenkoop is: voor zover uit het artikel niet anders blijkt, zijn de bepalingen van titel 7.1, doch ook die inzake niet-nakoming van de afdelingen 6.1.9 en 6.5.5, met de uitwerking daarvan in het schadevergoedingsrecht, dwingend recht in die zin dat daarvan niet ten nadele van de koper kan worden afgeweken: de consument-koper kan de afwijkende bedingen vernietigen. (Zie voor de gevolgen van niet- nakoming onder de inleidende opmerkingen in de toelichting op afdeling 6.1.9. Opschortingsrechten bijvoorbeeld vallen daaronder niet, doch zie daarvoor het, dwingendrechtelijke, artikel 27, alsmede artikel 6:236, onderdeel c). Lid 2 breidt de ‘zwarte lijst’ van artikel 6:236 inzake algemene voorwaarden uit met bedingen die de bevoegdheden van de consument-koper beperken of diens verplichting uitbreiden in afwijking van de in dat lid genoemde artikelen uit artikel 1. 2024 -991- No. 164 Door lid 3 vermeden dat de consumentenbescherming ontdoken wordt door met name rechtskeuze voor het recht van een ander land. Zie ook artikel 46j lid 3 en artikel 48g lid 2.

  2816. Artikel 6a geeft voor de consumentenkoop enige regels voor de garantie. Hierbij zij vooraf opgemerkt dat de term ‘garantie’ voor verschillende uitleg vatbaar is. Zo worden garantiebewijzen nog weleens gebruikt om de wettelijke rechten van de koper te beperken. De koper wordt bijvoorbeeld uitsluitend het recht toegekend om bij een gebrek herstel te vorderen. Een dergelijke garantie, die derhalve de koper het recht ontneemt om vervanging te vorderen of om de overeenkomst te ontbinden, is in feite een exoneratie en is bij een consumentenkoop ingevolge artikel 6 lid 1, vernietigbaar. Artikel 6a geeft evenwel regels voor garanties die de rechten van de koper vergroten. Het ziet, zoals in lid 1 tot uitdrukking is gebracht, op garanties waarbij de verkoper of de producent bepaalde eigenschappen toezegt, bij het ontbreken waarvan hij de koper bepaalde rechten en vorderingen toekent. Dit lid bepaalt vervolgens dat de koper deze rechten en vorderingen kan uitoefenen, onverminderd alle andere rechten en vorderingen die de koper toekomen. Dit laatste vloeit uiteraard reeds voort uit artikel 6 lid 1. Hierbij zij overigens aangetekend dat de toezegging op zichzelf al het verwachtingspatroon van de koper beïnvloedt en dus mede van belang kan zijn voor de vraag of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt. Dit brengt mee dat het feit dat de verkoper of de producent bepaalde eigenschappen toezegt, mede van invloed is op de aan de koper toekomende wettelijke rechten. Dit dus ook zonder dat de verkoper of de producent hem bij het ontbreken van die eigenschappen bepaalde rechten toekent. Het kan derhalve zo zijn dat de in de garantie toegekende rechten de koper reeds toekomen, omdat in de garantie bepaalde eigenschappen zijn toegezegd. De koper wordt in dat geval door de garantie niet in een betere positie geplaatst in de zin dat hem expliciet in de garantie meer rechten worden toegekend dan hem volgens de wet toekomen. Overigens is dit bij de fabrieks- of importeursgarantie waarin de koper bepaalde rechten worden toegekend wel altijd het geval, omdat – zoals hieronder zal worden toegelicht – de koper daardoor naast de verkoper een tweede debiteur heeft.

  2817. Artikel 6a ziet op zowel de leveranciersgarantie, als op de fabrieks- en importeursgarantie. Voor dit laatste, zie lid 5 onder b, waar niet alleen de fabrikant van de zaak als producent wordt aangemerkt, maar ook degene die de zaak in Suriname invoert, alsmede eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op de zaak aan te brengen. Vergelijk ook artikel 6:187, leden 2 en 3. Fabrieks- en importeursgaranties vergroten per definitie de rechten van de koper in die zin dat de koper naast de rechten die hij jegens de verkoper reeds kan uitoefenen, nu ook rechten krijgt toegekend jegens de fabrikant of importeur met wie hij (anders) niet in een contractuele relatie staat. Door aanvaarding van de garantie krijgt de koper er een tweede debiteur bij, hetgeen bijvoorbeeld voordelig kan zijn indien de fabrikant of de importeur beschikt over een service- en reparatieafdeling. Overigens zij er nogmaals op gewezen dat de toezeggingen van een fabrikant of importeur middels 18 ook mede van invloed kunnen zijn op de rechten die de koper jegens de verkoper kan uitoefenen. Artikel 25 bewerkstelligt evenwel dat de draagplicht van de mogelijke daaruit voor de verkoper voortvloeiende schade toch bij de fabrikant of importeur wordt gelegd, aan welk uitgangspunt met de hieronder toegelichte wijziging van dit artikel ook in de praktijk meer recht wordt gedaan. Onder een garantie wordt ingevolge lid 5 onder a niet alleen verstaan een toezegging in een garantiebewijs, maar ook een toezegging in een reclame-uiting. Het moet daarbij wel gaan om toezeggingen waarbij de verkoper of de producent bij het ontbreken daarvan de koper bepaalde rechten toekent. Hieruit vloeit ook voor de reclame-uiting voort dat hetgeen door de verkoper of de producent op dit punt is toegezegd voldoende bepaalbaar moet zijn om na aanvaarding door de koper tot een garantieverbintenis tussen hem en de garant te kunnen komen. Of een reclame-uiting daaraan voldoet is een vraag van uitleg.

  2818. Artikel 6a heeft derhalve geen betrekking op een reclame-uiting waarin weliswaar bepaalde eigenschappen zijn toegezegd, zonder dat de verkoper of de producent bij het ontbreken daarvan de koper bepaalde rechten toekent. Uiteraard is een dergelijke uiting wel van belang voor beantwoording van de vraag of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt. Artikel 6a ziet daarentegen ingevolge lid 4 weer wel toe op een reclame- uiting van bijvoorbeeld de producent waarin hij bepaalde eigenschappen toezegt, zonder dat hij bij het ontbreken daarvan de koper bepaalde rechten toekent, maar hij in een bij de koop verstrekt garantiebewijs de koper wel bepaalde rechten toekent. De inhoud van de garantieverbintenis tussen de koper en de garant wordt dan mede ingekleurd door de in de reclame-uiting toegezegde eigenschappen. 2024 -992- No. 164

  2819. Artikel 6a heeft niet alleen tot doel de garantie in een juridisch kader te plaatsen en haar relatie tot de wettelijke rechten van de koper te regelen, maar ook om deze voor de koper meer transparant te maken. Daartoe moet de garant ingevolge lid 2 in de garantie op duidelijke en begrijpelijke wijze vermelden welke rechten en vorderingen een koper worden toegekend en moet worden vermeld dat deze een koper toekomen onverminderd de rechten en vorderingen die de wet hem toekent. Voorts moet in een garantie de naam en het adres worden vermeld van de garant van wie de toezegging afkomstig is, alsmede de duur en het gebied waarvoor de toezegging geldt. Deze gegevens moeten niet alleen worden vermeld in een garantiebewijs, maar ook in een reclame-uiting waarin de koper een toezegging wordt gedaan als bedoeld in lid 1. Niet valt te verwachten dat in een dergelijke reclame-uiting op bijvoorbeeld de radio of televisie immer aan deze verplichting zal worden voldaan. Dit doet er echter niet aan af dat indien de toegezegde eigenschappen ontbreken, de garant desondanks jegens de koper aansprakelijk is. De koper kan ingevolge lid 3 verlangen dat de zojuist genoemde gegevens schriftelijk of op een andere te zijner beschikking staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager worden verstrekt. Indien een (schriftelijk) garantiebewijs reeds voldoet aan de vereisten van lid 2 heeft dit lid verder geen betekenis, maar indien daarin bepaalde in lid 2 genoemde gegevens ontbreken kan derhalve de koper de verstrekking daarvan op een in lid 3 genoemde wijze verlangen. Hetzelfde geldt indien in een schriftelijke reclame-uiting deze gegevens ontbreken. Voorts is lid 3 voor de koper vooral van belang indien de reclame-uiting niet plaatsvond op een wijze als in lid 3 vermeld. Men denke voornamelijk aan een reclame op radio of televisie. De koper kan dan verlangen dat de in lid 2 bedoelde gegevens hem op een wijze als genoemd in lid 3 worden verstrekt. Hierbij zij nog ten overvloede aangetekend dat alleen een koper dit kan verlangen, dus alleen diegene die de in de reclame bedoelde zaak heeft gekocht. Ook hier geldt dat indien de garant niet of niet volledig aan deze verplichting voldoet, dit niet af doet aan zijn aan de uit de garantie voortvloeiende verplichtingen jegens de koper. Een koper kan zo nodig wel een – door een dwangsom versterkt – bevel tot nakoming vorderen. De koper kan verlangen dat de in lid 2 bedoelde gegevens hem worden verstrekt, waarbij de garant ervoor kan kiezen dit schriftelijk, dan wel op een andere voor de koper ter beschikking staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager (waaronder met name computerdiskettes, cd-rom en de harde schijf van de computer van de consument voor de opslag van elektronische boodschappen) te doen. Het is van belang deze keus aan de garant te laten, bijvoorbeeld voor de situatie dat de koop via internet is gesloten en schriftelijke informatieverschaffing te knellend kan zijn. De garant die ervoor kiest de betreffende gegevens op een duurzame gegevensdrager te verstrekken doet er verstandig aan zich ervan te vergewissen of de koper over een computer beschikt in welk geval hij de gegevens op een computerdiskette of cd-rom kan verstrekken, mits de computer dit kan lezen. Beschikt de koper tevens over een e-mailadres, dan kan de garant de gegevens elektronisch aan hem verzenden, waarbij de garant er verstandig aan doet de koper erop te attenderen deze gegevens op de harde schijf op te slaan. Ten slotte zij nog opgemerkt dat artikel 6a niet beperkt is tot zonder bijkomende kosten aangegane garantieverbintenissen. Niet valt immers in te zien waarom de koper die tegen betaling een garantie heeft verkregen de mogelijke bescherming die artikel 6a hem biedt zou moeten ontberen, en waarom met andere woorden deze koper minder bescherming geniet dan de koper die zonder daarvoor betaald te hebben een garantie heeft verkregen.

  2820. Artikel 7 straft in lid 1 ongevraagde toezending van als reclamemateriaal bedoelde zaken met de bevoegdheid van de koper zich deze - in bezit en eigendom - toe te eigenen. Bij deze regel, die geschreven is voor ontvangers die al dan niet consument zijn, wordt in lid 2 aangesloten met een algemeen verbod van toezending aan consumenten. Het verbod heeft betrekking op de toezending met het verzoek om daarvoor een prijs te betalen van zaken die niet door de consument zijn besteld. In vergelijking met artikel 7 lid 1 is de formulering van deze regel minder open van karakter. Zo brengt de formulering van de slotzinsnede (‘tenzij ...’) van artikel 7 lid 1 met zich dat de ontvanger zich niet op het artikel mag beroepen als hij de zaak weliswaar niet heeft besteld, maar wel de schijn van bestellen heeft opgewekt, terwijl het verbod in artikel 7 lid 2 in beginsel wel mede van toepassing is, ingeval de consument de schijn van bestellen heeft opgewekt. 2024 -993- No. 164 Denkbaar is dat in strijd met het verbod ongevraagd een zaak wordt toegezonden. In lid 2 is lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaard op deze situatie, voor zover lid 1 de ontvanger jegens de verzender bevoegd verklaart, de zaak om niet te behouden, ongeacht enige andersluidende mededeling van laatstgenoemde. Het enkele niet reageren door de ontvanger kan geen instemming met de levering betekenen, indien zich niet tevens andere omstandigheden voordoen. Zo’n andere omstandigheid zou kunnen zijn dat de ontvanger de gevraagde prijs betaalt aan de verzender: denkbaar is dat in de betaling een aanvaarding van het aanbod van de verzender besloten ligt (uit artikel 3:37 lid 1 volgt dat een aanvaarding in een of meer gedragingen besloten kan liggen), of dat de verzender de wil daartoe juist uit de betaling mag afleiden (artikel 3:35). Het verbod van lid 2 brengt mee dat ongevraagde toezending in alle gevallen onrechtmatig is, zodat eventueel schadevergoeding kan worden gevorderd (als schade is geleden), of een rechterlijk verbod met een dwangsom. Indien lid 1 van toepassing zou zijn, zou zulks slechts tot de mogelijkheden behoren, indien die onrechtmatigheid op andere grond zou berusten, nu lid 1 zich niet uitlaat over de vraag of ongevraagde toezending al dan niet geoorloofd is. Ongeoorloofde en daarmee onrechtmatige toezending zou hier bijvoorbeeld aanwezig kunnen zijn, indien ongevraagd een hoeveelheid mest wordt bezorgd bij een restaurant, waardoor de fraaie tuin onbruikbaar wordt. Nu het onderhavige verbod is bedoeld om te verhinderen dat een koopovereenkomst tot stand komt door het behouden van de ongevraagd toegezonden zaak, geldt het niet voor een vervangende levering die plaatsvindt ter nakoming van een reeds bestaande koopovereenkomst. Evenmin geldt het verbod van ongevraagde toezending voor het in artikel 46f lid 3, bedoelde geval dat de verkoper op grond van een tussen partijen overeengekomen beding in plaats van de door de consument bestelde zaak een andere zaak van gelijke kwaliteit en prijs levert, ingeval eerstbedoelde zaak niet beschikbaar is. Dit is een bij postorders gebruikelijke en algemeen aanvaarde praktijk. In lid 3 wordt bepaald dat ingeval de ontvanger de zaak terugzendt, de kosten daarvan voor rekening van de verzender komen. De hierboven uiteengezette regeling van lid 2 is van overeenkomstige toepassing verklaard op ongevraagd verrichte diensten, met uitzondering van financiële diensten; men zie lid 4. In afdeling 2 van titel 7.12 (Aanneming van werk) worden specifieke dwingendrechtelijke consumentenbeschermende bepalingen voorgesteld met betrekking tot de aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning. Het is wenselijk dat deze bepalingen ook gelden indien sprake is van een koop en ongeacht of de consument contracteert vóór, tijdens of na de bouw. Dit is gerealiseerd door in artikel 8 artikel 767 (geen vooruitbetaling) van overeenkomstige toepassing te verklaren op de koop door een consument van een te bouwen en na de voltooiing te leveren woning of van een reeds voltooide nieuw gebouwde woning, tenzij het gaat om de bouw van een woning op grond die de opdrachtgever reeds toebehoort terwijl de aannemingsovereenkomst niet met de koop van de grond verband houdt (artikel 766 lid 3). De schriftelijke vorm en bedenktijd van artikel 766 is voor de koop reeds afdoende geregeld in artikel 2. Afdeling 7.2 (Verplichtingen van de verkoper) De afdeling vermeldt voorop, in artikel 9, de hoofdverplichtingen van de verkoper: (eigendoms)levering en aflevering. Beide worden nader uitgewerkt: de eerste in de artikelen 12 lid 2, 15 j artikel 19, en 16, de tweede in de artikelen 12 en 13. Daarnaast behandelt de afdeling de risico-overgang (artikelen 10 en 11), het recht op de vruchten der zaak (artikel 14), en het vereiste der zgn. conformiteit, dat wil zeggen: de vereiste overeenstemming van (de eigenschappen enz. van) de verkochte zaak met hetgeen zij krachtens de overeenkomst behoort te zijn (artikelen 17 en 18 en mede 19). De artikelen 11, 13 en 18 gelden alleen voor de consumentenkoop. Is de koop een consumentenkoop dan geldt voor de artikelen 11, 12 en 13 artikel 5 lid 2 en voor de overige artikelen artikel 5 lid 1. 2024 -994- No. 164

  2821. Artikel 9 omschrijft de hoofdverplichtingen van de verkoper: overdracht van de verkochte zaak en aflevering daarvan. In het bestaande wetboek is, in verband met het systeem van de Franse Code, de eerste verplichting niet vermeld, maar de Hoge Raad heeft, bij arrest van 4-2-1983, NJ 1984, 628, voor het overeenkomstige oude Nederlandse recht beslist dat de verkoper de verplichting tot overdracht heeft. De vereisten voor overdracht en voor levering naar gelang de aard van het goed zijn te vinden in afdeling 3.4.2. De verkoper voldoet ook aan zijn verplichting tot overdracht als hij, indien hijzelf geen eigenaar der zaak is, ervoor zorgt dat de eigenaar rechtstreeks aan de koper overdraagt. Aflevering wordt in lid 2 omschreven als inbezitstelling, hetzij door de verkoper, hetzij, door diens zorg, door een derde. Inbezitstelling kan geschieden door bezitsoverdracht door de bezitter aan zijn opvolger, maar ook door middel van bezitsverschaffing door een houder. De wijzen waarop bezit wordt overgedragen, worden in de artikelen 3:114 en 3:115 genoemd, bezitsverschaffing door een houder geschiedt op dezelfde wijzen, met uitzondering van levering constituto possessorio, voor zover die door artikel 3:111 wordt uitgesloten (zie de toelichting op de genoemde artikelen en mede op artikel 3:86). Bezitsoverdracht constituto possessorio is onder andere de vorm die bij levering van eigendom tot zekerheid gewoonlijk wordt gebezigd. Conform artikel 3:91 j 3:92, wordt, indien de eigendom van de verkochte zaak wordt voorbehouden, onder aflevering in lid 3 het verschaffen van de macht over de verkochte zaak verstaan. De aflevering kan deel uitmaken van de (eigendoms)levering - aldus bij roerende zaken die niet registergoed zijn, en vorderingen aan order of toonder - zie de artikelen 3:90 en 3:93, maar dat is geenszins noodzakelijk; zo kan de aflevering van registergoederen vóóraf of na de eigendomslevering (artikel 3:89) geschieden. Lid 1 verplicht de verkoper om met de verkochte zaak ook haar ‘toebehoren’ mee (af) te leveren. Behalve de in de tweede zin genoemde bescheiden behoren daar, al naar gelang van de koop, ook toe de gebruiksaanwijzing, eventuele reserveonderdelen, eigendomsbewijzen, enz. Waar de zaak behoort te worden afgeleverd, wordt bepaald aan de hand van artikel 6:41. De artikelen 10 en 11 regelen het tijdstip waarop het risico voor de zaak van de verkoper overgaat op de koper - wat het rechtsgevolg van de risico-overgang is, wordt in de tweede zin van artikel 1 omschreven: de koopprijs blijft verschuldigd, ook al gaat de zaak teniet, of raakt zij beschadigd, wordt zij ontvreemd of iets dergelijks, door een oorzaak die niet aan de verkoper kan worden toegerekend.

  2822. Artikel 10 geeft de regeling voor de koop in het algemeen - van dwingend recht voor de consumentenkoop (artikel 6 lid 1) -, artikel 11 geeft daarenboven een niet dwingende regel voor de consumentenkoop (artikel 6 lid 2), indien de zaak krachtens de koop bij de koper wordt bezorgd. Volgens artikel 10 lid 1, gaat het risico in beginsel over op het tijdstip van aflevering van de zaak, en niet, zoals artikel 1477 thans voor de koop van een bepaalde zaak voorschrijft, reeds op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst. Lid 2 geeft een bijzondere regel, wanneer de koper in schuldenaars-, maar ook in schuldeisersverzuim geraakt in het geval, bedoeld in artikel 6:58, met aanduiding, wanneer zich dat bij de koop van soortzaken voordoet - de koper die in verzuim verkeert, draagt het risico, en kan zich daaraan niet door ontbinding onttrekken (zie artikel 6:266). Lid 3 beperkt de regel van lid 1: ondanks de aflevering blijft het risico voor de verkoper, indien deze tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen en die tekortkoming de op grond daarvan door de koper verlangde ontbinding of vervanging (artikel 21 lid 1 onderdeel c) rechtvaardigt. Lid 4 bepaalt in de eerste plaats dat áls het risico na aflevering nog bij de verkoper blijft, deze dat risico - geen recht op de koopprijs - blijft dragen, zelfs, als de zaak door toedoen van de koper tenietgaat of achteruitgaat, terwijl hij ook de gevolgen van zijn tekortkoming moet lijden (zie echter het ‘tenzij’ van artikel 21 lid 1 onderdeel c, ten aanzien van vervanging). Anderzijds legt lid 4, tweede zin, de koper een ‘zorgplicht’ op overeenkomstig artikel 6:27 en 6:273; toerekenbare schending daarvan verplicht de koper tot schadevergoeding, ook al tast zij diens bevoegdheid tot ontbinding niet aan - wél verliest de koper zijn recht op vervanging: artikel 21 lid 1 onderdeel c. Gaat de zaak onder de koper door een hem niet toe te rekenen oorzaak (overmacht) teniet of achteruit, dan is artikel 78 van toepassing. 2024 -995- No. 164

  2823. Artikel 11 geeft voor de consumentenkoop een eigen regel - die geen dwingend recht bevat: artikel 6 lid 2 - voor het geval dat de bezitsverschaffing (‘aflevering’: artikel 19 lid 2) voorafgaat aan de bezorging, zodat pas door deze laatste handeling de zaak in de feitelijke macht van de koper komt. Dit zal zich vooral voordoen bij bezitslevering ‘constituto possessorio’ (artikel 3:115, onderdeel a). Alsdan doet pas bezorging het risico op de consument-koper overgaan; voor de verdere toepassing van artikel 10 komt de bezorging voor de aflevering in de plaats - aldus bijvoorbeeld lid 2 wanneer de consument op de voor de bezorging afgesproken tijd niet thuis is.

  2824. Artikel 12, ook voor de consument geen dwingend recht (artikel 6 lid 2), geeft een kostenverdeling: lid 1 de kosten voor de verkoper, lid 2 de kosten voor de koper. De kosten van aflevering zullen vooral kunnen bestaan uit de kosten van vervoer van de zaak. Van belang is dan of de verplichting tot aflevering een haalschuld of een brengschuld is - zie daaromtrent artikel 6:41. Kosten van eventuele installatie van de zaak worden na aflevering gemaakt, en vallen niet meer onder de kosten van aflevering.

  2825. Artikel 13 geeft, evenals artikel 11, een, niet dwingende, bijzondere regel voor consumentenkoop, en sluit daarbij voor de kosten van bezorging ook in zekere mate aan - het strekt zich echter tevens uit tot de kosten voor andere bedongen werkzaamheden, zoals kosten van installatie.

  2826. Artikel 14 wijst de dag der aflevering aan als de dag vanaf wanneer de koper tegenover de verkoper recht krijgt op de - natuurlijke en burgerlijke - vruchten (artikel 3:9); de burgerlijke vruchten worden van dag tot dag berekend. Voor levering onder eigendomsvoorbehoud is voor de dag der aflevering bepalend artikel 9 lid 3; het resultaat waartoe artikel 14 leidt is in overeenstemming met artikel 1561n voor huurkoop thans.

  2827. Artikel 14 beslist niet over de vraag wie als rechthebbende op de vruchten heeft te gelden - zie voor natuurlijke vruchten artikel 5:1 lid 3 en overigens de toelichting op artikel 3:9: het bepaalt slechts de obligatoire verhouding tussen koper en verkoper. De koper heeft er recht op te weten wat hij koopt - hem moeten onverwachte verrassingen worden bespaard. Dat volgt reeds uit de regeling der ‘conformiteit’ (artikel 17) en ook de regeling der dwaling (artikel 6:228) zal hem vaak bescherming verlenen. Artikel 15 spitst dit toe op de ‘bijzondere lasten en beperkingen’ die op elke zaak kunnen drukken, maar vooral bij de koop van registergoederen een rol spelen. De zakenrechtelijke bescherming van derdenverkrijgers te goeder trouw zal voor roerende zaken meestal een beroep op artikel 15 niet nodig maken: zie artikel 3:86. Voor registergoederen is die derdenbescherming beperkter, en voor zover zij bestaat vereist zij tevens registeronderzoek (artikel 3:23). Voor de lasten en beperkingen verscherpt artikel 15 de eisen die uit de conformiteits- en dwalingsregeling voortvloeien: zij legt op de koper een verplichting de zaak zonder deze lasten en beperkingen over te dragen, behalve voor zover de koper hen uitdrukkelijk heeft aanvaard. Bij de ‘bijzondere lasten en beperkingen’ moet men denken aan die van privaatrechtelijke aard: beperkte rechten en kwalitatieve verbintenissen, huur, licenties van octrooien, enz. Tot deze lasten en beperkingen zullen niet de publiekrechtelijke behoren, omdat ze niet ‘bijzonder’, dat wil zeggen: drukkend juist op de verkochte zaak, zullen zijn. Van uitdrukkelijke aanvaarding kan alleen sprake zijn, als de koper de aard en omvang van de lasten en beperkingen kende en ondubbelzinnig heeft doen blijken dat hij ze accepteerde.

  2828. Artikel 15 lid 2 betekent nog een verscherping ten opzichte van lid 1: de verkoper staat in voor de afwezigheid van in de openbare registers inschrijfbare, doch niet ingeschreven feiten, en deze bepaling is bovendien van dwingend recht. Welke feiten inschrijfbaar zijn, wordt door artikel 3:17 en ook door artikel 6:252 geregeld, de bescherming van de verkrijger tegen het ontbreken van inschrijving in artikel 3:23. Voor de toepasselijkheid van artikel 15 lid 2, denke men zowel aan vestiging van beperkte rechten tussen de koop en de levering, als ook aan feiten die volgens artikel 3:17 wel inschrijfbaar zijn, doch niet onder de bescherming van artikel 3:23 lid 1 vallen. De regeling van artikel 15 is verbintenisrechtelijk van aard: zakenrechtelijk geeft zij geen bescherming, maar niet-nakoming wordt gesanctioneerd met de regels die voor de niet-nakoming van verbintenissen in het algemeen en van wederkerige overeenkomsten in Boek 6 gelden, en met die welke voor de koop in het bijzonder in Boek 7 zijn geschreven - zie onder andere artikel 16. Zie voorts de beperking voor executoriale verkoop in artikel 19. 2024 -996- No. 164

  2829. Artikel 16 vormt het processuele sluitstuk op de materieelrechtelijke verplichting van de verkoper tot overdracht (artikel 9 lid 1) en wel zonder door de koper aanvaarde lasten en beperkingen (artikel 15): de koper kan de verkoper in vrijwaring roepen, als een derde vanwege zijn beter recht een vordering tot uitwinning of erkenning tegen hem instelt. De vrijwaring houdt in een processuele verdediging van de belangen van de koper door de verkoper. Zij is verder geregeld in de artikelen 71 tot en met 77 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het huidige recht kent niet slechts de verplichting van de verkoper tot vrijwaring voor rechtsgebreken, doch ook met betrekking tot koop van specieszaken die tot vrijwaring van verborgen gebreken (artikel 1508) - voor koop van genuszaken is hier de wanprestatieregeling van toepassing. De regeling omtrent de verborgen gebreken wordt onbevredigend geacht en vervalt. Zij wordt in het ontwerp vervangen door de regeling van de artikelen 17 en 18 omtrent feitelijke gebreken van de afgeleverde zaak - naast die van de rechtsgebreken in de artikelen 15 en 16. Deze regeling geldt voor de koop van alle zaken en gaat uit van het vereiste dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden - het zgn. conformiteitsvereiste. De verkoper die een zaak aflevert die niet aan de overeenkomst beantwoordt, komt zijn verbintenissen uit die overeenkomst niet na, zodat de gevolgen van tekortkoming in de nakoming intreden. Het conformiteitsvereiste wordt in artikel 17 lid 1, in algemene beantwoordingen gesteld, en in de leden 2 en 3 op een drietal gevallen toegespitst: a. de afgeleverde zaak bezit niet de eigenschappen die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, of is juist behept met ongewenste eigenschappen die de koper niet behoefde te verwachten (lid 2); b. de afgeleverde zaak is niet - of van een andere soort dan - de verkochte zaak (lid 3, eerste zin); c. de afgeleverde zaak wijkt in getal, maat of gewicht af van de verkochte zaak (lid 3, tweede zin). Hoever het kwaliteitsvereiste van lid 2 strekt, wordt medebepaald door de omstandigheden waaronder de koop wordt gesloten, zoals de aard van de zaak (nieuw of gebruikt, merk, enz.) de hoogte van de prijs, het soort winkel, uitverkoop, enz. Voorts is van belang de deskundigheid van koper en verkoper, en in verband daarmee de verplichting van de verkoper tot het geven van inlichtingen en de verplichting van de koper tot het duidelijk maken wat hij verwacht en het redelijkerwijs verrichten van onderzoek, gezichtspunten die ook in de toelichting op artikel 6:228 (dwaling) zijn besproken. De tweede zin van lid 2 splitst het algemene kwaliteitsvereiste toe op het te verwachten gebruik van de zaak. Tot de eigenschappen die de koper, tenzij anders overeengekomen, mag verwachten, behoort onder meer dat de zaak bij normaal gebruik veilig is en voldoet aan van overheidswege gestelde veiligheidsvoorschriften; zie HR 15-11-1985, NJ 1986, 213, en HR 15-4-1994, NJ 1995, 614, inzake koop van een tweedehandse auto. Is er samenloop tussen dwaling en non-conformiteit, dan kan de koper kiezen: bij een beroep op dwaling vernietiging, bij een beroep op non-conformiteit nakoming of ontbinding, en, al dan niet daarbij, schadevergoeding (tot het positieve contractsbelang). Lid 5 bepaalt dat geen sprake kan zijn van gebrek aan overeenstemming wanneer het gebrek op het tijdstip van sluiting van overeenkomst de consument bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn, of wanneer het gebrek zijn oorsprong heeft in door de consument geleverde grondstoffen. In die situatie kan niet gezegd worden dat de koper die gemiste eigenschappen mocht verwachten. Het redelijkerwijs bekend kunnen zijn legt op de koper geen onderzoeksplicht, maar voorkomt dat de koper zich erop beroept dat hem het gebrek onbekend was terwijl het gebrek hem vrijwel onmogelijk kon zijn ontgaan. Hierbij zij opgemerkt dat de in artikel 17 lid 2, tweede volzin, voorkomende woorden ‘niet behoefde te betwijfelen’ onder omstandigheden wèl een onderzoeksplicht op de koper legt. De koper kan zich ook niet op non-conformiteit beroepen wanneer het gebrek zijn oorsprong heeft in door de consument geleverde grondstoffen. In veel gevallen zal wanneer de consument grondstoffen aanlevert de overeenkomst zijn aan te merken als aanneming van werk. Desalniettemin is denkbaar dat onder omstandigheden de overeenkomst toch als een koopovereenkomst of een gemengde 2024 -997- No. 164 overeenkomst moet worden beschouwd, bijvoorbeeld omdat een (ander) deel van de grondstoffen van de verkoper afkomstig is, en de zaak derhalve mogelijk toch aan de koper geleverd moet worden. Vergelijk de artikelen 5:14 en 5:15. Ingevolge lid 4 van artikel 5 prevaleren dan de regels van consumentenkoop. Het is raadzaam de regel niet te beperken tot consumentenkoop. Overigens zij nog opgemerkt dat de koper zich in deze situatie wel op non-conformiteit kan beroepen indien de verkoper hem voor de gebreken of ongeschiktheid van de grondstoffen had moeten waarschuwen. Lid 6 geeft voor de koop van een onroerende zaak een uitwerking aan lid 3 in de vorm van een - weerlegbaar - vermoeden; de kwestie is van belang omdat in de koopakte de zaak gewoonlijk op meer dan een wijze wordt omschreven; feitelijke ligging, perceelsidentificatie en oppervlakte. In zo'n verband moet, tenzij bewijs van het tegendeel wordt geleverd, de vermelding van de oppervlakte wijken voor een concretere omschrijving en is de afwijking bij de bezitsverschaffing niet als een tekortkoming te beschouwen. Zie de toelichting bij artikel 3:89 voor het geval de transportakte afwijkt van de koopakte.

  2830. Artikel 17 is voor consumentenkoop dwingend recht binnen de grens van artikel 6 lid 1. Het betekent onder meer dat de consument, ondanks een door de verkoper bedongen beperkende ‘garantie’ zich niet behoeft te laten weerhouden van een beroep op de leden 2 en 3, ook al kan de ‘garantie’ mede zijn verwachtingen omtrent de te kopen zaak bepalen. Met betrekking tot de kwaliteit en prestaties die het consumptiegoed moet bieden is niet alleen van belang wat de verkoper daarover heeft medegedeeld, maar ook wat de producent of diens vertegenwoordiger publiekelijk – met name in reclame of etikettering – over de bijzondere kenmerken daarvan heeft medegedeeld. Ingevolge artikel 17 lid 2, eerste volzin, zijn de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan medebepalend voor de vraag of de zaak de eigenschappen bezit – waaronder begrepen diens kwaliteit en prestaties – die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. In de redactie van deze volzin is dit expliciet tot uitdrukking gebracht. Artikel 18 ziet vervolgens toe op mededelingen van voorschakels en bewerkt voor de consumentenkoop een gelijkschakeling van de mededelingen van deze met die van de verkoper. Hierbij valt met name, maar niet alleen, te denken aan reclamemededelingen. Er geldt volgens het lid 1 een drietal uitzonderingen op het uitgangspunt dat de verkoper gebonden is aan de mededelingen van zijn voorschakels. In de eerste plaats is hij daaraan niet gebonden indien hem de mededeling niet bekend was en hem redelijkerwijs niet bekend kon zijn. De tweede uitzondering is van toepassing indien de verkoper aantoont dat de mededeling op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst was rechtgezet. In artikel 18 lid 1 is expliciet genoemd het tijdstip waarop de mededeling moet zijn rechtgezet, namelijk uiterlijk bij sluiting van de overeenkomst. Overigens berust de bewijslast van een en ander ingevolge artikel 18 telkens op de verkoper. De derde uitzondering waarin de verkoper niet gebonden is aan mededelingen van zijn voorschakels betreft de situatie waarin hij aantoont dat de beslissing tot aankoop niet door deze mededelingen beïnvloed kan zijn. Ook hier volgt uit de redactie van artikel 18 lid 1 dat de bewijslast ter zake op de verkoper rust. Of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt moet worden beoordeeld naar het moment van aflevering. Indien evenwel pas op een later tijdstip blijkt dat de zaak afwijkt van hetgeen is overeengekomen, kan het voor de koper buitengewoon lastig zijn om te bewijzen dat deze afwijking reeds bestond op het moment van aflevering. Dit zal vooral lastig zijn indien de verkoper het erop houdt dat de afwijking het gevolg is van een onoordeelkundig gebruik. Wenselijk is dat in geval van een consumentenkoop de koper in zijn mogelijke bewijsnood tegemoet wordt gekomen. Met artikel 18 lid 2, wordt hieraan uitvoering gegeven. Het bepaalt dat bij een consumentenkoop vermoed wordt dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzetten. Met dit wettelijk vermoeden moet de koper stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting bewijzen, dat de zaak afwijkt van het overeengekomene en dat deze afwijking zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering heeft geopenbaard. Daaruit moet dan door de rechter worden afgeleid dat de zaak reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Het is dan aan de verkoper om te stellen en, zo nodig, te 2024 -998- No. 164 bewijzen dat de zaak bij aflevering wel aan de overeenkomst heeft beantwoord. Bepaald is dat dit vermoeden niet geldt indien de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Bij de aard van de zaak denke men bijvoorbeeld aan bederfelijke levenswaren indien ingevolge artikel 23 lid 1, het gebrek aan overeenstemming na de op de verpakking vermelde uiterste datum van houdbaarheid wordt gemeld; bij de aard van de afwijking denke men aan de situatie waarin duidelijk is dat de afwijking is ontstaan door de handelwijze van de koper (bijvoorbeeld een overduidelijk door een val niet meer functionerende videorecorder). De eerste volzin van artikel 18 lid 3, bewerkstelligt dat de koper zich ook op non-conformiteit kan beroepen indien de verkoper voor de installatie van het consumptiegoed moest zorg dragen en dit ondeugdelijk is uitgevoerd. In deze situatie is normaal gesproken sprake van twee te onderscheiden overeenkomsten: koop ten aanzien van het consumptiegoed en aanneming van werk ten aanzien van de installatie daarvan. Artikel 18 lid 3 bewerkstelligt dat bij een ondeugdelijke installatie ook de regels inzake consumentenkoop van toepassing zijn, zodat de koper ook de rechten van artikel 21 toekomen. Dit laat overigens onverlet dat op de installatie zelf ook de regels van aanneming van werk van toepassing zijn. Een en ander geldt eveneens voor de situatie dat de koper de zaak ondeugdelijk heeft geïnstalleerd, maar dit het gevolg is van een gebrekkige montagehandleiding; zie de tweede volzin van artikel 18 lid 3. De koper kan zich daarbij overigens alleen op non-conformiteit beroepen indien de montagevoorschriften bij de levering van de zaak zijn verstrekt, en dus of van de verkoper afkomstig zijn, of van diens voorschakel en bijvoorbeeld verpakt zijn in de doos waarin de zaak wordt afgeleverd.

  2831. Artikel 19 lid 1 behelst voor executoriale verkoop een verzachting van het vereiste dat de verkoper de zaak vrij van lasten en beperkingen moet overdragen en van het conformiteitsvereiste: de verkoper staat hiervoor alleen in, indien hij de afwijking kende; niet als hij die niet kende en evenmin wordt van hem een onderzoek verlangd, zodat hij de afwijking had kunnen en moeten kennen. Voor de executoriale verkoper gaan zulke eisen te ver. Hetzelfde geldt volgens lid 2 ook voor parate executie, zoals door pand- en hypotheekhouder, echter onder een beperking, namelijk dat de koper wist of had moeten weten dat het om zo'n parate executie ging: terwijl de koper, door de inachtneming van de desbetreffende voorschriften, kan weten dat het om executoriale verkoop gaat, wordt de koper bij parate executie niet altijd op die wijze gewaarschuwd. In de tweede volzin van lid 2 wordt voor de consumentenkoop toegevoegd dat de koper bij een verkoop bij wijze van parate executie zich er wel op kan beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Lid 2 leent zich voor overeenkomstige toepassing waar de wet elders iemand de bevoegdheid verleent andermans zaak te verkopen - aldus de overheid krachtens artikel 5:8 en de schuldenaar-houder krachtens artikel 6:90 en artikel 7.30. Afdeling 7.3 (Bijzondere gevolgen van niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper) De eerste twee artikelen, 20 en 21, behelzen bijzondere varianten van nakomingsacties bij niet-nakoming van de koopovereenkomsten, artikel 20 een bij niet-nakoming van artikel 15, artikel 21 enige bij niet- nakoming van artikel 17. Artikel 22 behelst een samenloopregel die ten dele afwijkt van die in het huidige recht betreffende verborgen gebreken. De artikelen 23 tot en met 25 geven bijzondere regels voor het ontbreken van conformiteit - zij geven, elk op eigen wijze, de verkoper bescherming tegen te vergaande aansprakelijkheid. De artikelen 21 leden 2 en 3 en 24 gelden alleen bij consumentenkoop. Op een consumentenkoop zijn de bepalingen der afdeling van dwingend recht op de voet van artikel 6 lid 1. Voor andere soorten koop vormen zij regelend recht. 2024 -999- No. 164

  2832. Artikel 20 geeft de koper de bevoegdheid van de verkoper te verlangen dat deze ervoor zorgt dat niet aanvaarde lasten en beperkingen als bedoeld in artikel 15, alsnog worden opgeheven. De verkoper moet zich hiervoor inspannen, en wel binnen de grens van het redelijke, omdat gewoonlijk de medewerking van een derde zal zijn vereist. Blijkt de nakoming niet mogelijk of verlangt de derde een onredelijk hoge prijs, dan staan de koper alleen de niet-nakomingsvorderingen ten dienste, alsmede vernietiging of contractsaanpassing wegens dwaling. Ook artikel 21 is erop gericht dat de koper, hier in geval van non-conformiteit, alsnog nakoming verkrijgt. De bijzondere vorderingen die het artikel de koper ten dienste stelt, zijn, ook wat die in onderdelen b en c betreft, niet te zien als strekkend tot schadevergoeding: zo is niet vereist dat de tekortkoming aan de verkoper kan worden toegerekend. Lid 1 geeft de koper een drietal vorderingen - de eerste voor het geval dat het afgeleverde niet compleet is of de afgeleverde hoeveelheid geringer is dan de overeengekomene, de beide andere, indien de afgeleverde zaak niet deugt. Veelal zal, in het bijzonder wanneer de afgeleverde zaak een vervaardigd product is, de koper de keus tussen deze beide hebben. De vordering tot herstel is slechts toegelaten, als de verkoper daaraan redelijkerwijs - zowel in technisch als bedrijfseconomisch opzicht - kan voldoen. Vervanging kan worden gevorderd tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om haar te rechtvaardigen - zie, ook voor de formulering, artikel 6:265 - dan wel de koper zijn ‘zorgplicht’ niet is nagekomen - zie, ook voor de formulering, artikel 6:273 -, waardoor de zaak achteruit gegaan is. Zoals gebruik van de ondeugdelijke zaak, zolang ze niet hersteld of vervangen is, de koper niet berooft van diens opschortingsrecht (HR 4-3-1977, NJ 1977, 337), zo zal zulk gebruik hem ook niet zijn rechten uit de onderdelen b en c ontnemen. In het artikel 21 lid 2 wordt tot uitdrukking gebracht dat de kosten die verbonden zijn aan het herstel of de vervanging niet aan de koper in rekening kunnen worden gebracht. Artikel 6 staat dan wel toe dat daarvan bij een andere koop dan consumentenkoop kan worden afgeweken. Overigens geldt dit dan ook voor de kosten van aflevering van het ontbrekende, waarbij opgemerkt kan worden dat ingevolge artikel 12 de kosten van aflevering ook ten laste van de verkoper komen, zij het dat dit – ook voor de consumentenkoop – van regelend recht is (behoudens in geval van afwijking bij algemene voorwaarden). Voor aflevering van het ontbrekende is dit laatste derhalve bij een consumentenkoop anders, en zal dus een beding dat de kosten van aflevering voor rekening van de koper komen slechts tot gevolg hebben dat alleen de kosten van de eerste niet-correcte aflevering voor zijn rekening komen. Er zij nog op gewezen dat bij (kosteloze) vervanging de verkoper slechts in uitzonderingsgevallen recht heeft op een gebruiksvergoeding. In het artikel 21 lid 3 is tot uitdrukking gebracht dat het herstel of de vervanging binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument moet plaatsvinden, waarbij mede rekening moet worden gehouden met de aard van de goederen en het gebruik van de goederen dat de consument wenste. De termijn waarbinnen de verkoper tot herstel of vervanging dient over te gaan, alsmede de mate van overlast die de koper daarbij moet accepteren, is derhalve mede afhankelijk van de aard van de zaak en het bijzondere gebruik daarvan dat bij de overeenkomst is voorzien. Zo zal, om een voorbeeld te noemen, een niet deugdelijke bruidsjurk spoedig moeten worden hersteld of vervangen. Uiteraard is de mate van afwijking van het overeengekomene medebepalend voor de vraag binnen welke termijn herstel moet plaatsvinden en welke mate van overlast voor de koper nog als aanvaardbaar mag worden beschouwd. De verplichting van de verkoper komt binnen redelijke termijn en zonder ernstige overlast tot herstel of vervanging over te gaan wordt in artikel 21 lid 3 niet beperkt tot alleen de consumentenkoop. Het zijn immers verplichtingen die ook bij andere koopvormen op zijn plaats zijn en daarom bezwaarlijk tot alleen de consumentenkoop beperkt kunnen worden. In het artikel 21 lid 3 is voorts in de tweede volzin tot uitdrukking gebracht dat bij een consumentenkoop de koper de overeenkomst geheel of gedeeltelijk kan ontbinden zonder dat de verkoper in verzuim is, indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn of niet zonder ernstige overlast tot herstel of vervanging is overgegaan. Het anders wellicht toch mogelijke vereiste van een schriftelijke aanmaning zou immers voor een passende prijsvermindering via een gedeeltelijke 2024 -1000- No. 164 ontbinding een vereiste opleveren. Dit brengt overigens mee dat de verkoper om gehele of gedeeltelijke ontbinding te voorkomen, er extra op bedacht moet zijn dat hij uit eigen beweging spoedig tot herstel of vervanging overgaat. De koper hoeft immers niet voor hij de overeenkomst kan ontbinding de verkoper nog een redelijke termijn voor nakoming te gunnen, indien de verkoper al te lang met herstel of vervanging heeft gewacht. Omdat dit overigens voor andere vormen van koop dan een consumentenkoop wellicht wat te rigoureus is, is deze regel beperkt tot de consumentenkoop. Indien overigens de verkoper niet zonder ernstige overlast of niet binnen een redelijke termijn tot herstel of vervanging is overgegaan, zou de vraag aan de orde kunnen komen of deze tekortkoming wel algehele ontbinding rechtvaardigt, vooral indien het herstel of de vervanging al wel is voltooid. Denkbaar is dat deze tekortkoming in dat geval van te geringe betekenis is om algehele ontbinding te rechtvaardigen. Wel zal dan een gedeeltelijke ontbinding gerechtvaardigd zijn, waarbij de daaruit voortvloeiende prijsvermindering evenredig is met de ernst van de tekortkoming. Ten slotte zij er nog op gewezen dat in het geval de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot herstel is overgegaan, maar de koper herstel verkiest boven ontbinding, de koper ingevolge artikel 21 lid 6, bevoegd is het herstel voor kosten van de verkoper door een derde te doen laten plaatsvinden. Daartoe is de koper echter in tegenstelling tot ontbinding pas bevoegd indien hij de verkoper schriftelijk heeft aangemaand om binnen redelijke termijn tot herstel over te gaan. Ingevolge lid 4 van artikel 21 komt in de eerste plaats de koper geen herstel of vervanging toe indien dat onmogelijk is. Vervanging zal niet snel onmogelijk zijn. Hiervan zal slechts sprake zijn indien een zaak die identiek is aan de afgeleverde zaak, niet meer te verkrijgen is. Dat vervanging mogelijk is laat uiteraard onverlet dat dit onder omstandigheden van de verkoper niet gevergd kan worden. Ook voor de vordering tot herstel geldt dat dit voor de verkoper mogelijk moet zijn. Ingevolge artikel 21 lid 1 onderdeel b, staat bij onmogelijkheid van herstel deze vordering ook niet open, omdat dan uiteraard niet gezegd kan worden dat de verkoper daaraan redelijkerwijs kan voldoen. Overigens is dit laatste criterium ruimer. Zo kan herstel ingevolge artikel 21 lid 1 onderdeel b, afgewezen worden indien dit uit bedrijfseconomisch oogpunt van de verkoper niet kan worden gevergd. Artikel 21 lid 5 werkt evenwel nader uit in welke gevallen vanuit dit oogpunt herstel niet gevergd kan worden. Indien herstel of vervanging mogelijk zijn staan deze vorderingen voor de koper desondanks niet open indien dat van de verkoper niet gevergd kan worden. Indien overigens herstel van de verkoper niet gevergd kan worden, laat dat onverlet dat mogelijk wel vervanging van hem gevergd kan worden, en andersom. Zoals boven aangegeven kan onder omstandigheden uit bedrijfseconomisch oogpunt herstel of vervanging van de verkoper niet gevergd worden. Hiervan is in principe sprake indien de kosten van herstel of vervanging in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht of vordering dat de koper toekomt. Hiervan is sprake indien de kosten van herstel of vervaging in deze vergelijking onredelijk zijn omdat de kosten daarvan beduidend hoger liggen dan de kosten van uitoefening van een ander recht of vordering. Bij de vraag of hiervan sprake is, komt gewicht toe aan alle omstandigheden waaronder: de beschikbaarheid van vervangende zaken of onderdelen, de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander recht of vordering voor de koper geen ernstige overlast veroorzaakt. Zie het artikel 21 lid 5. Zo zal, om een voorbeeld te noemen, de koper genoegen moeten nemen met herstel indien de afwijking te gering is om vervanging te rechtvaardigen (vergelijk artikel 21 lid 1 sub c). Daarentegen zal de koper met vervanging genoegen moeten nemen indien de zaak zonder afwijking een geringe waarde heeft en de herstelkosten deze beduidend overschrijden. Ook zal de koper met vervanging genoegen moeten nemen indien de kosten van herstel op een wijze dat de koper daarvan geen ernstige overlast ondervindt, in geen verhouding staan tot de kosten van vervanging. Uiteraard spelen bij de toepassing van artikel 21, leden 4 en 5, de eisen van redelijkheid en billijkheid mede een rol (artikel 6:248). Artikel 21 lid 5 is ten opzichte van de Nederlandse pendant iets versoepeld. Behalve dat het woord ‘redelijkerwijs’ is toegevoegd (vergelijk artikel 21 lid 1 onderdeel b), zijn door de term ‘mede’ de genoemde factoren, waarmee rekening moet worden gehouden, niet limitatief. Bovendien is duidelijkheidshalve als factor toegevoegd de beschikbaarheid van vervangende zaken of onderdelen. Per slot van rekening gaat het in Suriname om een betrekkelijk kleine markt. 2024 -1001- No. 164 Lid 6, dat hierboven al ter sprake kwam, geeft de koper tenslotte de bevoegdheid om eigenmachtig - vgl. artikel 3:299 voor een rechterlijk bevel - het verlangde herstel door een door hem gekozen derde op kosten van de verkoper te doen uitvoeren, indien deze laatste niet binnen redelijke tijd aan zijn verplichting voldoet. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 is ontbinding niet mogelijk indien de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In artikel 22 lid 2 is voor de consumentenkoop een van artikel 6:265 lid 1, afwijkende regel neergelegd. Hierbij zij aangetekend dat artikel 22 lid 2 alleen ziet op de situatie dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Indien een tekortkoming van de verkoper op iets anders ziet – zoals bijvoorbeeld de verplichting om binnen redelijke termijn en zonder ernstige overlast tot herstel of vervanging over te gaan – geldt de hoofdregel van artikel 6:265 lid 1 en blijft het derhalve mogelijk dat de bijzondere aard van de tekortkoming zich tegen ontbinding verzet. Indien nakoming – dat wil zeggen herstel èn vervanging – onmogelijk is kan de koper ingevolge artikel 6:265 onmiddellijk de koopovereenkomst ontbinden. In de tweede volzin van artikel 22 lid 2 is dit ook voor de consumentenkoop tot uitdrukking gebracht. Indien bij een consumentenkoop herstel en vervanging niet gevorderd zouden kunnen worden omdat dat van de verkoper niet gevergd kan worden, wil dat nog niet zeggen dat deze vormen van nakoming onmogelijk zijn. Maar omdat de koper desondanks geen nakoming in de vorm van herstel en vervanging kan vorderen, en voor hem derhalve nog slechts de vordering tot (gedeeltelijke) ontbinding openstaat, heeft een schriftelijke aanmaning tot nakoming geen zin. Daarom is in de tweede volzin van artikel 22 lid 2 eveneens bepaald dat indien herstel en vervanging van de verkoper niet gevergd kunnen worden, de koper de overeenkomst geheel of gedeeltelijk kan ontbinden zonder dat de verkoper in verzuim is. Voor een passende prijsvermindering via een gedeeltelijke ontbinding is deze bepaling ook noodzakelijk omdat ook hier het vereiste van een schriftelijke aanmaning een ongewenst vereiste zou opleveren. Hierbij zij wel aangetekend dat ontbinding zonder dat de verkoper in verzuim is alleen mogelijk is indien zowel herstel als vervanging van de verkoper niet gevergd kunnen worden. Zeer goed denkbaar is immers dat slechts herstel of slechts vervanging niet gevergd kan worden, zodat nog nakoming kan worden gevorderd in de vorm van de andere vordering. Men denke bijvoorbeeld aan een defecte wegwerpcamera, waarbij herstel niet, maar vervanging wel gevergd kan worden. Alsdan kan die vorm van nakoming gevorderd worden en blijft het verzuim-vereiste in stand. Is onder het huidige recht sprake van een verborgen gebrek in een specieszaak, dan kan de koper slechts een beroep doen op de vrijwaringsregeling - en eventueel op dwaling (HR 21-12-1990, NJ 1991, 251) of onrechtmatige daad (HR 19-2-1993, NJ 1994, 290), maar niet op de gewone regeling omtrent wanprestatie (HR 27-6-1941, NJ 1941, 78). Lid 4 van artikel 22 daarentegen laat de koper bij deze samenloop vrij.

  2833. Artikel 23 behelst een regeling van de termijnen, in het belang van de verkoper, waarbinnen de koper een beroep kan (en moet) doen op het ontbreken van conformiteit. Lid 1, eerste volzin, verplicht daartoe de koper tot een kennisgeving aan de verkoper binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of kunnen ontdekken; vgl. de, strikter geformuleerde, ‘korte tijd’ uit het huidige recht; het nieuwe begrip laat het uitvoeren van zeker onderzoek toe. Tot zulk een onderzoek is, gezien de zinsnede ‘of redelijkerwijs had behoren te ontdekken’, de koper ook verplicht. De tweede volzin van lid 1 maakt hierop een uitzondering in een tweetal gevallen waarin de verkoper de koper in de waan heeft gelaten dat conformiteit bestond; vgl. de regeling bij dwaling in artikel 6:228. De eerste twee volzinnen van lid 1 gelden voor alle koopvormen. In de derde volzin vindt voor de consumentenkoop een aanpassing plaats. In de eerste plaats verloopt voor de consumentenkoop de termijn waarbinnen de koper de verkoper in kennis moet stellen niet eerder dan na twee maanden na ontdekking van de afwijking van het overeengekomene. In de tweede plaats is het moment van ontdekking het startpunt van deze termijn en niet eventueel het moment waarop de koper de afwijking redelijkerwijs had behoren te ontdekken. Dit betekent dat bij een consumentenkoop op de koper niet een onderzoeksplicht rust in die zin dat hij de hem afgeleverde zaak op haar conformiteit dient te onderzoeken. 2024 -1002- No. 164 Denkbaar is dat, afhankelijk van de omstandigheden, de koper ook een langere termijn dan twee maanden na de ontdekking tot zijn beschikking heeft. Bij de koop van bepaalde zaken kan immers een langere termijn dan twee maanden acceptabel zijn. Overigens geldt deze termijn van twee maanden ook voor bederfelijke levenswaren, waarbij aangetekend moet worden dat de koper daarvan die weliswaar binnen deze termijn, doch na de uiterste datum van houdbaarheid de verkoper daarvan in kennis stelt, zal moeten bewijzen dat deze afwijking reeds bestond op het moment van aflevering. In dat geval zal hij immers geen beroep kunnen doen op de bewijsregel van het artikel 18 lid 2. Omdat het bewijs daarvan na de uiterste datum van houdbaarheid buitengewoon lastig kan zijn, is dit voor een koper een aansporing om de verkoper voor die datum van het gebrek in kennis te stellen. Ten slotte zij er nog op gewezen dat bij een consumentenkoop op de koper derhalve geen onderzoeksplicht rust na aflevering van de zaak, maar dat ingevolge artikel 17 lid 2, tweede volzin, op de koper mogelijk wel een onderzoeksplicht rust vóór het sluiten van de overeenkomst, wat mogelijk medebepalend is voor de vraag welke eigenschappen de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De duur van de ‘bekwame tijd’ is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van het gekochte en van het gebrek en de deskundigheid van de koper; vgl. HR 3-4-1968, NJ 1968, 251 (Pekingeenden). De termijn voor de kennisgeving van lid 1 is een vervaltermijn. Door de tijd te laten verlopen verspeelt de koper alle rechten die hij aan het ontbreken van conformiteit kan ontlenen, ook die uit de algemene regeling der wanprestatie voortvloeien, en het is de bedoeling dat daaronder ook de vordering tot vernietiging wegens dwaling valt. Nadat de koper, binnen bekwame tijd, zijn mededeling heeft gedaan, begint een verjaringstermijn te lopen, waarbinnen hij zijn vordering kan instellen, aldus lid 2. De verkoper kan hem overeenkomstig artikel 6:88 tot een keuze dwingen. De verjaringstermijn is een jaar korter dan die voor vernietiging overeenkomstig artikel 3:52 en drie jaar korter dan de vijfjaarstermijn van de artikelen 3:307 lid 1, 3:310 lid 1 en 3:311 lid 1, aan al welke artikelen artikel 23 lid 2, derogeert. Evenmin is in dit geval van toepassing artikel 3:51 lid 3, voor dwaling. Wel verleent de tweede zin van lid 2 de koper na afloop van de verjaringstermijn het behoud van zijn recht op gedeeltelijke ontbinding met prijsvermindering of schadevergoeding bij wijze van verweermiddel: de verkoper kan niet gedurende de termijn blijven stilzitten en na afloop daarvan de volle koopprijs vorderen. Lid 3 schorst de verjaringstermijn bij opzet van de koper.

  2834. Artikel 24 verbindt, doch alleen voor de consumentenkoop, een ander gevolg aan non-conformiteit. Lid 1 heeft, naast de artikelen 6 en 22, geen zelfstandige betekenis, maar lid 2 beperkt het recht van de consument-koper jegens de verkoper op vergoeding van gevolgschade door een (veiligheids)gebrek in de zaak, die onder de regeling van productenaansprakelijkheid van afdeling 6.3.3 valt, tot een tweetal gevallen - bij deze samenloop heeft in beginsel de consument alleen recht op schadevergoeding jegens de producent. Voor vergoeding van andere schade dan gevolgschade in de zin van artikel 6:190 - transactieschade, kosten koop, de schade, bedoeld in artikel 6:96 lid 2 en dergelijke - die de koper niet op de producent kan verhalen, is de verkoper wel aansprakelijk, voor zover zij aan hem is toe te rekenen; aan die toerekening staat niet in de weg dat de verkoper het gebrek niet kende en ook niet behoefde te kennen - de vordering van artikel 21 immers strekt zelf niet tot vergoeding van schade (zie de toelichting op dit artikel). Dat de koper in geval van gevolgschade in beginsel een vordering op de producent heeft, betekent overigens niet dat de producent steeds aansprakelijk is - zie de uitzonderingen in de artikelen 6:185 en 6:187 en 6:191. Ook in die gevallen echter ontheft artikel 24 lid 2, de verkoper van aansprakelijkheid voor schade als bedoeld in afdeling 6.3.3 ten gevolge van een gebrek als bedoeld in die afdeling. Lid 3 heeft ten doel de aansprakelijkheid voor schade ook in de gevallen van lid 2, onderdelen a en b, uiteindelijk naar de producent te kanaliseren. 2024 -1003- No. 164 Ook artikel 25 heeft de strekking de verkoper te bevrijden uit een benarde positie tussen de koper enerzijds en zijn (professionele) voorschakel in de keten tussen producent en koper anderzijds. Het artikel geeft hem verhaal op zijn voorschakel voor de schade die hij heeft geleden doordat de koper van hem schadevergoeding heeft verlangd of de overeenkomst heeft ontbonden, dan wel herstel of vervanging gevorderd (lid 1); onder deze schade kunnen proceskosten van de verkoper, zowel in een procedure tegen de koper, als in die tegen de voorschakel, voor zover redelijk, zijn begrepen. De voorschakel heeft op zijn beurt regres (lid 5); processueel wordt het regres vereenvoudigd door het oproepen in vrijwaring. De reikwijdte van artikel 25 is in verschillende opzichten begrensd: a. de tekortkoming van de verkoper is een gevolg van het ontbreken van conformiteit (lid 1); b. het artikel geldt niet bij productschade van een consument-koper ten gevolge van een gebrek in de zin van afdeling 6.3.3 - de aansprakelijkheid daarvoor gaat langs de verkoper heen, behalve in de uitzonderingsgevallen van artikel 24 lid 2, onderdelen a tot en met c, waarin verhaal op een ander niet billijk is (lid 6); c. het artikel geldt evenmin als de non-conformiteit voortvloeit uit feiten die de verkoper kende of behoorde te kennen - bijvoorbeeld wanneer de verkoper moet weten dat de afgeleverde zaak niet bestemd was voor het gebruik dat de koper, naar de verkoper weet, voor ogen stond (lid 3); d. er is geen regres als het gebrek na de aflevering aan de verkoper, respectievelijk de voorschakel bij toepassing van lid 5 is ontstaan, bijvoorbeeld bij transport of in het magazijn van de verkoper (lid 3). Lid 2 beperkt een beroep van de voorschakel op een exoneratiebeding. Een dwingend regresrecht voor de verkoper brengt mee dat de verkoper een door zijn voorschakel gehanteerd exoneratiebeding ingevolge artikel 3:40 lid 2, kan vernietigen. Het biedt bovendien de mogelijkheid dat brancheorganisaties een – door een dwangsom versterkt – verbod tot het gebruik van dergelijke bedingen vorderen, hetgeen vooral van belang is in het geval verkopers de vernietiging daarvan wegens hun afhankelijke positie niet aandurven. Met lid 2 wordt beoogd meer recht te doen aan de strekking van artikel 25. Ook consumenten zijn daarmee gediend omdat een niet beknelde verkoper bereidwilliger zal zijn de rechten van de koper wegens non-conformiteit te honoreren. Dit roept wel de vraag op of het gevaar bestaat dat de verkoper – wetende dat hij regres kan nemen – zich mogelijk naar kopers juist te coulant zou kunnen opstellen. Dit gevaar bestaat niet omdat de voorschakel in het geval op hem regres wordt genomen kan betwisten dat de zaak niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, zodat de gevolgen van een te coulante houding voor rekening van de verkoper blijven. Niet ondenkbaar blijft overigens dat onder omstandigheden de verkoper ingevolge artikel 6:248 lid 2, geen regres kan nemen omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Men denke aan het voorbeeld van de verkoop aan een detailhandelaar van een partij goederen van een incourant type of onbekend merk tegen een lage prijs. Het initiatief van het ter sprake brengen van de redelijkheid van het regres wordt met het gewijzigde lid 2 evenwel van de detaillist naar de voorschakel verschoven. De bewijslast van de redelijkheid van het beroep rust op de voorschakel; gedacht wordt bijvoorbeeld aan toepasselijkheid van het beding bij verkoop door de voorschakel van een partij incourante goederen of goederen van een onbekend merk aan de detailhandelaar die in staat is zijn risico te overzien. Lid 4 heeft tot gevolg dat er geen regres is voor zover de tekortkoming van de verkoper, enz., voortvloeit uit een door hemzelf gedane mededeling of toezegging of een gegeven garantie. Afdeling 7.1.4 (Verplichtingen van de koper) De hoofdverplichting van de koper is uiteraard betaling van de koopprijs. De verbintenis is een geldschuld, waarop afdeling 6.1.11 van toepassing is. De overige leden van artikel 26 en de artikelen 27 en 28 hebben eveneens betrekking op deze verbintenis.

  2835. Artikel 29 legt op de koper een verplichting om de zaak in ontvangst te nemen en ervoor te ‘zorgen’ voor het geval hij die wil terugzenden aan de verkoper, en artikel 30 geeft hieraan een gevolg voor bederfelijke en dergelijke zaken. 2024 -1004- No. 164

  2836. Artikel 28 geldt alleen voor consumentenkoop. Het artikel is op de voet van artikel 6 lid 1 dwingend voor deze koop, evenals de overige artikelen van de afdeling, behalve artikel 26. Dit artikel is, inclusief de tweede zin van zijn lid 2, ook voor de consumentenkoop regelend recht, echter binnen de grens van artikel 6 lid 2: alleen bij individueel beding kan er ten nadele van de consument-koper van worden afgeweken. Tot de wettelijke verplichtingen van de koper behoort niet medewerking aan de overdracht en de aflevering van de zaak. De koper echter die deze medewerking niet verleent, kan daardoor in crediteursverzuim of overmacht geraken; zie afdeling 6.1.8 en de inleidende toelichting daarop, alsmede de artikelen 31, 32 en 33. Een verplichting van de koper kan wel worden bedongen en kan ook op artikel 6:248 lid 1 berusten.

  2837. Artikel 26 lid 2, gaat uit van contante betaling ter gelegenheid van de aflevering in de zin van ‘gelijk oversteken’. Vooruitbetaling kan, evenals achterafbetaling, worden bedongen, maar voor consumentenkoop de eerste slechts tot maximaal de helft van de koopprijs (tweede zin). De bepaling van de plaats van betaling is een afwijking van de artikelen 6:116 en 6:118. Lid 3 stemt overeen met de praktijk: de koper zorgt voor betaling ten kantore waar de notariële akte wordt verleden, en wel vóór het passeren daarvan. Voor de koop door een consument van een onroerende zaak is een strengere regel dan die neergelegd in lid 2 wenselijk. Bepaald is dat de koper in het geheel niet tot vooruitbetaling aan de verkoper kan worden verplicht, behoudens de thans reeds gebruikelijke storting van 10% van de koopprijs bij de notaris. Het karakter van deze depotstorting – veelal is deze gekoppeld aan een boetebeding (artikelen 6:91 tot en met 94 BW) – wordt aan de overeenkomst overgelaten. In plaats van een depotstorting kan ook zekerheid worden gesteld (waarover nader artikel 6:51 BW). Bepaald is dat het hier gaat om dwingend recht. Lid 5 correspondeert met artikel 2 lid 3; men denke aan een coöperatieve flatvereniging. Lid 6 zondert de koop van timeshare uit; vergelijk artikel 2 lid 5. Ook hier zorgt artikel 7:47 BW voor uitbreiding tot erfpacht, opstal, appartementsrecht en vruchtgebruik inzake een woning. De in artikel 8 in verbinding met artikel 767 neergelegde termijnbetalingregeling bij aanneming van werk ten aanzien van het werk (te onderscheiden van de levering van de grond) wordt overigens onverlet gelaten.

  2838. Artikel 27 sluit aan bij de artikelen 6:262 (‘exceptio non adimpleti contractus’) en 6:263 (onzekerheidsexceptie). Op consumentenkoop is het, in de zin van artikel 6 lid 1 dwingend van toepassing.

  2839. Artikel 28 bekort, ten voordele van de koper-consument, de verjaringstermijn van artikel 3:307.

  2840. Artikel 29 legt een tweetal verplichtingen op de koper bij wie een zaak is bezorgd, hetgeen hij niet als aflevering in de zin van artikel 9 wenst te aanvaarden: hij moet zorgen voor het behoud als een zorgvuldig schuldenaar (vgl. artikel 6:27 en ook de artikelen 10 lid 4 en 21 lid 1 onderdeel c) en hij moet in beginsel haar ook in ontvangst nemen.

  2841. Artikel 30 legt de koper in het geval van artikel 29 onder omstandigheden een verplichting tot verkoop van bederfelijke of bezwaarlijk te bewaren zaken op, en gaat daarmee verder dan artikel 6:90 lid 1 dat in zijn eerste zin de schuldenaar een bevoegdheid tot verkoop verleent bij verhindering tot aflevering, onafhankelijk of, en zo ja aan wie, deze toerekenbaar is. Krachtens artikel 6:90 lid 2 treedt de netto-verkoopprijs voor de zaak in de plaats. Afdeling 7.1.5 (Bijzondere gevolgen van verzuim van de koper) De afdeling behelst een tweetal bijzondere bepalingen voor het geval van schuldeisersverzuim van de koper. Daarnaast zijn de bepalingen van afdeling 6.1.8 op dit verzuim uiteraard van toepassing. De bepalingen zijn, binnen de grens van artikel 6 lid 1 dwingend van toepassing op consumentenkoop. 2024 -1005- No. 164

  2842. Artikel 31 doet de specificatiebevoegdheid van de koper, indien deze in schuldeisersverzuim verkeert, overgaan op de verkoper. De bepaling is enigszins verwant aan artikel 6:19 voor de keuzebevoegdheid bij een alternatieve verbintenis.

  2843. Artikel 32 legt op de verkoper in geval van kopersverzuim dezelfde verplichting tot verkoop van bederfelijke zaken enz. als artikel 30 die op de koper legt in de in artikel 29 omschreven omstandigheden. HR 18-6-1926, NJ 1926, 1078, gaf reeds voor het huidige recht de verkoper een bevoegdheid tot verkoop voor het geval hij de zaak wegens onwil van de koper niet kan afleveren. Zie voorts de toelichting bij artikel 30. Afdeling 7.1.6 (Bijzondere gevallen van ontbinding) De artikelen der afdeling kennen in een drietal gevallen de bevoegdheid tot ontbinding der koopovereenkomst toe, de artikelen 33 en 34 aan de verkoper, artikel 35 aan de koper.

  2844. Artikel 33 geeft de verkoper de bevoegdheid de koop te ontbinden, indien aflevering op een bepaalde dag van wezenlijk belang (mede) voor de verkoper is en de koper de zaak niet in ontvangst neemt, onafhankelijk van de vraag of hij daartoe in schuldeisersverzuim komt dan wel zich op overmacht kan beroepen. De verwijzing naar artikel 6:265 brengt de toepasselijkheid van dit en de daaropvolgende artikelen mee, bijvoorbeeld de mogelijkheid van gedeeltelijke ontbinding en de schriftelijke vorm. Voor het geval van schuldeisersverzuim derogeert het artikel aan artikel 6:60, dat alleen de rechter de bevoegdheid geeft, ontbinding uit te spreken. In geval van schuldeisersverzuim is de koper op de voet van artikel 6:63 tot vergoeding van kosten gehouden. Zie voor het huidige recht artikel 1535.

  2845. Artikel 34 verlicht voor de verkoper de bevoegdheid tot ontbinding in het in artikel 6:80, onderdeel c, bedoelde geval in zoverre dat hij bij ‘anticipatory breach’ zijn verklaring tot ontbinding rauwelijks kan uitbrengen en haar niet door een schriftelijke aanmaning behoeft te doen voorafgaan.

  2846. Artikel 35 geldt alleen voor bedongen prijsverhoging bij consumentenkoop, doch is blijkens artikel 6 lid 2 niet in die mate van dwingend recht dat daarvan niet bij individueel beding kan worden afgeweken. Is de afwijking bij algemene voorwaarde bedongen, dan kan de consument-koper ontbinden, en is derhalve geen plaats voor vernietiging van het beding op grond van artikel 6:233, onderdeel a, j artikel 6:236 onderdeel i. In drie maanden na de verkoop kunnen de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat een prijsverhogingsbeding goede zin heeft. Afdeling 7.1.7 (Schadevergoeding) De afdeling geeft in de artikelen 36 en 37 een tweetal bijzondere regels voor de berekening der schadevergoeding in geval van ontbinding van de koop, hetzij door de koper (niet-levering of levering van ondeugdelijke zaken, ontbinding op grond van artikel 35), hetzij door de verkoper (niet betaling, ontbinding op grond van artikel 33). De artikelen lenen zich ook voor analogische toepassing bij de begroting van schadevergoeding op grond van artikel 6:97 buiten ontbinding of buiten koop.

  2847. Artikel 36 biedt een voorbeeld van abstracte schadeberekening - het geldt ook als in werkelijkheid minder schade is geleden, bijvoorbeeld als de zaak reeds aan een derde was doorverkocht voor een prijs die lager is dan de in artikel 36 genoemde dagprijs. Artikel 37 steunt op een concrete schadeberekening. Beide artikelen geven vuistregels: kan door een andere berekening de begroting der schadevergoeding op een bedrag worden vastgesteld, dan kan de benadeelde die vorderen - aldus artikel 38. 2024 -1006- No. 164

  2848. Artikel 36 is van toepassing op de koop van zaken die een dagprijs hebben, dat wil zeggen: van dag tot dag worden verhandeld, in het bijzonder op een markt, zoals een effectenbeurs of een veiling van landbouwproducten, die objectieve vaststelling van de prijs toelaat. Alsdan wordt de schadevergoeding berekend op het verschil tussen de koopprijs en de dagprijs op de dag van de wanprestatie (inclusief die van de niet-aanvaarding van de aflevering door de koper). Lid 2 wijst aan met welke markt moet worden gerekend voor de bepaling van de relevante dagprijs; is daar, zoals zo vaak zal geschieden, de marktprijs op die dag gewijzigd, dan zal een gemiddelde moeten worden genomen. Ook onder het huidige recht pleegt deze abstracte begroting uitgangspunt te zijn: aldus HR 18-11-1937, NJ 1938, 269 (niet levering), en HR 28-1-1977, NJ 1978, 174 (ondeugdelijke levering).

  2849. Artikel 37 geldt in geval de ontbindende koper een dekkingskoop ter vervanging van de gekochte doch niet of ondeugdelijke geleverde zaken heeft gesloten, of de verkoper een dekkingsverkoop ter vervanging van de te leveren doch niet aanvaarde zaken. Alsdan is het verschil tussen de koopprijs en de (concrete) prijs van de dekkings(ver)koop uitgangspunt voor de berekening der schadevergoeding. Aldus ook bovengenoemd arrest van 28-1-1977, NJ 1978, 174. Met dit arrest is ook artikel 38 in overeenstemming; zie voorts de algemene opmerkingen bij deze afdeling. Afdeling 7.1.8 (Recht van reclame) Terwijl het ontwerp aan de ontbinding der wederkerige overeenkomst haar terugwerkende kracht en zakelijke werking ontneemt en het verkopersprivilege afschaft, handhaaft het wel ter bescherming van de verkoper diens reclamerecht als vorm van ontbinding met zakelijke werking. Wel wordt het recht thans ingepast in het algemene verbintenis- en zakenrechtelijk systeem van het ontwerp. Gehandhaafd is de beperking tot de koop van roerende zaken, verder beperkt tot zaken die geen registergoed (artikel 3:10) zijn. De verschillen met de tegenwoordige regeling zijn in hoofdzaak de volgende: a. de reclameverklaring ontbindt de koop, weliswaar niet met terugwerkende kracht, maar wel met zakelijke werking - zij werkt als ontbindende voorwaarde in het nieuwe recht, die de eigendom op de rechtsvoorganger van rechtswege doet terugvallen (vgl. artikelen 3:34 lid 2 en 3:84 lid 3) - zie artikel 39; b. het recht kan ook worden uitgeoefend, indien de zaak zich niet meer in handen van de koper bevindt, maar de bescherming van de derde-verkrijger te goeder trouw is afgestemd op die van artikel 3:86 j artikel 3:90 en 3:91 - zie artikel 42; c. is de zaak op krediet verkocht, dan kan het recht niet slechts in, doch ook buiten faillissement worden uitgeoefend - zie artikel 39; d. de vervaltermijn voor de uitoefening van het recht is verruimd - zie artikel 44; e. het subsidiaire recht van de verkoper tot inning van de koopprijs jegens een derde aan wie de zaak is doorverkocht vervalt. De afdeling is, ook voor de consumentenkoop, niet van dwingend recht (artikel 6 lid 1).

  2850. Artikel 39 heeft een dubbel aspect: het ontbindt de koopovereenkomst met het verbintenisrechtelijk gevolg van ongedaanmaking - zie de tweede zin, aanvang van het eerste zinsdeel, alsmede het tweede zinsdeel van lid 1 - en doet, behoudens het bepaalde in artikel 42, de eigendom terugvallen op de vorige eigenaar, dat wil zeggen: de verkoper, indien deze eigenaar was, of een derde, indien de verkoper over andermans eigendom beschikte - bevoegd, bijvoorbeeld als op eigen naam handelend tussenpersoon of als pandhouder, dan wel onbevoegd - zie de tweede zin, slot van het eerste zinsdeel van lid 1. De vordering die de eigenaar alsdan heeft, is de revindicatie, die ook ondanks beslag onder en faillissement van de koper kan worden uitgeoefend. 2024 -1007- No. 164 De bevoegdheid bestaat, indien de koopprijs niet (volledig) is voldaan - zie de leden 2 en 3 voor gedeeltelijke betaling - en deswege ook aan de vereisten voor ontbinding is voldaan - artikel 6:265: de vordering op de koper moet opeisbaar zijn, de ontbinding/uitoefening van het reclamerecht moet gerechtvaardigd zijn, en de koper moet in verzuim zijn dan wel door tijdelijke of blijvende overmacht verhinderd zijn te betalen. Op de verplichtingen tot ongedaanmaking zijn de meeste bepalingen van afdeling 6.5.5 omtrent zodanige verplichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard; van belang is dat daaraan ontbreken de regels van de artikelen 6:274 (ontvangst te kwader trouw) en 6:277 (schadevergoeding wegens niet-nakoming); wel is artikel 6:278 blijkens zijn lid 2 van toepassing.

  2851. Artikel 40 geeft in het faillissement van de koper de curator, en, in geval van surséance van betaling, de koper tezamen met de bewindvoerder(s), de bevoegdheid de zaak voor de boedel te behouden door binnen een door de verkoper gestelde termijn de koopprijs alsnog te voldoen of daarvoor zekerheid te stellen.

  2852. Artikel 41 stelt hetzelfde vereiste als het bestaande recht; ook onder het nieuwe recht zal het ontdoen van verpakking op zichzelf aan de staat van de zaak niet afdoen. Dat gebeurt wel door natrekking (artikel 5:14), vermenging (artikel 5:14) en zaaksvorming (artikel 5:16) en wanneer de zaak niet meer is de identificeren.

  2853. Artikel 42 beschermt een derde-rechtverkrijgende van de koper op gelijke wijze als artikel 3:86 lid 1 met de uitzondering van artikel 3:90 lid 2; de formulering van het vereiste der goede trouw is op de situatie toegespitst (vgl. HR 6-1-1961, NJ 1962, 19). Vgl. voor lid 2 artikel 3:98.

  2854. Artikel 43 is ontleend aan het huidige recht.

  2855. Artikel 44 bindt de uitoefening van de reclamebevoegdheid aan de, in concreto, langste termijn van twee: zes weken na intreden van de opeisbaarheid der vordering - in het bijzonder van belang bij verkoop op krediet -, dan wel 60 dagen vanaf de opslag onder de koper of ‘iemand van zijnentwege’ - de vervaltermijn wordt hier in feite verlengd met de duur van het vervoer der zaak. Afdeling 7.1.9 (Koop op proef) Koop op proef wordt beschouwd als een voorwaardelijke koopovereenkomst. Als rechtsfiguur staat zij tussen enerzijds het aanbod dat pas na een proef al dan niet wordt aanvaard, en anderzijds een koop die door de koper na een proef kan worden ontbonden; verder af staat de ‘koop op keur’, waarbij de koper zich voorbehoudt de prestatie te keuren en desverlangd verlangd af te wijzen onder de verplichting van de koper om in dat geval haar door een andere te vervangen.

  2856. Artikel 45 duidt de koop op proef als een onder opschortende voorwaarde, maar laat een uitdrukkelijk gekozen constructie van de voorwaarde als ontbindend wel toe, doch in beide gevallen is artikel 46 van toepassing: zolang de koop niet definitief is, blijft het risico voor de verkoper. Ook bij de keuze voor constructie van de ontbindende voorwaarde mag afgifte van de zaak aan de koper derhalve nog niet worden beschouwd als een ‘aflevering’ in de zin van artikel 9 lid 2 de koper wordt geen bezitter, doch slechts houder voor de verkoper, en risico-overgang krachtens artikel 10 heeft dan ook nog geen plaats. Afdeling 7.1.9 is geen dwingend recht - zie artikel 6 lid 1 - en afwijking van artikel 46 j artikel 45 kan derhalve wel worden overeengekomen, maar dat moet bij uitleg van de overeenkomst dan wel ondubbelzinnig blijken. De voorwaarde zelf - het bevallen van de zaak - heeft een ten dele subjectief karakter, dat echter wordt beperkt naarmate het meer aan objectieve normen kan worden getoetst. 2024 -1008- No. 164 De vervulling van de voorwaarde heeft zakelijke werking (zie artikel 3:84 lid 2), doch geen terugwerkende kracht - artikel 3:38 lid 2; heeft de koper aan een derde doorgeleverd en laat hij nadien de koop afspringen, dan verliest de derde in beginsel, dat wil zeggen behoudens de regels van derdenbescherming, zijn recht. Afdeling 7.1.9A (Overeenkomsten op afstand)

  2857. Artikel 46a 1. Een overeenkomst op afstand wordt gekenmerkt door het gebruik van een of meer technieken voor communicatie op afstand. Hiervan is sprake, zoals ook wordt gezegd in de hierna toe te lichten omschrijving van het begrip ‘techniek voor communicatie op afstand’ in onderdeel e, indien de partijen niet gelijktijdig persoonlijk aanwezig zijn tijdens hun onderlinge communicatie. Een ander bestanddeel van de omschrijving van ‘overeenkomst op afstand’ is dat de zojuist bedoelde technieken worden gebruikt in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand. De woorden ‘georganiseerd’ en ‘systeem’ duiden erop dat sprake moet zijn van een stelselmatige en niet van een min of meer toevallige gebruikmaking van één of meer middelen voor communicatie op afstand met het oog op het tot stand brengen van overeenkomsten op afstand. Voorts is vereist dat het de leverancier is die het systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand organiseert. Het ligt voor de hand dat wel van zo’n systeem sprake zal zijn bij bijvoorbeeld verkoop op de volgende wijzen: - door een in postorderverkoop gespecialiseerde onderneming; - regelmatige advertenties in kranten en tijdschriften met bestelbonnen of met de mededeling dat bijvoorbeeld per telefoon of fax kan worden besteld; - structureel gedane aanbiedingen per telefoon of fax; - met regelmaat terugkerende reclamespotjes op radio of televisie waarin een (bijvoorbeeld telefonische) bestelmogelijkheid wordt geboden; en - van tijd tot tijd terugkerende e-mail met aanbiedingen via het internet. 2. In het voorgaande ligt besloten dat het de leverancier is van wie in ieder geval het initiatief uitgaat voor de bijzondere wijze van totstandkoming die meebrengt dat de overeenkomst een overeenkomst op afstand is. Denkbaar is dat de leverancier tevens het initiatief neemt tot het sluiten van een bepaalde overeenkomst door bijvoorbeeld een consument met het oog daarop telefonisch te benaderen. Dit is echter niet vereist; zo zal ook van een overeenkomst op afstand sprake zijn indien de consument uit eigen beweging een catalogus aanvraagt bij een postorderbedrijf waarmee hij tot dan toe geen contact heeft gehad. 3. Van een door de leverancier georganiseerd systeem voor verkoop op afstand zal niet kunnen worden gesproken als bijvoorbeeld een consument op eigen initiatief telefonisch iets bestelt bij de winkelier bij wie hij normaliter boodschappen doet of bij een door hem in een algemene telefoongids opgezochte winkelier, indien deze niet tevens een speciale dienstverlening biedt die is toegespitst op de bestelling of verkoop met behulp van een communicatiemiddel. 4. Opmerking verdient dat, wil van een overeenkomst op afstand in de zin van onderdeel a sprake zijn, tot en met de contractssluiting uitsluitend gebruik gemaakt moet zijn van één of meer technieken voor communicatie op afstand. Indien partijen tot en met het sluiten van de overeenkomst dus ook maar op één moment in verband met de te sluiten overeenkomst gelijktijdig in elkaars persoonlijke aanwezigheid verkeren, bijvoorbeeld om over die overeenkomst te onderhandelen, is er geen sprake meer van een overeenkomst op afstand in de zin van onderdeel a. 5. Een overeenkomst op afstand kan in de eerste plaats zijn een koop die op afstand wordt gesloten. In de onderhavige afdeling wordt daarvoor de term ‘koop op afstand’ gebruikt. Deze term wordt omschreven in onderdeel b. Daarbij wordt uitgegaan van het begrip ‘consumentenkoop’ van artikel 5. Hierdoor wordt buiten twijfel gesteld dat op de koop op afstand de bijzondere regels voor de consumentenkoop, zoals bijvoorbeeld die inzake non-conformiteit (artikel 18, artikel 21, de leden 2 en 3 en de artikelen 24 en 25), onverkort toepassing vinden. 2024 -1009- No. 164 6. Een overeenkomst op afstand kan in de tweede plaats strekken tot het verrichten van diensten (men denke aan de overeenkomst van opdracht, de aanneming van werk ten aanzien van roerende zaken, de huur- en de vervoerovereenkomst). Dit type overeenkomst wordt aangeduid als ‘overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten’. Deze omschrijvingen zijn identiek met die in artikel 5 lid 1 van de partijen bij een consumentenkoop, waardoor onderdeel c ten aanzien van de omschrijving van de contractspartijen spoort met onderdeel b. 7. Onderdeel d omschrijft de financiële dienst als zijnde van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen. 8. Nu het in onderdeel e omschreven begrip ‘techniek voor communicatie op afstand’ wordt gebezigd in de omschrijving van de term ‘overeenkomst op afstand’, is de inhoud van eerstgenoemd begrip medebepalend voor de inhoud van de term ‘overeenkomst op afstand’. Onderscheidend kenmerk van deze technieken is dat zij kunnen – en in het kader van de onderhavige afdeling ook bij uitsluiting moeten – worden gebruikt voor het sluiten van de overeenkomst op afstand zonder de gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van partijen. Het opstellen van een uitputtende opsomming van de onderhavige technieken is onmogelijk wegens hun voortdurende ontwikkeling, hetgeen ertoe noopt beginselen vast te stellen die ook voor nog maar weinig gebruikte technieken gelden. Een enuntiatieve opsomming is: - niet geadresseerd en geadresseerd drukwerk; - standaardbrief; - reclame in de pers met bestelbon; - catalogus; - telefoon met menselijke tussenkomst; - telefoon zonder menselijke tussenkomst (oproepautomaat, audiotekst); - radio; - beeldtelefoon; - videotekst (microcomputer, televisiescherm), met toetsenbord of aanraakbeeldscherm; - elektronische post (met name via het internet); - telefax; - televisie (telewinkelen, televerkoop). 9. De natuurlijke of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het ter beschikking stellen van één of meer van deze technieken aan verkopers of dienstverleners is een communicatietechniekexploitant. Aldus wordt bepaald in onderdeel f. Het lijkt niet voor de hand liggend om aan te nemen dat de exploitant alleen onder de hier gegeven omschrijving valt, indien hij een communicatietechniek uitsluitend ter beschikking stelt aan verkopers of dienstverleners die overeenkomsten op afstand sluiten, daar dit naar mag worden verwacht een beperkte categorie exploitanten zou omvatten. Bij de hier bedoelde communicatietechniekexploitanten zal bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan de post- en telefoonbedrijven en aan de zogeheten internetproviders.

  2858. Artikel 46b 1. Naast de begripsomschrijvingen in artikel 46a dienen ook de in artikel 46b, leden 2 en 3, opgenomen bepalingen ter afbakening van het toepassingsgebied van de afdeling. Tevens is in lid 1 voorzien in uitsluiting van de toepasselijkheid van artikel 5 lid 3 op de koop op afstand, zodat de afdeling ook door leidingen naar de verbruiker aangevoerd water kan betreffen. 2. In onderdeel a van lid 2 wordt van het toepassingsgebied van afdeling 7.1.9A de koop op afstand uitgezonderd die wordt gesloten met gebruikmaking van distributieautomaten of geautomatiseerde handelsruimten. Hierbij kan worden gedacht aan automaten door middel waarvan bijvoorbeeld etenswaren, dranken en rookartikelen kunnen worden verkregen. Een voorbeeld van een geautomatiseerde handelsruimte zou kunnen zijn een hal waarin men bepaalde levensmiddelen ‘uit de muur’ kan verkrijgen. 2024 -1010- No. 164 3. In onderdeel b wordt uitgesloten de koop op afstand op een veiling. Nu van een koop op afstand alleen sprake kan zijn als tot en met het sluiten van de overeenkomst uitsluitend wordt gebruik gemaakt van een of meer technieken voor communicatie op afstand (artikel 46a, onderdeel a), kan uiteraard ook de onderhavige uitzondering van veilingen alleen zien op veilingen waaraan de consument via een techniek voor communicatie op afstand (bijvoorbeeld de telefoon of wellicht het internet) deelneemt. 4. Voor zover de in lid 3 genoemde overeenkomsten (hoofdzakelijk levensmiddelen die worden afgeleverd aan de koper op diens woon- of verblijfplaats of werkplek door frequent en op gezette tijden langskomende bezorgers) al koop op afstand mochten opleveren, is daarvoor de bescherming die deze afdeling biedt niet noodzakelijk.

  2859. Artikel 46c 1. Het is wenselijk te verzekeren dat de consument tijdig voordat de overeenkomst op afstand wordt gesloten beschikt over informatie omtrent onder meer de essentialia van de overeenkomst en het al dan niet bestaan van een bedenktijd met ontbindingsbevoegdheid. Het gebruik van technieken voor communicatie op afstand niet mag niet leiden tot een vermindering van de aan de consument verstrekte informatie en het is daarom wenselijk om te bepalen welke informatie, ongeacht de gebruikte communicatietechniek, aan de consument moet worden verstrekt. Lid 1 strekt hiertoe. 2. Het antwoord op de vraag of de hier aan de orde zijnde gegevens tijdig aan de consument zijn verstrekt, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Het ligt voor de hand om als uitgangspunt te nemen dat de consument in ieder geval voldoende gelegenheid moet hebben gehad om van de gegevens kennis te nemen voordat de overeenkomst wordt gesloten. Het belang van de onderhavige bepaling komt des te sterker naar voren indien bijvoorbeeld het door de verkoper gedane aanbod een beperkte geldigheidsduur heeft of, in de in artikel 46d lid 4 omschreven gevallen, de consument de overeenkomst als deze eenmaal is gesloten niet binnen een bedenktijd kan ontbinden. 3. De voorts gestelde eis dat het commerciële oogmerk van de informatie ondubbelzinnig moet blijken, zal aldus moeten worden verstaan dat de consument uit de inhoud en de wijze van presentatie van die informatie duidelijk moet kunnen opmaken dat deze hem wordt verstrekt in het kader van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de verkoper. Zo zal een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst niet als louter een vorm van marktonderzoek mogen worden voorgesteld. 4. De verstrekte informatie moet tevens voldoen aan bepalingen inzake misleidende reclame. Van de artikelen 6:194 tot en met 196 is hier vooral van belang artikel 6:194, onderdeel e, waaruit volgt dat reclame onder meer niet misleidend mag zijn ten aanzien van de aanleiding of het doel van de gedane aanbieding. 5. Vervolgens wordt in lid 1 verlangd dat de gegevens worden verstrekt met alle aan de gebruikte techniek voor communicatie op afstand aangepaste middelen. Ook moet de informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument worden verstrekt. 6. Tegen de achtergrond van het voorafgaande wordt over de onderdelen b tot en met d, f, h en i nog het volgende opgemerkt. De omschrijving van de belangrijkste kenmerken van de zaak (onderdeel b) is van belang omdat de aspirant-koper, die de zaak immers niet vóór het sluiten van de overeenkomst daadwerkelijk kan zien, zich een toereikend beeld moet kunnen vormen van hetgeen hem te koop wordt aangeboden. De omschrijving is ook van belang indien na de aflevering onenigheid tussen verkoper en koper ontstaat over de vraag of het afgeleverde aan de koopovereenkomst beantwoordt. 7. De koop kan geldig worden gesloten zonder dat de prijs is bepaald (artikelen 1 en 4). Zoals bij het niet (correct) vermelden van alle in de onderdelen a tot en met i bedoelde gegevens het geval is, leidt het niet vermelden van de prijs van de zaak (onderdeel c), ingeval de koop op afstand wordt gesloten, tot een bedenktijd van drie maanden (artikel 46d lid 1). 2024 -1011- No. 164 8. Voor zover van toepassing is vermelding van de kosten van aflevering verplicht krachtens onderdeel d. Dit onderdeel gaat ervan uit dat de kosten van aflevering afzonderlijk aan de koper in rekening kunnen worden gebracht. Hierbij dient echter te worden bedacht dat in artikel 12 lid 1, bij wijze van regelend recht wordt bepaald dat de kosten van aflevering ten laste van de verkoper komen. Afwijking van deze regel in algemene voorwaarden ten nadele van de koper wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt (artikel 6 lid 2). De verkoper kan de afleveringskosten echter wel als onderdeel van de koopprijs aan de koper in rekening brengen. 9. Ten aanzien van de kosten van bezorging wordt nog het volgende opgemerkt. Behoudens afwijkend beding is de plaats van aflevering niet de woonplaats van de koper (artikel 6:41), zodat alsdan op grond van artikel 12 lid 2, de kosten verbonden aan de bezorging, ook hier tenzij anders is bedongen, voor rekening van de koper komen. Dit laatste kan anders zijn krachtens artikel 13 (jo. artikel 6 lid 2). 10. De in artikel 46d geregelde bedenktijden en de ontbinding van eventuele in samenhang met de koop op afstand gesloten overeenkomsten van geldlening zijn essentiële onderdelen van afdeling 7.1.9A. Op grond van onderdeel f dient de aspirant-koper te worden geïnformeerd over het al dan niet van toepassing zijn daarvan. In het stadium vóór het sluiten van de overeenkomst behoeven de vereisten voor de gebruikmaking van het recht tot ontbinding overeenkomstig artikel 46d lid 1 en artikel 46e lid 2 nog niet te worden vermeld; dit is nadien wel vereist (artikel 46c lid 2 onderdeel b). 11. Bij de in onderdeel h geëiste vermelding van een termijn voor de aanvaarding van het aanbod moet worden bedacht dat zodanige vermelding in beginsel met zich brengt dat het aanbod onherroepelijk is (artikelen 6:219 lid 1 jo. 217 lid 2). 12. In onderdeel i wordt verlangd dat de minimale duur van de overeenkomst wordt medegedeeld indien deze strekt tot voortdurende of periodieke aflevering van zaken. Indien de overeenkomst vervolgens wordt gesloten, kan artikel 6:237, onderdeel k, zijn invloed doen gelden. Op grond daarvan wordt een beding in de overeengekomen algemene voorwaarden dat de (minimale) duur van de overeenkomst op meer dan een jaar bepaalt, zonder dat de koper de bevoegdheid heeft om de overeenkomst telkens na een jaar op te zeggen, vermoed onredelijk bezwarend te zijn. 13. Lid 2 van artikel 46c ziet op informatieverstrekking na het sluiten van de overeenkomst. Alsdan dient de vóór het sluiten van de overeenkomst krachtens artikel 46c lid 1, onderdelen a tot en met f, aan de koper te verstrekken informatie, aangevuld met nog enkele gegevens, in een bepaalde vorm aan de koper te worden verschaft. Deze informatieverschaffing dient tijdig bij de uitvoering van de overeenkomst te geschieden. Ook hier zal het afhangen van de omstandigheden van het geval wanneer de informatie tijdig is verstrekt, met dien verstande dat zulks uiterlijk bij de aflevering van de koopwaar moet geschieden. Op dit laatste wordt een uitzondering gemaakt voor zaken die aan derden moeten worden afgeleverd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat de koper bij een bloemist een plant bestelt die niet aan de koper zelf, maar als geschenk aan een derde moet worden afgeleverd. Vanzelf spreekt dat de verkoper ook reeds vóór het sluiten van de overeenkomst de in artikel 46c lid 1 bedoelde informatie op de daar omschreven wijze aan zijn wederpartij kan verstrekken. 14. De uit hoofde van artikel 46c aan de koper te geven informatie zal onderdeel uitmaken van de overeenkomst op afstand. Indien de na totstandkoming van de overeenkomst ter voldoening aan lid 2 al dan niet tijdig ter beschikking gestelde informatie het tussen partijen overeengekomene aanvult of daarvan afwijkt, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of de nieuwe informatie tot contractsinhoud wordt. Bij de beoordeling van deze vraag kan de omstandigheid dat de koper geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid, de koop binnen de bedenktijd te ontbinden, bijdragen aan een bevestigende beantwoording. 15. Ten aanzien van de vorm waarin de informatie moet worden verschaft, beperkt lid 2 zich niet tot de variant van schriftelijkheid. Volgens lid 2 moet de informatie schriftelijk of op een andere ter beschikking van de koper staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager, en op duidelijke en begrijpelijke wijze aan hem worden verstrekt. In geval van overeenkomsten op afstand zou het eisen van schriftelijke informatieverschaffing te knellend kunnen zijn voor bepaalde verkopers. Omdat echter de met behulp van sommige communicatietechnieken, zoals elektronische 2024 -1012- No. 164 post, verspreide informatie vaak vluchtig is voor zover zij niet op een duurzame drager is vastgelegd, dienen eisen te worden gesteld aan het anders dan schriftelijk geven van informatie: de gegevensdrager dient ter beschikking van de koper te staan, dient voor hem toegankelijk te zijn en dient duurzaam te zijn. Alsdan kan de koper ook in een later stadium de hem verschafte informatie raadplegen. Men denke met name aan computerdiskettes, cd-roms en de harde schijf van de computer van de consument voor de opslag van elektronische boodschappen. De verkoper kan de gegevens bijvoorbeeld per elektronische post toesturen. 16. Tegen de achtergrond van het voorafgaande wordt over de onderdelen b tot en met e nog het volgende opgemerkt. Indien de koper gerechtigd is tot ontbinding binnen een bedenktijd overeenkomstig de artikelen 46d lid 1 (koop op afstand) en 46e lid 2, (met de koop op afstand samenhangende overeenkomst van geldlening), dient hij uiteraard ook op de hoogte te zijn van de vereisten voor en eventuele kosten als gevolg van gebruikmaking van deze rechten. Daarom wordt in onderdeel b mededeling van informatie hieromtrent verplicht gesteld. Uit de aanhef van lid 2 volgt dat deze informatie schriftelijk moet worden verstrekt. Men denke aan gegevens als de volgende: - het aanvangstijdstip en de duur van de bedenktijden die de koper ter beschikking kunnen staan (men zie artikel 46d lid 1, en de toelichting daarbij); - het niet verschuldigd zijn van enige vergoeding in geval van uitoefening van het ontbindingsrecht, behalve voor de rechtstreekse kosten van terugzending van de zaak (men zie artikel 46d lid 2, en de toelichting daarbij); - voor gevallen waarin de koper de koopsom financiert met gelden die hij leent van de verkoper of van een derde ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en die derde, tevens: informatie over de ontbinding van rechtswege krachtens artikel 46e lid 1, (indien het de verkoper is die die gelden aan de koper leent) dan wel over de uitoefening van het recht van ontbinding op grond van artikel 46e lid 2 (indien het bedoelde derde is die die gelden aan de koper leent; men zie de toelichting bij genoemd artikel). 17. In laatstbedoeld geval zal uit de gegevens uiteraard ondubbelzinnig moeten blijken dat het de koper zelf is die tevens de met de koop op afstand samenhangende overeenkomst van geldlening zal moeten ontbinden, als hij de koop op afstand binnen zijn bedenktijd ontbindt. 18. Ten behoeve van de koper die bij de verkoper een klacht wil indienen, wordt in onderdeel c mededeling voorgeschreven van het bezoekadres van de vestiging van de verkoper of diens postadres waar de klacht kan worden ingediend. 19. Bij de beantwoording van de vraag wat in lid 2 onderdeel d moet worden verstaan onder ‘garantie’, kan als richtsnoer worden gebruikt de omschrijving in artikel 6a. 20. Met het oog op ‘after sales services’ wordt in onderdeel d gesproken van de in het kader van de koop aangeboden diensten. 21. Bij onderdeel e (opzegging langlopende overeenkomst) zie men hetgeen hierboven is opgemerkt bij lid 1, onderdeel i.

  2860. Artikel 46d 1. Dit artikel bevat ter bescherming van de koper een stelsel van drie verschillende bedenktijden met bijbehorende mogelijkheden tot beëindiging van de overeenkomst. De bedenktijden zijn de volgende: a. een van zeven werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de koopwaar door de koper; b. een van drie maanden vanaf bedoelde dag ingeval niet aan de informatieverplichtingen; c. een van zeven werkdagen vanaf het moment dat binnen genoemde drie maanden-termijn alsnog aan de informatieverplichtingen is voldaan. Vergelijk in dit verband artikel 48c lid 1 ten aanzien van timeshare. 2024 -1013- No. 164 2. De eerste volzin van lid 1 artikel 46d bevat de hierboven onder a aangeduide bedenktijd. Deze begint te lopen op de dag die volgt op de dag van de ontvangst van de zaak door de koper. De koper behoeft aan de verkoper ter zake van de ontbinding binnen de bedenktijd geen redenen op te geven. De bedenktijd is uitgedrukt in werkdagen. Hieronder zijn te verstaan dagen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn (vergelijk artikel 1 lid 1 en artikel 3 van de Algemene termijnenlandsverordening). 3. Denkbaar is dat de verkoper niet heeft voldaan aan alle in artikel 46c lid 1 gestelde eisen, bijvoorbeeld doordat hij de gegevens niet in de juiste vorm aan de koper heeft verschaft. De op deze situatie betrekking hebbende en hierboven in punt 1 onder b respectievelijk c weergegeven regels zijn ondergebracht in artikel 46d lid 1, respectievelijk de tweede en de derde volzin. Op de bedenktijd van drie maanden is het bepaalde in de Algemene termijnenlandsverordening van toepassing. Eindigt derhalve de termijn op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt deze verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is (artikel 1 lid 1, Algemene termijnenlandsverordening). 4. Vanaf de dag na die waarop binnen de drie maanden-termijn alsnog aan alle in artikel 46c lid 2 gestelde eisen wordt voldaan heeft de koper nog een bedenktijd van zeven werkdagen, zodat hij de gelegenheid heeft om zich alsnog een volledig beeld van zijn rechten en verplichtingen te vormen en op grond daarvan al dan niet tot ontbinding binnen de bedenktijd over te gaan. 5. Ter verduidelijking van het bovenstaande volgen hier enkele voorbeelden. De koper ontvangt de koopwaar op 31 december, maar de verkoper heeft op die dag nog niet alle vereiste informatie aan de koper doen toekomen. De bedenktijd bedraagt dan drie maanden; hij begint op 1 januari en eindigt op 31 maart (artikel 46d lid 1, tweede volzin), tenzij de verlenging uit hoofde van artikel 1 lid 1 van de Algemene termijnenlandsverordening plaatsvindt. Indien in dit voorbeeld de niet vervulde informatieverplichtingen alsnog worden vervuld op 31 maart, en de koper alsdan nog geen gebruik heeft gemaakt van zijn ontbindingsbevoegdheid, heeft hij nadien nog een bedenktijd van zeven werkdagen (artikel 46d lid 1, derde volzin). De totale bedenktijd kan derhalve maximaal drie maanden en zeven werkdagen bedragen. Indien de verkoper op 31 december, ervan uitgaande dat dit (bijvoorbeeld) een donderdag was, wel aan al zijn informatieverplichtingen zou hebben voldaan, dan zou de bedenktijd hebben geduurd tot en met 12 januari. 6. Het voorwaardelijk karakter van de koop op afstand die tevens een koop op proef is (artikel 45), staat aan toepasselijkheid van artikel 46d niet in de weg (vgl. artikel 6:26). Ook bij de koop op afstand die een koop op proef is, zullen de bedenktijden lopen vanaf de ontvangst van de zaak respectievelijk vanaf het moment dat de verkoper aan al zijn informatieverplichtingen heeft voldaan (artikel 46d lid 1), en dus niet vanaf het moment dat de koop op proef definitief is geworden. 7. De koper is aan de verkoper, behoudens de hierna te noemen uitzondering, geen enkele vergoeding verschuldigd, indien hij overgaat tot de ontbinding uit hoofde van lid 1. Dit wordt bepaald in lid 2. Men denke hier bijvoorbeeld aan vergoeding van kosten verbonden aan de totstandkoming van de overeenkomst (zoals kosten van het voldoen aan de informatie-eisen uit hoofde van artikel 46c lid 2), aan boetes en aan vergoeding van kosten verbonden aan de ontbinding van de overeenkomst. Achtergrond van de onderhavige bepaling is dat de uitoefening van het ontbindingsrecht niet moet worden belemmerd door de verplichting, aan de verkoper kosten te vergoeden of een boete te betalen. De enige uitzondering op de zojuist bedoelde regel betreft de rechtstreekse kosten voor het terugzenden van de zaak. Deze uitzondering is in lid 2 overgenomen. Met ‘rechtstreekse’ kosten zijn bedoeld portokosten of kosten van vervoer anders dan per post, en niet tevens eventuele kosten van de verkoper als gevolg van de terugzending, bijvoorbeeld kosten verbonden aan het weer in ontvangst nemen van de zaak. 2024 -1014- No. 164 8. De rechtsgevolgen van de beëindiging van de overeenkomst op grond van artikel 46d lid 1 zijn met name, analoog aan artikel 271 van Boek 6, bevrijding van partijen van de door de ontbinding getroffen verbintenissen en de verplichting tot ongedaanmaking van reeds ontvangen prestaties. De verplichting tot retournering van de ontvangen koopwaar aan de verkoper wordt voorondersteld in de zo-even besproken bepaling over de kosten van de terugzending. De verplichting van de verkoper tot terugbetaling aan de koper van door deze (vooruit)betaalde bedragen is geëxpliciteerd in lid 3. Daarbij is tevens bepaald dat de terugbetaling kosteloos dient te geschieden en voorts zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen dertig dagen na de ontbinding. Op de onderhavige dertig dagen-termijn is het bepaalde in de Algemene termijnenlandsverordening van toepassing. 9. De ontbindingsmogelijkheid binnen een bedenktijd geldt niet voor de in artikel 46d lid 4 omschreven categorieën. Het gaat hier om gevallen waarin: - de ontbinding zou kunnen leiden tot (en dus ook zou kunnen zijn ingegeven door) een vermogensverschuiving tussen partijen als gevolg van schommelingen op de financiële markt die van invloed zijn op de prijs van de koopwaar en waarop de verkoper geen invloed heeft (onderdeel a); - de koopwaar voor de verkoper (doorgaans) niet meer van waarde zal zijn (onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, alsook onderdeel d; men denke bijvoorbeeld aan de inhoud van kranten en tijdschriften, die snel achterhaald is); - de koopwaar door haar aard niet kan worden teruggezonden (onderdeel b, onder 3°); - de koopwaar vrijwel onmiddellijk kan worden gereproduceerd (onderdeel c).

  2861. Artikel 46e 1. Voor de situatie waarin de koper de koopprijs financiert met geleend geld bevat artikel 46e enige regels. Ook deze zijn ingegeven door de gedachte dat de ontbindingsrechten niet via een omweg illusoir gemaakt moeten kunnen worden. Vgl. wat betreft timeshare artikel 48e. 2. In artikel 46e lid 1 is voorzien in de situatie waarin het de verkoper zelf is die aan de koper geld leent ten behoeve van de financiering van de koopprijs. De overeenkomst die partijen hiertoe hebben gesloten wordt krachtens genoemd artikellid van rechtswege ontbonden indien de koper gebruik maakt van zijn recht om de koopovereenkomst binnen zijn bedenktijd te ontbinden (artikel 46d). Tevens is bepaald dat de koper in dat geval geen boete verschuldigd is. 3. Het tweede geval is dat waarin een derde op grond van een overeenkomst tussen deze derde en de verkoper aan de koper geld leent waarmee deze de koopprijs aan de verkoper kan voldoen. Dit geval dient anders te worden behandeld dan dat waarin de overeenkomst van geldlening door koper en verkoper is gesloten. De keus voor een ontbinding van rechtswege ligt minder voor de hand als een derde de kredietverschaffer is, omdat deze van de ontbinding van de koop op afstand doorgaans niet op de hoogte zal zijn. Daarom is in lid 2 van artikel 46e bepaald dat de koper, ingeval hij de koop ontbindt overeenkomstig artikel 46d, tevens het recht heeft om de overeenkomst van geldlening die hij met de derde heeft gesloten, zonder boete te ontbinden. Zoals in de toelichting bij artikel 46c lid 2, onderdeel b, reeds is opgemerkt, zal uit de gegevens die de verkoper aan de koper verstrekt over de uitoefening van het recht van ontbinding van de met een derde gesloten overeenkomst van geldlening uiteraard ondubbelzinnig moeten blijken dat het de koper zelf is die tevens deze overeenkomst van geldlening zal moeten ontbinden, als hij de koop op afstand binnen zijn bedenktijd ontbindt.

  2862. Artikel 46f 1. De artikelen 46f en 46g betreffen de uitvoering van de overeenkomst op afstand. Artikel 46f lid 1 regelt dat de verkoper de overeenkomst moet nakomen uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen, welke begint te lopen op de dag na die waarop de koper zijn bestelling bij de verkoper heeft gedaan; partijen kunnen evenwel een kortere of langere termijn overeenkomen. Dit laatste volgt uit artikel 46j lid 2. Daarin is tot uitdrukking gebracht dat het hier, anders dan bij bijna alle andere bepalingen van afdeling 7.1.9A, gaat om een regel van aanvullend recht. 2024 -1015- No. 164 2. Wat betreft de vraag wat voor gevolg het niet voldoen aan de aldaar bepaalde termijn heeft, is in artikel 46f lid 1, gekozen voor eenzelfde regel als artikel 6:83, onderdeel a, bevat voor het geval dat partijen wèl zelf een termijn hebben bepaald voor de nakoming door de verkoper, namelijk dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, wanneer de termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. Ook bij de in artikel 46f lid 1, opgenomen termijn kan blijken dat deze een andere strekking heeft. Dit volgt uit bovengenoemde mogelijkheid tot afwijking van artikel 46f lid 1, die is neergelegd in artikel 46j lid 2. 3. Daar artikel 46f lid 1 een specifiek, niet in de artikelen 6:81 jo. 83 geregeld geval betreft van verzuim dat van rechtswege intreedt, moest uit artikel 6:81 de slotzinsnede worden overgenomen, op grond waarvan aan verzuim niet wordt toegekomen voor zover de vertraging te wijten is aan overmacht van de schuldenaar, dan wel de nakoming reeds blijvend onmogelijk is. 4. Men zij erop bedacht dat de onderhavige termijn van dertig dagen moet worden gerekend vanaf de dag die volgt op die van het doen van de bestelling, en dus niet vanaf de dag die volgt op die van de ontvangst van de bestelling door de leverancier. Op de in artikel 46f lid 1, bedoelde termijn van dertig dagen is de Algemene termijnenlandsverordening van toepassing. 5. Denkbaar is dat nakoming van de koop op afstand door de verkoper onmogelijk is doordat de gekochte zaak niet beschikbaar is. In artikel 46f lid 2 is uitdrukkelijk als verplichting van de verkoper opgenomen dat deze alsdan de koper daarvan op de hoogte stelt. Aan deze verplichting van de verkoper wordt nog toegevoegd het recht van de koper om hetgeen hij reeds heeft betaald zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen dertig dagen weer gerestitueerd te krijgen, waarmee in feite de overeenkomst ongedaan wordt gemaakt. De vereiste mate van spoed waarmee de kennisgeving dient plaats te vinden, is aangeduid met de uitdrukking ‘zo spoedig mogelijk’, die ook voorkomt in artikel 46d lid 3. Als startpunt van de termijn van dertig dagen waarbinnen in ieder geval terugbetaling aan de koper moet geschieden, past het best de dag na die waarop de kennisgeving is gedaan; aldus is dan ook in artikel 46f lid 2 bepaald. 6. Uit artikel 46f lid 1 volgt dat bij blijvende onmogelijkheid van nakoming niet aan verzuim van de verkoper wordt toegekomen. Bij tijdelijke onmogelijkheid van nakoming is dit wel het geval; dan geldt de hoofdregel van lid 1. Bij blijvende onmogelijkheid van nakoming, ook indien deze binnen de in lid 1 bedoelde dertig dagen-termijn blijkt, treden de gevolgen van de tekortkoming direct in. 7. Uit het tussen partijen overeengekomene kan voortvloeien dat de verkoper, ingeval de bestelde koopwaar niet beschikbaar is, andere koopwaar van gelijke kwaliteit en prijs mag leveren. Deze mogelijkheid is in artikel 46f lid 3, opgenomen. In afwijking van artikel 46d lid 2 draagt niet de koper, maar de verkoper de kosten van terugzending van de zaak in geval van de eventuele uitoefening van de ontbindingsbevoegdheid binnen de bedenktijd. De gedachte achter deze regel is deze, dat het niet past om de koper bedoelde kosten te laten dragen indien het hem geleverde niet identiek is aan het door hem bestelde, ook al zijn kwaliteit en prijs gelijk. De koper moet van de hierboven bedoelde mogelijkheid tot levering van andere koopwaar en van de afwijkende regel over de kosten van terugzending op duidelijke en begrijpelijke wijze worden kennis gegeven (artikel 46f lid 3, laatste volzin). 8. In de door artikel 46f lid 3 bestreken gevallen is geen sprake van een niet bestelde zaak als bedoeld in artikel 7 lid 2. In die gevallen wordt immers geleverd krachtens een contractueel beding dat uitdrukkelijk door de wet is toegelaten, zodat het in artikel 7 lid 2 opgenomen verbod alsdan niet van toepassing is. 2024 -1016- No. 164

  2863. Artikel 46g 1. Indien een betaalkaart van de consument in het kader van een overeenkomst op afstand op frauduleuze wijze is gebruikt, moet de consument op grond van artikel 46g, kunnen vragen om annulering van de betaling en moeten de ter betaling overgemaakte bedragen aan hem worden gerestitueerd. Wat betreft het begrip ‘betaalkaart’ kan gedacht worden aan krediet-, debet-, uitgestelde debiterings- en bankkaarten. In het geval van een kredietkaart of creditcard verplicht de uitgever daarvan zich om door de houder van de kaart getekende facturen van aangesloten winkels e.d. te voldoen. De houder van de kaart krijgt krediet, doordat de uitgever van de kaart de factuur voor hem voldoet en hem het betrokken bedrag eerst enige tijd later in rekening brengt. Creditcards worden ook wel gebruikt zonder dat de kaart aan de acceptant daarvan is overgelegd en de kaarthouder een factuur heeft getekend. Dan wordt, bijvoorbeeld via de telefoon, het nummer van de kaart aan de acceptant bekend gemaakt. Bij het gebruik van een debetkaart of debit-card (men denke aan een zogenoemde bankpas) wordt de bankrekening van de kaarthouder gedebiteerd. Dit geschiedt in beginsel nog op de dag van de transactie. Bij een ‘uitgestelde debiteringskaart’ is sprake van uitgestelde betaling. De kaarthouder is verplicht om binnen een aantal weken het volledige verschuldigde bedrag te voldoen. Anders dan bij de creditcard bestaat bij deze kaartsoort niet de mogelijkheid om het verschuldigde, vermeerderd met rente, in termijnen af te lossen. De drie zojuist genoemde kaartsoorten kunnen tevens een bankkaart zijn. 2. Onder ‘frauduleus gebruik’ valt niet frauduleus gebruik door de consument die zelf de houder van de betaalkaart is. Dit is dan ook in artikel 46g tot uitdrukking gebracht. Artikel 46g bestrijkt ook situaties van frauduleus gebruik waarbij de betaalkaart wel wordt overgelegd (en de factuur wel wordt getekend, zoals bij de aflevering in geval van postorderkoop). Wil er sprake zijn van een overeenkomst op afstand in de zin van artikel 46a, onderdeel a, dan is immers niet vereist dat ook de betaling ‘op afstand’ plaatsvindt. 3. Uiteraard valt een koop op afstand niet onder afdeling 7.1.9A, indien daarvoor een van de in artikel 46b lid 2 omschreven uitzonderingen geldt, dan wel het recht van een derde land op de overeenkomst toepasselijk is, mits, in dit laatste geval, artikel 5 lid 5 in acht is genomen. 4. Het hier aan de orde zijnde frauduleuze gebruik van de betaalkaart van de consument zal in ieder geval aanwezig zijn indien opzettelijk gebruik is gemaakt van een valse of vervalste betaalpas of waardekaart, als ware deze echt en onvervalst, voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg. Voorts kan worden gedacht aan gevallen als de volgende. Het nummer van een creditcard wordt, bijvoorbeeld nadat dit op een of andere wijze (zoals aan de hand van een factuur) is onderschept, al dan niet met behulp van een nagemaakte kaart te eigen behoeve aangewend voor voldoening van de koopprijs bij een koop op afstand. Het feit dat de consument de (originele) creditcard nog onder zich heeft, staat er niet aan in de weg dat hier sprake is van frauduleus ‘gebruik van zijn betaalkaart’ (dat wil zeggen de betaalkaart van de consument). Voor de hand ligt dat het begrip ‘gebruik’ niet beperkt is tot het zuiver fysieke gebruik van de betaalkaart. Indien het gevaar van frauduleus handelen bij het – juist bij de koop op afstand voorkomende – niet zuiver fysieke gebruik van de betaalkaart groter is dan bij het zuiver fysieke gebruik, heeft de consument in eerstbedoelde situatie zelfs nog meer behoefte aan bescherming. Een mogelijkheid van frauduleus gebruik is ook dat een leverancier die door een transactie met een consument de beschikking heeft gekregen over het nummer van diens creditcard, dit nummer gebruikt voor eigen bestedingen. Voorts kunnen verloren of gestolen bankkaarten (bankpassen) worden misbruikt door derden. 5. Gevallen van frauduleus gebruik van zijn betaalkaart als de zojuist geschetste kunnen onder omstandigheden aan de consument worden toegerekend. Dit is met name dan het geval, indien hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die in de betrokken situatie van hem mocht worden verwacht. Zo is de houder van het betaalinstrument onder meer verplicht om alle redelijke maatregelen te nemen om de veiligheid van het elektronisch betaalinstrument en de middelen waarmee daarvan gebruik kan worden gemaakt (bijvoorbeeld een Pincode) te waarborgen. Voorts is hij verplicht om de uitgever van het betaalinstrument onverwijld kennis te geven van verlies of diefstal daarvan of van de middelen waarmee daarvan gebruik kan worden gemaakt, en van boeking van transacties waarvoor geen toestemming is gegeven op de rekening van de houder. 2024 -1017- No. 164 6. In artikel 46g kan, in tegenstelling tot de voorgaande bepalingen, niet worden uitgegaan van het begrip ‘koper’, omdat het in artikel 46g juist gaat om gevallen waarin de consument bij de gesloten koop op afstand geen partij is. Artikel 46g betreft derhalve natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Deze in het BW gebruikelijke omschrijving van het begrip ‘consument’ komt onder meer voor in artikel 5 lid 1. 7. Artikel 46g houdt zowel rekening met de situatie waarin de betaling als gevolg van het frauduleuze gebruik nog niet ten laste van de consument is gebracht, als met de situatie waarin dit reeds wel het geval is. Voor eerstgenoemde situatie wordt bepaald dat de consument niet kan worden verplicht tot betaling van de bedragen die hem als gevolg van het frauduleuze gebruik in rekening zijn gebracht. Voor laatstgenoemde situatie houdt het artikel in dat het terzake reeds betaalde geldt als onverschuldigd betaald (vgl. artikel 26 lid 3, in het ontwerp-Koop van onroerende zaken en aanneming van werk).

  2864. Artikel 46h 1. Het is in geval van telefonische contacten wenselijk dat de consument aan het begin van het gesprek voldoende informatie krijgt om te beslissen of hij al dan niet wil verdergaan. Daarom is in lid 1 bepaald dat in geval van telefonische communicatie de identiteit van de leverancier en het commerciële oogmerk van de oproep aan het begin van elk gesprek met de consument expliciet duidelijk moeten worden gemaakt. Evenals in artikel 46g moest hier in plaats van het begrip ‘koper’ een omschrijving van het begrip ‘consument’ worden gebruikt, daar op het moment van de oproep (nog) geen sprake is van een overeenkomst tussen de verkoper en de consument. Er zij op gewezen dat voor telefoon zonder menselijke tussenkomst hier niet een ander stelsel geldt dan voor telefoon met menselijke tussenkomst. In beide gevallen moeten de door artikel 46h gestelde eisen worden vervuld. Het gebruik van het woord ‘gesprek’ in artikel 46h lid 1, dat interactiviteit veronderstelt, doet aan het zojuist gestelde niet af, daar interactiviteit in geval van telefoon zonder menselijke tussenkomst niet uitgesloten lijkt (men denke aan het op zijn telefoon intoetsen van antwoorden door de consument). Het woord ‘gesprek’ heeft dus een ruime betekenis en omvat iedere vorm van interactiviteit. De ratio van het voorschrift dat de verkoper zijn identiteit moet mededelen, is dat de betrokken consument weet wie hij eventueel moet aanspreken, bijvoorbeeld indien hij alsnog van verdere oproepen verschoond wil blijven. 2. In lid 2 wordt ten aanzien van automatische oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen en elektronische berichten een ‘opt-in’ regime geïntroduceerd. 3. Lid 3 schrijft voor dat een voormalige verkoper bevoegd is van e-mailadressen en dergelijke gebruik te maken, mits bij de vroegere verkoop de toenmalige koper gemeld en mits de verkoper bij ieder contact herhaalt hoe de toenmalige koper zich kan verzetten (men denke aan ‘spam’). Overtreedt een commerciële aanbieder een van de in dit artikel vervatte regels, dan levert dat een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 lid 2 (strijd met wettelijke plicht), met alle mogelijke consequenties van dien. 4. Lid 4 specificeert de inhoud van de mededelingsplicht van degene die met gebruik van internet en dergelijke een koop op afstand tot stand wil brengen. 5. Lid 5 betreft andere technieken dan automatische oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen en elektronische berichten; hier geldt een ‘opt-out- regime. 6. Ingevolge lid 6 dient de gebruiker passende maatregelen te nemen om de consument ten minste eenmaal per jaar bekend te maken met de mogelijkheid om de benadering met gebruikmaking van de in lid 5 bedoelde systemen tegen te houden. 7. Lid 7 bepaalt dat het een en ander kosteloos voor de consument geschiedt. 2024 -1018- No. 164

  2865. Artikel 46i 1. Er is voor gekozen de onderhavige afdeling, ook voor zover deze betrekking heeft op overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten (zoals de overeenkomst van opdracht, de aanneming van werk ten aanzien van roerende zaken, de huur- en de vervoerovereenkomst) en de voor de koop op afstand opgenomen bepalingen met enige nadere voorzieningen van overeenkomstige toepassing te verklaren op overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten. In artikel 46i is de afbakening verwerkt van het toepassingsgebied van de afdeling ten aanzien van overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten. 2. In artikel 46i lid 1, zijn de daarvoor in aanmerking komende artikelen uit afdeling 7.1.9A van overeenkomstige toepassing verklaard op overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten. Uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing zijn die artikelen die hetzij reeds op beide typen overeenkomsten op afstand betrekking hebben, zoals artikel 46a, hetzij uitsluitend van belang zijn voor de koop op afstand, zoals artikel 46b leden 1 en 3. De nadere voorzieningen die noodzakelijk zijn met het oog op de van overeenkomstige toepassingverklaring zijn opgenomen in de leden 2 tot en met 6 van artikel 46i. 3. Een tweetal categorieën overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten waarop geen van de in artikel 46i lid 1 genoemde bepalingen van toepassing is, wordt omschreven in artikel 46i lid 2. In de eerste plaats betreft het hier de overeenkomst op afstand die met een telecommunicatie- exploitant wordt gesloten door gebruikmaking van een openbare telefoon (onderdeel a). Deze is uitgesloten gelet op het ogenblikkelijk karakter van een overeenkomst bij het gebruik van openbare telefooncellen. Gedacht moet hier worden aan gevallen waarin een publieke telefoon wordt benut door het voeren van een telefoongesprek waarvoor, bijvoorbeeld met een kaart, wordt betaald. Er moet van worden uitgegaan dat alsdan een incidentele overeenkomst tot het voeren van één telefoongesprek tot stand komt met de exploitant van de publieke telefoon. De tweede categorie van overeenkomsten waarop de in artikel 46i lid 1 genoemde bepalingen niet van toepassing zijn is die van de overeenkomsten op afstand tot aanneming van werk die strekken tot de bouw van een onroerende zaak (onderdeel b), dit in verband met het specifieke karakter van de vastgoedsector. 4. In lid 3 worden de artikelen 46c tot en met 46e (betreffende informatieverplichtingen en ontbinding binnen bedenktijd) en 46f lid 1, (betreffende de termijn waarbinnen de dienstverlener in beginsel moet presteren) uitgesloten van toepassing op overeenkomsten op afstand tot het verrichten van bepaalde diensten, indien daarvoor reservering plaatsvindt. Het gaat bij die diensten om logies, vervoer, het restaurantbedrijf en vrijetijdsbesteding. De termen ‘restaurantbedrijf’ en ‘vrijetijdsbesteding’ zijn niet geheel van vaagheid vrij te pleiten; bij twijfel of een overeenkomst onder een van de vier genoemde begrippen valt, kan de ratio van de onderhavige uitsluiting de doorslag geven. Onverkorte toepasselijkheid van de bepalingen inzake informatieverplichtingen, bedenktijd en uitvoeringstermijn op de onderhavige overeenkomsten zou onvoldoende werkbaar in de praktijk zijn. Zo zou die onverkorte toepasselijkheid meebrengen dat bijvoorbeeld bij elke plaatsreservering in een restaurant of bioscoop de informatieverplichtingen vóór en bij het sluiten van de overeenkomst zouden moeten worden vervuld, en dat de consument binnen een bedenktijd de overeenkomst zou kunnen ontbinden. 5. Er zij op gewezen dat artikel 46i lid 3 niet alleen geldt indien verrichting van de dienst op een bepaalde datum wordt overeengekomen, maar ook indien verrichting daarvan tijdens een bepaalde periode wordt overeengekomen. Men denke aan een vervoerbewijs voor een reis per schip, dat geldig is gedurende een bepaalde, daarop vermelde periode. Indien echter de overeenkomst in dit geval wordt gesloten met gebruikmaking van een distributieautomaat, dan geldt de ruimere uitzondering uit hoofde van de artikelen 46b lid 2, onderdeel a, in verbinding met artikel 46i lid 1. 6. De dienst kan zelf ook met behulp van een techniek voor communicatie op afstand worden verricht, waarbij de communicatietechniekexploitant de tegenprestatie voor het verrichten van de dienst aan de consument in rekening brengt. Men denke hierbij bijvoorbeeld aan inlichtingen over een telefoonnummer, het weer, het verkeer etc. die de consument via de telefoon inwint, al dan niet bij zijn telefoonmaatschappij, en die aan hem via zijn telefoonnota in rekening worden gebracht. Voor dit soort diensten is het eisen van (schriftelijke) bevestiging en aanvulling van de vóór het 2024 -1019- No. 164 sluiten van de overeenkomst te verstrekken informatie niet passend. Men zie lid 4 waarin is bepaald dat artikel 46c lid 2, inzake (schriftelijke) bevestiging van de informatie niet van toepassing is op de onderhavige categorie diensten, mits zij in één keer worden verleend en met dien verstande dat de consument in ieder geval kennis moet kunnen dragen van het geografische adres van de vestiging van de leverancier waar hij zijn klachten kan indienen. Met in een keer verrichte diensten zijn die gevallen bedoeld waarin de dienst in zijn geheel in een enkel contact met de consument wordt verleend (men denke aan de hierboven genoemde voorbeelden van een telefonisch weerbericht of telefonische verkeersinformatie). 7. Ook de ontbindingsbevoegdheid binnen de bedenktijd geldt niet onverkort. Lid 5 ontzegt de consument deze bevoegdheid onder meer voor het geval waarin het verrichten van de dienst met diens instemming is begonnen vóór het einde van de bedenktijd van zeven werkdagen en voorts voor weddenschappen en loterijen. Daar ongedaanmaking als zodanig van eenmaal verrichte diensten, anders dan terugzending van geleverde zaken, niet wel denkbaar is, kan de ontbindingsbevoegdheid binnen de bedenktijd in het geval van een overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten niet op dezelfde wijze worden geregeld als bij koop op afstand. Zo ligt het voor de hand om de consument die heeft toegestemd in verrichting van de dienst vóór het einde van de bedenktijd, de ontbindingsbevoegdheid binnen die bedenktijd te ontzeggen, mits uiteraard de consument daarover voordat de verrichting van de dienst begon, is geïnformeerd. In een verplichting van de dienstverlener om die informatie aan de consument te geven is voorzien in artikel 46c lid 1 onderdeel f, in verbinding met artikel 46i lid 1). 8. Voldoende is dat de verrichting van de dienst is begonnen voordat de bedenktijd is geëindigd; niet noodzakelijk is dus dat de volledige dienst reeds is verricht voordat de bedenktijd is geëindigd. Voorts is van belang dat de uitzondering uit hoofde van onderdeel a ziet op een begin van uitvoering vóór het einde van de in artikel 46d lid 1, eerste en derde volzin, bedoelde bedenktijd van zeven werkdagen. Indien de dienstverlener niet aan al zijn informatieverplichtingen uit hoofde van artikel 46c lid 2, heeft voldaan, waardoor de bedenktijd van zeven werkdagen wordt vervangen door een bedenktijd van maximaal drie maanden, geldt de uitzondering uit hoofde van onderdeel a niet en heeft de consument dus wel de ontbindingsbevoegdheid binnen die bedenktijd. Indien de dienstverlener binnen de bedenktijd van drie maanden alsnog aan al zijn informatieverplichtingen voldoet, heeft de consument nadien nog een bedenktijd van zeven werkdagen. Start de dienstverlener vóór het einde van die laatste bedenktijd met de verrichting van de dienst met instemming van de consument, dan komt de consument (op grond van artikel 46i lid 5 onderdeel a) niet meer zijn ontbindingsbevoegdheid binnen de bedenktijd toe. 9. De achtergrond van de in artikel 46i lid 5 onderdeel b opgenomen uitzondering van de ontbindingsbevoegdheid binnen de bedenktijd voor diensten van weddenschappen en loterijen is gelegen in hun specifieke wijze van functioneren. Het is wenselijk om de mogelijkheid van ontbinding uit te sluiten door de consument die niets, dan wel minder dan zijn inleg gewonnen heeft. 10. In artikel 46i lid 6 is het aanvangstijdstip van het sluiten van de overeenkomst voor beide bedenktijden (die van zeven werkdagen en die van drie maanden) neergelegd. Voor het geval dat de dienstverlener binnen de bedenktijd van drie maanden alsnog aan al zijn informatieverplichtingen voldoet, geldt krachtens de overeenkomstige toepassing van artikel 46d lid 1, derde volzin, reeds dat vanaf het voldoen aan alle informatieverplichtingen nog een bedenktijd van zeven werkdagen loopt. Men zij erop bedacht dat deze termijn de bedenktijd van drie maanden na het sluiten van de overeenkomst kan overschrijden, namelijk indien de dienstverlener pas korter dan zeven werkdagen vóór het einde van die bedenktijd aan al zijn informatieverplichtingen voldoet. 11. Lid 7 betreft een contractueel beding dat de bewijslast voor de naleving van op de aanbieder van een financiële dienst rustende verplichting bij de consument legt. Zulk een beding is vernietigbaar. 2024 -1020- No. 164

  2866. Artikel 46j 1. Ter voorkoming van ondermijning van de aan de consument krachtens de onderhavige afdeling toegekende bescherming bevat artikel artikel 46j een voorziening. In lid 1 is voorzien in het tot dwingend recht verklaren van afdeling 7.1.9A. Een beding waarin op volgens artikel 46j lid 1, ongeoorloofde wijze wordt afgeweken van afdeling 7.1.9A is overeenkomstig artikel 3:40 lid 2 vernietigbaar, nu afdeling 7.1.9A strekt tot bescherming van het belang van een van de partijen bij de koop, namelijk de consument. 2. Doordat artikel 46j lid 1, alleen betrekking heeft op afwijking bij contractueel beding (‘Van ... kan niet ten nadele van de koper worden afgeweken’), vallen de artikelen 46c lid 1 en 46h buiten het bereik van artikel 46j lid 1. Deze artikelen hebben immers juist betrekking op de situatie dat (nog) geen overeenkomst op afstand is gesloten met de consument. Afwijking bij contractueel beding van die artikelen is dan ook niet goed denkbaar. Wel denkbaar is dat de verkoper of dienstverlener de hem in artikel 46c lid 1 en artikel 46h opgelegde verplichtingen feitelijk niet naleeft, bijvoorbeeld door aan de aspirant-koper niet alle vereiste gegevens te doen toekomen. Een aparte voorziening hiervoor lijkt evenwel noodzakelijk noch wenselijk naast enerzijds de algemene regels in de Boeken 3 en volgende, bijvoorbeeld die omtrent de wilsgebreken (artikelen 3:44 en 6:228), en anderzijds de ter bescherming van het belang van de consument in de artikelen 46c e.v. neergelegde voorschriften, zoals de tot ten hoogste drie maanden verlengde bedenktijd ingeval ook bij de uitvoering van de overeenkomst niet alle vereiste gegevens worden verstrekt. 3. Afwijking bij contractueel beding ten nadele van de consument van artikel 46g lijkt in de praktijk niet goed denkbaar. Hoe dit ook zij, de consument ontleent al voldoende bescherming aan de in artikel 46g opgenomen regel dat reeds gedane betalingen als onverschuldigd betaald gelden. 4. Afwijking van afdeling 7.1.9A ten voordele van de consument wordt wel in artikel 46j lid 1 toegelaten. Van artikel 46f lid 1 is afwijking wel mogelijk, aldus artikel 46j lid 2. 5. Lid 3 verklaart, voor zover de koper of de wederpartij in Suriname zijn gewone verblijfplaats heeft, de dwingende bepalingen van de onderhavige afdeling tot voorrangsregel (‘règle d’application immédiate’) in internationaal privaatrechtelijke zin, zodat daaraan niet valt te ontkomen door bij voorbeeld een buitenlands recht te kiezen als het toepasselijke recht. Vgl. ook artikel 48g lid 2, en artikel 5 lid 5. Afdeling 7.1.10 (Koop van vermogensrechten) De voorafgaande afdelingen gaan uit van de koop van zaken (artikel 3:2), waardoor de terminologie eenvoudig kan worden gehouden. De bepalingen kunnen echter ook van (overeenkomstige) toepassing worden verklaard op de koop van vermogensrechten (artikel 3:5), voor zover dat althans met de aard van het recht in overeenstemming is. Zie hiervoor artikel 47. Artikel 48 geeft enige bepalingen over de koop van een nalatenschap waarin zich zowel zaken als vermogensrechten zullen bevinden, maar die als geheel als een ‘algemeenheid van goederen’ kan worden beschouwd. De afdeling is, voor zover zij verwijst naar bepalingen die voor de consumentenkoop van dwingend recht zijn, eveneens van dwingend recht voor de consumentenkoop van vermogensrechten (artikel 6).

  2867. Artikel 47 verklaart in beginsel de bepalingen van de voorafgaande afdelingen van toepassing op de koop van vermogensrechten. Men denke bijvoorbeeld aan de koop van vorderingen en aandelen, octrooien enz. en ook beperkte rechten. Voor de levering ervan gelden de voorschriften van de artikelen 3:89 e.v., al naar gelang van de aard van het recht. Artikel 10 is voor het tenietgaan van een zaak bijvoorbeeld van hetzelfde belang, als het vruchtgebruik daarvan is verkocht als wanneer de zaak zelf is verkocht. Bij verkoop van een vordering omvat artikel 17 bijvoorbeeld mede de solvabiliteit van de debiteur. Wie een nalatenschap als zodanig verkoopt, verkoopt niet de goederen afzonderlijk, doch alle goederen die daartoe (blijken te) behoren, gezamenlijk, al dan niet met beschrijving van de goederen die geacht worden daartoe te behoren. De levering geschiedt van elk goed afzonderlijk naar zijn aard. Op dezelfde wijze kan men ook een andere algemeenheid van goederen, zoals een onderneming, verkopen en leveren. 2024 -1021- No. 164 Worden de verkochte goederen van een nalatenschap niet stuk voor stuk opgegeven, dan staat de verkoper slechts in voor zijn kwaliteit van erfgenaam van (zijn aandeel in) de verkochte goederen, niet voor de samenstelling ervan, aldus het eerse lid 1 van artikel 48. De leden 2 en 3 leggen op de verkoper en koper obligatoire verrekenplichten. Afdeling 7.1.10A (Koop van rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken)

  2868. Artikel 48a 1. Bij de omschrijving in onderdeel a van het in afdeling 7.1.10A BW gehanteerde begrip ‘koop’ is gepoogd de sterk uiteenlopende vormen te bestrijken van rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken zoals die in de praktijk worden verkocht. Gedacht kan worden aan: - aandelen in een gemeenschap (waarbij de vordering tot verdeling is uitgesloten; zie de memorie van toelichting bij artikel 178 lid 1 van Boek 3), - (eigen) beperkte zakelijke genotsrechten, waarbij het recht wordt gevestigd voor jaren of onbepaalde tijd, maar de periodieke uitoefening van het recht beperkt wordt tot een of enkele weken per jaar; - rechten in een rechtspersoon waarbij het gebruiksrecht van de onroerende zaak is verbonden aan een zeggenschapsrecht, in het bijzonder een aandeel in een naamloze of besloten vennootschap of een lidmaatschap in een coöperatieve vereniging, en - obligatoire rechten, waarbij in het bijzonder valt te denken aan huur. 2. Met de woorden ‘iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten’ wordt beoogd tot uitdrukking te brengen dat behalve één enkele overeenkomst ook meerdere overeenkomsten die tezamen één transactie opleveren onder de regeling vallen, indien zij maar tezamen voldoen aan de daar gestelde eisen. De woorden ‘met de strekking dat’ zijn bedoeld om ook die overeenkomsten onder het toepassingsgebied van afdeling 7.1.10A te brengen die daaronder wellicht niet zouden worden gebracht, indien alleen op hun inhoud zou worden afgegaan. De strekking van de overeenkomst wordt bepaald door de ook voor anderen te voorziene gevolgen en kenbare motieven van de overeenkomst. Bedoeld is ontduiking van afdeling 7.1.10A tegen te gaan. De begripsomschrijvingen houden rekening met de omstandigheid dat een overeenkomst op directe en op indirecte wijze kan strekken tot het verwerven van een recht van gebruik in deeltijd van onroerende zaken. In het eerste geval verwerft de koper bij voorbeeld een zakelijk gebruiksrecht, als het in artikel 1 voorgestelde deeltijdappartementsrecht. In het tweede geval verwerft de koper bij voorbeeld een aandeel in een gemeenschap of een lidmaatschapsrecht van een vereniging. 3. Van begrenzende aard daarentegen zijn de volgende componenten van de in onderdeel a, neergelegde begripsomschrijving: - ‘met een duur van ten minste drie jaar’; - ‘tegen betaling van een totaalprijs’; via het woord totaalprijs worden normale huurovereenkomsten, die een gebruiksafhankelijke periodiek te betalen prijs kennen en dus geen vast totaal bereiken, buiten het toepassingsgebied gehouden; overigens staat een totaalprijs aan timeshare in de vorm van een huurovereenkomst niet in de weg; - ‘tot het gebruik voor ten minste een week per jaar’; en - ‘tot bewoning bestemde onroerende zaken’. De woorden ‘met de strekking’ in onderdeel a bieden bescherming aan de koper in gevallen dat het louter de bedoeling van de verkoper is om met een bepaalde beperking de toepasselijkheid van de onderhavige afdeling te omzeilen. 4. In de onderdelen b en c (omschrijving van onderscheidenlijk ‘verkoper’ en ‘koper’) is aansluiting gezocht bij artikel 5 lid 1 inzake het begrip consumentenkoop. 2024 -1022- No. 164

  2869. Artikel 48b 1. Deze bepaling betreft de drie vereisten waaraan bij het sluiten van de koopovereenkomst moet worden voldaan. In de eerste plaats wordt een bepaalde vorm voorgeschreven, namelijk de schriftelijke. In de tweede plaats worden aan de inhoud van de overeenkomst eisen gesteld. Dit is geschied door de bepaling dat de overeenkomst ten minste de bij staatsbesluit bepaalde gegevens moet bevatten (lid 1); uiteraard kan het Gegevensbesluit regelmatig worden bijgesteld in overleg met de praktijk. De gegevens kunnen zijn opgenomen in een apart bijgevoegd stuk waarnaar verwezen wordt. In de derde plaats wordt terhandstelling van (een afschrift van) de, tussen partijen opgemaakte, koopakte aan de koper verlangd (lid 2). 2. De schriftelijke vorm strekt in de eerste plaats tot bescherming van het belang van de koper, die zich aan de hand van de akte tijdens de hem op grond van artikel 48c ter beschikking staande bedenktijd kan beraden en deskundig advies kan inwinnen. Bedoeld vereiste dient echter ook andere belangen. Men denke bij voorbeeld aan de algemene belangen van de rechtszekerheid en van het voorkomen van geschillen. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 3:39 BW is de sanctie op het niet voldoen aan het vormvereiste dan ook nietigheid. 3. De eisen ten aanzien van de inhoud van de koopakte zijn bedoeld ter bescherming van de koper. De ratio van de bedenktijd is immers dat de koper zich in die tijd, al dan niet met deskundige hulp, een juist en volledig beeld kan verschaffen van met name de rechten en verplichtingen die over en weer uit de gesloten overeenkomst voortvloeien. Hiervoor is bij de koop van een timeshare te meer reden gelet op de ingewikkelde rechtsvormen die gehanteerd plegen te worden. 4. Ook de verplichting tot terhandstelling van de koopakte aan de koper strekt tot bescherming van de koper. Zij dient de effectiviteit van de in artikel 48c geregelde bedenktijd van de koper. Verzekerd moet zijn dat de bedenktijd niet eerder kan gaan lopen dan vanaf het tijdstip dat de koper daadwerkelijk de beschikking heeft over (een afschrift van) de koopakte. Behalve de daadwerkelijke overhandiging van de koopakte aan de koper, kan bij terhandstelling ook worden gedacht aan toezending van de akte. 5. Met de woorden ‘tussen partijen opgemaakte’ wordt tot uitdrukking gebracht dat de aan de koper ter hand gestelde koopakte door of namens beide partijen moet zijn ondertekend. Is aan deze eis niet voldaan, dan is de overeenkomst nietig (men zie het hiervóór over de sanctie op het vormvereiste van lid 1 opgemerkte).

  2870. Artikel 48c 1. Hierin wordt de bedenktijd geregeld. Ingevolge de eerste volzin van lid 1 komt aan de koper gedurende twee weken na de in artikel 48b lid 2, voorgeschreven terhandstelling van de koopakte het recht toe de overeenkomst te ontbinden. Hij behoeft voor die ontbinding aan de verkoper geen redenen op te geven. De termijn begint te lopen op de dag die op die van de terhandstelling volgt. In geval van toezending van de koopakte vangt de bedenktijd aan bij de ontvangst van de akte door de koper. 2. Denkbaar is dat de aan de koper ter hand gestelde koopakte niet alle in het Gegevensbesluit opgesomde gegevens inhoudt. De verkoper is dan niet de hem in artikel 48b lid 1, tweede volzin, opgelegde verplichting nagekomen. De bedenktijd van twee weken vanaf de terhandstelling van (een afschrift van) de koopakte aan de koper wordt dan verlengd met de tijd die is verlopen tussen bedoelde terhandstelling en de verstrekking van de ontbrekende gegevens, indien deze plaatsvindt. Deze verlenging van de bedenktijd bedraagt maximaal drie maanden. Aldus wordt niet alleen bereikt dat de koper nog binnen twee weken na de schriftelijke verstrekking van de ontbrekende gegevens de koop kan ontbinden, maar ook dat hij zulks kan doen gedurende in totaal twee weken en drie maanden na de terhandstelling van de koopakte in het geval dat de verstrekking van de ontbrekende gegevens niet geschiedt. Worden de aanvankelijk ontbrekende gegevens later alsnog verstrekt en maakt de koper geen gebruik van zijn ontbindingsbevoegdheid, dan moet ervan worden uitgegaan dat ook de alsnog verstrekte gegevens deel uitmaken van de overeenkomst. 2024 -1023- No. 164 3. In artikel 48c lid 2 wordt bepaald hoe de uitoefening van het in lid 1 aan de koper toegekende ontbindingsrecht dient te geschieden. Overeenkomstig artikel 6:267 lid 1 BW inzake ontbinding wegens tekortkoming, is een schriftelijke ontbindingsverklaring voorgeschreven. In Nederland kan de verklaring in iedere vorm geschieden, dus ook mondeling (artikel 3:37 lid 1, BW), maar de rechtszekerheid is met de schriftelijke vorm gediend. Uit artikel 37 lid 2, BW vloeit voort dat de ontbindingsverklaring ook bij (deurwaarders)exploot kan geschieden. De verklaring moet binnen de bedenktijd de koper (of de persoon die daartoe is vermeld in de koopakte) hebben bereikt, aldus artikel 3:37 lid 3, BW. Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het begrip ‘schriftelijk’ tevens inhoudt: langs elektronische weg. 4. Bedongen kan worden dat de koper aan de verkoper ten hoogste 3% van de prijs verschuldigd is, indien de koper overgaat tot ontbinding uit hoofde van artikel 48c lid 1. Dit wordt bepaald in lid 3. Men denke bij voorbeeld aan kosten verbonden aan de totstandkoming van de overeenkomst (zoals kosten van redigeren, opmaken en eventueel vertalen van de akte) en aan kosten verbonden aan de ontbinding van de overeenkomst.

  2871. Artikel 48d 1. Bedongen mag worden dat (ook) binnen de (verlengde) bedenktijd de koper de prijs of een deel van de prijs moet vooruitbetalen. In dat geval moet de verkoper evenwel zekerheid ervoor stellen dat, indien de koper gebruik maakt van zijn bedenktijd, het vooruitbetaalde, verminderd met de ontbindingsvergoeding (van maximaal 3%), onverwijld wordt terugbetaald. Het ontwerp wijkt in deze af van het recht van Nederland en rest van de Europese Unie, waarin tot geen enkele vooruitbetaling mag worden verplicht (zie artikel 7:48d Nederlands BW). 2. Ten aanzien van zekerheidsstelling geeft artikel 6:51 BW nadere regels. De schuldenaar (hier: de verkoper) heeft de keuze tussen zakelijke en persoonlijke zekerheid (lid 1); men denke enerzijds aan pand en hypotheek, anderzijds aan borgtocht en aan bankgaranties die niet aan de omschrijving van borgtocht beantwoorden. De schuldeiser (hier: de koper) moet zich zonder moeite voor hoofdsom, rente en kosten kunnen verhalen (lid 2). Voorts moet de schuldenaar (verkoper) de zekerheid die onvoldoende is geworden aanvullen of vervangen; en zulks ook in geval van overmacht, tenzij de oorzaak aan de schuldeiser (de koper) is toe te rekenen (lid 3). In de praktijk wordt wel gebruik gemaakt van een zgn. ‘Escrow Agent’, doorgaans een rechtspersoon die onafhankelijk is van de verkoper. Deze ontvangt het vooruitbetaalde bedrag en houdt het onder zich totdat de bedenktijd is verlopen.

  2872. Artikel 48e 1. De situatie waarin de koper de aanschaf van een timeshare financiert met geleend geld wordt geregeld in artikel 48e; vgl. voor koop op afstand artikel 46e. Ook deze regeling is ingegeven door de gedachte dat de ontbindingsrechten niet via een omweg illusoir gemaakt moeten kunnen worden. Lid 1 voorziet in de situatie waarin het de verkoper zelf is die aan de koper geld leent ten behoeve van de prijs van de gekochte timeshare. De overeenkomst die partijen hiertoe hebben gesloten wordt krachtens dit lid van rechtswege ontbonden indien de koper gebruik maakt van zijn recht om de koopovereenkomst binnen zijn bedenktijd te ontbinden. De oplossing van een ontbinding van rechtswege van een overeenkomst van geldlening tussen verkoper en koper is ingegeven door de gedachte dat de vaak juridisch ongeschoolde koper er zich niet altijd van bewust zal zijn dat hij, behalve een koop, ook een overeenkomst van geldlening met de verkoper heeft gesloten. Daardoor zou de koper, indien hij ook voor ontbinding van deze laatste overeenkomst in actie zou moeten komen, zulks wellicht achterwege laten. 2. Het geval waarin een derde op grond van een overeenkomst tussen deze derde en de verkoper aan de koper geld leent waarmee deze de prijs van de gekochte timeshare aan de verkoper kan voldoen, dient anders te worden behandeld. De keus voor een ontbinding van rechtswege ligt niet voor de hand als een derde de kredietverschaffer is, omdat deze van de ontbinding van de timeshare-overeenkomst doorgaans niet op de hoogte zal zijn. Daarom is in lid 2 van artikel 48e bepaald dat de koper, ingeval hij de koop ontbindt overeenkomstig artikel 48c, tevens het recht 2024 -1024- No. 164 heeft om de overeenkomst van geldlening die hij met de derde heeft gesloten, zonder boete te ontbinden. Deze tweede ontbinding geschiedt op dezelfde wijze als de eerste. De koper is echter niet gebonden aan de vijf dagen, bedoeld in artikel 48c lid 1. 3. Ingevolge lid 3 van artikel 48e is door de ontbinding van de overeenkomst van geldlening de koper in beide hierboven aangegeven gevallen geen enkele vergoeding, boete noch kosten, verschuldigd. Het gaat te ver om naast de in artikel 48c lid 3, maximaal toegestane 3% nog eens een bedongen ontbindingsvergoeding mogelijk te maken.

  2873. Artikel 48f In dit artikel wordt bepaald dat het in deze afdeling bepaalde overeenkomstige toepassing vindt op de koop van rechten van gebruik in deeltijd van andere registergoederen, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Hiermee wordt de gewenste consumentenbescherming ook ten aanzien van andere registergoederen mogelijk gemaakt. Men denke hierbij in het bijzonder aan timeshare in cruiseschepen. De onderhavige bepaling is ontleend aan het ontwerp-timeshare van Aruba. Zie ook artikel 5:148 BW.

  2874. Artikel 48g Ter voorkoming van ondermijning van de aan kopers van timeshares toegekende bescherming, verklaart artikel 48g lid 1 de onderhavige afdeling 7.1.10A en het Gegevensbesluit tot dwingend recht, in die zin dat er niet ten nadele van de koper van kan worden afgeweken. Afwijking ten voordele is dus wel toegelaten. Zie voorts artikel 3:40 lid 2, BW. Ten aanzien van onroerende zaken die in Suriname gelegen zijn bepaalt lid 2 dat de inhoud van de onderhavige afdeling grotendeels moet worden beschouwd als voorrangsregel (‘règle d’application immédiate’) in internationaal privaatrechtelijke zin, zodat daaraan niet valt te ontkomen door bij voorbeeld een buitenlands recht te kiezen als het toepasselijke recht. Vgl. ook artikel 46 lid 3 en artikel 5 lid 5. Afdeling 7.1.12 (Ruil) Ruil verschilt alleen daarin van koop dat niet de prestatie van de ene partij uit geld bestaat en die van de ander in een ander goed dan geld. Onder het geldende recht is er nog één belangrijk materieel verschil in rechtsgevolg, en wel de risicoregeling. Ten gevolge van de invoering van artikel 10 kan ook dit verschil vervallen, hetgeen ook een einde maakt aan de problematiek van de ‘inruil’ – bijvoorbeeld van een auto – met bijbetaling.

  2875. Artikel 49 geeft een – enigszins beperkte – omschrijving van de ruil.

  2876. Artikel 50 verklaart de koopbepalingen – inclusief artikel 6 omtrent dwingendheid van de bepalingen omtrent consumentenkoop – van overeenkomstige toepassing, en geeft een aanwijzing voor de wijze waarop die toepasselijkheid moet worden begrepen. TITEL 3 - SCHENKING

  2877. Artikel 175 1. Dit artikel verstaat onder schenking iedere overeenkomst die tot strekking heeft dat de schenker om niet en ten koste van eigen vermogen de begiftigde verrijkt. Onder deze ruime omschrijving vallen in de eerste plaats verbintenisscheppende overeenkomsten als omschreven in artikel 6:213. Een schenking kan niet alleen tot een geven, maar ook tot een doen of een niet doen verplichten, mits de overeenkomst maar tot gevolg heeft dat de begiftigde wordt verrijkt ten koste van het vermogen van de schenker. Als voorbeelden van een schenking waaruit voor de schenker een verbintenis om te doen voortvloeit, kunnen genoemd worden overeenkomsten waarbij hij zich jegens de vederpartij verbindt tot overname of betaling van de schuld die de wederpartij aan een derde heeft. Als voorbeelden van een schenking waarbij de schenker een verbintenis om niet te doen op zich neemt, overeenkomsten tot het niet gebruiken van een bevoegdheid uit het burenrecht, van een erfdienstbaarheid of van een merk. 2024 -1025- No. 164 2. De omschrijving laat verder de mogelijkheid open dat de schenking zich in een andere vorm dan in die van een verbintenisscheppende overeenkomst voordoet, zoals in die van een liberatoire of van een vaststellingsovereenkomst. Hierdoor wordt de rechtstreekse toepasselijkheid van de schenkingsregels onafhankelijk van de vraag in hoeverre de bevrijdende overeenkomst tevens als een verbintenisscheppende kan worden beschouwd. De verrijking waarop de overeenkomst, om als schenking te kunnen worden beschouwd, gericht moet zijn, bestaat in die gevallen uit de bevrijding van een verplichting, de afstand van een beperkt recht of een ten gunste van de begiftigde gedane vaststelling van de rechtsverhouding, zonder dat daarvoor de constructie behoeft te worden gevolgd dat de schenker zich tot deze verrijking verbonden heeft. 3. Op vermogensverschuivingen ter bevoordeling door middel van andere handelingen dan de in de definitie omschreven overeenkomsten, zoals eenzijdige rechtshandelingen, verklaart artikel 186 de regels van deze titel zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Hierdoor en door het feit dat het ontwerp de vormvereisten voor schenking laat vervallen, behalve als het gaat om registergoederen, zal het in minder gevallen dan in het geldend recht van belang zijn of een bepaalde overeenkomst al dan niet aan de omschrijving van artikel 175 beantwoordt. 4. Afgezien van de verruiming welke de omschrijving van dit artikel brengt in vergelijking met het huidige recht, bevat zij de klassieke vereisten, zoals die over het algemeen aan schenking worden gesteld. Tot uitdrukking is gebracht dat een overeenkomst, om schenking te kunnen zijn, allereerst aan bepaalde objectieve vereisten moet voldoen. Deze zijn: een prestatie om niet, vermindering van het vermogen van de schenker en verrijking van dat van de begiftigde. Daarnaast moet duidelijk zijn dat partijen deze gevolgen tot stand hebben willen brengen. Duidelijkheidshalve worden hierna eerst de objectieve vereisten besproken, daarna het vereiste dat de overeenkomst op het tot stand komen van deze gevolgen gericht moet zijn geweest. 5. De omschrijving van artikel 175 lid 1 verlangt in de eerste plaats dat de schenker de begiftigde verrijkt ten koste van zijn vermogen. Verarming enerzijds staat dus tegenover verrijking anderzijds, al hoeven deze niet altijd precies te corresponderen. Ten koste van het vermogen kan ook een overeenkomst tot overdracht van nog te verkrijgen vermogensbestanddelen gaan, zoals bijvoorbeeld een schenking van toekomstig auteursrecht. Niet iedere prestatie om niet die iemand ten behoeve van een ander op zich neemt, voldoet aan de genoemde vereisten. Overeenkomsten waarbij arbeid of bepaalde diensten gratis worden toegezegd, zijn wel overeenkomsten om niet, maar behoeven geen schenkingen te zijn. Dit is met name niet het geval wanneer het vermogen van degene die de prestatie op zich neemt of verricht, niet verkleind wordt. En van een verrijking is geen sprake wanneer iemand een vermogensbestanddeel afstaat, waaraan zodanige verplichtingen zijn verbonden, dat er geen surplus-waarde is, hetgeen zich bijvoorbeeld kan voordoen als een erfpachtcanon uitzonderlijk hoog is. 6. Lid 1 stelt voorts de eis dat de verarming en de verrijking bij een overeenkomst om niet plaatsvinden. Daaronder wordt verstaan dat de prestatie plaatsvindt zonder juridisch verband met een van de tegenpartij reeds genoten of nog te verwachten contraprestatie. Een wederkerige overeenkomst kan dus, ook wanneer die ter bevoordeling van een van de partijen wordt aangegaan, geen schenking in de zin van dit artikel opleveren, omdat er niet om niet gepresteerd wordt. Wel zal de rechter een uiterst geringe contraprestatie als schijnprestatie en derhalve als non-existent kunnen beschouwen, Staat tegenover een bepaalde prestatie (bijvoorbeeld verkoop of ruil) een contraprestatie die wel reëel is, maar toch van aanzienlijk mindere waarde (zogenaamde ‘negotium mixtum cum donatione’), dan kan de rechter krachtens artikel 186 de schenkingsbepalingen analoog naast die van het andere contract — bijvoorbeeld koop of ruil — toepassen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet. 7. Anderzijds behoeft een overeenkomst het karakter van schenking in de zin van dit artikel niet te verliezen door het enkele feit dat aan de begiftigde verplichtingen worden opgelegd, waarvan de schenker of zijn erfgenamen nakoming kunnen vorderen. De bevoegdheid tot het opleggen van dergelijke verplichtingen is van oudsher aan schenkers toegekend; men sprak daarbij meestal van lasten, welke benaming echter minder juist is voor verplichtingen waarvan nakoming door de 2024 -1026- No. 164 schenker kan worden geëist. In het ontwerp is deze mogelijkheid van het opleggen van verplichtingen aan de begiftigde behouden, echter binnen de grenzen welke het karakter van de overeenkomst om niet daaraan stelt. Zo zal een overeenkomst in ieder geval het karakter van schenking behouden, wanneer de schenker door de nakoming van dergelijke verplichtingen in zijn vermogen niet wordt gebaat; aldus bijvoorbeeld wanneer de begiftigde wordt opgedragen uitkeringen aan derden te doen, al dan niet ter bevordering van een sociaal of cultureel doel, of wanneer de begiftigde aanvaardt dat hij het geschonken goed voor een bepaald doel moet bestemmen. De grens waartoe door de begiftigde op zich genomen verplichtingen over het algemeen kunnen gaan zonder dat daardoor het karakter van schenking wordt opgeheven, wordt voornamelijk bepaald door de vraag in hoeverre er nog van een verrijking sprake is. 8. Ook wanneer de schenker door de nakoming van aan de begiftigde opgelegde verplichtingen wel in zijn vermogen wordt gebaat, behoeft dit op zichzelf nog niet te betekenen dat de overeenkomst daardoor het karakter van schenking verliest. Het schenkingskarakter blijft met name bewaard als de verplichting, zonder het karakter van een tegenprestatie aan te nemen, enkel strekt tot vermindering van de waarde van de verrijking. Zo kan aan een begiftigde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een schuld waarvoor hypotheek gevestigd is op een geschonken onroerend goed, of tot het vestigen van een vruchtgebruik of erfdienstbaarheid op dit erf, in welk geval men pleegt te spreken van een schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik, respectievelijk erfdienstbaarheid. In beide gevallen is de toepasselijkheid van de schenkingsregels afhankelijk van de vraag of nog van verrijking kan worden gesproken. Anders wordt het eerst wanneer aan de verplichting die de begiftigde op zich neemt, het karakter van een tegenprestatie niet kan worden ontzegd, zoals bijvoorbeeld bij overdracht van een huis met het beding dat de verkrijger de vervreemder gedurende diens leven kost, inwoning en verpleging zal verschaffen. Ook wanneer in dat geval de waarde van het huis die van de tegenprestatie aanzienlijk zou overtreffen, zou niet van een overeenkomst om niet in de zin van artikel 175 gesproken kunnen worden, maar hoogstens van een mengvorm tussen schenking en pensionovereenkomst, waarop de bepalingen van deze titel slechts analoog toepasselijk kunnen zijn voor zover die toepasselijkheid door het pensionkarakter van de overeenkomst niet wordt uitgesloten. De onderscheiding tussen deze verschillende soorten verplichtingen die aan de begiftigde kunnen worden opgelegd, laat zich bezwaarlijk in algemene bewoordingen vastleggen; zij kan dan ook beter geval voor geval aan de rechter ter beoordeling worden gelaten. 9. Naar de omschrijving van lid 1 moet voorts de overeenkomst ertoe strekken dat de schenker de begiftigde ten koste van eigen vermogen verrijkt. Ook naar geldend recht wordt over het algemeen aanvaard dat de schenker de bedoeling moet hebben de begiftigde te bevoordelen, al verschilt men van mening over de mate waarin deze bedoeling tot uitdrukking moet zijn gekomen. Zou men op dit punt geen enkele eis stellen, dan zou bij iedere verrijking om niet van de een ten koste van het vermogen van de ander van een schenking gesproken moeten worden, hetgeen niet met de realiteit zou overeenstemmen. Het is immers niet in die mate normaal dat iemand zijn vermogen ten voordele van een ander wil verarmen, dat het recht de aanwezigheid van die rechtsgrond stilzwijgend bij iedere verrijking om niet zou mogen aannemen. Ook de enkele omstandigheid dat degene die een ander om niet bevoordeelt, zich daarvan bewust is, levert niet altijd voldoende grond op voor het aannemen van een schenking. Dit zou immers betekenen dat geen terugvordering wegens onverschuldigde betaling mogelijk zou zijn, wanneer de nietigheid van een verbintenis bekend zou zijn aan degene die voldoet. 10. Anderzijds hoeft men niet zo ver te gaan dat men voor schenking eist dat degene die zich verarmt, dit doet met het oogmerk de ander te bevoordelen. Door de overeenkomst hiervan afhankelijk te maken zou men zich verder begeven in de drijfveren van wat iemand tot bevoordeling van een ander beweegt, dan met het oog op de rechtszekerheid doelmatig en juist geacht moet worden. Voor het onderhavige artikel is de formulering gekozen, dat de overeenkomst de strekking moet hebben dat de schenker ten koste van eigen vermogen de begiftigde verrijkt. Dit vereiste houdt in dat de vermogensverschuiving enerzijds wordt aangeboden, anderzijds wordt aanvaard als een verrijking van de een ten koste van het vermogen van de ander. Aan de hand hiervan zal de rechter in twijfelgevallen kunnen beoordelen of de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst rechtstreekse of analoge toepassing van de schenkingsbepalingen rechtvaardigt. 2024 -1027- No. 164 11. Het vereiste dat de overeenkomst ertoe strekt dat de schenker de begiftigde ten koste van eigen vermogen verrijkt, houdt tevens in dat betaling van een schuld niet als schenking kan worden aangemerkt. Onder schuld dient in dit verband uiteraard te worden verstaan een andere schuld dan die welke uit de schenkingsbelofte zelf voortvloeit. Ook de voldoening aan een natuurlijke verbintenis kan niet als schenking worden beschouwd, omdat degene die betaalt ook daardoor van een rechtsplicht bevrijd wordt, Vergelijk artikel 6:5. 12. Nakoming van een loutere fatsoensplicht echter zal voor wat de in deze titel bepaalde rechtsgevolgen aangaat wel degelijk schenking zijn, mits de wil van de schenker en die van de begiftigde gericht zijn op een verrijking zonder daartoe bestaande rechtsplicht (remuneratoire schenking). Heeft daarentegen iemand een ander om niet verrijkt zonder dat een schuld bestond maar ook zonder dat zijn wil en die van de verrijkte op die verrijking gericht waren, dan zal hetgeen gepresteerd is over het algemeen als onverschuldigd betaald teruggevorderd kunnen worden. Hieronder is begrepen het geval van voldoen aan een vermeende verplichting. 13. Het vereiste van onherroepelijkheid wordt niet gesteld. Dat is met name van belang voor de schenking van een periodieke uitkering tot wederopzegging, die beschouwd moet worden als een schenking onder de ontbindende voorwaarde van opzegging. 14. Over het algemeen geldt het stelsel dat een op verrijking van een ander gerichte rechtshandeling door deze moet worden aanvaard om het beoogde resultaat tot stand te brengen. Aan de andere kant komt het zelden voor dat mensen of rechtspersonen van schenkingen niet gediend zijn. In lid 2 van het onderhavige artikel is derhalve eenzelfde, de rechtszekerheid bevorderende, regel over de aanvaarding van het aanbod tot schenking opgenomen als ook voorkomt in artikel 6:5 lid 2, artikel 6:160 lid 2 en artikel 6:253 lid 4. 15. De bepaling van artikel 175 lid 2, geldt ook wanneer het schenkingsaanbod aan twee of meer bepaalde personen wordt gedaan. Zij geldt echter alleen als het aanbod tot een of meer bepaaldelijk aangeduide persoon of personen is gericht. Is een aanbod bij wijze van openbare bekendmaking gericht tot een door min of meer ruime kenmerken omschreven maar overigens onbepaalde groep van personen, bijvoorbeeld in de vorm van een uitdeling of een uitloving, dan kan de aanvaarding slechts geschieden door een tot de aanbieder gerichte verklaring. Heeft immers bij een zodanig aanbod de schenker niet een bepaalde termijn voor de aanvaarding gesteld, dan is hij in beginsel gerechtigd zijn aanbod te herroepen voor zover dit niet is aanvaard; het moet dan niet mogelijk zijn dat hij een herroeping doorkruist ziet doordat een gegadigde zich alsnog beroept op het in artikel 175 lid 2 bepaalde. 16. Is het aanbod gericht tot een of meer bepaalde personen en vraagt, of vragen, deze(n) beraad, dan is er zolang dit beraad duurt geen sprake van aannemen noch van afwijzen. Artikelen 175a en 176 1. In het geldende wetboek is de geldigheid van schenkingsovereenkomsten gebonden aan het vormvereiste van een notariële akte. Deze is zowel voor het aanbod als voor de aanvaarding van een schenking voorgeschreven. Dat een schenking om geldig te zijn formeel moet worden aanvaard, wordt echter tegenwoordig vrijwel eenstemmig verworpen. Ook voor het aanbod tot schenking reikt de eis van een notariële akte echter verder dan met het oog op bescherming van de schenker tegen overijling en met het oog op de rechtszekerheid geboden is. Op het gemis van de akte wordt in de praktijk herhaaldelijk een beroep gedaan om te ontkomen aan de gevolgen van volkomen gerechtvaardigde, geenszins overijlde en bewijsbare beloften tot schenking. 2. De onbevredigende uitkomsten hiervan hebben dan ook geleid tot een communis opinio, die zich met betrekking tot het aanbod tot schenking in beginsel tegen handhaving van de eis van een notariële akte heeft uitgesproken. Voor afschaffing van de akte wordt onder meer aangevoerd dat het motief van bescherming tegen overijling niet van doorslaggevende betekenis kan zijn nu in de praktijk zoveel schenkingen zonder voorafgaande belofte metterdaad geschieden. Bovendien zou deze bescherming dan niet alleen bij schenking nodig zijn, maar ook bij andere overeenkomsten om niet die onberaden kunnen worden aangegaan. Het ontwerp volgt deze communis opinio door van schenking, voor zover die niet ter zake van het overlijden van de schenker plaatsvindt, in beginsel een vormvrije overeenkomst te maken. 2024 -1028- No. 164 3. Er is echter, gezien de maatschappelijke verhoudingen in Suriname, reden om ten aanzien van registergoederen het vormvereiste te handhaven. Artikel 175a handhaaft daarom ten aanzien van registergoederen de eis van notariële akte. Zoals ook in het huidige recht, geldt het vormvereiste alleen de formele schenking (zie de uitzondering in artikel 186 lid 1). Zie voorts artikel 177 ten aanzien van schenking terzake des doods. 4. Tegen het vervallen van het vormvereiste voor het overige is wel enig tegengewicht wenselijk. Daarin voorziet het onderhavige artikel 176. De diepere grond van het verlangen om voor de geldigheid of de bewijsbaarheid van schenkingsovereenkomsten enigerlei beperkende voorwaarde te stellen is hierin gelegen dat de schenking in zoverre van het normale type der in het dagelijks leven verrichte rechtshandelingen afwijkt, dat zij een rechtshandeling om niet is, een rechtshandeling derhalve die haar auteur – althans in stoffelijke zin – per definitie benadeelt. Het is begrijpelijk dat het recht de waarborg wil scheppen dat de schenking werkelijk door de schenker wordt gewild; het is de taak van de rechtsorde de schenker zo nodig te beschermen tegen zichzelf – eigen onnadenkendheid of overijling – alsmede tegen ongeoorloofde beïnvloeding van buitenaf. 5. In het nieuwe Burgerlijk Wetboek is geen bijzondere materiële regel nodig om deze bescherming te verwezenlijken, daar hierin reeds wordt voorzien door de regeling van artikel 3:44 lid 4, inzake misbruik van omstandigheden, het zogenaamde ‘vierde wilsgebrek’. De voormelde overijling en ongeoorloofde beïnvloeding door derden zullen zo nodig zonder moeite onder de in artikel 3:44 lid 4, genoemde bijzondere omstandigheden als ‘afhankelijkheid’, ‘lichtzinnigheid’ of ‘onervarenheid’ kunnen worden gebracht, waarbij bovendien te bedenken is dat de opsomming van de bijzondere omstandigheden in artikel 3:44 lid 4, een enuntiatieve is. 6. In dit verband is uiteraard van groot praktisch belang de vraag wie een eventueel gesteld misbruik van omstandigheden in rechte zal moeten bewijzen. Naar geldend recht mag worden aangenomen dat deze bewijslast in beginsel op de schenker rust; men zie artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In beginsel: ‘uit enige bijzondere rechtsregel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid’ kan een andere verdeling van de bewijslast voortvloeien. Het komt gewenst voor ter versterking van de positie van de schenker in de onderhavige materie een bijzondere rechtsregel op te nemen, die bij een beroep zijnerzijds op vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden de bewijslast van het tegendeel in beginsel op de begiftigde legt. 7. Anders dan in artikel 7:176 Ned.BW wordt, mede in verband met het voorgestelde artikel 4:43 lid 1 geen uitzondering gemaakt voor het geval dat van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Wel zal die omstandigheid de bewijsleveringslast van de begiftigde vergemakkelijken, aangezien een onpartijdige buitenstaander getuige van de rechtshandeling is geweest. 8. Een uitzondering is opgenomen voor het geval de in de hoofdregel vervatte verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Van dit laatste zal de rechter dan wel uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, ervan uitgaande dat feiten zijn gesteld die deze afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Men denke bijvoorbeeld aan het geval dat alleen de schenker over het bewijsmateriaal beschikt of dat zijn betoog zo onwaarschijnlijk is dat voorlopige aanvaarding ervan de wederpartij in een onredelijke bewijspositie zou brengen. Voor de formulering van de uitzonderingsbepaling vergelijke men de eerder geciteerde formulering van artikel 129 Rv alsmede artikel 6:2 lid 2 en artikel 6:248 lid 2.

