تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين هولندا

North Sea Programme 2022 – 2027

صدر في 2022-03 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

العنوان الأصلي
Programma Noordzee 2022 – 2027.
اللغة
Dutch
النوع
policy
الدولة
هولندا
الموضوعات
Energy, Environment, Food and nutrition, Fisheries and aquaculture, Sea, Water
الكلمات المفتاحية
protection of environment, environmental impact assessment (EIA), sustainable use, marine mammals, stock enhancement/repopulation, fishery management and conservation, fishing gear/fishing method, aquatic animals, aquatic plants, crustaceans, food sovereignty, water resources management, flood, hazards, energy conservation/energy production, renewable energy, marine spatial planning, ecosystem conservation, marine area, navigation, international cooperation, drainage/land reclamation, marine pollution, EEZ-Exclusive Economic Zone, territorial sea, mariculture, maritime zone, pollution control, blue economy

أين تقرؤه

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. 5.2 Visie, ambitie en opgaven 57 Samenvatting 6 5.3 Beleid 59

  2. 5.4 Beheer 70 1 Totstandkoming van beleid voor de Noordzee 13

  3. 1.1 Maatschappelijke aanleiding 13 6 Zeescheepvaart 73

  4. 1.2 Juridisch kader 13 6.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen 73

  5. 1.3 Ruimtelijke inkadering 14 6.2 Visie, ambitie en opgaven 75

  6. 1.4 Bestuurlijke inkadering 15 6.3 Beleid 76

  7. 1.5 Relatie met internationale verdragen en richtlijnen 16 6.4 Beheer 77

  8. 1.6 Procedure, participatie en toetsingsadvies Commissie m.e.r. 18

  9. 1.7 Adaptieve planning en internationale samenwerking 20 7 Andere nationale belangen op de Noordzee 80

  10. 1.8 Leeswijzer 21 7.1 Zandwinning voor waterveiligheid en de bouw 80

  11. 7.2 Hoofdinfrastructuur voor digitale connectiviteit 83 2 Visie, ambitie en opgaven 23 7.3 Nationale veiligheid: maritieme veiligheid en grensbewaking 83

  12. 2.1 Uitdagingen en kansen 23 7.4 Militaire activiteiten 85

  13. 2.2 Toekomstvisie Noordzee 2050 24 7.5 Cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteit 86

  14. 2.3 Internationale ambities 24 7.6 Gezonde en veilige fysieke leefomgeving: recreatie 88

  15. 2.4 De Nationale Omgevingsvisie 27 7.7 Meteorologische en hydrologische informatievoorziening 90

  16. 2.5 Richtingen aan beleid en beheer: het Akkoord voor de Noordzee 28 8 Duurzame blauwe economie 93 3 Versterken marien ecosysteem 31 8.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen 93

  17. 3.1 Huidige situatie en ontwikkelingen 31 8.2 Visie, ambitie en opgaven 94

  18. 3.2 Visie, ambitie en opgaven 34 8.3 Beleid 95

  19. 3.3 Beleid 35 8.4 Beheer 98

  20. 3.4 Beheer 43 9 Ruimtelijke ordening 100 4 Transitie naar duurzame voedselvoorziening 45 9.1 Ruimtelijk beeld 2022-2027 100

  21. 4.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen 45 9.2 Structuurvisiekaart 2022-2027 104

  22. 4.2 Visie, ambitie en opgaven 48 9.3 Nieuw aan te wijzen windenergiegebieden in relatie tot natuur en ander gebruik 108

  23. 4.3 Beleid 50 9.4 Zoekgebieden en ruimtelijke verkenningen 116

  24. 4.4 Beheer 53 9.5 Land-zee-interacties 118

  25. 9.6 Maritieme Ruimtelijke Planning en internationale samenwerking 121 3 10 Beleids- en afwegingskaders 124

  26. 10.1 Beleidskader doorvaart en medegebruik in windenergie­gebieden op de Noordzee 124

  27. 10.2 Gebiedsverkenningen en Handreiking gebiedspaspoort voor medegebruik in wind­energiegebieden op de Noordzee 127

  28. 10.3 Afwegingskader mede­gebruik in windparken 129

  29. 10.4 Afwegingskader gebruik van voor zandwinning gereserveerd gebied 136

  30. 10.5 Afwegingkader activiteiten op de Noordzee 136

  31. 10.6 Kunstmatige eilanden in zee 143 11 Kennisontwikkeling en monitoring 146

  32. 11.1 Onderzoek en monitoring 146

  33. 11.2 Prioritering en afstemming van onderzoek 148

  34. 11.3 Informatieontsluiting: het Informatiehuis Marien (IHM) en de Digital Twin Noordzee 148 12 Hoofdlijnen van beleid 150

  35. 12.1 Hoofdlijnen van het beleid 150

  36. 12.2 Uitvoeringsprogramma 152

  37. 12.3 Financiering van beleid 155 Bijlage 1 Programma van Maatregelen Kaderrichtlijn Mariene Strategie 156 Bijlage 2 Onderverdeling regimes opruimplicht 157 Bijlage 3 Ontwerpcriterium afstand tussen scheepvaartroutes en windparken 158 Bijlage 4 Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken 159 Bijlage 5 Checklist opruimplicht kabels en leidingen 160 Colofon 161 4 Kaart 1: Huidig gebruik van de Noordzee 5 Samenvatting Het Programma Noordzee, inclusief de bijlage Mariene Strategie deel 3 (programma van In Europees verband werken het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en een aantal maatregelen) is integraal onderdeel van het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. EU-richtlijnen sterk sturend: de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM), de Vogelrichtlijn (VR) en De samenhang in het waterbeleid waarop het NWP inzet, geldt ten volle ook voor het beheer en Habitatrichtlijn (HR), de Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (MRP) en de Kaderrichtlijn gebruik van de Noordzee. Diverse ontwikkelingen op en rond de Noordzee vertonen een vaste Water (KRW) met dochterrichtlijnen. In vrijwel alle internationale beleidskaders worden de trend naar toenemende intensivering van het gebruik. Tegelijkertijd zijn nationaal en inter­ ecosysteembenadering en het voorzorgsbeginsel gerespecteerd; twee principes die daarmee ook nationaal duidelijke randvoorwaarden gesteld om het ecosysteem van de Noordzee te kunnen leidend zijn voor het duurzaam beheer van de Noordzee. herstellen en beschermen. De integraliteit in het waterbeheer, die het NWP voorstaat, is voor het Noordzeebeleid in de komende decennia dan ook niet een keuze uit verschillende opties, maar De Europese Unie (EU) heeft met de publicatie van de European Green Deal in 2019 gevolg gegeven een harde noodzaak. De opgave voor de komende jaren is het vinden van de juiste maatschap- aan de Overeenkomst van Parijs. De groeistrategie van de Green Deal moet de EU transformeren tot pelijke balans om te kunnen komen tot een efficiënte en veilige ruimtelijke ontwikkeling van de een klimaatneutrale, circulaire en grondstofefficiënte unie in 2050. De Commissie wil er het Noordzee die past binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Met het Programma Europese klimaatbeleid mee aanscherpen. Daarnaast geeft deze Green Deal een nieuw perspectief Noordzee 2022-2027 stelt het Rijk de kaders voor ruimtelijk gebruik van de Noordzee in relatie aan de Duurzame blauwe economie. In december 2020 hebben de Europese regeringsleiders voor tot de toestand van het mariene ecosysteem en voor het beleid gericht op het verbeteren van de 2030 een verhoging van het EU broeikasgasreductiedoel naar ten minste 55 procent aangenomen. milieutoestand. Die kaderstelling is voor het ecosysteem en de verdere relevante nationale Na instemming door het Europese Parlement en de Europese Raad is de Europese klimaatwet op 30 belangen uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uitgewerkt in een beschrijving van het huidig juni 2021 vastgesteld. De Europese Commissie publiceerde het bijbehorende pakket van maat­ gebruik, de actuele en te verwachten ontwikkelingen, de daarmee samenhangende toekomst­ regelen “Fit for 55” op 15 juli 2021. visie en opgaven, het ontwikkelde beleid en beheer en tot slot de kennisopgave. Nationale kaders Internationale kaders Waterwet en toekomstige Omgevingswet Het ecosysteem en gebruik van de Noordzee houden zich niet aan door landen getrokken grenzen, De Waterwet vormt de grondslag voor het opstellen van een nationaal waterplan met de het beleid en het beheer evenmin. Nederland plaatst de visie, ambities en opgaven voor de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid waar het Noordzeebeleid onderdeel van uitmaakt. De Noordzee nadrukkelijk in deze internationale context. Internationale visie- en beleidsontwikkeling Waterwet wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een groot deel vervangen door geeft in belangrijke mate richting aan het nationale beleid en beheer in het Programma Noordzee de Omgevingswet. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 met als onderdeel het Programma 2022-2027. Mondiaal zijn het VN-Biodiversiteitsverdrag en de VN-Sustainable Development Goals (SDG’s) Noordzee 2022-2027 inclusief de bijlage KRM-programma van maatregelen is opgesteld in de van belang; vooral SDG 14, dat zich specifiek richt op het mariene ecosysteem. Op regionaal niveau geest van de Omgevingswet. geeft het OSPAR-verdrag richting aan de bescherming van het zeemilieu tegen verontreinigingen en andere negatieve effecten van menselijke activiteiten. Daarnaast zijn SDG 13 (klimaatactie) en Nationale Omgevingsvisie (NOVI) het bijbehorende VN-Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 van groot belang. Het doel van het Bij de nationale uitwerking van internationale beleidskaders heeft het Nederlandse kabinet akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een gekozen voor een duidelijke oriëntatie op een toekomstbeeld van de Noordzee waarin intensief duidelijk zicht op 1,5 graad Celsius. Door de aanleg van windparken op zee, als alternatief voor gebruik samengaat met herstelde natuurwaarden en een robuust ecosysteem. Dit beeld bepaalt fossiele energie, kan de Noordzee een belangrijke bijdrage leveren aan deze doelstelling. sterk de beleidsdoelen voor de korte en de middellange termijn. Het is dan ook als langetermijn- 6 visie tot 2050 opgenomen in de NOVI. Brede participatie is een belangrijke pijler onder de NOVI, van het ecosysteem en het cumulatieve effect van gebruik en klimaatverandering nog niet zijn het Nationaal Water Programma en het voorliggende beleidsdocument. beantwoord. Klimaatwet en klimaatakkoord De druk op het ecosysteem van de Noordzee wordt deels veroorzaakt door de gevolgen van Voor de invulling van de nationale verantwoordelijkheid om de mondiale temperatuurstijging te menselijke ingrepen en activiteiten in het verleden en deels door de toenemende intensivering van beperken, heeft Nederland in 2019 in de Klimaatwet vastgelegd het emissieniveau van broeikas­ gebruiksfuncties als windenergie, scheepvaart, visserij, zandwinning, olie- en gaswinning en gassen (met name CO₂) in Nederland te reduceren tot een niveau dat in 2050 95 procent lager recreatie. De productie van windenergie neemt een bijzondere positie in omdat dit gebruik juist ligt dan in 1990. Conform de Klimaatwet heeft het kabinet een Klimaatplan opgesteld, waarin de bijdraagt aan het behalen van de mondiale, Europese en Nederlandse CO₂-reductiedoelstellingen. hoofdlijnen van het beleid zijn opgenomen, inclusief de afspraken uit het Klimaatakkoord om Het Nederlands zeeareaal dat al in gebruik is voor de eerste grote windparken zal in de komende in 2030 de uitstoot van broeikasgassen te hebben gereduceerd met 49 procent. De aanscherping decennia sterk worden uitgebreid. Ontwikkelscenario’s voor windenergie op het Nederlandse deel van de EU-doelen naar – en de doelstelling in het coalitieakkoord 2021–2025 van – een reductie van tenminste 55 procent in 2030 zal leiden tot een extra opgave voor windenergie op zee. De van de Noordzee lopen uiteen van 38 tot 72 gigawatt opgesteld vermogen in 2050. De keerzijde is Stuurgroep Extra Opgave adviseert dat voor de benodigde versnelling 10 GW aan windenergie op dat die schaalvergroting, behalve een groot ruimtebeslag, ook een intensivering van effecten en zee nodig is. Dit aanvullend op de ruimte voor 0,7 GW die nog nodig is om de uitstoot van broei- drukfactoren met zich meebrengt. De consequenties daarvan voor het ecosysteem zijn nog niet kasgassen met 49 procent te verminderen. Daarom worden in het Programma Noordzee 2022- goed in beeld. 2027 windenergiegebieden aangewezen voor de realisatie van in totaal 10,7 GW. Daarnaast heeft dit toenemende ruimtebeslag een impact op de andere gebruiksfuncties. Met de Akkoord voor de Noordzee toename van het aantal windparken wordt de winning van fossiele brandstoffen uit de zeebodem Om stevig maatschappelijk eigenaarschap van de visie, ambitie en keuzes in het Noordzeebeleid de komende jaren afgebouwd. Een deel van de uit productie genomen installaties en leidingnetten voor de lange termijn te waarborgen, hebben het Rijk en de betrokken belangenorganisaties in zal wellicht bruikbaar zijn voor de productie, het transport en de opslag van waterstof. Datzelfde 2020 onder onafhankelijk voorzitterschap het Akkoord voor de Noordzee gesloten. Dit geldt voor de opslag van CO₂ in de bodem, waarvoor de eerste stappen al zijn gezet. Noordzeeakkoord brengt met afspraken over keuzes en beleid de strategische opgaven voor de De visserijsector komt door de aanleg van windparken, het sluiten van beschermde gebieden voor energietransitie (uit het Klimaatakkoord), natuurherstel en een gezonde toekomst voor visserij op de bodemberoerende visserij, het Europees verbod op de pulsvisserij en de gevolgen van de Brexit de Noordzee concreet en langdurig met elkaar in balans. Daarbij wordt rekening gehouden met extra onder druk te staan. Deze ontwikkelingen dwingen tot een transitie die diep ingrijpt in het andere gebruikers zoals zeevaart, defensie, recreatie en zandwinning. Het Akkoord voor de karakter van de visserijsector en in de sociaaleconomische structuur van de visserij­gemeenschappen. Noordzee vormt samen met de internationale beleidsontwikkelingen en de NOVI de basis voor de De scheepvaart laat volgens verwachting in de periode tot 2030 een volumegroei zien van 35 tot 40 beleidsvoornemens die in het Programma Noordzee 2022-2027 zijn uitgewerkt. procent. Niet zozeer het aantal schepen zal toenemen, maar de gemiddelde tonnage per schip. De versnelling van de zeespiegelstijging is tot ongeveer 2032 te pareren met het huidige jaarlijkse volume suppletiezand. Voor de periode daarna zal, gebaseerd op de dan geldende inzichten in de Milieutoestand en gebruiksfuncties mate van zeespiegelstijging, opnieuw een schatting worden gedaan. De Noordzee is een waardevol en kwetsbaar ecosysteem. Het ondiepe en voedselrijke gebied is een Anticiperend op het toekomstbeeld van een gezonde zee waar toch veel kan, zet het Rijk in op een habitat voor zeezoogdieren, een kraamkamer voor vissen en belangrijk als trekroute, foerageer- en goede balans tussen drie grote transities naar respectievelijk hernieuwbare energie, duurzame overwinteringsgebied voor vele soorten, waaronder vogels. De vervuiling van het mariene milieu is mariene voedselproductie en een hersteld en robuust ecosysteem in de Noordzee. Om tot deze in de afgelopen decennia afgenomen. De omvang van commerciële visbestanden groeit en de balans te kunnen komen, is niet alleen een vergaande verduurzaming nodig van álle bestaande populaties van zeezoogdieren nemen toe, terwijl de introductie van niet-inheemse soorten is vormen van gebruik, maar ook en vooral het maatschappelijk vermogen om nieuwe, innovatieve verminderd. Dit alles neemt niet weg dat het ecosysteem van de Noordzee nog steeds onder druk ontwikkelingen te initiëren, accepteren en realiseren. Creatief en meervoudig gebruik van de staat, de goede milieutoestand nog niet is behaald en tal van kennisvragen over het functioneren schaarse ruimte op de Noordzee is daarvoor een cruciale voorwaarde. 7 Ruimtelijke aspecten en strategische opgave ceerde platforms wordt onverkort uitgevoerd. Alleen platforms die kunnen worden hergebruikt voor productie en/of opslag van waterstof of CO₂ kunnen mogelijk langer blijven staan. Het Programma Noordzee 2022-2027 geldt voor de Nederlandse Exclusieve Economische Zone en • CO₂-opslag. Voldoende ruimte voor opslag van CO₂ in uitgeproduceerde olie- en gasvelden of de niet-bestuurlijk ingedeelde territoriale zee. Ook geeft het programma invulling aan de in ondergrondse waterhoudende bodemlagen (aquifers). Dit als tijdelijk instrument tijdens vereisten van de Europese richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning. Het is daarmee tevens het het verloop van de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening. door de EU vereiste Ruimtelijk Maritiem Plan. De grensoverschrijdende aspecten ervan zijn • Zeescheepvaart. Realiseren en onderhouden van één geheel van verkeersscheidingsstelsels, afgestemd met de buurlanden. Voor het gedeelte van het Nederlandse Noordzeegebied, dat clearways en ankergebieden dat de scheepvaart op een veilige en vlotte manier kan mede onder de verantwoordelijkheid valt van provincies en gemeenten, is een integrale accommoderen. benadering vereist van ruimtelijke én andere aspecten. De veelzijdige verbindingen tussen zee • Zandwinning. Voldoende ruimte voor zandwinning ten behoeve van kustbescherming, het en land (inclusief de binnenwateren) hebben immers het karakter van een sterke wisselwerking. tegengaan van overstromingsrisico’s en als ophoogzand voor op het land. • Defensie. Voldoende oefengebieden op de Noordzee. De ambitie is het bereiken van een duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee dat bijdraagt aan • Onderwater Cultureel Erfgoed. Het rijksbeleid voor het omgaan met archeologisch erfgoed is de maatschappelijke, economische en ecologische doelstellingen van Nederland. De opgave is gebaseerd op de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta. om de juiste maatschappelijke balans te vinden om te kunnen komen tot een ruimtelijke • Gezonde en veilige fysieke leefomgeving - recreatie. Opruimings- en bewustwordingscampagnes voor ontwikkeling van de Noordzee die efficiënt en veilig is en past binnen de randvoorwaarden van zwerfafval. een gezond ecosysteem. De concrete uitwerking van deze opgave gebeurt op basis van de • Afwegingskader vergunningverlening activiteiten op de Noordzee. Hanteren van een transparant en voortzetting van bestaand beleid, en nieuw beleid. evenwichtig kader voor het beoordelen van activiteiten op de Noordzee. Voortzetting bestaand beleid Aangepast en nieuw beleid Het beleid dat wordt voortgezet bestaat uit: Het Programma Noordzee 2022 – 2027 introduceert op een aantal aspecten nieuw beleid. • Ecosysteem. Behouden en beschermen van al aangewezen Natura 2000- en KRM-gebieden en van het mariene ecosysteem als geheel. Bij de ruimtelijke afweging van activiteiten ook toetsen aan de Versterken marien ecosysteem randvoorwaarden van het mariene ecosysteem. Volhouden van de huidige beleidsinspanning voor • Aanvullende maatregelen om de goede milieutoestand te bereiken en te behouden: het terugdringen van verontreiniging en verstoring van het eco­systeem om de goede milieu­ - Gebiedsbescherming, op basis van zowel Natura 2000 als de KRM, met visserijbeperkende toestand te bereiken en te behouden (conclusie in het programma van maatregelen van de maatregelen van de in het Noordzeeakkoord aangegeven gebieden Friese Front, Centrale Kaderrichtlijn Mariene Strategie). Oestergronden, Klaverbank, Bruine Bank en Borkumse Stenen. Conform de afspraken uit • Visserij. Het bevorderen van een verdere verduurzaming van de visserij en aquacultuur en het Noordzeeakkoord is in 2023 13,7 procent van de Noordzee en in 2030 15 procent evenwichtige exploitatie, binnen randvoorwaarden van het ecosysteem. gevrijwaard van bodemberoerende visserij. Een areaal van 2,8 procent van de Noordzee is • Opwekking van duurzame energie. Voldoende ruimte voor de productie van 49 TWh per jaar uit dan helemaal gesloten voor visserij. Alle percentages zijn te realiseren in waardevolle windenergie op zee (conform Klimaatakkoord) en voor 10,7 GW extra aan windparken op ecologische gebieden. basis van Europese afspraken over aanscherping van de klimaatdoelstelling in 2030, indien - Soortbescherming op basis van actie- en soortenbeschermingsplannen. het kabinet daartoe besluit; tevens ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie, - Terugdringen van zwerfvuil op zee door aanvullende maatregelen rondom de grootste zo veel mogelijk in combinatie met windparken. bronnen van vervuiling, namelijk stranden (actie: kennisuitwisseling, ondersteuning • Olie- en gaswinning. Zo veel mogelijk winning van aardgas en -olie uit de Nederlandse velden op samenwerkingsprojecten), stroomgebieden (actie: vergroten van bewustwording van de de Noordzee zodat het potentieel van voorraden wordt benut, binnen de grenzen van de zwerfvuilproblematiek bij terrein- en waterbeheerders langs rivieren), scheepvaart (actie: afspraken van het Parijse Klimaatakkoord. De internationale opruimplicht voor uitgeprodu- verbeterde voorwasprocedure ter voorkoming van persistente drijvende stoffen in het 8 milieu), visserij (actie: uitfasering van conventioneel pluis), en kunststofproducten (actie: richting kavelbesluiten rekening te kunnen houden met beperkingen en belangen gerela- uitvoeren OSPAR-aanbeveling om preproduction pellets in het milieu tegen te gaan). teerd aan andere gebruikers, ecologische inpasbaarheid en aanlandingsmogelijkheden. - Terugdringen van onderwatergeluid door invoering van een geluidsbudget voor seismisch Hiermee samenhangende voorwaarden en afspraken staan beschreven in paragraaf 9.3. onderzoek en door meer inzet bij de uitvoering van de IMO-richtlijnen voor reductie van • De begrenzing van Hollandse Kust (west) is aan de west- en oostzijde aangepast om te zorgen onderwatergeluid van de commerciële scheepvaart. voor een vloeiende begrenzing langs de omliggende scheepvaartroutes. Aan de noordzijde is de begrenzing aangepast om ruimte te maken voor een clearway IJmuiden-Newcastle. Ook ten Transitie naar een duurzame voedselvoorziening zuiden van IJmuiden Ver (noord) en in gebied 1 wordt rekening gehouden met de benodigde • Transitie naar duurzame visserij. Verduurzaming betreft inzet voor innovaties in de sector ruimte voor deze clearway. waardoor negatieve effecten op het ecosysteem, emissies en verspilling verminderen. Voorts • In gebied 5 (oost), dat grenst aan de Duitse EEZ, wordt rekening gehouden met de mogelijke wordt ingezet op een warme sanering om de vangstcapaciteit van de vloot weer in balans te noodzaak voor een extra brede veiligheidsmarge tussen toekomstige windparken en de brengen met de afname van quota als gevolg van de Brexit.1 aangrenzende scheepvaartroute. Dit biedt de mogelijkheid om in overleg met Duitsland tot • Innovaties in de mariene voedselproductie. Stimuleren van aquacultuur. congruente afspraken over de betreffende veiligheidsmarge te komen. • Het defensieoefengebied EHD-41, grenzend aan gebied 2, wordt tot en met 2030 niet Transitie naar duurzame energie verplaatst. In het Programma Noordzee zijn voor de periode na 2030 zoekgebieden geïdenti- • In het Programma Noordzee 2022-2027 blijven de gebieden waarin al windparken zijn ficeerd om middels een partiele herziening windenergiegebieden aan te kunnen wijzen met gerealiseerd of gepland, of waarin al sprake is van (ontwerp)kavelbesluiten, of waarin volgens ruimte voor 17 GW. de vastgestelde Routekaart windenergie op zee 2030 kavelbesluiten zijn gepland, • Het Afwegingskader voor het bepalen van de veilige afstand tussen windparken en mijnbouw- windenergiegebied. installaties, ten behoeve van helikoptervluchten, is aangevuld. Voor mijnbouwplatformen met • De gebieden IJmuiden Ver (noord) en het zuidelijk deel van Hollandse Kust (west) worden een heli-dek geldt in beginsel een obstakelvrije zone van 5 NM rondom. Hiervan kan nu worden herbevestigd als aangewezen windenergiegebied. De gebieden Hollandse Kust (noordwest) afgeweken mits dit aantoonbaar voor de bewuste locatie geen onacceptabele gevolgen heeft en (zuidwest) zijn geschrapt als windenergiegebied, vanwege de belangen van visserij, natuur voor de vliegveiligheid en de bereikbaarheid. De minimaal mogelijke obstakelafstand dient en scheepvaart. Noord Hinder is opgeheven als windenergiegebied, omdat dit gebied in de echter per locatie te worden beoordeeld en afgestemd. Bovendien is toegevoegd dat dit ook aanloop van de haven van Rotterdam ligt en te klein is. geldt voor de afstand tot installaties voor carbon capture and storage (CCS). • De zuidelijke begrenzing van het windenergiegebied IJmuiden Ver is aangepast vanwege de • Voor kabels en leidingen is een beoordelingsmethode voor de verwijderingsplicht ontwik- aanwijzing van de Bruine Bank als Vogelrichtlijngebied. keld, met leidende criteria voor hinder voor ander gebruik, veiligheid, milieueffecten en • Nieuw aangewezen zijn de windenergiegebieden 1, 2 en 5 (oost). Bij deze aanwijzing en bij de kosten. Indien de kabels en leidingen mogen blijven liggen, worden deze schoon en veilig herbevestiging van windenergiegebieden IJmuiden Ver (noord) en het zuidelijk deel van achtergelaten. Hollandse Kust (west), geldt de voorwaarde dat in het totaal van deze gebieden tot en met 2030 niet meer dan 10,7 GW aan windparken wordt gerealiseerd. Ook geldt de rand­voorwaarde dat Zeescheepvaart deze ontwikkeling de ecologische draagkracht niet overschrijdt. De ecologische ruimte voor • De indicatieve ligging van een polaire route (Northern Sea Route, NSR) is als zoekruimte op windparkontwikkeling moet zijn aangetoond voorafgaand aan het nemen van kavel­besluiten. de kaart gezet. Deze internationale verbindingsroute tussen Azië en Europa via de poolzeeën Daarbij is sprake van adaptieve planning. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat aangewezen is essentieel voor het garanderen van de bereikbaarheid van de Nederlandse zeehavens als windenergiegebieden uiteindelijk niet of gedeeltelijk in gebruik worden genomen. gateway naar Europa in de toekomst. In internationaal verband worden nu al diverse route • In deze gebieden is meer ruimte voor de realisatie van windparken aanwezig (in totaal 16,7 opties verkend. Gedurende de looptijd van het Programma Noordzee 2022–2027 zal het GW). Deze ‘ruime’ aanwijzing biedt de noodzakelijke flexibiliteit om in het vervolgtraject (inter)nationale proces om een internationale verbindingsroute tussen zeehavens te formaliseren zich verder voltrekken, in afstemming met belanghebbende sectoren en 1 Voor deze sanering moet nog goedkeuring worden verleend door de Europese Commissie. buurlanden. 9 • Door het aangewezen windenenergiegebied IJmuiden Ver (noord) en gebied 1 wordt ruimte Practice) Noordzee. Deze krachtige (internationale) samenwerking moet resulteren in pilots en voor een clearway vrijgehouden om een veilige doorvaart te garanderen voor de scheepvaart. uiteindelijk in opschaling van initiatieven voor de realisatie van de Duurzame blauwe economie Deze toekomstige clearway vormt, naast de ferry-verbinding, de verbinding tussen de NSR en en voor medegebruik binnen de driehoek van transities voor voedsel, energie en natuur. de haven van IJmuiden en Amsterdam. • Clearway Kattegat richting Duitsland/Denemarken. Samen met Duitsland, Denemarken en Beleids- en afwegingskaders activiteiten Noordzee België wordt gezocht naar een inpassing van de scheepvaartroutes in het noordoostelijke deel Het Programma Noordzee 2022-2027 geeft de volgende beleids- en afwegingskaders: van de Nederlandse EEZ richting het Kattegat en meer noordwaarts. Het gaat hier om de • Beleidskader doorvaart en medegebruik nieuwe verbinding richting de Deense haven Esbjerg, het verkeersscheidingsstelsel ‘Skagen • Afwegingskader medegebruik in windparken West’ en het zuidelijke deel van het Noorse verkeersscheidingsstelsel. Na het nationaal • Gebiedsverkenningen en Handreiking gebiedspaspoort aanwijzen van deze verbinding als clearway, kan in samenwerking met Duitsland en • Afwegingskader gebruik van gebied gereserveerd voor zandwinning Denemarken het internationale proces worden gestart om deze verbinding als internationaal • Afwegingskader vergunningplichtige activiteiten op de Noordzee (IMO-)routeringsstelsel aan te wijzen. • Ook voor een clearway Esbjerg-Verenigd Koninkrijk is de indicatieve ligging als zoekruimte op Daarnaast worden richtinggevende uitspraken gedaan over de omgang met kunstmatige de kaart gezet. Het gaat om een toekomstige clearway ten noorden van zoekgebieden 6 en 7, eilanden. om de bestaande scheepvaartroute tussen Denemarken en het Verenigd Koninkrijk te kunnen blijven faciliteren. De afwegingskaders zijn het mechanisme dat de Rijksoverheid toepast om te beoordelen of • De resulterende clearways naar de Baltische zee en van Esjberg naar het Verenigd Koninkrijk, activiteiten op zee zijn toegestaan. In de afwegingskaders komt relevant beleid samen. Ze en de uiteindelijke internationaal erkende scheepvaartroute NSR worden in het kader van de beschrijven hoe de afweging van nieuwe activiteiten tot stand komt binnen de Europese en partiële herziening van het Programma Noordzee op de structuurvisiekaart gezet, in andere internationale kaders. Ook geven afwegingskaders aan hoe te handelen als verschillende afstemming met belanghebbende sectoren en buurlanden. Daarbij kan ook nog de vorm van activiteiten van nationaal belang met elkaar conflicteren. Het bevoegd gezag is verplicht om bij zoekgebied 6 en 7 (voor windenergie) veranderen. de vergunningverlening overeenkomstig de beleidsregels van deze kaders te handelen. • Vaststelling van clearways vindt plaats in de Mijnbouwregeling en zodra de Omgevingswet in De afwegingskaders voor activiteiten op de Noordzee gelden in principe voor alle activiteiten die werking treedt in de Omgevingsregeling. vergunningplichtig zijn in het kader van de wet- en regelgeving die op de Noordzee geldt in de territoriale zee en in de Exclusieve Economische Zone. Dat zijn dus de Mijnbouwwet, de Overige nationale belangen Ontgrondingenwet, de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer, de Waterwet, welke zullen • Het nationale veiligheidsbeleid richt zich op het monitoren van de veiligheid van de opgaan in de Omgevingswet, een aantal scheepvaartwetten en de Wet windenergie op zee. De informatievoorziening en van vitale objecten op de Noordzee, met inbegrip van te treffen afwegingskaders zijn vooral van belang voor Noordzeegebruikers die een vergunning willen maatregelen wanneer deze nodig zijn. aanvragen en voor de vergunningverleners. De kaders leveren een belangrijke bijdrage aan het bereiken en behouden van de goede milieutoestand volgens de KRM. Duurzame blauwe economie Stimuleren van meervoudig ruimtegebruik in windparken ten behoeve van andere vormen van energieopwekking en van aquacultuur. Het beginsel van de Duurzame blauwe economie biedt Onderzoek en monitoring Nederland de kans om hiervoor als maritiem land een concept met wereldwijde impact te ontwikkelen. De Noordzee is bij uitstek een gebied om dit concept gestalte te geven en verder uit Het invullen van leemten in kennis over de draagkracht van het ecosysteem, natuurversterking te bouwen. Om de Duurzame blauwe economie te realiseren, is een netwerk opgezet van (Rijks) en soortenbescherming, en over de effecten van drukfactoren speelt een grote rol bij onderzoek overheden, onderzoeksinstellingen, ngo’s, ondernemers, bedrijven en de CoP (Community of en monitoring. Een belangrijk voorbeeld is onderzoek naar de gevolgen van de grootschalige 10 uitrol van windenergie op zee voor de ecologie. Behalve uit het Noordzeeakkoord komen kennisvragen voort uit de KRM-implementatie. De Mariene Strategie deel 1 (2018) en Mariene Strategie deel 3 (bijlage 1) bevatten een overzicht van kennisleemten per descriptor. Geïntegreerde kennisontwikkeling en –ontsluiting zullen het beleid voor de Noordzee in de planperiode ondersteunen. Binnen het in 2019 gestarte programma DigiShape is de Digital Twin voor de Noordzee in ontwikkeling. Deze digitale kopie van de Noordzee bevat en visualiseert alle kennis en verschaft daarmee inzicht in de ruimtelijke, ecologische en sociaaleconomische effecten van ruimtelijke plannen op de Noordzee. Governance In het verlengde van het Noordzeeakkoord is in het voorjaar van 2021 een permanent Noordzeeoverleg (NZO) tussen het Rijk en stakeholders ingesteld. Dit overleg waarborgt het gezamenlijke toezicht op de uitvoering van het Akkoord voor de Noordzee en op de besteding van de daartoe beschikbaar gestelde transitiemiddelen. Dit betreft ook de afspraken die binnen de scope van dit Programma Noordzee 2022-2027 vallen. Daarnaast biedt het overleg de mogelijkheid om actuele ontwikkelingen te bespreken en te bezien of deze moeten leiden tot nadere afspraken of tot veranderingen in het Noordzeeakkoord (adaptieve planning). Hiermee speelt het overleg ook een belangrijke rol in de adaptieve planning bij de uitwerking van het Programma Noordzee. Centraal in het NZO staat het bereiken van de balans tussen de energietransitie, natuurherstel en een toekomstperspectief voor visserij, rekening houdend met alle gebruikers en belanghebbenden. 11 Programma Noordzee 2022 – 2027 12 1 Totstandkoming van beleid voor de Noordzee Dit hoofdstuk beschrijft hoe het Programma Noordzee 2022-2027 nationaal en internationaal juridisch is ingekaderd, de wijze waarop het 1.2 Juridisch kader tot stand is gekomen en hoe gedurende de planperiode de governance van de uitwerking is geregeld. Het Programma Noordzee 2022-2027 vervangt de Beleidsnota Noordzee 2016-2021. Het beschrijft de ruimtelijke planning op de Nederlandse Noordzee, de maatregelen om de goede milieutoestand te bereiken en het daartoe te voeren beheer. Het juridische kader daarvoor bestaat uit de wettelijke verplichtingen van de Waterwet, die mede invulling geeft aan de verplichtingen van de Europese