  2878. Artikel 177 1. Dit artikel betreft de schenking ter zake des doods (donatio mortis causa). Iemand kan plausibele redenen hebben zich tijdens zijn leven jegens een ander te verbinden tot een prestatie om niet bij het overlijden van de schenker om daardoor aan de bevoordeelde zekerheid te verschaffen dat hij op dat ogenblik over een bepaalde geldsom of een bepaald goed zal kunnen beschikken. Men denke aan het geval waarin de schenker de kredietwaardigheid van een van zijn erfgenamen op deze wijze wil versterken, of aan dat waarin hij iemand die hem verzorgt, wil belonen voor bepaalde opofferingen die deze laatste zich getroost, zonder dat in het laatste geval van een overeenkomst onder bezwarende titel of van voldoening van een natuurlijke verbintenis kan worden gesproken. Ook kan een schenking die ertoe strekt dat nakoming bij het overlijden van de schenker plaats vindt, deel uitmaken van een overeenkomst over de gevolgen van een toekomstige echtscheiding. 2024 -1029- No. 164 2. Lid 1 houdt in dat het artikel alleen betrekking heeft op schenkingen die de strekking hebben dat de uitvoering daarvan eerst na het overlijden van de schenker zal kunnen worden gevorderd. Het begint met het woord ‘Voor zover’ met het oog op de mogelijkheid dat één schenkingsovereenkomst behalve tot eerst na het overlijden van de schenker te vorderen prestaties, ook verplicht tot bij diens leven te verrichten en vorderbare prestaties waarvoor het artikel niet geldt. Onder de omschrijving van lid 1 vallen schenkingsovereenkomsten die een tot na schenkers dood opschortende termijn bevatten evenals die onder de opschortende voorwaarde dat de begiftigde de schenker overleeft. Het verschil is dat alleen in het eerste geval erfgenamen van de begiftigde in diens plaats opkomen wanneer de begiftigde vóór de schenker is overleden. 3. Schenkingen onder de ontbindende voorwaarde dat de schenker de begiftigde overleeft of schenkingen waarbij de schenker zich herroeping of beschikking heeft voorbehouden (zogenaamde ‘droit de retour’) zijn daarentegen geen schenkingen in de zin van lid 1, wanneer niet tevens de uitvoering is uitgesteld tot na het overlijden van de schenker. Doet zich twijfel voor of de nakoming door de overeenkomst inderdaad wordt uitgesteld tot na het overlijden van de schenker, dan zal uit de omstandigheden moeten worden afgeleid welke bedoeling deze had. 4. In artikel 177 is evenals bij uiterste wilsbeschikkingen (artikel 4:42 lid 3) voorgeschreven dat de schenking door de schenker persoonlijk moet zijn gedaan: een schenking bij dode krachtens algemene of bijzondere volmacht vervalt derhalve met het overlijden van de schenker. 5. Als de belangrijkste beperking die in het onderhavige artikel 177 aan schenkingen bij dode is gesteld geldt die van notariële tussenkomst (en ten aanzien van goederen waarover ook bij codicil kan worden beschikt: de aanwezigheid van een onderhandse akte). Het ontbreken van een notariële akte heeft overigens pas gevolgen bij het overlijden van de schenker: tot dat moment zal een schenking met de hierbedoelde strekking ook zonder notariële akte geldig zijn en (vervroegd) kunnen worden uitgevoerd. Opmerking verdient dat het voorschrift van de notariële akte mede betrekking heeft op de aanvaarding: na het overlijden van de schenker vervalt de schenking wanneer niet de hele schenkingsovereenkomst, en dus niet slechts het aanbod, notarieel is vastgelegd. 6. Lid 2 bepaalt dat als een bevoegdheid tot herroeping van een tot stand gekomen en van kracht zijnde, in lid 1 omschreven schenking is bedongen – een beding dat naar inhoud of strekking ook kan insluiten dat na schenkers dood zijn erfgenamen nog tot herroeping kunnen overgaan – deze herroeping niet alleen kan geschieden bij een tot de begiftigde gerichte verklaring, maar eveneens bij een uiterste wilsbeschikking van de schenker zonder mededeling aan de begiftigde. Deze laatste faciliteit is opgenomen, in het bijzonder met het oog op het geval dat de schenker besluit van het herroepingsbeding gebruik te maken omdat hij alsnog tot de overtuiging is gekomen dat de schenking jegens zijn erfgenamen, jegens zijn overige schuldeisers of jegens andere bij zijn nalatenschap belanghebbenden niet verantwoord is, maar is niet beperkt tot het geval dat dit de beweegreden is voor zijn besluit tot toepassing van de bedongen herroepingsbevoegdheid.

  2879. Artikel 178 1. Het is gewenst, al ware het slechts om ontduikingen te voorkomen, de verbodsregels van artikel 4:59, die aan sommige verzorgers verbieden voordeel te trekken uit uiterste wilsbeschikkingen, ook bij schenkingen op te nemen. 2. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4:62, leden 2 en 3, is een schenking ten behoeve van een tussenbeidekomende persoon (in elk geval: vader, moeder, afstammeling enz.) op gelijke wijze vernietigbaar als een schenking aan de uitgesloten persoon zelf. 3. Ingevolge artikel 3:52 lid 1 onderdeel d, vangt de termijn van drie jaar voor de vernietiging van een schenking op de voet van artikel 178, leden 2 en 3, aan op het tijdstip dat de vernietigingsmogelijkheid aan de schenker ten dienste is komen te staan. In lid 4 wordt het aanvangstijdstip van deze verjaringstermijn concreet gesteld op het tijdstip dat de ziekte of het verblijf, bedoeld in de leden 1 en 2, is geëindigd. Pas vanaf dat tijdstip doet zich immers de omstandigheid niet meer voor waarvan de wetgever een onjuiste beïnvloeding van de schenker vreest. 2024 -1030- No. 164 4. In lid 5 wordt een aanvullende regeling gegeven voor de vernietiging van giften aan verzorgers na het overlijden van de schenker. Hierdoor kunnen ook andere benadeelden dan de erfgenamen tot vernietiging overgaan, zoals een legataris wiens legaat ten gevolge van de schenking aan een verzorger niet of niet ten volle uit de nalatenschap kan worden voldaan. 5. Vernietiging op de voet van lid 5 heeft relatieve werking, evenals dit het geval is met een vernietiging op de voet van artikel 4:62 lid 1. 6. In de derde volzin van lid 5 is een dubbele verjaringstermijn geformuleerd, waardoor de begiftigde na het overlijden van de schenker niet langer met een mogelijkheid van vernietiging rekening hoeft te houden dan wanneer de schenker in leven was gebleven.

  2880. Artikel 179 1. Dit artikel betreft het geval waarin het aanbod tot schenking ten tijde van het overlijden van de aanbieder nog kan worden herroepen. Weliswaar zouden erfgenamen die het herroepelijke aanbod kennen, dit rechtens ook nog kunnen herroepen op het ogenblik waarop zij de erflater in zijn vermogensrechtelijke positie opvolgen, maar de praktijk leert dat zo’n herroeping veelal bij gebreke van wetenschap achterwege blijft, terwijl zij later niet meer kan geschieden. 2. De in lid 1 opgenomen afwijking van artikel 6:222 geldt slechts voor dit bijzondere herroepelijke aanbod; voor het overige blijft deze bepaling op schenkingsaanbiedingen toepasselijk. Dit laatste is onder meer het geval wanneer, zoals in de slotwoorden van de eerste volzin van het voorgestelde artikel is voorzien, uit een overeenkomt of uit de tekst of de strekking van het aanbod moet worden afgeleid dat dit laatste ondanks herroepelijkheid tot het overlijden van de aanbieder niettemin nadien in stand blijft. 3. Is het aanbod dat bij het overlijden van de aanbieder komt te vervallen, bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd gedaan (vergelijk artikel 6:220), dan behoort het eveneens te vervallen indien de aanbieder binnen die termijn overlijdt en er gewichtige redenen tot herroeping bestaan; men zie lid 2. Als zodanig kan in een gegeven gevel juist ook de dood van de aanbieder in aanmerking komen ter rechtvaardiging van het verval. In dat geval dient de rechter tevens de bevoegdheid van artikel 6:220 lid 2 te bezitten om aan iemand die op grond van de uitloving met de voorbereiding van een gevraagde prestatie is begonnen, een billijke schadeloosstelling toe te kennen.

  2881. Artikel 180 Deze bepaling impliceert een algemene erkenning van de mogelijkheid van schenkingen over de hand, dat wil zeggen een schenking onder ontbindende voorwaarde met daaraan verbonden een verkrijging onder opschortende voorwaarde. Enkele bepalingen betreffende voorwaardelijke makingen zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Zo zal ingevolge artikel 4:138 lid 2, de verhouding tussen de begiftigde (de bezwaarde) en degene die het goed na hem zal verkrijgen (de verwachter) beheerst worden door de voorschriften van titel 8 van Boek 3 inzake vruchtgebruik.

  2882. Artikel 181 In dit artikel wordt, evenals in het erfrecht (artikel 4:56 lid 1), de eis van bestaan ten tijde van het overlijden van de aanbieder gesteld. Op deze eis dient dan, evenals in artikel 4:56 uitzonderingen te worden gemaakt voor geoorloofde schenkingen over de hand. Hoewel deze in de praktijk weinig voorkomen, dienen zij op overeenkomstige wijze als in dat artikel geregeld te worden om te voorkomen dat de gestelde regels voor makingen over de hand door schenkingen ontdoken zouden worden.

  2883. Artikel 182 Mits het aanbod tot schenking in een akte is neergelegd kan het geschonkene onder bewind worden gesteld. Een notariële akte is niet vereist, ook niet als het bewind betrekking heeft op een geschonken registergoed. Ook reeds het vorderingsrecht tot de toegezegde prestatie dat uit de schenkingsovereenkomst voortvloeit staat onder het bewind. Artikel 182 verwijst voor de rechtsgevolgen van het bewind naar de regeling van het testamentair bewind, met enkele modificaties.

  2884. Artikel 187 lid 1 sluit overigens de mogelijkheid van bewind uit in het geval van een gift waarbij de begiftigde gehouden is een tegenprestatie te verrichten. 2024 -1031- No. 164

  2885. Artikel 183 1. Dit artikel regelt de aansprakelijkheid van de schenker voor juridische of feitelijke gebreken in het geschonken goed. Schenking is een bevoordeling van de begiftigde; men kan derhalve aanvoeren dat deze, indien het geschonken goed hem door uitwinning of gebrek weer ontvalt, er niet slechter aan toe is dan vóór de schenking. De begiftigde kan echter tengevolge van verborgen gebreken van het geschonken goed schade lijden in zijn overige vermogen. Men denke aan het geval dat tengevolge van een gebrek van de geschonken auto een derde schade lijdt waarvoor de begiftigde aansprakelijk is, of aan het geval dat een geschonken dier aan een besmettelijke ziekte lijdt waardoor andere dieren van de begiftigde of van derden worden aangetast, of aan het geval dat een geschonken vat lekt en schade veroorzaakt aan andere goederen van de begiftigde of van derden. Het is billijk dat de schenker voor dergelijke schade van de begiftigde aansprakelijk is als zich de situatie voordoet die in lid 1 wordt beschreven: als de schenker de gebreken niet heeft opgegeven hoewel hij ze kende, terwijl de begiftigde de gebreken bij de aflevering van de geschonken zaak niet had kunnen ontdekken. 2. De beperking dat de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt tot schade geleden ten aanzien van het geschonken goed zelf, is in lid 2 vastgesteld. Deze beperking wordt opgeheven in het geval van bedrog, waaronder hier in het bijzonder is te verstaan een opzettelijke verzwijging waar spreken plicht was; men zie artikel 3:44 lid 3.

  2886. Artikel 184 1. Dit artikel en het volgende artikel 185 regelen de vernietiging van schenkingen op grond van bepaalde gedragingen van de begiftigde. Hoewel van oudsher gesproken werd van herroeping van schenkingen, is dit geen juiste benaming: van eigenlijke herroeping is geen sprake, maar de schenker heeft het recht de overeenkomst in de in artikel 184 lid 1, genoemde gevallen te vernietigen. Ingevolge de regeling van de artikelen 3:49 en 3:50 kan dit in beginsel geschieden door een verklaring van de schenker. 2. De bepaling in onderdeel a van lid (een schenking is vernietigbaar indien de begiftigde in verzuim is de hem bij de schenking opgelegde verplichtingen na te komen) is beperkt tot gevallen waarin noch de schenker noch een derde begunstigde nakoming van de verplichting kan vorderen. Indien de schenker nakoming van de verplichting kan vorderen, zal hij in geval van niet-nakoming de overeenkomst kunnen ontbinden krachtens artikel 6:265, daar de overeenkomst alsdan hetzij een wederkerige overeenkomst is, hetzij een andere rechtsbetrekking die strekt tot het wederzijds verrichten van prestaties als bedoeld in artikel 6:261 lid 2. Aan een vernietigbaarheid, met haar van de ontbinding afwijkende rechtsgevolgen, bestaat daarnaast geen behoefte. Indien een derde nakoming van de verplichting kan vorderen (artikel 6:253), kan de schenker in beginsel niet meer alleen ontbinden; men zie artikel 6:279 lid 3). Een vernietigbaarheid krachtens het onderhavige artikel zou zich daarmee slecht verdragen. 3. Onderdeel b betreft de vernietiging van schenkingen wegens omstandigheden die gelijkenis vertonen met de erfrechtelijke onwaardigheid van artikel 4:3 lid 1, onderdelen a en b. In het onderhavige onderdeel b wordt slechts het plegen van een misdrijf genoemd, terwijl in lid 2 de overige strafrechtelijk relevante gedragingen zijn opgesomd die de schenking vernietigbaar maken. Behalve medeplichtigheid aan een misdrijf leveren ook andere deelnemingsvormen (doen plegen, medeplegen en uitlokken van een misdrijf) een grond op voor vernietiging. 4. Voor vernietigbaarheid van schenkingen wegens een door de begiftigde gepleegd misdrijf is geen strafrechtelijke veroordeling vereist, zoals in artikel 4:3. Van de schenker kan niet gevergd worden dat de schenking in stand moet blijven zolang geen strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. 5. Evenmin wordt geëist dat het misdrijf bedreigd wordt met een vrijheidsstraf van ten minste vier jaar, zoals in artikel 4:3. Ook bij minder ernstige misdrijven kan in beginsel van de schenker niet gevergd worden dat hij de schenking in stand dient te laten, behoudens de mogelijkheid voor de begiftigde om zich tegen de vernietiging in rechte te verweren met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. 2024 -1032- No. 164 6. Tenslotte geldt ook vernietigbaarheid in geval van een misdrijf tegen de naaste betrekkingen van de erflater. Ook hier geldt dat bij een dergelijk misdrijf instandhouding van de schenking veelal niet van de schenker gevergd kan worden. Onder naaste betrekkingen vallen te begrijpen de echtgenoot of andere levensgezel van de schenker, alsmede (andere) personen tot wie de schenker in een verhouding staat die te beschouwen valt als ‘family life’ in de zin van de mensenrechtenverdragen. Het verdient uit oogpunt van rechtszekerheid geen aanbeveling de kring van naaste betrekkingen ruimer op te vatten. Overigens valt niet geheel uit te sluiten dat in uitzonderlijke omstandigheden ook daarbuiten vernietiging van een schenking zou kunnen plaatsvinden wegens een misdrijf tegen een persoon in de omgeving van de erflater. Dat zou zich kunnen voordoen wanneer aanvaarding van het verweer dat deze persoon niet als ‘naaste betrekking’ valt te beschouwen, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:2 lid 2). 7. Voor de toepassing van onderdeel c maakt het geen verschil of de onderhoudsverplichting van de begiftigde voortvloeit uit de wet of uit een overeenkomst.

  2887. Artikel 185 Dit artikel bevat een bepaling omtrent de verjaring van de bevoegdheid om in rechte beroep te doen op de vernietigbaarheid van de schenking in de in artikel 184 genoemde gevallen. De bepaling van lid 2 geldt alleen bij de dood van de schenker; de dood van de begiftigde laat de bevoegdheid van de schenker om de overeenkomst te vernietigen onaangetast.

  2888. Artikel 186 1. De verruimingen die de omschrijving van schenking in artikel 175 ten opzichte van het huidige BW heeft ondergaan, sluiten niet uit dat iemand een ander ook op andere wijze kan verrijken ten koste van eigen vermogen dan door middel van de daar omschreven overeenkomst om niet. Men denke in de eerste plaats aan handelingen die zich buiten de begiftigde om voltrekken zoals afstand van een beperkt recht ten voordele van een andere beperkt gerechtigde van lagere rang op hetzelfde goed, of betaling van andermans schuld, zonder dat dit met de andere beperkt gerechtigde, onderscheidenlijk met de debiteur overeengekomen is, voorts aan feitelijke handelingen zoals het bouwen van een huis met eigen bouwmateriaal op andermans grond en het ten koste van eigen vermogen bouwrijp maken van andermans terrein. 2. Daarnaast dient in dit verband genoemd te worden overeenkomsten waarin een beding ten behoeve van een derde is opgenomen. Tussen degene die bedingt en de derde behoeft daarbij geen overeenkomst van schenking te worden gesloten, terwijl de overeenkomst tussen de bedinger en de belover op zichzelf ook niet een overeenkomst van schenking in de zin van artikel 175 is. 3. Ook valt te denken aan het zogenaamde ‘negotium mixtum cum donatione’, waarvan hierboven in de toelichting op artikel 175 werd opgemerkt dat daarbij de overeenkomst in haar geheel niet voldoet aan de vereisten van artikel 175, terwijl daarbij toch van verrijking van een ander ten koste van eigen vermogen sprake is. 4. Ten aanzien van deze uiteenlopende gevallen verleent het onderhavige artikel aan de rechter de bevoegdheid de bepalingen van deze titel overeenkomstig toe te passen voor zover de strekking van de betrokken bepaling in verband met de aard van de handeling zich daartegen niet verzet. Hierdoor wordt voorkomen dat de voor schenkingen geschreven regels worden ontdoken in de vorm van zogenaamde materiële schenkingen. Het artikel vat deze bevoordelingshandelingen samen onder de benaming ‘gift’, een term die ook elders voor bevoordelingen in het algemeen wordt gebruikt (vergelijk artikel 1:88 lid 1 onderdeel b, afdeling 4 van titel 5 van Boek 4 en artikel 6:5 lid 1). Het vormvereiste van artikel 175a is echter uitgezonderd; ook in het huidige recht geldt het vormvereiste enkel voor de formele schenking. 5. De in lid 2 van het onderhavige artikel gegeven omschrijving van gift sluit zoveel mogelijk aan bij die van schenking in artikel 175. Het verschil bestaat voornamelijk hierin, dat het begrip ‘gift’ ruimer is dan ‘schenking’ en ook andere handelingen dan een overeenkomst om niet omvat. 2024 -1033- No. 164 6. De tweede volzin van lid gaat uit van de gedachte dat de begunstiging als zodanig nog geen gift oplevert. Een handeling dient, om als gift te kunnen worden gekwalificeerd en de daaraan verbonden rechtsgevolgen te verkrijgen, niet slechts de strekking van verrijking te hebben, doch dient mede te zijn uitgevoerd, of te hebben geleid tot een mogelijkheid voor de begunstigde om aanspraak te maken op de met de gift gemoeide prestatie. Aanspraak kunnen maken omvat zowel het vorderingsrecht met betrekking tot de prestatie als het – door aanvaarding van een derdenbeding – kunnen verwerven van zodanig vorderingsrecht. 7. De tweede volzin bewerkstelligt derhalve tevens dat in geval van een derdenbeding ook de aanwijzing van de derde een gift vormt, wanneer de begunstigde door aanvaarding van het beding zou worden verrijkt. Daarbij kan de aanvaarding van het derdenbeding besloten liggen in het aanspraak maken op de prestatie. Omgekeerd zal een aanwijzing als rechthebbende niet reeds vernietigbaar zijn, voordat zij door de begunstigde kan worden aanvaard. 8. Bij levensverzekeringen is het gebruikelijk dat een derde die is aangewezen als begunstigde, de aanwijzing tijdens het leven van de verzekeringnemer niet kan aanvaarden zonder diens toestemming. Zolang de verzekeringnemer alle touwtjes nog in handen houdt, strekt de aanwijzing van de begunstigde nog niet tot diens verrijking. Zodra echter de begunstigde tot aanvaarding kan overgaan, verkrijgt de aanwijzing alsnog de bedoelde strekking. 9. De gelijkstelling met een gift van een tot verrijking strekkende aanwijzing bij een derdenbeding is mede van betekenis voor de toepassing van de erfrechtelijke regels omtrent vermindering, terugvordering en verhaal. Ook hier geldt dat de aanwijzing blootstaat aan erfrechtelijke consequenties, zodra aanvaarding mogelijk is. Dat een aanwijzing ondanks overlijden van de bedinger niet aanvaard kan worden, zal zich overigens slechts zelden voordoen. Mocht de begunstigde willen ontkomen aan de erfrechtelijke gevolgen van de aanwijzing, dan heeft hij de mogelijkheid de aanwijzing af te wijzen (artikel 6:253 lid 4).

  2889. Artikel 187 1. Artikel 186 verklaart de bepalingen van deze titel van overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de handeling zich daartegen niet verzet. Tot de giften, niet zijnde schenkingen, behoort onder meer behoort het zogenaamde ‘negotium mixtum cum donatione’ (zie de toelichting bij artikel 175 en bij artikel 186); men denke aan een verkoop tegen een koopprijs die aanzienlijk onder de waarde van de zaak ligt of aan een schenking onder een ‘last’ die het karakter van een tegenprestatie heeft. Zo kan de verkoop van een bedrijf, met name aan een familielid, soms gedeeltelijk als een gift worden beschouwd, indien zij ver beneden de verkeerswaarde geschiedt. In het bijzonder in de landbouw wordt zo'n transactie niet als zodanig beschouwd, indien een rendabele exploitatie van dat bedrijf een hogere prijs niet toelaat, en tevens een beding is opgenomen dat het voordeel bij latere doorverkoop binnen een zekere termijn mede doet toekomen aan anderen die de verkoper even na staan in de familieverhouding. Van deze en soortgelijke omstandigheden zal het vaak afhangen, of van een ‘negotium mixtum’ sprake is. Verwant met het ‘negotium mixtum’ is de prestatie die ten dele als voldoening aan een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt, doch die in haar totaal de perken daarvan te buiten gaat. Ook een zodanige prestatie behoeft enige nadere aandacht van de wetgever. 2. Voor deze belangrijke groepen van giften nu geeft het onderhavige artikel 187 enige nadere regels. Lid 1 stelt voorop dat ook op de ‘negotia mixta’ de bepalingen van titel 7.3 in beginsel van toepassing zijn, doch zondert daarvan artikel 182 ter zake van onderbewindstelling uit. Bewind over een onverdeeld gedeelte van het geschonkene, overeenkomend met de bevoordeling komt hier niet in aanmerking; afgezien van dogmatische en praktische bezwaren zou zo'n bewind niet met de bedoeling van de schenker overeenstemmen. De mogelijkheid van bewind over de gehele prestatie is ongewenst, omdat verschillende bepalingen inzake de rechtsgevolgen van het bij uiterste wil of schenking ingestelde bewind daarop slecht zouden passen; men denke bijvoorbeeld aan artikel 4:154, waarvan de verhaalsregeling is gebaseerd op de veronderstelling dat van een loutere bevoordeling sprake is. 2024 -1034- No. 164 3. Een andere moeilijkheid doet zich bij deze categorie van giften voor waar het de toepassing van artikel 177 betreft. Dit eist voor de geldigheid van de schenking die bestemd is om pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd, een bevestigingsverklaring in de vorm waarin een legaat van de prestatie kan worden gemaakt. De strekking van deze bepaling – te weten bescherming van de overige schuldeisers van de erflaters en van de somgerechtigden tegen bevoordelingen die voor de erflater tijdens zijn leven geen vermogensoffer vormen – brengt mee dat zij ook voor de onderhavige bevoordelingen moet gelden; het mag in beginsel geen verschil uitmaken of de erflater de bevoordeling op de voormelde wijze verricht of haar inkleedt als een legaat tegen inbreng van een bedrag dat onder de waarde van de zaak ligt. Dit maakt evenwel een aanvullende bepaling gewenst voor het geval de bevestigingsverklaring achterwege blijft, hetgeen in beginsel tot nietigheid van de gehele rechtshandeling zou leiden. Om deze te vergaande consequentie van de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 177 te vermijden, bevat lid 2 een regeling die is geïnspireerd door de artikelen 3:54 en 6:230. Daartoe wordt allereerst de gift in het voormelde geval in afwijking van artikel 3:39 niet nietig, doch vernietigbaar verklaard. Vervolgens is bepaald dat de begiftigde alsdan de vernietiging kan voorkomen door tijdig het verschil tussen de waarde en de van hem bedongen prestatie op te leggen, en voorts kan de rechter in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen. 4. Lid 3 bevat een soortgelijke oplossing voor het geval de gift vernietigbaar is op grond van artikel 178. Artikel 4:62 lid 4, bevat dezelfde regel voor legaten in verband waarmee de legataris gehouden is een tegenprestatie te verrichten, de zogenaamde legaten tegen inbreng. 5. Lid 4 breidt de toepasselijkheid van de leden 1 tot en met 3 op handelingen uit die ten dele als gift, ten dele als nakoming van een natuurlijke verbintenis zijn te beschouwen. De toepassing is een overeenkomstige, onder meer omdat de begiftigde hier vaak geen tegenprestatie zal hebben verricht; alsdan is bij toepassing van lid 2 tweede volzin, niet van een aanvullende prestatie sprake. Dit doet echter niet af aan de mogelijkheid om de aan de vorige leden ten grondslag liggende gedachten ook op de onderhavige groep van giften toe te passen.

  2890. Artikel 188 1. Hierin wordt – in het belang van de rechtszekerheid – bepaald dat de aanwijzing als begunstigde van een sommenverzekering als gift moet worden aangemerkt, tenzij deze strekt tot nakoming van een verbintenis anders dan die uit schenking. Sommenverzekering zijn geenszins altijd als een gift te beschouwen: talloze sommenverzekeringen strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis, en ook zijn er, welke voldoening aan een in rechte afdwingbare verbintenis betekenen, zoals een pensioen- of alimentatieverbintenis en de nakoming van bedingen in kredietverlening. Verzekeringen van deze strekking worden door titel 7.3 niet geraakt. 2. De gift bij sommenverzekering schuilt in de begunstiging als zodanig. Deze begunstiging is de handeling die ertoe strekt een ander ten koste van eigen vermogen te verrijken. De verzekering betekent een vermogenswaarde waarover de verzekeringnemer door aanwijzing van een begunstigde, door afkoop of door belening kan beschikken. Door een ander dan zichzelf als begunstigde aan te wijzen, reserveert de verzekeringnemer, zij het wellicht herroepelijk, die vermogenswaarde voor een ander. Daarbij doet niet terzake, of de begunstiging primair of subsidiair, herroepelijk of onherroepelijk is: volgens de omschrijving van artikel 186 komt het er immers op aan of de handeling waarin de gift bestaat, strekt tot verrijking. Aan deze strekking doet evenmin af, dat allerlei voorwaarden moeten zijn vervuld, eer de verzekering tot uitkering komt. Zo zal premiebetaling in het algemeen de vervulling van zo'n noodzakelijke voorwaarde zijn. De uitkering zelf is geen gift, omdat zij een handeling is die ten laste van de verzekeraar komt. 3. De strekking van lid 1 is verder om de geldigheid van een begunstiging bij sommenverzekering te onttrekken aan de artikelen 177, 179, 181, 182 en 187. Zo pleegt zulk een begunstiging nu eenmaal niet te geschieden met een bevestiging bij notariële akte, de vorm die artikel 177 voor overige giften bij dode verlangt. Sommenverzekering is een in de maatschappij erkend instituut, dat zijn eigen regels heeft. Er bestaat geen goede reden toe om de rechtszekerheid daarvan op het spel te zetten door het stellen van formele vereisten die voor verkapte legaten wel wenselijk zijn. 2024 -1035- No. 164 4. In lid 2 wordt wat betreft de waarde van de gift als maatstaf onverkort gekozen voor de waarde van de uitkering. Wanneer de waarde moet worden bepaald op een moment dat nog geen uitkering opeisbaar is, zal van de contante waarde van de uitkering of uitkeringen moeten worden uitgegaan. Zolang de aanwijzing nog niet kan worden aanvaard, heeft de begunstigde nog generlei vermogensrecht uit de verzekering doch hooguit een verwachting, zodat aan de gift nog geen waarde kan worden toegekend. De tweede volzin schrijft evenredigheid voor indien de begunstiging slechts ten dele als een gift – en voor de rest bijvoorbeeld als voldoening aan een natuurlijke verbintenis – is te beschouwen. 5. Lid 3 houdt rekening met de mogelijkheid dat de begunstigde door de uitkering niet ten volle wordt gebaat. Soms is de verzekeraar bevoegd om bedragen op de uitkering in mindering te brengen, zoals een bedrag dat de verzekeringnemer krachtens belening van de polis verschuldigd kan zijn; voorts moet er rekening mede worden gehouden dat te zijner tijd ten laste van de verzekeringnemer verhaal op de verzekering zal kunnen worden genomen. Zulke bedragen komen ten volle in mindering op de gift. TITEL 4 - HUUR Afdeling 1. Algemene bepalingen

  2891. Artikel 201 1.Uitgangspunt is dat het voorwerp van huur een zaak is. Lid 2 geeft aan dat huur van vermogensrechten mogelijk is en dat dan de algemene bepalingen betreffende huur van toepassing zijn, maar het slot van dit lid bevat een veiligheidsklep. Dit stelsel, dat in de pas loopt met wat geldt bij koop (artikel 47) verdient om verschillende redenen de voorkeur. In de eerste plaats zijn de meeste huurbepalingen geredigeerd met het oog op het normale geval van huur van een lichamelijke zaak. In de tweede plaats moet er rekening mee worden gehouden dat deze bepalingen zich in het geheel niet lenen voor toepassing met betrekking tot voor een tegenprestatie in gebruik gegeven vermogensrechten, waar geheel andere behoeften kunnen bestaan dan in deze titel onder ogen zijn gezien. Men denke bijvoorbeeld aan intellectuele eigendom. 2.Lid 2 spreekt van ‘gebruik’ en niet van ‘genot’. Enerzijds wordt zo uitgedrukt dat het enkele verschaffen van het genot van de zaak zonder aflevering daarvan de overeenkomst nog niet tot huur maakt en anderzijds dat er wel huur is wanneer de zaak aan de huurder in gebruik is gegeven maar deze door aan hem toe te rekenen omstandigheden verhinderd wordt daarvan daadwerkelijk ook het genot te hebben. In de woorden ‘in gebruik verstrekken’ ligt niet besloten dat voor huur een in onbeperkt gebruik geven nodig is. Zo kan huur van een muur voor reclamedoeleinden worden beschouwd als huur van de betreffende onroerende zaak strekkend tot een beperkt gebruik daarvan.

  2892. Artikel 203 zegt dan ook dat de verhuurder de zaak aan de huurder ter beschikking moet stellen ‘voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is’. Huur kan ook een gedeelte van een zaak betreffen, bijvoorbeeld een kamer. 3.Niet wordt geëist dat de verhuurder eigenaar of zelfs maar tot verhuur bevoegd is. Men denke aan onbevoegde onderhuur en zie artikelen 221. 4.Voor huur is vereist dat het gebruik geschiedt voor een tegenprestatie. Deze behoeft niet in geld te bestaan. Wel moet de betreffende verbintenis naar de maatstaf van artikel 6:227 bepaalbaar zijn, waartoe niet nodig is dat zij op het tijdstip van totstandkoming van de overeenkomst al vastgesteld kan worden. In de eis van een tegenprestatie ligt besloten dat gebruik ten behoeve van de wederpartij geen huur kan opleveren. Men denke aan een dienstwoning, die de bewoner ten behoeve van de werkgever gebruikt. 2024 -1036- No. 164 5.De omschrijving verwijst, anders dan volgens het huidige recht, niet naar de duur van de overeenkomst. Zij kan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd zijn gesloten. Een waarborg tegen onbeperkt voordurende huur is niet nodig in verband met artikel 6:258 dat van dwingend recht is (artikel 6:250) en in geval van onvoorziene omstandigheden ontbinding van de overeenkomst mogelijk maakt dan wel een wijziging in die zin dat zij opzegbaar wordt gemaakt met inachtneming van een bepaalde termijn. 6.De omschrijving brengt mee dat titel 4 van Boek 7 in beginsel mede van toepassing is in geval van leasing. Het gaat hier om een niet in de wet geregelde overeenkomst die economisch functioneert als een wijze van financiering van de zaak ten behoeve van degene die haar in gebruik neemt. Een dergelijke overeenkomst kan ook trekken van huurkoop vertonen of op huurkoop neerkomen.

  2893. Artikel 6:215 brengt mee dat dan zowel de bepalingen betreffende huur als die betreffende huurkoop voor toepassing in aanmerking komen. Daartegen bestaat geen bezwaar. Uit artikel 6:215 zal, mede in verband met de aard van vaak dwingende regels betreffende huurkoop, voortvloeien dat dan in elk geval aan de geldigheidseisen voor huurkoop moet zijn voldaan. 7.De rechten van de huurder zijn noch een zakelijk recht, noch een beperkt recht in de zin van artikel 3:8. Men zie ook artikel 3:17 lid 2. Het ligt niet in de bedoeling voor huur een inschrijfbaarheid als daar bedoeld mogelijk te maken.

  2894. Artikel 202 De huur zal kunnen meebrengen dat de huurder recht heeft op de vruchten van de zaak. Of dat zo is zal van de aard van de overeenkomst en van de omstandigheden afhangen; zie de eerste volzin en ook de artikelen 5:1 lid 3, 3:216, en 5:90 lid 1. De tweede volzin komt overeen met art. 14 voor koop. Het ingaan van de huur op een bepaald tijdstip, welk tijdstip aan de hand van de overeenkomst moet worden vastgesteld, betekent in de regel dat ook vanaf dat tijdstip de tegenprestatie verschuldigd wordt. Bij burgerlijke vruchten denke men aan onderhuur. De verwijzing in de eerste volzin van het onderhavige artikel 202 naar artikel 5:17 is niet bedoeld als beperking; achtergrond is dat artikel 202 niet langer spreekt van ‘genot’. Afdeling 2. Verplichtingen van de verhuurder Algemeen 1.Hetgeen in deze afdeling is geregeld kan niet afdoen aan de inhoud van afdeling 5 ten aanzien van woonruimte; zie artikel 205. 2.In deze afdeling (artikelen 203 tot en met 211) is gestreefd is naar een duidelijker systematiek, vermijding van onscherpe onderscheidingen en oplossing van onzekerheden. Uitgangspunt is het genot dat de huurder ingevolge de huurovereenkomst verwachten mag. Of hij in feite dit genot zal hebben hangt van de omstandigheden af. Of de verhuurder aansprakelijk is voor de omstandigheden die de huurder dit genot hebben belet, wordt geregeld met behulp van het begrip ‘gebrek’, dat in een bijzondere, van de huidige wet afwijkende betekenis wordt gebruikt, omschreven in artikel 204 lid 2. Ter zake van zulk een gebrek rusten op de verhuurder de in de artikelen 206, 207 en 208 bedoelde verplichtingen, die op het volgende neerkomen: a. De verhuurder is verplicht tot herstel van elk gebrek, hoe ook ontstaan (artikel 206). Uitgangspunt is daarbij dat een gebrek een tekortkoming in de zin van de artikel 6:74 e.v. oplevert. Dat brengt evenwel nog niet mee dat hij tot vergoeding van de door het gebrek veroorzaakte schade is gehouden. Daarvoor is immers tevens nodig dat de tekortkoming aan de verhuurder is toe te rekenen. Zo zal de verhuurder wel verplicht zijn tot schadevergoeding, wanneer hij ter zake van zijn verplichting tot herstel in verzuim raakt, waarvoor in beginsel vereist is dat de verhuurder in gebreke is gesteld op de voet van artikel 6:81 e.v. De verplichting tot herstel bestaat niet indien herstel onmogelijk is of onevenredig hoge kosten zou vergen. b. De huurder kan volgens artikel 207 een evenredige vermindering van de huurprijs vorderen over de tijd dat het genot door een gebrek is verhinderd. Deze vordering is toewijsbaar, ongeacht waardoor het gebrek is ontstaan en of de verhuurder tot herstel verplicht is. 2024 -1037- No. 164 c. Op vergoeding van door het gebrek zelf geleden schade heeft de huurder, zoals gezegd, slechts recht indien reeds de enkele aanwezigheid van het gebrek aan de verhuurder is toe te rekenen. Dit is blijkens artikel 208 met name het geval, wanneer het gebrek (i) bij het aangaan van de huur bestond en de verhuurder het toen kende of behoorde te kennen dan wel toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had, of (ii) na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan de verhuurder is toe te rekenen. d. De verhuurder is niet verplicht tot schadevergoeding ten aanzien van herstellingen waartoe de huurder verplicht is, en van gebreken voor het ontstaan waarvan hij aansprakelijk is. e. De bepalingen laten de rechten en vorderingen van de huurder uit anderen hoofde onverlet. Men denke niet alleen aan de in deze afdeling of elders gegeven bevoegdheid tot ontbinding of op andere wijze beëindigen van de huur of wijziging van de huurovereenkomst op de voet van artikel 6:258 en aan de bevoegdheid tot opschorten, bedoeld in artikel 6:262, maar ook aan aansprakelijkheid op grond van de artikel 6:174 of, in geval van huur van een roerende zaak of een dier, op grond van de artikel 6:173 of 179. 3.Het voorgaande wijkt in twee belangrijke opzichten af van de huidige regeling. Enerzijds is het begrip gebrek ruimer. Anderzijds zijn de verplichtingen van de verhuurder in de nieuwe regeling juist beperkter: hij staat niet in voor gebreken in dier voege dat de enkele aanwezigheid van een gebrek al toerekenbare tekortkoming in de nakoming oplevert.

  2895. Artikel 203 Het nieuwe artikel 203 brengt tot uiting dat niet elke huurovereenkomst verplicht tot aflevering – d.w.z. tot het verschaffen van de feitelijke macht over de zaak – en dat beslissend is dat de huurder een zodanige beschikking over zaak krijgt dat hij er het overeengekomen gebruik van kan hebben. Verder is tot uiting gebracht dat de verhuurder de zaak niet alleen ter beschikking van de huurder moet stellen, maar ook gedurende de gehele huurtijd ter beschikking van de huurder moet laten. Het artikel geldt ook in geval van huur van een gedeelte van de zaak. Ook dan geldt immers dat de zaak zelf aan de huurder ter beschikking moet worden gesteld voor zover dit voor het overeengekomen gebruik van gehuurde gedeelte noodzakelijk is.

  2896. Artikel 204 1.Lid 1 bevat een inleidende bepaling, die verwijst naar de in deze afdeling met betrekking tot gebreken omschreven verplichtingen. Hierboven, bij deze afdeling 2 algemeen, is de opzet van de gebrekenregeling al uiteengezet. Lid 2 bevat de kern door een geheel eigen omschrijving van wat hier met ‘gebrek’ is bedoeld. Of de huurder het genot dat hij verwachten mocht, in concreto ook kan hebben, hangt uiteraard voor een deel van zijn persoonlijke omstandigheden af. Deze kunnen bijvoorbeeld maken dat hij het gehuurde huis niet kan betrekken of slechts een deel ervan kan gebruiken. Dergelijke omstandigheden komen voor rekening van de huurder die alsdan als crediteur in verzuim is, zodat de bepalingen van afdeling 8 van titel 1 van Boek 6 van toepassing zijn. Vergelijk ook HR 17 juni 1949, NJ 1949, 544 en 545. 2.Alle genotbeperkende omstandigheden die niet aan de huurder zijn toe te rekenen, vormen een gebrek. Slechts duidelijkheidshalve en zonder tot het maken van onderscheid te nopen noemt lid 2 van deze omstandigheden nog in het bijzonder die welke het meest voorkomen: een staat of eigenschap van de gehuurde zaak. Daarmee is niet enkel de stoffelijke toestand van de zaak op zichzelf bedoeld, maar elke op de zaak betrekking hebbende omstandigheid die het genot ervan beperkt: een slechte staat van onderhoud, materiële beschadigingen, constructiefouten, ongedierte, een erfdienstbaarheid dat enig gebruik uitsluit, een wettelijk voorschrift dat, al of niet in verband met de gesteldheid van de zaak – bijvoorbeeld te geringe afmetingen –, een bepaald gebruik verbiedt. Uitdrukkelijk is bepaald dat sprake is van een gebrek, als de zaak niet het genot aan de huurder kan verschaffen, dat hij bij het aangaan van de overeenkomst van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft, mocht verwachten. Door deze formulering wordt voorkomen dat bij het aangaan van de overeenkomst aanwezige zichtbare gebreken, geen gebrek zouden opleveren. Men denke aan de huur van een gebouw waar het 2024 -1038- No. 164 onderhoud enige tijd verwaarloosd is. Het enkele feit dat de huurder daarmee bekend is, behoeft uiteraard niet mee te brengen dat de verhuurder wordt ontslagen van zijn verplichting dit onderhoud na het aangaan van de overeenkomst alsnog te verrichten. De bepaling is evenwel van aanvullend recht. Het staat de verhuurder derhalve vrij te bedingen dat het onderhoud voor de huurder zal zijn of dat deze voor het herstel van gebreken zal zorgen, wat uiteraard in de hoogte van de huurprijs tot uitdrukking zal komen. Zo kan ook een afwijking van de regeling besloten liggen in de aard van de overeenkomst. Indien het de huur van een bouwvallige schuur betreft tegen een lage prijs, zal mogen worden aangenomen dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de huurder niet mocht verwachten dat het om een goed onderhouden zaak zou gaan en zich ermee heeft verenigd dat op de verhuurder geen verplichting tot herstel rust. 3.Anders dan in Nederland, is de bepaling niet voor woonruimte van dwingend recht gemaakt (artikel 7:242 Nederlands BW in de Nederlandse afdeling 5 inzake Huur van woonruimte). In Nederland geldt dat als men een huis huurt dat bij het aangaan van de overeenkomst scheuren of andere gebreken vertoont, zulks een gebrek oplevert dat door de verhuurder verholpen moet worden, zelfs als met die staat van onderhoud bij de bepaling van de huurprijs rekening is gehouden. Dit past in het streven om de onderhoudstoestand van het woningenbestand in Nederland op peil te houden en om de positie van de huurder van woonruimte bij achterstallig onderhoud te versterken. In Suriname zou deze inbreuk op de contractsvrijheid te ver gaan. 4.Lid 3 komt overeen met het huidige recht: geen gebrek is een feitelijke stoornis in het genot door derden; men denke aan verkeerslawaai, spelende kinderen die een bal door een ruit gooien, burengerucht enz. Een dergelijke stoornis komt voor rekening van de huurder. Buiten de uitzondering valt het geval dat de derden zich voor hun feitelijke stoornis beroepen op een hen toekomend recht op het gehuurde, bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid op de verhuurde onroerende zaak. Daarmee is dus tevens voor risico van de verhuurder gebracht de stoornis door een derde die beweert tot die stoornis gerechtigd te zijn doch het in werkelijkheid niet is. Ook is niet uitgesloten dat de verhuurder zodanige bevoegdheden tegenover de derden heeft dat gezegd kan worden dat hij zelf mede tot de feitelijke stoornis bijdraagt door van deze bevoegdheden geen gebruik te maken. Ook dat valt niet onder de uitzondering. Of dit zich voordoet hangt van de omstandigheden af. Men zie bijvoorbeeld HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 295, waar het een huurder betrof die een restaurantbedrijf uitoefende in het gehuurde en ernstige overlast van kamerbewoners had in hetzelfde pand. 5.Is de verhuurder niet ook de verhuurder van de overlast veroorzakende buren dan kan de verhuurder alleen voor deze overlast aansprakelijk zijn, wanneer zulks in de huurovereenkomst is bedongen. De verhuurder is dan aansprakelijk volgens de regels van Boek 6. Van een gebrek is dan geen sprake. Ook de enkele bewering van recht op zichzelf, zonder feitelijke stoornis, vormt geen gebrek, naar lid 3 van het onderhavige artikel 204 volledigheidshalve nog bepaalt, zij stoort de huurder niet in zijn genot. Zij doet dat ook niet als zij geschiedt in de vorm van een rechtsvordering, al kan door toewijzing daarvan de aanwezigheid van een gebrek komen vast te staan. 6.Dat de huurder tegen de in lid 3 bedoelde derden zelf kan optreden, heeft een wettelijke basis in het slot van artikel 3:125 lid 3, op grond waarvan de houder van een zaak ter zake van schending van zijn rechten als houder een vordering uit onrechtmatige daad heeft; vergelijk ook HR 4 maart 1955, NJ 1955, 301.

  2897. Artikel 205 Zonder uitdrukkelijke bepaling zou men deze afdeling als een gesloten stelsel kunnen opvatten en met name de aansprakelijkheden uit titel 3 van Boek 6 uitgesloten kunnen achten. De redactie is ontleend aan het vergelijkbare artikel 22. De kwestie is belangrijk omdat de algemene regels van Boek 6 en de onderhavige afdeling vaak in elkaar grijpen. Zo is de huurder in afwachting van de uitoefening van de bevoegdheid die hij aan de artikelen 206 en 207 kan ontlenen, bevoegd de nakoming van zijn verplichting tot betaling van huur op te schorten. Een dergelijke opschorting levert uiteraard geen bevrijding op van de verplichting tot betaling van huur, doch kan wel worden gebezigd om de 2024 -1039- No. 164 huurbetaling geheel of ten dele stop te zetten, totdat de bevrijding als gevolg van verrekening op grond van artikel 206 of partiële ontbinding op grond van artikel 207 een feit is. Een bevoegdheid tot opschorten bestaat uiteraard alleen indien deze in de gegeven omstandigheden voldoende gerechtvaardigd is; men zie met name artikel 6:262 lid 2 en artikel 6:263.

  2898. Artikel 206 1.Het artikel legt op de verhuurder een verplichting alle gebreken als bedoeld in artikel 204 lid 2 te verhelpen, ongeacht door welke oorzaak zij zijn ontstaan en of de verhuurder voor de door het gebrek veroorzaakte schade aansprakelijk is. De term ‘verhelpen’ is gekozen omdat ‘herstellen’ niet past bij gebreken die niet door de fysieke toestand van de zaak veroorzaakt worden. Hierboven, bij artikel 204, is uiteengezet wat onder gebrek moet worden verstaan. Een gebrek is – kort gezegd – een omstandigheid die het genot beperkt zoals de huurder dat bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. Huurt men een zaak dan mag men verwachten dat de zaak in goede staat van onderhoud verkeert, tenzij partijen anders overeen zijn gekomen. Men is vrij tegen een lage prijs een gebouw te huren met zichtbare tekortkomingen. Dat levert in beginsel dan geen gebrek op. 2.De bepaling bevat een verplichting van de verhuurder, maar geeft hem geen bevoegdheid in het geval dat de huurder geen ingreep verlangt. Doet de huurder dat niet, dan is de verhuurder niet bevoegd de gebreken te verhelpen. De bevoegdheid van de verhuurder om aan de verhuurde zaak werkzaamheden te verrichten, wordt elders geregeld; men zie artikel 220. Verlangen moet hier niet formeel worden opgevat. De enkele mededeling van de huurder dat er een door de verhuurder te verhelpen gebrek is, is al voldoende. Op grond van artikel 222 moet de huurder onverwijld de verhuurder inlichten dat er een gebrek is. Is de huurder nalatig met zijn verplichting dan is hij aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. Deze bepaling heeft tot resultaat dat de huurder er belang bij heeft ten aanzien van gebreken die de verhuurder schade toebrengen, onverwijld te verlangen dat deze ze verhelpt. 3.Het artikel gaat ervan uit dat de hoofdverplichting van de verhuurder zich niet beperkt tot het ter beschikking stellen van de zaak maar dat hij ook een zekere mogelijkheid van genot verschaffen moet. Daarmee strookt de regel van artikel 207 dat de huurder, voor zover door een gebrek de mogelijkheid tot genot vervalt, een evenredige vermindering van de door hem verschuldigde tegenprestatie op haar plaats is. De verplichting van de verhuurder tot genotsverschaffing houdt evenwel geen garantie van dat genot in. In de eerste plaats is de verhuurder niet reeds op grond van de enkele aanwezigheid van een gebrek dat de mogelijkheid van genot belemmert, schadevergoeding verschuldigd, doch is hij slechts verplicht het gebrek te verhelpen. In de tweede plaats is hij tot verhelpen slechts gehouden tot de grens van overmacht; zie lid 1, de slotzinsnede. 4.Dat verhelpen van het gebrek in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet van de verhuurder is te vergen, zal niet snel aangenomen mogen worden. Herstelbare gebreken moeten in beginsel hersteld worden. Dat het herstel voor de verhuurder in verband met de verhouding tussen kosten toegevoegde waarde van de zaak onvoordelig is, maakt dit niet anders. Wel kan een wanverhouding op dit punt meewegen met andere omstandigheden zoals de omvang en aard van de te verkrijgen genotsvermeerdering en het belang daarvan voor de huurder, de resterende duur van de huur en de bestemming van de zaak na afloop van de huur. Vergelijk HR 2 juni 1993, NJ 1993, 582. 5.Lid 2 houdt er rekening mee dat omgekeerd ook de huurder jegens de verhuurder een aansprakelijkheid heeft ter zake van de toestand van het gehuurde, met name op grond van zijn verplichting tot het doen van kleine herstellingen (artikel 217) en zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen (artikel 213), die nader wordt bepaald door zijn aansprakelijkheid voor de personen bedoeld in artikel 219. Voor gebreken waarvoor de huurder aldus aansprakelijk is, behoort de verhuurder het niet te zijn. 6.De bepaling is niet van dwingend recht. In Nederland is zulks anders. Daar zijn, voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of behoorde te kennen, de leden 1 en 2 – met de artikelen 207 en 208 – voor alle huurovereenkomsten van dwingend recht verklaard (artikel 209 Ned.BW). Voorts is de bepaling in Nederland voor woonruimte van dwingend recht verklaard ook voor gebreken die de verhuurder niet kende of behoorde te kennen 2024 -1040- No. 164 (artikel 7:242 Ned.BW). Lid 3 van het onderhavige artikel 206 is in Nederland zonder meer van dwingend recht (artikel 206 lid 3, tweede volzin). In Suriname is van de noodzaak van dwingend recht onvoldoende gebleken. Overigens is in Nederland het op grote schaal tot dwingend recht verklaren niet onbekritiseerd gebleven; men zie onder andere de beschouwingen van de Advocaat- generaal bij de Hoge Raad J.L.R.A. Huydecoper in het Nederlands Juristenblad 2003, p. 1940 e.v. 7.Lid 3 geeft de huurder een verder gaande bevoegdheid dan uit artikel 3:299 voor hem voortvloeit. Een rechterlijke machtiging is hier, nu het vaak om relatief kleine bedragen zal gaan en huurders zich niet gemakkelijk tot de rechter zullen wenden, een te zware maatregel. Het ter hand nemen van herstel door huurder zowel als door de verhuurder dient zoveel mogelijk te worden bevorderd, ook in het algemeen belang. Voor de hantering van de bepaling is daarom verzuim in de zin van artikel 6:81 e.v., waarvoor in de regel een ingebrekestelling vereist is, voldoende geacht. Kort gezegd komt het stelsel op het volgende neer. De huurder verlangt van de verhuurder dat deze een gebrek verhelpt. De verhuurder laat na de gebreken te verhelpen. De huurder stelt hem in gebreke door een schriftelijke aanmaning waarbij de verhuurder een redelijke termijn wordt gegeven om de gebreken te verhelpen (artikelen 6:81 en 82). Verhelpt de verhuurder de gebreken niet binnen deze termijn dan is de verhuurder in verzuim en kan de huurder zelf de gebreken verhelpen met verrekening van de kosten overeenkomstig de artikelen 6:127 e.v. De verhuurder wordt tegen misbruik van deze bepaling door een huurder die uit betalingsonwil niet bestaande gebreken inroept, voldoende beschermd door het feit dat de huurder zich aldus aan beëindiging van de huurovereenkomst wegens wanbetaling blootstelt (artikel 212). De onjuistheid van de bewering van de huurder zal in de regel makkelijk kunnen worden aangetoond.

  2899. Artikel 207 1.Artikel 206 ziet op de verplichting van de verhuurder met betrekking tot het genot van het gehuurde. Hij is in zoverre tot genotsverschaffing verplicht dat hij gebreken die het genot verhinderen, moet verhelpen als dit – kort gezegd – redelijkerwijs mogelijk is. Artikel 207 regelt de invloed van het ontbreken van genot op de tegenprestatie van de huurder: deze heeft recht op een aan de genotsvermindering evenredige huurvermindering op grond van de enkele aanwezigheid van het gebrek, ook als de verhuurder niet tot herstel verplicht is of nog niet terzake van zijn verplicht ing tot herstel in verzuim is. Overigens zal niet ieder ‘wissewasje’ tot een ‘vermindering van het huurgenot’ van de gehuurde zaak leiden. In de eerste plaats staan processuele voorschriften hieraan in de weg; zoals nog ter sprake zal komen, kan de huurvermindering slechts langs de weg van rechtsmaatregelen worden verkregen, waaraan kosten zijn verbonden. In de tweede plaats leidt ook de evenredigheidsmaatstaf ertoe dat alleen een substantiële aantasting van het huurgenot tot huurvermindering zal leiden. Tenslotte moet erop worden gewezen dat de huurder die de onderhavige bepaling hanteert, er verstandig aan doet daartoe niet onberaden over te gaan. Hij dient in het bijzonder te beseffen dat niet alle achterstallig onderhoud tot huurvermindering zal kunnen leiden. Nodig is dat het zover komt dat er a. een gebrek ontstaat van zodanige importantie, dat zulks b. tot een substantiële aantasting leidt van het huurgenot dat hij daadwerkelijk mocht verwachten. Dat een dak aan vernieuwing toe is, is niet voldoende; wel dat het dak lekt. Voor het geval dat geen verplichting tot herstel bestaat en het genot niet slechts vermindert, maar geheel onmogelijk wordt, geeft artikel 210 een nadere regeling in de vorm van de daar bedoelde bevoegdheid tot ontbinding. 2.De regel strookt met hetgeen voor wederkerige overeenkomsten in het algemeen voortvloeit uit artikel 6:270 in verbinding met artikel 6:265 lid 2 (vergelijk HR 6 juni 1997, NJ 1998, 128). Zij vormt in wezen een uitwerking van wat deze bepalingen reeds meebrengen, maar wijkt daarvan in enige opzichten af. In de eerste plaats moet de huurder de vermindering in rechte vorderen en kan hij niet met een schriftelijke ontbindingsverklaring volstaan. Tot een dergelijke vordering kan de huurder zelf het initiatief nemen, waarna het voor de hand ligt dat de verhuurder, die verweer wil voeren, in reconventie doorbetaling van de huur vordert. Neemt de verhuurder, die met een huurvermindering wordt geconfronteerd, bijvoorbeeld omdat de huurder zich op een opschortingsrecht beroept (zie hiervoor bij artikel 205), het initiatief, dan ligt het voor de hand dat 2024 -1041- No. 164 de huurder in reconventie huurvermindering vraagt. De enkele uitoefening van het opschortingsrecht, bevrijdt hem immers niet; terwijl voor opschorting zonder dat de huurder huurvermindering vordert, naar haar aard geen rechtvaardiging is te vinden. Ook in ander opzicht is vertrouwen op een opschortingsrecht voor de huurder met gevaren verbonden. Loopt de huurachterstand te ver op en blijkt de huurder uiteindelijk geen huurvermindering van de rechter te krijgen, dan kan dat op een toewijzing van een ontruimingsvordering komen te staan, wanneer de huurder die achterstand niet terstond betalen kan. Te bedenken valt dat uitgangspunt van de regeling is dat het te ver gaat de huurder toe te staan op eigen gezag tot huurvermindering over te gaan, al moet daaraan onmiddellijk worden toegevoegd dat dit de regeling minder efficiënt maakt omdat de gemiddelde huurder ervoor terugschrikt tegen zijn verhuurder rechtsmaatregelen te nemen. Maar de verhuurder geheel afhankelijk te maken van het oordeel van de huurder over de aanwezigheid van een gebrek en huurvermindering waarop dit aanspraak zou geven, zou te gemakkelijk misbruikt kunnen worden als dekmantel voor betalingsonwil. 3.In de tweede plaats dient er rekening mee te worden gehouden dat de verhuurder vaak niet met het gebrek bekend zal zijn. Het is daarom redelijk dat de huurvermindering pas ingaat op het ogenblik dat de huurder de verhuurder van het gebrek in kennis heeft gesteld of dat de verhuurder reeds voldoende ermee bekend was. De verhuurder moet immers, als het gebrek te zijnen aanzien gevolgen heeft, aanstonds in de gelegenheid worden gesteld tot onderzoek en tot eventuele voorzieningen. De verhuurder heeft het aldus in de hand dat niet later over een lange periode alsnog huurvermindering wordt gevorderd. Aantekening verdient nog dat ter zake van de kennisgeving de regels van artikel 3:37, leden 3 en 4, van toepassing zijn. 4.Aanspraak op huurvermindering bestaat alleen bij genotsvermindering als gevolg van een gebrek. De omschrijving van artikel 204 lid 2, brengt mee dat van een gebrek geen sprake kan zijn wanneer de oorzaak van de genotsvermindering aan de huurder is toe te rekenen. Lid 2 van het onderhavige artikel bepaalt bovendien dat evenmin aanspraak op huurvermindering bestaat als de genotsvermindering is ontstaan door het achterwege blijven van herstellingen die voor rekening van de huurder zijn, of door schade waarvoor de huurder aansprakelijk is. 5.Anders dan in Nederland geldt hier geen dwingend recht. In Nederland is, voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of behoorde te kennen, de bepaling – met de artikelen 206, leden 1 en 2 en 208 – voor alle huurovereenkomsten van dwingend recht (artikel 7:209 Ned.BW). Voorts is de bepaling voor woonruimte zelfs van dwingend recht verklaard voor gebreken die de verhuurder niet kende of behoorde te kennen (artikel 7:242 Ned.BW).

  2900. Artikel 208 1.Zoals bij afdeling 2 algemeen reeds aangestipt, gaat dit artikel ervan uit dat de enkele aanwezigheid van een gebrek weliswaar een tekortkoming oplevert, maar dat deze niet zonder meer aan de verhuurder mag worden toegerekend, zoals nodig is, wil de huurder recht op schadevergoeding terzake van dit gebrek hebben. Dit artikel bepaalt nader op welke gronden toerekening aan de verhuurder kan plaatsvinden. Overigens laat de onderhavige bepaling de rechten en vorderingen van de huurder uit anderen hoofde onverlet. 2.Het artikel ziet op de schade die het gevolg is van het gebrek zelf. De schade die ontstaat doordat herstel van het gebrek uitblijft, wordt al bestreken door artikel 206 en de gewone regels van Boek 6 betreffende toerekenbare tekortkoming in de nakoming. Hantering van artikel 207 kan voorts tot beperking van de schade leiden: tegenover de genotsvermindering staat dan immers huurvermindering. Maar ook dan is denkbaar dat de huurder bovendien schade lijdt in de vorm van winstderving of bedrijfsschade dan wel de kosten van tijdelijke verplaatsing of een tijdelijke huur van een vervangend object tegen een wellicht hogere huurprijs. Ook kan worden gedacht aan een gebrek, bestaande in een lekkend dak, waardoor tevens waterschade ontstaat. Om het voorbeeld van het dak te nemen, uitgangspunt is dat de verhuurder slechts verplicht is het dak te herstellen en niet om de waterschade te vergoeden. Dat is alleen anders als aan de eisen van artikel 208 is voldaan hetzij omdat het lek er al bij het aangaan van de overeenkomst was en de verhuurder dat wist of had 2024 -1042- No. 164 behoren te weten of uitdrukkelijk gezegd heeft dat het dak niet lekte, hetzij omdat het lek later is ontstaan door een oorzaak die hem is toe te rekenen, bijvoorbeeld door een ondeugdelijke reparatie. 3.Anders dan in Nederland is geen sprake van dwingend recht. In Nederland is, voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of behoorde te kennen, de bepaling – met de artikelen 206, leden 1 en 2, en 207 – voor alle huurovereenkomsten van dwingend recht (artikel 7:209 Ned.BW). Voorts is de bepaling in Nederland voor woonruimte zelfs van dwingend recht verklaard ook voor gebreken die de verhuurder niet kende of behoorde te kennen. (artikel 7:242 Ned.BW).

  2901. Artikel 210 1.Het artikel bevat de regel die de huur van rechtswege geheel doet vervallen als het gehuurde geheel en al ‘vergaat’. Het maakt een einde aan de discussie over de vraag wat onder dit vergaan moet worden verstaan door als maatstaf te bezigen dat het gebrek het genot dat de huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt. Van een geheel onmogelijk worden van een genot is ook sprake als weliswaar nog enig genot mogelijk is, maar dit genot door de beperking ten gevolge van het gebrek een wezenlijk ander genot is dan de huurder mocht verwachten. Zo zal een door brand onbewoonbaar gedeelte van een woonhuis een geheel tenietgaan van de mogelijkheid van genot van dat woonhuis opleveren, ook al is het overblijvende wellicht bewoonbaar gebleven. Het afbranden van alleen de bij het woonhuis behorende schuur, zal daarentegen het genot slechts ten dele onmogelijk maken, zodat dit artikel niet van toepassing is. Weer wel zal het van toepassing kunnen zijn als de opslagruimte die bij een verhuurde bedrijfsruimte afbrandt, en de aard van het bedrijf meebrengt dat het bedrijf dan niet kan worden uitgeoefend. 2.De bepaling geeft aan de huurder dan wel de verhuurder een bevoegdheid tot ontbinden op de voet van artikel 6:267 in verbinding met artikel 6:265. Deze bevoegdheid valt niet samen met de ontbinding van artikel 6:258 op grond van onvoorziene omstandigheden. Het artikel eist dan ook niet dat aan de maatstaf van artikel 6:258 is voldaan, al zal dat in de praktijk vaak het geval zijn. Een van rechtswege vervallen van de huurovereenkomst is uit een oogpunt van rechtszekerheid onwenselijk geacht. Aan de andere kant is evenzeer onwenselijk dat hier ontbinding slechts door de rechter kan worden uitgesproken. Nu de overeenkomst hier evident haar zin verliest, moet het partijen vrijstaan haar met onmiddellijke ingang door de schriftelijke verklaring te beëindigen. 3.Uit de omstandigheid dat het artikel slechts van toepassing is in geval van een gebrek als omschreven in artikel 204 lid 2 volgt dat het toepassing mist, als de oorzaak van het onmogelijk worden aan de persoonlijke omstandigheden van de huurder ligt; zie hierboven het bij artikel 204. 4.De in het huidige recht voorkomende bepaling over vermindering van de huurprijs in geval van ten dele tenietgaan is opgegaan in artikel 207. Aan een bevoegdheid tot ontbinding in geval van een ten dele tenietgaan is geen behoefte, wanneer het onmogelijk worden van genot wordt opgevat als hiervoor is uiteengezet.

  2902. Artikel 211 1.De enkele bewering van een derde dat hij een recht op het gehuurde heeft vormt geen gebrek, ook niet als zij geschiedt in de vorm van een rechtsvordering; zie artikel 204 lid 3, slot. Wel kan zij met een feitelijke stoornis gepaard gaan, die dan wel een gebrek oplevert. Ook kan de rechtsvordering leiden tot vaststelling van een recht en zo tot feitelijke stoornis. Men zie artikel 204 lid 3. Voor de aansprakelijkheid van deze gebreken gelden de gewone regels. Onafhankelijk daarvan schept het onderhavige artikel een zelfstandige verplichting van de verhuurder met betrekking tot tegen de huurder ingestelde rechtsvorderingen tot uitwinning of tot verlening van een recht waaraan de verhuurde zaak niet belast had mogen worden. De uitwerking sluit aan bij de redactie van artikel 7:16. 2.De verplichting van de verhuurder kan worden afgedwongen door toepassing van de artikelen 73 e.v. Rv. Komt de verhuurder zijn verplichting niet na, dan zal hij de huurder niet kunnen verwijten dat deze onvoldoende verweer heeft gevoerd. Wordt de verhuurde zaak met succes door een derde van de huurder opgeëist, omdat deze zijn recht slechts aan een bezitter die niet ook rechthebbende op de 2024 -1043- No. 164 zaak was, ontleent, dan moeten de rechten van de huurder jegens de derde worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:124. Dit brengt mee dat hij naar gelang van de omstandigheden jegens de derde de rechten van een bezitter te goeder trouw zal kunnen uitoefenen. Men zie met name artikel 3:120 en denke in het bijzonder aan vergoeding van ten behoeve van de zaak gemaakte kosten. 3.De redactie van lid 1 houdt rekening met het geval dat slechts een gedeelte van de zaak is verhuurd. Ook dan is denkbaar dat een vordering als hier bedoeld tegen de huurder wordt ingesteld. Men denke aan de huurder van de benedenverdieping van een huis. Het artikel is ook dan van toepassing. 4.Lid 2 legt een voor de hand liggende vergoedingsplicht op de huurder die de verhuurder niet onverwijld inlicht; zie artikel 222. 5.Lid 3 ziet op het geval dat de onderhuurder rechtstreeks door de hoofdverhuurder wordt opgeroepen en zijn vordering grondt op het niet of niet meer bestaan van de hoofdhuur dan wel op de onbevoegdheid van de hoofdhuurder tot de betreffende onderhuur (artikel 221), en dat de onderhuurder meent dat hoofdhuurder dit moet kunnen betwisten. Afdeling 3. De verplichtingen van de huurder

  2903. Artikel 212 In artikel 212 wordt de hoofdverplichting van de huurder, die tot betaling van de tegenprestatie, vooropgesteld, zoals ook in afdeling 4 van titel 1 van Boek 7 de verplichting van de koper tot betaling van de koopprijs vooropstaat (artikel 7:26 lid 1). Artikel 212 houdt er rekening mee dat de wijze van betaling en de tijdstippen waarop zij moet plaatsvinden vaak niet uitdrukkelijk geregeld zijn, maar door uitleg uit de overeenkomst moeten worden afgeleid, zulks mede aan de hand van de bepalingen van de afdelingen 6 en 11 van titel 1 van Boek 6 en, zo daar geen oplossing is te vinden, de maatstaven van artikel 6:248. In de praktijk is hier aan een nadere regeling van aanvullend recht geen behoefte.

  2904. Artikel 213 Omtrent het gebruiken van de zaak – en dus ook omtrent de zorg daarvoor – wordt de algemene verplichting vooropgesteld zich ‘als een goed huurder’ te gedragen. Deze wending sluit aan bij terminologie van het artikel 6:27 (‘een zorgvuldig schuldenaar’), 7:401 (‘de zorg van een goed opdrachtnemer’) en 7:602 (‘de zorg van een goed bewaarder’). Hiermee wordt enigszins verkort uitgedrukt dat de huurder zich heeft te gedragen zoals een behoorlijke mens zich als huurder gedraagt. Tevens houdt deze wending er rekening mee dat wat hier van de huurder wordt geëist, afhangt van de omstandigheden. Zo zal een woning een andere zorg eisen dan een fabriekshal of een gehuurde fiets. Zoals een schuldeiser niet gehouden is van zijn rechten gebruik te maken, is ook de huurder dit niet. Maar een verplichting daartoe kan uit het onderhavige artikel voortvloeien, in het bijzonder wanneer de waarde van de zaak bij niet gebruik achteruit gaat. Men denke aan huur van een winkel die aldus goodwill verliest of aan huur van een paard dat dient te worden bereden, wil het in goede conditie blijven.

  2905. Artikel 214 Dit artikel brengt tot uiting dat het gebruik door de huurder is beperkt tot hetgeen is overeengekomen. Is niets overeengekomen, dan is gebruik beperkt tot dat waartoe de zaak naar zijn aard bestemd is. Wie een onroerende zaak als woning huurt, zal het niet mogen gebruiken als opslagruimte. Indien geen huur als woning is overeengekomen, maar het gehuurde naar zijn aard tot woning bestemd is, geldt hetzelfde. Maar het is anders, wanneer is overeengekomen dat de huurder de woning als opslagruimte mag bezigen. Uitgangspunt moet evenwel zijn dat wie een woning huurt, het gehuurde slechts als woning mag gebruiken, wie een winkel huurt slechts als winkel, en wie een opslagruimte huurt, slechts als opslagruimte. Wat de huurovereenkomst in een bepaald geval meebrengt, zal afhangen van hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer van elkaar mochten begrijpen. In dat verband kan bijvoorbeeld van belang zijn voor welk gebruik de vorige huurder de zaak bezigde en welke gevolgen een daarvan afwijkend gebruik voor de verhuurder heeft. 2024 -1044- No. 164

  2906. Artikel 215 1.Deze bepaling geldt niet voor de woonruimte waarop afdeling 5 van toepassing is (lid 6). 2.Vooropgesteld wordt dat de huurder tot het aanbrengen van verandering bevoegd is met schriftelijke toestemming van de verhuurder. Daarop volgt dat indien de toestemming niet verleend wordt, deze kan worden vervangen door een rechterlijke machtiging. De rechter wijst de vordering toe indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder (hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld bedrijfsruimte) of als de verandering het huurgenot voor de huurder verhoogt (hetgeen meer toegesneden is op woonruimte) en er geen zwaarwichtige bezwaren zijn aan de zijde van de verhuurder, aldus lid 3. Bij ‘zwaarwichtige bezwaren’ kan worden gedacht aan gevaren die de voorgenomen veranderingen of toevoegingen voor het verhuurde gebouw kunnen opleveren, aan een niet meer ongedaan te maken waardevermindering van de zaak. Voorts denke men aan het aanbrengen van een balkon aan een gebouw, waarvan de constructie dit extra gewicht niet toelaat of dat zo ontsierend is, dat de waarde van het gebouw daardoor wordt aangetast. 3.Wel is de huurder vrij veranderingen en toevoegingen aan te brengen, die zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd. Men zie de slotzinsnede van lid 1. Met de wending ‘zonder noemenswaardige kosten’ is aangegeven dat een eventuele verwijdering van de veranderingen of toevoegingen zo eenvoudig dient te zijn, dat het geen kosten meebrengt of zo geringe kosten dat deze voor de verhuurder geen redelijk argument opleveren om tegen het aanbrengen van die verandering of toevoeging bezwaar te maken. Men denke aan het aanbrengen van wandspiegels met schroeven waarvan de gaten naderhand moeten worden dichtgestopt. Als voorbeeld waar sprake is van noemenswaardige kosten, kan worden genoemd het geval dat de huurder het buitenwerk in een geheel andere kleur laat schilderen, hetgeen slechts ongedaan te maken valt door het geheel over te schilderen. Dat de veranderingen en toevoegingen zonder beschadiging weer moeten worden weggehaald volgt uit de verplichting van de huurder dat hij ze ongedaan moet maken. 4.In beginsel zal de verhuurder gebreken met betrekking tot de veranderingen en toevoegingen moeten verhelpen conform de regeling in de artikelen 204 en 206 en de huurder de kleine herstellingen conform artikel 217. Evenwel is goed denkbaar dat als de verhuurder toestemming verleent, over dit punt andere afspraken worden gemaakt. Ook de rechter kan een andere verdeling van genoemde verplichtingen voorschrijven in de voorwaarden die hij aan de machtiging kan verbinden. Een rol zal hierbij bijvoorbeeld kunnen spelen de afspraak dat de huurder de voorzieningen na afloop van de huur weer meeneemt (zie artikel 242). 5.Lid 4 biedt de mogelijkheid dat de verhuurder in rechte een verhoging van de huurprijs vordert. Hierbij moet gedacht worden aan de situatie dat de door de huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen de waarde van het gehuurde object verminderen. In dat geval moet de verhuurder de mogelijkheid tot compensatie hebben. Het is uiteraard niet de bedoeling dat de verhuurder huurverhoging kan vragen indien de veranderingen juist een waardeverhogend effect hebben op het gehuurde object. Dat zou immers betekenen dat de huurder dubbel zou moeten betalen: een hogere huurprijs en de kosten van de veranderingen. Heeft de verhuurder echter bijgedragen in de kosten, dan kan een eventuele huurverhoging wel op haar plaats zijn. 6.Bij het onderscheid tussen ‘voorwaarden’ en ‘last’ kan nog worden aangetekend, dat niet-nakoming van de voorwaarden meebrengt dat de machtiging geacht wordt niet gegeven te zijn, terwijl de last bestaat in een zelfstandige verplichting die de rechter aan de huurder oplegt en waarvan de niet- nakoming de machtiging niet aantast. Het ligt voor de hand aan bijvoorbeeld huurverhoging de laatste vorm te geven. De verhuurder zal betaling van de huur op de gewone wijze kunnen afdwingen, maar het zou te veel onzekerheid geven om de machtiging afhankelijk te maken van het al of niet bestaan van latere huurachterstanden. Een voorwaarde zou evenwel kunnen zijn dat een verhuurder een bepaalde vergoeding ineens ontvangt of dat de veranderingen en toevoegingen niet plaatsvinden zonder dat tevoren de huidige toestand van het gebouw door een deskundige is vastgelegd met het oog op bewijs van eventuele latere gevolgen van de verbouwing, waarbij aan die veranderingen of toevoegingen vorm wordt gegeven. 2024 -1045- No. 164 7.Indien geen toestemming wordt verleend en derhalve een rechterlijke machtiging wordt gevorderd, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat er ook andere belanghebbenden dan de verhuurder kunnen zijn die tegen de verandering bezwaar zouden kunnen hebben. In de tweede volzin van lid 3 is daarom op de verhuurder de verplichting gelegd om, indien hij niet tevens de eigenaar, vruchtgebruiker, grondhuurder of erfpachter is, dezen in het geding te roepen. Dezelfde verplichting rust op hem ten aanzien van een eventuele hypotheekhouder. Komt de verhuurder zijn verplichting niet na, dan is hij schadevergoeding verschuldigd jegens deze rechthebbenden. Het niet nakomen van zijn verplichting tast evenwel niet de ontvankelijkheid van de huurder aan. Deze regel is vergelijkbaar met die van bijvoorbeeld artikel 3:218 en 5:95; de oproeping dient te geschieden met toepassing van artikel 12a Rv, dat voor dergelijke gevallen is geschreven. 8.De bepaling behoort, althans in geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan (deze beperking ontbreekt in de Nederlandse pendant), van dwingend recht te zijn in dier voege dat niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, aldus lid 5. De verhuurder wordt voldoende beschermd doordat de bevoegdheid veranderingen aan te brengen niet afgedwongen kan worden zonder toetsing door de rechter, die op grond van lid 4, een ruime bevoegdheid heeft ook aan de belangen van verhuurder tegemoet te komen.

  2907. Artikel 216 1.Dit artikel hangt nauw met het vorige samen. Het geeft in de eerste plaats aan de huurder de bevoegdheid om tot de ontruiming de door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits de zaak in de toestand wordt gebracht die bij het einde van de huur redelijkerwijs in overeenstemming met de oorspronkelijke kan worden geacht. Deze redactie houdt er rekening mee dat tussen de verandering of toevoeging en het einde van de huur lange tijd kan zijn verstreken en dat wat aanvankelijk een niet onmisbare toevoeging was als gevolg van veranderde gewoonten en opvattingen als een normaal onderdeel van een zaak als waarop de huur betrekking heeft, moet worden beschouwd. Met de term ‘redelijkerwijs’ is aangegeven dat het hier aankomt op een waardering van wat nodig is om de oorspronkelijke toestand – die voorgoed verouderd is – met de later tot herstel strekkende voorziening op een lijn te kunnen stellen. 2.De bevoegdheid van de huurder bestaat ‘tot de ontruiming’. Het zou voor de verhuurder onredelijk bezwarend zijn, wanneer de huurder ook nadien nog bevoegdheden ter zake van de gehuurde zaak zou hebben. De bevoegdheid bestaat echter ongeacht of de huurder de veranderingen of toevoegingen bevoegd of onbevoegd heeft aangebracht. 3.Volgens lid 2 is de huurder niet jegens de verhuurder verplicht tot ongedaanmaking van de veranderingen of toevoegingen, uiteraard behoudens het geval dat de huurder tot het aanbrengen daarvan niet bevoegd was. Dat de verhuurder in dit laatste geval ongedaanmaking kan vorderen dan wel tot ongedaanmaking op kosten van de huurder kan overgaan, behoeft geen afzonderlijke regeling. Het gaat hier immers om een verplichting van de huurder om te doen, waarop de artikelen 3:296 en 299 van toepassing zijn. Ook kan de verhuurder hier volgens de algemene regels nakoming op verbeurte van een dwangsom vorderen (artikelen 611a e.v. Rv). 4.Anders dan artikel 215 is artikel 216 van aanvullend recht. Het is dus mogelijk te bedingen dat de huurder niet bevoegd zal zijn tot ongedaanmaking of dat hij daartoe juist jegens de verhuurder verplicht zal zijn. Nu in de praktijk op dit punt vele uiteenlopende situaties kunnen bestaan, dienen deze mogelijkheden open te blijven. Naar gelang van de omstandigheden kunnen ook de eisen van redelijkheid en billijkheid nader bepalen wat op dit punt tussen partijen heeft te gelden. In lid 2 is voorts tot uiting gebracht dat ook de rechter op de voet van artikel 215 lid 4 aan de huurder een verplichting tot ongedaanmaking kan opleggen. Dat dit laatste niet bij de overeenkomst kan worden uitgesloten, volgt uit artikel 215 lid 5. 5.Veranderingen en toevoegingen kunnen een verrijking van de verhuurder ten koste van de huurder tengevolge hebben. Men denke aan veranderingen en toevoegingen die tevens verbeteringen zijn en niet ongedaan gemaakt kunnen worden of door de huurder niet ongedaan gemaakt werden, bijvoorbeeld omdat zulks niet zonder beschadiging mogelijk bleek. De vraag of de huurder in dergelijke gevallen aanspraak op vergoeding heeft, moet worden beantwoord aan de hand van 2024 -1046- No. 164 artikel 6:212 betreffende ongerechtvaardigde verrijking. Teneinde twijfel hieromtrent te voorkomen wordt dit in lid 3 van de onderhavige bepaling uitdrukkelijk bepaald. Artikel 6:212 brengt mee dat men niet onder alle omstandigheden aan de verhuurder een verrijking kan opdringen, die tot vergoeding leidt. De vordering is immers slechts toewijsbaar ‘voor zover dit redelijk is’. Ook kan blijkens de leden 2 en 3 van artikel 6:212 van belang zijn in hoeverre de verrijking inmiddels weer is verminderd. Aldus bestaat voldoende ruimte om ook hier in uiteenlopende situaties tot een redelijke oplossing te komen. De verwijzing naar de regels van de ongerechtvaardigde verrijking wil derhalve niet zeggen dat er – in geval de veranderingen en toevoegingen noch door de huurder noch door de verhuurder worden weggenomen – steeds sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De vraag of de vergoeding op haar plaats is, wordt aan artikel 6:212 BW overgelaten en derhalve ook aan de maatstaf ‘voor zover dit redelijk is’. Nodig is dat: a. de huurder kosten heeft moeten maken die hij noch heeft kunnen terugverdienen bijvoorbeeld door bezuiniging, noch ook vergoed heeft gekregen als gevolg van overname door de nieuwe huurder; en b. het resultaat redelijkerwijs voor de verhuurder een voordeel oplevert waarvan hij daadwerkelijk profijt heeft (hogere huur van een nieuwe huurder of kostenbesparing op onderhoud). Er is ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking als bijvoorbeeld de huurder en verhuurder hebben afgesproken dat elk de helft van de kosten voor zijn rekening zal nemen. Er is dan een rechtvaardiging voor een eventuele verrijking. Hetzelfde geldt als de verhuurder de huurverhoging achterwege laat, als de huurder veranderingen of toevoegingen aanbrengt. Het is van belang dat goede afspraken worden gemaakt, omdat dat ertoe zal leiden dat de verhuurder toestemming geeft. Worden er goede afspraken gemaakt dan is er geen aanleiding te vrezen, dat de verhuurder geen toestemming geeft. De bevoegdheid van de huurder de toevoeging en verandering weer ongedaan te maken staat aan ongerechtvaardigde verrijking niet in de weg. Zie ter zake van een eventuele ongerechtvaardigde verrijking van de verhuurder ook HR 25 juni 2004, NJ 2005, 338.

  2908. Artikel 217 1.In het huidige recht wordt gesproken van ‘geringe en dagelijkse reparaties’. De gedachte die daaraan ten grondslag ligt is dat voor rekening van de huurder zijn de herstellingen die nodig plegen te worden als gevolg van wat zich gewoonlijk bij een normaal gebruik van het gehuurde door een huurder voordoet. Die gedachte ligt ook aan de thans voorgestelde bepaling ten grondslag. Zij moet evenwel niet te strikt worden toegepast. Zo is in de bepaling niet de uitzondering opgenomen voor het geval de herstellingen nodig zijn geworden door overmacht. Ook herstellingen van kleine gebreken waarvan het ontstaan geheel buiten toedoen van de huurder of de zijnen is ontstaan, zijn voor zijn rekening. De bepaling is van aanvullend recht en de materie wordt vaak in huurcontracten nader geregeld, bijvoorbeeld doordat een onderscheid wordt gemaakt tussen herstel aan de buitenzijde van een gebouw, dat voor rekening van de verhuurder is, en herstel aan de binnenzijde, dat voor rekening van de huurder is. 2.Wat in een gegeven geval redelijk is, zal mede afhangen van de aard van het gehuurde en van de overige bepalingen van de overeenkomst, alsook van de vraag of het gaat om herstellingen aan onderdelen van het gehuurde die het gevolg zijn van door de huurder aangebrachte veranderingen en herstellingen. Het is met het oog op de uiteenlopende situaties die zich hier kunnen voordoen, wenselijk geacht deze materie verder aan de huurcontracten tussen partijen over te laten en in dit algemene artikel niet verder in detail te treden. 3.Het artikel maakt een voor de hand liggende uitzondering voor het geval dat de herstellingen nodig zijn geworden door het tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting tot verhelpen van gebreken. Het is dus zaak voor de huurder om de verhuurder zo snel mogelijk van eventuele gebreken op de hoogte te stellen. Artikel 222 verplicht hem daar reeds toe, bij gebreke waarvan de huurder verplicht is de daardoor ontstane schade aan de verhuurder te vergoeden. Heeft de huurder de gebreken nog niet kunnen ontdekken omdat hij afwezig was, en als gevolg daarvan de verhuurder ook niet op de hoogte gesteld, dan zullen de kleine herstellingen die nodig zijn geworden door dat de gebreken nog niet zijn verholpen voor rekening van de huurder komen. 2024 -1047- No. 164

  2909. Artikel 218 1.De huurder is op grond van de huurovereenkomst jegens de verhuurder alleen aansprakelijk voor schade aan de zaak die is ontstaan doordat hij is tekortgeschoten in enige verplichting die krachtens die overeenkomst op hem rustte. Men denke aan de in deze afdeling opgenomen verplichtingen de zaak als een goed huurder te gebruiken, de kleine herstellingen te verrichten en geen veranderingen of toevoegingen aan te brengen die hij niet op de voet van artikel 215 mocht aanbrengen, alsook aan hetgeen door partijen verder in hun overeenkomst aan verplichting op de huurder is gelegd. Lid 1 van het onderhavige artikel bevat dan ook geen materiële regel, doch slechts een samenvatting van wat ook zonder die bepaling uit de algemene regels van artikel 6:74 zou voortvloeien. Dit lid dient dan ook slechts als inleiding tot de volgende leden. 2.Lid 2 schept een voor weerlegging vatbaar vermoeden dat de schade door een tekortschieten van de huurder is ontstaan. Deze bewijsregel wordt hierdoor gerechtvaardigd dat de huurder in de regel veel beter dan de verhuurder in staat is na te gaan door welke oorzaak de schade aan het gehuurde is ontstaan. Het door de huurder te leveren tegenbewijs is niet aan een bepaalde regel gebonden. Het kan bestaan in het bewijs dat geen tekortkoming aan zijn kant de schade heeft doen ontstaan. Of in een concreet geval dit bewijs geleverd moet worden geacht, ook als de oorzaak van de schade niet is komen vast te staan, is aan het oordeel van de rechter overgelaten. 3.Lid 2 bevat twee uitzonderingen. In de eerste plaats die voor brandschade, waaraan de gedachte ten grondslag ligt dat een aansprakelijkheid voor brand voor de huurder een te zware last zou meebrengen, wanneer het risico dat de oorzaak van de schade in het duister blijft, voor zijn rekening zou komen. Waar ieder verhuurder zijn onroerende zaken tegen brand verzekerd pleegt te hebben, is het punt daar overigens van ondergeschikt belang. Maar ook als het roerende zaken betreft die de verhuurder niet altijd tegen brand zal hebben verzekerd, is het wenselijk de huidige regel te handhaven en de bewijslast op de verhuurder te leggen. Het zou immers niet goed te begrijpen zijn dat de huurder van een woonwagen e.d. op dit punt anders behandeld wordt dan de huurder van een woning. 4.De tweede uitzondering betreft schade aan de buitenkant van het gehuurde in het geval dat de huur betrekking heeft op een gebouwde onroerende zaak. In dat geval zal immers ook de huurder vaak de oorzaak van de schade niet kennen. Dat neemt niet weg dat hier op hem wel een zekere stelplicht rust, zulks afhankelijk van de omstandigheden en de aard van de schade. Zulks vloeit voort uit de algemene regel van procesrecht dat hij, zo hij door de verhuurder aansprakelijk wordt gesteld, zijn betwisting van hetgeen de verhuurder daartoe aanvoert, behoorlijk zal hebben te motiveren. Opmerking verdient dat de tweede uitzondering mede ziet op huur van een gedeelte van een gebouwde onroerende zaak en dat het dan gaat om schade aan de buitenkant van dat gedeelte. Daaronder valt niet alleen schade aan de buitenmuur van een gehuurde verdieping, maar ook die aan de buitenkant van de deur die wellicht in het gebouw tot het gehuurde toegang geeft. 5.De huurder is slechts aansprakelijk voor gedurende de huurtijd ontstane schade. Ook ten aanzien van het bewijs op dit punt komt het artikel de verhuurder tegemoet. Lid 3 bevat een weerlegbaar vermoeden dat de huurder de gehuurde zaak in onbeschadigde toestand ontvangen heeft. Het ligt voor de hand dat de huurder die de zaak in beschadigde toestand ontvangt, daartegen onverwijld protesteert. Hij is ook het best in staat zich te dier zake bewijs te verschaffen.

  2910. Artikel 219 Onder de omschrijving van dit artikel (aansprakelijkheid voor anderen) vallen allen die met goedvinden van de huurder de zaak gebruiken of zich daarop bevinden. Daarin zijn mede begrepen onderhuurders. De regel is ruimer dan die van artikel 6:76, omdat er ook personen onder vallen van wie niet kan worden gezegd dat de huurder bij de uitvoering van zijn verbintenis van hun hulp gebruik maakt. De aard van huurovereenkomst brengt mee dat aan een dergelijke verruiming behoefte bestaat. 2024 -1048- No. 164

  2911. Artikel 220 1.Lid 1 bevat een gedoogplicht van de huurder ter zake van dringende werkzaamheden die aan het gehuurde moeten worden uitgevoerd. De verhuurder kan, ook al heeft hij het genot van de zaak aan de huurder afgestaan, zeer wel belang bij de werkzaamheden hebben, bijvoorbeeld omdat uitstel van onderhoud tot extra kosten of tot schade zou leiden. Anderzijds kan het zijn dat de huurder bij de werkzaamheden geen belang heeft, omdat zij zijn genot niet vermeerderen en de huurovereenkomst binnen afzienbare tijd afloopt. De gedoogplicht van de huurder omvat de verplichting de verhuurder toegang tot het gehuurde te verlenen om op te nemen of, en zo ja welke, werkzaamheden moeten worden verricht. Voorts verdient opmerking dat uit het feit dat de wet bepaalde gedoogplichten van de huurder bevat, zoals in het onderhavige artikel en in artikel 223 niet mag worden afgeleid dat zij in andere gevallen niet kunnen bestaan. Partijen kunnen daaromtrent in hun huurovereenkomst een uitdrukkelijke regeling opnemen, terwijl deze verplichtingen en de daarmee corresponderende bevoegdheden van de verhuurder ook, de aard van de betrokken huurovereenkomst in aanmerking genomen, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen voortvloeien (zie artikel 6:248). 2.De bepaling brengt een verruiming ten opzichte van het huidige recht, omdat het niet alleen dringende reparaties omvat, maar alle dringende werkzaamheden, ook die tot herstel van schade of ter voorkoming van schade. Hetgeen het huidige recht bepaalt ter zake van huurprijsvermindering en ontbinding bij onbewoonbaar worden, is niet overgenomen. De huurprijsvermindering wordt al geregeld in artikel 207. Met betrekking tot het onbewoonbaar worden, is artikel 210a opgenomen. In plaats van de huurovereenkomst te ontbinden, kan de huurder ook tijdelijk een vervangend object huren tegen wellicht een hogere huurprijs. De schade die de huurder hierdoor lijdt kan hij op de verhuurder verhalen (vergelijk de artikelen 203 en 205 in verbinding met de artikelen 6:74). 3.De bepaling houdt mede rekening met de mogelijkheid dat de eigenaar van een naburig erf een beroep doet op artikel 5:56 dat de verhuurder verplicht is te honoreren. De huurder moet dan tot medewerking kunnen worden gedwongen. De bepaling strookt met wat in het algemeen ter zake van gebondenheid van de huurder aan bepalingen van burenrecht die de eigendom beperken, moet worden aangenomen op grond van het algemene beginsel dat de huurder aan de huurovereenkomst jegens de eigenaren van naburige erven niet meer rechten kan ontlenen dan de eigenaar van het aan hem verhuurde erf had. 4.De leden 2 en 3 betreffen de gedoogplicht van de huurder ter zake van renovatie. Lid 2 geeft daarvoor een maatstaf die aansluit bij hetgeen zich in de rechtspraak heeft ontwikkeld; men zie HR 16 mei 1986, NJ 1986, 779. Het is wenselijk geacht deze belangrijke ontwikkeling een wettelijke basis te geven die zich voor verdere uitwerking in de rechtspraak leent. De Nederlandse precisering voor wat betreft het percentage van 70% of meer van de huurders (artikel 7:220 lid 3, Ned.BW) is echter, als zijnde onnodig in Suriname, niet overgenomen. 5.Lid 2 heeft betrekking op renovatie met voortzetting, zij het ook wellicht aanpassing, van de huurovereenkomst. Uitgangspunt is dat de verhuurder daartoe aan de huurder een schriftelijk voorstel dient te doen. Indien de huurder het voorstel niet aanvaardt, zal de verhuurder op grondslag van dit voorstel een vordering kunnen instellen tot verkrijging van een veroordeling van de huurder gelegenheid tot de renovatie te geven. Dat zal, naar gelang wat de omstandigheden eisen, gepaard kunnen gaan met een bevel of verbod op verbeurte van een dwangsom en met een bevel tot gehele of gedeeltelijke tijdelijke ontruiming met toepassing van de artikelen 555 e.v. Rv. Het voorstel moet redelijk zijn, gelet op de belangen van de huurder en die van de verhuurder. Daarbij spelen een rol de aard van de werkzaamheden, de noodzaak van de medewerking van de huurder, de financiële consequenties voor de verhuurder, de huurprijsverhoging voor de huurder, de mogelijkheid van een vervangend huurobject voor de huurder en de overige omstandigheden van het geval. De verhuurder zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat zijn voorstel redelijk is. 6.Lid 3 herinnert duidelijkheidshalve aan de mogelijkheid de huurovereenkomst met het oog op de renovatie te beëindigen door opzegging. Men zie voor het huidige recht bijvoorbeeld HR 6 maart 1992, NJ 1993, 583 en 3 mei 1996, NJ 1996, 665. 2024 -1049- No. 164

  2912. Artikel 221 1. Voor het afstaan door de huurder van het hem krachtens de huurovereenkomst toekomende gebruiksrecht aan een derde zijn in beginsel twee constructies mogelijk. Hij kan zijn rechten en verplichtingen jegens de verhuurder aan een derde overdragen en hij kan de derde bij een enkele tussen hem en deze derde werkende overeenkomst op zijn beurt een recht op gebruik van het gehuurde geven. De eerste weg kan niet buiten de verhuurder om gevolgd worden. Het gaat hier om een contractsovername waarbij de huurovereenkomst na de overname tussen de verhuurder en de derde wordt voortgezet. Een dergelijke figuur is mogelijk met toepassing van artikel 6:159. Een nadere regel daarover in het onderhavige artikel is niet nodig. 2. De tweede weg is die van onderhuur en eventueel bruikleen. Het wezenlijke hiervan is dat in beginsel tussen de hoofdhuurovereenkomst en de onderhuur geen juridisch, doch slechts een feitelijk verband bestaat, hierin bestaande dat de hoofdhuurder zich door de hoofdhuurovereenkomst de beschikking over de verhuurde zaak heeft verschaft en deze aldus aan de onderhuurder in gebruik kan geven. De onderhuur brengt geen wijziging in de hoofdhuur en schept geen rechtsbetrekking tussen hoofdverhuurder en onderhuurder. Ingevolge het huidige recht mag de huurder het goed niet wederverhuren noch zijn huur aan een ander afstaan. Niet geheel duidelijk is wat het precies bedoelt. Maar aangenomen wordt dat met afstaan de contractsovername wordt bedoeld en met wederverhuren de eigenlijke onderhuur. Het huidige recht staat er niet aan in de weg dat de huurder de gehuurde zaak aan een ander uitleent. Nu een verbod van afstand in bovenbedoelde zin naast artikel 6:159 overbodig is, heeft het onderhavige lid 1 nog alleen op de tweede weg betrekking. 3. Lid 1 is in overeenstemming met het huidige recht waarin in beginsel de bevoegdheid van de huurder de zaak aan een ander weder te verhuren is uitgesloten. 4. Het artikel bevat geen bijzondere regels voor onbevoegd aangegane onderhuur. Bij gebreke van dergelijke regels vloeit uit het stelsel van het wetboek het volgende voort, ongeacht of de onderhuur in strijd met het onderhavige artikel dan wel met een beding in de hoofdhuurovereenkomst komt. Voor de geldigheid van een huurovereenkomst is niet vereist dat de verhuurder eigenaar van de zaak of uit anderen hoofde in staat is aan de huurder het overeengekomen gebruik te doen hebben. De onbevoegdheid van de hoofdhuurder tot onderhuur doet dan ook aan de geldigheid van de onderhuur niet af. Wel pleegt de hoofdhuurder die onbevoegd onderverhuurt toerekenbare tekortkoming in de nakoming jegens de hoofdverhuurder en kan zulks worden aangemerkt als onbehoorlijk gebruik van het gehuurde (artikel 213). Dit kan leiden tot beëindiging van de hoofdhuur. Dit zal tot gevolg hebben dat de hoofdhuurder aan de onderhuurder niet langer het overeengekomen gebruik van de zaak kan verschaffen, zodat hij ook jegens de onderhuurder in de nakoming van zijn verplichtingen tekortschiet en dat wel op aan hem toe te rekenen wijze. Hij zal derhalve schadevergoeding verschuldigd worden (artikel 203 in verbinding met artikel 205). De bevoegdheid tot gebruik van het gehuurde komt de huurder slechts gedurende de huurtijd toe. Indien de huurder bevoegd was tot onderhuur, eindigt ook deze bevoegdheid met de hoofdhuur. Het einde van de hoofdhuur brengt niet tegelijk ook de onderhuur tot een einde, zij het dat de hoofdhuurder de onderhuurder nadien niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder te verschaffen. Hij zal derhalve vanaf het einde van de hoofdhuur jegens de onderhuurder toerekenbare tekortkoming in de nakoming plegen totdat ook de onderhuur is geëindigd, zulks met alle aan die toerekenbare tekortkoming in de nakoming verbonden gevolgen (artikel 203 in verbinding met artikel 205). 5. Krachtens lid 2 mag dat de huurder die in de woning zijn hoofdverblijf heeft wel een deel daarvan mag verhuren, overeenkomstig het huidige recht. Hij mag dit evenwel niet indien hij moest aannemen dat de verhuurder daartegen redelijke bezwaren zal hebben. Er zijn huurders die twintig onderhuurders in huis opnemen. De verhuurder moet daartegen bezwaar kunnen maken. In beginsel is de hoofdverhuurder niet verplicht een gebruik uit hoofde van een onbevoegd aangegegane onderhuur te eerbiedigen, zodat hij reeds gedurende de huurtijd tot beëindiging van dit onrechtmatige gebruik kan dwingen. Het is evenwel denkbaar dat dit misbruik van bevoegdheid zou opleveren, met name wanneer de verhuurder daarbij geen belang heeft voordat de huurtijd is verstreken (artikel 3:14). 2024 -1050- No. 164

  2913. Artikel 222 1.Het kan voor de verhuurder van groot belang zijn dat hij tijdig van een gebrek of van enige rechtspretentie van een derde kennis krijgt, bijvoorbeeld omdat dit verdere voor zijn rekening komende schade kan voorkomen; hiervoor is hij vaak afhankelijk van de huurder die de zaak onder zich heeft. De verplichting die deze bepaling op de huurder legt, is daarom redelijk. De bewering van recht is afzonderlijk vermeld, omdat zij niet onder de omschrijving van gebrek in artikel 204 valt. 2.De sanctie is uitsluitend schadevergoeding. Niet tijdig melden betekent niet dat de huurder geen recht op herstel van het gebrek heeft of bij het bestrijden van de rechtspretentie niet behoeft te worden bijgestaan. Wel kan dit tot gevolg hebben dat hij voor de melding ontstane kosten niet kan terugvorderen, zoals is bepaald in artikel 211 lid 2.

  2914. Artikel 223 Het artikel stelt een verplichting buiten twijfel die anders uit artikel 6:248 lid 1 zou voortvloeien, voor zover zij al niet, zoals vaak het geval is, in het huurcontract is opgenomen. Dat een uitdrukkelijke bepaling wenselijk is, houdt mede verband met het huisrecht dat zonder duidelijke wettelijke basis twijfelachtig maakt of de verplichting van de huurder als hier bedoeld bestaat, onderscheidenlijk hem bij overeenkomst kan worden opgelegd. In de praktijk bestaat aan een dergelijke verplichting bepaald behoefte.

  2915. Artikel 224 1.Een teruggaveplicht is in het huidige recht niet uitdrukkelijk neergelegd, maar wordt algemeen aanvaard. Lid 1 legt deze verplichting vast. In welke staat de zaak moet worden teruggegeven volgt uit het stelsel van de onderhavige titel. De huurder moet haar teruggeven zonder dat zij nog herstellingen behoeft die krachtens artikel 217 voor zijn rekening zijn, en zonder schade waarvoor hij aansprakelijk is. Zij mag echter gebreken vertonen die de verhuurder verplicht is te verhelpen. Men zie de artikelen 206, 217 en 218. Hoe het gaat met veranderingen en toevoegingen moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 216. 2.Met Lid 2 wordt gekozen voor een helder toetsingscriterium. Is een beschrijving, bijvoorbeeld een inspectierapport, van het gehuurde aanwezig, en is vastgelegd dat veranderingen ten opzichte van de oorspronkelijke toestand ongedaan gemaakt dienen te worden, dan is de huurder verplicht deze veranderingen ongedaan te maken. 3.Is geen beschrijving van het gehuurde aanwezig, dan wordt ingevolge lid 3, dat overeenstemt met het huidige recht, de huurder vermoed het gehuurde in goede staat te hebben ontvangen.

  2916. Artikel 225 Ten aanzien van de verplichting tot teruggave van artikel 224 geleden de gewone regels betreffende toerekenbare tekortkoming in de nakoming en schadevergoeding. Op één punt is echter een bijzondere regel wenselijk geacht, die meebrengt dat bij te late ontruiming de huurder over de periode tot die ontruiming in elk geval een vergoeding ten bedrage van de huur verschuldigd is. Afdeling 4. De overgang van de huur bij overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur

  2917. Artikel 226 1.Het artikel regelt de zogenaamde ‘koop breekt geen huur’. De aanhef van het artikel is aangepast aan het spraakgebruik van Boek 3, het vervallen van het recht van beklemming en het feit dat artikel 201 spreekt van huur van ‘een zaak of een gedeelte daarvan’. De bepaling is van dwingend recht voor gebouwde onroerende zaken (lid 4). Er is geen reden de bepaling ook voor roerende zaken of voor onbebouwde grond dwingend te maken. Waarom zou iemand niet tegen betaling een stuk grond als opslagterrein mogen gebruiken tot het tijdstip dat de eigenaar een koper heeft gevonden en het aan deze overdraagt? 2024 -1051- No. 164 2.Wat betreft lid 2, lette men op de regeling van het huurbeding bij hypotheek in artikel 3:264 en van de executie door een gewone schuldeiser in artikel 505 lid 2, Rv. Men moet de regel van lid 2 dan ook zien als een principiële hoofdregel die het uitgangspunt van de twee hiervoor genoemde bijzondere bepalingen is.

  2918. Artikel 227 Uit deze bepaling volgt dat degene die een erfdienstbaarheid op een reeds verhuurd erf verkrijgt, deze erfdienstbaarheid niet zo mag uitoefenen dat hij de huurder in diens recht om het genot van de zaak te hebben, beperkt. Zo zal ook een hypotheekhouder die jegens de eigenaar van de verhypothekeerde zaak zijn bevoegdheid uit een beding als bedoeld in artikel 3:267 gebruik wil maken, dit niet zo mogen doen dat hij een huurder wiens huur van voor de vestiging van de hypotheek dateert, in diens genot van de zaak belemmert. Hetzelfde geldt voor degene die de erfdienstbaarheid of de hypotheek heeft verkregen door overdracht, d.w.z., nu het hier om afhankelijke rechten in de zin van artikel 3:82 gaat, door overdracht van het heersende erf dan wel door overdracht van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid dient.

  2919. Artikel 228 Het onderscheid tussen schriftelijke en mondelinge huur is verlaten. Het stelsel dat voor opzegging geldt, wordt daardoor eenvoudiger. In lid 2 wordt voor onroerende zaken (voor woonruimte lette men overigens op afdeling 5) een minimumtermijn van een maand gegeven. Er is van afgezien om een maximum opzegtermijn op te nemen. De gevallen van huur van roerende zaken lopen te zeer uiteen om zich voor een algemene regel te lenen. Een opzegging op een te korte termijn zal vaak niet nietig zijn maar op grond van artikel 3:42 kunnen worden geconverteerd in een geldige opzegging tegen een later tijdstip.

  2920. Artikel 229 1. Dit artikel geldt niet voor de dood van de huurder van ruimte waarop afdeling 5 van toepassing is. 2. Voor wat betreft de dood van de verhuurder spreekt dit artikel vanzelf. Voor wat betreft de dood van de huurder is er meer reden voor twijfel, maar er mag toch van worden uitgegaan dat huurovereenkomst in de regel niet met het oog op de persoon van de huurder worden aangegaan. Dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan artikel 221 waar de huurder in beginsel de bevoegdheid tot onderverhuren wordt toegekend. Het bezwaar dat de erfgenamen van de huurder wellicht niet weten wat ze met de zaak aanmoeten, wordt ondervangen, wanneer de bevoegdheid tot onderverhuren niet is uitgesloten. Een nadere regel is daarom alleen gegeven voor het geval deze bevoegdheid ontbreekt. De erfgenamen kunnen dan ingevolge lid 2 gedurende zes maanden na het overlijden van de erflater de overeenkomst opzeggen. Bestaat de bevoegdheid tot onderverhuren, dan is het redelijk dat de verhuurder erop mag vertrouwen dat de overeengekomen huurperiode wordt afgemaakt. 3. Ten slotte is in lid 3 nog een oplossing gegeven voor het geval dat er meer erfgenamen zijn en de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst in aanmerking komen om aan een van hen te worden toegedeeld. Daarvoor is medewerking van de verhuurder vereist; vergelijk artikel 3:186 in verbinding met artikel 6:159. Bij de term ‘redelijke bezwaren’ denke men aan mogelijke bezwaren, gelegen in de financiële armslag van de betreffende erfgenaam of aan bezwaren tegen diens persoon bijvoorbeeld in verband met de vrees dat hij het gehuurde door onvoorzichtig gedrag zal beschadigen of medehuurders overlast zal bezorgen. Lid 3 maakt de verhuurder tot een zodanige medewerking verplicht, mits hij tegen de als huurder aangewezen erfgenaam geen redelijke bezwaren heeft. De medewerking kan worden afgedwongen doordat een rechterlijke uitspraak wordt uitgelokt, die op de voet van artikel 3:300 daarvoor in de plaats treedt. 2024 -1052- No. 164

  2921. Artikel 230 De bepaling geeft een aanzienlijk eenvoudiger regeling dan het huidige recht. Zij bevat een weerlegbaar vermoeden dat, zo de huurder na afloop van de huurtijd met goedvinden van de verhuurder in het genot van het gehuurde blijft, partijen bedoelen hun overeenkomst op dezelfde voorwaarden voor onbepaalde tijd voort te zetten. De vraag hoe het staat met de bevoegdheid de verlengde huurovereenkomst op te zeggen wordt beantwoord door artikel 228 lid 2.

  2922. Artikel 231 Hierin is neergelegd, bij wijze van dwingend recht, dat ten aanzien van een bebouwde onroerende zaak voor ontbinding wegens wanprestatie de rechter moet worden ingeschakeld, dit in afwijking van de hoofdregel van artikel 6:267. Afdeling 5. Bijzondere bepalingen inzake de huur van een woning In deze afdeling is de inhoud van § 2 tot en met § 4 van de Huurwet Woonruimte 2020 letterlijk neergelegd. Het gaat hier om heel recente wetgeving. Ingevolge artikel 132 van de Grondwet hoort het burgerlijk recht in het Burgerlijk Wetboek thuis. TITEL 7 – OPDRACHT De titel bestaat uit de afdelingen: 7.7.1 - Opdracht in het algemeen 7.7.2 - Lastgeving 7.7.3 - Bemiddelingsovereenkomst 7.7.4 - Agentuurovereenkomst 7.7.5 - De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. Zoals uit de opsomming reeds blijkt, omvat de opdracht een veelheid van typen overeenkomsten, die gemeen hebben dat zij bepaalde vormen van dienstverlening buiten dienstverband regelen, zowel in de uitoefening van een beroep of bedrijf als daarbuiten. Regel is dat de uitoefening van een ‘vrij beroep’ - arts (zie afdeling 7.7.5), advocaat enz. - tot het sluiten van overeenkomsten van opdracht leidt; te denken valt voorts aan de diensten van tussenpersonen (afdelingen 7.7.2 tot en met 7.7.4), incassobureaus en adviesbureaus op allerlei terrein. Op het gebied van het bedrijfsleven wordt een belangrijke plaats ingenomen door de financiële diensten van bank- en verzekeringswezen, maar ook kan worden gedacht aan de diensten van restaurants en kappers. Maar de overeenkomst van opdracht is geenszins beperkt tot het beroeps- en bedrijfsleven - in het ontwerp is ook met de particuliere opdrachtgever en opdrachtnemer rekening gehouden (zie bijvoorbeeld de artikelen 405, 408 en 413). Deze variëteit verklaart ook de omschrijving ervan die artikel 400 lid 1, geeft in de vorm van een aftreksom ten opzichte van een zeer algemeen criterium, het zich verbinden tot het verrichten van werkzaamheden. Ook artikel 400 lid 2, houdt met deze omstandigheid rekening door, behoudens het dwingend recht volgens artikel 413, op ruime schaal afwijking van de algemene bepalingen toe te laten, onder andere op grond van de aard van de (concrete) overeenkomst. In het huidige recht wordt de overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten slechts terloops genoemd, niet om haar te regelen, doch om haar af te grenzen van de arbeidsovereenkomst en de aanneming van werk. Wel wordt de lastgeving, als type van de opdracht, onder de bijzondere overeenkomsten in het Derde Boek geregeld, en een aantal van de bepalingen daaruit heeft model voor algemene bepalingen van het ontwerp gestaan. In die titel staan tevens bepalingen omtrent volmacht. Deze figuur wordt echter in het nieuw BW afzonderlijk geregeld in titel 3.3, omdat zowel lastgeving zonder volmacht voorkomt (bijvoorbeeld het commissionairscontract), als volmacht buiten lastgeving (bijvoorbeeld bij bepaalde soorten arbeidsovereenkomst); wel zijn de regelingen omtrent volmacht en lastgeving in het ontwerp op elkaar afgestemd. 2024 -1053- No. 164 Afdeling 7.7.1 - Opdracht in het algemeen Na de definitie van artikel 400 volgt in de artikelen 401 tot en met 404 een omschrijving van de verplichtingen van de opdrachtnemer, en in de artikelen 405 en 406 een van de verplichtingen van de opdrachtgever. Artikel 407 lid 1 geeft een regel voor de gezamenlijk gegeven opdracht, artikel 407 lid 2, een voor de gezamenlijk ontvangen opdracht. De artikelen 408 tot en met 412 behandelen enkele vormen en gevolgen van beëindiging van de opdracht, en artikel 413 geeft aan welke bepalingen, al dan niet onder bepaalde omstandigheden, van dwingend recht zijn. Over de definitie van artikel 400 lid 1 en over lid 2 zie de inleidende opmerkingen ter toelichting op de titel. Van de arbeidsovereenkomst onderscheidt de opdracht zich doordat zij verplicht tot het verrichten van werkzaamheden buiten dienstbetrekking, terwijl aan het slot van lid 1 de opdracht wordt afgescheiden van de aanneming van werk (zie in dit verband HR 6-3-1991, NJ 1991, 415), de bewaarneming, de uitgeversovereenkomst en de overeenkomsten van en tot vervoeren - de meeste daarvan worden als benoemde contracten elders in het BW of het Wetboek van Koophandel behandeld. Dat de werkzaamheden tegen ‘loon’ worden verricht komt weliswaar veelvuldig, en dan gewoonlijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf, voor, maar is, anders dan bij de arbeidsovereenkomst, geen essentiale. Hoever de in artikel 401 voorgeschreven zorgplicht van de opdrachtnemer zich uitstrekt, hangt van de omstandigheden van het geval en de aard der overeenkomst af. Volgens het huidige recht moet ‘de verantwoordelijkheid wegens verzuim minder streng’ worden toegepast op degene die een last om niet op zich neemt dan op hem die daarvoor beloning ontvangt. Zie voorts HR 8-11-1990, NJ 1992, 134, betreffende belangenbehartiging door een deurwaarder.

  2923. Artikel 402 verplicht de opdrachtnemer tot het opvolgen van instructies van de opdrachtgever, mits deze tijdig gegeven en verantwoord zijn: de opdrachtnemer zal zelfstandiger te werk (kunnen) gaan, naarmate hij meer en de opdrachtgever minder deskundig is in het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden.

  2924. Artikel 403 verplicht de opdrachtnemer tot het uitbrengen van verslag over zijn werkzaamheden, tot het onverwijld melden als de opdracht is voltooid (lid 1), tot het afleggen en verantwoording over de uitvoering der opdracht en tot het eventueel afleggen van financiële rekenschap (lid 2). Ook hier zal de omvang van de verplichtingen mede van de omstandigheden van het geval afhangen - vgl. HR 26-9-1980, NJ 1981, 154. Zie voorts de artikelen 448 en 449 met betrekking tot de opdracht tot geneeskundige behandeling. Vooral de uitoefening van beroepswerkzaamheden wordt dikwijls in het verband van een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap uitgeoefend. In zo'n geval kan de opdracht door de cliënt aan die vennootschap worden verstrekt, terwijl de strekking van de overeenkomst is dat de uitvoering door een bepaald, aan haar verbonden, persoon geschiedt. In dit geval wordt ook deze persoonlijk gebonden voor de uitvoering, aldus artikel 404. Hij is, naast de opdrachtnemer, tegenover de cliënt hoofdelijk aansprakelijk. Dat uit de overeenkomst voortvloeit dat de aangewezen uitvoerder bepaalde werkzaamheden door een ander, doch wel onder zijn eigen verantwoordelijkheid, mag laten verrichten, zal veelal het geval zijn, evenals dat hij zich bij ziekte enz. mag laten vervangen. Of, op welke tijdstippen en tot welk bedrag aan de opdrachtnemer loon toekomt, moet in de eerste plaats zijn antwoord vinden in de overeenkomst tussen partijen.

  2925. Artikel 405 lid 1 stelt als regel dat in elk geval aan de professionele opdrachtnemer loon toekomt. Mede van de aard van de opdracht en van het gebruik zal afhangen, of dat onder alle omstandigheden zo is, hoe het loon wordt berekend, of het ineens, na het volvoeren van de opdracht, dan wel periodiek, moet worden betaald, enz. Vgl. HR 5-6-1992, NJ 1992, 601, inzake de afspraken ‘no cure, no pay’ en ‘pars quota litis’. 2024 -1054- No. 164 De beroepsbeoefenaar zal in de regel zelf zijn declaratie indienen, vastgesteld aan de hand van het gebruik in de branche. Zie, voor een geval van betwisting van de redelijkheid, HR 24-4-1987, NJ 1987, 792.

  2926. Artikel 406 verplicht de opdrachtgever tot vergoeding van onkosten (lid 1), en tot het vergoeden van schade (lid 2). De laatste verplichting zal zich, zeker bij de opdracht aan de professionele opdrachtnemer, niet dikwijls voordoen, gegeven de grenzen die het ontwerp stelt. Men denke aan de ‘gehuurde’ stuntman, of de door zijn patiënt besmette arts, die zelf het risico dragen, en dat ook zullen hebben verzekerd.

  2927. Artikel 407 lid 1 betreft de gezamenlijk gegeven opdracht, lid 2 de gezamenlijk aanvaarde opdracht. In de praktijk zal de gezamenlijkheid zich vaak voordoen bij een door of aan een maatschap gegeven opdracht. Men denke bij een gezamenlijk ontvangen opdracht ook aan een medisch operatieteam - zie, ter vermijding van aansprakelijkheidsproblemen voor de patiënt, in dat geval artikel 462 - of een opdracht voor de uitvoering van een strijkkwartet. Een kwestie van interpretatie in een concreet geval is wanneer de opdracht is gegeven of aanvaard bijvoorbeeld op het briefpapier van een maatschap en de vraag rijst of de ondertekenende vennoot mede namens de anderen optreedt. Is de opdracht gezamenlijk verleend, dan verbindt lid 1 daaraan het gevolg van hoofdelijkheid - afdeling 6.1.2 is dan van toepassing. Lid 2 verbindt aan de gezamenlijk aanvaarde opdracht eveneens het gevolg van hoofdelijkheid, maar geeft de opdrachtnemers individueel - ook dus in de externe verhouding tot de opdrachtgever - de mogelijkheid zich te disculperen, dat wil zeggen: aan te tonen dat een tekortkoming hun niet in de zin van artikel 6:75 valt toe te rekenen. De opdracht kan op zeer verschillende wijzen eindigen - de meest voor de hand liggende is uiteraard de voltooiing, indien de aard zich voor voltooiing leent. Artikel 408 betreft de bevoegdheid tot opzegging: lid 1 die voor de opdrachtgever, lid 2 die door de opdrachtnemer. Lid 1 bepaalt dat de opdrachtgever te allen tijde, derhalve zonder opzegtermijn en ook vóórdat de opdracht is voltooid, tot opzegging bevoegd is. Ten opzichte van een ‘niet professionele’ opdrachtgever - dat wil zeggen: de natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt - is de bepaling van dwingend recht: te zijnen nadele kan daarvan niet worden afgeweken (artikel 413 lid 2); schadevergoeding, ook als de opzegging voor de opdrachtgever ongelegen komt, is hij daarvoor niet verschuldigd (lid 3) - ook deze bepaling is van dwingend recht (artikel 413 lid 1). Op de opzegging door de lastgever verklaart artikel 422 artikel 408 lid 1, in beginsel tot dwingend recht. Voor zover lid 1 regelend recht is, zal inachtneming van een opzegtermijn en ook schadevergoeding, zo zij al niet zijn overeengekomen, uit redelijkheid en billijkheid of uit de aard der overeenkomst kunnen voortvloeien; zie HR 2-6-1991, NJ 1991, 742. Zie voor de agentuurovereenkomst de artikelen 437 en 445. Heeft de opdrachtnemer een eigen belang bij voortzetting van de opdracht, dan kan de professionele opdrachtgever deze slechts om ernstige redenen intrekken: HR 16-12-1977, NJ 1978, 156, HR 28-11- 1980, NJ 1981, 444, en HR 27-4-1984, NJ 1984, 679. Over de opzeggingsbevoegdheid van de opdrachtnemer in het algemeen laat dit ontwerp zich niet uit. Het beperkt in lid 2 daarin alleen de professionele opdrachtnemer, zij het bij wege van regelend recht, tot een tweetal gevallen. Voor dat van gewichtige redenen zie onder andere artikel 402 lid 2. Bij het tweede geval, de overeenkomst voor onbepaalde duur die niet door volbrenging eindigt, denke men in het bijzonder aan opdrachten tot vermogensbeheer of het voeren van een administratie.

  2928. Artikel 409 lid 1 doet de overeenkomst van opdracht eindigen met de dood van een opdrachtnemer met het oog op wiens persoon zij is verleend, alsmede met de dood van de in artikel 404 bedoelde persoon. Lid 2 strekt ertoe dat de belangen van de opdrachtgever in zo'n geval niet te ernstig worden geschaad: de bepaling betekent een verruiming van het huidige recht. Zie de speciale bepaling van artikel 422 voor de lastgeving en die van artikel 438 voor de agentuurovereenkomst. 2024 -1055- No. 164

  2929. Artikel 410 Uit de aard van de overeenkomst tot opdracht zal in de regel volgen, of zij door de dood van de opdrachtgever een einde zal nemen. Dat zal in het bijzonder het geval zijn, indien de opdracht de persoon van de opdrachtgever rechtstreeks raakt, zoals een opdracht tot verzorging. Artikel 410 betekent dat de opdracht slechts eindigt door de dood van de opdrachtgever, als dat uit hun bewoordingen of aard voortvloeit. Zie artikel 422 voor lastgeving en artikel 438 voor de agentuurovereenkomst.

  2930. Artikel 411 geeft aan in welke gevallen het voortijdig einde van een opdracht recht op loon meebrengt, hoewel uit de overeenkomst voortvloeit dat loon slechts verschuldigd wordt door voltooiing van de opdracht of verstrijken van de overeengekomen tijd. Volgens lid 1 is de hoofdregel dan een beloning naar redelijkheid - een factor kan bijvoorbeeld zijn dat de opdrachtnemer andere opdrachten heeft moeten weigeren; voor de berekening zijn enige maatstaven aangegeven. Volgens lid 2 kan, als aan de gestelde vereisten is voldaan, ook recht bestaan op het volle loon. Blijkens artikel 413 lid 2 kan niet ten nadele van de niet professionele opdrachtnemer van artikel 411 worden afgeweken.

  2931. Artikel 412 bevat een bijzondere bepaling omtrent de verjaring van de vordering tot afgifte van stukken, in afwijking van de algemene bepaling van artikel 3:306. Blijkens artikel 413 lid 3, kan van het artikel slechts worden afgeweken, voor zover dat in het algemeen mogelijk is met betrekking tot wettelijke verjaringstermijnen, namelijk wel verkorting, niet verlenging en evenmin afstand vóór de voltooiing van de termijn (artikel 3:322 lid 3). Zie voorts voor verkorting bij algemene voorwaarden artikel 6:236, onderdeel g.

  2932. Artikel 413 is reeds behandeld bij de artikelen 408, 411 en 412, telkens waar het bepalingen daaruit tot dwingend recht verklaart. Zie artikel 3:40 lid 2. Afdeling 7.7.2 – Lastgeving Zoals in de inleiding op de toelichting op titel 7.7 reeds is aangestipt, komt de opdracht in de praktijk veel voor als overeenkomst die een opdrachtgever verbindt met een tussenpersoon. De complicatie die hieruit voortvloeit, is die van de verhouding tussen de opdrachtgever en de derde met wie de tussenpersoon ter uitvoering van zijn opdracht contact verkrijgt. Het klassieke type van zo'n relatie is vooral de lastgeving. Essentieel voor de lastgeving is blijkens artikel 414 dat de lasthebber zich verplicht tot het verrichten van een of meer rechtshandelingen voor rekening van de lastgever. Lastgeving is er slechts dan, wanneer de verplichting tot het verrichten van de rechtshandeling(en) hoofdbestanddeel van de opdracht is. Is er geen verplichting, doch slechts een bevoegdheid, of behoort het verrichten slechts incidenteel tot het uitvoeren van de overeengekomen hoofdtaak - de architect sluit contracten voor rekening van de opdrachtgever, de aannemer koopt materiaal voor rekening van de aanbesteder -, dan is er geen lastgeving, maar dan zijn, krachtens artikel 424, de bepalingen omtrent lastgeving zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

  2933. Artikel 414 geeft de hierboven genoemde kenmerken van de lastgeving weer. Veelal zal de lastgeving strekken tot het sluiten van overeenkomsten, doch zij kan ook het verrichten van eenzijdige rechtshandelingen, zoals een opzegging of ontbinding, inhouden. Lastgeving kan meebrengen de verplichting of bevoegdheid tot vertegenwoordiging: alsdan handelt de lasthebber met volmacht in naam van de lastgever en is tevens titel 3.3 van toepassing. Vandaar dat afdeling 7.7.2 mede op titel 3.3 is afgestemd; in het huidige recht lopen de bepalingen omtrent lastgeving en volmacht zelfs dooreen. Lastgeving komt echter zeer veel zonder volmacht voor. Zo handelt de commissionair op eigen naam - anders dan in het huidige Wetboek van Koophandel zijn aan hem geen bijzondere bepalingen in het ontwerp gewijd - zijn rechtspositie wordt geheel door de bepalingen van de afdelingen 7.7.1 en 7.7.2 omvat. 2024 -1056- No. 164 Als lastgeving zonder volmacht typeert HR 21-10-1983, NJ 1984, 254, en HR 28-10-1988, NJ 1989, 833, ook de zgn. cessie ter incasso. Ook daarbuiten kan de lastgeving inhouden dat de lasthebber in eigen naam rechten, ook vorderingsrechten, en bevoegdheden van de lastgever uitoefent (HR 3-5-1991, NJ 1992, 229).

  2934. Artikel 415 houdt dezelfde bepaling in als artikel 3:65 voor volmacht. Zie voorts, voor de aansprakelijkheid, artikel 407 lid 2. De artikelen 416 tot en met 418 geven alle regels voor gevallen waarin tussen lasthebber en lastgever een belangenconflict mogelijk is of zelfs voor de hand ligt, omdat de lasthebber een eigen belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling met een bepaald persoon, tegen een bepaalde prijs, op een bepaalde wijze, enz. Artikel 416 behandelt in dat opzicht de positie van de lasthebber die zelf als wederpartij van de lastgever optreedt (‘Selbsteintritt’), artikel 417 die van de lasthebber die tevens als lasthebber van een ander optreedt (‘twee heren dient’) en artikel 419 die van de lasthebber die anderszins een eigen belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling heeft. In beginsel zijn de bepalingen van regelend recht. Alle drie artikelen laten het optreden van de lasthebber toe, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van lastgever en lasthebber is uitgesloten, bijvoorbeeld wanneer koop of verkoop tegen beurs- of marktprijs geschiedt; artikel 3:68 bevat hetzelfde criterium voor de Selbsteintritt bij volmacht. Wanneer het vereiste niet is vervuld, staat de door de lasthebber tot stand gebrachte rechtshandeling in het geval van artikel 416 bloot aan vernietiging door de lastgever (‘kan’ - zie artikel 3:40 lid 2). In het geval van artikel 417 is de rechtshandeling wel geldig (‘mag’), doch verbeurt de lasthebber zijn recht op loon; deze sanctie komt naast eventuele schadevergoeding en is van dwingend recht. Dit geldt ook in het geval van artikel 418, tenzij de lasthebber zijn daar geformuleerde mededelingsplicht is nagekomen. Het verschil in sanctie is te verklaren doordat bij de rechtshandeling in het geval van artikel 416 slechts lastgever en lasthebber zijn betrokken, in het geval van artikel 417 en mogelijk artikel 418 ook een derde. Voorts beschermen de artikelen 416 lid 3 en 417 lid 2, de ‘particuliere’ lastgever nog op bijzondere wijze door in alle, door die artikelen bestreken gevallen, ook als een belangenconflict is uitgesloten, diens schriftelijke toestemming te verlangen. Ook hier is voor artikel 416 de sanctie vernietigbaarheid, voor artikel 417 verbeurte van loon.

  2935. Artikel 416 onderscheidt in de leden 1 en 2 twee gevallen van Selbsteintritt: in lid 1 is de lasthebber bevoegd tot vertegenwoordiging (krachtens volmacht) van de lastgever, en kan hij de overeenkomst als vertegenwoordiger van de lastgever met zichzelf als wederpartij sluiten, in lid 2 is hij niet tot vertegenwoordiging bevoegd en mag hij slechts op eigen naam handelen; in zo'n geval verbindt hij zichzelf - zij het voor rekening van de lastgever - aan zichzelf, doch lid 2 stelt het geval met dat van lid 1 gelijk.

  2936. Artikel 417 lid 1, dekt zowel het geval dat de lasthebber beide lastgevers of een van beiden vertegenwoordigt, als dat hij geheel op eigen naam handelt. Lid 4 richt zich tegen het berekenen van ‘dubbele’ provisie (of courtage - zie artikel 427) bij koop, huur en dergelijke van een onroerende zaak, als een van de lastgevers een particulier is: alsdan mag de lasthebber zijn loon slechts aan de verkoper of verhuurder in rekening brengen; de laatste zin laat een beding tot het berekenen de dubbele provisie of courtage alleen bij ‘kamerverhuur’ toe. In het bestaande recht is het tot arrest HR 11-3-1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter) betwist gebleven, hoe en op welke grond schadevergoeding ten behoeve van de lastgever zou kunnen worden gevorderd van een wederpartij van een door een lasthebber op eigen naam gesloten overeenkomst, indien die wederpartij in de nakoming van zijn verbintenis tekortschiet: de lastgever heeft met de wederpartij geen contractuele band en de schade komt niet voor rekening van de lasthebber die wel deze contractuele band heeft. In aansluiting aan het arrest kent artikel 419 alsdan de lasthebber de bevoegdheid toe om van de wederpartij ook vergoeding van de door de lastgever geleden schade te vorderen, voor zover die schade overeenkomstig de wet voor vergoeding in aanmerking komt. 2024 -1057- No. 164 Ook de artikelen 420 en 421 ondervangen door een wettelijke regeling problemen die kunnen ontstaan doordat bij een, door een lasthebber op eigen naam gesloten, overeenkomst een contractuele band tussen de lastgever en de wederpartij van de lasthebber, de derde, ontbreekt. In artikel 420 zijn dat de problemen die ontstaan wanneer de lasthebber zijn verplichtingen jegens de lastgever niet nakomt, of in staat van faillissement geraakt (lid 1), dan wel de derde jegens de lasthebber tekortschiet (lid 2), in artikel 421 die welke de derde ondervindt, wanneer de lasthebber jegens hem tekortschiet of in staat van faillissement geraakt. De lastgever kan dan in het geval van artikel 420 rechten van de lasthebber jegens de wederpartij op zich doen overgaan, de derde kan in het geval van artikel 421 rechten uit zijn overeenkomst met de lasthebber tegen de lastgever uitoefenen. In beide gevallen dient een en ander te worden ingeleid door een schriftelijke verklaring aan de beide andere betrokkenen. Het resultaat is in beide gevallen dat lastgever en derde over het hoofd van de lasthebber - en buiten diens faillissement om - rechtstreeks met elkaar te maken krijgen. De gedachte is ontleend aan een ontwerpverdrag van Unidroit inzake goederenvervoer met betrekking tot de rechtspositie van de expediteur. Nadat de lasthebber de overeenkomst met de derde heeft gesloten, kan hij tegenover de lastgever tekortschieten door diens prestatie niet op te eisen of aan de lastgever door te leveren, of door niet de vordering van artikel 419 in te stellen. Voor de levering van roerende zaken niet-registergoederen houde men, ook in geval van faillissement van de lasthebber, overigens rekening met artikel 3:110 dat bezit, en daarmee eigendom, rechtstreeks van de derde door aflevering aan de lasthebber op de lastgever doet overgaan. De overgang van de vorderingen op de lastgever krachtens artikel 420 is beperkt tot die welke voor overgang, in casu overdracht, vatbaar zijn; zie hiervoor mede artikel 3:83. Voor overgang vatbaar is ook een vordering op de derde tot nakoming waarvan deze bij rechterlijk vonnis is veroordeeld. Op de overgang zijn de bepalingen van afdeling 6.2.1 van toepassing; idem artikel 6:130. De bevoegdheid van de derde ex artikel 421 gaat niet zover dat de verbintenissen van de lasthebber op de lastgever overgaan - de lasthebber blijft naast de lastgever jegens de derde gebonden -, maar brengt wel mee dat de lasthebber, of de curator in diens faillissement, zijn daarmee corresponderende rechten jegens de lastgever niet meer kan uitoefenen.

  2937. Artikel 422 is een verbijzondering, en ook verscherping, van de artikelen 408, 410 en 409: behalve opzegging en overlijden van de lastgever en lasthebber worden ook hun faillissement en ondercuratelestelling als grond tot beëindiging van de last vermeld. Lid 2 bepaalt in hoeverre het lid 1 dwingend recht is; de tweede en derde zin vormen de parallel van het voor de onherroepelijke volmacht geldende artikel 3:74; zie ook artikel 423 lid 2. Voor het huidige recht heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 29-9-1989, NJ 1990, 307 beslist dat de lastgever, evenmin als de volmachtgever, zijn bevoegdheid om zelf te handelen verliest en dat een beding dat die bevoegdheid uitsluit, niet aan een derde kan worden tegengeworpen - de last heeft geen ‘privatieve werking’. Deze regel is echter te beperkend gebleken voor die gevallen waarin de last inhoudt het uitoefenen van zelfstandig beheer van een vermogen of vermogensbestanddelen - zoals bij auteursrechten - door een lasthebber op de wijze van een trust. Artikel 423, mede naar aanleiding van bovengenoemd arrest in Nederland tot stand gekomen, introduceert de mogelijkheid van een, ook aan derden-verkrijgers die ‘niet te goeder trouw’ zijn (artikel 3:11), tegen te werpen, privatieve werking van de last, voor zover die inhoudt dat de lasthebber op eigen naam optreedt. Van de mogelijkheid die artikel 423 lid 1 schept, zal in het bijzonder gebruik worden gemaakt bij collectief beheer, zoals van de hierboven genoemde auteursrechten en van effectenportefeuilles maar ook bijvoorbeeld van vakantiehuisjes (zie artikel 3:17 omtrent inschrijving in de openbare registers). Zodanig beheer vergt een zekere mate van duurzaam beleid, en met het oog daarop laat lid 2 bepaalde afwijkingen van artikel 422 voor het einde van de privatieve last toe.

  2938. Artikel 424 Zie de inleidende opmerkingen van de toelichting bij de onderhavige afdeling. 2024 -1058- No. 164 Afdeling 7.7 - Bemiddelingsovereenkomst De bemiddelingsovereenkomst is een van de vormen van de overeenkomst van opdracht aan een tussenpersoon. Typerende functies zijn die van makelaar en van handelsagent - zie voor de laatste de bijzondere bepalingen van afdeling 7.7.4. Karakteristiek is dat de bemiddelaar de overeenkomst tussen zijn opdrachtgever en een ander tot stand brengt, waarbij hij namens de opdrachtgever - in hoofdzaak - feitelijke handelingen verricht. Is hij ook bevoegd of verplicht in naam van zijn opdrachtgever de ‘bemiddelde’ overeenkomst te sluiten, dan is hij tevens diens gevolmachtigde, en is mede afdeling 7.7.2 van toepassing. Van de commissionair onderscheidt de makelaar en handelsagent zich doordat zij namens hun opdrachtgever handelen.

  2939. Artikel 425 omschrijft de vereisten van de bemiddelingsovereenkomst. Deze vereisten zijn reeds in hoofdzaak hierboven ter sprake gekomen. Het artikel voegt nog toe het element van het recht op loon van de bemiddelaar. Voor bemiddeling zonder recht op loon zouden de bepalingen van de artikelen 426 en 427 nauwelijks praktische betekenis hebben. De berekening van het loon van de bemiddelaar kan bij de overeenkomst op verschillende wijzen worden vastgesteld, bijvoorbeeld naar duur en zwaarte van de bemoeienissen; zie ook HR 2-2-1951, NJ 1951, 493, waarin toelaatbaar wordt geacht het beding dat loon is verschuldigd voor tijdens de opdracht gesloten overeenkomsten, ook indien ze niet door de makelaar zijn bemiddeld, en HR 23-12-1960, NJ 1961, 154.

  2940. Artikel 426 lid 1, stelt als regel bij gebreke van bedongen afwijking dat de bemiddelaar alleen recht op loon verkrijgt, indien en wanneer de bemiddelde overeenkomst tot stand komt (‘no cure, no pay’), ook wanneer het aan de opdrachtgever ligt dat zij niet wordt gesloten. Lid 2 geldt indien is bedongen dat het recht op loon daarvan afhankelijk is dat de bemiddelde overeenkomst niet slechts wordt gesloten, doch ook wordt uitgevoerd; het ‘tenzij’ geeft aan dat de bewijslast ter zake van de niet-toerekenbaarheid op de lastgever rust. De bepaling is voor de agentuurovereenkomst van dwingend recht.

  2941. Artikel 427 verklaart de artikelen 417 en 418 omtrent belangenverstrengeling bij de lastgeving van overeenkomstige toepassing op de bemiddeling - aldus bijvoorbeeld het verbod van ‘dubbele courtage’ op grond van artikel 417 lid 4.

  2942. Artikel 416 betreffende ‘Selbsteintritt’ wordt door het slot van artikel 427 niet van overeenkomstige toepassing verklaard - ‘Selbsteintritt’ wordt bij bemiddeling gebracht onder de regels van artikel 417 inzake het ‘dienen van twee heren’, zodat de sanctie niet is vernietigbaarheid van de gesloten ‘bemiddelde’ overeenkomst, maar alleen verbeurte van loon. Afdeling 7.7.4 - Agentuurovereenkomst De afdeling is in het Nederlandse recht op basis van een Benelux-modelwet van 1974 tot stand gekomen, en later gewijzigd naar aanleiding van een Richtlijn van de EG (PbEG/L 382/17) van 18-12-1986. De agentuur is een species van het genus opdracht, nader van de bemiddelingsovereenkomst, zodat de artikelen van de afdelingen 7.7.1 en 7.7.3 in beginsel van toepassing zijn. Is de handelsagent voorts bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten op naam en voor rekening van de principaal (artikel 428 lid 1, slot), dan is ook afdeling 7.7.2 inzake lastgeving in beginsel van toepassing, alsmede titel 3.3 inzake volmacht; bij deze samenloop is op het geval van Selbsteintritt artikel 416, en niet artikel 427, van toepassing. De handelsagent onderscheidt zich hierdoor dat hij zich voor een (bepaalde of onbepaalde) tijd aan zijn principaal verbindt tot bemiddeling, dat wil zeggen: in een zekere ‘vaste betrekking’ tot de principaal staat, zulks in tegenstelling tot bijvoorbeeld de makelaar. Van de commissionair onderscheidt hij zich in elk geval doordat hij wanneer hij overeenkomsten sluit, in naam van de principaal handelt. Degene die in eigen naam en voor eigen rekening goederen van een ander koopt en verkoopt, is geen agent (HR 20-1- 1956, NJ 1956, 335). Anders dan de handelsvertegenwoordiger (handelsreiziger) staat de handelsagent niet in dienst van de principaal. Voor wat betreft de handelsvertegenwoordiger – die wel een arbeidsovereenkomst heeft met de principaal – zie in titel 10 de artikelen 687 e.v. 2024 -1059- No. 164

  2943. Artikel 428 noemt de hierboven vermelde kenmerken, en voegt daaraan toe het element ‘tegen beloning’: de agentuurovereenkomst wordt gesloten in de sfeer van het bedrijfsleven, en een belangrijk aantal van de artikelen der afdeling heeft ook op de beloning betrekking (artikelen 431 tot en met 435, waarbij het normale loon als ‘provisie’ wordt aangeduid). Handelsagent kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn. De wet stelt geen vormvereisten voor de overeenkomst zelf, wél, namelijk de schriftelijke vorm, voor een beding waarbij de agent zich nakoming van het gesloten contract door de derde aansprakelijk stelt (artikel 429, leden 1 en 2) en een concurrentiebeding (artikel 443). Partijen zijn wederzijds verplicht hun wederpartij in een ondertekend geschrift de weergave van het contract te verschaffen (lid 3), maar dit stuk is noch een constitutief vereiste, noch heeft het enige bijzondere bewijskracht. Wel is het dwingend recht: artikel 445. In Nederland is, in het daar geldende lid 2, de overeenkomst van assurantiebemiddeling uitgesloten van de werkingssfeer van afdeling 7.7.4, omdat daar in de Wet Assurantiebemiddeling een speciale regeling omtrent de positie van de assurantiebemiddelaar is gegeven. Een dergelijke uitsluiting is in het ontwerp niet overgenomen. Bij een zgn. delcredere-beding stelt een tussenpersoon zich aansprakelijk voor verplichtingen die uit een door hem bemiddeld contract voor derden - wederpartij van zijn principaal - voortvloeien. Het ontwerp staat zodanige garanties toe, maar beperkt ze ter bescherming van de handelsagent tevens, een bescherming die in artikel 445 leidt tot het dwingend recht verklaren van de bepalingen van artikel 429. De bescherming uit zich in het volgende. In lid 1 wordt de schriftelijke vorm voor het beding vereist. Lid 2 doet de werking van het beding niet verder gaan dan aansprakelijkheid voor de gegoedheid van de derde, tenzij uitdrukkelijk schriftelijk anders is overeengekomen. Het maximum van de aansprakelijkheid is het bedrag van de provisie; alleen in twee gevallen - een bepaalde overeenkomst, dan wel de door hemzelf in naam van de principaal gesloten overeenkomsten - kan hij zich voor meer aansprakelijk stellen (lid 3). Ten slotte kent lid 4 aan de rechter een bijzondere matigingsbevoegdheid toe.

  2944. Artikel 430 behelst de algemene verplichtingen die de principaal, naast die tot loonbetaling, bij de agentuurovereenkomst op zich neemt. Zij bestaan in belangrijke mate uit inlichtingen- en mededelingsplichten (leden 2 tot en met 4). Ook artikel 430 is van dwingend recht (artikel 445). De artikelen 431 - 434 hebben betrekking op het recht van de handelsagent op provisie. Provisie is die beloning die afhankelijk is van de totstandkoming van overeenkomsten die door de handelsagent zijn bemiddeld (artikel 431, onderdeel a), of die anderszins binnen zijn horizon vallen. Zie voor andere beloning artikel 435. Normaal is het recht op provisie voor de overeenkomsten die (a) door de handelsagent zijn bemiddeld en (b) tijdens zijn relatie met zijn principaal zijn tot stand gekomen. Het onder a gestelde criterium wordt in artikel 431 lid 1, onderdelen b en c, uitgebreid, het onder b gestelde in artikel 431 lid 2. Van lid 2 kan door partijen niet worden afgeweken (artikel 445 lid 1). Lid 3 regelt de samenloop van provisierecht van een gewezen handelsagent met dat van zijn opvolger.

  2945. Artikel 432 sluit aan bij artikel 426. Lid 1 van dat artikel kent de bemiddelaar recht op loon toe, wanneer de bemiddelde overeenkomst is afgesloten. Geschiedt dit door de daartoe bevoegde handelsagent zelf, dan is er geen probleem, maar heeft de principaal zich de bevoegdheid tot het (al dan niet) sluiten voorbehouden, dan ontstaat er voor de agent onzekerheid, die niet te lang mag duren. Artikel 432 lid 1, treft hiervoor de nodige voorziening. De leden 2 en 3 van artikel 432 knopen aan bij artikel 426 lid 2 en behelzen een nadere regeling van het geval dat de provisie niet afhankelijk is gesteld van het totstandkomen van de overeenkomst, maar van de uitvoering daarvan. Hier wordt de handelsagent beschermd door een vormvoorschrift (artikel 432 lid 2) en tegen onzekerheid ter zake van de uitvoering met betrekking to het tijdstip waarop zijn recht op provisie ontstaat (artikel 432 lid 3). De leden 2 en 3 zijn krachtens artikel 445 dwingend recht – lid 1 daarvan betreft elke afwijking van artikel 431 lid 2, lid 2 afwijking van artikel 432 lid 3 ten nadele van de handelsagent. 2024 -1060- No. 164 De provisie zal dikwijls afhankelijk zijn van de in artikel 432 lid 3 bedoelde gedragingen van de principaal: heeft de agent geen volmacht, of is de provisie afhankelijk van de uitvoering van de overeenkomst, dan kan de agent niet zonder raadpleging van de principaal vaststellen of en wanneer hij recht op provisie heeft verkregen.

  2946. Artikel 433 legt in lid 1 daarom de principaal een, in beginsel maandelijkse, mededelingsplicht op en de volgende leden regelen een inzagerecht ten behoeve van de handelsagent. Zie voor het geldende recht reeds HR 28-2-1964, NJ 1964, 456, en HR 5-2-1971, NJ 1971, 222. Artikel 433 is dwingend recht (artikel 445 lid 1); de leden 2 en 3 zijn afgestemd op de rechterlijke organisatie in Suriname. Regelt artikel 426 j de artikelen 431 en 432 de verschuldigdheid van de provisie, artikel 434 bepaalt het tijdstip waarop deze uiterlijk opeisbaar wordt; van het artikel mag niet ten nadele van de handelsagent worden afgeweken (artikel 445 lid 2). Ontstaat het recht op provisie voor de handelsagent door totstandkoming van de ‘bemiddelde’ overeenkomst, of eventueel haar uitvoering, artikel 435 heeft het oog op de situatie waarin er geen overeenkomst tot stand komt, of in aanzienlijk geringere mate dan mocht worden verwacht. De handelsagent krijgt daarvoor, in plaats van provisie, recht op een beloning als de situatie is ontstaan door oorzaken die aan de schuld van de principaal zijn te wijten of voor zijn persoonlijk of bedrijfsrisico komen. Lid 2 stemt de maatstaf voor de beloning mede af op de in het verleden verdiende provisie, zo deze er is. De artikelen 436 tot en met 440 regelen enige gevallen van het einde van de agentuurovereenkomst; de wettelijke regels zijn vergelijkbaar met die betreffende het einde van een arbeidsovereenkomst.

  2947. Artikel 436 Voortzetting van een agentuurovereenkomst voor bepaalde tijd heeft als gevolg omzetting in een onbepaalde tijd, die door opzegging overeenkomstig artikel 437 kan worden beëindigd.

  2948. Artikel 437 regelt de opzegging van agentuurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, alsmede die voor bepaalde tijd, indien het opzeggingsrecht is bedongen; is dit laatste niet het geval, dan eindigen die voor bepaalde tijd tussentijds slechts overeenkomstig de artikelen 438 tot en met 440, indien geen andere wijze van beëindiging is overeengekomen. Het artikel regelt voorts de opzeggingstermijn, in lid 2 bij wijze van dwingend recht (artikel 445 lid 1). De dood van de handelsagent doet, om voor de hand liggende redenen, in de regel de agentuurovereenkomst eindigen, de dood van de principaal niet: artikel 438 lid 1, respectievelijk lid 2, dat de erfgenamen een opzeggingsrecht verleent, bijvoorbeeld voor het geval zij de onderneming van de principaal niet voortzetten. Zie voorts de artikelen 409 lid 2 en 410 lid 2.

  2949. Artikel 439 regelt de gevolgen van zgn. onregelmatige opzegging op een wijze die goeddeels is ontleend aan de artikelen 1615o e.v.: de onregelmatige opzegging is niet ongeldig, maar, tenzij zij wordt gerechtvaardigd door de instemming van de wederpartij of door een dringende reden, verplicht tot schadeloosstelling. Een dringende reden kan zijn gegrond op aan de wederpartij verwijtbaar gedrag (zie bijvoorbeeld HR 10-1-1992, NJ 1992, 576), maar noodzakelijk is dit niet. Zie voor de hoogte der schadeloosstelling artikel 441. Het artikel bevat dwingend recht: artikel 445 lid 1.

  2950. Artikel 440 Evenals de arbeidsovereenkomst, kan ook de agentuurovereenkomst eindigen door rechterlijke ontbinding wegens gewichtige redenen. De arbeidsrechtelijke maatstaven zijn overeenkomstige toepassing. Op de schadeloosstelling van lid 2 is artikel 441 van toepassing. Het artikel behelst dwingend recht: artikel 445 lid 1. 2024 -1061- No. 164 De artikelen 441 tot en met 444 regelen nog enige bijzondere rechtsgevolgen die aan het einde der agentuurovereenkomst kunnen zijn verbonden. Artikel 441 omtrent de hoogte der schadeloosstelling is goeddeels aan het arbeidsrecht ontleend. Het artikel houdt in een wettelijke fixatie in de gevallen van de artikelen 439 en 440 lid 2, maar deze kan overeenkomstig lid 3 worden vervangen door volledige vergoeding van schade; anderzijds behelst lid 2 een rechterlijke matigingsbevoegdheid, indien de gefixeerde schadeloosstelling bovenmatig uitpakt, bijvoorbeeld bij vroege tussentijdse opzegging van een langdurig contract. Wegens de wisselvalligheid, eigen aan provisie, is het loon hier niet een vaste maatstaf - wel dient daarmee rekening te worden gehouden.

  2951. Artikel 441 is krachtens artikel 445 lid 1 van dwingend recht.

  2952. Artikel 442 geeft de handelsagent bij het einde van zijn overeenkomst met de principaal recht op een ‘klantenvergoeding’, mits is voldaan aan de daartoe in lid 1 gestelde vereisten. Daarbij is onverschillig hoe de overeenkomst haar einde bereikt. De klantenvergoeding is geen schadevergoeding - voor het recht erop is irrelevant of daarnaast ook recht op schadevergoeding bestaat. Het eerste criterium dat van belang is, is dat de agent door zijn in lid 1 onderdeel a omschreven werkzaamheden voor de principaal een duurzaam, over het einde der overeenkomst reikend, aanzienlijk financieel profijt heeft geschapen. Komt de overeenkomst tot een eind doordat de principaal zijn zaak sluit en deze niet door een ander wordt voortgezet, dan bestaat geen recht op de vergoeding. Anderzijds verhindert de beëindiging door de dood van de agent niet het bestaan van het recht, dat dan op zijn erfgenamen overgaat. De vergoeding vindt haar rechtvaardiging daarin dat veelal de agent bij het voortduren van de overeenkomst nog profijt zou kunnen trekken van de door zijn eerdere werkzaamheden opgebouwde klantenkring en die mogelijkheid hem door het eindigen van de overeenkomst ontgaat (HR 2-3-1990, NJ 1991, 50, en HR 10-1-1992, NJ 1992, 576). Derft de agent geen provisie, dan kan dit aan het recht op (volledige) vergoeding in de weg staan, ook al zijn de voorwaarden van lid 1 vervuld (zie het arrest van 2- 3-1990). De vergoeding kan worden gematigd als de billijkheid dat meebrengt, bijvoorbeeld omdat de agent zelf ook profiteert door klandizie ‘mee te nemen’; negatieve ontwikkeling van de omzet na de beëindiging daarentegen is geen aanleiding tot bijstelling (HR 6-12-1991, NJ 1992, 176). Voor de hoogte van de vergoeding geven lid 1 onderdeel b en lid 2 enige maatstaven. Lid 4 geeft regels met uitzonderingen omtrent omstandigheden waaronder geen recht op de vergoeding bestaat. Lid 3 bindt de aanspraak op een vergoeding aan een vervaltermijn. Ten nadele van de handelsagent kan van artikel 442 niet worden afgeweken, zolang de overeenkomst nog niet tot een eind is gekomen: artikel 445 lid 2.

  2953. Artikel 443 beperkt de geldigheid, reikwijdte en werkingsduur van een concurrentiebeding ten laste van de handelsagent, alsmede het beroep dat de principaal erop kan doen, op verschillende wijzen. Het beding is slechts geldig, voor zover het op schrift is gesteld (lid 1 onderdeel a). De reikwijdte is beperkt in lid 1 onderdeel b, de werkingsduur in lid 2. Lid 3 ontzegt de principaal een beroep op het beding in een drietal gevallen, waarin de principaal enig verwijt treft voor de beëindiging der agentuurovereenkomst. Lid 4 ten slotte kent de rechter de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het concurrentiebeding, op verzoek van de agent, toe bij onevenredige benadeling van diens belang.

  2954. Artikel 445 lid 1 verklaart het artikel tot dwingend recht.

  2955. Artikel 444 bindt de rechtsvorderingen uit de artikelen 439 (leden 1 en 3) en 440 (lid 1tot en met 3) aan een korte verjaringstermijn van één jaar. Krachtens artikel 444 kan hiervan niet bij overeenkomst worden afgeweken, ook niet, zoals anders bij verjaring het geval pleegt te zijn, ter verkorting van de termijn.

  2956. Artikel 445 wijst de artikelen aan die van dwingend (lid 1) of van semi-dwingend (lid 2) recht zijn. Hiertoe behoort een viertal algemene artikelen uit afdeling 7.4.1 en verder een reeks uit afdeling 7.4.4 zelf. In de toelichting op die artikelen is op artikel 445 reeds gewezen. Zie voor de gevolgen artikel 3:40 lid 2. 2024 -1062- No. 164 Afdeling 7.4.5 - De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling De regeling draagt in hoge mate het karakter van patiëntenbescherming - vandaar dat van haar bepalingen niet ten nadele van de patiënt kan worden afgeweken (artikel 468). Zo heeft deze recht op voorlichting over het medisch onderzoek en de behandeling (artikel 448), is zijn toestemming voor de verrichtingen in beginsel vereist (artikel 450), heeft hij recht op inzage in en afschrift van gegevens uit zijn medisch dossier (artikel 454) en wordt zijn persoonlijke levenssfeer beschermd (artikelen 457 tot en met 459). In het belang van de patiënt is ook dat het ziekenhuis waar hij een behandeling ondergaat, jegens hem voor tekortkomingen aansprakelijk is, onafhankelijk van de vraag of deze zijn toe te rekenen aan personen voor wie het dat ook volgens de algemene regels van wanprestatie of onrechtmatige daad zou zijn (artikel 462). Bijzondere regels zijn er ook voor de rechtspositie van minderjarigen (artikel 447, artikel 448 lid 1, tweede volzin, artikel 450 lid 2, artikel 465) en voor die van personen die tot een redelijke waardering van hun belangen niet in staat kunnen worden geacht (artikel 450 lid 3, artikel 465). De bepalingen van de afdeling zijn van overeenkomstige toepassing, wanneer aan de behandeling niet de in de afdeling bedoelde overeenkomst ten grondslag ligt, doch bijvoorbeeld derdenbeding of zaakwaarneming, dan wel een bijzondere rechtsverhouding als die welke tot behandeling van bijvoorbeeld militairen of gevangenen leidt (artikel 464).

  2957. Artikel 446 lid 1, biedt een omschrijving van de overeenkomst van geneeskundige behandeling - de behandelingsovereenkomst - tussen de opdrachtgever en de ‘hulpverlener’, de laatste handelend in de uitoefening van zijn geneeskundig beroep of bedrijf, als partijen, ter ‘behandeling’ van een ‘patiënt’, al dan niet de opdrachtgever zelf. Het is mogelijk dat voor één behandelingscomplex meer dan één behandelingsovereenkomst wordt gesloten, bijvoorbeeld met het ziekenhuis waar de behandeling zal plaatsvinden en met de specialisten die haar zelfstandig, niet in dienst van het ziekenhuis, althans ten dele zullen uitvoeren; ingevolge artikel 462 is het ziekenhuis ook voor dit laatste aansprakelijk. Onder het begrip hulpverlener vallen uiteraard de arts en de tandarts, maar ook de verloskundige, de verpleegkundige, de psychotherapeut en de fysiotherapeut. Lid 2 omschrijft wat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst - de behandeling - moet worden verstaan. Onderdeel a omvat de normale medische behandeling met hetgeen daarbij behoort voor onder andere onderzoek, maar ook de medische keuring, dat wil zeggen de beoordeling van de gezondheidstoestand van de patiënt, waarvan lid 5 echter uitzondert de keuring die in opdracht van een ander zoals een verzekeraar of een werkgever wordt verricht. De bepalingen van de afdeling zijn daarop wel krachtens artikel 464 van overeenkomstige toepassing, doch slechts voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet, en met inachtneming van de bijzondere regels van lid 2 van dat artikel.

  2958. Artikel 446 lid 2 onderdeel b voegt aan de in onderdeel a omschreven handelingen toe handelingen die, buiten een behandeling in strikte zin, in de uitoefening van een medisch beroep worden verricht, zoals het afnemen van bloed ten behoeve van een bloedtransfusiedienst en het adviseren in verband met zwangerschapspreventie. Lid 3 breidt het begrip ‘handelingen’ uit tot verzorging en materiële voorzieningen die, zoals in een ziekenhuis, bij de behandeling worden verschaft. Onder geneeskundige handelingen wordt begrepen het verschaffen van geneesmiddelen door arts of ziekenhuis, maar lid 4 sluit uit de medicijnen die door een zelfstandig gevestigde apotheker worden verschaft. Het ontwerp wijkt hier redactioneel af van de Nederlandse tekst, die hier naar Nederlandse wetgeving verwijst. Ingevolge artikel 447 zijn kinderen van zestien en zeventien jaar handelsbekwaam wat betreft de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de vergrote mondigheid van jeugdigen in medische aangelegenheden. 2024 -1063- No. 164 De artikelen 448 en 449 regelen het patiëntenrecht op inlichtingen omtrent onderzoek, behandeling en gezondheidstoestand, alsmede omtrent de ontwikkelingen daarin. De leden 2 en 3 van de artikelen 448 en 449 geven richtlijnen bij de afweging van de belangen tussen weten en niet weten. In gevallen van besmettelijkheid, invloed op de rijvaardigheid en dergelijke kan daarbij ook het algemeen belang zijn betrokken.

  2959. Artikel 450 vereist in beginsel de toestemming van de patiënt voor verrichtingen ter behandeling. Lid 2 bevat een bijzondere voorziening voor minderjarigen tussen 12 en 16 jaar (zie artikel 447): naast hun eigen toestemming is in beginsel die van hun ouders of voogd vereist. Van die extra toestemming kan worden afgezien, als het kennelijk ernstig belang van de patiënt of diens weloverwogen wil zich tegen weigering van die toestemming verzet. Lid 3 verplicht rekening te houden met aanwijzingen van een patiënt tot weigering van een behandeling die deze vooraf heeft gegeven; men denke hierbij onder meer aan patiënten die, wanneer over een behandeling moet worden beslist, in coma zijn geraakt. Bij de toepassing van zowel lid 2 als lid 3 kan belangenafweging aan de orde zijn. Zie voor de positie van minderjarigen beneden 12 jaar en voor enige andere vergelijkbare gevallen artikel 465.

  2960. Artikel 451 geeft de patiënt het recht schriftelijke vastlegging van de door de hem verleende toestemming te verlangen.

  2961. Artikel 452 verplicht de patiënt tot het geven van inlichtingen en het verlenen van medewerking. Niet- nakoming daarvan kan de oorzaak zijn dat de hulpverlener geen tekortkoming kan worden verweten en dat hij een gewichtige reden heeft tot opzegging van de overeenkomst.

  2962. Artikel 453 verbijzondert de in artikel 401 neergelegde ‘zorgplicht’ van de opdrachtnemer. De artikelen 454 tot en met 456 betreffen het medisch dossier dat de hulpverlener met betrekking tot de patiënt moet inrichten, en de daarbij behorende bescheiden. Gebleken is dat het niet wenselijk is een vaste bewaartermijn te stellen ten aanzien van medische dossiers. De Nederlandse Gezondheidsraad heeft gewezen op recente ontwikkelingen in de geneeskunde. Zo zijn ziekten waaraan mensen vroeger kwamen te overlijden niet zelden nu behandelbaar, maar wel moet men dan vaak levenslang rekening houden met een verhoogd risico opnieuw ziek te worden. Bij steeds meer aandoeningen blijkt een erfelijke factor een rol te spelen. Familieleden van de patiënt kunnen er dan belang bij hebben dat gegevens over eerdere ziektegeschiedenissen in de familie niet al na tien jaar worden vernietigd. Verder is er meer inzicht in en aandacht voor diverse correlaties tussen eerder doorgemaakte ziektes of ondergane behandelingen en de kans op later in het leven optredende aandoeningen. Zowel voor onderzoek daarnaar als voor verdere zorg aan patiënten die blootgesteld zijn geweest aan behandelingen waarvan latere complicaties aan het licht zijn gekomen, is het van belang dat medische gegevens langer dan tien jaar worden bewaard, aldus de Nederlandse Gezondheidsraad. In Nederland heeft zulks voorlopig geleid tot de wet van 22 december 2005, Stb. 29, waarin, in afwachting van een definitieve regeling, de bestaande termijn van tien jaar is verlengd tot vijftien jaar; inmiddels bestaat in Nederland het voornemen om geen vaste termijn meer te stellen. Het onderhavige voorstel houdt in dat geen vaste termijn geldt. De hulpverlener bewaart het dossier zo lang als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit. De patiënt heeft het recht vernietiging van de bescheiden te verlangen (artikel 455); een uitzondering wordt in artikel 455 lid 2 gemaakt voor bescheiden die van aanmerkelijk belang kunnen zijn voor een ander dan de patiënt, zoals de hulpverlener zelf of nakomelingen van de patiënt, indien deze aan een erfelijke ziekte lijdt.

  2963. Artikel 456 geeft de patiënt recht op inzage in en afschriften uit het dossier, ook die betreffende onderwerpen waaromtrent hem op grond van artikel 448 lid 3, inlichtingen zijn onthouden. Wel kunnen inzage en afschrift worden geweigerd met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de patiënt. Tot het medisch dossier worden niet gerekend aantekeningen die de hulpverlener voor eigen gebruik heeft gemaakt. 2024 -1064- No. 164 De artikelen 457 tot en met 459 strekken tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt. Dit uitgangspunt brengt mee dat de hulpverlener in beginsel aan derden geen mededelingen omtrent de patiënt zonder toestemming mag verstrekken; aldus artikel 457 lid 1. De tweede zin van dit lid beoogt te beletten dat bij het verstrekken van inlichtingen omtrent de patiënt ook de persoonlijke levenssfeer van een ander wordt geschaad. Op het beginsel van artikel 457 lid 1 formuleert het ontwerp een aantal uitzonderingen. In de eerste plaats wordt herinnerd aan artikel 448 lid 3, tweede zin. Vervolgens noemt artikel 457 in lid 2 degenen, zoals het verplegend personeel en leden van een operatieteam, of ook degenen aan wie bijvoorbeeld in een ziekenhuis het feitelijk beheer van de medische dossiers is toevertrouwd, die direct bij de behandeling zijn betrokken, alsmede een vervanger, als personen ten aanzien van wie het verbod niet geldt, en in lid 3 degenen wier toestemming op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist, deze laatsten echter binnen de grenzen van de, in artikel 453 opgelegde, zorgplicht; nakoming van deze laatste kan er zich bijvoorbeeld tegen verzetten dat aan ouders mededelingen over bepaalde aspecten van een psychiatrische behandeling worden gedaan.

  2964. Artikel 458 behelst een uitzondering op het beginsel van artikel 457 lid 1, voor doeleinden van statistiek en wetenschap. Deze uitzondering heeft niet betrekking op het verstrekken van gecodeerde gegevens die niet tot de persoon van de patiënt kunnen worden herleid: zulke gegevens vallen niet onder de norm van artikel 457 lid 1. Onder bepaalde waarborgen laat artikel 458 de verstrekking van, althans theoretisch, herleidbare patiëntengegevens toe, indien dat een algemeen belang dient, het onderzoek zonder die gegevens niet kan worden uitgevoerd en de patiënt niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt lid 2). Lid 1 omschrijft dan de beide gevallen waarin zonder toestemming van de patiënt de gegevens mogen worden verstrekt: a. het vragen van de toestemming is redelijkerwijs niet mogelijk en er zijn voldoende waarborgen dat het belang van de patiënt niet onevenredig wordt geschaad - men denke aan een zgn. retrospectief onderzoek op grote schaal; b. het vragen van toestemming kan redelijkerwijs niet worden verlangd, vooral vanwege het grote aantal personen wier gegevens in het onderzoek worden betrokken, en herleiding tot de persoon wordt door de vorm van verstrekking, in het bijzonder indien deze niet op naam geschiedt, redelijkerwijs voorkomen.

  2965. Artikel 459 schrijft voor dat de medische handelingen ten aanzien van de patiënt niet zonder diens toestemming onder de ogen of binnen het bereik van derden worden verricht.

  2966. Artikel 460 geeft voor de hulpverlener de regel van artikel 408 lid 2 weer, artikel 461 de regel van artikel 405 lid 1, waarbij rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld een ziektekostenverzekering. Indien een fout is gemaakt tijdens een behandeling in een ziekenhuis, is het voor een patiënt (of zijn nabestaanden) niet zelden moeilijk uit te zoeken wie voor de fout aansprakelijk is, het ziekenhuis zelf - vooral wegens aansprakelijkheid voor zijn personeel - of een of meer personen die op basis van een andere overeenkomst dan arbeidsovereenkomst of opdracht in het ziekenhuis werkzaam zijn; vgl. HR 31-5-1968, NJ 1968, 323. Artikel 462 heeft de strekking de patiënt hierin te hulp te komen door het ziekenhuis (hoofdelijk) medeaansprakelijk te stellen, (ook) als het zelf geen partij bij de behandelingsovereenkomst is. De aldus opgelegde aansprakelijkheid is van contractuele aard, en brengt de aansprakelijkheid voor hulppersonen volgens artikel 6:76 en voor gebruikte zaken, zoals apparatuur en medicijnen volgens artikel 6:77 mee. (Voor gebreken in deze zaken, waarvoor niet het ziekenhuis, maar in beginsel de producent, aansprakelijk is, zie voorts de regels omtrent de productenaansprakelijkheid van afdeling 6.3.3). Op het ziekenhuis rusten niet de primaire verplichtingen tot het geven van inlichtingen, het inrichten van een medisch dossier enz., als het zelf geen partij bij de overeenkomst is, maar ook voor tekortkomingen in de nakoming daarvan is het ziekenhuis mede aansprakelijk. Een nadere bepaling van hetgeen onder een ziekenhuis moet worden verstaan, zoals in artikel 7:462 van het Ned. BW - onder verwijzing naar Nederlandse gezondheidswetgeving - is geschied, is niet mogelijk gebleken. Het begrip moet, gelet op de strekking van artikel 462, ruim worden uitgelegd; men denke bijvoorbeeld mede aan verpleeginrichtingen en kraamklinieken. 2024 -1065- No. 164

  2967. Artikel 463 verklaart wegens de aard der aansprakelijkheid exoneratiebedingen ongeldig.

  2968. Artikel 464 is in deze memorie al ter sprake gekomen in de inleidende opmerkingen bij deze afdeling en bij artikel 446 lid 2, slot. Men denke ook in het bijzonder aan de rechtsverhouding tussen de hulpverlener en degene die bewusteloos bij hem of in een ziekenhuis wordt binnengedragen. De wettelijke bepalingen omtrent de behandelingsovereenkomst zijn op alle hier bedoelde verhoudingen van overeenkomstige toepassing, behalve voor zover de aard van die verhouding zich daartegen verzet. Voor de keuring die niet in opdracht van de ‘keurling’ geschiedt, behelst lid 2 nog enkele bijzondere bepalingen. Het ontwerp kent de patiënt een aantal bevoegdheden toe, afhankelijk van de vraag of hij het zelf is die de behandelingsovereenkomst heeft gesloten. In de artikelen 447, 448 en 450 is rekening gehouden met de bijzondere positie van minderjarigen in deze: minderjarigen vanaf 16 jaar worden hier op één lijn gesteld met meerderjarigen, minderjarigen tussen 12 en 16 jaar nemen een tussenpositie in en aan de positie van kinderen beneden 12 jaar wordt bij het recht op inlichtingen in artikel 448 lid 1, tweede zin, bijzondere aandacht geschonken. Met inachtneming van deze nuanceringen zal de hulpverlener zijn verplichtingen uit het ontwerp in beginsel moeten nakomen jegens de patiënt, onafhankelijk van de vraag of deze de behandelingsovereenkomst zelf heeft gesloten.

  2969. Artikel 465 geeft de uitzondering voor twee groepen, die hierboven reeds ter sprake kwamen, namelijk de kinderen beneden 12 jaar en de ouderen die niet tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Voor de eerste groep ligt de regeling in lid 1 voor de hand - de hulpverlener moet zijn verplichtingen nakomen jegens de wettelijke vertegenwoordiger(s), voor zover die verplichtingen niet de directe zorg voor de patiënt zelf aangaan. Ook de regeling in lid 2 voor de tweede groep, voor zover die een wettelijk vertegenwoordiger of mentor overeenkomstig Titel 20 van Boek 1 heeft, ligt voor de hand. Voor zover er geen zodanige vertegenwoordiger of mentor is, zoekt lid 3 een oplossing naar gelang van de omstandigheden, waarbij optreden bij wege van zaakwaarneming overigens niet is uitgesloten. Of iemand tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht, hangt van de omstandigheden van het geval en van de aard van de verplichting van de hulpverlener af, en zal in eerste instantie door deze laatste moeten worden beoordeeld. De hulpverlener is in beginsel aan de wilsuitingen van de in de leden 1 tot en met 3 bedoelde personen gebonden, maar heeft ook zijn eigen verantwoordelijkheid, waarop hij zich krachtens lid 4 kan beroepen. In aansluiting op artikel 465 noemt artikel 466 lid 1 het geval van noodtoestand waarin van de toestemming van een persoon als bedoeld in artikel 465, moet worden afgezien. Zo'n toestand doet zich voor als de patiënt niet bij machte is tot een redelijke waardering van zijn belangen, bijvoorbeeld omdat hij bewusteloos is, een ingreep in zijn belang dwingend nodig is, en een persoon als bedoeld in artikel 465 niet tijdig kan worden opgespoord. Lid 2 voegt aan lid 1 toe een vermoeden van toestemming van de patiënt zelf of van een persoon als bedoeld in artikel 465 voor het geval van een lichte ingreep. Het gebruik van afgescheiden lichaamsmateriaal voor medisch-wetenschappelijke doelen behoeft volgens artikel 467 in beginsel geen toestemming van de patiënt of van een der andere in de artikelen 450 of 465 genoemde personen. In het bijzonder in het belang van de patiënt wordt in artikel 468 de afdeling tot dwingend recht verklaard; daaraan worden de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 toegevoegd. Zie voor de sanctie artikel 3:40 lid 2. 2024 -1066- No. 164 TITEL 9 - BEWAARNEMING De titel komt in de plaats van de Elfde Titel van het Derde Boek van het huidige BW. De derde afdeling daarvan - Van sequestratie en derzelver verschillende soorten - keert in het nieuwe BW niet terug; zie nog slechts artikel 605 lid 2, tweede zin. In de artikelen 794 tot en met 797f van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is thans een regeling omtrent de gerechtelijke bewaring opgenomen. Ook vele andere bepalingen uit de Elfde Titel kunnen vervallen, hetzij omdat ze geen betekenis hebben of verouderd zijn - zoals het onderscheid tussen vrijwillige bewaargeving en bewaargeving uit noodzaak - of omdat hun regeling elders, in Boek 3 of 6 in het bijzonder, is te vinden. Titel 7.9 bevat geen bepalingen van dwingend recht. In het thans geldende wetboek draagt de overeenkomst de naam ‘bewaargeving’ en is zij van karakter een zgn. reëel contract, dat wil zeggen: dat de overeenkomst tot stand komt doordat de bewaargever de te bewaren zaak aan de bewaarnemer ter bewaring overgeeft, waartegenover de bewaarnemer zich tot bewaring en teruggave verbindt. In het ontwerp wordt de overeenkomst ‘bewaarneming’ genoemd, om te doen uitkomen dat uit haar in de eerste plaats voor de bewaarnemer verplichtingen voortvloeien. Ook in de nieuwe opzet rust op de bewaargever geen verbintenis om de zaak ook feitelijk in bewaring te geven, maar de overeenkomst is ook geldig als de ‘bewaargever’ dat in feite niet doet, en is daarom ook niet langer een reëel contract. Zie de toelichting bij artikel 600.

  2970. Artikel 600 De bewaarnemer neemt de verbintenissen tot bewaring en teruggaaf van een - roerende of onroerende - zaak op zich, welke hem is of zal worden toevertrouwd door zijn wederpartij, de bewaargever. De bewaargever verbindt zich echter niet tot het in bewaring geven. Geeft hij uiteindelijk geen zaak in bewaring, dan schendt hij derhalve geen verbintenis, maar hij verhindert dan de bewaarnemer wel in de nakoming van diens verbintenis, en pleegt derhalve schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58. De eventuele verbintenissen die uit artikel 601 voortvloeien - loon en vergoeding van kosten, bijvoorbeeld wegens het reserveren van bewaarruimte - blijven dan ook op hem rusten. De overeenkomst strekt tot bewaring en teruggaaf van een individueel bepaalde zaak - in die zin is ‘bewaargeving’ van geld en andere vervangbare zaken, zoals effecten, waarvoor de ‘bewaarnemer’ andere zaken mag teruggeven, niet een overeenkomst als bedoeld in artikel 600; op zo'n overeenkomst zijn de bepalingen van verbruikleen van toepassing. Anders is dat echter bij bewaargeving - opslag - van zaken waarvoor een ceel wordt afgegeven, die recht geeft op uitlevering van de opgeslagen zaken of aan een aandeel in de opgeslagen voorraad - zie artikel 607. Onder de omschrijving van artikel 600 valt niet de verhuur van een ruimte die de huurder voor opslag van zijn goederen kan gebruiken. De verplichting inzake de verschuldigdheid van loon en de eventuele berekening daarvan is in artikel 601, Leden 1 en 2, op dezelfde wijze geformuleerd als die voor de opdracht in artikel 405. Lid 3 bevat een bepaling omtrent de verplichting van de bewaargever tot vergoeding van de kosten van bewaring en van de schade door bewaring; de aansprakelijkheid voor deze schade - bijvoorbeeld ontploffing of vervuiling - is een risicoaansprakelijkheid, voor zover de schade niet aan de bewaarnemer is toe te rekenen.

  2971. Artikel 602 is een toepassing van artikel 6:27. Welke zorg is vereist, hangt van de omstandigheden af. Aan een professionele bewaarder zal men hogere eisen stellen dan aan een particuliere bewaarnemer. Dieren en planten hebben verzorging nodig, enz.

  2972. Artikel 603 bepaalt in lid 1 wanneer de bewaarnemer bevoegd is tot gebruik van de zaak en in lid 2 wanneer hij tot onderbewaargeving bevoegd is. Met lid 1 wordt enige verruiming gebracht ten opzichte van het huidige recht. Wat betreft lid 2 vergelijke men HR 16-3-1951, NJ 1951, 676. In dit arrest wordt de regeling van de aansprakelijkheid van de bewaarnemer/onderbewaarnemer gekoppeld aan het onderscheid tussen bevoegde en onbevoegde onderbewaargeving. Lid 3 van artikel 603 maakt dit onderscheid voor de aansprakelijkheid niet, maar geeft een algemene regel voor zowel bevoegde als onbevoegde onderbewaargeving, met één uitzondering. 2024 -1067- No. 164 Uit artikel 604 vloeit voort dat de bewaarnemer, behoudens afwijking op grond van een beding of de aard der overeenkomst (of eventueel van redelijkheid en billijkheid), geen recht op de vruchten heeft.

  2973. Artikel 605 betreft de teruggave. Lid 2 geeft de kantonrechter desverzocht de bevoegdheid de bewaring te verkorten of te verlengen, hetgeen door hem te regelen financiële consequenties kan hebben.

  2974. Artikel 606 verklaart de verbintenissen van twee of meer bewaarnemers die zich tezamen hebben verbonden tot hoofdelijk, zodat de bepalingen van de artikelen 6:6 e.v. van toepassing zijn. Disculpatie voor tekortkomingen is mogelijk, doch ook dan slechts voor zover deze allen geldt; vgl. het in dit opzicht ruimere artikel 407 lid 3. Als ceel geldt een verhandelbaar papier dat recht geeft op uitlevering van in bewaring genomen zaken (niet registergoederen) aan de regelmatige houder van het papier. Artikel 607 bevestigt de ook thans gehuldigde opvatting dat zij een waardepapier is, met zakenrechtelijk gevolg, dat wil zeggen: dat als rechthebbende op de goederen geldt de rechthebbende op het papier; zie ook de toelichting bij artikel 3:93 en 3:96. Artikel 3:86 beschermt de verkrijger van de ceel die haar te goeder trouw heeft verkregen, ook van een dief of diens rechtsopvolger (zie artikel 3:86 lid 3, onderdeel b). Het artikel geldt ook voor een papier als een ‘delivery-order’, die recht geeft op een deel van in bewaring gegeven zaken, maar niet voor gewone ontvangstbewijzen, die wel de houder kunnen legitimeren, maar niet het recht op de goederen zelf vertegenwoordigen. Zie voorts HR 10-2-1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex).

  2975. Artikel 608 noemt een drietal gevallen waarin een bewaarnemer of onderbewaarnemer buiten de door hem gesloten overeenkomst door een derde wordt aangesproken en waarbij hij dan de bewaarnemingsovereenkomst - ook als die niet door hem, namelijk als onderbewaarnemer, is gesloten - met haar eventuele aansprakelijkheidsbeperkingen kan tegenwerpen. Lid 1 veronderstelt een vordering van de bewaargever op een onderbewaarnemer - eventueel een wederpartij van een persoon die zelf ook onderbewaarnemer is. De bewaargever kan de onderbewaarnemer niet uit diens contract aanspreken, indien niet te zijnen behoeve een derdenbeding is gesloten, en hij heeft evenmin tegenover de onderbewaarnemer een vordering uit de bewaargevingsovereenkomst, maar hij kan wel eventueel de onderbewaarneming buiten overeenkomst, in het bijzonder uit onrechtmatige daad, aanspreken. Alsdan geeft lid 1 de onderbewaarnemer de bevoegdheid de bewaargever diens eigen contract, met de eventueel daarin vervatte beperkingen van aansprakelijkheid, tegen te werpen. Lid 2 geeft de bewaarnemer een beroep op zijn met de bewaargever gesloten overeenkomst tegenover een derde met wie hij niet contractueel is verbonden - bijvoorbeeld de eigenaar der zaak - en die hem buiten overeenkomst aanspreekt. Zulk een beroep werd hem, als stuwadoor, tegenover een ladingbelanghebbende door HR 20-6-1986, NJ 1987, 35, nog ontzegd. Lid 3 breidt de bevoegdheid tot het doen van zulk een beroep op de bewaarnemingsovereenkomst tegen een derde uit tot de onderbewaarnemer; evenmin als in lid 1 geldt dat beroep de overeenkomst die de onderbewaarnemer zelf heeft gesloten, doch de overeenkomst die tussen de bewaargever en bewaarnemer is gesloten. Aan de derde komt wel een beroep toe op buitencontractuele aanspraken, zoals uit onrechtmatige daad, waarop ook de bewaargever een beroep tegenover de bewaarnemer kan doen. Lid 4 beperkt de bevoegdheid die de (onder)bewaarnemer aan de leden 1 tot en met 3 kan ontlenen voor het geval hij wist of behoorde te weten dat zijn wederpartij jegens de derde niet bevoegd was tot de (onder)bewaargeving (vgl. artikel 3:291 lid 2); het gemis aan deze bevoegdheid kan bijvoorbeeld voortvloeien uit diefstal of verduistering, maar ook uit het in artikel 603 lid 2 bepaalde. 2024 -1068- No. 164

  2976. Artikel 609 moderniseert, ten aanzien van de hotelhouder, de regeling die de artikelen 1728 tot en met 1730 thans voor herbergiers en logementhouders geven. Onder hotelier is te verstaan degene die in de uitoefening van zijn bedrijf nachtlogies verschaft, en onder gast een logeergast. Ten aanzien van de zaken die in het hotel zijn gebracht - inclusief de auto in de hotelgarage - wordt de hotelhouder met een bewaarnemer gelijkgesteld. Zijn aansprakelijkheid als zodanig zal ook hier van de omstandigheden afhangen. Te bedenken valt dat de gast zelf in de eerste plaats de nodige zorg moet betrachten; biedt de hotelhouder een kluis ter bewaring van goederen van de gasten aan, en maakt de gast daarvan geen gebruik, dan neemt hij daardoor een vermijdbaar risico. Lid 2 geeft een bijzondere regel waardoor de aansprakelijkheid van de hotelhouder wordt beperkt. Dat de hotelhouder een retentierecht heeft op de in het hotel door de gast meegebrachte zaken, wordt in lid 3 uitdrukkelijk bepaald, omdat het twijfelachtig is of het rechtstreeks uit artikel 6:52 j 3:290 voortvloeit, nu de verplichting van de hotelhouder niet uit een zuivere bewaarnemingsovereenkomst voortvloeit, maar slechts een onderdeel van een verblijfsovereenkomst vormt. TITEL 10 - ARBEIDSOVEREENKOMST Algemeen 1. De voorgestelde wijzigingen zijn voornamelijk van technische aard, zulks ter bevordering van een snelle behandeling. Politiek gevoelige wijzigingen, die de behandeling ernstig zouden kunnen vertragen, worden niet voorgesteld. Regeling van politiek gevoelige onderwerpen kunnen beter bij toekomstige wijzigingen worden gerealiseerd. Daarbij valt te denken aan de problematiek inzake de overgang van ondernemingen en een herziening van het ontslagrecht. Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat in de voorstellen ook een aantal materiële wijzigingen van betekenis zijn opgenomen. Onder meer kan worden gedacht aan afdeling 3 inzake vakantie en verlof. 2. Wel zijn recente wetten letterlijk in deze titel 10 opgenomen in verband met het codificatie-artikel 132 van de Grondwet. Het gaat hier om de burgerrechtelijke gedeeltes van de Wet Arbeidsbescherming Gezin (S.B. 2019 no. 64), de Wet Omzetting Arbeidsovereenkomst voor Bepaalde Tijd in Arbeidsovereenkomst Onbepaalde Tijd (S.B. 2018 no. 93) en de Ontslagwet 2018 (S.B. 2018 no 94). Het is de bedoeling dat in de toekomst artikel 132 van de Grondwet beter wordt nageleefd. 3. De voorgestelde technische herziening beoogt mede de regeling van de arbeidsovereenkomst in het systeem van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in te passen. De voorgestelde regeling is dan ook afgestemd op de inhoud en de formuleringen van het overige nieuw BW, en met name de Boeken 3 en 6 die handelen over het algemene vermogensrecht. Afdeling 1. Algemene bepalingen Inleidende opmerkingen 1. In deze afdeling wordt voorgesteld een aantal onderwerpen te regelen die thans min of meer verspreid in de zevende titel A van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek voorkomen. Het gaat om de definitie van de arbeidsovereenkomst, de gemengde overeenkomst, (weerlegbare) rechtsvermoedens inzake het bestaan en de omvang van een arbeidsovereenkomst, de arbeidsovereenkomst met een minderjarige, de (eenzijdige) wijziging van de arbeidsvoorwaarden, het goed werkgever- en werknemerschap en de niet-toepasselijkheid van de titel op de arbeidsovereenkomst tussen de rederij en de schipper, tussen de schipper en de scheepsofficieren, alsmede op personen in dienst van de overheid (de zogenoemde arbeidscontractanten). 2. Een aantal van de voorgestelde artikelen heeft redactionele wijzigingen ondergaan. De voorgestelde regeling van de arbeidsovereenkomst met een minderjarige bevat een aantal nieuwe elementen. Zie de artikelsgewijze opmerkingen hieronder. Nieuw is het voorgestelde artikel 7:614 dat een regeling geeft inzake de verjaring van rechtsvorderingen tot vernietiging van bepaalde rechtshandelingen. Nieuw is ook artikel 613 ten aanzien van ‘eenzijdige wijzigingsbedingen’. 2024 -1069- No. 164

  2977. Artikel 610 (definitie arbeidsovereenkomst) 1. De definitie van de arbeidsovereenkomst in lid 1 van dit artikel is dezelfde als die in het huidige artikel 1613a. In de praktijk is gebleken dat het element ‘in dienst van’, dat als het meest onderscheidene kenmerk van de arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd, een bruikbaar criterium is om de arbeidsovereenkomst te onderscheiden van de overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7:750) en de overeenkomst van opdracht (artikel 7:400). De jurisprudentie laat zien dat dit criterium niet in de weg staat uiteenlopende rechtsverhoudingen als arbeidsovereenkomst aan te merken. 2. Hoewel in de jurisprudentie aan het vereiste ‘gedurende zekere tijd’ geen zelfstandige betekenis wordt toegekend, wordt het wenselijk geoordeeld het duurelement te handhaven, omdat dit kenmerk betekenis kan hebben in de gevallen waarin het criterium ‘in dienst zijn van’ (en de daaruit ontwikkelde begrippen ‘gezagsverhouding’ en ‘ondergeschiktheid’) te weinig houvast biedt. 3. Het huidige artikel 1613c lid 1, vindt men terug in het voorgestelde lid 2. Dit lid geeft de voorrangsregel die van toepassing is wanneer een overeenkomst zowel voldoet aan de omschrijving van de arbeidsovereenkomst als aan een andere bij de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst. Te denken valt bijvoorbeeld aan het samengaan van een arbeidsovereenkomst en een huurovereenkomst, een arbeidsovereenkomst en lastgeving en een arbeidsovereenkomst en geldlening. Bij een dergelijke gemengde overeenkomst zijn de bepalingen van titel 7.10 en de voor de andere soort van overeenkomst door het Burgerlijk Wetboek gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen over de arbeidsovereenkomst van toepassing. Gelet op de redactie van de in artikel 6:215 gegeven algemene regel is aan het voorgestelde tweede lid behoefte. Artikel 6:215 bepaalt immers wel dat bij een gemengde overeenkomst de voor elk van de soorten van overeenkomsten gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing zijn, maar regelt niet welke bepalingen voorgaan in geval van strijd.

  2978. Artikel 610a en 610b (rechtsvermoedens) Deze artikelen beogen meer zekerheid te bieden aan de werknemer die op basis van een flexibele arbeidsrelatie, bijvoorbeeld als oproepkracht, werkzaam is. In de artikelen zijn (weerlegbare) rechtsvermoedens inzake het bestaan en de omvang van een arbeidsovereenkomst neergelegd. Voor de werknemer is het van belang dat, als hij arbeid verricht in dienstbetrekking, deze arbeid plaatsvindt op basis van een arbeidsovereenkomst. Immers, daardoor worden diverse beschermende bepalingen van arbeidsrecht op zijn rechtspositie van toepassing. Het voorgestelde artikel 610a beoogt de werknemer, wiens situatie aan de daarin neergelegde criteria voldoet, een bewijsvoordeel te leveren. Immers, het in deze bepaling neergelegde rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst zal, indien de werkgever dat wenst, door een door hem te leveren tegenbewijs ontkracht moeten worden. Overigens zal de werknemer uiteraard wel moeten kunnen aantonen dat zijn situatie voldoet aan de genoemde criteria, bijvoorbeeld middels het overleggen van (loon-) betalingsbewijzen. Deze bepaling kan voor de werknemer nuttig zijn indien er in een bepaald geval geen enkele schriftelijke overeenkomst voorhanden is, dan wel indien er een, al dan niet alleen qua duiding, andere soort overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst op schrift is gesteld. Gekozen is om de ondergrens van het aantal uren dat als criterium voor het bestaan van het weerlegbaar rechtsvermoeden geldt te stellen op 35 uren en niet zoals in Nederland is gebeurd op 20 uren. Het aantal van 35 uren komt overeen met circa één volle werkdag van acht uren per week. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat een grote groep daadwerkelijk losse krachten, zoals bijvoorbeeld de wekelijkse tuinman of de wekelijkse hulp in de huishouding, die minder dan acht uur per week komt schoonmaken, in geval van een conflict een bewijspositie zou verkrijgen die in de meeste gevallen niet overeenkomt met de werkelijke bedoeling van partijen. Immers, dergelijke hulpen in de huishouding van een natuurlijke persoon zijn bij een dergelijk laag aantal arbeidsuren veelal werkzaam op basis van een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten en niet op basis van arbeidsovereenkomst, waardoor het toekennen van een bewijsvoordeel aan dergelijke personen zijn doel voorbij zou schieten. 2024 -1070- No. 164 Indien niet vaststaat wat de overeengekomen arbeidsduur is of indien er een nul-urencontract is afgesloten waarbij de werknemer alleen recht heeft op uitbetaling van de daadwerkelijk door hem gewerkte uren, heeft de werknemer op grond van het voorgestelde artikel 610b recht op uitbetaling van een loon, dat wordt gebaseerd op het gemiddelde van het loon van de afgelopen drie maanden, tenzij de werkgever het tegendeel kan bewijzen. De werkgever zal in zo'n geval moeten aantonen - bijvoorbeeld middels prikklokkaarten - dat in de betreffende maand minder is gewerkt dan in de drie voorafgaande maanden en dat er bovendien een ‘no work, no pay’-afspraak is gemaakt. Deze bepaling biedt een belangrijke bescherming voor uur- en dagloners, die op oproepbasis beschikbaar zijn.

  2979. Artikel 611 (goed werkgever en goed werknemer) Dit artikel is een samenvoeging van de huidige artikelen 1614y en 1615d. Men kan zich afvragen of dit voorgestelde artikel strikt juridisch wel noodzakelijk is naast de artikelen 6:2 en 6:248. De speciale vermelding hier ter plaatse blijft echter waardevol, omdat de bepaling – zoals ook bij de totstandkoming daarvan is bedoeld – niet slechts ziet op de bedoelingen van partijen onderling. In het bijzonder de verwijzing naar de (open) norm van het goed werkgeverschap van artikel 1614y heeft in de loop der jaren de mogelijkheid geboden rekening te houden met de ontwikkeling in rechtsopvattingen. Die rechtscheppende functie zal het ook in de toekomst kunnen blijven vervullen. Het artikel kan met name toegepast worden in situaties die noch in de wet, noch door partijen in de arbeidsovereenkomst zijn geregeld. Een uitdrukkelijke verwijzing naar het goed werkgeverschap is dan op haar plaats. Zo wordt beter aangesloten bij de eigen aard en terminologie van het arbeidsrecht en zal het voor de partijen bij de arbeidsovereenkomst gemakkelijker levend recht zijn.

  2980. Artikel 612 (arbeidsovereenkomst met minderjarige) 1. In dit artikel wordt een regeling voorgesteld over de bekwaamheid van de minderjarige met betrekking tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Ook de huidige artikelen 1613g en 1614f geven een dergelijke regeling. Deze bepalingen worden in het voorgestelde artikel 612 samengevoegd. Voorgesteld wordt om in afwijking van het huidige recht te bepalen dat een minderjarige van zestien jaar of ouder zelfstandig een arbeidsovereenkomst kan aangaan, en voorts zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in rechte kan verschijnen (lid 1). Voorts wordt (in het lid 1) bepaald dat de minderjarige van zestien jaar of ouder in alles wat betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk staat. Een dergelijke bepaling is meer in overeenstemming met de maatschappelijke realiteit dan de huidige regeling. Men houde in het oog dat het hier gaat om de privaatrechtelijke handelingsbekwaamheid, niet om de vraag of kinderen mogen werken. Volgens de Arbeidswet 1963 is het verboden personen die de leeftijd van veertien jaar nog niet hebben bereikt arbeid te laten verrichten; deze bepaling is toegestaan door de ILO Conventie no. 138 (Minimum Age, 1973). Het onderhavige artikel komt erop neer dat veertien- en vijftienjarige minderjarigen die werken handelingsonbekwaam zijn wat betreft de arbeidsovereenkomst en zestien- en zeventienjarige minderjarigen handelingsbekwaam zijn wat betreft de arbeidsovereenkomst. Ingevolge artikel 1:233 zijn personen die de achttienjarige leeftijd hebben bereikt algemeen handelingsbekwaam. De leden 2 en 3 hebben enkel betekenis voor de veertien- en zestienjarigen die werken. 2. Aangezien het onder bepaalde omstandigheden is toegestaan dat minderjarigen die de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt arbeid verrichten, houden de bepalingen van de leden 2 tot en met 4 betekenis.

  2981. Artikel 613 (wijzigingsbeding arbeidsvoorwaarden) 1. Naast de arbeidsvoorwaarden die in overleg met de vakorganisaties in CAO’s worden geregeld, worden in ondernemingen tal van andere arbeidsvoorwaarden vastgelegd in bedrijfsregelingen (vaak neergelegd in personeelsgidsen). Deels betreffen deze bedrijfsregelingen de invulling of aanvulling van de op de onderneming toepasselijke CAO Anderdeels worden dergelijke bedrijfsregelingen, houdende arbeidsvoorwaarden, ook vastgesteld in ondernemingen die niet onder de werkingssfeer van een CAO vallen. De invloed van de werknemers op de totstandkoming 2024 -1071- No. 164 daarvan is beperkt. Dit heeft te maken met de manier waarop werkgevers de werknemers aan dergelijke regelingen plegen te binden. In de eerste plaats maakt de arbeidsvoorwaardenregeling op basis van de individuele arbeidsovereenkomst vaak deel uit van die individuele arbeidsovereenkomst (‘incorporatie’). Voorts is veelal praktijk dat de werknemers ook aan wijzigingen van die bedrijfsregelingen gebonden worden. Dit gebeurt door toepassing van zogenaamde ‘eenzijdige wijzigingsbedingen’: bedingen op grond waarvan de werkgever de bevoegdheid heeft in de toekomst de arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen, dus zonder dat hij daarvoor de toestemming van de werknemer behoeft. Op basis van dergelijke bedingen worden individuele werknemers derhalve aan wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden gebonden. Dit gebeurt ‘eenzijdig’, dat wil zeggen zonder dat de individuele werknemer daarmee per geval nog akkoord dient te gaan (hij is immers, veelal bij indiensttreding, al akkoord gegaan) en voorts zonder dat vakorganisatie daarmee akkoord behoeft te zijn gegaan, voor zover zij al betrokken zijn bij het overleg over de wijziging van de arbeidsvoorwaardenregeling. Van belang is nog dat de mate waarin de werkgever zich in concrete gevallen kan beroepen op de eenzijdige wijzigingsbedingen – teneinde de werknemer aan een wijziging van de arbeidsvoorwaarden te binden – wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden met zich brengen dat de werknemer niet gebonden is aan het wijzigingsbeding, hetgeen de werknemer in het algemeen zal moeten aantonen. 2. Deze situatie wordt ongewenst geacht. Vandaar het voorstel tot opneming van het nieuwe artikel 613 op grond waarvan werknemers een passende bescherming wordt geboden – door de introductie van een zware toetsingsmaatstaf – bij het gebruik door de werkgever van bedingen waarbij de werknemer heeft verklaard (bij voorbaat) in te stemmen met elke toekomstige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Of in concreto een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever aanwezig is dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken zal in het uiterste geval aan het oordeel van de rechter moeten worden overgelaten. In het zgn. IBM-arrest (HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 335) ging het om een wijziging van een autokostenregeling. Zie nog wel artikel 660 ten aanzien van ordemaatregelen. Artikelen 613a tot en met 613d (reglement) Hierin zijn de huidige artikelen 1613j tot en met 1613m BW neergelegd. Het reglement komt in Suriname nog veel voor. Zie, behalve de onderhavige artikelen 613a tot en met 613d, voorts artikel 619 lid 2, artikel 623 lid 2, artikel 628 lid 5, artikel 632 lid 1 onderdeel b, artikel 637, leden 1 en 2, artikel 638 lid 2, artikel 650 leden 1, 3, 4 en 6, artikel 660 lid 1, artikel 667, leden 1 en 2 onder a en b, artikel 672 lid 1 en artikel 680 lid 4.

  2982. Artikel 614 (verjaringstermijnen vernietigingsgronden) 1. Dit artikel regelt de aanvang van de termijn van drie jaar genoemd in artikel 3:52 lid 1 onderdeel d. Daarbij is aansluiting gezocht bij artikel 6:235 lid 1, betreffende de verjaringstermijn van een beroep op een grond voor vernietiging van een beding in algemene voorwaarden. Beslissend is niet het moment waarop de overeenkomst gesloten wordt, maar het moment waarop een beroep op het beding wordt gedaan. 2. Ingeval er geen sprake is van een beding, maar zich wel een vernietigingsgrond voordoet, geldt de algemene regel van artikel 3:52 lid 1 onderdeel d. De rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling verjaart in een dergelijk geval drie jaar nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.

  2983. Artikel 615 (zeevaart- en overheidspersoneel) Het zeearbeidsrecht is geregeld in het Wetboek van Koophandel. Wat betreft overheidspersoneel zie het huidige artikel 1613z lid 1. 2024 -1072- No. 164 Afdeling 2. Loon Inleidende opmerkingen In het huidige wetboek zijn de bepalingen over het loon over twee afdelingen verspreid. Deze worden thans zoveel mogelijk in een afdeling samengebracht. Een aantal artikelen zijn in redactioneel opzicht gewijzigd en inhoudelijk afgestemd op Boek 6, titel 1, afdeling 11. De volgorde van de artikelen is als volgt. Na een algemene bepaling over de verplichting van de werkgever het loon te betalen, komen aan de orde de bepalingen over de vaststelling van het loon, de wijze en plaats van voldoening van het loon en het tijdstip van betaling, de beperkingen van de verplichting tot loonbetaling, en ten slotte bepalingen over het bestedingsbeding en beperkingen van verrekening, beslaglegging, overdracht, verpanding en volmacht.

  2984. Artikel 616 (verplichting loon op tijd te voldoen) Hierin wordt – overeenkomstig het huidige artikel 1614 – de werkgever verplicht het loon als bedoeld in artikel 610 op de daarvoor bepaalde tijd te voldoen. Voor het tijdstip van betaling van het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon wordt in artikel 623 een regeling gegeven; en voor wat betreft het in geld maar niet naar tijdruimte vastgestelde loon in artikel 624. De sanctie op het niet-tijdig voldoen van het loon vindt men in artikel 625 (wettelijke verhoging voor zover het in geld vastgesteld loon betreft) en in artikel 6:74 (schadevergoeding wegens wanprestatie voor zover het niet in geld vastgesteld loon betreft). Op grond van artikel 6:83, aanhef en onderdeel a, in samenhang met artikel 6:119 is over het niet-tijdig betaalde loon ook de wettelijke rente verschuldigd zonder de noodzaak van een ingebrekestelling.

  2985. Artikel 617 (geoorloofde vormen van loon) 1. Dit artikel, dat een limitatieve opsomming geeft van de vormen waarin het loon mag worden overeengekomen, is de nieuwe versie van het huidige artikel 1613p. Het artikel is gebaseerd is op het ILO-verdrag no. 95 (Protection of wages Convention, 1949). Het beoogt te voorkomen dat door betaling van een gedeelte van het loon in natura de wettelijke toepasselijke regelingen worden omzeild. 2. Het voorgestelde artikel 617 bevat ten opzichte van het huidige artikel 1613p enkele nieuwe elementen. Allereerst wordt in lid 1 onderdeel e, bepaald dat het loon ook mag bestaan uit effecten, vorderingen, andere aanspraken en bewijsstukken daarvan. Hiermee wordt beoogd de weg vrij te maken voor loonvormen als het toekennen van bijvoorbeeld optierechten aan werknemers. 3. Het woord ‘verwarming’ in onderdeel c van lid van het Nederlandse artikel is vervangen door ‘luchtkoeling’. Voorts is in dit onderdeel het gebruik van water en elektra opgenomen, aangezien dit gebruik alhier doorgaans een substantiële kostenpost oplevert. 4. Het tweede nieuwe element is te vinden in lid 2 waarin ter voorkoming van misbruik wordt voorgesteld dat aan de loonvormen genoemd in de onderdelen b, c en d geen hogere dan de werkelijke waarde mag worden toegekend. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat door een betaling van een gedeelte van het loon in natura, de wettelijke dan wel contractueel van toepassing zijnde regels betreffende de hoogte van het loon worden omzeild. 5. De vaststelling van ongeoorloofd loon wordt niet langer apart gesanctioneerd. Indien loon wordt voldaan in een andere loonvorm dan de in het artikel genoemde, geldt de sanctie van het voorgestelde artikel 621 lid 1. 6. Ten slotte wordt erop gewezen dat blijkens de aanhef het artikel van dwingend recht is. Afwijking ten nadele van de werknemer is dan ook nietig. Voorts geldt bij afwijking de vorengenoemde sanctie van artikel 621 lid 1. 2024 -1073- No. 164

  2986. Artikel 618 (recht op gebruikelijk of naar billijkheid vast te stellen loon indien partijen geen bepaald loon hebben vastgesteld) 1. Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel1613q, met dien verstande dat niet alleen het plaatselijke gebruik in acht moet worden genomen, maar ook hetgeen in aanverwante bedrijfstakken of branches gebruikelijk is. In dat verband kunnen collectieve arbeidsovereenkomsten een rol spelen. 2. Het huidige artikel 1613r, dat een sanctie geeft voor het geval dat het loon in niet door de wet geoorloofde bestanddelen is vastgesteld, kan vervallen. De regeling van het artikel is gecompliceerd en de sanctie van dit artikel op het vaststellen van het loon in niet door de wet toegestane bestanddelen lijkt nu, anders dan bij de totstandkoming van het artikel, niet meer noodzakelijk. 3. Voldoening van het loon in niet door de wet toegestane bestanddelen is volgens artikel 621 niet- bevrijdend; de werknemer behoeft volgens datzelfde artikel het door hem ontvangene niet terug te geven. 4. Aangezien de werkgever schriftelijk aan de werknemer het overeengekomen loon moet meedelen (artikel 626) is de betekenis van het artikel beperkter geworden.

  2987. Artikel 618a (berekening van het loon per dag) In Nederland is het oude artikel 7A:1637 Ned.BW, dat evenals het huidige artikel 1613o, voorschreef hoe het loon per dag moet worden berekend, niet in titel 10 van boek 7 teruggekeerd, aangezien de Nederlandse wetgever de mening was toegedaan dat deze materie in collectieve arbeidsovereenkomsten dient te worden geregeld. Bij ons bestaat evenwel behoefte aan een algemene wettelijke berekeningsmaatstaf; men denke aan niet genoten vakantiedagen. In het onderhavige artikel 618a wordt ook rekening gehouden met de vijfdaagse werkdag door aan te haken aan artikel 1 onder 6 van de Ongevallenregeling.

  2988. Artikel 619 (recht van inzage in de administratie van de werkgever ter berekening van het loon) 1. Ten opzichte van het huidige artikel 1614e zijn er geen materiële wijzigingen aangebracht. De formulering heeft een enkele aanpassing ondergaan. In plaats van ‘mededeling van bewijsstukken’ vindt men thans ‘overlegging van bewijsstukken’. Het woordgebruik aan het slot van lid 1 is gemoderniseerd. De wijziging van de laatste volzin van lid 2 beoogt deze zin beter te laten aansluiten op de daaraan voorafgaande. Het artikel beoogt de werknemer wiens loon geheel of gedeeltelijk afhankelijk is gesteld van de boekhouding van de werkgever in staat te stellen de loonberekening door de werkgever te controleren dan wel zelfstandig een berekening op te stellen. 2. Lid 3 maakt afwijking van lid 1 of lid 2, tweede volzin, vernietigbaar in het belang van de werknemer. Omdat in de praktijk niet altijd duidelijk zal zijn of een beding ten voordele of ten nadele van een werknemer zal zijn, voldoet niet de formulering dat niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken. Daarom is bepaald dat slechts aan de werknemer een beroep op de vernietigingsgrond toekomt op een afwijkend beding. 3. De werkgever kan bij het verlenen van inzage geheimhouding van de werknemer verlangen. Deze verplichting tot geheimhouding is opgeheven indien de opgave in rechte wordt betwist.

  2989. Artikel 620 (voldoening van het loon in wettig betaalmiddel) 1. De onderhavige materie is thans geregeld in de artikelen 1614h (voldoening van het in geld vastgestelde loon) en 1614i (voldoening van het op andere wijze vastgestelde loon). Blijkens het voorgestelde lid 1 van artikel 620 kan de voldoening van het in geld vastgesteld loon ook geschieden door girale betaling, waarbij wordt verwezen naar artikel 6:114. Deze mogelijkheid (die niet is opgenomen in de huidige titel 7A) sluit aan op de betalingspraktijk vandaag de dag en brengt derhalve feitelijk geen ingrijpende wijzigingen teweeg. De werknemer kan overigens volgens het slot van artikel 6:114 girale betaling uitsluiten. 2024 -1074- No. 164 2. Een tweede wijziging ten opzichte van het huidige recht geeft het voorgestelde lid 2 op grond waarvan partijen kunnen overeenkomen dat het loon in buitenlands geld wordt uitbetaald. Naar geldend recht blijkt impliciet uit het slot van artikel 1614h dat vaststelling van het loon in buitenlands geld geoorloofd is; de voldoening dient echter in in Suriname gangbaar geld plaats te vinden waarvoor de wet een omrekeningsmaatstaf geeft. Het komt ons voor dat er geen reden is om partijen die betaling van het loon in buitenlands geld wensen overeen te komen daarbij beperkingen op te leggen. Ter bescherming van de werknemer is bepaald dat de werknemer de bevoegdheid heeft voldoening in in Suriname gangbaar geld te verlangen, ook al is overeengekomen dat in buitenlands geld zal worden betaald. Om te voorkomen dat de werkgever met een dergelijk verzoek te zeer wordt verrast, is bepaald dat de werkgever eerst op de tweede betaaldag nadat het verzoek door de werknemer is gedaan, tot betaling in in Suriname gangbaar geld dient over te gaan. 3. De artikelen 6:122 en 6:123 zijn wel van toepassing op de eerste betalingstermijn en naast de artikelen 620 en 622 op de latere termijnen. Zo kan de werknemer ook al heeft hij gebruik gemaakt van de bevoegdheid van artikel 620 om met ingang van de tweede komende betaaldag betaling in in Suriname gangbaar geld te verlangen toch later vorderen dat betaling geschiedt in het geld van de plaats van betaling, uiteraard slechts wanneer aan het nadere vereiste door artikel 6:122 lid 2, gesteld is voldaan. 4. In de artikelen 6:123 e.v. vindt men enige nadere regels. Zo bepaalt artikel 6:123 lid 1 dat de schuldeiser in het geval van een procedure de keuze heeft tussen een vordering tot betaling in buitenlands geld en een vordering tot betaling in in Suriname gangbaar geld. De derde volzin van lid 2 verwijst naar de artikelen 6:124 en 6:125. Het gevolg hiervan is dat de regel met betrekking tot de koers van omrekening onder het dwingende regime van artikel 621 valt. Een uitdrukkelijke van toepassing verklaring van artikel 6:126 betreffende koerswijziging en schade in artikel 621 is niet meer nodig. 5. Artikel 620 lid 3, bepaalt dat de voldoening behalve volgens hetgeen overeengekomen is, volgens het gebruik geschiedt. De verwijzing naar het gebruik is overgenomen uit artikel 1614t dat voor enkele met name genoemde niet in geld bestaande loonbestanddelen, namelijk inwoning, kost en andere levensbenodigdheden, verwijst naar het plaatselijk gebruik. Het gebruik kan ook bij de voldoening van andere niet in geld bestaande loonbestanddelen dan genoemd in artikel 1614t een rol spelen.

  2990. Artikel 621 (sanctie op onjuiste voldoening van het loon) 1. Dit artikel correspondeert met het huidige artikel 1614j en regelt de gevallen waarin de voldoening van het loon niet bevrijdend is. Duidelijker dan in de huidige wet, wordt bepaald dat het artikel ook geldt voor de voldoening in andere bestanddelen dan die volgens artikel 617 toegestaan zijn. Teneinde het artikel in overeenstemming met de terminologie van Boek 6 te brengen, wordt niet meer gesproken van nietige voldoening, maar van niet-bevrijdende voldoening. Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de ‘waarde van de verschuldigde prestatie’ (lid 1), zal de rechter moeten worden ingeschakeld. 2. In lid 3 is de vervaltermijn van het huidige artikel 1614j lid 3 gewijzigd in een verjaringstermijn. Voor regeling in de vorm van een vervaltermijn is geen speciale reden. Aldus wordt meer eenheid verkregen met de regeling van vergelijkbare vorderingen elders in deze titel. De terminologie is aangepast aan artikel 3:306 over de verjaring van rechtsvorderingen. Voorts wordt thans het tijdstip waarop de termijn begint te lopen in de wet genoemd.

  2991. Artikel 622 (plaats van voldoening van in geld vastgesteld loon) Ten opzichte van het huidige artikel 1614k worden in artikel 622 geen materiële wijzigingen voorgesteld. Het artikel is van regelend recht, zodat partijen – evenals onder het huidige recht – de bevoegdheid hebben bij overeenkomst daarvan af te wijken. Het artikel ziet slechts op de voldoening van in geld vastgesteld loon. Voor girale betaling geeft artikel 620 al een regeling. Voor andere loonvormen dan geld geeft artikel 6:41 een afdoende regeling of volgt uit artikel 617 wat hier zal gelden. De aanwijzing van de plaats van voldoening van het loon kan aldus beperkt blijven tot het in geld vastgestelde loon waarbij geen girale betaling plaatsvindt. 2024 -1075- No. 164

  2992. Artikel 623 (tijdstip van voldoening van naar tijdruimte vastgesteld loon) 1. De huidige regeling is te vinden in artikel 1614l. Voorgesteld wordt het huidige lid 3 te laten vervallen, nu in de praktijk van die bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt en ook overigens aan het bepaalde in dat lid geen behoefte bestaat. Het artikel wijkt verder inhoudelijk niet af van de huidige regeling. 2. De zinsnede ‘een week of korter is’ in lid 2 van het Nederlandse artikel is in het voorgestelde artikel 623 gewijzigd in ‘korter dan een maand.’ Deze wijziging is noodzakelijk omdat in de Nederlandse tekst geen rekening wordt gehouden met een betalingsperiode van twee weken. 3. In de laatste zinsnede van lid 1 van artikel 1614l, wordt bepaald dat. indien het loon bij een langere tijdruimte dan een maand is vastgesteld – waarbij vooral te denken valt aan per jaar vastgestelde salarissen – de uitbetaling van het loon telkens na een kwartaal dient te geschieden. Deze bepaling is als verouderd geschrapt. Overigens is in artikel 3:288, onderdeel e, een algemeen voorrecht geregeld ten aanzien van onder meer achterstallig loon. 4. Lid 3 stelt buiten twijfel dat afwijking van het artikel – bijvoorbeeld een afspraak tot betaling per dag – (alleen) voor de werknemer grond tot vernietiging van het afwijkende beding oplevert.

  2993. Artikel 624 (tijdstip van voldoening van niet naar tijdruimte vastgesteld loon) 1. Na het vorige artikel over de betaling van het in geld naar tijdruimte vastgesteld loon bevat dit artikel enkele bepalingen over de betaling van het in geld niet naar tijdruimte vastgesteld loon. In de huidige wet vindt men deze bepalingen in de artikelen 1614m, 1614o en 1614p. 2. De zinsnede ‘ten aanzien van aard, plaats en tijd het meest nabijkomt aan de arbeid, waarvoor het loon verschuldigd is’ in artikel 1614m en in lid 2 van 1614p is vervangen door ‘vergelijkbare arbeid’, aangezien dit laatste begrip duidelijker is. 3. De eerste drie leden geven voorschriften over tariefinkomsten (stukloon), omschreven als ‘loon dat afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid’; deze omschrijving is uit artikel 1614p overgenomen. De betalingstermijnen zijn volgens lid 1 dezelfde als die voor naar tijdruimte vastgesteld loon voor vergelijkbare arbeid; zie artikel 623. 4. Als het loon berekend kan worden op de betaaldag, wordt uiteraard het hele loon uitbetaald. Een bepaling van die inhoud, die de huidige wet voor de bepaling van het verschuldigde loon in het algemeen kent in lid 1 van artikel 1614p, is overbodig. Niet alleen volgt uit de algemene beginselen – zie bijvoorbeeld artikel 6:29 – al dat het hele loon voldaan moet worden als de wederpartij zijn verplichting, het verrichten van arbeid nagekomen is, maar bovendien hebben de in hoofdzaak dwingende bepalingen van de artikelen 616 en 624 van deze afdeling uiteraard op het hele bedrag van het loon betrekking. Het bepaalde in artikel 1614p lid 1 is dan ook niet overgenomen. Bij de tariefinkomsten is echter een regeling nodig voor het geval dat het loon nog niet berekend kan worden op de betaaldag. De voorgestelde regeling in de leden 2 en 3 is in hoofdzaak gebaseerd op artikel 1614p dat bepaalt dat een recht op een voorschot kan worden overeengekomen. Nieuw is dat de werkgever thans verplicht wordt een voorschot te betalen. Voor de bepaling van de hoogte van het voorschot wordt verwezen naar het loon dat over de laatste drie maanden is verdiend. Indien de maatstaf van het arbeidsverleden ontbreekt, dient als vergelijking het loon voor vergelijkbare arbeid. 5. Lid 4 betreft een andere vorm van in geld niet naar tijdruimte vastgesteld loon, namelijk het winstaandeel e.d. Het komt overeen met het huidige artikel 1614n lid 1. 6. Lid 2 van artikel 1614n is geschrapt. Wat ook al de situatie geweest moge zijn ten tijde van de totstandkoming van deze bepaling, thans worden de balans en staat van baten en lasten op grond waarvan de winst wordt vastgesteld bij iedere rechtspersoon jaarlijks vastgesteld. Zie in dit verband de artikelen 2:15 en 3:15a. Ook werkgevers die geen rechtspersoon zijn, zijn genoodzaakt jaarlijks de jaarrekening op te maken voor de fiscus. 7. Artikel 1614o dat bepaalt dat, als het loon in geld voor een gedeelte naar tijdruimte, voor een gedeelte op andere wijze, of in gedeelten naar verschillende tijdruimten is vastgesteld, voor ieder van die gedeelten de in de voorgaande artikelen neergelegde voorschriften van toepassing zijn, keert niet als afzonderlijke bepaling terug. Ook zonder uitdrukkelijk voorschrift geldt dat voor ieder van de delen de gegeven bepalingen van toepassing zijn. 8. In lid 5 is het dwingendrechtelijk karakter van het onderhavige artikel neergelegd. 2024 -1076- No. 164

  2994. Artikel 625 (wettelijke verhoging bij niet tijdige betaling:) Dit artikel is een gemoderniseerde versie van het huidige artikel 1614q, met dien verstande dat lid 2, waarin wordt bepaald dat het artikel van dwingend recht is, nieuw is. Er zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht. Verder zijn de te algemeen luidende en daardoor niet geheel duidelijke formuleringen ‘na aftrek van hetgeen door de werkgever niet behoeft te worden uitbetaald en na aftrek van hetgeen, waarop derden overeenkomstig de bepalingen van deze titel rechten doen gelden’ exacter gemaakt door de artikelen die tot aftrek kunnen leiden te noemen. Ten slotte is in de literatuur terecht opgemerkt dat de huidige bepaling die spreekt van een aan de werkgever ‘toe te schrijven’ niet-betaling te ruim is. Daarom wordt thans gesproken van ‘toe te rekenen’, in aansluiting op het woordgebruik van Boek 6; met toepassing van artikel 6:75 kan worden beoordeeld of de niet-betaling toegerekend kan worden.

  2995. Artikel 626 (verstrekken van loonstrookje) 1. In dit artikel wordt een algemene verplichting tot afgifte van een loonstrook bij iedere loonbetaling voorgesteld. De werknemer heeft immers recht op informatie omtrent zijn beloning en de samenstelling daarvan. Bovendien kan de loonstrook dienen als belangrijk stuk in een mogelijk geschil omtrent de overeengekomen beloning. De verplichting van een loonstrook vervult ook een functie ten aanzien van de naleving van de minimumloonwetgeving en biedt tevens een belangrijk instrument voor de vaststelling van het dagloon in verband met de uitvoering van verschillende sociale zekerheidswetten. 2. De aan het slot van het Nederlandse artikel voorkomende zinsnede ‘tenzij zich ten opzichte van de vorige voldoening in geen van deze bedragen een wijziging heeft voorgedaan’ is niet overgenomen. Ondergetekenden zijn namelijk van oordeel dat het voor de werknemer steeds van belang is over een recente specificatie te kunnen beschikken, zulks onder meer in verband met het kunnen verkrijgen van geldleningen. 3. Lid 3 staat er niet aan in de weg dat in het loonstrookje meer gegevens worden opgenomen dan wettelijk is voorgeschreven. Zie artikel 655 lid 2.

  2996. Artikel 627 (geen arbeid, geen loon) Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1614b. De hierin neergelegde hoofdregel vloeit strikt genomen reeds uit de algemene regels betreffende wederkerige overeenkomsten voort, maar is opgenomen teneinde misverstanden te vermijden. Daarenboven doet deze bepaling dienst als inleiding op de volgende artikelen.

  2997. Artikel 628 (geen arbeid, wel loon) 1. Dit artikel bevat de materie van het huidige artikel 1614d. Het houdt rekening met de ontwikkeling van de rechtspraak. Zoals ook in de literatuur is geconstateerd, is de gedachte van schuldeisersverzuim in de rechtspraak niet meer in zuivere vorm gehandhaafd. Volgens die rechtspraak behoudt de werknemer ook dan zijn recht op loon, als het verrichten van de arbeid is verhinderd door omstandigheden die voor de werkgever in beginsel overmacht zouden opleveren, maar die toch voor zijn rekening worden gebracht omdat zij meer in zijn risicosfeer dan in die van de werknemer vallen. Het is onwenselijk deze ontwikkeling thans af te snijden. In artikel 628 lid 1 is daarom een redactie gekozen die bedoelt aan deze rechtspraak een duidelijker wettelijke basis te verschaffen dan artikel 1614d thans biedt. Daarnaast is een taalkundig wat simpeler formulering gekozen dan in de huidige rechtspraak vaak te vinden is. Deze formulering is bedoeld als een samenvattende uitdrukking waarmee geen materiële wijziging is beoogd. Wat betreft de bereidheid van de werknemer de bedongen arbeid te verrichten zij het volgende opgemerkt. Voor het geval de werknemer niet de bedongen arbeid heeft verricht, heeft als uitgangspunt te gelden dat hij, om aanspraak te maken op loon, bereid moet zijn geweest de bedongen arbeid te verrichten, maar anderzijds is niet uitgesloten dat ondanks het ontbreken van bereidheid toch aanspraak op loon bestaat, te weten indien ondanks het ontbreken van bereidheid moet worden aangenomen dat de 2024 -1077- No. 164 arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (HR 19-12-2003, NJ 2004, 269). 2. Nu de bepaling niet meer als een regel van schuldeisersverzuim is opgezet, komt het element van de verhindering van de zijde van de werkgever niet meer in het artikel voor. Het element van de bereidheid van de werknemer om de arbeid te verrichten, keert in aansluiting op het bepaalde in artikel 6:58 niet terug. Overigens kan dit element wel aan de orde komen bij de beantwoording van de vraag of het niet-verrichten van de arbeid voor risico van de werknemer komt. 3. Lid 2 komt inhoudelijk overeen met het huidige lid 2 van artikel 1614c. In lid 3 is, evenals in het huidige artikel 1614c lid 8 bepaald dat ook de aanspraak op bijvoorbeeld provisie, stukloon en gratificatie niet verloren gaat. In lid 4 is de inhoud van het huidige artikel 1614c lid 9 neergelegd. 4. Mede met het oog op arbeidsovereenkomsten met uitgestelde prestatieplicht – men denke aan oproepcontracten – is het mogelijk gemaakt voor de eerste zes maanden schriftelijk van artikel 628 af te wijken ten nadele van de werknemer (lid 5; ‘semi-dwingend recht’). Na zes maanden is afwijking slechts bij cao of publiekrechtelijke regeling mogelijk (lid 7; ‘driekwartdwingend recht’).

  2998. Artikel 628a (minimumloonaanspraak bij oproeping) 1. Dit artikel biedt de werknemer met een nul-urencontract of een min-maxcontract de garantie dat hij per gegeven oproep ten minste aanspraak kan maken op een loon gebaseerd op drie gewerkte uren. Het artikel beoogt tevens te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid moet worden verricht, waarbij ook nog onduidelijkheid bestaat over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht of over de arbeidsduur, zo min mogelijk voorkomen. De aanspraak op loon kan worden beschouwd als een compensatie voor de onzekerheid in oproeprelaties over de omvang van de arbeid en de daaruit voortvloeiende inkomsten of over de tijden waarop deze arbeid moet worden verricht. Deze aanspraak legt voorts druk op partijen om tot duidelijke afspraken te komen 2. Ten slotte wordt erop gewezen dat de voorgestelde bepaling redelijkerwijs zo dient te worden uitgelegd, dat een onderbreking van de werkperiode van de oproepmedewerker door een reguliere werkpauze, te weten een pauze die ook geldt voor de overige werknemers, bijvoorbeeld een koffie- of lunchpauze, niet moet worden gezien als een onderbreking en beëindiging van de werkperiode waarover weer afzonderlijk de minimumaanspraak op loon bestaat. Indien de oproepwerknemer op een dag zowel 's morgens een paar uur en 's middags een paar uur wordt opgeroepen om arbeid te verrichten waartussen een onderbreking ligt die voor betrokkene niet als reguliere werkpauze kan worden aangemerkt, bestaat bedoelde minimumaanspraak wel.

  2999. Artikel 629 (wel loon bij ziekte of ongeval) 1. Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1614c. 2. Lid 2 bevat de loonsanctie in geval van opzet, valse informatie, belemmering of vertraging van de genezing en niet-meewerken aan een reïntegratie (zie terzake de plicht van de werkgever in artikel 658a en de plicht van de werknemer in artikel 660a). 3. In lid 7 wordt voorgesteld te bepalen dat van het artikel niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken, met dien verstande dat schriftelijk kan worden overeengekomen dat de werkgever voor de eerste twee dagen van een periode van arbeidsongeschiktheid geen loon verschuldigd is.

  3000. Artikel 630 (verhindering tot voldoening van loon in natura) Het artikel stemt grotendeels overeen met het huidige artikel 1614u. De verwijzing naar het plaatselijk gebruik is ook hier, evenals in artikel 620, veralgemeend tot een verwijzing naar het gebruik. Omdat het gebruik waarschijnlijk voor een specieus geval als dit onvoldoende richtsnoer voor de rechter zou bieden, is de billijkheid expliciet in de bepaling opgenomen. In verband met de aanpassing van artikel 617 aan de hedendaagse loonvormen is ook artikel 630 aangepast. Het is immers niet logisch wel de toegestane loonvormen uit te breiden, doch bij de sanctie op de niet-tijdige voldoening daarvan aan te blijven knopen bij de klassieke loonvormen. Er is evenmin aanleiding de beperking in het huidige artikel 1614u tot inwoning, kost en andere levensbenodigdheden te handhaven. Een uitdrukkelijke bepaling over de nietigheid van afwijkende bedingen is opgenomen, met een formulering die in overeenstemming is met de regeling in titel 2 van Boek 3. 2024 -1078- No. 164

  3001. Artikel 631 (looninhouding en loonbesteding) 1. In dit artikel is de inhoud van de huidige artikelen 1613s en 1613t samengebracht, met enige wijzigingen. Artikel 1613s bedoelde in de eerste plaats de gedwongen winkelnering tegen te gaan. Het artikel gaat echter veel verder en verbiedt alle afspraken tussen werkgever en werknemer over de besteding van het loon. Artikel 1613t geeft een nadere sanctie voor die gevallen waarin de nietigheid die artikel 1613s aan het beding verbindt onvoldoende of geen effect zou hebben, de gevallen namelijk waarin ter uitvoering van het beding een volgovereenkomst is gesloten hetzij tussen de werkgever en de werknemer, hetzij tussen de werknemer en een derde. 2. Lid 1 betreft inhoudingen en lid 2 bestedingen. Lid 1 laat wel de mogelijkheid open voor de werknemer de werkgever herroepelijk te machtigen bedragen op het loon in te houden en daaruit betalingen te verrichten ten behoeve van bijvoorbeeld een zogenoemde personal-computer-privé- regeling of van een personeelsvereniging. Dit kunnen derhalve ook betalingen aan de werkgever zijn. Ook kan worden gedacht aan een door de werkgever opengesteld aandelenfonds waaraan de werknemer vrijwillig kan deelnemen. 3. In lid 3 wordt de uitzondering op de leden 1 en 2 gegeven, met een nadere bepaling in lid 4. Lid 3 correspondeert met het eerste onderdeel van het huidige lid 2 van artikel 1613s; vooral pensioenregelingen zijn van eminent belang voor werknemers. In titel 17 van Boek 7 wordt overigens een (verbeterde) bescherming tegen uitwinning van een levensverzekering in geval van derdenbeslag of faillissement geboden. 4. In lid 5 wordt ten aanzien van minderjarige werknemers verwezen naar artikel 612. 5. Het geval dat de werknemer op grond van het nietige beding een volgovereenkomst met de werkgever sluit en dat waarin hij dat met een derde doet zijn thans in hetzelfde artikellid, het zesde, geregeld. Evenals in de huidige wet, heeft de werknemer het recht datgene wat hij uit hoofde van de volgovereenkomst – hetzij aan de werkgever hetzij aan de derde – betaald heeft van de werkgever te vorderen. Voor de volgovereenkomst met de werkgever is, evenals in de huidige wet, een nadere bepaling opgenomen. Volgens de huidige wet is deze overeenkomst nietig. Nietigheid van de overeenkomst is echter in zoverre minder gelukkig dat ook de werkgever daarop een beroep zou kunnen doen, terwijl de bepaling de bescherming van de werknemer beoogt. Juister is het aan de werknemer de vrijheid te laten om, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, te beslissen of hij de overeenkomst wil vernietigen of in stand houden. Daarom krijgt hij in lid 6 de bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen. Als hij tot vernietiging besluit, worden de gevolgen, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of restitutie moet plaatsvinden, beheerst door de algemene regels in de artikelen 3:49 e.v. 6. De matigingsbevoegdheid van de rechter is gehandhaafd in het nieuwe lid 7. 7. Lid 8 correspondeert met het huidige lid 4 van artikel 1613t. Evenals in het nieuwe artikel 621 is de vervaltermijn gewijzigd in een verjaringstermijn. De bepaling geldt voor alle rechtsvorderingen op grond van het artikel. Omdat daarover enige onzekerheid bestaat, is thans aangegeven op welk tijdstip de termijn begint te lopen. Overeenkomstig hetgeen meestal in de literatuur wordt aangenomen, is het begin van de termijn gelegd bij het ontstaan van de vordering, dat wil dus zeggen zodra loon ingehouden is of een betaling op grond van het beding gedaan is.

  3002. Artikel 632 (verrekening) 1. Zie het huidige artikel 1614r. Omdat het artikel kan worden beschouwd als lex specialis die afwijkt van artikel 6:135, onderdeel a, en het niet gewenst is dat de beperking van de verrekeningsmogelijkheid die uit dat artikel voortvloeit niet zou gelden is in lid 2 uitdrukkelijk bepaald dat verrekening niet plaatsvindt op het deel van het loon waarop beslag niet geldig is; zie artikel 632a. Onder de huidige wet is het een zowel in de jurisprudentie als in de literatuur in verschillende zin beantwoorde vraag of beslag en compensatie beide tot hun wettelijk toegestane maximum naast elkaar mogelijk zijn dan wel de cumulatie uit de twee oorzaken beperkt is. Aangezien de ratio van de beperking ten aanzien van beslag zowel als die ten aanzien van compensatie is, te verzekeren dat de werknemer op de uitbetalingsdag de vrije beschikking krijgt over een redelijk gedeelte van zijn loon, wordt in lid 3 van het voorgestelde artikel uitdrukkelijk bepaald dat hetgeen de werkgever inhoudt uit hoofde van een op het loon gelegd beslag, in mindering komt van het voor verrekening toegelaten maximum. 2024 -1079- No. 164 2. Lid 4 maakt een beding dat de werkgever een ruimere bevoegdheid tot verrekening geeft vernietigbaar. In de praktijk behoeft het niet te gaan om een vernietiging van het hele beding, maar om een beroep op de vernietigingsgrond in een concreet geval.

  3003. Artikel 632a (beslagvrije voet) Hierin is de inhoud van het bestaande artikel 1614g overgenomen. Het gaat hier om het nettoloon (artikel 475a lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

  3004. Artikel 633(overdracht, verpanding en volmacht) 1. In dit artikel vindt men de regels over de overdracht en de in pandgeving en de volmacht tot de vordering van loon. In lid 1 wordt aangesloten bij de beslagvrije voet van artikel 632a. 2. In lid 2 is het vereiste dat de volmacht tot de vordering van loon schriftelijk moet worden verleend, ondergebracht, tezamen met de bepaling dat de volmacht herroepelijk is. De bijzondere bepalingen zijn naast de regeling van de volmacht in titel 3 van Boek 3 noodzakelijk: titel 3.3 gaat ervan uit dat de volmacht alleen aan een vorm is gebonden indien de wet dit vereist en in verband met artikel 3:74 van Boek 3 is een uitdrukkelijke bepaling over de herroepelijkheid noodzakelijk. Afdeling 3. Arbeidsbescherming gezin Hierin is de inhoud van de burgerrechtelijke gedeeltes van de recente Wet Arbeidsbescherming Gezin (S.B. 2019 no. 64) letterlijk overgenomen. Deze gedeeltes behoren, gelet op de codificatie-artikel 132 van de Grondwet, in het Burgerlijk Wetboek te staan. Het is de bedoeling dat meer gelijke behandelingsbepalingen in het BW worden opgenomen; hieraan wordt gewerkt. Het is wenselijk dat in de toekomst beter de hand wordt gehouden aan artikel 132 van de Grondwet, dus burgerlijk recht in het BW en strafrecht in het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 4. Vakantie en verlof De Vacantiewet (S.B. 1975 no. 164) wordt gehandhaafd. Duidelijkheidshalve wordt deze uitdrukkelijk van toepassing verklaard in artikel 634. Afdeling 5. Enkele bijzondere bedingen in de arbeidsovereenkomst

  3005. Artikel 650 (boetebeding) Hierin is het huidige artikel 1613u BW opgenomen. Indien de werkgever de mogelijkheid wil hebben aan de werknemer een boete op te leggen, zal in de arbeidsovereenkomst, een CAO daaronder begrepen, moeten worden vastgelegd in welke gevallen hij een boete kan opleggen. Voorts dient het bedrag schriftelijk voor iedere overtreding zijn vastgelegd. De algemene boeteregeling van de artikelen 6:91 tot en met 6:94 zijn ook in het arbeidsovereenkomstenrecht van toepassing, met de regeling van het onderhavige artikel 650.

  3006. Artikel 651 (boete en schadevergoeding) Ook op grond van het huidige artikel 1613v BW kan de werkgever ter zake van eenzelfde feit geen boete heffen én schadevergoeding vorderen. De eerste volzin van het voorgestelde artikel 651 stemt overeen met het bepaalde in artikel 6:92 lid 1, maar is van dwingend recht.

  3007. Artikel 652 (proeftijdbeding) Zie het huidige artikel 1615l. De nieuwe Nederlandse regeling terzake van de proeftijd, welke tamelijk gecompliceerd en daardoor niet praktisch is, is niet overgenomen. Om onduidelijkheid omtrent het proeftijdbeding te voorkomen, is voorgesteld dat een proeftijd alleen rechtsgeldig kan worden overeengekomen indien zij schriftelijk is aangegaan. De bestaande maximale duur van twee maanden wordt daarbij gehandhaafd. Binnen de twee maanden kunnen partijen twee proeftijden overeenkomen. Men denke aan het verlengen van een al aangevangen proeftijd met nog een nieuwe korte proefperiode, mits het totaal niet langer dan twee maanden wordt. 2024 -1080- No. 164

  3008. Artikel 653 (concurrentiebeding) Hierin is de inhoud van het huidige artikel 1613x BW opgenomen behoudens enkele wijzigingen. In lid 1 zijn de grenzen waarbinnen het concurrentiebeding kan worden aangegaan wat nauwer getrokken dan in de huidige wet. Een concurrentiebeding is een beding van een zo persoonlijk karakter en bovendien zo'n inbreuk op de vrijheid van de werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaam te zijn op een wijze die hij geheel zelf heeft gekozen, dat het met de werknemer persoonlijk aangegaan behoort te worden. Daarom is de mogelijkheid om het beding bij reglement aan te gaan geschrapt. Verder Is de redactie van het artikel enigszins gewijzigd om tot uitdrukking te brengen dat het concurrentiebeding (schriftelijk) overeengekomen moet worden tussen werkgever en werknemer en niet geldig is als het in een collectieve arbeidsovereenkomst is opgenomen, maar geen deel uitmaakt van de individuele arbeidsovereenkomst. In lid 2 is de toevoeging dat de rechter het concurrentiebeding kan vernietigen ‘hetzij op vordering van de arbeider, hetzij ingevolge diens daartoe strekkend verweer in een geding’ vervallen. Zij zijn overbodig naast artikel 3:51. Het in de huidige tekst voorkomende woord ‘te niet doen’ is vervangen door ‘vernietigen’ om aan te sluiten op de regeling van de gerechtelijke vernietiging van rechtshandelingen in de artikelen 3:51 e.v. Het in artikel 1613 x van het huidige wetboek voorkomende lid 4 omtrent de rechterlijke bevoegdheid een wegens overtreding van de concurrentieclausule bedongen schadevergoeding te matigen wordt niet meer opgenomen. De nieuwe, algemene regeling in artikel 6:94, die zowel het boete-element als het element van de vooraf gefixeerde schadevergoeding betreft, kan toepassing vinden. De zinsnede ‘verplicht is tot vergoeding van schade’ is vervangen door ‘schadeplichtig is’. Afdeling 6. Enkele bijzondere verplichtingen van de werkgever

  3009. Artikel 654 (kosten schriftelijke arbeidsovereenkomst) 1. Lid 1 stemt overeen met het huidige artikel 1613d BW, met dien verstande dat nu ook wordt bepaald dat de kosten van een wijziging van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor rekening van de werkgever is. 2. Lid 2 is nieuw en strekt ertoe aan beide partijen duidelijkheid te verschaffen omtrent de rechten en verplichtingen die bij het tot stand komen of een wijziging van de arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, waardoor onzekerheden en ongenoegen in de onderlinge verhoudingen in de toekomst kan worden voorkomen. In de huidige praktijk is het gebruikelijk dat aan de werknemer een afschrift gegeven wordt. Het verdient aanbeveling de verplichting daartoe als rechtsregel vast te leggen. De werknemer kan nakoming hiervan vorderen. Het niet nageleefd zijn of worden van deze verplichting betekent uiteraard niet dat de arbeidsovereenkomst niet zou bestaan of ongeldig is geworden.

  3010. Artikel 655 (informatieplicht) 1. Anders dan het op Europese regelgeving gebaseerde artikel 7:655 Ned.BW (ingevoerd bij wet van 2 december 1993, Stb. 636; Kamerstukken 22 810), is de werkgever tot de hier omschreven informatieverstrekking pas verplicht als erom gevraagd is. In Suriname bestaat geen traditie van ongevraagde uitgebreide informatieverstrekking en het opleggen daarvan zou een aanmerkelijke administratieve last voor de werkgevers betekenen. 2. Zie nog wel artikel 626 ten aanzien van het loonstrookje. Met dit artikel wordt in lid 2 rekening gehouden, alsmede met de mogelijkheid dat een schriftelijke arbeidsovereenkomst, een CAO of een publiekrechtelijke regeling bestaat. 3. Lid 3 geeft schadeplichtigheid als sanctie, al zal schade zich niet spoedig voordoen voor de werknemer. Men denke bijvoorbeeld aan de mogelijkheid dat de werkgever de werknemer jarenlang onjuist heeft geïnformeerd omtrent het aantal vakantiedagen en de rechtsvordering van de werknemer terzake ingevolge artikel 642 verjaard is. 2024 -1081- No. 164 4. De leden 4 en 5 betreffen andere arbeidsverhoudingen. Gedacht moet worden aan voorovereenkomsten die bij oproeparbeid en uitzendarbeid worden gebruikt en aan een restcategorie waardoor ook in gevallen dat een arbeidsovereenkomst niet kan worden aangenomen de informatieplicht bestaat. Uiteraard kunnen twijfels ontstaan ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van ‘aangaan in beroep of bedrijf’, bijvoorbeeld bij thuiswerk. Van belang zal hierbij zijn of voor wisselende opdrachtgevers wordt gewerkt. De bedoeling is een afbakeling te geven ten opzichte van het freelance contract. Maar als onder deze naam in feite op basis van een arbeidsovereenkomst wordt gewerkt, is de regeling wel van toepassing. De regeling is niet van toepassing op de handelsagent, waarvoor de artikelen 428 e.v. een eigen regeling geven.

  3011. Artikel 656 (getuigschrift) 1. De huidige verplichtingen van de werkgever inzake het getuigschrift zijn te vinden in artikel 1614z BW. Nieuw is de in lid 1 vastgelegde eis dat het getuigschrift de arbeidsduur per dag of per week vermeld. Op deze wijze wordt rekening gehouden met het toenemende belang van deeltijdarbeid. De omvang van arbeidstijd kan worden uitgedrukt in het aantal wekelijkse werkuren of in een percentage van de gebruikelijke wekelijkse arbeidsduur. 2. In lid 5 zijn de woorden ‘tegen beter weten’ (zie het huidige lid 3) die wel erg eng zijn, vervangen door ‘opzet of schuld’, waarmee tevens een betere aansluiting op de terminologie van Boek 6 is verkregen. 3. In lid 6 is, evenals dat op andere plaatsten is titel 7.10 is gebeurd, de in lid 4 van het huidige artikel neergelegde bepaling dat elk beding, waardoor de verplichtingen van de werkgever worden uitgesloten, nietig is, vervangen door de bepaling dat niet ten nadele van de werknemer afgeweken kan worden, zodat het thans om een vernietigbaarheid gaat.

  3012. Artikel 657a (geen arbeid op zondag) Deze bepaling laat onverlet eventuele bijzondere regelingen ten aanzien van de werktijd (bijvoorbeeld wat betreft de noodzaak van een vergunning van overheidswege).

  3013. Artikel 657b (inwonende werknemer) In de Nederlandse titel 7.10 zijn de artikelen, waarin regels werden gegeven met betrekking tot inwonende werknemers vervallen. Blijkens de Nederlandse Memorie van Toelichting (Kamerstukken 23 438, nr. 3, p. 7) is het aantal inwonende werknemers in Nederland zeer gering en zijn de betreffende bepalingen overbodig geworden. Dit gaat niet op voor Suriname. Van de huidige regeling kunnen echter de bepalingen betreffende het loon vervallen, in verband met het nieuwe artikel 620 lid 3. De overige bepalingen zijn overgebracht naar het onderhavige artikel 657b. lid 2 bepaalt uitdrukkelijk dat van het artikel niet mag worden afgeweken.

  3014. Artikel 658 (zorgverplichting en aansprakelijkheid werkgever) 1. Dit artikel is een bewerkte versie van het huidige artikel 1614x BW, waarin een inspanningsverplichting voor de werkgever is neergelegd om de werknemer te beschermen tegen gevaar voor persoon (‘lijf en eerbaarheid’) of goed en een regeling is gegeven voor een aansprakelijkheid van de werkgever voor schade ten gevolge van het niet nakomen van die verplichting. Het nieuwe Burgerlijk Wetboek bevat thans in Boek 6 een aantal algemene bepalingen, bijvoorbeeld de artikelen 6:74, 6:75, 6:77, 6:95, 6:101, 6:106, aan de hand waarvan de vragen die zich op het terrein van artikel 1614x voordoen beantwoord kunnen worden en waarbij bovendien ongeveer hetzelfde resultaat bereikt zal worden als thans op grond van artikel 1614x BW. De vraag rijst dus of een bijzondere regeling in titel 7.10 thans nog noodzakelijk is. Die vraag is bevestigend beantwoord. In de eerste plaats is er reden voor het opnemen van bijzondere regels betreffende de mogelijkheid voor de werkgever om zijn aansprakelijkheid uit te sluiten of te beperken, en de invloed van eigen schuld van de werknemer. En in de tweede plaats is er aanleiding in de wet een regel neer te leggen over de verdeling van de bewijslast. 2024 -1082- No. 164 2. In lid 1 wordt de verplichting van de werkgever omschreven. De voorgestelde redactie sluit vrij nauw aan op die van het huidige artikel 1614x lid 1, BW. Die verplichting is rechtstreeks gericht op het voorkomen van schade voor de werknemer, niet op de bescherming tegen gevaar zoals in artikel 1614x. Hierdoor wordt een strakkere lijn verkregen. De aanduiding ‘gevaar voor lijf, eerbaarheid en goed’ komt in het nieuwe artikel niet meer voor. Dit houdt overigens op generlei wijze een beperking in van de mogelijkheid de werkgever aansprakelijk te stellen ten opzichte van de thans bestaande mogelijkheden. De werkgever die wordt aangesproken kan zich bevrijden door het bewijs te leveren van artikel 6:74 lid 1, slot, in verbinding met de artikelen 6:75 tot en met 6:77. De werkgever is evenmin aansprakelijk indien hij bewijst dat aan de zijde van de werknemer sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid; zie hierna. 3. De aansprakelijkheid van de werkgever in lid 2 voor de schade die de werknemer lijdt, omvat een aansprakelijkheid voor vermogensschade en voor ander nadeel (smartengeld); men zie artikel 6:106. 4. De vervanging van het begrip dienstbetrekking, welk woord in de nieuwe titel zo veel mogelijk is vermeden, door werkzaamheden, houdt geen wijziging van de werkingssfeer in. 5. In lid 2 vindt men de bepaling dat het bewijs dat de werkgever zijn verplichtingen is nagekomen door de werkgever geleverd moet worden. Bij de procedure op grond van het huidige artikel 1614x BW rust de bewijslast voor het niet-nakomen door de werkgever van zijn verplichtingen in beginsel op de werknemer. De bewijslastverdeling van artikel 1614x wordt algemeen als verouderd beschouwd. De Hoge Raad is in zijn arrest van 25 juni 1982, NJ 1983, 151 al enigszins tegemoet gekomen aan de kritiek op de bewijslastverdeling van artikel 1614x door te beslissen dat de rechter aan de omstandigheden van het geval vermoedens kan ontlenen op grond waarvan hij de bewijslast geheel of ten dele op de werkgever kan leggen. Een regel waardoor de bewijslast steeds omgekeerd wordt, kan echter, daar de wetgever zich eerder zo uitdrukkelijk over het onderwerp heeft uitgelaten, slechts van de wetgever komen. De nieuwe regel van lid 2 neemt overigens niet weg dat het in beginsel aan de werknemer is te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden bestaat (HR 23-6-2006, NJ 2006, 354). 6. De werkgever is verder niet aansprakelijk als hij aantoont dat de schade in belangrijke mate mede aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf te wijten is. Het begrip ‘grove schuld’ in artikel 1614x is in de nieuwe tekst vervangen door ‘opzet en bewuste roekeloosheid’. In de jurisprudentie wordt het begrip ‘grove schuld’ reeds zo uitgelegd. In artikel 6:170, dat over de schade toegebracht door een ondergeschikte handelt, is eveneens de term ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ gebezigd. Er is geen reden deze terminologie niet over te nemen. 7. De schadevergoedingsverplichting van de werkgever wordt door schuld, niet bestaande in opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, niet beïnvloed. De regel kan gezien worden als een uitwerking van artikel 6:101. Dit artikel bepaalt dat bij eigen schuld van de benadeelde de schade in evenredigheid verdeeld wordt over de benadeelde en de vergoedingplichtige maar dat van de gegeven algemene norm van verdeling van de schade bij eigen schuld van de benadeelde afgeweken kan worden als de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Het is, nu de schade binnen een dienstverband wordt opgelopen en het de werkgever is die in eerste instantie de arbeidsomstandigheden bepaalt, billijk, schuld van de werknemer die niet bestaat in opzet of bewuste roekeloosheid, voor rekening van de werkgever te laten komen. Voor het thans geldende artikel 1614x heeft de Hoge Raad bij arrest van 9 januari 1987, NJ 1987, 948 beslist dat de werkgever volledig aansprakelijk is als de werknemer schuld treft, maar dit geen grove schuld is. Het ontwerp sluit dus aan op het geldende recht. 8. De bepaling in het laatste lid van het huidige artikel 1614x dat een beding waardoor de verplichting van de werkgever wordt uitgesloten of beperkt, nietig is, is, zoals dat ook op andere plaatsen in het ontwerp gedaan is, vervangen door de bepaling dat niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken. Toegevoegd is een bepaling dat ook niet ten nadele van de werknemer afgeweken kan worden van hetgeen in titel 6.3 bepaald is. Toepasselijkheid van het voorgestelde artikel 658 sluit niet uit dat de werknemer de werkgever op grond van onrechtmatige daad of een der bepalingen 2024 -1083- No. 164 van afdeling 6.3.2 aanspreekt, ook niet als daaruit een verdergaande aansprakelijkheid voortvloeit. Dit strookt met het huidige recht. De verwijzing naar titel 6.3 strekt er vooral toe zeker te stellen dat de werkgever zich ook niet voor verdergaande wettelijke aansprakelijkheden kan vrijtekenen. Het zou onwenselijk zijn als de werkgever aansprakelijkheid uit titel 6.3 zou kunnen uitsluiten. 9. In het thans voorgestelde artikel komt, anders dan in het huidige artikel 1614x, geen bepaling voor over de aansprakelijkheid van de werkgever tegenover de nabestaanden van een overleden werknemer. Dat is niet gedaan omdat de algemene regeling van artikel 6:108, die niet meer slechts de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad betreft, maar ook de aansprakelijkheid uit overeenkomst, voldoende is.

  3015. Artikel 658a (reïntegratie arbeidsongeschikte werknemer) 1. Met dit artikel wordt de jurisprudentie op grond van het huidige artikel 1614y BW (‘goed werkgever’; zie het voorgestelde artikel 611) gecodificeerd met betrekking tot de op de werkgever rustende verplichting om te bevorderen dat zijn werknemer, die wegens ziekte niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de arbeid te hervatten. In dit verband wordt met name verwezen naar HR 3 februari 1978, NJ 1978, 248 (Roovers/De Toekomst), HR 8 november 1985, NJ 1986, 309 (Van Haaren/Cehave), HR 13 december 1991, NJ 1992, 441 (Goldsteen/Roeland) en HR 26 september 2001, JAR, 2001, 238 (Bons/Ranzijn). De plicht van de werknemer om mee te werken aan de reïntegratie is neergelegd in artikel 660a; zie ook artikel 629 lid 2 onderdelen c en d. 2. In Nederland is voorts bepaald (in een tweede volzin van lid 1) dat wanneer binnen het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid aanwezig is de werkgever dient te bevorderen, bijvoorbeeld door inschakeling van een reïntegratiebureau, dat de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever wordt ingeschakeld. Mede gelet op de kleinschaligheid van het bedrijfsleven in ons land gaat deze verplichting ondergetekenden te ver. Voorgesteld wordt dan ook bedoelde verplichting in ons land niet te introduceren. 3. Het Nederlandse lid 2 van 658a schrijft voor dat de werkgever in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak dient op te stellen, is gebaseerd op het bepaalde in artikel 71a lid 2, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke bepaling in de sociale verzekeringswetgeving in Suriname niet voorkomt. Voorgesteld wordt ook dit artikellid niet over te nemen. 4. Voorts wordt voorgesteld ook het Nederlandse artikel 658b, dat eveneens is gebaseerd op de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving, niet over te nemen. 5. Tenslotte wordt erop gewezen dat met ingang van 29 december 2005 in Nederland de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Stb. 2005, 619) in werking is getreden. Daarbij is onder meer de tekst van lid 1 van artikel 658a gewijzigd. Deze wijziging is alhier niet van belang en is derhalve niet overgenomen. Afdeling 7. Enkele bijzondere verplichtingen van de werknemer

  3016. Artikel 659 (arbeid zelf verrichten, geen dwangsom of gijzeling) 1. Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 1615a. De bepaling vormt een uitwerking van artikel 6:30 dat bepaalt dat een ander dan de schuldenaar de verbintenis kan nakomen tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet. Het artikel is momenteel bijvoorbeeld van belang voor de duiding van contracten, bijvoorbeeld met oproep- en afroepkrachten, waarbij overeengekomen is dat de arbeidskracht zich door een derde mag laten vervangen, in die zin dat zo'n afspraak niet in de weg hoeft te staan aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst. 2. Lid 2 is nieuw. Het bepaalt – met het oog op het recht van vrijheid van arbeidskeuze – dat nakoming van de arbeidsverplichting van de werknemer onder de bepaling van een dwangsom of van gijzeling niet is toegestaan. 2024 -1084- No. 164

  3017. Artikel 660 (instructies werkgever) 1. De verplichting zich te houden aan instructies van de werkgever is thans neergelegd in artikel 1615b. De woorden ‘al dan niet tegelijk met andere werknemers’ aan het slot zijn nieuw ingevoegd. Hierdoor wordt verworpen de in oude literatuur (in verband met een poging aldus een scherpe afscheiding te vinden tussen deze voorschriften en de voorschriften van het reglement) gebruikelijke opvatting dat artikel 1615b uitsluitend betrekking heeft op aan de individuele werknemer persoonlijk gegeven instructies, en wordt de in latere literatuur gegeven en in de praktijk doelmatige en steeds gevolgde opvatting duidelijk aanvaard, dat de werkgever bevoegd is werkinstructies en ordevoorschriften binnen de in het artikel omschreven perken eenzijdig ook voor alle werknemers tegelijk te geven, hetzij mondeling hetzij bijvoorbeeld door aanplakking of per circulaire. 2. Wat betreft de ‘goede orde’ kan worden gedacht aan het dragen van een helm of bedrijfskleding, een rookverbod, een verbod op het gebruik van alcoholhoudende dranken enz. De grens van de gezagsbevoegdheid ingevolge artikel 610 en de onderhavige plicht ingevolge artikel 660 is moeilijk te trekken. 3. Lid 2 is thans neergelegd in artikel 1615c. In Nederland is deze verplichting niet langer in het Burgerlijk Wetboek opgenomen. Anders dan in Nederland komt het verschijnsel van inwoning bij de werkgever alhier veelvuldig voor, zodat het wenselijk is deze verplichting van de inwonende werknemer te handhaven; men zie ook de toelichting bij artikel 657b.

  3018. Artikel 660a (verplichtingen werknemer bij ziekte) Dit artikel is de spiegelbepaling van artikel 658a; men zie aldaar. De werknemer moet meewerken aan de reïntegratie. Men zie ook de sanctie van artikel 629 lid 2, onderdelen c en d, ter zake van de stopzetting van de doorbetaling van loon; uiteindelijk kan ook opzegging gerechtvaardigd zijn.

  3019. Artikel 661 (aansprakelijkheid werknemer) Een werkgever dan wel een derde kan schade lijden door toedoen van een werknemer, door uitvoering door de laatste van diens functie. Dit artikel bevat een uitzondering op de hoofdregel dat degene die schade toebrengt daarvoor ook aansprakelijk is. Het artikel keert deze regel om door te bepalen dat de werknemer juist niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van diens opzet of roekeloosheid. Onverlet blijft dat een derde de werknemer rechtstreeks aansprakelijk stelt uit onrechtmatige daad, maar ingevolge artikel 6:170 lid 3 hoeft de werknemer, indien zowel werkgever als werknemer aansprakelijk is, in de onderlinge verhouding de schade niet te dragen, tenzij sprake is van opzet of roekeloosheid. Het onderhavige artikel 661 is in beginsel van dwingend recht (lid 2). Afdeling 9. Einde van de arbeidsovereenkomst § 1. Algemeen

  3020. Artikel 667 (einde van rechtswege en opzegging) 1. De leden 1 en 2 van dit artikel komen overeen met het huidige artikel 1615e, behoudens dat onderdeel c van lid 2 verduidelijkt is. In geval van stilzwijgende voortzetting is een opzegging en dus in beginsel ook een vergunning als bedoeld in de Ontslagwet nodig. In zoverre verschilt het Surinaamse arbeidsrecht van dat in Nederland en in de Nederlandse Antillen (sedert de flexibiliseringswetgeving aldaar). Bij een uitdrukkelijke voortzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is ook in Suriname geen opzegging nodig, aldus de (recente) Surinaamse rechtspraak (Kantonrechter, eerste kanton, 29-11-2007, AR no. 073973, Blank v. Canadian Bank Note Suriname N.V.). 2. Een opzegging in strijd met het nieuwe lid 3 is onregelmatig, hetgeen schadeplichtigheid jegens de werknemer impliceert. 2024 -1085- No. 164 3. Ingevolge de nieuwe leden 4 en 5 wordt de verplichting van opzegging opgenomen in geval een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd binnen drie maanden na de beëindiging daarvan wordt voortgezet middels een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (de zogenaamde Ragetlie-regel: HR 4-4-1986, NJ 1987, 678, Ragetlie v. SLM). Opzegging van de voortgezette arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na afloop van een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd is nodig, indien de daaraan voorafgaande dienstbetrekking voor onbepaalde tijd niet door rechtsgeldige opzegging of ontbinding door de rechter is geëindigd. Met andere woorden: in geval van een nietige opzegging (strijd met ontslagverbod), onregelmatige opzegging (strijd met opzeggingsbepalingen) of na beëindiging met wederzijds goedvinden van het contract voor onbepaalde tijd, is - bij voortzetting daarvan binnen drie maanden - wèl opzegging vereist. Daardoor kan, in tegenstelling tot bij andere contracten voor bepaalde tijd, geen sprake zijn van beëindiging van rechtswege. Deze opzeggingsverplichting is van dwingendrechtelijke aard, zodat er bij het aangaan van de voortgezette overeenkomst voor bepaalde tijd niet van kan worden afgeweken. Wèl kan het voortgezette contract te allen tijde met wederzijds goedvinden worden beëindigd, mits de werknemer duidelijk en ondubbelzinnig instemt met die beëindiging. § 2. Omzetting arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd In deze paragraaf is de inhoud van de burgerrechtelijke gedeeltes van de recente Wet Omzetting Arbeidsovereenkomst voor Bepaalde Tijd in Arbeidsovereenkomst Onbepaalde Tijd (S.B. 2018 no. 93) letterlijk overgenomen. Deze gedeeltes behoren, gelet op de codificatie-artikel 132 van de Grondwet, in het Burgerlijk Wetboek te staan.

  3021. Artikel 667h huwelijk, zwangerschap of bevalling Deze bepalingen maken ieder beding dat een ontbindende voorwaarde wegens huwelijk, zwangerschap of bevalling inhoudt, nietig zodat de werkgever zich op een dergelijk beding niet in rechte kan beroepen.

  3022. Artikel 668 (voortzetting voor bepaalde tijd) Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 1615f.

  3023. Artikel 668b (arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 1615g. § 3. Opzegging

  3024. Artikel 669 (opgave ontslagreden) De opgezegde krijgt het recht schriftelijk de reden van opzegging te vernemen. Een bijzondere sanctie op weigering om de reden schriftelijk op te geven is niet voorzien en ook niet nodig. In de procedure ter verkrijging van de ontslagvergunning ingevolge de Ontslagwet zal de reden van de voorgenomen beëindiging schriftelijk worden genoemd (artikel 4 lid 2 onder d van de Wet). Indien de werknemer zou willen ageren op grond van kennelijk onredelijk ontslag, zal een weigering deze reden schriftelijk mee te delen het oordeel of er sprake is van kennelijke onredelijkheid kunnen kleuren. Ten slotte heeft de opgezegde werknemer de mogelijkheid om in rechte een gebod uit te lokken tot schriftelijke mededeling van de ontslagreden. De plicht om desverlangd opgave van reden van de opzegging te doen geldt ook voor wat de opzegging tijdens de proeftijd betreft. Dit kan van belang zijn, nu een opzegging tijdens de proeftijd getoetst kan worden aan bijvoorbeeld discriminatieverboden.

  3025. Artikel 670 tot en met 670c (opzegverboden) Hierin zijn de opzegverboden uit de recente Ontslagwet 2018 (S.B. 2018 no. 94) opgenomen. Deze behoren, gelet op de codificatie-artikel 132 van de Grondwet, in het Burgerlijk Wetboek te staan. 2024 -1086- No. 164

  3026. Artikel 672 (opzegtermijn) Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 1615h lid 1 en artikel 1615i, met enige aanvullingen. De regeling omtrent de opzeggingsdag wordt gewijzigd. Hierdoor wordt opzegging van een arbeidsovereenkomst tegen iedere dag mogelijk, tenzij anders overeengekomen. Voorts is voorgesteld het systeem van berekening van de opzegtermijnen aanzienlijk te vereenvoudigen. Bovendien sluit het voorgestelde systeem goed aan bij de nieuwe bepalingen omtrent voortgezette arbeidsovereenkomsten. In lid 4 wordt een belangrijke voorziening getroffen tot beperking van de cumulatie van de verschillende termijnen. Daarin is bepaald dat, indien de werkgever beschikt over de ontslagvergunning ingevolge de Ontslagwet (voor zover die regeling van toepassing is), hij de opzegtermijn mag verkorten met de duur van de besluitvorming (maximaal dertig dagen), met dien verstande dat de uiteindelijke opzegtermijn ten minste een maand blijft bedragen.

  3027. Artikel 674 (overlijden werknemer) Lid 1 correspondeert met het huidige artikel 1615j. De overige leden, betreffende een overlijdensuitkering zijn nieuw. In Nederland is de overlijdensuitkering ingevoerd bij wet van 14 september 1970, Stb. 420. Het huidige Burgerlijk Wetboek kent de verplichting van de werkgever om aan de nagelaten betrekkingen van de overleden werknemer een uitkering te doen niet. Het opnemen van een dergelijke verplichting heeft niet het karakter van een ingrijpende wijziging. Een aantal CAO’s kent reeds de ‘overlijdensuitkering’, terwijl in de praktijk werkgevers ook wel onverplicht de uitkering doen.

  3028. Artikel 675 (overlijden werkgever) Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1615k.

  3029. Artikel 676 (proeftijd) Zie hetgeen bij artikel 652 is opgemerkt.

  3030. Artikel 677 (dringende reden voor ontslag; schadeplichtigheid wegens onregelmatige opzegging) 1. Dit artikel correspondeert met het huidige artikel 1615o. 2. In lid 5 wordt uitdrukkelijk bepaald dat schending van de opzegverboden de werkgever op zich niet schadeplichtig maakt, maar de schending geeft de werknemer het recht de opzegging te vernietigen; zie ook artikel 647 lid 4 en artikel 648 lid 3. De werknemer heeft twee maanden de tijd om de opzegging te vernietigen (lid 5 van het onderhavige artikel 677); artikel 3:55 is niet van toepassing omdat een doorkruising van de termijn van twee maanden onwenselijk is; men lette ook op de verjaringstermijn van artikel 683 lid 2. In beginsel is niet uitgesloten dat de werknemer terugkomt op een vernietiging en zich vervolgens baseert op een onregelmatig ontslag en schadeplichtigheid (HR 7- 10-1994, NJ 1995, 171 en HR 7-6-2002, NJ 2003, 125). Artikelen 678 en 679 (dringende reden voor de werkgever en voor de werknemer) Deze bepalingen corresponderen met de huidige artikelen 1615p en 1615q. lid 2 geeft telkens slechts (niet- limitatieve) voorbeelden van een dringende reden. In artikel 678 lid 2, onderdeel c, is naast dronkenschap het drugsmisbruik toegevoegd.

  3031. Artikel 680 (gefixeerde schadevergoeding) Dit artikel correspondeert met het huidige artikel 1615r. 2024 -1087- No. 164

  3032. Artikel 680a (matiging loonvordering) 1. Dit artikel geeft de rechter de mogelijkheid in voorkomende gevallen een loonvordering te matigen. Het beoogt de onwenselijke situatie te voorkomen waarin een loonvordering onbeperkt kan oplopen zonder dat met de omstandigheden van het geval rekening kan worden gehouden; vergelijk HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207. De bevoegdheid tot matiging strekt er alleen toe een onaanvaardbaar nevenresultaat van de vernietigbaarheid van een opzegging te vermijden. De matigingsbevoegdheid is voorts beperkt tot het loon dat voor de duur van de opzegtermijn van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 672 verschuldigd zou zijn, en gaat in ieder geval niet verder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. 2. Zie ook lid 5 van artikel 680. Op grond van deze laatste bepaling heeft de rechter een matigingsbevoegdheid ten aanzien van de schadevergoeding na de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang.

  3033. Artikel 681 (kennelijk onredelijke opzegging) 1. Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1615s. 2. Het Nederlandse onderdeel e van lid 2 inzake ernstige gewetensbezwaren is niet overgenomen. Er zijn in Suriname geen zaken bekend waarin ernstige gewetensbezwaren een rol speelden. Dat de werkgever rekening moet houden met ernstige gewetensbezwaren van de werknemer volgt reeds uit artikel 611: de werkgever moet zich als goed werkgever gedragen. Bij de toepassing en interpretatie van dit artikel moet mede rekening worden gehouden met de in internationale verdragen verwoorde grondrechten van vrijheid van denken, geweten en godsdienst en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

  3034. Artikel 682 (herstel van de arbeidsovereenkomst) 1. Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1615t. Door de afkoopbaarheid van de veroordeling tot herstel en de veelal bestaande mogelijkheid om de Ontslagwet in te roepen wordt betrekkelijk weinig een beroep gedaan op de onderhavige bepaling. Een verzoek om herstel kan gecombineerd worden met een verzoek tot veroordeling tot schadevergoeding; op grond van lid 2 kunnen eventuele bovenmatigheden worden gereguleerd. 2. De mogelijkheid van een veroordeling van de werknemer om weer bij de werkgever in dienst te treden na een ontslagneming, wordt echter geschrapt. Deze bepaling kan worden gezien als een beperking van het recht van de werknemer om in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden. Werkelijke betekenis heeft de bepaling niet meer. Beëindiging van de dienstbetrekking door de werknemer kan hem dus alleen schadeplichtig maken in de zin van artikel 677 of hem verplichten tot een schadevergoeding op grond van artikel 681 lid 1.

  3035. Artikel 683 (verjaringstermijn) 1. Lid 1 correspondeert met het huidige artikel 1615v. 2. Onderscheiden moeten worden de inroeping van de nietigheid wegens overtreding van een opzegverbod (binnen twee maanden) en loonvorderingen e.a. die naar aanleiding daarvan worden ingesteld. De verjaringstermijn van zes maanden geldt ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel 683 (in verbinding met artikel 677 lid 5) ook voor vorderingen (tot feitelijk herstel of loon) in verband met de vernietiging van de opzegging wegens strijd met een opzeggingsverboden van artikel 670.

  3036. Artikel 684 (opzegging arbeidsovereenkomst met looptijd van meer dan vijf jaar) Lid 1 correspondeert met het huidige artikel 1615w. De bepaling is van dwingend recht. Een verboden afwijking is niet van rechtswege nietig, maar vernietigbaar (lid 2).

  3037. Artikel 685 (ontbinding wegens gewichtige redenen) 1. Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1615x, behoudens dat thans wel hoger beroep is opengesteld. De ontbinding is een dermate belangrijke maatregel dat de uitsluiting van hoger beroep als een anomalie moet worden beschouwd. 2024 -1088- No. 164 2. Aan lid 1 is toegevoegd dat de rechter zich bij een verzoek om ontbinding ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod (bijvoorbeeld wegens ziekte) voor de betrokken werknemer. Dit betekent dus, dat de rechter bij zijn beoordeling rekening houdt met de strekking van de opzegverboden. 3. Wat betreft lid 3, zij erop gewezen dat ingevolge artikel 429c lid 7, Rv mede bevoegd is de kantonrechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk werd verricht. 4. Om de behandeling van de zaak te bespoedigen is in lid 6, in aanvulling op artikel 429f Rv, bepaald dat de behandeling plaats vindt uiterlijk in de vijfde week na de indiening van het verzoekschrift.

  3038. Artikel 686 (ontbinding wegens tekortkoming in de nakoming) Deze bepaling correspondeert met het huidige artikel 1615y. Afdeling 10 (artikelen 687 tot en met 689). Bijzondere bepalingen voor handelsvertegenwoordigers 1. Een handelsvertegenwoordiger is iedere werknemer die ten behoeve van zijn werkgever overeenkomsten sluit en van wie het loon niet of niet geheel naar tijdruimte is vastgesteld maar geheel of gedeeltelijk uit provisie bestaat. Men denke hierbij aan een ‘salesmanager’, ‘salespromotor’, buitendienstmedewerker enzovoort. 2. De term handelsvertegenwoordiger onderscheidt zich in voldoende mate van het begrip vertegenwoordiger, dat wordt gebezigd indien een door deze verrichte rechtshandeling wordt toegerekend aan een vertegenwoordigde. De handelsvertegenwoordiger kan overigens als vertegenwoordiger in deze zin in naam van de patroon overeenkomsten sluiten, maar kan ook bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling verlenen. In dit laatste geval is een handelsvertegenwoordiger niet als vertegenwoordiger in de hierboven gegeven zin aan te merken. 3. De handelsvertegenwoordiger onderscheidt zich van de handelsagent doordat de eerste in dienst is van de patroon. Desalniettemin behoeven zij op vele punten een gelijke bescherming. Men denke bijvoorbeeld aan wettelijke beperkingen betreffende de omvang van de aansprakelijkheid uit een beding van delcredere (zie artikel 7:429). Voorts zijn de bepalingen aangaande de provisiebetaling voor beide van gelijk belang. Mede ter verzekering van deze laatste looncomponent is een aparte wettelijke regeling voor de handelsvertegenwoordiger wenselijk. 4. De kern van deze regeling bestaat uit het van overeenkomstige toepassing verklaren van bepalingen van afdeling 4 van titel 7 van Boek 7 (Agentuurovereenkomst), waarin onder meer de betaling van provisie aan de handelsagent centraal staat. De handelsagent en de handelsvertegenwoordiger behoeven immers een gelijke bescherming voor wat betreft het ontstaan van het recht op provisie en het moment van verschuldigdheid daarvan. Zonder wettelijke regeling zouden hier in de praktijk tal van vragen kunnen rijzen en zou er te veel ruimte zijn om voor de handelsvertegenwoordiger ongunstige regelingen te treffen. Handhaving van een aparte regeling voor de overeenkomst van handelsvertegenwoordiging is dan ook op haar plaats. 5. Met de plaatsing van de regeling van de handelsvertegenwoordiger in de onderhavige titel 10 van Boek 7 (Arbeidsovereenkomst) wordt beoogd duidelijk aan te geven dat de regeling van de arbeidsovereenkomst, behoudens voor zover anders bepaald, onverkort van toepassing is. Afdeling 11 (artikelen 690 en 691). Bijzondere bepalingen ter zake van de uitzendovereenkomst De Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door Intermediairs (S.B. 2017 no. 42) is van toepassing wordt hier duidelijkheidshalve uitdrukkelijk van toepassing verklaard. 2024 -1089- No. 164 TITEL 12 - AANNEMING VAN WERK Afdeling 1. Aanneming van werk in het algemeen

  3039. Artikel 750 (definitie) 1. Als kenmerkende eigenschappen van het aannemingscontract noemt artikel 750: de verplichting van de aannemer om een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen, buiten dienstbetrekking en tegen een door de aanbesteder te betalen prijs. Aanneming van werk van een niet stoffelijk karakter valt niet onder deze titel maar onder titel 7.7 BW (opdracht). 2. Artikel 750 eist niet dat het bedrag van de door de aanbesteder te bepalen prijs bij de overeenkomst moet zijn bepaald. In zeer veel gevallen gebeurt dit niet en wordt er van uitgegaan dat de aannemer de voor hem of in zijn branche normale prijs zal berekenen als uitgewerkt in 752. Als er bij het sluiten van de overeenkomst niet over een prijs is gesproken, zal op grond van de omstandigheden moeten worden uitgemaakt of een vergoeding in de bedoeling van partijen lag. 3. De definitie in artikel 750 is zo geformuleerd dat zij ook de zgn. regie-contracten kan omvatten. Wel zijn niet alle bepalingen van deze titel van toepassing op dit soort overeenkomst (met name niet artikel 753).

  3040. Artikel 751 (uitvoering door anderen) 1. In de moderne maatschappij past het beginsel dat de aannemer het werk door anderen mag laten uitvoeren mits onder zijn leiding. Zelfs kan men zich afvragen of het niet als beginsel (behoudens afwijkende overeenkomst of gebruik) aan de aannemer vrij zou moeten staan ook de leiding van het werk aan anderen over te laten, uiteraard met behoud van de verantwoordelijkheid van de aannemer jegens de aanbesteder. Toch zou daarmee geen recht worden gedaan aan het belang voor de aanbesteder van de keuze van een aannemer, welk belang zeker niet hoofdzakelijk bepaald wordt door de solvabiliteit van de aannemer. Natuurlijk kan de aard van de overeenkomst ook de bevoegdheid voor de aannemer meebrengen het hele werk aan een ander over te laten. 2. Mag de aanbesteder er in het algemeen dus van uitgaan dat de leiding van het gehele werk bij de aannemer berust, hij zal er in het normale geval geen bezwaar tegen kunnen maken dat onderdelen ervan tot stand komen onder leiding van anderen, die daartoe door de aannemer zijn ingeschakeld. Aan de verantwoordelijkheid van de aannemer doet dit natuurlijk niet af. 3. Aan een regel betreffende de verplichting voor de aannemer tot het verschaffen van de nodige hulpmiddelen of werktuigen bestaat geen behoefte. Deze regel vloeit voldoende duidelijk voort uit de algemene beginselen van het contractenrecht in verband met de aard van deze speciale overeenkomst. 4. De aansprakelijkheid voor hulppersonen wordt geregeld in artikel 6:76 BW. In beginsel is niet van belang of de schuldenaar de hulppersoon inschakelt op eigen initiatief of op verzoek of zelfs op aanwijzing van de schuldeiser. Dit sluit echter niet uit dat met deze en andere omstandigheden van het geval wordt rekening gehouden.

  3041. Artikel 752 (redelijke prijs) 1.Zoals reeds bij artikel 750 is opgemerkt, wordt voor aanneming niet vereist dat de prijs reeds bij de overeenkomst is uitgedrukt. Bij de talrijke kleine aannemingsovereenkomsten van het dagelijkse leven zal dit zelfs veelal niet het geval zijn. Hierbij kan nog onderscheiden worden tussen de gevallen waarin geen enkele prijs is genoemd, en die waarin de aannemer een richtprijs heeft opgegeven. Voor deze beide categorieën geeft lid 1 van artikel 752 een regel die grotendeels overeenkomt met de regel voor de koop (artikel 7:4 BW). Artikel 752 bevat echter ook de verwijzing naar de door de aannemer ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. 2.In talrijke gevallen kan of wil de aannemer zich nog niet binden aan een precies bedrag voor de aannemingssom en beperkt hij zich tot het ongeveer aangeven van de prijs. Het staat de partijen dan natuurlijk vrij de gevolgen van een dergelijke richtprijs te regelen zoals zij willen, maar meestal zal een contractuele regeling van de gevolgen achterwege blijven. Voor die gevallen geeft lid 2 een nadere regeling die beoogt de aanbesteder een redelijke bescherming te bieden tegen het ‘op kosten 2024 -1090- No. 164 jagen’, zonder de aannemer volledig te belasten met het risico van een overschrijding van zijn prijsschatting. Voorop dient te worden gesteld dat de richtlijnen van lid 1 ook toepasselijk zijn in het geval dat de aannemer de prijs slechts ten naaste bij had aangegeven. Wat lid 2 echter hieraan toevoegt, is in de eerste plaats de verplichting voor de aannemer om de aanbesteder bij een dreigende overschrijding van de geschatte prijs met meer dan 10% tijdig te waarschuwen, zodat deze de gelegenheid krijgt het uit te voeren werk te beperken of te vereenvoudigen; in de tweede plaats de verplichting, aan een dergelijke beperking of vereenvoudiging dan binnen de grenzen der redelijkheid zijn medewerking te verlenen. De sanctie op deze verplichtingen van de aannemer is, dat hij bij niet nakomen ervan zijn recht verspeelt de richtprijs met meer dan 10% te overschrijden. Indien zij dat willen, kunnen partijen natuurlijk van de wettelijke marge van 10% afwijken. Contractuele afwijking van het voorschrift is ook mogelijk in die zin, dat bepaalde posten uitdrukkelijk of stilzwijgend buiten de 10%-grens worden gebracht. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake zijn bij het opnemen van ‘stelposten’ of het werken met ‘glijdende schalen’. 3.Artikel 764 wordt in het onderhavige artikel niet uitgeschakeld. De opdrachtgever kan ‘te allen tijde’, ook voordat de werkzaamheden zijn aangevangen, de overeenkomst opzeggen, maar moet dan wel ingevolge artikel 764 lid 2, een vergoeding betalen: in beginsel de voor het gehele werk geldende prijs, verminderd met de besparingen. Ter bepaling van deze prijs zal dan met een mogelijke beperking of vereenvoudiging als bedoeld in artikel 752 lid 2, rekening worden gehouden.

  3042. Artikel 753 (onvoorziene kostenverhoging) 1.Dit artikel geeft een regeling van de invloed van kostenverhogende omstandigheden waarmee bij het bepalen van de prijs geen rekening was gehouden. Artikel 753 is niet beperkt tot omstandigheden ontstaan na het sluiten van het contract, maar het is ook toepasselijk op omstandigheden die bij het contracteren reeds bestonden maar pas later aan het licht zijn gekomen. Voor zover het voorschrift betrekking heeft op kostenverhogende omstandigheden ontstaan na het sluiten van het contract, kan het worden gezien als een precisering van de algemene regel van artikel 6:258 BW voor een speciaal geval van gewijzigde omstandigheden. Met betrekking tot de omstandigheden die reeds ten tijde van het contract bestonden, geeft het een uitwerking van artikel 6:228 BW (betreffende een ‘onjuiste veronderstelling’ die aan de overeenkomst ten grondslag was gelegd). 2.Willen kostenverhogende omstandigheden kunnen leiden tot een verhoging van de overeengekomen prijs, dan zal – afgezien van speciale bedingen – aan de volgende eisen moeten zijn voldaan: 1e. het na het sluiten van het contract ontstaan of aan het licht komen van de omstandigheden moet niet aan de aannemer zijn toe te rekenen; in hoeverre zulks het geval is, hangt af van de aard van de overeenkomst en van de omstandigheden; de beginselen van artikel 760, leden 2 en 3, zijn mede van toepassing. 2e. de aannemer behoefde bij het bepalen van de prijs geen rekening te houden met de kans op dergelijke omstandigheden; de kostenverhogende risico’s waarvan de aanbesteder mocht aannemen dat zij in de prijs verdisconteerd waren, dienen voor rekening van de aannemer te blijven. 3.De prijsverhoging ingevolge kostenverhogende omstandigheden geschiedt – tenzij anders is bedongen – in het algemeen niet van rechtswege of door een verklaring van de aannemer, maar moet van de rechter worden gevorderd. Hetzelfde geldt voor de wijziging of ontbinding van de overeenkomst krachtens artikel 6:258 BW, maar niet voor de vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 6:228 BW (onjuiste veronderstelling), die immers door een buitengerechtelijke verklaring kan geschieden (3:49 e.v. BW). Gezien de vele factoren die bij de beoordeling van het of en hoeveel van de prijsaanpassing een rol kunnen spelen, moet aan de rechter een grote vrijheid worden toegekend (‘geheel of gedeeltelijk …. kunnen aanpassen’). 4.Intussen is de rechterlijke tussenkomst krachtens lid 2 niet nodig als de aannemer de prijs te laag heeft berekend ten gevolge van onjuiste gegevens die de aanbesteder hem heeft verschaft. Dit zal zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de hoeveelheid of de kwaliteit van bepaalde materialen, opgegeven in het bestek van de aanbesteder, niet voldoende of niet bruikbaar is voor de uitvoering van het werk. Maar had de aannemer de onjuistheid van de gegevens moeten ontdekken, dan zal hij de fout in zijn prijsberekening voor eigen rekening moeten nemen. In welke gevallen de aannemer 2024 -1091- No. 164 dergelijke fouten behoort te ontdekken en welke zorgvuldigheid en deskundigheid daarbij van hem gevergd kan worden, hangt van vele omstandigheden af, waarvan de beoordeling aan de rechter zal moeten worden overgelaten. Ook gebreken in van de aanbesteder afkomstige zaken, als bedoeld in artikel 760 lid 2, kunnen kostenverhogend werken. Voor zover het gaat om ‘gebreken’ in ‘plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften’ (vergelijk artikel 760 lid 3) zullen zij meestal vallen onder lid 2 van artikel 753. De aannemer zal dan de prijs zonder rechterlijke tussenkomst kunnen aanpassen. Voor gebreken in andere van de aanbesteder afkomstige zaken, hetzij zaken waarop het werk moet worden uitgevoerd, hetzij zaken waarmee het moet worden uitgevoerd (materialen en andere hulpmiddelen), zou de automatische prijsaanpassing van het tweed lid, gezien de veelheid van situaties die zich hierbij kunnen voordoen, te ver gaan. In deze gevallen zal de aannemer, als de aanbesteder niet vrijwillig in een prijsverhoging toestemt, de rechter moeten inschakelen, tenzij alweer partijen anders zijn overeengekomen. 5.Lid 3 verplicht de aannemer die de hem in lid 1 of lid 2 gegeven bevoegdheden wil uitoefenen, de aanbesteder zo tijdig mogelijk voor de prijsverhoging te waarschuwen. Deze waarschuwing geeft de aanbesteder de gelegenheid de overeenkomst te beëindigen overeenkomstig artikel 764, maar ook om een voorstel tot beperking of vereenvoudiging van het werk te doen ter voorkoming van de dreigende prijsverhoging. Indien een dergelijk voorstel redelijk is, zal de aannemer er in het geval van lid 1 verstandig aan doen het te aanvaarden, daar hij na een dergelijk voorstel verworpen te hebben met een vordering tot prijsverhoging bij de rechter niet veel kans zal krijgen. In het geval van lid 2 zal de aannemer op een dergelijk voorstel – waardoor hij zijn recht op de winst over het niet uit te voeren deel van het werk geheel of gedeeltelijk zou prijsgeven – slechts ingaan, hetzij op grond van coulance-overwegingen, hetzij omdat niet geheel zeker is of aan de voorwaarden van lid 2 volledig is voldaan. 6.Overigens bedenke men dat artikel 753 niet van toepassing is op kostenverhogende omstandigheden die van dien aard zijn, dat de niet-uitvoering van het werk ten gevolge daarvan niet meer aan de aannemer zou kunnen worden toegerekend (overmacht). Zijn immers de gerezen obstakels voor de uitvoering van het werk zó ernstig, dat voltooiing van het werk zelfs bij aanpassing van de prijs niet van de aannemer gevergd kan worden, dan geldt niet artikel 753 maar gelden de artikelen 6:74 e.v.

  3043. Artikel 754 (waarschuwingsplicht) Dit artikel regelt de waarschuwingsplicht van de aannemer, al valt aan een vage omschrijving van de norm niet goed te ontkomen. Terminologisch is aangesloten bij de leden 2 en 3 van artikel 760. De betekenis van het onderhavige artikel betreft in het bijzonder de ondeugdelijke uitvoering van het werk. Maar ook denkbaar is dat de aannemer die tekortschiet in de naleving van zijn waarschuwingsplicht, aansprakelijk is voor andere schade, bijvoorbeeld vertragingsschade. In voorkomende gevallen kan de schade wegens eigen schuld worden verdeeld overeenkomstig artikel 6:101 BW. Men vergelijke in dit verband de beslissing van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven van 7 oktober 1983, Bouwrecht 1984, p. 166 e.v.; HR 24 november 1994, NJ 1995, 154 en HR 18 september 1998, NJ 1998, 818 (KPI/Leba).

  3044. Artikel 755 (meerwerk) 1.De betekenis van dit artikel is dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging impliceert. De aanbesteder zal op deze consequentie van de verandering in of toevoeging aan het opgedragen werk moeten worden gewezen, tenzij de aanbesteder die uit zichzelf had behoren te begrijpen. Of dit laatste het geval is, zal grotendeels afhangen van de vraag, hoeveel deskundigheid de aannemer bij de aanbesteder mocht verwachten. Dit betekent dat bij een werk ‘onder directie’ de aanbesteder niet gemakkelijk een beroep op dit artikel zal kunnen doen; nog minder, bij onderaanneming, de hoofdaannemer tegenover de onderaannemer. De hier gegeven bescherming van de aanbesteder tegen ongewenste prijsverhogingen is van dwingend recht. 2024 -1092- No. 164 2.Evenmin als in het huidige BW is geregeld welke gevolgen een door de aannemer opgevolgde wens van de opdrachtgever tot minder werk moet hebben op het bedrag van de verschuldigde aanneemsom. Een regeling zou, gelet op de veelvormigheid waarin de aanneming van werk zich kan voordoen (zowel de bouw als een eenvoudige reparatie valt eronder), te strak zijn en licht ten nadele strekken van de niet-professionele opdrachtgever. Indien de aannemer zonder meer meewerkt aan de wijziging van de opdracht, kan wellicht in veel gevallen ervan worden uitgegaan dat hij ook instemt met een evenredige verandering van het contract wat de aanneemsom betreft. Soms echter zal de aannemer de opdracht tot minder werk mogen beschouwen als een gedeeltelijke opzegging in de zin van artikel 764. Alles hangt af van de omstandigheden: in het bijzonder van de aard van het contract, de aard van het uit te voeren werk, de aard van de gevraagde wijziging en de manier waarop het verzoek daartoe is gedaan

  3045. Artikel 756 (‘anticipatory breach’) 1.Dit artikel geeft een verruiming van de ontbindingsmogelijkheid die reeds in het algemeen voortvloeit uit artikel 6:80 BW in verband met artikel 6:265 BW. Terwijl artikel 6:80 BW behalve in de onder b en c genoemde gevallen eist dat ‘vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn’, is voor de ontbinding volgens artikel 756 voldoende de waarschijnlijkheid dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Een dergelijke verruiming van de mogelijkheid van tijdige ontbinding is voor het aannemingscontract dáárom gewenst, omdat de uitvoering van dit contract zich nogal eens over een lange tijd uitstrekt en ontbinding achteraf veelal geen bevredigende oplossing geeft. 2.Daar voor ontbinding waarschijnlijkheid van een niet tijdige of niet behoorlijke nakoming reeds voldoende is, zal de ontbinding in dit geval niet reeds door een enkele schriftelijke kennisgeving van de partij jegens wie de wanprestatie dreigt (vergelijk artikel 6:267) kunnen volgen, maar moet zij door de rechter worden uitgesproken. Deze heeft daarbij de vrijheid de overeenkomst geheel of slechts gedeeltelijk te ontbinden. Bij spoed kan in kort geding aan de rechter een voorlopige voorziening worden gevraagd die hetzelfde effect heeft als een ontbinding. 3.Krachtens lid 3 bepaalt de rechter de gevolgen van de ontbinding en kan hij de ontbinding ook voorwaardelijk uitspreken, bijvoorbeeld voor het geval dat de aanbesteder niet binnen een bepaalde tijd voldoende zekerheid heeft gesteld. Bovendien opent lid 2 dan nog voor de aannemer de mogelijkheid om ontbinding te vorderen, als waarschijnlijk wordt dat hij de overeenkomst door overmacht niet zal kunnen uitvoeren. Een dergelijke bevoegdheid komt niet aan iedere schuldenaar uit een wederkerige overeenkomst toe. Overigens blijft de bevoegdheid om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW in verbinding met artikel 6:80 lid 1 onder b of c BW naast de in artikel 756 geopende mogelijkheden om tot ontbinding te komen in stand. 4.In spoedeisende gevallen kan de rechter in kort geding worden geadieerd. Deze kan een voorlopige voorziening treffen met een resultaat dat de facto overeenkomt met dat in het onderhavige artikel bedoeld. Verder houde men in het oog dat indien méér dan ‘waarschijnlijk’ is dat wanprestatie zal volgen, bijvoorbeeld dat de aannemer het werk verlaat en duidelijk is dat het werk niet op tijd zal worden opgeleverd, ontbinding bij eenvoudige schriftelijke mededeling kan geschieden (artikel 6:267 in verbinding met de artikelen 6:265 en 6:80 BW), nog afgezien van een gebruik van de exceptio non adimpleti contractus dat daaraan vooraf kan gaan (artikelen 6:262 e.v. BW).

  3046. Artikel 757 (risico tenietgaan zaak) 1.Dit artikel geeft een speciale regeling voor een bepaald geval van het onmogelijk worden van de prestatie van de aannemer, dat karakteristiek is voor het aannemingscontract, namelijk het onmogelijk worden door het tenietgaan of verloren raken van de zaak waarop of waaraan het werk moest worden uitgevoerd (dus niet: van het werk in uitvoering zelf; zie hierna). Gedeeltelijk concretiseert deze regeling de algemene regeling, vervat in de artikelen 6:265 e.v. BW (in verbinding met de artikelen 6:58 e.v. BW betreffende crediteursverzuim en met artikel 6:75 BW betreffende overmacht), gedeeltelijk geeft zij een daarvan afwijkende oplossing. Volgens de 2024 -1093- No. 164 algemene regels van Boek 6 BW kan de crediteur (in dit geval: de aanbesteder) in geval van niet- nakoming die niet aan de debiteur (de aannemer) kan worden toegerekend, de overeenkomst door een schriftelijke of gerechtelijke kennisgeving ontbinden. De gevolgen van deze ontbinding worden uitgewerkt in de artikelen 6:271 e.v. BW. Een dergelijk ontbindingsrecht komt de crediteur echter niet toe, als de oorzaak van de verhindering aan zijn zijde is opgekomen, tenzij de oorzaak van de verhindering niet aan hem kan worden toegerekend (artikel 6:266 lid 1 in verbinding met artikel 6:58 BW). Kan de oorzaak van de verhindering hem wèl worden toegerekend, dan blijft hij dus tot volledige nakoming van zijn eigen verplichting gebonden. Wel zal hij nog tot zover vergoeding kunnen vorderen voor het niet ontvangen van de gecontracteerde prestatie, als zijn wederpartij door het verhinderd zijn van zijn prestatie voordeel heeft genoten (artikel 6:78 BW). Tegen deze achtergrond heeft artikel 757 nu de volgende betekenis: 2.(a) Het geeft een antwoord op de vraag in hoever het tenietgaan of verloren raken van de zaak waaraan of waarop het werk moest worden uitgevoerd, een oorzaak van verhindering is die de aanbesteder kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:58 BW, en wel in die zin dat het tenietgaan of verloren raken van de zaak niet voor rekening van de aanbesteder komt als de zaak zich voor reparatie of bewerking onder de aannemer bevond (lid 2), doch wèl, wanneer zulks niet het geval was (lid 1). Als criterium is dus gekozen het zich al of niet ‘onder de aannemer’ bevinden van de zaak tijdens het tenietgaan of verloren raken. In de praktijk zal dit veelal samenvallen met het al of niet roerend zijn van de zaak, waaraan het werk moet worden uitgevoerd, maar dit behoeft niet altijd het geval te zijn. Een enkele keer zal het twijfelachtig kunnen zijn of een onroerende zaak zich onder de aannemer bevond. Het is aan de rechter om in zulke uitzonderlijke gevallen de nodige precisering van het criterium te geven. 3.(b) Bevond de zaak zich niet onder de aannemer (zoals meestal bij aanneming van werk met betrekking tot onroerende zaken), dan geeft lid 1 voor de meeste gevallen een oplossing die vrij ingrijpend afwijkt van de regeling, zoals die voortvloeit uit de artikelen 6:266 en 6:78 BW. De aannemer behoudt immers niet zijn recht op de volle aanneemsom onder aftrek van het door hem door de niet-voltooiing van het werk genoten voordeel (bespaarde kosten en dergelijke), maar hij heeft slechts recht op een evenredig deel van de aanneemsom, berekend op grondslag van de reeds verrichte arbeid en gemaakte kosten. Wel zullen deze kosten alle kosten omvatten die met het oog op de uitvoering van het werk zijn gemaakt (dus ook het loon van uitsluitend voor dit werk aangetrokken krachten, wanneer door het onmogelijk worden van het werk niet volledig van hun arbeid gebruik kon worden gemaakt). Slechts wanneer het tenietgaan van de zaak te wijten zou zijn aan opzet of grove schuld van de aanbesteder, geldt een regeling (van artikel 764 lid 2) die praktisch niet veel afwijkt van de gecombineerde werking van de artikelen 6:266 en 6:78 BW. De hier gegeven oplossing lijkt voor de bedoelde gevallen beter aan te sluiten bij de in de maatschappij levende opvattingen dan een regeling die ertoe zou leiden dat bijvoorbeeld een schilder, in geval van brand van een huis waaraan schilderwerk moest worden verricht, de rekening zou kunnen presenteren voor het ten gevolge van de brand niet uitgevoerde schilderwerk. 4.(c) Is het tenietgaan van de zaak te wijten aan opzet of grove schuld van de aanbesteder, dan zou het onbillijk zijn de aannemer zijn recht te ontzeggen op de volle winst die hij bij voltooiing van het werk zou hebben gemaakt. Het ontwerp stelt hem dan in dezelfde positie als zou de aanbesteder gebruik hebben gemaakt van zijn recht om te allen tijde de overeenkomst te beëindigen (artikel 764). Men bedenke hierbij dat de ernst van de schuld beoordeeld moet worden op basis van de contractuele verhouding met de aannemer. Het lijkt minder billijk deze oplossing te aanvaarden voor iedere vorm van schuld aan de kant van de aanbesteder. Of en wanneer er, in gevallen van handelingen van de aanbesteder in noodtoestand, gesproken zal kunnen worden van opzet in de zin van dit artikel, moet aan de rechter worden overgelaten. 5.(d) Gaat de zaak, zonder dat dit aan de aannemer kan worden toegerekend, teniet of raakt zij verloren terwijl zij zich onder de aannemer bevindt, dan geeft lid 2 in zover een eigen regeling, afwijkend van die van Boek 6 (in casu artikel 6:265 BW), dat het de betalingsplicht automatisch doet vervallen zonder dat hiervoor nog een schriftelijke of gerechtelijke kennisgeving tot ontbinding is vereist. Bovendien heeft lid 2 zoals boven is aangegeven, de betekenis dat het tenietgaan van de 2024 -1094- No. 164 zaak in deze situaties op zichzelf als een niet aan de aanbesteder toe te rekenen oorzaak van verhindering in de zin van artikel 58 BW (crediteursverzuim) karakteriseert. Dit laatste wordt natuurlijk anders als de aanbesteder schuld zou hebben aan het tenietgaan of verloren raken van de zaak. In dat geval verklaart het tweed lid weer de regeling van lid 1 van toepassing; d.w.z. dat in geval van – niet grove – schuld de oplossing van de eerste volzin van lid 1 zal gelden (evenredige vermindering van de aanneemsom) en in geval van opzet of grove schuld die van de tweede volzin (volle aanneemsom onder aftrek van de door de aannemer uitgespaarde kosten). Onder schuld van de aanbesteder moet mede worden begrepen schuld van personen wier diensten hij bij de uitvoering van de overeenkomst, voor zover hier van belang, heeft gebruikt. Maar omstandigheden die krachtens artikel 760 lid 2, voor rekening van de aanbesteder komen, zullen, bij afwezigheid van schuld, niet mogen leiden tot een afwijking van de algemene regel van ‘gezond verstand’, zoals die in de eerst helft van lid 2 is neergelegd. Een te ver gaande nuancering in deze situaties zou de eenvoud van de rechtstoepassing onnodig schaden. 6.Het onmogelijk worden van de uitvoering van het werk moet wel onderscheiden worden van de gebrekkige oplevering die niet aan de aannemer kan worden toegerekend, al zullen zich grensgevallen kunnen voordoen. Over de gebreken in de oplevering die het gevolg zijn van gebreken in van de aanbesteder afkomstige zaken, handelt artikel 760, leden 2 en 3. 7.Artikel 757 handelt uitsluitend over het geval dat de uitvoering van het werk onmogelijk is geworden door een omstandigheid die niet aan de aannemer kan worden toegerekend. Kan de onmogelijkheid aan de aannemer worden toegerekend, dan is de aannemer aansprakelijk volgens de algemene regelen van aansprakelijkheid wegens de niet-nakoming van verbintenissen (artikel 74 e.v. BW). 8.Artikel 757 bevat geen aparte voorziening voor het geval dat de uitvoering van het aangenomen werk afstuit op wettelijke voorschriften, daaronder begrepen het ontbreken van wettelijk voorgeschreven vergunningen. Of een dergelijke omstandigheid voor rekening van de aanbesteder behoort te komen in de zin van lid 1, zal van geval tot geval moeten worden beslist, Ook kan het zijn dat de aard van het contract of de bestaande gebruiken op een van beide partijen terzake een garantieplicht leggen. 9.Dit artikel regelt niet het risico van tenietgaan van het werk in uitvoering zelf. Bestaat de mogelijkheid van vervanging dan kan de aannemer zich niet op overmacht beroepen en dient hij voor eigen rekening de vervanging te verrichten. Voor zover dit onbillijk is, kan hij beroep doen op artikel 753 (onvoorziene kostenverhoging). Is de mogelijkheid van vervanging er niet – men moet aannemen dat dit uitzonderlijk is – dan kan de opdrachtgever op grond van artikel 6:265 BW de overeenkomst ontbinden. De gevolgen van deze ontbinding zijn geregeld in de artikelen 6:269 e.v. BW. Na oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever. Zie artikel 758 lid 2.

  3047. Artikel 758 (oplevering) 1.Wanneer de aannemer meent dat het werk voltooid is, moet hij, al naar gelang van hetgeen overeengekomen is, hetzij de opdrachtgever meedelen dat het werk voltooid is, hetzij het werk aan de opdrachtgever opleveren. De opdrachtgever moet daarop nagaan of het werk conform de bepalingen van de overeenkomst uitgevoerd is. Die controle zal het de opdrachtgever mogelijk maken: (a) het werk te aanvaarden, of (b) het werk te aanvaarden onder voorbehoud voor bepaalde door hem vermelde gebreken, of (c) te weigeren het werk te aanvaarden. 2.De aanvaarding van het werk valt dus niet altijd samen met de oplevering. De oplevering kan aan de aanvaarding voorafgaan, bijvoorbeeld wanneer het werk ten huize van de opdrachtgever opgeleverd wordt in diens afwezigheid. Zij komt na de aanvaarding bij een bouwwerk waar het voltooide werk op uitnodiging van de aannemer wordt gecontroleerd en de oplevering pas daarna plaatsvindt door overhandiging van de sleutels. Ten slotte kunnen de oplevering en de aanvaarding samenvallen, bijvoorbeeld bij eenvoudige werken die bij de oplevering kunnen worden gecontroleerd (bijvoorbeeld een foto na ontwikkeling). 2024 -1095- No. 164 3.De controle en de aanvaarding van het werk of de weigering van de aanvaarding moeten geschieden binnen een redelijke termijn na de oplevering van het werk of de uitnodiging door de aannemer om te aanvaarden. Welke termijn redelijk is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval en van hetgeen ter zake gebruikelijk is. Voor werken die gemakkelijk gecontroleerd kunnen worden op het ogenblik van de oplevering, kan die termijn kort zijn of zelfs ontbreken. 4.Het werk is stilzwijgend aanvaard wanneer de opdrachtgever nalaat binnen een redelijke termijn het werk te aanvaarden of op een andere wijze te reageren. De vorm en het ogenblik van de aanvaarding variëren naar gelang van de aard van het werk en de omstandigheden. Zodra het werk echter aanvaard is, is de aannemer bevrijd van alle aansprakelijkheid voor zichtbare gebreken waarvoor de opdrachtgever geen voorbehoud heeft gemaakt. De uitdrukking ‘zichtbaar gebrek’ is ondefinieerbaar maar zal naar gelang van de omstandigheden verschillende betekenissen hebben. Een gebrek dat zichtbaar is voor iemand van dezelfde beroepstak als de aannemer kan een verborgen gebrek zijn voor een leek-opdrachtgever die niet bijgestaan wordt door een deskundige.

  3048. Artikel 759 (herstel gebreken) 1. In het algemeen heeft de crediteur die een gebrekkige prestatie heeft ontvangen, krachtens artikel 6:74 BW het recht ter zake van die gebrekkigheid schadevergoeding te vorderen, tenzij de gebrekkige nakoming niet aan de debiteur kan worden toegerekend. Dit recht wordt slechts getemperd door de artikelen 6:74 lid 2 en 6:248 lid 2, BW. Alleen wanneer hij in plaats van de aangeboden prestatie vervangende schadevergoeding vordert, zal hij ingevolge artikel 6:87 BW de debiteur door een schriftelijke aanmaning eerst nog in staat moeten stellen alsnog deugdelijk na te komen, tenzij zulke nakoming niet meer mogelijk is. In het geval van het aannemingscontract is het echter in het algemeen gewenst dat de aannemer ook het betalen van een aanvullende schadevergoeding zoveel mogelijk kan ontgaan door de gebreken in het opgeleverde werk binnen redelijke termijn weg te nemen. Een dergelijke mogelijkheid biedt lid 1 van artikel 759. Maar die mogelijkheid zal ook niet onbeperkt mogen zijn. Juist in sommige typische aannemingssituaties zal niet altijd van de aanbesteder gevergd kunnen worden dat hij de aannemer toelaat tot het wegnemen der gebreken. Met name zal dit zich kunnen voordoen als de noodzakelijke herstelwerkzaamheden groot ongerief voor de aanbesteder zouden meebrengen, of als in verband met de gebleken onbekwaamheid van de aannemer geen goed resultaat van de herstelwerkzaamheden is te verwachten, of als niet valt aan te nemen dat de herstellingen binnen redelijke termijn voltooid kunnen worden. 2. Maakt de aannemer gebruik van de hem in lid 1 toegekende bevoegdheid, dan behoort dit uiteraard de aanbesteder niet te beroven van een vergoeding van de schade die hij door de gebrekkige levering lijdt, ook als de gebreken later worden weggenomen. Voor zover het daarbij alleen om vertragingsschade gaat, zal in beginsel moeten zijn voldaan aan de eis van ingebrekestelling (artikelen 6:81 e.v. BW), tenzij in de overeenkomst een bepaalde termijn voor nakoming was aangewezen (artikel 6:83 onder a BW). 3. Lid 2 vormt een tegenhanger van het eerste in zover het aan de aanbesteder een recht op herstel van gebreken toekent, tenzij de kosten daarvan in geen verhouding staan tot het belang van de aanbesteder bij het wegnemen der gebreken. In sommige gevallen vloeit het hier aan de aanbesteder toegekende recht ook reeds voort uit het algemene beginsel van artikel 3:296 BW, met name wanneer het wegnemen van de gebreken beschouwd kan worden als een gewone – zij het vertraagde – nakoming van de overeenkomst. Maar niet altijd behoeft daarvan sprake te zijn. 4. Voor de vraag of de kosten van herstel in geen verhouding zouden staan tot het belang van de aanbesteder bij herstel in plaats van schadevergoeding, zal natuurlijk niet alleen met het financieel belang van de aanbesteder rekening moeten worden gehouden. De aanbesteder kan eisen dat de gebreken binnen een redelijke tijd worden weggenomen. Daarvoor zal hij een termijn kunnen stellen. Voldoet de aannemer hieraan niet, dan zal de aanbesteder de gebreken voor eigen rekening kunnen laten wegnemen en de kosten daarvan als schade op de aannemer verhalen. In plaats van zijn recht uit lid 2 te gebruiken, zal de aanbesteder ook krachtens artikel 6:265 BW de overeenkomst kunnen ontbinden, ‘tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet kan rechtvaardigen’. 2024 -1096- No. 164

  3049. Artikel 760 (gebreken of ongeschiktheid van materialen) 1.Dit artikel geeft een risicoregeling voor de gevolgen van gebreken of ongeschiktheid van zaken die bij de uitvoering van het werk een rol hebben gespeeld, en breidt deze regeling, voor wat betreft zaken afkomstig van de aanbesteder, uit tot de gevolgen van fouten of gebreken in door de aanbesteder verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, enz. (lid 3). Lid 1 geeft een uitwerking en precisering van de algemene regels van de artikelen 6:75 en 6:77 BW, en wel in die zin dat voor de aannemingsovereenkomst gebreken of ongeschiktheid van door de aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen in de regel moeten worden beschouwd als oorzaken welke voor rekening van de aannemer komen. Het is gewenst dat de wetgever op dit voor het aannemingscontract praktisch zo belangrijke punt enige richtlijn geeft. Het artikel bevat een voorbehoud voor het geval dat uit de overeenkomst een andere risicoverdeling voortvloeit. Dit laatste kan het gevolg zijn van de aard van de overeenkomst of van een uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijking van de wettelijke regel door partijen. 2.Zijn de door de aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen afkomstig van de aanbesteder, dan komen de gevolgen krachtens lid 2 voor rekening van de aanbesteder. Blijkens lid 3 is dit ook het geval, indien bepaalde materialen op aanwijzing van de aanbesteder zijn gebruikt en deze materialen in het algemeen ondeugdelijk blijken voor het doel waarvoor zij moeten worden aangewend. Dat de gevolgen van de fouten van de personen van wier hulp de aannemer bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, voor zijn rekening komen, volgt uit artikel 6:76 BW en vindt zijn bevestiging in de slotwoorden van artikel 751.55 3.Lid 2 heeft betrekking op de voor het aannemingscontract zo karakteristieke gevallen dat voor de door de aannemer te leveren prestatie zaken worden gebruikt die van de aanbesteder afkomstig zijn. Dat is natuurlijk in de eerste plaats het geval, indien het werk moet worden uitgevoerd aan een zaak van de aanbesteder (reparatie, onderhoud, verfraaiing), maar ook als er grondstoffen en/of hulpmiddelen door de aanbesteder worden verschaft. Indien zulke van de aanbesteder afkomstige zaken gebreken vertonen, kan dat op verschillende manieren een nadelige invloed hebben op de uitvoering van het werk: a. de oplevering van het werk kan gebrekkig zijn door gebrekkigheid van de gebruikte materialen of van de zaak waarop het werk moest worden uitgevoerd (het kleed dat gestoomd moest worden, bleek zó vergaan te zijn, dat het niet tegen die behandeling bestand was); b. de uitvoering van het werk kan er door zijn vertraagd; c. de aannemer heeft ten gevolge van de gebreken in de zaken van de aanbesteder extra kosten moeten maken of extra arbeid moeten verrichten om het werk op deugdelijke wijze uit te kunnen voeren; d. de uitvoering van het werk is door een gebrek in een van de aanbesteder afkomstige zaak onmogelijk geworden. De onder a en b genoemde gevallen zijn geregeld in artikel 760 lid 2, terwijl onder c en d genoemde gevallen beheerst worden door artikel 753 en artikel 757. 4.Om alle twijfel dienaangaande uit te sluiten, wordt onder ‘zaken afkomstig van de aanbesteder’ gebracht de grond waarop deze het werk laat uitvoeren. Voor al deze zaken geldt dat de in artikel 760 lid 2, genoemde gevolgen van de gebreken voor rekening van de aanbesteder komen, ongeacht of deze schuld aan de gebreken heeft. De aanwezigheid van schuld bij de aanbesteder wordt relevant, als de gebreken leiden tot het tenietgaan van de zaak waaraan het werk moest worden uitgevoerd, en dan nog (tenzij in geval van grove schuld) slechts wanneer deze zaak aan de aannemer was toevertrouwd (artikel 757 lid 2). Wil er sprake zijn van gebreken in van de aanbesteder afkomstige zaken, dan zal de betreffende zaak niet die kwaliteiten moeten bezitten, die de aannemer ervan mocht verwachten. Zo zal een antiek meubel dat ter stoffering aan een stoffeerder wordt toevertrouwd, nog niet gezegd kunnen worden ‘gebreken’ te hebben in de zin van dit artikel, ook al zou het in vergelijking met een nieuw meubel gebrekkig kunnen worden genoemd. 5.De gevallen van gebrekkige oplevering moeten onderscheiden worden van de gevallen waarin de uitvoering van het werk onmogelijk is (geworden). Bij gebrekkige oplevering is er sprake van een prestatie die de aannemer als het door hem verschuldigde werk aanbiedt. Bij onmogelijkheid van (volledige) uitvoering beroept de aannemer er zich juist op dat het hem onmogelijk is het door hem verschuldigde werk (volledig) op te leveren. Het verschil is van belang in het geval van het 2024 -1097- No. 164 tenietgaan of verloren raken van de zaak waarop of waaraan het werk moest worden uitgevoerd (artikel 757). Is er in een zodanig geval sprake van een omstandigheid die voor rekening van de aanbesteder komt, dan behoeft deze slechts een evenredig verminderde prijs te betalen, terwijl hij bij een gebrekkige oplevering ten gevolge van gebreken in zaken die van hem afkomstig zijn, ondanks de gebrekkigheid van de oplevering de volledige prijs zal moeten betalen. De gebrekkigheid komt immers voor zijn rekening. Ook als de gebreken in van de aanbesteder afkomstige zaken ertoe leiden dat de uitvoering van het werk onmogelijk wordt, zodat artikel 757 toepasselijk is, vervult artikel 760, leden 2 en 3, nog deze functie, dat het de gebreken in zaken afkomstig van de aanbesteder, voor zover de aannemer terzake niet in deskundigheid of zorgvuldigheid is tekortgeschoten, ook voor toepassing van artikel 757 tot omstandigheden stempelt die voor rekening van de aanbesteder komen. 6.Artikel 760 lid 2 brengt de nadelige gevolgen van gebreken in zaken, afkomstig van de aanbesteder, alleen voor rekening van de aanbesteder ‘voor zover de aannemer niet zijn in artikel 754 bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met betrekking tot deze gebreken in deskundigheid of zorgvuldigheid te kort is geschoten’. Bij het aangaan van de overeenkomst zal de aannemer te kort zijn geschoten, als hij met de deskundigheid die van hem verwacht mocht worden en met de onder de omstandigheid te vergen zorgvuldigheid de gebreken in de zaken zou hebben ontdekt. Bij de uitvoering zal de aannemer tekortschieten, als hij de schadelijke gevolgen van de gebreken had kunnen voorkomen bij inachtneming van de onder de omstandigheid vereiste zorgvuldigheid en bij aanwezigheid van de vereiste deskundigheid. Het artikel legt de bewijslast ter zake van de inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid op de aannemer. De van hem te vergen deskundigheid brengt mee dat hij de hem verschafte grondstoffen niet blindelings gebruikt. Bij werken ‘onder directie’ kan dit anders zijn – en zulks zal vooral het geval zijn bij de overeenkomstige toepassing krachtens lid 3 – maar deze plegen beheerst te worden door uitvoerige standaardcondities. 7.Lid 3 verklaart de risicoregeling van lid 2 van overeenkomstige toepassing bij fouten of gebreken in door de aanbesteder verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, enz., aan de hand waarvan het werk moet worden uitgevoerd. Van een gebrek in bestek of uitvoeringsvoorschriften is ook sprake als het daarbij voorgeschreven materiaal van een bepaald fabrikaat ondeugdelijk blijkt te zijn voor het uit te voeren werk.

  3050. Artikel 761 (verjaring) 1.Dit artikel voorziet in een dubbele verjaringstermijn voor acties van de aanbesteder wegens gebreken in het opgeleverde werk: (a) een tweejarige termijn lopende vanaf het tijdstip dat de aanbesteder ter zake van de gebreken heeft geprotesteerd (vergelijk artikel 7:23 lid 2, eerste volzin, BW ten aanzien van de koop), en (b) een tien-, respectievelijk twintigjarige termijn die loopt vanaf het moment van oplevering. Deze verjaring geldt voor alle vorderingen tegen de aannemer ter zake van gebreken in het opgeleverde werk. De tweejarige termijn moet worden gezien in verband met artikel 6:89 BW, hetwelk bepaalt dat de schuldeiser ‘op een gebrek in de prestatie geen beroep meer (kan) doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd’. 2.De tweejarige verjaring laat echter de mogelijkheid open van vorderingen die pas vele jaren na de oplevering worden ingesteld, voor zover het namelijk gaat om gebreken die de aanbesteder niet eerder had ontdekt en ook niet redelijkerwijs had moeten ontdekken. Artikel 3:310 BW voorziet in het algemeen voor het geval van een onbekend gebleven schade in een twintigjarige verjaring lopende vanaf de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Voor bouwwerken, die in het algemeen belang bestemd zijn een lange tijd mee te gaan en waarbij gebreken zich veelal pas later openbaren, lijkt een twintigjarige verjaring – maar dan vanaf het moment van oplevering – inderdaad redelijk. Het lijkt niet rechtvaardig de aanbesteder die slaagt in het moeilijke bewijs dat het gebrek reeds aanwezig was op het moment van oplevering, en aan wie niet verweten kan worden dat hij het gebrek niet eerder heeft ontdekt, spoedig van een vordering te beroven. 2024 -1098- No. 164 3.Het onderhavige artikel 761, in samenhang met artikel 6:89 BW, leidt ertoe dat de aannemer tegen een vordering ter zake van gebreken – naast zijn verweer ter zake van de vraag óf, de oplevering gebrekkig is geweest – de volgende verweren kan voeren: (a) Eiser heeft niet tijdig geprotesteerd nadat hij het gebrek had ontdekt of had moeten ontdekken (artikel 6:89 BW); de bewijslast ter zake van het eerder ontdekt (moeten) hebben van het gebrek berust op de aannemer, doch in vele gevallen zal deze bewijslast verlicht worden door feitelijke vermoedens. (b) Ook al zou eiser tijdig hebben geprotesteerd, dan heeft hij zijn vordering niet binnen twee jaar na zijn (beweerde) protest ingesteld. (c) Ook al zou hij zijn vordering binnen twee jaar na zijn – tijdig – protest hebben ingesteld, dan heeft hij zulks toch niet binnen tien, respectievelijk twintig jaar na de oplevering gedaan of na het protest, als dit een schriftelijke aanmaning in de zin van artikel 3:317 lid 1, BW inhoudt. 4.De korte verjaringstermijn van lid 1 begint te lopen vanaf het moment dat de aanbesteder ter zake van het gebrek heeft geprotesteerd. Dit zou tot onbillijke resultaten leiden, als de aanbesteder overeenkomstig artikel 759 aan de aannemer een termijn had gesteld om het gebrek te herstellen. Hierin voorziet de tweede volzin van lid 1. Daar met het onderzoek naar, en het herstellen van gebreken veel tijd kan zijn gemoeid, is het gewenst de verjaringstermijn gedurende deze periode te laten doorlopen overeenkomstig de regeling van artikel 3:320 BW. Vandaar de bepaling van lid 3. In lid 4 is een bepaling gegeven die correspondeert met de tweede volzin van artikel 23 lid 2, BW ten aanzien van de koop.

  3051. Artikel 762 (geen exoneratie bij verzwijging) 1.Artikel 762 bepaalt dat de aansprakelijkheid van de aannemer voor door hem verzwegen gebreken niet kan worden uitgesloten of beperkt. Ook aan een contractuele verkorting van de verjaringstermijn zal in zulke gevallen geen betekenis mogen worden gehecht. Niet alleen een uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid door de aannemingsovereenkomst wordt door artikel 762 getroffen. Ook op een door de aanbesteder bij de aanvaarding van het opgeleverde werk getekende afstand van mogelijke rechten ter zake van nog niet door hem gekende gebreken zal de aannemer geen beroep kunnen doen, als hij die gebreken opzettelijk verzwegen had. 2.De tweede volzin breidt de draagwijdte van het artikel in zóver uit, dat ook verzwijging door personen die de aannemer met de leiding over de uitvoering van het werk heeft belast, eronder wordt gebracht. Anderzijds wordt hiermee tevens duidelijk gemaakt dat het verzwijgen van gebreken door andere leden van het personeel of door niet ondergeschikte personen die bij de uitvoering van de overeenkomst worden gebruikt (zoals onderaannemers), niet gelijk mag worden gesteld met opzet van de aannemer.

  3052. Artikel 763 (overlijden aannemer) 1.Zowel de erfgenamen van de aannemer als de aanbesteder kunnen na overlijden van de aannemer een redelijk belang hebben bij beëindiging van de overeenkomst. De erfgenamen van de aannemer zullen een redelijk belang hebben als de voltooiing van het werk door de dood van de aannemer veel moeilijker of kostbaarder zou zijn geworden. Zonder een speciale regeling zouden zij dan slechts krachtens artikel 753 aan de rechter een aanpassing van de prijs kunnen vragen als aan de vereisten van dat artikel is voldaan. Zou de dood van de aannemer de voltooiing van het werk onmogelijk maken, dan zouden de erfgenamen zich veelal op overmacht kunnen beroepen (artikel 6:74 in verbinding met artikel 6:75 BW). De aanbesteder kan dan de overeenkomst ontbinden (artikel 6:265 BW), in welk geval hij het reeds ontvangen deel van het werk (respectievelijk de waarde ervan) moet teruggeven (artikel 6:272). 2.Het mogelijke belang van de aanbesteder bij beëindiging in geval van overlijden van de aannemer ligt natuurlijk dáárin, dat hierdoor de behoorlijke aflevering van het werk in gevaar kan worden gebracht, en dit zal zich vooral voordoen als de overeenkomst met het oog op de persoonlijke kwaliteiten van de aannemer was afgesloten. Zonder een speciale beëindigingsregeling zou de aanbesteder slechts via een beroep op de rechter tot ontbinding van de overeenkomst kunnen komen (artikel 756). 2024 -1099- No. 164 3.Het ontwerp eist voor beëindiging in geval van dood van de aannemer een wilsverklaring van de partij die bij die beëindiging belang heeft. De mogelijkheid om de overeenkomst in dit geval te beëindigen is niet beperkt door eisen te stellen aan het persoonlijk karakter van de door de aannemer verschuldigde prestatie, maar door te eisen dat de partij die wil beëindigen (hetzij de erfgenamen van de aannemer, hetzij de aanbesteder), aan het overlijden van de aannemer een redelijk belang kan ontlenen bij de beëindiging van de overeenkomst. Of dit in een concrete situatie het geval is, zal bij geschil door de rechter moeten worden beslist. Niet voldoende is dat degene die beëindigt daarbij op zichzelf een redelijk belang heeft, maar hij moet dat belang speciaal aan het overlijden van de aannemer ontlenen. Voor de beëindiging door de aanbesteder zal zulk belang meestal schuilen in het persoonlijk karakter van de door de aannemer verschuldigde prestatie, maar het kan ook zijn dat het overlijden van de aannemer tot een ontwrichting leidt die de ernstige vertraging van de voltooiing van het werk waarschijnlijk maakt. Op grond van artikel 756 zal de aanbesteder in dat geval ook gehele of gedeeltelijke ontbinding door de rechter kunnen vorderen. Wat betreft beëindiging door de erfgenamen van de aannemer zal hun redelijk belang bij beëindiging meestal geen verband houden met het persoonlijk karakter van de verschuldigde prestatie, maar veeleer met de moeilijkheid voor hen om deze prestatie zonder extra grote kosten en moeiten nog te leveren. Zonder artikel 763 zouden zij dan nog wel de mogelijkheid van aanpassing van de aannemingsprijs hebben (artikel 753), maar daarvoor is gerechtelijke tussenkomst vereist, terwijl zonder artikel 763 twijfel zou kunnen bestaan over de vraag of de dood van de aannemer een feit is dat hem niet kan worden toegerekend. 4.Het ontwerp heeft aan de dood van de aannemer als beëindigingsgrond toegevoegd zijn duurzame arbeidsongeschiktheid. Deze moet zo zijn dat daaraan een redelijk belang bij beëindiging van de overeenkomst kan worden ontleend. Er bestaat geen reden ook het faillissement van de aannemer tot een wettelijke grond voor beëindiging te maken. Bijna altijd zal de aanbesteder dan het recht van artikel 33 Faillissementswet kunnen uitoefenen. Zou hij de aannemingssom volledig vooruit hebben betaald, wat niet vaak voorkomt, dan zal hij een beroep moeten doen op artikel 756. 5.Ingevolge de tweede volzin van artikel 763 hebben de aannemer of zijn erfgenamen bij beëindiging van de overeenkomst aanspraak op een naar redelijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden te bepalen vergoeding.