  38. 1.1 Maatschappelijke aanleiding Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (MRP) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). De Waterwet geeft de wettelijke verplichting tot het opstellen van een nationaal waterplan (artikel 4.1 ) én een beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren ( artikel 4.6). Aan deze verplichting is Een dynamisch systeem als de Noordzee dat bovendien veelzijdig gebruik kent, vraagt om beleid en voor de periode 2022-2027 uitvoering gegeven met het Nationaal Water Programma 2022-2027 beheer dat met de dynamiek meebeweegt. De energie-, natuur- en voedseltransities zijn in hun (NWP), dat zowel het Nationaal Waterplan 2016-2021 als het Beheer- en ontwikkelplan voor de ontwikkeling en ruimtegebruik met elkaar verweven. Ook de verdere intensivering van het gebruik rijkswateren 2016-2021 opvolgt. Het Nationaal Water Programma is voor de ruimtelijke aspecten van de Noordzee noopt tot verstandig omgaan met de beschikbare ruimte. De opgave is om de ook een structuurvisie in de zin van artikel 2.3, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening. juiste maatschappelijke balans te vinden in een efficiënte en veilige ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee die past binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Op grond van de Waterwet (artikel 4.1, derde lid, sub b) wordt het noordzeebeleid in het Nationaal Water Programma opgenomen. Dit Programma Noordzee 2022-2027 geeft als zelfstandig leesbare bijlage bij het NWP de onderbouwing van het Noordzeebeleid dat daarin is beschreven. Conform artikel 4.6, tweede en derde lid van het Waterbesluit bevat het Programma Noordzee 2022-2027 de volgende elementen van de Mariene Strategie: • de omschrijving van de goede milieutoestand van de Noordzee (artikel 9 KRM) en de reeks milieudoelen en bijbehorende indicatoren (artikel 10 KRM); • een programma van maatregelen, opgesteld overeenkomstig de eisen gesteld in artikel 13 (lid 1 t/m 4, lid 7 en 8) en artikel 14 KRM. De Mariene Strategie deel 3 (actualisatie programma van maatregelen) is een bijlage bij het Programma Noordzee. De minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister voor Natuur en Stikstof zijn verantwoordelijk voor het tot stand komen van de Mariene Strategie. De Waterwet zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een groot deel vervangen worden door de Omgevingswet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt voorzien in 2022/2023. De Omgevingswet kent voor het Rijk de volgende instrumenten: de omgevingsvisie, programma’s, 13 algemene rijksregels, de omgevingsvergunning en het projectbesluit. Het Noordzeebeleid wordt in dit Programma Noordzee 2022-2027, evenals het overkoepelende Nationaal Water Programma 2022-2027, ‘in de geest van’ de nieuwe Omgevingswet opgesteld. Het nationale waterbeleid en de

  39. 1.3 Ruimtelijke inkadering beschrijving van het beheer en de ontwikkeling van de rijkswateren zijn daarom samengevoegd in één document. Het Programma Noordzee 2022-2027 geldt voor het niet gemeentelijk ingedeeld gebied van de territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ). De Noordzee is vanaf 1 km Het kabinet heeft in september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) gepubliceerd. Deze vanaf de laagwaterlijn aan de kust niet gemeentelijk en provinciaal ingedeeld. De beheergrenzen integrale visie bevat de strategische hoofdlijnen van het beleid voor de fysieke leefomgeving, van de waterstaatswerken voor waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterstaatkundig beheer zijn waaronder beleid voor water en scheepvaart. Dit Programma Noordzee 2022-2027 is een verdere weer­gegeven in Bijlage III van de Waterregeling. Alle aspecten van het beleid en beheer van de uitwerking van de NOVI op de onderdelen die voor de Noordzee relevant zijn (zie tekstkader Noordzee vallen onder de verantwoordelijkheid van het Rijk. Daarbij wordt onderscheid ‘Nationale belangen NOVI’ in hoofdstuk 2.4). gemaakt tussen de territoriale zee (12-nautische-mijlszone) die behoort tot het Nederlandse grondgebied, en de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ). Over dat laatste deel is de Het Programma Noordzee 2022-2027 geeft vanuit Europees perspectief invulling aan de volgende Nederlandse rechtsmacht beperkter dan over de territoriale zee. verplichtingen (zie ook 1.4): Formeel zijn de Eems-Dollard en de Westerschelde op basis van de KRM als overgangswater • conform de richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (MRP) bevat het Programma Noordzee aan­gemerkt en de Waddenzee (Werelderfgoed) en de Oosterschelde op basis van de Visserijwet 2022-2027 het kader om het ruimtegebruik op zee te plannen. Het Programma Noordzee bevat als kustwater. Voor al deze gebieden is beleid geformuleerd in het Nationaal Water Programma. het maritiem ruimtelijk plan en afwegingskaders voor vergunningverlening. Het Programma Deze wateren vallen niet onder de reikwijdte van het Programma Noordzee en de daarin Noordzee is tevens een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). opgenomen implementatie van de MRP en KRM. • conform de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) bevat het Programma Noordzee 2022-2027 een programma van maatregelen om een goede milieutoestand van het watersysteem te De indeling van het luchtruim boven de Noordzee is niet gelijk aan de nationale begrenzing. bereiken. De actualisatie van het Nederlandse programma van maatregelen is als bijlage 1 bij Hiermee moet bij de ruimtelijke planning rekening worden gehouden. het Programma Noordzee gevoegd. Een samenvatting is opgenomen in paragraaf 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.3. Het Programma Noordzee als onderdeel van het Nationaal Water Programma wordt vastgesteld onder verantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister voor Natuur en Stikstof en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met de minister voor Klimaat en Energie en de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. 14

  40. 1.4 Bestuurlijke inkadering Handhaving en dienstverlening De ministeries van JenV, Defensie, Financiën, IenW, EZK, en LNV werken in Kustwachtverband samen bij de handhaving en bij uitvoering van dienstverlenende taken op de Noordzee. De Interdepartementaal Directeurenoverleg Noordzee minister van Infrastructuur en Waterstaat stuurt de Kustwacht aan voor de dienstverlenende taken, nautisch beheer en het optreden bij incidenten en calamiteiten. De aansturing voor de Diverse onderdelen van verschillende ministeries hebben beleidsverantwoordelijkheid voor de handhaving (algemene handhaving, handhaving milieuwetgeving, verkeersveiligheid en visserij) Noordzee. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is coördinerend bewindspersoon voor is belegd bij de Permanente Kontaktgroep Handhaving Noordzee (PKHN), waarin de genoemde het integrale Noordzeebeleid en -beheer. Het Interdepartementaal Directeurenoverleg Noordzee ministeries zijn vertegenwoordigd. (IDON) heeft tot taak het beleid rond Noordzee-aangelegenheden interdepartementaal af te stemmen en uit te voeren, voor zover deze afstemming niet al in andere kaders is ondergebracht. In het IDON zijn vertegenwoordigd: de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (voorzitter, Akkoord voor de Noordzee en Noordzeeoverleg IenW), Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Onder leiding van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) is in februari 2019 een Defensie, Financiën, Justitie en Veiligheid (JenV) en de uitvoeringsorganisaties Rijkswaterstaat Noordzeeoverleg gestart tussen het Rijk en stakeholders met als doel een Akkoord voor de en Kustwacht. Noordzee te sluiten. Aan de basis van dit initiatief lag het rapport ‘Verkenning Noordzeestrategie 2030’ van het OFL. Op 19 juni 2020 heeft de minister van IenW het definitieve Noordzeeakkoord aan de Tweede Kamer aangeboden2. Het akkoord bevat gemeenschappelijke uitgangspunten, Beheer opgaven en afspraken die de opgaven voor visserij, natuur en windenergie met elkaar in balans brengen, rekening houdend met de belangen van andere gebruikers zoals zeevaart en zand­ Rijkswaterstaat is coördinerend beheerder van de Noordzee. Bij de afstemming van de diverse winning. Het Noordzeeakkoord geeft – in samenhang met de NOVI – een basis voor de uitwer- beheertaken – vooral vergunningverlening en informatiebeheer – werkt de organisatie samen king van het Programma Noordzee. Op 27 januari 2021 hield de Tweede Kamer een plenair debat met overige beheerders en toezichthouders, waaronder de Nederlandse Voedsel- en Waren­ over dit akkoord en het bijbehorende governance-advies3 van het OFL. autoriteit en het Staatstoezicht op de Mijnen. Het Programma Noordzee beschrijft alleen het beheer door Rijkswaterstaat omdat dit programma op basis van de aanstaande Omgevingswet In het verlengde van het Noordzeeakkoord is bij ministerieel besluit van 30 juni 2021 een het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Bprw) bevat. Beheer door overige partijen permanent Noordzeeoverleg (NZO) tussen het Rijk en maatschappelijke organisaties ingesteld.4 wordt enkel benoemd. Dit overleg waarborgt het gezamenlijke toezicht op de uitvoering van het Akkoord voor de Noordzee en op de besteding van de daartoe beschikbaar gestelde transitiemiddelen. Dit betreft ook de afspraken die binnen de scope van dit Programma Noordzee 2022-2027 vallen. Daarnaast Rijksrederij biedt het overleg de mogelijkheid om actuele ontwikkelingen te bespreken en te bezien of deze De Rijksrederij van Rijkswaterstaat beheert, bemant en onderhoudt circa 120 schepen die 2 Kamerstukken II, 2019-2020, 33450 nr. 68. beschikbaar zijn voor de Douane, de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Kustwacht, het 3 Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving, Advies afspraken governance Noordzeeoverleg (NZO), 27 november ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Rijkswaterstaat. De schepen worden ingezet 2021 voor vaarwegmarkering, monitoring, handhaving en toezicht en incidentmanagement. 4 Besluit Noordzeeoverleg (Stcrt. 2021, 32834). Het Noordzeeoverleg bestaat uit afgevaardigden van het Rijk Daarnaast geeft de Rijksrederij adviezen over nautische zaken en vlootmanagement. en de sectoren energie, natuur, voedsel/visserij en zeevaart; met de visserijsector wordt een dialoog gevoerd over deelname. Een deel van de sector is sinds november 2021 vertegenwoordigd in het NZO. 15 moeten leiden tot nadere afspraken of tot veranderingen in het Noordzeeakkoord (adaptieve planning). Hiermee speelt het overleg ook een belangrijke rol in de adaptieve planning bij de uitwerking van het Programma Noordzee. Centraal in het NZO staat het bereiken van de balans

  41. 1.5 Relatie met internationale tussen de energietransitie, natuurherstel en een toekomstperspectief voor visserij, rekening houdend met alle gebruikers en belanghebbenden. Het NZO is een consensusgericht overleg verdragen en richtlijnen onder onafhankelijk voorzitterschap. De conclusies hebben de status van zwaarwegend advies aan de beleidsverantwoordelijke departementen. Internationale samenwerkingsverbanden en verplichtingen De grenzen van het Nederlandse deel van de Noordzee hebben bestuurlijke en juridische betekenis, maar het gebruik, de natuur en het ecosysteem zijn grensoverschrijdend. Het beleid voor de Noordzee wordt in hoge mate bepaald door internationale kaders. Het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) is het alomvattende juridische kader voor het gebruik van zeeën en oceanen5. Een aantal verdragen, waarbij Nederland partij is, en samenwerkingsverbanden kan worden gezien als een nadere uitwerking van de algemene regels vervat in het VN-Zeerechtverdrag. Op mondiaal en regionaal niveau worden in diverse gremia afspraken gemaakt over zeegebonden activiteiten, veiligheid, en de bescherming van het zeemilieu. De belangrijkste samenwerkings­ verbanden en verplichtingen zijn: • Mondiaal niveau Het Biodiversiteitsverdrag (CBD) 6, de UN Sustainable Development Goals, het Klimaatakkoord van Parijs7, en het Oceanenbeleid8. Voorts afspraken in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), het Verdrag van Londen en het daarbij behorende London Protocol van 19969, en tot slot het Verdrag van Valletta10. 5 Het op 10 december 1982 te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83). 6 Het op 5 juni 1992 te Rio de Janeiro tot stand gekomen Verdrag inzake biologische diversiteit (Trb. 1992, 164 en 1993, 54). 7 De op 12 december 2015 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst van Parijs (Trb. 2016, 98 en Trb. 2016, 162). 8 Kamerstukken II 2016–2017, 30 196, nr. 543. 9 Het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000, 27). 10 Het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed herzien (Trb. 2007, 126); 16 • Europees niveau Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) Kaderrichtlijn Water (KRW)11, Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM)12, Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (MSP)13, het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)14, Vogelrichtlijn Het doel van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie is het bereiken en behouden van een ‘goede (VR)15 en Habitatrichtlijn (HR)16, CO₂-emissiereductiedoelstellingen, de Europese strategie voor de milieutoestand’ van het mariene milieu. De richtlijn biedt een integraal juridisch kader dat de Duurzame blauwe economie, Duurzame-energiebeleid, European strategy for plastics in a circular EU-lidstaten verplicht tot het beschermen, in stand houden en herstellen van het mariene milieu. economy. Concreet betekent dit onder meer het voorkomen, verminderen en elimineren van verontreiniging, • Regionaal niveau het realiseren van een samenhangend en representatief netwerk van beschermde zeegebieden en het Oslo Parijs Conventie voor de bescherming van het mariene milieu in het Noord-Oost bevorderen van duurzaam gebruik. Ook moeten de EU-lidstaten bijdragen aan de samenhang van de Atlantische gebied, inclusief de Noordzee (OSPAR)17, veelal via KRM-implementatie. Voorts verschillende beleidsterreinen, overeenkomsten en wetgevende maatregelen die van invloed zijn op bescherming walvisachtigen (ASCOBANS)18, en bescherming van migrerende watervogels, het mariene milieu. Zij moeten streven naar integratie en borging van de milieudimensie in de waaronder de meeste zeevogels in de Noordzee (AEWA). verschillende beleidsterreinen. In algemene zin verlangt de KRM dat lidstaten samenwerken met • Noordzeelanden andere landen in de mariene regio. De Politieke Verklaring van Noordzee-energieministers (The North Seas Energy Cooperation 2020-2023, als vervolg op de verklaring 2016-2019) ter versterking van de samenwerking bij de De Mariene Strategie bestaat uit drie delen. Deel 1 bevat de initiële beoordeling van de milieutoestand ontwikkeling van offshore duurzame energie, met onder andere aandacht voor ruimtelijke en beschrijft de goede milieutoestand, de milieudoelen, de indicatoren en de beleidsopgaven om tot planning en ecologie. Daarnaast relevante instrumenten die zijn vastgesteld in het kader van een goede milieutoestand te komen. Deel 2 is het KRM-monitoringprogramma. De geactualiseerde het Verdrag van Bonn inzake de bescherming van migrerende diersoorten en de Bonn- delen 1 en 2 zijn respectievelijk in 2018 en 2020 voor een tweede beleidsperiode vastgelegd. Mariene Agreement (incidentenbestrijding). De samenwerking (The North Sea Region Maritime strategie deel 3, het programma van maatregelen, is inmiddels ook geactualiseerd en opgenomen in Spatial Planning Collaboration Group, 2021) op grond van artikel 11 uit de Europese Richtlijn het Programma Noordzee 2022-2027 (zie paragraaf 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.3 en bijlage 1). Maritieme Ruimtelijke Planning tussen Noordzeelanden ten behoeve van afstemming ter bevordering van grensoverschrijdende coherentie tussen plannen. • Bilaterale uitwisseling Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (MRP) Op overheidsniveau vooral met België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. De Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (MRP) verplicht lidstaten een maritiem ruimtelijk planningsproces te doorlopen en een maritiem ruimtelijk plan op te stellen. De richtlijn uit 2014 is in Nederland in 2016 in het Waterbesluit geïmplementeerd. Het Programma Noordzee behelst 11 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een het Nederlandse maritieme ruimtelijke planningsproces en het maritiem ruimtelijk plan. kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327). 12 Richtlijn 2008/56/EG (PbEU 2008, L 164/19). Voor grensoverschrijdende aspecten verplicht de richtlijn tot het door middel van samenwerking 13 Richtlijn 2014/89/EU (PbEU 2014, L 257/135). bewaken van de coherentie van de plannen en tot het afstemmen met de andere 14 Verordening (EU) Nr. 1380/2013, (PbEU 2013, L 354/22). Noordzeelanden. Die verplichting is onder meer relevant voor natuurgebieden, scheepvaart­ 15 Richtlijn 2009/147/EG (PbEU 2010, L 20/7). routes, kabels en leidingen, en windparken, maar ook voor de cumulatie van (grens­ 16 Richtlijn 92/43/EEG (PbEU 1992, L 206). overschrijdende) effecten zoals onderwatergeluid of de effecten van menselijke activiteiten op 17 Het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene zeezoogdieren en migrerende vogels. Een andere verplichting is gericht op het analyseren van de milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, 16). wisselwerking tussen land en zee (land-zee-interacties). Deze interacties moeten – waar relevant 18 De op 17 maart 1992 te New York tot stand gekomen Overeenkomst inzake de instandhouding van kleine – een plaats krijgen in het maritiem ruimtelijk plan (zie hoofdstuk 9). walvisachtigen in de Baltische Zee, de Noordoost-Atlantische Oceaan, de Ierse Zee en de Noordzee (Trb. 1992, 137, Trb. 2006, 133). 17

  42. 1.6 Procedure, participatie en Participatie Het Programma Noordzee 2022-2027, inclusief de bijlage KRM-programma van maatregelen is toetsingsadvies Commissie m.e.r. opgesteld in de geest van de Omgevingswet. Brede participatie is daardoor een belangrijke pijler onder het beleidsdocument. Het participatieproces heeft onder invloed van de COVID-19- pandemie op een nieuwe, vrijwel uitsluitend digitale wijze gestalte gekregen. Belanghebbenden kregen tijdens verschillende (online) bijeenkomsten informatie over het proces en de (tussen) Procedure resultaten van deelonderwerpen. Zij hebben kunnen meedenken over toekomstige locaties voor windenergie, de beoordeling van deze gebieden en de afweging om te komen tot een Het Programma Noordzee 2022-2027, inclusief de bijlage KRM-programma van maatregelen, is voorkeursvariant. opgesteld als een bijlage bij het Nationaal Water Programma en voorbereid volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4.1 Waterbesluit). Ook gelden aanvullende Medeoverheden zijn op verschillende momenten geconsulteerd over keuzes die de verschillende procedure­regels op grond van de Waterwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieu­ gebruiksfuncties raken. Zij hebben actief bijgedragen aan de totstandkoming van de paragraaf beheer. Dit Programma Noordzee 2022-2027 vervangt de Beleidsnota Noordzee 2016-2021. land-zee-interactie en ook op bestuurlijk niveau zijn informatie en standpunten uitgewisseld. In het najaar van 2020 en begin 2021 heeft Nederland op basis van de MSP richtlijn het ruimtelijk Het voornemen om tot dit Programma Noordzee 2022-2027 te komen, is aangekondigd in de plan informeel afgestemd met de buurlanden. brief aan de Tweede Kamer van 28 oktober 2019.19 Op 31 oktober 2019 is het voornemen om het Nationaal Water Programma 2022-2027 op te stellen en hiervoor een milieueffectrapport In het najaar van 2020 is tijdens verschillende bijeenkomsten van het Noordzeeoverleg op (PlanMER) en Passende beoordeling (Pb) te maken gepubliceerd in de Staatscourant en de consensus gericht overleg gevoerd over onderdelen van het Programma Noordzee. Op 16 Volkskrant20. Tegelijkertijd heeft ter voorbereiding van het PlanMER de Notitie Reikwijdte en december 2020 is het gehele Ontwerp Programma Noordzee 2022-2027 in het Noordzeeoverleg Detailniveau (NRD) ter inzage gelegen. De notitie beschrijft welke onderwerpen (reikwijdte) met besproken. Brede informatiebijeenkomsten over het Ontwerp Programma Noordzee vonden welke diepgang (detailniveau) in het PlanMER en de Pb worden onderzocht. In overeen­ plaats op 30 januari 2020 en op 26 mei 2021. stemming met artikel 7.9 van de Wet milieubeheer heeft eenieder van 1 tot en met 28 november 2019 de gelegenheid gekregen zienswijzen in te dienen over zowel het voornemen als de inhoud Het Ontwerp Programma Noordzee 2022-2027 inclusief het ontwerp van de Mariene Strategie van de NRD. Op basis van de ontvangen reacties is de NRD op één punt aangepast. deel 3 en het bijbehorende PlanMER en de Pb lagen van 22 maart 2021 tot en met 22 september 2021 ter inzage als onderdeel van het NWP. In maart 2021 hebben de Espoo-contactpersonen het Op 31 oktober 2019 is op grond van het Espoo-verdrag voor strategische milieueffectrapportages volledige PlanMER en de Pb ontvangen. Eenieder heeft daarover zienswijzen naar voren kunnen (UNECE) de Engelse vertaling van de NRD toegezonden aan de Espoo-contactpersonen van de brengen. omringende landen. In artikel 10 van het protocol bij het Espoo-verdrag is bepaald dat een partij die inschat dat zijn/haar planvorming significante effecten heeft op andere partijen, dit in een zo In 2021 is tijdens verschillende bijeenkomsten van het Noordzeeoverleg op consensus gericht vroeg mogelijk stadium meedeelt om afspraken over participatie mogelijk te maken. Vanuit de overleg gevoerd over een Aanvullend Ontwerp van het Programma Noordzee voor de aanwijzing buurlanden zijn vier reacties op het Programma Noordzee ontvangen. van nieuwe windenergiegebieden. Een brede informatiebijeenkomst over het Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee 2022-2027 vond plaats in oktober 2021. Vanaf 9 november tot en met 20 december 2021 is dit Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee met bijbehorende aanvullende PlanMER en de Pb ter inzage gelegd, waarop eenieder nogmaals zienswijzen naar voren kon brengen. 19 Kamerbrief Nationaal Water Programma 2022 - 2027. 20 Stcrt. 2019, nr. 58883. 18 De Espoo-contactpersonen hebben op 16 november 2021 de Engelse vertaling van het gegeven over het aanvullend PlanMER en bijbehorende Passende beoordeling. Volgens de Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee ontvangen, samen met de Engelse, Franse en Duitse Comissie m.e.r. is de trechtering van zoekgebieden goed navolgbaar en is er veel onderzoek vertaling van de samenvatting van het aanvullend PlanMER. De reactietermijn voor de buur­ verricht, ook naar de cumulatieve effecten. Het PlanMER en de Passende beoordeling bieden landen liep tot en met 27 december 2021. daarmee volgens de Commissie m.e.r. voldoende basis voor de besluitvorming. Dit advies is opgenomen in de aanvullende reactienota, samen met de reacties op de ingebrachte zienswijzen. Inspraakreacties De binnengekomen zienswijzen zijn betrokken bij de totstandkoming van het definitieve Vaststelling Programma Noordzee 2022-2027. De zienswijzen op het Ontwerp Programma Noordzee zijn opgenomen in de reactienota bij het Nationaal Water Programma 2022 – 2027. De zienswijzen Het kabinet stelt het Nationaal Water Programma 2022-2027 inclusief het Programma Noordzee op het Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee zijn opgenomen in een aanvullende 2022-2027 in maart 2022 vast. Binnen drie maanden na vaststelling wordt het KRM-programma reactienota. Het kabinet is alle partijen die deelgenomen hebben aan het participatieproces van maatregelen aan de Europese Commissie gerapporteerd. Het Programma Noordzee erkentelijk voor hun inbreng. 2022-2027 wordt na vaststelling als maritiem ruimtelijk plan eveneens integraal aan de Europese Commissie verzonden. Advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage Het Programma Noordzee geldt als structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en bevat de kaders voor activiteiten die onder de (beoordelings)plicht van een milieuef- fectrapportage (m.e.r.) vallen. De Wet milieubeheer (Wm) bepaalt dat een m.e.r. moet worden doorlopen, dat uitmondt in een PlanMER inclusief Passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming. Doel van een PlanMER is om de milieuaspecten van de beleidsvoornemens een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. Van deze voornemens zijn de milieueffecten in het PlanMER en de Passende beoordeling beschreven en beoordeeld. Deze beoordeling is betrokken bij vormgeving van de uiteindelijke voornemens in het Programma Noordzee. Het PlanMER en de Passende beoordeling zijn samen met het Ontwerp NWP voor iedereen ter inzage gelegd. Een aanvullend PlanMER en Passende beoordeling is bij het Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee ter inzage gelegd. De Commissie voor de milieu­ effectrapportage heeft op 7 juni 2021 een toetsingsadvies op het PlanMER bij het NWP uit­ gebracht21. Op 25 januari 2022 heeft de Commissie m.e.r. een aanvullend toetsingsadvies uitgebracht op het Programma Noordzee22. De Commissie m.e.r. heeft een positief advies 21 Commissie m.e.r., Nationaal Water Programma 2022-2027, Toetsingsadvies over het milieueffectrapport, 7 juni 2021, projectnummer: 3429. 22 Commissie m.e.r., Programma Noordzee, aanvulling zoekgebieden wind op zee, Toetsingsadvies over het milieueffectrapport, 25 januari 2022, projectnummer: 3595. 19

  43. 1.7 Adaptieve planning en Gedurende de looptijd van het Programma Noordzee 2022-2027 kan het kabinet besluiten tot een tussentijdse (partiële) herziening van het programma, als dat bijdraagt aan het bereiken van de beoogde doelen. Voor een eventuele gedeeltelijke wijziging van het programma zal een internationale samenwerking vergelijkbare procedure worden gevolgd als het voorliggende Programma Noordzee 2022-2027. De partijen in het Noordzeeoverleg en andere direct belanghebbenden zullen conform nieuwe governance-afspraken actief bij een tussentijdse wijziging van het Programma Noordzee worden betrokken. Het geïntegreerde Noordzeebeleid en -beheer kent het principe van adaptieve planning. Dit betekent dat dit Programma Noordzee voor deze planperiode weliswaar het beleid uitzet inclusief een uitvoeringsagenda en de beheeraspecten ter uitwerking van het beleid, maar dat er gedurende de planperiode momenten zijn waarop voor het beleid en beheer aanpassingen nodig zijn. Aanpassingen kunnen zijn ingegeven door voortschrijdend inzicht op basis van monitoring en nieuwe kennis (zie hoofdstuk 11), evaluatiemomenten van specifieke onderdelen van het beleid, of nieuwe nationale of internationale ontwikkelingen die ingrijpen op de essentie van het beleid. Het Rijk zal een beleidstheorie opstellen ten behoeve van de evaluatie van het Programma Noordzee. In de periode 2022-2027 zijn verschillende momenten voorzien om besluitvorming tegen het licht te houden en ruimte te scheppen voor adaptieve planning die past bij de dynamiek op de Noordzee. Hoofdstuk 12 bevat een uitvoeringsagenda van beleids­ besluiten, die per inhoudelijk thema inzicht biedt in de belangrijkste mijlpalen in de periode 2022-2027. Bij elk van deze besluiten en producten worden stakeholders betrokken. Voorts zet Nederland in op grensoverschrijdende samenwerking en afstemming op het gebied van monitoring, beoordeling, coherentie van ruimtelijke ordening op zee en maatregelen om de goede milieutoestand te bereiken. Het gaat daarbij om samenwerking en afstemming met onze Noordzeebuurlanden, binnen de EU en het OSPAR-verdrag. De Europese Commissie kende in het kader van de Green Deal in mei 2021 een nieuw project voor samenwerking aan Maritieme Ruimtelijke Planning toe, dat zich specifiek richt op de uitwerking van de Green Deal elementen. Dit project “Emerging topics in Maritime Spatial Planning for the North- and Baltic Sea Regions” kent 15 deelnemende overheidsorganisaties van landen in de Oost- en Noordzee en wordt gecoördineerd door RVO in samenwerking met de ministeries van IenW en LNV. Het project versterkt de internationale samenwerking en loopt van september 2021 tot en met het voorjaar van 2024. Nederland onderzoekt tevens mogelijkheden om de internationale samenwerking bij planningsvraagstukken op de Noordzee te versterken via een Noordzeebekken-strategie (zie hoofdstuk 9.6). 20

  44. 1.8 Leeswijzer Hoofdstuk 11 beschrijft de wijze waarop de kennis- en monitoringsagenda rondom het Noordzeebeleid gestalte krijgt. Hoofdstuk 12 sluit af met een overzicht van de hoofdlijnen van het beleid, de uitvoeringsagenda Hoofdstuk 2 beschrijft de visie, ambitie en opgaven van het Noordzeebeleid. Dit hoofdstuk gedurende de planperiode en de financiering van beleid. kadert de koers voor het Programma Noordzee in en is richtinggevend voor de daarna volgende inhoudelijke hoofdstukken. In de hoofdstukken 3 tot en met 7 zijn de inhoudelijke thema’s uitgewerkt: het versterken van het mariene ecosysteem, de voedseltransitie, de energietransitie, scheepvaart en havens, en verdere gebruiksfuncties zoals zandwinning, kabels en leidingen, defensieoefengebieden, land-zee-interacties, cultureel erfgoed onder water, toerisme en recreatie en meteorologische informatievoorziening. De uitwerking omvat het huidig gebruik en de ontwikkelingen sinds 2016, de beleidsvisie, -opgave en -ambitie, het beheer, de acties en tot slot de kennisagenda voor de komende planperiode. Hoofdstuk 8 beschrijft de Duurzame blauwe economie en gaat in op meervoudig ruimtegebruik in windparken. Hoofdstuk 9 beschrijft het kader voor de ruimtelijke ordening die uit de verschillende inhoudelijke beleidsvoornemens voortvloeit. Dit hoofdstuk bevat een structuurvisiekaart met de Natura 2000- en KRM-gebieden, scheepvaartroutes, ruimtelijke reserveringen voor windenergie en zandwin- ning, en voorkeurtracés voor kabels en leidingen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk een kaart met verschillende zoekgebieden voor windenergie en ruimtelijke indicaties voor toekomstige scheepvaartroutes of clearways. Ook behandelt dit hoofdstuk land-zee-interacties en internationale samenwerking op het gebied van maritieme ruimtelijke planning. Hoofdstuk 10 werkt de andere kaders uit die voor de ruimtelijke ordening van belang zijn: het Beleidskader doorvaart en medegebruik, Gebiedsverkenningen en Handreiking gebiedspaspoort voor medegebruik in windenergiegebieden op de Noordzee, het Afwegingskader medegebruik in windparken, het Afwegingskader gebruik van gebied gereserveerd voor zandwinning en het Afwegingskader vergunningplichtige activiteiten op de Noordzee. Ook bevat dit hoofdstuk richtinggevende uitspraken over kunstmatige eilanden in zee. 21 Programma Noordzee 2022 – 2027 22 2 Visie, ambitie en opgaven Dit hoofdstuk beschrijft de inhoudelijke koers van het Programma 2.1 Uitdagingen en kansen Noordzee voor de planperiode 2022-2027, met een doorkijk naar 2050. Het Rijk ziet voor de ontwikkeling van de Noordzee diverse De Noordzee is een potentieel rijk maar ook kwetsbaar ecosysteem dat in open verbinding staat kansen en uitdagingen. Het vereist een visie om deze in het beleid voor met het systeem van de Noordoost-Atlantische-Oceaan. Het is ook één van de meest intensief benutte zeeën ter wereld, vooral door scheepvaart, visserij, olie- en gaswinning, windparken en de komende jaren een plek te kunnen geven. De visie werkt door in de zandwinning. De economische waarde van de Noordzee voor Nederland is groot. ambities en opgaven die binnen een (inter)nationale context in dit Noordzeegerelateerde activiteiten hebben een toegevoegde waarde van circa 25 miljard euro per jaar (circa 4 procent van het bruto nationaal product). Het intensieve gebruik zet het ecosysteem in Programma Noordzee zijn beschreven. In de opvolgende hoofd­ ons deel van de Noordzee onder grote druk. Structureel en permanent zijn de effecten van het stukken is deze koers naar het geïntegreerde beleid en beheer tot eind afsluiten van riviermondingen. De drukfactoren van het dagelijks gebruik van de Noordzee zijn 2027 uitgewerkt. vooral effecten van visserij, verontreiniging met plastic en onderwatergeluid. De vervuiling van de zee door chemische en organische stoffen laat in veel gevallen een dalende trend zien. Een nieuwe zorg vereist echter nu en in de komende decennia de aandacht, namelijk de door mensen veroorzaakte snelle klimaatverandering. De stijgende zeespiegel en de snelle opwarming en verzuring van het ecosysteem zullen ingrijpende gevolgen hebben, waaronder effecten op de verdediging van ons land tegen de zee. Tegelijkertijd biedt de Noordzee grote kansen voor duurzame economische ontwikkelingen en voor het invullen van urgente maatschappelijke opgaven. De bouw van windparken bijvoorbeeld ondersteunt de transitie naar volledig duurzame energie in 2050. Dit alles betekent dat het gebruik van de Noordzee in de periode tot 2050 alleen maar intensiever zal worden. 23

  45. 2.2 Toekomstvisie Noordzee 2050 2.3 Internationale ambities De uitdagingen en kansen die het toenemende gebruik van de Noordzee met zich meebrengt, Het ecosysteem van de Noordzee houdt zich niet aan staatsgrenzen. Meerdere vormen van gebruik vragen om een lange termijnvisie. Met het Programma Noordzee 2022-2027 zet het Rijk een stap op van de Noordzee doen dat evenmin. Dit impliceert dat ook het beleid en het beheer internationaal weg naar onze visie op de Noordzee in 2050. De Noordzee wordt dan nog steeds intensief gebruikt moeten zijn georiënteerd; in hoofdstuk 1 is dat toegelicht. Het Programma Noordzee 2022-2027 is en de natuurwaarde is hersteld. Schepen varen nog altijd af en aan naar de Noordzeehavens. De sterk ingekaderd door beleid en wetgeving op mondiaal, regionaal (met name OSPAR) en Europees visserij is van karakter veranderd. De grootste zichtbare veranderingen zijn de afname van de olie- niveau. Nederland plaatst de visie, ambities en opgaven voor de Noordzee nadrukkelijk in deze en gasinstallaties en de grootschalige uitbreiding van het aantal windparken en bijbehorende internationale context. De internationale ontwikkeling van visie en beleid voor de Noordzee geeft energie-infrastructuur, -opslag en conversiefaciliteiten. Het ecosysteem van de Noordzee is – dus in belangrijke mate richting aan het nationale beleid en beheer. hoewel intensiever gebruikt dan ooit – hersteld. Het vrije uitzicht vanaf de kust en het cultureel erfgoed onder water (onder andere uit ons rijke zeevaartverleden) zijn behouden gebleven. Aan dit toekomstbeeld van de Noordzee heeft het benutten van synergie-effecten door multi­ Mondiaal functioneel en innovatief gebruik van de ruimte sterk bijgedragen. Dat geldt vooral voor het combineren van windparken met aquacultuur, bepaalde vormen van visserij, natuurversterking In 2015 heeft Nederland als een van de 193 landen van de Verenigde Naties de duurzame ontwikke- door aanleg van oesterbanken, energie uit zon en getijdenstromen en opslag van energie en CO₂ in lingsdoelen (Sustainable Development Goals, SDG’s) vastgesteld als de nieuwe mondiale duurzame uitgeproduceerde olie- en gasvelden (en mogelijk aquifers). ontwikkelingsagenda voor 2030. Deze agenda is uitgewerkt in een mondiaal verbindende visie die is geconcretiseerd in zeventien doelen verdeeld over de thema’s vrede, gelijke kansen, tegengaan van Deze visie voor 2050 kan realiteit worden, onder andere door werk te maken van de vijf thema’s die in armoede en honger, duurzame economische ontwikkeling, de aanpak van de klimaatcrisis, schoon de overkoepelende visie Beleidsnota Noordzee 2016-2021 zijn benoemd op basis van de Noordzee water en het keren van de achteruitgang van biodiversiteit. 2050 Gebiedsagenda: bouwen met de Noordzeenatuur, energietransitie op zee, meervoudig/ Richtinggevend voor het beleid en beheer van de Noordzee is vooral SDG 14, dat zich specifiek richt multifunctioneel gebruik van de ruimte, verbinding van land en zee en bereikbaarheid/scheepvaart. op het leven onder water. In dit doel staat centraal dat oceanen, inclusief hun omringende zeeën, Met dit Programma Noordzee zet Nederland een verdere concrete stap naar het bereiken van de visie mondiale systemen zijn die de aarde ook voor mensen bewoonbaar maken. Voor ons drinkwater, het op de Noordzee in 2050. geschikte klimaat, alles wat kustzones ons bieden, een groot deel van ons voedsel en de samen­ stelling van de lucht die we inademen, zijn we afhankelijk van de zee. De oceanen en zeeën, inclusief de Noordzee, zijn cruciaal voor handel en transport. De kern van de mondiale visie is dat zonder zorgvuldig beheer van deze essentiële wereldomvattende hulpbron geen duurzame toekomst voor de mensheid mogelijk is. Het gaat in beleid en beheer dus in essentie om het verminderen van de menselijke voetafdruk tot binnen de randvoorwaarden om een ecosysteem gezond te kunnen houden. Voor de Noordzee relevante subdoelen van de mondiale duurzame ontwikkelingsagenda richten zich op het tegengaan van vervuiling en op bescherming, herstel en versterking van de veerkracht van ecosystemen (inclusief het aanwijzen van beschermde gebieden), het aanpakken van verzuring en minimaliseren van de impact ervan, het tegengaan van overbevissing en tot slot het uitbreiden van de wetenschappelijke kennis en de daarvoor nodige onderzoekscapaciteit. In het kader van het 24 Biodiversiteitsverdrag is sprake van een doelstelling om ten minste 30 procent van de oceanen in 2030 Europa te beschermen, gelijk aan de Europese inzet voor mariene bescherming. Meerdere Europese richtlijnen stellen het Nederlandse duurzame beheer van de Noordzee in een Leidend voor het beleid en beheer om te komen tot de duurzaam beheerde zee die SDG 14 beoogt, is Europees kader. Dat zijn de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM), de Vogelrichtlijn (VR) en de ecosysteembenadering, in samenhang met het voorzorgsprincipe23. Kennis van de dynamiek van Habitatrichtlijn (HR), de Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning, de Kaderrichtlijn Water het mariene ecosysteem is hiervoor de basis. Het conceptuele kader van de ecosysteembenadering is (KRW) en dochterrichtlijnen, en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). De KRM bouwt al eerder vastgelegd in diverse verdragen en Europese richtlijnen (Biodiversiteitsverdrag van de daarbij voort op het gezamenlijke beheer van het noordoostelijke deel van de Atlantische Verenigde Naties24, OSPAR25, Kaderrichtlijn Mariene Strategie26). Het doel is om de invloeden die Oceaan door de verdragspartijen van het OSPAR-verdrag en plaatst het belang hiervan in een kritisch zijn voor de gezondheid van het ecosysteem te identificeren en hierop actie te ondernemen. formeel Europees kader. Dat draagt bij aan het herstel en behoud van de integriteit van het ecosysteem en aan duurzaam gebruik van ecosysteemproducten en -diensten. De Europese landen hebben bij het vaststellen van de KRM in 2008 ook bepaald dat in 2020 de goede milieutoestand (GMT) moet worden bereikt en behouden. Dit doel is nog niet gehaald. De Behalve SDG 14 hebben ook andere ontwikkelingsdoelen invloed op het Nederlandse effecten van verontreinigingen uit het verleden ijlen nog na, waardoor 2020 eigenlijk een te vroeg Noordzeebeleid. Het meest in het oog springen SDG 13 (klimaatactie) en het bijbehorende ijkpunt is. Bovendien is het ecosysteem sterk aangetast en dynamisch. Daardoor is een GMT niet VN-Klimaatakkoord van Parijs uit 2015. Dit akkoord heeft als doel de opwarming van de aarde te goed te definiëren en heeft het systeem een moeilijk voorspelbare tijdsduur nodig om op beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een reële kans dat de temperatuurstijging onder de 1,5 maatregelen te reageren. Bovendien zijn ontwikkelingen in Nederland gerelateerd aan beleids­ graad Celsius blijft. Door de aanleg van windparken op zee, als alternatief voor fossiele energie­ ontwikkelingen in internationaal verband. Nederland zal in Brussel aandacht blijven vragen voor bronnen, kan de Noordzee aan deze doelstelling een belangrijke bijdrage leveren. de rol van statische doelen in dynamische, natuurlijke systemen. De KRM zal in 2023 worden herzien. Dit kan gedurende de planperiode leiden tot bijstellen of aanvullen van (de implementatie van) het In de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) worden mondiale afspraken gemaakt over beleid van dit Programma Noordzee en de implementatie van de KRM als onderdeel daarvan. duurzame scheepvaart. Dan gaat het onder andere om eisen aan zeeschepen om de uitstoot van milieuvervuilende stoffen terug te dringen, het voorkomen dat uitheemse schadelijke organismen via De OSPAR North East Atlantic Environment Strategy (NEAES) 2030 is in oktober 2021 vastgesteld27. De het ballastwater in nationale wateren terecht komen, het voorkomen van lozingen van schadelijke strategie bevat twaalf strategische doelen die moeten leiden tot een goede milieutoestand in de stoffen, het voorkomen van plastic afval en het verminderen van onderwatergeluid. Noordoost Atlantische Oceaan. Deze doelen hebben betrekking op: In dit kader heeft de IMO de Noordzee uitgeroepen tot speciaal emissiebeheersgebied waar extra • Een schone zee/oceaan: eutrofiëring, gevaarlijke stoffen, radioactieve stoffen, zwerfvuil strenge regels gelden voor de uitstoot van stikstof, zwavel en fijnstof. inclusief microplastics. • Een biologisch diverse en gezonde zee: beschermen en behouden biodiversiteit, ecosysteem en ecosysteemdiensten, herstel van aangetaste habitats. • Duurzaam gebruik van de zee: cumulatieve effecten van gebruik, onderwatergeluid, zeebodemintegriteit. • Klimaatverandering en verzuring: bewustwording door te monitoren en analyseren, rekening 23 Verdrag over het functioneren van de EU-artikel 191 lid 2. houden met deze extra druk bij het ontwikkelen van programma’s, acties en maatregelen, 24 Verdrag inzake biologische diversiteit, Tractatenblad, 1993, nr. 54. bijdrage van oceanen aan mitigatie. 25 Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Verdrag van Oslo en Parijs), Tractatenblad, 1993, nr. 141. 27 Strategy of the OSPAR Commission for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic 26 Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader 2030 (Agreement 2021-01: North-East Atlantic Environment Strategy (replacing Agreement 2010-03)) OSPAR voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu. 21/13/1, Annex 22. 25 In deze planperiode wordt de OSPAR-NEAES door de Verdragspartijen geoperationaliseerd en De Europese Biodiversiteitsstrategie ambieert: geïmplementeerd. Hierbinnen zal Nederland inbreng leveren vanuit het kader van dit • de ecologische bescherming van in totaal 30 procent van de Europese zeeën, waarvan een Programma Noordzee en in bijzonder de opgaven en vereisten in relatie tot de implementatie derde strikt beschermd. De EU heeft een notitie opgesteld met definities van ‘ecologische van de KRM. Besluiten in OSPAR over de uitwerking van de NEAES zullen waar nodig doorwerken bescherming’ en ‘strikt beschermd’. Lidstaten worden gevraagd hun plannen voor gebieds­ in het bijstellen of aanvullen van (de implementatie van) het beleid van dit Programma bescherming in 2022 met de Europese Commissie te delen in een ‘pledge and review’ proces. Noordzee en de implementatie van de KRM als onderdeel daarvan. • wettelijk vast te leggen natuurhersteldoelen, nader uit te werken op basis van plannen die de lidstaten indienen bij de Europese Commissie. ‘Blauwe groei’ is de Europese langetermijnstrategie uit 2012 voor méér duurzame groei in specifieke mariene en maritieme sectoren. De strategie geeft richting aan het Europese Bij de sectorale thema’s van de blauwe economie ligt het accent op windenergie, waterstof, geïntegreerde maritieme beleid. De EU beschrijft hierin hoe de zeeën en oceanen aanjagers CO₂-opslag en -hergebruik, nature based solutions en verduurzaming van de scheepvaart. Ook de kunnen zijn voor de Europese economie met een groot potentieel voor innovatie en groei. ontsluiting van maritieme kennis en ruimtelijke planning spelen een rol; daar ligt het accent op het toepassen van de ecosysteembenadering, verdere digitalisering en het versterken van de De Europese Green Deal uit 2019 plaatst de strategie van de blauwe groei in een nieuw perspectief. regionale samenwerking. De Europese Green Deal verlangt dat we onze economie omvormen tot een moderne, hulp­ bronnenefficiënte en concurrerende economie waar de netto-uitstoot van broeikasgassen wordt uitgefaseerd en het natuurlijke kapitaal van de EU wordt beschermd. In mei 2021 bracht de Europese Commissie haar strategie naar buiten voor een transformatie van de hele blauwe economie naar volledig duurzaam28: een routekaart voor het duurzaam, klimaatneutraal en inclusief maken van de economieën van de EU-lidstaten. Centrale gedachte is dat klimaat­ verandering en de huidige economische activiteiten op zee en land een bedreiging vormen voor de biodiversiteit en een ongezonde zee negatief uitpakt voor de blauwe economie. De kabinets- reactie op deze strategie is op 25 juni 2021 aan de Kamer aangeboden29 en op 29 september 2021 behandeld. De Green Deal heeft de ambitie om de netto uitstoot aan broeikasgassen tegen 2050 tot nul te reduceren, economische groei te behouden zonder grondstoffen uit te putten en geen mens of regio aan zijn lot over te laten. Voor het Programma Noordzee 2022-2027 zijn de volgende doelstellingen uit de Europese routekaart van de Green Deal voor 2030 richtinggevend: • minimaal 40 procent minder broeikasgassen uitstoten, op weg naar nul procent in 2050. Nederland steunt het initiatief binnen de EU om de Europese doelstelling voor 2030 te verhogen naar 55 procent. • een zero pollution action plan. 28 COM (2021) 240/2. 29 Kamerstukken II, 2020-21, 22112, nr. 3147. 26

  46. 2.4 De Nationale Omgevingsvisie gaande en de eerste experimenten worden uitgevoerd. Denk aan het combineren van wind­ parken met aquacultuur, alternatieve vormen van visserij, natuurversterking door oesterbanken, energiewinning uit zon en getijdenstromen, groen/blauwe waterstofproductie en opslag van energie en CO₂ in uitgeproduceerde olie- en gasvelden (en mogelijk aquifers). De internationale ambities zijn voor Nederland uitgewerkt in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In de NOVI geeft het Rijk richting aan de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland, inclusief de Noordzee. Eén van de beleidskeuzes in de NOVI is het behalen van de klimaatdoelstellingen voor Nationale belangen NOVI 2050 door de noodzakelijke duurzame energieproductie grotendeels te realiseren door middel van windparken op de Noordzee. Volgens scenariostudies kan het opgesteld vermogen in windparken op In de NOVI zijn 21 nationale belangen gedefinieerd. Nationale belangen zijn de inhoude- de Nederlandse Noordzee in 2050 tussen 38 en 72 gigawatt liggen.30 Windparken vragen veel ruimte. lijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en De NOVI constateert dan ook dat de ruimte op de Noordzee in de toekomst schaarser zal zijn dan waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De volgende 13 nationale ooit. Verdere uitbreiding van windenergieproductie op zee en van ruimte voor kabeltracés tussen belangen zijn van toepassing op de Noordzee: windparken en land is alleen mogelijk als aan voorwaarden wordt voldaan op het gebied van • Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties ecologie, cultuurhistorie en raakvlakken met de andere nationale belangen op de Noordzee en op (zie hoofdstukken 3 tot en met 9). het land (zie tekstkader Nationale belangen NOVI en paragrafen 10.3.3 en 10.5.3). • In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit (zie hoofdstuk 6). De opgave voor het Programma Noordzee 2022–2027 is om de juiste maatschappelijke balans te • Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee. Die ontwikkeling moet efficiënt en (zie hoofdstukken 7.3 en 7.4). veilig zijn en passen binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit vergt scherpe, • Beperken van klimaatverandering (zie hoofdstuk 5). toekomstbestendige keuzes over het samengaan, scheiden en prioriteren van gebruik, over • Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 investeringen in verduurzaming en kennis en over adaptief beleid. Daarnaast ook keuzes over de CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (zie hoofdstuk 5). inzet op internationale afstemming, samenwerking en beleidsontwikkeling. Deze keuzes • Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via buisleidingen moeten langjarig houdbaar zijn en vergezeld gaan van stevig maatschappelijk eigenaarschap. De (zie hoofdstuk 5). NOVI hanteert daarom een aantal afwegingsprincipes voor het realiseren van maatwerk bij het • Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie (zie hoofdstuk 4). maken van keuzes tussen verschillende belangen bij de inrichting en het gebruik van de fysieke • Waarborgen van waterveiligheid en klimaatbestendigheid (inclusief vitale infra­ leefomgeving: structuur voor water en mobiliteit) (zie hoofdstuk 7.1). 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • Waarborgen van een goede waterkwaliteit (zie hoofdstuk 3, en de bijlage KRM 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; programma van maatregelen). 3. afwentelen wordt voorkomen. • Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit (zie hoofdstuk 7.2). In het afwegingsproces voor de invulling van het ruimtegebruik op de Noordzee kunnen • Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke functies die concurreren om dezelfde ruimte soms samengaan en kunnen bepaalde functies kwaliteiten van (inter)nationaal belang (zie hoofdstuk 7.5). worden verrijkt met innovatieve nieuwe kansen. De Duurzame blauwe economie bijvoorbeeld • Verbeteren en beschermen van de biodiversiteit (zie hoofdstuk 3). brengt kansen met zich mee voor nieuwe verdienmodellen en exportmogelijkheden. • Ontwikkelen van een duurzame visserij (zie hoofdstuk 4). Multifunctioneel ruimtegebruik schept kansen voor synergie. Ideeën zijn er al, onderzoek is Het Programma Noordzee werkt in de genoemde inhoudelijke hoofdstukken de 30 Klimaatneutrale energiescenario’s 2050: Scenariostudie ten behoeve van de integrale infrastructuur- nationale belangen verder uit voor de periode 2022-2027. verkenning 2030-2050. Berenschot & Kalavasta, 2020. 27

  47. 2.5 Richtingen aan beleid en en houden van de Noordzee is extra inspanning noodzakelijk. De ecologische draagkracht is randvoorwaardelijk voor het individuele en cumulatieve gebruik. Dat is des te belangrijker nu gekozen is voor forse groei van het aantal windparken op zee. De natuurtransitie vraagt ook om beheer: het Akkoord voor de een transitie in ons denken over mariene ecosystemen. Het ecosysteem van de Noordzee is geen statisch gegeven. Objecten en installaties creëren nieuwe leefgebieden (habitats) en kunnen bijdragen aan de natuur. In een wereld getekend door klimaatverandering moeten niet alleen Noordzee doelstellingen op het niveau van individuele soorten uitgangspunt zijn, maar ook doelstellingen voor de druk van menselijk gebruik in vast te stellen deelgebieden. Beleid en beheer worden bemoeilijkt door een structureel gebrek aan kennis. Blijvend kennis verzamelen, monitoring, toezicht en handhaving zijn daarom cruciaal. Om het stevige maatschappelijke eigenaarschap van de visie, ambitie en keuzes voor de lange termijn te waarborgen, hebben het Rijk en de betrokken belangenorganisaties in 2020 onder 2. De energietransitie. Fossiele brandstof wordt geleidelijk vervangen door schone, duurzame onafhankelijk voorzitterschap een Akkoord voor de Noordzee gesloten. Dit Noordzeeakkoord energie, zoals windenergie op zee. Op de Noordzee zal dat leiden tot een nieuw energiesysteem bevat afspraken over keuzes en beleid die de strategische opgaven voor de energietransitie uit vanwege de forse toename van het aantal windparken en de daarmee verbonden activiteiten het Klimaatakkoord, voor het natuurherstel en voor een gezonde toekomst van de zoals uitbreiding van de opslag en het transport van energie op zee en van zee naar land. Deze Noordzeevisserij concreet en langdurig met elkaar in balans brengen. Bij het zoeken naar de ontwikkeling maakt de reductie van CO₂-uitstoot mede mogelijk. Daarmee wordt voldaan aan balans tussen de opgaven is rekening gehouden met de belangen van andere gebruikers, zoals een van de randvoorwaarden van het Klimaatakkoord en het Akkoord van Parijs. Dit is een zeevaart en zandwinning. maatschappelijke keuze, waarbij met het oog op de belangen van het ecosysteem en andere De afspraken in het Noordzeeakkoord gaan over: gebruiksfuncties een zorgvuldige afweging is geboden. De technologische dynamiek vraagt nu • het beschermen en versterken van het ecosysteem conform EU-regelgeving; en in de toekomst nadere keuzes, bijvoorbeeld over de inzet van waterstof als energiebuffer, de • de uitrol van windparken tot en voorbij 2030 conform het Klimaatakkoord, inclusief opties aanleg van kunstmatige (energie)eilanden en alternatieve vormen van mariene energiewinning. voor doorvaart en medegebruik; • aanpassen van aard en omvang van de kottervisserij; 3. De voedseltransitie. De Noordzee is voor vissers van cruciale betekenis en ten diepste verbonden met • de intentie tot structurele samenwerking binnen een Noordzeeoverleg. de sociaaleconomische en culturele basis van lokale gemeenschappen. Terwijl de ontwikkelingen rondom de energie- en natuurtransities in een versnelling zijn geraakt en radicale veranderingen met Hiermee geeft het Noordzeeakkoord, in samenhang met de NOVI, richting aan het Programma zich meebrengen, willen vissers weten waar ze aan toe zijn. Het is van cruciaal belang om tot een Noordzee 2022-2027. Afspraken die binnen de scope van dit beleidsdocument vallen, zijn in de rendabele en duurzame visserij te komen die naar aard en omvang past bij de nieuwe situatie op de volgende hoofdstukken uitgewerkt. Noordzee. Dit is niet alleen een ecologische noodzaak en een (bedrijfs)economische realiteit, maar De hoofdopgave: het vinden van de balans tussen ruimtelijke ontwikkeling binnen de randvoor- ook een sociale eis. Daarnaast zijn er steeds meer ideeën voor alternatieve manieren van voedsel­ waarden van een gezond ecosysteem én het terugdringen van verontreiniging, is in het productie op zee (aquacultuur) die ruimte vragen op de Noordzee. Noordzeeakkoord uitgesplitst in vijf opgaven. Deze zijn onder de titel ‘Extra mijlen voor een gezonde Noordzee’ richtinggevend geweest voor de uitwerking van het beleid en beheer, zoals 4. Samenhang en balans zoeken. De innerlijke verwevenheid van deze drie transities vraagt om een beschreven in de volgende hoofdstukken. De vijf grote opgaven zijn: samenhangend Noordzeebeleid dat botsend ruimtebeslag en onbalans voorkomt tussen de transities onderling en met andere gebruikers als zeevaart, zandwinning, defensie en recreatie. 1. De natuurtransitie. De Noordzee is gemeenschappelijk bezit waarvoor we gezamenlijk verant- Samenhangend Noordzeebeleid moet ook de verstoring van de overgangen en verbindingen woordelijkheid dragen. Gebruik moet passen binnen de ecologische draagkracht van de tussen land en zee tegengaan. Voor het optimaal kunnen gebruiken van de schaarse ruimte, is Noordzee. Nu al vraagt het mariene ecosysteem om herstel. Toenemend gebruik is dan ook multifunctioneel ruimtegebruik een leidend principe. Bij de uitvoering van dit principe staat een alleen verantwoord bij herstel en behoud van het Noordzee-ecosysteem. Voor het gezond maken gebiedsgerichte aanpak centraal. Waar multifunctioneel ruimtegebruik onmogelijk is, is een 28 handhaafbare scheiding van functies nodig op basis van een transparante afweging van Energietransitie (zie hoofdstuk 5) verschillende belangen. De uitdaging is dus een gezonde en duurzame Noordzee te waarborgen, • Het beperken van de uitstoot van broeikasgassen. met plaats voor beschermde natuurwaarden én voor de ontwikkeling van een veilig, duurzaam • Het ontwikkelen van een nieuw, duurzaam energiesysteem, waarin fossiele brandstof en verantwoord gebruik. Met de onderlinge samenhang van deze transities, de balans tussen geleidelijk wordt vervangen door schone, duurzame energie, zoals windenergie op zee. verschillende gebruikers en het centraal stellen van het ecosysteem, komt de nadruk te liggen op oplossingen die de maatschappelijke baten op de lange termijn vergroten. Deze benadering Duurzame blauwe economie (zie hoofdstukken 8 en 10) biedt tevens de mogelijkheid om sectorale belangen te overstijgen. • Het werken aan de doelstellingen van de Europese Green Deal. • Innovatie in de sfeer van duurzame aquacultuur en alternatieve vormen van energiewinning 5. Duurzame blauwe economie. Innovatieve initiatieven in de sfeer van aquacultuur en alternatieve vragen ruimte voor (opschaling van) robuuste pilots. vormen van energiewinning vragen om ruimte voor (opschaling van) robuuste pilots en om • Heldere uitgangspunten voor vergunningverlening en locatiekeuze. eenduidig beleid met heldere uitgangspunten voor vergunningverlening en locatiekeuze. Samenhang en balans (zie hoofdstukken 3 tot en met 10) • De innerlijke verwevenheid van deze drie transities vraagt om een samenhangend Opgaven Noordzeebeleid, om botsend ruimtebeslag en onbalans van de transities onderling en met andere gebruikers te voorkomen. De strategische opgave die het Programma Noordzee 2022-2027 invult betreft het vinden van een juiste maatschappelijke balans in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee. Die ontwikke- ling moet efficiënt en veilig zijn en passen binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. De nationale belangen en deelopgaven zoals in dit hoofdstuk geformuleerd, worden in de navolgende hoofdstukken nader uitgewerkt. Natuurtransitie (zie hoofdstuk 3) • Het tegengaan van vervuiling, herstel en versterking van de veerkracht van ecosystemen. • Het toepassen van de ecosysteembenadering samen met het voorzorgsbeginsel. • Het bereiken en behouden van de goede milieutoestand (GMT). • Gebruik moet passen binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee. Daarnaast vraagt het mariene ecosysteem om herstel. Voedseltransitie (zie hoofdstuk 4) • Het is van cruciaal belang om tot een rendabele en duurzame visserij te komen die naar aard en omvang past bij de nieuwe situatie op de Noordzee en andere grote ontwikkelingen zoals de Brexit. Daarnaast zijn er steeds meer ideeën voor alternatieve manieren van voedsel­ productie op zee (aquacultuur) die ruimte vragen op de Noordzee. Ontwerp Programma Noordzee 2022 – 2027 29 Programma Noordzee 2022 – 2027 30 3 Versterken marien ecosysteem De actuele ecologische toestand van de Noordzee baart zorgen. 3.1 Huidige situatie Menselijke activiteiten in het verleden hebben de natuurlijke habitats sterk veranderd. Het ecologisch systeem als geheel, de biodiversiteit en en ontwikkelingen de robuustheid van leefgemeenschappen zijn verschraald. Beleidsmatig bestaat de wil tot ecologisch herstel en versterking. Maatregelen die 3.1.1 Kenschets van het Noordzee-ecosysteem daarop zijn gericht laten weliswaar een positieve respons zien, maar Het zuidelijke deel van de Noordzee, waarvan de Nederlandse Exclusieve Economische Zone deze is nog fragiel en tegelijkertijd buigt een aantal negatieve trends nog (EEZ) deel uitmaakt, is een relatief ondiep en voedselrijk kustzee-ecosysteem in de gematigde niet ten goede. De wil tot herstel en behoud komt in een tijd waarin de klimaatzone van het noordelijk halfrond. Het ecosysteem van de gehele Noordzee staat in open Noordzee algemeen wordt gezien als gebied dat veel intensiever kan verbinding met de aanliggende zeeën in de Noord-Atlantische regio. Getijdestromen en permanente waterbewegingen gaan vrij in en uit. Fysieke gradiënten in zee zijn doorgaans worden benut: voor uitbreiding van bestaande maatschappelijke en minder steil en extremen zijn er vaak minder uitgesproken dan op land, waardoor ook ver­ economische belangen en vooral voor een bijdrage aan de energie­ spreidingsgrenzen van mariene organismen minder scherp zijn dan van landorganismen. De Noordzee heeft een grote ecologische potentie. Een belangrijk deel is kustwater dat door transitie. De toename van activiteiten en de ruimteclaim die hiermee rivieren met nutriënten wordt gevoed. Het samenspel van uiteenlopende fysisch geografische gepaard gaat, zijn alleen verantwoord als het Noordzeesysteem deze omstandigheden zoals de ligging, samenstelling en structuur van de zeebodem, de water­ dynamiek en de verschillende karakters van de kustgebieden, heeft een variatie aan bijzondere kan dragen, terwijl ze de druk op het systeem ook verhogen. Dit hoofd- habitats voor allerlei mariene levensvormen doen ontstaan. De Noordzee is leefgebied en stuk beschrijft het beleid dat die samenhangende transities in balans kraamkamer voor zeezoogdieren, vissen, schaaldieren en weekdieren en overwinteringsgebied moet brengen. voor vele soorten vogels en een belangrijke schakel in de Noordoost-Atlantische trekroute voor vogels en over zee trekkende vleermuizen. De Noordzee heeft tal van ecosysteemfuncties. Enkele vormen van gebruik oogsten direct uit het mariene ecosysteem zelf, zoals de vangst van vissen, schaaldieren en weekdieren. Andere gebruiks- functies, zoals olie-, gas- en zandwinning, scheepvaart en windenergie op zee, benutten fysieke bronnen of mogelijkheden. Weer andere functies maken vooral gebruik van de kwali­teiten van de ruimte. Denk aan recreatie en beleving op en aan het water. 31

  48. 3.1.2 Geïntegreerde mariene strategie voor de Noordzee lijke activiteiten teweeggebrachte veranderingen die elkaar ook nog eens steeds sneller lijken op te volgen. De grootste directe en indirecte aanjager van veranderingen die mensen teweeg­ Nederland geeft met zijn beleid voor een gezonde zee met een duurzaam gebruik invulling aan brengen, is de emissie van broeikasgassen zoals CO₂. De sterke toename van deze emissies de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Deze richtlijn verplicht iedere Europese lidstaat met wereldwijd heeft een versnelde klimaatverandering veroorzaakt, die op haar beurt een complexe mariene wateren tot het maken van een overkoepelende strategie om in 2020 de goede reeks van met elkaar samenhangende indirecte gevolgen heeft gegenereerd. milieutoestand (GMT) te bereiken en te behouden (zie ook hoofdstuk 1). De Nederlandse Al deze veranderingen voltrekken zich ook in de Noordzee. Daarbij doen zich verschuivingen Mariene Strategie voor het eigen deel van de Noordzee is complementair aan bestaande voor in het ecosysteem. Door opwarming van het zeewater trekken soorten vanuit Het Kanaal de internationale beleidskaders voor de bescherming en het beheer van soorten en habitats. Die Noordzee in, terwijl soorten die al in de Noordzee voorkwamen verder naar het noorden kaders zijn de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), de Kaderrichtlijn Water, OSPAR, het trekken. Ook zijn er soorten, waaronder commercieel beviste vissoorten, die naar andere Biodiversiteitsverdrag (CBD), en het beleid ten aanzien van duurzame visserij in het kader van gebieden of diepere delen in de Noordzee migreren. het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Deze kaders zijn primair van kracht, de Mariene Veranderingsprocessen die door de klimaatverandering zijn gedreven, zijn binnen onze Strategie integreert ze en vult aan waar dat nodig is. De Mariene Strategie heeft als uitgangspunt tijdshorizon onomkeerbaar. Daarnaast zijn er ook veranderingen die – strikt genomen – deels het in praktijk brengen van de ecosysteembenadering en het toepassen van het voorzorgs­ omkeerbaar zijn, maar waarvoor een praktische oplossing nagenoeg ontbreekt. Zo zijn de beginsel. Daarbij vereist de richtlijn dat internationaal wordt samengewerkt. De Wet natuur­ nutriëntenstroom en biodiversiteit in de Nederlandse Noordzee deels afgenomen door de aanleg bescherming (Wnb) borgt ter uitwerking van de VR en HR de instandhouding van daaronder van de Afsluitdijk en de Deltawerken, waarmee ook de open zoet-zoutgradiënten in de kustzone vallende soorten en habitattypen en stelt onder meer strenge eisen aan vergunningverlening grotendeels zijn afgesloten. Ander voorbeeld: het wegvissen van de uitgestrekte oesterbanken – of vrijstellingen via de Wet windenergie op zee – voor activiteiten met effecten op individuen tussen het einde van de negentiende eeuw en de jaren twintig van de vorige eeuw en de van beschermde soorten, of in relatie tot effecten op instandhoudingsdoelen van Natura intensieve boomkorvisserij daarna, hebben de bodemhabitat fundamenteel veranderd en 2000-gebieden. verarmd. Nog een voorbeeld: de intensivering van de mondiale scheepvaart heeft geleid tot de definitieve vestiging van invasieve niet-inheemse soorten (exoten) die zijn meegelift op en in In 2018 is de Mariene Strategie deel 1 geactualiseerd. De toestand van het Noordzeemilieu is zeeschepen. opnieuw beoordeeld en op basis daarvan zijn de beleidsdoelen herijkt voor alle terreinen die voor het behalen van de goede milieutoestand van de Nederlandse Noordzee van belang zijn.31 De deels natuurlijke en deels door mensen veroorzaakte dynamiek maakt het formuleren en Hieronder volgt een samenvatting van deze toestandsbeoordeling uit 2018, aangevuld met beoordelen van maatregelen om voor de verschillende componenten van het Noordzee- evaluaties uit andere relevante kaders. De aandacht gaat daarbij ook uit naar de mogelijke ecosysteem een goede milieutoestand te behalen een complexe exercitie. Alleen al het bepalen cumulatieve effecten van de intensivering van het gebruik van de Noordzee, in samenhang met van een historische referentie is lastig. Kennis over de toestand in het verleden is in veel gevallen oorzaken en gevolgen van de klimaatverandering, zoals de toenemende CO₂-concentraties en de fragmentarisch of anekdotisch. Daarnaast verschuift in de tijd ook het breed gedragen beeld van stijgende temperatuur van het zeewater. wat oorspronkelijk en/of natuurlijk is; de zogenaamde shifting baseline. Er zijn ook nog veel kennisleemten rondom het functioneren van het complexe dynamische Noordzee-ecosysteem en de invloeden van het fysieke gebruik, de toenemende CO₂-