  3053. Artikel 764 (opzegging door opdrachtgever) 1. Dit artikel bevat het beginsel dat de aanbesteder te allen tijde de overeenkomst mag beëindigen. Zolang de aannemer er financieel niet op achteruitgaat, is het belang dat de aanbesteder kan hebben bij niet- voortzetting van het werk, groter dan het belang van de aannemer bij de voltooiing ervan. Het ontwerp ziet de uitoefening van het recht van de aanbesteder als een opzegging die slechts een beperkte invloed heeft op de verplichting van de aanbesteder tot betalen van de aannemingsprijs. De opzegging brengt geen verandering in de aard van die schuld, wèl – in de meeste gevallen – in de omvang. Artikel 764 geeft de aanbesteder ook de bevoegdheid de overeenkomst gedeeltelijk op te zeggen, d.w.z. op te zeggen met betrekking tot een deel van het opgedragen werk. 2.Wat betreft de door de aanbesteder bij beëindiging verschuldigde prijs maakt lid 2 onderscheid al naar gelang de overeengekomen prijs niet of wel afhankelijk was gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken kosten. Voor de aannemingscontracten waarbij de prijs van het begin af aan vaststaat, wordt de prijs berekend door uit te gaan van de overeengekomen prijs voor het hele werk, welke slechts wordt verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de beëindiging van het werk voortvloeien. De besparingen voor de aannemers omvatten natuurlijk in de eerste plaats de bespaarde kosten van materialen en arbeid. Maar de term is ruim genoeg om er ook de vergoeding voor niet gelopen risico onder te brengen, voor zover het gebruikelijk is in de begroting van het werk een post daarvoor op te nemen buiten de eigenlijke winst. Ook de bespaarde eigen arbeid van de aannemer, voor zover deze in het kader van het gegeven contract als een werkelijke besparing moet worden gezien, zal er onder bepaalde omstandigheden onder kunnen vallen. Gezien de veelheid van situaties lijkt het gewenst, door een elastische term als ‘besparingen’ een zekere vrijheid voor de rechter (of arbiter) te laten. Artikel 764 spreekt van de ‘voor het gehele werk geldende prijs’. Dit doelt op de prijs, zoals deze uitdrukkelijk was gecontracteerd of kon worden vastgesteld aan de hand van artikel 752. 2024 -1100- No. 164 3.De tweede volzin van lid 2 geeft een eigen berekeningswijze voor de aannemingscontracten waarbij de prijs afhankelijk is gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken kosten, de zogenaamde regiecontracten. De formule van de eerste volzin geeft in deze gevallen geen oplossing. Het verschil in de berekeningswijzen van de eerste en tweede volzin van lid 2 kan nog van belang zijn voor de bewijslastverdeling. Als de aanbesteder de hele prijs moet betalen, verminderd met de bespaarde kosten, ligt het voor de hand dat het bewijsrisico ten aanzien van door de aanbesteder beweerde besparingen op de aanbesteder rust, ook al zal de aannemer een belangrijke mededelingsplicht hebben. Maar bij de berekeningswijze van de tweede zin moet de aannemer bewijzen welke kosten hij heeft gemaakt en welke winst hij derft. Afdeling 2 Bijzondere bepalingen voor de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf

  3054. Artikel 765 (toepassingsbereik) Verwezen zij naar artikel 7:2 ten aanzien van de koop van een woning door een consument en de toelichting bij dat artikel.

  3055. Artikel 766 (schriftelijke vorm en bedenktijd) De leden 1 en 2 corresponderen met artikel 7:2 ten aanzien van de koop. Verwezen zij naar de toelichting bij die bepaling. Uit lid 3 vloeit voort dat dit artikel 766 alleen geldt voor zogeheten koop/aannemingsovereenkomsten. De overwegingen die ten grondslag liggen aan de voor de koop van een woning voorgestelde schriftelijke vorm en notariële voorlichting gelden niet tevens voor die gevallen waarin de grond waarop de woning dient te worden gebouwd reeds aan de opdrachtgever toebehoort en de overeenkomst derhalve alleen strekt tot de bouw van een woning. Teneinde ontduiking door splitsing van de koop/aannemingsovereenkomst in een aparte koop van de grond en aanneming van de bouw van de woning te voorkomen, is tevens bepaald dat de uitsluiting van de toepasselijkheid van dit artikel slechts geldt, indien de aannemingsovereenkomst niet met de koop van de grond in verband staat.

  3056. Artikel 767 (geen vooruitbetaling) 1.Vóórfinanciering wordt in dit artikel uitgesloten. Bepaald wordt dat, althans bij benadering, de betalingen gelijke tred moeten houden met de voortgang van de bouw dan wel moeten overeenstemmen met de waarde van de aan de opdrachtgever overgedragen goederen (met name de grond). Een wettelijke regeling inzake termijnbetalingen zou een te statisch karakter hebben. Het Nederlandse Garantie-Instituut Woningbouw hanteert een standaard-termijnregeling die in de koop/aannemingsovereenkomst moet zijn opgenomen, maar ook deze laat afwijking (met toestemming van de directeur van het GIW) toe. Deze termijnregeling – 10% bij de aanvang van de bouw na fundering; 20% na het leggen van de ruwe beganegrondvloer; 20% na het leggen van de ruwe verdiepingsvloer(en); 20% na het waterdicht maken van het dak; 20% na het stuc- en tegelwerk; 10% voor oplevering – kan wellicht steun bieden bij de concretisering van de norm ‘althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw’. 2.Het artikel bevat uitzondering vergelijkbaar met die in artikel 26 lid 3, ten aanzien van de koop van een woning door een consument: de opdrachtgever kan worden verplicht 10% van de aanneemsom als waarborgsom te storten of vervangende zekerheid te stellen, waarover nader artikel 6:51 BW (men denke in het bijzonder aan een bankgarantie). Storting van de waarborgsom is mogelijk op de ‘derdenrekening’ van een notaris of van een advocaat.

  3057. Artikel 769 (dwingend recht) Deze tweede afdeling wordt hier van dwingend recht verklaard; vgl. wat betreft de huizenkoop artikel 2 lid 4, artikel 8 en artikel 26 lid 4. 2024 -1101- No. 164 TITEL 13 - VENNOOTSCHAP Algemeen 1. Het ontwerp – dat ontleend is aan de Nederlandse wetsontwerpen 28 746 (Vaststelling van titel 7.13 [vennootschap] van het Burgerlijk Wetboek) en 31 065 (Invoeringswet titel 7.13 Burgerlijk Wetboek – strekt tot vaststelling van titel 13 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de regeling met betrekking tot de personenvennootschappen is neergelegd. De nieuwe titel strekt ter vervanging van de huidige achtste titel van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek, die betrekking heeft op de maatschap, en van de tweede afdeling van de tweede titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Koophandel, waarin de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap regeling hebben gevonden. Deze beide, sterk verouderde en weinig duidelijk geredigeerde, regelingen behoeven een fundamentele herziening die resulteert in een moderne en voor de praktijk bruikbare regeling van de personenvennootschappen. 2. Niet is overgenomen van het Nederlandse ontwerp 7.13 de mogelijkheid dat, indien de vennoten daarvoor kiezen, een openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid verwerft (artikelen 802 en 832 NedBW). Tot het vennootschappelijk vermogen is dan de vennootschap als rechtspersoon gerechtigd. Door de flexibilisering van het NV-recht in Boek 2 is deze mogelijkheid onnodig geoordeeld. Wel is overgenomen de bijzondere regeling voor de aansprakelijkheid van de vennoten bij opdrachtverlening (artikel 813 lid 2). Het voorstel brengt voorts de regeling van de maatschap (stille vennootschap) en de andere personenvennootschappen, die thans over twee wetboeken zijn verspreid, samen in één geïntegreerde regeling. 3. Andere vernieuwingen betreffen de ontbinding en voortzetting van de vennootschap (afdeling 5). Hier is voor het geval dat slechts een of enige vennoten uittreden, voorzien in continuïteit van de vennootschap (partiële ontbinding; artikel 818). Ook wordt de mogelijkheid geregeld van opvolging van een vennoot door zijn erfgenamen of een derde (artikel 822). Ten slotte is een afzonderlijke regeling opgenomen voor de vereffening en verdeling, welke geheel is toegesneden op de personenvennootschap (afdeling 6). Vereffening van het vermogen van de vennootschap na ontbinding daarvan kan overigens achterwege blijven als het beroep of bedrijf wordt voortgezet door een van de vennoten als eenmanszaak (artikel 831a). 4. De voorgestelde titel 7.13 telt zeven afdelingen, die als volgt kort kunnen worden gekenschetst. Afdeling 1 bevat Algemene bepalingen. Hier vindt men behalve een omschrijving van het begrip vennootschap (artikel 800), de onderscheiding tussen openbare en stille vennootschap, zijnde de nieuwe term voor maatschap (artikel 801). Afdeling 2 heeft betrekking op de Inbreng. Hier is geregeld op welke wijze de inbreng geschiedt en worden voorts enige regels over vennootschapsgoederenrecht gegeven, inclusief regeling van het ‘eigen vermogen’ van de vennootschap (artikel 806 lid 2). Afdeling 3 behelst een regeling met betrekking tot Besturende vennoten. Van bijzonder belang zijn hier de bepalingen omtrent de handelingsbevoegdheid van de besturende vennoot, zowel in zijn interne verhouding tot de overige vennoten (artikel 810) als in zijn verhouding tegenover derden (artikelen 811 tot en met 813). In afdeling 4 zijn bepalingen samengebracht over het Voeren van administratie en de verdeling van Winst en verlies. Afdeling 5 bevat bepalingen omtrent Ontbinding en voortzetting van de vennootschap. Hierin wordt een onderscheid gemaakt tussen ontbinding van de vennootschap in haar geheel (artikel 817) en partiële ontbinding waarbij de vennootschap alleen wordt ontbonden ten aanzien van een vennoot die uittreedt en wordt voortgezet door de overigen (artikel 818). In het laatste geval kan de uittredende vennoot worden opgevolgd, bijvoorbeeld door een of meer van zijn erfgenamen. Ook los daarvan is voorzien in de mogelijkheid van toetreding van een nieuwe vennoot. Afdeling 6 geeft in aansluiting op de regeling van de ontbinding een voor personenvennootschappen geldende eigen regeling van Vereffening en verdeling. Afdeling 7 ten slotte bevat enkele bepalingen met betrekking tot de Commanditaire vennootschap. De commanditaire vennootschap is een bijzondere vorm van de openbare vennootschap (artikel 836). 2024 -1102- No. 164 5. Met de term ‘vennootschap’ wordt ook in deze titel in de eerste plaats gedoeld op een overeenkomst. Zoals ook in de omschrijving van artikel 800 tot uitdrukking wordt gebracht, is de vennootschap een overeenkomst tot samenwerking. Daarmee strookt dat de regeling met betrekking tot de vennootschap is opgenomen in Boek 7. Met deze overeenkomst wordt evenwel een rechtsfiguur, een rechtsbetrekking, in het leven geroepen, die zelf eveneens als ‘vennootschap’ wordt aangeduid, en die tot op zekere hoogte lijkt te worden gepersonifieerd en losgemaakt lijkt te zijn van de aan haar ten grondslag liggende overeenkomst; men zie bijvoorbeeld artikel 813, waar wordt gesproken van een vennootschap die een opdracht heeft ontvangen. De omstandigheid dat met één term zowel de rechtshandeling als de met die handeling in het leven geroepen rechtsbetrekking wordt aangeduid, valt weliswaar bij de vennootschap sterk op, maar is in feite niet ongewoon; vgl. bijvoorbeeld in de contractuele sfeer de term ‘huur’ en daarbuiten de term ‘huwelijk’. In de onderhavige titel wordt tussen beide betekenisnuances geen onderscheid gemaakt; uit de context zal wel steeds duidelijk zijn op welk aspect (in het bijzonder) wordt gedoeld. Men houde echter voor ogen dat het in wezen toch steeds gaat om twee kanten van dezelfde medaille, en dat de overeenkomst het grondbegrip blijft. 6. Dat de vennootschap in de eerste plaats een overeenkomst is, brengt mee dat evenals bij andere bijzondere overeenkomsten de algemene bepalingen van de Boeken 3 en 6, voor zover deze betrekking hebben op overeenkomsten, in beginsel van toepassing zijn. Het gaat hier meer in het bijzonder om de toepasselijkheid van de titels 3.2 (Rechtshandelingen) en 6.5 (Overeenkomsten in het algemeen). Die toepasselijkheid kan uitgesloten zijn door een uitdrukkelijke bepaling, of doordat bijzondere bepalingen met betrekking tot de vennootschap zich tegen toepasselijkheid verzetten. 7. In het huidige recht bestaat enige onzekerheid over de vraag welke samenwerkingsvormen wel en welke niet onder het begrip maatschap vallen. In dit voorstel is dan ook gekozen voor een nauwkeurige omschrijving van het begrip vennootschap. Daarbij is de vraag onder ogen gezien of de voorkeur moet worden gegeven aan een ruime omschrijving die zo veel mogelijk vormen van samenwerking zou omvatten, dan wel aan een beperktere omschrijving. Laatstgenoemde benadering is tot uitgangspunt genomen. Een omschrijving is gegeven die alleen de samenwerking van een bepaalde aard en structuur onder het wettelijke begrip vennootschap brengt. Deze benadering sluit evenwel niet uit dat sommige bepalingen betreffende de vennootschap, die zich daarvoor lenen, analogisch kunnen worden toegepast op andere samenwerkingsvormen. In het vervolg van deze memorie zal in de toelichting op artikel 800 op een en ander nader worden ingegaan. 8. Overeenkomstig het stelsel van Boek 7 bevat titel 7.13 in beginsel regelend recht. Bij de afzonderlijke bepalingen zal telkens worden aangegeven of en zo ja, in hoeverre zij van dwingend recht zijn. Dat een wettelijke bepaling van regelend recht is, wil zeggen dat daarvan bij overeenkomst kan worden afgeweken: waar het gaat om de verhouding tussen de vennoten onderling wordt met deze overeenkomst gedoeld op de overeenkomst van vennootschap; en waar het gaat om de verhouding tot derden op een overeenkomst met de betrokken derde(n). Of een overeenkomst in een concreet geval een afwijking van de wettelijke bepaling inhoudt, zal moeten worden bepaald door uitleg van die bepaling. Het dwingendrechtelijke karakter van een wettelijke bepaling behoeft niet in alle gevallen met zoveel woorden in de wet tot uitdrukking te zijn gebracht. Voldoende kan zijn dat het naar zijn aard uit de wet voortvloeit, zoals bijvoorbeeld het geval is bij wettelijke omschrijvingen van de artikelen 800, 801 en 802. Ten slotte verdient opmerking dat de thans gekozen opzet het beter mogelijk maakt te onderscheiden tussen verschillende gradaties van dwingend recht. Soms is in het geheel geen afwijking mogelijk, soms is afwijking niet mogelijk ten nadele van bepaalde personen, of afwijking slechts mogelijk in bepaalde gevallen dan wel indien aan bepaalde vormvereisten is voldaan. 2024 -1103- No. 164 Afdeling 1 (Algemene bepalingen)

  3058. Artikel 800 (definitie) 1. In de omschrijving van de vennootschap in lid 1 is in de eerste plaats tot uitdrukking gebracht dat de vennootschap een overeenkomst tot samenwerking is. Met samenwerking wordt hier gedoeld op samenwerking op voet van een min of meer gelijkwaardige positie. Dat de partijen bij de overeenkomst een dergelijke samenwerking beogen, moet worden afgeleid uit de inhoud van de overeenkomst, mede in verband met de wijze waarop zij in feite wordt ten uitvoer gelegd; de subjectieve wil van partijen is derhalve niet beslissend. 2. De samenwerking tussen de vennoten zal veelal min of meer duurzaam van aard zijn, maar noodzakelijk is dit niet. Een vennootschap met het oog op één bepaalde transactie of één bepaald werk is mogelijk. 3. Het hiervoor toegelichte element samenwerking op voet van gelijkwaardigheid heeft in het bijzonder betekenis als criterium waarmee de vennootschap van andere overeenkomsten, als bijvoorbeeld arbeidsovereenkomst, huur en geldlening, wordt onderscheiden; wat betreft de arbeidsovereenkomst, zie nader lid 3. 4. In de tweede plaats is in de omschrijving uitdrukkelijk opgenomen dat de samenwerking moet zijn gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten; zie in verband met dit laatste tevens artikel 815, leden 4 en 5. Het is van belang dit element in de omschrijving op te nemen, in het bijzonder om de vennootschap te onderscheiden van de vereniging, die wel mag beogen winst te maken, maar die winst niet onder de leden mag verdelen (zie artikel 2:70 lid 3). Het begrip voordeel moet ruim worden opgevat: daaronder valt niet alleen een positief voordeel, maar ook vermijding van verlies en besparing van kosten. Het moet echter wel een vermogensrechtelijk voordeel zijn: een zuiver ideëel voordeel als uitsluitend doel van de samenwerking is niet voldoende. Niet uitgesloten is evenwel dat het behaalde vermogensrechtelijke voordeel geheel of ten dele voor een ideëel doel wordt aangewend. 5. Ten slotte is in de omschrijving opgenomen de inbreng. Met de redactie ‘door middel van inbreng door ieder van de vennoten’ is de functie van de inbreng als middel voor het te bereiken doel aangegeven en wordt een afbakening verkregen van de vennootschap met bijvoorbeeld een pot of poolovereenkomst en de enkele regeling van vermogensrechtelijke betrekkingen in samenlevingsverbanden buiten huwelijk. Waaruit de inbreng kan bestaan, wordt geregeld in artikel 805. 6. In de omschrijving is ook tot uitdrukking gebracht dat de vennoten degenen zijn die de overeenkomst van vennootschap hebben gesloten. In dit verband dient evenwel nog te worden gewezen op de mogelijkheid dat iemand die niet behoort tot degenen die de overeenkomst hebben gesloten, later tot de vennootschap toetreedt en daarmee partij wordt bij de overeenkomst en alsnog de hoedanigheid van vennoot verkrijgt. In deze toelichting zal bij artikel 823 nader op deze mogelijkheid worden ingegaan. 7. De in lid 2 neergelegde regel komt overeen met hetgeen in het algemeen voor overeenkomsten reeds voortvloeit uit artikel 6:248 lid 1. Niettemin is het wenselijk geoordeeld dit beginsel in een aangepaste formulering ook hier op te nemen, zoals ook wel bij andere bijzondere overeenkomsten is geschied; zie bijvoorbeeld artikel 7:611. Uit deze regel vloeit voort dat de rechten en verplichtingen van de vennoten jegens elkaar niet alleen worden bepaald door de inhoud van de overeenkomst als zodanig, maar mede door de redelijkheid en billijkheid. Men vergelijke voorts het voor rechtspersonen in het algemeen geldende artikel 2:7 lid 1 dat voor de verhouding tussen de rechtspersoon en de bij haar organisatie betrokkenen een bepaling van dezelfde strekking vormt. Niet voor niets wordt vennootschap vanouds beschouwd als een contract ‘uberrimae fidei’. Voor alle duidelijkheid is in lid 3 gekozen voor de uitdrukkelijk bepaling dat tussen de vennootschap en een vennoot geen arbeidsovereenkomst kan bestaan. Een andere vraag betreft de positie van derden die met de vennootschap een arbeidsovereenkomst aangaan. De vennoten gezamenlijk, in hun vennootschappelijk verband, vormen dan de werkgever. 2024 -1104- No. 164

  3059. Artikel 801 (openbare en stille vennootschap) 1. In dit en het volgende artikel worden de onderscheidende kenmerken van de verschillende categorieën vennootschappen gegeven. Het onderhavige artikel betreft het onderscheid tussen de openbare en de stille vennootschap. 2. Artikel 801 onderscheidt de vennootschappen in openbare vennootschappen en stille vennootschappen (maatschappen) en bevat de vereisten voor de openbare vennootschap. Voor de openbare vennootschap gelden drie vereisten: (a) de vennootschap moet gericht zijn op het uitoefenen van een beroep of bedrijf; (b) zij moet op een voor derden duidelijk kenbare wijze naar buiten optreden; en (c) zulks moet geschieden onder een door haar als zodanig gevoerde naam. 3. Ad a: Met het uitoefenen van een beroep of bedrijf wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een regelmatige, min of meer duurzame maatschappelijke werkzaamheid. Van oudsher heeft men het onderscheid tussen beroep en bedrijf hierin gezocht dat bij het uitoefenen van een beroep de nadruk ligt op het persoonlijk karakter van de werkzaamheden, zoals het geval is bij bijvoorbeeld, artsen, advocaten, belastingadviseurs e.d., terwijl bij het uitoefenen van een bedrijf veeleer het commerciële karakter en de gerichtheid op winst op de voorgrond staan. Er zijn echter in de praktijk grensgevallen, waarin dit criterium geen duidelijk antwoord geeft, terwijl ook afgezien hiervan de grenzen tussen beroep en bedrijf vervagen. Hoe dit echter zij, voor de in dit artikel opgenomen omschrijving van de openbare vennootschap is het onderscheid niet van belang. Ad b: Het belang van dit vereiste is hierin gelegen dat de vennootschap naar buiten optreedt, d.w.z. dat zij zich in het maatschappelijk verkeer op een voor derden duidelijk kenbare wijze als eenheid manifesteert. Dit houdt in dat namens haar en in haar naam wordt gehandeld. Wanneer de vennoten enkel op eigen naam handelen en de vennootschappelijke band uitsluitend bestaat in een interne verplichting tot verrekening, is geen sprake van een openbare vennootschap. Ad c: Dit vereiste hangt nauw samen met het onder b genoemde vereiste: het duidelijkste kenmerk dat een vennootschap als eenheid naar buiten optreedt, is dat zij dit doet onder een door haar als zodanig gevoerde naam waaruit dus ook moet blijken dat het een openbare vennootschap betreft. Dit kan buiten twijfel worden gesteld door bijvoorbeeld bij de naam de aanduiding Openbare Vennootschap of afgekort OV te bezigen. De naam kan overigens een zuivere fantasienaam zijn, maar ook een aanduiding van de activiteiten van de vennootschap bevatten, bijvoorbeeld ‘Caribische Drankenhandel’. Wanneer de namen van vennoten worden gebruikt, zal het van de verkeersopvattingen afhangen of van een als zodanig gevoerde naam sprake is. Dit zal niet het geval zijn indien de namen van alle vennoten op het briefpapier worden vermeld, zoals bijvoorbeeld in de advocatuur soms gebruikelijk is, maar wel indien een advocatenkantoor, zoals vaker voorkomt, optreedt onder de aanduiding van de naam of de namen van een of meer, al dan niet reeds uitgetreden, vennoten. Hierbij valt overigens wel te bedenken dat in het laatste geval deze wijze van aanduiden op zichzelf nog niet voldoende grond oplevert om te concluderen dat van een openbare vennootschap sprake is. Daarvoor is ook van belang of aan de onder a en b vermelde criteria is voldaan 4. Ten aanzien van de vraag of de exploitatie van een schip in de rechtsvorm van een openbare vennootschap kan geschieden, zij in de eerste plaats verwezen naar artikel 8:160. Indien een zeeschip blijkens de openbare registers aan twee of meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een rederij. Indien echter de eigenaren onder een gemeenschappelijke naam optreden, is er volgens de tweede volzin van genoemd artikel slechts een rederij, indien aan de daar gestelde vereisten is voldaan, te weten dat zulks uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en de akte in de openbare registers is ingeschreven. Indien de eigenaren onder gemeenschappelijke naam optreden, kan naar huidig recht sprake zijn van een vennootschap onder firma en overeenkomstig het voorstel van een openbare vennootschap. Het bestaan van een rederij sluit derhalve het zijn van een vennootschap uit. Nu het de gezamenlijke eigenaren van een schip vrijstaat om voor hun samenwerking hetzij te kiezen voor een rederij, hetzij voor een vennootschap, bestaat er voor wijziging van de regels betreffende rederijen geen behoefte. 2024 -1105- No. 164 5. Zoals hiervoor al is aangestipt, is de stille vennootschap in lid 2 uitsluitend negatief omschreven als de vennootschap die niet openbaar is. Aldus worden overlappingen en hiaten voorkomen.

  3060. Artikel 803 (nietige overeenkomst van vennootschap) In deze bepaling is de situatie onder ogen gezien dat de overeenkomst van vennootschap nietig is. Er is dan geen vennootschap ontstaan. Voor deze situatie is in lid 1 van het onderhavige artikel aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 2:2 lid 3. In lid 2 wordt een bepaling gegeven die overeenstemt met artikel 2:2 lid 3, slot.

  3061. Artikel 804 (terminologie ‘vennootschap’ buiten deze titel) Het begrip ‘vennootschap’ komt voor in tal van wettelijke bepalingen. Het kan betrekking hebben op kapitaalvennootschappen zoals geregeld in Boek 2 en op vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen. Worden de begrippen rechtspersoon en vennootschap in één adem gebezigd, zoals in artikel 101 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dan zal met vennootschap gedoeld worden op personenvennootschappen als een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap. Voorts kan daarmee gedoeld worden op een personenvennootschap naar buitenlands recht, ook als deze rechtspersoonlijkheid bezit. Ingevolge dit artikel wordt met het begrip ‘vennootschap’ steeds gedoeld of mede gedoeld op vennootschappen als bedoeld in artikel 800 (personenvennootschappen). Door de formulering wordt niet uitgesloten dat het begrip ‘vennootschap’ mede betrekking heeft op kapitaalvennootschappen. Afdeling 2 (De inbreng)

  3062. Artikel 805 (verplichting tot inbreng) 1. In artikel 800 is in de omschrijving van het begrip vennootschap de inbreng door ieder van de vennoten opgenomen als het middel tot het bereiken van het vennootschappelijke doel. Uit deze omschrijving volgt ook dat ieder van de vennoten tot de inbreng verplicht is. In het onderhavige artikel is die verplichting nader uitgewerkt. In algemene zin kan men onder inbreng verstaan het leveren van een bijdrage tot het bereiken van het gemeenschappelijke doel; zie reeds voor het huidige recht HR 7-12-1955, NJ 1956, 163. Die bijdrage kan bestaan in geld of (het genot van) een vermogensbestanddeel, maar is daartoe niet beperkt. Van oudsher is ook de inbreng van arbeid mogelijk geacht, zelfs in die vorm dat geen van de vennoten iets anders dan arbeid inbrengt. Daarnaast zijn echter nog andere vormen van inbreng mogelijk, die niet onder het begrip ‘goederen’ in de zin van artikel 3:1 vallen, zoals goodwill, knowhow en dergelijke. Men zie lid 1. 2. Het moet echter wel gaan om een positieve prestatie: een loutere verplichting om niet te doen is geen prestatie die op zichzelf kan worden ingebracht, tenzij zij is verbonden aan een andere voor inbreng vatbare bijdrage. Zou een vennoot zich slechts verplichten tot een negatieve prestatie, dan wordt niet voldaan aan het uit artikel 800 lid 1, voortvloeiende vereiste van ‘samenwerking’. 3. Niet vereist is dat de vennoten bij het aangaan van de vennootschapsovereenkomst daadwerkelijk iets inbrengen. Waar het om gaat is dat zij een verplichting tot inbreng op zich nemen waarbij uit de overeenkomst of de aard van de inbreng kan voortvloeien dat de nakoming van die verplichting niet terstond geschiedt, hetgeen zich bijvoorbeeld bij inbreng van arbeid ook niet goed anders laat denken. De verplichting van de vennoten tot inbreng is een verbintenis. Dit betekent onder meer dat het voorwerp van die verbintenis, de prestatie, voldoende bepaalbaar moet zijn en niet in strijd mag zijn met de wet, de openbare orde of de goede zeden. 4. Iedere vennoot is gehouden tot inbreng, dat wil zeggen tot het iets afstaan voor het gemeenschappelijk doel. Zie ook de omschrijving van vennootschap in artikel 800 lid 1. Verbindt niet iedere vennoot zich hiertoe, dan is er geen overeenkomst van vennootschap. Bij een in dit opzicht nalatige ‘vennoot’ kunnen de overblijvende partijen die zich wel tot inbreng verbinden, alsnog een tussen hen geldende overeenkomst van vennootschap aangaan. Ook kan tussen de oorspronkelijke partijen op grond van conversie (artikel 3:42) of door kwalificatie sprake zijn van een samenwerkingsovereenkomst sui generis; zie ook hierna de toelichting bij artikel 815. 2024 -1106- No. 164 5. Na lid 1 van het artikel, dat betrekking heeft op de inhoud van de inbreng, geeft lid 2 enige regels over de wijze van inbreng, voor zover het betreft de inbreng van geld, goederen of genot van goederen. Voor wat betreft de inbreng van andere prestaties, met name van arbeid, zijn nadere bepalingen niet noodzakelijk. Het begrip inbreng kan vanuit verschillende gezichtshoeken worden bezien. Geheel in het algemeen beschouwd is inbreng, overeenkomstig lid 1 van dit artikel, de terbeschikkingstelling van iets ten behoeve van de vennootschap. Datgene wat ter beschikking is gesteld, wordt daarmee dienstbaar gemaakt aan het bereiken van het vennootschappelijke doel. In die zin behoort het economisch gezien als actief tot het vermogen van de vennootschap. Het bijeengebrachte vermogen mag gedurende het bestaan van de vennootschap uitsluitend worden aangewend ter bereiking van haar doel; vgl. HR 17-12-1993, NJ 1994, 301, rov. 3.6, derde alinea. Met het voorgaande is evenwel nog niets gezegd over de goederenrechtelijke positie van hetgeen ter beschikking van de vennootschap is gesteld. Denkbaar is dat dit gaat behoren tot het vermogen van de vennootschap in juridische zin, dat wil zeggen tot een gemeenschap waarvan de vennoten de deelgenoten zijn, maar noodzakelijk is dit niet. De eerste volzin van lid 2 houdt als hoofdregel in dat inbreng dient te geschieden in de vennootschappelijke gemeenschap. 6. Wat de inbreng van genot van een goed betreft kan worden onderscheiden tussen twee vormen. Aan beide is gemeen dat het goed in juridische zin aan de inbrengende vennoot blijft toebehoren, maar het onderscheid bestaat hierin dat de vermeerderingen of verminderingen van de waarde van het goed al dan niet voor rekening van de vennootschap komen. In eerstbedoeld geval, indien dus de waardeveranderingen voor rekening van de vennootschap komen, spreekt men van inbreng van economische eigendom. Is dit niet het geval dan wordt het inbreng van het zuiver genot genoemd. Welke van deze twee vormen zich in een concreet geval voordoet, zal moeten worden vastgesteld door uitlegging van de vennootschapsovereenkomst. 7. Indien partijen in hun overeenkomst enkel spreken over inbreng van een goed, moet worden aangenomen dat zij bedoeld hebben de volledige inbreng van het goed en niet alleen het genot daarvan. Dit goed zal dan aan de gemeenschap moeten worden geleverd, waarbij dan de verplichting tot inbreng de titel tot levering is. Bij het voorgaande verdient nog opmerking dat de vennootschappelijke gemeenschap veelal niet alleen zal bestaan uit hetgeen de vennoten bij de oprichting of later hebben ingebracht. Ook hetgeen door de vennootschap tijdens haar bestaan is verworven, gaat tot die gemeenschap behoren. 8. De tweede volzin van lid 2 verklaart op de inbreng van een goed de bepalingen omtrent koop en op de inbreng van genot van een goed die omtrent huur van overeenkomstige toepassing. De vraag wanneer de aard van de rechtsverhouding zich tegen deze overeenkomstige toepassing verzet, behoort door de rechtspraak en de literatuur te worden beantwoord. 9. Het is, mede gelet op artikel 6:15, wenselijk in de wet uitdrukkelijk te bepalen wie nakoming van de verplichting tot inbreng kan vorderen; daartoe strekt lid 3. Deze bepaling laat vanzelfsprekend onverlet dat ook de vennootschap zelf nakoming kan vorderen. 10. De verplichting tot inbreng, die in het onderhavige artikel nader wordt geregeld, behoort tot de essentialia van de overeenkomst van vennootschap. Het is dan ook niet wenselijk dat bij die overeenkomst afwijkende regelingen worden getroffen, bijvoorbeeld in die zin dat slechts de besturende vennoten ten behoeve van de vennootschap de naleving van deze verplichting kunnen vorderen (vgl. lid 3). Met het oog hierop is in lid 4 bepaald dat van dit artikel niet kan worden afgeweken. 2024 -1107- No. 164

  3063. Artikel 806 (beschikking over aandeel en ‘afgescheiden vermogen’) 1. Artikel 3:189 lid 3 bepaalt dat de bepalingen van titel 3.7 (Gemeenschap) niet van toepassing zijn op de vennootschap, ongeacht of zij ontbonden is. Voor de ontbonden vennootschap geldt een op de vennootschap toegespitste regeling in deze titel (zie hierna bij artikel 827). Bij deze stand van zaken behoort de onderhavige titel in de eerste plaats een regeling te geven met betrekking tot de gemeenschap van de niet-ontbonden vennootschap. Zoals hiervoor al is uiteengezet, bestaat die gemeenschap uit hetgeen de vennoten hebben ingebracht, alsmede uit hetgeen de vennootschap tijdens haar bestaan heeft verworven. Slechts bij uitzondering zal zich dan ook de situatie voordoen dat geen vennootschappelijke gemeenschap bestaat. 2. Zoals ook al in artikel 805 lid 1, tot uitdrukking is gebracht, strekt de inbreng van goederen in de vennootschappelijke gemeenschap ten behoeve van de samenwerking, dat wil zeggen tot het bereiken van het vennootschappelijke doel. De goederen kunnen dan ook slechts tot dat doel worden gebezigd. In die zin kan men spreken van een gebonden gemeenschap. Met het karakter van deze gemeenschap zou niet stroken dat een vennoot over zijn aandeel daarin of over zijn aandeel in een tot die gemeenschap behorend goed zou kunnen beschikken. Ook echter aan de overdracht van een aandeel aan een derde met de bepaling dat dit ten dienste van de vennootschap zou blijven staan, zijn belangrijke praktische bezwaren verbonden. Met het oog hierop is in lid 1 bepaald dat een vennoot niet over zijn aandeel in de gemeenschap of in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk kan beschikken, waaraan volledigheidshalve – schuldeisers kunnen immers niet meer rechten uitoefenen dan hun schuldenaar – in de tweede volzin is toegevoegd dat schuldeisers van de vennoot zodanig aandeel ook niet kunnen uitwinnen. Met het bovenstaande houdt nauw verband dat blijkens artikel 823 lid 1 de positie van vennoot behalve in het geval van opvolging of toetreding niet overdraagbaar is; de vennootschap is immers in beginsel ‘intuitu personae’ aangegaan. 3. Ook door verdeling van de gemeenschap zou de vennootschappelijke band voor wat de goederen betreft worden geslaakt, hetgeen in strijd zou zijn met het hiervoor bedoelde gebonden karakter van de gemeenschap. In het verlengde van de hiervoor besproken bepalingen en om het gebonden karakter van de gemeenschap te onderstrepen is in de derde volzin bepaald dat geen verdeling van de gemeenschap kan worden gevorderd. Het gaat hier in het bijzonder erom een vordering tot verdeling door de vennoten of door schuldeisers van de vennoten of van de vennootschap uit te sluiten. 4. De in lid 2 neergelegde regel dat tot de vennootschappelijke gemeenschap behorende schulden – de zogenaamde zaakschulden, dat wil zeggen de schulden waarvoor de vennootschap, respectievelijk de gezamenlijke vennoten als zodanig, jegens derden verbonden en aansprakelijk zijn – op de goederen van die gemeenschap kunnen worden verhaald, welke regel overeenkomt met de voor het huidige recht in vaste rechtspraak voor de vennootschap onder firma aanvaarde regel, wordt uitgebreid tot alle vennootschappen. Van zaakschulden zoals bedoeld zal bij een stille vennootschap (maatschap) overigens slechts sprake zijn indien de besturende vennoot krachtens volmacht in naam van de stille vennootschap, dat wil zeggen van de gezamenlijke vennoten, heeft gehandeld (zie artikel 812). Men pleegt in dit verband te spreken van een ‘afgescheiden vermogen’. Aldus wordt, in samenhang met hetgeen in lid 1 is bepaald, bereikt dat de vennootschapsschuldeisers met betrekking tot de vennootschappelijke gemeenschap voorrang hebben boven de privé-schuldeisers van de vennoten: deze laatsten kunnen zich immers niet op die gemeenschap verhalen. 5. Het spreekt vanzelf dat aan de bevoegdheid van zaakschuldeisers zich op de vennootschappelijke gemeenschap te verhalen, geen afbreuk kan worden gedaan doordat na het ontstaan van de schuld vennoten toetreden of uittreden. Die gemeenschap strekt tot waarborg voor deze crediteuren en, mede uit een oogpunt van continuïteit van de vennootschap ook bij wisseling van de personen van de vennoten, zou daarmee niet stroken indien de verhaalsmogelijkheden van de vennootschapscrediteur zouden wijzigen bij het toe- of uittreden van vennoten. 2024 -1108- No. 164

  3064. Artikel 808 (huwelijksgemeenschap) 1. Met de regel dat een vennoot niet over zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap kan beschikken, strookt dat een zodanig aandeel ook niet valt in een gemeenschap van goederen waarin hij is gehuwd (vgl. onder meer HR 15-12-1961, NJ 1962, 48). Zou men het anders zien, dan zouden, in het bijzonder bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap, ernstige complicaties worden opgeroepen door het bestaan van twee ineengestrengelde gemeenschappen. 2. Er bestaat evenwel geen bezwaar tegen de figuur dat tot de huwelijksgemeenschap weliswaar niet het aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap behoort, maar wel de economische deelgerechtigdheid van de vennoot; zie voor dit begrip hiervoor bij artikel 806. Het gevolg hiervan is dat bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap de waarde van deze deelgerechtigdheid moet worden verrekend, hetgeen hierop zal neerkomen dat in beginsel de andere echtgenoot een vordering op de echtgenoot-vennoot heeft ter grootte van de helft van de waarde van die deelgerechtigdheid. Discussies die in dit verband plaatsvinden over de betekenis van artikel 1:94 lid 3, worden door de voorgestelde speciale voorziening achterhaald. Afdeling 3 (De besturende vennoten en de gebondenheid tegenover derden)

  3065. Artikel 809 (besturende vennoten) 1. Dit en het volgende artikel bevatten een aantal algemene bepalingen met betrekking tot het bestuur van de vennootschap, en wel ongeacht of het gaat om een openbare vennootschap of een stille vennootschap (maatschap). Daarbij verdient opmerking dat ten aanzien van de inrichting van het bestuur (lid 1 van het onderhavige artikel) en de interne bevoegdheid van een besturend vennoot (artikel 810) contractuele vrijheid bestaat om een en ander te regelen zoals men gewenst acht. 2. Lid 1 bevat de wettelijke regel dat iedere vennoot besturend vennoot is. Zoals reeds aangestipt is dit een regel van aanvullend recht en aan te nemen valt dat in de praktijk veelal een contractuele regeling met betrekking tot de samenstelling van het bestuur zal worden getroffen. Dit kan geschieden bij overeenkomst van alle vennoten en wel niet alleen bij de overeenkomst waarbij de vennootschap wordt opgericht, maar ook bij een latere overeenkomst. Aldus bestaat de mogelijkheid op eenvoudige wijze de inrichting van het bestuur aan te passen aan gewijzigde omstandigheden of inzichten. Ook krachtens de oprichtingsovereenkomst of een latere overeenkomst van de vennoten kan worden afgeweken van de wettelijke hoofdregel. Te denken valt aan een in de overeenkomst voorzien meerderheidsbesluit of aan een ingevolge de overeenkomst vastgesteld roulatieschema. 3. De mogelijkheid bestaat dat het bestuur uitsluitend aan een of meer derden is opgedragen en dat derhalve geen van de vennoten besturend vennoot is. Lid 2 bevat de voor de hand liggende regel dat voor derden-bestuurders dezelfde rechten en verplichtingen gelden als voor besturende vennoten. Voor zover deze rechten en verplichtingen van de besturende vennoten voortvloeien uit dwingendrechtelijke bepalingen, zal ook met betrekking tot derden aan wie het bestuur is opgedragen, gelden dat van deze rechten en verplichtingen niet kan worden afgeweken. 4. Een volgende vraag is of, zo het gaat om rechten en verplichtingen die hun grondslag vinden in bepalingen van regelend recht (zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid tot vertegenwoordiging, geregeld in artikel 811 lid 1), met betrekking tot derden een afwijking in andere zin kan gelden dan met betrekking tot vennoten. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord; als ten aanzien van vennoten een verschillende regeling kan worden getroffen valt niet in te zien dat hetzelfde niet met betrekking tot derden mogelijk zou zijn. 5. De bepaling van lid 3 correspondeert met artikel 2:14 lid 1 voor de rechtspersoon in het algemeen. Er is geen reden waarom een dergelijke regel niet zou gelden voor de besturende vennoten van vennootschappen. Indien er meerdere besturende vennoten zijn, is er sprake van een collectieve verantwoordelijkheid. 2024 -1109- No. 164 6. Het afleggen van rekening en verantwoording ingevolge lid 4 dient ten minste eenmaal per jaar te geschieden, en wel, in overeenstemming met het gebruik, in de regel bij gelegenheid van het vaststellen van de balans en de staat van baten en lasten (artikel 814 lid 4). De gebezigde formulering laat open dat vaker dan eenmaal per jaar of op een ander tijdstip dan bij het opmaken van de jaarstukken rekening en verantwoording moet worden afgelegd. In dit verband kan worden geacht aan een vennootschap die voor een bepaald werk of voor korte duur is opgericht. Indien een besturend vennoot nalatig is in het afleggen van rekening en verantwoording, kan ieder van de medevennoten vorderen dat hij daartoe wordt veroordeeld. Van de rekeningprocedure van artikel 771 e.v. Rv kan gebruik worden gemaakt.

  3066. Artikel 810 (interne bevoegdheid) 1. Ook deze bepaling ziet op de interne verhouding van de vennoten: zij regelt tot welke handelingen een besturend vennoot in zijn verhouding tot de andere vennoten bevoegd is, dat wil zeggen welke handelingen voor rekening van de vennootschap, dus de gezamenlijke vennoten komen. De vraag in hoeverre een besturend vennoot bevoegd is ten opzichte van derden, met andere woorden hoever zijn vertegenwoordigings-bevoegdheid strekt, vindt behandeling in de volgende twee artikelen. Als maatstaf is gekozen dat het moet gaan om rechtshandelingen die, gelet op het doel van de vennootschap tot haar normale werkzaamheden behoren. In geval van geschil zal door uitleg van hetgeen in de overeenkomst omtrent het doel is opgenomen, moeten worden vastgesteld of de rechtshandeling kan worden aangemerkt als een die tot de normale werkzaamheden ter bereiking van het doel behoort. Voor andere, veelal ingrijpende, handelingen, dus handelingen die buiten de normale exploitatie vallen, is afzonderlijke instemming van de andere vennoten vereist, willen zij voor rekening van de vennootschap komen. 2. Ook hier geldt dat de wettelijke bepalingen regelend recht bevatten. Partijen kunnen dus afwijkende regelingen treffen, bijvoorbeeld de bevoegdheid beperken tot handelingen tot een bepaald bedrag, bepalen dat slechts twee vennoten gezamenlijk bevoegd zijn, bepaalde handelingen binden aan een meerderheidsbesluit van de vennoten, enz. Ook een verruiming van de bevoegdheid is mogelijk, bijvoorbeeld in die zin dat voor andere handelingen dan die tot de normale exploitatie behoren, geen instemming van alle andere vennoten is vereist, maar dat instemming van bepaalde of een meerderheid van de andere vennoten voldoende is.

  3067. Artikel 811 (vertegenwoordigingsbevoegdheid) 1. Dit artikel dat van toepassing is op de openbare vennootschap heeft, evenals het volgende dat geldt voor de stille vennootschap (maatschap), betrekking op de bevoegdheid de vennootschap onderscheidenlijk de gezamenlijk vennoten te vertegenwoordigen. Volgens de in lid 1 neergelegde wettelijke hoofdregel is bij een openbare vennootschap ieder van de besturende vennoten volledig vertegenwoordigingsbevoegd, met dien verstande dat het moet gaan om handelingen die dienstig kunnen zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap. 2. Met de omschrijving ‘dienstig kunnen zijn’ is een ruimere maatstaf gegeven dan die van artikel 810 (‘behoren tot de normale werkzaamheden’); vgl. HR 8-6-1990, NJ 1990, 607. Daardoor kan zich de situatie voordoen dat een vennoot als vertegenwoordiger van de vennootschap bevoegd heeft gehandeld, zodat de gevolgen van die rechtshandeling komen te rusten op de vennootschap en bijvoorbeeld voor de vennootschap een verbintenis ontstaat, terwijl de vennoot intern niet bevoegd was tot die handeling. In een dergelijke situatie zal dus extern de handeling wel ten laste van de vennootschap komen, waarbij ook de vennoten in persoon jegens de derde verbonden zijn (artikel 813), maar intern blijft de handeling voor rekening van de vennoot die zijn bevoegdheid heeft overschreden. Een vennoot die op grond van zijn persoonlijke verbondenheid door de derde is aangesproken en aan deze heeft betaald, zal zich dan ook op de besturende vennoot kunnen verhalen. 2024 -1110- No. 164 3. Naast de aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de besturend vennoot gestelde grens die hierdoor wordt bepaald dat de handeling dienstig moet kunnen zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap, bestaat de mogelijkheid de bevoegdheid op ander wijze te beperken. Bij de overeenkomst van vennootschap (inclusief latere wijzigingen; vgl. het slot van artikel 802 lid 3) kan namelijk anders worden bepaald, bijvoorbeeld in die zin dat een besturend vennoot in het geheel niet vertegenwoordigingsbevoegd is, of slechts tot een bepaald bedrag of tezamen met een andere vennoot. Partijen zijn hier vrij de huns inziens wenselijke regeling te treffen. De nadruk zij erop gevestigd dat hier alleen bij de overeenkomst en niet ook, zoals in artikel 810, bij of krachtens overeenkomst anders kan worden bepaald. Dit hangt samen met de bescherming van derden, die aldus van de beperking kunnen kennisnemen (het Handelsregisterbesluit zal worden aangepast). 4. Lid 2 houdt voor het geval de inschrijving in het handelsregister nog niet heeft plaatsgevonden in de eerste plaats in dat met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid geen beperking bestaat wat betreft doeloverschrijdende handelingen, nu immers de vennootschap ten aanzien van een derde geldt als algemeen voor alle zaken, zodat geen handelingen denkbaar zijn die niet dienstig kunnen zijn tot verwezenlijking van het doel. Ingeval de inschrijving niet is geschied, geldt voorts dat alle vennoten onbeperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben, tenzij de derde van een in de overeenkomst opgenomen uitsluiting of beperking van die bevoegdheid niet onkundig was.

  3068. Artikel 812 (vertegenwoordiging stille vennootschap) 1. Ook deze bepaling heeft betrekking op de besturend vennoot, die, ook als hij in eigen naam handelt, nog wel voor rekening van de vennootschap kan handelen; men denke bijvoorbeeld aan de in maatschapsverband samenwerkende advocaat die een overeenkomst met een cliënt sluit, waarbij hij uitsluitend zelf partij is. Of een besturende vennoot in een gegeven geval inderdaad voor rekening van de stille vennootschap (maatschap) handelt, hangt hiervan af of is voldaan aan de maatstaf van artikel 810. Dit is een interne kwestie. 2. De onderhavige bepaling heeft betrekking op het externe effect, namelijk de bevoegdheid in naam van de vennootschap, dat betekent hier steeds in naam van de gezamenlijke vennoten als zodanig, te handelen. Daartoe is vereist dat de handelende vennoot van de andere vennoten volmacht heeft. In dat geval ontstaat een ‘zaakschuld’, die verhaalbaar is op de vennootschappelijke gemeenschap (artikel 806 lid 2) en waarvoor bovendien de vennoten in beginsel voor gelijke delen verbonden zijn (artikel 813 lid 3). Deze regeling staat uiteraard niet eraan in de weg dat een of meer vennoten een andere (besturende) vennoot volmacht geven tot het verrichten van een of meer rechtshandelingen. Wanneer zij dat niet als zodanig, in hun hoedanigheid van vennoot doen, geldt niet de regel van het onderhavige artikel en ontstaat geen zaakschuld die op de vennootschappelijke gemeenschap verhaalbaar is. De algemene regels van het verbintenissenrecht zijn in zodanig geval van toepassing.

  3069. Artikel 813 (aansprakelijkheid jegens derden) 1. Zoals hiervoor is uiteengezet, betekent het ontstaan van een vennootschappelijke schuld (zaakschuld) dat de schuldeiser zich op het vennootschappelijke vermogen onderscheidenlijk de vennootschappelijke gemeenschap kan verhalen. Dit wil echter niet zeggen dat dit de enige verhaalsmogelijkheid voor de schuldeiser is. Volgens lid 1 is dan, wanneer het gaat om een openbare vennootschap sprake van hoofdelijke verbondenheid van de vennoten. 2. In lid 2 wordt dit uitgangspunt bij het aanvaarden van opdrachten verzacht; zie hierna. Er is van afgezien om in dit ontwerp de in het buitenland wel bekende figuur van de beroepsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid apart te regelen. Wil men beperkte aansprakelijkheid van de vennoten realiseren, dan staat de figuur van de kapitaalvennootschappen hiertoe open. 3. Gaat het om een stille vennootschap (maatschap), dan kunnen op de voet van artikel 812, wanneer de besturende vennoot volmacht van de andere vennoten heeft, verbintenissen ten laste van de stille vennootschap, dat wil zeggen ten laste van de maten als zodanig, ontstaan. Betreft de verbintenis een deelbare prestatie, dan zijn volgens lid 3 de maten voor gelijke delen verbonden, maar in de 2024 -1111- No. 164 overeenkomst met de derde kan zijn bepaald dat zij hoofdelijk of voor ongelijke delen verbonden zijn. Gaat het om een ondeelbare prestatie, dan volgt uit artikel 6:6 lid 2, dat de maten hoofdelijk verbonden zijn. Er zij op gewezen dat de in lid 3 neergelegde verbondenheid voor gelijke delen voor het geval van schadevergoeding (wegens wanprestatie) een afwijking vormt van artikel 6:102. 4. Opmerking verdient nog dat ook de besturend vennoot die in naam van de stille vennootschap heeft gehandeld, is begrepen onder de vennoten waarop lid 3 ziet. Anders dan bij de gewone gevallen van bevoegde vertegenwoordiging, waar de gevolgen van de door de vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling – uitsluitend – de vertegenwoordigde treffen, is hier de besturend vennoot op dezelfde voet als de anderen, dus in beginsel voor een gelijk deel, verbonden. 5. Het lid 2 sluit aan bij artikel 7:407 lid 2, waar het gaat om een opdracht die door twee of meer personen tezamen is ontvangen. In geval van een openbare vennootschap geeft de onderhavige bepaling eenzelfde regeling als artikel 7:407 lid 2 inclusief de mogelijkheid om aan de hoofdelijkheid te ontkomen. De bepaling heeft in het bijzonder betekenis voor openbare vennootschappen tot het uitoefenen van een beroep waarbij het veelal zal gaan om opdrachten tot dienstbetoon die verplichten tot niet bij voorbaat kwantitatief meetbare prestaties. Ook bij bedrijfsuitoefening komen dergelijke opdrachten echter voor De voorgestelde dwingendrechtelijke regel prevaleert boven de bepaling van artikel 7:407 lid 2 (zie ook artikel 7:400 lid 2). Men lette erop dat de hoofdregel van lid 2, aansprakelijkheid voor het geheel, overeenkomt met wat reeds uit het eerste lid volgt; de afwijking is gelegen in het slot van lid 2, die meebrengt dat de vennoot aan wie de tekortkoming niet kan worden toegerekend – vgl. artikel 6:74 lid 1 en artikel 6:75 – niet aansprakelijk is. 6. De hier gegeven regels hebben, als gezegd, betrekking op een vennoot die in naam van de vennootschap handelt en daartoe bevoegd is. Zij sluiten op zichzelf niet uit dat een (besturend) vennoot in eigen naam, maar wel voor rekening van de vennootschap handelt. Bij een openbare vennootschap zal echter duidelijk moeten blijken dat dit het geval is; zo is persoonlijke ondertekening op het papier van de vennootschap hiertoe niet voldoende. Vgl. in dit verband ook HR 3-12-1971, NJ 1972, 117. Bij een handelen op eigen naam maar voor rekening van de vennootschap is er voor wat betreft de relatie met de derde uitsluitend persoonlijke gebondenheid van de handelende vennoot; in de interne verhouding zal de handelende vennoot met de andere vennoten moeten afrekenen. Opmerking verdient hierbij nog dat de overeenkomst kan inhouden dat een vennoot niet in eigen naam mag handelen: in dat geval pleegt de vennoot die dat toch doet wanprestatie jegens de vennootschap, respectievelijk de overige vennoten, maar in de externe verhouding maakt het geen verschil. 7. De bepalingen van de artikelen 811 tot en met 813 zien niet op handelen in naam van de vennootschap door een vennoot die onbevoegd is. Ten aanzien van die vennoot gelden dan de regels die in Boek 3 zijn gegeven (zie artikel 3:70 in verbinding met artikel 3:78). Overigens kan bij een dergelijk onbevoegd handelen de vennootschap onder bijzondere omstandigheden toch gebonden zijn. Men denke aan het te goeder trouw door de derde afgaan op een gewekte en aan de vennootschap of de medevennoten toe te rekenen schijn van bevoegdheid, aan bekrachtiging van de onbevoegd verrichte handeling door de overige vennoten en aan zaakwaarneming. Afdeling 4 (Het voeren van administratie en winst en verlies) Algemeen 1. Onderscheiden dient te worden tussen het opmaken en vaststellen van stukken (balans en staat van baten en lasten) die de gemaakte winst of het geleden verlies aanwijzen en het delen van de vennoten in die winst of dat verlies. Aan het laatste is het voorziene artikel 815 gewijd (waarbij artikel 816 handelt over uitkering van de winst en aanzuivering van het verlies). De plicht tot administratie, het bewaren, en het vaststellen en opmaken van de balans en staat van baten en lasten zijn geregeld in het voorziene artikel 814. 2024 -1112- No. 164 2. De regeling in de voorziene bepalingen geldt voor iedere vennootschap, zowel de openbare als stille. Ook bij een stille vennootschap noopt de vennootschappelijke samenwerking tussen de vennoten zoals aangeduid in artikel 800 tot een behoorlijke administratie en tot (mogelijk eenvoudige) jaarstukken aan de hand waarvan de afrekening van de financiële resultaten volgens de krachtens overeenkomst of wet geldende verdeelsleutel kan plaatsvinden.

  3070. Artikel 814 (administratie) 1. De redactie van lid 1 komt overeen met artikel 3:15a lid 1 en artikel 2:15 lid 2, waarin in verband met de ontwikkelingen in de techniek van de administratie ook wordt gesproken van andere (in het bijzonder moderne elektronische) gegevensdragers. In de administratie dienen niet alleen transacties ten name van de vennootschap doch alle transacties voor rekening van de vennootschap te worden opgenomen, evenals verrekeningen in verband met dergelijke transacties tussen een vennoot en de vennootschap of de andere vennoten. Tot de in lid 1 aangeduide verplichting zijn de besturende vennoten gehouden. Het nakomen van deze verplichting valt onder de in artikel 809 lid 3, aangeduide gehoudenheid van iedere besturend vennoot zijn taak behoorlijk te vervullen. 2. Ingevolge lid 2 heeft ieder der vennoten in beginsel een inzagerecht. De bepaling omtrent de bij overeenkomst te maken uitzondering op dit inzagerecht van ieder der vennoten zelf is ingegeven door de overweging dat soms zulk een inzage, bijvoorbeeld door een commanditaire vennoot die concurrerend werkzaam is, bezwaarlijk kan zijn en voorts door een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden 20-6-1956, NJ 1956, 602, gewezen naar aanleiding van de voor een vennoot van een vennootschap onder firma geldende overleggingsplicht (in casu werd de subsidiaire vordering tot overlegging aan een accountant toegewezen). Los van deze regeling heeft iedere vennoot recht op de inlichtingen en bewijsstukken die hij redelijkerwijze nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de omvang van de gemaakte winst en daarmee van het hem toekomende bedrag. Zie ten aanzien van het participatiecontract: HR 25-3-1977, NJ 1977, 448. De plicht van de besturende vennoot tot rekening en verantwoording aan ieder van zijn medevennoten, is neergelegd in artikel 809 lid 3. 3. Het behoort tot de taak van de besturende vennoten ten minste eenmaal per jaar de jaarstukken op te maken aan de hand waarvan in overeenstemming met het gebruik ook rekening en verantwoording kan worden afgelegd ingevolge voornoemd artikel 809 lid 3. Een tussentijds opmaken blijft mogelijk en is soms aangewezen. Dit opmaken dient ingevolge lid 3 in beginsel te geschieden binnen acht maanden na afloop van het boekjaar (zie ook artikel 2:15 lid 2), doch in de overeenkomst van vennootschap kan worden voorzien in een verlenging van deze termijn, bijvoorbeeld door de besturende vennoten zelf, door alle vennoten tezamen of bij meerderheidsbesluit van de vennoten. Het is echter redelijk deze verlenging niet langer te laten voortduren dan zes maanden. Na verloop van de eventueel verlengde termijn kan iedere vennoot in rechte vorderen dat de bedoelde jaarstukken door de besturende vennoten worden opgemaakt. Ten slotte is een volzin opgenomen over het boekjaar die correspondeert met hetgeen in artikel 2:15 lid 5 voor rechtspersonen is bepaald. 4. De bevoegdheid tot vaststelling, bedoeld in lid 4, brengt anders dan die tot goedkeuring mee de bevoegdheid tot het anders bepalen van sommige posten van de jaarstukken, tot het gewijzigd vaststellen van de opgemaakte stukken. De bevoegdheid tot het vaststellen komt in beginsel toe aan alle vennoten tezamen. In de overeenkomst van vennootschap kan echter worden voorzien dat die vaststelling geschiedt bij een besluit van vennoten. Dit kan een meerderheidsbesluit zijn; men denke aan vennootschappen met een groot aantal vennoten. Het kan ook zijn dat men een voorziening treft dat bijvoorbeeld alleen de zgn. seniorpartners het besluit kunnen nemen. In alle gevallen dient iedere vennoot aan de beraadslaging over de besluitvorming te kunnen deelnemen. Steeds dienen de redelijkheid en billijkheid in acht te worden genomen. In de overeenkomst kan ook worden voorzien dat een of meer derden de stukken kunnen vaststellen. Dat de vaststelling dient te geschieden binnen een redelijke termijn na het opmaken spreekt eigenlijk voor zich. Reeds op grond van de redelijkheid en billijkheid dient ieder der vennoten hieraan mee te werken. In het algemeen zal een redelijke termijn niet meer dan enige maanden bedragen. 2024 -1113- No. 164 5. De in lid 5 vervatte bepaling omtrent de bewaartermijn is ontleend aan artikel 2:15 lid 3. Lid 6 verklaart artikel 2:15 lid 4, inzake overbrenging op andere gegevensdragers van toepassing.

  3071. Artikel 815 (winst- en verliesdeling) 1. De verdeling van winst en verlies bij de vennootschap is een zaak van wezenlijk belang. De samenwerking tussen de vennoten, die tot de essentialia van de overeenkomst behoort, is immers gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel. Vandaar dat als maatstaf voor de winst- en verliesdeling in lid 1 wordt uitgegaan van gelijke delen en dat daarvan slechts kan worden afgeweken bij de overeenkomst van vennootschap. Aan de hand van de geldende maatstaf zal elk jaar moeten worden vastgesteld wat ieders deel is in de gemaakte winst of het geleden verlies. Met het oog op het belang van de winst- en verliesdeling voor de vennoten is, evenals bij de vaststelling van de jaarstukken, tot uitgangspunt genomen dat alle vennoten daaraan moeten meewerken; zie hierna. Desgewenst kunnen de vennoten in de overeenkomst een afwijkende regeling treffen, in die zin dat de vaststelling ook kan geschieden door een besluit van vennoten, maar daarbij zal evenals bij de vaststelling van de jaarstukken ten minste voor elk der vennoten gelegenheid moeten bestaan aan de beraadslaging deel te nemen. Ook kan de vaststelling ingevolge de overeenkomst van vennootschap worden opgedragen aan een of meer derden. Aldus wordt zowel recht gedaan aan het belang dat elk der vennoten een voldoende stem heeft in de vaststelling van winst- en verliesdeling als aan het belang van flexibiliteit. 2. Om ieder misverstand uit te sluiten, is in lid 1 (gelijk delen) toegevoegd de zinsnede ‘ongeacht de waarde van ieders inbreng in de vennootschap’ (of deze nu uit geld of goederen bestaat of uit arbeid). Men kan echter in de vennootschapsovereenkomst een winst- en verliesdelingsregeling opnemen die in meerdere of mindere mate is gerelateerd aan de (feitelijke) inbreng waarvoor men is gecrediteerd, terwijl daarbij ook ten aanzien van de arbeid inbrengende vennoot een overeen te komen redelijke maatstaf kan worden gehanteerd. Variaties daarbij zijn denkbaar. Zie over de mogelijkheid om over of voor de inbreng in de vennootschap een bepaalde rente of vaste vergoeding te bedingen: lid 5. 3. De regeling van lid 2 geeft een nadere uitwerking van wat het ‘anders bepalen’ ingevolge het eerste lid kan inhouden. Gehandhaafd is de hoofdregel dat de vaststelling van ieders aandeel door alle vennoten tezamen dient te geschieden. In de vennootschapsovereenkomst zelf zal vaak al nauwkeurig de hoegrootheid van ieders aandeel zijn bepaald zodat dan vanzelf aan deze eis is voldaan. Maar ook kan worden bepaald dat de vaststelling van ieders aandeel (alsnog en eventueel jaarlijks) door alle vennoten tezamen geschiedt. Is er niets bepaald, dan geldt ingevolge lid 1 een gelijkelijke winst- en verliesdeling. Indien zulks in de vennootschapsovereenkomst is voorzien, is vaststelling daarvan door een of meer derden die daartoe opdracht ontvangen, mogelijk. Dit laat onverlet dat ook bij gebreke van een zodanige voorziening in geval van een geschil omtrent de winst- en verliesdeling ingevolge een daartoe te treffen regeling door bindend adviseurs of arbiters kan worden beslist. 4. Ingevolge lid 2 is het ook mogelijk dat in de vennootschapsovereenkomst wordt bepaald dat de vaststelling kan geschieden bij een besluit van vennoten. Ook hier kan men denken aan een meerderheidsbesluit of bijvoorbeeld aan een besluit van de zgn. seniorpartners. Dit is in de praktijk van belang bij grote vennootschappen waarin aldus, uiteraard met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid, ieders aandeel, bijvoorbeeld aan de hand van een puntensysteem, kan worden vastgesteld. Ook hier dient iedere vennoot in de gelegenheid te worden gesteld aan de beraadslaging over zulk een besluitvorming deel te nemen. Zie ook hierboven ad artikel 814. Deze toevoeging waarborgt dat niet te zeer wordt getornd aan het karakter van de vennootschap als een overeenkomst tot samenwerking. 5. Lid 3 verheft tot wettelijke uitlegregel hetgeen in literatuur en rechtspraak (zie HR 19-12-1934, NJ 1935, 881) wordt aanvaard. 2024 -1114- No. 164 6. Gelet op de omschrijving van vennootschap in artikel 800 lid 1, waarin het element ‘samenwerking van de vennoten gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten’ als een wezenlijk kenmerk is opgenomen, is in lid 4 ten aanzien van het beding dat een vennoot niet in de winst zal delen (‘societas leonina’), ondanks het bepaalde in artikel 3:40 lid 2, nietigheid meer aangewezen dan vernietigbaarheid. Niet nietig is het beding dat een vennoot niet of slechts tot een bepaald bedrag in het verlies zal delen. 7. De thans voorgestelde bepaling moet mede in het licht van Boek 3 BW als volgt worden begrepen. De nietigheid van het eerstgenoemde beding is op zich een partiële. Ingevolge artikel 3:41 blijft de overeenkomst van vennootschap voor het overige in stand voor zover deze gelet op haar inhoud en strekking niet in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel. Hierbij zal krachtens lid 1 een gelijkelijke winstverdeling of krachtens lid 3 eenzelfde winstdeel als het eventueel wel contractueel voorziene deel in het verlies gelden, doch partijen kunnen zelf deze winstverdelingsregeling aanpassen. Bij vennootschapsovereenkomsten met een beperkt aantal vennoten zal een onverbrekelijk verband echter al gauw aanwezig worden geacht. Zie voor het huidige recht HR (Derde Kamer) 6-6-1956, NJ 1957, 333. Dit leidt dan tot nietigheid van de gehele overeenkomst als overeenkomst van vennootschap. In zulk een geval kan op grond van artikel 3:42 (conversie) sprake zijn van een samenwerkingsovereenkomst sui generis wanneer blijkens de strekking van de overeenkomst moet worden aangenomen dat partijen haar ook zouden hebben gesloten, indien zij vanwege de nietigheid van de overeenkomst van vennootschap van deze laatste overeenkomst hadden afgezien. Zie in dit verband Gerechtshof Amsterdam 5-11-1954, NJ 1955, 383. Het moet dan wel dezelfde partijen bij de overeenkomst betreffen: vgl. HR 10-5-1996, NJ 1996, 692. 8. Ook is mogelijk dat een gesloten overeenkomst mede blijkens haar bewoordingen van meet af aan niet is bedoeld als overeenkomst van vennootschap en ook niet als zodanig kan worden gekwalificeerd, doch bijvoorbeeld wel als een samenwerkingsovereenkomst sui generis of als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Zie voor dit laatste HR 4-11-1942, NJ 1942, 773. De toepasselijkheid van dit lid en eventuele conversie komen dan niet aan de orde. 9. Ook indien een uitdrukkelijk en nietig beding dat een vennoot niet in de winst zal delen, niet in de overeenkomst van vennootschap is opgenomen, kan deze overeenkomst bezien in haar geheel de strekking hebben dat een of meerdere vennoten in het geheel geen aandeel kunnen hebben in de winst. In een dergelijk geval zal gelet op de omschrijving van vennootschap in artikel 800 lid 1 de overeenkomst evenmin kunnen gelden als overeenkomst van vennootschap. Wegens het ontbreken van een wezenskenmerk is zij als zodanig nietig, doch ook hier kan door de hierboven aangeduide conversie de overeenkomst als andere overeenkomst worden gered. Op dergelijke gevallen doelt lid 5. Het brengt een beperking aan op de mogelijkheid om in de overeenkomst een bepaalde rente over of een vast bedrag aan een vennoot toe te kennen voor zijn inbreng (kapitaal of arbeid). De bepaling betekent niet dat de vennoot geen rentevergoeding of vast bedrag voor zijn inbreng zou kunnen bedingen. Het gaat erom of dergelijke voorzieningen naar hun strekking meebrengen dat ook op langere termijn een vennoot stelselmatig van ieder deel in de winst verstoken blijft. Wordt deze grens overschreden, dan riskeert men nietigheid van de overeenkomst als overeenkomst van vennootschap. Naast hun afspraken omtrent winst- en verliesdeling of rentes c.q. vaste vergoedingen, kunnen vennoten ook overeenkomen dat zij periodiek tot een bepaald maximum voorschotten op een winstaandeel uit de vennootschapskas kunnen opnemen, die dan met hun winstaandeel over het betreffende boekjaar dienen te worden verrekend.

  3072. Artikel 816 (recht op uitkering) 1. Ingevolge lid 1 ontstaat het recht op uitkering eerst nadat de balans en de staat van baten en lasten overeenkomstig artikel 814 lid 4 zijn vastgesteld. De vraag hoe groot het aandeel is waarop de betreffende vennoot recht kan doen gelden, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 815. De vennootschapsovereenkomst kan diverse voorzieningen inhouden, bijvoorbeeld uitkering van een bepaald percentage of, eventueel krachtens de overeenkomst, bepaling van de omvang van de uitkering telkens door de gezamenlijke vennoten of bij meerderheidsbesluit. Indien in de overeenkomst van vennootschap niets omtrent dit punt is bepaald, heeft iedere vennoot in beginsel 2024 -1115- No. 164 recht op uitkering van zijn gehele aandeel in de winst. Onder bijzondere omstandigheden kan echter het vorderen van een integrale uitkering in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Men denke bijvoorbeeld aan de harde noodzaak van een (gedeeltelijke) interne financiering. Indien het aandeel in de winst niet of niet volledig wordt uitgekeerd, wordt door bijboeking van het niet uitgekeerde gedeelte op de kapitaalrekening van de betreffende vennoot diens inbreng verhoogd. 2. Ingevolge lid 2 kan bij overeenkomst worden bepaald dat iedere vennoot zijn aandeel in het verlies moet aanzuiveren. Bij vereffening na ontbinding ligt het anders; zie artikel 830 lid 2, waarin op dit punt een bevoegdheid aan de vereffenaar is toegekend. Uiteraard zal het verlies moeten blijken uit de vastgestelde balans en staat van baten en lasten. Indien in de vennootschapsovereenkomst omtrent dit punt niets is bepaald, kunnen de redelijkheid en billijkheid er onder bijzondere omstandigheden toch toe nopen dat de vennoten hun aandeel in het verlies aanzuiveren. Men denke bijvoorbeeld aan een operatie tot sanering van de financiën die in het belang is van iedere vennoot. Afdeling 5 (Ontbinding en voortzetting van de vennootschap)

  3073. Artikel 817 (ontbinding van vennootschap in haar geheel) 1. Dit artikel handelt over de ontbinding van de vennootschap in haar geheel. De ontbinding betreft de vennootschap als overeenkomst. Bij ontbinding op grond van lid 1 onderdeel a, bepaalde (‘waarin zulks uit de overeenkomst van vennootschap volgt’) kan men denken aan de volgende gevallen. In die overeenkomst kan bijvoorbeeld zijn bepaald dat de vennootschap wordt ontbonden bij meerderheidsbesluit van de vennoten, na verloop van een in de overeenkomst bepaalde tijd, door opzegging door een vennoot aan de andere vennoten (vgl. artikel 818 lid 1 onderdeel d) of na het voltooien van een bepaald, in de overeenkomst nauwkeurig omschreven werk. Daarnaast is het mogelijk dat gelet op de strekking van de overeenkomst van vennootschap het tenietgaan van het goed welks exploitatie het eigenlijke doel is van de vennootschap, de ontbinding met zich brengt. 2. Aandacht verdient dat de dood, het onbekwaam worden of het faillissement van een der vennoten niet langer zijn voorzien als gronden tot ontbinding van de vennootschap in haar geheel, doch in het hierna voorziene artikel 818 lid 1 onderdeel b, als gronden tot uittreding van de betreffende vennoot. Niettemin kunnen partijen, bijvoorbeeld wanneer de vennootschap in bijzondere mate ‘intuitu personae’ wordt aangegaan, in de vennootschapsovereenkomst bepalen dat in deze gevallen (en in het geval dat een vennoot die rechtspersoon is, ophoudt te bestaan) de vennootschap in haar geheel wordt ontbonden. 3. Voor zover in de in lid 1 onderdeel a, bedoelde gevallen gesproken kan worden van een in de vennootschapsovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde (afhankelijkheid van een toekomstige en onzekere gebeurtenis), zijn de (gewezen) vennoten na vervulling van die voorwaarde niet verplicht op grond van artikel 6:24 de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken omdat uit inhoud en strekking van de overeenkomst van vennootschap anders voortvloeit. Evenmin is met betrekking tot de verrichte inbreng en levering van goederen artikel 3:84 lid 4 van toepassing omdat uit het dan geldend, hiernavolgend artikel 830 blijkt dat de gewezen vennoten bij de op de ontbinding volgende vereffening en verdeling slechts recht hebben op een uitkering van de waarde van hun inbreng. Overigens heeft de ontbinding ook in deze gevallen geen terugwerkende kracht; zie artikel 3:38 lid 2 en artikel 6:22. 4. Uiteraard kan, ook al is zulks niet in de vennootschapsovereenkomst voorzien, de vennootschap worden ontbonden door een latere overeenkomst tussen alle vennoten tot beëindiging van hun samenwerking in vennootschappelijk verband. Zulks is bepaald in lid 1 onderdeel b. 5. Voor wat betreft de ontbindingsgrond genoemd in lid 1 onderdeel c, zij het volgende opgemerkt. In het hiernavolgend artikel wordt de uittreding van een of meer vennoten geregeld. Een dergelijke uittreding met voortzetting van de vennootschap door de overblijvende vennoten is uiteraard slechts mogelijk indien twee vennoten overblijven. Is dit laatste niet het geval, dan wordt de vennootschap noodzakelijkerwijs ontbonden. 2024 -1116- No. 164 6. Wat betreft de ontbindingsgrond in onderdeel d (faillietverklaring van de vennootschap) bedenke men dat ook vennootschappen en ook stille vennootschappen failliet kunnen worden verklaard. De ontbinding in geval van faillissement leidt direct tot haar ontbinding. Zie nog wel lid 2. 7. De in lid 1 onderdeel e, genoemde ontbinding (door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt), doet zich voor bij rechterlijke ontbinding van de vennootschap in haar geheel op de gronden aangeduid in het hiernavolgende artikel 820, en mogelijk ook bij toepassing van artikel 6:258. 8. In lid 2 wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van voortzetting in geval van akkoord. Wordt de vennootschap aldus na het einde van het faillissement voortgezet, dan heeft zij uiteraard niet langer te gelden als ontbonden. Lid 2 komt in aanmerking voor overeenkomstige toepassing in gevallen dat weliswaar alle vennoten failliet zijn maar de vennootschap zelf niet; daaraan staat niet in de weg dat de vereffening van de vennootschap niet plaatsvindt op grond van het Faillissementswet doch op de voet van de artikelen 825 e.v. 9. Lid 3 van artikel 817 beslecht een kwestie waarover naar huidig recht in de literatuur verschillend wordt gedacht. In dit verband zij erop gewezen dat in dit ontwerp onder een vennootschap voor een bepaalde tijd aangegaan, is te verstaan de vennootschap waarbij aan de hand van de overeenkomst van meet af aan kan worden vastgesteld op welke datum de vennootschap zal eindigen. Vennootschappen voor het leven aangegaan of voor de voltooiing van een bepaald werk zijn niet voor een bepaalde doch voor onbepaalde tijd aangegaan.

  3074. Artikel 818 (partiële ontbinding) 1. Dit artikel vindt zijn grondslag in de gedachte dat bij uittreding van een (of meer) der vennoten ten gevolge van diverse oorzaken, waarover hierna, de vennootschap, mits er ten minste twee vennoten overblijven (zie het hierboven aangeduide artikel 817 lid 1 onderdeel c), door de overblijvende vennoten moet kunnen worden voortgezet waarbij die vennootschap haar identiteit behoudt. In de praktijk bestaat ook behoefte aan continuïteit van de vennootschap bij een dergelijke uittreding, en meer in het algemeen bij wisseling in het personenbestand die ook het gevolg kan zijn van opvolging en toetreding van nieuwe vennoten. Zie over opvolging en toetreding hierna ad artikel 823. 2. Het behoud van identiteit van de vennootschap kan worden bereikt door te aanvaarden dat bij uittreding van een vennoot de vennootschap alleen ten aanzien van deze vennoot wordt ontbonden. De ontbinding van de vennootschap ten aanzien van de uittredende vennoot betreft de verbintenisrechtelijke kant van de zaak; zie over de goederenrechtelijke consequenties bij voortzetting van de vennootschap door de overblijvende vennoten hierna ad artikel 821. 3. Dat een vennoot moet kunnen uittreden indien alle vennoten daaromtrent overeenstemming bereiken (lid 1, onderdeel a), spreekt wel haast vanzelf. 4. Hierboven ad artikel 817 is reeds opgemerkt dat in dit ontwerp de dood, het faillissement of het onbekwaam worden van een der vennoten niet leidt tot ontbinding van de gehele vennootschap (tenzij zulks in de vennootschapsovereenkomst is bepaald: artikel 817, eerste lid, onderdeel a) doch tot uittreding van de betreffende vennoot (onderhavige artikel 818 lid 1 onderdeel b). Voor wat de dood betreft, houdt deze bepaling een afwijking in van artikel 6:249. In het hiernavolgend artikel 822 wordt geregeld op welke wijze in de overeenkomst van vennootschap kan worden voorzien dat de vennootschap voortduurt met de aangewezen erfgenamen of erfgenaam van de door zijn dood uittredende vennoot. Met de dood van een natuurlijke persoon is vergelijkbaar het ophouden te bestaan van een rechtspersoon die vennoot is. Dit kan zich voordoen bij ontbinding van de rechtspersoon, bij fusie en bij splitsing. Voor de laatste gevallen kan in de vennootschapsovereenkomst worden voorzien in de opvolging door de verkrijgende rechtspersoon, die indien zulks niet is voorzien, alsnog met medewerking van alle vennoten kan opvolgen (artikel 823 lid 1). Bij omzetting behoudt de vennoot als rechtspersoon zijn identiteit. Maar onder omstandigheden kan de rechter de vennootschap ten aanzien van de omgezette rechtspersoon ontbinden op grond van gewichtige redenen (artikel 820 lid 1). 2024 -1117- No. 164 5. De voortzetting van de vennootschap met een failliet verklaarde vennoot (al dan niet rechtspersoon) zou tot grote praktische moeilijkheden leiden. Bij voortzetting met een onbekwaam geworden vennoot kunnen de dan rijzende moeilijkheden goeddeels worden ondervangen door die vennoot dan niet langer besturend vennoot te doen zijn. Lid 3 van het onderhavige artikel geeft de mogelijkheid zulks in de vennootschapsovereenkomst te bepalen. 6. Niet onder de uittredingsgronden is opgenomen de aan een vennoot verleende surséance van betaling, die immers niet is gericht op liquidatie doch op sanering. Wel kan in de vennootschapsovereenkomst worden voorzien dat (ook in deze gevallen) opzegging van de vennootschap aan de betreffende vennoot kan plaatsvinden door de andere vennoten; zie hierna ad onderdeel d. Ook zou de rechter de vennootschap ten aanzien van hem kunnen ontbinden op grond van gewichtige redenen. Zie hierna artikel 820 lid 1. 7. Als uittredingsgrond is wel opgenomen (lid 1, onderdeel c): het aanbreken van een in de overeenkomst voor uittreding aangeduid tijdstip. Men denke bijvoorbeeld aan het bereiken van een bepaalde leeftijdsgrens. 8. Aan het slot van lid 1 is bepaald dat de vennootschap ten aanzien van een vennoot niet wordt ontbonden door het in vervulling gaan van een in de overeenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde. Het is niet wenselijk dat in andere gevallen dan de hierboven (in lid 1) genoemde een buitengerechtelijke partiële ontbinding automatisch zou kunnen plaatsvinden op grond van het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde. Onzeker kan zijn of en wanneer een niet concreet omschreven voorwaarde (bijvoorbeeld een toerekenbare tekortkoming of een gewichtige reden) is vervuld, en ook overigens dient te worden gelet op de belangen van de potentieel uittredende vennoot. Bij de door dit ontwerp gevolgde systematiek is er ook geen behoefte aan de mogelijkheid van ontbindende voorwaarden. Contractueel kan immers zijn voorzien in de mogelijkheid van opzegging aan een vennoot (zie hierna ad onderdeel d) die echter vernietigbaar is indien zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid is geschied (zie hierna artikel 819). Ook staat de mogelijkheid open van een rechterlijke ontbinding ten aanzien van een of meer vennoten (zie hierna artikel 820 lid 1). 9. De grond tot partiële ontbinding opgenomen in lid 1 onderdeel d, betreft vrijwillige uittreding van een vennoot die opzegt aan de andere vennoten en de gedwongen uittreding of uitstoting van een (of meer) der vennoten doordat aan hen de vennootschap wordt opgezegd door een of meer andere vennoten. In de thans geldende wetgeving wordt deze materie niet geregeld doch ook naar huidig recht wordt aangenomen dat deze opzeggingsmogelijkheden bestaan, mits hieromtrent (uitdrukkelijk) in de overeenkomst van vennootschap is voorzien. Zie voor wat betreft uitstoting in het bijzonder HR 13-6-1969, NJ 1969, 384. In deze zin is onderdeel d dan ook geformuleerd. Bij uitstoting dient uit de vennootschapsovereenkomst duidelijk te blijken of deze via opzegging kan geschieden door de overige vennoten gezamenlijk, door een meerderheid van hen, of zelfs door een of meer bepaalde vennoten zonder medewerking van de overige vennoten. Een algemene opzeggingsclausule die in dit opzicht verschillend kan worden geïnterpreteerd, is niet voldoende. 10. Uitstoting door opzegging kan in de vennootschapsovereenkomst zijn voorzien op grond van meerdere redenen. Men kan bijvoorbeeld denken aan surséance van betaling, verlies van beheer of bestuur over eigen goederen, verlies van een bepaalde kwaliteit of bevoegdheid, een strafrechtelijke veroordeling of het toepassen van een tuchtrechtelijke maatregel, blijvende arbeidsongeschiktheid. Naar huidig recht is er discussie over de vragen of de redenen tot opzegging zoals hier bedoeld in de overeenkomst van vennootschap moeten worden vermeld en of er bij zulk een opzegging in elk geval sprake moet zijn van gewichtige redenen. In de formulering van onderdeel d ligt een ontkennende beantwoording van beide vragen besloten. Het ontwerp gaat er echter van uit – zie hierna artikel 819 – dat iedere opzegging moet voldoen aan de eisen van de door contractspartijen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. Onder omstandigheden kan zulks meebrengen dat een behoorlijke reden tot opzegging is vereist. 2024 -1118- No. 164 11. De in lid 1, onderdeel e, genoemde ontbinding (door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt) doet zich voor bij rechterlijke ontbinding van de vennootschap ten aanzien van een of meer vennoten op de gronden aangeduid in het hiernavolgend artikel 820, en mogelijk ook bij toepassing van artikel 6:258. Zie hierna ad artikel 820. 12. Naar huidig recht kunnen voortzettingsbedingen bij uittreding van een vennoot direct of automatisch werken zonder dat een andere rechtshandeling nodig is in de vorm van een wilsverklaring van de overblijvende vennoten; deze hebben zich reeds in de overeenkomst van vennootschap definitief gebonden om de vennootschap voort te zetten. Hiernaast staan voortzettingsbedingen die niet direct of automatisch werken maar waarbij een nadere wilsverklaring van de overblijvende vennoten nodig is om de voortzetting van de vennootschap te doen plaatsvinden. Dit ontwerp wil ook de laatste mogelijkheid openhouden. Vandaar lid 2 dat inhoudt dat in de vennootschapsovereenkomst kan worden bepaald dat in de gevallen genoemd in lid 1, onderdelen b, c en d, de overblijvende vennoten zich met bekwame spoed moeten uitspreken of zij de vennootschap willen voortzetten. 13. Met bekwame spoed wil zeggen: zo spoedig als gezien de omstandigheden redelijkerwijze mogelijk is, waarbij echter wel enige ruimte voor beraad gelaten wordt. In het geval van lid onderdeel a, zal deze kwestie bij de bedoelde overeenkomst nader onder ogen zijn gezien. Bij het geval van lid1 onderdeel e, bedenke men dat op de in artikel 820 aangeduide gronden ook steeds ontbinding van de vennootschap in haar geheel kan worden gevorderd. Indien de overblijvende vennoten ingevolge lid 2 niet met bekwame spoed met de voortzetting van de vennootschap instemmen, wordt de vennootschap behoudens een subsidiaire voorziening in de vennootschapsovereenkomst in haar geheel ontbonden; dit geval valt dan onder artikel 817 lid 1 onderdeel a. 14. Het artikel is van dwingend recht, behoudens voor zover uit het artikel zelf anders blijkt (lid 4).

  3075. Artikel 819 (redelijkheid en billijkheid) 1. Zoals eerder opgemerkt, moet iedere opzegging, zowel die aan alle andere vennoten als die aan een of meer andere vennoten, met als gevolg partiële ontbinding van de vennootschap (artikel 818 lid 1 onderdeel d), in overeenstemming zijn met de eisen van de redelijkheid en billijkheid welke partijen tegenover elkaar in acht hebben te nemen. De voorgestelde bepaling betekent dat bij opzegging rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de medevennoten of medevennoot. Of deze belangen in onevenredige mate worden geschaad, zal afhangen van de omstandigheden van het concrete geval. De redelijkheid en billijkheid moeten in acht worden genomen zowel bij de opzegging zelf als bij de termijn van opzegging. Een ontijdige opzegging zal vrijwel steeds in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. 2. De vernietigbare opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring hetzij door een rechterlijke uitspraak (artikel 3:49 e.v.). Intussen kan een opzegging die wegens haar ontijdigheid in verband met de eisen van de redelijkheid en billijkheid is vernietigd, worden geconverteerd in een geldige opzegging tegen een later tijdstip, indien aan de voorwaarden van artikel 3:42 is voldaan.

  3076. Artikel 820 (ontbinding door de rechter) 1. De bepaling vervat in lid 1 houdt in tweeërlei opzicht een uitbreiding in ten opzichte van het huidige recht. In de eerste plaats is rechterlijke ontbinding op vordering van ieder der vennoten niet alleen mogelijk van een vennootschap in haar geheel doch ook ten aanzien van een (of meer) der vennoten, waardoor die vennoot gedwongen wordt uit te treden (of wordt ‘uitgestoten’). Naar huidig recht wordt aangenomen dat dit laatste alleen mogelijk is indien een hiertoe strekkend beding in de vennootschapsovereenkomst is opgenomen. De thans voorgestelde bepaling stelt deze eis niet. Ontbinding ten aanzien van een of meer der vennoten kan steeds door de rechter geschieden, ook al is hieromtrent niets in de overeenkomst bepaald. De voorgestelde bepaling is in het bijzonder van belang in de gevallen dat partijen geen gebruik hebben gemaakt van de in artikel 818 lid 1 onderdeel d, geboden mogelijkheid in de vennootschapsovereenkomst te bedingen dat aan een (of meer) der vennoten kan worden opgezegd. Door rechterlijke interventie kan dan onder omstandigheden mogelijk toch een oplossing worden bereikt waarbij de vennootschap door de overblijvende vennoten wordt voortgezet. 2024 -1119- No. 164 2. In de tweede plaats houdt de voorgestelde bepaling in dat rechterlijke ontbinding van de vennootschap in haar geheel of ten aanzien van een (of meer) der vennoten niet alleen kan geschieden op grond van gewichtige redenen doch ook op andere gronden die in de overeenkomst van vennootschap zijn voorzien. Van een gewichtige reden is sprake indien, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs van een of meer der vennoten niet langer kan worden gevergd om het vennootschappelijk verband in zijn geheel of ten aanzien van een vennoot voort te zetten. De beoordeling hiervan is aan de rechter. Het staat partijen niet vrij om ‘gewichtige redenen’ als rechterlijke ontbindingsgrond in hun overeenkomst uit te sluiten of te beperken. Vennoten moeten niet tot samenwerking gedwongen blijven indien zulks redelijkerwijs niet meer van hen kan worden gevergd. De voorgestelde bepaling bevat echter wel uitdrukkelijk de mogelijkheid om daarnaast andere rechterlijke ontbindingsgronden in de vennootschapsovereenkomst te voorzien. Zie onder het huidig recht reeds HR 5-6-1970, NJ 1970, 429. 3. Ten slotte verdient aandacht dat de rechterlijke ontbinding van de vennootschap in haar geheel of ten aanzien van een of meer der vennoten uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Zie ook hierna ad artikel 825. 4. De leden 2 en 3 sluiten aan bij HR 3-12-1948, NJ 1949, 358. Wel verdient aandacht dat op een vennootschap van toepassing blijft artikel 6:258 betreffende wijziging, gehele of gedeeltelijke ontbinding door de rechter op grond van onvoorziene omstandigheden. Ook een dergelijke ontbinding valt onder de categorie ‘door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt’ zoals aangeduid in artikel 817 lid 1 onderdeel e en in artikel 818 lid 1 onderdeel e. 5. Aanwezigheid van een vernietigingsgrond ten aanzien van de overeenkomst van vennootschap kan slechts leiden tot ontbinding door de rechter (lid 4). Vernietiging van de overeenkomst met terugwerkende kracht past slecht bij een vennootschap, zeker als deze tussen meer dan twee personen is aangegaan. De mogelijkheid van toepassing van artikel 3:53 lid 2 heft de ontstane rechtsonzekerheid niet aanstonds op. En ook kan de vraag rijzen of, indien een der partijen bij de overeenkomst zich beroept op een vernietigingsgrond, de overeenkomst tussen de overige partijen in stand blijft of niet. Het is daarom aangewezen om bij het zich voordoen van vernietigingsgronden in alle gevallen aan de rechter de bevoegdheid te geven desverzocht de vennootschap geheel of partieel (ten aanzien van een of meer vennoten) ex nunc te ontbinden. 6. Zonder uitdrukkelijke bepaling zou wellicht twijfel kunnen bestaan over de vraag of dit artikel wel in alle opzichten van dwingend recht is. Met het oog daarop is dit uitdrukkelijk bepaald in lid 5. 7. Voor de situatie dat de overeenkomst van vennootschap van meet af aan nietig is en ten aanzien van deze niet bestaande vennootschap een vermogen is gevormd, geeft artikel 803 de nodige voorzieningen.

  3077. Artikel 821 (uittreding en voortzetting) 1. Indien de vennootschap in haar geheel wordt ontbonden, zijn de hiernavolgende bepalingen vervat in afdeling 6 betreffende vereffening en verdeling van toepassing. Voor het geval dat de vennootschap slechts wordt ontbonden ten aanzien van de vennoot die uittreedt waarbij de vennootschap wordt voortgezet door de overblijvende vennoten, dienen voorzieningen te worden getroffen om te bereiken dat het aan de vennootschap gebonden en dienstbare vermogen zoveel mogelijk in stand blijft, en dat de goederen van de vennootschap onder het vennootschappelijk verband blijven, zodat de vennootschap door de overblijvende vennoten metterdaad kan worden voortgezet en haar identiteit wordt gewaarborgd. Hierbij zal ervoor moeten gezorgd dat de uittredende vennoot een genoegzame financiële compensatie krijgt voor het verlies van zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap. 2. Naar huidig recht worden met het oog op het bovenstaande in overeenkomsten van vennootschap voortzettingsregelingen getroffen waarin naast obligatoire voortzettingsbedingen ook vermogensbedingen zijn opgenomen, te weten verblijvensbedingen (met een definitieve binding) en toedelingsbedingen (de voortzettende vennoten moeten dan nader hun wil verklaren; men spreekt ook wel van verblijvensopties). Het is echter zinvol om deze materie in de wet zelf te regelen zodat bij uittreding de continuïteit en identiteit van de vennootschap zo min mogelijk in 2024 -1120- No. 164 gevaar komen. Daarbij moet worden bedacht dat naar huidig recht onzekerheid bestaat over het antwoord op de vraag of onder omstandigheden mag worden aangenomen dat een contractuele voortzettingsregeling die slechts een voortzettingsbeding van verbintenisrechtelijke aard inhoudt, ook een vermogensbeding impliceert. 3. Het ontwerp behelst geen regeling van het zgn. overnemingsbeding waarbij aan de voortzettende vennoten c.q. de vennootschap het recht wordt toegekend een dan te leveren goed tegen een bepaalde waarde van de uittredende vennoot over te nemen. Naar huidig recht wordt het beding in de praktijk gehanteerd voor situaties dat een aan de vennootschap dienstbaar goed geen deel uitmaakt van de vennootschappelijke gemeenschap. Aan een wettelijke regeling van zulk een beding bestaat geen behoefte. Partijen zijn intussen vrij om in voorkomende gevallen een dergelijk beding in hun overeenkomst op te nemen. Overigens zal veelal het ingebrachte recht op genot van een goed ook deel uitmaken van de vennootschappelijke gemeenschap, zie artikel 805 lid 3, zodat ook dit genotsrecht valt onder de hierna toe te lichten, in lid 1 van het onderhavige artikel aangeduide toedeling c.q. wordt geleverd zoals verwoord in lid 4. 4. Lid 1 verlangt een toedeling aan de overblijvende vennoten. Overgang van rechtswege is onwenselijk. Deze zou te zeer op gespannen voet staan met de systematiek van verdeling van gemeenschappen in artikel 3:186, in verbinding met artikel 3:189 lid 2. Rechtszekerheid en kenbaarheid van de overgang spelen in die systematiek een belangrijke rol. 5. Daarbij hoeft het belang van continuïteit niet in het gedrang te komen. Het risico dat de levering door de uittredende vennoot uitblijft, kan immers genoegzaam worden ondervangen door bijvoorbeeld in de vennootschapsovereenkomst of bij de uittreding voor de andere vennoten een onherroepelijke volmacht te bedingen om het hun door de wet toegedeelde aandeel in de goederen van de vennootschappelijke gemeenschap aan zichzelf te leveren. In de derde volzin van lid 1 is daarbij nader bepaald dat een onherroepelijke volmacht zijn werking behoudt in faillissement. Aldus wordt twijfel vermeden over de vraag of de curator gehouden is medewerking te verlenen aan de levering. Voorts kan daarmee het bezwaar worden vermeden dat een levering onder opschortende voorwaarde niet kan worden toegepast bij toekomstige registergoederen (artikel 3:97) en evenmin bij toekomstige vorderingen op naam, dit laatste in verband met het vereiste van mededeling aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 1). 6. Een voorziening voor wat onder het huidige recht een toedelingsbeding of verblijvensoptie wordt genoemd (zie hierboven), is overigens niet nodig omdat blijkens artikel 818 lid 2, in de overeenkomst kan worden bepaald dat in de daar bedoelde gevallen uittreding slechts plaatsvindt indien de voortzettende vennoten hiermee met bekwame spoed instemmen. Die instemming kan worden geweigerd indien men de toedeling zoals bedoeld als gevolg van de uittreding niet wenst te aanvaarden. 7. Wel kan het in de praktijk voorkomen dat er in een concreet geval behoefte aan bestaat om sommige goederen behorend tot de vennootschappelijke gemeenschap in handen te laten van de uittredende vennoot, bijvoorbeeld om het bedrag van hetgeen ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel 821 aan die vennoot moet worden uitgekeerd, te verminderen. Dit kan worden bereikt doordat na de effectuering van de bedoelde toedeling en levering, in overeenstemming tussen de overblijvende vennoten en de uittredende vennoot, bepaalde goederen door eerstgenoemden aan de laatstgenoemde in betaling worden gegeven voor het krachtens lid 2 door hen aan hem verschuldigde. Zie artikel 6:45. Bij rechterlijke partiële ontbinding kan bij gebreke van een dergelijke overeenstemming de rechter zulk een inbetalinggeving opnemen onder de door hem ingevolge artikel 820 lid 2, te stellen voorwaarden, waarin overigens niet kan worden afgeweken van het in lid 1 van het onderhavige artikel 821 bepaalde. 8. Aandacht verdient dat lid 1 ook geldt bij uittreding door overlijden van een vennoot waarbij de vennootschap wordt voortgezet door de overblijvende vennoten. In het systeem van het ontwerp is dit de regel. In de overeenkomst van vennootschap kan echter worden bedongen dat de vennootschap voortduurt met de aangewezen erfgenamen of erfgenaam van de overleden vennoot. Zie daarover hierna ad artikel 822. 2024 -1121- No. 164 9. Blijkens lid 1 is voor de overgang van het aandeel levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1). Een levering bij voorbaat die op zich mogelijk blijft, stuit op complicaties in verband met toekomstige registergoederen en vorderingen op naam. Om toch zekerheid te bereiken dat de levering zonder moeilijkheden wordt geëffectueerd, zorgt men er in de praktijk meestal voor dat vennoten elkaar te dien einde een onherroepelijke volmacht geven; zie voornoemde derde volzin van lid 1. 10. Lid 2 betreft de financiële compensatie van de uittredende vennoot voor het verlies van zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap. De hoofdregel is dat de voortgezette vennootschap gehouden is een bedrag te betalen dat gelijk is aan de waarde van de economische deelgerechtigdheid van de uittredende vennoot in het vermogen van de vennootschap. Hier wordt evenals het geval is in artikel 808 (huwelijksgemeenschap), in artikel 823 lid 4 (opvolging) en in artikel 830 lid 3 (vereffening na algehele ontbinding), het begrip ‘economische deelgerechtigdheid’ geïntroduceerd dat in de terminologie van het ontwerp duidelijk moet worden onderscheiden van de begrippen ‘aandeel’ in de vennootschappelijke gemeenschap. Met deelgerechtigdheid is bedoeld de economische deelgerechtigdheid; de gerechtigdheid in de (goederen)gemeenschap wordt aangeduid met het begrip ‘aandeel’. Die economische deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap reflecteert (de obligatoire) aanspraak in geld die de vennoot heeft op de gezamenlijke (in casu overblijvende) vennoten c.q. de vennootschap. Die deelgerechtigdheid loopt niet parallel met de mate van gerechtigd zijn in de goederengemeenschap, met de grootte van het ‘aandeel’. Tenzij anders blijkt, is ieder der vennoten in die tussen hen ontstane gemeenschap voor een gelijk gedeelte gerechtigd. Zie HR 3-10-1984, NJ 1985, 623. Dit laatste is intussen niet van praktisch belang omdat een vennoot behoudens in het geval van opvolging toch niet over dit aandeel kan beschikken; zie artikel 806 lid 1. 11. De economische deelgerechtigdheid wordt bepaald door de inhoud van de overeenkomst, waarbij in het bijzonder van belang zijn de bepalingen die regelen wat de vennoten of hun erfgenamen uit het vennootschapsvermogen toekomt, ingeval bij liquidatie, uittreden of overlijden te hunnen aanzien aan de vennootschap een einde komt, terwijl bij gebreke aan zodanige regelingen ieders economische deelgerechtigdheid wordt bepaald enerzijds door zijn inbreng, anderzijds door de grondslag waarop hij deelt in de winsten en verliezen. Zie voor het huidig recht HR 3-5-1968, NJ 1968, 267. De formulering van het voorgestelde lid 2 sluit hierbij aan. 12. Net zoals in de huidige praktijk kunnen allerlei contractuele regelingen worden getroffen, waarbij ook kan worden gedifferentieerd al naar gelang het gaat over algehele ontbinding, het uittreden en de oorzaak hiervan, bijvoorbeeld het overlijden van een vennoot. Bepaald kan worden dat (in sommige gevallen) de uitkering wordt berekend op basis van de laatst opgemaakte en vastgestelde balans, tegen de boekwaarde, of op basis van de werkelijke waarde waarbij stille reserves moeten worden verdisconteerd en waarbij ook kan worden voorzien dat aan de uittredende vennoot niet- geactiveerde goodwill dient te worden vergoed. 13. In de literatuur is omstreden of bedongen kan worden dat in bijzondere gevallen van ontbinding de deelgerechtigdheid van de uittredende vennoot nihil is. Op zichzelf is dit mogelijk, al komt dit in de huidige praktijk zelden voor. Men ziet in dat de uittredende vennoot in de regel ten minste recht zal kunnen moeten doen gelden op de uitkering van het bedrag van het tegoed op zijn kapitaalrekening zoals dit zich sinds de creditering bij zijn inbreng van goed of geld en rekening houdend met zijn bijgeschreven of afgeboekte winst- en verliesdeling heeft ontwikkeld. Echter, voor het geval dat door geleden verliezen waarin die vennoot moet delen, sprake is van een negatieve waarde van zijn economische deelgerechtigheid, geldt de dwingende regel van het voorgestelde lid 2 dat die vennoot deze aan de vennootschap moet vergoeden. 14. Wordt die negatieve waarde aldus vergoed, dan ligt het voor de hand de eveneens dwingende regel van het voorgestelde lid 3 te aanvaarden dat de overblijvende vennoten gehouden zijn de schulden van de vennootschap voor hun rekening te nemen. Meer in het algemeen gaat deze wettelijke regeling ervan uit dat bij het bepalen van de (uiteindelijk wellicht toch nog positieve) economische deelgerechtigdheid de vennootschapsschulden dienen te worden verdisconteerd waartegenover staat 2024 -1122- No. 164 dat de draagplicht van deze schulden gaat berusten bij de overblijvende vennoten. Partijen dienen met de bedoelde regels in hun waarderingsbedingen rekening te houden. 15. In het systeem van het ontwerp moet eveneens worden aanvaard de reeds naar huidig recht onderschreven regel dat de overblijvende gezamenlijke vennoten als zodanig c.q. de vennootschap die haar identiteit behoudt, voor de bij de uittreding bestaande vennootschapsschulden kunnen blijven worden aangesproken waarbij zonodig ook de vennootschappelijke gemeenschap kan worden uitgewonnen. Zie hierboven artikel 806 lid 2. Ook de voortzettende vennoten in persoon blijven op voet van artikel 813 voor dergelijke verbintenissen extern gebonden. Zie over de externe verbondenheid van de uittredende vennoot voor de ten tijde van zijn uittreden bestaande verbintenissen hierna artikel 824 lid 1. De positie van de zaakcrediteuren wordt bij een uittreden derhalve niet ernstig aangetast. 16. De positie van privé-crediteuren van een uittredende vennoot kan in het geding zijn indien in de vennootschapsovereenkomst is voorzien in een uitkering op basis van een aanzienlijk lagere waarde dan de werkelijke waarde of zelfs in het geheel geen uitkering. De privé-crediteur en de curator in diens faillissement kunnen voor wat betreft de contractueel voorziene waardebepaling (echter niet voor wat betreft de toedeling zelf die immers berust op de wet; zie hierboven) een beroep doen op de Pauliana, al zal de bevoordelingsbedoeling, zeker bij uitkeringsbedingen op wederkerige basis, niet altijd even gemakkelijk aan te tonen zijn. Bij vernietiging van de waarderingsclausule kan de rechter de verplichting opleggen tot een uitkering in geld (artikel 3:53 lid 2). 17. Bij uittreden van een vennoot door diens overlijden dient te worden gelet op artikel 4:126 lid 2 onderdeel a, waarin bedingen (met als gevolg) dat een goed van een der partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie (wederkerigheid geldt niet als tegenprestatie) op een ander overgaat of kan overgaan, worden beschouwd als een quasi-legaat waarop artikel 4:126 lid 1van overeenkomstige toepassing is. 18. Indien over de waardebepaling niets in de overeenkomst is bepaald en bij uittreding daaromtrent geen overeenstemming tussen partijen kan worden bereikt, is ingevolge lid 2 het bedrag van de waarde van de economische deelgerechtigdheid verschuldigd, zonder dat daarbij in de wettekst zelf een maatstaf wordt gegeven voor de berekening van die waarde. In het hierboven genoemde arrest HR 3-5-1968, NJ 1968, 267, ligt mede besloten dat indien een waardebepalingsregeling in de overeenkomst ontbreekt voor het geval van uittreden doch wel zulk een regeling is voorzien voor algehele ontbinding, deze laatste regeling tevens van invloed is op de bepaling van de waarde van de deelgerechtigdheid tijdens het bestaan van de vennootschap, dus ook in het geval van uittreden. Indien in het geheel niets over de waardebepaling in de overeenkomst is geregeld, geldt, aldus het genoemde arrest, dat ieders deelgerechtigheid wordt bepaald enerzijds door zijn inbreng en anderzijds door de grondslag (contractueel bepaald en anders voor gelijke delen: zie artikel 815 lid 1) waarop hij deelt in de winsten en verliezen. Hiervan gaat ook de in artikel 830, leden 8 tot en met lid 10 neergelegde regeling van de vereffening bij algehele ontbinding uit. 19. De werkelijke waarde van de vennootschappelijke goederen dient in aanmerking te worden genomen; de boekwaarde van de activa is niet beslissend. Stille reserves en de eventuele waarde van niet-geactiveerde goodwill komen als surplus boven het kapitaal (de waarde van de ingebrachte activa) tot uitdrukking en worden verdeeld overeenkomstig de winstverdelingsmaatstaf. In het geval van uittreding waarbij de goederen dienstbaar blijven aan de voortgezette vennootschap, zal bij de bepaling van de werkelijke waarde de going concern-maatstaf meestal de juiste zijn. 20. Op drie punten wordt nog de aandacht gevestigd. Het voorgestelde lid 2 bepaalt ook dat in de overeenkomst kan worden bedongen dat het te betalen bedrag in een of meer termijnen of afhankelijk van een toekomstige gebeurtenis zal worden uitgekeerd. Deze bepaling komt tegemoet aan de behoeften van de praktijk in gevallen dat uitkering ineens een te grote aanslag zou betekenen op de liquiditeit van de vennootschap. Naar huidig recht wordt deze mogelijkheid algemeen aanvaard. 2024 -1123- No. 164 21. Het te betalen bedrag is zoals lid 2 tot uitdrukking brengt, een schuld van de (voortgezette) vennootschap c.q. de gezamenlijke (overblijvende) vennoten als zodanig. Het betreft een zaakschuld waarvoor de gemeenschap van die vennootschap kan worden uitgewonnen. Daarnaast zijn de vennoten op de voet van artikel 813 leden 1 en 3, in persoon verbonden voor deze verbintenissen van de vennootschap. 22. Ten slotte zij gewezen op de formulering dat de vennootschap is gehouden het bedoelde bedrag te betalen ‘ten behoeve van’ de uitgetreden vennoot of ingeval van diens overlijden van zijn erfgenamen. In de regel zal dit bedrag ook rechtstreeks dienen te worden betaald ‘aan’ de genoemde personen. Doch in gevallen waarin uiteindelijk een voortzetting van de vennootschap met een bepaalde in de vennootschapsovereenkomst aangeduide erfgenaam of derde wordt beoogd, kan indien zulks in de overeenkomst van vennootschap is voorzien, ook een constructie worden gevolgd waarbij het bedrag aan die erfgenaam of derde wordt betaald, doch ten behoeve van de erfgenamen van de overleden vennoot of de uitgetreden vennoot. Zie nader hierover ad artikel 822 en ad artikel 823. 23. Het artikel is van dwingend recht, behoudens voor zover uit het artikel zelf anders blijkt (lid 4).

  3078. Artikel 822 (opvolging door erfgenaam) 1. Uitgangspunt van dit ontwerp is dat bij het overlijden van een der vennoten de vennootschap wordt voortgezet door de overblijvende vennoten; zie artikel 818 lid 1 onderdeel b en in verband hiermee artikel 821. In de vennootschapsovereenkomst kan echter zijn bedongen dat bij overlijden van een vennoot de vennootschap in haar geheel wordt ontbonden (artikel 817 lid 1 onderdeel a). 2. Het onderhavige artikel 822 regelt hoe men kan bereiken dat de vennootschap bij overlijden van een vennoot voortduurt met zijn erfgenamen of een bepaalde erfgenaam. Het artikel kiest ten aanzien van de voortzetting van de vennootschap met een, meerdere, of alle erfgenamen voor de mogelijkheid van een beding ten behoeve van derden. De opvolging in de vennootschap door een of meerdere vennoten bij overlijden van een vennoot, wordt aldus zoveel mogelijk los gemaakt van het erfrecht. De contractuele positie van een overleden vennoot gaat niet door zijn overlijden over op zijn erfgenamen; zie artikel 818 lid 1 onderdeel b, dat een afwijking inhoudt van artikel 6:249. Onder erfgenamen moet hier worden verstaan zij die tot de nalatenschap zijn geroepen: de wettelijke of testamentaire erfgenamen. Niet van belang is derhalve of deze erfgenamen de nalatenschap aanvaarden of verwerpen. 3. In de redactie van het artikel is er rekening mee gehouden dat de als opvolger aangewezen erfgenaam bezwaarlijk gebonden geacht kan worden zolang hij van het derdenbeding geen kennis heeft genomen (vergelijk bij deze formulering artikel 6:5 lid 2, artikel 6:160 lid 2, artikel 6:253 lid 4 en artikel 7:175 lid 2). Teneinde onzekerheid te voorkomen in het geval dat de erfgenaam pas langere tijd na het overlijden van de erflater-vennoot van zijn aanwijzing kennis krijgt, kan in het derdenbeding zelf een termijn worden opgenomen waarbinnen het aanvaard kan worden. Voorts zullen de overblijvende vennoten het beding kunnen herroepen (artikel 6:253 lid 2). 4. Wensen erfgenamen het beding niet te aanvaarden, dan kunnen zij het met bekwame spoed afwijzen. Zij behoeven dan niet de nalatenschap te verwerpen. Zie hiervoor de betekenis van de woorden ‘met bekwame spoed’ hierboven ad artikel 818 lid 2. Omdat de keuze van de erfgenamen met betrekking tot het voortzettingsbeding los staat van de beslissing met betrekking tot de nalatenschap, zullen zij bij die keuze steeds bekwame spoed moeten betrachten, ongeacht of zij zich nog beraden omtrent de nalatenschap of deze slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. 5. Wijzen een of meer erfgenamen het beding af, dan zullen behoudens een andere subsidiaire voorziening in de overeenkomst (bijvoorbeeld opvolging door een bepaalde andere aangewezen erfgenaam of door een derde die geen erfgenaam is, zie artikel 823), de regels gelden van artikel 818 (voortzetting door de overblijvende vennoten), in verbinding met artikel 821. In de overeenkomst kan ook zijn bepaald dat de vennootschap dan in haar geheel wordt ontbonden (artikel 817 lid 1 onderdeel a). 2024 -1124- No. 164 6. Zoals reeds aangestipt, beschouwt het ontwerp het voortduren van de vennootschap met de aangewezen erfgenaam of erfgenamen als een bijzonder geval van opvolging, die in het algemeen, ook indien een derde-buitenstaander opvolgt, wordt geregeld in het hiernavolgend artikel 823. In het onderhavige artikel kan derhalve in hoofdzaak worden volstaan met de verwijzing naar het hier van toepassing verklaarde leden 2, 3 en 4 van artikel 823. Ingevolge lid 2 van dit artikel 823 wordt de positie van de aangewezen erfgenaam of erfgenamen die de overledene als vennoot opvolgen, bepaald door de rechten en verplichtingen die voor hem uit de vennootschapsovereenkomst voortvloeien. Goederenrechtelijk valt het aandeel van de overleden vennoot in de gemeenschap van goederen. Voor zover de erfgenamen niet als vennoten opvolgen, zullen zij dit aandeel moeten leveren aan de als vennoot opvolgende erfgenaam die daartegenover de uitkering krijgt als aangeduid in artikel 823 lid 4. Indien alle erfgenamen als vennoten opvolgen, gaan deze verplichtingen door vermenging teniet (artikel 6:161). 7. Het van toepassing verklaarde lid 3 van artikel 823 betreft dan de levering van het aandeel van de overledene in de goederen van de vennootschappelijke goederengemeenschap. Een aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap geschiedt overeenkomstig artikel 3:96. Aandacht verdient dat ten aanzien van de leveringshandelingen door een vennoot een onherroepelijke volmacht kan worden verleend die niet eindigt door de dood van die vennoot (artikel 3:74 lid 1). 8. Het van toepassing verklaarde lid 4 van artikel 823 houdt in dat de levering geschiedt tegen een uitkering van een bedrag dat gelijk is aan de waarde van diens deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap zoals die nader in de overeenkomst van vennootschap kan worden bepaald. Zie over het begrip economische deelgerechtigdheid hierboven ad artikel 821. 9. Het onderhavige artikel 822 bepaalt nog dat deze uitkering in het in dit lid bedoelde geval van voortduren van de vennootschap met de aangewezen erfgenaam ten goede moet komen aan de erfgenamen in verhouding tot ieders deel in de nalatenschap. Zijn er in totaal drie erfgenamen die voor gelijke delen tot de nalatenschap zijn gerechtigd, dan krijgt ieder van de erfgenamen een derde deel van deze uitkering. Ook hier dient te worden gelet op artikel 4:126 lid 2 onderdeel a, waarover hierboven ad artikel 821.

  3079. Artikel 823 (opvolging door een derde of toetreding) 1. Dit artikel handelt voornamelijk over opvolging van een uit de vennootschap tredende vennoot door een derde. Zie voor opvolging van een overleden vennoot door een in de vennootschapsovereenkomst aangewezen erfgenaam het hierboven toegelichte artikel 822, dat overigens in de slotzin verwijst naar de leden 2 tot en met 4 van het onderhavige artikel 823. Lid 1 van het onderhavige artikel betreft ook toetreding van een nieuwe vennoot. Bij een opvolging of toetreding als bedoeld in dit lid blijft de identiteit van de vennootschap bestaan. 2. Toetreding van een nieuwe vennoot wordt overigens in dit ontwerp niet verder geregeld. In de vennootschapsovereenkomst kan een optie tot toetreding worden verleend of een desbetreffend beding ten behoeve van die derde zijn vervat. Bij aanvaarding en toetreding zullen op de derde rechten en verplichtingen gaan rusten zoals die uit de vennootschapsovereenkomst voor hem voortvloeien. Hij zal moeten inbrengen (artikel 805) waarvoor hij in de in aanmerking komende gevallen door de vennootschap zal worden gecrediteerd. Aan hem kan een aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap door de bestaande vennoten worden geleverd overeenkomstig artikel 3:96. 3. De leden 2 tot en met 4 betreffen alleen de opvolging van een uit de vennootschap tredende vennoot. Uitgangspunt is dat de vennootschap ten aanzien van de uittredende vennoot wordt ontbonden, evenals dit het geval is bij voortzetting door de overblijvende vennoten (artikel 818), zodat er niets over te dragen is. Hier moet bovendien kunnen worden gedifferentieerd. Zo moet bijvoorbeeld in de vennootschapsovereenkomst kunnen worden voorzien dat de opvolgende vennoot in de eerste jaar na zijn toetreding een lager winstaandeel heeft. In lid 2 is daarom bepaald dat voor de opvolgende vennoot die de (te zijnen behoeve in de vennootschapsovereenkomst opgenomen optie of het derdenbeding tot) opvolging heeft aanvaard, de rechten en verplichtingen gelden die voor hem uit de overeenkomst van vennootschap voortvloeien. Indien de opvolging niet 2024 -1125- No. 164 wordt aanvaard, gelden behoudens een andere subsidiaire voorziening in de overeenkomst (bijvoorbeeld opvolging door een andere derde) de regels van artikel 818, in verbinding met artikel 821 (voortzetting door de overblijvende vennoten). In de overeenkomst kan ook zijn bepaald dat dan de vennootschap in haar geheel wordt ontbonden (artikel 817 lid 1 onderdeel a). 4. Lid 2 houdt, net als artikel 817 lid 1 onderdeel c, rekening met de mogelijkheid dat aanvaarding van de opvolging door een opvolgend vennoot eerst plaatsvindt op een tijdstip na de ontbinding ten aanzien van de uittredende vennoot. In overeenstemming met hetgeen in het algemeen geldt voor bedingen ten behoeve van een derde, heeft de aanvaarding geen terugwerkende kracht. De door aanvaarding van de opvolging voor de opvolgende vennoot uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen nemen derhalve een aanvang op het tijdstip van de aanvaarding. In het beding kan evenwel, nu de mogelijkheid van afwijking van lid 2 niet wordt uitgesloten (zie lid 5), besloten liggen dat de opvolgend vennoot ook rechten en verplichtingen aanvaardt die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan zijn aanvaarding. Deze mogelijkheid wordt buiten twijfel gesteld in de tweede volzin van lid 2, welke in het verlengde ligt van het voor derdenbedingen in het algemeen geldende artikel 6:254 lid 2. Gaat het om aansprakelijkheid voor de vennootschapsschulden die zijn ontstaan in de periode tussen het uittreden van de overleden vennoot en de aanvaarding van de opvolging, dan zal in zoverre in het opvolgingsbeding mede een beding ten behoeve van de schuldeisers kunnen worden gelezen. 5. Ingevolge lid 3, dat hierboven ad artikel 822 reeds ter sprake is gekomen, dient bij opvolging het aandeel van de uittredende vennoot in de goederen van de vennootschappelijke gemeenschap overeenkomstig artikel 3:96 aan de opvolgende vennoot worden geleverd. 6. De regeling omtrent de vergoeding aan de uittredende vennoot in artikel 821 lid 2, komt eveneens voor toepassing in aanmerking in het in artikel 823 geregelde geval dat de uittredende vennoot wordt opgevolgd door een nieuwe vennoot. Door de verwijzing in lid 4 naar artikel 821 lid 2, wordt eveneens rekening gehouden met de mogelijkheid dat de waarde van de economische deelgerechtigdheid van de uittredende vennoot negatief is. Zie over het begrip economische deelgerechtigdheid hierboven ad artikel 821. 7. Lid 5 stelt buiten twijfel dat de tweede en derde volzin van lid 1, alsmede het de leden 3 en 4 van dwingend recht zijn. Alle vennoten moeten in beginsel zeggenschap hebben bij opvolging of toetreding. Bij vennootschappen met vele vennoten kan dit echter minder noodzakelijk of zelfs onwenselijk zijn, zodat het mogelijk zou moeten zijn dat in de vennootschapsovereenkomst anders wordt overeengekomen. Het bestaande recht kent de dwingende eis van medewerking van alle vennoten niet. Daarvan kan gebruik gemaakt worden door belegginginstellingen in de vorm van een commanditaire vennootschap met vele commanditaire (stille) vennoten. Medewerking van alle stille vennoten in dergelijke fondsen is een onmogelijke en ook onwenselijke eis.

  3080. Artikel 824 (verjaring ten behoeve van uittredende vennoot en aansprakelijkheid toetredende en opvolgende vennoot) 1. Ten aanzien van de rechtsvorderingen tegen de uitgetreden vennoot of zijn erfgenamen tot nakoming van ten tijde van het uittreden bestaande verbintenissen van de openbare vennootschap is in lid 1 gekozen voor een korte verjaringstermijn van vijf jaar. De termijn begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de uittreding in het handelsregister is ingeschreven. Dergelijke korte verjaringstermijnen komen ook elders in het vermogensrecht voor, zulks in het belang van de schuldenaar en van de rechtszekerheid, zonder dat daarmee wezenlijk aan de belangen van de schuldeisers wordt te kort gedaan. Zie artikel 3:307 e.v. De hier bedoelde verjaring kan eveneens overeenkomstig artikel 3:316 e.v. worden gestuit. 2. Voor verbintenissen van de vennootschap na zijn uittreding ontstaan, zal de uittredende vennoot niet zijn verbonden behoudens in het geval dat de derde onbekend was met de uittreding en de uittreding niet in het handelsregister was ingeschreven. Voor duurovereenkomsten geldt dat de uit deze overeenkomsten op het moment van uittreden voortvloeiende vorderingen ten laste van de vennootschap verjaren overeenkomstig deze bepaling. 2024 -1126- No. 164 3. De zinsnede ‘op het tijdstip dat ook de rechtsvordering tegen de vennootschap verjaart’, is opgenomen om te verzekeren dat een eerdere verjaring van de rechtsvordering tegen de vennootschap op grond van de artikelen 3:307 e.v., ook de verjaring meebrengt van de op een dergelijke vordering gebaseerde rechtsvordering tegen de uitgetreden vennoot in persoon. De bepaling geldt voor de openbare vennootschap. Voor de stille vennootschap (maatschap) geldt dat (ook langlopende) verbintenissen van die vennootschap uit overeenkomst slechts kunnen ontstaan krachtens volmacht van de andere maten (artikel 812), terwijl van een toerekening van een gedraging als onrechtmatige daad aan zulk een stille vennootschap geen sprake kan zijn. Aan een bepaling als vervat in lid 1 bestaat ten aanzien van de stille vennootschap derhalve veel minder behoefte. Voorts ontbreekt een ook voor derden herkenbaar aanknopingspunt voor de aanvang van de verjaringstermijn als in dit lid bedoeld, omdat de stille vennootschap niet in het handelsregister behoeft te worden ingeschreven. Uiteraard gelden wel de korte verjaringstermijnen aangeduid in artikel 3:307 e.v. 4. Lid 2 gaat ervan uit dat voor het aanvaarden van hoofdelijke verbondenheid op voet van artikel 813 lid 1, van toetredende vennoten voor op het moment van hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap geen deugdelijke grond kan worden aangewezen. Zaakcrediteuren behouden bij een dergelijke toetreding hun aanspraken jegens de reeds aanwezige vennoten en jegens de vennootschap, waarbij zij verhaal kunnen blijven nemen op de goederen van de vennootschappelijke gemeenschap (artikel 806 lid 2). Hun rechten worden niet verkort. Van aansprakelijkheid voor het geheel van een toetredende vennoot bij een tekortkoming in de nakoming van een vóór zijn toetreden door de vennootschap ontvangen opdracht, zal ingevolge artikel 813 lid 2, geen sprake zijn indien die tekortkoming vóór zijn toetreden plaatsvond en deze reeds hierom niet aan hem kan worden toegerekend. 5. De bepaling van het onderhavige lid 2 zoals thans uitdrukkelijk verwoord, heeft zowel betrekking op de toetreding van een nieuwe vennoot als op de opvolging. Bij opvolging treedt de opvolgende vennoot als het ware in de plaats van de uittredende vennoot ook al hoeft zijn rechtsverhouding tot de medevennoten niet dezelfde te zijn. Zie ad artikel 822. Het betreft hier de interne verhoudingen binnen de vennootschap. Voor wat betreft de externe verbondenheid ligt het voor de hand de opvolgende vennoot op één lijn te stellen met de toetredende vennoot. 6. Het voorgestelde lid 2 geldt ingeval van toetreding tot of opvolging in een vennootschap, zowel bij een openbare vennootschap als bij een stille vennootschap. Bij toetreding tot of opvolging in een stille vennootschap speelt de kwestie echter in beduidend mindere mate. Verbintenissen van de vennootschap uit overeenkomst, en op grond hiervan gedeeltelijke of hoofdelijke verbondenheid van de vennoten ingevolge artikel 813 lid 3, kunnen slechts ontstaan krachtens volmacht van de medevennoten (artikel 812), terwijl van een aan de stille vennootschap toe te rekenen onrechtmatige daad geen sprake zal kunnen zijn. Afdeling 6 (Vereffening en verdeling) Algemeen Ten aanzien van de vereffening en verdeling voor de in haar geheel ontbonden vennootschap wordt een eigen, niet te ingewikkelde regeling gegeven die voldoet aan de behoeften van de praktijk. Uitgangspunt is dat vereffening zal moeten plaatsvinden, behoudens voortzetting van het beroep of bedrijf (artikel 831a). Deze vereffening is niet alleen gericht op de voldoening van de zaakcrediteuren, maar de vereffenaar heeft hier ook een belangrijke taak ten aanzien van de verdeling door toedeling of uitkering aan de gerechtigde gewezen vennoten van hetgeen overblijft na voldoening van de zaakschuldeisers; en voorts ten aanzien van de afwikkeling indien er onvoldoende saldo is om de zaakschuldeisers te voldoen of een tekort om de aanspraken van de gewezen vennoten te honoreren. De aanspraken van de gewezen vennoten worden bepaald door hun deelgerechtigdheid, waarbij hun aandeel in het ontbrekende in beginsel wordt gerelateerd aan hun aandeel in het verlies. Dit alles wordt nader uitgewerkt in artikel 830; zie de toelichting bij dit artikel. Wanneer men dit eigen karakter van de vereffening en verdeling van het vermogen van een in haar geheel ontbonden vennootschap in 2024 -1127- No. 164 ogenschouw neemt, ligt een afzonderlijke regeling in deze titel voor de hand. Bij de vereffening zijn bij uitstek de belangen van derden, onder wie met name ook de crediteuren van de vennootschap, betrokken. Dit brengt mee dat de artikelen van deze afdeling in het algemeen van dwingend recht zijn, behalve voor zover daaruit anders voortvloeit. Ofschoon dit tegen de achtergrond van deze strekking met voldoende duidelijkheid uit de formulering van de artikelen van deze afdeling blijkt, is ter vermijding van mogelijk misverstand artikel 831c opgenomen.

  3081. Artikel 825 (vereffenaars) 1. Dit artikel betreft in de eerste plaats de vraag door wie de vereffening geschiedt. In lid 1 is de regel vervat dat dit bij een ontbonden stille vennootschap gebeurt door de gewezen vennoten gezamenlijk tenzij bij of krachtens overeenkomst anders is bepaald. Deze regel sluit aan bij de eerste zin van lid 2 van artikel 3:170 lid 2, eerste volzin; het complicerende lid 3 van dit artikel en artikel 3:171 zijn echter niet meer van toepassing. Partijen kunnen een afwijkende regeling treffen zowel in de vennootschapsovereenkomst als nadien, bijvoorbeeld bij de ontbinding. Zij kunnen overeenkomen dat de vereffening zal geschieden door een of meerdere maten, of door een derde als liquidateur. Ook kunnen krachtens overeenkomst vereffenaars worden aangewezen bij meerderheidsbesluit. 2. De in lid 2 vervatte regel geldt voor de ontbonden openbare vennootschap. De vereffening geschiedt door de gewezen besturende vennoten gezamenlijk, wederom tenzij bij of krachtens overeenkomst anders is bepaald. Het ligt in het systeem van het ontwerp voor de hand om deze regel te doen gelden voor elke openbare vennootschap. 3. Tijdens de vereffening kunnen zich moeilijkheden voordoen die verband houden met de personen door wie de vereffening dient te geschieden. Vereffenaars kunnen op verschillende manieren in hun vereffeningstaak te kort schieten. Zij kunnen te weinig doen of te traag handelen, zij kunnen vereffeningshandelingen verrichten op onjuiste wijze, zij kunnen niet voldoen aan de verplichtingen die voor hen voortvloeien uit de bepalingen van deze afdeling. Ook denke men aan het geval dat de vereffening dient te geschieden door de gezamenlijke gewezen vennoten of door de gezamenlijke daartoe bij of krachtens overeenkomst aangewezen personen, waarbij een van die vennoten of personen op onredelijke wijze onwillig is aan gerechtvaardigde vereffeningshandelingen mee te werken. Los van de reeds naar huidig recht bestaande mogelijkheden om in sommige gevallen de nakoming van de verplichtingen van een vereffenaar in rechte af te dwingen, is het voor de rechtspraktijk van belang dat in het bijzonder bij wezenlijk of herhaaldelijk tekortschieten van een vereffenaar diens vervanging door de rechter op korte termijn kan worden bewerkstelligd. Lid 3 van de onderhavige bepaling voorziet in deze mogelijkheid. 4. De rechter kan wegens gewichtige redenen op verzoek van een medevereffenaar, een gewezen vennoot of een belanghebbende (men denke aan een belanghebbende zaakcrediteur of privé- crediteur die belang heeft bij een spoedige verdeling), een vereffenaar ontslaan. Hij kan dit ook ambtshalve doen, bijvoorbeeld in het geval dat een door hem benoemde vereffenaar (zie hierna) aan hem onvoldoende inlichtingen verstrekt of zijn aanwijzingen niet opvolgt. Zie hierna ad artikel 826. Het is niet nodig om aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toe te kennen een vordering tot ontslag in te dienen. De rechter kan een vereffenaar ook ontslaan op diens eigen verzoek. 5. Bij ontslag kan de rechter een andere vereffenaar benoemen. Dit is niet altijd nodig; bij meerdere vereffenaars kunnen de overige niet-ontslagen vereffenaars de vereffening ook voortzetten. Het is onder omstandigheden mogelijk dat vereffenaars geheel ontbreken, bijvoorbeeld bij hun voortijdig overlijden of indien derden die bij of krachtens overeenkomst zijn aangewezen, hun benoeming niet hebben aanvaard. De rechter benoemt dan een vereffenaar op verzoek van een gewezen vennoot of een belanghebbende, of ambtshalve. Dit laatste zal zich kunnen voordoen bij de rechterlijke ontbinding van een vennootschap in haar geheel ingevolge artikel 820. 6. Een benoeming tot vereffenaar door de rechter gaat in daags nadat de griffier de benoeming aan de vereffenaar heeft meegedeeld; de griffier doet die mededeling terstond indien de beslissing tot benoeming bij voorraad uitvoerbaar is, en anders zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan. In dit verband verdient aandacht dat ook een rechterlijke ontbinding van de vennootschap in haar geheel of ten aanzien van een of meer der vennoten uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. De 2024 -1128- No. 164 rechter kan zelf het best beoordelen of zijn uitspraak bij voorraad uitvoerbaar behoort te zijn. Voorts dient de ontslagen vereffenaar rekening en verantwoording af te leggen aan degenen die de vereffening voortzetten. Is de opvolger door de rechter benoemd, dan geschiedt deze rekening en verantwoording ten overstaan van de rechter. Ingevolge de laatste volzin van lid 3 heeft de vereffenaar die door de rechter is benoemd, recht op de beloning welke deze hem toekent. 7. Lid 4 bepaalt, in navolging van artikel 3:170 lid 1, dat handelingen die geen uitstel kunnen lijden door iedere vereffenaar zonodig zelfstandig kunnen worden verricht.

  3082. Artikel 826 (bevoegdheden en verplichtingen van vereffenaars) 1. Dit artikel betreft de bevoegdheden en enige verplichtingen van de vereffenaars. Mede omdat in dit ontwerp de artikelen 3:166 e.v., in het bijzonder ook de artikelen 3:170 en 3:171, niet van toepassing zijn op de vereffening van een ontbonden vennootschap, is het nuttig om in lid 1 van dit artikel de bevoegdheid van vereffenaars in algemene zin aan te duiden voor alle typen van vennootschap, openbaar of niet. In de voorgestelde bepaling komt tot uitdrukking dat de vereffenaars hier niet alleen vereffening in enge zin moeten bewerkstelligen maar ook een taak hebben bij de verdeling en afwikkeling. Zie hierboven, onder Algemeen bij deze afdeling, en hierna de uitwerking in artikel 830 welk artikel vereffenaars bij het uitoefenen van hun bevoegdheden in acht hebben te nemen. Het woord ‘vereffenen’ is in dit lid ter wille van de duidelijkheid en ter onderscheiding van de verdeling of verdere afwikkeling in enge zin gebezigd, hoewel in de opzet van deze afdeling de vereffening in ruime zin eerst eindigt wanneer ook die verdeling of afwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 830 en al dan niet met behulp van de rechter is afgerond. Zie hierna ad artikel 831 lid 1. 2. Ten aanzien van die vereffening in enge zin geldt het gebruikelijke patroon. De vereffenaars dienen de lopende zaken af te wikkelen en zijn gerechtigd de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap tot zich te nemen. De gewezen vennoten dienen hun medewerking te geven. Zij dienen de vorderingen van de vennootschap te innen en de hun bekende, vaststaande schulden van de vennootschap te voldoen (zie in dit verband ook artikel 830 lid 2) waartoe zij zonodig activa van de vennootschap te gelde moeten maken. Ingeval vorderingen van zaakschuldeisers hun ongegrond voorkomen, dienen zij deze te betwisten. Zij dienen zoveel mogelijk hun nog niet bekende zaakschuldeisers te achterhalen, zie in dit verband artikel 830 lid 1, zonodig in overleg met en op aanwijzing, bijvoorbeeld tot herhaalde oproeping, van de rechter die hen heeft benoemd (zie lid 3 van het onderhavig artikel). 3. Alle handelingen, ook beschikkingshandelingen, die dienstbaar zijn aan het doel van de bedoelde vereffening, vallen onder de bevoegdheid van de vereffenaars. Geen beroep op overschrijding van het vereffeningsdoel kan worden gedaan tegenover derden die redelijkerwijze mochten aannemen dat de vereffenaars bij hun handeling bleven binnen het doel van hun werkzaamheden. Bij overschrijding van beperkingen van de vereffeningsbevoegdheid moet men onderscheid maken tussen het geval dat (bij een openbare vennootschap) een plicht tot inschrijving van de bevoegdheid van ieder der vereffenaars bestaat ingevolge het Handelsregisterbesluit en het geval dat (bij een stille vennootschap) zulk een inschrijvingsplicht niet bestaat. In het laatste geval kan een derde onder omstandigheden worden beschermd indien hij te goeder trouw is afgegaan op een gewekte schijn van bevoegdheid. 4. De regel dat de vereffenaars gehouden zijn tot een behoorlijke vervulling van de hen opgedragen taak, correspondeert met hetgeen in lid 2 van artikel 809 ten aanzien van besturende vennoten is bepaald. Tot een behoorlijke taakvervulling behoort ook het betrachten van redelijke spoed. 5. Het is mede ter wille van de positie van derden van belang dat vereffenaars als zodanig optreden, zodat zij bij hun handelen als vereffenaars herkenbaar zijn. Dit is dan ook in lid 2 bepaald, waaraan is toegevoegd dat zij bij een openbare vennootschap handelen onder de door deze gevoerde naam. Handelen vereffenaars aldus en blijven zij hierbij binnen de in lid 1 aangeduide bevoegdheid, dan worden zij geacht met dit handelen de (andere) gewezen vennoten te vertegenwoordigen. Zijn de vereffenaars slechts gezamenlijk bevoegd tot 2024 -1129- No. 164 vereffening, dan kan voor het vertegenwoordigend handelen door één vereffenaar door de mede-vereffenaars een onherroepelijke volmacht worden gegeven Door het herkenbaar en bevoegdelijk handelen van vereffenaars kunnen derhalve zaakschulden ontstaan; zie in verband hiermee artikel 827. 6. Lid 3 sluit aan bij artikel 825 lid 3, voor zover hierin de mogelijkheid is geopend dat een rechter een vereffenaar benoemt. De vereffenaar dient aan de rechter alle gewenste inlichtingen te geven en is verplicht diens aanwijzingen op te volgen. Die aanwijzingen kunnen allerlei onderwerpen betreffen, bijvoorbeeld herhaalde bekendmakingen of oproepingen, het betrachten van spoed zulks mede in verband met de belangen van privé-crediteuren, boedelbeschrijving enz. Zie voor de mogelijke interventie van de rechter bij verdeling: artikel 830 lid 7. Tegen de aanwijzingen staan geen rechtsmiddelen open. Indien door de vereffenaar onvoldoende inlichtingen worden verstrekt of de aanwijzingen niet door hem niet worden opgevolgd, kan de rechter hem ambtshalve ontslaan; zie hierboven ad artikel 825.

  3083. Artikel 827 (vennootschappelijke gemeenschap na ontbinding) 1. Dit artikel geeft regels omtrent vragen van goederenrechtelijke aard. Bij een vennootschap hebben wij te maken met een vennootschappelijke gemeenschap die tot vereffening en verdeling moet worden gebracht. Deze vennootschappelijke gemeenschap dient voort te bestaan totdat de vereffening (in ruime zin) is geëindigd. Lid 1 van artikel 831 bepaalt wanneer dit het geval is. Tijdens dit voortbestaan van de gemeenschap moeten de vereffening en verdeling niet kunnen worden verstoord door een beschikking van de gewezen vennoot over zijn aandeel in die gemeenschap of in afzonderlijke goederen daarvan, of door uitwinning van zulk een aandeel door zijn privé-schuldeiser. Dit is zowel in het belang van de zaakschuldeisers die niet van de ene op de andere dag moeten kunnen worden geconfronteerd met een andere deelgenoot, als van de gezamenlijke gewezen vennoten, die er belang bij hebben dat eerst de zaakschuldeisers zoveel mogelijk naar behoren worden voldaan (vgl. ook artikel 830 lid 1). 2. Te dien einde bevat lid 1 van dit artikel enige voorzieningen die in het bijzonder toegesneden zijn op de ook na ontbinding van de vennootschap wenselijke gebondenheid van de vennootschappelijke gemeenschap totdat deze is vereffend en verdeeld. In de eerste plaats is er derhalve de regel dat een gewezen vennoot niet kan beschikken over zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap. Het voorgestelde lid 1 bepaalt in navolging van artikel 806 lid 1 (geldend voor een bestaande vennootschap) voorts dat de gewezen vennoot ook niet over zijn aandeel in een tot de vennootschappelijke gemeenschap behorend goed afzonderlijk kan beschikken. Over deze regel die ertoe strekt om partiële verdelingen met alle complicaties van dien te voorkomen, bestaat geen onenigheid. Hij correspondeert met artikel 3:190 lid 1 zij het dat de toestemming van de overige gewezen vennoten hier aan het dwingend karakter van de bepaling geen afbreuk kan doen. 3. Uit de hierboven aangeduide regels van beschikkingsgebondenheid vloeit voort dat privé- schuldeisers van de gewezen vennoot de bedoelde aandelen niet kunnen uitwinnen. Zij kunnen immers niet meer rechten doen gelden dan hun debiteur. Deze regel is in navolging van het eerste lid van artikel 806 eveneens in het onderhavige eerste lid opgenomen. Zie ook artikel 3:190 lid 1 en artikel 3:191 lid 1. 4. Uitgangspunten van het huidige ontwerp zijn: dat steeds een behoorlijke vereffening moet plaatsvinden (zie hierboven onder Algemeen bij deze afdeling) waaraan de gewezen vennoten reeds op grond van de redelijkheid en billijkheid dienen mee te werken; dat deze met redelijke spoed dient te geschieden; en dat vereffenaars die hiertoe niet voldoende inspanning betrachten, op verzoek van een gewezen vennoot of een belanghebbende, onder wie mogelijk ook een zaakcrediteur of een privé-crediteur van een gewezen vennoot, kan worden vervangen door de rechter die dan aan de door hem benoemde vereffenaar zonodig aanwijzingen kan geven (zie hierboven artikel 825 lid 3 en artikel 826 lid 3). In deze opzet is het niet langer nodig de bedoelde bevoegdheden tot vordering van een vroegtijdige verdeling te handhaven. Zulk een vroegtijdige verdeling zou de normale en steeds noodzakelijke vereffening waarbij de 2024 -1130- No. 164 vereffenaar eerst de zaakcrediteuren voldoet voordat een uitkering of toedeling aan de gewezen vennoten geschiedt, doorkruisen en complicerend werken. In het voorgestelde eerste lid is daarom ook bepaald dat verdeling van de gemeenschap niet kan worden gevorderd. Ook de artikelen 677 tot en met 680 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn dan niet van toepassing. Aan een bepaling zoals thans vervat in artikel 3:193 omtrent het mogelijk verzet van zaakcrediteuren is dan evenmin langer behoefte. Op hun belangen wordt gelet door de steeds optredende vereffenaar; zij hebben voorts het verhaalsrecht als aangeduid in lid 2 van het onderhavig artikel. 5. Lid 2 van het onderhavig artikel correspondeert met artikel 3:192, en ook met artikel 806 lid 2 van dit ontwerp geschreven voor de situatie tijdens het bestaan van de vennootschap. Tot de vennootschappelijke gemeenschap behorende schulden, de zgn. zaakschulden, zijn schulden waarvoor de vennootschap c.q. de gezamenlijke gewezen vennoten als zodanig gebonden en aansprakelijk zijn. Zie hierboven ad artikel 806. In verband met dit tweede lid geldt dat onder de bedoelde zaakschulden niet alleen vallen dergelijke schulden die voor de ontbinding van de vennootschap zijn ontstaan, maar ook schulden die door de vereffenaars bevoegdelijk in het kader van hun vereffening zijn aangegaan. 6. Lid 3 bepaalt dat tijdens de vereffening het vennootschappelijk vermogen blijft bestaan als afgescheiden vermogen, ook als door erfopvolging of fusie er nog slechts één rechthebbende is. Dit betekent in het bijzonder dat tijdens de vereffening slechts zaakscrediteuren zich daarop kunnen blijven verhalen.

  3084. Artikel 829 (aansprakelijkheid vennoten) Uitgaande van de gedachte dat de vereffenaar bij zijn herkenbaar en bevoegdelijk handelen de gewezen vennoten wordt geacht te vertegenwoordigen, zie hierboven ad artikel 826, zodat er aldus zaakschulden ontstaan, ligt het voor de hand de regels van artikel 813 ook in het vereffeningsstadium toe te passen. Ter wille van de duidelijkheid is dit dan ook met zoveel woorden bepaald.

  3085. Artikel 830 (vereffening, verdeling en afwikkeling) 1. In dit artikel worden de vereffening, verdeling en afwikkeling, die bij de ontbonden vennootschap een eigensoortig karakter hebben (zie hierboven onder Algemeen bij deze afdeling) nader geregeld. Bij die regeling dient bij iedere ontbonden vennootschap zowel te worden gelet op de belangen van de zaakschuldeisers als op die van de gewezen vennoten. Voor wat betreft de zaakcrediteuren, behoort het tot de taak van de vereffenaar deze eerst te voldoen. 2. Lid 1 bepaalt dat de vereffenaar bij een openbare vennootschap deze schuldeisers publiekelijk, en voor zover hem bekend per brief, oproept. Dit laatste geldt ook bij een stille vennootschap. De vereffenaar zal indien er bij hem gerede twijfel bestaat of er hem nog niet bekende schuldeisers zijn, pogingen in het werk moeten stellen om deze te achterhalen. Bij aanwijzing door de rechter van een door hem benoemde vereffenaar kan ook herhaalde oproeping worden gelast. 3. Lid 2, eerste volzin, ter zake van de aanvulling van tekorten door vennoten in de liquidatiekas, is niet alleen in het belang van schuldeisers, maar strekt vooral ook tot bescherming van de gewezen vennoten. Deze zijn immers ook persoonlijk verbonden voor een zaakschuld en zij hebben er belang bij dat de zaakschulden vóór de verdeling van de boedel zoveel mogelijk worden voldaan, zodat wordt voorkomen dat zij na verdeling nog persoonlijk worden aangesproken, en dat zij in geval van hoofdelijke verbondenheid indien hun gewezen medevennoot insolvent blijkt, zouden moeten bijspringen. De hier voorgestelde eerste volzin van lid 2 bewerkt ook dat bij voldoening van zaakschuldeisers zoveel mogelijk aan de onderlinge draagplicht van de gewezen vennoten ten aanzien van die zaakschulden wordt voldaan, zodat in zoverre intern verhaal niet meer nodig is. Zodra blijkt dat de schulden de baten overtreffen en er een concursus creditorum ontstaat, dienen vereffenaars faillissement aan te vragen, aldus de tweede volzin; vgl artikel 2:29 lid 3. 2024 -1131- No. 164 4. Het gaat hier in lid 2 om voldoening van zaakschuldeisers. Denkbaar is echter dat een handeling voor rekening van de vennootschap komt indien de handelende vennoot binnen zijn bestuursbevoegdheid heeft gehandeld doch zelf extern verbonden is. Voor een dergelijk geval is in lid 5 voorzien in een gedwongen verrekening met de deelgerechtigdheid van de gewezen medevennoten. Zie hierna. Een ‘toedeling’ van zaakschulden aan een der gewezen vennoten is overigens niet onmogelijk doch zal alleen kunnen plaatsvinden met inachtneming van de bepalingen van afdeling 3 van titel 2 van Boek 6. De schuldeiser moet hierin toestemmen (zie ook artikel 3:179 lid 3). 5. Bij ontbinding van personenvennootschappen hebben wij evenals naar huidig recht, te maken met een bijzondere regeling van de afwikkeling nadat de zaakcrediteuren zijn voldaan. Hetgeen na die voldoening is overgebleven, dient te worden verdeeld onder de gewezen vennoten in verhouding tot ieders economische deelgerechtigdheid zoals deze mede in de overeenkomst van vennootschap kan zijn bepaald; zie lid 3. 6. Die economische deelgerechtigdheid wordt bepaald door de inhoud van de overeenkomst, en bij gebreke daarvan door de inbreng van de vennoot, in de regel het bedrag waarvoor hij op zijn kapitaalrekening is gecrediteerd, en door de grondslag waarop hij deelt in de winsten en verliezen. Zie hierboven ad artikel 821. Na betaling van de zaakcrediteuren kunnen de gewezen vennoten rechten doen gelden op het overschot. In de regel gaat het hierbij om een recht op de vermogenswaarde van het door hen ingebrachte, zie HR 24-1-1947, NJ 1947, 71, en indien er dan nog iets resteert, over een recht hierop naar evenredigheid van hun winstaandeel (zie hierna lid 9). 7. Is er na voldoening van de zaakschuldeisers een tekort (d.w.z. dat het dan resterende vermogenssaldo onvoldoende is om de kapitaalrekeningen van de vennoten te voldoen), dan dienen de gewezen vennoten, anders dan aandeelhouders bij kapitaalvennootschappen, in de regel (tenzij in de overeenkomst van vennootschap anders is bepaald) naar evenredigheid van ieders aandeel in het verlies op te komen voor dit tekort (zie hierna lid 10). Hierbij zal moeten worden verdisconteerd hetgeen zij ingevolge lid 2 van het onderhavig artikel reeds ter voldoening van de zaakcrediteuren in de liquidatiekas hebben gestort. Dit kan ertoe leiden dat het aldus bepaalde aandeel van een gewezen vennoot in het tekort wordt afgeboekt op hetgeen hij krachtens zijn kapitaalrekening zou verkrijgen. Zijn deelgerechtigheid wordt verminderd. Zie HR 24-1-1947, NJ 1947, 71. Het kan ook zijn dat de kapitaalrekening van een vennoot ontoereikend is voor de afboeking van zijn aandeel in het tekort. Hij zal dan in de regel tegenover zijn medevennoten gehouden zijn het resterende bedrag van zijn aandeel in het verlies ten behoeve van de afwikkeling ter beschikking te stellen, waarbij storting in de liquidatiekas het meest aangewezen is. In zulk een geval kan men zeggen dat zijn economische deelgerechtigheid een negatieve is en omslaat in een economische deelverschuldigdheid. Indien hij insolvent blijkt, moet zijn aandeel in het verlies in de regel zelfs worden omgeslagen over de overige vennoten in verhouding tot hun draagplicht voor het verlies. Zie over een en ander HR 5-1-1939, NJ 1939, 931. 8. Overigens is nog voorzien dat er steeds een zgn. gedwongen verrekening plaatsvindt met de deelgerechtigdheid van een gewezen vennoot voor hetgeen hij ter zake van de vennootschap aan de gewezen medevennoten schuldig is (zie verder hierna). Uit het bovenstaande blijkt dat de bepaling van de economische deelgerechtigheid of deelverschuldigdheid een ingewikkelde kan zijn, ook al geeft de overeenkomst van vennootschap in de regel nadere aanwijzingen hieromtrent. 9. Het is redelijk en aangewezen dat de vereffenaar van alle gewezen vennoten, gelet op hun in het geding zijnde belangen, instemming krijgt met deze bepaling en de mogelijke, hierboven geschetste gevolgen hiervan, en dat bij gebreke van die instemming de rechter kan interveniëren. Dit is dan ook voorzien in de leden 6 en 7 waarover hierna. 2024 -1132- No. 164 10. Is er een overschot, dan dient dit te worden verdeeld. Voor een verdeling van de vennootschappelijke gemeenschap na ontbinding van een vennootschap eist artikel 3:182 naar huidig recht reeds dat alle gewezen vennoten die deelgenoot zijn in die gemeenschap, hiertoe medewerken. 11. De woorden ‘toegedeeld’ of ‘uitgekeerd’ zijn in lid 3 bewust gebezigd, gelet op de krachtens lid 4 mogelijke wijzen van verdeling voor zover tot het overschot iets anders dan geld behoort. Zie hierna. De terminologie ‘door overdracht’ wordt gehanteerd om duidelijk te maken dat levering is vereist en dat er sprake is van verkrijging onder bijzondere titel. 12. Wordt de overeenstemming niet bereikt, dan geldt lid 7: de rechter bepaalt op verzoek van de vereffenaar of een gewezen vennoot op welke wijze, aan wie en in welke omvang de toedelingen of uitkeringen door de vereffenaar (eveneens ingevolge lid 3) dienen te geschieden. Hij kan hierbij ook de wijzen van verdeling toepassen zoals in lid 4 aangeduid. Zie in dit verband het huidig artikel 3:185 lid 1, ten aanzien van verdeling van een gemeenschap. In de vennootschapsovereenkomst zal veelal zijn bepaald dat de gewezen vennoten uit het overschot in verhouding tot ieders deelgerechtigdheid geld of in het bijzonder de door hen ingebrachte goederen ontvangen. Ook indien de overeenkomst geen nadere aanwijzingen hieromtrent bevat, kan het mede gelet op de normen van de ook tussen gewezen vennoten in acht te nemen redelijkheid en billijkheid voor de hand liggen dat het goed wordt toegedeeld aan degene die het heeft ingebracht. 13. Bij voortzetting van de onderneming der vennootschap door een of meer gewezen vennoten in het geval dat er niet is voorzien in een voortzettingsregeling, kunnen die redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de aan die onderneming gebonden goederen aan hen worden toegedeeld, waarbij een eventuele overbedeling boven hun mate van economische deelgerechtigdheid door hen kan worden gecompenseerd door geldelijke vergoedingen van de overwaarde. 14. Het zal ook kunnen voorkomen dat een behoorlijke en passende verdeling alleen kan worden bereikt door het te gelde maken van de activa. In verband met dit alles is de bepaling van lid 4 opgenomen; vgl ook artikel 3:185 lid 2. 15. Lid 5 geeft in de eerste plaats aan hoe de bepaling van ieders economische deelgerechtigdheid dient te geschieden. Die deelgerechtigdheid wordt in de eerste plaats bepaald door de inhoud van de overeenkomst van vennootschap. Voor zover die overeenkomst geen uitsluitsel geeft, behelzen de leden 8 tot en met 10 waarnaar wordt verwezen nadere voorzieningen die in overeenstemming zijn met hetgeen naar huidig recht wordt aanvaard. Het stramien is hierboven reeds uiteengezet. Zie in verband hiermee ook ad artikel 821. 16. Ten aanzien van lid 8 waarnaar wordt verwezen, zij nog het volgende opgemerkt. Bepaald is dat de vennoten zoveel mogelijk de waarde van hun inbreng in geld of goederen ten tijde van die inbreng ontvangen. Tenzij in de overeenkomst van vennootschap anders is bepaald, komen waardeveranderingen na de inbreng als winst of verlies van de vennootschap tot uitdrukking. Veelal wordt het ten aanzien van de inbreng ontstane vorderingsrecht aan de passiefzijde van de vennootschapsbalans, op de zgn. kapitaalrekening van de betrokken vennoot geboekt waarbij die vennoot voor dit bedrag wordt gecrediteerd. In dit geval geldt dit gecrediteerde bedrag als waarde van de inbreng. Hierbij moet echter worden bedacht dat dit bedrag veranderingen kan ondergaan als gevolg van reeds tijdens het bestaan van de vennootschap bijgeboekte of afgeboekte winst- respectievelijk verliesdelingsbedragen van de betrokken vennoot. Ook kan tijdens het bestaan van de vennootschap ingevolge de vennootschapsovereenkomst of met instemming van alle vennoten het kapitaalbedrag zijn verminderd door uitkering c.q. terugbetaling aan de betrokken vennoot. In het algemeen zal geen rente over de kapitaalinbreng zijn verschuldigd, tenzij dit is bedongen. Onder bijzondere omstandigheden kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat renteverrekening over ieders kapitaalinbreng dient plaats te vinden. Zie HR 15-4-1994, NJ 1994, 628. 2024 -1133- No. 164 17. De leden 9 en 10 waarnaar eveneens wordt verwezen, zijn hierboven reeds ter sprake gekomen. De winst- en verliesaandelen zullen meestal contractueel zijn bepaald. Is dit niet het geval, dan delen de gewezen vennoten gelijkelijk in de winst en in het verlies. Zie artikel 815 lid 1. 18. In verband met lid 10 zij erop gewezen dat het ingevolge lid 6 door de vereffenaar op te stellen plan in geval van een tekort (het resterende vermogenssaldo is onvoldoende om de kapitaalrekeningen van de vennoten te voldoen) ook de grondslagen bevat van de bijdragen van de gewezen vennoten in het verlies. Zie voor deze bijdragen hierboven. Geven de gewezen vennoten niet hun instemming, dan gelast de rechter ingevolge lid 7 op verzoek van de vereffenaar of een gewezen vennoot op welke wijze, aan wie en door wie, en in welke omvang aan deze bijdrageplicht moet worden voldaan. Hij zal een afboeking kunnen gelasten op hetgeen een gewezen vennoot krachtens zijn kapitaalrekening zou verkrijgen. Hij zal bij ontoereikendheid van die kapitaalrekening een storting door die vennoot in de liquidatiekas kunnen gelasten. De economische deelgerechtigdheid slaat dan om in een economische deelverschuldigdheid. De vereffenaar zal de bevelen van de rechter moeten effectueren. Overigens gelden bij een optreden van de rechter ingevolge lid 7 ook de bepalingen van de leden 4 en 5 en derhalve mede die van de leden 8 tot en met 10, tenzij bij de vennootschapsovereenkomst anders is voorzien. 19. De externe verbondenheid van de vennootschap of de vennoten moet worden onderscheiden van de onderlinge draagplicht der vennoten. Zo is bij een stille vennootschap denkbaar dat een handeling voor rekening van de stille vennootschap, de gezamenlijke vennoten, komt indien de handelende vennoot binnen zijn bestuursbevoegdheid heeft gehandeld doch zelf extern verbonden is. Zie hierboven ad artikel 812. Dit heeft tot gevolg dat de medevennoten moeten bijdragen aan die voor rekening van de vennootschap gekomen schuld; de vennoot die gehandeld heeft, heeft een vordering op zijn medevennoten voor zover hij ter zake van die schuld meer heeft voldaan dan waarvoor hijzelf intern draagplichtig is. Mede om te voorkomen dat in een dergelijk geval die laatste vennoot te zijner tijd bij het nemen van regres zou moeten concurreren met de privécrediteuren van zijn medevennoten, is in lid 5, tweede volzin, een regel van zgn. gedwongen verrekening opgenomen. Een soortgelijke regel vindt men ook in artikel 3:184 ten aanzien van deelgenoten in een gemeenschap. 20. De leden 6 en 7 zijn hierboven reeds ter sprake gekomen. Wat betreft lid 6 bedenke men dat, zoals uit het bovenstaande reeds bleek, niet alleen de deelgerechtigdheden van de gewezen vennoten na voldoening van de zaakschuldeisers moeten worden bepaald als grondslagen voor de toedelingen of uitkeringen indien er een saldo resteert. Bij een tekort moeten immers de gewezen vennoten naar evenredigheid van ieders aandeel in het verlies bijdragen aan dit tekort. Daarom is ten behoeve van een goede afwikkeling hier bepaald dat het plan bij zulk een tekort ook de grondslagen bevat van de bijdragen van de gewezen vennoten in dit verlies. 21. De opstelling van de rekening en verantwoording en het daarop gebaseerde plan geschiedt ten behoeve van de gewezen vennoten; aan hen zullen deze stukken door de vereffenaar ter beschikking moeten worden gesteld. Uit de rekening en verantwoording kunnen de gewezen vennoten opmaken hoe groot het overschot of tekort is. Uit het plan dat op basis hiervan is opgesteld, kunnen zij afleiden welke rechten zij kunnen doen gelden, of in welke mate zij aan het tekort moeten bijdragen. Het is daarom aangewezen dat de rekening en verantwoording van de vereffenaar aan de gewezen vennoten in dit stadium geschiedt. In de regel zal een (soms simpele) boedelbeschrijving aangewezen zijn. In eenvoudige gevallen, bijvoorbeeld wanneer slechts een geldsom resteert, zal men hieraan praktisch niet toe hoeven te komen. Kunnen de vennoten zich niet met de rekening en verantwoording verenigen, dan zullen zij het ook niet eens zijn met het daarop gebaseerde plan. Ook is denkbaar dat de rekening en verantwoording ongenoegzaam is. Maar ook in dit stadium is de vervanging van de vereffenaar door de rechter ambtshalve nog mogelijk ingevolge artikel 825 lid 3, waarbij de rechter aanwijzingen aan de door hem benoemde vereffenaar kan geven ingevolge artikel 826 lid 3. Overigens zal de rechter zich bij het bepalen en gelasten van toedelingen, uitkeringen of bijdragen in het verlies baseren op een door hem juist bevonden rekening en verantwoording. Uit deze opzet volgt dat voor het 2024 -1134- No. 164 gebruik maken van de rekeningprocedure ingevolge artikel 771 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hier geen plaats is. De voorgestelde wetsbepaling geeft hier een bijzondere, aan deze procedure derogerende regeling. 22. Of tussentijds verantwoording door de vereffenaar dient te worden afgelegd (van een genoegzame rekening zal dan nog geen sprake kunnen zijn) hangt niet alleen af van wat hieromtrent eventueel in de vennootschapsovereenkomst is bepaald, doch ook van het antwoord op de vraag of de gewezen vennoten hierbij wel belang hebben, bijvoorbeeld met het oog op hun eventueel verzoek tot vervanging van de vereffenaar. 23. De hier bedoelde rekening- en verantwoordingsplicht in het eindstadium geldt voor iedere vereffenaar, of deze nu door de rechter is benoemd of niet. Daarnaast geldt artikel 825 lid 3, betreffende de rekening en verantwoording door de ontslagen vereffenaar en diens door de rechter benoemde opvolger. 24. Lid 7 is ten aanzien van de door de rechter te gelasten toedelingen of uitkeringen hierboven toegelicht, eveneens wat betreft van door hem te gelasten bijdragen in het verlies. Er is gekozen voor de procedure die met een beschikking eindigt: het ligt hier voor de hand de rechter bevoegd te verklaren binnen wiens rechtsgebied een van de vereffenaars woonplaats heeft. De bepaling van lid 7 sluit niet uit dat bij gebreke van instemming de betrokkenen een arbitrage of bindend advies kunnen overeenkomen, evenals dit naar huidig recht het geval is ten aanzien van verdeling van een ontbonden gemeenschap. 25. De leden 8 tot en met 10 zijn hierboven ook reeds ter sprake gekomen.

  3086. Artikel 831 (einde vereffening) 1. Zoals hierboven uiteengezet, omvat de vereffening hier niet alleen het voldoen van de zaakcrediteuren, doch is zij ook gericht op de verdeling van een overschot en de verdere afwikkeling bij het bestaan van een tekort. Die vereffening in ruime zin moet hier steeds plaatsvinden, behoudens artikel 831a. 2. Voor het geval van een vereffening van de rechtspersoon, bedoeld in Boek 2, is in artikel 2:31 lid 7 bepaald dat de vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn, en ook dan houdt de rechtspersoon ingevolge artikel 2:31 lid 7, op te bestaan. Onder ‘baten’ moet worden verstaan het restant na betaling van de zaakcrediteuren en uitkering aan de gerechtigden. Lid 1 van het hier voorgestelde artikel neemt deze gedachte voor de vennootschap (zie artikel 827 lid 1), in meer geconcretiseerde vorm over. Dientengevolge eindigt de vereffening door de toedelingen of uitkeringen aan de gewezen vennoten ingevolge lid 3 van artikel 830, overeenkomstig het door de vereffenaars opgestelde plan als bedoeld in lid 6 van dat artikel, waarmee de gewezen vennoten hebben ingestemd. Er kan hier echter ook sprake zijn van een tekort waarbij de gewezen vennoten ter nadere afwikkeling naar evenredigheid van hun aandelen in het verlies moeten bijspringen. Doen zij dit vrijwillig overeenkomstig het in lid 6 van artikel 830 aangeduide plan, dan eindigt de vereffening ingevolge het voorgestelde lid 1 eveneens. 3. Blijkens lid 7 van artikel 830 moeten de gewezen vennoten instemmen met de in het bedoelde plan voorziene toedelingen, uitkeringen of bijdragen in het verlies. Voor zover die instemming er niet komt, beslist de rechter door te bevelen hoe het moet. In het verlengde hiervan ligt dat de vereffening eveneens eindigt doordat gevolg wordt gegeven aan die bevelen van de rechter. Dit is dan ook mede voorzien in het voorgestelde lid 1 van artikel 831. 4. De vereffenaar doet opgave van de beëindiging in het handelsregister waarin de vennootschap is ingeschreven. Een openbare vennootschap zal moeten worden ingeschreven in het handelsregister. 5. Ten aanzien van zaakcrediteuren die achteraf nog zouden opkomen, moet worden bedacht dat deze anders dan bij kapitaalvennootschappen voor zover hun vorderingen niet zijn verjaard, de gewezen vennoten alsnog kunnen aanspreken vanwege hun persoonlijke verbondenheid voor dergelijke schulden overeenkomstig artikel 813 en artikel 829. Voor wat betreft de gerechtigde gewezen vennoten geldt dat aan hun volgens de opzet van het ontwerp rekening en 2024 -1135- No. 164 verantwoording moet worden afgelegd en dat zij op basis hiervan moeten instemmen met het plan van uitkeringen, toedelingen of bijdragen in het verlies. Bij de rekening en verantwoording zullen zij erop kunnen letten dat alle activa zijn verdisconteerd. Zie hierboven. In het uitzonderlijke geval dat er achteraf alsnog een dan aan hun gezamenlijk toebehorend overschot blijkt, hebben de gewezen vennoten er naar analogie van artikel 830 lid 5 jo lid 9, recht op dat dit alsnog aan hun ten goede komt naar evenredigheid van hun deelgerechtigdheid, hetgeen in de regel betekent overeenkomstig hun winstaandeel dat contractueel is bepaald en anders volgens de wettelijke maatstaf van artikel 815 lid 1. Zie in dit verband ook artikel 3:179 lid 2. Zie voorts lid 5 (heropening van de vereffening). 6. Lid 2 betreft de plicht tot bewaren van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van een ontbonden vennootschap na de beëindiging van haar vereffening. Het ligt voor de hand om aan de vereffenaar die in eerste instantie bij of krachtens overeenkomst is aangewezen, de taak van bewaren toe te vertrouwen. Onder de vereffenaar valt ook degene die mogelijk door de rechter is benoemd; op deze laatste rust dan die taak. Zijn er meerdere vereffenaars, bijvoorbeeld in het geval er bij of krachtens overeenkomst niets is bepaald door de gewezen (besturende) vennoten gezamenlijk (zie artikel 825, leden 1 en 2), dan bewaart degene die daartoe door de meerderheid van dezen is aangewezen. Deze aan te wijzen persoon kan een van de vereffenaars zijn, doch ook een gewezen vennoot die geen vereffenaar is of een derde zoals de accountant of de notaris van de vennootschap. Het bewaren betreft de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden vennootschap. De termijn van tien jaar stemt overeen met die welke is genoemd in artikel 3:15a lid 3, artikel 2:15 lid 3 en artikel 814 lid 5 van het onderhavige ontwerp. 7. Het kan zijn dat de vereffenaar ontbreekt, bijvoorbeeld door overlijden of omdat hij onvindbaar is, terwijl door de rechter niet ingevolge artikel 827 lid 3 een nieuwe vereffenaar is benoemd. Het kan ook zijn dat de vereffenaar of de eventueel door de meerderheid aangewezen persoon niet bereid is te bewaren. Voor deze gevallen is bepaald dat de bewaarder op verzoek van een belanghebbende kan worden benoemd door de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied een van de gewezen vennoten woonplaats heeft. Die bewaarder kan worden benoemd uit de kring van de gewezen vennoten, maar kan ook een derde zijn zoals de accountant of de notaris van de vennootschap. Belanghebbende is in het bijzonder een gewezen vennoot, degene die niet bereid is te bewaren, of een niet als bewaarder aangewezen medevereffenaar. Rechtsmiddelen staan niet open. 8. Wat betreft het lid 3 bedenke men dat een openbare vennootschap met soms zeer veel vennoten, zal moeten worden ingeschreven in het handelsregister. Mede met het oog op lid 4 van dit artikel moet het voor de gewezen vennoten en hun rechtverkrijgenden mogelijk zijn om de naam en het adres van de bewaarder op een eenvoudige wijze te achterhalen. De gewezen vennoot of zijn rechtverkrijgende kan er een redelijk belang bij hebben om de boeken, bescheiden en gegevensdragers te raadplegen. 9. Lid 4 bepaalt dat de genoemde kantonrechter desverzocht hiertoe machtiging kan geven. Deze bepaling geldt evenals de eerdere leden van dit artikel zowel voor de ontbonden niet-openbare vennootschap (stille vennootschap) als voor de ontbonden openbare vennootschap. 10. Indien er na het eindigen van de vereffening nog een bate van de vennootschap opkomt, zal deze in de meeste gevallen tussen de vennoten kunnen worden verdeeld; zie hiervóór bij lid 1. Onder omstandigheden kan het evenwel wenselijk zijn dat de vereffening wordt heropend, bijvoorbeeld om recht te doen aan de volgorde van de daarop verhaalbare schulden; vergelijk artikel 2:32 lid 1, BW. Voor het geval er nog een schuld van de vennootschap opkomt, is heropening van de vereffening niet nodig: daarvoor volstaat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten. 2024 -1136- No. 164

  3087. Artikel 831a (voortzetting beroep of bedrijf door gewezen vennoot) 1. Artikel 831a is geschreven met het oog op het vergemakkelijken van de voortzetting van het beroep of bedrijf van de vennootschap door een der gewezen vennoten of door een ander dan een der vennoten. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan een voortzetting door een van de kinderen van een vennoot of een door de vennoten daartoe opgerichte naamloze vennootschap. 2. Lid 1. Indien overeenstemming bestaat dat de onderneming van de vennootschap zal worden voortgezet buiten het verband van de vennootschap, hetzij door een van de gewezen vennoten, hetzij door een derde, opent lid 1 de mogelijkheid om af te zien van vereffening overeenkomstig deze afdeling. Een daartoe strekkende overeenkomst tussen de vennoten kan deel uitmaken van de vennootschapsovereenkomst. Het kan ook gaan om een afzonderlijke overeenkomst, bijvoorbeeld in gevallen dat de vennootschap reeds tot ontbinding is gekomen. Met het oog op de rechtszekerheid wordt voorgeschreven dat de overeenkomst schriftelijk dient te geschieden. Vereist is voorts dat schriftelijk wordt aangewezen wie de onderneming zal voortzetten. Is dat niet een der (gewezen) vennoten, dan zal deze derde zijn aanwijzing bovendien – eveneens schriftelijk – dienen te aanvaarden. Ten slotte is voor het achterwege laten van (verdere) vereffening óók vereist dat aan de voorgenomen voortzetting van het door de vennootschap uitgeoefende beroep of bedrijf daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven door degene die daartoe is aangewezen. Voortzetting kan aldus geschieden hetzij door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, hetzij door een andere vennootschap. Met betrekking tot de voorwaarde van aanvaarding van de aanwijzing door degene die het beroep of bedrijf voortzet, is nog van belang dat als het gaat om voortzetting door een der (gewezen) vennoten, diens aanvaarding uiteraard besloten ligt in de omstandigheid dat hij partij is bij de overeenkomst. Hetzelfde is het geval als het gaat om voortzetting door een rechtspersoon die ontstaat uit een fusie van of met de vennoten of een deel van hen. 3. In de tweede volzin wordt met het oog op de rechtszekerheid voorgeschreven dat de hier geregelde wijze van voortzetting van het beroep of bedrijf wordt opgegeven aan het handelsregister. De bepaling vormt als het ware de pendant van de in artikel 831 lid 1 neergelegde verplichting om van het einde van de vereffening opgave te doen. 4. Lid 1. Bij voortzetting van het beroep of bedrijf zullen de daartoe dienstbare goederen ter beschikking moeten komen van degene die voortzet. Indien het gaat om goederen van de vennootschappelijke gemeenschap die ter beschikking moeten komen van een gewezen vennoot die het beroep of bedrijf voortzet, ligt in de overeenkomst om van vereffening af te zien tevens een toedeling besloten aan deze gewezen vennoot. Voor deze gevallen vloeit de in lid 2 neergelegde verplichting tot levering derhalve ook reeds voort uit artikel 3:186 lid 1, BW. 5. De tweede volzin voorziet in de bevoegdheid om de benodigde leveringshandelingen te verrichten; deze komt in beginsel toe aan de gezamenlijke besturende vennoten of gewezen besturende vennoten. Zonder deze voorziening zou twijfel kunnen rijzen over de vraag of – zolang de vennootschap niet is ontbonden – daarvoor een grondslag kan worden gevonden in artikel 811 lid 1, een bepaling die zich overigens beperkt tot openbare vennootschappen. Na ontbinding van de vennootschap zou men kunnen denken aan de vereffenaars (ingevolge artikel 825 lid 1, derhalve in beginsel de gewezen vennoten gezamenlijk), doch twijfel is denkbaar wegens de omstandigheid dat hier juist van vereffening wordt afgezien. Is een (gewezen) vennoot overleden of heeft hij, indien hij rechtspersoon is, opgehouden te bestaan, dan kunnen zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel in zijn plaats optreden. De tweede volzin houdt rekening met de mogelijkheid dat de vennoten omtrent de bevoegdheid tot vertegenwoordiging anders overeenkomen. Behalve ten aanzien van de benodigde leveringen is denkbaar dat de overeenkomst ook voor andere handelingen bepaalt in hoeverre daarvoor, ook na ontbinding van de vennootschap, vertegenwoordiging mogelijk zal zijn. Het zal in beginsel voor de hand liggen om dienovereenkomstig voor de gezamenlijke vennoten aangegane verbintenissen aan te merken als verbintenissen van de vennootschap. 6. De derde volzin houdt een regeling in, ontleend aan artikel 821 lid 1, derde volzin: indien degene die het beroep of bedrijf voortzet door de (gewezen) vennoten onherroepelijk is gemachtigd om de benodigde leveringen te bewerkstelligen, eindigt deze niet doordat een of meer van hen failliet gaan. 2024 -1137- No. 164 7. Lid 3. Als wordt overeengekomen dat het beroep of bedrijf wordt voortgezet door een der gewezen vennoten, lenen de bepalingen betreffende de financiële afrekening tussen de vennoten en de draagplicht voor de schulden van de vennootschap (artikel 821, leden 2 en 3) zich voor overeenkomstige toepassing. 8. Lid 4. Een overeenkomst als bedoeld in lid 1 doet geen afbreuk aan bestaande mogelijkheden van verhaal voor schulden van de vennootschap. Deze schulden kunnen derhalve ook na ontbinding worden verhaald op de goederen van de vennootschappelijke gemeenschap (artikel 827 lid 2). Ook het in artikel 827 lid 1, bepaalde omtrent het voortduren van de vermogensafscheiding, is hier van toepassing. En voorts doet de overeenkomst tot het afzien van vereffening niet af aan de mogelijkheden voor schuldeisers van de vennootschap om de vennoten van de openbare vennootschap (in privé) hoofdelijk aansprakelijk te houden (artikel 813; vergelijk ook artikel 829). In aanvulling op dit alles kunnen alle schulden van de vennootschap ingevolge de eerste volzin van lid 4 tevens worden verhaald op de goederen van de persoon of vennootschap die de onderneming voortzet. Deze verhaalsmogelijkheid is aanwezig vanaf het tijdstip van voortzetting van de onderneming, dat niet in alle gevallen hoeft samen te vallen met de ontbinding. 9. Degene die de onderneming voortzet, treedt ingevolge de tweede volzin bij vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen tussen de vennootschap en derden in de plaats van de vennotschap. Dit brengt niet alleen mee dat contractuele posities overgaan, maar leidt er ook toe dat op de voortzetter aansprakelijkheid voor schulden van de vennootschap komt te rusten. Ook deze mogelijkheid doet uiteraard niet af aan de aansprakelijkheid van de vennoten in privé. Hoewel met de aansprakelijkheid die voortvloeit uit de tweede volzin in de meeste gevallen hetzelfde kan worden bereikt als met het verhaalsrecht van de eerste volzin, is het naast elkaar bestaan van beide mogelijkheden geenszins bezwaarlijk. 10. Lid 5. Aan de schuldeiser komt bij verhaal op goederen die hebben behoord tot het vermogen van de vennootschap (uit hoofde van het verhaalsrecht van lid 4, eerste volzin, of de aansprakelijkheid die voortvloeit uit lid 4, tweede volzin) voorrang toe boven andere schuldeisers van degene die de onderneming voortzet. De voorrang doet uiteraard niet af aan een pand- of hypotheekrecht op bepaalde goederen. 11. Lid 6. Hierin is de mogelijkheid geopend voor schuldeisers om de rechter te verzoeken alsnog vereffening te doen plaatsvinden. Het verzoek kan slechts worden gedaan tot uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop overeenkomstig lid 1 bij het handelsregister opgave omtrent de voortzetting is gedaan. Benoeming van een vereffenaar kan mede worden verzocht op de grond dat een schuldeiser zich gaat verhalen op de goederen die hebben behoord tot het vermogen van de vennootschap. In het verlengde daarvan zal de vereffening dan mede betrekking hebben op deze goederen. Daarmee kan de vereffenaar effectief recht doen aan de uit de leden 4 en 5 voortvloeiende verhaalsrechten op deze goederen.

  3088. Artikel 831b (vernietiging toedeling, uitkering of verdeling) 1. Niet-naleving van de vereffeningsvoorschriften moet niet tot gevolg hebben dat elke levering op grond van een vervolgens gedane toedeling, uitkering of verdeling, nietig is (vgl. artikel 3:40). Met het oog op de rechtszekerheid is het wenselijk dienaangaande in de wet een voorziening te treffen, inhoudende dat zulks niet leidt tot nietigheid, doch (hooguit) tot de mogelijkheid van vernietiging ter opheffing van het door een schuldeiser daardoor ondervonden nadeel (vgl. artikel 3:193 lid 3, derde volzin). Eveneens met het oog op de rechtszekerheid is hierbij in het voorgestelde artikel 831b rechterlijke tussenkomst voorgeschreven. 2. Als alternatief voor de vernietiging kent de rechter desgevraagd aan de schuldeiser een vergoeding in geld toe ten laste van een der gewezen vennoten. Deze regeling is geïnspireerd door artikel 3:53 lid 2. De rechtsvordering tot vernietiging verjaart door verloop van drie jaar nadat de benadeling is ontdekt (artikel 3:52 lid 2 onder c. 2024 -1138- No. 164

  3089. Artikel 831c (dwingend recht) De artikelen van deze afdeling zijn in het algemeen van dwingend recht, behalve voor zover daaruit anders voortvloeit. Ofschoon dit met voldoende duidelijkheid uit de formulering van de artikelen van deze afdeling blijkt, is ter vermijding van mogelijk misverstand artikel 831c opgenomen. Afdeling 7 (Omzetting in een naamloze vennootschap) Algemeen Het Nederlandse wetsvoorstel voor de personenvennootschap kent in artikel 7:834 NedBW een soortgelijke regeling voor de omzetting van een openbare vennootschap die rechtspersoon is (OVR) in een BV. Omdat de OVR uitdrukkelijk als rechtspersoon wordt aangemerkt kan een belangrijk kenmerk van die regeling zijn dat de omzetting het bestaan van de rechtspersoon niet beëindigt. Aldus artikel 7:834 lid 6, NedBW. De Nederlandse regeling maakt het verder mogelijk dat een openbare vennootschap die géén rechtspersoon is rechtspersoonlijkheid verkrijgt (artikel 832). Via deze ‘tweetrapsraket’ kan dus volgens het Nederlandse voorstel ook een openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid de status van BV bereiken. De onderhavige voor Suriname voorgestelde regeling (die overeenstemt met de in Curaçao en Aruba voorgestelde) kent naast de ‘gewone’ openbare vennootschap niet de OVR. De Nederlandse regeling kan dus niet zonder meer worden overgenomen. Gekozen is daarom voor een regeling krachtens welke de ‘gewone’ openbare vennootschap zich omzet in een NV. Ook de gewone openbare vennootschap vertoont rechtspersoonlijkheidstrekken, maar een bepaling dat zij rechtspersoon is bevat de Surinaamse regeling niet. In het Surinaams systeem wordt de vraag of, en zo ja in hoeverre, een buiten Boek 2 geregelde rechtsvorm als rechtspersoon heeft te gelden, overgelaten aan de doctrine en uiteindelijk aan de rechter. Vgl. Artikel 2:1 lid 2 en de toelichting daarop. Het bovenstaande brengt mee dat in het onderhavige systeem een bepaling, dat omzetting van een openbare vennootschap in een NV het bestaan van de rechtspersoon niet beëindigt, niet past. In plaats daarvan bepaalt het voorgestelde artikel 834 lid 1, dat de vennootschap door de omzetting wordt ontbonden, dat het vermogen van de vennootschap onder algemene titel overgaat op de nieuwe rechtspersoon (NV) en dat – in afwijking van de normale gang van zaken – vereffening niet plaats vindt.

  3090. Artikel 832 Lid 1 bepaalt dat de openbare vennootschap zich kan omzetten. De commanditaire vennootschap van artikel 836 e.v. is per definitie een openbare vennootschap. De regeling is dus ook van toepassing op de commanditaire vennootschap. Eenvoudigheidshalve blijft overigens de regeling beperkt tot omzetting in een NV. Desgewenst kan echter de aldus in het leven geroepen rechtspersoon, met gebruikmaking van de artikelen 2:300 e.v., zich weer omzetten in weer een andere rechtspersoon, een buitenlandse rechtspersoon daaronder begrepen. Lid 2 bepaalt onder meer dat de uitdrukkelijke instemming van alle vennoten is vereist. Gaat het om een commanditaire vennootschap, dan is dus ook de instemming van alle commanditaire vennoten vereist. Het lijkt wenselijk het besluit en de uitdrukkelijke instemming van alle vennoten schriftelijk vast te leggen, maar de regeling schrijft dat niet voor. Overigens zal, zoals volgt uit lid 3 onder a, in verbinding met artikel 834 lid 2, van die instemming blijken uit de akte van omzetting. Gesproken wordt verder van de vereisten die voortvloeien uit de overeenkomst van vennootschap. De toevoeging ‘die voor ontbinding van de vennootschap daaronder begrepen’ is opgenomen in verband met de eerste volzin van artikel 834 lid 1. Zij is vooral van belang voor het geval dat de overeenkomst voor omzetting geen vereisten bevat, wel echter voor ontbinding. Vgl. Artikel 817 lid 1 onder a. De eerste volzin van lid 3 sluit aan op het bepaalde in artikel 2:300 lid 2, tweede volzin, zij het dat in dit geval de akte van omzetting tevens fungeert als akte van oprichting. Het gegeven dat er mede sprake is van een akte van oprichting brengt mee dat de artikelen 2:2, 2:4 en 2:5 alsmede de artikelen 2:101 en 2:102 rechtstreeks of analogisch van toepassing zijn. Duidelijkheidshalve worden enkele van de daarin vervatte bepalingen in een meer op de omzetting toegespitste terminologie herhaald. Zie 2024 -1139- No. 164 bijvoorbeeld het in lid 3 onder a, gestelde dat aansluit op artikel 2:101 lid 5 en lid 1 van artikel 833, dat aansluit op artikel 2:102, leden 3 en 4. Onder de in het lid 3 onder a, genoemde personen behoren alle besturende vennoten. Het onder b gestelde is ingevoegd voor het daar genoemde geval dat het bestuur van de vennootschap uitsluitend is opgedragen aan een of meer derden. Omzetting van een openbare vennootschap in een NV brengt in beginsel mee – zie echter artikel 834, leden 3 en 4 – dat er geen sprake meer is van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bij de nieuwe rechtspersoon betrokken personen. Toekomstige crediteuren moeten hierop bedacht zijn. Bepaald is daarom dat de instrumenterende notaris zorg draagt dat van de omzetting mededeling wordt gedaan in het blad, waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in een Suriname verschijnend dagblad, zulks onverminderd zijn verplichtingen uit lid 1 van artikel 2:5.

  3091. Artikel 833 Lid 1 sluit aan op artikel 2:102, leden 3 en 4. Lid 2 sluit aan op artikel 2:301 lid 4. Lid 3 is – enigzins vereenvoudigd – ontleend aan artikel 2:300 lid 9.

  3092. Artikel 834 Lid 1 kwam hiervóór, in de inleiding op de onderhavige afdeling 7, al aan de orde. De overgang onder algemene titel brengt in beginsel mee dat de nieuwe rechtspersoon in de plaats treedt van de vennootschap bij alle vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen die op het moment van de omzetting bestonden tussen de vennootschap en derden. Voor andere dan (zuiver) vermogensrechtelijke verhoudingen geldt dit niet zonder meer. Men denke in dit verband aan verhoudingen die mede een publiekrechtelijk karakter hebben (overheidsvergunningen bijvoorbeeld) en procesrechtelijke verhoudingen. Een algemene regel is hiervoor niet te geven. In voorkomende gevallen zullen de betrokkenen daaraan aandacht moeten besteden. Voor contractuele verhoudingen geeft artikel 835 aanvullende regels. Lid 2 regelt het aandeelhouderschap van de ten tijde van de omzetting bestaande vennoten. De bepaling loopt parallel aan de eerste volzin van artikel 2:301 lid 2. Voorafgaand aan het verlijden van de akte van omzetting zullen de betrokkenen het eens moeten worden, niet over de waarde van ieders aandeel in de vennootschap, maar over de onderlinge verhouding. Daarover kan onzekerheid bestaan. De slotzinsnede van het tweede lid bepaalt dat die onderlinge verhouding in de akte van omzetting moet worden vastgesteld. In dit opzicht geldt dus de akte van omzetting mede als een notarieel vastgelegde vaststellingsovereenkomst. Lid 3 beoogt enerzijds het risico te verminderen dat onoplettende relaties van de vroegere openbare vennootschap door de omzetting lopen, anderzijds zo veel mogelijk te voorkomen dat de omzettingsmogelijkheid wordt aangewend om de bestaande onderneming in een weinig kredietwaardige NV voort te zetten. Een termijn van zes maanden moet voldoende worden geacht om de nieuwe crediteuren de gelegenheid te geven zich op de nieuwe situatie te oriënteren. De figuur dat aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van een NV sluit in zoverre aan op het recht van de NV dat daarin de mogelijkheid wordt geopend voor een statutaire regeling in die zin; vgl. artikel 2:102 lid 5. Nu het in casu gaat om een wettelijke aansprakelijkheid is een bepaling in de geest van lid 6 van artikel 2:102 niet nodig. De vervalregeling in de tweede en derde volzin van lid 3 sluit in essentie aan op de regeling van artikel 2:102 lid 7. De aandacht moge ten slotte hebben dat de hier voorgestelde regeling een bepaling als vervat in lid 8 van artikel 2:102 niet kent. Zij die door de omzetting aandeelhouder zijn geworden, blijven dus aansprakelijk volgens lid 3, ook als zij voor het einde van de relevante periode ophouden aandeelhouder te zijn. In lid 4 komt de aansprakelijkheid van de vennoten voor op het tijdstip van de omzetting bestaande schulden aan de orde. Twee categorieën kunnen daarbij worden onderscheiden. In de eerste plaats de vennoten die ingevolge de wet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de op het tijdstip van de omzetting bestaande schulden van de vennootschap, dat wil zeggen: alle gewone vennoten en de commanditaire vennoten die ingevolge artikel 837, lid 2 of lid 3, aansprakelijk zijn geworden. In de tweede plaats degenen die vóór het tijdstip van de omzetting als vennoot uitgetreden zijn. Voor de laatste categorie en hun erfgenamen geldt de verjaringsregeling van artikel 824 lid 1 rechtstreeks. Voor de eerste en hun erfgenamen geldt deze, omdat ingevolge de slotzinsnede van lid 4 vennoten van de eerste categorie voor de toepassing van artikel 824 lid 1, als uitgetreden vennoten worden aangemerkt. 2024 -1140- No. 164

  3093. Artikel 835 Zoals in de toelichting op lid 1 van artikel 834 werd opgemerkt, brengt de overgang onder algemene titel in beginsel mee dat de nieuwe rechtspersoon in de plaats treedt van de vennootschap bij alle vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen tussen de vennootschap en derden die op het moment van de omzetting bestonden. Overeenkomsten zijn daaronder begrepen. Het ongewijzigd voortbestaan van een overeenkomst kan echter voor de wederpartij tot onredelijke gevolgen leiden. Men denke aan een overeenkomst die juist met het oog op de persoon van een of meer vennoten is aangegaan. Te denken is ook aan een overeenkomst die verplicht tot het aangaan van nieuwe overeenkomsten over een aanmerkelijk langere periode dan de in artikel 834 lid 3 genoemde. Gedacht kan ook worden aan het geval dat de omgezette rechtspersoon door de omzetting een noodzakelijke overheidsvergunning verliest of dreigt te verliezen of in een andere procesrechtelijke positie treedt. Men vergelijke het hiervoor bij artikel 834 lid 1 opgemerkte. Artikel 835 beoogt een handvat te bieden om in dit soort situaties tot een redelijke oplossing te komen. De regeling is ontleend aan het voor fusie van rechtspersonen geschreven artikel 2:322. Die regeling is op haar beurt geïnspireerd door de gedachten die ten grondslag liggen aan de regeling voor onvoorziene omstandigheden in artikel 6:258. Afdeling 8 (De commanditaire vennootschap) Algemeen 1. De commanditaire vennootschap is in de opzet van het ontwerp een gekwalificeerde vorm van openbare vennootschap zoals die is aangeduid in artikel 801 lid 2. De aanduiding van de commanditaire vennootschap als gekwalificeerde vorm van een openbare vennootschap brengt tevens mee dat de bepalingen in de voorgaande afdelingen die betrekking hebben op de openbare vennootschap en op de vennootschap in het algemeen, ook op de commanditaire vennootschap van toepassing zijn, behoudens voor zover de in deze afdeling vervatte artikelen 836, 836a en 837 afwijkende voorzieningen behelzen. Zo geldt de in artikel 800 lid 1, gegeven omschrijving ook voor de commanditaire vennootschap. De bepalingen in afdeling 2 betreffende de inbreng (artikel 805) zijn ook van toepassing op de inbreng zijdens de commanditaire vennoot, zij het dat deze steeds geld of (genot van) goederen moet betreffen en niet alleen arbeid (zie het voorgestelde artikel 836 lid 2). Ten aanzien van de inbreng in de vennootschappelijke gemeenschap bij een commanditaire vennootschap zij het volgende opgemerkt. Reeds onder huidig recht wordt aanvaard dat bij een commanditaire vennootschap, ook een met slechts één besturend vennoot, een vennootschappelijke gemeenschap kan worden gevormd tussen de gewone vennoot c.q. vennoten en de commanditair c.q. commanditairen. Zulks wordt immers bepaald door de regels omtrent goederenrechtelijke verkrijging. Artikel 805 lid 3, dat ook voor de commanditaire vennootschap geldt, gaat hiervan uit. Hieruit volgt dat de in artikel 806 vervatte bepalingen omtrent het gebonden karakter van die gevormde gemeenschap en de verhaalsmogelijkheid van zaakcrediteuren op de goederen van die gemeenschap, hier eveneens van toepassing zijn. 2. Tot de vennootschappelijke gemeenschap behorende schulden zijn bij een commanditaire vennootschap schulden die de besturende vennoot namens de commanditaire vennootschap (de gezamenlijke vennoten als zodanig) is aangegaan (of uit een onrechtmatige daad van een besturend vennoot bij het vervullen van zijn bestuurstaak kunnen zijn ontstaan). De opvatting dat de besturende vennoot de commanditaire vennoten nimmer zou kunnen vertegenwoordigen, wordt in dit ontwerp niet gevolgd. De algemene regeling omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van besturende vennoten vervat in artikel 811 geldt ook hier. Zo heeft het bevoegd aangaan van zaakschulden tot gevolg dat de zaakschuldeisers de gemeenschap inclusief het aandeel daarin van de commanditair kunnen uitwinnen, en voorts dat de gewone vennoten hiervoor hoofdelijk verbonden zijn (artikel 837 lid 1). Krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling (eveneens vervat in artikel 837 lid 1) zijn de commanditaire vennoten in persoon echter niet verbonden voor verbintenissen van de vennootschap. Men zou kunnen zeggen dat de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van (mede) de commanditaire vennoot hier haar wettelijke grens heeft en door de wet wordt beperkt. In deze benadering kan de besturend vennoot tijdens het bestaan van een 2024 -1141- No. 164 commanditaire vennootschap mede namens de commanditair een vorderingsrecht verkrijgen dat dan valt in de vennootschappelijke gemeenschap en waarover hij alleen tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap kan beschikken. En ook kan hij namens de commanditaire vennootschap, dus mede namens de commanditair, ten dienste van het vennootschapsdoel door levering aan hem goederen verkrijgen die dan gaan behoren tot de vennootschappelijke gemeenschap, terwijl hij mede namens de commanditair ook goederen behorend tot die gemeenschap kan vervreemden en leveren of bezwaren. De mogelijke vertegenwoordiging van de commanditair kan zich hier dus ook uitstrekken tot goederenrechtelijke handelingen, waarbij echter dient te worden gelet op het hier ook van toepassing zijnde artikel 810: dat voor ingrijpende, niet onder de normale exploitatie vallende beschikkingshandelingen voor rekening van de vennootschap mede de instemming is vereist van de commanditair, tenzij bij of krachtens de overeenkomst anders is bepaald. In dit stelsel worden de complicaties vermeden van cessie, doorlevering en teruglevering aan en door de commanditaire vennoot, die voortvloeien uit de visie dat de besturend vennoot de commanditair nimmer zou kunnen vertegenwoordigen. 3. Ten aanzien van artikel 809 lid 1 (iedere vennoot is, tenzij anders is bedongen, besturend vennoot), zij nog opgemerkt dat artikel 836 lid 2, een afwijking hiervan behelst door een bepaling die erop neerkomt dat een commanditaire vennoot geen besturend vennoot kan zijn. Zie ook hierna de toelichting op dit artikel. 4. Ook afdeling 4 betreffende het voeren van administratie, en winst en verlies, is in beginsel op de commanditaire vennootschap van toepassing. Wel behelst artikel 836a een dwingendrechtelijke afwijking of beperking van artikel 815, leden 1 en 3 (en ook van artikel 816 lid 2): bepaald is immers dat de commanditair nimmer gehouden is in het verlies der vennootschap meer bij te dragen dan het bedrag van hetgeen hij heeft ingebracht of verplicht is in te brengen. Dit betekent ook dat hij nimmer tot teruggave van eenmaal door hem genoten winsten verplicht is. Geoorloofd is echter een contractuele regeling waardoor de commanditair in het geheel niet in de verliezen bijdraagt; niet echter een beding dat hij niet in de winst zal delen (artikel 815 lid 4). Ook de commanditair zal met inachtneming van artikel 815 lid 5, een bepaalde rente over zijn inbreng kunnen bedingen. 5. De bepalingen omtrent ontbinding en voortzetting van de vennootschap opgenomen in afdeling 5, gelden eveneens voor de commanditaire vennootschap. De volgende punten verdienen daarbij aandacht. Onder omstandigheden kan het antwoord op de vragen of er een gewichtige reden tot rechterlijke ontbinding is (artikel 810) en of een opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid is geschied (artikel 819), mede beïnvloed worden door het gegeven dat de ontbinding of de opzegging een commanditaire vennoot betreft. Waar sprake is van betaling aan de uittredende vennoot van een bedrag dat gelijk is aan de waarde van diens economische deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap (artikel 821 lid 2 en artikel 823 lid 4) bedenke men dat ook de commanditair bij zijn inbreng, tenzij anders overeengekomen, zijn recht op de vermogenswaarde daarvan houdt; hij wordt voor dit bedrag gecrediteerd op zijn kapitaalrekening. Ook zijn economische deelgerechtigdheid, zie over dit begrip hierboven ad artikel 821, wordt indien hierover niets in de overeenkomst is geregeld, bepaald enerzijds door zijn inbreng en anderzijds door de grondslag waarop hij deelt in de winsten en verliezen waarbij echter ten aanzien van dit laatste als grens geldt het bedrag van zijn (verplichte) inbreng. Die grens geldt natuurlijk ook bij de toepassing van de laatste volzin van lid 2 van artikel 821 waarover hierboven ad artikel 821: dat bij een negatieve waarde van de economische deelgerechtigdheid, dus bij een economische deelverschuldigdheid, de uitgetreden vennoot, in casu de commanditair, gehouden is die negatieve waarde aan de vennootschap te vergoeden. Omdat de commanditaire vennoot niet is verbonden voor verbintenissen van de vennootschap, heeft artikel 824 voor hem in beginsel geen betekenis. 6. Het is mogelijk bij de vennootschapsovereenkomst te bepalen dat erfgenamen of een erfgenaam commanditaire vennoten zullen zijn. Zie hierboven ad artikel 822. Ook toetreding of opvolging door een commanditaire vennoot (artikel 823) bij een openbare vennootschap is mogelijk. De vennootschap wordt een commanditaire vennootschap en de regels van de onderhavige afdeling worden dan mede van toepassing. In haar identiteit komt geen wijziging. Partijen bij een openbare 2024 -1142- No. 164 vennootschap kunnen ook met ieders instemming (tenzij de overeenkomst op dit punt een nadere regeling behelst) een gewone vennoot tot commanditair maken en omgekeerd een commanditaire vennoot tot gewone vennoot. De vormen van openbare vennootschap en commanditaire vennootschap zijn verwisselbaar. Wordt echter een vennoot commanditair, dan is hij tegenover derden niet aanstonds ontheven van zijn verbondenheid voor de verbintenissen van de vennootschap die op dat moment bestaan. Artikel 837 lid 1, waarover hierna, verklaart voor die situatie artikel 824 lid 1, (korte verjaringstermijn van 5 jaar) van overeenkomstige toepassing. 7. Ook de bepalingen omtrent vereffening en verdeling (afdeling 6) zijn van toepassing op de ontbonden commanditaire vennootschap. Met het volgende moet echter rekening worden gehouden. In de eerste plaats heeft artikel 829 voor de commanditaire vennoot geen betekenis.

  3094. Artikel 837 lid 1, behelst een afwijking van artikel 813; commanditaire vennoten zijn niet verbonden voor verbintenissen van de vennootschap, ook niet wanneer deze zijn ontstaan door het handelen van vereffenaars. Voorts moet bij de vereffening en verdeling ingevolge artikel 830 rekening worden gehouden met de bijzondere positie van de commanditaire vennoot. In geval van een overschot na voldoening van de zaakschuldeisers heeft deze evenals de gewone vennoot, tenzij bij de overeenkomst van vennootschap anders is voorzien, aanspraak op de waarde van het bedrag van zijn inbreng (artikel 830 lid 8) vermeerderd met een deel van het overblijvende (nadat alle kapitaalrekeningen van de vennoten zijn voldaan) naar evenredigheid van zijn winstaandeel (artikel 830 lid 9). In het geval van een tekort na voldoening van de zaakschuldeisers geldt de algemeen geldende regel dat tenzij anders overeengekomen, de commanditaire vennoot aanspraak heeft op de terugbetaling van het bedrag van zijn inbreng voor zover dit niet door zijn aandeel in het verlies is opgeteerd (HR 24-1-1947, NJ 1947, 71). 8. Ook hier geldt dat het aandeel van een insolvente vennoot in het verlies moet worden omgeslagen over de overige vennoten in verhouding tot hun draagplicht in het verlies. Maar ingevolge het voorziene artikel 836a dat bij de toepassing van lid 10 van artikel 830 in aanmerking moet worden genomen, is de commanditaire vennoot nimmer gehouden tot het verlies meer bij te dragen dan het bedrag van de inbreng waartoe hij is verplicht. Het meerdere verlies wordt gedragen door de gewone vennoten telkens naar evenredigheid van hun aandeel in het verlies. De zojuist aangeduide regel van artikel 836a zal ook in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van artikel 830 lid 2, (storting in de liquidatiekas naar evenredigheid van het verliesaandeel). Bij de bepaling van de economische deelgerechtigdheid van de commanditaire vennoot wordt ervan uitgegaan dat eerst de schuldeisers van de vennootschap zijn voldaan (artikel 830 lid 3). Het op grond van die deelgerechtigdheid aan hem uitgekeerde kan niet door de vennootschap worden teruggevorderd; hij is niet meer jegens de vennootschap aansprakelijk voor haar schulden. Zie HR 8-5-1998, NJ 1998, 888.

  3095. Artikel 836 (omschrijving commanditaire vennootschap) 1. De omschrijving van de commanditaire vennootschap in lid 1 is hierboven, onder Algemeen bij deze afdeling, reeds toegelicht. In de omschrijving is opgenomen dat de commanditaire (openbare) vennootschap als zodanig optreedt. Zij dient derhalve, mede gelet op artikel 801 lid 2, als zodanig op een voor derden duidelijk kenbare wijze naar buiten op te treden onder een door haar als commanditaire vennootschap gevoerde naam. Zie in dit verband voor het huidige recht ook HR 4- 1-1937, NJ 1937, 586, waarin gesproken wordt van de naam waaronder wordt gehandeld en waaruit het bestaan van een commanditaire vennootschap blijkt, en HR 3-2-1956, NJ 1960, 120 waarin wordt gewaagd van een als zodanig naar buiten optredende commanditaire vennootschap. 2. Naast een of meer gewone vennoten moeten er een of meer commanditaire vennoten zijn; zie voor de omschrijving van de commanditaire vennoot lid 2 van dit artikel. Zijn er meerdere gewone vennoten, dan geldt ten aanzien van de vraag wie van hen besturende vennoten zijn: lid 1 van 809 (ieder van hen tenzij bij of krachtens overeenkomst anders is bepaald). Is er slechts één gewone vennoot dan zal deze in de regel besturend vennoot zijn. Er moet steeds een voor het geheel van de verbintenissen van de vennootschap verbonden gewone vennoot aanwezig zijn. De gewone 2024 -1143- No. 164 vennoten zijn ook als zij geen besturende vennoten zijn, ingevolge artikel 837, eerste lid, hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. Zie reeds HR 6-5-1966, NJ 1966, 287. 3. Wil een vennoot commanditaire vennoot zijn, als zodanig worden gekwalificeerd, dan blijkens lid 2 zijn voldaan aan twee in cumulatieve zin op te vatten elementen. Hij moet uitgesloten zijn van de bevoegdheid om rechtshandelingen voor rekening van de vennootschap te verrichten. Dit komt er in het licht van artikel 810 op neer dat hij geen besturend vennoot kan zijn. In deze bepaling is immers voorzien dat alleen een besturend vennoot dergelijke handelingen kan verrichten. Voorts is als element opgenomen dat de commanditair niet uitsluitend arbeid mag inbrengen. Dit is een afwijking van artikel 805 lid 1 en wordt reeds naar huidig recht aanvaard. De commanditaire vennoot mag wel alleen geld inbrengen. 4. Deze elementen hoeven niet noodzakelijk met zoveel woorden in de vennootschapsovereenkomst te worden genoemd. Het gebruik van de term commanditaire vennoot geeft in de regel aan dat deze elementen aanwezig zijn. Blijkt echter uit die overeenkomst dat een als commanditair aangeduide vennoot wél rechtshandelingen voor rekening van de vennootschap kan verrichten of uitsluitend arbeid inbrengt, dan is deze geen commanditaire doch gewone vennoot met de daaraan verbonden hoofdelijke verbondenheid voor de verbintenissen van de vennootschap (artikel 837 lid 1). Blijven er in zo’n geval geen commanditaire vennoten over, dan is er sprake van een openbare vennootschap waarvan hij vennoot is en waarvoor artikel 813 geldt. 5. Het geval dat een als commanditair geldende vennoot zelf in naam van de vennootschap optreedt of op zulk een optreden door de besturende vennoten beslissende invloed uitoefent, wordt geregeld in artikel 837 lid 2, dat voor deze situatie een civiele sanctie behelst. Zie hierna de toelichting op deze bepaling. 6. Voor het element dat de commanditaire vennoot in het verlies niet verder moet delen dan tot het bedrag van hetgeen hij heeft ingebracht of verplicht is in te brengen – met een andere sanctie – zie artikel 836a. 7. Niet is overgenomen de Nederlandse bepaling, dat de commanditaire vennootschap geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft. In Nederland heeft de bepaling enige zin, omdat een EG-richtlijn de Europese kapitaalbeschermingsvoorschriften mede toepasselijk verklaart op de commanditaire vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Door invoeging van deze bepaling wordt voorkomen dat in Nederland daarmee rekening moet worden gehouden. De Europese richtlijn geldt in Suriname niet. Bovendien is de bepaling verwarrend, omdat het Surinaamse Boek 2 het begrip ‘kapitaal’ niet kent (anders dan in de woordcombinatie ‘nominaal kapitaal’.

  3096. Artikel 836a (beperkt delen in verlies) De commanditair moet in het verlies niet verder delen dan tot het bedrag van hetgeen hij heeft ingebracht of verplicht is in te brengen. Dit element is hierboven, onder Algemeen bij deze afdeling, reeds meerdere malen ter sprake gekomen. De terminologie ‘niet verder behoeft te delen’ enz. sluit aan bij die welke is gebezigd in artikel 815 lid 1. Een met dit artikel strijdig beding leidt niet, zoals in artikel 836 lid 2, ertoe dat de commanditaire vennoot een gewoon hoofdelijk verbonden vennoot is, maar leidt tot aantastbaarheid van het beding.

  3097. Artikel 836b (gegevens commanditaire vennoten) Deze bepaling maakt het voor de justitiële en fiscale autoriteiten gemakkelijker inlichtingen te verkrijgen. De Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) pleegt dit soort bepalingen te verlangen van aangesloten landen. Vergelijk artikel 3:137a wat betreft de trust. Een strafsanctie is opgenomen in artikel 511 Wetboek van Strafrecht (nieuw).

  3098. Artikel 837 (aansprakelijkheid) 1. De eerste volzin van lid 1 is hierboven, onder Algemeen bij deze afdeling en bij artikel 836, reeds herhaaldelijk ter sprake gekomen. Het voornaamste gevolg van het zijn van commanditaire vennoot is dat deze niet verbonden is voor verbintenissen van de vennootschap. Dat deze bepaling bij een commanditaire vennootschap een beperking behelst van de bevoegdheid van de besturende 2024 -1144- No. 164 vennoten om (mede) de commanditaire vennoot te vertegenwoordigen, is hierboven, onder Algemeen bij deze afdeling, toegelicht. De hoofdelijke verbondenheid voor de verbintenissen van de vennootschap van de gewone vennoten correspondeert met die welke is neergelegd in artikel 813 lid 1. Voor de gewone vennoten geldt ingevolge de tweede volzin van lid 1 van het onderhavige artikel 837 ook hetgeen in artikel 813 lid 2 is bepaald voor het geval de commanditaire vennootschap een opdracht heeft ontvangen. Voor alle duidelijkheid is een en ander hier uitdrukkelijk bepaald. 2. Zoals hierboven, onder Algemeen bij deze afdeling, is aangegeven, kan een openbare vennootschap commanditaire vennootschap worden. Wordt een vennoot van die openbare vennootschap daarbij commanditair, dan is hij tegenover derden niet aanstonds ontheven van zijn verbondenheid voor de verbintenissen van de vennootschap die op dat moment bestaan. Hetzelfde geldt indien bij een bestaande commanditaire vennootschap een gewone vennoot commanditair wordt. De derde volzin van het eerste lid bepaalt voor deze situaties dat artikel 824 lid 1, van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat de rechtsvorderingen tegen hem of zijn erfgenamen tot nakoming van ten tijde van het commanditair worden bestaande verbintenissen van de openbare vennootschap verjaren door verloop van vijf jaar nadat in het handelsregister de verandering van zijn status (door opgave van de commanditaire vennootschap of door doorhaling als gewoon vennoot) is ingeschreven. 3. Dat de commanditaire vennoot niet verbonden is voor verbintenissen van de vennootschap, hangt ten nauwste samen met de omstandigheid dat hij niet besturend vennoot kan zijn, zie hierboven ad artikel 836, en derhalve ook niet als besturend vennoot ingevolge artikel 811 bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. Daarom wilde de wetgever vanouds voorkomen enerzijds dat bij derden toch de indruk postvat dat de commanditair in werkelijkheid besturend vennoot zou zijn en anderzijds dat deze in staat zou zijn om zonder eigen persoonlijke verbondenheid de commanditaire vennootschap eventuele gewaagde handelingen in het rechtsverkeer te laten verrichten. Deze ratio geldt nog steeds. 4. Lid 2 van het onderhavig artikel 837 sanctioneert in de eerste plaats het handelen van een commanditaire vennoot al dan niet krachtens volmacht in naam van de vennootschap. Dit is in overeenstemming met hetgeen naar huidig recht algemeen wordt aanvaard. Ook indien de commanditair krachtens algemene of bijzondere volmacht van de besturende vennoten namens de vennootschap optreedt, dient de hierna nog te bespreken sanctie in te treden. Onduidelijkheid omtrent diens rechtspositie wordt door een zodanig optreden immers bevorderd. 5. In de tweede plaats sanctioneert de bepaling de situatie dat een commanditair door zijn handelen een beslissende invloed uitoefent op het optreden door de besturende vennoten namens de vennootschap. Dit sluit aan bij het tweede element van de hierboven aangeduide ratio van een regeling als hier bedoeld. Gedoeld wordt op de (misbruik-)situatie dat de positie van de besturende vennoten wordt uitgehold tot die van stromannen die bij hun optreden naar buiten volledig naar het pijpen moeten dansen van de commanditair(en). Die beslissende invloed op het (actieve) optreden van de besturende vennoten zal moeten worden gesteld en aannemelijk gemaakt. Zo zal van een dergelijke invloed sprake zijn in de situatie dat een commanditair tevens directeur-enig- aandeelhouder is van de NV die optreedt als besturend vennoot. 6. Dit betekent echter geenszins dat de commanditair geen medezeggenschap zou kunnen doen gelden in de vennootschap. Zo zal, tenzij anders is overeengekomen, ingevolge artikel 810 zijn instemming benodigd zijn voor ingrijpende, niet onder de normale exploitatie vallende beschikkingshandelingen voor rekening van de vennootschap. Zo kan ook worden overeengekomen dat de commanditair toezicht zal hebben op het bestuur en dat hij voor bepaalde categorieën van ingrijpende externe handelingen van de besturende vennoten zijn goedkeuring of instemming moet geven. In dergelijke gevallen kan hij zulk een handeling beletten doch de besturende vennoten niet tot zulk een handeling noodzaken; hij heeft dan geen beslissende invloed op het actief en extern (in naam van de vennootschap) optreden van de besturende vennoten. 2024 -1145- No. 164 7. Als sanctie bepaalt het onderhavig3 lid 2: tegenover derden is de commanditair alleen hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap die ten tijde van zijn handelen of daarna zijn ontstaan en niet ook voor dergelijke verbintenissen die vóórdien zijn ontstaan. Omdat er gevallen zijn dat een handelen van de commanditair in naam van de vennootschap onder omstandigheden zeer weinig impact heeft of positief te waarderen valt omdat in het belang van de vennootschap niet langer met zodanig handelen kon worden gewacht, is aan de bepaling toegevoegd dat de bedoelde verbondenheid er niet of niet ten volle is indien zijn handelen een dergelijke verbondenheid niet rechtvaardigt. Door deze toevoeging wordt aan de rechter de mogelijkheid geboden de sanctiebepaling onder bijzondere omstandigheden buiten toepassing te laten of de toepassing ervan te verzachten. 8. Bij een onbevoegd optreden van de commanditair zal naast de onderhavige sanctiebepaling voorts op hem van toepassing zijn artikel 3:70, in verbinding met artikel 3:79; hij staat jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van zijn volmacht c.q. vertegenwoordigingsbevoegdheid. Intussen betekent het van toepassing worden van de onderhavige sanctie niet dat er daarmee wijziging komt in de interne rechtspositie van de commanditaire vennoot. Evenals naar huidig recht wordt zijn positie tot de overige vennoten van de vennootschap hierdoor niet gewijzigd. Zijn draagplicht blijft beperkt tot het bedrag van zijn verplichte inbreng. Ter zake van hetgeen hij op grond van de onderhavige bepaling betaalt aan derden-crediteuren voor vennootschapsschulden, kan hij met inachtneming van deze draagplicht regres zoeken op zijn medevennoten. 9. Aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot bestaat ingevolge lid 3 ook indien zijn naam in de naam van de vennootschap is opgenomen. De opneming van zijn naam kan bij derden de schijn wekken dat de commanditaire vennoot gewoon vennoot is. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt indien een vennoot commanditaire vennoot wordt. Afweging van de belangen van de vennoten en de derden doet deze uitzondering wenselijk zijn. Voor de vennootschap kan het van groot belang zijn dat de naam van de vennootschap – waaraan een belangrijke goodwill kan zijn verbonden – behouden mag worden. Deze uitzondering geldt niet alleen wanneer in een bestaande commanditaire vennootschap een gewone vennoot tot commanditair wordt, maar ook wanneer, zie hierboven onder Algemeen bij deze afdeling, een openbare vennootschap met behoud van haar identiteit commanditaire vennootschap wordt. De aan overtreding van deze bepaling sanctie wordt echter ook hier aanmerkelijk verlicht. Er is alleen hoofdelijke verbondenheid voor de verbintenissen van de vennootschap ontstaan terwijl de vennootschap deze naam voert, en niet ook voor verbintenissen ontstaan vóórdat de vennootschap deze naam is gaan voeren. TITEL 14 - BORGTOCHT De voorgestelde titel vervangt de huidige Zeventiende Titel van het Derde Boek van het BW. Het ontwerp behelst een aantal principiële verschillen met de huidige regeling, mede op grond van de ontwikkeling in de praktijk. Behouden blijft het accessoire karakter van de borgtocht, het vereiste dat zij met het bestaan van een verbintenis van een ander is verbonden: de borg verplicht zich tot nakoming van een verbintenis die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen (artikel 850 lid 1). Daarin onderscheidt zij zich van de garantie dat een ander een prestatie zal leveren, waartoe deze niet is verplicht. Ook de zgn. bankgarantie valt niet onder de regeling van het ontwerp, in zoverre zij de bank verplicht tot betaling onafhankelijk van de rechtsverhouding tussen de hoofdschuldenaar en de schuldeiser; wel geldt artikel 864 mede voor de opdracht die ‘een particulier’ tot het stellen van zulk een garantie geeft. Het accessoire karakter blijkt uit de artikelen 851 en 852, en ook 860, en voorts uit artikel 6:142, waarin de rechten uit borgtocht worden genoemd als een nevenrecht dat met de (hoofd)vordering op de nieuwe schuldeiser mee overgaat; evenals pand en hypotheek vormen deze rechten dan tevens een afhankelijk recht. 2024 -1146- No. 164 Het subsidiaire karakter dat de borgtocht vanouds heeft gehad, wordt in het ontwerp teruggedrongen in overeenstemming met de praktijk, waarin het zich stellen als ‘borg en hoofdelijk schuldenaar’ gebruikelijk is geworden en een beroep op het voorrecht van uitwinning contractueel pleegt te worden uitgesloten. Wat van het subsidiaire karakter is gehandhaafd, wordt in de artikelen 855 en 856 geregeld. Volgens het ontwerp zijn op de borgtochtverhouding in beginsel de bepalingen omtrent hoofdelijkheid volgens afdeling 6.1.2 van toepassing; als gevolg daarvan vervalt tevens als wettelijke regel het voorrecht van schuldsplitsing, waarvan in de praktijk trouwens toch al afstand pleegt te worden gedaan. In het systeem van het ontwerp zijn voorts van belang de bijzondere bepalingen van de tweede afdeling, inzake de zgn. particuliere borgtocht die de borg die zich buiten de sfeer van de uitoefening van een beroep of bedrijf verbindt, extra bescherming - mede tegen eigen lichtvaardigheid - verlenen; zo bepaalt artikel 862 dat van een belangrijk aantal wettelijke regels omtrent de borgtocht niet ten nadele van de particuliere borg kan worden afgeweken. Afdeling 7.14.1 - Algemene bepalingen Zie voor artikel 850 lid 1, de algemene opmerkingen bij deze titel. In beginsel verplicht de borg zich tot nakoming van dezelfde verbintenis als de hoofdschuldenaar. In de regel is dit betaling van een geldsom, maar een andersoortige verbintenis is evenzeer mogelijk - zie HR 13-1-1961, NJ 1961, 364, inzake het verrichten van reparaties; artikel 854 interpreteert borgtocht voor zulk een verbintenis echter als regel als borgtocht voor schadevergoeding wegens niet-nakoming. Borgtocht kan mede voor voorwaardelijke en natuurlijke verbintenissen worden gesteld; in het laatste geval vindt dan versterking plaats, doch blijft omzetting in een ‘gewone’ verbintenis achterwege, dan ontbreekt het de borg aan verhaal op de schuldenaar; zie artikel 152 van de Faillissementswet voor de aansprakelijkheid van de borg na homologatie van een faillissementsakkoord. Dat ook voor toekomstige verbintenissen borgtocht mogelijk is, blijkt uit de tekst; men denke aan krediet- en bankborgtocht; zie verder de artikelen 851 lid 2 en 861. Zie voorts de algemene opmerkingen bij deze titel.

  3099. Artikel 851 lid 1 verwoordt het afhankelijk, accessoir, karakter van de borgtocht. Is de onderliggende overeenkomst nietig of gaat ze teniet, dan volgt de borgtocht dit lot. Wel kan de borg zich, behalve uit borgtocht, verbinden tot een garantie dat hij zal presteren, ook indien de onderliggende overeenkomst bijvoorbeeld wegens onbekwaamheid van de hoofdschuldenaar wordt vernietigd. Gaat de vordering op de hoofdschuldenaar over op een ander, dan gaat in beginsel de vordering uit borgtocht mee op die ander over. Krediet- en bankborgtocht zullen echter evenmin als krediet- en bankhypotheek en -pand, altijd mee overgaan met de vordering van de kredietgever - zie HR 16-9-1988, NJ 1989, 10, vermeld onder de algemene opmerkingen in de memorie van toelichting op titel 3.9. Zie voor verjaring van de rechtsvordering uit de hoofdschuld artikel 853. Een tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar gewezen vonnis stelt het bestaan van de hoofdschuld tegenover de borg niet bindend vast, daar hij geen partij was in het geding, maar wel kan zo'n vonnis invloed hebben op een geding tussen schuldeiser en borg; deze laatste kan wel materiaal aanvoeren om de rechter ervan te weerhouden waarde te hechten aan hetgeen in het eerste geding is voorgevallen en eventueel tegenbewijs te leveren (HR 1-12-1939, NJ 1940, 445). Hoewel een toekomstige hoofdschuld nog niet bestaat, is het wel mogelijk zich daarvoor borg te stellen, aldus lid 2 - deze bestaat dan onder de voorwaarde van het ontstaan van de hoofdschuld. De eis van bepaalbaarheid is dezelfde als die van artikel 3:84 lid 2 voor overdracht geldt; identificatie moet mogelijk zijn op het tijdstip waarop de borg wordt aangesproken. Zie verder artikel 861.

  3100. Artikel 852 lid 1, werkt het element der afhankelijkheid uit voor verweermiddelen omtrent het bestaan, de inhoud en het tijdstip van nakoming van de hoofdschuld. Anders dan aan een hoofdelijk medeschuldenaar komen deze verweermiddelen de borg wel toe. 2024 -1147- No. 164 Van het verweer dat de hoofdschuldenaar zelf niet in rechte kan worden aangesproken, kan de borg - behalve in geval de vordering nog niet opeisbaar is - niet profiteren: de borgtocht wordt juist mede met het oog op zulke gevallen, zoals surséance van betaling, gegeven; een uitzondering vormt artikel 853 voor verjaring. De leden 2 en 3 geven de borg een eigen opschortingsrecht in gevallen waarin de hoofdschuldenaar bevoegdheden ten dienste staan om een vordering tot nakoming af te weren. Ingevolge artikel 862 is artikel 852 van dwingend recht ten gunste van de particuliere borg. Verjaring van de hoofdschuld doet deze niet vervallen, maar heeft wel tot gevolg dat nakoming niet meer kan worden gevorderd. Artikel 853 geeft dit voor de borg een sterker effect: de borgtocht zelf gaat teniet; vgl. artikel 3:323 voor pand en hypotheek. Ten nadele van de particuliere borg kan van deze regel niet worden afgeweken (artikel 862). Zie voor artikel 854 de opmerkingen bij artikel 850. De artikelen 855 en 856 betreffen het subsidiaire karakter van de borgtocht. Beide artikelen zijn ten gunste van de particuliere borg van dwingend recht.

  3101. Artikel 855 lid 1, doet het subsidiaire karakter uitkomen in de bepaling dat de vordering op de borg pas opeisbaar wordt vanaf het tijdstip waarop de hoofdschuldenaar - al dan niet toerekenbaar - in de nakoming van diens verbintenis is tekortgeschoten; zie afdeling 6.1.9 met de toelichting daarop. Stelt de schuldeiser voor het constateren van verzuim de hoofdschuldenaar in gebreke, dan moet hij dat de borg, op straffe van schadevergoeding, meedelen, aldus lid 2. De hoofdregel van artikel 856 lid 1 maakt inbreuk op de subsidiariteit van de borgtocht, maar komt overeen met hetgeen geldt voor hoofdelijke schuldenaren, die tegenover de schuldeiser slechts door artikel 6:9 met elkaar zijn verbonden: de borg is niet aansprakelijk voor de wettelijke rente die de hoofdschuldenaar verbeurt. De uitzondering aan het slot van lid 1 - die, in afwijking van de regels der hoofdelijkheid, de borg medeaansprakelijk stelt voor door de hoofdschuldenaar verbeurde vergoeding voor vertragingsschade - betreft wettelijke rente over door de hoofdschuldenaar verschuldigde en opeisbare schadevergoeding wegens onrechtmatige daad of wanprestatie. De uitzondering geldt, indien de borg zich juist of mede voor de nakoming van zulk een schuld uit wanprestatie of onrechtmatige daad van de hoofdschuldenaar aansprakelijk heeft gesteld; krachtens artikel 6:83, onderdeel b, treedt de verplichting tot betaling van de wettelijke rente zonder ingebrekestelling in. Lid 2 stelt de borg voor de kosten van rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar slechts aansprakelijk, indien hij - door mededeling - tijdig in de gelegenheid is gesteld die kosten te voorkomen. Afdeling 7.14.2 - Borgtocht, aangegaan buiten beroep of bedrijf Borgtocht, als vorm van persoonlijke zekerheidsstelling, wordt veelal gemotiveerd door zakelijke overwegingen. Zo zal zij deel uitmaken van het bedrijf van kredietinstellingen, maar ook kan bijvoorbeeld een moedervennootschap zich borg stellen voor schulden van haar dochter. Ook wordt borgtocht dikwijls verlangd van directeuren-grootaandeelhouders ten behoeve van de door hen gedreven familie- vennootschap. Anderzijds komt borgtocht ten behoeve van naaste familieleden voor. De emotionele verhouding tussen borg en hoofdschuldenaar schept dan in het bijzonder het gevaar dat de borg, die veelal niet deskundig is, de gevaren van de borgstelling onderschat. De bestaande regeling van de borgtocht, als vorm van persoonlijke zekerheidsstelling, verbindt geen gevolgen aan dit onderscheid in motieven en de daaruit voortvloeiende risico's. Zulk een onderscheid maakt wel HR 1-6-1990, NJ 1991, 759, ter zake van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen ter voorkoming van dwaling bij de ‘particuliere borg’. Zie voor het onderscheid in verband met de ‘gezinsbescherming’ van de borg ook artikel 1:88. 2024 -1148- No. 164 In het ontwerp worden ter bescherming van de particuliere borg bijzondere bepalingen voorgesteld in afdeling 7.14.2, ten dele door extra regels, ten dele door afwijking van deze regels en van een aantal van die uit afdeling 7.14.1 ten nadele van de particuliere borg niet of slechts of onder bijzondere voorwaarden toe te laten. De omschrijving de ‘particuliere borg’ in artikel 857 is afgestemd op artikel 1:88. Ze sluit uit de hierboven bedoelde zakelijke borgtocht. Of de borgtocht al dan niet wordt gegeven ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf der vennootschap, moet worden beoordeeld naar de strekking der overeenkomst op het tijdstip waarop zij wordt gesloten. De particuliere borg wordt in artikel 858 beschermd door het vereiste dat zijn aansprakelijkheid wordt beperkt tot een bepaald bedrag, hetzij doordat de schuld waarvoor hij zich heeft borg gesteld, naar bedrag vaststaat, hetzij doordat een maximum is overeengekomen - vgl. artikel 3:260 lid 1, voor hypotheek, al strekt dat voorschrift (mede) ter bescherming van derden-verkrijgers. ‘Onbepaalde borgtocht’ - thans in artikel 1844 als mogelijkheid verondersteld - mist geldigheid tegenover de particuliere borg. Onder het maximum vallen niet de bedragen voor rente en kosten, die de borg immers zelf in de hand heeft.

  3102. Artikel 859 behelst bewijsvoorschriften voor de borgtocht zelf (leden 1 en 2) en voor de voorovereenkomst daartoe (lid 3). De akte is niet een constitutief vereiste - het ontbreken ervan maakt de borgtocht niet ongeldig.

  3103. Artikel 860

  3104. Artikel 1841 lid 1, bepaalt thans voor iedere borgtocht dat de borg zich niet voor meerdere, noch onder meer bezwarende voorwaarden kan verbinden dan waartoe de hoofdschuldenaar verbonden is, een bepaling die kennelijk uit het accessoire karakter van de borgtocht is afgeleid. Verbindt de borg zich tot meer, dan kan dit onder omstandigheden worden uitgelegd als een garantie naast de borgtocht (zie de toelichting bij artikel 851). Borgtocht onder meer bezwarende voorwaarden wordt alleen voor de particuliere borg met dwingendrechtelijk karakter afgewezen. Daaronder vallen, onder voorbehoud van artikel 6:236, onderdeel k, niet voorwaarden waarop tegenover de borg het bewijs van bestaan en omvang van de verbintenis van de hoofdschuldenaar kan worden geleverd, zulks in overeenstemming met HR 21-2-1913, 577 (aanvaarding van hetgeen de boeken van de schuldeiser uitwijzen als bewijs voor de omvang van de schuld). Wél meer bezwarend is bijvoorbeeld het beding dat de borg geen beroep kan doen op een voor de hoofdschuldenaar geldende opschortende termijn, niet dat de borg geen beroep kan doen op de hoofdschuldenaar toekomende, ‘persoonlijke verweren’, zoals overmacht, surséance van betaling, een verleende terme de grâce - vgl. artikel 852 lid 1. Zie over de mogelijkheid tot het aangaan van borgtocht voor toekomstige verbintenissen in het algemeen artikel 851 lid 2. Zulk een borgtocht brengt extra gevaren voor de borg mee, omdat de toekomst moeilijk geheel te overzien is. Het ontwerp beoogt de particuliere borg tegen deze gevaren bescherming te verlenen door in artikel 861 een bevoegdheid tot opzegging (lid 1) ex nunc (lid 2), en door de aansprakelijkheid van de borg te beperken, in gevallen waarin de schuldeiser zelf onvoldoende zorg heeft betracht (leden 3 en 4). Bij deze laatste denke men in het bijzonder aan borgtocht voor een, door een bank, verleend krediet. Verwacht mag worden dat de bank dan de vinger aan de pols van de hoofdschuldenaar houdt, zodat ze niet door onvoldoende toezicht te houden schade lijdt (lid 3), of doorgaat met onverplichte voortzetting van kredietverlening in het vertrouwen dat de borg wel zal betalen, terwijl ze behoort te beseffen dat de financiële toestand van de hoofdschuldenaar wankel is (lid 4). Vgl. voor de rol die de ‘goede trouw’ al in het huidige recht speelt HR 7-5-1982, NJ 1983, 493, inzake Bonaire Beach Resort N.V. Als een aan het slot van lid 4 bedoelde handeling die geen uitstel kan lijden, kan bijvoorbeeld worden beschouwd een krediet waaraan de hoofdschuldenaar behoefte heeft om het salaris van zijn personeel te betalen. 2024 -1149- No. 164

  3105. Artikel 862 noemt de bepalingen waarvan niet ten nadele van de particuliere borg kan worden afgeweken; zie ook artikel 863, waarin de bepalingen van afdeling 7.14.2, inclusief artikel 862, van overeenkomstige toepassing worden verklaard, en artikel 864 lid 2. De sanctie is een, aan de particuliere borg toekomende, bevoegdheid tot vernietiging (artikel 3:40 lid 2). Volgens de omschrijving van artikel 850 lid 1, is voor borgtocht kenmerkend dat de borg zich verbindt tot nakoming van dezelfde verbintenis als de hoofdschuldenaar. Artikel 854 maakt hierop tot op zekere hoogte inbreuk, maar koppelt de verbintenis van de borg toch aan die tot schadevergoeding waartoe de hoofdschuldenaar bij niet-nakoming gehouden zou zijn. Denkbaar is echter dat iemand zich niet als borg verbindt, maar zich met een andersoortige prestatie garant stelt. Die persoon loopt dezelfde risico's als de borg en, als hij dat buiten de sfeer van beroep en bedrijf doet, verdient hij gelijke bescherming als de particuliere borg. Met het oog op deze situatie is artikel 863 geschreven. Onder de bepaling valt niet elke garantie-overeenkomst: vereist is dat de garantie wordt gegeven voor de nakoming van een verbintenis die de hoofdschuldenaar op zich heeft genomen. Verbindt iemand zich tot een prestatie, indien een ander iets onverplicht zal doen of nalaten, dan mag er een zekere gelijkenis met de borgtocht bestaan, algemene analogische toepassing van de borgtochtbepalingen is dan niet goed mogelijk, omdat deze afhankelijkheid van een hoofdverbintenis veronderstellen.

  3106. Artikel 864 strekt de bescherming van afdeling 7.14.2 uit tot een andere soort overeenkomst, namelijk tot de opdracht die een ‘particulier’ volgens de omschrijving van artikel 857 verleent tot borgstelling of een garantieovereenkomst in de zin van artikel 863. Het zal hier veelal gaan om bankgaranties in opdracht van een particulier: de bank treedt in opdracht van de particulier op als borg ten behoeve van een derde, en heeft verhaal op de opdrachtgever. Artikel 864 ontzegt haar zulk verhaal in de gevallen waarin de particulier zelf als borg krachtens artikel 862 niet aansprakelijk zou zijn geweest: de borgstelling door de opdrachtnemer is op zichzelf wel geldig - behalve voor zover hij zich op artikel 862 kan beroepen -, maar hij heeft geen verhaal op de opdrachtgever. Bovendien is, volgens de tweede zin van lid 1, artikel 861 van overeenkomstige toepassing op de opdracht, zodat de opdrachtgever haar binnen de grenzen van artikel 861, leden 1 en 2, mag opzeggen, enz. Van lid 1 kan worden afgeweken, doch slechts wanneer de vereisten van lid 2 zijn vervuld: van een bank of andere professionele borgstellingsmaatschappij mag worden verlangd dat zij de particuliere opdrachtgever voldoende inlicht enz. (zie HR 1-6-1990, NJ 1991, 759, vermeld onder de algemene opmerkingen bij afdeling 7.14.2). De sanctie op het ontbreken van het in lid 2 vereiste, door de opdrachtgever ondertekende, afschrift, is dat de afwijking van lid 1 nietig is volgens artikel 3:39. Afdeling 7.14.3 - De gevolgen van de borgtocht tussen de hoofdschuldenaar en de borg en tussen borgsom en voor de verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren onderling Overeenkomstig artikel 850 lid 3, zijn in beginsel op de verhoudingen, in het opschrift van de afdeling bedoeld, de bepalingen omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing. Onder de aansprakelijke niet- schuldenaren zijn in het bijzonder te verstaan de derde-pand- of hypotheekgevers. De afdeling geeft hieromtrent nadere regels. In het verlengde van artikel 6:8 verklaart artikel 865 de bepalingen van artikel 6:2 inzake de werking van redelijkheid en billijkheid van overeenkomstige toepassing. Rechtstreeks zijn deze bepalingen uiteraard van toepassing op de partijen, de schuldeiser en de borg - vgl. onder andere reeds het bij artikel 861 vermelde arrest HR 7-5-1982, NJ 1983, 493.

  3107. Artikel 866 heeft betrekking op het verhaal van de borg op de hoofdschuldenaar, waarbij enige afwijkingen van artikel 6:10 zijn voorzien. De afwijking in lid 1 is dat de borg ook verhaal heeft voor de, door de hoofdschuldenaar verschuldigde, wettelijke rente en de kosten waarvoor hij overeenkomstig artikel 856 aansprakelijk was, tenzij die wegens hem persoonlijk betreffende omstandigheden verschuldigd zijn geworden (lid 2). De afwijking in lid 3 is dat hoofdschuldenaren jegens een borg hoofdelijk aansprakelijk zijn; op ‘gewone’ medeschuldenaren bestaat slechts verhaal voor zover zij in de onderlinge verhouding draagplichtig zijn. 2024 -1150- No. 164 Lid 4 houdt de mogelijkheid van afwijking van de eerste drie leden open.

  3108. Artikel 867 veronderstelt dat de borg de hoofdverbintenis voldoet zonder de hoofdschuldenaar daarvan te verwittigen, waarna deze de schuldeiser opnieuw betaalt. De borg heeft dan op eigen risico gehandeld en heeft geen verhaal op de hoofdschuldenaar. Gepreciseerd wordt hoe de borg zich op de hoofdschuldenaar kan verhalen, namelijk door zich de vordering van de hoofdschuldenaar uit onverschuldigde betaling (overeenkomstig artikel 3:94) te doen overdragen.

  3109. Artikel 868 regelt dat de hoofdschuldenaar het verhaal van de borg kan afweren, als hij ten tijde van diens betaling - toen het verhaalsrecht ontstond - verweermiddelen tegen de hoofdschuld had. Het slot van het artikel sluit een beroep op eerdere verweren echter uit, voor zover een medeschuldenaar krachtens artikel 6:11 lid 2, daarop evenmin een beroep kan doen; afwijking is echter bij overeenkomstige toepassing van artikel 6:11 lid 4, mogelijk.

  3110. Artikel 869 vereist, voor de omslag van hetgeen niet op de hoofdschuldenaar verhaalbaar blijkt te zijn, niet dat de borg eerst in rechte vervolgd of de hoofdschuldenaar in staat van faillissement verklaard moet zijn: in het laatste geval en in dat van surséance van de hoofdschuldenaar hangt de toepasselijkheid van artikel 869 er veeleer van af, of de borg op redelijk korte termijn nog een uitkering ten laste van de hoofdschuldenaar te verwachten heeft. Dat borgen en derden-hypotheekgevers naar evenredigheid in de omslag delen, was voor het huidige recht reeds beslist bij HR 20-11-1981, NJ 1982, 469 (en NJ 1983, 10). De maatstaf is die van artikel 6:152: de hoogte der aansprakelijkheid van ieder ten opzichte van de schuldeiser. Volgens artikel 870 heeft de achterborg - degene die zich op zijn beurt als borg heeft gesteld voor de nakoming van de verbintenis van de (hoofd)borg - naast het verhaal dat hij op deze laatste heeft, tevens rechtstreeks verhaal op de hoofdschuldenaar, op de medeborgen en derden-hypotheek- of pandgevers. TITEL 15 - VASTSTELLINGSOVEREENKOMST Tot de vaststellingsovereenkomst behoren verschillende typen. Als zodanig kunnen worden genoemd de thans wettelijk geregelde dading en de minnelijke schikking ten overstaan van de rechter, maar ook bijvoorbeeld de overeenkomsten waarbij een beslissing aan arbitrage of bindend advies wordt opgedragen. Gemeenschappelijk aan deze overeenkomsten is dat zij ertoe strekken dat ter voorkoming of beëindiging van onzekerheid of geschil buiten een rechtsgeding om wordt vastgesteld hetgeen rechtens tussen partijen heeft te gelden (artikel 900 lid 1). Veelal is de contractuele regeling betreffende het komen tot een zodanige vaststelling bij wege van arbitrage en bindend advies of ook partijbeslissing als beding in een overeenkomst opgenomen; voor opneming in algemene voorwaarden zie men artikel 6:236, onderdeel n, en de toelichting bij die bepaling. De verplichting tot (aanvaarding van) zodanige vaststelling kan echter ook rechtstreeks uit een wetsbepaling volgen, zoals uit artikel 6:140, leden 2 en 3 (saldo rekening- courant), maar eveneens uit een rechtshandeling van andere aard dan een overeenkomst, zoals de statuten van een vereniging. De beoogde rechtstoestand kan, zoals bij dading en minnelijke schikking, door partijen zelf worden overeengekomen, hij kan ook ter uitvoering van de overeenkomst of op grond van de wet of statuten enz. later, en eventueel door een derde, tot stand worden gebracht. Uit het bovenstaande blijkt dat men moet onderscheiden tussen de (materiële) vaststelling zelf en de vaststellingsovereenkomst, waarvan de vaststelling deel uitmaakt of die aan haar ten grondslag ligt. Het onderscheid blijkt uit de definitie van artikel 900 lid 1. De artikelen 901, leden 1 en 2, 902 en 903 betreffen de vaststelling bij of als gevolg van de overeenkomst; de artikelen 901 lid 3, en 905 geven een bepaling over de vaststellingsovereenkomst, en artikel 906 verklaart de artikelen 900 tot en met 905 van overeenkomstige toepassing op een vaststelling die een andere dan contractuele grondslag heeft. Als vaststelling geldt de uiteindelijke rechtstoestand zoals die op grond van de overeenkomst of op andere grondslag door een beslissing wordt bewerkstelligd (artikel 900 lid 2). Het kan zijn dat die bij de beslissing 2024 -1151- No. 164 van partijen, of een hunner, dan wel van een derde, onmiddellijk is gegeven: de beslissing zelf bepaalt dan de rechtstoestand tussen partijen, bijvoorbeeld hoe hun verbintenis moet worden verstaan. Het kan echter ook zijn dat de vaststelling door nadere rechtshandelingen moet worden voltooid: alsdan wordt de rechtstoestand bereikt door uitvoering van de beslissing waartoe partijen zijn verplicht. Anders dan wel voor bijvoorbeeld de dading onder het huidige recht wordt verdedigd, heeft in het systeem van het ontwerp de beslissing niet een declaratief karakter, maar heeft zij zgn. dispositieve (of translatieve) werking. Zo geldt de beslissing als titel voor overdracht van een goed, indien het recht daarop onzeker of betwist was, als rechtsgrond van betaling, enz. Dit alles ligt besloten in artikel 901. De beslissing kan overigens meer omvatten dan (hetgeen tot) de vaststelling (moet leiden). Zo kan de beslissing, behalve de op vaststelling gerichte uitspraak, tevens bijvoorbeeld inhouden het opleggen van een schadevergoeding ten behoeve van een der partijen ter compensatie van het door deze te lijden nadeel.

  3111. Artikel 904 heeft betrekking op de beslissing. Voor artikel 900, leden 1 en 2, zie men hierboven. Het obligatoire karakter van de vaststellingsovereenkomst - of het desbetreffende beding - komt daarin uit dat partijen zich jegens elkaar binden aan de daaruit voortvloeiende vaststelling van hetgeen rechtens tussen hen geldt. Dit laatste kan zijn hun rechtsverhouding, maar ook het al of niet bestaan van een absoluut recht of juist het ontbreken van een rechtsverhouding. Wijziging of aanvulling van een bestaande rechtsverhouding valt niet onder het begrip vaststellingsovereenkomst; wel is artikel 904 van overeenkomstige toepassing als zij (bevoegdelijk) geschiedt door een der partijen of een derde (artikel 906 lid 2). Is eenmaal de beslissing genomen, dan wordt zij niet ontkracht doordat later blijkt dat zij afwijkt van hetgeen in werkelijkheid gold, aldus het slot van lid 1 samengevat. Zij geeft dan ook geen aanleiding tot een vordering uit onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking of tot verrekening van voordeel (aldus ook reeds HR 5-4-1991, NJ 1992, 244, en HR 15-2-1992, NJ 1992, 245). Geen bijzondere bepaling regelt de verhouding van de vaststellingsovereenkomst tot de leerstukken van dwaling (artikel 6:228) en voortbouwende overeenkomst (artikel 6:229); een beroep daarop heeft wel succes, als juist datgene waarvan partijen als vaststaand en zeker zijn uitgegaan, blijkt in strijd met de werkelijkheid te zijn (zie HR 18-3-1955, NJ 1955, 347). Zie ook HR 29-9-1995, RvdW 893, betreffende dwaling na raadpleging van een deskundige. Als vaststelling geldt niet de, bijvoorbeeld bij bindend advies opgelegde, verplichting aan een der partijen tot betaling van een geldsom aan de wederpartij ter vergoeding van het door deze, ten gevolge van de beslissing geleden nadeel. Partijen kunnen bij het sluiten van een overeenkomst voorzien dat tussen hen onzekerheid of geschil kan rijzen over bepaalde omstandigheden en ter beperking of voorkoming daarvan een bewijsovereenkomst sluiten, door (weerlegbare) vermoedens tussen hen te laten gelden, door slechts bepaalde bewijsmiddelen, als geschrift, toe te laten of tegenbewijs tegen een overeengekomen regel uit te sluiten. Deze laatste vorm komt neer op een bewijsrechtelijke inkleding van een vaststelling, en lid 3 stelt de bewijsovereenkomst in zoverre met de vaststellingsovereenkomst gelijk - slechts met instemming van beide partijen kunnen zij daarvan afwijken. Lid 4 zondert van de werking van de titel uit de overeenkomst tot arbitrage, waarvoor een eigen regeling geldt (artikelen 1020 e.v. van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In artikel 901 is de dispositieve werking van de tot vaststelling leidende beslissing neergelegd. Zie hieromtrent de inleidende opmerkingen bij deze titel. Om te beoordelen of na de beslissing nog aan nadere vereisten moet worden voldaan om de vastgestelde rechtstoestand te bereiken, moet worden uitgegaan van een (fictieve) beslissing, tegengesteld aan die welke is genomen: kan het verschil slechts worden overbrugd door het voldoen aan bepaalde vereisten, dan moeten ook deze nog voor de vaststelling in acht worden genomen. Aldus bijvoorbeeld levering bij toewijzing van een goed, de inachtneming van vormvoorschriften, het verkrijgen van vergunning of toestemming. Lid 2 verplicht partijen mee te werken aan de vervulling van de vereisten om tot de vaststelling te geraken, vanaf de, aan de beslissing voorafgaande, maatregelen, zoals de aanwijzing van de bindend adviseurs, tot aan die welke nodig zijn tussen de beslissing en de vaststelling, zoals bedoeld in lid 1. Reële executie is hierbij mogelijk: artikelen 3:299 tot en met 3:301. 2024 -1152- No. 164 Lid 3 vereenvoudigt de vervulling van de vereiste uitvoering door als regel de vereiste partijverklaringen in de vaststellingsovereenkomst besloten te achten, als waren zij bij het sluiten daarvan bij voorbaat afgelegd. Een netelige kwestie is of een vaststelling geldig is, indien zij berust op een beslissing over een onzekerheid of geschil betreffende de al dan niet toepasselijkheid van dwingend recht. Enerzijds is terughoudendheid geboden: men moet een vaststelling niet gebruiken om dwingend recht te ontduiken of om een rechtstoestand te bewerkstelligen die in strijd met de openbare orde of de goede zaken is. Anderzijds bestaat er geen reden om, wanneer partijen in ernst van mening verschillen en er ook redelijkerwijs verschil van gevoelen kan bestaan, vaststelling anders dan bij rechterlijke uitspraak uit te sluiten, mits openbare orde en de goede zeden daardoor niet worden aangetast; aldus reeds HR 27-12- 1935, NJ 1936, 442, inzake een arbitrage en eveneens HR 10-6-1955, NJ 1955, 570, inzake een dading over verbintenissen waarvan de geldigheid wegens dwingend recht werd betwist. Zie voorts de bij artikel 900 vermelde arresten van 5-4-1991 en 15-2-1992 betreffende vaststelling van een verzekeringsuitkering die werd gevolgd door de verkrijging van een voordeel, waardoor, met voorbijgaan aan het indemniteitsbeginsel, de verzekerde in een duidelijk voordeliger positie werd gebracht.

  3112. Artikel 902 formuleert de vereisten voor de geldigheid van een zodanige vaststelling die met dwingend recht in strijd kan komen. Op te merken valt dat deze vereisten de vaststelling zelf betreffen, niet de vaststellingsovereenkomst, die uiteraard gewoon aan artikel 3:40 blijft onderworpen: zo mag de overeenkomst niet de strekking hebben dwingend recht opzij te zetten. Ook is artikel 902 slechts van toepassing op de vaststelling zelf, niet bijvoorbeeld op het opleggen van prestaties ten laste van de partij ten gunste van wie de beslissing is uitgevallen. Voorts blijft uiteraard artikel 901 zijn werking uitoefenen. Dat er sprake moet zijn van een werkelijk bestaande en redelijkerwijs te aanvaarden onzekerheid of geschil, volgt reeds uit de vereisten voor de vaststellingsovereenkomst zelf. Uitgesloten wordt de afwijking, indien de vaststelling slechts wordt ingeroepen ter voorkoming van zulk een onzekerheid of geschil - er moet een dringende reden tot vaststelling bestaan. Voorts wordt de bevoegdheid die artikel 902 toekomt, beperkt tot vaststelling op vermogensrechtelijk gebied: een afwijking van dwingend recht op het gebied van bijvoorbeeld het familierecht of het publiekrecht is niet aanvaardbaar. Wél is denkbaar en aanvaardbaar een regeling bij vaststelling van vermogensrechtelijke gevolgen van verhoudingen op die gebieden, bijvoorbeeld omtrent alimentatie of erfrechtelijke aanspraken. Voor het begrip ‘openbare orde en goede zeden’ waarmee de vaststelling niet in strijd mag komen, zij verwezen naar artikel 3:40 en de toelichting daarbij. In artikel 901 is gekozen voor het dispositieve stelsel. Dit sluit op zichzelf niet uit dat een beslissing (mede) betreft de toestand zoals die in het verleden tussen partijen heeft bestaan, bijvoorbeeld de nietigheid van een overeenkomst. Partijen hebben zich dan daarnaar ook voor het verleden te gedragen. Het dispositieve stelsel brengt echter wel mee dat door de uitvoering van de beslissing de rechtstoestand verandert - krachtens artikel 901 zal dan de ene partij nog bijvoorbeeld een stuk grond aan de ander moeten leveren. Heeft deze laatste bijvoorbeeld een beperkt recht daarop gevestigd ten behoeve van een derde, dan volgt uit de keuze voor het dispositieve stelsel reeds, hetgeen artikel 903 met zoveel woorden uitdrukt, dat dit beperkte recht niet door de vaststelling wordt aangetast. Artikel 903 heeft slechts betrekking op vermogensrechten als bedoeld in artikel 3.6, niet op de vaststelling van bijvoorbeeld de omvang van een vordering, die ook voor derden, bijvoorbeeld in geval van beslag, van belang kunnen zijn. In zulke gevallen kan een derde te goeder trouw uiteraard wel een beroep doen op eventuele hem beschermende wetsbepalingen.

  3113. Artikel 904 lid 1, bouwt voort op de rechtspraak betreffende de partijbeslissing en het bindend advies onder het huidige recht - zie bijvoorbeeld HR 29-12-1922, NJ 1923, 319, HR 11-1-1924, NJ 1924, 293, HR 29-1-1931, NJ 1931, 1317, en HR 17-12-1943, NJ 1944, 139: wie zijn wederpartij wil houden aan een partijbeslissing die, of een bindend advies dat, naar inhoud, strekking of wijze van totstandkoming zozeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is dat in de gegeven omstandigheden geen redelijk oordelend persoon daartoe had kunnen komen, handelt in strijd met de door de artikelen 1355 en 1356 vereiste goede trouw en redelijkheid en billijkheid. 2024 -1153- No. 164

  3114. Artikel 904 lid 1 komt tot hetzelfde resultaat, doch zonder de omweg van de ‘goede trouw’ van de partij die de wederpartij aan de beslissing wil houden. Het knoopt rechtstreeks aan bij de formulering van de artikelen 6:2 lid 2, 6:248 lid 2 en 6:258 lid 1. Uit de formulering blijkt dat het om een ‘marginale toetsing’ gaat: criterium is niet wat de rechter zelf zou hebben beslist. De sanctie is niet nietigheid, doch vernietigbaarheid, waarop de desbetreffende bepalingen van titel 3.2 van toepassing zijn. Lid 2 verklaart de rechter bevoegd, wanneer aan de beslissing geldigheid ontbreekt of komt te ontvallen, of wanneer er binnen redelijke termijn geen beslissing kan worden verwacht. De rechter volgt daarbij zijn eigen oordeel. Niet is uitgesloten dat hij tot dezelfde beslissing komt als degene die is vernietigd wegens gebreken in de wijze van totstandkoming.

  3115. Artikel 905 beperkt de bevoegdheid tot ontbinding van een vaststellingsovereenkomst wegens wanprestatie, voor zover op grond van die overeenkomst reeds een beslissing tot stand is gekomen; verondersteld is hierbij uiteraard een wederkerige vaststellingsovereenkomst als zelfstandige rechtshandeling, niet een rechtshandeling van andere aard die een vaststellingsbeding inhoudt. De ratio van de bepaling is dat een eenmaal tot stand gekomen beslissing niet gemakkelijk door de ontbinding op losse schroeven moet komen staan, met als gevolg dat de onzekerheid of het geschil herleeft. De bepaling geldt reeds wanneer de beslissing is tot stand gekomen, ook al heeft ze, bijvoorbeeld door het lopen van een beroepstermijn, nog geen werking verkregen.

  3116. Artikel 906 lid 1 kwam reeds bij de inleidende opmerkingen van de toelichting bij deze titel ter sprake. Lid 2 verklaart artikel 904 van overeenkomstige toepassing op de partijbeslissing of het bindend advies waarbij bevoegdelijk de regeling van de rechtsverhouding van partijen wordt aangevuld of gewijzigd, en waar het niet gaat om voorkoming of beslissing van onzekerheid of geschil. Alsdan is van de titel alleen artikel 904 van overeenkomstige toepassing. Het artikel geldt ook wanneer artikel 904 krachtens artikel 906 lid 1, van overeenkomstige toepassing is, bijvoorbeeld op een beslissing van een orgaan van een rechtspersoon. Lid 3 zondert van lid 2 uit de aanvulling of wijziging van een voor vernietiging vatbaar besluit van een rechtspersoon, zulks omdat artikel 21 van Boek 2 van het Ned. BW daarvoor een eigen regeling heeft die in enkele opzichten van artikel 904 afwijkt. TITEL 17 - VERZEKERING Algemeen 1. Het onderhavige ontwerp strekt tot hercodificatie in het nieuwe Burgerlijk Wetboek van het verouderde thans in het Wetboek van Koophandel geregelde verzekeringsrecht. Het ontwerp is ontleend aan de Nederlandse wet van 22 december 2005, Stb. 700 (Kamerstukken 19 529), vernummerd in Stb. 2006, 1, in werking getreden op 1 januari 2006. De invoering en aanpassing der overige wetgeving in Nederland is geregeld bij de Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek van 22 december 2005, Stb. 701 (Kamerstukken 30 137). De toelichting bij het onderhavige ontwerp is ontleend aan de Nederlandse parlementaire stukken. Het ontwerp bouwt voort op de in Suriname op 1 januari 2001 ingevoerde Boeken 3, 5 en 6 nieuw BW. 2. Gekozen is voor een opzet, waarbij verzekering wordt onderscheiden in schade- en sommenverzekering. Het ontwerp trekt de grens tussen beide aldus, dat schadeverzekering ertoe strekt vermogensschade te vergoeden, terwijl het bij sommenverzekering onverschillig is of, en in hoeverre, met de uitkering schade wordt vergoed. Als gevolg hiervan bevat het ontwerp voor titel 7.17 drie afdelingen. In de eerste afdeling zijn de bepalingen opgenomen die bij schade- en sommenverzekering beide gelden. De tweede afdeling is aan schadeverzekering gewijd en de derde aan sommenverzekering. Deze laatste afdeling bestaat op haar beurt uit twee paragrafen. De eerste bevat de artikelen welke voor alle sommenverzekeringen gelden; de tweede heeft uitsluitend betrekking op levensverzekering. 2024 -1154- No. 164 3. Het ontwerp brengt onder meer wijziging in de regeling van de mededelingsplicht, de mogelijkheid van bewijslevering door de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, de betaling door de verzekeraar aan een tussenpersoon ter doorbetaling aan de tot uitkering gerechtigde, de opzegging, het bedrog bij schadevaststelling, de eigen roekeloosheid van de verzekerde, een rechtstreekse vordering van de benadeelde op de verzekeraar tot betaling bij verzekeringen tegen aansprakelijkheid (‘action directe’), de subrogatie, de verjaring, de verzwaring van het risico, de sommenverzekering in het algemeen, de verzorgingsbescherming van de verzekeringnemer of begunstigde tegen uitwinning van een levensverzekering in geval van faillissement of derdenbeslag en de elektronische polis. 4. Het ontwerp bevat belangrijke consumentenbescherming. In aansluiting op de Boeken 6 en 7 nieuw BW wordt de consument omschreven als de natuurlijke persoon die de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf; zie artikel 943 lid 3. Een iets ruimere omschrijving is voor de levensverzekering gekozen; zie artikel 986 lid 3. 5. De bescherming van de particulier komt in het ontwerp allereerst hierin tot uiting dat van verschillende bepalingen niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde kan worden afgeweken indien de nemer een particulier is als hierboven aangeduid. Bij persoonsverzekering is de tot uitkering gerechtigde vrijwel steeds een natuurlijke persoon. Daarom mag bij persoonsverzekering nimmer ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde van een aantal artikelen worden afgeweken, dus ook niet indien de verzekeringnemer geen particulier is in de zin van het ontwerp. Ten slotte profiteert de consument van bepalingen die ter bescherming van alle verzekeringnemers en tot uitkering gerechtigden dwingend recht voorschrijven. 6. In afzonderlijke slotartikelen wordt aangegeven van welke bepalingen in één of meer opzichten niet mag worden afgeweken. Deze zijn voor de afdelingen 1 en 2 de artikelen 943 en 963, en voor de paragrafen van afdeling 3 de artikelen 974 en 986. Indien in een artikel dwingend recht voorkomt, verwijst de toelichting naar het desbetreffende slotartikel. Ontbreekt zulk een verwijzing, dan bevat het artikel uitsluitend regelend recht. 7. Het ontwerp kent drie mogelijkheden: 1. afwijking is in het geheel niet toegelaten; 2. afwijking is niet toegelaten ten nadele van een of meer met hun hoedanigheid aangeduide personen, zoals de nemer; 3. afwijking is niet toegelaten ten nadele van een of meer personen indien de nemer een particulier is. Dient zulk een bepaling van dwingend recht ter bescherming van een der partijen of van de uitkeringsgerechtigde, dan is afwijking niet nietig, doch vernietigbaar; zie artikel 3:40 lid 2. 8. In formule 3 wordt met de verzekeringnemer alleen de oorspronkelijke nemer bedoeld, en niet de mogelijke opvolgende nemers. Met name bij transportverzekering zou het voor de verzekeraar te veel onzekerheid geven, indien hij, wanneer hij een verzekeringsovereenkomst sluit met een nemer die geen particulier is, rekening zou moeten houden met de mogelijkheid dat de oorspronkelijke nemer inmiddels is vervangen door een particulier. 9. Omdat de praktijk niet steeds dezelfde termen bezigt om de bij de verzekering betrokken personen aan te duiden, moest in het onderhavige ontwerp een keuze worden gedaan. De wederpartij van de verzekeraar bij het sluiten van de overeenkomst wordt steeds aangeduid als de verzekeringnemer. Voor degene die recht heeft op de uitkering is in afdeling 1 de algemene term: de tot uitkering gerechtigde, gekozen. In afdeling 2 heet deze in overeenstemming met de meestal gevolgde terminologie verzekerde, en in afdeling 3 heet degene aan wie de uitkering moet worden gedaan overeenkomstig vast gebruik begunstigde. Eveneens overeenkomstig vast gebruik in binnen- en buitenland is degene op wiens leven of gezondheid de verzekering loopt, in afdeling 3 als verzekerde aangeduid. 2024 -1155- No. 164 Afdeling 1. Algemene bepalingen

  3117. Artikel 925 (definitie) 1. Evenals dit bij de meeste andere titels van Boek 7 het geval is, wordt ook hier een omschrijving van de overeenkomst, waarover de titel handelt, vooropgesteld. De aanduiding ‘premie’ in de eerste volzin van lid 1, omvat zowel het vaste, bij schadeverzekering veelal in een percentage van de verzekerde som uitgedrukte, bedrag als de variabele omslag of naheffing bij sommige onderlinge verzekeringen. Indien bij levensverzekering de premie voor de ganse duur van de overeenkomst ineens wordt betaald, spreekt men ook wel van koopsom. 2. Voor de verplichting van de verzekeraar is de neutrale term: uitkering, en niet: schadevergoeding, gekozen om ook de sommenverzekering te omvatten. De verzekeraar verbindt zich jegens de verzekeringnemer tot het doen van een uitkering. Dit neemt niet weg dat de daartoe gerechtigde een derde kan zijn. 3. Kenmerkend voor de verzekeringsovereenkomst is het element van onzekerheid; zij is een kansovereenkomst. Die onzekerheid kan in vier opzichten bestaan: of de verzekeraar ooit een uitkering verschuldigd zal worden, wanneer dat dan het geval zal zijn, hoeveel de eventuele uitkering zal bedragen en wat de duur van de door de verzekeringnemer verschuldigde periodieke premiebetaling zal zijn. 4. Of de uitkering ooit zal worden verschuldigd, is bijvoorbeeld onzeker als tegen een mogelijke schade in de toekomst wordt verzekerd. Meestal is dan tevens onzeker, wanneer de uitkering zal worden verschuldigd en hoe groot zij zal zijn. Maar soms, zoals bij de levenslange overlijdensverzekering en de gemengde verzekering, staat wel vast dàt het eens tot een uitkering zal komen, doch niet wanneer. Bij een onmiddellijk ingaande lijfrenteverzekering staat wel vast dat de uitkering verschuldigd wordt, en ook van welk tijdstip af, maar niet het totale bedrag van de uitkering. 5. Bij de verzekering van een kapitaal op vaste termijn – zoals bij bepaalde vormen van studieverzekering – staat wel de verschuldigdheid van de uitkering vast, en ook het tijdstip waarop en het bedrag waartoe, doch is van te voren nog onzeker hoeveel de totale premie zal bedragen. De formulering sluit niet uit dat partijen het risico doen ingaan vóór het tijdstip van het aangaan van de overeenkomst, mits op dat tijdstip nog wel subjectieve onzekerheid bestaat. 6. In de definitie komt niet voor het element van het ‘onzekere voorval’. Dit element doet zich wel bij talloze verzekeringsvormen, en vrijwel steeds bij schadeverzekering, voor, doch niet bij alle vormen van verzekering, zoals uit enige van de hierboven gegeven voorbeelden blijkt. Zo is het vereiste van in leven zijn op een bepaald toekomstig tijdstip wel een onzeker feit, doch men kan het moeilijk een ‘voorval’, d.i. een gebeurtenis, noemen. Onder het nieuwe recht zal dan ook niet meer relevant zijn de vraag wat het ‘onzeker voorval’ is, zoals dat nog het geval was in HR 4-1-1980, N.J. 1984, 305 (schade uit eigen gebrek), maar of er bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst de in de tekst aangegeven onzekerheid bestaat. 7. Zoals reeds bij de algemene inleiding tot deze titel is vermeld, maakt het onderhavige ontwerp een principieel verschil tussen schade- en sommenverzekering. In het onderhavige ontwerp geldt voor schadeverzekering dat zij de strekking moet hebben vermogensschade te vergoeden (artikel 944). Om de tegenstelling zuiver te houden is daarom ook voor de sommenverzekering bepaald dat het daarbij onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed (artikel 964). 8. Uitdrukkelijk is vermeld in de tweede volzin van lid 1 dat de wet slechts twee vormen van verzekering kent, te weten schadeverzekering en sommenverzekering. Wel kan een overeenkomst deels schade-, deels sommenverzekering zijn. In dat geval wordt de overeenkomst deels door de bepalingen omtrent schade-, deels door die omtrent sommenverzekering beheerst. 9. Nu in de onderhavige afdeling enige bepalingen met betrekking tot persoonsverzekering worden voorgesteld, kan een omschrijving daarvan niet ontbreken. De definitie volgens lid 2 omvat lichamelijke en geestelijke gesteldheid en ziekten, ongevallen en overlijden. Niet de bedoeling is dat de omschrijving ook uitkering van smartengeld krachtens persoonsverzekering mogelijk zou maken. 2024 -1156- No. 164 10. Persoonsverzekering is hetzij schadeverzekering hetzij sommenverzekering. De belangrijkste persoonsverzekering in de schadesector is de ziektekostenverzekering. Onder persoonsverzekering als sommenverzekering valt allereerst de levensverzekering. Zij draagt niet als kenmerk vergoeding van schade. Ongevallen-, arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering strekken in beginsel wel tot vergoeding van schade, maar de daarvoor uit te keren vergoeding is reeds bij de overeenkomst vastgelegd, ongeacht of het bedrag door op geld waardeerbare schade wordt gerechtvaardigd. Daarom is ook hier sprake van sommenverzekering. Voor sommenverzekering die geen persoonsverzekering is, zij verwezen naar artikel 964 en de toelichting daarop.

  3118. Artikel 926 (uitkering en tot uitkering gerechtigde) 1. Lid 1 doelt op het geval dat de verzekeraar het verrichten van diensten op zich neemt, zoals het vernieuwen van gebroken ruiten, het verlenen van rechtsbijstand of lijkbezorging. 2. Wat betreft lid 2 zij het volgende opgemerkt. Zolang een derde zijn aanwijzing nog niet heeft aanvaard, heeft hij krachtens de verzekering nog geen recht op uitkering. Deze derde valt echter ingevolge lid 2 wel onder de term ‘de tot uitkering gerechtigde’. Men denke in dit verband aan artikel 940 lid 4, artikel 941 lid 1 en artikel 942 lid 1. Vergelijk ook artikel 945 uit afdeling 2. 3. Over artikel 941 lid 1, zij opgemerkt dat de daar bedoelde meldingsplicht voor de derde die nog niet heeft aanvaard, niet als een verbintenis kan worden aangemerkt. Hij is immers nog geen partij bij de verzekeringsovereenkomst. De plicht voor deze derde om de schade te melden dient dan ook te worden opgevat als een ‘Obliegenheit’ die bij niet-nakoming afbreuk doet aan het recht op uitkering voor het geval de derde na verwezenlijking van het risico alsnog aanvaardt. Met de aan de Duitse doctrine ontleende term ‘Obliegenheit’ wordt hier gedoeld op een gehoudenheid waarbij – anders dan bij een verplichting, waarvan in beginsel de nakoming kan worden gevorderd en die in geval van niet-nakoming degene die daardoor schade lijdt recht geeft op schadevergoeding – niet- inachtneming leidt tot vermindering of verval van de eigen rechten van degene op wie de Obliegenheit rust. Dit geldt evenzo bij de niet-aanvaard hebbende derde voor de bereddingsplicht van artikel 957, die dan als ‘verplichting’ vergelijkbaar is met de uit artikel 6:101 voortvloeiende ‘verplichting’ van de gelaedeerde om zijn schade te beperken. Immers, ook bij artikel 6:101 heeft de niet-nakoming van deze ‘Obliegenheit’ voor de gelaedeerde geheel of gedeeltelijk verlies van zijn recht op schadevergoeding tot gevolg.

  3119. Artikel 927 (herverzekering) 1. Herverzekering wijkt in vele opzichten af van gewone verzekering, terwijl ook herverzekeringen onderling sterk verschillen: facultatief of verplicht, herverzekering ten behoeve van de primaire verzekeraar (in de praktijk minder juist retrocessie genoemd), eenzijdige of wederkerige herverzekering. Voorts zijn contracten van herverzekering veelal internationaal. Te bedenken is ten slotte dat bij herverzekering gelijkwaardige partijen tegenover elkaar staan. 2. Dit alles leidt ertoe de herverzekering niet rechtstreeks aan enige bepaling van het onderhavige verzekeringsrecht te binden. Wel kunnen herverzekeringsovereenkomsten worden uitgelegd mede in het licht van beginselen van verzekeringsrecht, zoals die in deze titels zijn neergelegd.

  3120. Artikel 928 (mededelingsplicht) 1. De omstandigheid dat de verzekeraar in hoge mate moet afgaan op mededelingen van de verzekeringnemer bij het sluiten van de overeenkomst, heeft van oudsher tot regeling van deze materie geleid. Het bestaande recht geeft de verzekeraar het recht zich op nietigheid van de overeenkomst te beroepen indien de verzekeringnemer hem, hoezeer ook te goeder trouw, onjuist of onvolledig heeft voorgelicht, zodat hij bij kennis van de ware feiten de verzekering niet of slechts op andere voorwaarden zou hebben gesloten. De bezwaren hiertegen zijn bekend: nietigheid als enig mogelijke sanctie zonder nuance naar het gewicht van de verzwijging en de intenties van de verzekeringnemer treft deze en de tot uitkering gerechtigde veelal te zwaar. Hiertegenover legt het onderhavige ontwerp de verzekeringnemer een bijzondere mededelingsplicht op. Deze constructie maakt het mogelijk op afdoende wijze aan de bovengenoemde bezwaren tegemoet te komen. De verhouding tot dwaling en bedrog als de meer algemene vernietigingsgronden, wordt geregeld in artikel 931; naar de toelichting daarop zij verwezen. 2024 -1157- No. 164 2. In lid 1 van het onderhavige artikel 928 staat voorop dat de verzekeringnemer steeds verplicht is de verzekeraar vóór het sluiten van de overeenkomst in te lichten omtrent alle feiten die hij kent of behoort te kennen. Dit strekt zich niet uit tot alles wat voor de verzekeraar van belang is, of van belang kan zijn, maar is beperkt tot de feiten waarvan de nemer weet, of waarvan hij behoort te weten, dat zij voor de verzekeraar van belang zijn of kunnen zijn. Wat de verzekeringnemer te dezen weet of behoort te weten, zal dikwijls in de eerste plaats zijn af te leiden uit de in lid 6 genoemde vragenlijst, en verder uit hetgeen bij hem bekend mag worden verondersteld omtrent het acceptatiebeleid in de verzekeringsbranche in het algemeen of juist van deze verzekeraar in het bijzonder. Ook moet rekening worden gehouden met wat een persoon als de verzekeringnemer in deze weet of behoort te begrijpen (HR 3-11-1978, NJ 1980, 500). 3. Heeft de verzekeraar door middel van een vragenlijst dan wel anderszins naar bepaalde feiten of omstandigheden gevraagd, dan weet de nemer dat deze punten de verzekeraar interesseren, daargelaten of zij tot een voor de verzekeringnemer ongunstige beslissing zouden hebben geleid; dit laatste zal de verzekeraar zo nodig hebben te bewijzen. 4. De mededelingsplicht van de verzekeringnemer omvat blijkens lid 2 ook hetgeen een hem bekende derde wiens belang bij het sluiten van de verzekering is gedekt, had moeten mededelen indien hij zelf nemer was geweest: de verzekeraar mag er niet de dupe van worden dat er ook een andere belanghebbende naast de verzekeringnemer is. Verzuim van die derde wordt dus de verzekeringnemer toegerekend. 5. In de tweede volzin van lid 2 wordt bepaald dat de eerste volzin niet geldt voor persoonsverzekering. Voor dit soort verzekering geldt volgens lid 3 een eigen regeling die is beperkt tot de (mede)verzekering betreffende derden die zestien jaar of ouder zijn, en wel op hun leven of gezondheid, onverschillig of zij zelf ook belanghebbende zijn. Bij persoonsverzekering geldt alleen in dit geval de in lid 2, eerste volzin, uitgedrukte regel. De vader die zich wenst te verzekeren tegen de ziektekosten die hij ten behoeve van zijn jongere kinderen zal moeten maken, behoeft dus niet mede te delen wat die kinderen zelf omtrent hun gezondheid weten of behoren te weten; alleen wat hijzelf als verzekeringnemer daaromtrent weet of behoort te weten, komt in aanmerking. De grens is bij zestien jaar gelegd omdat mag worden aangenomen dat personen die de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, voldoende oordeel des onderscheids hebben om degene die de verzekering mede sluit in te kunnen lichten omtrent de van belang zijnde feiten. Met de persoon wie het risico betreft, wordt hetzelfde bedoeld als met de in de praktijk der persoonsverzekering vaak gebezigde term ‘het lijf’. 6. Lid 4 is bepaald dat de mededelingsplicht niet de feiten betreft die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen. Deze beperking mag niet zover gaan dat indien naar deze feiten een gerichte vraag wordt gesteld, een onjuist of onvolledig antwoord zonder gevolgen dient te blijven. Weliswaar zou de verzekeraar in dit geval de juistheid van het antwoord kunnen controleren, maar dit dient niet zover te gaan dat indien dat niet geschiedt, de verzekeraar de gevolgen van het onjuiste antwoord moet dragen. Het (onjuiste of onvolledige) antwoord zal er immers voor de verzekeraar vaak toe leiden dat hij zal nalaten zijn beschikbare gegevens te raadplegen. Het is dan aan de verzekeringnemer te wijten dat de verzekeraar in dwaling is gebracht. In verband hiermee is een tweede volzin aan lid 4 toegevoegd. 7. Hierover zij nog opgemerkt dat alleen bij een onjuist of onvolledig antwoord er geen beroep op kan worden gedaan dat de verzekeraar deze feiten reeds kent of behoort te kennen. Dit laat de mogelijkheid open dat de verzekeringnemer die weet dat bepaalde feiten bij de verzekeraar bekend zijn op een daarop gerichte vraag geen antwoord geeft. De eerste volzin van lid 4 brengt dan mee dat de verzekeraar zich er niet op kan beroepen dat deze vraag niet is beantwoord. Indien de verzekering is gesloten op grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, volgt dit bovendien uit lid 6. De verzekeraar kan, indien hij daar geen genoegen mee neemt, via zijn informatiesystemen trachten het antwoord te vinden, dan wel de verzekeringnemer om nadere opheldering vragen. 2024 -1158- No. 164 8. Feiten omtrent het strafrechtelijk verleden kunnen voor de verzekeraar van groot belang zijn voor de beoordeling van het morele risico; vergelijk ook HR 8-6-1962, NJ 1962, 336. Daartegenover staat het belang van de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde, dat zij door hun strafrechtelijk verleden niet door de jaren heen vervolgd blijven. De in lid 5 voorgestelde bepaling – met een termijn van acht jaar – tracht aan beide belangen recht te doen wedervaren 9. Vrij unaniem is men in de literatuur van oordeel dat van de verzekeringnemer niet verwacht mag worden dat hij spontaan mededelingen doet omtrent zijn strafrechtelijk verleden. Indien in een vragenlijst daar niet naar wordt gevraagd, behoeft de verzekeringnemer ingevolge lid 6 daarover ook geen mededelingen te doen. Dit omdat het strafrechtelijk verleden de persoonlijke levenssfeer van de aanvrager diepgaand kan raken. Zie HR 18-12-1981, NJ 1982, 570. 10. Zonder uitdrukkelijke vraag, al dan niet onderdeel uitmakend van een vragenlijst, zou de verzekeringnemer ook niet spontaan mededelingen daarover behoeven te doen. Dit is in het slot van lid 5 tot uitdrukking gebracht. Dit betekent dat de verzekeraar die informatie wil hebben over het strafrechtelijk verleden van de verzekeringnemer of omtrent dat van derden, daar uitdrukkelijk naar dient te vragen. 11. In veel gevallen kan het voor een verzekeringnemer, aan wie daarover een vraag wordt gesteld, onduidelijk zijn wat onder het strafrechtelijk verleden moet worden verstaan. Dit kan ertoe leiden dat een verzekeringnemer, hoe zeer te goeder trouw, tegengeworpen krijgt dat hij bepaalde feiten daaromtrent niet heeft medegedeeld. Het strafrechtelijk verleden is niet beperkt tot veroordelingen. Ook het opleggen van een maatregel, zoals ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig, valt daaronder. Volgens HR 23-2-1984, NJ 1984, 765 valt voorts ook een sepot onder het strafrechtelijk verleden. Of eventuele andere feiten of omstandigheden daartoe behoren, zoals een aanhouding door de politie wegens verdenking van een strafbaar feit of een vrijspraak of een ontslag van rechtsvervolging, zal voor veel verzekeringnemers onduidelijk zijn. Verder is denkbaar dat een verzekeringnemer bij bijvoorbeeld een inboedelverzekering er niet aan denkt een veroordeling wegens een snelheidsovertreding mede te delen. Om deze onduidelijkheden weg te nemen is in lid 5 tevens tot uitdrukking gebracht dat de verzekeringnemer alleen verplicht is omtrent het strafrechtelijk verleden feiten mede te delen voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden een vraag heeft gesteld ‘in niet voor misverstand vatbare termen’. Dit betekent dat de verzekeraar in exacte bewoording moet aangeven welke feiten en omstandigheden omtrent dit verleden voor hem van belang zijn, en alleen met betrekking tot die feiten behoeft de verzekeringnemer mededelingen te doen. Dit betekent dat de verzekeraar in zijn vraag zal moeten aangeven in welke strafbare feiten hij geïnteresseerd is, en of hij daarbij alleen geïnteresseerd is in strafrechtelijke veroordelingen, of wellicht ook in een vrijspraak, een schikking, een maatregel enz. Aldus wordt bereikt dat indien de daarover gestelde vragen juist zijn beantwoord de verzekeraar die feiten worden medegedeeld die voor zijn beslissing van belang zijn, en de verzekeringnemer niet later tegengeworpen krijgt dat hij bepaalde feiten omtrent het strafrechtelijk verleden niet heeft medegedeeld. 12. Lid 6 houdt in dat de adspirant-verzekeringnemer bij gebruik van een vragenlijst in beginsel alleen met concrete vragen heeft te maken en dat de verzekeraar er zich achteraf ook niet op mag beroepen dat zulke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Dit lijdt alleen uitzondering indien is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Hieronder is te verstaan: het opzet de verzekeraar te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders in het geheel niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Men zie het hierboven aangehaalde arrest HR 18-12- 1981, N.J. 1982, 570, door welke uitspraak bovendien de laatste volzin van lid 6 is ingegeven. 13. Van het artikel kan niet ten nadele van de nemer of van de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken indien de nemer een particulier is, aldus artikel 943 lid 3. Dit betekent ook dat in die gevallen het soms gemaakte beding dat de verzekeringnemer instaat voor de juistheid van de door hem opgegeven feiten, zoals gebruikelijk voor niet ter beurze gesloten verzekeringen, kan worden vernietigd. Artikel 943 lid 3, sluit echter niet uit, dat de verzekeraar met succes een beroep doet op het niet-vervuld zijn van bepaalde voorwaarden waarvan de dekking afhankelijk was gesteld, zoals aanwezigheid van een blus- of een alarminstallatie. 2024 -1159- No. 164

  3121. Artikel 929 (reactie verzekeraar binnen twee maanden) 1. De gevolgen van niet-nakoming van de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht worden zelfstandig uitgewerkt in de artikelen 929 en 930. Artikel 929 regelt de wederzijdse bevoegdheden en verplichtingen naar aanleiding van ontdekking der niet-nakoming, artikel 930 de invloed van de niet-nakoming op het recht op uitkering. 2. De rechten die de verzekeraar in beginsel ontleent aan de ontdekking, bestaan uit een beperkte bevoegdheid tot opzegging volgens artikel 929 lid 2 en uit de bevoegdheid tot weigering of vermindering van uitkering overeenkomstig de regels van artikel 930. Aan de verzekeringnemer staat na de ontdekking de weg tot opzegging open (artikel 930 lid 3). 3. Lid 1 van het onderhavige artikel 929 gaat uit van de gedachte dat, indien de verzekeraar ontdekt dat de mededelingsplicht niet is nagekomen, hij de verzekeringnemer niet in onzekerheid mag laten, of hij zich een beroep op zijn rechten wil voorbehouden. Zo ja, dan moet hij dat binnen twee maanden na de ontdekking schriftelijk (artikel 933) doen weten. Laat de verzekeraar deze periode ongebruikt voorbij gaan, dan kan hij bij een daaropvolgende verwezenlijking van het risico de gevolgen van de niet-nakoming verbonden, niet meer inroepen. 4. De verzekeraar dient ingevolge het slot van lid 1 de verzekeringnemer op de mogelijke gevolgen van de niet-nakoming van de mededelingsplicht te wijzen. Zulks verhindert dat de verzekeringnemer de gevolgen daarvan te optimistisch inschat en hem vervolgens bij verwezenlijking van het risico een uitkering onthouden wordt. Doordat de verzekeringnemer van dit mogelijke gevolg eerder op de hoogte is, kan hij wellicht trachten een andere verzekering te sluiten. 5. Ingevolge lid 2 kan de verzekeraar de overeenkomst alleen opzeggen indien de verzekeringnemer de fout heeft gemaakt met het opzet hem te misleiden of indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken in het geheel geen verzekering zou hebben gesloten. De verzekeraar kan de verzekering dus niet opzeggen, indien slechts de tot uitkering gerechtigde met dat opzet handelde. In het eerste geval mag van de verzekeraar niet worden gevergd dat hij de overeenkomst nog langer voortzet, in het tweede geval heeft voortzetting geen zin (zie artikel 930 lid 4). 6. Het ontwerp heeft de beslissing over het voortbestaan van de verzekering slechts in deze uiterste gevallen in de handen van de verzekeraar gelegd om te voorkomen dat hij op grond van minder ernstige tekortkomingen een verzekering zou opzeggen, waarvan hij op andere gronden af zou willen. In alle gevallen blijft de verzekering dus bestaan, hoewel zij ingevolge artikel 930 slechts tot een verminderde uitkering zal leiden. De kans is dan ook groot dat er een niet-volwaardige verzekering blijft bestaan. Daarom geeft lid 3 de verzekeringnemer het daar omschreven opzeggingsrecht. 7. De eerste volzin van dit lid 3 geeft de verzekeringnemer in twee soorten gevallen dit opzeggingsrecht. In de eerste plaats kan de verzekeringnemer de bevoegdheid uitoefenen gedurende twee maanden nadat de verzekeraar overeenkomstig lid 1 heeft gehandeld, dat wil zeggen de verzekeringnemer heeft meegedeeld dat – naar het oordeel van de verzekeraar – aan de mededelingsplicht niet is voldaan, en dat hij zich het recht voorbehoudt zich daarop in de toekomst te beroepen. Dit geval vormt het sluitstuk van het onderhavige artikel, waarvan, gelijk gezegd, de opzet is het aan de nemer over te laten of hij, geconfronteerd met het oordeel van de verzekeraar omtrent de niet-nakoming van de mededelingsplicht, de overeenkomst desondanks wil voortzetten. 8. Daarnaast kent lid 3 de verzekeringnemer het recht toe de verzekering op te zeggen indien het risico zich heeft verwezenlijkt en de verzekeraar zich op de – zijns inziens – gemaakte fout beroept. Hieronder valt in de eerste plaats de vermoedelijk meest voorkomende, doch niet door lid 1 bestreken, situatie dat de verzekeraar de gemaakte fout eerst ontdekt nadat het risico zich reeds heeft verwezenlijkt, en zich, met een beroep daarop, tegenover de tot uitkering gerechtigde en de verzekeringnemer op het standpunt stelt slechts binnen de grenzen van artikel 930 tot uitkering gehouden te zijn. Voorts valt onder het geval dat de verzekeraar zich op de gemaakte fout beroept de situatie, waarin, nadat de verzekering is voortgezet ondanks de waarschuwing van de verzekeraar volgens lid 1, de tot uitkering gerechtigde bij een latere verwezenlijking van het risico 2024 -1160- No. 164 wordt geconfronteerd met het reeds aangekondigde beroep op de niet-nakoming van de mededelingsplicht. Ingevolge artikel 939 wordt de lopende premie dan naar billijkheid verminderd. 9. De tweede volzin van lid 3 kan toepassing vinden bij verzekering van een gezin, met name tegen ziektekosten, en bij collectieve contracten. Hij mag niet zo worden uitgelegd dat gedeeltelijke opzegging buiten persoonsverzekering nimmer gerechtvaardigd is. Ook bij zgn. parapluverzekeringen waarin verschillende geheel zelfstandige dekkingen zijn ondergebracht, kan de nemer de opzegging tot één (of meer) dekkingen beperken; in zulke gevallen is niet zozeer sprake van één overeenkomst, alswel van een samenstel van afzonderlijk van elkaar staande verzekeringen. 10. Ten aanzien van het dwingend recht geldt hetzelfde als voor artikel 928; zie artikel 943 lid 3.

  3122. Artikel 930 (beperkt recht op uitkering) 1. Dit artikel regelt de gevolgen van niet-nakoming van de mededelingsplicht voor het recht op uitkering. Die gevolgen treden alleen in, indien de verzekeraar deze gevolgen inroept, en hij de bevoegdheid daartoe niet heeft verloren. Dit laatste kan het geval zijn hetzij omdat de bevoegdheid daartoe volgens artikel 929 lid 1 is vervallen, hetzij doordat hij die bevoegdheid bij een tussen partijen getroffen regeling heeft prijsgegeven. 2. De uitkering geschiedt onverkort indien aan de in lid 2 gestelde eisen is voldaan. Het gestelde criterium verlangt dat de niet of onjuist opgegeven feiten niet alleen geen enkele rol hebben gespeeld bij de verwezenlijking van het risico, maar ook dat zij de kans, dat het risico zich op deze wijze zou verwezenlijken, niet hebben vergroot. Enkele voorbeelden mogen dit verduidelijken. Indien in een pand naast het tegen brand verzekerde huis brandgevaarlijke werkzaamheden worden verricht, welk feit was verzwegen, doch het verzekerde huis door blikseminslag afbrandt, is aan beide gestelde voorwaarden voldaan. Hetzelfde geldt indien het huis zowel tegen brand als tegen storm is verzekerd en het stormschade lijdt. Wanneer daarentegen bij het sluiten van een automobielverzekering tegen eigen schade vorige aanrijdingen zijn verzwegen en opnieuw door eigen schuld een aanrijding ontstaat, dan hebben de vorige aanrijdingen weliswaar daartoe niet bijgedragen, maar hun bekendheid zou het oordeel over de kans van een nieuwe aanrijding ongunstiger hebben doen uitvallen. In dit laatste geval bestaat dus geen recht op volledige uitkering. 3. Volgens lid 3 bestaat wanneer aan lid niet is voldaan, toch nog in drie gevallen recht op een, zij het verminderde, uitkering. In de eerste twee gevallen, bestreken door de eerste volzin, is er door de onjuiste voorlichting een wanverhouding tussen premie en verzekerde som ontstaan, die door een daaraan evenredige vermindering van de uitkering wordt gecorrigeerd. Had bijvoorbeeld de premie het dubbele moeten bedragen, dan wordt de uitkering gehalveerd. Het eerste geval (hogere premie) zal zich voornamelijk voordoen bij schade-, het tweede (lagere verzekerde som) bij levensverzekering. Vaak zal de vraag welke premie of welke verzekerde som is overeengekomen, blijken uit de tarieven van de betrokken verzekeraar of uit algemene tarieven, en bij gebreke van dien kunnen worden vastgesteld aan de hand van het gebruik of van het oordeel van deskundigen. 4. Het derde geval doet zich voor indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden zou hebben gesteld. Men zie de tweede volzin van lid 3. Er is dan een uitkering verschuldigd is als waren deze voorwaarden in de verzekering opgenomen (vergelijk ook Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf IV 99/1, te kennen uit Verzekeringsrechtelijke berichten 1999, blz. 53 e.v.). Zou bijvoorbeeld de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken een eigen risico hebben bedongen, dan dient toch een uitkering plaats te vinden, maar dan met aftrek van het eigen risico. En zou bijvoorbeeld de verzekeraar extra veiligheidsmaatregelen hebben geëist, met als sanctie verval van uitkering, dan is geen uitkering verschuldigd. 5. Met deze benadering wordt hetzelfde bereikt als met de conversie van een nietige rechtshandeling, waarbij deze wordt omgezet in een geldige rechtshandeling indien aangenomen mag worden dat deze rechthandeling zou zijn verricht indien van de nietige rechtshandeling wegens haar ongeldigheid was afgezien (artikel 3:42). Deze benadering dient aldus evenals conversie de doelmatigheid doordat aan het ontbreken van kennis van de ware stand van zaken geen verdere 2024 -1161- No. 164 gevolgen worden verbonden dan die welke partijen bij de juiste kennis daarvan daar zelf aan verbonden zouden hebben. 6. Bij het niet voldoen aan de mededelingsplicht zal het overigens doorgaans de verzekeraar zijn die zich zal beroepen op een van de rechtsgevolgen van het onderhavige artikel. Zou hij zich er op beroepen dat hij bij kennis van de ware stand van zaken op andere voorwaarden de verzekering zou hebben geaccepteerd, dan zal hij moeten stellen onder welke voorwaarden hij de verzekering anders had geaccepteerd en rust op hem de bewijslast daarvan. Wel moet hierbij nog worden bedacht dat bij kennis omtrent de ware stand van zaken de verzekeraar naast andere voorwaarden wellicht ook een hogere premie zou hebben bedongen. In dat geval is de verzekeraar een uitkering verschuldigd die in de eerste plaats verminderd wordt volgens de maatstaf van de eerste volzin van lid 3, waarna vervolgens deze uitkering nog onderhevig zal zijn aan de voorwaarden die anders in de overeenkomst zouden zijn opgenomen. 7. Ingevolge lid 4 bestaat in het geheel geen recht op uitkering, ook al zou dit volgens de leden 2 en 3 anders zijn. Het gaat hier om het geval dat de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken in het geheel geen verzekering zou hebben gesloten. 8. Lid 5 betreft de opzet tot misleiding van onderscheidenlijk de verzekeringnemer of de derde. Er is dan geen uitkering verschuldigd aan onderscheidenlijk de verzekeringnemer of de derde. Zie ook artikel 929 lid 2. 9. Voor uitkeringen die de verzekeraar heeft gedaan vóórdat hij ontdekte dat de mededelingsplicht van artikel 928 niet is nagekomen, heeft een geslaagd beroep op de gemaakte fout tot gevolg dat die uitkeringen achteraf alsnog gedeeltelijk of geheel zonder rechtsgrond blijken te zijn voldaan. Voor zover dit het geval is, kan de verzekeraar die uitkeringen, als onverschuldigd betaald, terugvorderen (artikel 6:203). De verjaring van deze vordering wordt geregeld in artikel 3:309. Voor de toepassing van het daar genoemde criterium van de dag waarop de schuldeiser met het bestaan van zijn vordering is bekend geworden, zal gelden de dag waarop de verzekeraar – na de verwezenlijking van het risico, immers na zijn uitkering – zijn ontdekking heeft gedaan. 10. Ook voor dit artikel geldt ten aanzien van dwingend recht hetzelfde als voor artikel 928; zie artikel 943 lid 3.

  3123. Artikel 931 (geen beroep op wilsgebreken) 1. Indien een verzekeraar zich terecht op niet-nakoming van de mededelingsplicht beroept, doet zich een geval van dwaling of bedrog voor. De thans voorgestelde regeling vormt echter een volledig geheel dat niet door de voorschriften van die rechtsfiguren in de Boeken 3 en 6 mag worden doorkruist. 2. Bovendien is die regeling op verschillende punten voor verzekering onbruikbaar en onwenselijk. De voornaamste zijn de volgende: a. De artikelen 3:44 en 6:228 laten het antwoord op de vraag wanneer en waarover men de wederpartij vóór het aangaan van de overeenkomst behoort in te lichten, grotendeels aan de rechtspraak over. Bij verzekering behoort de mededelingsplicht van de verzekeringnemer door de wetgever te worden uitgewerkt. b. Artikel 6:230 zou de tot uitkering gerechtigde in de gelegenheid kunnen stellen om, zojuist geconfronteerd met een omvangrijke schade, de vergoeding daarvan alsnog ten volle veilig te stellen door bijbetaling van de premie. Dat past niet bij verzekering. c. Is de mededelingsplicht naar behoren nagekomen dan moet een beroep van de verzekeraar op gemeenschappelijke dwaling (artikel 6:228 lid 1 onderdeel c) niet meer aan de orde kunnen komen. Tegen vernietiging als sanctie bestaan voorts bezwaren; zie hierboven de inleiding bij artikel 928. 3. Van artikel 931 kan niet worden afgeweken; men zie artikel 943 lid 1.

  3124. Artikel 932 (polis) 1. Dit artikel betreft de afgifte van een polis. In het midden wordt gelaten wie de polis opmaakt. Essentieel is slechts dat de verzekeraar haar ondertekent – dit uit het vereiste van een akte – en afgeeft. Voorgesteld wordt in artikel 135a van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om de elektronische onderhandse akte mogelijk te maken. Een elektronische 2024 -1162- No. 164 onderhandse akte moet zijn voorzien van een op een certificaat gebaseerde elektronische handtekening als bedoeld in artikel 7 van de Wet overeenkomsten langs elektronische weg, in verbinding met het Staatsbesluit elektronische handtekeningen, certificaten en certificatiedienstverleners. De polis is voor de verzekeringnemer een belangrijk document omdat hij daarmee zijn rechten tegenover de verzekeraar dwingend kan bewijzen. Vanwege deze bewijsfunctie is het van belang dat de verzekeringnemer de beschikking heeft over de polis. Om werkelijk over een electronische polis te beschikken dient deze op het e-mailadres van de verzekeringnemer te zijn terecht gekomen. Men zie lid 2 van artikel 135a Rv dat de uitdrukkelijke instemming verlangt van degene aan wie de akte moet worden verschaft. 2. Overigens zij benadrukt dat wanneer de verzekeraar nalaat een polis af te geven, dat niet betekent dat er geen verzekeringsovereenkomst tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer tot stand is gekomen. Voor de verzekeringnemer is echter het bewijzen van het bestaan en de inhoud van een verzekeringsovereenkomst zonder polis onmogelijk of veel moeilijker dan met polis. De verzekeringnemer doet er daarom goed aan de elektronische polis, en niet alleen een papieren uitdraai daarvan, goed te bewaren. Een papieren uitdraai van een elektronische polis heeft namelijk minder bewijskracht dan de elektronische polis zelf. De elektronische polis heeft dwingende bewijskracht maar de papieren uitdraai heeft vrije bewijskracht. 3. Onder polis is ook begrepen een akte waarin de overeenkomst niet volledig is omschreven, maar die naar een bijbehorend document verwijst: polis en algemene voorwaarden, bewijs van deelneming en reglement van de onderlinge waarborgmaatschappij, ponskaart en mantelpolis bij collectieve verzekeringen. 4. De derde volzin houdt rekening met het feit dat soms, met name bij kortlopende transportverzekeringen, in het geheel geen polis wordt opgemaakt. Deze wijze van doen wordt onder de in de bepaling vervatte eisen toegelaten. 5. Lid 2 houdt rekening met verzekering van lange duur en dus met wijziging van de overeenkomst. Bepaald is dat hetgeen voor de oorspronkelijke overeenkomst is voorgeschreven, ook ten aanzien van de wijzigingen geldt. 6. Lid 3 legt de verplichting tot vervanging van verloren gegane bewijsstukken vast. Het feit van het verloren gaan moet desverlangd worden bewezen, maar dan is de verzekeraar ook tegen vergoeding van de kosten tot afgifte van een nieuw stuk verplicht. Zulks geldt ook indien de polis aan toonder of order is gesteld, of het een verzekering van zaken betreft die door middel van documenten plegen te worden verhandeld. Wat betreft het risico dat de verzekeraar bij afgifte van een nieuwe polis dan mogelijk tweemaal een uitkering moet doen, zij erop gewezen dat ingevolge artikel 949 het enkel tonen van de polis onvoldoende is om uitkering te krijgen. Dit artikel vereist immers dat men daarnaast ook zijn belang moet tonen. In de tweede plaats plegen deze documenten in meer dan een exemplaar te worden uitgegeven. 7. Het komt echter in de praktijk nogal eens voor dat de polis een clausule kent die erop neerkomt dat de verzekeraar zich verplicht tot het doen van de uitkering aan de houder van de polis, ongeacht of deze ten tijde van de schade reeds belanghebbende was (dit in afwijking van artikel 949). In dat geval is het risico van dubbele betaling bij uitgifte van een nieuwe polis uiteraard wel reëel. Dit risico kan ook gelegen zijn in de mogelijk moeilijke bewijspositie waarin de verzekeraar bij afgifte van een nieuwe polis aan order of toonder kan komen te verkeren. Desalniettemin is het voor een houder van polissen als hier aan de orde van groot belang dat bij verlies een nieuwe polis wordt afgegeven. De verzekeraar die echter vreest dat hij het risico van dubbele betaling loopt, kan als voorwaarde voor de betaling aan de houder van de nieuwe polis ingevolge de tweede volzin van lid 3 verlangen dat hem zekerheid wordt gesteld gedurende de tijd dat hij nog aan een vordering bloot zal kunnen staan (zoals ook geldt ten aanzien van wissels).

  3125. Artikel 933 (mededelingen schriftelijk) 1. Deze bepaling bevordert de toepassing van artikel 932. Zij geeft aan op welke wijze de verzekeraar zich van zijn verplichting tot schriftelijke mededeling moet, en kan kwijten. Zij beschermt ook de geadresseerde, daar deze uit een oogpunt van zekerheid belang heeft bij schriftelijke mededelingen. 2024 -1163- No. 164 2. De geadresseerde kan de verzekeringnemer, de tot uitkering gerechtigde of de zelfstandige tussenpersoon zijn. De term ‘schriftelijk’ omvat alle vormen die de modernste techniek kent. Indien de verzekeraar de mededeling per gewone brief aan de laatste hem bekende woonplaats verzendt, kan hem niet worden tegengeworpen dat de mededeling niet per aangetekende brief is gedaan, noch dat zij op het verkeerde adres is aangekomen. 3. Ingevolge lid 2 kan worden afgeweken van lid 1 door (onder voorwaarden) elektronische berichtgeving toe te staan bij een staatsbesluit. Wanneer de verzekeraar op grond van lid 2 en het staatsbesluit dat daaraan uitvoering geeft bevoegd is mededelingen langs elektronische weg te doen, is het gerechtvaardigd die bevoegdheid wederkerig te maken 4. Ingevolge artikel 943 lid 2, kan van de eerste volzin van lid 1 van het onderhavige artikel niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.

  3126. Artikel 934 (niet-betalen vervolgpremie) 1. Sommige polissen verbinden aan wanbetaling van de premie schorsing of beëindiging van de dekking of van de verzekering. Voor zover dit de eerste premie betreft, bestaat daartegen geen bezwaar, maar de tot uitkering gerechtigde moet ertegen worden beschermd dat ook bij een reeds lopende verzekering het enkele achterwege blijven van de betaling van vervolgpremie hem van dekking of zelfs van de verzekering berooft. 2. Naast een aanmaning zoals dit artikel eist voordat de verzekering of dekking kan worden geschorst of beëindigd, is ook nodig dat de verzekeringnemer door de verzekeraar duidelijk is gewezen op de gevolgen van het niet tijdig betalen van de premie (vergelijk Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf, 8 september 1986, nr. III-86/25). Hierbij is ook van belang het moment waarop de aanmaning waarin op deze gevolgen gewezen wordt dient uit te gaan om effect te hebben. Een aanmaning voor de vervaldag, zoals bijvoorbeeld op de nota ter zake van de vervolgpremie, beschermt onvoldoende de verzekeringnemer die tijdig wil betalen, maar dat uit vergeetachtigheid voor de vervaldag niet heeft gedaan. Een standaardformulering op de nota van de vervolgpremie heeft immers niet het karakter van een extra aansporing. Daarom is bepaald dat alleen het achterwege blijven van betaling na een aanmaning ‘na de vervaldag’ kan leiden tot beëindiging of schorsing. Aldus zal dit feitelijk tot effect hebben dat indien betaling na de premienota uitblijft, de schuldenaar in een zelfstandig bericht ten tweede male wordt herinnerd aan zijn betalingsverplichting. Na deze herinnering, die na de vervaldag uitgaat, is een termijn voor betaling van veertien dagen voldoende. 3. Het artikel mist toepassing in het geval van artikel 6:83, onderdeel c, te weten dat de verzekeraar uit een mededeling van de schuldenaar heeft moeten afleiden, dat deze de premie niet tijdig zal betalen. Dit is een van de gevallen waarin verzuim van de schuldenaar intreedt, zonder dat daartoe een ingebrekestelling nodig is. Alsdan mag ook de polis wel direct verval van de dekking en dergelijke voorschrijven. 4. Het artikel wordt slechts voorgesteld om de tot uitkering gerechtigde tegen de in het artikel genoemde sancties te beschermen en niet tegen andere gevolgen die aan niet-nakoming door de schuldenaar zijn verbonden. Bij die andere gevolgen is bovenal te denken aan de wettelijke rente (artikel 6:119), eventuele koersschade (artikel 6:125) en de incassokosten bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onderdeel c. 5. Schuldenaar van de premie is overeenkomstig artikel 925 lid 1, aanvankelijk in beginsel steeds de verzekeringnemer. Gevolg van artikel 948 is echter dat de schuldenaar van de premie in een later stadium een ander dan de oorspronkelijke nemer kan zijn. 6. Voor levensverzekering geldt een afzonderlijke regeling in artikel 980. 7. Van het bepaalde in dit artikel kan niet worden afgeweken indien de nemer een particulier is; zie artikel 943 lid 3. 2024 -1164- No. 164

  3127. Artikel 935 (verrekening) 1. Dit artikel staat in aanvulling op artikel 6:127 lid 2, ook verrekening van opeisbare premies, schade en kosten met een uitkering toe indien niet de verzekeringnemer, maar een derde de tot uitkering gerechtigde is. De bepaling is geharmoniseerd met die van artikel 936 lid 2, zodat een derde die zich verzekerd denkt te weten geen verrekening van opeisbare premies tegengeworpen kan krijgen ter zake van verzekeringen waar hij buiten staat. 2. Als gezegd kan de verzekeraar ingevolge artikel 6:127 een opeisbare premie verrekenen met een uitkering, en maakt het onderhavige artikel dit ook mogelijk als de schuldenaar van de premie en de tot uitkering gerechtigde niet dezelfde persoon zijn. Uiteraard wordt hierbij een uitzondering gemaakt indien de akte aan toonder of order is gesteld. De houder van de polis wordt dan immers beschermd tegen omstandigheden die niet uit de akte blijken (vergelijk artikel 6:146). Bij verzekering van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld en waarbij de polis niet door de verzekeraar van een order- of toonderclausule is voorzien, kan de uitgever niet geacht worden afstand te hebben gedaan van zijn relatieve verweermiddelen, zoals verrekening. Daarom is de tweede volzin van de onderhavige bepaling beperkt tot verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld. Hierover zij nog opgemerkt dat ook in het Engelse recht de verzekeraar aan de houder van de in blanco geëndosseerde polis de relatieve verweermiddelen kan tegenwerpen (section 50 lid 2, Marine Insurance Act 1906), zoals verrekening van nog openstaande premies. 3. Artikel 6:127 lid 2, staat ook verrekening toe voor premieschulden van andere verzekeringen dan de verzekering ingevolge waarvan een uitkering wordt gedaan, indien de uitkering toekomt aan de verzekeringnemer. Deze mogelijkheid ondervindt kritiek voor zover het gaat om een uitkering krachtens een aansprakelijkheidsverzekering. Het gevaar bestaat dan immers dat aan de rechten van de benadeelde, die bijzondere bescherming verdienen, afbreuk wordt gedaan, omdat mogelijk de benadeelde daardoor niet zijn (volledige) schade vergoed krijgt. Met het oog hierop is het wenselijk de mogelijkheid tot verrekening bij een aansprakelijkheidsverzekering te beperken door alleen verrekening toe te staan voor premies ter zake van dezelfde verzekering. Aldus is dit in lid 2 tot uitdrukking gebracht, waarmee deze bepaling tevens geharmoniseerd is met artikel 936. Ook door deze bepaling wordt immers de benadeelde in dezelfde zin beschermd voor het geval de verzekeringnemer nog premies verschuldigd is aan de tussenpersoon (artikel 936 lid 2, jo lid 5 onderdeel b).

  3128. Artikel 936 (gevolgen delcredere) 1. Dit artikel regelt de gevolgen van het delcredere. In de Beurspolissen is het niet letterlijk opgenomen, maar vloeit het voort uit de clausule dat de tussenpersoon voor de premie is – of: zal worden – belast en de verzekeringnemer daardoor is – of: zal zijn – gekweten. Deze laatste woorden hebben tot gevolg dat de tussenpersoon niet slechts borg staat voor de verplichtingen van de nemer, maar dat hij diens schuld tegenover de verzekeraar overneemt. Deze kan zich tegenover de nemer niet op het in gebreke blijven van de tussenpersoon beroepen. Deze laatste heeft verhaal op de verzekeringnemer. 2. Het thans voorgestelde artikel spreekt hier niet van hetgeen de tussenpersoon aan de verzekeraar heeft betaald, doch van hetgeen voor zijn rekening is gekomen, omdat zijn afrekening met de verzekeraar in rekening-courant geschiedt. Hij heeft dus verhaal zodra hij daarin is gedebiteerd, en natuurlijk ook indien hij op andere wijze aan de verzekeraar heeft betaald. Bovendien is de verzekeringnemer gekweten, zodra hijzelf – of een ander voor hem – de premie en de kosten aan de tussenpersoon heeft voldaan, voordat deze is gedebiteerd of anderszins aan de verzekeraar heeft voldaan. Uiteindelijk komen premie en kosten ten laste van de verzekeringnemer, hetzij doordat hij deze aan de tussenpersoon vergoedt, hetzij doordat premie en kosten van een uitkering worden afgehouden. 2024 -1165- No. 164 3. In de Beurspolissen gaat de zojuist genoemde clausule steeds gepaard aan het beding dat de verzekeraar de bevoegdheid geeft, de door hem verschuldigde uitkering bevrijdend aan de tussenpersoon te voldoen. Omdat dit slechts de bevoegdheid van de verzekeraar tot afrekening met de tussenpersoon inhoudt, biedt het deze laatste geen zekerheid. Daarom legt lid 2 van het onderhavige artikel de verzekeraar de daar omschreven verplichting op. 4. De leden 2 en 3 bieden de tussenpersoon bescherming indien enerzijds de verzekeringnemer hem niet heeft voldaan en anderzijds de verzekeraar tot uitkering verplicht is geworden. De eerste volzin van lid 2 verplicht de verzekeraar, desverlangd, af te houden en aan de tussenpersoon uit te keren al hetgeen de verzekeringnemer uit hoofde van dezelfde verzekering aan premie en kosten nog aan de tussenpersoon verschuldigd is. Aan deze verplichting kunnen, behoudens het in lid 4 van het artikel bepaalde, rechten van derden geen afbreuk doen (‘ongeacht rechten van derden’). 5. In geval de verzekeringnemer krachtens de verzekeringsovereenkomst de tot uitkering gerechtigde is, geeft de tweede volzin van lid 2 de tussenpersoon een verdergaande bescherming. De verzekeraar heeft dan, desgevorderd, gelijke verplichting tot afhouding en afdracht ten aanzien van andere premies en kosten, welke de tussenpersoon op grond van een delcredere beding in andere verzekeringsovereenkomsten tussen dezelfde partijen heeft betaald, doch die hem nog niet zijn voldaan. De woorden ‘krachtens de verzekeringsovereenkomst’ brengen tot uitdrukking dat verkrijging van rechten op de uitkering door derden – men denke bijvoorbeeld aan cessie en subrogatie – geen afbreuk doet aan de rechten van de tussenpersoon. 6. Teneinde het de tussenpersoon mogelijk te maken zijn rechten van lid 2 uit te oefenen, verplicht lid 3 de verzekeraar alvorens tot uitkering aan een ander over te gaan, de tussenpersoon van zijn voornemen daartoe te verwittigen. De tussenpersoon heeft dan tien dagen de tijd om opgave te doen van het bedrag waarop hij aanspraak maakt: doet hij eerst daarna opgave dan loopt hij het risico dat de verzekeraar inmiddels tot uitkering is overgegaan. 7. In de leden 4 en 5 zijn enige uitzonderingen op de leden 2 en 3 opgenomen, gevallen waarin er een ander is, die buiten de driehoeksverhouding verzekeraar-tussenpersoon-verzekeringnemer staat, maar die bijzondere bescherming behoeft. 8. Als zodanig worden in lid 4 in de eerste plaats (onder a) genoemd de tot uitkering gerechtigde uit een polis aan order of toonder. De reden is dezelfde als waarom bij deze verzekeringen een verrekening ingevolge artikel 935 is uitgesloten. Zie de toelichting hierboven bij dat artikel. Aldaar is ook aangegeven waarom dit anders is bij verzekeringen van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld. Om die reden wordt ook hier deze uitzondering beperkt tot verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld. 9. De tweede uitzondering (onder b) betreft de benadeelde ten behoeve van wie juist de verzekering moest worden gesloten; men denke aan de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Aan de rechten van deze benadeelden behoort geen afbreuk te worden gedaan door de interne verwikkelingen binnen de bovengenoemde driehoeksverhouding. 10. Lid 5 werkt ten gunste van derden, die zelf niet tot uitkering zijn gerechtigd, maar die zouden worden gedupeerd doordat de verzekeraar, krachtens lid 2, tweede volzin, op de uitkering waarmee zij hebben te maken, bedragen inhoudt die door de verzekeringnemer, tevens de tot uitkering gerechtigde, uit andere verzekeringen zijn verschuldigd. Als zodanig wordt in de eerste plaats (onder a) genoemd de pandhouder krachtens artikel 3:229 (de pand- of hypotheekhouder die is gedupeerd door aantasting van het goed waarop zijn recht rustte) en degenen met een voorrecht als bedoeld in artikel 3:283 (voorrecht op een bepaald goed). Aldus wordt bereikt dat het recht van de tussenpersoon op vergoeding van door hem betaalde premies alleen sterker is voor zover het gaat om premies ter zake van de verzekering waaruit de uitkering, waarop het voorrecht rust, voortvloeit. De rechtvaardiging voor deze beperking is immers dat wanneer de tussenpersoon de premies niet had voldaan, er waarschijnlijk geen dekking was en dientengevolge ook geen pandrecht of voorrecht op de vordering op de verzekeraar. Dit argument gaat echter niet op voor de premies ter zake van andere verzekeringen. Alsdan dienen het pandrecht en het voorrecht van artikel 3:283 sterker te zijn dan het recht op afdracht. 2024 -1166- No. 164 11. In de tweede plaats (onder b) wordt in lid 5 genoemd de benadeelde die profiteert van een te zijnen behoeve, zij het onverplicht, gesloten aansprakelijkheidsverzekering. Deze laatste kan een beroep doen op het voorrecht van artikel 3:287. Zijn rechtspositie is beperkter gehouden dan die van de benadeelde ten opzichte van een verplichte aansprakelijkheidsverzekering. 12. In de Beurspolissen gaat het beding van delcredere steeds gepaard aan het beding dat de verzekeraar de bevoegdheid geeft, de door hem verschuldigde uitkering bevrijdend aan de tussenpersoon te voldoen. De tussenpersoon is dan gevolmachtigd tot inning en ontvangt deze als vertegenwoordiger van de tot uitkering gerechtigde. De tussenpersoon is verplicht de uitkering aan deze te voldoen, en is in die zin als schuldenaar aan te merken. Hij kan dan eventuele openstaande premies ingevolge artikel 6:127 lid 2, met de uitkering verrekenen als de tot uitkering gerechtigde premieschuldig is. Zonder nadere bepaling is het dan echter de vraag of hij hierbij de leden 4 en 5 in acht moet nemen. Lid 6 beoogt dit duidelijk te stellen. Tevens wordt hiermee veiliggesteld dat de tussenpersoon ook de bevoegdheid tot verrekening heeft indien de uitkering aan een derde verschuldigd is. Ingevolge artikel 6:127 lid 2, zou hij dat recht immers missen. De verzekeraar heeft voor dat geval ook de bevoegdheid tot verrekening (artikel 935), evenals de tussenpersoon, indien de verzekeraar rechtstreeks aan de tot uitkering gerechtigde derde betaalt, ingevolge het onderhavige artikel een recht op afdracht heeft.

  3129. Artikel 937 (onvermogen tussenpersoon) 1. Dit artikel dient ter bescherming van de klant tegen het onvermogen van de verzekeringstussenpersoon. Artikel 936 geeft reeds deze bescherming voor zover het bepaalt dat de verzekeringnemer is gekweten indien de premie aan de tussenpersoon is voldaan. Het onderhavige artikel beschermt de klant tegen het onvermogen van de tussenpersoon om de uitkering aan de verzekerde te voldoen. Gekozen is voor de constructie dat de verzekeraar bij betaling aan de tussenpersoon pas is gekweten zodra de uitkering aan de tot uitkering gerechtigde is voldaan. 2. Dit betekent dat indien de polisvoorwaarden het aan de verzekeraar toestaan de verschuldigde uitkeringen aan de tussenpersoon te voldoen, de verzekeraar desondanks door uitbetaling aan de tussenpersoon nog niet is gekweten. Dat is hij pas nadat de uitkering (door de tussenpersoon) aan de tot uitkering gerechtigde is voldaan. Artikel 937 ziet ook op de situatie waarbij de tussenpersoon van de verzekerde een volmacht heeft verkregen tot het incasseren van de uitkering. Wel zij daarbij aangetekend dat bij faillissement van de tussenpersoon de volmacht vervalt, zodat de verzekeraar in dat geval ook thans niet meer bevrijdend aan de tussenpersoon kan betalen. Zie artikel 3:72 en HR 15-4-1994, NJ 1994, 607. 3. De verzekeraar is ingevolge artikel 937 jegens de tot uitkering gerechtigde gekweten voor zover hetgeen aan hem verschuldigd is aan hem wordt voldaan. Met de woorden ‘hetgeen aan de tot uitkering gerechtigde verschuldigd is’ wordt er rekening mee gehouden dat in bepaalde gevallen de tot uitkering gerechtigde niet de gehele uitkering toekomt. Men denke aan de bevoegdheid van de verzekeraar tot verrekening met nog openstaande premies. 4. Voorts bepaalt het artikel dat de verzekeraar ook is gekweten voor zover de tot uitkering gerechtigde door betaling aan de tussenpersoon is gebaat. Men denke hierbij aan een bevoegdheid tot verrekening van de tussenpersoon, bijvoorbeeld ingevolge lid 6 van artikel 936, en aan de situatie waarbij onder de tussenpersoon executoriaal derdenbeslag is gelegd. 5. Ten slotte zij erop gewezen dat deze bepaling is opgenomen in artikel 943 lid 2, zodat van deze bepaling niet ten nadele van de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde kan worden afgeweken.

  3130. Artikel 938 (geen risico, geen premie) 1. Lid 1 stelt een van oudsher geldende regel omtrent premierestorno voorop: indien in het geheel geen risico is gelopen, is ook geen premie verschuldigd. De tweede volzin bevat een uitbreiding met het oog op langlopende verzekeringen. Met de woorden: geen risico is gelopen, wordt tot uitdrukking gebracht, dat de bepaling eerst toepassing vindt, indien noch de verzekeraar, noch de tot uitkering gerechtigde het risico heeft gelopen waartegen werd verzekerd. De bepaling vindt 2024 -1167- No. 164 aldus toepassing indien koopmansgoederen voor een bepaalde reis zijn verzekerd, doch niet worden verzonden. Zij vindt geen toepassing indien een gebouw tegen brand is verzekerd op voorwaarde dat bepaalde blusmiddelen aanwezig zijn, terwijl aan die voorwaarden gedurende een vol verzekeringsjaar niet is voldaan. Dan is wel risico gelopen, zij het niet door de verzekeraar. 2. Indien premie ingevolge dit artikel zonder rechtsgrond blijkt te zijn betaald, kan zij op grond van artikel 6:203 worden teruggevorderd. Wel heeft de verzekeraar recht op een billijke vergoeding van te zijnen laste gekomen kosten, te weten provisie en administratiekosten. De bepaling laat alle ruimte deze kosten op een percentage van de premie te stellen. 3. De aanhef van lid 1 brengt tot uitdrukking dat de premie wel ten volle verschuldigd is indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde de verzekeraar door misleiding tot het sluiten van de overeenkomst heeft bewogen, doch uiteindelijk geen risico blijkt te zijn gelopen. Men heeft bijvoorbeeld een niet-bestaande zaak verzekerd en deze daarna als gestolen of als vernietigd aangemeld. Dan behoudt de verzekeraar de premie. 4. Lid 2 geeft elke partij het recht, een langlopende verzekering op te zeggen, indien over een vol jaar geen risico is gelopen; zie over de term ‘geen risico lopen’ de toelichting op lid 1. Of dit laatste het geval is kan eerst na afloop van zulk een jaar worden vastgesteld. Na afloop daarvan heeft men een maand de tijd om op te zeggen. De tweede volzin voorkomt dat de verzekeraar opzegt om van een intussen ontstane vergoedingsplicht af te komen. Voor het opzeggingsrecht maakt het geen verschil of al dan niet met het in lid 1 bedoelde opzet is gehandeld. 5. Lid 3 vindt toepassing indien bijvoorbeeld slechts een deel van de verzekerde zaken is verzonden.

  3131. Artikel 939 (tussentijdse opzegging) 1. Dit artikel regelt de gevolgen van tussentijdse opzegging voor de verschuldigdheid van de lopende premie. De bepaling omvat niet alleen opzegging krachtens overeenkomst, maar ook krachtens de wet: artikel 929, artikel 948 lid 2 en artikel 949. 2. Onder lopende premie is te verstaan de laatst vervallen (en veelal reeds betaalde) premie, die mede betrekking heeft op de periode gelegen nadat de overeenkomst tussentijds is beëindigd. Deze lopende premie dient, aldus de hoofdregel van het artikel, naar billijkheid te worden verminderd. Niet wordt voorgeschreven vermindering naar evenredigheid van de tijdsduur, waarvoor de verzekering vervalt. Bij de bepaling van de vermindering moet immers naast de tijd ook op andere factoren worden gelet, zoals op de provisie en de administratiekosten, terwijl bij verzekering van objecten in aanbouw het tijdsverloop veelal geen uitgangspunt zal zijn. Men zie verder de toelichting bij artikel 938 lid 1. 3. Blijkens de aanhef wordt de lopende premie niet verminderd indien de opzegging heeft plaats gevonden wegens opzet de verzekeraar te misleiden. 4. Ingevolge artikel 943 lid 1 kan van dit artikel niet worden afgeweken, behalve wat betreft de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen. Bij motorrijtuig-verzekeringen op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen hebben verzekeraars. Juist ter voorkoming van het onverzekerd rijden, hun polissen zodanig geredigeerd dat tussentijdse beëindiging door de verzekeringnemer financieel onaantrekkelijk is. Dit beleid heeft geresulteerd in minder uit financiële motieven gedreven royementen.

  3132. Artikel 940 (opzeggingstermijn) 1. Dit artikel bevat enkele voorschriften omtrent opzegging van de overeenkomst. Lid 1 betreft verzekeringen die behoudens tijdige opzegging automatisch doorlopen. In de praktijk wordt het recht om dit doorlopen te verhinderen soms illusoir gemaakt door een onnodig lange opzegtermijn. Daaraan stelt het lid paal en perkdoor een opzegtermijn van twee maanden voor te schrijven. De overeenkomst mag geen langere termijn noemen, maar partijen mogen wel reeds voordien opzeggen. 2. Lid 2 keert zich tegen een onredelijk lange tijd, waarvoor de verzekering is gesloten, of waarvoor zij automatisch wordt voortgezet. Deze termijn kan door elk van de partijen tot vijf jaar worden teruggebracht indien hij meer beloopt. Indien bijvoorbeeld een overeenkomst voor zeven jaar is 2024 -1168- No. 164 gesloten met verlenging voor dezelfde tijd, kan elk der partijen de overeenkomst tegen het einde van het vijfde jaar opzeggen. Hij kan ook wachten tot het einde van het zevende jaar. Dezelfde mogelijkheden bestaan voor opzegging na verlenging; in het gegeven voorbeeld kan dan tegen het einde van het twaalfde jaar, maar ook tegen het einde van het veertiende jaar worden opgezegd. In alle gevallen geldt een opzegtermijn van twee maanden. 3. Bij persoonsverzekering mist de verzekeraar het recht van vervroegde opzegging. Hiermee sluit het lid aan op de aard van vele persoonsverzekeringen, die meebrengt dat de mogelijkheid van verzwaring van het gezondheidsrisico voor rekening van de verzekeraar komt; men zie ook lid 5. 4. De derde volzin van lid 2 betreft bijvoorbeeld de dekking van oorlogsmolestrisico’s bij het verzekeren van zeeschepen, luchtvaartuigen en goederen. Bij verwezenlijking van een dergelijk risico kan de overeenkomst worden opgezegd met inachtneming van een termijn van acht dagen. De omschrijving der risico’s is ontleend aan artikel 3:38 van de Nederlandse Wet op het financieel toezicht. 5. De vierde volzin van lid 2 regelt de wijze waarop de verzekeraar gebruik maakt van een door hem bedongen bevoegdheid tot tussentijdse opzegging van de verzekering. Bij de verzekeringsovereenkomst past in het algemeen dat de verzekeraar in beginsel terughoudend is in het hanteren van een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging, zeker als er geen sprake is van kwade trouw bij de verzekeringnemer. De van verzekeraars te vergen terughoudendheid is tot uitdrukking gebracht in deze vierde volzin. 6. In elk geval zal voldaan moeten zijn aan de in de verzekeringsvoorwaarden gestelde vereisten. Voorts zal de verzekeraar veelal zorgvuldig moeten overwegen of de omstandigheden voldoende ernstig zijn om opzegging te rechtvaardigen en moeten nagaan of in redelijkheid geen minder ingrijpende maatregel kan worden gevonden die evenzeer recht doet aan de belangen van beide partijen. Alvorens tot opzegging over te gaan, kan een waarschuwing op zijn plaats zijn. Ook kan gedacht worden aan het instellen van een eigen risico per gebeurtenis als voorwaarde voor het voortzetten van de verzekering. In het geval van tussentijdse opzegging zal de verzekeraar steeds gehouden zijn schriftelijk mee te delen welke redenen aan de opzegging ten grondslag liggen, reeds omdat de verzekeringnemer deze informatie bij het sluiten van een nieuwe verzekering nodig heeft. Voor de formulering van de laatste volzin is aansluiting gezocht bij artikel 6:237, onderdeel d. 7. Het komt nogal eens voor dat krachtens de polis de verzekeraar en de verzekeringnemer ongelijke opzegmogelijkheden hebben. Zo komt het voor dat de verzekeringnemer alleen kan opzeggen tegen de contractsvervaldatum, maar de verzekeraar ook tegen elke jaarlijkse premievervaldatum. Ook komt de verzekeraar nogal eens de bevoegdheid toe de overeenkomst tussentijds op te zeggen na het vallen van schade, terwijl die bevoegdheid de verzekeringnemer wordt onthouden. Lid 3, eerste volzin, van dit artikel beoogt de opzegmogelijkheden voor beide partijen gelijk te doen zijn. Dit vooral om evenwichtige opzegmogelijkheden te creëren. Het belang daarvan voor de verzekeringnemer kan bijvoorbeeld daarin gelegen zijn dat deze ontevreden is over een afwikkeling van de schade. De mogelijke vrees – met name bij meerjarige contracten tegen een lagere premie – dat door het gelijktrekken van de opzegmogelijkheden de verzekeringnemer onder omstandigheden te gemakkelijk de overeenkomst tussentijds kan opzeggen, kan door de verzekeraar weggenomen worden door zijn eigen opzegmogelijkheden restrictief te formuleren. Beide partijen dienen bij tussentijdse opzegging krachtens de polis een termijn van twee maanden in acht te nemen. Deze termijn – die aansluit bij die van lid 1 – is voldoende voor de administratieve afwikkeling daarvan, dan wel voor het vinden van vervangende dekking. Overigens zij erop gewezen dat van dit lid 3, evenals van de leden 1 en 2 niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde kan worden afgeweken. 8. De opzegtermijn van twee maanden is niet passend indien de verzekering wordt opgezegd wegens het opzet tot misleiding. Men denke aan de verzekeraar die de overeenkomst wil opzeggen wegens het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie bij schade. In zo’n geval kan de overeenkomst onmiddellijk worden opgezegd. 2024 -1169- No. 164 9. Lid 4 heeft het oog op het beding, dikwijls in langlopende overeenkomsten voorkomend, dat de verzekeraar de overeenkomst eenzijdig mag wijzigen. Hiertegen bestaat, afgezien van het in lid 5 bepaalde, geen bezwaar, mits de verzekeringnemer de overeenkomst kan opzeggen. Dit wordt hem in lid 4 gewaarborgd. De term ‘ten nadele van’ moet ruim worden uitgelegd. Het recht tot opzegging bestaat dus ook indien de dekking deels wordt beperkt en deels wordt uitgebreid. Geen recht op opzegging bestaat indien de premie uitsluitend wordt verhoogd als gevolg van een overeengekomen indexering van de verzekerde som. Dan is het niet de verzekeraar die de overeenkomst wijzigt, doch vloeit de wijziging rechtstreeks uit de overeenkomst voort. 10. Lid 5 derogeert aan artikel 6:258 en behoeft geen verdere toelichting; de ratio kwam reeds bij de toelichting op lid 2 ter sprake. Men zie voor levensverzekering artikel 977. Lid 6 maakt het mogelijk dat de consument de verzekering elektronisch opzegt. 11. Van het in de leden 1, 3, 5 en 6 bepaalde, kan ingevolge artikel 943 lid 2, niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken. Ten aanzien van de leden 2 en 4 geldt ingevolge artikel 943 lid 3, hetzelfde indien de verzekering is gesloten door een particulier.

  3133. Artikel 941 (meldingsplicht) 1. Lid 1 preciseert de meldingsplicht bij verwezenlijking van het risico in twee opzichten. In de eerste plaats maakt het duidelijk dat deze verplichting niet alleen op de tot uitkering gerechtigde maar ook op de verzekeringnemer rust. In de tweede plaats legt het vast dat de verplichting niet reeds ontstaat op het moment dat het risico zich verwezenlijkt, maar eerst zodra de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde daarvan op de hoogte is of behoort te zijn, maar dan moet de mededeling ook zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is worden gedaan. Deze woorden kunnen van betekenis zijn voor de keuze van het communicatiemiddel. 2. Lid 2 legt vast hetgeen ook zonder dien de redelijkheid en de billijkheid zouden meebrengen; vgl. HR 16-1-1959, N.J. 1960, 46. 3. De meldingsplicht kan een verbintenis zijn welke ingevolge artikel 6:74 bij een toerekenbare niet- nakoming in beginsel tot schadevergoeding verplicht. Is het de tot uitkering gerechtigde die deze verplichting niet nakomt, dan kan de verzekeraar zijn aanspraak op schadevergoeding verrekenen met de uitkering. Deze mogelijkheid ontbreekt echter indien de tot uitkering gerechtigde zijn aanwijzing nog niet heeft aanvaard, omdat op hem in dat geval door de verzekering geen verbintenissen kunnen worden opgelegd. Zie ook de toelichting bij artikel 926 lid 2. In die situatie kan de meldingsplicht beter worden opgevat als een ‘Obliegenheit’ (zie hierboven bij artikel 927), die bij verzaking aanleiding geeft tot vermindering van de uitkering. Daarom verdient het aanbeveling dat de wet bij de niet-nakoming van de meldingsplicht door de tot uitkering gerechtigde een zelfstandige grondslag biedt voor vermindering van de uitkering. Lid 3 van dit artikel biedt deze grondslag. 4. Overigens kan worden aangenomen dat indien de tot uitkeringsgerechtige de verwezenlijking van het risico niet heeft gemeld door een omstandigheid die hem niet kan worden toegerekend, bijvoorbeeld omdat hij niet op de hoogte is van het bestaan van de verzekering of zijn aanwijzing, de tweede volzin van lid 1 in de weg staat aan vermindering van zijn uitkering. 5. In het bijzonder de stipte nakoming van de verplichting van lid 1 is voor de verzekeraar van groot belang: zij stelt hem in staat zijn uitkeringsplicht naar behoren te beoordelen, schadebeperkende maatregelen aan te wijzen en, zonodig, tegenbewijs te verzamelen. Een vordering tot schadevergoeding is daarbij een moeilijk te hanteren sanctie, en veelal wordt dan ook overeengekomen dat bij niet-nakoming het recht op uitkering vervalt. Deze sanctie is te straf, en lid 4 geeft dan ook slechts de mogelijkheid deze sanctie te bedingen voor het geval de verzekeraar door de niet-nakoming van het in het artikel bepaalde in een redelijk belang is geschaad. 6. Voor het geval dat die verplichtingen niet worden nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, geeft het ontwerp zelf die sanctie in lid 5. Daarbij volgt het ontwerp het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad niet. Het is niet gewenst dat bedrog bij de schaderegeling de verplichting van de verzekeraar, de werkelijk geleden schade te vergoeden, onverlet zou laten, omdat de bedrieger dan geen enkel risico loopt en er alleen maar ontoelaatbaar voordeel uit zou 2024 -1170- No. 164 kunnen trekken. Anderzijds lijkt bij partieel bedrog, mede gelet op artikel 6:237, aanhef en onderdeel h, een genuanceerde toepassing geboden (zie onder meer Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf II-96/40, te kennen uit Verzekeringsrechtelijke berichten 1997, blz. 43 e.v.). Door toevoeging aan het slot lid 5 van de woorden ‘behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt’, wordt de rechter bij toepassing van de sanctie de mogelijkheid gegeven met de bijzonderheden van elk geval rekening te houden. Aldus kan de rechter een gezien de zwaarte van het bedrog passende, meer proportionele sanctie toepassen, bijvoorbeeld indien het frauduleus handelen slechts betrekking heeft op één van de verschillende vorderingen die de verzekerde onder verschillende rubrieken van de polis heeft ingediend. Wel zal als uitgangspunt moeten gelden dat gezien de opzet tot misleiding, alleen in bijzondere omstandigheden aangenomen kan worden dat het (gehele) verval van uitkering niet gerechtvaardigd is. 7. Van de leden 1, 2, 4 en 5 kan niet ten nadele van de nemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken (artikel 943 lid 2).