  49. 3.1.3 Huidige milieutoestand van de Noordzee concentraties en de temperatuurstijging van de zee op de draagkracht van dit ecosysteem. Die effecten kunnen direct zijn, maar ook indirect en cumulatief. De Noordzee, in het dichtbevolkte, economisch welvarende Noordwest-Europa, is een dyna- misch systeem en ook één van intensiefst benutte zeeën ter wereld. Condities veranderen Gegeven deze context laat de geactualiseerde milieubeoordeling uit 2018 het volgende beeld voortdurend, deels als gevolg van natuurlijke fluctuaties, maar ook als gevolg van door mense- zien. De toestand van zeevogels gaat achteruit; vooral het broedsucces is de laatste jaren laag. De oorzaken van de neergaande trend zijn nog niet achterhaald. De Nederlandse zeebodem is nog 31 Mariene Strategie (deel 1). Actualisatie van huidige milieutoestand, goede milieutoestand, milieudoelen en steeds substantieel verstoord als gevolg van de sleepnetvisserij. Vooralsnog blijkt duidelijk dat in indicatoren (Kamerstukken II, 27625, nr. 434). de ecologisch waardevolle gebieden vooral de meest kwetsbare, langlevende gevoelige soorten 32 minder voorkomen dan verwacht. Ook de biodiversiteit in deze gebieden is nog onvoldoende. instandhouding volgens de HR33. Het aantal vastgestelde niet-inheemse soorten dat het Het gaat niet alleen slecht met kwetsbare, langlevende grote vissoorten, maar ook met kwets- Nederlandse deel van de Noordzee vooral via de scheepvaart binnenkomt, is in de afgelopen zes bare bijvangstsoorten zoals zeebaars, tarbot en recent ook kabeljauw. jaar sterk afgenomen. Indicatief voor de toestand van de visgemeenschap is de zorgwekkende situatie van een aantal haaien- en roggensoorten. Zo vermeldt de Nederlandse Rode Lijst vissen (2015) dat één soort is De laatste jaren is grote vooruitgang geboekt op het gebied van kennisontwikkeling en monito- ‘verdwenen’, een andere soort is ‘bedreigd’ en twee soorten ‘ernstig bedreigd’ zijn.32 In de ring van impulsief onderwatergeluid. Maatregelen zijn genomen voor het terugdringen van HR-rapportage van 2019 heeft Nederland over trekvissen gerapporteerd dat van zes soorten vier impulsgeluid bij aanleg van windparken, seismisch onderzoek, explosievenruiming en actieve een ‘zeer ongunstige’ en twee een ‘matig ongunstige’ staat van instandhouding hebben. De sonar. Het aantal seismische onderzoeken voor het opsporen van olie en gas was de afgelopen eerste tekenen van herstel zijn er, maar er is nog een lange weg te gaan. jaren op het Nederlands Continentaal Plat (NCP) zeer beperkt. Samen met de industrie zal bij Aan de basis van verschillende ongunstige ontwikkelingen ligt de decennialange verschraling toekomstige projecten onderzoek naar de milieubelasting door het impulsgeluid gedaan van de natuur van de Noordzeebodem. In 2019 verkeerden de HR-habitattypen ‘permanent worden. Vooralsnog lijkt dit voldoende om (voor impulsgeluid) bij de volgende beoordeling overstroomde zandbanken’ (H1110), ‘estuaria’ (H1130), ‘grote baaien’ (H1160) en ‘riffen’ (H1170) (Mariene Strategie deel 1 in 2024) de goede milieutoestand te halen. De Nederlandse en in een ‘zeer ongunstige’ staat van instandhouding en habitattype ‘slik- en zandplaten’ (H1140) in buitenlandse opgave voor het realiseren van duurzame energiewinning en het voortschrijdend een ‘matige’ staat van instandhouding. Wilde schelpdierbanken zijn niet of nog onvoldoende inzicht in de (cumulatieve) effecten van impulsgeluid bij de aanleg van windparken, kunnen teruggekeerd. Voorts voldoet circa driekwart van de internationale commerciële visbestanden echter op termijn alsnog leiden tot een aanvullende beleidsopgave. Daarnaast resteert nog een niet aan de voorwaarden uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid voor duurzame oogst en beleidsopgave voor het terugdringen van continu onderwatergeluid. Nederland heeft het voldoende biomassa van paaibestanden (zie Mariene Strategie Deel 1). De toestand verbetert, voortouw genomen om continu onderwatergeluid in de Noordzee te monitoren via het maar is over de volle breedte van de commerciële bestanden nog niet goed. JOMOPANS-project (Joint Monitoring Programme for Ambient Noise in the North Sea). Hieruit blijkt dat vooral het meest zuidelijke deel van de Noordzee een sterke belasting van continu onderwater- Positieve trends zijn er ook. Zo zijn vorderingen geboekt bij het terugdringen van veront­ geluid ondervindt. reinigende stoffen en (plastic) zwerfvuil, en bij het bevorderen van duurzaam beheer van commer­ciële visbestanden. De hoeveelheid aangespoeld (plastic) zwerfvuil op de Nederlandse stranden neemt af, op de Noordzee als geheel is echter nog geen dalende trend waarneembaar. 3.1.4 Toekomstige ontwikkelingen Huidig beleid en talloze initiatieven in de samenleving getuigen van een groot commitment om de problematiek van plastics in het milieu aan te pakken. Hiermee lijkt voor deze onderdelen De visserij, de toenemende CO₂-concentraties in lucht en water en de (daarmee samenhangende) van de mariene strategie de goede milieutoestand in deze planperiode binnen handbereik. klimaatverandering, versnelde zeespiegelstijging, verschuivingen in de samenstelling van fytoplankton en zoöplankton en de verzuring van het zeewater, veroorzaken cumulatief een Voor het aspect vervuilende stoffen is de goede milieutoestand binnen bereik. Dit is het resultaat permanente druk op het ecosysteem. De grootschalige bouw van windparken om aan de van beleid gericht op emissiebronnen in industrie, landbouw, scheepvaart en verkeer. De mondiale klimaat- en CO₂-reductieafspraken te voldoen, brengt daarbovenop nog meer concentraties van eutrofiërende en vervuilende stoffen in het Nederlandse deel van de Noordzee drukfactoren met zich mee, wat reden geeft tot extra zorg. De grootste potentiële knelpunten zijn zo laag geworden, dat ze geen schade meer toebrengen aan organismen. Van sommige doen zich voor in relatie tot zeezoogdieren (bruinvissen), vogels en vleermuizen. Heien tijdens gevaarlijke stoffen ijlen de effecten van lozingen uit het verleden echter nog lang na. de aanleg van windparken kan bruinvissen verstoren en ertoe leiden dat ze gebieden gaan De goede milieutoestand lijkt te zijn behaald voor bruinvissen en zeehonden en voor het mijden. Windparken die in bedrijf zijn, vormen een barrière voor vogels en vleermuizen. Ze minimaliseren van introducties van niet-inheemse soorten. Bruinvissen en zowel gewone als storen de dieren op hun trekroutes en botsingen met de rotorbladen kunnen verwondingen grijze zeehonden nemen dermate in aantal toe, dat nu sprake is van een gunstige staat van veroorzaken of dodelijk zijn. Verder zijn er kennisvragen over de effecten op haaien en roggen 33 Kamerstukken II, 26 407, nr. 131. 32 Stcrt. 2015, 36471. 33 van elektromagnetische velden rond kabels, over onderwatergeluid in operationele windparken, over het cumulatieve effect van de windparken op golfpatronen en zeestromingen en op de fysiologie van het voedselweb als geheel.

  50. 3.2 Visie, ambitie en opgaven Anderzijds bieden windparken in zekere zin een toevluchtsoord waar bepaalde vormen van onderwaternatuur zich herstellen en ontwikkelen. Op het harde substraat van de funderingen en Het gewenste toekomstperspectief voor de Noordzee laat een zee zien die weliswaar intensief op de niet meer door netten beroerde bodem tussen de turbines kunnen zich soorten en wordt gebruikt, maar waarin de natuur is hersteld en waarop vanaf de kust het vrije uitzicht levensgemeenschappen ontwikkelen. behouden is gebleven. Dit beeld is een resultante van de ambities die voor de duurzame Van geheel andere orde is de voortdurende ontwikkeling van nieuwe verontreinigende stoffen ontwikkeling van Nederland zijn vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Zij sluiten die uiteindelijk in het (zee)water terechtkomen. De residuen van geneesmiddelen, waaronder aan op de mondiale Strategische Duurzaamheidsdoelen (SDG’s) en op de Europese Green Deal hormonen, en ook de toename van het gebruik van koperhoudende verf op schepen, vragen om (zie ook hoofdstuk 2). De NOVI noemt het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit in blijvende aandacht. Nederland, en – meer specifiek – het waarborgen van een goede waterkwaliteit en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit, een zaak van nationaal belang. Het is de ambitie van het Programma Noordzee om in de planperiode 2022-2027 voortvarend toe te werken naar het bereiken van de in de NOVI genoemde goede waterkwaliteit en herstelde natuur in de Noordzee. De fysieke druk en verontreiniging veroorzaakt door menselijk gebruik op én rondom de Noordzee moet worden teruggebracht tot een niveau binnen de rand­ voorwaarden voor een gezond ecosysteem. Vermindering van deze drukfactoren schept ruimte voor herstel van het ecosysteem en ontwikkeling tot een veerkrachtig systeem. De uitgangs­ punten voor beleid om deze doelen te halen zijn: het hanteren van de ecosysteembenadering en het toepassen van het voorzorgsbeginsel, waarbij – zoals de KRM verlangt – internationaal wordt samengewerkt. Het Noordzeeakkoord noemt deze opgave de natuurtransitie. Toename van de omvang en intensiteit van het gebruik is in deze transitie alleen verantwoord als dat gebruik duurzamer wordt en als daarnaast het herstel en behoud van het Noordzee-ecosysteem worden geborgd. Om de Noordzee gezond te maken en te houden, is extra inspanning noodzakelijk. De inzet van beleid en beheer om deze inspanning daadwerkelijk te leveren, wordt bemoeilijkt door een structureel gebrek aan kennis. Daarom is het ook een cruciale opgave om blijvend kennis te vergaren, trends en ontwikkelingen te monitoren, toezicht te houden en waar nodig hand­ havend op te treden. Het Noordzeeakkoord benadrukt dat de natuurtransitie ook vraagt om een transitie in ons denken over mariene ecosystemen. Het ecosysteem van de Noordzee is sterk dynamisch en dus geen statisch gegeven. Dit staat op gespannen voet met het statische begrip ‘goede milieu­ toestand’ dat de KRM hanteert. Nederland zal in Brussel aandacht blijven vragen voor de nodige 34 reflectie op de betekenis van statische doelen in dynamische, natuurlijke systemen. Waar natuurherstel niet op eigen kracht op gang komt, is actieve bescherming en natuur­ versterking geboden. Gezien de huidige toestand van het Noordzee-ecosysteem, maken

  51. 3.3 Beleid toekomstige ontwikkelingen in het gebruik van de Noordzee deze versterking van de Noordzeenatuur noodzakelijk. Het is daarbij zaak om van activiteiten, objecten en installaties De Mariene Strategie (deel 3), ofwel het programma van maatregelen van de Nederlandse niet alleen de drukfactoren te zien, maar ook de potentiële bijdragen aan de natuur, waaronder uitwerking van de KRM, geeft een overzicht van de maatregelen die het kabinet op diverse het creëren van nieuwe leefgebieden (habitats). beleidsterreinen neemt om verontreiniging terug te dringen, habitats en soorten te herstellen en natuur te versterken. Dit voorliggende programma van maatregelen is geactualiseerd en maakt als bijlage 1 integraal deel uit van het Programma Noordzee 2022-2027. Deze paragraaf presenteert het beleid voor bescherming en versterking van het mariene milieu langs vijf sporen: • terugdringen van verontreiniging en verstoring (3.3.1); • beschermde gebieden en habitattypen (3.3.2); • beschermde soorten (3.3.3); • integrale natuurversterking (3.3.4); • verduurzaming gebruik (hoofdstuk 4, 5, 6, 7, 8 en 9). De sectorale hoofdstukken 4 t/m 9 gaan op onderdelen meer specifiek in op beleid en beheer om het gebruik te verduurzamen en binnen de randvoorwaarden van het ecosysteem te brengen. Dat impliceert ook aandacht voor het nieuwe ruimtelijke beleid, dat de balans zoekt tussen gebruik en ecosysteem, en voor de actualisering van afwegingskaders voor vergunningverlening. Dit beleid draagt bij aan SDG 14: ‘Behoud en duurzaam gebruik van de oceanen, de zeeën en de maritieme hulpbronnen’. In het Noordzeeakkoord is gesignaleerd dat structureel gebrek aan kennis het vaststellen van beleid voor bescherming, herstel en duurzaam gebruik bemoeilijkt. Dit geldt vooral voor de soorten die het meest gevoelig zijn voor grote transities op de Noordzee. Deze soorten zijn daarmee indicatoren voor de effecten van majeure veranderingen die in en op de Noordzee plaats gaan vinden. Er is behoefte aan een integraal en systematisch onderzoeks- en monitorings­programma. In het kader van het Noordzeeakkoord zijn initiatieven genomen om een programma Monitoring, Onderzoek, Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS) in te stellen. Dit zal een basis moeten vormen voor kennis over het functioneren van de Noordzee, meer specifiek: voor het verkrijgen van inzicht in de ecologische draagkracht voor huidige en duurzame toekomstige ecosysteemdiensten, en voor het meten van de gezondheid en ontwikke- ling van zee- en kustvogelpopulaties, trekvogels, vleermuizen, vissen (waaronder haaien en roggen), bodemdieren, zeezoogdieren en benthische en pelagische habitattypen. Ook is beter inzicht vereist in de (cumulatieve) effecten van alle menselijke activiteiten op deze soorten en op het ecosysteem als geheel, inclusief fysische, chemische en biologische factoren die mede bepalend zijn voor het functioneren van het systeem (effectmonitoring). 35 Het belang van kennis en inzicht geldt zeker ook voor nieuw of veranderend gebruik, zoals mariene energiewinning, aquacultuur en visserij zonder sleepnetten op vissen, schaal- en schelpdieren. Deze gebruiksvormen moeten passen binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee, bijvoorbeeld in relatie tot de aanwezige nutriënten, maar ook voor andere factoren zoals het borgen van veiligheid. De basis voor dit integrale en systematische monitoringprogramma is het in 2020 geactualiseerde KRM-monitoringprogramma (Mariene Strategie deel 2). De ambitie is om deze integratieslag te voltooien bij de volgende actualisatie van het KRM-monitoringprogramma in 2026. Daarnaast is in het Noordzeeakkoord afgesproken dat iedere twee jaar een ‘Staat van de Noordzee’ wordt gepubliceerd, die de effecten van toezicht en de resultaten uit monitoring rapporteert. In OSPAR-verband werkt Nederland samen met de andere Noordzeelanden aan het ontwikkelen van indicatoren en de beoordeling van het ecosysteem. In 2023 wordt de Quality Status Report van OSPAR gepubliceerd. Deze beoordeling zal in de actualisatie van Mariene Strategie deel 1 in 2024 (geactualiseerde integrale beoordeling van de milieutoestand van het Noordzee ecosysteem) doorwerken in de herijking van de beschrijvingen van de goede milieutoestand en de daaraan gekoppelde doelstellingen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van adaptieve planning. De onderstaande paragrafen geven voor de eerste vier beleidssporen aan welke maatregelen ter bescherming en versterking van het mariene milieu en welke ontwikkeling van kennis en monitoring in de planperiode 2022-2027 is voorzien. Daarbij gaat het om afstemming en onderling versterken van nationale en internationale onderzoeksprogrammering en om het initiëren van nieuw aanvullend onderzoek en monitoring. Voorbeelden daarvan zijn het nationale, meerjarige, missiegedreven innovatieprogramma Duurzame Noordzee, het onder- zoek in het kader van het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) en de Blauwe Route uit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA).

  52. 3.3.1 Terugdringen van verontreiniging en verstoring Om eutrofiëring tot een minimum te beperken is in de vorige planperiode het beleid gericht op het verminderen van emissies via stedelijk afvalwater en vanuit de sectoren scheepvaart en landbouw. Ook de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water draagt bij aan een proportionele reductie van de nutriëntenafvoer via de rivieren naar zee. Continuering van dit beleid geeft de maximale inzet die mogelijk is om, samen met andere landen, de goede milieutoestand te bereiken. Kaart 2: Natuurgebieden op de Noordzee 36 Het beleid voor het beperken of beëindigen van de belasting van het milieu door vervuilende Europees is voorgeschreven dat de effecten van nieuwe grootschalige hydrografische ingrepen stoffen richt zich op industriële emissies, gewasbeschermingsmiddelen, lozingen door de moeten worden onderzocht voor beoordeling in de milieueffectrapportages. Dit EU-beleid om binnenvaart, de olie- en gasproductie en de zeescheepvaart (MARPOL) en lozingen bij incidenten te voorkomen dat veranderingen in hydrografische omstandigheden permanente, negatieve en rampen. Het gebruik van tributyltin (TBT) is verboden. Dit beleid heeft een flinke daling van effecten op het ecosysteem hebben, is opgenomen in de Wet milieubeheer. concentraties van vervuilende stoffen bewerkstelligd. Wat nog resteert zijn veelal persistente, bioaccumulerende toxische stoffen. Doordat deze stoffen persistent en alomtegenwoordig zijn, Acties zullen ze nog lang in het mariene milieu voorkomen. Aanvullend beleid is in de komende Afgesproken in het KRM-programma van maatregelen, door het ministerie van IenW te planperiode niet voorzien. realiseren in 2022-2027: • Uitvoeren Programma schone stranden. Het Programma schone stranden richt zich op Om de hoeveelheid zwerfvuil in de Noordzee en de Nederlandse rivieren te verminderen, is in de kennisuitwisseling, ondersteuning van samenwerking, monitoring, en advisering van vorige planperiode het beleid gericht op preventie door middel van integrale bronaanpak, strandgemeenten. bewustwording en het sluiten van productketens. Maatregelen zijn gericht op educatie en • Agenderen van zwerfvuilproblematiek bij terrein- en waterbeheerders langs rivieren en bewustwording, het schoonhouden van stranden, de gecoördineerde aanpak van zwerfvuil in borgen van een brede en stroomgebiedsgerichte aanpak van zwerfvuil met als doel (bestuur- stroomgebieden, het lozen vanuit de scheepvaart en de visserij, en op de fabricage-gebruiks­ lijk) draagvlak te creëren voor het treffen van structurele maatregelen. De aanpak en keten van kunststofproducten. Om de dalende trend te bestendigen worden dit beleid en de preventie van zwerfvuil moeten onderdeel worden van het reguliere beheer. daaruit voortvloeiende maatregelen in de komende jaren (in aangepaste vorm) gecontinueerd • Implementeren van de afgifteplicht van persistent stollende ladingrestanten vanaf 202134. en aangevuld met een extra inzet op het gebied van schone stranden, zwerfafvalproblematiek bij • In aanvulling op de MARPOL wetgeving heeft Nederland aanvullende maatregelen genomen terrein- en waterbeheerders langs rivieren, pluis, vislood en plastic pellets. De aanvullende inzet voor het wassen van de geloste tanks. Hierover hebben de betrokken bedrijven vrijwillige is beschreven in Bijlage 1 Programma van Maatregelen Kaderrichtlijn Mariene Strategie. afspraken gemaakt. De verbeterde voorwasprocedure zal door het ministerie van IenW bij de Internationale Maritieme Organisatie onder de aandacht worden gebracht. Uitfaseren van Het uitgangspunt voor beleid en maatregelen om verstoring door onderwatergeluid tegen te gaan, conventioneel pluis door de inzet van stimulerende maatregelen. is reductie aan de bron. De vergunningverlening voor windturbineparken is hierop aangepast. Het • Standaardisatie voor circulair design en ketenaanpak van vistuig. gebruik van actieve sonar is gereguleerd. Verstoring door impulsgeluid is teruggedrongen via de • Verminderen van gebruik van lood in de sportvisserij op zee door alternatieven te inventari­ Gedragscode explosievenruiming en via aanpassing van de regelgeving voor seismisch onderzoek. seren en daarover goed te communiceren. Aanvullend zal het ministerie van IenW, in lijn met het Noordzeeakkoord, in de planperiode • Implementeren van de OSPAR-aanbevelingen om de verontreiniging van het milieu met 2022-2027 in samenwerking met de industrie een beoordelingskader voor seismisch onderzoek plastic pellets tegen te gaan. opstellen. Dit als onderdeel van het stimuleren van de industrie tot het verminderen van impuls­ • Uitvoeren van de volgende verkenningen rondom zwerfvuil: geluid. Een geluidsbudget, dat de tijd reguleert waarbinnen impulsgeluid wordt toegestaan, kan - Plastic soep thema in afvalprogramma’s. Een verkenning van de mogelijkheden om plastic een voorwaarde van het beoordelingskader zijn. Hierbij zal ook rekening moeten worden soep op te nemen in de educatieprogramma’s en zo de bewustwording rondom het gehouden met het (nog) niet voorhanden zijn van alternatieve methoden voor het seismisch plasticprobleem te vergroten. onderzoek. Naast impulsgeluid dient ook continu­geluid te worden teruggedrongen. Dit betreft - Verkenning naar een meldpunt voor afval op stranden, waarmee strandbezoekers en vooral onderwatergeluid van scheepvaart. De IMO heeft richtlijnen aangenomen om onderwater- –gebruikers het aangetroffen afval, zoals paraffine, brokstukken of plastic pellets, kunnen geluid veroorzaakt door commerciële scheepvaart te reduceren. Nederland zet zich samen met de melden bij de betreffende beheerder. EU in voor een verbetering en aanscherping van de richtlijnen. - Verkennen van aanvullende maatregelen voor de aanpak van zwerfvuil bij de binnenvaart. - Verkenning mogelijkheden aanpak purschuim. Van een andere orde is de beïnvloeding van het nachtelijk duister door lichtbronnen op offshore- - Verkenning naar mogelijke vervolgstappen op het beleidsprogramma microplastic. platforms. Dit heeft een verstorend effect op trekvogels en vleermuizen. Om deze effecten terug te dringen zijn guidelines opgesteld die op basis van vrijwilligheid kunnen worden gevolgd. 34 MARPOL Annex II, Regulation 13. 37 • Herziening van het Uitvoeringskader (voorheen Samenwerkingsovereenkomst) bestrijding - Integratie van onderzoek en monitoringsgegevens van zwerfvuil in water (zee, rivieren en Kustverontreiniging RWS-diensten (UBKR, voorheen SBK), in samenspraak met gemeenten. estuaria), inclusief specifiek onderzoek naar integreren, harmoniseren, vergelijken en Dit gebeurt, als uitvloeisel van de ramp met de verloren containers van de MSC Zoe in 2019, uitwisselen van onderzoeks- en meetgegevens van RWS en stakeholders van zwerfvuil/ om te borgen dat bij toekomstige incidenten op zee de milieuschade door plastics wordt plastics in rivieren, onderbrengen in één datasysteem en koppelen met relevante reeds geminimaliseerd. Boven een vast te stellen drempelwaarde kunnen gemeenten een beroep bestaande meet- en modelgegevens. doen op Rijkswaterstaat voor assistentie bij het opruimen van macroverontreiniging na • De fysische aspecten van onderwatergeluid zijn grotendeels begrepen, maar kennis ontbreekt maritieme incidenten. Nadere invulling wordt uitgewerkt in de UBKR. op het gebied van de effecten van onderwatergeluid op mariene soorten en hoe deze effecten • Opstellen, in samenwerking met de industrie, van een beoordelingskader voor seismisch doorwerken in de populatie en het ecosysteem. Ecologische modellen hiervoor zijn in onderzoek in analogie met het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC). ontwikkeling, maar validatie is een uitdaging. Er is veel aandacht geweest voor zeezoogdieren • Inzet voor een verbetering en aanscherping van de richtlijnen ter reductie van onderwater­ en dan vooral de bruinvis. De komende jaren zal ook vooral naar vissoorten en andere geluid van commerciële scheepvaart. diersoorten gekeken worden. Er zal dan, naast de geluidsdruk, ook aandacht zijn voor de • Inzet binnen OSPAR voor het opstellen van een regional action plan (RAP) voor tegengaan deeltjessnelheidscomponent van onderwatergeluid. van onderwatergeluid. • Het effect van alle gezamenlijke (continue en impuls) onderwatergeluiden op populaties (omvang, temporele en ruimtelijke verspreiding). Kennisagenda • Voor wat betreft het onderwatergeluid van seismische onderzoeken zijn een aantal para­ Onderstaand overzicht bevat de belangrijkste kennisvragen rondom verontreiniging en meters nog onbekend, die samenhangen met de andere bronconfiguratie dan bij heigeluid verstoring: en het feit dat de bronnen bewegen. Voor de beoordeling van impulsgeluid van seismische • Wat zijn mogelijke aanvullende technische maatregelen die de aanwezigheid van eutrofië- bronnen moet de effectafstand van deze bronnen bepaald worden. Concreet gaat het om de rende stoffen in het Nederlandse deel van de Noordzee kunnen verminderen. Op Europees geluidvoortplanting en de dosis-effect-relaties voor deze bronnen. niveau worden modelstudies uitgevoerd die op grond van de effectiviteit van maatregelen en • Continu onderwatergeluid van recreatieve schepen. mogelijke aanvullende maatregelen richtinggevend kunnen zijn. • Het effect van elektromagnetische velden op sommige vissoorten, zoals haaien en roggen. • De beïnvloeding van de primaire productiecapaciteit van het Noordzee-ecosysteem door de afnemende eutrofiëring. • Effect van klimaatverandering op eutrofiëring zoals meer algenbloei. 3.3.2 Beschermde gebieden en habitattypen • Het ontwikkelen van een methode om de fysieke schade aan het benthos te kunnen bepalen op lokale schaal en in cumulatie met effecten van andere activiteiten. De gevolgen voor het Op basis van de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) is in de voorgaande planperioden het hydromorfologische systeem van de Noordzee bij een grootschalige uitrol van Wind op zee. initiatief genomen tot het aanwijzen van speciale beschermingszones (Natura 2000-gebieden: Worden de voor het systeem cruciale ecologische en fysische parameters voldoende gemeten VR- en/of HR-gebieden). Deze zones beogen het borgen van een gunstige staat van instandhou- of berekend? ding van bepaalde vogelsoorten, zeezoogdiersoorten en habitattypen (zie ook 3.3.3). Het gaat • Gevolgen voor het mariene milieu van toename van het gebruik van koper als substituut voor om de Doggersbank (HR), Klaverbank (HR), Friese Front (VR), Bruine Bank (VR), Noordzee­ TBT. kustzone (VR en HR), Voordelta (VR en HR) en Vlakte van de Raan (HR). Voor de beschermde • Zwerfvuil: bronnenidentificatie, verspreidingsroutes en effecten van zwerfvuil. soorten en habitattypen gelden specifieke instandhoudingsdoelstellingen. De maatregelen voor - Verkennen gestandaardiseerde methodiek voor bronclassificatie van afvalbronnen van het reguleren van activiteiten in de genoemde Natura 2000-gebieden worden opgenomen in een met name rivierafval als bron van zwerfvuil in zee voor een gerichtere aanpak. beheerplan. Globaal komen de maatregelen erop neer dat binnen de gebieden bepaalde - Onderzoek naar bronnen van afval, in specifieke hotspots zoals mogelijk bij ankerplaatsen activiteiten niet, of alleen onder voorwaarden, zijn toegestaan. De aard van de te beschermen en hotspots geïdentificeerd door nadere analyse van Fishing for Litter-afval. natuurwaarden in een gebied vormt het uitgangspunt voor het formuleren van wat acceptabel • Zorgen voor een betere aansluiting van de methoden voor het monitoren van microplastics medegebruik is, waarbij ook het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen. Vormen van mede­ in zoute en zoete wateren. gebruik, inclusief bepaalde vormen van visserij, die geen significante impact hebben op gedefini- 38 eerde natuurwaarden, zijn toegestaan. Op basis van de KRM is besloten om in het Friese Front en • Bruine Bank (Natura 2000): de Centrale Oestergronden delen van het bodemecosysteem te beschermen. Deze maatregel is - De Bruine Bank is in 2021 aangewezen als Vogelrichtlijngebied35 36; vastgelegd in het voorgaande Programma van maatregelen (Mariene Strategie deel 3). - opstellen van een Natura 2000-beheerplan binnen drie jaar na het aanwijzen; Maatregelen voor het reguleren van de visserij in de genoemde Natura 2000- en KRM-gebieden - mogelijke (visserij)maatregelen als gevolg van de nadere effectenanalyse. worden genoemd in de beheerplannen. De Europese Commissie stelt ze vast op voorstel van de • Friese Front (Natura 2000 en KRM) voor 2023: lidstaten via een zogenoemde artikel 11-procedure uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid - opstellen van een Natura 2000-beheerplan; (GVB). In de context van het in 2017 getekende VIBEG II-akkoord (Noordzeekustvisserijakkoord) - het gesloten gebied voor bodemberoerende visserij wordt uitgebreid met 1014 km2; hebben vertegenwoordigers van de Nederlandse visserijsector, natuurorganisaties en het - van het geheel wordt een deel een ‘no fisheries zone’ van 1649 km2; ministerie van LNV afspraken gemaakt over de bescherming van de Noordzeekustzone en Vlakte - een deelgebied van 100 km2 wordt aangewezen voor oesterherstel; van de Raan. - aan de rand wordt een ander deelgebied van 100 km2 aangewezen voor onderzoek naar de langetermijneffecten van de boomkor en pulskor; hier mag onder voorwaarden bodem­ In het Noordzeeakkoord zijn afspraken gemaakt over aanvullende maatregelen voor gebiedsbe- beroerend worden gevist. scherming. Conform het akkoord stelt het kabinet het beleidsdoel om in 2023 een gebied van • Doggersbank (Natura 2000): 13,7 procent van de oppervlakte van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodem­ - voor 2023 uitbreiding van het Natura 2000-gebied met als doel het voor bodemberoerende beroerende visserij en dit percentage te laten oplopen naar 15 procent in 2030. Dit doel zal visserij gesloten gebied met 557 km2 te vergroten; worden gerealiseerd met beperkende maatregelen voor de bodemberoerende visserij in al - voor 2023 verbod op flyshoot in de 1326 km2 managementzones; aangewezen en nog aan te wijzen Natura 2000- en KRM-gebieden. - aanpassen van het beheerplan. Daarnaast zijn er in het Noordzeeakkoord afspraken gemaakt over onderzoek. Er zal voor 2025 • Klaverbank (Natura 2000): onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de Hollandse - voor 2023 uitbreiden van het voor bodemberoerende visserij gesloten gebied (exclusief Kust, de Vlakte van de Raan, de Borkumse Stenen, de Klaverbank, de Doggersbank en de Centrale Botney Cut) met 552 km2; Oestergronden voldoen aan de selectiecriteria voor aanwijzing als Vogelrichtlijngebied. - mogelijk aanpassen van het beheerplan. Gebieden die voldoen aan de selectiecriteria dienen daarna zo spoedig mogelijk aangewezen te • Centrale Oestergronden (KRM) voor 2023: worden als Vogelrichtlijngebied. - uitbreiden van het voor bodemberoerende visserij gesloten gebied met 1062 km2. • Borkumse Stenen (KRM) voor 2023: In het kader van de biodiversiteitsstrategie, onderdeel van de Europese Green Deal, voeren de - Instellen van voor bodemberoerende visserij gesloten gebied van 683 km2. lidstaten in deze planperiode een dialoog over een aanvullende opgave voor de bescherming en • In Natura 2000- en KRM-gebieden is geen nieuwe staandwantvisserij toegestaan. Dit houdt in ecologische robuustheid van het grensoverschrijdende netwerk van mariene beschermde dat niet méér vergunningen worden afgegeven en binnen bestaande vergunningen niet meer gebieden. De conclusies van 23 oktober 2020 van de Europese Raad van milieuministers vormen ruimte ontstaat. het kader voor de uitwerking van deze ambities. Afgesproken is dat in 2030 in totaal 30 procent van de Europese zeeën ecologisch is beschermd, waarvan 10 procent strikt beschermd. Tussen 2021 en 2023 werken de Europese Commissie en de lidstaten wettelijk bindende natuurherstel- doelen uit. De eerdergenoemde afspraken in het Noordzeeakkoord vormen het vertrekpunt voor de Nederlandse inzet bij deze uitwerking. Acties 35 Het kavelbesluit voor het windenergiegebied IJmuiden Ver houdt met de begrenzing van de kavels rekening Uit de afspraken in het Noordzeeakkoord vloeien de volgende acties voort die gerealiseerd zullen met de aanwijzingsprocedure als Vogelrichtlijngebied. worden: 36 Stcrt. 2021, 48715. Bekendmaking aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Bruine Bank, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 39 In het VIBEG-akkoord is afgesproken de gebieden in de Noordzeekustzone te beschermen via de 3.3.3 Beschermde soorten artikel 11-procedure, zodat de bescherming van deze nationale gebieden ook internationaal geldt. De implementatie van het Noordzeeakkoord levert een bijdrage aan (de ontwikkeling van) het Op grond van respectievelijk de VR en de HR genieten de op de Noordzee voorkomende (ecologische) netwerk van natuurgebieden, mede met het oog op de bijdrage van Nederland aan vogelsoorten, zeezoogdieren en vleermuizen bescherming via de Wet natuurbescherming. De de EU-ambities voor biodiversiteit in 2030 als onderdeel van de Europese Green Deal. wet stelt onder meer dat deze dieren niet opzettelijk mogen worden gedood of verstoord. Voor vogels geldt het verstoringsverbod alleen als de verstoring van wezenlijke invloed is op de staat Kennisagenda van instandhouding van een vogelsoort. Voor de beoordeling daarvan zijn de ecosysteem­ Ter ondersteuning van de aanvullende gebiedsbeschermende maatregelen zal aanvullend benadering en de toepassing van het voorzorgsbeginsel het uitgangspunt. Hoofdstuk 10 onderzoek nodig zijn. Dit ondersteunt ook de voorbereiding van het internationale overleg en beschrijft hoe deze uitgangspunten worden toegepast in het Afwegingskader voor vergunning- de onderbouwing van visserijbeperkende maatregelen. De onderzoeksvragen worden (gedeelte- plichtige activiteiten op zee. lijk) ingebracht in het in ontwikkeling zijnde MONS-programma. Naast de genoemde concrete gebiedsmaatregelen kunnen aanvullende maatregelen voor De grootschalige uitrol van windparken op zee vraagt specifieke aandacht. De diverse, mogelijk gebiedsbescherming voortkomen uit onderzoek waarover in het Noordzeeakkoord afspraken cumulatieve, effecten van de bouw en exploitatie van windparken worden gebruik makend van zijn gemaakt: het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) vertaald naar inschattingen van populatiereducties. • Vóór 2025 wordt een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek gestart om vast te stellen of Beoordeling van de effecten op de biogeografische populaties, zowel losstaand als in cumulatie, de Hollandse Kust, de Vlakte van Raan, de Borkumse Stenen, de Klaverbank, de Doggersbank geeft een indicatie van de ecologische gebruiksruimte voor windenergie op zee (zie hoofdstuk 5). en de Centrale Oestergronden voldoen aan de selectiecriteria voor aanwijzing als VR-gebied. Deze kennis is toegepast bij het aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden in dit Programma Als dit het geval is worden deze gebieden uiterlijk in 2025 aangewezen als Noordzee (zie hoofdstuk 9) en wordt toegepast bij het opstellen van de aanvullende Routekaart Vogelrichtlijngebied. windenergie op zee 2030. In de periode 2022-2027 vragen deze aspecten onverminderd aandacht • Vanaf 2020 zal onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek moeten uitwijzen of de aanwezig- bij het nemen van kavelbesluiten, het formuleren van formele eisen aan het ontwerp en de heid en verspreiding van zandkokerwormriffen reden geven om relevante locaties via exploitatie van windparken, en het inpassen van het medegebruik van windparken op zee. ruimtelijke maatregelen onder de HR of KRM te beschermen. Op basis van de Wet windenergie op zee kan het bevoegd gezag ten behoeve van de bouw en exploitatie van windparken ook vrijstelling verlenen van het verbod op het verstoren of doden van vogels, zeezoogdieren en/of vleermuizen. Een dergelijke vrijstelling kan slechts verleend worden als is voldaan aan een aantal specifieke, in de Wet natuurbescherming genoemde voorwaarden. Voor vogels geldt dan onder andere dat de activiteiten waarvoor vrijstelling wordt verleend, niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van een vogelsoort. Voor zeezoogdieren en vleermuizen is het criterium dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de desbetreffende soort in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Aan de vrijstellingen kunnen in een kavelbesluit nadere voorschriften of beperkingen worden verbonden. Zie verder in hoofd- stuk 5 hoe invulling wordt gegeven aan de energietransitie in balans met andere gebruikers en het Noordzee-ecosysteem. Het GVB en de Visserijwet regelen het exploiteren en waar nodig het beschermen van populaties van (specifieke) vissoorten. Zie hiervoor hoofdstuk 4. 40 Acties • KRM-haaienactieplan. Het KRM-haaienactieplan 2015-2021 zal in 2022 worden geëvalueerd en Kader 3.1: Beleidsdoelen terugkeer en herstel van kan daarna een vervolg krijgen voor een nieuwe zesjaarlijkse periode. • Bruinvisbeschermingsplan. Het Bruinvisbeschermingsplan is in 2020 herzien en aangescherpt. platte-oesterbanken: Het richt zich nu ook op intensivering van internationale samenwerking, op strandingen van bruinvissen en op drukfactoren zoals bijvangst en onderwatergeluid veroorzaakt door • Samenwerking met maatschappelijke initiatieven gericht op herstel van biogene heiwerkzaamheden en seismisch onderzoek. riffen, waaronder van platte-oesterbanken. • Overige soortenbeschermingsplannen. In het bijzonder voor kwetsbare soorten, zoals zeegaande • Bescherming van een wilde bank met platte oesters in het Natura 2000-gebied broedvogels. De plannen zullen zijn gericht op het versterken van populaties. Het streven is Voordelta ten behoeve van een meerjarig onderzoek naar de status en ontwikke- uiterlijk twee jaar na het sluiten van het Noordzeeakkoord een lijst opgesteld te hebben van ling van de bank; dit door beroering van bodem of substraat én oogst van platte soorten waarvoor ook beschermingsplannen worden opgesteld en uitgevoerd, inclusief een oesters uit te sluiten. tijdlijn voor de planvorming. • Aanpassing van Natura 2000-profielen en -beheerplannen voor biogene riffen, • Biogene riffen en platte oesters. Mariene Strategie (deel 1; 2018) stelt als milieudoel ‘terugkeer en waaronder platte-oesterbanken; uiterlijk te realiseren in 2022. herstel van biogene riffen, waaronder platte-oesterbanken’ (D6T5). Verschillende acties • Aanpassing aquacultuurregelgeving per 2021 om te borgen dat in de Noordzee beogen biogene riffen te ontzien of de kansen voor hervestiging te vergroten. Kader 3.1 geeft uitsluitend platte oesters worden uitgezet die vrij zijn van de Bonamia-parasiet. de beleidsdoelen voor terugkeer en herstel van platte oesters weer. • Faciliteren van onderzoek zoals in het missiegedreven onderzoeksprogramma en het EMVAF, om onder andere voor herintroducties uitgangsmateriaal te verkrijgen Kennisagenda dat vrij is van Bonamia. In het kader van de uitwerking van het Programma MONS is in september 2021 in het Noordzeeoverleg een monitorings- en onderzoeksagenda met bijbehorende programmering vastgesteld37. Soortenbeschermingsplannen In het Noordzeeakkoord is afgesproken dat voor soorten waarvoor nog geen soorten­ 3.3.4 Integrale natuurversterking (‘natuurinclusief bouwen’) beschermingsplan bestaat, dergelijke plannen worden ontwikkeld op basis van EU-richtlijnen (VR, HR en KRM), internationale afspraken (OSPAR, ASCOBANS, CMS, MoU Sharks), en het Kader Door de vele al bestaande en geplande activiteiten (onder andere verbonden met de energietransitie) Ecologie en Cumulatie voor de uitrol van windparken op zee (KEC, zie hoofdstuk 5). en de klimaatverandering staan de kwaliteit en het beheer van de Noordzee onder druk. Bij het ontwikkelen van deze maatschappelijk gewenste activiteiten kunnen – in aanvulling op de wettelijk Beschermingsplannen voor soorten die in het kader van het KEC al zijn geïdentificeerd als verplichte mitigatiemaatregelen – zo vroeg mogelijk in de ontwerpfase en planprocessen voorschrif- kwetsbaar voor windparken op zee, krijgen prioriteit. Dit geldt in het bijzonder voor zeevogel- ten, maatregelen en acties worden benoemd, die bijdragen aan de versterking en het herstel van het soorten waarmee het niet goed gaat, haaien en roggen, zeezoogdieren en bodemdieren. ecosysteem. Beschermingsplannen voor deze soorten moeten uiterlijk vóór 2023 zijn ontwikkeld en een uitvoeringstermijn hebben tot en met 2030. Voorts is in het Noordzeeakkoord afgesproken dat actie- en soortenbeschermingsplannen tweejaarlijks worden geëvalueerd. Bij die gelegenheid kan worden bijgestuurd als dat nodig is om de doelen te bereiken. 37 Rapport Monitoring en Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS). Noordzeeoverleg, oktober 2021. Link: https://www.noordzeeoverleg.nl/noordzeeoverleg/documenten+nzo/handlerdownload- files.ashx?idnv=2133902 41 Bij de uitrol van windparken op zee ontstaat door het gebruik van stortstenen én het feit dat de Het voorstel Wijziging Wet windenergie op zee maakt het bij de verdeelmethode door middel van een parken zijn gesloten voor bodemberoerende activiteiten, een groeiend onverstoord gebied met vergelijkende toets (met of zonder financiële component) mogelijk bij ministeriële regeling verspreide spots van hardsubstraat. Daarmee hebben windparken de potentie om bij te dragen aan rangschikkingscriteria uit te werken en toe te voegen, die bijvoorbeeld vanuit extra maatschappelijke integrale natuurversterking. overwegingen met betrekking tot innovatie op dat moment eenmalig een rol spelen. De toe te Het beleid zet sinds 2015 in op het natuurinclusief ontwerpen en realiseren van nieuwe windparken. voegen rangschikkingscriteria kunnen daarbij ook criteria zijn op onder andere het gebied van Dat biedt kansen voor het versterken van soortenpopulaties en habitats die van nature in de Noordzee natuur, aquacultuur, visserij, veiligheid of scheepvaart. De mogelijkheden om de gewenste maat- voorkomen. Dat geldt ook voor het uitvoeren van natuurherstelprojecten binnen windparken. Dit schappelijke ontwikkelingen met dergelijke toegevoegde rangschikkingscriteria te stimuleren zullen beleid is gericht op soorten en habitattypen van de EU-Habitatrichtlijn die landelijk niet in een nader worden verkend en uitgewerkt. gunstige staat van instandhouding verkeren, soorten van nationale Rode Lijsten en soorten of habitats van de OSPAR-List of Threatened and/or Declining Species and Habitats waarvoor aanbevelingen zijn De kennis over de impact van (grootschalig) medegebruik in windparken op het natuurlijk functione- geadopteerd. ren van de Noordzee is volop in ontwikkeling. Er zijn echter nog veel kennisleemten, vooral over de effecten van het opschalen van één of meerdere vormen van medegebruik. Opschaling kan effect Natuurinclusief bouwen verkeert nog in een ontwikkelfase. Op basis van een aantal onderzoeken zijn hebben op het Noordzeesysteem en op de draagkracht van het desbetreffende gebied, maar ook op ecologisch kansrijke opties in kaart gebracht.38 Die zijn of worden nog uitgewerkt in kavelbesluit­ het medegebruik zelf en op de relaties tussen meerdere vormen van medegebruik. Dit alles vergt de voorschriften. Hierbij past de kanttekening dat nog niet voldoende duidelijk is of en hoe natuur­ komende tijd nader onderzoek. Betere draagkrachtstudies bieden meer solide handvatten voor de inclusief bouwen daadwerkelijk kan bijdragen aan het versterken van soorten en habitats. Het is Handreiking gebiedspaspoort en voor het Afwegingskader medegebruik van windparken op zee. daarom nodig het concept verder te operationaliseren en uit opgedane ervaringen en vooral monitoring kennis te genereren. Ook bij vergunninghouders van windparken is potentieel kennis Ook de (voorkeur)keuze van de vormen van natuurinclusief bouwen of natuurversterkingsprojecten aanwezig. Het is daarom zaak na te gaan of in de tenderfase mogelijkheden zijn in te bouwen om binnen een windenergiegebied of windparkkavel, zal worden vastgelegd in het gebiedspaspoort (zie deze kennis te ontsluiten. Dat draagt dan tevens bij aan de nadere invulling van een afspraak uit het hoofdstuk 10). In windparken op relatief grote afstand van de kust zal de focus sterker liggen op Noordzeeakkoord om te onderzoeken met welke tenderinstrumenten de gewenste integrale natuurontwikkeling. Het bevorderen van de ontwikkeling van zandkokerwormriffen (Sabellaria) in ontwikkeling van windparken mogelijk kan worden gemaakt. het zuidelijke deel van het toekomstige windpark in het nog te vergunnen zuidelijke deel van windenergiegebied IJmuiden zou hiervoor model kunnen staan. In parken dichter bij de kust zal de 38 Van Duren, L.A., Gittenberger, A., Smaal, A.C., Van Koningsveld, M., Osinga, R., Cado van der Lelij, J.A. & De focus sterker liggen op medegebruik. Vries, M.B. (2016). Rijke riffen in de Noordzee: verkenning naar het stimuleren van natuurlijke riffen en gebruik van kunstmatig hard substraat. Delft: Deltares. http://publications.deltares.nl/1221293_000.pdf; Acties Lengkeek, W., Didderen, K., Teunis, M., Driessen, F., Coolen, J.W.P., Bos, O.G., Vergouwen, S.A., Raaijmakers, T.C., De Vries, M.B. & Van Koningsveld, M. (2017). Eco-friendly design of scour protection: potential • Ontwikkelen van een kader voor natuurinclusief bouwen, inclusief het nader concretiseren enhancement of ecological functioning in offshore wind farms: towards an implementation guide and van relevante natuurdoelen en te bereiken effecten (start in 2022). experimental set-up. Report nr 17-001 Bureau Waardenburg. Culemborg: Bureau Waardenburg. http://www. • Stimuleren door middel van kavelbesluitvoorschriften van een natuurinclusieve aanpak van buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_ de bouw van nieuwe windparken. EcoFriendly_design_scour_protection.pdf; • Verkennen en uitwerken van mogelijkheden om onder meer natuurinclusief bouwen te Kamermans, P., Van Duren, L. & Kleissen, F. (2018). Flat oysters on offshore wind farms: additional locations: opportunities for the development of flat oyster populations on planned wind farms and additional stimuleren via de procedure van de ‘vergelijkende toets’ onder de te wijzigen Wet wind­ locations in the Dutch section of the North Sea. Wageningen Marine Research. http://edepot.wur.nl/456358; energie op zee (resultaten verwacht in 2022). Bos, O., Coolen, J., Van der Wal, J.T. (2019). Biogene riffen in de Noordzee Actuele en potentiële verspreiding • Borgen van overkoepelende of aanvullende monitoring van effecten die voortkomen uit van rifvormende schelpdieren en wormen. Wageningen University & Research rapport C058/19. Den Helder: kavelbesluitvoorschriften voor natuurinclusief bouwen. Wageningen Marine Research. http://edepot.wur.nl/494566; • Het stimuleren van introducties van platte oesters via natuurinclusief bouwen van wind­ Hermans, A., Bos, O., & Prusina, I. (2020). Nature-Inclusive Design: a catalogue for offshore wind infrastruc- ture: Technical report. Den Haag: Witteveen+Bos. https://edepot.wur.nl/518699. parken op zee. 42 • Het verkennen van synergiemogelijkheden zoals introducties van platte oesters op de bodem (natuurversterking) en teelt van platte oesters in de waterkolom (aquacultuur) in windparken.

  53. 3.4 Beheer • Onderzoek naar herstel en bescherming van biogene riffen en platte oesterbanken. In de beheerplannen wordt per gebied beschreven welke soorten en habitattypen zijn Kennisagenda beschermd, welke maatregelen zijn getroffen en onder welke voorwaarden welke activiteiten • In het kader van de uitwerking van het Programma MONS is in september 2021 in het mogelijk zijn. Het opstellen van de beheerplannen doorloopt de volgende stappen: gebieds­ Noordzeeoverleg een monitorings- en onderzoeksagenda met bijbehorende programmering beschrijving, doeluitwerking en nadere effectenanalyse (NEA). De NEA beschrijft activiteiten met vastgesteld39. een mogelijk effect op de natuurwaarden in het gebied, die moeten worden behouden of hersteld. Activiteiten waarbij significante effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten eerst zijn onderzocht. De gebiedsbeschrijving, doeluitwerking en NEA vormen de inhoudelijke onderbouwing van een beheerplan. Voor de Noordzeekustzone (VR en HR), Voordelta (VR en HR) en Vlakte van de Raan (HR) zijn in 2016 de beheerplannen in werking getreden. De drie Natura 2000-gebieden in de EEZ: Doggersbank (HR), Klaverbank (HR), en Friese Front (VR), zijn in 2016 aangewezen. De beheer- plannen voor deze gebieden zijn in ontwikkeling en treden in 2022 in werking. Daarnaast zal er vóór 2025 een beheerplan voor de Bruine Bank (VR) worden vastgesteld. Afspraken over monitoring, toezicht en handhaving en communicatie gedurende het feitelijke beheer worden vastgelegd in uitvoeringsplannen. De handhaving met betrekking tot het mariene ecosysteem en de visserij wordt uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Voor de monitoring van visserijactiviteiten binnen Natura 2000- en KRM-gebieden wordt voor toezicht en controle gebruikgemaakt van een verhoogde frequentie van satellietgegevens (VMS-signaal). In gebied dat beperkt toegankelijk is voor de visserij moet die frequentie worden verhoogd tot ten minste ééns in de 30 minuten, conform de Controle verordening (Verordening (EG) Nr. 1224/2009). Door het toenemend gebruik van de Noordzee staat het mariene ecosysteem onder druk en kan het veilig voortbestaan van een gezonde visstand en daarmee de visserij in het gevaar komen. Mocht dat werkelijkheid worden, dan kan het ministerie van LNV de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit verzoeken de handhavingsactiviteiten op zee (tijdelijk) te versterken. Het ministerie kan daartoe extra middelen verstrekken. 39 Rapport Monitoring en Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS). Noordzeeoverleg, oktober 2021. Link: https://www.noordzeeoverleg.nl/noordzeeoverleg/documenten+nzo/handlerdownload- files.ashx?idnv=2133902 43 Programma Noordzee 2022 – 2027 44 4 Transitie naar duurzame voedselvoorziening De transitie naar duurzame voedselvoorziening heeft een bijzondere plaats naast de andere transities die zich op de Noordzee voltrekken, alleen al 4.1 Huidig gebruik vanwege de volledige afhankelijkheid van het ecosysteem. Een andere cruciale factor is de sterke verwevenheid met sociaalmaatschappelijke en en ontwikkelingen culturele factoren op het land. De transitie naar een duurzame voedsel­ voorziening dient bij te dragen aan ecologische, economische en sociale 4.1.1 Kenschets van de voedselvoorziening uit de Noordzee duurzaamheid op lange termijn zoals onderdeel van het Gemeenschappelijk De visserij is een sector waarvan de visserijgemeenschappen in Nederland afhankelijk zijn. De Visserijbeleid, waarbij ook bijvoorbeeld dierenwelzijn aandacht behoeft. De Nederlandse visserijvloot is grofweg onder te verdelen in vier categorieën. De grote zeevisserij visserijsector heeft een lange traditie en is diep verankerd in de Nederlandse richt zich op pelagische doelsoorten zoals haring en makreel, die vooral buiten ons deel van Noordzee en in andere delen van de wereld worden gevangen. De kottervisserij vist voornamelijk identiteit en cultuur. De ontwikkeling van nieuwe mariene voedsel­ op demersale doelsoorten zoals tong, schol, mul, Noors kreeftje (langoustines) en garnalen. De producten mag in theorie kansrijk zijn, de grootschalige productie ervan is verschillende overige typen visserij vallen in de categorie kleine zeevisserij. Daartoe behoren onder meer staandwant- en schelpdiervisserij, met doelsoorten als zeebaars en Ensis spp. Andere sterk afhankelijk van de maatschappelijke acceptatie en vraag. De opgave schelpdieren zoals mosselen en oesters zijn onderdeel van de mossel- en oestercultuur. De voor de komende jaren is het vinden van de juiste maatschappelijke balans economische ontwikkelingen binnen deze categorieën zijn te vinden op agrimatie.nl/visserij of visserijincijfers.nl. (tussen de drie transities) om te kunnen komen tot een efficiënte en veilige ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee die past binnen de rand­ voorwaarden van een gezond ecosysteem. Zoals in het Noordzeeakkoord 4.1.2 Verduurzaming visserij opgenomen is het daarbij cruciaal om tot een rendabele en duurzamere Het Europese Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) streeft naar de instandhouding van de visserij te komen die naar aard en omvang past bij de nieuwe situatie op de biologische rijkdommen van de zee en het beheer van de visserij op die rijkdommen. De activiteiten moeten bijdragen aan een ecologisch, economisch en sociaal evenwicht op lange Noordzee. Dit hoofdstuk beschrijft die beleidsopgave vanuit het perspectief termijn. Een ecosysteemgerichte benadering is de basis voor duurzame visserij. Het GVB dient bij van de visserij. Daarbij blijkt op tal van punten hoezeer het beleid gericht op te dragen aan het bereiken van de goede milieutoestand volgens de KRM, VR en HR. een duurzame voedselvoorziening verbonden is met ontwikkelingen op Internationale samenwerking en afstemming zijn daarbij essentieel. Het visserijbeleid valt onder de exclusieve bevoegdheden van de EU. Een financieel aspect van het GVB is het European internationaal – en vooral Europees – niveau. Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF), waarin Nederland deelneemt. Het fonds is ingesteld om lidstaten financieel te ondersteunen bij onder andere het verduurzamen van de visserijsector. Het is beschikbaar voor de periode 2021-2027. 45 Mede vanuit het EMFAF-budget stelt het kabinet innovatiesubsidies beschikbaar om het 2019. Voor de Nederlandse kottervisserij op platvis is de aanlandplicht problematisch. Dit komt verduurzamen van de visserij te stimuleren. Specifieke en prioritaire doelen zijn bijvoorbeeld de doordat de sleepnetvisserij op platvis voornamelijk gemengde visserij is, waarbij per vistrek ontwikkeling van nieuw en selectiever tuig voor de visserij op tong, en aanpassing van de vloot meerdere soorten in de netten komen. Dit kan leiden tot zogenoemde ‘choke species’, waarbij het met schepen die in alle opzichten duurzamer zijn en flexibeler zijn in te zetten. In de voorbije volvissen van het quotum van vissoort A, inclusief alle bijgevangen ondermaatse vis die ook moet jaren is al in het kader van dit beleid gewerkt. worden aangeland, het benutten van het quotum van vissoort B blokkeert. Onder andere voor roggen, waarvan een aantal soorten uiterst zeldzaam is, geldt een uitzondering Duurzaam visstandbeheer op de aanlandplicht; deze vissen mogen in zee worden teruggezet. Onderzoek naar meer selectieve Leidend voor het beheer van commerciële visbestanden is een aantal uitgangspunten dat vastligt technieken voor de visserij op platvis heeft tot nu toe slechts weinig resultaten opgeleverd. in het GVB: het opstellen van meerjarenbeheerplannen zoals het meerjarenplan Noordzee, bevissing afgestemd op maximale duurzame opbrengst ofwel Maximum Sustainable Yield (MSY) en Tegengaan van verontreiniging toepassing van de voorzorgbenadering voor wat niet door de twee voorgaande uitgangspunten De visserijsector werkt met steun van LNV aan een alternatief voor de aandrijving van schepen, wordt gedekt. zoals hybride voortstuwingssystemen en aan de ontwikkeling van een zero-impact kotter. Verder participeren het Rijk, de visserijsector, visserijhavens en natuurorganisaties in het programma Vistuigen visserij voor een schone zee. Deze samenwerking is onder meer gericht op het verminderen van De boomkor met wekkerkettingen, een vistuig dat traditioneel in gebruik is in de sleepnetvisse- zwerfafval en meer recycling van visserijafval. Daarnaast ondersteunt het Rijk binnen het project rij op platvis, beroert de bodem en heeft effect op bodemhabitats en daar levende soorten (zie Vispluisvrij onderzoek naar alternatieven voor plastic vispluis. Om visnetten die over de bodem ook hoofdstuk 3). Afhankelijk van de bodemstructuur en aanwezige natuurwaarden kan deze slepen te beschermen tegen slijtage wordt ‘pluis’ onder de netten gebonden. Dit pluis is veelal impact schade veroorzaken. Het effect van deze bodemberoering is per soort of per habitat gemaakt van plastics die niet in zeewater afbreken. Het pluis slijt echter wél wanneer het over de verschillend. De pulsvisserij is een alternatief voor de boomkorvisserij. Uit onderzoek door de zeebodem schuift waardoor kleine deeltjes plastic in het mariene milieu terechtkomen. Pluis International Council for the Exploration of the Sea (ICES) is gebleken dat de effecten van de pulsvisserij staat boven in de top tien van meest aangespoelde items op het strand. op het ecosysteem aanzienlijk geringer zijn dan die van de boomkorvisserij40. Dit innovatieve In het programma van maatregelen van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie is een maatregel vistuig ondervindt ook veel minder weerstand op de bodem en brengt daardoor een aanzienlijke opgenomen om gebruik van milieuvriendelijke alternatieven te stimuleren en te streven naar een brandstofbesparing en een lagere uitstoot van CO₂ met zich mee. De Visserijraad en het Europees uitfasering van conventioneel vispluis. Er is niet één ultieme alternatieve oplossing die voldoet aan Parlement (EP) hebben echter met het vaststellen van de Verordening Technische Maatregelen alle wensen, maar al naar gelang de situatie zijn één of meerdere oplossingen gevonden voor (Verordening (EU) 2019/1241) besloten tot een pulsverbod zonder uitzonderingen. Door het verschillende typen visserij en visgronden. Ook komt er vanuit de Single Use Plastics richtlijn een verbod op deze techniek heeft de sector moeten teruggrijpen op de traditionele boomkor­ uitgebreide producenten verantwoordelijkheid (UPV) voor plastichoudend vistuig. techniek en is daardoor weer terug bij af wat betreft de directe negatieve effecten op de kwaliteit Samen met de visserijsector en andere betrokkenen participeert het rijk in Fishing for Litter, een van de zeebodem en de daar voorkomende kwetsbare soorten, op de luchtkwaliteit en niet in de project waarbij vissers afval dat ze in hun netten krijgen aan boord opslaan en in de deelnemende laatste plaats op de kosten van visserijbedrijven. havens kosteloos kunnen afgeven. Dit leidt tot meer bewustwording van afval in zee en ook een schonere zeebodem. De komst van de nieuwe Richtlijn Havenontvangstvoorzieningen betekent Aanlandplicht dat het project verder kan worden geformaliseerd. Internationaal gezien is Fishing for Litter ook De aanlandplicht houdt in dat alle vangst van gequoteerde soorten moet worden aangeland, tenzij een maatregel binnen OSPAR, waarin Nederland een aanjagersrol op zich neemt. hiervoor een uitzondering geldt. De aanlandplicht is bedoeld om de sector te stimuleren tot de ontwikkeling van technieken die de selectiviteit in de visserij bevorderen en voedselverspilling Schelpdierbeleid tegengaan. De aanlandplicht is vanaf 2015 gefaseerd ingevoerd en volledig geïmplementeerd sinds Het schelpdierbesluit is opgenomen in het beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020 ‘Ruimte voor een Zilte Oogst’. Dit besluit is in 2021 geactualiseerd. Het Schelpdierbesluit richt zich op 40 ICES, Special Request Advice Greater North Sea ecoregion, 20 May 2020, https://www.ices.dk/sites/pub/ schelpdiervisserij in de kustwateren (zoals die zijn beschreven in de Visserijwet), de zoute Publication%20Reports/Advice/2020/Special_Requests/nl.2020.03.pdf. binnenwateren, het Grevelingenmeer en het Veerse Meer. Het hoofddoel van dit beleidsbesluit is 46 perspectief te bieden op een economisch gezonde bedrijfstak met productiemethoden die de kreeften en inktvissen41. De maatschappelijke belangstelling voor dit medegebruik is bijzonder natuurwaarden respecteren en waar mogelijk versterken. Hierbij staan robuust beleid met groot, hoewel nog niet voor alle pilots en ideeën verdienmodellen zijn ontwikkeld. Binnen het toekomstperspectief, verduurzaming van de sector, vereenvoudiging van beleid en regelgeving, Prinses Amalia Windpark wordt geëxperimenteerd met de ecologische, economische en grotere verantwoordelijkheid van de sector en innovatie centraal. Belangrijke thema’s zijn: technische haalbaarheid van visserij met korven op krabben en kreeften. In de Voordelta wordt onverstoorde gebieden in de Waddenzee en de Voordelta, bescherming van zeegras en mossel- een pilot ontwikkeld voor de kweek van schelpdieren. Experimenten met de teelt van zeewier banken, ontwikkelingen in de mosselzaadvisserij, optimalisatie van mosselpercelen, mossel- zijn gaande voor de kust van Scheveningen. De aquacultuur in windparken op de Noordzee hangculturen (MHC), mosselzaadinvanginstallaties (MZI), verplaatsing van schelpdieren, kweek bevindt zich echter nog in de pilot-fase en er wordt nu middels publiek-private samenwerking en oogst van kokkels in de Zeeuwse Delta, handmatig rapen van schelpdieren (voor eigen én ingezet op opschaling van experimenten. commercieel gebruik), en tot slot oestervisserij en schelpdiervisserij op de Noordzee. De Noordzee is voor vissers van cruciale betekenis en is diep verbonden met lokale visserij­ gemeenschappen. In de context van de huidige situatie en de ontwikkelingen die op hen

  54. 4.1.3 Toekomstige ontwikkelingen afkomen, leeft bij veel familiebedrijven in vissersdorpen de terechte zorg of het bedrijf nog wel een toekomst heeft en of de volgende generatie nog wel kan vissen. Het Noordzeeakkoord De toekomst van de visserij op de Noordzee kent grote uitdagingen. Het verbod op de pulsvisse- concludeert dat vissers te midden van de radicale veranderingen rondom energietransitie en rij en de invoering van de aanlandplicht hebben de omzetten in de kottersector doen dalen. natuurbeschermingsmaatregelen willen weten waar ze aan toe zijn. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzame vistuigen en de zero-impact kotter staan nog in de kinderschoenen. Als gevolg van de bescherming van natuurgebieden en de groot­ schalige uitrol van windparken op de Noordzee gaan visgronden verloren. De gevolgen van de Brexit blijven een onzekere factor. Eind 2020 is afgesproken dat EU-vissersschepen de komende 5,5 jaar (vanaf 2021) toegang blijven houden tot de Britse wateren. Daarna kan het VK elk jaar een besluit nemen over toegang voor de EU-vissers zoals dit ook voor andere kuststaten zoals Noorwegen het geval is. Deze tijdelijkheid blijft een bron van grote onzekerheid in de sector. Daarnaast is afgesproken om de komende vijf jaar gefaseerd 25 procent van de door de EU momenteel geviste waarde in Britse wateren aan het VK over te dragen. De gevolgen van de snelle klimaatverandering geven een tweeledig beeld. Doelsoorten onder de commerciële vissoorten migreren naar het noorden of naar diepere delen van de Noordzee. Verschillende doelsoorten verlaten dus de huidige visserijgebieden. Tegelijkertijd trekken (nieuwe) soorten vanuit Het Kanaal de Nederlandse Noordzee binnen. Sommige van deze soorten zijn niet gequoteerd en misschien commercieel interessant. Deze soorten kunnen mogelijk worden gevangen met methoden die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige visserij in de zuidelijke Noordzee. Windparken bieden ruimte en mogelijkheden voor de ontwikkeling van aquacultuur (zie hoofdstuk 8). Hier zijn kansen voor de kweek van zeewier en schelpdieren als mosselen en platte oesters, en voor de niet-bodemberoerende vangst van vissen, bepaalde soorten krabben, 41 Van den Bogaart, et al. 2019; Van den Bogaart, 2020. 47

  55. 4.2 Visie, ambitie en opgaven ambitie is om dit soort medegebruik te stimuleren binnen de randvoorwaarden van veiligheid voor het goed functioneren van het windpark als eerste gebruiker van het windenergiegebied. Dit gebruik moet in balans zijn met de draagkracht van het ecosysteem. Verarming van het ecosysteem door te veel onttrekken van nutriënten, of vervuiling door toevoer van te veel nutriënten of De NOVI noemt het ontwikkelen van duurzame voedselproductie en verduurzaming van de visserij chemische stoffen, moet worden voorkomen. van nationaal belang. Daarbij gaat het zowel om duurzame visserij als om aquacultuur die onderdeel zijn van de duurzame voedsel- en agroproductie. Eiwitproductie uit zee maakt deel uit De transitie naar een duurzame voedselproductie vraagt veel van de sector en kan gevolgen hebben van de Nationale Eiwitstrategie van het kabinet. De omslag naar een maatschappij waarin minder voor het hele viscluster inclusief de visserijgemeenschappen. Spanning daarbij kan ook het gevolg vlees uit de intensieve landbouw en meer plantaardige eiwitten worden geconsumeerd, kan ertoe zijn van de gegeven context dat minder ruimte om te vissen samenhangt met de transities op leiden dat de vraag naar vis, schaal- en schelpdieren als bron van dierlijke eiwitten stijgt en dat gebied van natuur en energie. Behalve het streven naar een vitale sector is ook het waarborgen van zeewier de voorkeur krijgt als één van de alternatieven voor de milieuonvriendelijkere productie- de leefbaarheid van de visserijgemeenschappen een opgave. methoden van sojabonen en palmolie. In 2020 is bijna alle mariene biomassa aangevoerd in de vorm van vis. Gedurende de planperiode 2022-2027 zal aquacultuur een inhaalslag maken. Vissen Naast de afname van de ruimte om te vissen wordt de visserijsector ook geconfronteerd met zullen naar verwachting echter het hoofdbestanddeel blijven van de eiwitbron uit de Noordzee. andere grote ontwikkelingen, zoals de Brexit en de aanlandplicht. In het coalitieakkoord 2021-2025 Alternatieve vormen van voedselproductie uit zee zijn maar in beperkte mate een alternatief voor is vastgelegd dat er voldoende ruimte en perspectief moet zijn voor innovatie en diversificatie. de aanvoer door de kottervloot. De Nederlandse visie en ambities voor een duurzame voedsel­ Samen met vissers en de andere partners in het Noordzeeoverleg zal hier het komende jaar mee voorziening uit de Noordzee sluiten aan bij de Farm2Fork-strategie en de gedachte van een sustainable aan de slag worden gegaan. Daarbij wordt voortgebouwd op wat reeds is neergezet in het kader van blue economy van de Europese Green Deal. de Kottervisie en het Noordzeeakkoord. In de appreciatie bij het advies van mevrouw Burger voor een duurzame kottervisserij op de Noordzee (in het spraakgebruik aangeduid als de ‘kottervisie’)42 typeert het Rijk de visserij als een 4.2.1 Verduurzaming visserij vitale, economisch gezonde sector die haar steentje bijdraagt aan de behoeftevoorziening van duurzame eiwitten in Nederland en over onze grenzen. Duurzaam vissen betekent dat de impact op De ambitie van een vitale, duurzaam opererende sector bij afnemend ruimtebeslag vraagt om visbestanden en habitats en de emissies naar het milieu binnen de grenzen blijven van de heroriëntatie en uiteindelijk herstructurering van de vissersvloot. Dat is niet alleen een ecologische draagkracht van het ecosysteem. Daarnaast dient dierenwelzijn meer verankerd te worden in de noodzaak en een (bedrijfs)economische realiteit, maar ook een sociale eis vanuit de transitie naar duurzame voedselvoorziening. Het beschermen van kwetsbare soorten en habitats is visserijgemeenschappen. inherent onderdeel van het concept duurzame visserij. Hiermee is de transitie in de voedsel­ Het Rijk en de sector staan voor de opgave zich te blijven inzetten voor innovaties in de sector, productie verweven met het regime ter bescherming van het ecosysteem, een onderdeel van de waardoor negatieve effecten op het ecosysteem, zoals bodemberoering, emissies en verspilling, natuurtransitie (zie hoofdstuk 3). Ook de energietransitie heeft duidelijk impact op de ruimte die verminderen. De inzet is nieuwe vormen van visserij te ontwikkelen die toelaatbaar zijn binnen voor de transities in de voedselproductie beschikbaar is. De NOVI en het Noordzeeakkoord windparken en die de natuurdoelen van Natura 2000- of KRM-gebieden niet nadelig beïnvloeden. formuleren de opgave dat de drie transities met elkaar in balans moeten worden gebracht, daarbij Duurzame visserij betekent ook dat de populaties van de doelsoorten een lengte- en leeftijdsverdeling rekening houdend met het andere gebruik. Voor de visserij betekent dit een omslag naar verdere hebben die past bij een natuurlijke populatie. Daarnaast is van belang dat de omvang van de vloot verduur­zaming en het tegengaan van verspilling, terwijl de bouw van windparken en de uit­ wordt aangepast aan de ruimte die op de Noordzee voor de visserij behouden blijft. Dit is in lijn met breiding van beschermde natuurgebieden de beschikbare visgronden doen krimpen. Een daarmee de Kottervisie, die samenhangt met de afspraken hierover in het Noordzeeakkoord. De Kottervisie verbonden opgave is het combineren van windparken met aquacultuur en passieve visserij. De staat voor een economisch gezonde sector die vist met respect voor natuur en milieu en daardoor ook maatschappelijk wordt erkend. Innovatie is hierin een belangrijke pijler, bijvoorbeeld de ontwikke- 42 Appreciatie bij het advies van mevrouw Burger voor een duurzame kottervisserij op de Noordzee, 19 juni ling van een zero-impact kotter om te komen tot een visserij met minder bodemberoering, minder 2020, Kamerstukken II 33 450, nr. 68.) 48 ongewenste bijvangst, minder uitstoot van broeikasgassen en minder afval. Separaat wordt langs Het aquacultuurbeleid is opgenomen in het Nationaal Strategisch Plan Aquacultuur (2014)43. Dit bovengenoemde lijnen in de planperiode 2022-2027 ook gewerkt aan een toekomstperspectief voor plan is geactualiseerd in 2021 met een looptijd tot 2027 en is deel van het operationeel programma de garnalenvisserij. van het EMFAF. De voor Nederland meest geschikte strategische richting voor schelpdierkweek en viskweek bestaat uit productie van exclusieve en/of streekproducten, en de exploitatie van hoogwaardige kennis en producten in binnen- en buitenland.