  3134. Artikel 942 (verjaring) 1. De bepalingen omtrent verjaring, vervat in titel 11 van Boek 3, zijn in zoverre van regelend recht dat zij bij overeenkomst kunnen worden verkort, met dien verstande dat artikel 6:236, onderdeel g, een verkorting tot minder dan een jaar op de ‘zwarte lijst’ plaatst. Aldus wordt echter aan de verzekeraar meer ruimte gelaten dan noodzakelijk en gewenst is. Daarom geeft lid 1 van het onderhavige artikel 942 een bijzondere verjaringstermijn ten aanzien van het geldend maken van het recht op uitkering. 2. Lid 2 regelt de stuiting van de in lid 1 bedoelde verjaring. Het is ingegeven door hetgeen vele overeenkomsten thans bepalen. (Dit geschiedt soms in de vorm van een vervaltermijn, maar voortaan is dit niet steeds mogelijk; zie hieronder). Ook na afwijzing is de verjaringstermijn drie jaar. Lid 3 (ontleend aan de Nederlandse Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade van 17 december 2009, Stb. 221) houdt rekening met het bijzondere karakter van een aansprakelijkheidsverzekering. Zo is een van diens karakteristieken dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag ingevolge een verzekering tegen aansprakelijkheid een uitkering verschuldigd is, vaak meer tijd vergt dan bij andere verzekeringen. Deze vragen hebben bovendien mede betrekking op een derde die geen partij is bij de verzekering maar met wie in de praktijk vaak wel de onderhandelingen plaatsvinden. 3. Lid 3 houdt met het voorgaande rekening door aan iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de benadeelde stuitende werking toe te kennen. Dat is ook in overeenstemming met de realiteit dat, zolang er nog onderhandelingen worden gevoerd, de verzekeraar er rekening mee zal houden dat zijn wederpartij zijn recht op nakoming voorbehoudt. 4. De tweede volzin van lid 3 bepaalt dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig aan de andere partij kennisgeeft dat hij de onderhandelingen afbreekt. Indien de verzekeraar in onderhandeling is met de benadeelde dient hij aan de verzekerde te laten weten dat hij de onderhandelingen heeft afgebroken. De verzekerde heeft er immers groot belang bij te weten dat er een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen, bijvoorbeeld indien hij de verjaring op enig moment weer zou willen stuiten. Indien een verzekeraar er aldus kennis van geeft dat hij de onderhandelingen afbreekt, bedraagt de nieuwe termijn weer drie jaar (vgl. ook artikel 3:319 lid 2). Opgemerkt zij nog dat het begrip ‘onderhandeling’ in ruime zin moet worden opgevat, zodat daaronder elke briefwisseling en elke mondelinge bespreking over de mogelijke uitkering moet worden begrepen. 5. Dat aldus bij aansprakelijkheidsverzekeringen aan onderhandelingen stuitende werking wordt toegekend, laat onverlet dat de verjaring daarnaast ook op andere wijze kan worden gestuit, zoals door een schriftelijke aanmaning (artikel 3:317). Dit is bijvoorbeeld van belang indien de verzekeraar weigert in onderhandeling te treden. De benadeelde heeft dan toch de mogelijkheid om 2024 -1171- No. 164 de verjaring te stuiten. Daarbij zij wel opgemerkt dat door de woorden ‘in afwijking van lid 2, eerste volzin’ de wijze van stuiting zoals dat in dit lid is omschreven, bij aansprakelijkheidsverzekeringen toepassing mist. 6. Het onderhavige artikel 942 kent geen absolute verjaringstermijn. Dit is vooral van belang bij zgn. ‘long tail-risico’s’, waarbij de schade zich mogelijk pas kan manifesteren nadat een absolute verjaringstermijn is verstreken. Het opnemen in de polis van een absolute verjaringstermijn is ingevolge artikel 943 lid 2 ook niet mogelijk. Dit omdat anders mogelijk geen dekking zou kunnen bestaan voor ‘long tail-schades’, ook als deze tijdens de geldigheidsduur van de dekking zijn gemeld.

  3135. Artikel 943 (dwingend recht) Dit artikel is telkens toegelicht bij de artikelen waarnaar het verwijst. Zie ook het Algemeen deel van deze Memorie van Toelichting, onder 4-8. Afdeling 2. Schadeverzekering

  3136. Artikel 944 (definitie) 1. De in dit artikel opgenomen definitie vult die van artikel 925 aan. Zij bevat alleen een omschrijving van het kenmerk van de schadeverzekering ten opzichte van verzekering in het algemeen. Met het woord: vermogensschade, sluit het artikel aan bij artikel 6:95, hetgeen meebrengt dat daaronder mede zijn begrepen de vergoeding van kosten, als bedoeld in artikel 6:96, waarvoor de verzekerde kan komen te staan, en gederfde winst. 2. Ook overigens moet de term ‘vermogensschade’ ruim worden opgevat; de grens ligt slechts daar, waar de verzekerde door het ontvangen van de schadevergoeding in een duidelijk voordeliger positie zou geraken: artikel 960. Slechts een verzekering die de strekking heeft die grens te overschrijden is in zoverre nietig; vgl. HR 6-10-1978, NJ 1980, 534 betreffende imaginaire winst (met vervolg in HR 4-2-1983, NJ 1983, 626).

  3137. Artikel 945 (begrippen) Dit artikel bevat de omschrijving van het begrip ‘verzekerde’ in deze afdeling. Zij vloeit voort uit de voor titel 7.17 gekozen terminologie. Door de woorden ‘krachtens de verzekering’ brengt de bepaling tot uitdrukking dat uitsluitend van de overeenkomst en hetgeen daaruit voortvloeit, afhangt wie in geval van schade tot vergoeding is gerechtigd. Zo zal, indien de verzekering verschillende achtereenvolgende belangen dekt, zoals bij koopmansgoederen, uit de overeenkomst moeten worden afgeleid wie van de belanghebbenden tegenover de verzekeraar aanspraak kan maken op vergoeding van de door hem geleden schade, en op welk moment men een gedekt belang dient te hebben: ten tijde van de verwezenlijking van het risico of ten tijde van het vaststellen van de schade. Ook een derde die nog niet heeft aanvaard moet ingevolge het slot als verzekerde worden aangemerkt.

  3138. Artikel 946 (bevoegdheden verzekeringsnemer) 1. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat de verzekeraar erop mag rekenen dat slechts de belangen van zijn wederpartij zijn gedekt, tenzij anders is overeengekomen. Het is niet nodig dat het belang reeds bij het sluiten van de overeenkomst bestaat. 2. Indien een echtgenoot een zaak verzekert die in de gemeenschap valt, zijn ingevolge lid 1 slechts de belangen van deze echtgenoot gedekt. Tenzij derhalve anders is overeengekomen, zijn daarmee niet de belangen van de andere echtgenoot gedekt. Daardoor kan er vooral bij een huwelijksgoederengemeenschap onduidelijkheid bestaan over de vraag of dat meebrengt dat het verzekerd belang dan ook niet meer dan de helft van de waarde van het verzekerde object beloopt. Om deze onduidelijkheid te vermijden, en dit voor echtgenoten onwenselijke gevolg te voorkomen, wordt in lid 2 van het onderhavige artikel bepaald dat iedere echtgenoot voor zijn belang verzekerde is. Voor andere gemeenschappen geldt deze regel niet, omdat de deelgenoten daarvan niet zonder meer een zodanige band met elkaar hebben dat wenselijk is dat bij een verzekering van een zaak door een deelgenoot ook de belangen van de andere deelgenoten gedekt zijn. 2024 -1172- No. 164

  3139. Artikel 947 (herroeping aanwijzing begunstigde) 1. Veel schadeverzekeringen kennen derdenbedingen als gevolg waarvan de belangen van derden zijn (mee-) verzekerd. In de commerciële sfeer zijn dit bijvoorbeeld de aanbouwverzekering voor gebouwen of schepen, waarbij praktisch eenieder is meeverzekerd die met de bouw maar iets van doen heeft, de verzekering van landmaterieel waarbij naast de eigenaar ook (bijvoorbeeld) de huurder van het materieel is gedekt. Ook in de privésfeer komen derdenbedingen veelvuldig voor: de overeenkomst geeft niet alleen de nemer dekking, maar ook diens echtgenoot, zijn kinderen en (eventueel) andere huisgenoten; de inboedelverzekering dekt ook wel de bagage van logé’s; de verzekering van voertuigen en pleziervaartuigen pleegt ook dekking te verlenen aan degene die het voer- of vaartuig met machtiging van de verzekeringnemer bestuurt, enz. 2. Hierbij moet men uitgaan van het beding ten behoeve van een derde, geregeld in de artikelen 6:253 tot en met 6:256. Aan een afwijking bestaat echter behoefte. Artikel 6:253 lid 2 bepaalt dat tot de aanvaarding door de derde het beding kan worden herroepen door degene die het heeft gemaakt. Dit past echter niet goed bij verzekering waarbij naast de zojuist genoemde gevallen ook algemene clausules als ‘voor wie het aangaat’ enz. zo veelvuldig voorkomen, ook op standaardformulieren, dat zij a.h.w. deel uitmaken van het product van de verzekeraar. Daarom wordt in het onderhavige artikel 947 bepaald dat de verzekeringnemer de aanwijzing niet kan herroepen zonder medewerking van de verzekeraar of van de derde. Verzekeringnemer en verzekeraar kunnen door wijziging van hun overeenkomst de aanwijzing ongedaan maken, maar de tweede zinsnede verhindert dat dit geschiedt nadat de schade is gevallen, en dus ten nadele van de derde.

  3140. Artikel 948 (kwalitatief recht) 1. Dit artikel geeft vorm aan de aloude regel dat de verzekering het belang volgt. De verkrijger moet de vervreemder in zijn door de verzekering gedekte belang zijn opgevolgd. Is dus een huis door de eigenaar tegen brand verzekerd, dan loopt bij overdracht van het huis de verzekering ten bate en ten laste van de nieuwe eigenaar. De uitzondering is neergelegd in de derde volzin. 2. Lid 2 dwingt de nieuwe verzekerde, nadat hij de zaak of het beperkte recht heeft verkregen, te kiezen of hij de verzekering wil voortzetten. Daartegenover kan van de verzekeraar niet worden gevergd dat hij de overeenkomst met iedere willekeurige verzekerde wil voortzetten. Daarom geeft dit lid hem een opzeggingsrecht. 3. Lid 3 berust op het feit, dat de verzekeraar niet weet wie de nieuwe verzekerde is, zolang deze hem niet heeft doen weten de verzekering over te nemen. Hoe vervreemder en verkrijger de premiebetaling onderling regelen, raakt de verzekeraar niet. 4. De in lid 2 genoemde termijnen mogen niet tot verlenging van de verzekering of tot belemmering van opzegging uit anderen hoofde leiden. Zou bijvoorbeeld de verzekering zonder overdracht van de zaak nog slechts acht dagen hebben gelopen, dan brengt de overdracht van de zaak daarin geen wijziging. Dit is in lid 4 neergelegd. 5. Indien de verzekering een derdenbeding bevat, en de verkrijger aan de omschrijving daarvan voldoet, is zijn rechtspositie door artikel 947 bepaald. Daarbij is geen plaats voor opzegging door de verzekeraar. Dit verklaart de inhoud van lid 5.

  3141. Artikel 949 (bewijsstuk aan toonder of order en documenten) 1. Evenals in artikel 932 lid 3 worden in deze bepaling verzekeringen van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld gelijkgesteld met verzekeringen die aan toonder of order luiden. Bij deze verzekeringen zijn de artikelen 947 (herroeping aanwijzing) en 948 (overgang van belang) uitgesloten. De uitsluiting van artikel 948 houdt verband met de mogelijkheid om de dekking ten behoeve van een derde te herroepen. Dit kan uiteraard gezien hun waardepapierkarakter niet bij order- en toonderpolissen, maar dient uiteraard ook niet de bedoeling te zijn bij verzekeringen van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld. Overigens betekent dit dat niet kan worden volstaan met uitsluiting van 2024 -1173- No. 164 artikel 948. Ook artikel 6:253 lid 2 dient te worden uitgesloten. Immers, door uitsluiting van het eerstgenoemde artikel zou anders gedacht kunnen worden dat artikel 253 lid 2 dan wel van toepassing is. 2. Ook is het raadzaam om eveneens artikel 950 uit te sluiten. Dit artikel geeft de erfgenamen van de verzekeringnemer het recht van opzegging na overlijden van de verzekeringnemer. Een dergelijke opzegging dient evenwel bij verzekeringen als hier aan de orde niet mogelijk te zijn, omdat daardoor de opvolgende belanghebbenden ernstig gedupeerd zouden kunnen worden.

  3142. Artikel 950 (opzegging na overlijden) Dit artikel berust op de gedachte dat erfgenamen redenen kunnen hebben een lopende verzekering niet voort te zetten.

  3143. Artikel 951 (aard en gebrek van de zaak) De aard van de verzekerde zaak is een aan haar soort inherente eigenschap, bijvoorbeeld bederfelijkheid. Een gebrek van de zaak is een slechte eigenschap die zij niet behoorde te hebben, bijvoorbeeld overrijpheid van fruit bij verzending. De schade moet, wil zij van vergoeding uitgesloten zijn, door die aard of het gebrek zijn veroorzaakt. Bederven zaken doordat als gevolg van een ten laste van de verzekeraar komende oorzaak de reis abnormaal lang duurt of de ruimen van het schip niet kunnen worden gelucht, terwijl in normale omstandigheden geen bederf zou zijn ingetreden, dan moet de schade worden vergoed.

  3144. Artikel 952 (opzet of roekeloosheid) 1. In overeenstemming met de terminologie die in het nieuwe Burgerlijk Wetboek gebruikelijk is, wordt gesproken van opzet of roekeloosheid. Voor de invulling van de roekeloosheid kan HR 12-3- 1954, NJ 1955, 386 betekenis behouden. Partijen kunnen ook lichtere graden van schuld van de dekking uitsluiten. In hoeverre zij de dekking kunnen uitbreiden zonder dat dit in strijd komt met de goede zeden en de openbare orde, moet aan artikel 3:40 worden getoetst; zie bijvoorbeeld HR 30-5-1975, NJ 1976, 572. 2. Indien er meer verzekerden zijn, kan opzet of roekeloosheid van een van de verzekerden niet ook aan de anderen worden tegengeworpen. Dit brengt dan onder meer mee dat de andere verzekerden vergoeding kunnen vorderen voor zover hun belang bij verzekerde zaken strekt. Er zij op gewezen dat ingevolge artikel 962 de verzekeraar voor de uitkering die hij aan de andere verzekerden moet doen, door het bepaalde in de tweede volzin van lid 3, wel gesubrogeerd wordt in hun rechten jegens de tekortschietende medeverzekerde.

  3145. Artikel 953 (erkenningen) 1. Op straffe van verval van uitkering bepaalt een polis nogal eens dat de verzekerde geen aansprakelijkheid jegens de benadeelde mag erkennen. Het onderhavige artikel voorkomt dat de verzekerde die terecht zijn aansprakelijkheid erkent, van uitkering verstoken blijft. 2. In de literatuur wordt wel aangenomen dat een verbod van erkenningen geen betrekking zou mogen hebben op de erkenning van feiten, omdat dit in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden. Het zou immers de verzekerde verbieden om de feitelijke toedracht van een schadevoorval te bespreken, waartoe bovendien de verzekerde in bepaalde gevallen als getuige of in een strafrechtelijk onderzoek zelfs verplicht is. Om derhalve duidelijk te maken dat het verbod van erkenningen zich nimmer mag uitstrekken tot de erkenning van feiten, is dit in een tweede volzin bij dit artikel tot uitdrukking gebracht.

  3146. Artikel 954 (directe actie) 1. Deze bepaling strekt tot invoering van wat wel wordt genoemd een directe actie. Een directe actie duidt op de bevoegdheid van een benadeelde om rechtstreeks van een verzekeraar betaling aan hem te vorderen van hetgeen degene die voor de schade aansprakelijk is, van zijn aansprakelijkheidsverzekeraar te vorderen heeft. In het algemeen is men van mening dat indien 2024 -1174- No. 164 een veroorzaker van schade zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt, de verzekeringspenningen zoveel als mogelijk bij de benadeelde terecht moeten komen. De aansprakelijkheidsverzekering zou in het perspectief van slachtofferbescherming te kort schieten, indien de verzekeringspenningen bij de aansprakelijke verzekerde zouden blijven steken of bij insolventie van de laatste diens schuldeisers ten goede zouden komen. Hiertegen is wel aangevoerd dat juist deze laatsten door de doorbreking van de paritas creditorum benadeeld worden ten opzichte van de benadeelde, echter zij behoeven niet te profiteren van het vaak toevallige feit dat de benadeelde schade is berokkend. Bovendien is er een onverbrekelijke band tussen de vordering van de benadeelde op de verzekerde en de vordering van deze laatste op zijn verzekeraar, en zou de verzekering niet aan zijn doel voldoen indien het anderen dan de benadeelde zijn die van de uitkering profiteren. 2. Tot op zekere hoogte vindt de benadeelde bescherming in het voorrecht zoals neergelegd in artikel 3:287. Dit voorrecht met zeer hoge rang schiet echter in een aantal gevallen te kort, onder andere omdat toch de mogelijkheid bestaat dat de verzekeringspenningen bij insolventie bij de schuldeisers van de aansprakelijke verzekerde terecht komen. In artikel 3:287 gaat het om een voorrecht op de vordering op de verzekeraar. Heeft de verzekeraar reeds uitgekeerd aan de verzekerde, dan heeft de benadeelde niets aan zijn voorrecht en heeft hij bij faillissement nog slechts een concurrente vordering. Ook schiet het voorrecht te kort indien de verzekerde failliet is gegaan voordat de verzekeraar heeft uitgekeerd omdat de benadeelde dan in beginsel moet wachten op de uitdelingslijst en tevens moet bijdragen in de faillissementskosten. 3. Het in het huidige recht bestaande bezwaar dat de verzekeringspenningen onder omstandigheden mogelijk niet of pas na langere tijd bij de benadeelde terecht komen, is voor deze vooral bezwaarlijk bij schade door dood of letsel. Het oplopen van letsel of het overlijden van een verwant grijpt doorgaans diep in op het persoonlijk leven van betrokkenen. Het uitblijven van of een vertraging in de vergoeding van de geleden schade maakt de gevolgen en het leed vaak nog erger, en is voor zover het een gekwetste betreft bovendien niet bevorderlijk voor diens revalidatie. De werking van de directe actie is daarom beperkt tot schade door dood of letsel. Aangenomen mag ook worden dat degenen die groot belang hechten aan het behoud van de waarde van een zaak, om die reden reeds hun zaak verzekerd hebben, waarmee genoemde problemen niet spelen. De beperking van de werking van de directe actie tot schade door dood of letsel moet voorts ook gezien worden tegen het licht van het feit dat zo verzekeraars al door een directe actie zwaarder belast worden, de gevolgen daardoor beperkt zijn, nu het grootste aantal vorderingen ter zake van aansprakelijkheid vorderingen ter zake van zaakschade en zuivere vermogensschade betreft. Het bovenstaande brengt mee dat waar in het vervolg gesproken wordt over de benadeelde, vrijwel steeds bedoeld is de benadeelde met schade door dood of letsel. 4. Een directe actie voor alle – dus ook onverplichte – aansprakelijkheidsverzekeringen dient niet zover te gaan dat de verzekeraar mogelijk tegenover de benadeelde een ruimere dekking moet bieden dan waartoe hij jegens zijn verzekerde is gehouden. Dit betekent dat de verzekeraar zich ook tegenover de benadeelde moet kunnen beroepen op een uit de wet of polisvoorwaarden voortvloeiende nietigheid, verweer of verval (denk aan de mededelingsplicht, verrekening, opzet, schorsing of beëindiging dekking wegens niet betalen vervolgpremie, de meldings- en bereddingsplicht). Dit artikel neemt derhalve tot uitgangspunt dat indien er een verzekering is gesloten die dekking biedt, de uitkering bij de benadeelde terechtkomt. Aan de benadeelde wordt echter jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar geen eigen recht op schadevergoeding toegekend, waardoor er een aparte verbintenis tussen de verzekeraar en de benadeelde ontstaat. In dit artikel is voor de constructie gekozen waarbij de benadeelde rechtstreekse betaling aan hem kan vorderen van hetgeen de verzekerde van de verzekeraar te vorderen heeft. Deze constructie is het meest in overeenstemming met bovengenoemd uitgangspunt. Deze constructie komt er derhalve op neer dat de nakoming van de verbintenis tussen de verzekeraar en de verzekerde tot betaling van hetgeen de laatste te vorderen heeft, door de benadeelde gevorderd kan worden, en wel door rechtstreekse betaling aan hem. De benadeelde is met andere woorden 2024 -1175- No. 164 bevoegd om in de plaats van de verzekerde betaling te ontvangen. Daardoor ontstaat met andere woorden geen aparte verbintenis tot betaling tussen de verzekeraar en de benadeelde, maar kan alleen de benadeelde de nakoming van de verbintenis tussen de verzekerde en verzekeraar vorderen. Dit betekent dat de bevoegdheid om betaling te vorderen en om zo nodig in rechte betaling af te dwingen (het vorderingsrecht of ius agendi) niet toekomt aan de verzekerde, maar aan de benadeelde. De verzekeraar kan bovendien alleen nog bevrijdend betalen aan de benadeelde. De gevolgen van de hier voorgestelde directe actie zijn in die zin vergelijkbaar met die van een lastgeving met privatieve werking. Ingevolge artikel 7:423 is het mogelijk dat een lastgever en lasthebber overeenkomen dat de laatste een aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting van de lastgever zal uitoefenen. Een beding van die strekking heeft in beginsel derdenwerking, zodat niet bevrijdend aan de lastgever kan worden betaald. Ook kunnen de gevolgen als bedoeld vergeleken worden met een vordering waarop een pandrecht rust en waarbij de pandhouder in en buiten rechte bevoegd is nakoming daarvan te eisen en betalingen te ontvangen (vergelijk artikel 3:246 lid 1). 5. De hierboven beschreven constructie brengt derhalve mee dat de verzekerde de schuldeiser van de verzekeraar blijft. Hij is immers degene aan wie de uitkering toekomt, al kan het aan de uitkering verbonden vorderingsrecht nog slechts door de benadeelde worden uitgeoefend. Hierdoor blijft het ook mogelijk dat de verzekeraar een eventuele vordering op de verzekerde met de uitkering kan verrekenen. Aan de andere kant is de benadeelde, die slechts het vorderingsrecht kan uitoefenen en aan wie niet de uitkering toekomt, geen schuldeiser van de verzekeraar. Van pluraliteit van schuldeisers is dan ook geen sprake. Dit betekent ook dat de verzekeraar een eventuele vordering op de benadeelde niet met de uitkering kan verrekenen. Overigens zij nog wel opgemerkt dat alvorens de verzekeraar krachtens de directe actie de benadeelde wil betalen, hij mogelijk ingevolge artikel 936 lid 3, verplicht is daarvan aan de tussenpersoon een bedrag af te dragen in verband met nog openstaande premies. Omdat de benadeelde geen schuldeiser van de verzekeraar is, is deze door de directe actie geen debiteur van de verzekeraar geworden. De benadeelde houdt daarom ter zake van zijn schade slechts een debiteur, te weten de verzekerde. Van hoofdelijke verbondenheid (artikel 6:6 e.v.) is dan ook geen sprake, al kan de benadeelde wel van de verzekeraar rechtstreekse betaling aan hem verlangen. Hierdoor heeft de benadeelde wél de keuze of hij de verzekerde, dan wel de verzekeraar tot betaling zal aanspreken. Ook kan hij beide aanspreken, des dat betaling door de een de ander bevrijdt. Daar de benadeelde geen vordering op de verzekeraar heeft, kan door de schuldeisers van de benadeelde geen beslag worden gelegd onder de verzekeraar. Deze kunnen uiteraard wel beslag leggen onder de verzekerde, maar indien de verzekeraar de benadeelde voldoet, zullen de schuldeisers van de benadeelde daar weinig aan hebben. Dit is thans overigens ook het geval indien de verzekeraar krachtens een beding of ingevolge artikel 6:30 de benadeelde rechtstreeks betaalt. Verder brengt genoemde constructie mee dat, omdat de benadeelde geen vordering op de verzekeraar heeft, voor de artikelen 3:229 en 3:283 de daar bedoelde zaaksvervanging alleen betrekking heeft op de vordering van de benadeelde op de verzekerde. 6. Nu de benadeelde rechtstreekse betaling aan hemzelf kan verlangen, en desnoods in rechte kan afdwingen, ligt het nog meer dan thans voor de hand dat de verzekeraar en de benadeelde onderling de afwikkeling van de schade trachten te regelen. Het is dan echter het bestaan en de omvang van de vordering van de verzekerde op de verzekeraar, waarover onderhandeld wordt. Dit heeft als nadeel dat de verzekerde daarbuiten staat, ofschoon hij bij de uitkomst daarvan wel belang kan hebben, bijvoorbeeld in verband met zijn no-claimkorting of eigen risico. Indien echter de verzekeraar en de benadeelde een schikking bereiken, is de verzekerde in beginsel niet aan deze overeenkomst gebonden. Een (vaststellings)overeenkomst (artikel 7:900) bindt immers alleen de partijen. De verzekerde kan dan de aan de schikking ten grondslag liggende aanname van aansprakelijkheid jegens de benadeelde en de verzekeraar blijven betwisten. Wel zij hierover opgemerkt dat thans vele – zo niet alle – polissen bepalen dat de verzekerde de behandeling en afwikkeling van elke onder de polis vallende vordering aan zijn verzekeraar 2024 -1176- No. 164 dient over te laten. Dit brengt mee dat de verzekeraar als vertegenwoordiger van de verzekerde bevoegd is tot het treffen van schikkingen en tot het voeren van verweer in en buiten rechte. In dat geval is de verzekerde wel gebonden aan een vaststellingsovereenkomst. Wel vloeit in dat geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de verzekeraar bij de schaderegeling rekening dient te houden met de belangen van de verzekerde. Overigens zij bij dit alles aangetekend dat de verzekerde kan besluiten om de verzekeraar niet op de hoogte te brengen van het schadevoorval, waardoor – zoals hieronder zal worden toegelicht – de benadeelde geen betaling van de verzekeraar kan verlangen. Indien de benadeelde geen schikking met de verzekeraar weet te treffen, kan hij in rechte de verzekeraar tot betaling aanspreken. Ook bij de uitkomst van deze procedure kan de verzekerde belang hebben, wederom in verband met zijn no-claimkorting, eigen risico of omdat de schade een verzekerde som overtreft. In beginsel zou ook hier gelden dat de verzekerde niet gebonden is aan de uitspraak van de rechter, tenzij de verzekeraar ingevolge een hierboven genoemd beding de verzekerde vertegenwoordigt. Dat evenwel de verzekerde in beginsel niet gebonden is, is onpraktisch, bijvoorbeeld indien de vordering van de benadeelde is afgewezen en deze alsdan kan trachten in rechte de verzekerde aan te spreken. Of indien de benadeelde krachtens de verzekering slechts gedeeltelijk schadeloos wordt gesteld, en voor het overige mogelijk de verzekerde in rechte tot betaling moet dwingen. Om deze complicaties te voorkomen is de benadeelde die een rechtsvordering instelt tegen de verzekeraar ingevolge lid 6 verplicht er voor zorg te dragen dat de verzekerde in het geding wordt geroepen (vgl. ook artikel 3:218). Voor dat geval geeft artikel 12a Rv regels voor de wijze van oproeping. De uitspraak van de rechter heeft daarmee gezag van gewijsde in de onderlinge verhoudingen tussen de verzekeraar, de verzekerde en de benadeelde. Dit heeft tevens als voordeel dat de verzekerde in de procedure voor zijn belangen kan waken. Omdat de verzekerde in het geding moet worden geroepen, wordt tevens de lastige vraag vermeden of in een procedure tussen de verzekeraar en de benadeelde wel kan worden beslist of en tot welk bedrag de verzekerde aansprakelijk is, dan wel of dit alleen kan in een procedure tussen de benadeelde en de verzekerde. 7. De directe actie strekt ter bescherming van de belangen van benadeelden: de uitkering dient zoveel als mogelijk bij hen terecht te komen en dient niet bij de aansprakelijke verzekerde te blijven steken of bij insolventie van de laatste diens schuldeisers ten goede te komen. Dit brengt mee dat van deze bepaling niet ten nadele van de benadeelde afgeweken dient te kunnen worden. Daardoor heeft bijvoorbeeld een beding waarin is bepaald dat de verzekeraar eerst betaalt nadat de verzekerde de benadeelde schadeloos heeft gesteld, geen werking jegens de benadeelde. De benadeelde kan dan toch rechtstreeks van de verzekeraar betaling verlangen. Hetzelfde geldt voor een beding waarin bepaald is dat de verzekeraar bevrijdend aan de tussenpersoon kan voldoen. Ook hier kan de verzekeraar zich wel tegenover de verzekerde op het beding beroepen, maar dat belet de benadeelde niet betaling van de verzekeraar te verlangen. Omdat overigens in een dergelijk geval de schadeafwikkeling veelal aan de tussenpersoon wordt overgelaten, zal in veel gevallen – met name indien er meer verzekeraars zijn – de tussenpersoon reeds spoedig daarna tot uitkering overgaan, waarna deze in rekening- courant door de verzekeraar(s) wordt voldaan. De benadeelde zal er in dergelijke gevallen vaak vanaf zien van de verzekeraar(s) betaling te verlangen, temeer omdat daarbij voldoende gewaarborgd is dat hij schadeloos wordt gesteld. 8. De benadeelde kan ingevolge de onderhavige bepaling alleen rechtstreekse betaling verlangen indien de verzekeraar ingevolge artikel 941 de verwezenlijking van het risico is gemeld. Dit biedt de verzekerde de mogelijkheid om buiten de verzekering om de benadeelde schadeloos te stellen. Denkbaar is dat de verzekerde om hem moverende redenen hiervoor verkiest, bijvoorbeeld om het verlies van een no-claimkorting te voorkomen. Onwenselijk is dat de benadeelde door rechtstreekse betaling van de verzekeraar te verlangen dit streven zou kunnen doorkruisen. Indien evenwel de verzekerde zich wel wil beroepen op de verzekering, dan zal hij de verwezenlijking van het risico ingevolge artikel 941 zo spoedig mogelijk bij de verzekeraar moeten melden. Overigens komt de benadeelde alleen deze bevoegdheid toe indien de 2024 -1177- No. 164 verwezenlijking van het risico door de verzekerde of door de verzekeringnemer is gemeld. Daarmee geven zij immers aan zich op de verzekering te willen beroepen. Een melding door andere personen geeft de benadeelde deze bevoegdheid niet. Dat de bevoegdheid voor de benadeelde om rechtstreekse betaling te verlangen alleen ontstaat indien de verzekerde of verzekeringnemer de verwezenlijking van het risico heeft gemeld, kan er wel toe leiden dat de benadeelde – indien er geen melding plaatsvindt – alleen de verzekerde kan aanspreken. Zoals gezegd kan een dergelijke melding achterwege blijven omdat de verzekerde ervoor kiest zelf de schade te vergoeden. Hiertegen bestaat uiteraard geen bezwaar, maar de vraag kan gesteld worden of dan het gevaar bestaat dat bij insolventie van de verzekerde de benadeelde slechts een gedeelte van zijn schade vergoed krijgt. Dit gevaar bestaat echter niet omdat bij faillissement van de verzekerde de curator de schade wel zal moeten melden, daar hij anders de boedel benadeelt. Voorts is denkbaar dat de verzekerde melding achterwege laat omdat hij iedere aansprakelijkheid ontkent. Aangenomen mag echter worden dat indien al dan niet in rechte diens aansprakelijkheid toch wordt vastgesteld, hij alsnog tot melding overgaat en de benadeelde alsnog rechtstreekse betaling kan verlangen. Hierbij zij nog aangetekend dat ingevolge lid 4 geen beslag kan worden gelegd op de vordering op de verzekeraar voor zover deze vordering schade door dood of letsel betreft en deze ook niet kan worden verpand of gecedeerd. Hiermee wordt voorkomen dat ook reeds voor melding de verzekerde de vordering op de verzekeraar voor een ander doel aanwendt. Tevens is in lid 4 tot uitdrukking gebracht dat de benadeelde met schade door dood of letsel wèl beslag onder de verzekeraar kan leggen, zodat, indien melding achterwege blijft, de benadeelde veilig kan stellen dat de uiteindelijke uitkering toch bij hem terecht komt. 9. Indien de verzekerde een rechtspersoon is die heeft opgehouden te bestaan, kan deze de verzekeraar de verwezenlijking van het risico niet meer melden. Deze situatie kan zich voordoen bij een long tail-schade waarbij tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en het zich manifesteren van de schade een lange periode ligt waarin de rechtspersoon heeft opgehouden ter bestaan. Omdat in dat geval geen melding door de verzekerde aan de verzekeraar kan worden gedaan, kan de benadeelde ingevolge lid 2 zonder melding aan de verzekeraar rechtstreekse betaling verlangen. Vaak houdt een rechtspersoon op te bestaan na ontbinding, of door een vereffening na ontbinding. Het voordeel van een directe actie bij het zich nadien manifesteren van schade is dat de benadeelde dan niet om heropening van de vereffening moet verzoeken. Vgl. HR 31-10-1997, NJ 1998, 258. De benadeelde kan zich immers direct tot de verzekeraar wenden. Hierbij zij wel opgemerkt dat in die situatie niet ondenkbaar is dat de aansprakelijkheidsverzekering van de rechtspersoon die heeft opgehouden te bestaan geen of slechts een beperkte uitloopdekking biedt in welk geval het mogelijk is dat de benadeelde geen betaling van de verzekeraar meer kan verlangen. Dan dient de benadeelde toch tot heropening van de vereffening te verzoeken, wat overigens alleen kan indien er een saldo is (geweest). Het kan zijn dat de rechtspersoon na een fusie of splitsing ophoudt te bestaan, in welk geval echter diens vermogen onder algemene titel door een andere rechtspersoon wordt verkregen. In dat geval gaat de verplichting tot vergoeding van de schade van de benadeelde over op de verkrijgende rechtspersoon. Alsdan kan deze de verwezenlijking van het risico melden bij de verzekeraar en kan de benadeelde niet zonder melding rechtstreekse betaling verlangen. Deze melding zal overigens afhankelijk van de dekking dienen te geschieden bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van de rechtspersoon die heeft opgehouden te bestaan, dan wel bij de verzekeraar van de verkrijgende rechtspersoon. Overigens zij nog opgemerkt dat ook denkbaar is dat de verplichting van een rechtspersoon tot vergoeding van de schade van de benadeelde op een andere rechtspersoon is overgegaan, zonder dat de eerste rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Dit kan zich voordoen bij afsplitsing of bij een overname onder bijzondere titel. Ook in dat geval zal de verkrijgende rechtspersoon de verwezenlijking van het risico kunnen melden en kan de benadeelde niet zonder deze melding rechtstreekse betaling verlangen. Bij afsplitsing is overigens naast de verkrijgende rechtspersoon ook de gesplitste rechtspersoon subsidiair gedeeltelijk voor deze 2024 -1178- No. 164 schade aansprakelijk. Ten slotte zij opgemerkt dat indien de verzekerde een natuurlijke persoon is die is overleden, de verplichting tot vergoeding van de schade van de benadeelde vererft en derhalve de erfgenamen de verwezenlijking van het risico kunnen melden. 10. Het spreekt voor zichzelf dat alleen indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, de benadeelde rechtstreekse betaling kan verlangen. Op het moment van melding kan immers de aansprakelijkheid en de omvang daarvan mogelijk nog niet vaststaan. Voorts is denkbaar dat de verzekering geen dekking biedt. Aldus is in lid 1 bepaald. Door voorts in lid 1 naast elkaar te stellen ‘de uitkering’ en ‘het bedrag dat de verzekerde daarvan (…) te vorderen heeft’, wordt tot uitdrukking gebracht dat de benadeelde alleen rechtstreekse betaling kan verlangen van de uitkering met mindering van de eventuele bedragen die daarmee verrekend mogen worden. Ook spreekt voor zich dat de benadeelde alleen betaling kan verlangen van het bedrag dat de verzekeraar ter zake van de schade van de benadeelde verschuldigd is, en niet bijvoorbeeld datgene wat de verzekeraar ter zake van een ander schadevoorval of ter zake van andere benadeelden van hetzelfde schadevoorval verschuldigd is. Ook dit is in lid 1 tot uitdrukking gebracht. 11. Na een melding ingevolge artikel 941 kan de benadeelde verlangen dat indien een uitkering verschuldigd is deze aan hem wordt betaald. De verzekeraar kan niet bevrijdend aan de verzekerde betalen. Het kan echter zijn dat de verzekeraar na het vallen van de schade spoedig tot uitkering wil overgaan en de benadeelde de verzekeraar nog niet heeft medegedeeld of hij rechtstreekse betaling verlangt. Ook kan het zijn dat de benadeelde tot dat moment nog niet op de hoogte was van het bestaan van de verzekering of van de identiteit van de verzekeraar. Lid 3 bepaalt voor die situaties dat de verzekeraar de benadeelde moet verzoeken binnen vier weken mede te delen of hij rechtstreekse betaling verlangt. Laat de benadeelde deze termijn verlopen zonder te reageren, dan kan de verzekeraar bevrijdend aan de verzekerde betalen. Dat kan hij uiteraard ook indien de benadeelde binnen deze termijn of reeds eerder aangegeven heeft dat hij geen rechtstreekse betaling verlangt. Overigens zij hierbij aangetekend dat de verzekeraar ook ingevolge artikel 6:30 bevoegd is om de uitkering aan de benadeelde te voldoen, en deze betaling de verzekeraar ingevolge artikel 6:32 bevrijdt, zodat hij, indien hij in genoemde situaties voornemens is een uitkering te doen, zonder het verzoek, bedoeld in lid 3, direct tot betaling aan de benadeelde kan overgaan. 12. Het hierboven genoemde lid 4 is noodzakelijk om verder veilig te stellen dat verzekeringspenningen daadwerkelijk bij de benadeelde terechtkomen en niet bij de schuldeisers van de verzekerde of bij een andere derde. Het voorkomt daartoe in de eerste plaats dat de verzekerde zijn vordering wegens schade door dood of letsel op de verzekeraar kan cederen of dat deze op een andere wijze over zijn vordering kan beschikken, zoals door verpanding van de vordering. Tevens wordt de benadeelde hierdoor beschermd tegen een kwijtschelding door de verzekerde van zijn vordering of een deel daarvan op de verzekeraar. Doordat bepaald is dat de verzekerde niet ten nadele van de benadeelde over zijn vordering kan beschikken, blijft de mogelijkheid behouden dat de verzekerde zijn vordering aan de benadeelde cedeert. Verder voorkomt lid 4 dat op de vordering wegens schade door dood of letsel door schuldeisers van de verzekerde onder de verzekeraar beslag wordt gelegd. Ook hier wordt een uitzondering gemaakt ten behoeve van de benadeelde. 13. Indien de benadeelde schadeloos is gesteld kan uiteraard diens bevoegdheid om rechtstreeks betaling te verlangen, vervallen. Lid 7 brengt dit tot uitdrukking en heeft onder meer tot gevolg dat indien de verzekerde de benadeelde schadeloos heeft gesteld de verzekeraar wel bevrijdend aan de verzekerde kan betalen. Tevens heeft het tot gevolg dat indien de benadeelde schadeloos is gesteld, de verzekerde wel over de uitkering kan beschikken en daarop wel door diens schuldeisers beslag kan worden gelegd. Denkbaar is ook dat anderen dan de verzekerde de benadeelde schadeloos hebben gesteld, bijvoorbeeld een sociale verzekering, een schadeverzekering aan de zijde van de benadeelde of een mededader. Lid 7 voorkomt dat zij via de directe actie regres nemen op de verzekeraar van de veroorzaker. Dit is ook niet 2024 -1179- No. 164 noodzakelijk omdat hun positie niet vergelijkbaar is met die van het slachtoffer, dat er immers groot belang bij heeft dat zijn schade daadwerkelijk vergoed wordt. 14. Denkbaar is dat de wet in een bijzonder geval de benadeelde jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar een eigen recht op schadevergoeding toekent, zoals wegens schade veroorzaakt door motorrijtuigen. Omdat de benadeelde in deze gevallen een bescherming krijgt die afwijkt van en ook verder gaat dan de bescherming die het onderhavige artikel biedt, is de toepassing van dit artikel in lid 7 voor deze gevallen uitgesloten. 15. Omdat het ingevolge de onderhavige bepaling in beginsel niet de verzekerde, maar de benadeelde is die van de verzekeraar betaling verlangt, zou het gevaar kunnen bestaan dat indien bij meer benadeelden een verzekerde som wordt overschreden, alleen de benadeelden die als eerste van de verzekeraar betaling verlangen van deze hun schade (volledig) vergoed krijgen. De overige benadeelden zouden nog slechts de verzekerde tot vergoeding kunnen aanspreken, met als risico dat deze niet solvabel is. Lid 5 beoogt te bereiken dat de benadeelden in dat geval gelijk worden behandeld. In beginsel kunnen de benadeelden in evenredigheid van de verzekeraar betaling verlangen. Omdat denkbaar is dat de verzekeraar niet van het bestaan van mogelijke andere benadeelden kon weten, kan hij echter aan een benadeelde meer hebben uitgekeerd dan deze volgens de regel van evenredige inkorting toekomt. De tweede volzin van lid 5 houdt daarmee rekening. Om tot betaling in evenredigheid over te kunnen gaan dient wel bekend te zijn welke benadeelden schade hebben geleden, alsmede wat de omvang van ieders schade is. Dit is niet altijd bij voorbaat bekend. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een verzekeraar ervan op de hoogte is dat er meer benadeelden zijn dan zich hebben gemeld. Hem is dan niet bekend welk deel van de verschuldigde uitkering uiteindelijk aan de respectievelijke benadeelden toekomt. Dit laatste is ook het geval indien al wel alle benadeelden bekend zijn, maar nog niet bekend is wat de omvang van ieders schade is. Deze situaties kenmerken zich daardoor dat wel duidelijk is dat de bekende benadeelden een opeisbare vordering hebben, maar nog niet duidelijk is tot welk bedrag. De verzekeraar verkeert in dat geval in een moeilijke positie. De verzekeraar die immers toch tot uitkering overgaat, loopt het risico dat hij niet te goeder trouw aan deze benadeelden heeft uitgekeerd, en uiteindelijk gehouden is tot het doen van uitkeringen voor een groter bedrag dan de verzekerde som. Goed te verdedigen is wel dat de verzekeraar nog niet tot betaling verplicht is omdat het voorwerp van de prestatie die hij moet verrichten nog nader bepaald moet worden. Ter vermijding van ieder misverstand verdient het echter aanbeveling om de verzekeraar expliciet een opschortingsrecht te geven. 16. Ten slotte zij opgemerkt dat het voorrecht van artikel 3:287 naast de directe actie zelfstandige betekenis blijft behouden, vooral waar het om andere schade dan schade door dood of letsel gaat. Dit artikel zal dan ook niet vervallen.

  3147. Artikel 955 (verzekerde som) 1. In het ontwerp heeft de verzekerde som twee samenhangende functies. In de eerste plaats geeft zij, behoudens het in artikel 959 bepaalde, het maximum aan van de schadevergoeding per evenement (lid 1 van het onderhavige artikel 955). Daarnaast speelt zij een rol bij de berekening van de vergoeding bij verzekering van zaken (artikel 958 lid 5). 2. Lid 5 wijkt af van – oude – rechtspraak (HR 25-6-1915, NJ 1915, p. 937), maar bevestigt het systeem dat in de huidige praktijk in de meeste branches wordt gevolgd. Achtereenvolgende schaden worden telkens tot ten hoogste de verzekerde som vergoed.

  3148. Artikel 956 (herbouwwaarde en vervangingswaarde) Het belang bij het behoud van een zaak kan in verschillende waarden worden uitgedrukt, zoals verkoopwaarde, vervangingswaarde, nieuwwaarde en herbouwwaarde. Deze maatstaven kunnen tot geheel verschillende uitkomsten leiden, en het is dus van groot belang te weten naar welke waarde is verzekerd, omdat daaruit – afgezien van de invloed van het indemniteitsbeginsel – voortvloeit hoe de te vergoeden schade moet worden berekend. In de huidige praktijk komt het regelmatig voor, dat partijen zich bij het aangaan van de overeenkomst onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de vraag naar 2024 -1180- No. 164 welke waarde de verzekering wordt gesloten, waardoor achteraf onzekerheid ontstaat. Daarom wordt bij wijze van regelend recht een maatstaf vooropgesteld. De term ‘vervangingswaarde’ wordt daarbij zodanig toegelicht dat een duidelijke tegenstelling tot nieuwwaarde en herbouwwaarde ontstaat.

  3149. Artikel 957 (bereddingsplicht) 1. Dit artikel regelt de zogenaamde bereddingsplicht. Deze plicht ontstaat zodra de verwezenlijking van het risico op handen is of reeds is aangevangen. De bereddingsplicht bestaat alleen – en het niet-nakomen daarvan heeft alleen gevolgen – bij bekendheid met de verwezenlijking van het risico of het op handen zijn daarvan. 2. Evenals de meldingsplicht kan de bereddingsplicht in veel gevallen worden gezien als een verbintenis welke ingevolge artikel 6:74 bij een toerekenbare niet-nakoming tot schadevergoeding verplicht. Indien in dat geval de verzekerde deze verplichting niet nakomt, dan kan de verzekeraar zijn aanspraak op schadevergoeding verrekenen met de uitkering. Deze mogelijkheid ontbreekt echter indien de verzekerde zijn aanwijzing nog niet heeft aanvaard, omdat op hem in dat geval door de verzekering geen verbintenissen kunnen worden opgelegd. In die situatie kan evenals bij de meldingsplicht de bereddingsplicht beter worden opgevat als een ‘Obliegenheit’, die bij verzaking aanleiding geeft tot vermindering van de uitkering. Daarom verdient het ook hier aanbeveling dat de wet bij de niet-nakoming van de bereddingsplicht door de verzekerde een zelfstandige grondslag biedt voor vermindering van de uitkering; men zie lid 3. Hierbij zij nog aangetekend dat indien de verzekerde zijn bereddingsplicht niet nakomt door een omstandigheid die hem niet kan worden toegerekend, de in lid 1 voorkomende woorden ‘daartoe in de gelegenheid is’ er in dat geval aan in de weg staan de uitkering te verminderen. 3. Anders dan bij de meldingsplicht moet worden aangenomen dat de bereddingsplicht ook bestaat indien de verzekerde niet op de hoogte is van het bestaan van de verzekering of zijn aanwijzing. De ‘Obliegenheit’ moet hier immers ook worden opgevat als een gehoudenheid om zorg te dragen voor zijn eigen belangen. Heeft de verzekerde met andere woorden onvoldoende over zijn eigen belangen gewaakt en de vergroting van de schade geaccepteerd, dan dient hij deze schade niet door de verzekeraar vergoed te krijgen, indien later blijkt dat er een verzekering bestaat die dekking biedt voor zijn schade. 4. De innerlijke samenhang tussen de verplichting tot beredden voor de verzekerde enerzijds en de verplichting tot het vergoeden van de daaraan verbonden kosten voor de verzekeraar anderzijds, rechtvaardigt dat de verzekeraar van deze verplichting niet kan afwijken. Dit temeer omdat het niet- nakomen van de bereddingsplicht tot schadevergoeding verplicht c.q. tot vermindering van de uitkering leidt. Om dit te bereiken is het onderhavige artikel 957 lid 2, in artikel 963 opgenomen. 5. Deze innerlijke samenhang brengt echter niet mee dat dit te allen tijde een ongelimiteerde dekking voor de bereddingskosten zou vergen. Met name bij het verzekeren van industriële en commerciële activiteiten kunnen de bereddingskosten tot nauwelijks voorzienbare, zeer grote hoogte oplopen. Men denke aan het risico van een ‘product-recall’. Hierbij is een verplichte ongelimiteerde dekking van deze kosten niet op zijn plaats. Dit is evenwel anders voor particulieren. Voor hen dient wel als uitgangspunt te gelden dat de bereddingskosten dwingend onder de dekking vallen. Maar ook hier geldt dat een ongelimiteerde dekking daarvan niet van de verzekeraar gevergd kan worden, temeer omdat het moeilijk is daarvoor premies te berekenen en reserveringen te maken. Het belang dat de verzekeraar bij beredding heeft strekt zich bovendien uit tot maximaal de verzekerde som. Immers, dit is het maximale bedrag waarvoor de verzekeraar in geval van schade aangesproken kan worden en diens belang bij maatregelen ter voorkoming van deze schade strekt zich derhalve tot dit bedrag uit. Daarom wordt in artikel 963 bepaald dat van artikel 959 lid 1, slechts ten nadele van particulieren kan worden afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten meer bedragen dan een bedrag gelijk aan de verzekerde som. Dit brengt mee dat indien de getroffen maatregelen niet het beoogde resultaat hebben gehad, de verzekeraar in het ongunstigste geval dwingend verplicht is een bedrag gelijk van tweemaal de verzekerde som uit te keren, te weten eenmaal de verzekerde som als het hoogste bedrag van schadevergoeding tot uitkering waartoe de verzekeraar gehouden is en eenmaal een bedrag gelijk aan de verzekerde som ter vergoeding van de bereddingsmaatregelen. 2024 -1181- No. 164

  3150. Artikel 958 (berekening schade) 1. Dit artikel geeft enkele regels over de berekening van schade aan zaken voor het geval de polis daarin niet voldoende voorziet. Lid 1 omschrijf totaal verlies. Lid 2 bevat het uitgangspunt van de volledige vergoeding. 2. Lid 3 doelt voornamelijk op het geval dat de verzekerde zaak is gestolen of verloren en de verzekeraar de waarde heeft vergoed, doch de zaak daarna wordt opgespoord. Blijkens artikel 962 lid 1, wordt de verzekeraar alleen gesubrogeerd in vorderingen tot schadevergoeding van de verzekerde jegens derden. Hij wordt dus niet gesubrogeerd in een zakelijk recht. De uitkering ingevolge de verzekering laat derhalve de eigendom van de verzekerde intact. Aangenomen dat de verzekerde de zaak met succes kan revindiceren, heeft hij per saldo veelal geen schade geleden. Hij zou dan ook de uitkering aan de verzekeraar moeten terugbetalen. Indien de zaak niet kort na haar verdwijning is opgespoord, zal de verzekerde meestal een andere zaak hebben aangeschaft, zodat hij aan de oorspronkelijke zaak geen behoefte meer heeft. Men denke aan een gestolen voertuig. Dan behoort de verzekerde de uitkering te kunnen behouden, doch de zaak moet de verzekeraar in handen komen. Het ware ondoenlijk in de wet vast te leggen wanneer de ene, of de andere weg dient te worden bewandeld. Daarom heeft de verzekerde de keuze tussen twee verplichtingen. Hij kan de ontvangen vergoeding aan de verzekeraar teruggeven en de zaak behouden, of hij kan zijn zaak leveren volgens de artikelen 3:90 of 3:95. 3. Lid 4 regelt de gedeeltelijke schade, zij het alleen in geval van verzekering tegen vervangings-, herbouw- of nieuwwaarde (vgl. artikel 956). Het ontwerp geeft, in overeenstemming met de praktijk, de verzekeraar dan de keus: hetzij herstel, hetzij vervanging. Daarbij zal de verzekeraar zich laten leiden door een afweging van de kosten in beide gevallen: komt het herstel duurder uit dan de vervanging, dan zal hij allicht de laatste kiezen. In de praktijk wordt de keuze gebaseerd op een deskundigenschatting. 4. Kiest de verzekeraar voor herstel, dan herwint weliswaar de beschadigde zaak haar gebruikswaarde, doch daarmee is veelal nog niet alle vermogensschade ongedaan gemaakt, omdat haar verkoopwaarde ondanks het herstel heeft geleden; men denke aan het onderscheid dat in het onteigeningsrecht wordt gemaakt tussen de twee belangen van de eigenaar, het eerste gelegen in het feit dat hij eigenaar van de zaak is, het tweede in het gebruik dat hij ervan maakt. 5. Kiest de verzekeraar voor vervanging, dan mag hij de waarde der restanten, inclusief de schrootwaarde, aftrekken, opdat de benadeelde niet wordt bevoordeeld. Anderzijds wordt een aftrek ‘nieuw voor oud’ niet voorgeschreven: primair is verzekerd het belang dat de verzekerde heeft bij voortzetting van het gebruik dat hij van de zaak maakte en de aftrek zou hem dwingen tot het bijpassen van eigen middelen om dat gebruik te continueren. 6. Het ontwerp bevat slechts een beperkte regeling, die trouwens van regelend recht is. Zo is achterwege gelaten de zogenaamde refactiemethode bij verzekering naar verkoopwaarde, die bij koopmansgoederen in de transportverzekering gebruikelijk is. Nu in het ontwerp geen bijzonderheden voor de verschillende branches zijn opgenomen, kan ook deze wijze van schadeberekening het beste aan standaardvoorwaarden worden overgelaten. 7. Lid 5 legt de vanzelfsprekende gevolgen van te lage verzekering vast. Wanneer partijen de regel van lid 5 niet willen doen gelden, en de gevolgen van onderverzekering niet willen laten doorwerken, wordt overeengekomen dat alle schade en verlies tot een bepaald maximum wordt vergoed. Men noemt dit premier risque verzekering. (Zo vergoeden de meeste verzekeringen van voertuigen tegen eigen schade ten hoogste de dagwaarde. Dit zijn dus premier risque verzekeringen, ook al wordt die term daarbij niet gebruikt.) 8. Bijzondere regels omtrent voortaxatie zijn hier niet opgenomen. Zulke taxatie heeft ten doel, voor partijen het uitgangspunt voor de schaderegeling te bieden; zie hieromtrent artikel 960 en de toelichting daarop. Is de verzekerde som gelijk aan het getaxeerde bedrag, dan zal er bijvoorbeeld bij transportverzekering van onderverzekering geen sprake zijn, ook niet als de werkelijke waarde hoger is; dit brengt onder andere mee dat herstelkosten volledig worden vergoed. Is de verzekerde som lager dan het getaxeerde bedrag, dan is er wel onderverzekering, en zal lid 5 toepassing vinden. 2024 -1182- No. 164 9. Bij een verzekering die verscheidene zaken omvat, zoals een inboedel, zijn dikwijls afzonderlijke objecten getaxeerd. Daarbij kan het voorkomen, dat de totale verzekerde som wel hoog genoeg is, maar de afzonderlijke taxatie niet. Het kan ook zijn dat de verzekerde som, die mede niet- getaxeerde zaken omvat, niet de totale waarde dekt. In dat geval drukt de te lage verzekering ook op alle voorwerpen, getaxeerd of niet, afzonderlijk.

  3151. Artikel 959 (kosten) Dit artikel regelt de verplichtingen van de verzekeraar naast en eventueel boven de vergoeding van de verzekerde waarde, zover het de in artikel 957 genoemde kosten betreft, is dit reeds bij dat artikel toegelicht. De expertisekosten komen ook bij te lage verzeker geheel ten laste van de verzekeraar, omdat zij alleen met het oog op verzekering plegen te worden gemaakt.

  3152. Artikel 960 (indemniteitsbeginsel) 1. Het criterium in de eerste volzin (met het: ‘duidelijk voordeliger positie’) is ontleend aan HR 17-2- 1978, NJ 1978, 577 inzake landgoed Kraaijbeek. Uit dit arrest blijkt dat in geval van twijfel achteraf kan worden nagegaan hoe de verzekerde de schadevergoeding naar herbouwwaarde had willen besteden, om aan de hand daarvan te beslissen of hij door die uitkering in een duidelijk voordeliger positie zou zijn geraakt. In het daar berechte geval werd de uitkering niet aan herbouw besteed, maar wel aan andere maatregelen om degenen die in Kraaijbeek werden verzorgd, elders onder dak te brengen. Uit dit voorbeeld volgt dat een wettelijke eis van herbouw het doel voorbij zou schieten. Wel kunnen partijen dit in voorkomende gevallen overeenkomen, of bepalen dat bij gebreke van herbouw slechts op basis van vermogenswaarde zal worden afgerekend. Bij verzekering van nieuwwaarde treft men wel een andere correctie aan, namelijk dat bij een vermogenswaarde van minder dan de helft slechts deze wordt vergoed. 2. In het thans gekozen systeem behoeft de voortaxatie door partijen niet afzonderlijk te worden geregeld. Zij moet wijken voor de wettelijke regel. Met de voortaxatie die rechtstreeks of indirect op het oordeel van een of meer deskundigen berust is het anders gesteld. De praktijk bleek hieraan behoefte te hebben voor kostbare voorwerpen of verzamelingen waarvan de waarde achteraf niet of nauwelijks kan worden vastgesteld en waarbij de verzekerde zodanig bedrag behoort te ontvangen, dat hij zonder al te veel moeite een gelijksoortige zaak kan verkrijgen. Ook in de transportverzekering komt voortaxatie van casco en lading voor. Deze geldt voor de gehele duur van de reis, eventueel van de verzekeringsperiode. Schommelingen in de waarde, zelfs ten gevolge van niet door de verzekering gedekte schade, hebben geen invloed op het effect van de voortaxatie: het getaxeerde bedrag blijft het uitgangspunt voor de berekening van de door de verzekeraar uit te keren schadevergoeding. Daarom doorbreekt een dergelijke taxatie de hoofdregel. Zij vormt een vaststelling(sovereenkomst) volgens Boek 7, titel 15. Voor de vernietigbaarheid van de taxatie, zie men voorts artikel 7:904. 3. Niet is vereist dat de deskundige niet in enige maatschappelijke betrekking tot een der partijen mag staan. Bij sommige gespecialiseerde takken van verzekering bestaan geen deskundigen die aan zulk een eis voldoen. 4. Van dit artikel kan niet worden afgeweken; zie artikel 963 lid 1.

  3153. Artikel 961 (meerdere verzekeraars) 1. De eerste drie leden hebben betrekking op meervoudige verzekering. De regeling belet dat een aangesproken verzekeraar zich achter anderen verschuilt. Wel moet de verzekerde die anderen noemen (lid 1, tweede volzin), opdat de verzekeraar verhaal op hen kan uitoefenen (lid 3). De regeling kan door een daartoe strekkende bepaling in alle betrokken verzekeringen terzijde worden gesteld. Het eerste lid verwijst naar artikel 960: de verzekeringen kunnen elkaar wel aanvullen, maar de totale vergoeding wordt door de normen van het indemniteitsbeginsel begrensd. 2024 -1183- No. 164 2. Ingevolge lid 2 kan ook een verzekeraar die onverplicht de schade van de verzekerde vergoedt – een zgn. coulance-uitkering doet –verhaal nemen op een andere verzekeraar die deze schade wel dekt. Lid 3 heeft dan tot gevolg dat indien bij het onderling verhaal vaststaat dat de schade onverplicht is vergoed, de verzekeraar die de uitkering heeft gedaan binnen de verzekerde som voor het volledige bedrag verhaal heeft op de andere verzekeraar. Hierover zij nog opgemerkt dat uit lid 1 volgt dat lid 2 alleen toeziet op een door de verzekeraar gedane uitkering aan diens verzekerde, zodat voor de toepassing van dit lid vereist is dat de verzekeraar – zij het onverplicht – de schade van de verzekerde vergoedt in verband met een tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst. 3. Lid 3 van dit artikel regelt het onderling verhaal voor een gedane uitkering bij meervoudige verzekering. Maatstaf zijn niet de verzekerde sommen, maar de bedragen waarvoor eenieder kan worden aangesproken. Het is redelijk een gelijke regeling te treffen voor de door de aangesproken verzekeraar gemaakte kosten, als kosten van advocaten, medische experts, proceskosten enz. 4. Lid 4 slaat op verzekeringen waarbij meer dan een verzekeraar is toegetreden. Het stemt met een vast gebruik overeen. Indien een dergelijke verzekering samenloopt met een of meer andere, geldt zij voor de toepassing van de voorafgaande leden als een verzekering.

  3154. Artikel 962 (subrogatie) 1. Dit artikel regelt de subrogatie. Hiervan kan afstand worden gedaan, maar als de wet het niet kent, kan het niet worden bedongen. Om te voorkomen dat de derde de verschuldigdheid van de door de verzekeraar gedane uitkering zou betwisten – een betwisting waarbij hij geen redelijk belang heeft doch die de verzekeraar van coulance zou kunnen afhouden – zijn de woorden ‘al dan niet verplicht’ in het artikel opgenomen. De subrogatie van lid 1 omvat niet de vordering tot opeising van een zaak, als bedoeld in artikel 5:2. Het lid staat uiteraard niet in de weg aan een regeling opgenomen in de verzekeringsovereenkomst, waarbij de verzekerde bij diefstal slechts recht op uitkering heeft tegen overdracht van de zaak; de wijze van levering daartoe wordt onder het nieuwe recht voorgeschreven in artikel 3:95. De tweede volzin van lid 2 bevat een precisering van de in artikel 6:154 vervatte regel. 2. Mogelijkerwijs wordt niet de gehele schade die de verzekerde lijdt door de verzekeraar wordt vergoed. Men denke aan te lage verzekering en ongedekte schade, zoals stilligschade of eigen risico. Dan hebben zowel de verzekeraar als de verzekerde een vordering op de schuldige. Indien deze insolvent is, of indien zijn aansprakelijkheid beperkt is krachtens de wet of door toepassing van artikel 6:109, bestaat een rangordeprobleem dat in lid 2 ten gunste van de verzekerde wordt opgelost. 3. Er zijn gevallen waarin uitsluiting van subrogatie zozeer voor de hand ligt, dat deze in de wet behoort te worden vastgelegd. Men zie lid 3. Het neutrale woord ‘krijgt’ in de aanhef van het lid sluit niet alleen uit de overgang ingevolge lid 1, maar ook die krachtens cessie. De eerste volzin strekt ertoe de subrogatie in beginsel uit te sluiten ten aanzien van een aantal categorieën van aansprakelijke personen. Het betreft hier personen van wie mag worden aangenomen dat de verzekering mede in hun belang is gesloten, voor zover zij al niet uitdrukkelijk zijn meeverzekerd. Hun relatie met de verzekerde is van duurzame aard, voortvloeiend uit het familierecht of een affectieve relatie, dan wel een arbeidsverhouding. Het uitoefenen van verhaal zou deze relatie kunnen verstoren en de verzekerde, bij echtgenoten ook economisch, kunnen treffen. Een dergelijk gevolg verdraagt zich niet met het doel waartoe de nemer de verzekering sloot. 4. De tweede volzin heft de uitsluiting weer op indien hun aansprakelijkheid uit bijzondere omstandigheden voortvloeit. Het criterium hiervoor is een vergelijking met de positie van de verzekerde zelf: zou deze op grond van wet of overeenkomst zijn recht op uitkering door zo'n omstandigheid geheel of ten dele hebben verspeeld, dan is in zoverre ook de subrogatie niet uitgesloten. Een sprekend voorbeeld vormt artikel 952: veroorzaakt een der in de eerste volzin genoemde personen de schade door opzet of roekeloosheid, dan is op hem ook subrogatie toegelaten. 2024 -1184- No. 164

  3155. Artikel 963 (dwingend recht) Men zie het Algemeen deel van deze Memorie van Toelichting (onder 4 e.v.). Afdeling 3. Sommenverzekering § 1. Algemene bepalingen

  3156. Artikel 964 (definitie sommenverzekering) De eerste volzin van dit artikel is reeds bij artikel 925 toegelicht. De tweede volzin houdt rekening met het feit dat zich in de praktijk sommenverzekeringen hebben ontwikkeld – en kunnen ontwikkelen – die niet als persoonsverzekering kunnen worden aangemerkt, maar waartegen geen bezwaar bestaat. Deze zijn, voor zover aangewezen bij staatsbesluit, geldig. Hierbij is bijvoorbeeld gedacht aan de regenverzekering, de verzekering die tot uitkering leidt bij voortijdig afbreken van vakantie, en aan het in ziektekostenverzekeringen wel opgenomen beding dat de verzekerde een klein, vast bedrag toekent voor elke dag dat hij in een ziekenhuis is opgenomen, en wel om hem in staat te stellen de bezoekers iets te presenteren. De aanwijzing bij staatsbesluit kan beperkingen inhouden ten aanzien van de hoogte van de verzekerde som.

  3157. Artikel 965 (definitie verzekerde, begunstigde en uitkering) De omschrijving van de verzekerde en van de begunstigde is in het Algemeen deel van deze Memorie van Toelichting (onder 9) toegelicht. Bij andere dan persoonsverzekering is er geen verzekerde in de zin van deze afdeling. Onder uitkering zijn naast de bedongen betalingen alle andere bedragen begrepen die de verzekeraar krachtens de onderhavige afdeling aan de begunstigde moet voldoen; men zie de toelichting op de in de tekst genoemde artikelen. Hierdoor konden vele bepalingen in deze afdeling eenvoudiger luiden. Artikelen 966 tot en met 969 (Inleidende opmerkingen) 1. Wanneer de verzekeringnemer een derde als begunstigde aanwijst, komt een derdenbeding tot stand. De begunstiging bij sommenverzekering verlangt echter een uitwerking die op belangrijke punten afwijkt van het in de artikelen 6:253 e.v. (goeddeels bij wijze van regelend recht) bepaalde. De nemer kan in het algemeen over de aanwijzing beschikken: hij kan haar wijzigen of herroepen, al dan niet onder aanwijzing van een andere begunstigde. Het hangt dus geheel van de wil van de verzekeringnemer af of de aangewezen begunstigde te zijner tijd tot de uitkering gerechtigd zal worden. Daarom wordt algemeen aangenomen dat de aanwijzing van een derde als begunstigde geen recht op uitkering geeft, doch slechts een kans op het ontvangen van een uitkering schept. 2. Ingevolge artikel 6:253 lid 1, verkrijgt de derde, ten behoeve van wie een derdenbeding is gemaakt, eerst een recht op de ten behoeve van hem bedongen prestatie, indien hij dit beding aanvaardt. Aan deze regel die overeenstemt met het geldende recht, wordt in de onderhavige afdeling vastgehouden: artikel 969 lid 1. 3. Indien een derde als begunstigde is aangewezen, heeft de verzekeringnemer geen recht op de voor de derde bestemde uitkering. De verzekerde som wordt als eigen recht verkregen en dus niet uit het vermogen van de verzekeringnemer. Ook aan dit uitgangspunt wordt in het onderhavige ontwerp vastgehouden. Dit heeft in beginsel belangrijke gevolgen voor het erfrecht, het huwelijksgoederenrecht en de positie van de schuldeisers van de nemer. 4. Indien de nemer zichzelf als begunstigde heeft aangewezen is er wel sprake van een hem toekomend recht. Weliswaar kan hij ook dan te allen tijde in plaats van zichzelf een derde als begunstigde aanwijzen, maar dit heeft niet tot gevolg dat er geen sprake zou zijn van een recht, want hij heeft het zelf in de hand. Met de aanwijzing door de nemer van zichzelf als begunstigde stelt artikel 967 lid 7, het ontbreken van iedere aanwijzing gelijk. Dan spreekt men van een blanco- polis. 2024 -1185- No. 164 5. Is de aanwijzing van een begunstigde onherroepelijk, dan kan de nemer de aanwijzing niet herroepen of wijzigen. In die omstandigheden is de verzekeringnemer bovendien ook overigens belemmerd in zijn mogelijkheid buiten de begunstigde om zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten uitte oefenen, of daarover te beschikken: artikel 972. Deze bepaling brengt echter niet mee, dat de derde, wiens aanwijzing onherroepelijk is geworden, een recht op uitkering heeft verkregen. Dit is alleen het geval indien hij de aanwijzing uitdrukkelijk heeft aanvaard: artikel 969 lid 1. Ook dan is hij er niet steeds zeker van de uitkering, voor zover de aanwijzing daarop betrekking heeft, ten volle te genieten. Bijzondere omstandigheden kunnen anders meebrengen: niet-nakoming van de mededelingsplicht (artikel 930), wanbetaling (artikel 934 jo artikel 980), het optreden van een van het risico uitgesloten doodsoorzaak (artikel 981) of onwaardigheid (artikel 973). Deze mogelijkheden doen geen afbreuk aan het bestaan van een recht; zij betekenen slechts dat dit recht aan voorwaarden is onderworpen. Dit geldt ook voor het recht van de verzekeringnemer op een uitkering.

  3158. Artikel 966 (bevoegdheden verzekeringnemer) 1. Lid 1 is hierboven reeds goeddeels toegelicht. De aanwijzing van meer dan één begunstigde kan gelijktijdig of in volgorde zijn. In geval van gelijktijdigheid geldt de aanwijzing voor gelijke delen, tenzij uit de aanwijzing anders voortvloeit; vgl. artikel 6:15. De meeste polissen bevatten, voor het geval dat een aangewezen persoon niet meer in leven is, een aanwijzing van een opvolgende (subsidiaire) begunstigde. Denkbaar is ook een voorwaardelijke aanwijzing, bijvoorbeeld onder de voorwaarde dat de als begunstigde aangewezen weduwe niet zal zijn hertrouwd. 2. Blijkens lid 1, onderdeel a, kan de nemer zijn aanwijzing zo formuleren dat de begunstigde (na aanvaarding) slechts een beperkt recht op de uitkering krijgt, dat wil zeggen dat hij vruchtgebruiker of pandhouder wordt, al naar gelang de aanwijzing, ongeacht aan wie de uitkering als hoofdgerechtigde toekomt. De vruchtgebruiker is tot inning van de uitkering bevoegd volgens artikel 3:210 en de pandhouder volgens artikel 3:246. 3. Lid 1 onderdeel b, stelt buiten twijfel dat de verzekeringnemer bevoegd is het recht op uitkering onder bewind te stellen. Het onder c bepaalde spreekt vanzelf: men zie echter artikel 972. 4. Ingevolge de aanhef van lid 1 komen beschikkingen onder a tot en met c bedoeld tot stand door een schriftelijke mededeling (inclusief een exploot: artikel 3:37 lid 2) aan de verzekeraar. Dit is een constitutief vereiste. Een aanwijzing in een testament heeft op zichzelf geen gevolg, omdat een testament geen gerichte wilsverklaring is, en dus geen mededeling aan de verzekeraar. Aan het constitutief vereiste is wel voldaan indien de verzekeringnemer aan de verzekeraar schriftelijk doet weten, dat de begunstigde iemand is, die hij daartoe bij testament als begunstigde zal hebben aangewezen. 5. Artikel 974 legt vast dat lid 1 van het onderhavige artikel 966 dwingend recht vormt, voor zover het betreft de wijze van totstandkoming van de aanwijzing van de begunstigde en de wijziging of herroeping daarvan. Hiermee wordt afstand genomen van het beding inhoudend dat deze beschikkingen slechts van kracht zijn na aantekening daarvan op de polis. Zulk een bepaling geeft de verzekeraar een bescherming ten aanzien van de beoordeling aan wie hij moet uitkeren, die verder gaat dan nodig is. Lid 1, dat voor zulke beschikkingen een schriftelijke verklaring aan de verzekeraar verlangt, beschermt in combinatie met artikel 6:37 de verzekeraar in dit opzicht voldoende. 6. Artikel 6:253 lid 1, veronderstelt dat de inhoud van het derdenbeding in gemeen overleg wordt bepaald door de partijen die de overeenkomst aangaan. Voor sommenverzekering is in lid 1 van het onderhavige artikel een afwijkend uitgangspunt neergelegd. De nemer is vrij in de keuze van een begunstigde en de verzekeraar heeft de aanwijzing te respecteren. Blijkens lid 2 kan hij echter een aanwijzing als daar omschreven, afwijzen. Men denke bijvoorbeeld aan een aanwijzing die zal leiden tot een recht op periodieke uitkeringen zolang de begunstigde niet met een ander is gehuwd of samenleeft. De afwijzing geschiedt schriftelijk: artikel 933. De gestelde termijn voorkomt een te lange periode van onzekerheid. 2024 -1186- No. 164 7. Lid 3 regelt de gevolgen van onderbewindstelling op een wijze die ten nauwste aansluit bij de rechtsgevolgen van bewind over een schenking. Men zie artikel 7:182. Het enige verschil is dat artikel 7:182 lid 2 onderdeel a, de daarin genoemde termijnen doet aanvangen op het tijdstip waarop de schenking wordt uitgevoerd, terwijl het onderhavige lid van artikel 966 deze laat aanvangen op het tijdstip waarop de eerste van een reeks uitkeringen opeisbaar wordt. 8. Ten aanzien van lid 4 bedenke men dat in het bijzonder bij kredietverlening aan particulieren de levensverzekering een middel kan zijn om zekerheid te verschaffen. Het praktische belang van lid 4 is vooral gelegen in het feit dat daardoor artikel 3:253 van toepassing wordt, dat de kredietgever die alle verzekeringspenningen heeft geïnd, dwingt rekening en verantwoording af te leggen van hetgeen hij uit hoofde van zijn financiering inhoudt. 9. In de tweede volzin van lid 4 wordt echter rekening gehouden met de praktijk dat de begunstiging van een financier tot aflossing van een geldschuld wordt beperkt tot het bedrag dat deze op het moment dat een uitkering wordt gedaan te vorderen heeft van de verzekeringnemer. Bij een dergelijke aanwijzing pleegt te worden bepaald dat de verzekeraar mag afgaan op de verklaring van de financier over de hoogte van zijn vordering op de verzekeringnemer. Voor zover de uitkering de vordering van de financier overtreft, komt deze toe aan de opvolgend begunstigde, of bij gebreke daarvan aan de verzekeringnemer. Het is niet nodig – en de praktijk heeft er geen behoefte aan – om deze wijze van begunstiging op een lijn te stellen met een aanwijzing tot zekerheid en deze te converteren tot een aanwijzing als pandhouder. Naar verwachting zal deze tweede volzin meebrengen dat de rechtsfiguur van de aanwijzing als pandhouder slechts weinig zal voorkomen.

  3159. Artikel 967 (begunstiging) 1. Lid 1 strekt ertoe recht te doen aan de veelal bij partijen bestaande bedoeling om de aanwijzing van een begunstigde niet te doen vererven, ook niet als deze reeds door aanvaarding tijdens het leven van de verzekeringnemer onherroepelijk was geworden. De bepaling is ook van toepassing wanneer een aanwijzing weliswaar onherroepelijk is geworden, doch de begunstigde overlijdt zonder te hebben aanvaard. Ook in zo’n geval valt, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de uitkering toe aan eventuele subsidiaire begunstigden. Opmerking verdient nog dat wanneer overeenkomstig het voorgestelde artikel 479ka lid 1 onderdeel b, Rv beslag is gelegd ten laste van de begunstigde, de aanwijzing geacht wordt te zijn aanvaard ‘voor zover de executie strekt’ (artikel 479ka lid 2, Rv). Het beslag wordt dan derhalve niet meer geraakt door een eventueel overlijden van de begunstigde. 2. Voor aanwijzing van een persoon in zijn hoedanigheid, die in de praktijk tot problemen kan leiden, geeft lid 2 een enkele regel. Indien de nemer als begunstigde heeft aangewezen: mijn echtgenote, doch hij is nadien van zijn eerste vrouw gescheiden en hertrouwd, dan zal hij in de regel niet zijn eerste maar zijn tweede vrouw willen bevoordelen. De woorden ‘volgens artikel 968 lid 1, onderdelen b tot en met e onherroepelijk wordt’ brengen uiteraard mee dat beslissend is het moment waarop de aanwijzing onherroepelijk wordt. Bevat de aanwijzing zowel de naam als de hoedanigheid, dan prevaleert de naam. De vermoedens welke in dit lid worden uitgesproken, wijken voor een andere bedoeling. 3. Lid 3 bevat een afzonderlijke bepaling voor het geval dat de aanwijzing van een begunstigde, die de aangeduide kwaliteit bezit, door aanvaarding onherroepelijk wordt. Aangezien zulk een onherroepelijk worden door aanvaarding slechts met toestemming van de verzekeringnemer kan plaatsvinden (zie artikel 969, eerste lid), dient voor dat geval steeds de kwaliteit te prevaleren, en is – anders dan in de gevallen bedoeld in lid 1 – voor een weerlegbaar vermoeden geen plaats. 4. Lid 4 regelt het geval waarin als begunstigden letterlijk zijn aangewezen: ‘de erfgenamen’ van de verzekeringnemer dan wel van de verzekerde. In het lid is dit aangegeven met: de als zodanig aangeduide erfgenamen. Het woord ‘erfgenamen’ is dubbelzinnig. Er kunnen mee bedoeld zijn degenen die tot de nalatenschap zijn geroepen, onverschillig of zij haar hebben aanvaard, maar ook degenen die in werkelijkheid erven. Het lid geeft aan de eerste betekenis de voorkeur. Wie als erfgenamen zijn geroepen, vloeit voort uit de wet of het testament. Verwerping van de nalatenschap, hetzij door alle, hetzij door één of meer erfgenamen doet aan dit geroepen zijn niet af. 2024 -1187- No. 164 De hier bedoelde begunstigden kunnen dus de nalatenschap waaraan zij hun kwaliteit ontlenen, ieder voor zich verwerpen en toch hun aanwijzing als begunstigde aanvaarden. Om alle onzekerheid te vermijden wordt in de tekst van het voorgestelde lid uitdrukkelijk bepaald dat zij in dezelfde verhouding tot de uitkering gerechtigd zijn als waarin zij tot de nalatenschap zijn geroepen. Wenst de verzekeringnemer dat de uitkering wél in de nalatenschap van hem of de verzekerde valt, dan kan hij dat bereiken door als begunstigde aan te wijzen: de nalatenschap. 5. Lid 5 stelt buiten twijfel dat wanneer de verzekeringnemer zijn nalatenschap als begunstigde heeft aangewezen, de erfgenamen die in de nalatenschap delen de uitkering op grond van een eigen recht verkrijgen. Omdat derhalve de uitkering niet uit het vermogen van de verzekeringnemer wordt verkregen, behoeft de uitkering derhalve, indien de verzekeringnemer in gemeenschap van goederen was gehuwd, niet in de afwikkeling daarvan te worden betrokken. 6. Voor lid 6 zie artikel 4:10 lid 2 en voor lid 7 artikel 4:2 lid 1. 7. Uitgangspunt van lid 8 is dat aan de verzekeringnemer vanaf het moment van het sluiten van de verzekering een recht op uitkering toekomt (eerste volzin). Na aanwijzing van een derde als begunstigde kan deze derde door aanvaarding een recht op uitkering verkrijgen. Als er echter geen aanwijzing plaatsvindt, of aan de aanwijzing (of aanwijzingen) geen gevolg toekomt – hetzij doordat zij wordt afgewezen hetzij doordat de begunstigde zijn recht verspeelt door het opzettelijk teweegbrengen van het verzekerde voorval – dient de uitkering toe te komen aan de verzekeringnemer. Dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan artikel 6:255 lid 2, waarvan de werking echter mede afhankelijk is van een door de promissor aan de stipulator te stellen termijn. 8. De redactie van artikel 6:255 laat verder enige ruimte voor twijfel over de vraag in hoeverre de stipulator, voor het geval de aanwijzing van een derde als begunstigde geen gevolg heeft en hij ook niet op andere wijze tot aanwijzing overgaat, vanaf den beginne geacht moet worden zichzelf te hebben aangewezen. In de redactie van lid 8 van het onderhavige artikel 967 wordt deze twijfel althans voor de sommenverzekering vermeden. De verzekeringnemer behoudt ook bij aanwijzing van een derde als begunstigde een voorwaardelijk recht op uitkering, onder de opschortende voorwaarde dat geen begunstiging van een derde gevolg zal hebben. Dit voorwaardelijk recht behoort tot het vermogen van de verzekeringnemer en valt derhalve in een eventuele huwelijksgemeenschap of nalatenschap van de verzekeringnemer. Wordt het voorwaardelijk recht nadien onvoorwaardelijk, bijvoorbeeld doordat de begunstiging na verwezenlijking van het risico wordt afgewezen, dan behoort ook het onvoorwaardelijk geworden recht op uitkering tot de huwelijksgemeenschap of nalatenschap. 9. Opmerking verdient nog dat het recht op uitkering dat de derde door aanvaarding van zijn aanwijzing verkrijgt een ander recht is dan het voorwaardelijk recht dat aan de verzekeringnemer toekomt. Het recht van de derde is een zelfstandig recht, originair verkregen en dus niet als rechtsopvolger (derivatief) van de verzekeringnemer. 10. Aandacht verdient ten slotte dat wanneer de derde zijn aanwijzing aanvaardt en vervolgens van het recht op uitkering afstand doet, ingevolge artikel 969 lid 3, mede tot gevolg heeft dat de aanwijzing geen gevolg heeft.

  3160. Artikel 968 (geen herroeping) 1. Dit artikel bepaalt wanneer een aanwijzing van een derde als begunstigde onherroepelijk wordt. Het geval onder a spreekt voor zichzelf en sluit aan op artikel 6:253 lid 2. Aanvaarding van de begunstiging voordat het risico een einde heeft genomen komt in de praktijk bijvoorbeeld voor wanneer de verzekering een onderdeel vormt van de regeling van de financiële gevolgen van echtscheiding. Voorts zal zulk een aanvaarding plaatsvinden indien de begunstiging strekt tot zekerheid van een vordering (meestal uit geldlening) van de begunstigde-pandhouder. 2. Onder b en c zijn de meest gebruikelijke gevallen opgenomen, waarbij de aanwijzing van een derde als begunstigde zonder aanvaarding onherroepelijk wordt. Het geval onder b heeft naast dat onder c zelfstandige betekenis. Men denke bijvoorbeeld aan de kapitaalverzekering op vaste termijn en aan de studieverzekering, waarbij de uitkering opeisbaar kan worden lang nadat de verzekerde is overleden. Het is niet de bedoeling dat in de tussentijd nog de begunstiging wordt herroepen. 2024 -1188- No. 164 3. Onder d is onder meer rekening gehouden met de mogelijkheid dat de verzekeringnemer wenst de aanwijzing onherroepelijk te doen zijn ook indien hij niet de verzekerde is, doch overlijdt vóórdat zijn aanwijzing om andere reden onherroepelijk zou worden.

  3161. Artikel 969 (aanvaarding van aanwijzing) 1. Lid 1 van dit artikel stelt vast, dat de begunstigde niet door het enkele feit van de onherroepelijkheid van de aanwijzing, maar, overeenkomstig de regeling van het derdenbeding, door een uitdrukkelijke van hem uitgaande aanvaarding zijn recht verkrijgt. Wat betreft de wijze van aanvaarding geldt bij sommenverzekering steeds de regel dat de aanvaarding tot de verzekeraar moet worden gericht. 2. Indien de aanwijzing reeds voor de aanvaarding onherroepelijk was geworden is deze voor de nemer - of diens rechtsopvolgers - slechts van ondergeschikte betekenis. De in artikel 972 genoemde gevolgen zijn dan reeds ingetreden. Daarom schrijft het ontwerp voor de verklaring geen bepaalde vorm, bijvoorbeeld geschrift, voor, maar partijen kunnen dit wel overeenkomen. Indien de aanwijzing eerst door de aanvaarding onherroepelijk wordt, is deze laatste voor de nemer c.s. van essentieel belang, omdat het dan de aanvaarding is, die bovenbedoelde gevolgen doet intreden. Daarom schrijft het onderhavige artikel voor dat geval schriftelijk toestemming door de verzekeringnemer voor, en het ligt voor de hand dat de aanvaarding dan ook schriftelijk dient te geschieden. 3. Lid 2 regelt de afwijzing van een onherroepelijk geworden, doch nog niet aanvaarde aanwijzing. Heeft de begunstigde wel aanvaard, maar wil hij de aanwijzing toch weer afwijzen, dan moet hij daartoe een overeenkomst met de verzekeraar sluiten: artikel 6:160 lid 1. 4. Ingevolge artikel 974 kan niet worden afgeweken van het vormvoorschrift van lid 1, tweede volzin. Krachteloos is derhalve het beding dat aanvaarding eerst tot een tegenover de derde onherroepelijke aanwijzing leidt, indien die aanvaarding door de verzekeraar in de polis is aangetekend.

  3162. Artikel 970 (overdracht) 1. Het begrip ‘de rechten van de verzekeringnemer’ bezigt het wetsvoorstel, in navolging van de verzekeringspraktijk, ter aanduiding van het geheel van rechten en bevoegdheden die voor de verzekeringnemer uit de verzekering (kunnen) voortvloeien. Het omvat derhalve niet alleen vorderingsrechten van de verzekeringnemer, maar ook zogenaamde ‘wilsrechten’ als het recht tot het doen afkopen of het belenen van de verzekering, alsmede de bevoegdheid tot het wijzigen van de begunstiging. Van deze rechten van de verzekeringnemer wordt in sommige polissen bepaald dat zij slechts gezamenlijk kunnen worden overgedragen. Om de praktijk op dit punt duidelijkheid te bieden, is het onderhavige artikel opgenomen. 2. In de eerste volzin van lid 1 is tot uitdrukking gebracht dat de rechten van de verzekeringnemer in beginsel (artikel 974 laat ruimte voor afwijking) slechts gezamenlijk kunnen worden overgedragen – en derhalve in beginsel ook slechts gezamenlijk kunnen worden bezwaard. In hoeverre deze gezamenlijke overdraagbaarheid meebrengt dat deze rechten, waaronder in vele gevallen ook een recht op uitkering, tezamen een subjectief vermogensrecht vormen, alsmede in hoeverre de afzonderlijke rechten niet zelf als vermogensrechten kunnen worden beschouwd, kan aan de wetenschap worden overgelaten. 3. Tegen afzonderlijke overdracht van een recht op een uitkering bestaat intussen geen bezwaar. Hetzelfde geldt voor andere uit de verzekering voortvloeiende geldvorderingen, zoals een vorderingsrecht ter zake van afkoop of belening. Heeft de verzekeringnemer een bevoegdheid tot belening uitgeoefend en heeft hij daardoor een opeisbare geldvordering jegens de verzekeraar verkregen, dan dient hij deze vordering – als iedere andere vordering – te kunnen cederen. Daarom is in de tweede volzin van lid 1 bepaald dat dergelijke vorderingsrechten ook afzonderlijk kunnen worden overgedragen. Deze afzonderlijke overdraagbaarheid kan in de wet, bijvoorbeeld ten aanzien van pensioenen, of de polis zijn uitgesloten of beperkt. 2024 -1189- No. 164 4. Lid 2, dat de vereisten van artikel 3:94 lid 1 (jo artikel 3:98), aanscherpt door een schriftelijke mededeling te verlangen, is van toepassing op levering van alle rechten uit een verzekering. Derhalve zal zowel voor levering van de gezamenlijke rechten van de verzekeringnemer (lid 1, eerste volzin), als voor de afzonderlijke levering van een recht op uitkering door een als begunstigde aangewezen derde die zijn aanwijzing heeft aanvaard, een daartoe bestemde akte en schriftelijke mededeling aan de verzekeraar nodig zijn. Artikel 974 laat ruimte om van de bepaling af te wijken, doch dat kan niet buiten de verzekeraar om (zie artikel 3:83 lid 2).

  3163. Artikel 971 (pandrecht) 1. In deze bepaling zijn enige regels samengebracht met betrekking tot verpanding van rechten uit een sommenverzekering. In lid 1 is voor alle rechten uit de verzekering, derhalve ook voor het recht op uitkering, bepaald dat daarop geen stil pandrecht kan worden gevestigd. Stille verpanding is met name van belang voor handelsvorderingen die gezamenlijk worden verpand. Bij een recht op uitkering uit een sommenverzekering zal daaraan geen behoefte bestaan, terwijl het met het oog op de eenvoud van de te regelen verhoudingen tussen verzekeraar, verzekeringnemer, derdebegunstigde en pandhouder de voorkeur verdient dat verpanding geschiedt met kennisgeving aan de verzekeraar. 2. Lid 2 is nodig omdat de daarin genoemde wetsartikelen ervan uitgaan dat de pandgever van een vordering tevens schuldeiser is, terwijl bij aanwijzing van een derde-begunstigde het overschot dat na executie en verdeling resteert niet aan de pandgever-verzekeringnemer behoort toe te komen. Het gebruik van de term ‘hoofdgerechtigde’ voorkomt dat een eventueel surplus zou moeten worden uitgekeerd aan de begunstigde die zijn aanwijzing nog niet heeft aanvaard. Voor de hoedanigheid van begunstigde is aanvaarding immers niet vereist (artikel 965), terwijl een als hoofdgerechtigde aangewezen derde eerst door aanvaarding ook daadwerkelijk hoofdgerechtigde wordt (vergelijk artikel 969 lid 1, eerste volzin). In de tweede volzin is een regeling getroffen voor het geval dat voor de uitkering een derde als (hoofd)begunstigde is aangewezen, die zijn aanwijzing nog niet heeft aanvaard. Deze begunstigde dient alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om door aanvaarding van zijn aanwijzing hoofdgerechtigde te worden. Het spreekt vanzelf dat de derde van zijn aanvaarding mede aan de pandhouder mededeling zal moeten doen. Zijn er geen derde- begunstigden, dan zal de verzekeringnemer zelf de hoofdgerechtigde zijn tot het recht op uitkering. 3. Er is van afgezien te bepalen dat een aanwijzing van de pandhouder tot begunstigde slechts geldig is tot het beloop van zijn vordering op de schuldenaar. Een dergelijke bepaling zou de verzekeraar namelijk kunnen betrekken in discussies over de vraag of aan een bepaalde begunstiging een pandkarakter toekomt (vergelijk artikel 966 lid 4), hetgeen dan van belang zou zijn voor de omvang van zijn betalingsverplichting jegens die begunstigde. Wel kan de begunstiging door de verzekeringnemer zelf met zoveel woorden beperkt zijn tot het bedrag van hetgeen de begunstigde van hem te vorderen zal hebben (zie artikel 966 lid 4, tweede volzin). Maar ook voor de pandhouder zal het veelal de voorkeur verdienen dat niet hij maar de verzekeraar zorgdraagt voor uitkering van een eventueel overschot aan de opvolgend rechthebbende. Die mogelijkheid is in lid 3 van het onderhavige artikel 971 gecreëerd. Op grond van deze bepaling kunnen de verzekeringnemer en de aspirant-pandhouder ook overeenkomen dat de pandhouder de uitkering slechts zal incasseren voor het bedrag dat hij van de verzekeringnemer te vorderen heeft, waarbij het eventuele overschot door de verzekeraar wordt uitgekeerd aan de opvolgende begunstigde.

  3164. Artikel 972 (toestemming) 1. In dit artikel zijn de beperkingen samengebracht die worden gesteld aan de uitoefening van de rechten van de verzekeringnemer in verband met de belangen van een derde-begunstigde of een beperkt gerechtigde. Lid 1 onder a, betreft de gevolgen van onherroepelijkheid van aanwijzing voor de bevoegdheid van de nemer om zijn rechten uit te oefenen. Men denke bijvoorbeeld aan de intrekking of de wijziging van de aanwijzing, afkoop, premievrijmaking, belening en vervreemding. Onderdeel b beschermt beperkt gerechtigden, zoals pandhouders en vruchtgebruikers. 2024 -1190- No. 164 2. Lid 2 stelt de beperking van lid 1 buiten toepassing voor het geval dat door uitoefening van de rechten van de verzekeringnemer geen wijziging zou worden aangebracht in de rechtspositie van de begunstigde wiens aanwijzing onherroepelijk is of degene voor wie een beperkt recht is gevestigd op de nemersrechten of op het recht op een uitkering.

  3165. Artikel 973 (opzet) 1. De verzekeringsrechtelijke variant van de uit het erfrecht bekende onwaardigheid is uitgebreid met het geval dat de begunstigde de verwezenlijking van het risico – veelal: de dood van de verzekerde – niet zozeer opzettelijk heeft veroorzaakt, doch daaraan wel medewerking heeft verleend (vergelijk voor het erfrecht artikel 4:3). Deze uitbreiding komt overeen met het strafrechtelijke begrip ‘medeplichtigheid’, tegenover het ‘plegen’ waarvan het opzettelijk veroorzaken het equivalent is. 2. De werking van dit artikel is echter beperkt tot gevallen dat een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. Aldus zal bijvoorbeeld degene die opzettelijk tegen een boom rijdt om een voetganger te ontwijken, niet een recht verspelen op uitkering krachtens een ongevallenverzekering. In de polisvoorwaarden kan worden bepaald dat ook zonder strafrechtelijke veroordeling opzettelijk veroorzaakte schade niet tot uitkering leidt. Artikel 974 staat immers niet in de weg aan een uitbreiding van de gevallen waarbij geen recht op uitkering bestaat.

  3166. Artikel 974 (dwingend recht) Men zie het Algemeen deel van deze Memorie van Toelichting (onder 4 e.v.). § 2 (Levensverzekering)

  3167. Artikel 975 (definitie) 1. Dit artikel vult voor levensverzekering de in artikel 964 gegeven definitie aan; zie ook de algemene definitie van verzekering van artikel 925. De definitie omvat alle soorten van kapitaal- en renteverzekering. Bij de eerste wordt een vast bedrag, bij de tweede een periodieke uitkering bedongen. Ook komen velerlei combinaties voor. Is een periodieke uitkering afhankelijk van het leven van de verzekerde, dan is zij een lijfrente, zodat titel 7.18 mede van toepassing is. 2. Het artikel sluit de ongevallenverzekering uit. Deze uitsluiting berust op het feit dat ongevallenverzekering, ook voor zover zij tot een uitkering bij overlijden strekt, van geheel andere aard is dan de levensverzekering. Met name bevat zij geen spaarelement en is zij bedrijfstechnisch veeleer schadeverzekering.

  3168. Artikel 976 (lijkbezorging) 1. Enkele bepalingen zullen niet gelden voor de verzekering die ertoe strekt te voorzien in een behoorlijke uitvaart. Van deze verzekering bestaan twee varianten. De eerste verzekert een uitkering in geld, waarmee de kosten aan de uitvaart verbonden, kunnen worden bestreden. Bij de tweede geschiedt de uitkering in natura: daarbij neemt de verzekeraar op zich, zelf de uitvaart te verzorgen. 2. De geringe bedragen en premies die met deze verzekeringen zijn gemoeid, en de aard van de uitkering in de tweede variant, maken het onmogelijk de rechtsfiguren waartoe een levensverzekering die stellig voorziet in een uitkering, aanleiding kan geven, bij deze verzekeringen te handhaven. Voor zover deze rechtsfiguren voortvloeien uit regelend recht, kan hun toepasselijkheid in de overeenkomst worden uitgesloten. Daarom bevat het voorgestelde artikel slechts een opsomming van bepalingen waarvan overigens niet of niet steeds kan worden afgeweken. 3. Het doel waarvoor deze verzekeringen worden aangegaan, rechtvaardigt het in de derde zin bepaalde. 2024 -1191- No. 164 4. Gedacht is aan een verzekerde som die de kosten van een behoorlijke uitvaart niet te boven gaat, en een verzekering die rechtstreeks in zulk een uitvaart voorziet. Het ontwerp geeft de mogelijkheid een staatsbesluit te nemen, zodat gemakkelijk met gewijzigde omstandigheden rekening kan worden gehouden.

  3169. Artikel 977 (geen opzegging of ontbinding) 1. Dit artikel is opgenomen met het oog op het bijzondere belang dat de verzekeringnemer vooral bij levensverzekering met een spaarelement op voortzetting van de verzekering heeft. De woorden ‘noch krachtens enig beding vervallen’, opgenomen aan het slot van lid 1, beletten niet een levensverzekering voor bepaalde tijd te sluiten. Evenmin verhindert de bepaling de verzekeringnemer het recht te geven de verzekering premievrij voort te zetten onder instandhouding van de verzekerde bedragen. Weliswaar wordt door zulke voortzetting de duur van de overeenkomst gewijzigd, doch dit geschiedt dan op uitdrukkelijk verzoek van de verzekeringnemer zélf, en dus niet uit hoofde van enig beding. 2. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde of de pandhouder worden afgeweken: artikel 986 lid 2.

  3170. Artikel 978 (afkoop en premievrijmaking) 1. Veel levensverzekeringen verkrijgen na verloop van enige jaren een zekere geldswaarde, afkoopwaarde genaamd. Deze waarde stijgt naarmate gedurende meer jaren premie is betaald en de datum waarop volgens statistische gegevens de verwezenlijking van het risico dichterbij komt. Men kan de afkoopwaarde de concretisering van het spaarelement noemen. Artikel 978 geeft een wettelijk recht tot afkoop maar beperkt dit voor zover de verzekering stellig voorziet in een of meer uitkeringen. Het gaat er dus om of (de invloed van niet-betaling van premie daargelaten) van meet af aan vaststaat dat de verzekeraar te eniger tijd, vroeg of laat, verplicht zal zijn een of meer uitkeringen te doen. Men denke aan de levenslange overlijdensverzekering: de verplichting van de verzekeraar bestaat uit het uitkeren van de overeengekomen som bij overlijden van de verzekerde, ongeacht wanneer dit overlijden geschiedt, de gemengde verzekering: de verzekeraar verplicht zich de verzekerde som uit te keren op een tevoren bepaalde datum (de einddatum van de overeenkomst) of bij het eerder overlijden van de verzekerde en de verzekering van een kapitaal op vaste termijn: de verzekeraar is, onafhankelijk van het in leven zijn van de verzekerde, verplicht de verzekerde som op de einddatum uit te keren. Het verzekeringselement bestaat hierin, dat bij overlijden van de verzekerde vóór de einddatum de verplichting van de verzekeringnemer tot verdere premiebetaling vervalt. Door de verzekering te doen afkopen realiseert de verzekeringnemer het spaarelement. 2. Verzekeringen die de verzekeraar alleen bij het in leven zijn van de verzekerde op een overeengekomen tijdstip tot uitkering verplichten, leiden niet stellig tot uitkering en lid 1heeft daarop geen betrekking. In de praktijk wordt ook bij zulke verzekeringen de nemer wel gelegenheid gegeven zulk een verzekering te doen afkopen, doch dat geschiedt vaak slechts op voorwaarde dat de goede gezondheid van de verzekerde wordt aangetoond, bijvoorbeeld door middel van een medische keuring. 3. De in lid 2 bedoelde premievrije voortzetting is gebaseerd op het technische gegeven dat bij levensverzekeringen die geen zuivere risicoverzekeringen zijn, de premiebetaling tot een waarde kan leiden, die kan dienen voor een aangepaste of nieuwe verzekering, waarbij geen verdere premiebetaling plaatsvindt. Die waarde wordt de premievrije waarde genoemd. Bij de verzekeringen die stellig tot uitkering leiden is de premievrije waarde gelijk aan de afkoopwaarde. 4. Met betrekking tot premievrijmaking van beleggingsverzekeringen verdient opmerking, dat na premievrijmaking ook kosten en eventueel premie voor nog aanwezig overlijdensrisico ten laste van de opgebouwde waarde worden gebracht. Dit kan ertoe leiden dat op zeker moment geen waarde resteert en de verzekering vervalt. Een dergelijk vervallen na premievrijmaking, dat vergelijkbaar is met het geval, bedoeld aan het slot van artikel 980 lid 2, eerste volzin, komt niet in strijd met artikel 977 lid 1. Evenmin staat die bepaling eraan in de weg dat een meeverzekerde premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid vervalt wanneer de hoofdverzekering premievrij wordt gemaakt. 2024 -1192- No. 164 5. De verzekering zal hetzij voorzien in een uitkering hetzij in een aantal uitkeringen. Met beide mogelijkheden dient rekening te kunnen worden gehouden bij het bepalen van de gevallen waarin premievrijmaking kan worden uitgesloten. De tekst brengt dit tot uitdrukking. 6. De uitsluiting van lid 2, tweede volzin, kan slechts worden toegepast wanneer op het tijdstip van premievrijmaking de hoogte van de uiteindelijk verschuldigde uitkering of uitkeringen kan worden bepaald, hetgeen bij beleggingsverzekeringen met hun fluctuerende premievrije waarden niet het geval is. Om die reden beperkt deze bepaling zich tot verzekeringen met verzekerde bedragen, waarbij derhalve premievrije voortzetting tegen verminderde bedragen in beginsel mogelijk is. Uitsluiting van het recht op premievrijmaking is hier mogelijk voor het geval dat de uitkering of uitkeringen beneden een bij staatsbesluit vast te stellen grens zou blijven. 7. Naast de wijze van premievrije voortzetting, waarin lid 2 voorziet, kunnen partijen een andere vorm van premievrije voortzetting overeenkomen. Hierbij is met name te denken aan de zogenaamde automatische voortzetting, waarbij de hoogte van de verzekerde uitkeringen in stand blijft, doch waarbij de verdere premies en de eventueel bedongen rente en kosten met de afkoopwaarde – en bij overlijden met de uitkering – worden verrekend. De verzekering loopt dan – tenzij de verzekerde intussen is overleden – door totdat het spaarelement door bedoelde verrekening is verdwenen. Lid 2 geeft de verzekeringnemer daarbij dan nog de mogelijkheid om, zolang de verzekering als gevolg van de zogenaamde automatische voortzetting niet is beëindigd, alsnog over te stappen op een premievrije voortzetting tegen verminderde bedragen. 8. In hoeverre het onderhavige artikel van dwingend recht is, wordt geregeld in artikel 986, leden 3 en 4. Het slot van lid 4 beoogt een zekere verzorgingsbescherming te bieden aan de verzekeringnemer of begunstigde tegen uitwinning van een levensverzekering; men denke aan een ouderdoms- of invaliditeitsvoorziening of een voorziening ten behoeve van nagelaten betrekkingen. Aangesloten is bij de fiscale facilitering van pensioenopbouw. Zie de Beschikking pensioenen (P.B. 2002, no. 35), die onder meer aanvaardbaarheidsnormen stelt aan de op te bouwen pensioenen.

  3171. Artikel 979 (belenen) 1. Het spaarelement dat door premiebetaling wordt opgebouwd bij verzekeringen met afkoopwaarde, biedt de verzekeringnemer de mogelijkheid bij de verzekeraar een lening te sluiten. Daarbij wordt het geleende bedrag, voor zover niet afgelost, verrekend met toekomstige aanspraken krachtens de verzekering van de verzekeringnemer of begunstigde derden. De beleningsvoorwaarden zullen steeds bepalen dat de periodieke rente bij vooruitbetaling verschuldigd is. Gevolg hiervan is dat de verzekeringnemer die tot belening overgaat, niet meer in handen kan krijgen dan een bedrag gelijk aan de afkoopwaarde verminderd met het eerste rentebedrag. Daarnaast zal in deze voorwaarden zijn bepaald dat niet-betaling van rente hetzelfde gevolg heeft als niet-betaling van premie. 2. Lid 2 is opgenomen met het oog op artikel 6:237, onderdeel g. Voorziet de levensverzekering in een – al dan niet premievrij gemaakte – reeks uitkeringen, dan mag de verzekeraar bovendien het bedrag dat op de geldlening open staat in mindering brengen op de contante waarde van de gehele reeks. Uit artikel 6:127 lid 2 vloeit voort, dat de verzekeraar eerst tot verrekening bevoegd is indien hij betaling van de vordering tot terugbetaling uit de geldlening kan afdwingen. De woorden ‘of ten laste van de verzekering’ zien op betalingen die de verzekeraar krachtens derdenbeslag ten laste van de nemer of de begunstigde moet doen op een moment dat het geleende bedrag nog niet volledig is terugbetaald.

  3172. Artikel 980 (niet-betalen vervolgpremie) 1. Artikel 934 past om verschillende redenen niet bij levensverzekering. In de eerste plaats moet rekening worden gehouden met het feit dat bij levensverzekering meestal geen verplichting tot premiebetaling bestaat. Daarom wordt hier niet gesproken van niet-nakoming van een verplichting, doch eenvoudig van niet-betalen van premie. 2024 -1193- No. 164 2. In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de positie van de begunstigde die zijn aanwijzing reeds heeft aanvaard, die van de pandhouder wiens recht overeenkomstig artikel 971 is gevestigd en die van een beslaglegging (zie artikel 479ka e.v. Rv). Zij hebben bij het intact blijven van de verzekering veelal minstens zoveel belang als de verzekeringnemer zelf. Daarom schrijft lid 1 voor dat de gevolgen van niet-betalen van vervolgpremie eerst intreden indien ook zij voor die gevolgen zijn gewaarschuwd en de gelegenheid hebben gehad alsnog voor betaling van de premie zorg te dragen. De mededelingen waartoe lid 1 de verzekeraar verplicht, geschieden schriftelijk: artikel 933. 3. Lid 2 regelt de gevolgen van definitief onbetaald blijven van de premie. Men zie verder de toelichting bij artikel 978 lid 2. Voorziet de overeenkomst niet in automatische voortzetting en leent zij zich niet voor premievrije voortzetting tegen verminderde bedragen, dan eindigt de verzekering. Bij zulk een einde heeft de nemer recht op de eventuele afkoopwaarde. 4. Lid 3 volgt artikel 934, tweede volzin, met dien verstande dat rekening is gehouden met het feit dat artikel 6:96 lid 2 onderdeel c, niet van toepassing is, omdat er bij levensverzekering meestal geen verplichting tot premiebetaling bestaat. Dit betekent tevens dat onder de kosten van dit lid slechts kunnen vallen de kosten verbonden aan de naleving van lid 1. 5. De mogelijkheid om van dit artikel af te wijken wordt in artikel 986 lid 3, beperkt.

  3173. Artikel 981 (overlijden verzekerde) 1. De eerste volzin van dit artikel zorgt ervoor dat bij verzekeringen met afkoopwaarde, het spaarelement ook bij een uitgesloten doodsoorzaak door de verzekeraar wordt uitgekeerd. Deze verminderde uitkering neemt de plaats in van de bedongen uitkering, zodat zij aan de begunstigde toekomt. De redelijkheid brengt mede dat een regeling van dezelfde strekking wordt getroffen indien de verzekering alleen premievrije waarde heeft. Indien bijvoorbeeld bij een verzekering die voorziet in een ouderdoms- en weduwepensioen, afgesloten op het leven van de man, de man overlijdt door een uitgesloten doodsoorzaak, heeft de weduwe recht op een verlaagde rente. 2. Ingevolge artikel 986 lid 2, kan niet ten nadele van de daar genoemde personen van dit artikel worden afgeweken.

  3174. Artikel 982 (onjuiste opgave leeftijd en geslacht) 1. Uitgangspunt van dit en het volgende artikel is dat de regeling van de mededelingsplicht en van de gevolgen van niet-nakoming zoals in de artikelen 928 tot en met 931 vervat, ook op levensverzekering zoveel mogelijk van toepassing moeten zijn. De artikelen 982 en 983 bevatten dan ook slechts de voor levensverzekering onvermijdelijke afwijkingen. 2. Onjuiste opgave van leeftijd of geslacht berust vrijwel steeds op vergissing of misverstand. De daardoor ontstane wanverhouding tussen premie en verzekerde som is aan de hand van de tarieven gemakkelijk te herstellen. De fout zal dikwijls voor het einde van de verzekering worden ontdekt en indien vóór dat einde de afkoopwaarde of de premievrije waarde moet worden berekend moet ook hier aanpassing plaatsvinden. Omdat de grondslag van de financiering van de uitkeringen op de premiereserve berust, kan de aanpassing slechts bestaan uit wijziging van wat de verzekeraar moet betalen, en niet door aanpassing van de premie. Een en ander leidt tot de in het artikel belichaamde wettelijke conversie. Omdat een vergissing even goed tot voordeel als tot nadeel voor de tot uitkering gerechtigde kan leiden, omvat het artikel beide mogelijkheden. Het kan dus zowel verlaging als verhoging van de uitkering tot gevolg hebben. Voor zover het leeftijd of geslacht van de verzekerde betreft, geldt alleen de hier gegeven regeling. 3. Lid 2 ziet op het geval dat de verzekeraar geen verzekerden boven een bepaalde leeftijd aanvaardt. In dat geval gelden de algemene bepalingen betreffende de mededelingsplicht en eventueel artikel 983. 4. Van het onderhavige artikel kan ingevolge artikel 986 lid 2, niet ten nadele van de daargenoemde personen worden afgeweken. 2024 -1194- No. 164

  3175. Artikel 983 (niet-nakoming mededelingsplicht) 1. Zie de inleidende opmerking bij het vorige artikel 982. Het onderhavige artikel 983 regelt de bijzondere gevolgen van de niet-nakoming van de mededelingsplicht van artikel 928 voor verzekeringen met afkoopwaarde. Het geldt zowel voor de verzekeringen bedoeld in artikel 978 als voor die welke de verzekeringnemer krachtens de overeenkomst zelf kan doen afkopen. 2. De gevolgen die de artikelen 929 en 930 aan die niet-nakoming verbinden zijn in beginsel ook op deze overeenkomsten van toepassing, zij het ook met enige nuanceringen wegens de aard van de overeenkomst. De gevolgen van artikel 929 omvatten, behalve een mededeling met voorbehoud van rechten in lid 1, een beperkte bevoegdheid tot opzegging voor de verzekeraar in lid 2 en een ruimere voor de verzekeringnemer in lid 3. Aan deze laatste heeft de verzekeringnemer eigenlijk geen behoefte, omdat hij immers kan doen afkopen, doch bezwaar daartegen bestaat niet. Het bijzondere bij de onderhavige verzekeringen is dat er bij de beëindiging een waarde overschiet, de afkoopwaarde, die door de verzekeringnemer is ‘gespaard’. Het is billijk dat hij deze bij de beëindiging terugkrijgt, en dit is dan ook wat lid 1 van het onderhavige artikel 983 bepaalt. 3. Lid 2 sluit aan bij de gevolgen die artikel 930 verbindt aan het niet nakomen van de mededelingsplicht met betrekking tot de uitkering in de gevallen waarin niet is opgezegd. In beginsel bestaat er dan geen recht op uitkering (artikel 930 lid 1), en zeker bestaat dat niet in de twee gevallen die lid 4 van dat artikel noemt. Ook dan echter is er toch een afkoopwaarde aanwezig, en het is billijker dat de begunstigde voor wie ze bestemd was, die verkrijgt, dan dat zij aan de verzekeraar vervalt; vergelijk de regeling van artikel 981. Aldus bepaalt dan ook lid 2 van het onderhavige artikel 983, eerste volzin. 4. Artikel 930 lid 2 bepaalt echter dat de verzekeraar in één geval de volledige uitkering verschuldigd wordt, en lid 3 voorziet in de mogelijkheid van een proportionele uitkering. In deze beide gevallen kan de uitkering hoger zijn dan de afkoopwaarde, en het ligt voor de hand dat ook bij de onderhavige verzekeringen dit hogere bedrag tot uitkering komt; aldus de tweede volzin van lid 2 van artikel 983. 5. Omdat de begunstigde die reeds heeft aanvaard, zijn vermeende recht dikwijls niet verkrijgt, behoort hij op de hoogte te worden gesteld. Wanneer hij tegenover de verzekeringnemer aanspraak op een verzekeringsuitkering kan maken, kan hij er dan - eventueel door beslag onder de verzekeraar te leggen - voor zorgen, dat alsnog een geldige verzekering wordt gesloten. 6. Eenzelfde waarschuwing aan de pandhouder is evenzeer op haar plaats; de uitkering waartoe de verzekeraar krachtens de leden 1 en 2 van artikel 983 is gehouden, kan (als er niet een reeds aanvaarde begunstiging is) worden beschouwd als een vordering (van de verzekeringnemer) tot vergoeding die in de plaats komt van de verzekerde uitkering, zodat het pandrecht ingevolge artikel 3:229 naar de eerstbedoelde uitkering verschuift. De waarschuwing stelt de pandhouder in staat zijn maatregelen tijdig te nemen. 7. Ook de beslaglegger dient in kennis gesteld te worden, althans wanneer de verzekeraar reeds de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv heeft gedaan omtrent hetgeen door het beslag is getroffen. Is zodanige verklaring nog niet gedaan, dan kan de verzekeraar wachten tot het tijdstip van die verklaring en daarbij rekening houden met zijn beroep op artikel 928. 8. Van het artikel kan ingevolge artikel 986 lid 3, in de daar genoemde omstandigheden niet ten nadele van de verzekeringnemer, begunstigde, pandhouder en beslaglegger worden afgeweken.

  3176. Artikel 984 (pandrecht) 1. Het onderhavige artikel bevat een betrekkelijk eenvoudige regeling, waarbij de aanspraken van de pandhouder, wanneer het pandrecht niet mede het recht op uitkering omvat, eindigen wanneer het risico zich verwezenlijkt, de verzekering tot uitkering komt en de nemersrechten daardoor ‘uitgewerkt’ zijn. Wanneer de pandhouder mede de zekerheid wenst dat de uitkering te zijnen behoeve strekt, zal hij hebben te zorgen dat hij tijdig als begunstigde wordt aangewezen, hetzij door de verzekeringnemer, hetzij doordat hijzelf gebruik maakt van de mogelijkheid om het recht om de begunstiging te wijzigen. De regeling sluit daarmee beter aan bij de regeling bij beslag (artikel 479l e.v. Rv). 2024 -1195- No. 164 2. Er geldt geen beperking van de mogelijkheid van verpanding van de nemersrechten tot afkoopbare verzekeringen, zodat bijvoorbeeld ook een pandrecht kan worden benut als daarmee slechts de begunstiging kan worden gewijzigd, terwijl het verder kan voorkomen dat bij verzekeringen zonder recht op afkoop toch afkoop wordt toegestaan. Dit doet zich wel voor bij een tijdelijke risicoverzekering, als de verzekerde goed gezond is, en bij een samenstel van twee verzekeringen waarbij in elk geval een der verzekeringen tot uitkering zal leiden. 3. In lid 1 is aan de pandhouder de bevoegdheid toegekend de verzekering te doen afkopen, tenzij de verzekeringnemer de bevoegdheid daartoe mist. Verder kan de pandhouder, evenals de beslaglegger ingevolge artikel 479m lid 1, Rv overgaan tot wijziging van de begunstiging, voor zover deze niet onherroepelijk is. Voor wijziging van de begunstiging is niet vereist dat de schuldenaar in verzuim is. Is een begunstiging na vestiging van het pandrecht onherroepelijk geworden, dan kan dit wel aan de pandhouder worden tegengeworpen. De pandhouder heeft het namelijk, anders dan de beslaglegger, in de hand om bij vestiging van het pandrecht de eis te stellen dat hij als begunstigde wordt aangewezen, en deze begunstiging te aanvaarden. 4. De termijn van vier weken voordat tot afkoop kan worden overgegaan houdt het midden tussen de voor beslag in artikel 479n lid 3, Rv gestelde termijnen van twee en zes weken, afhankelijk van de eventuele reactie van de beslagene. 5. In de regel dat de verzekering niet kan worden afgekocht voordat aan de verzekeringnemer mededeling is gedaan van het voornemen daartoe, ligt besloten dat een afkoop zonder bedoelde mededeling niet rechtsgeldig kan plaatsvinden. De eis van een aangetekende brief of een deurwaardersexploot is gesteld met het oog op de rechtszekerheid en om het belang van de mededeling voor de verzekeringnemer te onderstrepen. Voor alle gevallen de eis van een exploot te stellen is niet nodig. Bij beslag kan de verzekeringnemer, anders dan bij pand, geconfronteerd worden met een schuldeiser die hem niet (goed) bekend is en met wie hij geen contractuele verhouding heeft, zodat de eis van een exploot daar beter past. Voorts kan de pandhouder zowel bij een exploot als bij een aangetekende brief de verzekeraar eenvoudig in staat stellen zich te vergewissen van de ontvangst van de mededeling door de verzekeringnemer, bij gebreke waarvan de verzekeraar afkoop zal weigeren. Artikel 986 lid 1 vormt geen beletsel voor de verzekeringnemer om de pandhouder te machtigen zelfs eerder tot afkoop over te gaan. 6. Aan de mogelijkheid van belening door de pandhouder bestaat geen behoefte naast de in lid 2 geboden mogelijkheid voor de verzekeringnemer om zijnerzijds tot belening over te gaan ter aflossing van de vordering van de pandhouder. Bepaald is dat de pandhouder, om tot afkoop te kunnen overgaan, de verzekeringnemer op deze mogelijkheid moet wijzen. 7. In lid 3 wordt bepaald dat het pandrecht met betrekking tot de verzekering nog slechts komt te rusten op de vordering ter zake van de afkoop of de belening, waaruit volgt dat het voor het overige teniet gaat. De bevoegdheid tot inning van de vordering vloeit voort uit artikel 3:246 lid 1. 8. Lid 4 bepaalt dat de pandhouder niet bevoegd is tot parate executie door verkoop van de in pand verkregen rechten.

  3177. Artikel 985 (verjaring) In dit artikel wordt de gebruikelijke verjaringstermijn van vijf jaar voorgeschreven. Aldus bepaalt het artikel voor alle uitkeringen bij levensverzekering hetzelfde als artikel 3:308 reeds voor termijnen van een lijfrente voorschrijft. Ingevolge artikel 977 kan geen vervaltermijn worden overeengekomen.

  3178. Artikel 986 (dwingend recht) Men zie het Algemeen deel van deze Memorie van Toelichting (onder 4 e.v.). Wat betreft het slot van lid 4 ten aanzien van de beperking van de afkoopmogelijkheid, zie ook de toelichting bij artikel 978. 2024 -1196- No. 164 TITEL 18 - LIJFRENTE Inleidende opmerkingen 1. Lijfrente wordt veelal gevestigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering. Zij ontstaat ook wel op andere wijze, met name door schenking of door testamentaire beschikking. Met het oog hierop zijn de weinige voorschriften die speciaal voor lijfrente nodig zijn, in de onderhavige titel ondergebracht. Zij betreffen alleen lijfrente als recht en niet de rechtsgrond waaruit zij kan ontstaan. 2. Op een levensverzekering, waarbij een lijfrente wordt bedongen, zijn de bepalingen van titel 7.17, aangevuld met die van de onderhavige titel, toepasselijk.

  3179. Artikel 990 (definitie) Behalve van het in leven zijn van een of meer personen, kan een lijfrente ook van andere factoren afhankelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld van een tijdslimiet. Zij is dan slechts tijdelijk. Het bedrag van de uitkering hoeft niet onveranderlijk te zijn.

  3180. Artikel 991 (omzetting) De in lid 1 voorgestelde oplossing biedt de gerechtigde de beste kansen op verhaal en zekerheid, die op het moment van verzuim van de schuldenaar te verwezenlijken kon zijn. Lid 2 is ingegeven door artikel 6:37.

  3181. Artikel 992 (rente) Deze bepaling komt overeen met het huidige recht. WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. (Burgerlijk Wetboek) (S.B. 2024 no. 164) BOEK 8 2024 -1197- No. 164 BOEK 8 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME Boek 8 Verkeersmiddelen en vervoer I ALGEMENE BEPALINGEN Titel 1 Algemene bepalingen

  3182. Artikel 1 1. In dit wetboek worden onder schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven. 2. Bij staatsbesluit kunnen zaken, die geen schepen zijn voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken, die schepen zijn. 3. Voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën worden bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na hun inbouw, hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na voltooiing van het schip zal zijn. 4. Onder scheepstoebehoren worden verstaan de zaken, die, geen bestanddeel van het schip zijnde, bestemd zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht. 5. Behoudens afwijkende bedingen, wordt het scheepstoebehoren tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3. 6. Voor de toepassing van de leden 3 tot en met 5 wordt onder schip mede verstaan een schip in aanbouw.

  3183. Artikel 2 1. In dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd. 2. Bij staatsbesluit kunnen schepen, die geen zeeschepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als zeeschip worden aangewezen, dan wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op schepen, die zeeschepen zijn.

  3184. Artikel 3a 1. In dit wetboek worden onder luchtvaartuigen verstaan toestellen die in de dampkring kunnen worden gehouden ten gevolge van krachten die de lucht daarop uitoefent, met uitzondering van toestellen die blijkens hun constructie bestemd zijn zich te verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden tussen het toestel en het oppervlak der aarde. 2. Het casco, de motoren, de luchtschroeven, de radiotoestellen en alle andere voorwerpen bestemd voor gebruik in of aan het toestel, onverschillig of zij daarin of daaraan zijn aangebracht dan wel tijdelijk ervan zijn gescheiden, zijn bestanddeel van het luchtvaartuig. 3. Bij staatsbesluit kunnen zaken die geen luchtvaartuigen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als luchtvaartuig worden aangewezen, dan wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken die luchtvaartuigen zijn.

  3185. Artikel 5 2024 -1198- No. 164 In dit wetboek worden onder opvarenden verstaan alle zich aan boord van een schip bevindende personen. Artikel 6 In dit wetboek wordt de kapitein aangemerkt als lid van de bemanning.

  3186. Artikel 8 In dit wetboek worden onder bagage verstaan de zaken, die een vervoerder in verband met een door hem gesloten overeenkomst van personenvervoer op zich neemt te vervoeren met uitzondering van zaken, vervoerd onder een het vervoer van zaken betreffende overeenkomst.

  3187. Artikel 10 In dit wetboek wordt onder reder verstaan de eigenaar van een zeeschip.

  3188. Artikel 12 In dit boek leidt strijd met een dwingende wetsbepaling tot ambtshalve toe te passen nietigheid van de rechtshandeling.

  3189. Artikel 13 Dit boek laat onverlet enige in Suriname van kracht zijnde internationale overeenkomst of enige wet die de aansprakelijkheid voor kernschade regelt. Titel 2 Algemene bepalingen betreffende vervoer Afdeling 1 Overeenkomst van goederenvervoer

  3190. Artikel 20 De overeenkomst van goederenvervoer is de overeenkomst, waarbij de ene partij, de vervoerder, zich tegenover de andere partij, de afzender, verbindt zaken te vervoeren.

  3191. Artikel 21 De vervoerder is verplicht ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin hij hen heeft ontvangen. Artikel 22 Onverminderd artikel 21 is de vervoerder verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.

  3192. Artikel 23 De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade voor zover deze is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.

  3193. Artikel 24 2024 -1199- No. 164 De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te zijner beschikking zijn.

  3194. Artikel 25 1. Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze ten gevolge van de opzegging lijdt. 2. De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

  3195. Artikel 26 De afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken, alsmede omtrent de behandeling daarvan, tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze gegevens kent.

  3196. Artikel 27 De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die van de zijde van de afzender voor het vervoer zijn vereist, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.

  3197. Artikel 28 1. Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen. 2. De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan. 3. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.

  3198. Artikel 29 De vracht is verschuldigd na aflevering van de zaken ter bestemming.

  3199. Artikel 30 1. De vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit. 2. De vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of zal worden ter zake van het vervoer van die zaken. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van rembours op die zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt. 3. De in dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij 2024 -1200- No. 164 op het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.

  3200. Artikel 31 Wordt de vervoerder dan wel de afzender of een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.

  3201. Artikel 32 Deze afdeling geldt slechts ten aanzien van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van goederenvervoer. Afdeling 2 Overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer

  3202. Artikel 40 De overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder, gecombineerd vervoerder, zich bij een en dezelfde overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer deels over zee, over binnenwateren, over de weg, langs spoorstaven, door de lucht of door een pijpleiding dan wel door middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden.

  3203. Artikel 41 Bij een overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.

  3204. Artikel 42 1. Indien de gecombineerd vervoerder de zaken niet zonder vertraging ter bestemming aflevert in de staat waarin hij hen heeft ontvangen en niet is komen vast te staan, waar de omstandigheid, die het verlies, de beschadiging of de vertraging veroorzaakte, is opgekomen, is hij voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk, tenzij hij bewijst, dat hij op geen der delen van het vervoer, waar het verlies, de beschadiging of de vertraging kan zijn opgetreden, daarvoor aansprakelijk is. 2. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3205. Artikel 43 1. Indien de gecombineerd vervoerder aansprakelijk is voor schade ontstaan door beschadiging, geheel of gedeeltelijk verlies, vertraging of enig ander schadeveroorzakend feit en niet is komen vast te staan waar de omstandigheid die hiertoe leidde, is opgekomen, wordt zijn aansprakelijkheid bepaald volgens de rechtsregelen die toepasselijk zijn op dat deel of die delen van het vervoer, waarop deze omstandigheid kan zijn opgekomen en waaruit het hoogste bedrag aan schadevergoeding voortvloeit. 2. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3206. Artikel 44 1. De gecombineerd vervoerder kan op verlangen van de afzender, geuit alvorens zaken te zijner beschikking worden gesteld, ter zake van het vervoer een document, CT-document, opmaken, dat door hem wordt gedateerd en ondertekend en aan de afzender wordt afgegeven. De ondertekening kan worden gedrukt of door een stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen. 2. Op het CT-document worden vermeld: a. de afzender, 2024 -1201- No. 164 b. de ten vervoer ontvangen zaken met omschrijving van de algemene aard daarvan, zoals deze omschrijving gebruikelijk is, c. een of meer der volgende gegevens met betrekking tot de in onderdeel b bedoelde zaken: 1 aantal, 2 gewicht, 3 volume, 4 merken, d. de plaats waar de gecombineerd vervoerder de zaken ten vervoer heeft ontvangen, e. de plaats waarheen de gecombineerd vervoerder op zich neemt de zaken te vervoeren, f. de geadresseerde die, ter keuze van de afzender, wordt aangegeven hetzij bij name of andere aanduiding, hetzij als order van de afzender of van een ander, hetzij als toonder; de enkele woorden ‘aan order’ worden geacht de order van de afzender aan te geven, g. de gecombineerd vervoerder, h. het aantal exemplaren van het document indien dit in meer dan één exemplaar is uitgegeven, i. al hetgeen overigens afzender en gecombineerd vervoerder gezamenlijk goeddunkt. 3. De aanduidingen, vermeld in lid 2 onder a tot en met c, worden in het CT-document opgenomen aan de hand van door de afzender te verstrekken gegevens, met dien verstande dat de gecombineerd vervoerder niet verplicht is in het CT-document enig gegeven met betrekking tot de zaken op te geven of te noemen waarvan hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat het niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeeft of tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad. De gecombineerd vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of gepompte zaken te toetsen. De afzender staat in voor de juistheid, op het ogenblik van de inontvangstneming van de zaken, van de door hem verstrekte gegevens. 4. Partijen zijn verplicht elkaar de schade te vergoeden die zij lijden door het ontbreken van in lid 2 bedoelde gegevens.

  3207. Artikel 45 De verhandelbare exemplaren van het CT-document, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle. Niet verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden aangeduid.

  3208. Artikel 46 1. Voor het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst zal plaatsvinden als vervoer over zee of binnenwateren, wordt het CT-document als cognossement aangemerkt. 2. Voor het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst over de weg zal plaatsvinden, wordt het CT-document als vrachtbrief aangemerkt. 3. Voor het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst langs spoorstaven of door de lucht zal plaatsvinden, wordt het CT-document, mits het mede aan de daarvoor gestelde vereisten voldoet, als voor dergelijk vervoer bestemd document aangemerkt.

  3209. Artikel 47 Indien een overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer is gesloten en bovendien een CT-document is afgegeven, wordt, behoudens artikel 51 lid 2, tweede volzin, de rechtsverhouding tussen de gecombineerd vervoerder en de afzender door de bedingen van de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer en niet door die van dit CT-document beheerst. Behoudens het in artikel 51 lid 1 gestelde vereiste van houderschap van het CT-document, strekt dit aan hen dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de gecombineerd vervoerder.

  3210. Artikel 48 2024 -1202- No. 164 1. Het CT-document bewijst, behoudens tegenbewijs, dat de gecombineerd vervoerder de zaken heeft ontvangen en wel zoals deze daarin zijn omschreven. Tegenbewijs tegen het CT-document wordt niet toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een derde te goeder trouw. 2. Indien in het CT-document de clausule: ‘aard, gewicht, aantal, volume of merken onbekend’ of enige andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen, binden zodanige in het CT-document voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de gecombineerd vervoerder niet, tenzij bewezen wordt dat hij de aard, het gewicht, het aantal, het volume of de merken der zaken heeft gekend of had behoren te kennen. 3. Een CT-document, dat de uiterlijk zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert, behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een vermoeden op dat de gecombineerd vervoerder die zaak voor zover uiterlijk zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen. 4. Een in het CT-document opgenomen waarde-opgave schept, behoudens tegenbewijs, een vermoeden, doch bindt niet de gecombineerd vervoerder die haar kan betwisten. 5. Verwijzingen in het CT-document worden geacht slechts die bedingen daarin te voegen die voor degene jegens wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degene jegens wie dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die bedingen heeft doen toekomen. 6. Dit artikel laat onverlet de bepalingen die aan cognossement of vrachtbrief een grotere bewijskracht toekennen. 7. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 5 wordt afgeweken.

  3211. Artikel 49 Een CT-document aan order wordt geleverd op de wijze als aangegeven in titel 4, afdeling 2, van Boek 3. Artikel 50 Levering van het CT-document vóór de aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als levering van die zaken.

  3212. Artikel 51 1. Indien een CT-document is afgegeven, heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de gecombineerd vervoerder het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op deze rustende verplichtingen te vorderen. Onverminderd dit recht op aflevering heeft hij, en hij alleen, voor zover de gecombineerd vervoerder aansprakelijk is wegens het niet nakomen van de op hem rustende verplichting zaken zonder vertraging ter bestemming af te leveren in de staat waarin hij hen heeft ontvangen, uitsluitend het recht te dier zake schadevergoeding te vorderen. 2. Jegens de houder van het CT-document, die niet de afzender was, is de gecombineerd vervoerder gehouden aan en kan hij een beroep doen op de bedingen van het CT-document. Jegens iedere houder van het CT-document kan hij de daaruit duidelijk kenbare rechten tot betaling geldend maken. Jegens de houder van het CT-document, die ook de afzender was, kan de gecombineerd vervoerder zich bovendien op de bedingen van de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender beroepen.

  3213. Artikel 52 Van de houders van verschillende exemplaren van hetzelfde CT-document heeft hij het beste recht, die houder is van het exemplaar waarvan, ná de gemeenschappelijke voorman die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel. Afdeling 3 Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen 2024 -1203- No. 164

  3214. Artikel 60 De overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen is de overeenkomst, waarbij de ene partij, de expediteur, zich jegens zijn wederpartij, de opdrachtgever, verbindt tot het te haren behoeve met een vervoerder sluiten van een of meer overeenkomsten van vervoer van door deze wederpartij ter beschikking te stellen zaken, dan wel tot het te haren behoeve maken van een beding in een of meer zodanige vervoerovereenkomsten.

  3215. Artikel 61 1. Voor zover de expediteur de overeenkomst tot het sluiten waarvan hij zich verbond, zelf uitvoert, wordt hij zelf aangemerkt als de vervoerder uit die overeenkomst. 2. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3216. Artikel 62 1. Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur voor zover hij een vervoerovereenkomst die hij met een ander zou sluiten, zelf uitvoerde, verplicht zulks onverwijld aan de opdrachtgever die hem kennis gaf van de schade mee te delen. 2. Doet de expediteur de mededeling niet, dan is hij, wanneer hij daardoor niet tijdig als vervoerder is aangesproken, naast vergoeding van de schade die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding, die hij zou hebben moeten voldoen, wanneer hij wel tijdig als vervoerder zou zijn aangesproken. 3. Nietig is ieder beding, waarbij van de leden 1 en 2 wordt afgeweken.

  3217. Artikel 63 1. Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur voor zover hij de vervoerovereenkomst, die hij met een ander zou sluiten, niet zelf uitvoerde, verplicht de opdrachtgever onverwijld te doen weten welke vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering van zijn verbintenis aanging. Hij is tevens verplicht de opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking te stellen, waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen tot verhaal van opgekomen schade. 2. De opdrachtgever verkrijgt jegens degene met wie de expediteur heeft gehandeld, van het ogenblik af, waarop hij de expediteur duidelijk kenbaar maakt dat hij hen wil uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn toegekomen, wanneer hijzelf als afzender de overeenkomst zou hebben gesloten. Hij kan ter zake in rechte optreden, wanneer hij overlegt een door de expediteur of, in geval van diens faillissement, door diens curator af te geven verklaring, dat tussen hem en de expediteur ten aanzien van de zaken een overeenkomst tot het doen vervoeren daarvan werd gesloten. 3. Komt de expediteur een verplichting als bedoeld in lid 1, niet na, dan is hij, naast vergoeding van de schade die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding die de opdrachtgever van hem had kunnen verkrijgen, wanneer hij de overeenkomst die hij sloot, zelf had uitgevoerd, verminderd met de schadevergoeding die de opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder verkreeg. 4. Nietig is ieder beding, waarbij van de leden 1 tot en met 3 wordt afgeweken. 2024 -1204- No. 164

  3218. Artikel 64 De opdrachtgever is verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd ter beschikking zijn.

  3219. Artikel 65 1. Alvorens zaken ter beschikking zijn gesteld, is de opdrachtgever bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij is verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze ten gevolge van de opzegging lijdt. 2. De opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

  3220. Artikel 66 1. De opdrachtgever is verplicht de expediteur omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de expediteur van belang zijn, tenzij hij mag aannemen, dat de expediteur deze gegevens kent. 2. De expediteur is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.

  3221. Artikel 67 De opdrachtgever is verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die van de zijde van de opdrachtgever voor het uitvoeren van de opdracht zijn vereist, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.

  3222. Artikel 68 1. Wanneer voor of bij de terbeschikkingstelling van de zaken omstandigheden aan de zijde van een der partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen. 2. De opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan. 3. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.

  3223. Artikel 69 1. De expediteur is gerechtigd afgifte van zaken of documenten, die hij in verband met de overeenkomst onder zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de overeenkomst tot doen vervoeren recht heeft op aflevering daarvan, tenzij daarop beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit. 2. De expediteur kan het recht van retentie uitoefenen op zaken of documenten, die hij in verband met de overeenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem ter zake van de overeenkomst door zijn opdrachtgever verschuldigd is of zal worden. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de expediteur is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De expediteur behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt. 3. De in dit artikel aan de expediteur toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij 2024 -1205- No. 164 op het tijdstip dat hij de zaak of het document onder zich kreeg, reden had te twijfelen aan de bevoegdheid van de opdrachtgever jegens die derde hem die zaak of dat document ter beschikking te stellen.

  3224. Artikel 70 Indien een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan wel een zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking is gesteld, is de expediteur, die te dier zake door zijn wederpartij buiten overeenkomst wordt aangesproken, jegens deze niet verder aansprakelijk dan hij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten overeenkomst tot het doen vervoeren van die zaak.

  3225. Artikel 71 Indien een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan wel een zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking is gesteld, is de expediteur, die te dier zake buiten overeenkomst wordt aangesproken, behoudens de artikelen 361 tot en met 366, niet verder aansprakelijk dan hij dit zou zijn tegenover zijn opdrachtgever.

  3226. Artikel 72 Indien een vordering als bedoeld in artikel 71 buiten overeenkomst wordt ingesteld tegen een ondergeschikte van de expediteur, dan is deze ondergeschikte, mits hij de schade veroorzaakte in de werkzaamheden, waartoe hij werd gebruikt, niet verder aansprakelijk dan een dergelijke expediteur, die hem tot deze werkzaamheden gebruikte, dit op grond van artikel 71 zou zijn.

  3227. Artikel 73 Het totaal van de bedragen, verhaalbaar op de expediteur, al dan niet gezamenlijk met het bedrag, verhaalbaar op de wederpartij van degene die de vordering instelt, en hun ondergeschikten mag, behoudens in geval van schade ontstaan uit eigen handeling of nalaten van de aangesprokene, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet overtreffen het totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen overeenkomst is verschuldigd. II. ZEERECHT Titel 3 Het zeeschip en de zaken aan boord daarvan Afdeling 1 Rederij van het zeeschip

  3228. Artikel 160 1. Indien een zeeschip blijkens de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, aan twee of meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een rederij, indien zulks uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en deze akte in die registers is ingeschreven. 2. De rederij is geen rechtspersoon.

  3229. Artikel 161 2024 -1206- No. 164 Iedere mede-eigenaar is van rechtswege lid der rederij. Wanneer een lid ophoudt eigenaar te zijn, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege. Artikel 162 De leden der rederij moeten zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd. Artikel 163 In iedere rederij kan een boekhouder worden aangesteld. Een vennootschap is tot boekhouder benoembaar. Artikel 164 De boekhouder kan slechts met toestemming van de leden der rederij overgaan tot enige buitengewone herstelling van het schip of tot benoeming of ontslag van een kapitein.

  3230. Artikel 165 De boekhouder geeft aan ieder lid der rederij op diens verlangen kennis en opening van alle aangelegenheden de rederij betreffende en inzage van alle boeken, brieven en documenten, op zijn beheer betrekking hebbende.

  3231. Artikel 166 De boekhouder is verplicht, zo dikwijls een ter zake mogelijk bestaand gebruik dit meebrengt, doch in ieder geval telkens na verloop van een jaar en bij het einde van zijn beheer, binnen zes maanden aan de leden der rederij rekening en verantwoording te doen van zijn beheer met overlegging van alle bewijsstukken daarop betrekking hebbende. Hij is verplicht aan ieder van hen uit te keren wat hem toekomt. Artikel 167 Ieder lid der rederij is verplicht de rekening en verantwoording van de boekhouder binnen drie maanden op te nemen en te sluiten.

  3232. Artikel 168 De goedkeuring der rekening en verantwoording door de meerderheid van de leden der rederij bindt slechts hen, die daartoe hebben meegewerkt, behoudens dat zij ook een lid dat aan de rekening en verantwoording niet heeft meegewerkt, bindt, wanneer dit lid nalaat de rekening en verantwoording in rechte te betwisten binnen één jaar, nadat hij daarvan heeft kunnen kennisnemen en nadat de goedkeuring door de meerderheid hem schriftelijk is meegedeeld.

  3233. Artikel 169 De betrekking van de boekhouder eindigt, indien over hem een provisionele bewindvoerder is benoemd, hij onder curatele is gesteld, ter zake van krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst of in staat van faillissement is verklaard. 2024 -1207- No. 164

  3234. Artikel 170 1. Is de boekhouder lid der rederij, dan heeft hij, indien de leden zijn betrekking doen eindigen of hem een dringende reden hebben gegeven op grond waarvan hij zijnerzijds de betrekking doet eindigen, het recht te verlangen, dat zijn aandeel door de overige leden wordt overgenomen tegen zodanige prijs als deskundigen het op het tijdstip, waarop hij de overneming verlangt, waard zullen achten. Hij heeft dit recht niet, indien hij aan de leden der rederij een dringende reden heeft gegeven op grond waarvan zij de betrekking doen eindigen. 2. Hij moet van zijn verlangen tot overneming kennisgeven aan de leden der rederij binnen een maand, nadat zijn betrekking is geëindigd. Wanneer aan zijn verlangen niet binnen een maand is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan hem is voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden door de boekhouder gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter bepaald. 3. Door ieder van hen die tot de overneming verplicht zijn, wordt van het overgenomen aandeel een gedeelte verkregen, evenredig aan zijn aandeel in het schip.

  3235. Artikel 171 1. Alle besluiten, de aangelegenheden der rederij betreffende, worden genomen bij meerderheid van stemmen van de leden der rederij. 2. Het kleinste aandeel geeft één stem; ieder groter aandeel zoveel stemmen als het aantal malen, dat in dit aandeel het kleinste begrepen is. 3. Eenstemmigheid is vereist voor besluiten tot: a. aanstelling van een boekhouder die geen lid is van de rederij, b. uitbreiding van de bevoegdheid van de boekhouder buiten de grenzen getrokken door artikel 178 lid 1, c. het sluiten, voor meer dan zes maanden, van een rompbevrachting, een tijdbevrachting of een overeenkomst, bedoeld in artikel 531, d. ontbinding der rederij tijdens de loop van een overeenkomst tot vervoer, van een overeenkomst waarbij het schip ter beschikking van een ander is gesteld, of van een ter visvangst ondernomen reis.

  3236. Artikel 173 Indien ten gevolge van staking der stemmen de exploitatie van het schip wordt belet, kan de rechter op een binnen twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter bepaald.

  3237. Artikel 174 1. Indien is besloten omtrent enige buitengewone herstelling van het schip, omtrent benoeming of ontslag van de kapitein, dan wel omtrent het aangaan van een vervoerovereenkomst waarbij het schip ter beschikking van een ander wordt gesteld, kan ieder lid der rederij, dat tot het besluit niet heeft meegewerkt of daartegen heeft gestemd, verlangen dat zij die vóór het besluit hebben gestemd, zijn aandeel overnemen tegen zodanige prijs, als deskundigen het op het tijdstip, waarop hij de overneming verlangt, waard zullen achten. Hij moet van zijn verlangen tot overneming kennisgeven aan de boekhouder of, indien er geen boekhouder is, aan hen, die voorstemden, binnen een maand nadat het besluit te zijner kennis is gebracht. Wanneer aan zijn verlangen niet binnen een maand is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan hem is voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden door het lid der rederij gedaan verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter bepaald. 2. Door ieder van hen die tot de overneming verplicht zijn, wordt van het overgenomen aandeel een gedeelte verkregen, evenredig aan zijn aandeel in het schip.

  3238. Artikel 176 2024 -1208- No. 164 De leden der rederij moeten naar evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven der rederij, waartoe bevoegdelijk is besloten. Artikel 177 De leden der rederij delen in de winst en het verlies naar evenredigheid van hun aandeel in het schip.

  3239. Artikel 178 1. Is een boekhouder aangesteld, dan is hij, onverminderd artikel 360 lid 1, en met uitsluiting van ieder lid der rederij, in alles wat de normale exploitatie van het schip meebrengt, bevoegd voor de rederij met derden te handelen en de rederij te vertegenwoordigen. 2. Indien de rederij in het handelsregister is ingeschreven kunnen beperkingen van de bevoegdheid van de boekhouder aan derden die daarvan onkundig waren, niet worden tegengeworpen, tenzij deze beperkingen uit dat register blijken. Is de rederij niet in het handelsregister ingeschreven, dan kunnen beperkingen van de bevoegdheid van de boekhouder aan derden slechts worden tegengeworpen, wanneer hun die bekend waren. 3. De boekhouder heeft alle verplichtingen na te komen, die de wet de reder oplegt.

  3240. Artikel 179 Indien de rederij in het handelsregister is ingeschreven, kunnen de aanstelling van een boekhouder of het eindigen van diens betrekking aan derden, die daarvan onkundig waren, niet worden tegengeworpen zolang niet inschrijving daarvan in het handelsregister heeft plaats gehad. Is de rederij niet in het handelsregister ingeschreven dan kunnen de aanstelling van een boekhouder of het eindigen van diens betrekking aan derden slechts worden tegengeworpen wanneer dit hun bekend was.

  3241. Artikel 180 1. Indien er geen boekhouder is, alsmede in geval van ontstentenis of belet van de boekhouder, wordt de rederij vertegenwoordigd en kan voor haar worden gehandeld door een of meer van haar leden, mits alleen of tezamen eigenaars zijnde van meer dan de helft van het schip. 2. In de gevallen, genoemd in lid 1, kunnen handelingen, die geen uitstel kunnen lijden, zo nodig door ieder lid zelfstandig worden verricht en is ieder lid bevoegd ten behoeve van de rederij verjaring te stuiten. Artikel 181 Voor de verbintenissen van de rederij zijn haar leden aansprakelijk, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel in het schip.

  3242. Artikel 182 De rederij wordt niet ontbonden door de dood van een van haar leden noch door diens faillissement of plaatsing onder curatele.

  3243. Artikel 183 Het lidmaatschap der rederij kan niet worden opgezegd; evenmin kan een lid van het lidmaatschap der rederij worden vervallen verklaard. 2024 -1209- No. 164

  3244. Artikel 184 Indien tot ontbinding der rederij is besloten, moet het schip worden verkocht. Indien binnen twee maanden na het besluit het schip nog niet is verkocht, kan de rechter op een binnen twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek, bevelen tot deze verkoop over te gaan. De wijze van verkoop wordt door de rechter bepaald. Een besluit tot verkoop of een ingevolge artikel 170, artikel 173 of artikel 174 gegeven bevel tot verkoop van het schip staat gelijk met een besluit tot ontbinding der rederij.

  3245. Artikel 185 1. Na ontbinding blijft de rederij bestaan voor zover dit tot haar vereffening nodig is. 2. De boekhouder, zo die er is, is met de vereffening belast.

  3246. Artikel 186 Nietig is ieder beding, waarbij wordt afgeweken van de artikelen 161 tot en met 163, artikel 169, artikel 170 leden 1 en 2, artikel 178 lid 3 en de artikelen 180, 182 en 183. Afdeling 2 Rechten op zeeschepen

  3247. Artikel 190 1. In de afdelingen 2 tot en met 5 wordt onder schepen mede verstaan schepen in aanbouw. Onder reder wordt mede verstaan de eigenaar van een zeeschip in aanbouw. 2. Indien een schip in aanbouw een schip in de zin van artikel 1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw schip.

  3248. Artikel 191 In deze afdeling wordt onder openbare registers verstaan de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3.

  3249. Artikel 192 De in deze afdeling aan de reder opgelegde verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer personen, aan een openbare vennootschap dan wel aan een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar, besturende vennoot of bestuurder.

  3250. Artikel 194 1. Teboekstelling is slechts mogelijk: a. van een in aanbouw zijnd zeeschip: indien het in Suriname in aanbouw is; b. van een afgebouwd zeeschip: indien het een Surinaams schip is in de zin van artikel 3 van het Surinaams Zeebrieven Besluit 1933. 2. Teboekstelling is niet mogelijk van een zeeschip dat reeds teboekstaat in de openbare registers of in enig soortgelijk buitenlands register. 3. In afwijking van lid 2 is teboekstelling van een zeeschip dat in een buitenlands register teboekstaat mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan in dat register is doorgehaald, een Surinaams schip zal zijn. Deze teboekstelling heeft evenwel slechts rechtsgevolg, wanneer zij binnen dertig dagen is gevolgd door aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling in het buitenlandse register is doorgehaald, of wanneer, in geval de bewaarder van een buitenlands register ondanks daartoe 2024 -1210- No. 164 schriftelijk tot hem gericht verzoek doorhaling weigert, van dit verzoek en van het feit dat er geen gevolg aan is gegeven, aantekening in de openbare registers is geschied. 4. De teboekstelling wordt verzocht door de reder van het zeeschip. Hij moet daarbij overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste weten het schip voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is. Indien het een verzoek tot teboekstelling als zeeschip in aanbouw betreft, gaat deze verklaring vergezeld van een bewijs dat het schip in Suriname in aanbouw is. Indien het een verzoek tot teboekstelling als zeeschip, niet zijnde een zeeschip in aanbouw, betreft, behoeft deze verklaring de goedkeuring van de kantonrechter. 5. De teboekstelling in de openbare registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de leden 1 tot en met 4 niet is voldaan. 6. Bij het verzoek tot teboekstelling wordt woonplaats gekozen in Suriname. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere in Suriname gelegen woonplaats worden vervangen.

  3251. Artikel 195 1. De teboekstelling wordt slechts doorgehaald: a. op verzoek van degene die in de openbare registers als reder staat vermeld; b. op aangifte van de reder of ambtshalve: 1 als het schip is vergaan, is gesloopt, of blijvend ongeschikt voor drijven is geworden; 2 als van het schip gedurende zes maanden na het laatste uitvaren of de dag, waartoe zich de laatst ontvangen berichten uitstrekken, in het geheel geen tijding is aangekomen, zonder dat dit aan een algemene storing in de berichtgeving kan worden geweten; 3 als het schip door rovers of vijanden is genomen; 4 als het schip niet of niet meer de hoedanigheid van een Surinaams schip heeft; wanneer het schip de hoedanigheid van een Surinaams schip heeft verloren door toewijzing na een executie in het buitenland, vindt doorhaling slechts plaats, wanneer hetzij de reder, degenen van wier recht uit een inschrijving blijkt en de beslagleggers gelegenheid hebben gehad hun rechten op de opbrengst geldend te maken en hun daartoe ook feitelijk de gelegenheid is gegeven hetzij deze personen hun toestemming tot de doorhaling verlenen of hun vorderingen zijn voldaan. 2. In de in lid 1 onder b bedoelde gevallen is de reder tot het doen van aangifte verplicht binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft voorgedaan. 3. Wanneer ten aanzien van het schip inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden bestaan, geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen van deze derden zich daartegen verzet. 4. Doorhaling geschiedt slechts na, op verzoek van de meest gerede partij verleende, machtiging van de rechter.

  3252. Artikel 196 1. Zolang de teboekstelling in de openbare registers niet is doorgehaald heeft teboekstelling van een zeeschip in een buitenlands register of vestiging in het buitenland van rechten daarop, voor vestiging waarvan in Suriname inschrijving in de openbare registers vereist zou zijn geweest, geen rechtsgevolg. 2. In afwijking van lid 1 wordt een teboekstelling of vestiging van rechten als daar bedoeld erkend, wanneer deze geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de teboekstelling in de openbare registers binnen dertig dagen na de teboekstelling van het schip in het buitenlandse register.

  3253. Artikel 197 De enige zakelijke rechten, waarvan een in de openbare registers teboekstaand zeeschip het voorwerp kan zijn, zijn de eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in artikel 211 en artikel 217 lid 1 onder b bedoelde voorrechten.

  3254. Artikel 199 2024 -1211- No. 164 1. Een in de openbare registers teboekstaand zeeschip is een registergoed. 2. Bij toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89 leden 1 en 4 van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van zodanig zeeschip, kan de in het eerstgenoemd artikel bedoelde uitspraak van de Surinaamse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet in kracht van gewijsde is gegaan.

  3255. Artikel 201 Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op een teboekstaand zeeschip worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaar.

  3256. Artikel 202 Onverminderd artikel 260 lid 1 van Boek 3, wordt in de notariële akte waarbij hypotheek wordt verleend op een teboekstaand zeeschip of op een recht waaraan een zodanig schip is onderworpen, duidelijk het aan de hypotheek onderworpen schip vermeld.

  3257. Artikel 203 Behoudens afwijkende, uit de openbare registers blijkende, bedingen, omvat de hypotheek de zaken die uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren aan de reder van het schip. Artikel 266 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3258. Artikel 204 De door hypotheek gedekte vordering neemt rang na de vorderingen, bedoeld in de artikelen 210, 211, 221 en artikel 222 lid 1, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.

  3259. Artikel 205 Indien de vordering rente draagt, strekt de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen gedurende de laatste drie jaar voorafgaand aan het begin van de uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet van toepassing. Artikel 206 Op hypotheek op een aandeel in een teboekstaand zeeschip is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het schip in stand.

  3260. Artikel 207 1. Artikel 264 leden 1 en 2 van Boek 3 is in geval van een hypotheek waaraan een teboekstaand zeeschip is onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen. 2. De artikelen 234 en 261 van Boek 3 zijn op een zodanige hypotheek niet van toepassing.

  3261. Artikel 208 In geval van vruchtgebruik op een teboekstaand zeeschip zijn de bepalingen van artikel 217 van Boek 3 mede van toepassing op bevrachting voor zover die bepalingen niet naar hun aard uitsluitend op huur van bedrijfsruimte of huur van woonruimte van toepassing zijn. Afdeling 3 Voorrechten op zeeschepen 2024 -1212- No. 164

  3262. Artikel 210 1. In geval van uitwinning van een zeeschip worden de kosten van uitwinning of verkoop, alsmede de kosten van gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend. 2. In geval van verkoop van een gestrand, onttakeld of gezonken zeeschip, dat de overheid in het openbaar belang heeft doen opruimen, worden de kosten der wrakopruiming uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald. Artikel 210a Artikel 292 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 56 lid 2, eerste volzin, en de leden 3 en 4 van de Faillissementswet, zijn op zeeschepen niet van toepassing.

  3263. Artikel 211 Boven alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend, zijn, behoudens artikel 210, op een zeeschip bevoorrecht: a. in geval van beslag: de vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt tot behoud van het schip, daaronder begrepen de kosten van herstellingen, die onontbeerlijk waren voor het behoud van het schip; b. de vorderingen ontstaan uit de arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden der bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met betrekking tot loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een bedrag over een tijdvak van twaalf maanden verschuldigd; c. de vorderingen ter zake van hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het schip in averij- grosse; d. de vorderingen ter zake van havengelden en maatregelen met betrekking tot een schip die noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid van de haven of van derden, met dien verstande dat dit voorrecht vervalt doordat het schip een nieuwe reis aanvangt.

  3264. Artikel 212 Wanneer een vordering uit hoofde van artikel 211 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk bevoorrecht.

  3265. Artikel 213 1. De bevoorrechte vorderingen, bedoeld in artikel 211, nemen rang in de volgorde, waarin zij daar zijn gerangschikt. 2. Bevoorrechte vorderingen onder dezelfde letter vermeld, staan in rang gelijk doch de vorderingen, bedoeld in artikel 211 onder c, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden. 3. In rang gelijkstaande vorderingen worden pondspondsgewijs betaald.

  3266. Artikel 214 De voorrechten, bedoeld in artikel 211, strekken zich uit tot: a. alle zaken die uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren aan de reder van het schip; b. de schadevergoedingen, verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet herstelde beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat deel van een beloning voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van een vergoeding in averij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of beschadiging 2024 -1213- No. 164 staat; dit geldt eveneens wanneer deze schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard; deze schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen die zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het risico van verlies of averij; artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3267. Artikel 215 1. De schuldeiser, die een voorrecht heeft op grond van artikel 211, vervolgt zijn recht op het schip, in wiens handen dit zich ook bevindt. 2. Voorrechten als bedoeld in artikel 211 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3268. Artikel 216 De vorderingen, bedoeld in artikel 211, doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de terbeschikkingstelling van het schip aan een bevrachter, dan wel tijdens de exploitatie van het schip door een ander dan de reder, tenzij aan deze de feitelijke macht over het schip door een ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw was.

  3269. Artikel 217 1. Boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend, doch na de bevoorrechte vorderingen, bedoeld in artikel 211, na de hypothecaire vorderingen, na de vorderingen, bedoeld in artikel 222, en na de vordering van de pandhouder, zijn op een zeeschip, waaronder voor de toepassing van dit artikel niet is te verstaan een zeeschip in aanbouw, bij voorrang verhaalbaar: a. de vorderingen die voortvloeien uit rechtshandelingen, die de reder of een rompbevrachter binden en die rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of houden van het schip, alsmede de vorderingen die tegen een uit hoofde van artikel 461, in verbinding met artikel 462, als vervoerder aangemerkte persoon kunnen worden geldend gemaakt; onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen; b. de vorderingen, die uit hoofde van titel 6, afdeling 1, op de reder rusten; c. de vorderingen, bedoeld in artikel 752, voor zover zij op de reder rusten. 2. De in lid 1 bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald. 3. Artikel 212, artikel 214 onder a en artikel 216 zijn op de in lid 1 bedoelde vorderingen van toepassing. Op de vorderingen genoemd in lid 1, onder a, voor zover betrekking hebbende op een scheepsreparatie, alsmede op de vorderingen genoemd in lid 1, onder b, is ook artikel 215 van toepassing. 4. Artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3270. Artikel 218 Na de vorderingen, bedoeld in artikel 217, zijn de vorderingen, bedoeld in de artikelen 284 en 285 van Boek 3, voor zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel van deze titel, op een zeeschip bij voorrang verhaalbaar. 2024 -1214- No. 164

  3271. Artikel 219 1. De krachtens deze afdeling verleende voorrechten gaan teniet door verloop van een jaar, tenzij de schuldeiser zijn vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze termijn begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering voor hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de hulpverlening is beëindigd. 2. Het voorrecht gaat teniet met de vordering. 3. In geval van executoriale verkoop gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het proces- verbaal van verdeling wordt gesloten. Afdeling 4 Voorrechten op zaken aan boord van zeeschepen Artikel 220 Deze afdeling geldt onder voorbehoud van titel 15.

  3272. Artikel 221 1. In geval van uitwinning van zaken aan boord van een zeeschip worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend. 2. De in lid 1 bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald.

  3273. Artikel 222 1. Op zaken aan boord van een zeeschip zijn de vorderingen ter zake van hulpverlening en van een bijdrage van die zaken in averij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen nemen daartoe rang na die welke zijn bedoeld in de artikelen 210, 211 en 221, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend. 2. Op ten vervoer ontvangen zaken zijn bevoorrecht de vorderingen uit een met betrekking tot die zaken gesloten vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder door artikel 489 een recht op de zaken wordt toegekend. Deze vorderingen nemen daartoe rang na die welke zijn bedoeld in lid 1 en in artikel 204, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend. Artikel 223 Wanneer een vordering uit hoofde van artikel 222 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten teneinde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen gelijkelijk bevoorrecht.

  3274. Artikel 224 1. De vorderingen ter zake van hulpverlening of bijdrage in averij-grosse, die bevoorrecht zijn op grond van artikel 211 of artikel 222 lid 1 nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden. 2. De bevoorrechte vorderingen, bedoeld in artikel 222 lid 2, staan in rang gelijk. 3. De in artikel 284 van Boek 3 bedoelde vordering neemt rang na de in de leden 1 en 2 bedoelde vorderingen, ongeacht wanneer die vorderingen zijn ontstaan. 4. In rang gelijkstaande vorderingen worden pondspondsgewijs betaald.

  3275. Artikel 225 2024 -1215- No. 164 De voorrechten bedoeld in artikel 222, strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor verlies of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat deel van een beloning voor hulpverlening, van een beloning voor vlotbrengen of van een vergoeding in averij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen die zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die dekking geeft tegen het risico van verlies of averij. Artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3276. Artikel 226 De in artikel 222 bedoelde vorderingen doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn alsdan daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar op het tijdstip, dat het voorrecht is ontstaan, niet de schuldenaar van deze vorderingen.

  3277. Artikel 227 1. Met de aflevering van de zaken aan de daartoe gerechtigde gaan, behalve in het geval van artikel 559, de in artikel 222 bedoelde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet tijdig verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs alsmede door gerechtelijke rangregeling. 2. Zij blijven in stand, zolang de zaken op grond van artikel 490 of 574 zijn opgeslagen of daarop op grond van artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beslag is gelegd.

  3278. Artikel 228 De verkoper van brandstof voor de machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden kan het hem in titel 1, afdeling 8, van Boek 7 toegekende recht slechts gedurende achtenveertig uren na het einde van de levering uitoefenen, doch zulks ook indien deze zaken zich bevinden in handen van de reder, een rompbevrachter of een tijdbevrachter van het schip. Afdeling 5 Slotbepalingen

  3279. Artikel 230 1. De afdelingen 2 tot en met 4 zijn niet van toepassing op zeeschepen die toebehoren aan de Staat of enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor de uitoefening van: a. de openbare macht of b. niet-commerciële overheidsdienst. 2. De beschikking waarbij de in lid 1 bedoelde bestemming is vastgesteld, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing. 3. De inschrijving machtigt de bewaarder tot doorhaling van de teboekstelling van het schip in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3.

  3280. Artikel 231 Behoeven de in de afdelingen 2 tot en met 5 geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of krachtens staatsbesluit onverminderd de bevoegdheid tot regeling krachtens de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem, bedoeld in artikel 16 van Boek 3. Titel 4 Bemanning van een zeeschip 2024 -1216- No. 164 Afdeling 2 Kapitein

  3281. Artikel 260 1. De kapitein is bevoegd die rechtshandelingen te verrichten die rechtstreeks strekken om het schip in bedrijf te brengen of te houden. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen. 2. De kapitein is bevoegd cognossementen af te geven voor zaken die ten vervoer zijn ontvangen en aangenomen en passagebiljetten af te geven voor met het schip te vervoeren reizigers. Tevens is hij bevoegd namens de reder en de rechthebbenden op de zaken aan boord van het schip een overeenkomst omtrent hulpverlening te sluiten alsmede om het hulploon of de bijzondere vergoeding te innen.

  3282. Artikel 261 1. De kapitein is verplicht voor de belangen van de bevrachters en van de rechthebbenden op de aan boord zijnde zaken, zo mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de maatregelen, die daartoe nodig zijn, te nemen. 2. Indien het noodzakelijk is onverwijld ter behartiging van deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is de kapitein daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen. 3. Voor zover mogelijk geeft hij van bijzondere voorvallen terstond kennis aan de belanghebbenden bij de betrokken goederen en handelt hij in overleg met hen en volgens hun orders.