  56. 4.2.2 Duurzame mariene voedselproductie Voor de kweek van macro algen is exploitatie van kennis op dit moment minder aan de orde. Wél is het van belang om innovaties met betrekking tot de commerciële kweek van algen te De ambitie voor innovaties in de mariene voedselproductie, zoals binnen windparken, is het stimuleren. bereiken van synergie. Meerdere combinaties met meerwaarde zijn mogelijk: kweek van zeewier en/of schelpdieren, natuurherstelprojecten, vangst van vissen, schaaldieren en inktvissen met Windparken kunnen optimaal worden ingericht om de natuurwaarden, waaronder de aanwezig- vaste vistuigen, en natuurontwikkeling in nieuwe windparken. De introductie van platte-oester- heid in hun gebied van verschillende soorten vis en schaaldieren, te vergroten. De achter­ banken op de bodem in windparken en off-bottom-kweek van platte oesters in korven in de liggende gedachte is dat een windpark kan functioneren als refugium en een zogenaamd waterkolom zouden iconen kunnen zijn voor deze aanpak. spillover-effect kan genereren. Kennis over dergelijke processen is van groot belang voor strategische besluiten over het versterken van het Noordzee-ecosysteem en daarmee ook voor de De ontwikkeling van mariene voedselproductie staat nog in de kinderschoenen. De opgaven mogelijkheden voor de visserij. Door gericht onderzoek te doen zijn genoemde effecten beter in voor de planperiode 2022-2027 verkeren dan ook in de fase van onderzoek, pilots en het bouwen kaart te brengen. van een businesscase voor opschaling. Duurzaamheid bij kweek van zeewier of schelpdieren en duurzame vangst van vissen, schaaldieren en inktvissen houdt in dat de activiteiten moeten passen binnen de grenzen van de draagkracht van het natuurlijke systeem. Zeewier is in dit opzicht een relatieve nieuwkomer met grote potenties. Van de verschillende toepassings­ mogelijkheden van zeewier is gebruik voor menselijke consumptie een van de meest belovende. Tegelijk ligt er juist bij zeewierkweek nog een aantal uitdagingen. Zo kan grootschalige zeewier- kweek relatief veel nutriënten onttrekken, wat beperkingen met zich mee kan brengen voor het beschikbare teeltoppervlak en de natuur eromheen. Via zeestromingen kunnen negatieve effecten tot in de Waddenzee merkbaar zijn. Ook moet worden voorkomen dat in open water soorten worden gekweekt die van oorsprong niet in de Nederlandse Noordzee voorkomen of die zijn veredeld. In tegenstelling tot soorten vissen, schaal- en schelpdieren en inktvissen heeft zeewier binnen de EU nog een beperkte geschiedenis van bewezen gebruik voor menselijke consumptie. De zeewierteelt vereist dan ook extra aandacht wat betreft regelgeving voor voedselveiligheid. Zo zullen initiatiefnemers vaak eerst zelf moeten aantonen dat de teelt van een bepaalde zeewiersoort voldoet aan de voorwaarden van die regelgeving en/of eerst voor toelatingen moeten zorgen, voordat zeewier en producten ervan daadwerkelijk op de markt mogen komen. 43 Nationaal Strategisch Plan Aquacultuur 2014-2020 (bijlage bij Kamerstukken II, 2014-15, 32201, nr. 75). 49

  57. 4.3 Beleid Duurzaam bestandsbeheer Het streven is om de ruimte die het mariene ecosysteem de visserij biedt, in termen van maximale duurzame oogst, volledig te benutten. Het vaststellen van vangstmogelijkheden is gebaseerd op de uitgangspunten van het GVB en – waar van toepassing – op de regionale meerjarenplannen. Deze paragraaf gaat in op de beleidsopgaven voor verduurzaming van de visserij. Dit beleid draagt bij aan SDG 14 ‘behoud en duurzaam gebruik van de oceanen, de zeeën en de maritieme Om voor de visser de aanlandplicht hanteerbaar te houden en om de kottervisserij in het algemeen hulpbronnen’. Hoofdstuk 8 bevat de uitwerking van de beleidsopgaven voor mariene voedsel­ rendabel te houden, is de mogelijkheid van uitzonderingen op de aanlandplicht belangrijk. Immers, productie in de vorm van aquacultuur zoals in 4.2.2 beschreven, in combinatie met de uit­ een uitzondering op de aanlandplicht van vis A, bijvoorbeeld vanwege een grote kans op overleven bij werking van de beleidsopgaven voor nieuwe vormen van duurzame energie in windparken (zie terugzetten, schept ruimte om vis B te vangen. Het Fully Documented Fisheries (FDF) pilotproject is een hoofdstuk 5). belangrijk onderdeel van het onderzoek naar de uitzondering op de aanlandplicht van de bijvangst van schol in de visserij op tong. Het FDF-project richt zich op het ontwikkelen van een systeem voor registratie (onder meer door middel van camera’s) van de vangst en van discards.

  58. 4.3.1 Verduurzaming van de kottervisserij Duurzaam bestandsbeheer van commerciële vissoorten houdt ook in dat de populaties van de In de Kottervisie is in samenhang met het Noordzeeakkoord beschreven hoe het Rijk samen met de doelsoorten lengte- en leeftijdsverdelingen hebben die passen bij een natuurlijke populatie. Een sector aan alle opgaven voor de kottervisserij het hoofd wil bieden en hoe het een selectievere visserij resultaat van het vissen met een minimum maaswijdte heeft bijvoorbeeld bij schol geleid tot door wil invullen. Met de Kottervisie wordt het nationale belang gediend en kan de visserijsector een visserij geïntroduceerde evolutie; schollen worden minder groot en worden eerder geslachtsrijp omslag maken naar verdere verduurzaming van de vloot. Via het Noordzeeakkoord zijn middelen dan 50 jaar geleden. Het ministerie van LNV gaat zich inzetten om meer kennis te krijgen over beschikbaar gesteld om door middel van innovatie en sanering gedurende de planperiode 2022-2027 lengte- en leeftijdsverdeling van commerciële visbestanden. Daarnaast moet uit onderzoek blijken de transitie naar een kleinere duurzame vloot mede mogelijk te maken. Inmiddels is duidelijk hoeveel invloed de infrastructuur rondom de windparken heeft op de aanwezigheid, de voort­ geworden dat een sanering op grond van ruimtebeperking niet past binnen de staatsteunkaders van planting en het overlevingssucces van juveniele vissen, en op de beschikbaarheid van voedsel voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Een deel van de middelen is afkomstig uit het European (commerciële) vissoorten. Deze kennis wordt ingebracht in de beschrijving van de milieutoestand Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF). Ook de benodigde onderzoek- en monitoring­ bij de actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 in 2024. inspanningen, waaronder datacollectie, worden uit de EMFAF-gelden gefinancierd, maar ook deels uit nationale onderzoeksmiddelen en uit middelen die vanuit het Noordzeeakkoord voor onderzoek Alternatieve vormen van visserij in windparken en monitoring beschikbaar zijn gesteld. In samenwerking met onderwijs, topsectoren en met de Community of Practice Multi Use Noordzee 2030 (CoP) (zie ook hoofdstuk 8) stimuleert het Rijk innovaties in de mariene voedselproductie. Innovatieagenda De lessen uit het Waddenzeegebied met betrekking tot aquacultuur in de vorm van mossel- Onder leiding van één of meerdere aanjager(s) stelt het ministerie van LNV met betrokkenheid van zaadinvanginstallaties (MZI) en mosselhangculturen (MHC) kunnen een basis zijn voor offshore de sector en NGO’s een innovatieagenda op. Deze bevat concrete doelen voor de ontwikkeling van mosselproductie op de Noordzee. Ook ervaringen die in het buitenland zijn opgedaan, onder flexibelere vangsttechnieken en de “zero impact kotter”. Ook bevat deze een organisatievoorstel andere in het Verenigd Koninkrijk en België, dragen daaraan bij. Onderzoek moet uitwijzen in gericht op het uitwisselen van kennis en kunde op het gebied van innovaties en ondersteuning van hoeverre de traditionele sector en/of nieuwe ondernemers openstaan voor dergelijke innovaties vissers bij het omzetten van een idee in een project en het vinden van de juiste subsidies. Via en hoe de overheid hierin kan faciliteren. Offshore mosselkweek kan mogelijk op langere monitoring van de voortgang ontstaat zicht op eventuele knelpunten, zodat hierop actie onder­ termijn een bijdrage leveren aan de transitieopgave voor de traditionele bodemberoerende nomen kan worden. De innovatieagenda zal het kader vormen voor de besteding van de innovatie- mosselzaadvisserij in de Waddenzee. Nearshore kweek vormt de stapsteen naar offshore kweek middelen uit het Noordzeeakkoord. van schelpdieren. Deze concepten zijn nog in ontwikkeling. Een eerste Proof of concept in windpark Borssele biedt kansen om vergelijkbare concepten te testen die aansluiten op experimenteerruimte in de monding van het Haringvliet. 50 Na de ontmanteling van Offshore Windpark Egmond aan Zee (OWEZ) wordt bezien welke Het Rijk zet in Europees verband in op het afschaffen van de nu geldende beperkende maat­ mogelijkheden er zijn om de ruimte beschikbaar te stellen voor andere functies, bijvoorbeeld regelen in het Nederlandse deel van de Scholbox. De natuur- en milieuorganisaties in het visserij of aquacultuur. In (delen van) de windparken onder Routekaart windenergie op zee 2023 Noordzeeoverleg steunen deze inzet, die is vastgelegd in het Noordzeeakkoord. is passieve visserij toegestaan als vorm van medegebruik. De windparken onder Routekaart windenergie op zee 2023 zijn voornamelijk interessant voor de productie van voedsel omdat deze dichtbij de kust liggen. Locaties voor medegebruik in windparken van onder andere 4.3.3 Garnalenvisserij passieve visserij en aquacultuur worden opgenomen in de Handreiking gebiedspaspoort (zie hoofdstuk 10). Voor nog aan te besteden windparken onderzoekt het Rijk welk instrument de In samenwerking met de garnalensector en NGO’s werkt het Rijk aan een toekomstperspectief gewenste integrale ontwikkeling mogelijk maakt (zie ook hoofdstuk 3 en 5). Innovatie op het voor de garnalenvisserij. Hierin wordt onder meer aandacht besteed aan internationale vlak van mariene voedselproductie vraagt behalve ruimte vooral ook eenduidig beleid met afspraken die zijn gericht op een level playing field binnen de beschermde gebieden in de kustzone. heldere uitgangspunten voor vergunningverlening en locatiekeuze. Dit beleid wordt verder In dat kader wordt ook onderzocht of een mogelijke sanering van de garnalenvisserij op de beschreven in de hoofdstukken 8 en 10. Noordzee kan bijdragen aan de ecologische versterking van de kustzone. Een belangrijk aspect daarbij is de mogelijkheid om internationaal het aantal garnalenvissers te kunnen beheersen.

  59. 4.3.2 Gesloten gebieden In het Noordzeekustvisserijakkoord (VIBEG 2) is onder meer afgesproken, dat de garnalensector zelf via private controle en sanctionering bijdraagt aan de naleving in Natura 2000-gebieden. De Het uitgangspunt blijft dat visserij in beginsel overal toegang heeft, tenzij instandhoudings- afspraken met de sector rondom privaat toezicht zijn aanvullend en ondersteunend en vervangen maatregelen van kracht zijn. Deze beperkende maatregelen gelden in de windparken voor de het publiekrechtelijk toezicht beslist niet. huidige vormen van sleepnetvisserij en verschillen per Natura 2000- of KRM-gebied voor sleepnet- en staandwantvisserij. Daarnaast kunnen er vanuit de Technische Maatregelen Een goed functionerend blackbox systeem is een belangrijk hulpmiddel om de publieke en private verordening44 beperkingen ingesteld worden. In paragraaf 3.3.2 zijn de instandhoudings­ controles op de garnalenvisserij efficiënter en effectiever te laten verlopen. Uit een in 2019 door de maatregelen in de aanvullende beschermde gebieden beschreven. In aansluiting op de verschil- NVWA uitgevoerde audit is gebleken dat de huidige blackbox systemen onvoldoende betrouwbaar lende visserijregimes in beschermde gebieden wordt gezocht naar oplossingen in de vorm van zijn. In 2019 is daarom een technisch verbetertraject voor de black box gestart. Dit betekent dat na multipurpose schepen die meerdere vistechnieken kunnen toepassen. afloop van het verbetertraject, medio 2021, alle garnalenvissersschepen worden uitgerust met een goed functionerend blackbox systeem, waarmee de plaatsbepaling van de visserij-activiteit, het De Nederlandse (tong)visserij haalt de hoogste besommingen in de zuidelijke Noordzee aantal visuren en het gebruikte motorvermogen worden gemonitord. (ICES-4c). Om duurzame visserij voor dit deel van de sector op langere termijn te faciliteren, is het – rekening houdend met de toename van het aantal windparken – belangrijk voldoende ruimte in dit deel van de Noordzee te behouden. Dit belang weegt mee bij de besluitvorming 4.3.4 Maatregelen door gevolgen Brexit over de ruimtelijke ordening van de Noordzee: zie hoofdstuk 9. Wanneer door sluiting van gebieden visvangst niet meer mogelijk is en een alternatief voor de visserij ontbreekt, worden op De Nederlandse visserijsector verliest oplopend tot 2026 quotum als gevolg van het vertrek van het sectorniveau mitigerende maatregelen getroffen in het belang van de vissers. Zo’n mitigerende VK uit de EU. Dit quotumverlies zorgt ervoor dat de Nederlandse vloot vangstmogelijkheden maatregel kan bestaan uit een financiële bijdrage voor bijvoorbeeld innovatie binnen de sector. verliest op belangrijke doelsoorten. Vooral de Nederlandse pelagische en kottervloot zijn hierdoor getroffen. Om de gevolgen van het quotumverlies te verzachten, zet Nederland in op drie maat­ regelen voor de visserijsector. Een saneringsregeling die de balans tussen vangstmogelijkheden 44 Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de (beschikbaar quotum) en vangstcapaciteit (het aantal vaartuigen in het vlootregister, uitgedrukt in instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische het aantal bruto tonnage) herstelt, een stilligregeling en een liquiditeitsregeling om inkomens­ maatregelen (PbEU 2019, L 198/105) verlies op te vangen en vissers de mogelijkheid te bieden zich aan te passen. 51 Alleen vaartuigen die direct getroffen zijn door Brexit komen in aanmerking voor deze maat­ 4.3.7 Tegengaan van verontreiniging regelen. Omdat het hier om staatssteun gaat is toestemming van de Europese Commissie nodig. De minister van LNV is in gesprek met de Europese Commissie over de visserijmaatregelen en verwacht Bij verduurzaming hoort ook het voorkomen van verontreiniging. In 2019 heeft de Europese begin 2022 duidelijkheid te hebben over toestemming van de Europese Commissie. De inzet is om commissie de Single Use Plastics-richtlijn (SUP-richtlijn; Richtlijn (EU) 2019/904) aangenomen, die de maatregelen voor de visserij in het voorjaar van 2022 open te stellen. in 2020 en 2021 nader is uitgewerkt. Deze richtlijn heeft effect op kunststofhoudend vistuig. Voor het gebruik van pluis worden alternatieven ingezet. Behalve de SUP-richtlijn is de Richtlijn havenontvangstvoorzieningen herzien (Richtlijn (EU) 2019/883). De afspraken rondom afval­

  60. 4.3.5. Sociaaleconomische impactanalyse verwerking en afgifte zullen hierdoor veranderen. De opgave van het kabinet is om met deze richtlijnen het aan visserij gerelateerde afval in de Noordzee te verminderen. De visserij heeft te maken met vele ontwikkelingen die tegelijkertijd spelen en elkaar beïnvloeden. Om meer zicht te krijgen op de gevolgen van deze ontwikkelingen wordt een sociaaleconomische Acties impactanalyse uitgevoerd. De focus van de analyse ligt op de directe economische gevolgen van de • Het Rijk streeft ernaar om begin 2022 de innovatieagenda af te ronden. Deze zal de basis ontwikkelingen op de aanvoersector (de kottersector inclusief de garnalensector, de pelagische vormen voor de besteding van de middelen van het Noordzeeakkoord. sector en de kleinschalige visserij) en de doorwerking daarvan op het overige deel van het • Het Rijk voert in 2022 een sociaaleconomische impactanalyse uit naar de gevolgen van alle viscluster. In de analyse wordt ook aandacht besteed aan de sociale en culturele waarde van de grote ontwikkelingen voor het viscluster. Vanaf 2023 vindt monitoring plaats en wordt een visserij voor de visserijregio’s en de gevolgen van de ontwikkelingen in de aanvoersector op deze model ontwikkeld om gevolgen van beleid te kunnen simuleren. Het Rijk zet zich in voor waarden. In de eerste fase ligt het accent op het analysekader, een nulmeting van de huidige herziening van het Europese verbod op pulsvisserij, uiterlijk in 2025. situatie en relaties binnen het viscluster en het in beeld brengen van de gevolgen van de sanering • Het Rijk zet zich in deze planperiode in Europees verband in voor het afschaffen van de nu voor het viscluster. De analyse zal relevante informatie opleveren om te kunnen bepalen of en zo geldende beperkende maatregelen in het Nederlandse deel van de Scholbox. ja, welke maatregelen nodig zijn voor (onderdelen van) het viscluster45 om zich aan te passen aan • In samenwerking met het onderwijs, de topsectoren en de Community of Practice Multi Use een kleinere en duurzamere aanvoersector. In de tweede fase zal monitoring plaatsvinden en wordt Noordzee 2030 (CoP) stimuleert het Rijk gedurende de planperiode innovaties in de mariene een model ontwikkeld om gevolgen van beleid te kunnen simuleren. voedselproductie. • Het Rijk zet zich in voor de uitvoering van een saneringsregeling in het kader van de Brexit Adjustment Reserve, uiterlijk in 2022 onder voorbehoud van goedkeuring door de Europese

  61. 4.3.6 Staandwantvisserij Commissie. • Het Rijk blijft steun geven aan de activiteiten om zwerfvuil te verminderen, zoals het vinden Over de duurzaamheid van passieve (staandwant)visserij bestaan verschillen van mening, die van alternatieven voor pluis. zich vooral toespitsen op de bijvangst van vogels en zeezoogdieren. Het kabinet zal onderzoek doen naar verschillende vormen van staandwantvisserij die wél en niet passend zijn in specifieke Kennisagenda (gesloten) gebieden en in relatie tot beschermde vogel- en zoogdiersoorten. Daarnaast wordt • Het Rijk laat onderzoeken op welke manier binnen de beviste populaties een meer natuur- ingezet op een internationaal project om de bijvangst van zeezoogdieren en andere kwetsbare lijke lengte- en leeftijdsverdeling is te verkrijgen. Het onderzoek moet in 2023 zijn afgerond, dieren in de Noordzeeregio te onderzoeken. ten behoeve van de actualisatie van de beschrijving van de milieutoestand van de Noordzee in de Mariene Strategie deel 1, in 2024. • Het Rijk laat onderzoeken hoeveel invloed de infrastructuur rondom de windparken heeft op de aanwezigheid, de voortplanting en het overlevingssucces van juveniele vissen, en op de 45 De winning van vis (inclusief schaal- en schelpdieren) maakt deel uit van zogenaamde regionale visclusters, beschikbaarheid van voedsel voor (commerciële) vissoorten. Het onderzoek (onderdeel van waartoe ook de verwerkende industrie (afslagen, transport, verwerking, handel), toeleverende industrie MONS) moet vóór 2027 zijn afgerond. (scheepsbouw, energie etc.) en de visserijgemeenschappen behoren. 52 • In het kader van soortenbeschermingsplannen (zie ook paragraaf 3.3.3.) laat het Rijk onderzoeken welke vormen van staandwantvisserij wel en niet passend zijn in specifieke (gesloten) gebieden en in relatie tot beschermde vogel- en zoogdiersoorten. Het onderzoek

  62. 4.4 Beheer moet vóór 2027 zijn afgerond. Daarnaast zet het kabinet zich in voor een internationaal project om bijvangst in de Noordzeeregio te onderzoeken. In Nederland is de controle op de visserij en de handhaving van de regelgeving belegd bij de • Het Rijk laat onderzoeken welke effecten de sluiting van gebieden heeft op de visserij en Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De inzet is om in 2022 alle vissersschepen uit welke neveneffecten er zijn op de zones rondom de gesloten gebieden, een zogenoemd te rusten met een blackbox-systeem dat vislocatie, visserijactiviteit, visuren en het motor­ displacement onderzoek als onderdeel van het MONS. vermogen registreert. Zo’n gecertificeerd blackbox-systeem is een belangrijk hulpmiddel om met monitoring de private en publieke controle efficiënter en effectiever vorm te geven en over­ tredingen beter te kunnen opsporen. Ook is er aandacht voor innovatieve technieken die een kwaliteitssprong in handhaving mogelijk maken. Daarnaast blijft in algemene zin het naleven van wet- en regelgeving door vissers zelf een belangrijk aandachtspunt. De garnalensector is bezig met de opzet van een privaat controle- en handhavingsmodel. Dit model ondersteunt de publieke controle en handhaving en vult deze aan. Tot 2030 wordt 14 miljoen euro extra geïnvesteerd in versterking van het toezicht op de Noordzee door de NVWA. Rijkswaterstaat verleent als beheerder van de Noordzee vergunningen namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat en houdt toezicht op de naleving van de vergunningsvoorschriften. Voor aquacultuur, waarbij constructies voor langere periode worden verankerd, moet een watervergunning worden aangevraagd. Ten behoeve van de goede samenwerking tussen windparken en medegebruikers onderling is in dit Programma Noordzee 2022-2027 een afwegingskader medegebruik in windparken opgenomen. Zie hiervoor hoofdstuk 10.2. 53 Programma Noordzee 2022 – 2027 54 5 Transitie naar Duurzame energie De transitie naar een duurzaam energiesysteem op de Noordzee is één van de hoekstenen van het beleid om de in Hoofdstuk 2 genoemde majeure 5.1 Huidig gebruik opgaven – CO₂-vrije energievoorziening, voedselzekerheid en het herstel en behoud van een robuust ecosysteem – met elkaar in balans te brengen. De en ontwikkelingen urgentie van de opgaven, en zeker de verduurzaming van de productie en het gebruik van energie, overschrijdt onze grenzen. Dat dwingt tot samen- 5.1.1 Kenschets van energiewinning op de Noordzee werking. Dit hoofdstuk beschrijft het beleid om de ruimte en bronnen van Op het Nederlandse deel van de Noordzee is de afgelopen decennia allerlei energie-infrastructuur de Noordzee zodanig voor energieproductie te benutten dat de nationale en aangelegd, variërend van olie- en gaspijpleidingen tot elektriciteitsverbindingen vanuit wind­ Europese CO₂-reductiedoelen worden gehaald, met inachtneming van de parken en tussen landen. Momenteel staan er circa 150 olie- en gasplatforms op het Nederlandse deel van de Noordzee. Door een natuurlijke uitputting van de aanwezige gas- en oliereserves in de doelen voor natuur en voedselvoorziening. Hierin staat de ontwikkeling van ondergrond bereikt een aanzienlijk deel van de nu nog producerende gas- en olievelden en de een duurzaam energiesysteem op de Noordzee centraal, wat nader wordt bijbehorende infrastructuur in de komende 10 tot 20 jaar het einde van de economische levens- duur. Dit proces van uitfasering is de afgelopen jaren op gang gekomen en leidt tot het buiten ingevuld aan de hand van de belangrijkste energiepijlers: windenergie, gebruik stellen en in beginsel verwijderen van de voor de gas- en oliewinning benodigde productie­ olie- en gaswinning, waterstof, CO₂-opslag en innovatieve technologieën platforms, tenzij deze voor hergebruik in aanmerking komen. In het Noordzeeakkoord is de gaswinning op de Noordzee nadrukkelijk geplaatst in het kader van realiseren van de doel­ als elektriciteit uit water en zon op zee. stellingen van het Akkoord van Parijs. Gekozen wordt voor een gestage afbouw, waarbij gas wordt gewonnen zolang en in zoverre gas nog nodig is, en alleen waar dit veilig kan. Dit kan enkele decennia duren. Op het gebied van elektriciteit is in het afgelopen decennium een integratie te zien van de elektriciteitsmarkten en hoogspanningsnetten met die van de ons omringende landen. Dit zorgt voor een grotere liquiditeit op de elektriciteitsmarkt met stabiele, meer uniforme prijzen en meer flexibiliteit van het elektriciteitsnetwerk dat daardoor een groter aandeel van de elektriciteits­productie uit fluctuerende hernieuwbare bronnen (met name zon en wind) kan opvangen. Hiervoor zijn met behulp van interconnectoren ook op zee verbindingen met de hoogspanningsnetten van andere landen gemaakt. De hoogspanningsnetten van Noorwegen en Nederland zijn sinds 2008 met elkaar verbonden via de NorNed-kabel (700 MW). Sinds 2011 wordt 55 er elektriciteit verhandeld via de BritNed-kabel (1000 MW) naar het Verenigd Koninkrijk. Vanaf in Nederland terug te dringen tot een niveau dat in 2050 95 procent lager ligt dan in 1990. 2019 zijn de Nederlandse en Deense hoogspanningsnetten rechtstreeks met elkaar verbonden via Conform de Klimaatwet heeft het kabinet een Klimaatplan opgesteld waarin de hoofdlijnen van de COBRA-kabel (700 MW). het beleid zijn opgenomen, inclusief de afspraken uit het Klimaatakkoord om in 2030 de uitstoot van broeikasgassen te hebben gereduceerd tot een niveau dat 49 procent lager ligt dan Tot nu toe zijn de stelsels van olie- en gasleidingen en de elektriciteitsverbindingen gescheiden in 1990. systemen die elk voor zich voorzien in het transport van verschillende energievormen (elektro- De exacte gevolgen van de aanscherping van het broeikasgasreductiedoel van de EU voor 2030 nen dan wel moleculen) richting afnemers. naar ten minste 55 procent ten opzichte van 1990 voor de Nederlandse opgave zijn nog niet bekend. Het kabinet schrijft op 26 oktober 202148 dat nationale keuzes over de invulling van de nieuwe opgave, die voortvloeit uit het pakket, nog niet gemaakt zijn. Vooruitlopend op deze

  63. 5.1.2 Huidig beleid voor verduurzaming van energie keuzes heeft de Tweede Kamer in 2021 de motie Van der Lee en Kröger49 aangenomen, waarmee de regering wordt verzocht alvast rekening te houden met een grotere opgave voor windenergie In december 2015 heeft Nederland samen met 194 andere landen de Overeenkomst van Parijs op zee door bijvoorbeeld alvast extra locaties vast te stellen. De Tweede Kamer nam ook de motie gesloten. In die overeenkomst is afgesproken de opwarming van de aarde ten opzichte van het Boucke50 aan, die de regering verzoekt om minimaal 10 GW aan windenergiegebieden aan te pre-industriële tijdperk te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en te streven naar een wijzen. Het kabinet heeft daartoe op 9 november 2021 een aangepast hoofdstuk 9 van dit opwarming van maximaal 1,5 graad. Ter uitwerking van de Overeenkomst van Parijs is in Programma Noordzee 2022-2027 middels een aanvullend ontwerp ter inzage gelegd, met daarin Europees verband afgesproken dat in 2030 de CO₂-uitstoot met ten minste 40 procent moet zijn het voornemen om ruimte voor 16,7 GW aan te wijzen, met daaraan de voorwaarde verbonden verminderd ten opzichte van de uitstoot in 1990 en dat het aandeel hernieuwbare energie in de om binnen die ruimte maximaal 10,7 GW te kunnen realiseren in de periode tot en met 2030 EU ten minste 32 procent moet bedragen. De Europese Unie (EU) heeft in 2019 de European Green mits dat ecologisch inpasbaar is. Deal gepubliceerd. Met de Green Deal wil de Commissie het Europese klimaatbeleid aanscherpen. Op 12 december 2019 is hiertoe een eerste stap gezet en heeft de Europese Raad ingestemd met Om aan de klimaatdoelstellingen te voldoen zet het kabinet in het huidige beleid in op een een aanscherping van het EU broeikasgasreductiedoel voor 2050 naar klimaatneutraliteit. In geïntegreerd energiesysteem op de Noordzee, waarin de realisatie van extra windenergie en september 2020 heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd voor de tweede stap: een decarbonisatie van het huidige gassysteem, inclusief de stimulering van CO₂-opslag en de aanscherping van het EU broeikasgasreductiedoel voor 2030 naar ten minste 55 procent. Dit productie van hernieuwbare waterstof, centraal staan. voorstel is in december 2020 door de Europese Raad aangenomen46. In juni 2021 bereikten de Europese lidstaten en het Europees parlement een akkoord over een Europese klimaatwet, waarin het aangescherpte broeikasgasreductiedoel voor 2030 is vastgelegd. Na instemming door 5.1.3 Toekomstige ontwikkelingen het Europees Parlement en de Europese Raad is de Europese klimaatwet op 30 juni 2021 vastgesteld47. In juli 2021 presenteerde de Europese Commissie het ’Fit for 55’-pakket met De toekomstige ontwikkeling naar een duurzaam energiesysteem op de Noordzee is in kaart voorstellen om het aangescherpte doel te realiseren. gebracht en wetenschappelijk onderbouwd in de Noordzee Energie Outlook 51. Deze wordt hieronder nader besproken. Voor de invulling van de nationale verantwoordelijkheid om de mondiale temperatuurstijging te beperken, heeft Nederland in 2019 in de Klimaatwet vastgelegd de emissies van broeikasgassen 46 Bron: https://www.consilium.europa.eu/en/policies/climate-change/# 48 Kamerstukken II, 32813, nr. 905. 47 Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een 49 Kamerstukken II, 32813, nr. 629. kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en 50 Kamerstukken II, 35668, nr. 21. Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PbEU 2021, L 243/11). 51 Kamerstukken II, 32183, nr. 646. 56