  3283. Artikel 262 1. Beperkingen van de wettelijke bevoegdheid van de kapitein gelden tegen derden slechts wanneer die aan hen bekend zijn gemaakt. 2. De kapitein verbindt zichzelf slechts dan, wanneer hij de grenzen van zijn bevoegdheid overschrijdt. Titel 5 Exploitatie Afdeling 1 Algemene bepalingen

  3284. Artikel 360 1. De reder is naast een rompbevrachter met deze hoofdelijk aansprakelijk uit een deze laatste bindende rechtshandeling, die rechtstreeks strekt tot het in bedrijf brengen of houden van het schip. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen. 2. Lid 1 is niet van toepassing indien aan degene met wie de daar bedoelde rechtshandeling wordt verricht, kenbaar is gemaakt, dat de rompbevrachter de reder niet vermag te binden dan wel deze derde wist, of zonder eigen onderzoek moest weten, dat het in lid 1 bedoelde doel werd overschreden. 3. Lid 1 is niet van toepassing ten aanzien van vervoerovereenkomsten, overeenkomsten tot het verrichten van arbeid met de bemanning aangegaan en overeenkomsten als bedoeld in afdeling 4. 4. Lid 1 is niet van toepassing, wanneer aan de reder de feitelijke macht over het schip door een ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw was. 5. Degene, die loods-, kanaal- of havengelden dan wel andere scheepvaartrechten voldoet ten behoeve van de reder, een rompbevrachter, een tijdbevrachter of de kapitein dan wel enige andere schuldenaar daarvan, wordt van rechtswege gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van deze vorderingen.

  3285. Artikel 361 2024 -1217- No. 164 1. Onder exploitatieovereenkomsten worden verstaan de bevrachtingen van het schip en de overeenkomsten tot vervoer van zaken of personen met het schip. 2. Onder keten der exploitatieovereenkomsten worden verstaan de exploitatieovereenkomsten gerangschikt: a. wat betreft bevrachtingen: te beginnen met een mogelijkerwijs aangegane rompbevrachting en vervolgens in de volgorde, waarin de bevrachters hun bevoegdheid over het schip te beschikken van elkaar afleiden, b. wat betreft vervoerovereenkomsten, die geen bevrachting zijn: te beginnen met de vervoerovereenkomst aangegaan door een vervoerder, die de beschikking heeft over het schip of een gedeelte daarvan, en te eindigen met de vervoerovereenkomst aangegaan tussen een vervoerder met het schip en zijn wederpartij, die niet wederom op haar beurt vervoerder met het schip is. 3. Voor de toepassing van de artikelen 361 tot en met 366 wordt een reiziger aangemerkt als partij bij de te zijnen aanzien gesloten vervoerovereenkomst. 4. In de artikelen 361 tot en met 366 worden onder beschadiging mede begrepen niet-aflevering, geheel of gedeeltelijk verlies, waardevermindering en vertraagde aflevering en wordt onder letsel mede begrepen vertraagde ontscheping.

  3286. Artikel 362 Indien een partij bij een exploitatieovereenkomst door haar wederpartij daarbij ter zake van een bij de exploitatie van het schip ontstane schade buiten overeenkomst wordt aangesproken, dan is zij jegens die wederpartij niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten overeenkomst.

  3287. Artikel 363 Indien een partij bij een exploitatieovereenkomst ter zake van een bij de exploitatie van het schip ontstane schade buiten overeenkomst wordt aangesproken door een andere partij bij een dusdanige overeenkomst, dan is zij tegenover deze niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn als ware zij wederpartij bij de exploitatieovereenkomst, die is aangegaan door degene die haar aanspreekt en die in de keten der exploitatieovereenkomsten tussen haar en deze laatste ligt.

  3288. Artikel 364 1. Wordt een reder of een bevrachter van een schip, dan wel een vervoerder met een schip ter zake van dood of letsel van een persoon of ter zake van beschadiging van een zaak, buiten overeenkomst aangesproken door iemand die geen partij is bij een exploitatieovereenkomst, dan is hij tegenover deze niet verder aansprakelijk dan hij uit overeenkomst zou zijn. 2. Was met betrekking tot de persoon of zaak een vervoerovereenkomst afgesloten en is de schade ontstaan in het tijdvak waarin een vervoerder met het schip als zodanig daarvoor aansprakelijk is, dan geldt als overeenkomst, bedoeld in lid 1, de laatste in de keten der exploitatieovereenkomsten met betrekking tot die persoon of zaak aangegaan. 3. Was de persoon of zaak aan boord van het schip op grond van een overeenkomst met een partij bij een exploitatieovereenkomst, doch is lid 2 niet van toepassing, dan geldt de eerstbedoelde overeenkomst als overeenkomst, bedoeld in lid 1. 4. Was de persoon of zaak buiten overeenkomst aan boord, dan geldt een vervoerovereenkomst als overeenkomst, bedoeld in lid 1. 5. De aansprakelijkheid, bedoeld in lid 1, is voor de toepassing van de leden 2 en 4 die van een vervoerder, en voor de toepassing van lid 3 die van de aldaar bedoelde partij. 2024 -1218- No. 164

  3289. Artikel 365 Wordt een vordering als bedoeld in de artikelen 362 tot en met 364 buiten overeenkomst ingesteld tegen een ondergeschikte van een partij bij een exploitatieovereenkomst en kan die partij ter afwering van haar aansprakelijkheid voor de gedraging van de ondergeschikte een verweermiddel jegens de eiser ontlenen aan de overeenkomst waardoor haar aansprakelijkheid ingevolge die artikelen wordt beheerst, dan kan ook de ondergeschikte dit verweermiddel inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.

  3290. Artikel 366 Het totaal van de bedragen verhaalbaar op een derde die partij is bij een exploitatieovereenkomst en zijn ondergeschikten, al dan niet gezamenlijk met het bedrag verhaalbaar op de wederpartij van degene die de in artikel 363 of 364 bedoelde vordering instelde en haar ondergeschikten, mag, behoudens in geval van schade ontstaan uit eigen handeling of nalaten van de aangesprokene, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet overtreffen het totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen overeenkomst is verschuldigd. Afdeling 2 Overeenkomst van goederenvervoer over zee

  3291. Artikel 370 1. De overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij, de vervoerder, zich tegenover de andere partij, de afzender, verbindt aan boord van een schip zaken uitsluitend over zee te vervoeren. 2. Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt als vervoer over zee beschouwd, tenzij het varen van dit schip over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over binnenwateren, in welk geval dit varen als varen over binnenwateren wordt beschouwd. 3. Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze beide wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over zee voor zover, met inachtneming tevens van lid 2, het varen van het beweegkracht overbrengende schip als varen over zee wordt beschouwd. Voor zover dit niet het geval is, wordt het als vervoer over binnenwateren beschouwd. 4. Deze afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoer van postzendingen door of in opdracht van de houder van een publiekrechtelijke concessie of onder een internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van artikel 510, is deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten tot het vervoeren van bagage.

  3292. Artikel 372 Deze afdeling laat titel 7 onverlet.

  3293. Artikel 373 1. Tijd- of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis, tijdbevrachting of reisbevrachting, ter beschikking stelt van de afzender. 2. Onder vervrachter is in deze afdeling de in lid 1 bedoelde vervoerder, onder bevrachter de aldaar bedoelde afzender te verstaan. 2024 -1219- No. 164

  3294. Artikel 374 De wetsbepalingen omtrent huur, bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een schip, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van toepassing.

  3295. Artikel 375 1. Bij eigendomsovergang van een tevoren vervracht, al dan niet teboekstaand, schip op een derde volgt deze in alle rechten en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft. 2. Rechten en verplichtingen die vóór de eigendomsovergang opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde niet over.

  3296. Artikel 377 In deze titel wordt onder vervoerovereenkomst onder cognossement verstaan de vervoerovereenkomst neergelegd in een cognossement dan wel enig soortgelijk document dat een titel vormt voor het vervoer van zaken over zee; eveneens wordt eronder verstaan de vervoerovereenkomst neergelegd in een cognossement of soortgelijk document als genoemd, dat is uitgegeven uit hoofde van een charterpartij, van het ogenblik af waarop dit cognossement of soortgelijk document de verhouding tussen de vervoerder en de houder van het cognossement beheerst.

  3297. Artikel 378 De vervoerder is verplicht ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat, waarin hij deze heeft ontvangen. Artikel 379 Onverminderd artikel 378 is de vervoerder verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te vervoeren.

  3298. Artikel 380 1. In geval van tijdbevrachting is de vervrachter verplicht de kapitein opdracht te geven binnen de grenzen door de overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te volgen. De vervrachter staat er voor in, dat de kapitein de hem gegeven opdracht nakomt. 2. De bevrachter staat er voor in, dat het schip de plekken of plaatsen, waarheen hij het ter inlading, lossing of anderszins op grond van lid 1 beveelt te gaan, veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze plekken of plaatsen blijken niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet aansprakelijk als de kapitein, door de hem gegeven orders op te volgen, onredelijk handelde. 3. Onverminderd artikel 461 wordt de bevrachter mede verbonden door en kan hij rechten ontlenen aan een rechtshandeling, die de kapitein ingevolge lid 1 verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.

  3299. Artikel 381 1. Onder een vervoerovereenkomst onder cognossement is de vervoerder verplicht vóór en bij de aanvang van de reis redelijke zorg aan te wenden voor: a. het zeewaardig maken van het schip; b. het behoorlijk bemannen, uitrusten en bevoorraden van het schip; c. het geschikt maken en in goede staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin zaken worden geladen, om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed te houden. 2024 -1220- No. 164 2. Onder een vervoerovereenkomst onder cognossement is de vervoerder, behoudens de artikelen 383 en 388, artikel 414 lid 4 en artikel 423, verplicht de zaken behoorlijk en zorgvuldig te laden, te behandelen, te stuwen, te vervoeren, te bewaren, te verzorgen en te lossen.

  3300. Artikel 382 1. Nietig is ieder beding in een vervoerovereenkomst onder cognossement, waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot zaken voortvloeiende uit nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de verplichtingen in de artikelen 381, 399 en 411, artikel 414 lid 1, de artikelen 492 en 493 of in artikel 1712 voorzien of waardoor deze aansprakelijkheid mocht worden verminderd op andere wijze dan in deze afdeling of in de artikelen 361 tot en met 366 is voorzien. Een beding, krachtens hetwelk de uitkering op grond van een gesloten verzekering aan de vervoerder komt of elk ander beding van dergelijke strekking, wordt aangemerkt als te zijn gemaakt teneinde de vervoerder van zijn aansprakelijkheid te ontheffen. 2. Niettegenstaande lid 1 is een beding, als daar bedoeld, geldig mits het betreft: a. een geoorloofd beding omtrent averij-grosse; b. levende dieren; c. zaken, die feitelijk op het dek worden vervoerd mits deze in het cognossement als deklading zijn opgegeven.

  3301. Artikel 383 1. Onder een vervoerovereenkomst onder cognossement is noch de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan uit onzeewaardigheid, tenzij deze is te wijten aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken, het behoorlijk te bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin de zaken worden geladen, geschikt te maken en in goede staat te brengen, zodat zij kunnen dienen tot het bergen, het vervoeren en het bewaren van de zaken, alles overeenkomstig artikel 381 lid 1. Telkens als verlies of schade is ontstaan uit onzeewaardigheid, rust de bewijslast ten aanzien van het aangewend zijn van de redelijke zorg op de vervoerder of op iedere andere persoon, die mocht beweren krachtens dit artikel van aansprakelijkheid te zijn ontheven. 2. Onder een vervoerovereenkomst al dan niet onder cognossement is noch de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor verlies of schade ontstaan of voortgevloeid uit: a. een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein, een ander lid van de bemanning, de loods of ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie of de behandeling van het schip; b. brand, tenzij veroorzaakt door de persoonlijke schuld van de vervoerder; c. gevaren, onheilen en ongevallen van de zee of andere bevaarbare wateren; d. een natuurgebeuren; e. oorlogshandelingen; f. een daad van vijanden van de staat; g. aanhouding of maatregelen van hogerhand of gerechtelijk beslag; h. maatregelen van quarantaine; i. een handeling of een nalaten van de afzender of eigenaar der zaken of van hun agent of vertegenwoordiger; j. werkstakingen of uitsluitingen of stilstand of belemmering van de arbeid, ten gevolge van welke oorzaak dan ook, hetzij gedeeltelijk hetzij geheel; k. oproer of onlusten; l. redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee; m. verlies aan volume of gewicht of enig ander verlies, of enige andere schade, ontstaan uit een verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek van de zaak; n. onvoldoende verpakking; o. onvoldoende of gebrekkige merken; p. verborgen gebreken, die ondanks een redelijke zorg niet te ontdekken waren; 2024 -1221- No. 164 q. enige andere oorzaak, niet voortgevloeid uit de persoonlijke schuld van de vervoerder, noch uit schuld of nalatigheid van zijn agenten of ondergeschikten; doch de bewijslast rust op degene die zich op deze ontheffing beroept, en het staat aan hem aan te tonen, dat noch zijn persoonlijke schuld, noch de nalatigheid of schuld van zijn agenten of ondergeschikten heeft bijgedragen tot het verlies of de schade. 3. Onder een vervoerovereenkomst onder cognossement is de afzender niet aansprakelijk voor door de vervoerder of het schip geleden verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan uit welke oorzaak dan ook, zonder dat er is een handeling, schuld of nalatigheid van hem, van zijn agenten of van zijn ondergeschikten. 4. Generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een schending van enige vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige schade daardoor ontstaan. 5. Het staat de afzender vrij aansprakelijkheid aan te tonen voor verlies of schade ontstaan of voortgevloeid uit de schuld van de vervoerder zelf of de schuld van zijn ondergeschikten, niet bestaande uit een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid als bedoeld in lid 2 onder a.

  3302. Artikel 384 Het staat de vervoerder vrij geheel of gedeeltelijk afstand te doen van zijn uit de in artikel 382 lid 1 genoemde artikelen of uit de artikelen 383 en 388, artikel 414 lid 4 of artikel 423 voortvloeiende rechten en ontheffingen van aansprakelijkheid of zijn uit deze artikelen voortvloeiende aansprakelijkheden en verplichtingen te vermeerderen, mits in geval van een vervoerovereenkomst onder cognossement deze afstand of deze vermeerdering blijkt uit het aan de afzender afgegeven cognossement.

  3303. Artikel 385 Niettegenstaande artikel 382 lid 1, is een beding als daar bedoeld geldig, wanneer het betreft zaken, die door hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst rechtvaardigen en welker vervoer moet geschieden onder omstandigheden of op voorwaarden, die een bijzondere overeenkomst rechtvaardigen. Het hier bepaalde geldt echter slechts, wanneer voor het vervoer van deze zaken geen cognossement, doch een blijkens zijn bewoordingen onverhandelbaar document is afgegeven en het niet betreft een gewone handelslading, verscheept bij gelegenheid van een gewone handelsverrichting.

  3304. Artikel 386 Niettegenstaande artikel 382 lid 1, staat het de vervoerder en de afzender vrij in een vervoerovereenkomst enig beding, enige voorwaarde, enig voorbehoud of enige ontheffing op te nemen met betrekking tot de verplichtingen en aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip voor het verlies of de schaden opgekomen aan de zaken of betreffende hun bewaring, verzorging of behandeling vóór het laden in en na het lossen uit het over zee vervoerende schip.

  3305. Artikel 387 Voor zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 378 en 379 rustende verplichtingen heeft de afzender geen ander recht dan betaling van de in artikel 388 bedoelde of de met toepassing van artikel 384 overeengekomen bedragen te vorderen. 2024 -1222- No. 164

  3306. Artikel 388 1. Tenzij de aard en de waarde van zaken zijn opgegeven door de afzender voor hun inlading en deze opgave in het cognossement, indien dit is afgegeven, is opgenomen, is noch de vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk voor enig verlies van of enige schade aan de zaken of met betrekking tot deze voor een bedrag hoger dan de tegenwaarde van 666,67 rekeneenheden per collo of eenheid, dan wel twee rekeneenheden per kilogram brutogewicht der verloren gegane of beschadigde zaken, waarbij het hoogste van deze bedragen in aanmerking moet worden genomen. 2. Het totale verschuldigde bedrag wordt berekend met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn afgeleverd. De in dit lid bedoelde waarde wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of wanneer er geen dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt, naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en hoedanigheid. 3. Wanneer een laadkist, een laadbord of dergelijk vervoergerei is gebezigd om zaken bijeen te brengen, wordt iedere collo of eenheid, die volgens vermelding in het cognossement in dat vervoergerei is verpakt, beschouwd als een collo of eenheid als bedoeld in lid 1. Behalve in het geval hiervoor omschreven wordt dit vervoergerei als een collo of eenheid beschouwd. 4. De rekeneenheid, bedoeld in lid 1, is het bijzondere trekkingsrecht zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen, bedoeld in lid 1, worden omgerekend in Surinaams geld naar de koers van de dag, waarop de betaling wordt verricht. De waarde van het Surinaamse geld, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. 5. Noch de vervoerder noch het schip kan zijn aansprakelijkheid met een beroep op dit artikel of artikel 414 lid 4 beperken, wanneer bewezen is, dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder, geschied hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. 6. Bij overeenkomst tussen de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder enerzijds en de afzender anderzijds, mogen andere maximumbedragen dan die, bedoeld in lid 1, worden bepaald, mits deze bedragen in geval van een vervoerovereenkomst onder cognossement niet lager zijn dan de in lid 1 bedoelde. 7. Noch de vervoerder noch het schip is in enig geval aansprakelijk voor verlies of schade van of aan zaken of met betrekking tot deze, indien aard of waarde daarvan door de afzender opzettelijk verkeerdelijk is opgegeven en, indien een cognossement is afgegeven, daarin verkeerdelijk is opgenomen.

  3307. Artikel 389 Indien met betrekking tot een zaak hulploon, een bijdrage in averij-grosse of een schadevergoeding uit hoofde van artikel 488 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.

  3308. Artikel 390 1. De tijd- of reisbevrachter is bevoegd de overeenkomst op te zeggen, wanneer hem door de vervrachter is meegedeeld dat het schip niet op de overeengekomen plaats of tijd te zijner beschikking is of zal kunnen zijn. 2. Hij kan deze bevoegdheid slechts uitoefenen door binnen een redelijke, niet meer dan achtenveertig uren durende, termijn na ontvangst van de mededeling, bedoeld in lid 1, het in lid 5 bedoeld bericht te verzenden. 3. Indien bij gebreke van de ontvangst van een mededeling, bedoeld in lid 1, het de bevrachter uit andere hoofde bekend is dat het schip niet op de overeengekomen plaats of tijd te zijner beschikking is of kan zijn, is hij, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen, doch slechts binnen een redelijke, niet meer dan achtenveertig uren durende, termijn nadat hem dit bekend is geworden; gelijke bevoegdheid komt hem toe, indien hem na ontvangst van een mededeling als bedoeld in lid 1, uit andere hoofde bekend wordt, dat het schip op grond van andere omstandigheden dan die de 2024 -1223- No. 164 vervrachter tot zijn mededeling brachten, niet op de overeengekomen plaats of tijd te zijner beschikking is of kan zijn. 4. De in dit artikel bedoelde termijn wordt geschorst op die zaterdagen, zondagen en plaatselijke feestdagen, waarop ten kantore van de bevrachter in het geheel niet wordt gewerkt. 5. De opzegging geschiedt door telegram of bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

  3309. Artikel 391 De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd te zijner beschikking zijn.

  3310. Artikel 392 1. Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te zeggen. 2. Zijn bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, verlengd met de overligtijd, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen. 3. Zijn bij het verstrijken van de in lid 2 bedoelde tijd, door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen zaken slechts gedeeltelijk ter beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden. 4. De opzegging geschiedt door telegram, bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan, doch niet voor lossing van de zaken. 5. Onder voorbehoud van artikel 383 lid 3, is de afzender verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de opzegging of van de aanvaarding van de reis. 6. De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.

  3311. Artikel 393 1. In geval van reisbevrachting is de vervrachter tegen zekerheidstelling voor wat hij van de bevrachter heeft te vorderen, op diens verlangen verplicht de reis te aanvaarden met een gedeelte der overeengekomen zaken. De bevrachter is verplicht de vervrachter de dientengevolge geleden schade te vergoeden. 2. De vervrachter is bevoegd in plaats van de ontbrekende zaken andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de vracht, die hij voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de bevrachter te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de bevrachter vergoeding van door hem geleden schade heeft geïnd of gevorderd.

  3312. Artikel 394 1. De afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze gegevens kent. 2. De vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn. 3. Is bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk voldaan aan de in lid 1 genoemde verplichting van de afzender, dan is, behalve in het geval van tijdbevrachting, artikel 392 leden 2 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing.

  3313. Artikel 395 2024 -1224- No. 164 1. De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en inlichtingen die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het vervoer dan wel ter voldoening aan voor de aflevering van de zaken te vervullen douane- en andere formaliteiten. 2. De vervoerder is verplicht redelijke zorg aan te wenden dat de documenten, die in zijn handen zijn gesteld, niet verloren gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit hoofde van de artikelen 387, 388 en 389 in geval van verlies van de zaken, niet overschrijden. 3. De vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn. 4. Zijn bij het verstrijken van de tijd waarbinnen de in lid 1 bedoelde documenten en inlichtingen aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig, dan is, behalve in het geval van tijdbevrachting, artikel 392 leden 2 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing.

  3314. Artikel 396 1. Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen. 2. De opzegging geschiedt door telegram, bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan. 3. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.

  3315. Artikel 397 1. De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden, die materiaal, dat hij deze ter beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving dan wel de behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. 2. Lid 1 laat artikel 383 lid 3 en de artikelen 398 en 423, alsmede de bepalingen nopens averij-grosse onverlet.

  3316. Artikel 398 1. Ten vervoer ontvangen zaken, die een zorgvuldig vervoerder, indien hij geweten zou hebben dat zij na hun inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het oog daarop niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen, mogen door hem op ieder ogenblik en op iedere plaats worden gelost, vernietigd dan wel op andere wijze onschadelijk gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer ontvangen zaken, waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend, geldt hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend gevaar opleveren. De vervoerder is ter zake geen enkele schadevergoeding verschuldigd en de afzender is aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiende uit de aanbieding ten vervoer, uit het vervoer of uit de maatregelen zelf. 2. Door het treffen van de in lid 1 bedoelde maatregel eindigt de overeenkomst met betrekking tot de daar bedoelde zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost, eerst na deze lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk de afzender, degene aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degene aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van aankomst van het schip moet zenden. Dit lid is niet van toepassing met betrekking tot zaken die de vervoerder na het treffen van de in lid 1 bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming vervoert. 3. Indien zaken na beëindiging van de overeenkomst alsnog in feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij zich op het ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in de staat, waarin zij 2024 -1225- No. 164 feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan. 4. Indien de afzender na feitelijke aflevering een zaak niet naar haar bestemming vervoert, wordt het verschil tussen de waarden ter bestemming en ter plaatse van de aflevering, bedoeld in artikel 388 lid 2, tweede volzin, aangemerkt als waardevermindering van die zaak. Vervoert de afzender een zaak na de feitelijke aflevering alsnog naar haar bestemming, dan worden de kosten, die hij te dien einde maakt, aangemerkt als waardevermindering van die zaak. 5. Op de feitelijke aflevering is het tussen partijen overeengekomene alsmede het in deze afdeling nopens de aflevering van zaken bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat deze feitelijke aflevering niet op grond van de eerste volzin van lid 1 of op grond van artikel 484 lid 2 de vracht verschuldigd doet zijn. De artikelen 490 en 491 zijn van overeenkomstige toepassing. 6. De leden 1 tot en met 5 laten artikel 423, alsmede de bepalingen nopens averij-grosse onverlet. 7. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3317. Artikel 399 1. Na de zaken ontvangen en aangenomen te hebben, moet de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement afgeven, dat onder meer vermeldt: a. de voornaamste voor identificatie van de zaken nodige merken, zoals deze, voor de inlading van deze zaken is begonnen, door de afzender schriftelijk zijn opgegeven, mits deze merken zijn gestempeld of anderszins duidelijk zijn aangebracht op de onverpakte zaken of op de kisten of verpakkingen, die de zaken inhouden en wel zodanig, dat zij in normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar zullen blijven; b. òf het aantal der colli òf het stuktal, òf de hoeveelheid òf het gewicht, al naar gelang der omstandigheden, zoals zulks door de afzender schriftelijk is opgegeven; c. de uiterlijk zichtbare staat en gesteldheid der zaken; met dien verstande, dat geen vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder verplicht zal zijn in het cognossement merken, aantal, hoeveelheid of gewicht op te geven of te noemen waarvan hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat zij niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeven of tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad. De vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of gepompte zaken te toetsen. 2. Als de zaken ingeladen zijn, zal het cognossement, dat de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder aan de afzender afgeeft, indien deze dit verlangt, de vermelding ‘geladen’ bevatten, mits de afzender, indien hij vooraf enig op die zaken rechtgevend document heeft ontvangen, dit tegen afgifte van het ‘geladen’-cognossement teruggeeft. De vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder heeft eveneens het recht in de laadhaven op het oorspronkelijk afgegeven document de naam van het schip of van de schepen, aan boord waarvan de zaken werden geladen, en de datum of de data van inlading aan te tekenen, in welk geval het aldus aangevulde document, mits inhoudende de in dit artikel vermelde bijzonderheden, als een ‘geladen’-cognossement in de zin van dit artikel wordt beschouwd.

  3318. Artikel 410 Indien een vervoerovereenkomst is gesloten en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens artikel 441 lid 2, tweede volzin, de rechtsverhouding tussen de vervoerder en de afzender door de bedingen van de vervoerovereenkomst en niet door die van dit cognossement beheerst. Behoudens het in artikel 441 lid 1 gestelde vereiste van houderschap van het cognossement, strekt dit aan hen dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de vervoerder. 2024 -1226- No. 164

  3319. Artikel 411 De afzender wordt geacht ten behoeve van de vervoerder in te staan voor de juistheid op het ogenblik van de in ontvangstneming van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloosstellen voor alle verliezen, schaden en kosten, ontstaan ten gevolge van onjuistheden in de opgave van deze bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op dergelijke schadeloosstelling beperkt op geen enkele wijze zijn aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de vervoerovereenkomst voortvloeien, tegenover elke andere persoon dan de afzender.

  3320. Artikel 412 1. Het cognossement wordt gedateerd en door de vervoerder ondertekend en vermeldt de voorwaarden waarop het vervoer plaatsvindt, alsmede de plaats waar en de persoon aan wie de zaken moeten worden afgeleverd. Deze wordt, ter keuze van de afzender, aangegeven hetzij bij name of andere aanduiding, hetzij als order van de afzender of van een ander, hetzij als toonder. 2. De enkele woorden ‘aan order’ worden geacht de order van de afzender aan te geven.

  3321. Artikel 413 Het cognossement wordt, tenzij het op naam is gesteld, afgegeven in één of meer exemplaren. De verhandelbare exemplaren, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in het geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor alle. Niet verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden aangeduid.

  3322. Artikel 414 1. Tegenbewijs tegen het cognossement wordt niet toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een derde te goeder trouw. 2. Indien in het cognossement de clausule: ‘inhoud, hoedanigheid, aantal, gewicht of maat onbekend’, of enige andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen, binden zodanige in het cognossement voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de vervoerder niet, tenzij bewezen wordt, dat hij de inhoud of de hoedanigheid der zaken heeft gekend of had behoren te kennen of dat de zaken hem toegeteld, toegewogen of toegemeten zijn. 3. Een cognossement, dat de uiterlijk zichtbare staat of gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert, behoudens tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen. 4. De in het cognossement opgenomen opgave, bedoeld in artikel 388 lid 1, schept, behoudens tegenbewijs, een vermoeden, doch bindt niet de vervoerder die haar kan betwisten.

  3323. Artikel 415 1. Verwijzingen in het cognossement worden geacht slechts die bedingen daarin in te voegen, die voor degene jegens wie daarop een beroep wordt gegaan, duidelijk kenbaar zijn. 2. Een dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op schriftelijk verlangen van degene jegens wie dit beroep kan worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die bedingen heeft doen toekomen. 3. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 2 wordt afgeweken.

  3324. Artikel 416 Een cognossement aan order wordt geleverd op de wijze als aangegeven in titel 4, afdeling 2, van Boek 3.

  3325. Artikel 417 Levering van het cognossement vóór de aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt als levering van die zaken. 2024 -1227- No. 164

  3326. Artikel 418 De vervoerder is verplicht de plek van inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van tijdbevrachting is echter artikel 380 van toepassing en in geval van reisbevrachting artikel 419.

  3327. Artikel 419 1. In geval van reisbevrachting is de bevrachter verplicht de plek van inlading en lossing tijdig aan te wijzen. 2. Hij moet daartoe aanwijzen een gebruikelijke plek, die terstond of binnen redelijke tijd beschikbaar is, waar het schip veilig kan komen, liggen, laden of lossen en waarvandaan het veilig kan vertrekken. 3. Wanneer de bevrachter niet aan deze verplichting voldoet of de bevrachters, als er meer zijn, niet eenstemmig zijn in de aanwijzing, is de vervrachter zonder dat enige aanmaning is vereist verplicht zelf de plek van inlading of lossing aan te wijzen. 4. Indien de bevrachter meer dan één plek aanwijst, geldt de tijd nodig voor het verhalen als gebruikte laad- of lostijd. De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening. 5. De bevrachter staat ervoor in, dat het schip op de plek, die hij op grond van lid 1 ter inlading of lossing aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet aansprakelijk als de kapitein, door de hem gegeven aanwijzing op te volgen, onredelijk handelde. Artikel 420 Wanneer in geval van reisbevrachting de bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te wijzen, is artikel 419 van overeenkomstige toepassing. Artikel 421 Behalve in geval van bevrachting is de vervoerder verplicht de zaken aan boord van het schip te laden en te stuwen.

  3328. Artikel 422 1. Voor zover de vervoerder verplicht is tot laden, is hij gehouden zulks in de overeengekomen laadtijd te doen. 2. Voor zover de afzender verplicht is tot laden of stuwen, staat hij er voor in dat zulks in de overeengekomen laadtijd geschiedt. 3. Werd geen laadtijd vastgesteld, dan behoort de inlading te geschieden zo snel als ter plekke voor een schip als het betrokken schip gebruikelijk of redelijk is. 4. Bepaalt de vervoerovereenkomst overliggeld, doch niet de overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld op acht opeenvolgende etmalen of als op de ligplek een ander aantal redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal. 5. De wettelijke bepalingen omtrent boetebedingen zijn niet van toepassing op bedingen met betrekking tot overliggeld. 6. Schuldenaren van overliggeld en een mogelijkerwijs uit hoofde van lid 2 verschuldigde schadevergoeding zijn tot betaling daarvan hoofdelijk verbonden. 2024 -1228- No. 164

  3329. Artikel 423 1. Onder een vervoerovereenkomst onder cognossement mogen zaken van ontvlambare, explosieve of gevaarlijke aard, tot de inlading waarvan de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven, wanneer hij de aard of de gesteldheid daarvan had gekend, te allen tijde voor de lossing door de vervoerder op iedere plaats worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de afzender van deze zaken is aansprakelijk voor alle schade en onkosten, middellijk of onmiddellijk voortgevloeid of ontstaan uit het inladen daarvan. 2. Indien onder een vervoerovereenkomst onder cognossement enige zaak als bedoeld in lid 1, ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar wordt voor het schip of de lading, mag zij evenzo door de vervoerder worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor averij-grosse, indien daartoe gronden bestaan.

  3330. Artikel 424 1. Behalve in geval van tijd- of reisbevrachting is de vervoerder wanneer, nadat de inlading een aanvang heeft genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt te zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel binnen redelijke tijd niet mogelijk is na lossing van de zaken bevoegd de overeenkomst te beëindigen, mits hij dit zo spoedig mogelijk doet. 2. Vermoed wordt dat het vergaan of de beschadiging van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen. 3. De vervoerder verwittigt, zo mogelijk, de afzender, degene aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degene aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van aankomst van het schip moet zenden. 4. Artikel 398 leden 3 tot en met 5 is van toepassing.

  3331. Artikel 425 1. In geval van tijd- of reisbevrachting is ieder der partijen, mits zij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd de overeenkomst geheel of met betrekking tot een gedeelte der zaken op te zeggen, wanneer het schip, zonder dat het vergaan is, zodanig beschadigd blijkt te zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel binnen redelijke tijd niet mogelijk is. 2. De reisbevrachter komt de hem in lid 1 toegekende bevoegdheid ten aanzien van reeds aan boord ontvangen zaken niet toe indien de vervrachter, zodra hem dit redelijkerwijs mogelijk was, heeft verklaard dat hij deze zaken, zij het niet in het bevrachte schip, ondanks de beëindiging van de overeenkomst naar hun bestemming zal vervoeren; zulk vervoer wordt vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden. 3. De opzegging geschiedt door telegram, bericht per telex of door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan, doch ten aanzien van reeds aan boord ontvangen zaken, eerst na lossing van die zaken. Een in een dergelijk telegram of bericht vervatte mededeling, dat de vervrachter zaken alsnog, doch niet in het bevrachte schip, naar hun bestemming zal vervoeren, houdt met betrekking tot die zaken opzegging van de overeenkomst in. 4. Ten aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed, dat de beschadiging van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen. 5. Artikel 398 leden 3 tot en met 5 is van toepassing met dien verstande, dat in geval van tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het tijdstip van de lossing der zaken. 2024 -1229- No. 164

  3332. Artikel 426 1. In geval van tijd- of reisbevrachting eindigt de overeenkomst met het vergaan van het schip. In geval van langdurige tijdingloosheid wordt vermoed, dat het schip is vergaan te 24.00 uur Universele Tijd van de dag, waarop het laatste bericht is ontvangen. 2. Ten aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed, dat het vergaan van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen. 3. Vervoert de vervrachter ondanks het vergaan van het schip zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog naar hun bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden. 4. De vervrachter verwittigt de bevrachter zo spoedig als dit mogelijk is. 5. Artikel 398 leden 3 tot en met 5 is van toepassing.

  3333. Artikel 440 1. De afzender of, indien een cognossement is afgegeven, uitsluitend de in artikel 441 bedoelde houder daarvan en dan alleen tegen afgifte van alle verhandelbare exemplaren van dit cognossement is bevoegd, voor zover de vervoerder hieraan redelijkerwijs kan voldoen, aflevering van ten vervoer ontvangen zaken of, indien daarvoor een cognossement is afgegeven, van alle daarop vermelde zaken gezamenlijk voor de aankomst ter bestemmingsplaats te verlangen, mits hij de vervoerder en de belanghebbenden bij de overige lading ter zake schadeloos stelt. Hij is verplicht tot bijdragen in een averij-grosse, wanneer de averij-grosse handeling plaatshad met het oog op een omstandigheid, waarvan reeds voor de aflevering is gebleken. 2. Hij kan dit recht niet uitoefenen, wanneer door de voortijdige aflevering de reis zou worden vertraagd. 3. Zaken, die ingevolge lid 1 zijn afgeleverd, worden aangemerkt als ter bestemming afgeleverde zaken en de bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van zaken, alsmede de artikelen 490 en 491 zijn van toepassing.

  3334. Artikel 441 1. Indien een cognossement is afgegeven, heeft uitsluitend de regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op rechtmatige wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het cognossement het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op de vervoerder rustende verplichtingen te vorderen; daarbij is artikel 387 van toepassing. 2. Jegens de houder van het cognossement, die niet de afzender was, is de vervoerder onder cognossement gehouden aan en kan hij een beroep doen op de bedingen van dit cognossement. Jegens iedere houder van het cognossement kan hij de uit het cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling geldend maken. Jegens de houder van het cognossement, die ook de afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de bedingen van de vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke verhouding tot de afzender beroepen.

  3335. Artikel 442 1. Indien bij toepassing van artikel 461 verscheidene personen als vervoerder onder het cognossement moeten worden aangemerkt, zijn dezen jegens de in artikel 441 lid 1 bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden. 2. In het in lid 1 bedoeld geval is ieder der vervoerders gerechtigd de uit het cognossement blijkende rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare bedrag dat hij op grond van het cognossement aan één hunner heeft voldaan. Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3336. Artikel 460 2024 -1230- No. 164 Van de houders van verschillende exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht, die houder is van het exemplaar, waarvan na de gemeenschappelijke voorman, die houder was van al die exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder trouw en onder bezwarende titel.

  3337. Artikel 461 1. Onverminderd de leden 2 tot en met 5, worden als vervoerder onder het cognossement aangemerkt degene die het cognossement ondertekende of voor wie een ander dit ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het cognossement is gebezigd. 2. Indien de kapitein of een ander voor hem het cognossement ondertekende, wordt naast degene, bedoeld in lid 1, die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten als bedoeld in afdeling 1, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt. Indien het schip in rompbevrachting is uitgegeven wordt naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de laatste rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven dan wordt naast de hier bedoelde eventuele tijd- of reisbevrachter ook de reder als vervoerder onder het cognossement aangemerkt. 3. In afwijking van de leden 1 en 2 wordt uitsluitend de laatste rompbevrachter, onderscheidenlijk de reder, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien het cognossement uitsluitend deze rompbevrachter, onderscheidenlijk de reder, uitdrukkelijk als zodanig aanwijst en, in geval van aanwijzing van de rompbevrachter, bovendien diens identiteit uit het cognossement duidelijk kenbaar is. 4. Dit artikel laat artikel 262 lid 2 onverlet. 5. Nietig is ieder beding waarbij van de leden 1 tot en met 4 wordt afgeweken.

  3338. Artikel 462 1. Artikel 461 lid 1 vindt geen toepassing indien een daar als vervoerder onder het cognossement aangemerkte persoon bewijst dat degene die het cognossement voor hem ondertekende daarbij de grenzen van zijn bevoegdheid overschreed of dat het formulier zonder zijn toestemming is gebezigd. Desalniettemin wordt een in artikel 461 lid 1 bedoelde persoon als vervoerder onder het cognossement aangemerkt, indien de houder van het cognossement bewijst dat op het ogenblik van uitgifte van het cognossement, op grond van een verklaring of gedraging van hem voor wie is ondertekend of wiens formulier is gebezigd, redelijkerwijs mocht worden aangenomen, dat degene die ondertekende daartoe bevoegd was of dat het formulier met toestemming was gebezigd. 2. In afwijking van lid 1 wordt de rederij als vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien haar boekhouder door ondertekening van het cognossement de grenzen zijner bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens de eerste houder van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte daarvan wist dat de boekhouder de grenzen zijner bevoegdheid overschreed. 3. Een beroep op artikel 461 lid 2 is mogelijk ook indien de kapitein door ondertekening van het cognossement of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens hem te ondertekenen de grenzen van zijn bevoegdheid overschreed, doch dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte daarvan wist dat de kapitein de grenzen zijner bevoegdheid overschreed. 4. Lid 3 vindt eveneens toepassing indien degene die namens de kapitein het cognossement ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid overschreed.

  3339. Artikel 480 1. Is een vervrachter ingevolge artikel 461 tot meer gehouden dan waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting is verplicht of ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is gerechtigd, dan heeft hij, mits de ondertekening van het cognossement of de afgifte van het formulier plaatsvond krachtens het in de bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek van de bevrachter, deswege op deze laatste verhaal. 2. Hetzelfde geldt voor een ingevolge lid 1 aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter is. 2024 -1231- No. 164

  3340. Artikel 481 1. De houder van het cognossement, die zich tot ontvangst van de zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat hij deze heeft ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en aan de vervoerder af te geven. 2. Hij is gerechtigd het cognossement tot zekerheid der afgifte daarvan bij een, in geval van geschil op verzoek van de meest gerede partij door de rechter aan te wijzen, derde in bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.

  3341. Artikel 482 1. Een door de vervoerder na intrekking van het cognossement afgegeven document dat de houder daarvan recht geeft op aflevering van in dat cognossement genoemde zaken, wordt met betrekking tot deze zaken met het cognossement gelijkgesteld. Het cognossement wordt vermoed van het hier bedoelde document deel uit te maken. Degene die dit document ondertekende of voor wie een ander dit ondertekende, noch degene wiens formulier werd gebruikt, wordt door het blote feit van deze ondertekening of dit gebruik als vervoerder onder het cognossement aangemerkt. 2. Tenzij in documenten als bedoeld in lid 1 anders is bepaald, zijn de houders daarvan hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen die uit het vervoer van de onder het cognossement vervoerde zaken voor de houder van dat cognossement voortvloeien.

  3342. Artikel 483 1. Behalve in geval van bevrachting is de vervoerder verplicht de zaken uit het schip te lossen. 2. Op de lossing van de zaken vindt artikel 422 overeenkomstige toepassing.

  3343. Artikel 484 1. De vracht is verschuldigd na aflevering van de zaken ter bestemming of ter plaatse, waar de vervoerder hen met inachtneming van artikel 440 afleverde. Is de vracht bepaald naar gewicht of omvang der zaken, dan wordt hij berekend naar deze gegevens bij aflevering. 2. Vracht die in één som voor alle zaken ter bestemming is bepaald, is, ook wanneer slechts een gedeelte van die zaken is afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd. 3. Onder voorbehoud van lid 5 is voor zaken, die onderweg zijn verkocht omdat hun beschadigdheid verder vervoer redelijkerwijs niet toeliet, de vracht verschuldigd, doch ten hoogste tot het bedrag van hun opbrengst. 4. Vracht, die vooruit te voldoen is of voldaan is, is en blijft, behalve in geval van tijdbevrachting, in zijn geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter bestemming worden afgeleverd. 5. In waardeloze toestand afgeleverde zaken worden aangemerkt als niet te zijn afgeleverd. Zaken, die niet zijn afgeleverd, of die in waardeloze toestand zijn afgeleverd, worden desalniettemin aangemerkt als afgeleverde zaken, voor zover het niet of in waardeloze toestand afleveren het gevolg is van de aard of een gebrek van de zaken, dan wel van een handeling of nalaten van een rechthebbende op of de afzender of ontvanger van de zaken.

  3344. Artikel 485 Voor zaken die door een opvarende voor eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden vervoerd is de hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de inlading voor soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze vracht is verschuldigd ook wanneer de zaken niet of in waardeloze toestand ter bestemming worden afgeleverd en de ontvanger is met de verscheper hoofdelijk voor deze vracht verbonden.

  3345. Artikel 486 Onder voorbehoud van artikel 425 lid 5, laatste zinsnede, is in geval van tijdbevrachting vracht niet 2024 -1232- No. 164 verschuldigd over de tijd, dat de bevrachter het schip niet overeenkomstig de bedingen van de bevrachting te zijner beschikking heeft a. ten gevolge van beschadiging daarvan, dan wel b. doordat de vervrachter in de nakoming van zijn verplichtingen te kort schiet, mits het schip meer dan 24 aaneengesloten uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.

  3346. Artikel 487 1. Bij tijdbevrachting komen de brandstof voor de machines, het ketelwater, de havenrechten en soortgelijke rechten en uitgaven, die verschuldigd worden ten gevolge van uitgevoerde reizen en het vervoeren van zaken, ten laste van de bevrachter. De overige lasten der exploitatie van het schip komen ten laste van de vervrachter. 2. De vervrachter is gerechtigd en verplicht de zich bij het einde van de bevrachting nog aan boord bevindende brandstof van de bevrachter over te nemen tegen de marktprijs ten tijde en ter plaatse van de oplevering van het schip.

  3347. Artikel 488 Onverminderd het omtrent averij-grosse bepaalde en onverminderd titel 4, afdeling 1, van Boek 6 zijn de afzender, de ontvanger en, indien een cognossement is afgegeven, de in artikel 441 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk verbonden de vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de belangen van een rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken dan wel doordat de kapitein zijn in artikel 261 genoemde verplichtingen is nagekomen.

  3348. Artikel 489 1. De vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit. 2. De vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of zal worden ter zake van het vervoer van die zaken alsmede voor hetgeen als bijdrage in averij-grosse op die zaken verschuldigd is of zal worden. Dit retentierecht vervalt zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. 3. De in de leden 1 en 2 aan de vervoerder toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.

  3349. Artikel 490 1. Voor zover degene die jegens de vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken niet opkomt, weigert deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien de vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een houder van een cognossement die als ontvanger opkomt, desalniettemin niet tot de aflevering gerechtigd is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de rechter bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het schip, onder zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen. 2. De derdebewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf. 2024 -1233- No. 164

  3350. Artikel 491 1. In geval van toepassing van artikel 490 kan de vervoerder, de bewaarnemer dan wel hij, die jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering op zijn verzoek, door de rechter worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te verkopen. 2. De bewaarnemer is verplicht de vervoerder zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de vervoerder heeft deze verplichting jegens degene die jegens hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens degene aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van aankomst van het schip moet zenden. 3. De opbrengst van het verkochte wordt ter griffie van het Hof van Justitie gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de vervoerder uit het in bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem verschuldigd is ter zake van het vervoer, alsmede een bijdrage in averij-grosse; voor zover deze vorderingen nog niet vaststaan, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vorderingen strekken. 4. De ter griffie gestorte opbrengst treedt in de plaats van de zaken.

  3351. Artikel 492 1. Tenzij aan de vervoerder of zijn agent in de loshaven voor of op het ogenblik van het weghalen van de zaken en van hun overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op de aflevering rechthebbende persoon schriftelijk kennis is gegeven van verliezen of schaden en van de algemene aard van deze verliezen of schaden, schept dit weghalen, tot op bewijs van het tegendeel, het vermoeden dat de zaken door de vervoerder zijn afgeleverd in de staat als in de vervoerovereenkomst omschreven. 2. Zijn de verliezen of schaden niet uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering geschieden. 3. Schriftelijk voorbehoud is overbodig als de staat van de zaak op het ogenblik van de inontvangstneming door beide partijen gezamenlijk werd vastgesteld.

  3352. Artikel 493 Indien er zekerheid of vermoeden bestaat, dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en de ontvanger elkaar over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van de zaak en het natellen van de colli mogelijk te maken.

  3353. Artikel 494 1. Zowel de vervoerder als degene die jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering, is bevoegd bij de aflevering van zaken de rechter te verzoeken een gerechtelijk onderzoek te doen plaatshebben naar de toestand waarin deze worden afgeleverd; tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten. 2. Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn. 2024 -1234- No. 164

  3354. Artikel 495 1. Zowel de vervoerder als degene die jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering is, wanneer hij verliezen of schaden van zaken vergoedt, bevoegd de rechter te verzoeken voor, bij of terstond na de aflevering daarvan en desgewenst aan boord van het schip een gerechtelijk onderzoek te doen plaatshebben naar de oorzaak daarvan. 2. Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.

  3355. Artikel 496 1. De kosten van een gerechtelijk onderzoek als bedoeld in de artikelen 494 en 495, moeten worden voldaan door de aanvrager. 2. De rechter kan deze kosten en door het onderzoek geleden schade geheel of gedeeltelijk ten laste van de wederpartij van de aanvrager brengen, ook al zou daardoor het bedrag bedoeld in artikel 388 lid 1 worden overschreden. Afdeling 3 Overeenkomst van personenvervoer over zee

  3356. Artikel 500 1. De overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer al dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij, de vervoerder, zich tegenover de andere partij verbindt aan boord van een schip een of meer personen, reizigers, en al dan niet hun bagage uitsluitend over zee te vervoeren. De overeenkomst van personenvervoer aan boord van een luchtkussenvoertuig is geen overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze afdeling. 2. Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt als vervoer over zee beschouwd. 3. Hutbagage in de zin van deze afdeling is de bagage, met uitzondering van levende dieren die de reiziger in zijn hut heeft, die hij in zijn bezit, onder zijn toezicht of in zijn macht heeft, alsmede de bagage die hij aan boord heeft van een met hem als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip, doch niet dit voertuig of schip zelf. 4. Bij staatsbesluit kunnen zaken die geen hutbagage zijn voor de toepassing van bepalingen van deze afdeling, als hutbagage worden aangewezen, dan wel bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden verklaard op zaken, die hutbagage zijn.

  3357. Artikel 501 Vervoer over zee omvat: a. met betrekking tot personen of hun hutbagage de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage aan boord van het schip verblijft, de tijd van inscheping of ontscheping, alsmede de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage te water wordt vervoerd tussen wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht is inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld; vervoer over zee van personen omvat echter niet de tijd dat de reiziger verblijft in een stationsgebouw, op een kade of enige andere haveninstallatie; b. met betrekking tot hutbagage bovendien de tijd dat de reiziger verblijft in een stationsgebouw, op een kade of enige andere haveninstallatie, indien die bagage is overgenomen door de vervoerder en niet weer aan de reiziger is afgeleverd; c. met betrekking tot bagage die geen hutbagage is de tijd tussen het overnemen door de vervoerder hetzij te land, hetzij aan boord en de aflevering door de vervoerder; d. met betrekking tot een levend dier de tijd dat het aan boord van het schip verblijft dan wel onder de hoede van de vervoerder is.

  3358. Artikel 502 2024 -1235- No. 164 1. Tijd- of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de vervoerder, de vervrachter, zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis, tijdbevrachting of reisbevrachting, ter beschikking stelt van zijn wederpartij, de bevrachter. 2. De in afdeling 2, in het bijzonder voor het geval van bevrachting gegeven bepalingen, alsmede artikel 375 zijn op deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.

  3359. Artikel 503 De wetsbepalingen omtrent huur, bewaarneming en bruikleen zijn op ter beschikkingstelling van een schip ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van toepassing.

  3360. Artikel 504 1. De vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen. 2. Vermoed wordt dat een zorgvuldig vervoerder de omstandigheid die leidde tot schipbreuk, aanvaring, stranding, ontploffing of brand heeft kunnen vermijden alsmede dat zulk een vervoerder heeft kunnen verhinderen dat deze omstandigheid tot een dergelijk voorval leidde. 3. Gebrekkigheid of slecht functioneren van het schip of van het materiaal waarvan hij zich voor het vervoer bedient wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen heeft kunnen verhinderen. 4. Bij de toepassing van de leden 1 tot en met 3 wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde, voor rekening van de vervoerder is.

  3361. Artikel 505 1. De vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van hutbagage of van een als bagage ten vervoer aangenomen levend dier, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen. 2. Behalve met betrekking tot een levend dier is artikel 504 leden 2 en 3 van toepassing. 3. Bij de toepassing van dit artikel wordt slechts dan rekening gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere omstandigheid, die mede tot het voorval leidde, voor rekening van de vervoerder is. 4. De leden 1 tot en met 3 laten artikel 545 onverlet.

  3362. Artikel 506 Onder voorbehoud van artikel 505 is de vervoerder aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van bagage, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer tenzij en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. 2024 -1236- No. 164

  3363. Artikel 507 De vervoerder is niet aansprakelijk in geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken, verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden, kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken van waarde aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij overeengekomen is hen in zekerheid te zullen bewaren.

  3364. Artikel 508 De vervoerder is ter zake van door de reiziger aan boord gebrachte zaken die hij, indien hij hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan boord zou hebben toegelaten en waarvoor hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen enkele schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of behoorde te weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.

  3365. Artikel 509 Onverminderd artikel 508 en onverminderd artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.

  3366. Artikel 510 1. Onverminderd de bepalingen van deze afdeling zijn op het vervoer van bagage de artikelen 378 en 387, artikel 388 lid 2, artikel 389, artikel 394 leden 1 en 2, de artikelen 395, 396 en 398, de artikelen 488 tot en met 491 en de artikelen 493 tot en met 496 van toepassing. De in artikel 396 bedoelde opzegging kan ook mondeling geschieden. De in artikel 489 toegekende rechten en het in artikel 491 toegekende recht tot het zich laten voldoen uit het in bewaring te stellen bedrag van kosten ter zake van het vervoer kunnen worden uitgeoefend voor alles wat de wederpartij van de vervoerder of de reiziger aan de vervoerder verschuldigd is. 2. Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in lid 1 op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde bepalingen.

  3367. Artikel 511 1. De reiziger is gehouden de vervoerder schriftelijk kennis te geven: a. in geval van uiterlijk zichtbare schade aan bagage: 1. wat betreft hutbagage: voor of ten tijde van de ontscheping van de reiziger; 2. wat betreft alle andere bagage: voor of ten tijde van de aflevering; b. in geval van niet uiterlijk zichtbare schade aan of verlies van bagage: binnen vijftien dagen na de aanvang van de dag, volgende op de dag van ontscheping of aflevering of die waarop de bagage had moeten worden afgeleverd. 2. Indien de reiziger niet aan zijn in lid 1 omschreven verplichting voldoet, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed dat hij de bagage onbeschadigd heeft ontvangen. 3. Schriftelijke kennisgeving is overbodig indien de staat van de bagage op het ogenblik van in ontvangstneming gezamenlijk is vastgesteld of geïnspecteerd. 2024 -1237- No. 164

  3368. Artikel 512 De vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd zich te overtuigen van de aard of gesteldheid van de bagage, indien hij vermoedt dat hij, de aard of gesteldheid van door de reiziger aan boord gebrachte bagage kennende, deze niet aan boord zou hebben toegelaten. De vervoerder is gehouden dit onderzoek te doen geschieden in tegenwoordigheid van de reiziger of, zo dit niet mogelijk is, in tegenwoordigheid van twee personen van wier hulp hij overigens bij de uitvoering van zijn verbintenis geen gebruik maakt.

  3369. Artikel 513 Indien de vervoerder bewijst dat schuld of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.

  3370. Artikel 514 Indien personen van wier hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op verzoek van de reiziger diensten bewijzen waartoe de vervoerder niet is verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in opdracht van de reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.

  3371. Artikel 515 Behoudens artikel 516, is de vervoerder die zich, anders dan bij wijze van bevrachting, verbond tot vervoer volgens een dienstregeling, niet aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook, voor, tijdens of na het vervoer opgetreden.

  3372. Artikel 516 Onder verlies of beschadiging van bagage wordt mede verstaan vermogensschade geleden doordat de bagage niet binnen een redelijke tijd te rekenen van het ogenblik van aankomst van het schip, waarop deze bagage werd vervoerd of zou worden vervoerd, aan de reiziger werd afgeleverd, doch niet wordt daaronder verstaan vertraging door een arbeidsconflict veroorzaakt.

  3373. Artikel 517 1. Behoudens de artikelen 504 tot en met 507, is de vervoerder niet aansprakelijk voor schade ontstaan door een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein of de schipper, een ander lid van de bemanning, de loods of de ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie van het schip. 2. Behoudens de artikelen 504 tot en met 507, wordt generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen en generlei redelijke afwijking van de koers beschouwd als een schending van enige vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige schade daardoor ontstaan.

  3374. Artikel 518 1. De aansprakelijkheid van de vervoerder ter zake van dood of letsel van de reiziger is beperkt tot een bedrag van ten hoogste 175 000 rekeneenheden per reiziger. 2. In het geval dat de schadeloosstelling wordt bepaald in de vorm van een rente is het gekapitaliseerde bedrag beperkt tot een bedrag van ten hoogste 175 000 rekeneenheden per reiziger. 2024 -1238- No. 164

  3375. Artikel 518a 1. De aansprakelijkheid van de vervoerder ter zake van vertraging van een reiziger en verlies of beschadiging van diens hutbagage is beperkt tot een bedrag van ten hoogste 1 800 rekeneenheden per reiziger; onder hutbagage is, in afwijking van artikel 500 lid 3, niet begrepen de bagage aan boord van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip. 2. De aansprakelijkheid van de vervoerder ter zake van verlies of beschadiging van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip, met inbegrip van de bagage aan boord daarvan, is beperkt tot een bedrag van ten hoogste 10 000 rekeneenheden per voertuig of schip. 3. De aansprakelijkheid van de vervoerder ter zake van verlies of beschadiging van bagage, niet zijnde bagage in de zin van de leden 1 of 2, is beperkt tot een bedrag van ten hoogste 2 700 rekeneenheden per reiziger. 4. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van de vervoerder in de zin van dit artikel kunnen de vervoerder en de reiziger een franchise overeenkomen van ten hoogste: a. 300 rekeneenheden ter zake van verlies of beschadiging van bagage in de zin van lid 2; b. 135 rekeneenheden ter zake van vertraging van een reiziger en verlies of beschadiging van overige bagage.

  3376. Artikel 518b. Met betrekking tot de rekeneenheid, bedoeld in de artikelen 518 en 518a, is artikel 759 van overeenkomstige toepassing.

  3377. Artikel 518c In de bedragen, genoemd in de artikelen 518 en 518a, is de wettelijke rente niet begrepen.

  3378. Artikel 518d De artikelen 518 tot en met 518c laten titel 7 onverlet.

  3379. Artikel 519 1. De vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. 2. Nietig is ieder beding waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3380. Artikel 520 Nietig is ieder vóór het aan de reiziger overkomen voorval of vóór het verlies of de beschadiging van bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge de artikelen 504 tot en met 507 en artikel 516 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.

  3381. Artikel 521 1. In geval van verlies of beschadiging van bagage wordt de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de omstandigheden. 2. In geval van aan de reiziger overkomen letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste instelt.

  3382. Artikel 522 2024 -1239- No. 164 De wederpartij van de vervoerder is verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de reiziger, door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer aanwezig is.

  3383. Artikel 523 De wederpartij van de vervoerder is verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.

  3384. Artikel 524 1. Wanneer voor of tijdens het vervoer omstandigheden aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de reiziger zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de reiziger uit het schip te verwijderen. 2. De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving. 3. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden.

  3385. Artikel 525 1. Wanneer voor of tijdens het vervoer omstandigheden aan de zijde van de vervoerder zich opdoen of naar voren komen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij van de vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen. 2. De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan. 3. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden. Artikel 526 Wanneer de reiziger na het verlaten van het schip niet tijdig terugkeert kan de vervoerder de overeenkomst beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.

  3386. Artikel 527 1. De wederpartij van de vervoerder is steeds bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden, die deze ten gevolge van de opzegging lijdt. 2. Zij kan dit recht niet uitoefenen, wanneer daardoor de reis van het schip zou worden vertraagd. 3. De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.

  3387. Artikel 528 1. Wordt ter zake van het vervoer een passagebiljet, een ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk document afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden. 2. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 1 wordt afgeweken. 2024 -1240- No. 164 3. Rechtspersonen zijn niet verplicht haar volledige naam, woonplaats en inschrijfnummer volgens het handelsregister te vermelden. Afdeling 4 Enige bijzondere overeenkomsten

  3388. Artikel 530 1. Onder de overeenkomst, rompbevrachting, waarbij de ene partij, de rompvervrachter, zich verbindt een schip uitsluitend ter zee ter beschikking te stellen van haar wederpartij, de rompbevrachter, zonder daarover nog enige zeggenschap te houden, ligt de exploitatie van het schip in handen van de rompbevrachter en geschiedt zij voor diens rekening. 2. Artikel 375 is van overeenkomstige toepassing.

  3389. Artikel 531 1. Op de overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt een schip, anders dan bij wijze van rompbevrachting, uitsluitend ter zee ter beschikking te stellen van de andere partij voor andere doeleinden dan het daarmee vervoeren van zaken of personen zijn de bepalingen nopens averij-grosse alsmede de bepalingen van deze titel van overeenkomstige toepassing. 2. Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in lid 1 op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde bepalingen.

  3390. Artikel 532 Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt terbeschikkingstelling van een en eenzelfde schip ter zee en op binnenwateren beschouwd als terbeschikkingstelling ter zee, tenzij deze terbeschikkingstelling ter zee kennelijk ondergeschikt is aan die op binnenwateren, in welk geval zij als terbeschikkingstelling op binnenwateren wordt beschouwd. Titel 6 Ongevallen Afdeling 1 Aanvaring

  3391. Artikel 540 Aanvaring is de aanraking van schepen met elkaar. Artikel 541 Het in deze afdeling omtrent aanvaring bepaalde vindt eveneens toepassing indien schade door een zeeschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaats had.

  3392. Artikel 542 Indien een zeeschip door een aanvaring schade heeft veroorzaakt, dan wel aan een zeeschip, deszelfs opvarenden of de zaken aan boord daarvan door een schip schade is veroorzaakt, wordt de aansprakelijkheid voor deze schade geregeld door deze afdeling. 2024 -1241- No. 164

  3393. Artikel 543 Indien de aanvaring is veroorzaakt door toeval, indien zij is toe te schrijven aan overmacht of indien twijfel bestaat omtrent de oorzaken der aanvaring, wordt de schade gedragen door hen, die haar hebben geleden.

  3394. Artikel 544 Indien de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van één schip, is de eigenaar van het schip, dat de schuld had, verplicht de schade te vergoeden.

  3395. Artikel 545 1. Indien twee of meer schepen gezamenlijk door hun schuld een aanvaring hebben veroorzaakt, zijn de eigenaren daarvan zonder hoofdelijkheid aansprakelijk voor de schade, toegebracht aan medeschuldige schepen en aan goederen, die zich aan boord daarvan bevinden, en hoofdelijk voor alle overige schade. 2. Is de aansprakelijkheid niet hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van de schepen die gezamenlijk door hun schuld de aanvaring hebben veroorzaakt, tegenover de benadeelden aansprakelijk in verhouding tot het gewicht van de schuld van hun schepen; indien echter de omstandigheden meebrengen, dat die verhouding niet kan worden vastgesteld of indien blijkt dat de schuld van deze schepen gelijkwaardig is wordt de aansprakelijkheid in gelijke delen verdeeld. 3. Is de aansprakelijkheid hoofdelijk, dan moet elk der aansprakelijke eigenaren zijn door lid 2 vastgesteld aandeel in de betaling aan de schuldeiser voor zijn rekening nemen. Onder voorbehoud van artikel 364 heeft hij, die meer dan zijn aandeel heeft betaald, voor het overschot verhaal op zijn medeschuldenaren, die minder dan hun aandeel hebben betaald.

  3396. Artikel 546 Er bestaan geen wettelijke vermoedens van schuld met betrekking tot de aansprakelijkheid voor aanvaring; het schip, dat in aanraking komt met een andere, zo nodig behoorlijk verlichte, vaste of te bekwamer plaatse vastgemaakte zaak, geen schip zijnde, is aansprakelijk voor de schade, tenzij blijkt dat de aanraking niet is veroorzaakt door schuld van het schip.

  3397. Artikel 547 De krachtens deze afdeling bestaande aansprakelijkheid wordt niet opgeheven in geval de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van een loods, zelfs niet als het gebruik van deze verplicht is. Afdeling 2 Hulpverlening

  3398. Artikel 551 In deze afdeling wordt verstaan onder: a. hulpverlening: iedere daad of werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak; b. schip: ieder schip of ander vaartuig, dan wel iedere constructie waarmee kan worden gevaren; c. goederen: alle zaken die niet blijvend en opzettelijk aan de kust zijn bevestigd en de in risico zijnde vracht; d. milieuschade: aanzienlijke fysieke schade aan de gezondheid van de mens, aan de marine fauna of flora of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of soortgelijke ingrijpende gebeurtenissen; e. betaling: iedere krachtens deze afdeling verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling.

  3399. Artikel 552 2024 -1242- No. 164 Voor de toepassing van deze afdeling worden de baaien en inhammen die in open verbinding staan met de zee beschouwd tot de zee en de stranden en oevers daarvan tot het zeestrand te behoren.

  3400. Artikel 553 Deze afdeling is niet van toepassing in geval van hulpverlening aan: a. vaste of drijvende platforms of verplaatsbare boorinstallaties wanneer die platforms of boorinstallaties op een locatie in bedrijf zijn voor de exploratie, exploitatie of winning van minerale rijkdommen van de zeebodem; b. een maritiem cultuurgoed dat van prehistorisch, archeologisch of historisch belang is en zich ten minste vijftig jaar op de zeebodem bevindt.

  3401. Artikel 554 Deze afdeling is mede van toepassing in geval van hulpverlening door of aan een oorlogsschip of ander niet- handelsschip, dat toebehoort aan, dan wel gebruikt of bevracht wordt door enige Staat die het op 28 april 1989 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake Hulpverlening 1989 op die schepen van toepassing heeft verklaard.

  3402. Artikel 555 De bepalingen omtrent hulpverlening zijn van overeenkomstige toepassing in geval van hulpverlening: a. aan op het vaste zeestrand of de oevers van bevaarbaar binnenwater gezonken of aangespoelde zaken; b. door een schip aan een luchtvaartuig.

  3403. Artikel 556 1. Een overeenkomst omtrent hulpverlening kan op verlangen van een der partijen door de rechter geheel of gedeeltelijk worden vernietigd of gewijzigd wanneer zij is totstandgekomen door misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar en de overeengekomen voorwaarden onbillijk zijn, of de overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot de daadwerkelijk verleende diensten. 2. Nietig is ieder beding waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3404. Artikel 557 1. Hulp aan in gevaar verkerende schepen, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken mag niet worden verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod van de reder of kapitein van het schip in. Hulp aan andere in gevaar verkerende zaken mag niet worden verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod in van de rechthebbende op de zaak. 2. Een verbod tot hulpverlening kan steeds worden uitgevaardigd.

  3405. Artikel 558 1. Het verlenen van hulp aan een schip, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken staat onder leiding van de kapitein en, wanneer er geen kapitein is of deze niet optreedt, onder leiding van de rechthebbende op het schip of de zaak. 2. Bij stranding of aanspoeling aan of op het vaste zeestrand berust de leiding, wanneer kapitein noch rechthebbende optreedt, bij de strandvonder. De Districtscommissaris bekleedt van rechtswege het ambt van strandvonder. 3. Indien het noodzakelijk is onverwijld maatregelen te treffen, geldt dit artikel niet, totdat de kapitein, de rechthebbende of de strandvonder de leiding op zich heeft genomen. 2024 -1243- No. 164

  3406. Artikel 559 1. Wanneer een schip door de bemanning is verlaten en door hulpverleners of de strandvonder is overgenomen, staat het de kapitein steeds vrij naar zijn schip terug te keren en het gezag daarover te hernemen, in welk geval de hulpverleners of de strandvonder terstond het gezag aan de kapitein moeten overdragen. 2. Indien de kapitein of de rechthebbende bij de hulpverlening of ter plaatse, waar de geredde zaken worden aangebracht, tegenwoordig is en dit de hulpverlener of de strandvonder bekend is, moeten de hulpverleners of de strandvonder, onverminderd artikel 571, die zaken terstond te zijner beschikking stellen. 3. In de gevallen, waarin de geredde zaken niet op grond van lid 2 terstond ter beschikking van de kapitein of van de rechthebbende moeten worden gesteld, moeten zij, voor zover zij tijdens de hulpverlening zich aan of op de buitengronden of het vaste zeestrand bevinden, terstond ter beschikking worden gesteld van de strandvonder.

  3407. Artikel 560 1. De hulpverlener is jegens de reder van het schip of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken verplicht: a. de hulpverlening met de nodige zorg uit te voeren; b. bij de nakoming van de in onderdeel a bedoelde verplichting de nodige zorg te betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken; c. in alle gevallen, waarin de omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen, de bijstand in te roepen van andere hulpverleners; en d. de tussenkomst van andere hulpverleners te aanvaarden, wanneer hierom redelijkerwijs wordt verzocht door de reder of de kapitein van het schip of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken, met dien verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd, indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was. 2. De reder en de kapitein van het schip of de rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens de hulpverlener verplicht: a. gedurende de hulpverlening volledig met hem samen te werken; b. daarbij de nodige zorg te betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken; en c. wanneer het schip of de andere zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te aanvaarden wanneer zulks redelijkerwijs door de hulpverlener wordt verzocht. 3. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 1 onder b of lid 2 onder b wordt afgeweken.

  3408. Artikel 561 1. Hulp die met gunstig gevolg is verleend geeft recht op hulploon. 2. Behoudens artikel 564, is geen betaling krachtens deze afdeling verschuldigd, wanneer de hulp geen gunstig gevolg heeft gehad. 3. Hulp als omschreven in lid 1 geeft recht op hulploon, ook al is de tot hulploon gerechtigde of hij, die gerechtigd is de vaststelling van het hulploon te vorderen, dezelfde persoon als hij, die hulploon verschuldigd is.

  3409. Artikel 562 Indien een partij bij een overeenkomst omtrent hulpverlening door haar wederpartij daarbij ter zake van een bij de hulpverlening veroorzaakte schade buiten overeenkomst wordt aangesproken, is zij jegens die wederpartij niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn op grond van de door hen gesloten overeenkomst. De artikelen 365 en 366 zijn van overeenkomstige toepassing.

  3410. Artikel 563 2024 -1244- No. 164 1. Het bedrag van het hulploon wordt vastgesteld bij overeenkomst tussen partijen en bij gebreke daarvan door de rechter. 2. Het hulploon wordt vastgesteld met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria, ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd: a. de geredde waarde van het schip en de andere goederen; b. de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu; c. de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag; d. de aard en ernst van het gevaar; e. de vakkundigheid en inspanningen, betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens; f. de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen; g. het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's; h. de snelheid van de verleende diensten; i. de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting; j. de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners. 3. Voor hulp verleend aan een schip en de zaken aan boord daarvan is het hulploon uitsluitend verschuldigd door de reder van het schip, met dien verstande dat de reder een recht van verhaal heeft jegens de andere belanghebbenden voor hun onderscheiden aandeel. Voor hulp verleend aan andere zaken is het hulploon verschuldigd door de rechthebbende op die zaken. 4. Het hulploon, met uitzondering van rente en verhaalbare gerechtelijke kosten, mag de geredde waarden van het schip en de andere goederen niet overtreffen. 5. Wanneer het hulploon mede strekt tot vergoeding van gemaakte kosten en geleden schade geeft de rechter aan welke gemaakte kosten en geleden schade dit betreft.

  3411. Artikel 564 1. Indien een hulpverlener hulp heeft verleend aan een schip dat zelf of wegens zijn lading schade dreigde toe te brengen aan het milieu en hij geen hulploon heeft verkregen krachtens artikel 563 dat ten minste gelijk is aan de volgens dit artikel vast te stellen bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een bijzondere vergoeding van de zijde van de reder, gelijk aan de door hem gemaakte kosten zoals in dit artikel omschreven. 2. Indien de hulpverlener in de in lid 1 bedoelde omstandigheden door zijn hulpverleningswerkzaamheden schade aan het milieu heeft voorkomen of heeft beperkt, kan de door de reder volgens lid 1 aan de hulpverlener te betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd met maximaal 30% van de door de hulpverlener gemaakte kosten. Indien echter de rechter, rekening houdend met de in artikel 563 lid 2 genoemde criteria, zulks billijk en rechtvaardig acht, kan degene die bijzondere vergoeding verder verhogen, maar de totale verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100% van de door de hulpverlener gemaakte kosten. 3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden onder kosten van de hulpverlener verstaan de voorschotten die door de hulpverlener redelijkerwijs zijn gedaan bij de hulpverlening en een billijk tarief voor uitrusting en personeel die daadwerkelijk en redelijkerwijs zijn ingezet tijdens de hulpverlening, in aanmerking nemend de criteria, genoemd in artikel 563 lid 2 onder h, i en j. 4. De totale bijzondere vergoeding krachtens dit artikel wordt slechts betaald indien en voor zover deze vergoeding hoger is dan het hulploon dat de hulpverlener krachtens artikel 563 kan ontvangen. 5. Indien de hulpverlener nalatig is geweest en daardoor in gebreke is gebleven schade aan het milieu te voorkomen of te beperken, kan de rechter de krachtens dit artikel verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk ontzeggen. 6. De rechter die een hulploon vaststelt als bedoeld in artikel 563 en een bijzondere vergoeding bepaalt als bedoeld in lid 1, is niet verplicht om het bedrag van het hulploon vast te stellen tot het beloop van de maximale waarde van het schip en de andere geredde goederen alvorens het bedrag van de bijzondere 2024 -1245- No. 164 vergoeding te bepalen. 7. De leden 1 tot en met 6 doen geen afbreuk aan enig recht van verhaal van de reder van het schip.

  3412. Artikel 565 1. Geen hulploon is verschuldigd door personen wier leven is gered. 2. Niettegenstaande lid 1 is voor de afzonderlijke redding van opvarenden van een schip hulploon verschuldigd door de reder. 3. Degene die mensenlevens heeft gered en heeft deelgenomen aan de werkzaamheden die zijn verricht ter gelegenheid van het ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de hulpverlening, is gerechtigd tot een billijk aandeel in de betaling die aan de hulpverlener is toegekend voor de redding van het schip of andere zaken of voor het voorkomen of beperken van schade aan het milieu.

  3413. Artikel 566 1. Gerechtigd tot hulploon zijn die personen of groepen van personen, die hulp hebben verleend. 2. Indien de hulp is verleend door personen of groepen, die afhankelijk van elkaar handelden, is aan deze groepen of personen gezamenlijk slechts één bedrag als hulploon verschuldigd. 3. Indien de hulp door een schip is verleend kunnen ook de leden der bemanning, die geen hulp verleenden, tot hulploon gerechtigd zijn.

  3414. Artikel 567 Afstand, jegens wie dan ook, door een lid der bemanning van zijn recht op een aandeel in het door een schip te verdienen of verdiende hulploon is nietig, tenzij het schip blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor hulpverlening of sleepdienst is bestemd of de afstand één bepaalde hulpverlening betreft.

  3415. Artikel 568 1. Geen recht op betaling krachtens deze afdeling hebben zij, die hulp verleenden niettegenstaande een uitdrukkelijk en redelijk verbod als bedoeld in artikel 557 lid 1. 2. Opvarenden kunnen wegens hulp door hen verleend aan het schip, zich aan boord daarvan bevindende zaken of daarvan afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken, slechts recht op betaling hebben, wanneer door hen diensten zijn bewezen, waartoe zij redelijkerwijs niet zijn gehouden. 3. Geen betaling is verschuldigd krachtens deze afdeling tenzij de verleende diensten verder gaan dan wat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als een gebruikelijke uitvoering van een overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar ontstond. 4. Indien de hulpverleners door hun schuld de hulpverlening hebben nodig gemaakt of bemoeilijkt of zich hebben schuldig gemaakt aan diefstal, verberging of andere bedrieglijke handelingen, kan de rechter de krachtens deze afdeling verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk ontzeggen.

  3416. Artikel 569 1. Indien de hulp is verleend door onafhankelijk van elkaar handelende personen of groepen van personen is ieder van deze personen bevoegd vaststelling te vorderen van het hulploon dat, of de bijzondere vergoeding die hem of de groep, waarvan hij deel uitmaakte, toekomt. 2. Indien de hulp is verleend door afhankelijk van elkaar handelende personen of groepen van personen is ieder van deze personen bevoegd vaststelling te vorderen van het hulploon dat, of de bijzondere vergoeding die aan deze personen of groepen gezamenlijk toekomt. 3. Indien door een schip hulp is verleend, is uitsluitend de reder of de kapitein bevoegd omtrent het hulploon of de bijzondere vergoeding overeen te komen. De door hem gesloten overeenkomst bindt alle tot het hulploon of de bijzondere vergoeding gerechtigden. Hij is verplicht ieder van hen vóór de uitbetaling desverlangd het bedrag van het hulploon of de bijzondere vergoeding schriftelijk mee te 2024 -1246- No. 164 delen. Bij gebreke van een overeenkomst is uitsluitend hij, niet alleen gerechtigd, doch ook verplicht gerechtelijke vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding te vorderen en dit te innen. 4. In het in artikel 561 lid 3 bedoelde geval is iedere tot hulploon of bijzondere vergoeding gerechtigde bevoegd de vaststelling daarvan door de rechter te vorderen, ook al mocht over het hulploon of de bijzondere vergoeding een overeenkomst zijn gesloten.

  3417. Artikel 570 1. De verdeling van een hulploon als bedoeld in artikel 563 tussen hulpverleners geschiedt volgens de in dat artikel genoemde criteria. 2. De verdeling van een bijzondere vergoeding als bedoeld in artikel 564 tussen hulpverleners geschiedt met in aanmerkingneming van de criteria, genoemd in artikel 563 lid 2 onder h, i en j. 3. Bij geschillen omtrent de verdeling van het hulploon en de bijzondere vergoeding tussen de daartoe gerechtigden wordt deze op vordering van de meest gerede partij door de rechter vastgesteld.

  3418. Artikel 571 1. Degene, die gerechtigd is vaststelling van het hulploon te vorderen, heeft, behoudens artikel 559 leden 1 en 3, jegens ieder, die daarvan afgifte verlangt, een retentierecht op de schepen of zaken, waaraan hulp is verleend, alsmede op de schepen aan welker zich aan boord bevindende zaken hulp is verleend, voor hetgeen ter zake van hulploon is verschuldigd. 2. Ter zake van de in artikel 564 bedoelde bijzondere vergoeding kan dit retentierecht worden uitgeoefend op de schepen, waaraan hulp is verleend. 3. Dit retentierecht vervalt zodra is betaald het bedrag, waarover geen geschil tussen partijen bestaat, en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld.

  3419. Artikel 572 1. Degene die krachtens deze afdeling een betaling verschuldigd is, moet op verlangen van de hulpverlener voldoende zekerheid stellen voor hetgeen hij ter zake van die betaling verschuldigd is, met inbegrip van rente en kosten. 2. Het schip en de andere zaken waaraan de hulp is verleend mogen niet zonder toestemming van de hulpverlener worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na beëindiging van de hulpverlening zijn aangekomen, totdat voldoende zekerheid is gesteld voor de in lid 1 bedoelde betaling.

  3420. Artikel 573 1. De rechter kan, voordat hij het hulploon of de bijzondere vergoeding vaststelt, bevelen dat aan degene die gerechtigd is de vaststelling daarvan te vorderen, een naar billijkheid te bepalen bedrag bij wijze van voorschot wordt betaald. De rechter kan aan dit bevel voorwaarden verbinden die gezien de omstandigheden billijk zijn, daaronder begrepen de voorwaarde dat voor de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van het voorschot zekerheid zal worden gesteld. 2. Is krachtens artikel 572 zekerheid gesteld, dan wordt het bedrag van de gestelde zekerheid verminderd met het bedrag van het betaalde voorschot. 2024 -1247- No. 164

  3421. Artikel 574 1. Indien de rechthebbende op de schepen of andere zaken waaraan hulp is verleend, niet opkomt, is hij, die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan vorderen, gerechtigd deze voor rekening en gevaar van de rechthebbende onder zich te houden dan wel bij een derde op te slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats. 2. De derdebewaarnemer en de rechthebbende zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.

  3422. Artikel 575 1. In geval van toepassing van artikel 574 kan hij, die gerechtigd is vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding te vorderen, de bewaarnemer dan wel de rechthebbende op de schepen of andere zaken, op zijn verzoek door de rechter worden gemachtigd hen geheel of gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te verkopen. 2. De bewaarnemer is verplicht degene die de zaken in bewaring gaf, zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; degene die de zaken in bewaring gaf of onder zich hield, heeft deze verplichting jegens de hem bekende rechthebbenden op de zaken. 3. De opbrengst van het verkochte wordt gestort ter griffie van het Hof van Justitie, voor zover zij niet strekt tot voldoening van de kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan degene die de zaken in bewaring gaf, uit het in bewaring te stellen bedrag worden voldaan hetgeen hem ter zake van hulploon of bijzondere vergoeding is verschuldigd; voor zover het hulploon of de bijzondere vergoeding nog niet vaststaat, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vordering strekken. 4. De ter griffie gestorte opbrengst treedt in de plaats van de zaken.

  3423. Artikel 576 1. Degene, die gerechtigd is tot hulploon of bijzondere vergoeding, verkrijgt de eigendom van de zaak, waaraan hulp is verleend en waarvoor geen rechthebbende is opgekomen, twee jaar na de beëindiging van de hulpverlening, mits de zaak zich op dat tijdstip nog in zijn macht bevindt en hij datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de rechthebbende te ontdekken en deze van het gevolg van de hulpverlening op de hoogte te stellen. 2. Lid 1 vindt geen toepassing, wanneer de rechthebbende zich binnen de in dat lid genoemde termijn bij hem, die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan vorderen, heeft aangemeld en aan deze de kosten van bewaring en onderhoud en tot opsporing van de rechthebbende heeft vergoed. Degene die vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding kan vorderen is bevoegd de afgifte op te schorten totdat deze verplichting is nagekomen. Indien de rechthebbende die de zaak opeist, de verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem zijn opgegeven, heeft voldaan, wordt hij aangemerkt zijn recht op de zaak te hebben prijsgegeven.

  3424. Artikel 577 De wetsbepalingen omtrent zaakwaarneming vinden op hulpverlening geen toepassing. 2024 -1248- No. 164 Afdeling 3 Averij-grosse

  3425. Artikel 610 Er is een averij-grosse handeling, wanneer, en alleen wanneer, enige buitengewone opoffering of uitgave opzettelijk en redelijkerwijs wordt verricht of gedaan voor de gemeenschappelijke veiligheid met het doel de goederen, betrokken bij een gemeenschappelijke met een zeeschip uitgevoerde onderneming, voor gevaar, hoe of door wiens toedoen dit ook zij ontstaan, te behoeden.

  3426. Artikel 611 Alleen zodanige verliezen, schaden of onkosten, die het onmiddellijke gevolg zijn van een averij-grosse handeling, worden als averij-grosse toegelaten.

  3427. Artikel 612 1. Averij-grosse wordt aan hem, die haar leed, vergoed door de reder, de belanghebbende bij verschuldigde vracht of passagegeld, de ontvanger van de lading en de eigenaren van de overige zich aan boord bevindende zaken, met uitzondering van brieven, andere poststukken of postpakketten, van bagage en van persoonlijke zaken van opvarenden die geen bagage zijn. 2. In afwijking van lid 1 draagt een motorrijtuig of schip, dat door een vervoerder in verband met een overeenkomst van personenvervoer aan boord van het schip wordt vervoerd, bij in de averij-grosse.

  3428. Artikel 613 De vergoedingen in averij-grosse en de dragende waarden der in de averij-grosse bijdragende belangen worden bovendien bepaald met inachtneming van de York-Antwerp Rules, zoals vastgesteld door het Comité Maritime International, en zulks in de Engelstalige tekst daarvan. Titel 7 Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

  3429. Artikel 750 1. De reder van een schip en de hulpverlener kunnen door het stellen van een of meer fondsen als bedoeld in artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hun aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 752 genoemde vorderingen. 2. Onder reder worden in deze titel mede verstaan de bevrachter, de huurder of andere gebruiker van een schip, met inbegrip van degene in wiens handen de exploitatie van een schip is gelegd. 3. Onder hulpverlener wordt in deze titel eenieder verstaan die werkzaamheden verricht in onmiddellijk verband met hulpverlening, waaronder in deze titel mede worden verstaan de in artikel 752 lid 1 onder d, e en f genoemde werkzaamheden of maatregelen. 4. Onder schip wordt in deze titel zeeschip verstaan. Een schip in aanbouw wordt voor de toepassing van deze titel mede als schip aangemerkt van het ogenblik af, dat de stapelloop aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt voor de toepassing van deze titel niet als schip aangemerkt. Een platform dat is gebouwd ter exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem of van de ondergrond daarvan en dat kan drijven, wordt voor de toepassing van deze titel niet als schip aangemerkt gedurende de tijd dat het op de zeebodem rust. 5. In deze titel wordt onder letsel verstaan iedere lichamelijke verwonding van de mens en iedere aantasting in zijn persoon.

  3430. Artikel 751 2024 -1249- No. 164 1. Indien een vordering als bedoeld in artikel 752 wordt gericht tegen enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid de reder of de hulpverlener in beginsel aansprakelijk is, heeft deze persoon de in deze titel verleende bevoegdheid tot beperking van zijn aansprakelijkheid. 2. De verzekeraar van de aansprakelijkheid voor vorderingen, waarvoor op grond van deze titel beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, kan zich in dezelfde mate als zijn verzekerde op die beperking beroepen.

  3431. Artikel 752 1. Onder voorbehoud van de artikelen 753 en 754 bestaat de bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid voor de hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij op grond van overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer de aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of bezit van of een voorrecht op het schip of uit het feit, dat dit onder hoede of toezicht is van degene die zich op de beperking van aansprakelijkheid beroept: a. vorderingen ter zake van dood of letsel, dan wel ter zake van verlies van of schade aan zaken, met inbegrip van schade aan kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen of hulpmiddelen voor de scheepvaart, opgekomen aan boord van het schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening, alsmede voor vorderingen ter zake van schade ten gevolge van een of ander; b. vorderingen ter zake van schade ontstaan door vertraging bij het vervoer over zee van lading, reizigers of hun bagage; c. vorderingen ter zake van andere schade ontstaan door inbreuk op enig niet op overeenkomst gegrond vermogensrecht en opgekomen in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening; d. vorderingen ter zake van het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een zeeschip dat is gezonken, schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, met inbegrip van alles wat aan boord van zulk een schip is of is geweest; e. vorderingen ter zake van het verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van het schip; f. vorderingen van een persoon ter zake van maatregelen genomen om schade te voorkomen of te verminderen voor welke schade de daarvoor aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid op grond van deze titel zou kunnen beperken, alsmede voor vorderingen ter zake van verdere schade door zulke maatregelen geleden, één en ander echter met uitzondering van dusdanige vorderingen van deze aansprakelijke persoon zelf. 2. Aansprakelijkheid voor de in lid 1 bedoelde vorderingen kan worden beperkt, ook indien deze, al dan niet op grond van een overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. De aansprakelijkheid voor de vorderingen, bedoeld in lid 1 onder d, e of f, kan echter niet worden beperkt voor zover deze vorderingen betrekking hebben op een vergoeding verschuldigd op grond van een overeenkomst met de aansprakelijke persoon.

  3432. Artikel 753 1. Deze titel is niet van toepassing op: a. vorderingen uit hoofde van hulpverlening, met inbegrip van, indien van toepassing, een vordering ter zake van een bijzondere vergoeding als bedoeld in artikel 14 van het op 28 april 1989 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake hulpverlening, zoals nadien gewijzigd, of bijdrage in averij-grosse; b. vorderingen voor schade door verontreiniging door olie, zoals deze zijn bedoeld in het op 29 november 1969 te Brussel totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie of in enige kracht van wet hebbende wijziging van dat Verdrag of Protocol daarbij; c. vorderingen gebaseerd op enig bindend internationaal verdrag of enige wet die de beperking van aansprakelijkheid voor kernschade regelt of verbiedt; 2024 -1250- No. 164 d. vorderingen tegen de exploitant van een nucleair schip terzake van kernschade; e. vorderingen uit hoofde van arbeidsovereenkomst tegen de reder of de hulpverlener ingesteld door zijn ondergeschikten of hun rechtverkrijgenden voor zover deze vorderingen werkzaamheden betreffen in verband met het schip of de hulpverlening, al naar gelang de aansprakelijkheid van de reder of de hulpverlener voor deze vorderingen uit hoofde van de op de arbeidsovereenkomst toepasselijke wet niet of slechts tot een hoger bedrag dan op grond van deze titel het geval zou zijn, kan worden beperkt. 2. Wanneer degene die op grond van deze titel bevoegd is zijn aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is tegen een schuldeiser een vordering geldend te maken, die voortkomt uit hetzelfde voorval, zullen de respectieve vorderingen met elkaar worden verrekend en wordt de beperking van aansprakelijkheid slechts toegepast op het daarna mogelijkerwijs overblijvende saldo.

  3433. Artikel 754 Niemand is gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien is bewezen dat de schade is ontstaan door zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

  3434. Artikel 755 1. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde van deze titel voor niet in artikel 756 genoemde vorderingen, naar aanleiding van éénzelfde voorval ontstaan, kan worden beperkt, te noemen: het bedrag van het fonds, beloopt: a. wanneer het vorderingen betreft ter zake van dood of letsel, die niet zijn vorderingen als bedoeld in artikel 752 lid 1 onder d of e, te noemen: het personenfonds: 1. 2 000 000 rekeneenheden voor een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 2 000 bedraagt; 2. voor een schip, waarvan de tonnage groter is dan 2 000, wordt het onder 1 bedoelde bedrag vermeerderd met: - 800 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een van 2 001 tot en met 30 000; - 600 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een van 30 001 tot en met 70 000; - 400 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een boven de 70 000. b. wanneer het enige andere vordering betreft die niet is een vordering als bedoeld in artikel 752 lid 1 onder d of e, te noemen: het zakenfonds: 1. 1 000 000 rekeneenheden voor een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 2 000 bedraagt; 2. voor een schip, waarvan de tonnage groter is dan 2 000, wordt het onder 1 bedoelde bedrag vermeerderd met: - 400 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een van 2 001 tot en met 30 000; - 300 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een van 30 001 tot en met 70 000; - 200 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een boven de 70 000. c. wanneer het vorderingen betreft als bedoeld in artikel 752 lid 1 onder d of e, te noemen: het wrakkenfonds: 1. 1 000 000 rekeneenheden voor een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 2 000 bedraagt; 2. voor een schip, waarvan de tonnage groter is dan 2 000, wordt het onder 1 bedoelde bedrag vermeerderd met: - 400 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een van 2 001 tot en met 30 000; - 300 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een van 30 001 tot en met 70 000; - 200 rekeneenheden voor elke toename van de tonnage met een boven de 70 000. 2. Voor schepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer van personen en waarvan de tonnage niet groter is dan 300, kan bij staatsbesluit het bedrag waartoe uit hoofde van deze titel de aansprakelijkheid voor de in lid 1 aanhef en onder b bedoelde vorderingen kan worden beperkt, op een lager aantal rekeneenheden worden gesteld dan bedoeld in lid 1 onder b ten 1. 3. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van een hulpverlener aan een schip die niet van een zeeschip uit werkzaamheden verricht of die werkzaamheden uitsluitend verricht op het schip waaraan of met 2024 -1251- No. 164 betrekking waartoe hij hulp verleent, kan worden beperkt, wordt berekend naar een tonnage van 1500 ton. 4. Voor de toepassing van deze titel wordt onder tonnage van het schip verstaan de bruto-tonnage van het schip berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969, met bijlagen. 5. Op verzoek van de eigenaar kan door het hoofd van de scheepsmetingsdienst een verklaring worden afgegeven betreffende de bruto-tonnage van een schip, berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969. 6. Deze verklaring wordt afgegeven tegen betaling van de kosten volgens een door de ter zake van het vervoer verantwoordelijke minister vast te stellen tarief.

  3435. Artikel 756 1. Wat betreft vorderingen ontstaan naar aanleiding van éénzelfde voorval ter zake van dood of letsel van reizigers van een schip beloopt het bedrag waartoe de reder daarvan zijn aansprakelijkheid kan beperken, te noemen: het passagiersfonds, even vele malen 175 000 rekeneenheden als het schip volgens zijn veiligheidscertificaat gerechtigd is reizigers te vervoeren. 2. Onder vorderingen ter zake van dood of letsel van reizigers worden voor de toepassing van dit artikel verstaan dergelijke vorderingen ingediend naar aanleiding van een voorval overkomen aan enige persoon vervoerd aan boord van het schip: a. op grond van een overeenkomst tot het vervoer van reizigers; b. die met toestemming van de vervoerder een voertuig of levende dieren vergezelt, die worden vervoerd op grond van een overeenkomst tot goederenvervoer.

  3436. Artikel 757 Aan de bedragen vermeld in de artikelen 755 en 756 wordt toegevoegd de wettelijke rente berekend van de aanvang van de dag volgende op de dag van het voorval, dat aanleiding gaf tot de vordering, tot de aanvang van de dag volgende op de dag waarop hij, die een verzoek tot beperking van zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed aan een hem krachtens artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgelegd bevel.

  3437. Artikel 758 1. De beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld in artikel 755 geldt voor het geheel van de naar aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen: a. de persoon of personen bedoeld in artikel 750 lid 2, en enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze in beginsel aansprakelijk zijn, of b. de reder van een schip die van dat schip uit hulp verleent, en de hulpverlener of hulpverleners die van dat schip uit hun werkzaamheden verricht of verrichten en enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel aansprakelijk zijn, of c. de hulpverlener of hulpverleners aan een schip die niet van een zeeschip uit werkzaamheden verricht of verrichten of die werkzaamheden verricht of verrichten uitsluitend op het schip waaraan of met betrekking waartoe hulp wordt verleend, en enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel aansprakelijk zijn. 2. De beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld in artikel 756 geldt voor het geheel van de naar aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen de persoon of de personen die in de in artikel 750 lid 2 bedoelde betrekking staan tot het in artikel 756 bedoelde schip, en enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze in beginsel aansprakelijk zijn.

  3438. Artikel 759 De rekeneenheid, bedoeld in de artikelen 755 en 756, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is 2024 -1252- No. 164 omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen bedoeld in de artikelen 755 en 756 worden omgerekend in Surinaams geld naar de koers van de dag waarop de schuldenaar voldoet aan een ingevolge artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot storting of andere zekerheidstelling. De waarde van het Surinaamse geld, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. V. LUCHTRECHT Titel 15 Het luchtvaartuig Afdeling 1 Rechten op luchtvaartuigen

  3439. Artikel 1300 In deze titel wordt verstaan onder: a. het Verdrag van Genève: het op 19 juni 1948 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen; b. Verdragsstaat: een staat waarvoor het Verdrag van Genève van kracht is; c. verdragsregister: een in het buitenland gehouden register als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder ii, van het Verdrag van Genève; d. de openbare registers: de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3.

  3440. Artikel 1301 De in deze afdeling aan de eigenaar opgelegde verplichtingen rusten, indien het luchtvaartuig toebehoort aan meer personen, aan een openbare vennootschap dan wel een rechtspersoon, mede op iedere mede-eigenaar, besturende vennoot of bestuurder.

  3441. Artikel 1303 1. Teboekstelling is slechts mogelijk, indien: a. het luchtvaartuig een Surinaams luchtvaartuig is, en b. het luchtvaartuig ten minste een bij staatsbesluit vastgesteld gewicht heeft. 2. Teboekstelling is niet mogelijk van een luchtvaartuig dat reeds teboekstaat in de openbare registers, in een verdragsregister of in enig soortgelijk buitenlands register. 3. In afwijking van lid 2 is teboekstelling van een in een verdragsregister of in enig soortgelijk register teboekstaand luchtvaartuig mogelijk, wanneer de eigenaar de eigendom van het luchtvaartuig heeft verkregen door toewijzing na een executie die in Suriname heeft plaatsgevonden. 4. De teboekstelling wordt verzocht door de eigenaar van het luchtvaartuig. Hij moet daarbij ter inschrijving overleggen een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste weten het luchtvaartuig voor teboekstelling vatbaar is. Deze verklaring behoeft de goedkeuring van de kantonrechter. 5. De teboekstelling in de openbare registers heeft geen rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de leden 1 tot en met 4 niet is voldaan. 6. Bij het verzoek tot teboekstelling wordt in Suriname woonplaats gekozen. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot teboekstelling vermeld en kan door een andere woonplaats in Suriname worden vervangen.

  3442. Artikel 1304 1. De teboekstelling wordt slechts doorgehaald: a. op verzoek van degene die in de openbare registers als eigenaar staat vermeld; 2024 -1253- No. 164 b. op aangifte van de eigenaar of ambtshalve: 1. als het luchtvaartuig heeft opgehouden als zodanig te bestaan; 2. als van het luchtvaartuig gedurende twee maanden na het laatste vertrek geen tijding is ontvangen, zonder dat dit aan een algemene storing in de berichtgeving kan worden geweten; 3. als het luchtvaartuig niet of niet meer de hoedanigheid van een Surinaams luchtvaartuig heeft; 4. als het luchtvaartuig, na een executie in een Verdragsstaat in het buitenland, die plaatsvond overeenkomstig het Verdrag van Genève, in een verdragsregister teboekstaat. 2. In de in lid 1 onder b genoemde gevallen is de eigenaar van het luchtvaartuig tot het doen van aangifte verplicht binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft voorgedaan. 3. Wanneer ten aanzien van het luchtvaartuig inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden bestaan, geschiedt, behalve in het geval, genoemd in lid 1 onder b ten 4, doorhaling slechts wanneer geen van deze derden zich daartegen verzet. 4. Doorhaling geschiedt slechts na op verzoek van de meest gerede partij verleende machtiging van de kantonrechter.

  3443. Artikel 1305 De enige zakelijke rechten waarvan een in de openbare registers teboekstaand luchtvaartuig het voorwerp kan zijn, zijn de eigendom, de hypotheek en de zakelijke rechten, bedoeld in de artikelen 1308 en 1309.

  3444. Artikel 1306 1. Een in de openbare registers teboekstaand luchtvaartuig is een registergoed. 2. Bij de toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten die op de voet van artikel 89 leden 1 en 4 van Boek 3 zijn bestemd voor de levering van zodanig luchtvaartuig, kan de in het eerstgenoemde artikel bedoelde uitspraak van de Surinaamse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij niet in kracht van gewijsde is gegaan.

  3445. Artikel 1307 Eigendom en hypotheek op een teboekstaand luchtvaartuig worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaar.

  3446. Artikel 1308 Op een teboekstaand luchtvaartuig kan een zakelijk recht worden gevestigd, bestaande in het recht van de houder van het luchtvaartuig om na betaling van een zeker bedrag of na vervulling van enige andere voorwaarde de eigendom daarvan krachtens een door hem reeds gesloten of nog te sluiten koopovereenkomst te verkrijgen. In de notariële akte bestemd voor de vestiging van dit recht, wordt duidelijk het aan dit recht onderworpen luchtvaartuig vermeld.

  3447. Artikel 1309 1. Op een teboekstaand luchtvaartuig kan een zakelijk recht worden gevestigd, bestaande in het recht van de houder tot gebruik van het luchtvaartuig uit een huurovereenkomst die voor ten minste zes maanden is gesloten. In de notariële akte, bestemd voor de vestiging van dit recht, wordt duidelijk het aan dit recht onderworpen luchtvaartuig vermeld. 2. De huurovereenkomst geldt als titel voor de vestiging. Indien de huurovereenkomst in een notariële akte is neergelegd, die aan de eisen voor een akte van levering voldoet, geldt deze akte als akte van levering. 3. Op een huurovereenkomst ter zake van een teboekstaand luchtvaartuig is artikel 226 van Boek 7 niet van toepassing.

  3448. Artikel 1310 2024 -1254- No. 164 Onverminderd artikel 260 lid 1 van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij hypotheek wordt verleend op een teboekstaand luchtvaartuig, duidelijk het aan de hypotheek onderworpen luchtvaartuig vermeld.

  3449. Artikel 1311 De door hypotheek gedekte vordering neemt rang na de vorderingen, bedoeld in de artikelen 1315 en 1317, doch vóór alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.

  3450. Artikel 1312 Indien de vordering rente draagt, strekt de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom, vervallen gedurende de laatste drie jaar voorafgaand aan het begin van de uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel 263 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3451. Artikel 1313 Op hypotheek op een aandeel in een teboekstaand luchtvaartuig is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van het luchtvaartuig in stand.

  3452. Artikel 1314 Op een hypotheek op een teboekstaand luchtvaartuig zijn de artikelen 234, 261, 264, 265, 266 en de artikelen 268 tot en met 273 van Boek 3 en de artikelen 544 tot en met 548 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing. Afdeling 2 Voorrechten op luchtvaartuigen

  3453. Artikel 1315 In geval van uitwinning van een luchtvaartuig dat teboekstaat in de openbare registers of in een verdragsregister, worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking tijdens deze uitwinning, de kosten na het beslag gemaakt tot behoud van het luchtvaartuig, daaronder begrepen de kosten van herstellingen die onontbeerlijk waren voor het behoud daarvan, alle andere kosten in het belang van de schuldeisers gemaakt tijdens de executie, alsmede de kosten van de gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend.

  3454. Artikel 1316

  3455. Artikel 292 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 56 lid 2, eerste volzin, leden 3 en 4 van de Faillissementswet zijn niet van toepassing op luchtvaartuigen die teboekstaan in de openbare registers of in een verdragsregister. 2024 -1255- No. 164

  3456. Artikel 1317 1. Boven alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn, behoudens artikel 1315, op een luchtvaartuig dat op het tijdstip van het ontstaan van de hierna bedoelde vorderingen teboekstaat in de openbare registers of in een verdragsregister, bevoorrecht: a. de vorderingen tot betaling van hulploon voor aan het luchtvaartuig verleende hulp; b. de vorderingen tot betaling van buitengewone kosten, noodzakelijk voor het behoud van het luchtvaartuig. 2. Lid 1 geldt slechts indien de hulp of de handeling tot behoud in Suriname is beëindigd of in een Verdragsstaat welks wetgeving aan de vorderingen, ontstaan vanwege deze handelingen, een voorrecht met zaaksgevolg toekent. 3. Artikel 284 van Boek 3 is niet van toepassing.

  3457. Artikel 1318 De bevoorrechte vorderingen, bedoeld in artikel 1317, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop de gebeurtenissen plaatsvonden, waardoor zij ontstonden.

  3458. Artikel 1319 De schuldeiser die een voorrecht heeft op grond van artikel 1317, vervolgt zijn recht op het luchtvaartuig, in wiens handen dit zich ook mag bevinden.

  3459. Artikel 1320 1. De krachtens deze afdeling op een luchtvaartuig verleende voorrechten gaan teniet door verloop van drie maanden, tenzij binnen die termijn het voorrecht is ingeschreven in de openbare registers of het verdragsregister waarin het luchtvaartuig teboekstaat, en bovendien het bedrag der vordering in der minne is vastgesteld dan wel langs gerechtelijke weg erkenning van het voorrecht en deszelfs omvang is gevorderd. 2. In geval van executoriale verkoop gaan de voorrechten mede teniet op het tijdstip waarop het proces-verbaal van verdeling wordt gesloten. 3. De in lid 1 genoemde termijn begint met de aanvang van de dag volgende op die, waarop de hulpverlening of de handeling tot behoud waardoor de vordering is ontstaan, is beëindigd. 4. Voorrechten als bedoeld in artikel 1317 kunnen worden ingeschreven in de openbare registers. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing. Afdeling 3 Slotbepaling

  3460. Artikel 1321 Behoeven de in deze titel geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of krachtens staatsbesluit, onverminderd de bevoegdheid tot regeling krachtens de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem, bedoeld in artikel 16 van Boek 3. 2024 -1256- No. 164 VII. SLOTBEPALINGEN Titel 20 Verjaring en verval Afdeling 1 Algemene bepalingen

  3461. Artikel 1700 1. Een beding, waarbij een wettelijke termijn van verjaring of verval wordt gewijzigd, wordt aangemerkt als een beding ter wijziging van de aansprakelijkheid van degene, aan wie een beroep op deze termijn toekomt. 2. Behoudens artikel 1701, is ieder beding nietig, waarbij van lid 1 wordt afgeweken.

  3462. Artikel 1701 Een termijn, bij afloop waarvan een rechtsvordering verjaart of vervalt, kan worden verlengd bij overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat het feit, dat de rechtsvordering heeft doen ontstaan, heeft plaatsgehad. In afwijking van artikel 1700 lid 1, wordt een dergelijke verlenging niet aangemerkt als een wijziging van aansprakelijkheid van degene aan wie een beroep op een dergelijke termijn toekomt.

  3463. Artikel 1702 Het feit, dat een schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld voor de schuldeiser verborgen houdt, is niet van invloed op een termijn van verjaring of verval. Afdeling 2 Goederenvervoer

  3464. Artikel 1710 In artikel 1711 en in de artikelen 1713 tot en met 1720 wordt verstaan onder: a. vervoerovereenkomst: een overeenkomst van goederenvervoer als bedoeld in titel 2, afdeling 1, en titel 5, afdeling 2; b. vervoerder: een vervoerder bij een vervoerovereenkomst; c. afzender: een afzender, cognossementhouder, geadresseerde of ontvanger bij een vervoerovereenkomst; d. dag van aflevering: dag waarop de onder de vervoerovereenkomst te vervoeren of vervoerde zaken uit het vervoermiddel zijn afgeleverd dan wel, indien zij niet zijn afgeleverd, onder de al dan niet tot uitvoering gekomen vervoerovereenkomst hadden moeten zijn afgeleverd; worden zaken na voortijdige beëindiging van de vervoerovereenkomst alsnog door de vervoerder in feite afgeleverd, dan geldt de dag van deze feitelijke aflevering als dag van aflevering; worden zaken op grond van artikel 491 dan wel enig beding van dusdanige strekking verkocht, dan geldt de dag van de verkoop als dag van aflevering.

  3465. Artikel 1711 Behoudens de artikelen 1712 en 1720, verjaart een op een vervoerovereenkomst gegronde rechtsvordering door verloop van één jaar. 2024 -1257- No. 164

  3466. Artikel 1712 1. De vervoerder bij een vervoerovereenkomst onder cognossement als bedoeld in artikel 377 is in ieder geval van alle aansprakelijkheid, welke dan ook, met betrekking tot de vervoerde zaken ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt ingesteld binnen één jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag volgende op de dag van aflevering of de dag waarop de zaken hadden moeten zijn afgeleverd. 2. In afwijking van lid 1 kunnen rechtsvorderingen tot verhaal op een derde zelfs na afloop van de in dat lid bedoelde termijn worden ingesteld gedurende een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag waarop degene die een zodanige rechtsvordering tot verhaal instelt ten aanzien van het van hemzelf gevorderde de zaak heeft geregeld of waarop hij te dien aanzien in rechte is aangesproken. 3. De in lid 1 bedoelde termijn kan worden verlengd bij overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat de gebeurtenis die de rechtsvordering heeft doen ontstaan, heeft plaatsgehad.

  3467. Artikel 1713 Behoudens artikel 1716 en in afwijking van artikel 1717, begint in geval van een door een afzender tegen een vervoerder ingestelde rechtsvordering ter zake van niet terbeschikkingstelling van het vervoermiddel of niet aanwezig zijn daarvan, de in artikel 1711 genoemde termijn met de aanvang van de dag, volgende op de dag dat het vervoermiddel ter beschikking gesteld had moeten zijn.

  3468. Artikel 1714 In afwijking van artikel 1717 en behoudens artikel 1719, begint de in artikel 1711 genoemde termijn met de aanvang van de dag, volgende op de dag van aflevering, indien het een rechtsvordering betreft ter zake van: a. het ten vervoer ter beschikking stellen of ontvangen van bepaalde zaken, verschaffen van opgaven, inlichtingen of documenten betreffende deze zaken, betrachten van zorg ten aanzien van deze documenten, adresseren van bepaalde zaken of aanbrengen van gegevens op die zaken of op hun verpakking; b. het laden, behandelen, stuwen, herstuwen, vervoeren, lossen, opslaan, vernietigen of onschadelijk maken van bepaalde zaken dan wel berokkenen van schade door die zaken of door in- of uitladen daarvan; c. het afleveren van bepaalde zaken, verschaffen van middelen tot onderzoek en natellen daarvan, betalen van vracht daarover of van onkosten of extra-vergoedingen in verband met deze zaken, vergoeden van de in artikel 488 bedoelde schade, en innen en afdragen van remboursgelden; d. het invullen, aanvullen, dateren, ondertekenen of afgeven van een cognossement, vrachtbrief, ontvangstbewijs of een soortgelijk document.

  3469. Artikel 1715 In afwijking van artikel 1717 en behoudens artikel 1719, is op een rechtsvordering door de vervoerder of de afzender ingesteld met betrekking tot materiaal, dat van de zijde van de afzender ter beschikking moet worden gesteld of is gesteld, artikel 1714 van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat in geval de vervoerder volgens de overeenkomst niet tot teruggave van het materiaal verplicht is onder de dag van aflevering daarvan mede wordt verstaan de dag, waarop dit materiaal te zijner beschikking werd gesteld.

  3470. Artikel 1716 In afwijking van de artikelen 1713 en 1717 begint de in artikel 1711 genoemde termijn in geval van een rechtsvordering ter zake van schade geleden door opzegging of door voortijdige beëindiging van de vervoerovereenkomst zonder opzegging, met de aanvang van de dag volgende op de dag dat de overeenkomst eindigt. 2024 -1258- No. 164

  3471. Artikel 1717 Behoudens de artikelen 1713 tot en met 1716 en de artikelen 1718, 1719 en 1822, begint in geval van een rechtsvordering gegrond op een tijdbevrachting, de in artikel 1711 genoemde termijn met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de uitvoering van de overeenkomst is geëindigd; in geval van een rechtsvordering gegrond op een reisbevrachting begint deze termijn met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de reis, naar aanleiding waarvan de vordering is ontstaan, is geëindigd.

  3472. Artikel 1718 In afwijking van artikel 1717 begint de in artikel 1711 genoemde termijn in geval van een rechtsvordering tot schadevergoeding, verschuldigd doordat aan een verplichting tot verwittigen of op de hoogte stellen niet werd voldaan, met de aanvang van de dag volgende op de dag waarop deze verplichting ontstond.

  3473. Artikel 1719 In afwijking van de artikelen 1714, 1715 en 1717 begint in geval van een door een vervoerder ingestelde rechtsvordering tot vergoeding van schade geleden door verlies of beschadiging van een vervoermiddel de in artikel 1711 genoemde termijn met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het verlies of de beschadiging plaatsvond.

  3474. Artikel 1720 1. Behoudens artikel 1712, begint ten behoeve van een vervoerder of een afzender, voor zover deze verhaal zoekt op een partij bij een exploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 361, voor hetgeen door hem aan een derde is verschuldigd, een nieuwe termijn van verjaring of verval, die drie maanden beloopt; deze termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de eerste der volgende dagen: a. de dag waarop hij, die verhaal zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan, of b. de dag waarop hij, die verhaal zoekt, ter zake in rechte is aangesproken, of c. de dag waarop de verjaring, waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit, of d. de dag waarop de termijn van de verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging. 2. Lid 1 kan er niet toe leiden, dat de voor rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende exploitatieovereenkomst, geldende termijn van verjaring of verval eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering tot verhaal die op die exploitatieovereenkomst is gegrond. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt een overeenkomst, waarbij door de ene partij een vervoermiddel anders dan bij wijze van bevrachting, ter beschikking wordt gesteld van haar wederpartij, als exploitatieovereenkomst aangemerkt en worden de partijen bij die overeenkomst aangemerkt als vervoerder en afzender.

  3475. Artikel 1721 1. Indien uit hoofde van de artikelen 1710 tot en met 1720 enige rechtsvordering in verschillende termijnen verjaart of vervalt dan wel te haren aanzien het begin van de termijn, waarbinnen de rechtsvordering verjaart of vervalt, verschilt, geldt die bepaling die de termijn van verjaring of verval het laatst doet eindigen. 2. Lid 1 laat artikel 1712 onverlet. 2024 -1259- No. 164

  3476. Artikel 1722 1. De artikelen 1710 tot en met 1721 zijn van toepassing op overeenkomsten van gecombineerd goederenvervoer, met dien verstande, dat onder afzender mede de houder van een CT-document wordt verstaan en onder dag van aflevering, de dag van aflevering onder de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer. 2. Indien bij een overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer aan hem die de rechtsvordering instelt niet bekend is waar de omstandigheid, die tot de rechtsvordering aanleiding gaf, is opgekomen, wordt die der in aanmerking komende bepalingen van verjaring of verval toegepast die voor hem de gunstigste is. 3. Nietig is ieder beding, waarbij van lid 2 wordt afgeweken. Afdeling 3 Bijzondere exploitatieovereenkomsten

  3477. Artikel 1730 1. Een rechtsvordering gegrond op een overeenkomst als bedoeld in titel 5, afdeling 4, verjaart door verloop van één jaar. 2. Artikel 1710, de artikelen 1713 tot en met 1722 en de artikelen 1750 tot en met 1754 zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling 4 Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen

  3478. Artikel 1740 1. Behoudens artikel 1741, verjaart een op een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen gegronde rechtsvordering door verloop van negen maanden. 2. De termijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op de dag van aflevering. Voor de vaststelling van deze dag vindt artikel 1710 onder d overeenkomstige toepassing. Is de rechtsvordering echter gegrond op artikel 62 of op artikel 63, dan wel op enig beding van gelijke strekking, dan begint deze termijn met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de opdrachtgever wist, dat de expediteur niet aan zijn verplichting tot het doen van mededelingen voldeed. 3. Is de rechtsvordering gegrond op artikel 65 of artikel 68, dan begint de termijn met de aanvang van de dag, volgende op de dag dat de overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen eindigt.

  3479. Artikel 1741 1. Ten behoeve van een partij bij een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen, voor zover deze verhaal zoekt op haar wederpartij voor hetgeen door haar aan een derde is verschuldigd, begint een nieuwe termijn van verjaring of verval, die drie maanden beloopt; deze termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de eerste der volgende dagen: a. de dag waarop hij, die verhaal zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan, of b. de dag waarop hij, die verhaal zoekt, ter zake in rechte is aangesproken, of c. de dag waarop de verjaring, waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit, of d. de dag waarop de termijn van de verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging. 2. Lid 1 kan er niet toe leiden, dat de voor rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen, geldende termijn van verjaring of verval eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering tot verhaal die op die overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen is gegrond. 2024 -1260- No. 164 Afdeling 5 Vervoer van personen

  3480. Artikel 1750 1. Behoudens de artikelen 1751 tot en met 1754, verjaart een op een overeenkomst van personenvervoer als bedoeld in titel 5, afdeling 3, gegronde rechtsvordering door verloop van één jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de reiziger het vervoermiddel heeft verlaten of had moeten verlaten. 2. In afwijking van lid 1 zijn op de verjaring van een rechtsvordering ter zake van het vervoer van bagage, geen hut- of handbagage in de zin van de artikel 500, noch een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip of levend dier zijnde, de artikelen 1710 tot en met 1722 van overeenkomstige toepassing.

  3481. Artikel 1751 1. Een rechtsvordering jegens de vervoerder ter zake van aan een reiziger overkomen letsel verjaart door verloop van drie jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag van het de reiziger overkomen voorval of ongeval. 2. Een rechtsvordering jegens de vervoerder ter zake van dood van een reiziger verjaart door verloop van drie jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag van overlijden van de reiziger, doch welke niet langer loopt dan vijf jaar beginnend met de aanvang van de dag, volgende op de dag van het de reiziger overkomen voorval of ongeval.

  3482. Artikel 1752 In geval van bevrachting strekkende tot het vervoer van personen zijn artikel 1713 lid 1, de artikelen 1716 tot en met 1719 en artikel 1721 van overeenkomstige toepassing.

  3483. Artikel 1753 1. Een rechtsvordering jegens een vervoerder ter zake van dood of letsel van de reiziger of ter zake van hut- of handbagage in de zin van artikel 500, dan wel ter zake van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig, schip of levend dier vervalt indien de rechthebbende niet binnen een termijn van drie maanden aan de vervoerder kennis heeft gegeven van het aan de reiziger overkomen voorval of ongeval. 2. De in lid 1 bedoelde termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag van het voorval of ongeval. 3. Lid 1 blijft buiten toepassing indien: a. de rechthebbende binnen de in lid 1 genoemde termijn schriftelijk bij de vervoerder een vordering heeft ingediend; b. het voorval of ongeval te wijten is aan schuld van de vervoerder; c. van het voorval of ongeval geen kennis is gegeven of niet binnen de in lid 1 genoemde termijn kennis is gegeven, het één of het ander door omstandigheden, die niet voor rekening van de rechthebbende komen; of d. de vervoerder binnen de in lid 1 bedoelde termijn uit andere hoofde kennis had van het voorval of ongeval. 4. Voor de toepassing van het de leden 1 tot en met 3 wordt een omstandigheid als bedoeld in artikel 505 aangemerkt als een aan de reiziger overkomen voorval of ongeval. 2024 -1261- No. 164

  3484. Artikel 1754 1. Ten behoeve van een vervoerder van personen, een wederpartij van een zodanige vervoerder of een reiziger, voor zover deze verhaal zoekt op een partij bij een exploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 361, dan wel op een reiziger voor hetgeen door hem aan een derde is verschuldigd, begint een nieuwe termijn van verjaring of verval, die drie maanden beloopt; deze termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de eerste der volgende dagen: a. de dag waarop hij, die verhaal zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan, of b. de dag waarop hij, die verhaal zoekt, ter zake in rechte is aangesproken, of c. de dag waarop de verjaring, waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit, of d. de dag waarop de termijn van de verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging. 2. Lid 1 kan er niet toe leiden, dat de voor rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende exploitatieovereenkomst, geldende termijn van verjaring of verval eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering tot verhaal die op die exploitatieovereenkomst is gegrond. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt een overeenkomst, waarbij door de ene partij een vervoermiddel anders dan bij wijze van bevrachting ter beschikking wordt gesteld van haar wederpartij, als exploitatie- overeenkomst aangemerkt en worden de partijen bij die overeenkomst aangemerkt als vervoerder en diens wederpartij of reiziger. Afdeling 7 Rederij

  3485. Artikel 1770 Een rechtsvordering tussen de leden ener rederij als zodanig en tussen deze leden en de boekhouder als zodanig verjaart door verloop van vijf jaar. Afdeling 8 Rechtsvorderingen jegens de kapitein

  3486. Artikel 1780 1. Een rechtsvordering tegen een kapitein ter zake van schade door hem toegebracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden verjaart door verloop van twee jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag waarop het schadeveroorzakende voorval plaatsvond. 2. Lid 1 is niet van toepassing op rechtsvorderingen van de werkgever van de kapitein. Afdeling 9 Aanvaring

  3487. Artikel 1790 Een rechtsvordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door een voorval als bedoeld in titel 6, afdeling 1, verjaart, indien zij niet op een overeenkomst is gegrond, door verloop van twee jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag van dit voorval.

  3488. Artikel 1791 Een rechtsvordering tot verhaal van een overschot als bedoeld in artikel 545 lid 3 verjaart door verloop van één jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de betaling van het overschot heeft plaatsgehad.

  3489. Artikel 1792 2024 -1262- No. 164 1. De verjaringstermijn, genoemd in artikel 1790, wordt verlengd met de dagen, gedurende welke het aansprakelijk geachte schip niet in beslag kon worden genomen binnen de staat, waarin de schuldeiser woont of de hoofdzetel van zijn bedrijf is gevestigd, met dien verstande echter dat: a. indien het schip binnen de termijn, gesteld in artikel 1790, aldus in beslag kon worden genomen, deze termijn met niet meer dan drie maanden wordt verlengd; b. indien het schip niet binnen de termijn, gesteld in artikel 1790 aldus in beslag kon worden genomen, deze termijn eindigt met de aanvang van de dag, volgende op die waarop drie maanden zijn verlopen sinds het eerste tijdstip, waarop dit beslag mogelijk was en in ieder geval met de aanvang van de dag, volgende op die waarop vijf jaar zijn verlopen sinds het tijdstip van het voorval, bedoeld in titel 6, afdeling 1. 2. Indien een rechtsvordering als bedoeld in artikel 1790 wordt ingesteld voor de aanvang van de dag, volgende op die waarop vijf jaar zijn verlopen sinds het tijdstip van het voorval, bedoeld in titel 6, afdeling 1, wordt vermoed dat het aansprakelijk geachte schip voordien niet in beslag kon worden genomen binnen de staat, waarin de schuldeiser woont of de hoofdzetel van zijn bedrijf is gevestigd. 3. Bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging van de in artikel 1790 gestelde termijn. Afdeling 10 Hulpverlening

  3490. Artikel 1820 1. Een rechtsvordering ter zake van betaling als bedoeld in artikel 551 onder e verjaart door verloop van twee jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag waarop de hulpverlening is beëindigd. 2. Onverminderd artikel 1701 kan de termijn worden verlengd door een verklaring van hem die de verjaring kan inroepen, gedaan nadat het feit dat de rechtsvordering heeft doen ontstaan heeft plaatsgehad. 3. In afwijking van lid 1 kunnen rechtsvorderingen tot verhaal op een derde zelfs na afloop van de in dat lid bedoelde termijn worden ingesteld gedurende een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag waarop degene die een zodanige rechtsvordering tot verhaal instelt ten aanzien van het van hemzelf gevorderde een regeling heeft getroffen of waarop hij te dien aanzien in rechte is aangesproken. Afdeling 11 Averij-grosse

  3491. Artikel 1830 1. Een rechtsvordering tot berekening en omslag van een averij-grosse, en die tot benoeming van een dispacheur hiertoe, verjaart door verloop van één jaar. 2. De termijn van deze verjaring begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag van het einde van de onderneming. 3. Indien de averij-grosse geheel of gedeeltelijk uit hulploon bestaat en de vordering tot betaling van dit hulploon is ingesteld binnen de daarvoor in de artikelen 1820 en 1823 gestelde termijn, doch na verloop van een termijn van negen maanden beginnende met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de in lid 1 bedoelde termijn aanvangt, verjaren de in lid 1 bedoelde rechtsvorderingen door verloop van een termijn van drie maanden, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering tot betaling van hulploon is ingesteld.

  3492. Artikel 1831 Het recht homologatie dan wel herziening van een berekening en omslag van een averij-grosse, de dispache, te verzoeken vervalt door verloop van zes jaar, welke termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de dispache of een uittreksel daarvan aan belanghebbenden is meegedeeld.

  3493. Artikel 1832 2024 -1263- No. 164 1. Een rechtsvordering tot betaling van een bijdrage in averij-grosse verjaart door verloop van één jaar. 2. De termijn van deze verjaring begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de dispache of een uittreksel daarvan dan wel, indien een verzoek tot herziening der dispache is gedaan, de naar aanleiding daarvan opgestelde dispache of een uittreksel daarvan aan partijen is meegedeeld, of aan deze is meegedeeld dat deze dispache ter griffie van het kantongerecht is gedeponeerd, doch in geval van homologatie eerst op de dag dat de dispache bij in kracht van gewijsde gegane beschikking is gehomologeerd. ALGEMENE SLOTBEPALING 1. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen gesteld in titel 5, afdeling 2 en titel 5, afdeling 4. 2. In de in lid 1 genoemde afdelingen wordt onder ‘dag’ verstaan: alle kalenderdagen met uitzondering van de zondag en de algemeen erkende feestdagen. 3. Onder ‘algemeen erkende feestdagen’ worden in dit wetboek verstaan de in artikel 3 van de Algemene termijnenwet als zodanig genoemde en de bij of krachtens dat artikel daarmee gelijkgestelde dagen. 2024 -1264- No. 164 WET van 5 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek (Burgerlijk Wetboek). MEMORIE VAN TOELICHTING BOEK 8 BURGERLIJK WETBOEK VAN SURINAME ALGEMEEN 1. Suriname is door geografische ligging en economische omstandigheden aangewezen op internationale verbindingen over zee en door de lucht. Daardoor is het noodzakelijk om het Surinaamse vervoerrecht zoveel mogelijk af te stemmen op hetgeen internationaal gebruikelijk is. Dat voorkomt problemen bij het zoeken naar een oplossing voor bepaalde rechtsvragen bij vervoer van en naar Suriname en geeft vervoerders en andere belanghebbenden de rechtszekerheid die zij wensen. Vanwege het verlangen om vervoersrechtelijke regelingen wereldwijd te uniformeren zijn er in de loop van de tijd verdragen en andere internationale regelingen totstandgekomen. Ook indien Suriname daarbij niet officieel is aangesloten, kan het nuttig blijken bij de regeling aan te sluiten. Het huidige Wetboek van Koophandel voldoet niet meer aan de eisen van de huidige tijd. Ook in verband met Boek 3 nieuw BW, het gewijzigde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (in verband met het nieuwe executie- en beslagrecht) en de nieuwe wetgeving betreffende de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is het noodzakelijk om tot een volledig hernieuwde, kwalitatief goede en internationaal aansluitende wetgeving te komen. 2. Het Nederlandse Boek 8 voldoet aan deze eisen, zoals in de praktijk wordt erkend. Daarom wordt – evenals is geschied in de Nederlandse Antillen en Aruba – daarbij aansluiting gezocht. Voor zover de bijzondere belangen van Suriname of de lokale omstandigheden dit vereisen, is van overneming van bepaalde wettelijke bepalingen afgezien. Als voorbeeld kan de regeling van het vervoer over de weg worden genoemd. De beperkte regeling van het wegvervoer houdt verband met het feit dat dit vervoer veelal door particuliere ondernemers wordt uitgevoerd. Voorts kan in dit verband worden vermeld dat in artikel 642t lid 2 onderdeel c, van het nieuwe eenvormige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een van Nederland afwijkende regeling ten aanzien van de aansprakelijkheid voor schade aan havenwerken is opgenomen. 3. De Nederlandse regelingen aangaande een risicoaansprakelijkheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en over zee zijn eveneens vooralsnog terzijde gelaten. Deze regelingen bestonden ook in Nederland niet ten tijde van de inwerkingtreding in 1991 van Boek 8. Zij zijn enkele jaren na de inwerkingtreding tot stand gebracht. In het kader van deze regelingen zouden eveneens limieten van aansprakelijkheid en lijsten van als gevaarlijk aan te merken stoffen moeten worden vastgesteld, waarvoor intensief overleg met belanghebbenden – inclusief verzekeraars – vereist is. 4. Wat betreft de ten minste vijftig kubieke meters bruto-inhoud metende langs de kust varende zeeschepen en de minder dan vijftig kubieke meters bruto-inhoud metende zeeschepen en de op de rivieren en binnenwateren varende schepen worden (met enige aanpassingen) de huidige veertiende en vijftiende titels van het Tweede Boek van het Wetboek van Koophandel (artikelen 953 e.v. WvK) gehandhaafd. In het Nederlandse Boek 8 BW bestaat een uitvoerige regeling ter zake van de binnenvaart (titels 8 tot en met 12), die deels op Europese verdragen stoelt (Verdrag tot vaststelling van enige eenvormige regelen inzake aanvaring in de binnenvaart, Genève 15 maart 1960; Verdrag inzake de inschrijving van binnenschepen, Genève 25 januari 1965; en Verdrag betreffende de beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen, Genève 1 maart 1973). Deze Nederlandse regeling gaat mede uit van de mogelijkheid van teboekstelling van binnenschepen. Vooralsnog is ervan afgezien deze regeling over te nemen. Eventuele overneming, met de mogelijkheid van teboekstelling van binnenschepen, vergt nader onderzoek en overleg met belanghebbenden. Op de Surinaamse binnenvaart is wel toepasselijk – naast voornoemde vijftiende titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Koophandel – de titel 2 (Algemene bepalingen betreffende vervoer) van het onderhavige boek 8 BW. Zie ook de Regeling binnenvaart en kustvaart (S.B. 1981 no. 16) met publiekrechtelijke regels, waaronder het vereiste van een vergunning voor personen- en vrachtvervoer. 2024 -1265- No. 164 5. Ook is vooralsnog – in navolging van de Nederlandse Antillen – afgezien van regeling van het personenvervoer over de weg. Regeling vergt intensief overleg met belanghebbenden, met name busexploitanten en – in verband met de aansprakelijkheden – verzekeraars. 6. Tenslotte zij gewezen op de voorgestelde nieuwe titel 1 (rechtspleging in zaken van verkeersmiddelen en vervoer) van Boek 3 van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Waar in het onderhavige Boek 8 BW wordt gesproken van ‘rechter’ vindt men in die titel welke rechter bedoeld is. Ook is het executoriale en conservatoire beslag op en de executie van schepen en luchtvaartuigen opnieuw geregeld (titel 4 van Boek 2 Rv en titel 4, afdelingen 6A en 6B, van Boek 3 Rv). ONDERDEELSGEWIJZE TOELICHTING Thans volgt een nadere inhoudelijke toelichting. Uitvoerige informatie omtrent de Nederlandse wetsgeschiedenis wordt verschaft in: C.J. van Zeben (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer, red. M.H. Claringbould, 1992; dit werk zal hierna worden aangeduid als: PG 8. I. ALGEMENE BEPALINGEN TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN

  3494. Artikel 1 omschrijft het begrip ‘schip’. De omschrijving is objectief van aard, omdat wordt uitgegaan van het objectieve gegeven van de constructie, die bestemd moet zijn om te drijven. Een drijvend voorwerp kan ook een schip zijn zonder de aanwezigheid van een eigen voortstuwend vermogen. Wanneer het schip gezonken is, behoudt het zijn hoedanigheid van schip. Een booreiland blijft een schip, ook al staat het tijdelijk op de bodem. Een booreiland dat blijvend op de zeebodem wordt bevestigd, verliest zijn kwaliteit van schip (PG 8, p. 28). Een watervliegtuig zou volgens artikel 1 schip zijn, zelfs wanneer het in vlucht is, maar het valt onder de regelen van het luchtrecht; zie artikel 3a. Het schip in aanbouw valt ook onder de omschrijving van een schip, behoudens afwijkende bepalingen elders in Boek 8. Artikel 1 onderscheidt verder in leden 2 en 3 tussen scheepstoebehoren en scheepsbestanddelen. Hiermee wijkt Boek 8 af van Boek 3 waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen bestanddeel en toebehoren zoals blijkt uit artikel 4 van Boek 3, in verbinding met artikel 3 van Boek 5 BW.

  3495. Artikel 2 Zeeschepen zijn die schepen die in de openbare registers zijn ingeschreven. Daarnaast zijn zeeschepen de niet teboekstaande schepen die blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee bestemd zijn; verg. Rb. Amsterdam 22-1-1937, NJ 1938, 523.

  3496. Artikel 3a Het eerste gedeelte van de in lid 1 opgenomen beschrijving is ontleend aan artikel 1, onderdeel 1, van de huidige Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen. Het tweede gedeelte, dat het luchtkussenvoertuig van het begrip luchtvaartuig uitsluit, is gebaseerd op annex 6 van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de Internationale Burgerluchtvaart. Het sluit aan bij artikel 1 lid 1, van Boek 8. In lid 2 wordt uitbreiding gegeven aan het begrip luchtvaartuig. Deze uitbreiding is ingegeven door artikel XVI van het Verdrag van Genève van 19 juni 1948 betreffende de internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen (zie artikel 1300).

  3497. Artikel 5 is van belang voor de toepassing van titel 4 omtrent de bemanning van een zeeschip en voor de toepassing van titel 6 omtrent hulpverlening.

  3498. Artikel 6 Onder opvarenden wordt ook verstaan de kapitein, anders dan in vele andere regelingen dan Boek 8. Zie verder artikel 5.

  3499. Artikel 8 maakt duidelijk dat de zaken die een vervoerder op grond van een overeenkomst tot vervoer van 2024 -1266- No. 164 personen vervoert niet vallen onder het regime van het vervoer van zaken.

  3500. Artikel 10 is een centrale bepaling van het zeerecht, omdat in vele artikelen de reder als de aansprakelijke persoon voor evenzovele vorderingen wordt aangeduid. Dit geldt voor de vorderingen genoemd in artikel 360, voor de vorderingen wegens ladingschade gegrond op een cognossement (artikel 461), voor de vorderingen wegens hulpverlening (artikel 563 lid 3), aanvaring (artikel 544) en averij-grosse (artikel 612). De term reder (in plaats van scheepseigenaar) is gehandhaafd vanwege de traditie. In artikel 12 wordt afgeweken van artikel 40 van Boek 3 BW. Wanneer een rechtshandeling in strijd is met een bepaling van dwingend recht is deze rechtshandeling altijd nietig. De achtergrond hiervan is dat veel bepalingen afkomstig zijn uit verdragsrecht. Voor wat onder 'kernschade' verstaan moet worden in artikel 13, dient men te rade te gaan bij de desbetreffende wet of het desbetreffende verdrag. Zo geeft het Verdrag van Brussel van 25 mei 1962 inzake de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen de volgende omschrijving (artikel I, onderdeel 7): schade door overlijden, schade aan personen en verlies van of schade aan goederen of vermogen voortkomende uit of het gevolg zijnde van radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met giftige, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van splijtstoffen of radioactieve producten of afvalstoffen; elk ander verlies en alle andere schaden of onkosten, op deze wijze ontstaan, zijn slechts inbegrepen indien en voor zover het toepasselijke nationale recht dit bepaalt. TITEL 2 ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE VERVOER Afdeling 1 Overeenkomst van goederenvervoer Inleidende opmerkingen Deze afdeling geeft enige bepalingen omtrent de overeenkomst van goederenvervoer. Deze bepalingen zijn van toepassing in die gevallen, dat niet de bepalingen van een bijzondere vervoersmodaliteit die in Boek 8 (of in een direct werkend verdrag) is geregeld van toepassing zijn. De bepalingen in deze afdeling mogen daarom niet aanvullend worden toegepast op bijzondere, wel aldus geregelde, vervoersmodaliteiten.

  3501. Artikel 20 omschrijft de vervoerder, de afzender en de vervoerovereenkomst. Afzender is de wederpartij van de vervoerder. Niet degene, die de vervoerder de lading verschaft moet als afzender worden beschouwd, wanneer deze niet tevens wederpartij van de vervoerder is. Voor het bestaan van een vervoerovereenkomst is reeds voldoende, dat een partij zich tegenover zijn wederpartij verplicht zaken te vervoeren.

  3502. Artikel 21 geeft de grondregel van de aansprakelijkheid van de vervoerder, die in alle bijzondere vervoerovereenkomsten is terug te vinden. Uit dit artikel volgt dat de wederpartij van de vervoerder, teneinde de vervoerder aansprakelijk te stellen ten eerste zal moeten stellen en zo nodig bewijzen, dat de vervoerder de zaken niet in de staat waarin hij deze heeft ontvangen, heeft afgeleverd ter bestemming. De vervoerder moet dan met een beroep op artikel 23 bewijzen, dat hem de tekortkoming in zijn verplichting van het onderhavige artikel niet is toe te rekenen.

  3503. Artikel 22 Het vervoer dient zonder vertraging te geschieden. Er zal sprake zijn van vertraging wanneer uit de overeenkomst blijkt dat de zaken binnen een bepaalde termijn moeten worden afgeleverd en de aflevering niet binnen die termijn plaatsvindt. Het kan ook uit de omstandigheden van het geval duidelijk zijn dat de zaken binnen een bepaalde termijn hadden moeten zijn vervoerd. 2024 -1267- No. 164

  3504. Artikel 23 geeft aan wanneer de vervoerder de tekortkoming in zijn verplichting de zaken af te leveren in dezelfde staat als waarin hij deze heeft ontvangen, niet kan worden toegerekend. Dit is de algemene overmachtformule in het vervoerrecht. De vervoerder moet zowel bewijzen, dat hij de oorzaak van de schade niet kon vermijden, als dat hij de gevolgen niet kon verhinderen. Deze formulering is ontleend aan het internationale spoor- en wegvervoer en stelt blijkens de jurisprudentie zware eisen aan de vervoerder om te ontsnappen aan aansprakelijkheid.

  3505. Artikel 24 legt de verplichting van de afzender om de zaken tijdig ter beschikking van de vervoerder te stellen vast. De afzender kan niet betogen, dat zijn tekortkoming in deze hem niet kan worden toegerekend. Het is een risico- of garantieverbintenis en moet als zodanig in samenhang met de onbeperkte opzeggingsbevoegdheid van de afzender in artikel 25 worden gezien.

  3506. Artikel 25 In Boek 8 wordt steeds voor elke individuele verplichting aangegeven of een tekortkoming in de nakoming van deze verplichting de schuldeiser van die verplichting de bevoegdheid geeft de vervoerovereenkomst te beëindigen. Voor deze beëindiging wordt, in afwijking van het algemene verbintenissenrecht, de term opzegging gebruikt. In dit artikel wordt ook de term opzegging gebruikt hoewel hier geen sprake is van een tekortkoming. Dit is meer in overeenstemming met het algemene juridische spraakgebruik. De term `opzegging' heeft in Boek 8 daarom een wijdere betekenis dan daarbuiten. De afzender is bevoegd de vervoerovereenkomst op te zeggen voordat de vervoerder de beschikking heeft over de te vervoeren zaken, mits de vervoerder daarvoor schadeloos wordt gesteld. Lid 2 geeft aan hoe de opzegging dient te geschieden. Boek 6 noch Boek 3 BW (in het bijzonder artikel 37 van dat boek) is hier van toepassing. Na ontvangst van de zaken kan de overeenkomst niet meer worden opgezegd.

  3507. Artikel 26 Indien de vervoerder voor de juiste uitvoering van het vervoer van bepaalde zaken bijzondere instructies of inlichtingen nodig heeft, moet de afzender deze verschaffen. Op de afzender rust de bewijslast, dat de vervoerder zelf de benodigde deskundigheid bezat of diende te bezitten, wanneer door het ontbreken van dergelijke inlichtingen bij de uitvoering van de vervoerovereenkomst schade is ontstaan. Deze bepaling is vooral van belang bij het vervoer van gevaarlijke lading maar kan in alle andere gevallen ook een rol spelen. Van de vervoerder mag een zekere kennis van de te vervoeren lading worden verondersteld, maar van geval tot geval moet worden afgewogen of de vervoerder op de hoogte van bepaalde eigenschappen van de lading had behoren te zijn. In aansluiting op de artikelen 24 en 26 is de afzender ingevolge artikel 27 ook verplicht de nodige documentatie bij de ten vervoer aangeboden zaken te verschaffen.

  3508. Artikel 27 verschaft de vervoerder niet voldoende bescherming en daarom bepaalt artikel 28 dat de vervoerder de overeenkomst kan opzeggen, wanneer er zich omstandigheden voordoen op grond waarvan hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien hij die omstandigheden zou hebben gekend ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Deze omstandigheden moeten voor een redelijke vervoerder een reden zijn geweest de overeenkomst niet te sluiten. Omdat hetzelfde ook voor de afzender kan gelden, is dit artikel zo geformuleerd, dat ook de afzender in de omschreven omstandigheden de overeenkomst kan opzeggen.

  3509. Artikel 29 spreekt voor zichzelf, onder het voorbehoud dat het zo moet worden verstaan dat de vracht niet verschuldigd is wanneer er geen aflevering of aflevering in beschadigde toestand plaatsvindt. Overigens zijn partijen vrij een andere regeling over de betaling van de vracht af te spreken. In artikel 30 lid 1 wordt bepaald dat de vervoerder de ten vervoer ontvangen zaken niet aan iemand anders dan de geadresseerde of de afzender behoeft af te geven op de in het artikel vermelde uitzondering na. Dit lid is daarom niet van toepassing indien het gaat om personen die wel uit hoofde van de vervoerovereenkomst recht op aflevering hebben. In het laatstgenoemde geval zijn de leden 2 en 3 van belang. De vervoerder behoeft de zaken pas af te leveren wanneer hem de vracht is betaald, althans wanneer daarvoor voldoende zekerheid is gesteld. Het retentierecht strekt zich tevens uit tot het – door de geadresseerde te betalen – rembours, hetgeen een veel hoger bedrag dan de vracht kan zijn (met name de koopprijs) 2024 -1268- No. 164

  3510. Artikel 31 verwijst naar de genoemde artikelen voor de vragen die opkomen wanneer partijen niet op grond van de vervoerovereenkomst worden aangesproken maar op grond van onrechtmatige daad. Men spreekt dan ook wel van paardensprong (zie artikel 363) of parallelsprong (zie artikel 362).

  3511. Artikel 32 bepaalt dat deze afdeling geldt voor niet in dit boek geregelde gevallen van goederenvervoer. Afdeling 2 Overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer Inleidende opmerkingen 1. Traditioneel kende het vervoerrecht slechts regelingen voor het vervoer in een bepaald middel van vervoer, zoals het vervoer per schip, per vrachtwagen over de weg of per vliegtuig. Een afzender sloot steeds een van deze bijzondere vervoerovereenkomsten met een vervoerder. Wanneer de zaken langs meerdere vervoermedia vervoerd moesten worden, kon de afzender met deze verschillende vervoerders overeenkomsten sluiten of de verzorging van het gehele traject aan een expediteur overlaten. Deze expediteur bracht dan de verschillende overeenkomsten tot stand. In het ene geval had de afzender te maken met meerdere vervoerders en in het andere geval had hij of te maken met meerdere vervoerders omdat de expediteur in zijn naam vervoerovereenkomsten had gesloten of hij had te maken met één wederpartij, namelijk de expediteur, die dan ook slechts de geringe aansprakelijkheid van een expediteur had. In die omstandigheden ontstond de behoefte bij afzenders één wederpartij tegenover zich te zien en wel een wederpartij die een vervoersaansprakelijkheid aanvaardde. 2. De technische achtergrond van deze ontwikkeling was de massale opkomst van het containervervoer. Door de zaken in een container te laden, kon de overslag van het ene naar het andere vervoermedium onvergelijkelijk veel sneller gebeuren dan voorheen. Dit gebeurde niet alleen sneller maar ook veel veiliger. Hierdoor werd het aantrekkelijk ook enigszins kwetsbare zaken over grote afstanden langs verschillende vervoermedia te vervoeren en zo ontstond de in de eerste alinea omschreven behoefte. 3. In deze behoefte wordt voorzien in de hier geregelde overeenkomst van gecombineerd vervoer. In Boek 8 is er voor gekozen de overeenkomst van gecombineerd vervoer in beginsel te beschouwen als een optelsom van de vervoermedia waarlangs het vervoer geschiedt. De aansprakelijkheid van de gecombineerd vervoerder verschiet van kleur al naar gelang op welk deel van het gehele vervoerstraject de schade zich voordoet. Is dat op het weggedeelte dan is de gecombineerd vervoerder aansprakelijk als ware hij een wegvervoerder en doet zich de schade op zee voor dan geldt voor de gecombineerd vervoerder de aansprakelijkheid van de zeevervoerder. Dit aansprakelijkheidssysteem wordt daarom wel het kameleonsysteem genoemd. In dit systeem moet wel een voorziening zijn voor het bij containervervoer vaak voorkomende geval dat niet vaststaat waar de schade zich heeft voorgedaan. Verder moet aandacht worden geschonken aan de documentatie, omdat vele bijzondere vervoersregelingen als voorwaarde voor toepasselijkheid stellen, dat een bepaald vervoersdocument is uitgegeven. 4. Hoewel Nederland vrijwel het eerste land is, dat in zijn wetgeving het gecombineerd vervoer heeft opgenomen zijn er meer regelingen. De praktijk kent al enige tijd haar eigen voorzieningen, veelal neergelegd in vervoersdocumenten. Zo kennen de grote scheepvaartmaatschappijen hun eigen cognossementen voor gecombineerd vervoer. De FIATA, de internationale vereniging van expediteurs, geeft de FIATA combined-bill-of-lading uit.

  3512. Artikel 40 Een vervoerovereenkomst is een overeenkomst van gecombineerd vervoer wanneer de vervoerder zich heeft verbonden de zaken over verschillende vervoermedia (zee, weg) te vervoeren of wanneer de overeenkomst de vervoerder slechts de vrijheid geeft over verschillende media te vervoeren en de vervoerder hiervan gebruik maakt. In artikel 41 is het kameleon-systeem neergelegd. De strekking van dit systeem is dat geen afbreuk gedaan wordt aan de bestaande rechtsregimes door het enkele feit van het bestaan van een overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer.

  3513. Artikel 42 geeft de noodzakelijke aanvulling op artikel 41, omdat het aangeeft wanneer de vervoerder 2024 -1269- No. 164 aansprakelijk is wanneer niet vaststaat waar de oorzaak van de schade is opgekomen. In dat geval is de vervoerder aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat hij op geen daarvoor in aanmerking komende delen van het vervoer aansprakelijk zou zijn. Wanneer de schade is te wijten aan een handelen of nalaten van de afzender of is te wijten aan een eigen gebrek van de zaken zelf en de vervoerder op geen daarvoor in aanmerking komende gedeelten van het vervoer aansprakelijk is, zal ook de gecombineerd vervoerder niet aansprakelijk zijn. Dit zal vaak een zware bewijslast zijn. In het vervoerrecht geldt in het algemeen de regel, dat de vervoerder, indien hij aansprakelijk is, niet de gehele schade van de ladingbelanghebbende behoeft te vergoeden, maar slechts een gedeelte van de waarde. De berekening van het gedeelte van de waarde (de limiet), dat voor vergoeding in aanmerking komt is voor elk vervoermedium verschillend. Artikel 43 bepaalt dat de limiet geldt, krachtens welke de vervoerder de hoogste schadevergoeding is verschuldigd, mits op dat traject de schade kan zijn voorgevallen. Het artikel verwijst naar het regime waaruit het hoogste bedrag aan schadevergoeding voortvloeit. Hiervoor kunnen ook andere elementen van de regeling dan slechts de limiet doorslaggevend zijn. Wanneer een in aanmerking komend regime, dat de hoogste limiet kent, een ander element bevat dat bijvoorbeeld inhoudt, dat in het geheel geen schadevergoeding verschuldigd is, kan de afzender zijn toevlucht nemen tot het regime met de op één na hoogste limiet. In artikel 44 is de inhoud van het gecombineerd-vervoer-document (CT-document, van ‘combined transport’) geregeld. De werking van het document is in de volgende artikelen te vinden. De afzender heeft geen recht op het document omdat de vervoerder niet verplicht is het document af te geven. De reden hiervan is dat het dan mogelijk zou zijn, dat de gecombineerd vervoerder zowel een mogelijkerwijs gecombineerd vervoerdocument als een cognossement moet uitgeven. Een cognossement moet wel desgevraagd door de zeevervoerder worden uitgegeven. De wet geeft niet aan wanneer een document een gecombineerd vervoerdocument is. Uit het document zal op enigerlei wijze moeten blijken, dat het gaat om een document voor gecombineerd vervoer; met name zal het een regeling voor gecombineerd vervoer moeten bevatten.

  3514. Artikel 45 Het document kan zowel op naam als aan order of toonder worden uitgegeven. Vermeld moet worden, indien gewenst, dat het document niet verhandelbaar is. Wanneer dit niet het geval is zal het document verhandelbaar zijn. Het hangt af van de aanduiding van de geadresseerde of het document een order of toonder document is. Wordt slechts de naam van de geadresseerde gegeven dan is het document een order document. Dit artikel impliceert dat ook voor delen van het vervoer waarvoor in de unimodale regeling geen verhandelbaar document kan worden uitgegeven, in het kader van gecombineerd vervoer wel een dergelijk document kan worden uitgegeven.

  3515. Artikel 46 Dit artikel bepaalt, dat het CT-document, evenals het aansprakelijkheidsregime, steeds van karakter verandert. Zo geldt het CT-document voor het zeetraject als cognossement en voor het luchttraject als luchtvrachtbrief. Dit artikel heeft slechts het beperkte doel om de in het artikel genoemde vervoersregelingen in het kader van het kameleon-systeem toepasselijk te laten zijn. Sommige vervoersregelingen, zoals het spoorwegvervoer, het luchtvervoer en het cognossementvervoer over zee, eisen voor hun toepasselijkheid de uitgifte van een nader omschreven document. Door het CT-document door middel van een wettelijke fictie dit karakter te verlenen, kunnen deze vervoersregelingen van toepassing zijn op het gecombineerde vervoer wanneer één van deze regelingen toepasselijk is. Het doel van deze bepaling is niet ruimer. Dit wil zeggen, dat wanneer krachtens de wettelijke fictie het CT-document bijvoorbeeld als luchtvrachtbrief moet worden beschouwd, slechts die bepalingen van het toepasselijke Verdrag van Warschau (van 12 oktober 1929 tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer) van toepassing zijn die bewerken, dat het Verdrag van toepassing is. Voor het overige wordt de werking van het CT- document bepaald door de bepalingen van deze afdeling, met name voor wat betreft de verhandelbaarheid, de bewijskracht en de zakenrechtelijke werking. Een andere oplossing ware moeilijk denkbaar. Stel dat het vervoer eerst over de zee gaat en het document dan zakenrechtelijke werking heeft en dat het vervoer vervolgens over de weg gaat en dan geen zakenrechtelijke werking zou hebben. De 2024 -1270- No. 164 goederenrechtelijke positie van de houder van zo'n document ter bestemming zou zeer problematisch zijn. Hetzelfde geldt voor een document dat steeds wisselende bewijskracht zou hebben. Een dergelijk document zou weinig praktische waarde hebben. Het CT-document is deels kameleontisch maar ook deels van een eigen uniforme aard, zoals wat betreft de bewijskracht en de goederenrechtelijke werking.

  3516. Artikel 47 In dit artikel is een algemeen beginsel van waardepapierenrecht verwoord dat uiteraard ook voor het verhandelbare CT-document geldt. Het CT-document dat in handen is van de afzender, blijft van belang voor de rechten op betaling en voor het verkrijgen van de lading, waartoe het document aan de vervoerder moet worden overhandigd.

  3517. Artikel 48 Dit artikel regelt de bewijskracht van het CT-document. Het artikel is voor het overgrote deel geënt op de regeling van de bewijskracht van het cognossement van artikel 414. De bewijskracht van het CT-document is, anders dan van het cognossement, beperkt tot de omschrijving van de zaken. Lid 6 van het artikel geeft aan, dat de bewijskracht zoals hier geregeld de minimale bewijskracht van het document is. Wanneer het anderszins toepasselijke vervoerrecht aan het daar geldende document een grotere bewijskracht toedeelt, dan geldt die grotere bewijskracht. Voor de overige bepalingen van het artikel wordt verwezen naar de toelichting op de bewijskracht van het cognossement (artikel 414).

  3518. Artikel 50 In dit artikel is vastgelegd dat het CT-document goederenrechtelijke werking heeft. Overdracht van het document verschaft de houder, mits er een geldige titel tot eigendomsovergang aanwezig is, de eigendom van de in het document vermelde zaken. Het document kan ook door het in pand te geven, strekken tot zekerheid en is daardoor geschikt voor documentair kredietoperaties.

  3519. Artikel 51 1. In dit artikel is geregeld wie van de vervoerder aflevering van de zaken kan vorderen. De regeling is inhoudelijk in grote mate gelijk aan die van het cognossement (artikel 442 lid 1). Bijzonder aan deze bepaling is, dat uitdrukkelijk wordt vermeld, dat de houder van het document behalve het recht op aflevering, ook het recht op schadevergoeding heeft. Door te vermelden dat de houder uitsluitend het recht op schadevergoeding heeft, komt tot uitdrukking dat de houder niet de bevoegdheid heeft de vervoerovereenkomst wegens de tot schadevergoeding leidende tekortkoming te ontbinden. 2. De voorwaarde, dat het houderschap regelmatig en rechtmatig moet zijn, betekent dat de overdracht van het document geldig moet zijn en dat de overdracht door een beschikkingsbevoegde moet zijn gedaan of dat de houder tegen deze onbevoegdheid door artikel 86 lid 3 onderdeel b, van Boek 3 BW wordt beschermd. Het is niet van belang of de houder van het document de schade zelf heeft geleden. Degene die eigenaar van de zaken is en daarom de schade in zijn vermogen heeft geleden, is niet bevoegd de vorderingen van dit artikel tegen de vervoerder in te stellen. Alleen degene die het document kan presenteren aan de vervoerder kan de vorderingen tot aflevering of schadevergoeding instellen (zie de toelichting bij artikel 441).

  3520. Artikel 52 Zoals ook uit artikel 42 blijkt, zal het CT-document meestal in meerdere exemplaren worden uitgegeven. Dit artikel regelt wie het beste recht heeft wanneer exemplaren van het CT-document in verschillende handen komen. 2024 -1271- No. 164 Afdeling 3 Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen Inleidende opmerkingen 1. In de titel van deze afdeling wordt de expediteur beschreven als degene die opdracht heeft tot het doen vervoeren van zaken en die daartoe vervoerovereenkomsten afsluit ten behoeve van zijn opdrachtgever. De expediteur doet in de praktijk echter veel meer. Hij verzorgt opslag, distributie, verzekering, behandeling van een zending (uit-, om- en verpakken, sorteren, vermengen, enz.) alsmede douane afhandeling. Op deze werkzaamheden zijn de bepalingen van deze afdeling niet van toepassing. Deze afdeling bevat enkele bepalingen van dwingend recht en geeft voor het overige aanvullend recht, zodat er ampel ruimte is voor de in deze branche gebruikelijke algemene voorwaarden. 2. De expeditieovereenkomst is een species van de lastgeving van Boek 7 BW. Artikel 424 van Boek 7 bepaalt dat de afdeling omtrent de lastgeving niet van toepassing is op de overeenkomst tot het doen vervoeren. Deze afdeling kan uiteraard wel van toepassing zijn op andere rechtshandelingen die een expediteur voor zijn opdrachtgever verricht.

  3521. Artikel 60 In dit artikel wordt de expeditieovereenkomst omschreven. Deze overeenkomst tot het doen vervoeren houdt in dat de expediteur een vervoerovereenkomst sluit ten behoeve van de opdrachtgever. De expediteur kan dit in eigen naam doen of in naam van zijn opdrachtgever. Wanneer de expediteur dit op eigen naam voor rekening van de opdrachtgever doet, kan het moeilijk zijn de expeditieovereenkomst te onderscheiden van de vervoerovereenkomst. In beide gevallen zegt een partij toe dat de zaken van het ene naar het andere punt zullen worden gebracht. In het geval van de expediteur zal deze dat doen door daartoe vervoerovereenkomsten met vervoerders te sluiten en in het geval van de vervoerder kan dat geschieden door zelf het vervoer ter hand te nemen of door deze vervoersprestatie door derden te laten verrichten; in het laatstgenoemde geval sluit de vervoerder dus, evenals de expediteur, vervoerovereenkomsten om het vervoer te bewerkstelligen. De werkzaamheden van beide dienstverleners kunnen dezelfde zijn. Het verschil is, dat de expediteur slechts een, aanvullende, expediteursaansprakelijkheid heeft en de vervoerder de veel zwaardere aansprakelijkheid van bijvoorbeeld artikel 21.

  3522. Artikel 61 Expediteurs beschikken vaak zelf ook over vervoermiddelen en kunnen dus besluiten de overeenkomst tot het sluiten van een vervoerovereenkomst uit te voeren door zelf het vervoer ter hand te nemen. Deze figuur wordt in de doctrine de Selbsteintritt genoemd. Van hun twee hoedanigheid in dit geval, vervoerder en expediteur, gaat dan de hoedanigheid van vervoerder voor. De wet stelt geen beperkingen aan de bevoegdheid van de expediteur om de expeditieovereenkomst door Selbsteintritt uit te voeren, waarin de wetgever ten aanzien van de expediteur afwijkt van artikel 416 van Boek 7 BW.

  3523. Artikel 62 Wanneer de expediteur het vervoer zelf heeft uitgevoerd en de opdrachtgever meldt hem, dat de zaken beschadigd zijn of met vertraging zijn afgeleverd, moet de expediteur de opdrachtgever melden, dat hij de opdracht zelf heeft uitgevoerd. Hiermee is beoogd de opdrachtgever zekerheid te geven in welke hoedanigheid hij de expediteur moet aanspreken. Wanneer de expediteur ten onrechte niet meedeelt, dat hij het vervoer zelf heeft uitgevoerd, is hij op grond van artikel 61 aansprakelijk. Lid 2 van het onderhavige artikel geeft de opdrachtgever de aanvullende bescherming tegen de mogelijkheid dat de vordering tegen de expediteur als vervoerder inmiddels verjaard is. De expediteur is in dat geval op grond van dit artikel niettemin schadeplichtig voor de schade die de opdrachtgever heeft geleden door de niet conforme of vertraagde aflevering. Daarnaast moet de opdrachtgever de schade worden vergoed, die hij door de tekortkoming van de expediteur heeft geleden, zoals proceskosten. 2024 -1272- No. 164

  3524. Artikel 63 Dit artikel legt de expediteur verdere mededelingsplichten op voor het geval hij de vervoerovereenkomst niet zelf heeft uitgevoerd. De expediteur moet de opdrachtgever meedelen met wie de expediteur ter uitvoering van zijn verplichtingen vervoerovereenkomsten heeft afgesloten. Lid 2 is van belang in het geval de expediteur in eigen naam de vervoerovereenkomst heeft gesloten. De opdrachtgever heeft dan volgens het algemene verbintenissenrecht geen vordering tegen de vervoerder. Om de opdrachtgever niettemin de mogelijkheid te geven zijn eigen belangen te behartigen en daarbij niet afhankelijk te moeten zijn van de expediteur geeft deze bepaling de opdrachtgever het recht zelf de vordering tegen de vervoerder in te stellen. Hij kan dit doen als ware hij zelf de wederpartij van de vervoerder geweest. Hij treedt niet in de rechten van de expediteur. De opdrachtgever verkrijgt deze rechten op het moment, dat hij zijn wil daartoe aan de expediteur kenbaar maakt, maar hij kan pas in rechte optreden wanneer hij een verklaring van de expediteur kan overleggen ten bewijze van de tussen hen beiden gesloten overeenkomst tot het doen vervoeren, zodat de vervoerder zekerheid heeft dat het de opdrachtgever van de expediteur is die hem in rechte betrekt. Dit alles laat onverlet de mogelijkheid van de expediteur om zelf de vervoerder aan te spreken, wanneer de opdrachtgever niet van de mogelijkheid van dit artikel gebruik wenst te maken. De artikelen 64 tot en met 68 zijn te vergelijken met de artikelen 24 tot en met 28, artikel 69 met artikel 30.

  3525. Artikel 70 Dit artikel regelt het geval dat er een tekortkoming van de expediteur is en de opdrachtgever, ondanks het bestaan van de expeditieovereenkomst, de expediteur wenst aan te spreken op grond van onrechtmatige daad, waarschijnlijk met het doel eventuele contractuele ontheffingen van aansprakelijkheid in zijn overeenkomst met de expediteur te omzeilen. In aansluiting op het algemene verbintenissenrecht gaat in een dergelijke situatie de contractuele relatie tussen partijen voor. De expediteur kan zich op de vrijtekeningen in de expeditieovereenkomst beroepen.

  3526. Artikel 71 Dit artikel geeft aan dat de expediteur zich op zijn overeenkomst met de opdrachtgever kan beroepen, wanneer een ander dan die opdrachtgever, bijvoorbeeld de eigenaar van de zaken wanneer dit niet de opdrachtgever is, hem op grond van onrechtmatige daad aanspreekt. Het gaat hier om het leerstuk van de derdenwerking van contractuele bepalingen. Uitgangspunt van ons recht is dat overeenkomsten slechts tussen de partijen bij die overeenkomst gelden. In bepaalde gevallen zijn er op dat beginsel uitzonderingen, zoals hier. Verder in het vervoerrecht komen meer van deze gevallen voor, in het bijzonder in de artikelen 361 tot en met 366 van Boek 8. Ook in de rechtspraak is deze derdenwerking aanvaard, zij het onder strikte voorwaarden. In dit artikel wordt derdenwerking zonder voorwaarden toegestaan. Met name geldt niet de in de rechtspraak wel gehanteerde voorwaarde, dat de derde de schijn moet hebben opgewekt, dat degene die de overeenkomst aangaat de bevoegdheid had een overeenkomst ten aanzien van de beschadigde zaak aan te gaan, waarin vrijtekeningen van aansprakelijkheid aanwezig zijn. Voorgesteld wordt deze voorwaarde niet in de wet neer te leggen en het verkeersbelang te laten voorgaan, zodat de expediteur zich er niet van hoeft te vergewissen of hij in elk concreet geval een beroep op zijn expeditieovereenkomst zal kunnen doen. Bedacht moet worden, dat dit artikel slechts geschreven is voor de schade die ontstaat in het kader van de expeditie zoals omschreven in artikel 60 en niet voor de schade die kan ontstaan in het kader van aanverwante activiteiten van de expediteur, maar die niet vallen onder de omschrijving van genoemd artikel.

  3527. Artikel 72 De bepaling is ontleend aan artikel 365. Zij strekt ertoe te voorkomen dat een vergeefs buiten overeenkomst jegens de expediteur ingestelde vordering alsnog zou slagen door de vordering tegen diens ondergeschikte te richten. Artikel 72 is, anders dan artikel 365, beperkt tot vorderingen ingesteld door buitenstaanders. Tegen vorderingen ingesteld door de opdrachtgever biedt de bepaling derhalve geen bescherming. Hier is de ondergeschikte aangewezen op het ruimer geformuleerde artikel 257 van Boek 6 BW.

  3528. Artikel 73 is ontleend aan artikel 366. Voorkomen wordt dat het wettelijk systeem van de beteugeling van 2024 -1273- No. 164 parallel- en paardesprongen (zie artikelen 362 en 363) alsnog omzeild zou worden. II. ZEERECHT TITEL 3 HET ZEESCHIP EN DE ZAKEN AAN BOORD DAARVAN Afdeling 1 Rederij van het zeeschip Inleidende opmerkingen Verreweg het merendeel van de zeeschepen wordt in deze tijd door een naamloze vennootschap geëxploiteerd. Deze vennootschappen zijn dan eigenaar van het zeeschip. De oudere vorm van exploitatie van een zeeschip is de rederij. Dit is de (vrije) mede-eigendom van één schip. Hoewel deze exploitatievorm vrijwel geheel is verdrongen, bestaat er nog steeds behoefte aan, zodat het wenselijk is deze te behouden. Zij biedt bovendien enige voordelen. Zo is de exploitatie van het zeeschip zonder formaliteiten makkelijker voort te zetten, wanneer het door erfopvolging gaat toebehoren aan meerdere personen. Ook is het voor een lid van een rederij makkelijk zich uit het scheepvaartbedrijf terug te trekken. Het lidmaatschap van de rederij overdoen is eenvoudiger dan verkoop van aandelen in een vennootschap. De rederij van een zeeschip valt tevens onder de omschrijving van de gemeenschap van artikel 166 van Boek 3 BW, waar wordt bepaald, dat er sprake is van gemeenschap, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Volgens artikel 189 van Boek 3 zijn de regels van de titel over de gemeenschap in beginsel niet van toepassing op de rederij. Wanneer een zeeschip wel aan twee of meer personen toebehoort, maar er niet is voldaan aan de andere vereisten, die artikel 160 stelt aan het zijn van een rederij, zijn de bepalingen van Boek 3 omtrent de gemeenschap, inclusief die omtrent de verdeling, wel van toepassing.