  64. 5.2 Visie, ambitie en opgaven Technologie Import-afhankelijk Zelfvoorzienend Windenergie op zee vermogen (GW) 38 72 Energieopbrengst (TWh) 170 325 De komende decennia zullen de energieproductie, het energietransport en de aan energie gerelateerde activiteiten op de Noordzee veranderen: Benodigde groei (GW/jaar)53 1,5 3 • De energieproductie zal in steeds grotere mate gaan plaatsvinden uit hernieuwbare energie- Tabel 5.1. Eindbeelden hernieuwbare energie 2050 in de Noordzee Energie Outlook bronnen (vooral elektriciteit uit windenergie en mogelijk later ook uit zonne-energie en elektriciteit uit water). van nieuwe windenergiegebieden met voldoende ruimte voor 27 GW correspondeert met dit • De ingezette daling van de olie- en gaswinning zal zich verder voortzetten. De snelheid eindbeeld. Samen met de in de Routekaart wind­energie op zee al geplande circa 11 GW voor 2030 daarvan is grotendeels afhankelijk van marktontwikkelingen. levert dat in 2050 in totaal 38 GW windenergie op zee. Het andere eindbeeld laat een zelf­ • De transportnetwerken voor elektriciteit en gassen zullen meer met elkaar verweven raken voorzienend Nederland zien, dat tracht zoveel mogelijk zelf in zijn energiebehoefte te voorzien. (‘systeemintegratie’), omdat naar verwachting de komende decennia ook waterstofproductie op Dit eindbeeld vraagt een totale capaciteit aan wind­energie op zee van 72 GW in 2050. zee in of nabij windparken plaats zal vinden. Daarvoor zijn nieuwe gasleidingen nodig of kunnen de bestaande leidingen mogelijk hergebruikt worden. Daardoor wordt het mogelijk om In beide eindbeelden zal windenergie op zee een essentiële energiebron zijn in 2050. Om de de verhouding tussen de productie van elektriciteit en waterstof te variëren. Waterstof uit potentie van deze energiebron ten volle te benutten is systeemintegratie en afstemming van hernieuwbare energiebronnen gaat naar verwachting een rol spelen omdat onze energie­ infrastructurele planning op zee en land noodzakelijk. Zo is het belangrijk dat voldoende en tijdig behoefte niet alleen bestaat uit elektriciteit maar ook uit andere energievormen waarvoor tot energie-infrastructuur wordt aangelegd van windparken naar land en dat de energie-infrastructuur nu toe steenkool, aardolie en aardgas de bronnen vormden. Ten slotte zal in uitgeproduceerde op land in staat is om grote hoeveelheden groene energie in de vorm van elektronen of moleculen olie- en gasvelden (en mogelijk aquifers) op de Noordzee CO₂ worden opgeslagen dat wordt naar afnemers te transporteren. Op land is hiervoor het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) afgevangen bij industriële installaties op land. opgericht. Vanuit dit programma zal de infrastructuurbehoefte voor energietransport duidelijk worden. De Regionale Energiestrategieën (RES’sen) leveren hieraan een belangrijke bijdrage. De Noordzee Energie Outlook geeft een wetenschappelijk onderbouwd overzicht van mogelijk- Daarnaast zullen ook de industriële clusters in Cluster Energiestrategieën (CES’sen) hun plannen en heden die de Noordzee kan bieden voor een duurzame Nederlandse energievoorziening in 2050. behoeften aan energie-infrastructuur kenbaar maken.53 Het rapport werpt een integrale blik op zowel het aanbod van energie, transport en infra­ structuur, als de vraag naar energie en CO₂-opslag. Startpunt voor de Noordzee Energie Outlook In grote lijnen zal de ontwikkeling van een duurzaam Noordzee-energiesysteem langs de is de prognose voor 2030 op basis van het huidige beleid zoals beschreven in het volgende lijnen plaatsvinden: Klimaatakkoord. Vervolgens zijn op basis van scenario’s uit de Integrale • Aanlanden van op zee geproduceerde energie bij de industrieclusters. Dit kan in de vorm van Infrastructuurverkenning 2030-205052 twee uiterste eindbeelden van 2050 samengesteld, elektriciteit, of in de vorm van waterstof als energiedrager, waarbij door op zee opgewekte aangevuld met toekomstpaden die de weg beschrijven tussen 2030 en 2050. Met beide eind­ energie op zee wordt omgezet in waterstof en naar de industrieclusters wordt getranspor- beelden worden ook de minimaal en maximaal benodigde hoeveelheden duurzame energie­ teerd. De meeste industrie is gevestigd aan of nabij de kust. Door de energie direct bij de productie op de Noordzee verkend. Het ene eindbeeld toont een importafhankelijk Nederland grootverbruikers af te leveren, worden aanbod en vraag zo dicht mogelijk bij elkaar gebracht met onvoldoende eigen energieproductie om de vraag te dekken. In dat beeld leunt Nederland en is daarvoor geen transportcapaciteit nodig van de bestaande energienetwerken op land. op internationale uitwisseling van energie. Het aanwijzen in het Nationaal Water Programma 52 Klimaatneutrale energiescenario’s 2050: Scenariostudie ten behoeve van de integrale infrastructuur­ verkenning 2030-2050. Berenschot & Kalavasta, 2020. 53 Dit is hoger dan de huidige groei van circa 1 GW/jaar (periode 2020­2030). Programma Noordzee 2022 – 2027 57 Deze hoeven daardoor niet of minder te worden verzwaard of uitgebreid. Dit is in lijn met de Veel technologieën voor het verbeteren van schaalgrootte en kostenniveau zijn nog volop in richtinggevende uitspraken uit het kabinetsperspectief voor de Nationale Omgevingsvisie54. ontwikkeling. Ook is nog onvoldoende duidelijk welke bestaande energie-infrastructuur onder • Meer flexibiliteit door verbindingen met de (Noordzee-)energiesystemen van ons omringen- welke voorwaarden en kosten eventueel is te hergebruiken. Dit maakt een ‘blauwdruk’ van de de landen. Dit geeft de mogelijkheid om een piek in windproductie en bijbehorende druk op ontwikkeling van een duurzaam Noordzee-energiesysteem onmogelijk. Het is daarom zaak deze het netwerk te beperken door uitwisseling met het buitenland, of andersom – bij een ontwikkeling op adaptieve wijze te laten plaatsvinden door telkens vooruit te kijken, vraag­ beperkte productie van energie uit wind en zon – energie uit het buitenland te halen. Deze stukken integraal op te pakken en toekomstscenario’s en opties te faciliteren. De Noordzee uitwisseling is vorm te geven door de toepassing van interconnectoren, energiehubs en Energie Outlook geeft hiervoor enkele handvatten: hybride projecten. Interconnectoren zijn schakelpunten tussen verschillende netwerken; • Wijs (clusters van) grote kavels voor windenergie op zee aan met potentie voor interconnectie energiehubs zijn knooppunten waar energie uit meerdere omliggende windparken en/of (stroom of gas). Op die manier ontstaan voldoende schaalgrootte en flexibiliteit in tijd om op interconnectoren samenkomt, eventueel wordt omgezet in een andere energiedrager, en van korte termijn de uitrol van windenergie op zee voort te zetten en voor de langere termijn daar naar het vasteland wordt getransporteerd; hybride projecten zijn verbindingen tussen optimale oplossingen, zoals energiehubs op kunstmatige eilanden, te implementeren. netaansluitingen van windparken op zee van verschillende landen, die dienstdoen als inter­ • Focus niet alleen op de verdere uitbreiding van het net op zee, maar onderzoek ook de connector en kunnen zorgen voor een hogere benuttingsgraad van de energie-infrastructuur op mogelijkheden om via andere energiedragers (bijvoorbeeld waterstof ) de op zee geprodu- zee op momenten dat het weinig waait. Deze elementen kunnen op termijn leiden tot een ceerde energie te transporteren. Kijk hierbij naar de aanleg van nieuwe waterstof­ vermaasd netwerk op de Noordzee, waarin de energiesystemen van de Noordzeelanden infrastructuur én het hergebruik en geschikt maken van bestaande gasinfrastructuur voor het intensief met elkaar zijn verknoopt. transport van waterstof als alternatief voor of aanvulling op het net op zee. Ontwikkel beleid • Meer flexibiliteit door de inzet van andere vormen van duurzame energiewinning, andere voor de aanleg van waterstofinfrastructuur en het hergebruik van geschikte gasinfrastructuur. energiedragers, opslag en infrastructuur. Een mogelijke aanvulling of alternatief voor • Maak de aanleg van energiehubs, grensoverschrijdende verbindingen (interconnectoren en/ oplossingen binnen de elektriciteitsketen is de productie van waterstof. Dit kan zowel op of hybride projecten) en energieopslag op zee en land mogelijk. Ontwikkel beleid voor de land als op zee worden toegepast55: ruimtelijke afweging en voor de realisatie van kunstmatige eilanden. Ontwikkel ook een - Elektrolyse op land kan efficiënt worden toegepast voor het oplossen van regionale reguleringskader voor hybride projecten. beperkingen in aansluit- en transportcapaciteit voor elektriciteit. Deze oplossing kan tevens • Zoek contact met de ons omringende landen aan de Noordzee en onderzoek met hen de synergievoordelen met zich meebrengen in de vorm van warmtelevering. Op land kunnen er mogelijkheden om samen grensoverschrijdende projecten te realiseren. echter beperkingen zijn in de beschikbare ruimte voor de noodzakelijke kabelcorridors, • Maak mogelijk dat energie van zee direct wordt aangevoerd bij de industriecentra aan of nabij duindoorstekingen en inpassing van elektrolyse-installaties bij industriële clusters. de kust, zodat hiervoor de energietransportnetwerken op land niet hoeven te worden benut. - Bij elektrolyse op zee wordt met (een deel van de) elektriciteit van bijvoorbeeld wind­ parken waterstof geproduceerd. Dat vindt plaats op een kunstmatig eiland of platform of in de windturbine zelf. Ruimtelijk is het vervoeren van waterstof aantrekkelijk: een buisleiding kan nu 10-12 GW aan windparken aansluiten, een gelijkstroomkabel 2 GW. Het ruimtelijk beslag is ongeveer even groot. Al aanwezige gasinfrastructuur op zee (platforms en leidingen) kan mogelijk hergebruikt worden voor het transport en de opslag van waterstof en voor Carbon Capture and Storage (CCS). • Lokale oplossingen, zoals netverzwaringen, congestiemanagement en energieopslag. 54 Kamerstuk 34 682, nr. 6, bijlage. 55 Daarnaast laat ook de studie van Guidehouse naar geïntegreerde tenders (bijlage bij Kamerstuk 32 183, nr. 646) zien dat offshore elektrolyse op zee na 2030 een rol kan gaan spelen, maar dat pilots vóór 2030 al belangrijk zijn. 58

  65. 5.3 Beleid 5.3.1 Noordzee-energiesysteem Om de potentie van de Noordzee voor het nieuwe energiesysteem ten volle te kunnen benutten, zijn systeemintegratie en afstemming van infrastructurele planning op zee en land noodzakelijk. Beschikbaarheid van voldoende energie is een voorwaarde voor het functioneren van de samen­ De grenzen aan wat met het huidige systeem fysiek en op de energiemarkt mogelijk is, komen in leving. Deze energie moet in 2050 CO₂-neutraal zijn. De Europese Green Deal benadrukt het belang zicht. Dat vraagt om het tijdig aanleggen en/of herinrichten van voldoende energie-infrastructuur van windenergie op zee voor het halen van de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor om windparken met het land te verbinden of energie te kunnen exporteren. Daarnaast moet de 2030 en 2050. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stelt het kabinet dat het plaatsen van een energie-infrastructuur op land grote hoeveelheden groene energie in de vorm van elektriciteit of groot aantal windturbines op de Noordzee noodzakelijk is om de transitie naar duurzame duurzaam gas naar afnemers kunnen transporteren. Tot slot is het afstemmen van aanbod en energiewinning in 2050 te voltooien. De mogelijkheden op het land zijn immers beperkt. De in de vraag, vooral in de industriële clusters, cruciaal. Deze opgave is in het Programma NOVI vastgelegde ambitie is dan ook om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen door het Energiehoofdstructuur (PEH) opgepakt. grootste deel van de energieproductie te realiseren door middel van wind­parken op de Noordzee. Het meer weersafhankelijke karakter van deze hernieuwbare energie­vormen noodzaakt tot sterke Internationale afstemming en energiehubs verandering van het energiesysteem om de leveringszekerheid te kunnen borgen. In 2016 is onder voorzitterschap van Nederland in een gezamenlijke politieke verklaring de North Seas Energy Cooperation (NSEC) opgericht. Momenteel nemen België, Denemarken, Frankrijk, De NOVI noemt het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Zweden en de Europese Commissie aan die in 2050 CO₂-neutraal moet zijn, inclusief de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur, van het samenwerkings­verband deel. Het doel is het bevorderen van kosteneffectieve inzet van nationaal belang. Andere nationale belangen die daar direct aan zijn gekoppeld zijn het hernieuwbare op zee gewonnen energie (in het bijzonder windenergie) en van de interconnectie waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het in tussen de landen in de regio. De NSEC ondersteunt en faciliteert de netontwikkeling op zee en de stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit en het ontwikkelen benutting van het grote potentieel voor hernieuwbare energie in de regio. Dit is een al lang van duurzame visserij. Het nationale belang van een goede leefomgevingskwaliteit vereist bestaande energie­prioriteit voor de EU en de betrokken landen. De Europese Green Deal inpassing van de installaties en infrastructuur binnen de randvoorwaarden van ecologie, benadrukt het belang van windenergie op zee voor het behalen van de EU-klimaat- en energie- cultureel erfgoed en de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. Dit maakt dat de doelstellingen voor 2030 en 2050 en tevens het belang van regionale samenwerking. Het NSEC- energietransitie en de daarvoor benodigde extra ruimte op zee, nauw verweven is met andere werkprogramma legt bijzondere nadruk op de ontwikkeling van concrete grensoverschrijdende opgaven, zoals de herstel- en ontwikkelopgave voor natuur (natuurtransitie), het naar aard en wind- en maritieme netwerkprojecten op zee (hybride projecten), die de potentie hebben om omvang aanpassen van de visserij, het benutten van kansen voor aquacultuur (de voedsel­ kosten en ruimtevraag van ontwikkelingen op zee te verminderen. De werkzaamheden van de transitie) en het bewaren van voldoende ruimte voor efficiënt en veilig scheepvaartverkeer. Bij NSEC leveren ook een waardevolle bijdrage aan de mededeling van de Commissie over hernieuw- medegebruik kan de aanwezigheid van energie-infrastructuur een voordeel zijn. Dit geldt vooral bare offshore-energie56. wanneer hier vanaf de aanleg van deze infrastructuur rekening mee gehouden kan worden. In het werkprogramma van de NSEC zijn twee initiatieven opgenomen die op het Nederlandse Voor het realiseren van deze energietransitie onder genoemde voorwaarden zet het kabinet in op gedeelte van de Noordzee in verschillende fases van onderzoek verkeren: verschillende sporen. Voor het energiesysteem zelf (5.2.1) zijn de prioriteiten afstemming van de • WindConnector, een project dat de mogelijkheden onderzoekt van interconnectie met het energievraag en energieproductie, de aanlanding van op zee geproduceerde energie, internationale Verenigd Koninkrijk vanuit offshore-windpark IJmuiden Ver. In zijn brief over de uitvoering afstemming en de ontwikkeling van energiehubs en grensoverschrijdende energie-infrastructuur. van de Routekaart windenergie op zee 203057 vraagt de minister van Economische Zaken en Tegelijkertijd gaat de aandacht uit naar de benodigde ontwikkeling van de belangrijkste energie­ Klimaat aan TenneT om met een voorstel te komen voor het nog efficiënter benutten van de dragers in dit nieuwe systeem: windenergie (5.3.2), olie- en gaswinning (5.3.3), waterstof (5.3.4), en ook naar CO₂-opslag (5.3.5) en het stimuleren van innovatieve techno­logieën als zon op zee en 56 EU Offshore Renewable Energy Strategy, COM (2020) 741. elektriciteit uit water (5.3.6). 57 Kamerstukken II, 33561, nr. 48. 59 beoogde netinfrastructuur in het windenergiegebied IJmuiden Ver, door deze ook in te zetten voorgenomen Deense energie-eiland met het Nederlandse energiesysteem en de mogelijkheid als interconnector met het Verenigd Koninkrijk, via de nabij IJmuiden Ver geplande Britse van productie van waterstof daarbij. Het is de intentie om ook de Duitse overheid bij dit overleg windparken op zee of direct naar het vasteland. Bij de actualisatie van het Ontwikkelkader te betrekken. windenergie op zee in 2020 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat bepaald dat TenneT de beoogde platforms van het net op zee voor het windenergiegebied IJmuiden Ver Het kabinet heeft voor de netaansluiting van het windenergiegebied IJmuiden Ver in het kader van dusdanig moet ontwerpen dat deze geschikt zijn voor een WindConnector naar het Verenigd de Routekaart windenergie op zee 2030 de mogelijkheid voor toepassing van een kunstmatig Koninkrijk. Op 22 september 2020 kondigden TenneT en National Grid Ventures, de commer- eiland onderzocht. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft op basis van dit ciële ontwikkelingstak van National Grid plc, een samenwerkingsovereenkomst aan voor een onderzoek in 2019 besloten om voor de netaansluiting van dit windenergiegebied toch de haalbaarheidsonderzoek naar de aansluiting van Nederlandse en Britse windparken op de gebruikelijke platforms toe te passen. Wel blijft, met het oog op de verdere uitrol van wind­energie energiesystemen van beide landen. op zee na 2030, de mogelijkheid van kunstmatige eilanden nadrukkelijk open. Diverse markt­ • North Sea Wind Power Hub (NSWPH) streeft naar een internationaal gecoördineerde uitrol van partijen hebben aangegeven belangstellig en ideeën te hebben voor dergelijke kunst­matige het net op zee met modulaire wind-waterstof power hubs (energie-eilanden of -platforms) in eilanden. Het kabinet heeft daarom, onder leiding van de minister van Infrastructuur en plaats van individuele nationale aansluitingen van windparken op zee. Analyse door de Waterstaat, richtinggevende uitspraken over kunstmatige eilanden in zee geformuleerd (zie Europese Commissie heeft aangetoond dat dit hub and spoke-concept aanzienlijke kosten­ hoofdstuk 10.6). Het kabinet start in 2022 een voorverkenning naar nut en noodzaak van energie- besparingen oplevert in vergelijking met de huidige conventionele aanpak met point-to-point- hubs in het Nederlandse deel van de Noordzee. Hierbij komen eveneens mogelijke constructie­ verbindingen en individuele verbindingen voor windparken op zee. Het consortium dat vormen aan de orde, zoals platforms, drijvende constructies of kunstmatige eilanden. gezamenlijk de mogelijkheden onderzoekt voor deze zogenoemde North Sea Wind Power Hub bestaat uit TenneT (Nederland en Duitsland), de Deense netbeheerder Energinet en Netten op zee en aanlanding Gasunie. Het NSWPH-consortium staat op de vijfde lijst van Europese projecten van gemeen- Voor het transporteren van de huidige en toekomstige windenergie naar het vasteland zijn schappelijk belang (PCI), zoals goedgekeurd door de Europese Commissie. De PCI-status stelt verschillende mogelijkheden te benutten. Op welk tracé en aanlandingslocatie daarvan de keuze het consortium in staat om financiering van de Connecting Europe Facility (CEF) aan te valt, hangt onder meer af van de locaties van de windparken, de locatie en aard van de energie- vragen voor studies om het concept verder te ontwikkelen en om een eerste hub and spoke- vraag, de mogelijkheden om energie-infrastructuur op zee aan te leggen of te hergebruiken, de project een stap dichterbij te brengen. Op 1 oktober 2020 heeft het NSWPH-consortium 14 transportcapaciteit van het hoogspanningsnet en de wijze waarop aanlanding samengaat met miljoen euro toegekend gekregen uit de CEF-middelen. andere belangen in het gebied. Daarbij is sprake van adaptieve planning. Dit kan er bijvoorbeeld bij onvoldoende ecologische ruimte toe leiden dat onderzochte tracés uiteindelijk niet in In lijn met de NSEC en bovengenoemde projecten voert Nederland bilaterale gesprekken met procedure worden genomen. ons omringende Noordzeelanden over de gezamenlijke verkenning en mogelijke ontwikkeling Het kabinet brengt deze factoren in kaart in een Verkenning Aanlanding Windenergie op Zee van grensoverschrijdende energieprojecten op de Noordzee. Zo is in 2019 tussen het Duitse (VAWOZ). Deze verkenning is een opstap naar de besluitvorming over de set van aanlandings­opties federale ministerie van Economische Zaken en Energie en het Nederlandse ministerie van waarmee per traject een Rijkscoördinatieregeling (onder de Omgevingswet een projectprocedure) Economische Zaken en Klimaat een Declaration of Intent on the Energy Transition ondertekend, waarin zal worden gestart. De minister voor KenE stelt in overleg met de minister voor VRO een onder andere samenwerking is afgesproken voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende inpassings­plan op voor de uitgifte van de vergunningen voor de netaansluitingen op het land. windenergieprojecten op zee en op het gebied van waterstof. De VAWOZ bestaat uit twee verkenningen, namelijk de verkenning voor 2030 en de verkenning Met de Deense overheid is in december 2020 een Memorandum of Understanding afgesloten om de voor de periode 2031 – 2040. In de VAWOZ 2030 is samen met belanghebbenden onderzocht waar samenwerking op het gebied van energie-eilanden op zee te bekrachtigen. Dit naar aanleiding in Nederland 10 GW extra windenergie van zee aan land kan worden gebracht in de periode rond van het Deense regeerakkoord, dat onder andere een energie-eiland op het Deense deel van de 2030, bovenop de reeds geplande ruim 11 GW. Op basis van onderzoek en adviezen uit de Noordzee aankondigt voor het jaar 2030. Samen met de Denen onderzoekt het ministerie van omgeving lijkt het kansrijk (vanwege synergievoordelen met huidige aanlandingsprojecten) om Economische Zaken en Klimaat onder andere de mogelijkheden voor het verbinden van het 60 met stroomkabels 6 GW extra in 2030 aan te landen en 4 GW extra eind 2031.58 In 2022 worden fysieke afstemming tussen vraag en aanbod op de opkomende markt voor groene waterstof is hiervoor ruimtelijke procedures gestart. In de ruimtelijke procedures wordt in afstemming met van belang. Waterstof is pas ‘groen’ als het is gemaakt met behulp van elektriciteit die afkomstig belanghebbenden vervolgens een zorgvuldig proces doorlopen om op basis van verdiepend is van hernieuwbare energiebronnen. onderzoek een voorkeurskabeltracé en aanlandlocatie te kiezen. In 2022 start de verkenning van kansrijke alternatieven om windenergie van zee naar land te Acties brengen in de periode 2031-2040. Het gaat hierbij zowel om aanlanding via elektriciteit als • WindConnector is een project dat vanuit windenergiegebied IJmuiden Ver de interconnectie aanlanding met behulp van moleculaire energiedragers zoals waterstof. Voorafgaand aan de beoogt met het Verenigd Koninkrijk. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft VAWOZ 2031-2040 wordt door middel van voorverkenningen op hoofdlijnen in kaart gebracht TenneT gevraagd deze verbinding met de betrokken Britse partijen verder te ontwikkelen en de wat eerste kansrijke mogelijkheden en aanlandlocaties zijn. voorziene platforms van het net op zee hiervoor geschikt te maken. Oplevering van IJmuiden Ver en daarmee van deze eventuele WindConnector is vooralsnog voorzien in de periode Afstemming vraag en aanbod 2028-2030. Het creëren van windparken op zee is geen doel op zich. De gewonnen elektriciteit heeft als doel • North Sea Wind Power Hub (NSWPH), een samenwerkingsverband van TenneT Nederland, TenneT de energie die nu veelal gewonnen wordt uit kolen en gas te vervangen, en processen in de Duitsland, de Deense netbeheerder Energinet en Gasunie, streeft naar een internationaal industrie, mobiliteit, landbouw en gebouwde omgeving die nu op gas en/of olie zijn gebaseerd, gecoördineerde uitrol van het net op zee met modulaire wind-waterstof-power hubs (mogelijk zoveel mogelijk te elektrificeren. Hiervoor is een enorme hoeveelheid energie nodig. in de vorm van energie-eilanden) als alternatief voor individuele nationale aansluitingen van Windparken op zee zijn bij uitstek geschikt die te leveren. De afstemming tussen vraag en windparken op zee. NSWPH werkt in 2021 en 2022 samen met het ministerie van EZK voor de aanbod van energie is hierbij van groot belang. Windparken kunnen niet rendabel gebouwd en nieuw aangewezen windenergiegebieden casestudies uit. De resultaten worden benut in een geëxploiteerd worden als daar onvoldoende vraag tegenover staat. Andersom zullen bedrijven voorverkenning van het Rijk naar nut en noodzaak van energiehubs, waarbij verschillende niet snel overstappen op elektrificatie van productieprocessen of inzet van bijvoorbeeld groene locaties en constructievormen aan de orde komen. waterstof als zij niet verzekerd zijn van voldoende aanbod. Vraag en aanbod moeten dus hand in hand gaan. De industrie, mobiliteit, landbouwsector en gebouwde omgeving staan voor grote Kennisagenda verduurzamingsopgaven en zullen de komende jaren flinke stappen moeten maken om hun • De resultaten van VAWOZ t/m 2030 zijn eind 2021 bekendgemaakt. CO₂-uitstoot te verminderen zodat Nederland zijn emissiereductiedoelstellingen kan halen. Om • Voor VAWOZ 2031-2040 is het plan dat de voorverkenning in mei 2022 af is en eind tweede deze sectoren het vertrouwen te geven dat er voldoende elektriciteit beschikbaar is om hun kwartaal 2023 de verkenning als geheel af is. huidige processen om te bouwen naar gebruik van elektrische energie, is een routekaart van • Aanvullende studies op het gebied van systeemintegratie zijn in 2021 gestart. belang die duidelijk aangeeft welk windenergiegebied in welk jaar zal worden ontwikkeld. Gezien de doorlooptijden van het aanleggen van kabels en buisleidingen op zee, én de investerings­cycli van bedrijven die zouden kunnen omschakelen, moet deze routekaart ongeveer 5.3.2 Windenergie 10 jaar vooruit duidelijkheid verschaffen. In de Nederlandse situatie speelt de bouw van windparken op de Noordzee een grote rol bij de Naast de afstemming van vraag en aanbod is ook de fysieke aansluiting belangrijk. De afstand verduurzaming van de energievoorziening. In het Energieakkoord van 2014 is afgesproken dat in tussen de locatie waar windenergie aan land komt en de plaats waar deze wordt gebruikt, moet 2023 circa 3,5 GW extra windvermogen op zee is geïnstalleerd. Tussen 2016 en 2023 worden de zo klein mogelijk worden gehouden. Daarom is aanlanding in of nabij industrieclusters windparken van de Routekaart windenergie op zee voltooid en aangesloten op het hoogspannings- wenselijk. Op deze wijze blijven de gevolgen van de voeding van het landelijke elektriciteitsnet net. In 2018 heeft het kabinet de Routekaart windenergie op zee uitgebreid59 met een deel voor de met de elektriciteit vanaf zee zoveel mogelijk beperkt en daarmee ook de anders aanzienlijke jaren 2024 tot en met 2030. De windparken van deze uitbreiding worden van 2024 tot en met 2029 investeringen in de benodigde verzwaringen van het Nederlandse elektriciteitsnet. Ook de opgeleverd. Ze komen in windenergiebieden die zijn aangewezen in de Beleidsnota Noordzee 58 Kamerstuk 33561, nr. 52. 59 Kamerstukken II, 33561, nr. 42. 61 2016-2021, onderdeel van het Nationaal Waterplan. Deze ontwikkeling leidt tot een totale capaciteit van ongeveer 11,5 GW aan windenergie op zee in 2030 (zie figuur 5-a). Naar verwachting zal het kabinet in de eerste helft van 2022 een aanvulling op de Routekaart windenergie op zee 2030 publiceren, die invulling geeft aan een grotere opgave voor windenergie op zee in 2030 in verband met de aangescherpte CO₂-reductiedoelstelling voor dat jaar, conform de gewijzigde motie Boucke c.s. van 9 november 202160. In het Energieakkoord is vastgelegd dat de overheid zorgdraagt voor een robuust wettelijk kader om de afgesproken doelstelling voor windenergie op zee te kunnen halen. Zo is, in overleg met de windsector, de Wet windenergie op zee tot stand gekomen. Deze wet biedt het instrumentarium voor regie op de uitgifte van kavels voor windenergie op de Noordzee. Het instrumentarium maakt het mogelijk zorgvuldig belangen af te wegen, te voldoen aan de eisen van een gezond ecosysteem, de beschikbare ruimte efficiënt te gebruiken, kosten te reduceren en de uitrol van windenergie op zee te versnellen. De minister voor Klimaat en Energie neemt, in overeenstemming met de ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Natuur en Stikstof, op grond van de Wet windenergie op zee binnen een aangewezen windenergiegebied kavelbesluiten waarin de locatiespecifieke voorwaarden voor de aanleg van een windpark op die kavel zijn vastgelegd. Een belangrijk onderdeel van het kavelbe- sluit is de toets van de natuuraspecten op grond van de Wet natuurbescherming. De geïntegreerde uitvoering van de toets van de natuuraspecten is nader uitgewerkt in de artikelen 5 en 7 van de Wet windenergie op zee. Dit heeft als gevolg dat er geen aparte ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Bij het voorbereiden van een kavelbesluit onderzoekt de minister voor KenE ook de fysieke condities van water en bodem van de desbetreffende kavel én de heersende klimatologische omstandigheden in het gebied. De resultaten uit dit onderzoek vormen, samen met de overige informatie in het kavelbesluit, belangrijke uitgangs­punten waarop marktpartijen via een subsidietender hun bieding kunnen baseren. De partij aan wie de kavel wordt gegund, krijgt het exclusieve recht om binnen de kavel een windpark te bouwen. Het net dat de windparken op zee verbindt met het hoogspanningsnet op land wordt ontwikkeld onder de Elektriciteitswet (1998). Op grond van deze wet heeft de minister van EZK in september 2016 TenneT aangewezen als beheerder van het net op zee. Aan de hand van het Ontwikkelkader windenergie op zee bepaalt de minister de planning en de technisch-functionele vereisten aan het net op zee. De minister voor KenE stelt in overleg met de minister voor VRO een inpassingsplan op voor de uitgifte van de vergunningen voor de netaansluitingen. Dit inpassingsplan bevat ook een Passende beoordeling voor de effecten op de natuur. Parallel daaraan nemen de betrokken provincies en gemeenten de daarvoor relevante vergunningenbesluiten. 60 Kamerstukken II, 35925, nr. 66. Figuur 5-a: Routekaart windenergie op zee 62 Het onderzoek en de monitoring van de effecten van windparken op het mariene ecosysteem opgave voor windenergie op zee door bijvoorbeeld alvast extra locaties vast te stellen in 2021. De vinden plaats in het Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep). Mogelijke effecten op Tweede Kamer nam ook de motie Boucke63 aan, die de regering verzoekt om minimaal 10 GW diersoorten worden daarmee vroegtijdig in kaart gebracht. De resultaten van het onderzoek aan te wijzen. Ten slotte wordt een tekort aan emissiereducties in de andere sectoren verwacht64. kunnen aanleiding geven tot maatregelen die negatieve effecten zoveel mogelijk beperken Dit alles zal naar verwachting leiden tot een kabinetsbesluit in 2022 voor het inplannen van de (mitigatie), conform de vereisten van de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR). Het Rijk past bouw van extra windparken op zee in de periode tot en met 2030. Daarom zijn in dit Programma de resultaten toe in de besluitvorming over kavelbesluiten en vergunningen en in de vormgeving Noordzee windenergiegebieden aangewezen met ruimte voor 16,7 GW, met daaraan de voor- ervan. Deze procedure loopt via het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC), het milieueffect­ waarde verbonden dat hier tot en met 2030 maximaal 10,7 GW aan windparken wordt gereali- onderzoek, de Passende beoordeling en het toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. In dit seerd, mits ecologisch inpasbaar. proces is het voorzorgsprincipe het uitgangspunt. Als het beperken van effecten niet voldoende In Hoofdstuk 9 zijn deze windenergiegebieden beschreven, als onderdeel van de structuurvisie- mogelijk is en het gaat om significante negatieve effecten, zijn compenserende maatregelen kaart voor de Noordzee voor de planperiode 2022-2027. Ook zijn de zoekgebieden beschreven noodzakelijk. Compenserende maatregelen op zee zijn veelal niet mogelijk. Daarom is aanvullend voor het aanwijzen van nog eens 17 GW windenergiegebieden die nodig zijn voor de realisatie te kiezen voor bovenwettelijke natuurversterkende maatregelen. De ecologische ruimte voor van windenergie op zee na 2030. Ruimte voor 17 GW is in overeenstemming met het scenario windparkontwikkeling moet zijn aangetoond voorafgaand aan het nemen van kavelbesluiten. met het laagste aandeel windenergie op zee (38 GW) voor het jaar 2050. Daarbij is sprake van adaptieve planning. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat aangewezen windenergiegebieden uiteindelijk niet of gedeeltelijk in gebruik worden genomen. Deze gevolgde aanpak draagt ook bij aan de balans tussen de ontwikkeling van de energie­ transitie, de natuurtransitie, de voedseltransitie en andere gebruiksfuncties. Bij de realisatie van Het Rijk kiest voor een adaptieve uitrol van windenergie op zee bij het substantieel uitbreiden windparken hebben de opties voor doorvaart en medegebruik in toenemende mate de aandacht. van het op zee geïnstalleerd windenergievermogen om aan de CO₂-reductiedoelstellingen te De realisatie van windenergie op zee moet plaatsvinden binnen de grenzen van de Wet voldoen. De minister voor Klimaat en Energie stelt voor deze ontwikkeling een Routekaart Natuurbescherming. Binnen het Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep) vindt windenergie op zee op. Deze aanpak maakt de opgave van een grote uitrol mogelijk, maar kan daarom onderzoek plaats naar de (cumulatieve) effecten van windparken op het ecosysteem. ook inspelen op toekomstige, nog niet precies gekende, nationale en internationale Wozep richt zich op effecten op de volgens de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) te veranderingen. beschermen soorten vogels, zeezoogdieren en vleermuizen, en ook op habitats; daarnaast ook op effecten van grootschalige windenergie op zee op het Noordzee-ecosysteem zelf, zoals Op dit moment wordt de Routekaart windenergie op zee voor de periode tot en met 2030 destratificatie of vertroebeling van het zeewater. In het kader van het Noordzeeakkoord wordt de uitgevoerd. In het Klimaatakkoord is 2021 genoemd als peiljaar voor het besluit of in de periode financiering van het Wozep verlengd tot en met 2030. Het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) is tot en met 2030 een extra bijdrage van windenergie op zee nodig is voor het behalen van de geactualiseerd om de verwachte effecten op biogeografische populaties te kunnen berekenen. CO₂-reductiedoelstelling van 2030. Eind 2020 werd al duidelijk dat de geplande uitrol van de Daarmee is te bezien of en op welke wijze de toekomstige extra windparken op zee in overeen- Routekaart windenergie op zee 2030 een tekort laat zien van 0,7 GW om de in het stemming zijn te brengen met de Wet Natuurbescherming, de VR en HR. Besluitvorming over Klimaatakkoord afgesproken bijdrage van 49 TWh in 2030 te realiseren61. Om alsnog te kunnen mitigerende en zo nodig compenserende maatregelen voor nieuwe windparken, maakt deel uit voldoen aan het Klimaatakkoord is dus een aanvulling op de Routekaart 2030 vereist. Daar van de uitbreiding van de Routekaart windenergie op zee voor de periodes tot en met en vanaf bovenop heeft de EU een ambitieuzere CO₂-reductiedoelstelling voor 2030 aangenomen (van 49 2030. Eventueel nodige compenserende maatregelen moeten zijn gerealiseerd voordat de naar 55 procent). De aanscherping van de EU-doelen naar – en de doelstelling in het coalitie­ windparken in gebruik worden genomen. Mitigerende maatregelen worden voorgeschreven in akkoord 2021–2025 van – een reductie van tenminste 55 procent in 2030 zal leiden tot een extra de kavelbesluiten voor de desbetreffende windparken. Het toepassen van het voorzorgsbeginsel opgave voor windenergie op zee. In 2021 heeft de Tweede Kamer de motie Van der Lee en en passend gebruik binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee zijn generieke rand- Kröger62 aangenomen, waarmee de regering wordt verzocht rekening te houden met een grotere voorwaarden, die ook gelden voor de ontwikkeling van windenergie op zee. De ecologische 61 Kamerstukken II, 32183, nr. 646. 63 Kamerstukken II, 35668, nr. 21. 62 Kamerstukken II, 32813, nr. 629. 64 Planbureau voor de leefomgeving (2020) Klimaat- en Energieverkenning 2020. 63 ruimte voor windparkontwikkeling moet zijn aangetoond voorafgaand aan het nemen van • Het kabinet brengt in 2022 een uitbreiding uit van de Routekaart windenergie op zee voor de kavelbesluiten. Daarbij is sprake van adaptieve planning. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat periode tot en met 2030. aangewezen windenergiegebieden uiteindelijk niet of gedeeltelijk in gebruik worden genomen. • Het kabinet brengt in 2022 een Verkenning Aanlanding Windenergie op Zee (VAWOZ) In paragraaf 3.3.4 is het beleid beschreven ten aanzien van cumulatieve effecten van windparken 2031-2040 uit. en ander gebruik op het ecosysteem als totaal, en van de rol die windparken kunnen spelen bij • Het kabinet brengt in 2023 een uitbreiding van de Routekaart windenergie op zee voor de het herstel van natuur en het ecosysteem. periode na 2030 uit. • Op grond van de Wet windenergie op zee stelt het kabinet gedurende de planperiode Op het gebied van medegebruik onderzoekt het kabinet in de planperiode 2022-2027 op welke 2022-2027 kavelbesluiten vast, elk onderbouwd met een verplichte milieueffectrapportage. manier bepaalde mijnbouwplatforms, CO₂-opvanginstallaties en andere energieverbruikende Daarna volgen de tenders voor kavels binnen de aangewezen windenergiegebieden. installaties op de Noordzee kunnen worden voorzien van windenergie. Dit met het oog op het verduurzamen van deze platforms en installaties. Het gaat dan om een hoeveelheid windenergie Kennisagenda die past bij de energiebehoefte van de desbetreffende gebruiker gedurende de periode waarin • Het kabinet zet het Wozep-onderzoeksprogramma voort en verlengt dit tot en met 2030. deze daadwerkelijk energie verbruikt. De Noordzee is een uitgelezen plek om grootschalige • Het kabinet onderzoekt voor 2027 op welke manier enkele mijnbouwplatforms en andere testen en experimenten met drones uit te voeren voor bijvoorbeeld defensiedoeleinden, installaties kunnen worden voorzien van windenergie voor eigen gebruik. handhaving en technische inspectie van de windparken. Bij de bouw en positionering van windturbines hoeft op dit moment geen rekening te worden gehouden met deze testen.