  3529. Artikel 160 Wanneer een zeeschip aan twee of meer personen toebehoort, moet nog aan het volgende zijn voldaan, wil er sprake zijn van een rederij. De mede-eigendom moet blijken uit de openbare registers. Het zeeschip moet derhalve ingeschreven zijn. Er bestaat geen verplichting zeeschepen in te schrijven. Wanneer een zeeschip onder gemeenschappelijke naam wordt geëxploiteerd en het tevens aan twee of meer personen toebehoort, valt deze vorm van exploitatie zowel onder de omschrijving van de rederij als onder die van de openbare vennootschap als bedoeld in titel 13 van Boek 7. Om hierover geen onzekerheid te laten bestaan, bepaalt het slot van lid 1 dat er slechts sprake is van een rederij, wanneer dit uitdrukkelijk bij akte is overeengekomen en deze akte is ingeschreven in de openbare registers. Wanneer dit niet is gebeurd, moet aan de hand van de desbetreffende regels worden vastgesteld van welke samenwerkingsvorm dan sprake is (TS, PG 8, p. 231-232). Teneinde er geen twijfel over te laten bestaan of de rederij een rechtspersoon is, bepaalt lid 2 dat dit niet het geval is.

  3530. Artikel 161 De rederij heeft leden en is enigszins vergelijkbaar met een vereniging van appartementseigenaars van artikel 124 van Boek 5 BW. De mede-eigenaren zijn van rechtswege lid van de rederij. Mede-eigendom en lidmaatschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoals ook blijkt uit artikel 183, dat bepaalt dat men noch het lidmaatschap kan opzeggen, noch daarvan vervallen worden verklaard. Overdracht van een aandeel van het schip, houdt in dat ook het lidmaatschap overgaat en de oud-eigenaar ophoudt lid te zijn van de rederij.

  3531. Artikel 162 De eisen die de redelijkheid en billijkheid stellen aan gedrag van personen, gelden ook voor de leden van een rederij jegens elkaar.

  3532. Artikel 163 De rederij is geen rechtspersoon, maar moet wel, net als deze, worden bestuurd. De wet gebruikt niet de term bestuurder, maar de enigszins archaïsche, maar nog levende term 'boekhouder'; in Engeland spreekt men van 'ship's husband' (TS, PG 8, p. 235). Zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen boekhouder zijn.

  3533. Artikel 164 2024 -1274- No. 164 Het artikel geeft een negatieve omschrijving van de bevoegdheden van de boekhouder om de rederij te vertegenwoordigen. Slechts voor de ingrijpende maatregelen in het artikel genoemd heeft de boekhouder toestemming van de leden van de rederij nodig. Daarbuiten kan hij zonder voorafgaande toestemming handelen. De boekhouder heeft dus ruime bevoegdheden. Het artikel is niet van dwingend recht, zodat de boekhouder een van de wet afwijkende bevoegdheid kan hebben. Wanneer de rederij eventuele beperkingen aan derden wil kunnen tegenwerpen dan dienen deze op grond van artikel 178 lid 2, wanneer de rederij in het handelsregister is ingeschreven, aldaar te zijn gepubliceerd. Wanneer de rederij niet is ingeschreven, kan zij een beroep op de beperking doen, wanneer de derde deze beperking kende (TS, PG 8, p. 235).

  3534. Artikel 165 bepaalt, dat de boekhouder verplicht is over zijn beheer van de rederij tegenover elk lid op diens verzoek volledige verantwoording af te leggen.

  3535. Artikel 166 bepaalt, dat de boekhouder ten minste eenmaal per jaar en aan het einde van zijn beheer, financiële verantwoording zal moeten afleggen tegenover de leden van de rederij. Wanneer er een ter zake bestaand afwijkend gebruik bestaat, dient hij dit zo dikwijls te doen als dit gebruik meebrengt.

  3536. Artikel 167 Niet alleen kunnen de leden van de boekhouder op grond van artikel 166 vorderen, dat hij rekening en verantwoording aflegt, ook kan de boekhouder op grond van dit artikel de leden verplichten de rekening en verantwoording op te nemen en te sluiten.

  3537. Artikel 168 Slechts de leden van de rederij die hebben meegewerkt aan de goedkeuring van de rekening en verantwoording van de boekhouder zijn daaraan gebonden. Hier geldt derhalve niet, zoals artikel 171 bepaalt, dat bij het nemen van besluiten de minderheid der leden gebonden is aan de meerderheid. Voor de leden van de rederij, die wel aan de goedkeuring meewerken, geldt wel artikel 171. Wel wordt een lid van de rederij aan de goedkeuring van de rekening en verantwoording gebonden, hoewel hij daaraan niet meewerkt, wanneer hij deze niet binnen één jaar betwist nadat hij van de goedkeuring kennis heeft kunnen nemen en deze hem was meegedeeld.

  3538. Artikel 169 Het artikel geeft een niet uitputtende opsomming van omstandigheden, die de betrekking van de boekhouder doen eindigen (TS, PG 8, p. 238), teneinde onduidelijkheid te voorkomen.

  3539. Artikel 170 1. In lid 1 zijn de gevolgen geregeld van het einde van de betrekking van de boekhouder, die tevens lid van de rederij is. Wanneer de leden van de rederij de boekhouder ontslaan, moeten de leden het aandeel van de boekhouder overnemen tegen een door deskundigen vast te stellen prijs. Dit geldt niet wanneer de boekhouder wordt ontslagen op grond van een dringende reden. De betrekking tussen de boekhouder en de rederij is niet noodzakelijkerwijs een dienstbetrekking. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de boekhouder geen loon ontvangt. Niettemin zal het begrip 'dringende reden' naar analogie van het arbeidsrecht moeten worden uitgelegd (TS, PG 8, p. 240). Een dringende reden is van dien aard, dat van de wederpartij van degene, die de dringende reden geeft, niet in redelijkheid gevergd kan worden de betrekking langer in stand te houden. De reden moet ernstig en zwaarwegend zijn. De boekhouder heeft tevens het recht op overname door de leden van zijn aandeel wanneer hij zelf de betrekking beëindigt wanneer de leden hem daartoe een dringende reden hebben gegeven. 2. Lid 2 stelt enige termijnen, waarbinnen de boekhouder die lid is van de rederij, de leden van de rederij kennis moet geven van zijn verlangen tot overneming van zijn aandeel in de rederij en de rederij aan zijn verlangen moet voldoen en de prijs van zijn aandeel moet betalen. Wanneer de rederij niet reageert binnen de in lid 2 gestelde termijnen, kan de boekhouder de rechter verzoeken te bevelen, dat het schip wordt verkocht; zie voorts artikel 621 Rv. Het over te nemen aandeel wordt onder de andere leden verdeeld in dezelfde verhouding als de verhouding van de delen der leden onderling. Hiervan kan worden afgeweken.

  3540. Artikel 171 geeft aan, dat in het algemeen in de rederij besluiten worden genomen bij meerderheid van 2024 -1275- No. 164 stemmen. Voor de besluiten genoemd in lid 3, onderdelen a tot en met d, is eenstemmigheid vereist. Deze besluiten zijn voor de rederij van groot belang. De in onderdeel a genoemde besluiten doen het schip zijn nationaliteit verliezen. De leden hebben stemrecht naar evenredigheid van de grootte van hun aandeel in het schip (lid 2). Wat betreft langst de kusten varende zeeschepen, zie echter de artikelen 954 en 960 van het Wetboek van Koophandel.

  3541. Artikel 173 Wanneer de stemmen staken, geldt het besluit als verworpen. Dit kan betekenen, dat de exploitatie van het schip wordt belet. In zo'n geval kan een lid van de rederij de rechter verzoeken het schip te doen verkopen.

  3542. Artikel 621 Rv bepaalt, dat verkoop slechts zal geschieden na verhoor of behoorlijke oproeping van de leden van de rederij en de boekhouder.

  3543. Artikel 174 geeft een minderheidsbelang in een rederij, bij een aantal met name genoemde belangrijke besluiten, een bepaalde bescherming. Deze bescherming bestaat uit de mogelijkheid van de leden van de rederij die voor het besluit hebben gestemd, te verlangen dat zij het aandeel van de tegenstemmende minderheid overnemen. De prijs van het aandeel wordt bepaald door deskundigen. Artikel 622 lid 2, Rv bepaalt, dat wanneer geen eenstemmigheid wordt bereikt over de benoeming van deskundigen, deze op verzoek van het lid dat zijn verlangen tot overname van zijn aandeel ter kennis van de boekhouder heeft gebracht, benoemd worden door de kantonrechter.

  3544. Artikel 176 Evenals de leden naar evenredigheid van hun aandeel delen in de winst en het verlies van de rederij (artikel 177) en aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de rederij, zo zijn zij ook naar evenredigheid van hun aandeel verplicht bij te dragen tot de uitgaven van de rederij. Dit geldt ook voor uitgaven, die nog moeten geschieden (verkoop van het aandeel doet dus niet af aan deze verplichting; zie TS, PG 8, p. 245); niet voor uitgaven, waartoe geen geldig besluit is genomen (MvT 14049, PG 8, p. 245).

  3545. Artikel 177 Evenals de leden van de rederij naar evenredigheid van hun aandeel bijdragen in de uitgaven van de rederij (artikel 176) en aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de rederij, delen zij naar evenredigheid van hun aandeel in de winst en het verlies van de rederij.

  3546. Artikel 178 1. De boekhouder is bij uitsluiting van ieder lid van de rederij bevoegd de rederij te vertegenwoordigen, mits dit valt binnen de normale exploitatie. Deze exclusiviteit dient te voorkomen, dat anderen dan de boekhouder de rederij in rechte vertegenwoordigen, zodat op meerdere plaatsen over hetzelfde zou kunnen worden geprocedeerd (TS, PG 8, p. 245). Er is een voorbehoud gemaakt voor artikel 360, dat de aansprakelijkheid regelt van de reder (de eigenaar van het schip) voor bepaalde vorderingen. De reder is tevens volgens de daar gegeven regeling aan de daar genoemde rechtshandelingen gebonden (dit zijn de rechtshandelingen die de rompbevrachter, bedoeld in artikel 530, binden en rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of houden van het schip). 2. Beperkingen in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de boekhouder kunnen slechts aan derden worden tegengeworpen, wanneer deze beperkingen in het handelsregister, waarin de rederij is geregistreerd, zijn ingeschreven. Is de rederij niet in het handelsregister ingeschreven, dan kunnen de beperkingen slechts worden tegengeworpen wanneer de derden deze beperkingen kenden. Deze vertegenwoordigingsregeling is strikter dan de algemene regel van artikel 61 van Boek 3 BW. De rederij kan zich slechts op de beperking beroepen, wanneer de derde deze kende, niet ook zoals artikel 61 lid 2 van Boek 3 BW eist, wanneer hij deze beperking behoorde te kennen. Ook geldt voor deze derde niet de onderzoeksplicht naar de bevoegdheid van de boekhouder van artikel 11 van Boek 3 BW. 3. De boekhouder moet de verplichtingen die de wet de rederij oplegt, nakomen. Bijvoorbeeld de verplichting bij de teboekstelling van het zeeschip een verklaring te overleggen, dat het schip naar zijn beste weten voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is (artikel 195 lid 4).

  3547. Artikel 179 Het aanstellen en de beëindiging van de aanstelling van een boekhouder kan, indien de rederij in het 2024 -1276- No. 164 handelsregister is ingeschreven, aan derden slechts worden tegengeworpen, wanneer daarvan inschrijving in dat register heeft plaatsgevonden. Wanneer de rederij niet in het handelsregister is ingeschreven kunnen de aanstelling en de beëindiging van de betrekking van de boekhouder aan derden worden tegengeworpen wanneer deze daarvan op de hoogte waren.

  3548. Artikel 180 Als er geen boekhouder is, kan de rederij vertegenwoordigd worden door een of meer harer leden, mits aan dit lid of deze leden meer dan de helft van het schip toebehoort. Hetzelfde geldt voor het geval de boekhouder niet tot de vertegenwoordiging in staat is. In gevallen, die geen uitstel kunnen lijden, is elk lid van de rederij bevoegd de rederij te vertegenwoordigen. Tot het stuiten van een verjaringstermijn is altijd ieder lid van de rederij bevoegd.

  3549. Artikel 181 Evenals de leden van de rederij naar evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven van de rederij (artikel 176) en delen in de winst en het verlies (artikel 177), zijn de leden van de rederij naar evenredigheid van hun aandeel aansprakelijk voor de verbintenissen van de rederij. In de in artikel 182 genoemde gevallen blijft de rederij bestaan. Hieruit blijkt, dat deze meer is dan een verbintenisrechtelijk samenwerkingsverband. Zij is weliswaar geen rechtspersoon maar wel een zelfstandige eenheid en in haar voortbestaan niet afhankelijk van de lotgevallen van haar leden. In de inleidende opmerkingen bij deze afdeling is reeds geattendeerd op artikel 3:189, waarin de regels omtrent de gemeenschap, inclusief de regels omtrent verdeling, niet van toepassing zijn op een rederij. In artikel 183 komt het karakter van de mede-eigendom van de rederij tot uiting. Slechts door vervreemding van het aandeel in het schip eindigt het lidmaatschap van de rederij. De rederij eindigt alleen wanneer de mede-eigendom eindigt, bijvoorbeeld doordat één persoon alle aandelen van het schip verwerft. In artikel 184 komt het karakter van de mede-eigendom van de rederij tot uiting. Slechts door vervreemding van het schip eindigt de rederij. De rederij kan slechts ontbonden worden, wanneer tevens het schip wordt verkocht. Dit betekent tevens dat vervreemding van het schip de ontbinding van de rederij meebrengt. De rechter bepaalt, indien hij daartoe wordt verzocht, hoe de verkoop plaatsvindt, zodat deze ook door deskundigen kan geschieden (TS, PG 8, p. 242).

  3550. Artikel 185 bepaalt dat de rederij na ontbinding nog ter vereffening van haar vermogen blijft bestaan en dat de boekhouder, zo die er is, daarmee is belast. Wanneer er geen boekhouder is, kan een door de leden benoemde boedelvereffenaar met de vereffening worden belast of, in overeenstemming met artikel 180, een of meer van de leden aan wie, alleen of tezamen en meer dan de helft van het schip toebehoort.

  3551. Artikel 186 geeft aan welke artikelen van dwingend recht zijn. Het betreft de bepalingen omtrent de verhouding tussen de leden onderling. Het spreekt vanzelf, dat de verhouding van de rederij tot derden niet door bedingen tussen de leden der rederij kan worden beïnvloed (MvT 14049, PG 8, p. 251). Eenzijdig kan uiteraard niet van artikel 179, dat de verhouding tot derden regelt, worden afgeweken. Afdeling 2 Rechten op zeeschepen Inleidende opmerkingen In deze afdeling zijn enige regels opgenomen omtrent de vermogensrechtelijke positie van het zeeschip. Centraal in deze afdeling is artikel 199 lid 1 dat bepaalt dat het teboekgestelde zeeschip een registergoed is. De betekenis van deze vaststelling is neergelegd in Boek 3 BW, zoals het vereiste van een notariële akte en de inschrijving daarvan in het register voor levering van een zeeschip (artikel 89 lid 4 van Boek 3 BW). De afdeling bevat de regeling van de teboekstelling en het einde van de teboekstelling van het zeeschip. Teboekstelling is het inschrijven in de openbare registers van het zeeschip. Verder bevat de afdeling enige regels over hypotheek op zeeschepen. De regeling in deze afdeling is niet volledig en vormt een aanvulling op, en soms een afwijking van, de bepalingen over registers, overdracht en hypotheek van Boek 3 BW. De 2024 -1277- No. 164 meer technische details omtrent de teboekstelling worden geregeld in de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem en lagere uitvoeringsregelgeving.

  3552. Artikel 190 1. In afwijking van artikel 1 bepaalt dit artikel dat in de afdelingen 2 tot en met 5 van deze titel schepen in aanbouw als schepen worden beschouwd. In deze afdelingen geldt niet de eis van artikel 1, dat het schip dient te drijven of moet hebben gedreven. Deze uitzondering geldt niet voor de toepassing van artikel 217 dat bepaalde vorderingen van een voorrecht op het schip voorziet. Artikel 190 bewerkstelligt, dat de bouw van een zeeschip gefinancierd kan worden door middel van door hypotheek op het schip gedekte leningen, omdat het schip reeds tijdens de bouw kan worden teboekgesteld. Behoudens het voorrecht van artikel 217 kunnen de andere voorrechten van titel 3, afdelingen 3 en 4, ook op zeeschepen in aanbouw rusten. Voor de meeste voorrechten zal dat slechts zelden het geval zijn, zoals voor die van artikel 211. Sommige voorrechten zullen nimmer op schepen in aanbouw en de zaken aan boord daarvan rusten, zoals die van artikel 222 (vgl. TS, PG 8, p. 709). De eigenaar van het zeeschip in aanbouw is de reder. Deze bepaling geldt slechts voor zover de reder rechten en verplichtingen worden opgelegd in de afdelingen 2 tot en met 5 en niet voor gevallen dat dit buiten deze afdelingen gebeurt. De bepaling betreffende derdenwerking van overeenkomsten van artikel 364 geldt niet voor de eigenaar van een zeeschip in aanbouw. Wordt die eigenaar wegens dood of letsel buiten overeenkomst aangesproken dan kan hij slechts op grond van artikel 257 van Boek 6 BW of de jurisprudentie aangaande dit leerstuk een verweer ontlenen aan zijn eigen overeenkomst of aan de overeenkomst van de gelaedeerde. 2. Wanneer het schip in aanbouw een afgebouwd schip wordt en voldoet aan de eis van artikel 1 en dus drijft of heeft gedreven (het is te water gelaten) blijft het hetzelfde schip. Hiermee is beoogd het schip zijn identiteit, zoals die uit de eventuele teboekstelling blijkt, te laten behouden bij het afbouwen. Er is geen nieuwe teboekstelling nodig. Ook de goederenrechtelijke positie blijft ongewijzigd (TS, PG 8, p. 254). Dit betekent, dat er geen zaaksvorming plaatsvindt wanneer de bouwmaterialen van het schip niet aan de bouwer toebehoren. Ook zonder dat het schip in aanbouw is teboekgesteld, geldt dat door de afbouw en tewaterlating geen nieuw schip ontstaat.

  3553. Artikel 191 verwijst naar de openbare registers van titel 1, afdeling 2, van Boek 3 BW.

  3554. Artikel 192 In deze afdeling worden de reder enige verplichtingen opgelegd, zoals het doen van aangifte van de omstandigheden van artikel 195 lid 1 onderdeel b, in verbinding met lid 2, die doorhaling van de teboekstelling tot gevolg hebben. Omdat de juridische status van de reder per geval kan verschillen, en de reder veelal geen natuurlijke persoon zal zijn, wijst dit artikel voor de voorkomende gevallen aan, op wie de desbetreffende verplichting rust. Wanneer het schip aan meerdere personen toebehoort, rusten de verplichtingen op iedere mede-eigenaar. Dit geldt slechts wanneer de mede-eigenaars geen rederij vormen. Gezien artikel 160 is dit het geval wanneer het schip niet is teboekgesteld en daarom de mede-eigendom niet uit de openbare registers blijkt en wanneer de eigenaars onder gemeenschappelijke naam optreden en niet bij ingeschreven akte zijn overeengekomen, dat zij een rederij vormen. Wanneer er wel een rederij is, rusten de verplichtingen van deze afdeling op de boekhouder (artikel 178). Wanneer een rechtspersoon eigenaar is van het schip, rusten de verplichtingen van deze afdeling op iedere bestuurder van die rechtspersoon. Deze bestuurders moeten wel bevoegd zijn de handelingen uit te voeren ter voldoening van de verplichting. Wanneer deze afdeling een bevoegdheid geeft, moet worden aangenomen, dat deze bevoegdheid aan dezelfde persoon, als op wie de verplichtingen van deze afdeling rusten, is toebedeeld. 2024 -1278- No. 164

  3555. Artikel 194 1. In dit artikel worden de voorwaarden, waaronder een zeeschip kan worden teboekgesteld, gegeven. Ook bepaalt dit artikel in grote lijnen hoe de teboekstelling geschiedt. Teboekstelling van het zeeschip is niet verplicht; het zeeschip is door zijn nationaliteit met een nationale rechtssfeer verknoopt. Een zeeschip dat niet is teboekgesteld kan ingevolge het Surinaams Zeebrieven Besluit 1933 (G.B. 1933 no. 55) geen zeebrief krijgen en zonder een zeebrief geen toegang krijgen tot Surinaamse havens. Verder wordt teboekstelling bevorderd, doordat op een niet geregistreerd zeeschip geen hypotheek kan worden gevestigd. Wel geniet een verkrijger van een boekbaar, maar niet teboekgesteld zeeschip de bescherming van artikel 86 van Boek 3 BW, dat derdeverkrijgers van roerende zaken beschermt tegen beschikkingsonbevoegdheid van degene van wie zij de zaak verkrijgen. In de openbare registers kunnen alleen Surinaamse zeeschepen worden teboekgesteld. Het zeeschip, dat hier te lande in aanbouw is kan in de openbare registers worden ingeschreven. Artikel 3 van het Surinaams Zeebrieven Besluit 1933, zoals aangepast mede met het oog op het lidmaatschap van Suriname van de Caricom, bevat de eisen waaraan voldaan moet worden wil het zeeschip de Surinaamse nationaliteit hebben. 2. De overige bepalingen van dit artikel hebben enerzijds voornamelijk tot strekking dubbele teboekstelling te voorkomen en anderzijds te bewerken, dat het zeeschip niet tijdelijk nergens te boek staat, wanneer het zeeschip van het ene naar het andere register verhuist. Zo bepaalt lid 2 dat het schip niet kan worden ingeschreven, wanneer het reeds is ingeschreven in een buitenlands register. 3. In lid 3 worden twee uitzonderingen op het vereiste van lid 2 genoemd. De uitzondering met betrekking tot in het buitenland teboekstaande zeeschepen stelt de koper van zo'n zeeschip in staat het hier te lande te boek te stellen, ofschoon de bewaarder van het buitenlandse register niet meewerkt de teboekstelling door te halen. Dit is mogelijk mits hier te lande uit de openbare registers blijkt, dat er een andere teboekstelling is blijven bestaan. Wanneer de buitenlandse bewaarder wel meewerkt, kan het zeeschip dat in het buitenland te boek staat, hier te lande voorlopig worden teboekgesteld. De voorlopige teboekstelling wordt blijvend, wanneer zij binnen dertig dagen is gevolgd door de aantekening dat de doorhaling in het vreemde register plaatsvond. Met de voorlopige registratie zou de koper hier te lande van een zeeschip dat in het buitenland is geregistreerd, de koop kunnen financieren. Een bank hier te lande kan door de voorlopige registratie een hypothecaire lening verschaffen. In de praktijk zal hiervan weinig of geen gebruik worden gemaakt, daar een voorlopige registratie een te wankele zekerheid biedt. 4. Degene die de teboekstelling verzoekt dient een verklaring te overleggen, dat het zeeschip naar zijn beste weten voor teboekstelling vatbaar is en dus, dat het voldoet aan de eis dat het schip niet elders reeds te boek staat (lid 2); toetsing door de kantonrechter, die zich zal laten adviseren door de ter zake van vervoer verantwoordelijke minister, is voorgeschreven (zie ook artikel 1303 lid 4, ten aanzien van luchtvaartuigen); een valse verklaring is bovendien strafbaar. Wanneer een zeeschip is ingeschreven in strijd met de bepalingen van dit artikel heeft deze inschrijving geen rechtsgevolg (lid 5).

  3556. Artikel 195 1. Dit artikel regelt de doorhaling van de teboekstelling. Deze doorhaling kan geschieden op verzoek van de reder. Deze mogelijkheid is noodzakelijk, omdat de teboekstelling in beginsel vrijwillig is. Ook kan de doorhaling ambtshalve door de bewaarder van de openbare registers geschieden. Dit strekt ter voorkoming van teboekstelling van schepen, die niet teboekgesteld dienen te staan. Dit laatste geeft, evenals dubbele teboekstelling, aanleiding tot fraude. Het artikel geeft de reder ook buiten de gevallen, genoemd in lid 2 onderdeel b, de bevoegdheid de teboekstelling door te halen. Deze bevoegdheid stelt de eigenaar van het schip in staat het schip aan een buitenlander te leveren. Omdat ingevolge de toepasselijke uitvoeringsregelgeving vereist is dat bij de akte van levering ook ter inschrijving wordt aangeboden een verklaring, dat het schip de Surinaamse nationaliteit behoudt, wat niet het geval is bij verkoop aan een buitenlander, kan het schip dan niet door inschrijving van een akte van levering worden geleverd. Dit dilemma wordt opgelost door de teboekstelling door te halen en het schip vervolgens als roerende zaak te leveren (TS, PG 8, p. 262). 2. In lid 1, onderdeel b, wordt een aantal omstandigheden genoemd, die, wanneer zij zich voordoen, ertoe leiden dat de openbare registers niet meer juist, althans misleidend zouden zijn. De reder is verplicht van die omstandigheden aangifte te doen. 3. 4. De omstandigheden van lid 1 onderdeel b, onder 2 en 3, behoeven niet blijvend van aard te zijn. 2024 -1279- No. 164 Wanneer dat het geval is, kan het schip opnieuw worden teboekgesteld, indien de vorige teboekstelling is doorgehaald. Met de oude ingeschreven schuldeisers, dient dan tot overeenstemming te worden gekomen. Hiervoor is geen wettelijke regeling gegeven, omdat dit slechts zelden zal voorkomen (TS, PG 8, p. 263). 5. De hier genoemde bepalingen hebben alle de strekking derdebelanghebbenden te beschermen tegen het vervallen van hun rechten als gevolg van het doorhalen van de teboekstelling. Volgens lid 1 onderdeel b, onder 4, moeten degenen van wier recht uit een inschrijving blijkt, benevens de reder en de beslagleggers, bij de executie van het schip die verlies van nationaliteit meebrengt, in de gelegenheid worden gesteld hun rechten op de opbrengst geldend te maken. Het kan gaan om inschrijvingen van hypotheekakten, maar ook om inschrijvingen andere bedingen betreffende, zoals die van artikel 1 lid 5 en artikel 203 (MvT, PG 8, p. 265). Ten overvloede kunnen deze derden de doorhaling ook verhinderen door zich daartegen te verzetten op grond van lid 3. Dit artikellid geeft deze bescherming ook aan degene ten gunste van wie voorlopige aantekeningen bestaan. Een voorlopige aantekening is de boeking door de bewaarder van het feit van aanbieding van een inschrijving, wanneer hij deze inschrijving weigert (artikel 20 van Boek 3 BW).

  3557. Artikel 196 beoogt degene van wiens rechten uit de openbare registers blijkt, te beschermen tegen teboekstelling in het buitenland, zonder dat doorhaling van de teboekstelling hier te lande heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van deze rechten heeft de buitenlandse teboekstelling geen gevolg. Het gaat hierbij om teboekstelling in landen, die niet een bepaling als artikel 194 lid 2 kennen, dat teboekstelling niet mogelijk maakt, wanneer het schip reeds elders te boek staat. De teboekstelling in het buitenland, die geschiedt onder de voorwaarde, dat de teboekstelling hier te lande binnen dertig dagen wordt doorgehaald, wordt in lid 2 erkend, zodat de buitenlandse koper in zijn land hypotheek kan verlenen en zodoende de koopprijs kan betalen (TS, PG 8, p. 728). Wanneer geen tijdige doorhaling plaatsvindt van de teboekstelling hier te lande, wordt wederom volgens lid 1 de buitenlandse teboekstelling niet erkend (TS, PG 8, p. 728).

  3558. Artikel 197 1. Dit artikel geeft een limitatieve opsomming van de zakelijke rechten, die op een teboekgesteld, en nog steeds teboekstaand, zeeschip kunnen worden gevestigd. De voorrechten van de artikelen 211 en 217 lid 1 onderdeel b, worden hier aangeduid als zakelijke rechten. 2. Op boekbare, niet teboekgestelde zeeschepen kan een pandrecht worden gevestigd (MvT 19979, PG 8, p. 266). Dit volgt a contrario uit de bewoordingen van het artikel. Eveneens is artikel 86 van Boek 3 BW, dat de verkrijger te goeder trouw van een beschikkingsonbevoegde beschermt, op dergelijke schepen van toepassing en kan het recht van reclame van artikel 39 van Boek 7 BW daarop worden uitgeoefend.

  3559. Artikel 199 1. Dit is het centrale artikel van deze afdeling. Het verklaart het te boek staande zeeschip tot een registergoed. Het boekbare, niet te boek staande zeeschip is geen registergoed en onderworpen aan de regels voor roerende zaken, niet-registergoederen. Het niet teboekgestelde zeeschip moet geleverd worden als een gewone roerende zaak, door bezitsverschaffing (artikel 90 van Boek 3 BW). Krachtens artikel 89 lid 4 van Boek 3 BW wordt de wijze van levering van een zeeschip, op de uitzondering na dat wanneer de levering geschiedt door inschrijving van een vonnis, dit vonnis kracht van gewijsde moet hebben, geregeld door de overige leden van laatstgenoemd artikel. 2. Lid 2 behelst een uitzondering op artikel 301 van Boek 3 BW, dat ook toestaat dat een vonnis, dat niet in kracht van gewijsde is gegaan, in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed (het zeeschip) bestemde akte, wanneer dit vonnis voldoet aan de het artikel 301 lid 1, onderdeel b, gestelde vereiste. Voor de levering van een zeeschip dient het vonnis altijd in kracht van gewijsde te zijn gegaan. Volgens artikel 201 verkrijgt de bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van vijf jaar de eigendom, de hypotheek of het vruchtgebruik op een teboekstaand schip. Deze termijn is voor andere registergoederen tien jaar (artikel 99 van Boek 3 BW). Deze verjaring kan op grond van artikel 17 lid 1 onderdeel i, van Boek 3 BW worden ingeschreven in de openbare registers.

  3560. Artikel 202 behelst een aanvulling van hetgeen reeds uit artikel 260 lid 1 van Boek 3 BW voortvloeit, waarin de voorwaarden zijn vastgelegd, waaraan de notariële akte van hypotheekverlening moet voldoen. De 2024 -1280- No. 164 aanvulling houdt in, dat het schip duidelijk moet worden vermeld. De term vermeld moet doen uitkomen, dat niet mag worden volstaan met een verwijzing naar een ander, niet geregistreerd, document of met een algemene verwijzing naar een aantal schepen tezamen (MvT 19979, PG 8, p. 273/4).

  3561. Artikel 203 bepaalt dat het hypotheekrecht mede rust op de zaken die uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden. Het moet hier gaan om het scheepstoebehoren van het schip, zoals omschreven in artikel 1 lid 4, met dien verstande, dat voor artikel 203 nog de voorwaarde geldt, dat de zaken moeten toebehoren aan de reder van het schip. De zinsnede 'blijvend met het schip verbonden' van artikel 203 is daarom te vergelijken met de zinsnede ‘bestemd (...) om het schip duurzaam te dienen en aan hun vorm als zodanig te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht’ van artikel 1 lid 4. Men kan deze zaken aan het hypotheekrecht onttrekken door bedingen van die strekking in de openbare registers in te schrijven. Dit is mogelijk wanneer het scheepstoebehoren aan de eigenaar is verhuurd, geleased of in bruikleen is gegeven. De eigenaar van het scheepstoebehoren wordt, wanneer de eigenaar van het schip een ander is, beschermd door artikel 581 Rv wanneer het schip wordt geëxecuteerd. Wanneer hij door die executie de eigendom van het scheepstoebehoren verliest, krijgt hij uit de netto-opbrengst van het schip met voorrang boven allen jegens wie hij zijn recht kan inroepen, de waarde van het scheepstoebehoren vergoed. In artikel 204 wordt de rang van de scheepshypotheek ten opzichte van de voorrechten op het schip van afdeling 3 en de voorrechten op de zaken aan boord van het schip bepaald. De door hypotheek gedekte vordering neemt rang na de vorderingen van artikel 210 (kosten van uitwinning en wrakopruiming) en artikel 211 (kosten tot behoud van het schip, gemaakt na beslag, vorderingen uit arbeidsovereenkomst en vorderingen ter zake van hulpverlening en de bijdrage van de avarij-grosse). Tevens neemt de door hypotheek gedekte vordering rang na de vorderingen van artikel 221 (kosten van uitwinning van zaken aan boord van een zeeschip en de kosten van een gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst) en artikel 222 (vorderingen ter zake van hulpverlening en van een bijdrage van die zaken in avarij-grosse). Deze laatstgenoemde vorderingen zijn bevoorrecht op de zaken aan boord van een zeeschip. De verhouding tussen de door hypotheek gedekte vordering en deze vordering dient te worden geregeld voor het geval het ene, kleinere, zeeschip, als lading aan boord van het andere, grotere, zeeschip wordt vervoerd. Dit is het zogenaamde stapelvervoer. Op het vervoerde zeeschip kan dan zowel een hypotheekrecht als een voorrecht op een zaak aan boord rusten.

  3562. Artikel 205 De hypotheek rust tevens, voor het geval de geldlening ter zekerheid waarvan de hypotheek strekt rente draagt, op de rente vervallen gedurende drie jaar voorafgaand aan het begin der uitwinning en op de rente die vervalt gedurende de loop van die uitwinning. De uitwinning vangt aan met het bevel van artikel 563, in verbinding met 582 Rv, om binnen vierentwintig uren aan de executoriale titel te voldoen. Artikel 263 van Boek 3 BW is, als onverenigbaar met het artikel, niet van toepassing.

  3563. Artikel 206

  3564. Artikel 177 van Boek 3 BW wordt van toepasselijkheid op de scheepshypotheek uitgesloten. Artikel 177 van Boek 3 staat in de titel over de gemeenschap (dit is het toebehoren van een of meer goederen aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk, zie artikel 166 van Boek 3). Volgens artikel 177 lid 1 van Boek 3 blijft een beperkt recht op een aandeel in een gemeenschappelijk goed bij verdeling van dat goed slechts op dat aandeel rusten wanneer het wordt verkregen door de deelgenoot aan wie het aandeel voor de verdeling toebehoorde. Artikel 177 lid 3 van Boek 3 bepaalt, dat, wanneer een gemeenschappelijk goed wordt verdeeld en bij de toedeling van een aandeel aan de in lid 1 genoemde deelgenoot een hypotheek- of pandrecht is bedongen tot zekerheid van hetgeen hij één of meer deelgenoten voor die verdeling schuldig is of zal zijn, dit hypotheek- of pandrecht voorrang heeft boven eerder op dat aandeel gevestigde beperkte rechten. Dit is een doorbreking van de regel dat oudere zekerheidsrechten op jongere voorgaan. Deze eerste regel is in strijd met de in het artikel vastgelegde regel, dat hypotheek op een aandeel van een teboekstaand schip ook na vervreemding van dat aandeel in stand blijft. De tweede zou een voorrecht met rang boven de scheepshypotheek scheppen. Daarom is artikel 177 van Boek 3 niet van toepassing op de scheepshypotheek. 2024 -1281- No. 164

  3565. Artikel 207 1. Dit artikel bepaalt welke artikelen betreffende het hypotheekrecht van Boek 3 BW analoog van toepassing zijn en welke artikelen niet van toepassing zijn op de scheepshypotheek. Artikel 264, leden 1 en 2, van Boek 3 is analoog van toepassing op bevrachtingen, wanneer op het vervrachte schip een hypotheekrecht rust. Artikel 264 van Boek 3 handelt over het huurbeding. De bevrachtingsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt zaken te vervoeren en daartoe een schip ter beschikking te stellen (zie artikel 373). Dit laatste element maakt de bevrachtingsovereenkomt vergelijkbaar met de huurovereenkomst. Daarom bepaalt artikel 374 uitdrukkelijk, dat de bepalingen omtrent de huurovereenkomst niet van toepassing zijn op bevrachtingsovereenkomsten. 2. Artikel 234 van Boek 3 is van toepasselijkheid op de scheepshypotheek uitgesloten. Dit artikel geeft derden, wier goederen voor de schuld van een ander zijn verhypothekeerd, bepaalde bevoegdheden. Deze bevoegdheden worden als beperkend beschouwd bij de ontwikkeling van de zogenaamde ‘fleetmortgage’. Dat is de hypotheek waarbij een gehele vloot als zekerheid wordt gesteld. Tevens werd het voor de executerende schuldeiser te bezwaarlijk geacht om door de derde, eigenaar van het schip, in overeenstemming met artikel 234 lid 1 van Boek 3, te worden verwezen naar andere vermogensbestanddelen van zijn schuldenaar. Dit klemt te meer, wanneer het dan om andere, moeilijk grijpbare, schepen gaat. 3. Artikel 261 van Boek 3 is niet van toepassing op de scheepshypotheek, omdat dit artikel voor een bepaald geval terugwerkende kracht verleent aan de inschrijving van de hypotheek.

  3566. Artikel 208 Wanneer op een teboekstaand zeeschip vruchtgebruik is gevestigd, zijn daarop de bepalingen van titel 8 van Boek 3 BW van toepassing. Deze bepalingen zijn ruim genoeg geformuleerd om ook op zeeschepen van toepassing te kunnen zijn. Artikel 217 van Boek 3 regelt de bevoegdheid van de vruchtgebruiker de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken te verhuren. De bevrachtingsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt zaken te vervoeren en daartoe een schip ter beschikking te stellen (zie artikel 373). Dit laatste element maakt de bevrachtingsovereenkomst vergelijkbaar met de huurovereenkomst. Daarom bepaalt artikel 374 uitdrukkelijk, dat de bepalingen omtrent de huurovereenkomst niet van toepassing zijn op bevrachtingsovereenkomsten. Artikel 208 maakt een uitzondering voor artikel 217 van Boek 3, voor zover deze bepalingen niet naar hun aard uitsluitend op huur van bedrijfs- of woonruimte van toepassing zijn. Afdeling 3 Voorrechten op zeeschepen Inleidende opmerkingen Het oude recht betreffende het onderwerp van deze afdeling week in sterke mate af van het algemene recht inzake de voorrechten. Het thans voorgestelde recht inzake voorrechten op zeeschepen loopt meer in de pas. Aan de ene kant zijn enige particularismen vervallen (minder voorrechten met voorrang boven hypotheek), anderzijds heeft het zeerecht zijn invloed doen gelden op het algemene leerstuk der voorrechten. Zo is artikel 283 van Boek 3 BW, dat bepaalt, dat een voorrecht op een bepaald goed zich mede uitstrekt over vorderingen, die in de plaats van dat goed zijn getreden, ontleend aan het huidige artikel 389 K (het nieuwe artikel 214, onderdeel b, van Boek 8). Nog steeds kent deze afdeling echter een aantal particularismen, zoals artikel 211, onderdeel b, dat de vorderingen uit de arbeidsovereenkomst van de bemanning van een zeeschip rangschikt boven hypotheek, en de artikelen 215 en 216, die beide maken dat het voorrecht rust op een zaak, die niet toebehoort aan de schuldenaar van de vordering, waarvoor het voorrecht is gegeven en dus afwijkt van artikel 276 van Boek 3 BW, dat bepaalt, dat een schuldeiser zich kan verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar.

  3567. Artikel 210 1. Dit artikel handelt niet over voorrechten, maar over kosten die uit de executie-opbrengst van een zeeschip moeten worden voldaan (TS, PG 8, p. 773). Het Burgerlijk Wetboek gaat uit van het systeem, waarin slechts de netto executie-opbrengst van het goed voorwerp van verhaal is. De kosten, die in dit artikel 2024 -1282- No. 164 worden genoemd, hoeven niet in de rangregeling te worden opgenomen en kunnen direct uit de opbrengst worden voldaan. Lid 1 bepaalt dat de kosten van de uitwinning van het zeeschip en kosten die daarmee verband houden (bewaking), uit de executieopbrengst voldaan moeten worden. Deze kosten maken dus geen deel uit van de koopprijs van het schip. Aan de executie zal veelal een conservatoir beslag voorafgaan. De kosten daarvan vallen niet onder de kosten van uitwinning, evenmin als de kosten van het proces. De executie vangt (in het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) aan met het bevel van artikel 563 Rv, in verbinding met 582 Rv, om binnen vierentwintig uren aan de executoriale titel te voldoen. 2. Dit artikel bepaalt, dat de kosten, die de overheid maakt, wanneer het een gezonken, onttakeld of gestrand zeeschip opruimt, boven alle andere vorderingen waaraan een voorrecht is toegekend, moeten worden voldaan. De vorderingen, genoemd in dit artikel, staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijze betaald. Wanneer het om de opruiming en executie van een wrak gaat, zullen de kosten van opruiming vaak dermate hoog zijn, dat er weinig zal overblijven voor de andere schuldeisers.

  3568. Artikel 210a

  3569. Artikel 56 lid 2, eerste zin van de leden 3 en 4, van de Faillissementswet (zoals aangepast aan het nieuw BW) is niet op zeeschepen van toepassing, omdat het daarin bepaalde uitgaat van de toepassing van artikel 290 van Boek 3 BW. Artikel 210a is opgenomen, omdat de toepassing van artikel 290 van Boek 3, in verbinding met artikel 292 van Boek 3, de facto zou betekenen, dat er een voorrecht is geschapen dat boven de voorrechten van artikel 211 gaat. Artikel 292 Boek 3 bepaalt immers dat degene die krachtens artikel 292 Boek 3 een retentierecht op een zaak heeft, zijn vordering op de zaak kan verhalen met voorrang boven allen tegen wie het retentierecht kan worden uitgeoefend. Het retentierecht heeft ook werking tegen derden (zie artikel 291 lid 2 van Boek 3) en zo zou het retentierecht meebrengen, dat er een voorrecht is, dat boven de voorrechten van artikel 211 gaat.

  3570. Artikel 211 1. Dit artikel noemt een aantal bevoorrechte vorderingen, dat enige bijzondere kenmerken heeft. Zij nemen rang zelfs boven hypotheek (artikel 211, aanhef), zij hebben zaaksgevolg (zie artikel 215 lid 1) en rusten op het schip, ook al is de scheepseigenaar niet de schuldenaar van de bevoorrechte vordering (artikel 216). Ingevolge de fiscale wetgeving is aan de belastingvorderingen een voorrecht verbonden, dat rang neemt boven alle andere voorrechten. Het voorrecht van de fiscus gaat echter niet boven hypotheek. Hieruit volgt, dat het voorrecht van de fiscus niet boven de voorrechten van artikel 211 gaat, die immers wel rang nemen boven hypotheek. Daarom geldt hier de algemene regel, dat de voorrechten, die op bepaalde goederen rusten, zoals die van artikel 211, gaan boven de voorrechten, die op het hele vermogen van de schuldenaar rusten, zoals het voorrecht van de fiscus (zie artikel 280 Boek 3 BW). De voorrechten van artikel 211 gaan derhalve voor het voorrecht van de fiscus. 2. Wanneer de beslaglegger kosten maakt tot behoud van het schip, zorgt hij ervoor, dat het schip niet in waarde daalt. Dit strekt alle schuldeisers tot voordeel, reden waarom de vordering voor deze kosten van dit hoge privilege is voorzien. 3. De vorderingen, genoemd in onderdeel b, hebben dit hoge voorrecht uit sociale overwegingen. De vordering dient ontstaan te zijn uit de arbeidsovereenkomst en kan dus ook ontstaan zijn zonder enig verband te hebben met werkzaamheden verricht aan boord, zoals de kosten van de repatriëring na beëindiging van de dienstbetrekking. De vorderingen ontstaan uit de arbeidsovereenkomst zijn bevoorrecht tot op een bedrag over een tijdvak van twaalf maanden verschuldigd. Voor een verslechtering van de mogelijkheden krediet te verkrijgen door de mindere zekerheid die de kredietverschaffers door deze verlenging krijgen behoeft niet te worden gevreesd, omdat de dienstperiode van schepelingen in de grote vaart zelden langer dan een half jaar zal zijn (MvT 19979, PG 8, p. 283). 4. Met de vordering ter zake van hulpverlening, onderdeel c, is de hulploonvordering bedoeld. Hulploon is alleen verschuldigd wanneer de hulpverlening voor het zeeschip, dat in gevaar verkeerde, gunstig gevolg heeft gehad (artikel 561 lid 1). Door de hulpverlening met gunstig gevolg is het zeeschip behouden voor verder waardeverlies en dit is ook in het voordeel van degenen, die zekerheidsrechten op het schip hebben, zoals de hypotheekhouder. Dit is de ratio van de hoge rang van het voorrecht van de vordering 2024 -1283- No. 164 ter zake van hulpverlening en tevens de reden om aan te nemen, dat dit voorrecht alleen geldt voor de hulploon-vordering, en niet voor andere uit hulpverlening voortvloeiende vorderingen. 5. Een avarij-grosse handeling is een handeling verricht voor de gemeenschappelijke veiligheid van schip en lading met het doel deze te behoeden voor gevaar (artikel 610). De kosten, die een dergelijke handeling meebrengt, moeten worden gedragen door degenen, die bij het desbetreffende vervoer zijn betrokken.

  3571. Artikel 612 bepaalt, dat de kosten van avarij-grosse aan degene, die de avarij-grosse leed, vergoed moeten worden door de reder, de belanghebbende bij verschuldigde vracht (de debiteur van de vrachtvordering; dit in tegenstelling tot de eigenaar van de lading), en de ontvanger van de lading. De vordering van een van deze belanghebbenden tegen het schip op grond van avarij-grosse geniet hetzelfde voorrecht als de vorderingen ter zake van hulpverlening. 6. Het voorrecht verbonden aan de vorderingen ter zake van havengelden beoogt scheepsagenten en cargadoors die havengelden hebben voorgeschoten en uit hoofde van artikel 360 lid 5 van rechtswegen zijn gesubrogeerd in de rechten van de haven een betere positie te verschaffen in geval van langdurig beslag en executie van het schip. Vermeden moet worden dat, wanneer langdurig beslag blijft liggen, onvoldoende zorg besteed wordt aan het schip en een onveilige situatie ontstaat. De rente op de vorderingen, genoemd in artikel 212, en de kosten gemaakt om een executoriale titel voor die vorderingen te verkrijgen, genieten hetzelfde voorrecht als die vorderingen zelf. Dit geldt zowel voor de wettelijke als voor de bedongen rente.

  3572. Artikel 213 De rangorde van de voorrechten van artikel 211 is gelijk aan de volgorde waarin zij in dat artikel worden genoemd. Voorrechten, die onder dezelfde letter worden genoemd staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald. Deze voorrechten kunnen op grond van artikel 215 lid 2, in de openbare registers worden ingeschreven. Hier wordt dus een uitzondering gemaakt, zoals bedoeld in artikel 21 lid 1, laatste zinsdeel, van Boek 3 BW. De hoofdregel is immers, dat de rangorde van inschrijvingen, die betrekking hebben op hetzelfde registergoed, wordt bepaald door de volgorde van inschrijvingen. Niet gelijk in rang zijn de voorrechten genoemd in onderdeel c. Hier nemen de vorderingen, die later zijn ontstaan rang boven de eerder ontstane voorrechten. De strekking van deze uitzondering is latere hulpverleners niet te ontmoedigen uit vrees voor reeds bestaande hulploonvorderingen.

  3573. Artikel 214 bepaalt in onderdeel a, op welke zaken en, in onderdeel b, op welke het schip vervangende vorderingen de voorrechten van artikel 211 betrekking hebben. De voorrechten van artikel 211 rusten, behalve op het schip, ook op zaken, die voldoen aan de volgende drie voorwaarden. Ten eerste moeten zij met het schip verbonden zijn. Ten tweede moet deze verbondenheid blijkens de bestemming van de zaak blijvend zijn en, ten derde, moet de zaak toebehoren aan de reder. Het gaat hier om het scheepstoebehoren van het schip, zoals omschreven in artikel 1 lid 4. Op grond van hetzelfde artikellid kan hiervan worden afgeweken door een beding, overeengekomen tussen bijvoorbeeld de leverancier van het scheepstoebehoren en de eigenaar van het schip, van die strekking op te nemen in de openbare registers van artikel 16 van Boek 3. Wanneer dit laatste het geval is, strekken de voorrechten van artikel 211 zich niet uit over het scheepstoebehoren. De voorrechten rusten ook op de vorderingen wegens schadevergoeding voor verlies of beschadiging van het schip. Artikel 283 van Boek 3 BW is van gelijke strekking, maar is anders van uitwerking, zodat ter vermijding van tegenstrijdigheden voor de voorrechten van artikel 211 de toepasselijkheid is uitgesloten. Wanneer een beloning voor hulpverlening of voor vlotbrengen of een vergoeding in avarij-grosse, deel uitmaakt van die schadevergoeding, rust het voorrecht ook op die vorderingen. Deze vorderingen kunnen hoger zijn dan slechts schadevergoeding. 2024 -1284- No. 164

  3574. Artikel 215 1. De voorrechten van artikel 211 blijven op het schip rusten, ook al wordt het schip aan derden verkocht en overgedragen. Artikel 24 van Boek 3 BW is niet van toepassing op de voorrechten van artikel 211. Dit betekent, dat deze voorrechten, ook wanneer zij niet zijn ingeschreven, kunnen worden tegengeworpen aan latere verkrijgers van het schip. Zonder de onderhavige bepaling is het zaaksgevolg afhankelijk van inschrijving van de voorrechten. Dit zou in strijd zijn met het systeem van de wet, dat het voorrecht en het zaaksgevolg juist van rechtswege laat ontstaan (MvT 21 658, PG 8, p. 285) zonder het vereiste van inschrijving te stellen. 2. Lid 2 van dit artikel bepaalt, dat de voorrechten van artikel 211 in de openbare registers van titel 1, afdeling 2, van Boek 3 kunnen worden ingeschreven. Met deze bepaling is buiten twijfel gesteld, dat deze voorrechten kunnen worden ingeschreven en dat deze mogelijkheid niet afhankelijk is van de kwalificatie van deze voorrechten als beantwoordend aan de criteria voor inschrijfbaarheid van artikel 17 van boek 3.

  3575. Artikel 216 De voorrechten op het schip van artikel 211 rusten op het schip, ook wanneer de schuldenaar van de bevoorrechte vordering niet de eigenaar is van het schip. Dit zal bijvoorbeeld voor de op grond van artikel 211 bevoorrechte vordering uit de arbeidsovereenkomst het geval zijn, wanneer de eigenaar van het schip dit heeft vervracht en de bemanning in dienst is bij een opvolgende bevrachter. Het arbeidsloon van deze bemanning is dan op het schip bevoorrecht. De vordering is dan ontstaan tijdens de exploitatie door een ander dan de eigenaar van het schip. Voor de vorderingen wegens hulpverlening en voor de bijdrage van het schip in de avarij-grosse doet zich de situatie niet voor dat de debiteur van deze vorderingen niet de eigenaar van het schip is, omdat artikel 566 voor de hulploon-vordering en artikel 612 voor de bijdrage van het schip in de avarij-grosse, steeds de eigenaar van het schip als schuldenaar aanwijst. De vorderingen van artikel 211 zijn ook bevoorrecht op het schip wanneer zij ontstaan tijdens de exploitatie door een ander dan de reder of een bevrachter. De voorrechten van artikel 211 rusten niet op het schip, wanneer de vorderingen, waaraan zij zijn verbonden, zijn ontstaan tijdens de exploitatie door een ander dan de reder, wanneer laatstgenoemde de feitelijke macht over het schip is ontnomen door een ongeoorloofde handeling en de schuldeiser niet te goeder trouw was. Dit geval doet zich voor, wanneer een bevrachter of andere exploitant onbevoegdelijk arbeidsovereenkomsten aangaat en de bemanning van deze onbevoegdheid op de hoogte is.

  3576. Artikel 217 1. Artikel 217 verleent een voorrecht aan de zogenaamde maritieme of bedrijfsvorderingen. Het schip wordt door artikel 217 met voorrang verhaalsobject voor de maritieme vorderingen en zodoende tot een, in zekere zin, van overige lager gerangschikte vorderingen afgescheiden vermogen. De achtergrond hiervan is het aloude onderscheid tussen het zeevermogen ('fortune de mer') en het landvermogen ('fortune de terre'). Ook de algemene beperking van de redersaansprakelijkheid, zoals geregeld in artikel 750 e.v., kent als grondslag dit onderscheid. De vorderingen waarvoor de reder (of andere exploitant) zijn aansprakelijkheid op grond van de zevende titel van dit Boek kan beperken, zijn dan ook door artikel 217 lid 1 onderdeel c, van het onderhavige voorrecht voorzien. Hoewel in artikel 217 aanhef sprake is van het bevoorrecht zijn van vorderingen op een zeeschip, rusten de voorrechten van artikel 217 toch steeds slechts op één schip en niet tevens op andere schepen van dezelfde eigenaar. Een andere opvatting zou in strijd zijn met ons systeem van voorrechten, dat slechts voorrechten kent die rusten op het gehele vermogen van de schuldenaar en voorrechten die rusten op een bepaald goed van de schuldenaar (zie PG 8, p. 291). In afwijking van artikel 190 lid 1, dat bepaalt dat in de afdelingen 2 tot en met 5 onder een zeeschip ook wordt verstaan een zeeschip in aanbouw, geldt artikel 217 niet voor zeeschepen in aanbouw. 2. In de aanhef van lid 1 wordt de rangorde bepaald van de voorrechten van dit artikel. Deze nemen rang na de voorrechten van artikel 211, de hypothecaire vorderingen en de vorderingen van pandhouders. Zij nemen rang boven alle andere in deze of enige andere wet van een voorrecht voorziene vordering. Naast de onderhavige afdeling, die voorrechten op zeeschepen verleent, is er afdeling 4, die voorrechten op zaken aan boord van zeeschepen verleent. Bij het zogenaamde stapelvervoer worden kleinere schepen als lading aan boord van grotere schepen vervoerd, zodat op eerstgenoemde schepen zowel voorrechten rustend op zeeschepen als de ladingvoorrechten van afdeling 4 kunnen rusten. De rangorde van deze voorrechten wordt gedeeltelijk in artikel 217 bepaalt. De aanvulling op deze regeling is gegeven in artikel 222. 3. De houder van het cognossement, die een vordering wegens ladingschade heeft tegen een door 2024 -1285- No. 164 artikel 461 aangewezen schuldenaar, ontleent aan artikel 217 lid 1, onderdeel a (tweede zinsdeel), een verhaalsmogelijkheid op het schip. Dit is vooral van belang wanneer de rompbevrachter (zie artikel 530) door de ondertekening van het cognossement door de kapitein die in zijn dienst is, door artikel 461 lid 2, laatste twee volzinnen, als schuldenaar is aangewezen. De eigenaar is dan niet schuldenaar van de houder van het cognossement en in zo'n geval ontleent deze houder aan deze verhaalsaansprakelijkheid de mogelijkheid het schip in beslag te laten nemen of daarmee te dreigen en zodoende aan de weet te komen wie hij als vervoerder dient te beschouwen. De eigenaar van het schip zal dan sneller geneigd zijn de beslaglegger de moeilijker vindbare identiteit van de rompbevrachter te onthullen. 4. In onderdeel a worden twee groepen vorderingen voorzien van een voorrecht. Enerzijds de vorderingen, die voortvloeien uit rechtshandelingen strekkende tot het in bedrijf brengen of houden van het schip, anderzijds de vorderingen wegens ladingschade van de cognossementhouder tegen de door artikel 461, in verbinding met 462, aangewezen vervoerder. De volgende voorbeelden van vorderingen, die voortvloeien uit rechtshandelingen strekkende tot het in bedrijf brengen en houden van het schip zijn ontleend aan de jurisprudentie: het leveren van scheepsbenodigdheden, stuwadoorswerkzaamheden, het schoonmaken van tanks en het verrichten van reparaties aan het schip. Dit zijn dezelfde vorderingen als die waarvoor de reder en de rompbevrachter op grond van artikel 360 aansprakelijk zijn. Met andere woorden: de vorderingen van artikel 360 zijn op grond van artikel 217 bevoorrecht op het schip. 5. Anders dan betreffende de andere vorderingen van artikel 217, is aan de vorderingen van titel 6, afdeling 1, wel zaaksgevolg toegekend (lid 3, tweede volzin). Deze vorderingen kunnen in omvang dermate van belang zijn, dat het voor de schuldenaar van dergelijke vorderingen voordelig is het schip in eigendom over te dragen om het aan verhaalsvorderingen te onttrekken. Dit geldt in mindere mate voor de meestal geringere andere vorderingen van artikel 217.

  3577. Artikel 218 bepaalt de rang van de voorrechten van de artikelen 284 en 285 van Boek 3 BW ten opzichte van de voorrechten van deze afdeling, namelijk na de voorrechten van artikel 217, althans voor zover zij niet reeds op grond van enig ander artikel van deze afdeling zijn bevoorrecht. Genoemde artikelen van Boek 3 BW geven een voorrecht aan de vordering tot voldoening van kosten tot behoud van een goed gemaakt (artikel 284) en de vordering wegens de bearbeiding van een zaak uit hoofde van een overeenkomst tot aanneming van werk (artikel 285). Deze vorderingen kunnen tevens bevoorrecht zijn op grond van artikelen 210 en 217. De kosten gemaakt tot behoud van het schip zijn niet reeds op grond van artikel 210 bevoorrecht wanneer deze zijn gemaakt vóór een beslag. De vordering wegens bearbeiding van een schip is niet reeds op grond van artikel 217 bevoorrecht wanneer het gaat om een schip in aanbouw, waarop immers artikel 217 niet van toepassing is. De voorrechten uit Boek 3 BW hebben deze - lagere - rangorde onder artikel 217 gekregen, omdat anders 'laatstgenoemde voorrechten te zeer aan waarden zouden inboeten' (MvA II 19979, PG 8, p. 292). Lid 1 van artikel 219 geeft een verjaringstermijn van één jaar en vult zo de regeling van de verjaring van de vorderingen, waarvoor de voorrechten zijn verleend, aan. Deze termijn is niet altijd gelijk aan de termijn van verjaring van de vordering waarvoor het voorrecht is verleend. Lid 2 bepaalt dat de voorrechten tenietgaan samen met de vordering; Boek 3 BW kent geen vergelijkbare bepaling. Lid 3 bepaalt, dat de voorrechten bij de executoriale verkoop tenietgaan op het moment waarop het proces-verbaal van verdeling wordt gesloten. Bij de executie van een zeeschip vervallen de vorderingen, en daarmee krachtens lid 2 de voorrechten op het schip, door de betaling van de koopprijs (zie artikel 578 Rv). Een proces-verbaal van verdeling wordt opgemaakt na inning van de koopprijs (zie de artikelen 481, 485 en 489 Rv) wanneer over de verdeling daarvan geen eenstemmigheid bestaat. Het moment van het sluiten van het proces-verbaal valt daarom na het moment van artikel 578 Rv. De bepaling van artikel 219 lid 3 is daarom alleen relevant voor de voorrechten, die niet op het schip rusten, maar op de het schip vervangende vorderingen van artikel 214b. 2024 -1286- No. 164 Afdeling 4 Voorrechten op zaken aan boord van zeeschepen Inleidende opmerkingen Afdeling 4 regelt de voorrechten op zaken aan boord van zeeschepen. Het gaat hierbij vooral om de zaken die ter vervoer door de vervoerder ontvangen zijn, met andere woorden: de lading. Om te doen uitkomen dat de voorrechten uit deze afdeling ook op andere zaken dan de lading kunnen rusten, is de formulering 'zaken aan boord van zeeschepen' gekozen. Hiermee vult deze afdeling ook artikel 214, onderdeel a, aan, dat bepaalt, dat voorrechten op het schip mede rusten op zaken 'die uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en die toebehoren aan de reder van het schip'. Krachtens deze afdeling kan op zaken aan boord, die niet aan dit criterium voldoen, niettemin een voorrecht rusten en wel veelal voor dezelfde vorderingen als die door afdeling 3 van een voorrecht zijn voorzien. De volgende vorderingen zijn wel bevoorrecht op het schip, maar niet op de zaken aan boord: de kosten van wrakopruiming (artikel 210 lid 2), de kosten tot behoud van het schip, gemaakt na beslag (artikel 211, onderdeel a), de vorderingen uit de arbeidsovereenkomst van de bemanning (artikel 211, onderdeel b), en de maritieme vorderingen van artikel 217 lid 1, onderdeel a, behalve de vorderingen wegens ladingschade van de cognossementhouder. Voor de overige voorrechten van afdeling 3 wordt de beperking van artikel 214, onderdeel a, dus aangevuld door afdeling 4. Onder de zaken aan boord van een zeeschip vallen ook zaken die noch eigendom zijn van de eigenaar van het schip, noch eigendom zijn van de ladingbelanghebbende. Hierbij is vooral gedacht aan containers en ladingpallets. Deze zaken, toebehorend aan derden, kunnen op grond van deze afdeling voorwerp van verhaal worden voor vorderingen ten aanzien waarvan deze derden geen schuldenaar zijn.

  3578. Artikel 220 Titel 15 kent een eigen regeling van voorrechten, gegrond op een verdrag. De onderhavige afdeling is derhalve niet van toepassing op een vliegtuig, dat zich aan boord van een zeeschip bevindt.

  3579. Artikel 221 komt overeen met artikel 210, dat de kosten van uitwinning van een zeeschip van een voorrecht voorziet. Ook de kosten van uitwinning van zaken aan boord van een zeeschip en de bewaking daarvan tijdens de uitwinning zijn bevoorrecht, zelfs boven alle andere voorrechten. Het artikel verschaft welbeschouwd geen voorrecht, maar bepaalt dat de genoemde kosten uit de executie-opbrengst van het schip moeten worden voldaan. Het Burgerlijk Wetboek gaat uit van het systeem waarin slechts de netto-opbrengst van de executie van het goed voorwerp van verhaal is. De kosten in dit artikel genoemd, behoeven niet in de rangregeling te worden opgenomen en kunnen direct uit de opbrengst worden voldaan. Lid 1 van het artikel bepaalt dat de kosten van de uitwinning van de zaken aan boord van een zeeschip en kosten, die daarmee verband houden (bewaking) uit de executieopbrengst voldaan moeten worden. Deze kosten maken dus geen deel uit van de koopprijs van de zaken aan boord van een zeeschip. De vorderingen van dit artikel zijn gelijk in rang en worden naar evenredigheid van hun hoogte verdeeld.

  3580. Artikel 222 1. Dit artikel geeft voorrechten voor de vorderingen ter zake van hulpverlening, voor de bijdrage in averij- grosse en voor de vordering, die voortvloeit uit een vervoerovereenkomst. De twee eerstgenoemde voorrechten rusten op de zaken aan boord van een zeeschip, het laatstgenoemde voorrecht rust daarentegen alleen op die ten vervoer ontvangen zaken met betrekking waartoe de vervoerovereenkomst is gesloten (de lading). Met de vordering ter zake van hulpverlening is de hulploonvordering bedoeld. Hulploon is alleen verschuldigd wanneer de hulpverlening voor het zeeschip, dat in gevaar verkeerde, gunstig gevolg heeft gehad (zie artikel 561 lid 1). Door de hulpverlening met gunstig gevolg is het zeeschip behouden voor verder waardeverlies en dit is ook in het voordeel van degenen, die zekerheidsrechten op het schip hebben, zoals de hypotheekhouder. Dit is de ratio van de rang van het voorrecht van de vordering ter zake van hulpverlening en tevens de reden om aan te nemen, dat dit voorrecht alleen geldt voor de hulploonvordering, en niet voor andere uit hulpverlening voortvloeiende vorderingen. De reder is de schuldenaar van de hulploonvordering (artikel 566). De reden, dat deze vordering tevens bevoorrecht is op de zaken aan boord van het schip (in het bijzonder de lading) is gelegen in de omstandigheid, dat de kosten van de hulpverlening als averij-grosse worden omgeslagen op, onder andere, de ontvanger van de lading en de eigenaren van de overige zich aan boord bevindende zaken (artikel 612, in verbinding met Rule VI van de York-Antwerp Rules). 2024 -1287- No. 164 2. De voorrechten van het eerste lid nemen rang na de voorrechten van artikel 210 (kosten van uitwinning van een zeeschip en de kosten van de rangregeling) en van artikel 211 (kosten gemaakt tot behoud van het zeeschip wanneer dat in beslag is genomen, vorderingen uit de arbeidsovereenkomst met de kapitein en bemanning en vorderingen ter zake van hulpverlening en ter zake van de bijdrage van het schip in averij-grosse). Deze concurrentie van voorrechten op het zeeschip en voorrechten op de zaken aan boord van een zeeschip doet zich voor bij het zogenaamde `stapel' of `kangaroevervoer'. Kleinere schepen worden dan op een bepaald traject als lading aan boord van een groter schip vervoerd. Het kleinere schip is dan zowel schip als lading. Eveneens nemen deze voorrechten rang na de voorrechten van artikel 221 (voorrecht op zaken aan boord van zeeschip voor de kosten van uitwinning, rangregeling en van bewaking). 3. Ook bevoorrecht zijn de vorderingen uit de vervoerovereenkomst. Dit betreft in de eerste plaats de tegenprestatie voor het vervoer: de vracht. Tevens vallen daaronder de zogenaamde 'kosten onderweg' van artikel 488. Dit zijn de kosten die de vervoerder maakt bij de belangenbehartiging als zaakwaarnemer ten behoeve van de afzender, de ontvanger en, indien een cognossement is afgegeven, de houder daarvan. Deze personen zijn hoofdelijk schuldenaar. Ook voor de vracht kan de vervoerder meerdere schuldenaren hebben. Teneinde te bereiken dat het voorrecht slechts op de zaken rust wanneer de ontvanger schuldenaar van deze vordering is, bepaalt lid 2 dat de vervoerder dit voorrecht slechts toekomt wanneer artikel 489 hem een retentierecht op de zaak verschaft. Voor de toepassing van artikel 222 lid 2, is artikel 489 lid 1, niet relevant, omdat dit artikellid slechts ziet op vorderingen die niet uit de vervoerovereenkomst voortvloeien. Artikel 489 lid 2, geeft de vervoerder slechts een retentierecht op de ten vervoer ontvangen zaken voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of zal worden. De vervoerder heeft dus ook een voorrecht op de lading voor de vracht, wanneer deze pas bij aflevering verschuldigd zal zijn. De voorrechten nemen rang na de voorrechten van lid 1 van dit artikel en na de door hypotheek gedekte vorderingen maar voor alle andere voorrechten.

  3581. Artikel 223 De rente op de vorderingen, genoemd in artikel 222, en de kosten, gemaakt om voor die vorderingen een executoriale titel te verkrijgen, genieten hetzelfde voorrecht als die vorderingen zelf. Dit geldt zowel voor de wettelijke als de bedongen rente.

  3582. Artikel 224 Voor de voorrechten genoemd in lid 1 geldt, dat de later ontstane vorderingen rang nemen boven de vorderingen die eerder zijn ontstaan. De strekking hiervan is latere hulpverleners niet te ontmoedigen uit vrees voor reeds bestaande hulploonvorderingen. De overige voorrechten, met uitzondering van die van artikel 284 van Boek 3 BW, staan in rang gelijk (lid 2) en worden pondspondsgewijs verdeeld (lid 4). Deze vorderingen nemen rang na de andere in dit artikel genoemde vorderingen. Het gaat om de vorderingen tot voldoening van kosten gemaakt tot behoud van de zaak. Hiermee derogeert dit lid aan artikel 284 lid 3, van Boek 3 BW, dat bepaalt, dat het in dat artikel behandelde voorrecht rang neemt boven alle andere voorrechten.

  3583. Artikel 225 De voorrechten rusten ook op de vorderingen wegens schadevergoeding voor verlies of beschadiging van de zaken aan boord van een schip. Artikel 283 van Boek 3 BW is van gelijke strekking, maar is anders van uitwerking, zodat het ter vermijding van tegenstrijdigheden voor de voorrechten van artikel 222 van toepasselijkheid is uitgesloten. Wanneer een beloning voor hulpverlening of voor vlot brengen of een vergoeding in averij-grosse deel uitmaakt van die schadevergoeding, rust het voorrecht ook op die vorderingen. Deze vorderingen kunnen hoger zijn dan de schadevergoeding.

  3584. Artikel 226 De voorrechten, genoemd in artikel 222, rusten op de zaken aan boord van een zeeschip, ook wanneer de schuldenaar van die bevoorrechte vordering niet de eigenaar is van die zaken. Hiermee wijkt dit artikel af van de algemene regel van verhaalsrecht van artikel 276 van Boek 3 BW, dat alleen op het vermogen van de schuldenaar verhaal kan worden genomen. De lading aan boord van een zeeschip zal vrijwel nooit toebehoren aan de eigenaar van het zeeschip, die schuldenaar is van de in artikel 222 lid 1, genoemde vorderingen (op grond van artikel 566 voor het hulploon en artikel 612 voor de averij-grosse. 2024 -1288- No. 164

  3585. Artikel 227 1. Dit artikel bepaalt dat de voorrechten van deze afdeling tenietgaan met de aflevering aan de gerechtigde van de zaken waarop zij rusten. Op de uitzondering van lid 2 na, bestaat het voorrecht slechts zolang de zaken, waarop het rust, in handen blijven van de vervoerder. Deze voorrechten hebben in zoverre geen zaaksgevolg, dat het voorrecht in ieder geval niet overgaat bij overdracht van de zaken na de reis. Een andere vraag is, of de voorrechten blijven bestaan bij eigendomsovergang gedurende de reis. Lading ter zake waarvan een cognossement is uitgegeven, zal gedurende de reis van het zeeschip dikwijls in eigendom worden overgedragen, omdat het cognossement juist met dat doel wordt uitgegeven. Overgave van het cognossement geldt immers als overgave van zaken zelf (artikel 417). De vervoerder kan dan jegens de houder van het cognossement de vorderingen uit de vervoerovereenkomst geldend maken (artikel 441 lid 2). Dit is een schuldovername, waarvoor de vervoerder bij voorbaat zijn toestemming heeft gegeven, door de uitgifte van een cognossement, dat door middel van een order- of toonder-clausule verhandelbaar is gemaakt. Artikel 157 lid 3, van Boek 6 BW bepaalt dat voorrechten door schuldovername tenietgaan, tenzij de schuldeiser een verhaalsrecht ook jegens derden heeft op de zaak waarop het voorrecht rust. De schuldeiser heeft op grond van artikel 226 ook een verhaalsrecht jegens derden. Dit betekent, dat het voorrecht op de zaken aan boord van een zeeschip zaaksgevolg heeft tot het moment van de aflevering aan de gerechtigde op die zaak. 2. Lid 2 bepaalt dat, niettegenstaande lid 1, de voorrechten tenietgaan wanneer de zaken, waarop zij rusten, zijn opgeslagen op grond van artikel 490 of 574. Deze artikelen bepalen dat de vervoerder de zaken voor rekening en risico van de rechthebbende op die zaken kan doen opslaan, wanneer die rechthebbende de zaken niet in ontvangst neemt of de vervoerder meent, dat degene die pretendeert tot ontvangst gerechtigd te zijn, niettemin daartoe niet gerechtigd is. Men kan stellen, dat in deze gevallen de vervoerder de aflevering eenzijdig, zonder medewerking van de tot aflevering gerechtigde, kan doorvoeren. In deze opvatting vormt lid 2 van het artikel geen uitzondering op lid 1, maar is daarvan slechts een nadere uitwerking. Een andere opvatting is, dat lid 2 wel een uitzondering op lid 1 is, en dat de aflevering tweezijdig blijft en pas is volvoerd wanneer de gerechtigde de zaken afneemt. Het verschil in opvatting is van belang voor de vracht, die verschuldigd is bij aflevering (zie artikel 484) en het begin van verjaringstermijnen. Artikel 1710, onderdeel d, dat bepaalt wat in verband met de termijnen onder de dag van aflevering moet worden verstaan, noemt niet het geval, dat de zaken op grond van artikel 490 of 574 zijn opgeslagen.

  3586. Artikel 228 geeft de verkoper van brandstof voor de machines, ketelwater, levensmiddelen en scheepsbenodigdheden enerzijds een beperking en anderzijds een uitbreiding van zijn recht van reclame van titel 1, afdeling 8, van Boek 7 BW. Het recht van reclame is de bevoegdheid van de onbetaalde verkoper van een roerende zaak die niet een registergoed is, deze zaak door middel van een schriftelijke mededeling terug te vorderen. Artikel 44 van Boek 7 bepaalt dat de bevoegdheid de zaken terug te vorderen vervalt, wanneer zowel zes weken zijn verstreken nadat de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden als na 60 dagen, te rekenen van de dag dat de zaken onder de koper of onder iemand van zijnentwege zijn opgeslagen. Artikel 228 verkort deze termijn tot 48 uur na het einde van de levering. De laatste zinsnede van artikel 228 beoogt een uitbreiding van het recht van reclame te geven. Hiermee wordt ten eerste een mogelijke oorzaak van twijfel omtrent de bevoegdheid de zaken terug te vorderen, uitgesloten. Zoals uit het slot van artikel 44 van Boek 7 blijkt, heeft de onbetaalde verkoper tevens dit recht van reclame, wanneer de zaken niet aan de koper zelf, maar aan iemand anders van zijnentwege zijn afgeleverd en opgeslagen. Ten tweede derogeert het artikel aan artikel 42 van Boek 7, dat bepaalt dat het reclamerecht niet kan worden uitgeoefend wanneer de zaak door de koper aan een derde is overgedragen, tenzij de zaak in handen van de koper is gebleven. Artikel 228 bepaalt, dat het reclamerecht ook kan worden uitgeoefend, wanneer de zaken door de koper aan een van de in het artikel genoemde personen zijn afgeleverd. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer de reisbevrachter, schuldenaar van de genoemde vorderingen, het schip, waarin de genoemde zaken zich bevinden, na de reis weer ter beschikking stelt aan zijn reisvervrachter, die op zijn beurt weer de in het artikel bedoelde tijdbevrachter is. De wet omschrijft niet nader wat moet worden verstaan onder de vage term scheepsbenodigdheden. Dit is aan de rechter overgelaten. Het mogen geen scheepstoebehoren zijn in de zin van artikel 1 lid 4, omdat zij dan als schip zouden worden beschouwd en derhalve, in geval het schip is ingeschreven, registergoed zijn. Artikel 39 van Boek 7 BW sluit voor de toepassing van het reclamerecht registergoederen uit. Scheepstoebehoren zijn zaken, die bestemd zijn het schip duurzaam te dienen en als zodanig zijn te herkennen. Afdeling 5 Slotbepalingen 2024 -1289- No. 164

  3587. Artikel 230 Om een overheidsschip te zijn is het niet nodig dat deze schepen eigendom zijn van de overheid, maar is reeds voldoende dat zij voor de openbare macht of dienst zijn bestemd. Schepen bestemd voor de openbare macht zijn bijvoorbeeld schepen van politie, kustwacht, marine; schepen bestemd voor de openbare dienst bijvoorbeeld veerboten. In artikel 231 wordt de wettelijke basis gegeven voor lagere uitvoeringsregelgeving betreffende te boek gestelde schepen. TITEL 4 BEMANNING VAN EEN ZEESCHIP Afdeling 1 is gereserveerd voor een latere vernieuwing van het zee arbeidsrecht—waarvoor overleg met belanghebbenden nodig zal zijn – en overbrenging van het Wetboek van Koophandel naar Boek 8 BW. Onder auspiciën van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is een consoliderend maritiem arbeidsverdrag (2006) tot stand gekomen waarmee rekening zal moeten worden gehouden. Vooralsnog blijft de vierde titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Koophandel gehandhaafd. Afdeling 2 Kapitein In artikel 260 zijn de bevoegdheden van de kapitein neergelegd. Hierbij is nauw aangesloten bij de formulering van artikel 360, dat bepaalt dat de reder naast de rompbevrachter (zie artikel 530) aansprakelijk is voor deze laatste bindende rechtshandelingen die rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of houden van het schip. In samenhang met artikel 360 wordt derhalve de reder gebonden door de rechtshandelingen van de kapitein, verricht binnen zijn bevoegdheid. De kapitein is bevoegd cognossementen en passagebiljetten af te geven. Wanneer de kapitein een passagebiljet afgeeft, dient daarin op duidelijke wijze de naam en woonplaats van de vervoerder vermeld te zijn (artikel 528). Artikel 461, in verbinding met 462, bepaalt wie gebonden zijn aan de ondertekening door de kapitein van een cognossement. Artikel 262 regelt de gevolgen jegens derden bij beperkingen in de vertegenwoordigings-bevoegdheid. Aan deze bepaling van derden bescherming derogeert artikel 462 lid 3 dat voor de ondertekening door de kapitein van het cognossement een bijzondere regeling geeft. Tevens is de kapitein bevoegd namens de reder in het buitenland over hulploon overeenkomsten te sluiten. Zie wat de kapitein betreft - in het bijzonder diens publiekrechtelijke positie - verder het Wetboek van Koophandel. Waar artikel 260 de kapitein de bevoegdheid verleent de reder of rompbevrachter te vertegenwoordigen, legt artikel 261 hem de verplichting op de belangen van de bevrachters en ladingbelanghebbenden te behartigen. Het gaat hier in lid 1 om feitelijk handelen en niet om het verrichten van rechtshandelingen, zoals in lid 2. Anders dan lid 1, dat slechts op feitelijk handelen van de kapitein ziet, geeft lid 2 de kapitein in noodgevallen de verdergaande verplichting tot zaakwaarneming, die tevens vertegenwoordigingsbevoegdheid meebrengt. Bevrachters en ladingbelanghebbenden moeten zich deze dwangvertegenwoordiging laten welgevallen, behoudens andersluidende bedingen. Zo kunnen partijen overeenkomen dat een zogenaamde supercargo de reis zal meemaken en belast zal zijn met de in dit artikel bedoelde belangenbehartiging. Omdat de kapitein in dit artikel ten opzichte van bevrachters en ladingbelanghebbenden vergaande bevoegdheden zijn toebedeeld, die ook kunnen betekenen, dat de kapitein bijvoorbeeld overgaat tot de verkoop van de lading of het opnemen van geld met het schip of lading als zekerheid, dient hij in zulke buitengewone omstandigheden zoveel mogelijk overleg met deze partijen te plegen en hun orders op te volgen.

  3588. Artikel 262 De wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de kapitein is niet dwingendrechtelijk. Reder of rompbevrachter, bij wie de kapitein in dienst is, kunnen zijn bevoegdheid in dit opzicht beperken. Op deze beperkingen kunnen de werkgevers van de kapitein een beroep doen, wanneer deze beperkingen de desbetreffende derden zijn bekend gemaakt. Dit kan gebeuren door een rondschrijven aan een bepaalde kring van belanghebbenden, door toezending van de beperking bevattende bevrachtingsovereenkomst of door publicatie in de vakbladen. Het is aan de rechter uit te maken of de desbetreffende beperking in de zin der 2024 -1290- No. 164 wet is bekend gemaakt. Wanneer de kapitein zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid overschrijdt, verbindt hij zichzelf. Dit is een afwijking van de regeling van artikel 70 van Boek 3 BW, dat bepaalt, dat de gevolmachtigde instaat voor zijn bevoegdheid en bij overschrijding daarvan de schade moet vergoeden, maar niet partij wordt bij de overeenkomst. TITEL 5 EXPLOITATIE Afdeling 1 Algemene bepalingen

  3589. Artikel 360 1. In dit artikel wordt de positie van de reder bepaald. Het artikel moet in samenhang met de artikelen omtrent de voorrechten op schepen en de artikelen omtrent aanvaring, hulpverlening en averij-grosse worden gelezen. Ook artikel 260 is voor die positie van belang, alsmede artikel 461, dat bepaalt wanneer de reder kan worden aangesproken voor ladingschade. In het onderhavige artikel wordt bepaald voor welke rechtshandelingen de reder verder nog aansprakelijk is. Dit zijn de vorderingen die strekken tot het in bedrijf brengen of houden van het schip en waarvoor de rompbevrachter (zie artikel 530) is gebonden. De reder is daarom niet aansprakelijk voor rechtshandelingen die strekken tot het in bedrijf brengen of houden van het schip, verricht door tijd- of reisbevrachters (zie artikel 370). Dit is slechts anders wanneer deze bevrachters beschouwd moeten worden als vertegenwoordigers van de rompbevrachter. Zo kan het uit de omstandigheden blijken dat de voor het schip benodigde bunkerolie voor rekening is van de rompbevrachter; het is daarom mogelijk dat wanneer de tijdbevrachter bunkerolie bestelt, hij geacht moet worden dit te doen in naam van de rompbevrachter. 2. De rechtshandeling moet rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of houden van het schip, wat betekent, dat geldleningen die ertoe strekken de rompbevrachter in staat te stellen het schip in bedrijf te brengen of te houden, buiten deze bepaling vallen. De reder is niet gebonden wanneer de wederpartij van de rompbevrachter kenbaar is gemaakt, dat de rompbevrachter niet de bevoegdheid bezat de reder te binden. Voor de aanwezigheid van de bevoegdheid rust op de wederpartij van de rompbevrachter geen onderzoek plicht, omdat hier de frase 'wist of behoorde te weten' ontbreekt. Anders is dit voor het geval de rompbevrachter rechtshandelingen verricht die niet binnen het in lid 1 verwoorde doel vallen. Hieromtrent moet de wederpartij wel onderzoeken of de rompbevrachter binnen dit doel blijft. 3. Het artikel is niet van toepassing op vervoer- en arbeidsovereenkomsten. Voor vervoerovereenkomsten geldt dat de afzender doorgaans weet met wie hij heeft gecontracteerd en anderszins geeft artikel 461 hiervoor een speciale regeling.

  3590. Artikel 361 introduceert het begrip keten der exploitatieovereenkomsten. Dit begrip heeft een functie bij de regeling van de derden werking van contractuele bepalingen (de zogenaamde paardensprongen) en bij de regeling van het probleem wie de houder van een cognossement kan aanspreken (artikel 461). Het artikel omschrijft wie in het kader van voornoemde figuren beschouwd moet worden als betrokken bij de exploitatie van het schip. Dit zijn de partijen bij de in lid 1 genoemde overeenkomsten. De keten van exploitatieovereenkomsten wordt gevormd door de bevrachtingsovereenkomsten en vervoerovereenkomsten. De wet gaat uit van de reder en bepaalt dat vervolgens voor de volgorde van de overeenkomsten binnen de keten geldt de volgorde waarin de bevrachters de bevoegdheid om over het schip te beschikken van elkaar afleiden. Wanneer de reder het schip in tijdbevrachting geeft aan A, zal A doorgaans bevoegd zijn het schip in onderbevrachting aan B te geven. Dit kan dan een tijd- of reisbevrachting zijn. B leidt dan zijn bevoegdheid over het schip te beschikken af van A. Wanneer A het schip voor een kortere tijd dan zijn eigen tijdbevrachtingovereenkomst aan B heeft vervracht, kan B het schip in reisbevrachting aan C geven, die zijn bevoegdheid van B afleidt. Zo ontstaat de keten Reder - A (tijdbevrachter) - B (tijdbevrachter) - C (reisbevrachter) - D (vervoerder) - E (afzender). Wanneer het schip in rompbevrachting is uitgegeven komt deze overeenkomst als eerste in de keten. Lid 1 onderdeel b, houdt in dat ook vervoerovereenkomsten en onder vervoerovereenkomsten deel uitmaken van de exploitatieketen. In artikel 362 gaat het om samenloop tussen de exploitatieovereenkomst en een vordering uit onrechtmatige daad. Hier geldt hetzelfde beginsel als is te vinden in artikel 70. 2024 -1291- No. 164 In artikel 363 komt het beginsel van het nieuwe systeem het duidelijkst naar voren: wanneer een contractueel bij de exploitatieovereenkomst betrokken partij een ander van de keten deel uitmakende partij aanspreekt, kan de aangesprokene zich beroepen op de door de aanvaller zelf gesloten overeenkomst. Daarbij is het van belang de rangschikking van de overeenkomsten zoals vermeld in artikel 361 voor ogen te houden.

  3591. Artikel 364 Het door Boek 8 gehuldigde principe (de aangevallene kan zich beroepen op de door de aanvaller zelf gesloten overeenkomst) brengt mee dat dit in beginsel slechts functioneert binnen de keten der exploitatieovereenkomsten (de artikelen 361 tot en met 363). Boek 8 beperkt zich daartoe echter niet. Uitdrukkelijk worden ook vorderingen van niet tot de exploitatieketen behorende 'buitenstaanders' door artikel 364 bestreken. Lid 1 bepaalt dat een delictuele vordering niettemin door overeenkomst kan worden beteugeld. De leden 2 tot en met 5 bepalen welke overeenkomst daarvoor in aanmerking komt. Anders dan de voorgaande artikelen werkt artikel 364 eenzijdig. Zij geldt uitsluitend ter bescherming van de door de buitenstaander aangevallene (reder, vervoerder, ondergeschikte). De door een partij bij de exploitatieketen aangevallen buitenstaander vindt geen bescherming bij de onderhavige bepaling. De strekking van artikel 365 is dat de aanvaller niet alsnog buiten overeenkomst bij de ondergeschikte van een tot de exploitatieketen behorende persoon kan verkrijgen wat hij op grond van het tot dusver bepaalde niet kon verkrijgen. Tevens wordt de ondergeschikte tegen delictuele aanspraken beschermd, voor zover deze althans niet verder reiken dan de aansprakelijkheid van zijn principaal. Voor artikel 366 zie bij artikel 73. Afdeling 2 Overeenkomst van goederenvervoer over zee Inleidende opmerkingen In deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer over zee geregeld. Als vervoerovereenkomst over zee worden beschouwd zowel de gewone vervoerovereenkomst over zee als de vervoerovereenkomst onder cognossement. Ook de tijd- en reisbevrachting zijn in deze afdeling geregeld. In deze afdeling zijn de zgn. Hague-Visby Rules geïncorporeerd (gewijzigd Verdrag van Brussel van 25 augustus 1924 ter vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende het cognossement, ook wel genoemd: Cognossementverdrag). Het Nederlandse artikel 371 is niet overgenomen, aangezien het verdrag, indien toepasselijk, direct kan werken.

  3592. Artikel 370 omschrijft het begrip vervoerovereenkomst over zee en sluit daarbij aan bij de omschrijving van de vervoerovereenkomst in het algemeen, met de voor de hand liggende uitzondering, dat het moet gaan om vervoer uitsluitend over zee. Het artikel geeft aan, dat ook tijd- en reisbevrachting vervoerovereenkomsten zijn. Omdat het artikel de eis stelt, dat het vervoer plaats moet vinden aan boord van het schip, valt het slepen of duwen van bakken niet onder deze afdeling. De in artikel 372 genoemde titel 7 regelt de beperking van aansprakelijkheid van exploitanten van zeeschepen. Deze exploitanten kunnen hun aansprakelijkheid voor in die titel genoemde zeerechtelijke vorderingen beperken. Voor zover de vorderingen die op grond van deze afdeling ontstaan ook gelden als zeerechtelijke vorderingen in de zin van titel 7, is titel 7 daarop van toepassing. Op vorderingen wegens ladingschade is zowel de globale beperking van titel 7 als de bijzondere beperking van artikel 388 van toepassing. In artikel 373 wordt de bevrachtingsovereenkomst omschreven. Anders dan bij de vervoerovereenkomst moet bij de bevrachtingsovereenkomst de vervrachter aan de bevrachter het zeeschip ter beschikking stellen. Bij de vervoerovereenkomst wordt niet overeengekomen in welk schip vervoerd zal worden. De terbeschikkingstelling kan geschieden voor een bepaalde reis of voor een bepaalde tijd. Deze tijd kan zeer lang zijn, bijvoorbeeld de gehele levensduur van het schip waarin het wordt geëxploiteerd. Uiteraard zijn ook mengvormen van de tijd- en reisbevrachting mogelijk, zoals de vervrachting voor een bepaalde reis, waarbij de vrachtprijs per tijdseenheid wordt berekend. De jurisprudentie moet dan uitmaken welke bepalingen van toepassing zijn. De bevrachtingsovereenkomst wordt uitdrukkelijk een vervoerovereenkomst genoemd. Voor de bevrachting geldt echter anders dan voor de vervoerovereenkomst onder cognossement 2024 -1292- No. 164 geen dwingend recht. Bevrachtingen worden neergelegd in een document, dat charterpartij wordt genoemd (van het Latijnse 'carta partita'). Hiervan is een groot aantal standaardexemplaren in omloop, waarvan sommige veelvuldig worden gebruikt. Dit zijn uitgebreide documenten waarin weinig aan het toepasselijke aanvullende recht wordt overgelaten. De in artikel 374 genoemde overeenkomsten vertonen alle een meer of mindere verwantschap met de bevrachtingsovereenkomst, zodat om twijfel dienaangaande weg te nemen, deze niet van toepassing zijn verklaard op bevrachtingen, mede omdat in de regeling van die overeenkomsten niet gewenste bepalingen voorkomen.

  3593. Artikel 375 Net zoals koop geen huur breekt, breekt koop ook niet een bevrachtingsovereenkomst. De verplichtingen van de vervrachter, c.q. eigenaar, gaan op de nieuwe eigenaar over.

  3594. Artikel 377 1. Dit artikel (dat woordelijk ontleend is aan artikel 1, onderdeel b, van het Cognossementverdrag) omschrijft de vervoerovereenkomst onder cognossement. Dit is noodzakelijk omdat slechts op het vervoer onder cognossement het dwingende recht van toepassing is (zie artikel 382: 'nietig is ieder beding in een vervoerovereenkomst onder cognossement...'). Een vervoerovereenkomst onder cognossement is een vervoerovereenkomst waarbij een cognossement of soortgelijk document is afgegeven. Bij de vervoerovereenkomst, die niet een bevrachtingsovereenkomst is, is de vervoerder op grond van artikel 399 verplicht desgevraagd een cognossement af te geven. Artikel 399 omschrijft de inhoud van het cognossement. Ook wanneer een soortgelijk document wordt afgegeven geldt de overeenkomst als vervoerovereenkomst onder cognossement. De wet omschrijft niet wat een soortgelijk document is teneinde de rechtsontwikkeling op dit punt niet te verstoren. Het gaat vooral om de vraag of een `sea- waybill' als een soortgelijk document moet worden beschouwd. 2. Het dwingende recht is ook van toepassing wanneer op grond van een bevrachtingsovereenkomst een cognossement is uitgegeven, wanneer dat cognossement niet meer in handen is van de wederpartij van de vervrachter, de bevrachter. Wanneer geen cognossement is uitgegeven op grond van een vervoerovereenkomst gelden de specifiek zeerechtelijke, aan het verdrag ontleende regels van aansprakelijkheid niet, maar wel de reeks van ontheffingen van artikel 383 lid 2. Het verdragsrecht is ook reeds van toepassing wanneer een cognossement nog niet is afgegeven maar het wel in de bedoeling lag dat een cognossement zou worden afgegeven.

  3595. Artikel 378 is een herhaling van artikel 20.

  3596. Artikel 379 De zaken moeten zonder vertraging worden afgeleverd. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of er sprake is van vertraging. Deze verplichting is niet van dwingend recht. De vervoerder is op grond van artikel 387 in geen geval aansprakelijk voor gevolgschade door te late aflevering, maar slechts voor de omstandigheid dat de zaken ten gevolge van prijsschommelingen minder waard zijn geworden. Voor eventuele schade aan de zaken zelf door de vertraging, zoals bederf, is de vervoerder reeds aansprakelijk op grond van artikel 378.

  3597. Artikel 380 Bevrachters kunnen, mits zij daarbij blijven binnen de bevoegdheid die zij hebben krachtens de bevrachtingsovereenkomst, de kapitein opdrachten geven. Wanneer de kapitein deze opdrachten niet uitvoert is de vervrachter op grond van dit artikel tegenover de bevrachter daarvoor aansprakelijk. Zo kunnen bevrachters bepalen waar het schip zich bevindt. Het risico dat deze plaats niet veilig is voor het schip, wordt in dit artikel gelegd bij de bevrachter. Dit lijdt slechts uitzondering voor het geval de kapitein niet redelijk handelde door willens en wetens onveilig te handelen. In artikel 381, dat een vertaling is van een van de centrale regels van het Verdrag, wordt de vervoerder opgedragen een redelijke zorg aan te wenden voor de zeewaardigheid van het schip (lid 1) en de lading zorgvuldig te behandelen (lid 2). Deze verplichtingen worden in het Angelsaksische recht 'overriding obligations' genoemd. Wanneer een tekortkoming in een van beide verplichtingen schade veroorzaakt, staat 2024 -1293- No. 164 het de vervoerder niet vrij, zich op de ontheffingen van artikel 383 lid 2, te beroepen, wanneer zich ook een van de daar genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De schade wordt in zijn geheel aan de tekortkoming in de zorgverplichting toegerekend. Deze regel geldt niet wanneer er geen oorzakelijk verband is tussen de schade als gevolg van de schending van een der zorgplichten en de schade ten gevolge van een der omstandigheden van de lijst van artikel 383 lid 2. De zorg voor de zeewaardigheid strekt zich uit tot aan de aanvang van de reis. Later optredende onzeewaardigheid, die niet het gevolg is van een gebrek aan zorg bij het begin van de reis, is een vrij getekende oorzaak (artikel 383 lid 2). Het schip is zeewaardig wanneer het geschikt is voor de voorgenomen reis en geschikt is voor de lading die het zal vervoeren.

  3598. Artikel 382 verklaart de regeling van de aansprakelijkheid voor het vervoer over zee onder cognossement tot dwingend recht. Dat in het artikel naar de aansprakelijkheid van het schip wordt verwezen is niet meer dan een gevolg van het volgen van de tekst van het Verdrag. De aansprakelijkheidsregeling is niet dwingend in het geval van vervoer van levende dieren, deklading en bijzonder vervoer.

  3599. Artikel 383 1. Dit artikel bevat een lijst met oorzaken waarvoor de vervoerder niet aansprakelijk is. Lid 2 van dit artikel is ook van toepassing op vervoer zonder cognossement. Kenmerkend voor deze aansprakelijkheidsregeling is, onder andere, de vrijtekening voor handelingen, onachtzaamheid of nalatigheid van de bemanning, gepleegd bij de navigatie of de behandeling van het schip en de vrijtekening voor schade veroorzaakt door brand. In beide gevallen is de vervoerder niet aansprakelijk voor fouten van zijn hulppersonen of ondergeschikten. 2. Het artikel geeft ook een bewijslastverdeling. Op grond van lid 2 onderdeel q, moet de vervoerder, wanneer hij op deze vrijtekening een beroep wil doen, bewijzen dat de 'andere oorzaak' (anders dan de eerder genoemde oorzaken) zich heeft voorgedaan en dat noch de vervoerder noch een van zijn hulppersonen schuld heeft gehad aan de oorzaak. Wanneer de vervoerder een beroep wenst te doen op de andere oorzaken, onderdelen c tot en met p, dan behoeft de vervoerder slechts te stellen en te bewijzen, dat de oorzaak zich heeft voorgedaan en dat de schade daarvan het gevolg is. Het is dan aan de cognossementhouder om aan te tonen dat de vervoerder schuld heeft gehad aan het zich voordoen van de oorzaak. 3. De vrij tekening van lid 2 onderdeel a, de behandeling van het schip, is een ruime vrijtekening waaronder alle schadegevallen kunnen worden gebracht die terug te voeren zijn op enig onderdeel van het schip. Vaak is niet duidelijk of er sprake is van een behandeling van de lading of een behandeling van het schip. Als een luik wordt opengezet om de lading te luchten en er vervolgens water door het openstaande luik komt en de lading waterschade oploopt, is niet duidelijk of het hier gaat om de vrijgetekende behandeling van het schip of een gebrek in de zorg voor de lading. In de jurisprudentie lijkt doorslaggevend te zijn of de hantering van het scheepsonderdeel de zorg voor de lading ten doel had. Bij artikel 384 gaat het om eenzijdig dwingend recht, omdat wel ten gunste van de cognossementhouder van het dwingende recht mag worden afgeweken.

  3600. Artikel 385 ziet op het zelden voorkomende geval van een uitzonderlijke lading.

  3601. Artikel 386 Het aansprakelijkheidsregime van de voorgaande artikelen geldt niet dwingend voor de periode waarin de vervoerder de zaken wel onder zijn hoede heeft maar deze niet in het schip zijn. Dit gebeurt in de praktijk meestal en een dergelijke clausule wordt een 'before and after clause' genoemd. Ook wordt een dergelijke clausule een 'tackle-to-tackle' clausule genoemd. Het aansprakelijkheidsregime loopt dan vanaf het moment dat begonnen wordt met de inlading tot het einde van de lossing. In artikel 387 wordt bepaald dat de geadresseerde in geval de zaken niet of beschadigd worden afgeleverd geen andere rechten heeft dan de vordering tot schadevergoeding, Hij kan de vervoerovereenkomst niet ontbinden en blijft daarom de vracht verschuldigd. Met de zinsnede 'opgekomen aan de zaken' wordt bedoeld duidelijk te maken, dat het mogelijk is een vrijtekening overeen te komen voor schade die veroorzaakt is voor de inlading, maar die zich pas openbaart na de inlading. Ook is in dit artikel een van de centrale 2024 -1294- No. 164 beginselen van vervoerrecht neergelegd, namelijk dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor eventuele gevolgschade, zoals het stilliggen van de productie van een fabriek door het niet beschikbaar zijn van grondstoffen door een tekortkoming van de vervoerder.

  3602. Artikel 388 1. Dit artikel regelt de beperking van aansprakelijkheid van de zeevervoerder. Wenst de afzender niet, dat de aansprakelijkheid beperkt zal zijn, dan moet hij de waarde van de zaken in het cognossement laten vermelden. De vervoerder weet dan welke risico's aan dat vervoer zijn verbonden en kan daarvoor dan een hogere vrachtprijs rekenen. In het artikel wordt het speciale trekkingsrecht (special drawing right, SDR) gebruikt om uit te drukken tot welke geldwaarde de vergoeding is beperkt. Dit is een rekeneenheid die wordt bijgehouden door het Internationale Monetaire Fonds en is samengesteld uit meerdere belangrijke valuta, teneinde grote verschillen in waarde door tijdsverloop te voorkomen. 2. De beperking geldt hetzij per collo of eenheid, hetzij per ontbrekende kilo. De hoogste geldt. Van geval tot geval moet worden uitgemaakt wat precies een eenheid of collo is. Bij los gestorte bulklading spelen deze begrippen geen rol en komt slechts de beperking per kilo in aanmerking. 3. Voor de toepassing van lid 1 moet de waarde van de zaken berekend worden door het verschil te nemen tussen de waarde die de aangekomen zaken ter bestemming hebben en de waarde die de zaken zouden hebben gehad ter plaatse van de bestemming en ten tijde van de aflevering, ware de vervoerovereenkomst zonder enige tekortkoming uitgevoerd. Het Verdrag gaat uit van de waarde ten tijde van de lossing. 4. Het artikel geeft een regeling voor die gevallen waarin de lading zich bevindt in een vervoergerei waarin de lading wordt bijeengebracht. Hierbij moet vooral aan containers en pallets worden gedacht. De eenheden, die zich in het vervoergerei bevinden, gelden als eenheid in lid 1, wanneer deze eenheden op het cognossement zijn vermeld. De in het cognossement vermelde eenheden gelden ook als basis voor de berekening van de schadevergoeding wanneer in het cognossement een onbekendheidclausule (zie artikel 414) is opgenomen. 5. Lid 5 bepaalt, dat de vervoerder zich niet kan beroepen op de beperkingen van dit artikel wanneer de schade of het verlies het gevolg is van zijn opzet of grove schuld.

  3603. Artikel 389 Het kan voorkomen dat de cognossementhouder verplicht is hulploon te betalen of een bijdrage in avarij- grosse verschuldigd is. Op grond van dit artikel kan hij deze kosten als waardevermindering van de zaken beschouwen en daarvoor de vervoerder aanspreken. Op een dergelijke vordering zal dan ook artikel 388 van toepassing zijn. Met betrekking tot vervoer onder cognossement is dit artikel van dwingend recht wanneer afwijking van het in dit artikel bepaalde ertoe zou leiden dat de aansprakelijkheid van de vervoerder op andere wijze dan toegestaan in artikel 382 zou worden gewijzigd. Dit is het geval wanneer het cognossement zou vermelden, dat bijdragen in avarij-grosse niet verhaald kunnen worden op de vervoerder en dergelijke kosten zouden ontstaan door een oorzaak waarvoor de vervoerder op grond van de artikelen 381 tot en met 383 aansprakelijk zou zijn.

  3604. Artikel 390 geeft de tijd- of reisbevrachter de bevoegdheid de overeenkomst op te zeggen wanneer duidelijk is dat de vervrachter te kort zal schieten in zijn verplichting het schip tijdig op de overeengekomen plaats ter beschikking te stellen. Dit artikel is een bijzondere toepassing van de regel van het algemene verbintenissenrecht van artikel 80 van Boek 6 BW, waar de zogenaamde toekomstige tekortkoming is geregeld. Het antwoord op de vraag of artikel 390 aanvullend of derogerend werkt ten opzichte van de algemene regeling uit het verbintenissenrecht is aan de rechter. Wanneer de bepaling derogerend werkt, is opzegging noch ontbinding mogelijk bij andere toekomstige tekortkomingen dan te laat, niet of op de verkeerde plaats ter beschikking te stellen. Gezien de korte termijn waarbinnen de overeenkomst moet worden ontbonden kan de bevrachter de overeenkomst niet meer ontbinden op grond van de algemene ontbindingsregeling van artikel 265 van Boek 6 BW op het moment dat de verbintenis tot tijdige terbeschikkingstelling opeisbaar wordt, mits de bevrachter eerder de kennisgeving van lid 1 had ontvangen of op andere wijze op de hoogte was van de toekomstige tekortkoming. De afzender is op grond van artikel 391 verplicht de zaken tijdig ter beschikking van de vervoerder te stellen. De afzender staat in voor deze verplichting en kan niet aanvoeren, dat de tekortkoming hem niet kan worden 2024 -1295- No. 164 toegerekend. Het gaat in dit artikel om het ter beschikking stellen van de lading. Dit is een eenzijdige handeling waarvoor de afzender de medewerking van de vervoerder niet nodig heeft. Voor de tijd waarop en de plaats waar de zaken ter beschikking moeten worden gesteld, kan de afzender afhankelijk zijn van de vervoerder. Dan blijven de algemene bepalingen ter zake van schuldeiserverzuim van het algemene verbintenissenrecht van toepassing. In artikel 392 is de algemene bevoegdheid geregeld van de afzender om de overeenkomst te beëindigen voordat de zaken de vervoerder ter beschikking zijn gesteld. In dat geval kan de afzender zonder meer de overeenkomst beëindigen. Verder wordt de beëindiging van de overeenkomst door de vervoerder geregeld voor de gevallen dat de zaken hem niet of niet tijdig ten vervoer ter beschikking zijn gesteld. Lid 2 geeft die bevoegdheid wanneer de zaken niet aanwezig zijn op het moment dat ook de overligtijd is verstreken. Bij een reisbevrachting heeft de afzender het schip voor een bepaalde reis ter beschikking gekregen. Voor het laden van het schip heeft hij een bepaalde tijd, de ligtijd. Wanneer hij het schip niet kan laden in de ligtijd heeft hij tegen een hoger tarief, de beschikking over de overligtijd. Wanneer het schip vertrekt moet hij de schade voor de afzender/bevrachter beperken door zo mogelijk andere vervangende lading aan te nemen.

  3605. Artikel 393 stelt de bevrachter in staat het schip te doen vertrekken zodat de schade voor hem niet oploopt. De afzender bij een vervoerovereenkomst heeft deze bevoegdheid niet omdat de vervoerder meestal meerdere afzenders heeft. Lid 1 van artikel 394 komt overeen met artikel 26. Het is voor de vervoerder dermate belangrijk op de hoogte te zijn van de aard van de te vervoeren zaken, dat hem de bevoegdheid is gegeven zelf bijvoorbeeld de inhoud van een container te onderzoeken (lid 2). Gezien de belangen van de openbare veiligheid, is lid 1 tot dwingend recht gemaakt.

  3606. Artikel 395 De afzender is verplicht de vervoerder alle eventueel benodigde documenten tijdig ter beschikking te stellen. Het artikel geldt niet voor cognossementen. Hier moet in het bijzonder gedacht worden aan alle documenten die voor het passeren van de douane vereist zijn. De afzender heeft hier een garantieverplichting; hem komt niet het verweer toe dat de tekortkoming niet toerekenbaar is. De vervoerder moet zorgen dat de documenten het einde van de reis halen. Bewijs van tekortschieten in deze zorg ligt bij de afzender of geadresseerde. Voor artikel 396, zie artikel 28.

  3607. Artikel 397 1. Dit artikel regelt de aansprakelijkheid van de afzender voor schade aan het vervoermiddel toegebracht door de lading. Te denken valt aan lading die tijdens het vervoer vloeibaar wordt of door haar samenstelling het dek beschadigt. Ook kan gedacht worden aan illegale zaken die er de oorzaak van zijn dat het schip in beslag wordt genomen. Verder kan de wijze van lading of lossing het schip beschadigen (stuwadoors-schade). De afzender is hiervoor aansprakelijk op grond van dezelfde formulering als geldt voor de algemene vervoerdersaansprakelijkheid van artikel 23. 2. De cognossementhouder die niet wederpartij is van de vervoerder, is niet aansprakelijk voor deze schade, omdat hij deze vordering niet uit het cognossement kan kennen. Omdat hij niet aansprakelijk is, heeft de vervoerder geen retentierecht tegen hem en is daarom de vordering niet op de lading verhaalbaar (zie artikel 222, in verbinding met 489). Wanneer de schade als averij-grosse kan worden beschouwd, kan de vervoerder de schade omslaan over alle belanghebbenden (zoals andere cognossementhouders), die vervolgens regres op de aansprakelijke afzender kunnen nemen. Dit is de betekenis van de verwijzing naar de averij-grosse regeling. De strekking van artikel 398 is het de vervoerder steeds mogelijk te maken zich van gevaarlijke lading te ontdoen. Het begrip gevaar ziet niet alleen op fysiek gevaar, maar ook op bijvoorbeeld inbeslagname van de lading als contrabande.

  3608. Artikel 399 verplicht de vervoerder desgevraagd een cognossement af te geven. Het artikel bepaalt wat het cognossement moet vermelden en is daarom van groot belang voor de bewijskracht van het cognossement. De hoofdregel is, dat het cognossement moet vermelden welke zaken zijn ingeladen. Het moet de 2024 -1296- No. 164 hoeveelheid van de zaken vermelden en de uiterlijke staat. Op grond van onderdeel c (samen met artikel 414) mag het cognossement een onbekendheidclausule bevatten. Wanneer de vervoerder geen gelegenheid heeft gehad de hoeveelheid van de zaken te controleren, is hij in dat opzicht niet aan de inhoud van het cognossement gebonden. De vervoerder kan tegen afgifte van de zaken een zogenaamd received for shipment cognossement afgeven, dat slechts bewijst, dat hij de zaken ten vervoer heeft ontvangen. De afzender kan dan tegen inlevering van dit cognossement een 'geladen' cognossement vorderen van de vervoerder, dat bewijst dat de zaken in het schip zijn geladen. In het kader van documentair krediettransacties wordt meestal een geladen cognossement gevraagd. Voor artikel 410 zie artikel 47.

  3609. Artikel 411 Wanneer de vervoerder de afzender aansprakelijk kan stellen voor het verschaffen van onjuiste inlichtingen, kan hij hierop geen beroep doen tegen anderen dan de afzender, zoals de derde houder van het cognossement. Tegenover hen blijft hij volledig aansprakelijk.

  3610. Artikel 412 Het cognossement is het schriftelijk bewijs van de vervoerovereenkomst. Het kan worden uitgegeven als order- of toonderpapier, maar ook op naam. In het laatste geval moet het document ook worden overhandigd aan de vervoerder om uitlevering te verkrijgen. Verder functioneert het niet als waardepapier. In plaats van een naam kan ook een hoedanigheid worden vermeld.

  3611. Artikel 413 Wanneer meerdere exemplaren van het cognossement zijn afgegeven geldt één voor alle; tegen overhandiging van een exemplaar moet de vervoerder de zaken afgeven, tenzij anders overeengekomen. De andere exemplaren zijn dan vervallen.

  3612. Artikel 414 Tegen de inhoud van het cognossement, zowel de feitelijke gegevens als de voorwaarden van het vervoer, mag geen tegenbewijs worden geleverd. Lid 2 bepaalt, dat de houder van het cognossement moet bewijzen, dat de vervoerder ondanks een onbekendheidclausule toch de waarheid omtrent de lading kende of behoorde te kennen. De bewijskracht van dit artikel geldt slechts wanneer het cognossement aan een derde is overgedragen.

  3613. Artikel 415 In cognossementen wordt dikwijls verwezen naar uitgebreide charterpartijen. Dit is te vergelijken met de verwijzing naar algemene voorwaarden zoals geregeld in titel 5, afdeling 3, van Boek 6 BW. Wanneer het gaat om algemeen gebruikte en bekende charterpartijen is voldaan aan het vereiste van lid 1. Wanneer partijen daarin aanvullingen hebben aangebracht niet. Degene die een beroep wil doen op bedingen waarnaar in het cognossement wordt verwezen, moet desgevraagd deze bedingen onmiddellijk aan de andere partij doen toekomen. Voor artikel 416, zie artikel 49; voor artikel 417 , zie artikel 50.

  3614. Artikel 418 De term plek van inlading duidt aan waar in een bepaalde haven geladen of gelost moet worden. De haven van laden en lossen wordt in de vervoerovereenkomst vermeld. 2024 -1297- No. 164

  3615. Artikel 419 Bij een reisbevrachting zal meestal vrij nauw aangegeven zijn tussen welke havens het schip moet varen. De bevrachter bepaalt, anders dan bij de vervoerovereenkomst, die geen bevrachtingsovereenkomst is, waar in de haven geladen of gelost moet worden, mits dit een veilige plek is.

  3616. Artikel 420 Wanneer de reisbevrachter ook de bevoegdheid heeft laad- en/of loshaven aan te wijzen, gelden daarvoor ook de voorwaarden van artikel 419.

  3617. Artikel 421 Wanneer in een vervoerovereenkomst niets over laden en lossen is vermeld, is de vervoerder verplicht deze werkzaamheden te verrichten of te doen verrichten. Dit geldt niet voor bevrachtingen, waarin meestal afspraken omtrent deze werkzaamheden zijn opgenomen, zoals de FIO(S)-clausule ('free in and out, stowed'), die de bevrachter verplicht deze werkzaamheden te doen verrichten en daarvoor de kosten te dragen.

  3618. Artikel 422 Wanneer de bevrachter het schip moet laden, moet hij dit binnen de daarvoor overeengekomen termijn (de ligtijd) doen. Doet hij er langer over, dan is hij daarvoor een extra vergoeding verschuldigd (overliggeld). Vanwege de gelijkenis met een boetebeding zijn de bepalingen hieromtrent expliciet niet van toepassing verklaard. Het overliggeld is een schadefixatie. Wanneer ook de overligtijd is verstreken, geldt deze fixatie niet meer en moet de volledige schade worden vergoed.

  3619. Artikel 423 Wanneer de vervoerder het laden van gevaarlijke zaken niet zou hebben toegestaan, indien hij van die gevaarlijke aard op de hoogte zou zijn geweest, heeft hij de in dit artikel genoemde bevoegdheden. De vervoerder heeft deze ook wanneer hij de gevaarlijke aard niet had behoren te kennen. Hij heeft deze bevoegdheden niet wanneer hij de aard van de zaken wel kon of behoorde te kennen. De vervoerder is dan schadeplichtig wanneer hij deze handelingen verricht. De artikelen 424 en 425 bepalen wanneer de vervoerovereenkomst beëindigd kan worden wegens het vergaan of het onbruikbaar worden van het schip. Wanneer het gaat om een vervoerovereenkomst, niet zijnde een bevrachtingsovereenkomst, heeft alleen de vervoerder die mogelijkheid. Het is immers voor de afzender niet van belang met welk schip de vervoerder het vervoer uitvoert. Wanneer het een bevrachtingsovereenkomst betreft, hebben beide partijen die bevoegdheid, omdat de identiteit dan wel een bestanddeel is van de inhoud van de overeenkomst. Artikel 425 maakt een uitzondering voor het geval de reisvervrachter verklaart, dat hij het voorgenomen vervoer toch wenst uit te voeren. Hij dient dan eerst de overeenkomst op te zeggen en vervolgens de voorgenomen reis met een ander schip uit te voeren. Deze reis wordt dan geacht te zijn uitgevoerd op grond van de oude overeenkomst. Deze figuur lijkt op schuldvernieuwing. Lid 2 geldt wanneer de zaken reeds zijn geladen. Bij de bevrachtingsovereenkomst wordt slechts wanneer de zaken reeds zijn geladen vermoed dat de ongeschiktheid van het schip aan de vervrachter moet worden toegerekend. Bij de gewone vervoerovereenkomst niet zijnde een bevrachting is dat ook het geval wanneer de zaken nog niet zijn ingeladen.

  3620. Artikel 426 Vergaan van het schip beëindigt de bevrachtingsovereenkomst van rechtswege. Het tijdstip van vergaan is van belang vanwege de omstandigheid, dat de huur vaak per minuut wordt berekend. 2024 -1298- No. 164

  3621. Artikel 440 De afzender kan de vervoerder de instructie geven de zaken, voor deze hun bestemming hebben bereikt, aan hem ter beschikking te stellen en niet aan de geadresseerde uit te leveren. De afzender kan als verkoper behoefte aan deze bevoegdheid hebben wanneer hij vreest dat de geadresseerde in zijn hoedanigheid als koper de zaken niet zal betalen of wanneer hij de zaken aan een andere koper wil doen toekomen. Wanneer een cognossement is afgegeven, heeft de afzender deze bevoegdheid slechts wanneer hij houder is van alle exemplaren van het cognossement. Het artikel bepaalt niet tot wanneer de afzender deze bevoegdheid heeft voor vervoer zonder cognossement.

  3622. Artikel 441 Alleen de houder van het cognossement kan aflevering van de in het cognossement vermelde zaken of vervangende schadevergoeding van de vervoerder vorderen. De houder kan deze rechten niet laten uitoefenen door een ander in zijn naam, ook niet wanneer dit uit het cognossement blijkt of de vervoerder door de houder op andere wijze hiervan op de hoogte is gesteld (HR 8-11-1991, NJ 1992, 609, Brouwersgracht). De houder moet rechtmatig houder zijn geworden, wat wil zeggen dat hij het cognossement krachtens geldige titel heeft gekregen of een beroep op de bescherming van artikel 86 lid 3 onderdeel b, van Boek 3 BW kan doen. Hij moet ook regelmatig houder zijn. Dit is in het minder vaak voorkomende geval van een toonder of in blanco geëndosseerd cognossement het geval door het blote houderschap en wanneer het een ordercognossement betreft door de regelmatige reeks van endossementen. Lid 2 houdt in dat de verhouding tussen vervoerder en cognossementhouder wordt beheerst door het cognossement wanneer dit in handen van een derde is. Wat betreft geldvorderingen geldt het cognossement ook tussen vervoerder en afzender indien deze tevens houder van het cognossement is. Uit artikel 442 blijkt dat de houder van een cognossement partij wordt bij de in het cognossement neergelegde vervoerovereenkomst; hij heeft niet alleen de rechten maar ook de plichten uit het cognossement. Dit bleek ook al uit artikel 441 lid 2. Wanneer op grond van artikel 461 meerdere partijen vervoerder onder cognossement zijn, zijn deze hoofdelijk gebonden. Betaling door een van hen aan de cognossementhouder bevrijdt alle vervoerders onder cognossement. Betaling door de houder van het cognossement aan een van de vervoerders, betekent bevrijding jegens alle vervoerders onder cognossement.

  3623. Artikel 461 1. Dit artikel beoogt de houder van het cognossement een makkelijk vindbare schuldenaar te geven. Op grond van lid 1 is dat degene die het cognossement ondertekent of voor wie het cognossement wordt ondertekend. Tevens geldt als vervoerder onder cognossement degene wiens cognossement is gebruikt. Dit geldt dus onafhankelijk van de ondertekening. Wanneer een bedrijf cognossementformulieren laat drukken en dit formulier duidelijk door bijvoorbeeld het logo en een adres afkomstig is van dat bedrijf, dan geldt dat bedrijf als vervoerder onder cognossement, ongeacht wie het ondertekent. 2. Lid 2 geeft aan dat, wanneer het cognossement is ondertekend door de kapitein, de reder en de laatste bevrachter in de keten van artikel 361 vervoerder onder cognossement zijn, mits die laatste bevrachter zelf niet afzender is maar nog een vervoerovereenkomst met een afzender heeft gesloten. Ook de ondertekenaar van lid 1 blijft vervoerder onder cognossement. De reder wordt niet vervoerder onder cognossement wanneer in de keten van exploitatieovereenkomsten de reder een rompbevrachtingsovereenkomst (zie artikel 530) heeft gesloten. De rompbevrachter neemt dan de plaats in van de reder. 3. In cognossementen plegen vaak vage aanduidingen voor te komen die deze of gene als vervoerder aanwijzen. Deze clausules zijn slechts geldig wanneer deze aanwijzing duidelijk is. Wanneer de eigenaar van het schip wordt aangewezen is dit voldoende duidelijk omdat diens identiteit makkelijk uit een register kenbaar is en alle schepen een duidelijk kenbare nationaliteit hebben zodat ook duidelijk is in welk register de eigenaar gezocht kan worden. Wanneer de rompbevrachter wordt aangewezen moet diens identiteit duidelijk uit het cognossement kenbaar zijn. Andere partijen kunnen niet als vervoerder worden aangewezen. Voor de toepassing van dit artikel maakt het geen verschil of het cognossement in handen van de afzender of in handen van een opvolgende houder is.

  3624. Artikel 462 regelt de gevallen, dat het cognossement onbevoegd is uitgegeven of dat de uitgever zijn 2024 -1299- No. 164 bevoegdheid heeft overschreden. De bewijslast van het overschrijden van de bevoegdheid rust op degene die de bevoegdheid heeft verleend. Een schijn van bevoegdheid beschermt de houder van het cognossement slechts wanneer die schijn is opgewekt op het moment van uitgifte van het cognossement; niet geldt het moment van verkrijging van het cognossement. Het zonder enige bevoegdheid uitgeven van een cognossement wordt geregeld in artikel 147 van Boek 6 BW.

  3625. Artikel 480 Wanneer een vervrachter op grond van een cognossement wordt aangesproken, bijvoorbeeld voor schade aan de lading, dan kan deze vervrachter, wanneer hij op grond van zijn vervrachtingovereenkomst niet voor de vordering aansprakelijk is, hiervoor verhaal nemen op de bevrachter, mits het uitgeven van het cognossement op grond van de bevrachting was toegestaan. Door deze voorwaarde wordt vermeden, dat de vervrachter gunstige cognossementen ten koste van de bevrachter uitgeeft.

  3626. Artikel 481 De cognossementhouder levert in de praktijk het cognossement ter verkrijging van de zaak tegen ontvangst van een 'volgbriefje', vergelijkbaar met een reçu. Deze praktijk is gecodificeerd.

  3627. Artikel 482 verklaart delivery-orders uitgegeven door de vervoerder gelijk aan het cognossement. Een delivery-order is een verhandelbaar document waarin de vervoerder belooft de zaken aan de recht- en regelmatige houder uit te leveren. Delivery-orders kunnen ook door cognossementhouders worden uitgegeven. Voor deze documenten geldt het artikel niet. Voor artikel 483 zie artikel 421.

  3628. Artikel 484 regelt de verschuldigdheid van de vracht. De hoofdregel ten aanzien van de vracht geldt ook hier. Vracht moet worden betaald na afloop van het vervoer (zie artikel 29). De leden 2 en 3 noemen beide een geval waarin vracht verschuldigd is zonder dat de zaken zijn afgeleverd. Is de vracht krachtens overeenkomst vooraf verschuldigd, dan blijft deze verschuldigd ook wanneer in het geheel niet ter bestemming wordt afgeleverd.

  3629. Artikel 485 geeft de vervoerder het recht de hoogst mogelijke vracht te vorderen wanneer de bemanning zonder medeweten van de vervoerder verboden lading meeneemt.

  3630. Artikel 486 De tijdbevrachter is van rechtswege geen vracht verschuldigd voor de tijd dat hem het schip niet ter beschikking staat als gevolg van omstandigheden, genoemd in de onderdelen a en b. Bij beschadiging van het schip is irrelevant of dit de bevrachter is toe te rekenen.

  3631. Artikel 487 geeft een verdeling van de exploitatiekosten van het schip. Veelal zullen partijen aanvullende bepalingen overeenkomen. De kosten, die afhankelijk zijn van het concrete gebruik, komen in beginsel ten laste van de bevrachter, die bepaalt welk gebruik van het schip wordt gemaakt. De in artikel 488 genoemde personen zijn aansprakelijk voor de zogenaamde kosten onderweg. Dit zijn veelal de kosten gemaakt ten bate van de lading. De strekking van dit artikel is buiten twijfel te stellen wie deze kosten moet vergoeden en een uitzondering te geven op de regel dat de houder van het cognossement slechts de verplichtingen op zich neemt die kenbaar waren uit het cognossement.

  3632. Artikel 489 bepaalt dat de vervoerder de zaken niet behoeft af te geven wanneer de vracht nog niet is betaald.

  3633. Artikel 490 Wanneer de zaken niet in ontvangst worden genomen door de rechthebbende of wanneer de vervoerder twijfelt over de bevoegdheid van degene die om uitlevering van de zaken vraagt, kan de vervoerder de zaken voor rekening van de rechthebbende opslaan. Hij is dan van zijn vervoersaansprakelijkheid bevrijd. De vervoerder dient op een redelijke wijze te werk te gaan bij het opslaan van de zaken. De bewaarder kan jegens de rechthebbende op de zaken de bedingen van zijn overeenkomst met de vervoerder tegenwerpen (lid 2).

  3634. Artikel 491 2024 -1300- No. 164 De vervoerder kan de rechter in het geval van artikel 490 verzoeken toestemming te geven de zaken voor rekening van de rechthebbende te verkopen. Of de rechter verkoop zal toestaan is aan zijn oordeel overgelaten. Niet is vereist dat de zaken bederfelijk zijn. Ook de bewaarnemer of degene die gerechtigd is aflevering te vragen, kunnen dit verzoek tot de rechter richten.

  3635. Artikel 492 Wanneer de zaken in ontvangst worden genomen, moeten eventuele manco's of beschadigingen aan de vervoerder worden gemeld. Zo niet dan geldt dat deze in juiste staat zijn uitgeleverd. Verborgen gebreken van de lading moeten binnen drie dagen worden gemeld.

  3636. Artikel 493 Hoewel de term ontvanger wordt gebruikt, kan hier ook gedoeld worden op degene die uiteindelijk de zaken niet in ontvangst neemt. Het gaat om een vertaling van de term receptionair van het Brussels cognossementverdrag. Artikelen 494 tot en met 496 Van de mogelijkheid, geboden in deze artikelen, wordt in de praktijk zelden gebruik gemaakt, maar zij fungeert niettemin als stok achter de deur, zodat vervoerders meewerken aan onderzoek. Onderzoek aan boord is slechts mogelijk onmiddellijk na aflevering. Voor een verder gaande mogelijkheid is onvoldoende reden, mede gezien de gunstige bewijspositie van de ontvanger. Afdeling 3 Overeenkomst van personenvervoer over zee Algemene opmerkingen De tekst van deze afdeling is ontleend aan het Verdrag van Athene inzake vervoer van reizigers en hun bagage over zee van 13 december 1974, met limieten die bij het Protocol van Londen van 19 november 1976 zijn verhoogd en in bijzondere trekkingsrechten van het Internationale Monetaire Fonds uitgedrukt (International Transport Treaties I-435 e.v.). Suriname is geen partij bij het Verdrag (evenmin als het Koninkrijk der Nederlanden), zodat de wettekst zich enige vrijheden ten opzichte van de verdragstekst kan veroorloven. Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij artikel 504, dat is ontleend aan artikel 3 van het Verdrag. In dit artikel is het woord 'indien' van het Verdrag vervangen door de zinsnede 'voor zover'.

  3637. Artikel 500 De afdeling is toepasselijk wanneer vervoer per schip over zee is beoogd. Het volgende artikel bepaalt nauwkeuriger wanneer de aansprakelijkheid van de vervoerder begint en eindigt. Ook gratis vervoer valt onder deze afdeling. De aansprakelijkheid van iemand die een ander meeneemt op zijn jacht wordt naar deze afdeling beoordeeld, tenzij er geen vervoerovereenkomst is. De afdeling onderscheidt tussen hutbagage en andere bagage. De aansprakelijkheid voor hutbagage is een lichtere dan die voor andere bagage. Levende dieren, die de reiziger meevoert worden beschouwd als bagage, niet als hutbagage. Auto's zijn geen hutbagage, maar de voorwerpen in de auto wel.

  3638. Artikel 501 geeft aan voor welke periode de vervoerder aansprakelijk is. Deze periode is verschillend voor bagage, hutbagage en reiziger. Wanneer aan de voorwaarden van het artikel is voldaan, valt ook vervoer van en naar het schip over water onder deze afdeling. Dit artikel is een weergave van artikel 1, onder 8, van het Verdrag van Athene.

  3639. Artikel 502 Zoals ook elders in dit wetboek is de bevrachtingsovereenkomst een vervoerovereenkomst. Gedeeltelijke bevrachting is niet mogelijk. Het door de vervoerder ter beschikking stellen van een hut mag daarom niet als bevrachting worden beschouwd. Zie voor artikel 503 de toelichting bij artikel 372. 2024 -1301- No. 164

  3640. Artikel 504 regelt de aansprakelijkheid van de vervoerder. Het artikel onderscheidt tussen aansprakelijkheid voor reizigers, bagage en hutbagage. De aansprakelijkheid voor reizigers is een lichtere dan die voor het goederenvervoer, omdat de reiziger op het schip een grote mate van bewegingsvrijheid heeft. Het verschil komt voornamelijk maar niet alleen tot uiting in de bewijslast. De reiziger moet bewijzen dat het voorval dat de oorzaak is van de schade, aan de vervoerder valt toe te rekenen. Wanneer behalve de vervoerder ook een ander aansprakelijk is voor het voorval, is op grond van lid 4 niettemin de vervoerder geheel aansprakelijk, tenzij behalve de aan de ander toe te rekenen oorzaak geen enkele andere omstandigheid voor rekening is van de vervoerder. Dit is mogelijk door de zinsnede 'voor zover' in lid 1. Wanneer een van de in lid 2 genoemde scheepsrampen zich voordoet, wordt vermoed dat dit de vervoerder kan worden toegerekend. Hij kan tegenbewijs leveren. In lid 3 wordt bepaald, dat de vervoerder aansprakelijk is voor eventuele gebreken van het schip. Dit is een afwijking van de regeling voor het vervoer over zee van zaken. Deze regel dient ter voorkoming van een veelheid van procedures die zich wel heeft voorgedaan bij het vervoer van zaken over zee.

  3641. Artikel 505 Voor hutbagage is de vervoerder op dezelfde voet aansprakelijk als voor reizigers.

  3642. Artikel 506 Voor bagage geldt de gewone aansprakelijkheid van de vervoerder. Niet geldt de aansprakelijkheidsregeling van de vervoerder van zaken over zee.

  3643. Artikel 507 Men neemt vaak kostbaarheden mee naar vakantiebestemmingen vanwege het gevaar van diefstal bij afwezigheid. Deze bepaling is afkomstig uit het Verdrag van Athene. Het gaat in artikel 508 om zaken die een reiziger meeneemt en die de vervoerder niet ten vervoer zou hebben aanvaard wanneer hij had geweten dat de reiziger deze mee zou nemen.

  3644. Artikel 509 Anders dan bij de aansprakelijkheid van de vervoerder, rust bij de aansprakelijkheid van de reiziger voor de vervoerder berokkende schade de bewijslast van het niet toerekenbaar zijn van de oorzaak bij de reiziger zelf. De vervoerder heeft meestal geen enkel inzicht in de omstandigheden die de oorzaak zijn van dergelijke schade.

  3645. Artikel 510 geldt ook voor vervoer van hut- en andere bagage.

  3646. Artikel 511 is gelijk aan artikel 15 van het Verdrag van Athene. Soortgelijke bepalingen komen in het gehele vervoerrecht voor en hebben in het algemeen de strekking de vervoerder te beschermen tegen late vorderingen waartegen het moeilijk is een sluitend verweer te voeren. Deze verplichting geldt alleen voor hut- en andere bagage. De bevoegdheid van artikel 512 is de vervoerder gegeven omdat het goed mogelijk is dat reizigers gevaarlijke zaken meenemen of zelfs uit zijn op terroristische activiteiten.

  3647. Artikel 513 Wanneer de reiziger medeschuld heeft aan de schade, moet daarmee rekening worden gehouden bij de vaststelling van de schadevergoeding.

  3648. Artikel 514 Indien de reiziger aan een hulppersoon van de vervoerder het verzoek doet diensten te bewijzen waartoe de vervoerder niet verplicht is, is bij schadeberokkening niet de vervoerder aansprakelijk.

  3649. Artikel 515 2024 -1302- No. 164 Zeker bij een onzekere activiteit als vervoer over zee kan de vervoerder niet instaan voor het stipt uitvoeren van een dienstregeling. Daarom is in de wet opgenomen, dat de vervoerder niet voor vertraging aansprakelijk is wanneer de vervoerder een dienstregeling uitvoert. De uitsluiting geldt ook voor het verlaat beginnen aan het vervoer.

  3650. Artikel 516 De vervoerder is, in afwijking van artikel 515, wel aansprakelijk voor vertraging in de aflevering van de bagage na aankomst van het schip. De vervoerder is niet aansprakelijk wanneer de vertraging is opgelopen bij het begin van het vervoer.

  3651. Artikel 517 geeft een regel voor andere schade dan dood en letsel of beschadiging van hut- en andere bagage. De vervoerder is voor deze schade niet aansprakelijk wanneer deze wordt veroorzaakt door navigatiefouten. Artikelen 518 tot en met 518d Hierin is de limiteringsregeling van het Verdrag van Athene neergelegd. In Nederland zijn de bedragen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, omdat men indertijd de bedragen uit het Verdrag te laag achtte. Aangezien deze bedragen echter bij het Protocol van 1990 zijn verhoogd, is er in dit opzicht geen goede reden meer om in de wettekst niet het Verdrag te volgen. Doordat de bedragen zijn uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten van het Internationale Monetaire Fonds (zie artikel 518b in verbinding met artikel 759), vindt van rechtswege aanpassing aan de geldontwaarding plaats.

  3652. Artikel 519 Voor alle limieten in het vervoerrecht geldt een soortgelijke bepaling. Deze bepaling is ontleend aan artikel 13 van het Verdrag van Athene.

  3653. Artikel 520 is ontleend aan artikel 18 van het Verdrag van Athene.

  3654. Artikel 521 In verband met de mogelijkheid dat deze afdeling ook van toepassing is op kosteloos vervoer heeft de rechter de, hem reeds op grond van artikel 109 van Boek 6 toekomende, bevoegdheid de schadevergoeding te matigen. De artikelen 107 en 108 van Boek 6 zijn op deze schadevergoeding van toepassing, onder andere wat betreft de vraag wie in geval van dood schadevergoeding kan vorderen. Deze artikelen zijn niet van toepassing wanneer bijvoorbeeld een bevrachter op zijn vervrachter als vervoerder regres neemt.

  3655. Artikel 522 De reiziger moet op tijd aanwezig zijn; alle oorzaken van verhindering zijn voor zijn rekening. Achtergrond hiervan is dat het voor de vervoerder zeer veel meer bezwarend en kostbaarder is om het vervoermiddel tijdig aanwezig te doen zijn dan het voor de reiziger is om tijdig aanwezig te zijn; vervangende reizigers zijn niet altijd op afroep beschikbaar.

  3656. Artikel 523 is gebaseerd op de risicogedachte van het voorgaande artikel. De artikelen 524 en 525 geven partijen de bevoegdheid de overeenkomst te beëindigen wanneer niet van hen kan worden gevergd het vervoer voort te zetten. Dit is het geval wanneer de reiziger ziek wordt of de vervoerder de plannen wijzigt en van plan is door onveilige gebieden te vervoeren. De rechter moet beoordelen of er plaats is voor schadevergoeding.

  3657. Artikel 526 De reiziger kan, wanneer de vervoerder inderdaad de overeenkomst als beëindigd beschouwt, niet eisen in een ander schip te worden vervoerd.

  3658. Artikel 528 De wet kent niet een met artikel 461 vergelijkbare regeling, omdat de in het zeevervoer van personen 2024 -1303- No. 164 gebruikelijke biljetten voldoende duidelijk zijn. Afdeling 4 Enige bijzondere overeenkomsten

  3659. Artikel 530 De rompbevrachting is een bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, die meestal de reder (eigenaar) van het schip is, de gehele exploitatie van het schip in handen van de rompbevrachter legt. De rompbevrachter heeft de economische eigendom van het schip. De kapitein is in dienst van de rompbevrachter en de reder heeft geen zeggenschap meer over het schip. De rompbevrachter exploiteert het schip en de rompvervrachter zal vaak niet meer zijn dan de financier.

  3660. Artikel 531 Bevrachting anders dan ten vervoer van zaken of personen komt regelmatig voor. Het schip kan dienstdoen als hotelschip of ter opwekking van elektriciteit en voor de visserij. TITEL 6 ONGEVALLEN Afdeling 1 Aanvaring Inleidende opmerkingen Deze afdeling is voor een groot deel een weergave van het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende aanvaring van 23 september 1910, gesloten te Brussel. Centraal in dit verdrag is de aansprakelijkheidsgrondslag voor de aanvaring. De wettekst geeft een ruime toepassing aan de aanvaringstitel. Blijkens artikel 542 is deze afdeling van toepassing op alle gevallen waarin een schip schade veroorzaakt. De bepalingen omtrent de onrechtmatige daad zijn, voor zover daar in deze afdeling van wordt afgeweken, niet van toepassing wanneer een schip schade veroorzaakt. In artikel 540 wordt de enge definitie van aanvaring gegeven. Deze omschrijving moet worden gelezen in samenhang met artikel 541, waar het bereik van deze afdeling belangrijk wordt uitgebreid.

  3661. Artikel 541

  3662. Artikel 13 van het Aanvaringsverdrag geeft een uitbreiding tot de schade door een schip buiten aanvaring toegebracht aan of aan boord aan een ander schip, maar dit alleen wanneer deze wordt toegebracht 'par exécution ou omission d'une manoeuvre soit par in observation des règlements' (hetzij door het uitvoeren of nalaten van een manouvre, hetzij door niet-naleving der regelementen). Artikel 541 gaat verder. Men denke aan het onmatig rook verspreiden, het exploderen, een haven in brand steken en het vervuilen van stranden.

  3663. Artikel 542 De aansprakelijkheid voor alle schade veroorzaakt door een schip moet aan de hand van deze afdeling worden beantwoord.

  3664. Artikel 544 legt als grondslag van de aansprakelijkheid de schuld van het schip vast en wijst de reder als debiteur van de vordering wegens aanvaring aan. 2024 -1304- No. 164 In artikel 545 is niet de tekst van het Brusselse aanvaringsverdrag gevolgd maar die van het verdrag van Genève van 15 maart 1960 tot vaststelling van enige eenvormige regelen inzake aanvaring in de binnenvaart, die moderner en duidelijker is. Wanneer twee schepen elkaar aanvaren en beide schepen hebben daaraan schuld, wordt de aansprakelijkheid tussen beide verdeeld naarmate hun schuld aan de schade heeft bijgedragen. In het midden wordt gelaten of het gaat om de ernst van het verwijt dan wel om de mate van causaal verband met de schade. Tegenover derden zijn de beide schepen hoofdelijk aansprakelijk, behalve voor de schade aan de zaken aan boord van de schepen.

  3665. Artikel 546 De eerste zin is een weergave van artikel 6 lid 2, van het Brusselse aanvaringsverdrag. Geen der aan de aanvaring gewijde bepalingen mag zo gelezen worden, dat deze een vermoeden van schuld zou neerleggen. Het Verdrag regelt niet de aanvaring met vaste voorwerpen, zodat het de wetgever vrijstaat voor die gevallen wettelijk vast te leggen, dat het schip vermoed wordt schuld te hebben. Afdeling 2 Hulpverlening De meeste bepalingen van deze afdeling zijn ontleend aan het Hulpverleningsverdrag 1989 (Internationaal Verdrag inzake hulpverlening op zee, Londen 28 april 1989). Ook dit verdrag kan na de onderhavige aanpassing van de wetgeving hier te lande gelding krijgen.

  3666. Artikel 551 Hulpverlening behoeft noch van een schip noch aan een schip verleend te worden. Blijkens artikel 551, onderdeel c, is de afdeling slechts niet van toepassing wanneer deze wordt verleend aan een blijvend en opzettelijk aan de kust vastgemaakt voorwerp. Het artikel stelt de aan het Verdrag ontleende eis dat, wil er sprake zijn van hulpverlening, het schip in gevaar moet zijn ten tijde van het verlenen van de hulp.

  3667. Artikel 553 Uitgesloten van deze afdeling is cultureel erfgoed. Het is onwenselijk middels de mogelijkheid van het toekennen van een hulploon te bevorderen dat ondeskundigen zich hiermee gaan bezighouden.

  3668. Artikel 555 breidt de toepasselijkheid van de afdeling uit tot hulpverlening aan niet noodzakelijkerwijs zich in het water bevindende voorwerpen.

  3669. Artikel 556 De vordering tot hulploon wegens hulpverlening is een vordering uit de wet vergelijkbaar met die op grond van zaakwaarneming, met dit belangrijke verschil dat het hulploon niet slechts een vergoeding van gemaakte kosten is, maar ook een daarbovenuitgaande beloning. Omtrent de hulpverlening wordt evenwel dikwijls toch een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst wordt meestal gesloten op de voorwaarden van het standaardformulier van Lloyd's: Lloyd's open form (LOF). Omdat dergelijke overeenkomsten onder voor de hulpbehoevende bezwarende omstandigheden tot stand komen, is in dit artikel buiten twijfel gesteld op welke gronden de rechter de bevoegdheid heeft de overeenkomst te vernietigen of te wijzigen.

  3670. Artikel 561 legt het voor de hulpverlening kenmerkende beginsel neer, dat hulploon slechts verschuldigd is wanneer de hulpverlening is geslaagd: het zogenaamde no cure-no pay beginsel. Een van de achtergronden van deze regel is dat het de hulpverlener aanzet tot het volharden in de hulpverlening, ook wanneer dit met meer inspanningen gepaard gaat dan was voorzien. Nieuw is het voorbehoud van artikel 564. Deze uitzondering op het no cure-no pay beginsel - ontleend aan het Verdrag van 1989 - is gegeven in het belang van de bescherming van het milieu tegen vervuiling door schepen. 2024 -1305- No. 164

  3671. Artikel 563 Wanneer de hoogte van het hulploon niet bij overeenkomst is vastgesteld, wordt dit door de rechter of arbiter bepaald. Voor de hoogte van het hulploon geldt een maximum van de geredde waarde van het schip samen met waarde van de geredde zaken. Het artikel somt een aantal factoren in willekeurige volgorde op waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van het hulploon. Deze opsomming is niet uitputtend. Uitgangspunt is, dat het hulploon een reële aanmoediging tot het daadwerkelijk verlenen van hulp is. Het hulploon dient zodanig te zijn, dat een efficiënte hulpverleningsorganisatie kan bestaan. Een belangrijke factor zal dan ook vaak zijn of de hulpverlening min of meer toevallig wordt verleend of door professionals. Ook de waarde en de kosten van het bedrijfsklaar houden van het materiaal dat bij de hulpverlening wordt gebruikt, spelen een belangrijke rol. De reder is de debiteur van het hulploon.

  3672. Artikel 564 Wanneer de hulpverlener kosten maakt ter voorkoming van milieuschade, zoals gedefinieerd in artikel 551, onderdeel d, geldt op grond van het onderhavige artikel een uitzondering op de regel van artikel 561. Hulpverleners zullen niet spoedig dergelijke kosten maken wanneer de kans aanwezig is dat zij deze niet vergoed krijgen bij het mislukken van de hulpverlening. Vanwege het belang dat hulpverleners zich deze inspanningen wel getroosten, kunnen zij op grond van dit artikel toch een vergoeding krijgen, ook wanneer de hulpverlening is mislukt. Lid 3 geeft aan hoe de vergoeding moet worden berekend. Wanneer de hulpverlener een hulploon ontvangt dat geringer is dan de vergoeding die hij op grond van dit artikel kan ontvangen wanneer hij geen hulploon zou krijgen, wordt het hulploon aangevuld tot de hoogte van die - fictieve - vergoeding. Wanneer de hulpverlener daadwerkelijk milieuschade heeft weten te voorkomen, kan de hulpverlener 30% van de gemaakte kosten extra ontvangen en in uitzonderlijke omstandigheden zelfs 100%. Artikelen 566 tot en met 570 Deze artikelen regelen wie recht heeft op hulploon en wie de vaststelling van dit hulploon in rechte kan vorderen. Hierbij wordt onderscheiden tussen groepen en personen die onafhankelijk van elkaar zijn opgetreden en groepen en personen die afhankelijk van elkaar als groep hulp hebben verleend. De personen of groepen die onafhankelijk van elkaar hulp hebben verleend, hebben ieder zelfstandig recht op hulploon en kunnen ook ieder zelfstandig de vaststelling van dit hulploon vorderen. Het totale hulploon mag het maximum van de geredde waarde niet overstijgen. Is de hulp door groepen of personen afhankelijk van elkaar gegeven, dan hebben zij gezamenlijk recht op hulploon. Artikel 567 beschermt de bemanning van een schip. Het is niet mogelijk in de arbeidsovereenkomst van tevoren afstand te doen van een eventueel hulploon. Geen hulploon is verschuldigd wanneer tussen partijen reeds een overeenkomst bestond en de werkzaamheden niet uitgaan boven wat redelijkerwijs als een uitvoering van die overeenkomst kan worden beschouwd (artikel 568 lid 3). Afdeling 3 Averij-grosse Algemene opmerkingen Wanneer tijdens de reis een averij-grosse handeling zoals omschreven in artikel 610 wordt gepleegd, worden de kosten daarvan omgeslagen over de belanghebbenden. Averij-grosse is een oude zeerechtelijke figuur. In alle zeevervoerovereenkomsten wordt voor de regeling van de averij-grosse verwezen naar de York-Antwerp Rules. Dit zijn standaardvoorwaarden die regelmatig worden gewijzigd. Ook de wet verwijst naar deze voorwaarden in artikel 613. De wet moet niettemin een summiere regeling van de averij-grosse bevatten, omdat de York-Antwerp Rules van toepassing worden verklaard met de zinsnede 'General average, if any...', wat betekent, dat vooraf reeds moet vaststaan, dat er sprake is van averij-grosse. 2024 -1306- No. 164 TITEL 7 BEPERKING VAN AANSPRAKELIJKHEID 1. Deze titel is ontleend aan het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de beperking van de aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, zoals gewijzigd – met name wat betreft de hoogte der limieten – bij het op 2 mei 1996 te London tot stand gekomen Protocol. De beperking van de aansprakelijkheid van scheepseigenaren is een eeuwenoud zeerechtelijk instituut. Deze beperking wordt de globale beperking van aansprakelijkheid genoemd. Naast deze globale beperking staat de unit-limitation van artikel 488. De globale beperking van aansprakelijkheid voor zeerechtelijke vorderingen wordt gestalte gegeven door de aansprakelijkheid te beperken door deze afhankelijk te laten zijn van de tonnage van het schip. 2. Een kenmerk van de moderne vorm van beperking van aansprakelijkheid, is dat niet alleen de eigenaar een beroep op de beperking kan doen, maar iedereen die bij de exploitatie is betrokken. Dit blijkt uit artikel 750 lid 2. Voorts volgt uit lid 1 in samenhang met lid 3, dat de hulpverlener, die werkzaamheden verricht in onmiddellijk verband met de hulpverlening, zijn aansprakelijkheid kan beperken. Artikel 751 bepaalt dat ook degenen voor wie de reder of hulpverlener aansprakelijk is, een beroep op deze titel kunnen doen. Dit is zo bepaald om omzeiling van de regeling tegen te gaan. Lid 2 van laatstgenoemd artikel noemt de verzekeraar. Dit kan van pas komen, wanneer er een rechtstreekse actie tegen de verzekeraar kan worden ingesteld. 3. De artikelen 752 en 753 bepalen voor welke vorderingen de aansprakelijkheid kan worden beperkt. Het eerstgenoemde artikel somt een aantal vorderingen op waarvoor de aansprakelijkheid kan worden beperkt; het laatstgenoemde artikel noemt enkele vorderingen waarvoor geen beperking mogelijk is. 4. Artikel 752 lid 1 onderdeel a, noemt de schade aan zaken en personen, die rechtstreeks in verband staat met de exploitatie van het zeeschip of aan boord is opgekomen. Het betreft hier vorderingen die ontstaan door scheepsongevallen. De term exploitatie van het schip moet ruim worden opgevat. Ook administratieve fouten die tot schade leiden, vallen onder de exploitatie van het schip. Ook degene op wie regres wordt genomen voor dergelijke schade kan op grond van lid 2 een beroep op de beperking doen. 5. Op grond van artikel 753 lid 2, geldt het systeem van de saldo-aansprakelijkheid. Wanneer uit één voorval voor twee partijen wederzijds vorderingen voortvloeien, zijn niet beide vorderingen zelfstandig vatbaar voor beperking, maar alleen het saldo van beide vorderingen. Dit saldosysteem kan ten voordele uitvallen van de andere voor beperking vatbare vorderingen. De te verrekenen vorderingen moeten wel aan de eisen voor verrekening voldoen. In het kader van de beperking van aansprakelijkheid moet worden onderscheiden tussen enerzijds letsel en dood van personen, met uitzondering van letsel en dood van passagiers waarvoor een apart fonds beschikbaar is, en anderzijds zaakschade. De beperking werkt door het instellen van een fonds, dat wil zeggen een afgezonderd vermogen. Pas door het instellen van het fonds is de aansprakelijkheid voor de schade beperkt. Uit dit fonds moeten dan de voor beperking in aanmerking komende vorderingen worden vergoed naar rato van de hoogte van de vordering. De regeling voorziet in vier verschillende fondsen; een personenfonds (artikel 755 lid 1 onderdeel a), een zakenfonds (artikel 755 lid 1 onderdeel b), een wrakkenfonds (artikel 755 lid 1 onderdeel c) en een passagiersfonds (artikel 756). Elk van deze vier schadesoorten heeft zijn eigen fonds en deze vorderingen concurreren daarom niet met elkaar. Zie ook de nieuwe artikelen 642a tot en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2024 -1307- No. 164 V. LUCHTRECHT TITEL 15 HET LUCHTVAARTUIG De tekst van deze titel komt neer op een meer overzichtelijk geordende versie van de huidige Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen. Bovendien diende een aanpassing plaats te vinden aan het nieuwe vermogensrecht (men zie bijv. artikel 1306) en aan de mede voor te boek gestelde luchtvaartuigen geldende Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 BW. Voorts is van belang dat de beslag- en executiebepalingen zijn overgebracht naar het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 584a e.v. en 729 e.v. Rv). Het gaat hier derhalve slechts om de regels betreffende de rechten en de voorrechten op luchtvaartuigen, dus niet om de exploitatie, aansprakelijkheden, enz. Men zie voor een definitie van het begrip 'luchtvaartuig' artikel 3a. De bepalingen stemmen grotendeels overeen met de Nederlandse pendanten, welke tot stand kwamen bij de wet van 26 januari 1995, Stb. 283; voor de Nederlandse memorie van toelichting zij verwezen naar de Bijlagen bij de Handelingen der Tweede kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 814, nr. 3.

  3673. Artikel 1300 Men lette erop dat de hier bedoelde de openbare registers niet moeten worden verward met het nationaliteitsregister (luchtvaartuigregister); zie artikel 6 Wet veiligheid en Beveiliging Burgerluchtvaart, S.B. 2002 no. 24). Het nationaliteitsregister heeft een administratieve functie, de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 hebben daarentegen een vermogensrechtelijke betekenis. Ten aanzien van de openbare registers raadplege men, behalve genoemde afdeling van Boek 3 BW, de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Er is een bewaarder, die de leiding heeft ten aanzien van alle vier soorten registers: de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn (a), de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn (b), de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn (c) en het register van voorlopige aantekeningen onderscheidenlijk voor onroerende zaken, schepen en luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn (d).

  3674. Artikel 1301 is nieuw. Het sluit aan bij wat voor zeeschepen geldt (men zie artikel 192). Het gaat hier om twee verplichtingen van de eigenaar, namelijk die van artikel 1303 lid 4, tweede volzin en artikel 1304 lid 2.

  3675. Artikel 1303 Het facultatieve karakter van de teboekstelling is gehandhaafd; men zie ook artikel 1304. Is een luchtvaartuig niet overeenkomstig het onderhavige artikel te boek gesteld, dan zijn daarop de bepalingen van toepassing betreffende roerende zaken. In lid 2 – dat nieuw is – wordt er rekening mee gehouden dat in sommige landen, waar het Verdrag van Genève (zie artikel 1300) niet van kracht is, een civielrechtelijk register bestaat vergelijkbaar met dat van artikel 1302. Een dergelijke bepaling geldt ook in het zeerecht (artikel 194 lid 2).

  3676. Artikel 1304 Dit artikel stemt overeen - behoudens de benodigde terminologische aanpassingen - met artikel 4 van de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen; het bepaalde in lid 1 onderdeel b, onder 3, heeft betrekking op de Surinaamse nationaliteit. Luchtvaartuigen die geregistreerd zijn in het Surinaamse luchtvaartuigregister hebben de Surinaamse nationaliteit (artikel 7 Wet veiligheid en Beveiliging Burgerluchtvaart, S.B. 2002 no. 24; zie ook de Surinaamse Luchtvaartwet 1935, G.B. 1955 no. 69). Ten aanzien van het zeerecht vergelijke men artikel 195. De formeelrechtelijke bepalingen van lid 2 van artikel 4 van de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen zijn verplaatst naar artikel 624 van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Evenals onder de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen waakt het onderhavige artikel zoveel mogelijk tegen een dubbele teboekstelling. Zo is een buitenlandse koper van een hier te lande teboekstaand onbelast vliegtuig verplicht als eigenaar de teboekstelling hier te lande te laten doorhalen, zodra het vliegtuig geen Surinaams vliegtuig meer is (artikel 1304 lid 1 onderdeel b, onder 3). Hier te lande wordt degene die door 2024 -1308- No. 164 middel van een executoriale verkoop hier eigenaar van een buitenlands vliegtuig wordt, in de gelegenheid gesteld dit vliegtuig in de openbare registers te boek te stellen, onafhankelijk van de medewerking van de buitenlandse geëxecuteerde tot doorhaling in het buitenlands register (artikel 1303 lid 3). Als complement bepaalt artikel 1304 lid 1 onderdeel b, onder 4 en lid 2 dat als een Surinaams vliegtuig in andere handen overgaat vanwege een overeenkomstig het Verdrag van Genève geschiede executie in een Verdragsstaat buiten Suriname en de koper zijn vliegtuig in een verdragsregister heeft te boek gesteld, de eigenaar/koper verplicht is de doorhaling in de openbare registers hier te lande te verzoeken. Ook ambtshalve kan in zo'n geval tot doorhaling worden overgegaan.

  3677. Artikel 1305 De redactie van dit artikel sluit aan bij die van artikel 197. De thans voorgestelde opzet correspondeert beter met artikel 1 lid 1, van het Verdrag van Genève. In het bijzonder komt duidelijker dan in de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen naar voren dat de op een teboekstaand luchtvaartuig te vestigen rechten limitatief zijn opgesomd; zo is vruchtgebruik uitgesloten. Voorts is tot uiting gebracht dat de hypotheek slechts gevestigd kan worden op het luchtvaartuig zelf en niet op de zakelijke rechten die op het luchtvaartuig rusten. In artikel 1307 is aan een verjaringstermijn van vijf jaar de voorkeur gegeven. Dit strookt meer met de huidige langere levensduur van luchtvaartuigen. De verlenging past bovendien in het streven naar uniformering van het scheepsrecht en luchtrecht. De verjaring kan op grond van artikel 17 lid 1 onderdeel i, van Boek 3 BW worden ingeschreven in de openbare registers. De verjaring is in dit artikel limitatief geregeld. De zakelijke rechten die in de artikelen 1308 en 1309 geregeld zijn, kunnen dus niet door verjaring ontstaan.

  3678. Artikel 1308 In dit artikel is opgenomen hetgeen in artikel 8 van de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen en artikel I lid 1 onder b, van het Verdrag van Genève is geregeld. De ruime omschrijving is gehandhaafd om de toepassing van buitenlandse rechtsfiguren die hier te lande onbekend zijn, niet te frustreren. Het zakelijk recht wordt op grond van artikel 89 lid 4, in verbinding met artikel 98 van Boek 3 BW gevestigd door inschrijving van de notariële akte van vestiging in het openbare register. Lid 2 van artikel 8 van de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen keert niet terug. Het is overbodig geworden door artikel 24 van Boek 3 BW in combinatie met de eis van beschikkingsbevoegdheid voor het vestigen van zakelijke rechten (artikel 84 lid 1 in verbinding met artikel 98 van Boek 3 BW). Voorts bestaat geen behoefte aan het voorbehoud als vervat in de aanhef van lid 2 van artikel 8 van de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen, omdat artikel 1319 in verbinding met de tweede volzin van artikel 1320 lid 4 al duidelijk maakt dat de onderhavige zakelijke rechten niet kunnen worden tegengeworpen aan de crediteur die voor de in artikel 1317 genoemde voorrechten verhaal neemt. Wat betreft het bestaande artikel 5 lid 1 van de Wet te boek gestelde Luchtvaartuigen zij opgemerkt dat ingevolge artikel 1557 lid 4 onder c, van Boek 7A BW, koop en verkoop op afbetaling in de zin der wet niet zijn de overeenkomsten welke betrekking hebben op luchtvaartuigen teboekstaand in de openbare registers. Het recht van wederinkoop is in de nieuwe kooptitel (titel 1 van Boek 7 BW) komen te vervallen.

  3679. Artikel 1309 In lid 2 is uitdrukkelijk vastgelegd dat de huurovereenkomst de titel van vestiging is. Het recht moet gevestigd worden overeenkomstig artikel 89 lid 4, in verbinding met 98, van Boek 3 BW. Afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst, kan een leaseovereenkomst onder de omschrijving van een huurovereenkomst vallen. Artikelen 1315 e.v. De regeling van de voorrechten sluit zoveel mogelijk aan - voor zover het Verdrag van Genève dat toestaat - bij de voorrechten op zeeschepen. Wat betreft de kosten tot behoud na het beslag gemaakt (artikel 1315), zie ook artikel 584n lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 1316 houdt ermee verband dat het Verdrag van Genève geen voorrang erkent voor een vordering waarvoor retentierecht bestaat. VII. SLOTBEPALINGEN 2024 -1309- No. 164 TITEL 20 VERJARING EN VERVAL Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikelen 1700 en 1701 Door artikel 1700 is een wijziging van een verjaringstermijn bij nadere overeenkomst nietig, wanneer het aansprakelijkheidsregime waar deze termijn deel van uitmaakt, dwingendrechtelijk is. Artikel 1701 geeft daarop de uitzondering dat dit wel mogelijk is wanneer het feit, dat de rechtsvordering heeft doen ontstaan reeds heeft plaatsgevonden. Dit is een uitzondering op de algemene regeling van verjaring in Boek 3 (artikel 322 lid 3).

  3680. Artikel 1702 wijkt af van artikel 321 lid 1 onderdeel f, van Boek 3 omdat de verdragen waarop dit wetboek is gegrond deze uitzondering niet toelaten. Afdeling 2 Goederenvervoer In artikel 1710 worden de begrippen uit deze afdeling omschreven, teneinde overbodige herhalingen te voorkomen.

  3681. Artikel 1711 Alle vorderingen uit de vervoerovereenkomst, zowel die tegen de vervoerder als die van de vervoerder, verjaren door verloop van een jaar. Deze termijn geldt voor alle vervoerovereenkomsten met welk vervoermiddel dan ook uitgevoerd.

  3682. Artikel 1712 geeft in verband met het Brussels cognossementverdrag een uitzondering (vervaltermijn van één jaar). De artikelen 1713 tot en met 1719 geven weer wanneer precies de verjaringstermijn begint te lopen.

  3683. Artikel 1720 geeft een aanvullende termijn van drie maanden op de termijn van één jaar voor het regres van de aansprakelijke vervoerder op een partij bij de exploitatie-keten. Lid 2 geeft verschillende momenten waarop die drie maanden-termijn kan aanvangen; daarbij geldt dat het eerste moment bepalend is. Voor het geheel van de termijn samen met de aanvullende drie maanden termijn geldt dat deze nooit korter kan zijn dan de termijn die met de drie maanden termijn wordt aangevuld.

  3684. Artikel 1722 Wanneer de afdeling omtrent gecombineerd vervoer van toepassing is, geldt het op elk deel toepasselijke recht. Met betrekking tot de verjaring geldt als dag van aflevering niet de aflevering onder de deel- vervoertrajecten maar de aflevering op de eindbestemming van de gecombineerd vervoerovereenkomst. Voor het regres op de ondervervoerders kan de gecombineerd vervoerder een beroep doen op de extra drie maanden van artikel 1720. Dit betekent een lichte verzwaring van de positie van de ondervervoerder. Afdeling 4 Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen

  3685. Artikel 1740 Voor de expeditie geldt een kortere termijn dan de een jaarstermijn, omdat zo de expediteur de tijd heeft om de vervoerder aan te spreken.

  3686. Artikel 1741 is gelijk aan artikel 1720. Afdeling 5 Vervoer van personen 2024 -1310- No. 164 Voor vervoer van personen geldt in beginsel een termijn van een jaar. De meest voorkomende vordering, die van de reiziger tegen de vervoerder wegens letsel, verjaart echter in drie jaar (artikel 1751 lid 1). Voor de vordering vanwege de dood van een reiziger geldt een bijzondere regel (artikel 1751 lid 2). In het bijzonder zijn hier van belang de termijnen van artikel 1753. Dit zijn bijzondere termijnen waarbinnen ter zake van vorderingen wegens letsel of dood van de reiziger of andere in het artikel genoemde vorderingen, aan de vervoerder melding moet worden gedaan van het voorval of ongeval. Dit zijn geen verjaringstermijnen. Het gaat om een voorwaarde op straffe van het niet vervuld zijn alle vorderingen vervallen. Artikel 1754 is inhoudelijk weer gelijk aan artikel 1720. Afdeling 9 Aanvaring 1. Hier geldt een termijn van twee jaar en wel voor het ruime aanvaringsbegrip van artikel 542.

  3687. Artikel 1792 geeft een verlenging van de termijn voor het geval het schip niet in beslag genomen kan worden binnen de staat van de woonplaats of zetel van de schuldeiser. 2. Op grond van artikel 1792 lid 2, geldt het vermoeden dat het schip niet in de staat van de schuldeiser in beslag kon worden genomen, wanneer de vordering wegens aanvaring binnen vijf jaar na de aanvaring, genoemd in lid 1 onderdeel b, wordt ingesteld. Volgens artikel 1792 lid 1, onderdeel a, loopt de verlenging ook af drie maanden na het moment, dat het schip in beslag genomen kon worden. Afdeling 10 Hulpverlening

  3688. Artikel 1820 De termijn is ook hier twee jaar. Deze geldt voor alle uit de hulpverlening voortspruitende vorderingen, niet alleen voor de hulploonvordering.

  3689. Artikel 1821 Wanneer het hulploon is vastgesteld, moet het worden verdeeld over de tot het hulploon gerechtigden (zie de artikelen 566 tot en met 570). Wanneer deze gerechtigden niet tot overeenstemming komen, kan de rechter op vordering van de meest gerede partij deze verdeling vaststellen. Deze vordering verjaart drie maanden na de verjaring van de vordering tot hulploon. Afdeling 11 Averij-grosse De dispache is de vaststelling van de geleden verliezen en gemaakte kosten, de vaststelling van hetgeen van deze kosten en verliezen als averij-grosse moet worden omgeslagen, de vaststelling van de dragende waarden en de berekening van de omslag (zie artikel 1831). Het opstellen van de dispache is het werk van de dispacheur. Door de homologatie van de dispache worden partijen gebonden aan de dispache. Zie voorts de artikelen 641 en 641a van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

The New Civil Code of Suriname · Nelum