  66. 5.3.3 Olie- en gaswinning Ook kijkt het kabinet in het kader van medegebruik naar de kansen die windparken bieden aan de ‘nieuwe blauwe economie’. Windparken zijn immers aanjagers van innovatieve technieken en De belangrijkste ontwikkelingen in de olie- en gaswinning zijn de decarbonisatie (het koolstofvrij lenen zich goed voor multifunctioneel ruimtegebruik, wat ook synergievoordelen met zich mee maken) van de sector en het in kaart brengen en faciliteren van de mogelijkheden voor hergebruik kan brengen. Functies die in principe met windparken kunnen samengaan zijn onder meer: van de gasinfrastructuur voor transport en opslag van CO₂ en waterstof. aquacultuur, alternatieve vormen van visserij, natuurversterking, energiewinning uit zon en getijdenstromen, energieconversie en energieopslag door waterstofproductie. Meer over deze Decarbonisatie olie- en gaswinning kansen is beschreven in hoofdstuk 8. Ruimte op zee om innovaties in de duurzame energie­ Om aan Europese afspraken over beperking van CO₂-uitstoot te voldoen, werkt het kabinet langs productie (anders dan met windturbines) te testen, is in de planperiode daarom een aandachts- twee wegen aan de decarbonisatie van het huidige gassysteem. Allereerst door het terugbrengen punt voor het Rijk. Daarbij wordt steeds de afweging gemaakt tussen verschillende vormen van van de energievraag door middel van besparing. Ten tweede door aardgas, waar dit technisch en medegebruik en de inpasbaarheid in de grootschalige uitrol van windenergie op zee. economisch haalbaar is, te vervangen door alternatieven zoals waterstof, elektriciteit en Het Afwegingskader voor medegebruik van windparken staat beschreven in paragraaf 10.3. In dit warmtelevering via een warmtenet. Voor de resterende gasvraag zet het kabinet in op het kader geeft het kabinet, conform de NOVI en afspraken in het Noordzeeakkoord, invulling aan geleidelijk vervangen van aardgas door CO₂-vrije gassen als ‘groen gas’ en ’groene waterstof’. Het het afwegingsprincipe dat combinatie van functies vóór enkelvoudige functies gaat. kabinet geeft in de overgangsfase van fossiele naar andere energiedragers de voorkeur aan gaswinning uit de Nederlandse kleine velden op land en zee, boven import van aardgas. Dit is Acties beter voor het klimaat, de werkgelegenheid, de economie en het behoud van kennis van de • Het kabinet stelt in 2022 een geactualiseerd Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) vast, dat is diepe ondergrond en de nog aanwezige gasinfrastructuur65. Tevens remt productie in eigen land bedoeld om te bezien of en op welke wijze toekomstige extra windparken op zee in overeen- de toename van afhankelijkheid van import uit andere landen. stemming zijn te brengen met de Wet natuurbescherming en de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Door de actualisatie zijn ook de verwachte cumulatieve effecten op bio­ 65 Zie Kamerbrief de dato 19 februari 2020 inzake Beantwoording vragen over het artikel ‘Nederland zal veel eerder en geografische populaties van vogelsoorten te berekenen. veel meer gas moeten importeren dan tot nu werd gedacht’, en de Kamerbrief de dato 6 maart 2020 inzake Beantwoording vragen over het bericht ‘Stoppen met gas zorgt juist voor méér CO₂’. 64 Tegelijkertijd constateert het kabinet een sterk dalende lijn in de investeringen in opsporing en kosten. Van kabel- en leidingeigenaren zal worden gevraagd om bij het afmelden van een kabel winning van aardgas. Door het slechte investeringsklimaat dreigt de gaswinning uit kleine of pijpleiding de benodigde informatie aan te leveren voor deze afweging. Hiertoe is door de velden vooral op de Noordzee voortijdig ten einde te komen, met alle daarmee gepaard gaande industrie tezamen met EBN een onderbouwingsmethodiek ontwikkeld. De staatssecretaris van gevolgen voor ontmanteling en verwijdering van de aanwezige infrastructuur. Deze zou dan ook EZK kan aldus in voorkomende gevallen de eigenaar verplichten een kabel of pijpleiding die niet meer beschikbaar zijn voor opslag en transport van waterstof of CO₂. Het kabinet zet zich er buiten werking is gesteld te verwijderen overeenkomstig een verwijderingsplan. daarom voor in de offshore gassector voldoende economisch perspectief te bieden en de te sterk In de praktijk blijven kabels en leidingen veelal liggen; anno 2020 lag in de Nederlandse EEZ dalende winning af te remmen. In de brief van 30 mei 201866 over het belang van aardgas in de ongeveer 600 km verlaten leiding. De eigenaar die zijn buiten gebruik gestelde leidingen niet energietransitie is voorgesteld de huidige investeringsaftrek van 25 procent, die onder bepaalde opruimt, moet deze reinigen en jaarlijks inspecteren. voorwaarden kan worden toegepast op investeringen in de opsporing en winning van kleine gasvelden op het Nederlandse deel van de Noordzee, te verbeteren. Dit voornemen is uitgewerkt Olie- en gasplatforms en windparken zijn en blijven veelal afhankelijk van de inzet van helikop- in een wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet, waarin een investeringsaftrek van 40 ters voor het verplaatsen van personeel. Voor transport van mensen en goederen naar gas­ procent wordt voorgesteld voor álle investeringen ten behoeve van de opsporing en winning van platforms wordt consequent een afweging gemaakt of dit per boot kan of dat transport per aardgas en aardolie, zowel op het Nederlands deel van het continentaal plat als op het land, helikopter onvermijdelijk is vanwege afstand, frequentie, weersomstandigheden enz. De waarbij mijnbouwondernemingen op land hebben aangegeven dat zij op land en in de mogelijkheid om helikopters in te zetten voor bemande platforms is in veel gevallen nood­ Waddenzee deze investeringsaftrek niet zullen toepassen. Het inwerkingtredingsbesluit van de zakelijk om in geval van calamiteiten tijdige evacuatie van personeel te kunnen waarborgen. Het verhoogde investeringsaftrek is inmiddels gepubliceerd en wordt met terugwerkende kracht is daarom van cruciaal belang dat voor die gevallen de bereikbaarheid van de offshore platforms vanaf 1 januari 2020 toegepast. door de lucht ook onder slechte weercondities gegarandeerd blijft. Ook is van cruciaal belang dat nood- en spoedreparaties op platforms tijdig kunnen worden uitgevoerd. Gasinfrastructuur In de Mijnbouwwet en het Mijnbouwbesluit is de norm dat olie- en gasplatforms die buiten Het beleid voor de Noordzee is om het netwerk van verbindingen tussen de luchthavens en de werking zijn gesteld altijd worden opgeruimd, tenzij ze worden hergebruikt voor bijvoorbeeld offshore platforms (de Helicopter Main Routes) altijd beschikbaar te houden, ook onder de meest opslag van waterstof of CO₂. Daarna worden de platforms alsnog opgeruimd. Niet meer in ongunstige weercondities. Bij de aanleg van windparken op zee wordt de bereikbaarheid van gebruik zijnde kabels en pijpleidingen worden schoon en veilig achtergelaten, tenzij de offshore platforms door de lucht geanalyseerd. Eén van de factoren waarmee bij het aanwijzen staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de verwijdering ervan op grond van artikel 45 van windparken rekening moet worden gehouden is de luchtvaartveiligheid. De eisen die hieraan van de Mijnbouwwet voorschrijft. In deze planperiode wordt onderzocht welke lege velden, worden gesteld zijn vervat in EU-verordening 965/2012 Aircraft Operations67. Deze verordening stelt platforms en infrastructuur zouden kunnen worden hergebruikt voor opslag en transport van onder andere eisen aan minimale obstakelafstanden voor het aan- en afvliegen van helikopter­ waterstof en CO₂ (zie ook 5.3.4 en 5.3.5). Voor het verwijderen wordt een zodanige termijn in platforms, en eisen waaraan de desbetreffende helikopterpiloten moeten voldoen. Het is noodzake- acht genomen dat platforms niet te snel worden weggehaald, waarmee kansen voor andere lijk de mate van impact en de acceptatie daarvan vooraf af te stemmen met de exploitanten van de toepassingen, zoals ombouw tot elektrolyse-installaties voor waterstofproductie, worden platforms. behouden. Uiteindelijk zullen na het eventueel hergebruik ook deze platforms worden opge- ruimd. Opruimen van kabels en leidingen kan wenselijk zijn als deze ander gebruik van de Acties zeebodem kunnen hinderen. Hiervoor is een beoordelingsmethode ontwikkeld die kijkt naar • Afspraken maken met de helikoptersector en het beschikbaar stellen van een accurate hinder voor ander gebruik, veiligheid, milieueffecten en kosten. In het Mijnbouwbesluit en de database van de locaties van windturbines voor gebruik in de cockpit tijdens vliegprocedures. Mijnbouwregeling zal worden vastgelegd dat de staatssecretaris van EZK daartoe een afweging • Het kabinet heeft in 2021 de procedure voor het verwijderen of hergebruiken van platforms van belangen maakt aan de hand van een viertal criteria: de doelmatigheid van het gebruik van en andere mijnbouwwerken in lagere regelgeving uitgewerkt. de ruimte, de gevolgen voor het milieu, de veiligheid op zee en land en doelmatigheid van 66 Kamerstukken II, 33 529, nr. 469. 67 Bron: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A02012R0965-20160825. 65 Kennisagenda elektrolyse-installaties echter omlaag. Ruwweg zijn de volgende ontwikkelingsfasen te onder- • Opzetten seismisch onderzoeksprogramma/relatie Noordzeeakkoord. scheiden. In de praktijk lopen deze twee fasen gedeeltelijk parallel aan elkaar door gebruik­ • Het kabinet onderzoekt in deze planperiode de technische mogelijkheden voor hergebruik making van bestaande infrastructuur: van bestaande olie- en gasinfrastructuur voor onder andere waterstof en CCS. • Eerste aanleg: de opschaling van elektrolyse van waterstof met behulp van windenergie op zee vindt plaats op land nabij het aanlandpunt van de elektriciteit. De reden hiervoor is dat het elektriciteitsnet de hoeveelheden extra windenergie op zee op piekmomenten niet kan

  67. 5.3.4 Waterstof transporteren. Elektrolyse-installaties helpen om de energie op die momenten toch te benutten door groene waterstof te produceren. Door de extra vraag van elektrolyse-installaties worden de In het Klimaatakkoord is de ambitie geformuleerd voor opschaling van elektrolyse naar 500 MW pieken op het hoogspanningsnet afgevlakt. Naar verwachting daalt in deze fase de prijs van het geïnstalleerd vermogen in 2025 en 3 tot 4 GW geïnstalleerd vermogen in 2030. Bovendien heeft elektrolyseproces. de Europese Commissie in juli 2020 een aparte Europese waterstofstrategie gepresenteerd. De • Tweede aanleg: windparken verder op zee worden belangrijk voor groene waterstofproductie. Europese ambitie is enorm: 6 GW elektrolyse in 2024 en 40 GW elektrolyse in 2030. In maart 2020 Het kan economisch en qua ruimtebeslag gunstiger zijn om energie van windparken op meer is de kabinetsvisie waterstof aangeboden aan de Tweede Kamer68. Hierin is de onmisbare rol van dan 100 km uit de kust in de vorm van waterstof in plaats van elektriciteit naar het land te deze gasvormige energiedrager beschreven voor het realiseren van een duurzaam energie­ brengen. In de verdere toekomst is het vooral de niet-elektrische energievraag, energieopslag systeem dat betrouwbaar, schoon, betaalbaar, veilig en ruimtelijk inpasbaar is. Waterstof kan en de vervanging van fossiele grondstoffen voor de chemie die vraagt om ‘groene moleculen’. worden gezien als een opslag- en transportmedium, dat in een toekomst van louter hernieuw- bare energiebronnen de benodigde flexibiliteit geeft om vraag en aanbod van energie op elkaar In deze planperiode zullen gecombineerde tenders voor windenergie op zee en elektrolyse op te kunnen blijven afstemmen. Het is bovendien een energiedrager voor processen die moleculen land worden ontwikkeld om de uitrol te ondersteunen. Elektrolyse op zee zal naar verwachting in plaats van elektronen vereisen. De Noordzee is, gezien het windpotentieel en de bestaande pas na 2030 een substantiële rol kunnen spelen omdat deze technologie de komende jaren nog gasinfrastructuur, bij uitstek een gebied om deze ambities waar te maken. Productie van niet ver genoeg is ontwikkeld en bovendien te duur is71. Om na 2030 elektrolyse op zee mogelijk waterstof met windenergie (power to gas) op zee kan de inpassing van duurzame energie van te maken, zal het Rijk één of meer proefprojecten (helpen) opzetten. windparken op zee ondersteunen en kan ook bijdragen aan het verduurzamen van de industrie en de mobiliteit. De opgave ligt in de opschaling en kostendaling van CO₂-vrije waterstof­ Daarnaast zijn er initiatieven van marktpartijen en onderzoeksinstituten om samen kennis op te productie. Behalve Nederland erkennen ook veel Europese landen en de Europese Commissie bouwen over waterstofproductie op zee. Er zijn diverse projecten in ontwikkeling die daarop het belang van waterstof als economische motor voor Europa. Waterstof speelt een centrale rol inspelen, zoals: in de Europese Green Deal die in december 2019 is aangekondigd. De doelstellingen voor het • PosHydon, waarin TNO, Nexstep, Neptune Energy, TAQA en EBN samenwerken aan een opwekken en gebruiken van waterstof, zoals verwoord in de kabinetsvisie waterstof 69, worden proefproject dat waterstof op zee wil produceren met gebruik van windenergie. Het project vanaf 2022 uitgewerkt in een routekaart die gecoördineerd wordt in het Nationaal Waterstof heeft in de zomer van 2021 subsidie gekregen en gaat nu de realisatiefase in. Programma70. • NortH2, waarin Shell Nederland, RWE en Equinor werken aan een haalbaarheidsstudie met de ambitie om vóór 2030 ongeveer 3 tot 4 GW windenergie op zee te genereren voor waterstof- Het produceren van waterstof met windenergie zal zich stapsgewijs ontwikkelen. De groene productie op land. Aanvullend beschouwt de studie ook de mogelijkheid om op zee elektrici- waterstofproductie kan in omvang toenemen naarmate de grootschalige productie van groene teit om te zetten in waterstof. De studie wordt ondersteund door Groningen Seaports en elektriciteit zich verder ontwikkelt. Windenergie speelt in dat proces een belangrijke rol. Om de Provincie Groningen. productie van groene waterstof rendabel te maken, moeten de kosten van de benodigde • CrossWind, een initiatief van Shell en Eneco die met een joint venture de aanbesteding van de kavel in windenergiegebied Hollandse Kust (noord) hebben gewonnen. Deze partijen willen 68 Kamerstukken II, 32 813, nr. 485. op de Tweede Maasvlakte waterstof produceren met behulp van een 200 MW elektrolyse- 69 Kamerstukken II, 32 813, nr. 485. 70 www.nationaalwaterstofprogramma.nl 71 Kamerstukken II, 32 183, nr. 646. 66 installatie en groene stroom uit het genoemde windenergiegebied op zee. In het windpark • Het ministerie van EZK onderzoekt in de komende jaren de rollen en positie van staatsdeel­ zelf wordt ook op kleine schaal geëxperimenteerd met de productie van waterstof. nemingen en netbeheerders in relatie tot het opzetten van waterstofnetten op zee en land. • North Sea Wind Power Hub, een haalbaarheidsonderzoek van een consortium van vier partners: • Het ministerie van EZK onderzoekt ecologische effecten van waterstofproductie op de TenneT Nederland, TenneT Duitsland, de Deense netbeheerder Energinet en Gasunie. De Nederlandse Noordzee, die een afweging van de voor- en nadelen van aanlanding van energie partijen streven naar een internationaal gecoördineerde uitrol van een energienet op zee, in de vorm van elektronen versus moleculen mogelijk maakt. met modulaire wind-waterstof ‘energy hubs’ in plaats van individuele nationale aansluitingen. Kennisagenda • H2opZee, een project van een consortium bestaande uit RWE en Neptune Energy. Doel is om de • Onderzoek naar technische mogelijkheden voor hergebruik van bestaande (gas)infrastructuur grootschalige groene waterstofproductie (300-500 MW) op zee stapsgewijs uit te rollen. Dit op de Noordzee voor de productie, de opslag en het transport van waterstof. Dit omvat voorstel is eind 2021 ingediend bij het Groeifonds. hergebruik van bestaande pijpleidingen, offshore platforms, lege gasvelden, zoutlagen, boosterplatforms en kabelnetwerken. Om ontwikkelingen op het gebied van waterstof mogelijk te maken, moeten op korte termijn de • De mogelijkheden om op zee waterstof op te slaan onderzoeken en verkennen of daarmee volgende zaken worden onderzocht en geregeld: het ruimtebeslag op land minder kan worden belast. • Ruimte voor nieuwe windparken die op zee zelf waterstof produceren, in hun eigen installatie of via gekoppelde platforms. • Hergebruik van bestaande gasinfrastructuur voor productie van waterstof op platforms, 5.3.5 CO₂-opslag opslag van waterstof in lege gasvelden (indien nodig) en transport van waterstof naar land via bestaande pijpleidingen. Hiervoor is het rapport HyWay27 opgesteld. De aanbevelingen Het Klimaatakkoord en het klimaat- en energiebeleid van het Rijk erkennen de belangrijke daaruit worden opgepakt door het ministerie van EZK en Gasunie. Momenteel wordt gewerkt bijdrage die CO₂-opslag levert aan de verduurzaming van de industrie. In het Klimaatakkoord is aan een uitrolplan voor de waterstofinfrastructuur. afgesproken dat opslag van CO₂ alleen in de zeebodem plaatsvindt. • Ruimte voor waterstofproductie en -opslag op energiehubs op zee. Onder de Noordzee is in de komende decennia capaciteit beschikbaar voor de opslag van circa • Ruimte reserveren voor brede corridors van de kust naar de toekomstige windparken op zee 1600 Mton72 aan CO₂. Die capaciteit is aanwezig in olie- en gasvelden die zijn uitgeproduceerd. voor mogelijke aanleg van nieuwe stroomkabels en/of waterstofleidingen, ook in relatie tot Daarnaast behoort CO₂-opslag in aquifers onder de zeebodem ook tot de mogelijkheden. Naar zandwinning. verwachting zal CO₂ vanuit de grote industriële clusters per pijpleiding of per schip naar de • Reserveren van ruimte (kavels binnen windenergiegebieden) om proefprojecten met Noordzee worden gebracht. In het Klimaatakkoord is voor de CO₂-reductieopgave voor 2030 waterstofactiviteiten op zee uit te voeren. uitgegaan van subsidiëring van jaarlijks maximaal 7,2 Mton industriële CO₂-opslag en jaarlijks • Nabij aanlandingspunten, zowel bestaande als nieuw aan te wijzen, aan de kust ruimte maximaal 3 Mton CO₂-opslag vanuit de elektriciteitssector. In 2022 wordt het jaarlijkse subsidie­ reserveren voor elektrolyse-installaties, compressie en transport van waterstof. plafond voor de industrie mogelijk verhoogd met maximaal 2,5 Mton. Transport en opslag van CO₂ in de zeebodem lijkt in beginsel goed samen te gaan met andere Acties activiteiten of gebruiksfuncties op de Noordzee. Voor de opslag van CO₂ werd in eerste instantie • Het ministerie van EZK onderzoekt en ontwikkelt een instrumentarium om opschaling van gedacht aan de lege offshore gasvelden in de P- en Q-kwadranten op beperkte afstand van de groene waterstofproductie in relatie tot windenergie op zee op gang te brengen. Dit traject is kust. In principe geldt dat de geschiktheid van een opslaglocatie zwaarder weegt dan de afstand in 2020 gestart: het bevat onderzoek naar het juiste instrument voor de subsidiëring van tot de kust, waardoor tijdige voorbereiding van uitbreiding naar de K- en L-kwadranten groene waterstof en onderzoek naar gecombineerde tenders voor windenergie op zee en noodzakelijk is om aan de vraag te kunnen (blijven) voldoen. Het is daarom belangrijk dat de waterstof. Het kabinet verwerkt de inzichten uit dit traject in een in 2022 te presenteren productie-installaties bij de gasvelden die in de komende jaren in deze kwadranten uitgeprodu- nieuwe aanpak voor windenergie op zee. Het openstellen van de eerste ronde van het opschalingsinstrument voor hernieuwbare waterstof wordt in de zomer van 2022 verwacht. 72 Noordzee Energie Outlook, DNV GL september 2020. 67 ceerd raken, niet vanzelfsprekend worden ontmanteld en verwijderd. De opruimplicht volgens Om de potentie van CO₂-opslag optimaal te benutten en hiervoor een geïntegreerd CO₂- de Mijnbouwwet kan worden uitgesteld als een platform een andere functie krijgt, bijvoorbeeld transport en -opslagsysteem te ontwikkelen is een goede ruimtelijke inpassing, rekening als CO₂-injectieplatform. Nadat de opslaglocatie is gevuld en afgesloten, wordt het platform houdend met alle andere functies op de Noordzee en de ecologische waarden, essentieel. alsnog verwijderd. Acties Bestaande pijpleidingen mogen na gebruik op grond van de Mijnbouwwet in principe schoon en • Het kabinet start in 2022 met de procedures voor ruimtelijke inpassing en vergunning­ veilig worden achtergelaten. Per geval worden deze beoordeeld op hun geschiktheid voor verlening voor volgende CO₂-transport- en -opslagprojecten. hergebruik voor CO₂- en H₂-transport. Naast opslag in uitgeproduceerde olie- en gasvelden bestaat ook de mogelijkheid om CO₂- in aquifers (waterdragende lagen) op te slaan. Aquifers Kennisagenda moeten hiervoor wel aan randvoorwaarden ten aanzien van veiligheid en permanente opslag • Het kabinet onderzoekt in de planperiode 2022-2027 samen met de olie- en gassector welke voldoen. locaties in de Noordzee het meest geschikt zijn voor CO₂-opslag. Hierbij wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van de uitkomsten van al eerder uitgevoerde studies. Eén van de Het is aannemelijk dat voor de hoofdinfrastructuur vanaf land richting de opslaglocaties nieuwe onderzoeksvragen is welke vormen van medegebruik kunnen samengaan met CO₂-transport pijpleidingen moeten worden aangelegd om te kunnen voldoen aan de behoefte aan transport- en opslag. capaciteit. Om het grootschalige CO₂-transport en de offshore distributie te faciliteren, kunnen hubs worden ontwikkeld. Voor het aanleggen (op de zeebodem) of ingraven van nieuwe pijpleidingen zijn, waar mogelijk, bestaande corridors te gebruiken. Ook deze pijpleidingen 5.3.6 Elektriciteit uit water en zon op zee worden op termijn verwijderd. Om de perspectieven van ‘elektriciteit uit water’ te kunnen bepalen en om hierop een visie te Porthos, in het Rotterdamse havengebied, ontwikkelt als eerste in Nederland een transport- en kunnen vormen, heeft het kabinet begin 2021 de Verkenning elektriciteit uit water gepresenteerd74. opslagproject voor CO₂. Het gaat om circa 2,5 Mton CO₂ per jaar, die wordt opgeslagen in het Het uitvoeren van deze verkenning is een belangrijke stap in de beleidsvorming en politieke P18-cluster, circa 25 km uit de kust van Hoek van Holland. Gezien de interesse naar CO₂-opslag zijn besluitvorming over deze mogelijke bijdrage aan de verdere ontwikkeling van duurzame energie- nieuwe initiatieven ontstaan voor transport en opslag. Deze zijn in beeld gebracht in een ruimte- productie op zee. Uit de verkenning komt een gebrek aan kostenefficiënt energetisch potentieel lijke verkenning naar CO₂-transport en -opslag (oktober 2021). Het Aramis-initiatief (TotalEnergies, naar voren. Daarnaast zijn de middelen beperkt en de geografische en oceanografische condities Shell, EBN en Gasunie) beoogt een ruim 200 km lange pijpleiding (trunkline) vanaf de Maasvlakte matig. Gezien deze bevindingen en het Nederlandse energie-innovatiebeleid, dat is gericht op naar de K- en L-blokken op de Noordzee aan te leggen. In combinatie met Porthos en initiatieven focus en massa, concludeert het kabinet dat vooralsnog op elektriciteit uit water geen Rijksbeleid voor aanvoer van CO₂ vanuit het zuidwestelijke deltagebied zal op deze manier grootschalige zal worden gevoerd. infrastructuur worden ontwikkeld met toegang voor derden om CO₂ in te voeden en op te slaan. Wel heeft het onderzoek dat ten grondslag lag aan de verkenning aangetoond dat er een aantal Binnen het Aramis-project wordt ook onderzocht wat de dimensie van de transportleiding wordt. kennislacunes aan te wijzen is voor een paar elektriciteit uit water technologieën. Er is besloten om Hierbij wordt rekening gehouden met de verwachte opslagbehoefte. Uit de studie naar de nader onderzoek te verrichten naar de kennislacunes van technologieën die nationaal bij zouden nationale CO₂- opslagbehoefte tot 203573, blijkt dat vanuit de industrie een opslagbehoefte bestaat kunnen dragen aan de energietransitie. In deze planperiode zijn daarom geen grootschalige van 4 - 10 Mton CO₂/jaar in 2025, die kan oplopen tot ruim 10 - 50 Mton CO₂/jaar in 2035. Het eerder gebieden voor offshore getijde-energie of golfslagenergie voorzien, maar wordt in eerste instantie voorziene Athos-project, voor de kust van IJmuiden, heeft geen doorgang. onderzoek verricht naar het potentieel van deze technologieën. Ook wordt hierbij onder andere gekeken naar neveneffecten op ecologie, scheepvaart, waterveiligheid en inpasbaarheid. Verder is er ruimte voor innovatie en experimenteergelegenheid op dit terrein. Deze innovaties en 73 Nationale CO₂-opslagbehoefte tot 2035 - Een inventarisatie van de CO₂-afvang en opslag (CCS) in Nederland. Royal HaskoningDHV, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 30 september 2021. 74 Kamerstukken II, 2020-2021, 32813, nr. 676. 68 experimenten moeten passen binnen de kaders voor medegebruik en de gebiedspaspoorten of in De belangrijkste uitdagingen bij de ontwikkeling van ‘zon op zee’ zijn vooralsnog het verder omlaag de plannen voor rivieren, kustregio’s, kust- en overgangswater en in de regionale energie­ brengen van de kostprijs en het goed in kaart brengen van mogelijke ecologische effecten. Voor zowel strategieën. Speciale aandacht gaat uit naar effecten met betrekking tot waterveiligheid, waterkwa- ‘elektriciteit uit water’ als ‘zonne-energie op zee’ moet worden onderzocht of aan­sluiting op het net liteit en ecologie. op zee mogelijk is, zonder dat dit de transportcapaciteit vermindert voor de energie die windparken op zee produceren. Zoals aangeven in de Routekaart Zon op Water zullen pilots met zon op de Het TNO onderzoek “Stroom uit Water”, dat ten grondslag ligt aan de Verkenning, heeft een aantal Noordzee steeds samengaan met ecologisch onderzoek naar de effecten daarvan.78 kennisleemten aangekaart. EZK is samen met IenW in gesprek gegaan met kennisinstellingen en de Topconsortia Kennis & Innovatie voor Energie en Watertechnologie om aan de hand van een Gegeven de kansen en onzekerheden voor zonnevelden op zee kiest het kabinet ervoor om deze aantal criteria te bepalen waar meer onderzoek naar gedaan zou moeten worden, en wat nodig is ontwikkeling in de innovatiefase te ondersteunen en belemmeringen weg te nemen79. Daarmee om deze kennislacunes in te vullen. Dit traject geeft mede uitvoering aan de drie moties Stoffer houdt het Rijk de weg open voor de doorgroei naar een marktrijpe optie als substantiële, goedkope c.s.75, Grinwis en Stoffer76 en Van der Lee van juli 202177. De uitkomsten zullen mede basis vormen duurzame energiebron voor de verdere toekomst. Voor de korte termijn is het vooral van belang voor de herijking van deIntegrale Kennis en Innovatie Agenda (IKIA)/Meerjarige Missiegedreven om grote proefprojecten mogelijk te maken. Innovatieprogramma’s (MMIPs) in 2023. In hoofdstuk 8 wordt specifiek ingegaan op de bevordering van medegebruik in windparken door Het Rijk beschouwt de productie van elektriciteit uit zonne-energie op zee als de meest interes- initiatieven op gebied van de ‘nieuwe blauwe economie’. Dit betreft specifiek de uitwerking van de sante optie naast windenergie op zee. Zonnevelden op zee kunnen, naarmate hun oppervlakte beleidsopgaven voor elektriciteit uit water en zon op zee, in combinatie met de uitwerking van de toeneemt, een elektrisch vermogen van betekenis produceren en daarmee op de middellange beleidsopgaven voor mariene voedselproductie (zie paragraaf 4.2.2) en natuurversterking (zie termijn een waardevolle bijdrage leveren. Op dit moment is echter nog niet duidelijk of dit op paragraaf 3.3.4). Bevorderen van functiecombinaties met windparken is ook onderdeel van de termijn ook werkelijk een aantrekkelijke optie zal zijn. Het eerste proefproject op de Noordzee is in Handreiking gebiedspaspoort (zie paragraaf 10.2) en het Afwegingskader medegebruik in wind­ het najaar van 2019 gestart. Ook in het windpark Hollandse Kust (noord) zal worden geëxperimen- parken (zie paragraaf 10.3). teerd met zonne-energie op zee. Deze ontwikkelingen geven, naast de ambities van de EU voor zonne-energie op zee en het verzoek van de Tweede Kamer om een routekaart, aanleiding tot Acties gedegen onderzoek naar de kansen en beperkingen hiervan. • Het ministerie van EZK onderzoekt vanaf 2021 op welke wijze het juridisch mogelijk kan worden gemaakt dat de elektriciteit die in proefprojecten voor zon op zee en elektriciteit uit water wordt Voor zonnevelden op zee biedt de ruimte tussen windturbines de meest logische locatie. Daar is de opgewekt ook over het net op zee kan worden vervoerd. infrastructuur al voorhanden om de opgewekte elektriciteit naar land te transporteren. Dat • Het Rijk betrekt het ruimtegebruik en de inpassing van ‘zon op zee’ en ‘elektriciteit uit water’ bij betekent efficiënt ruimtegebruik, maar ook efficiënte benutting van de al aanwezige infrastructuur het vormgeven van de gebiedspaspoorten voor de windenergiegebieden. voor energietransport. De perioden met volop zon en veel wind gaan immers niet vaak samen, • Het Rijk onderzoekt welke kennisleemten ingevuld dienen te worden voor de herijking van de maar wisselen elkaar af, waardoor naar verwachting het net op zee zowel de elektriciteit van IKIA in 2023 en zal ten aanzien van die kennisleemten samen met TKI’s en TO2 kennisinstellingen windturbines als die van daartussen gelegen zonnevelden kan afvoeren. In de planperiode nader onafhankelijk onderzoek faciliteren. 2022-2027 worden de eerste proefprojecten op grote schaal (1 MW met doorgroei naar 100 MW) verwacht, vermoedelijk binnen Luchterduinen, Hollandse Kust (noord) en Borssele. Het Meerjarig Kennisopgave Missiegedreven Innovatieprogramma 2 (MMIP2) vraagt om onderzoek naar de mogelijkheden en • Het ministerie van EZK onderzoekt met stakeholders vanaf 2021 of het nodig is om ‘zon op perspectieven van de winning van zonne-energie met installaties op water. zee’ op te nemen in de MOOI-regeling, of dat de positie van ‘zon op zee’ in de DEI+ en de HER+ regelingen voldoet. 75 Kamerstukken II, 32813, nr. 797. 76 Kamerstukken II, 82813, nr. 793. 78 Kamerstukken II, 32813, nr. 665. 77 Kamerstukken II, 32813, nr 787. 79 Nader uit te werken in Routekaart Zon op Water. 69 • Het ministerie van EZK onderzoekt vanaf 2021 op welke wijze kennis van ecologische effecten van zonneparken op zee kan worden opgedaan en of hiervoor ruimte in bestaande onder- zoeksprogramma’s is te vinden.

  68. 5.4 Beheer

  69. 5.4.1 Elektriciteit: Windenergie Rijkswaterstaat is beheerder van de Noordzee en bevoegd gezag namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat voor activiteiten op de Noordzee op grond van onder andere de Waterwet. De ‘algemene regels windparken op zee’ (Waterbesluit) en de kavelbesluiten (Wet windenergie op zee) eisen van een exploitant dat detailinformatie over de bouw en exploitatie van het windpark in uitvoeringsplannen wordt opgenomen. De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd volgens deze plannen. Rijkswaterstaat ziet hierop toe als toezichthouder. Rijkswaterstaat voert administratieve controles uit en treedt op als overtredingen worden geconstateerd. Rijkswaterstaat is aanspreekpunt voor een windenergie-exploitant als deze informatie nodig heeft over het kavelbesluit en het aanleveren van zijn uitvoeringsplannen. Rijkswaterstaat betrekt Staatstoezicht op de Mijnen in de beoordeling van de plannen en vraagt advies aan relevante toezichthouders op de Noordzee, zoals de Kustwacht. Staatstoezicht op de Mijnen voert inspecties uit op zee en heeft het mandaat om handhavend op te treden als onmiddellijk ingrijpen nodig is. Staatstoezicht op de Mijnen kan inspecties op zee combineren met inspecties in het kader van de Arboregelgeving. Hiermee ziet de overheid ook toe op de interne veiligheid op zee (veiligheid van schip en opvarenden of van installaties en werknemers). Werknemers moeten gezond en veilig kunnen werken, met veilige producten, of dit nu is tijdens de bouw, bij het onderhoud aan de windturbines of gedurende het afbreken van het windpark.

  70. 5.4.2 Gas: Mijnbouwplatforms en infrastructuur Rijkswaterstaat is namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd gezag op grond van de Waterwet voor kabels en leidingen in rijkswateren die niet onder de Mijnbouwwet vallen. Dat omvat het afgeven van watervergunningen voor kabels en leidingen, controleren of de vergunninghouder de voorschriften naleeft en het beoordelen en controleren van meldingen. Zoveel mogelijk bundelen en opruimen van kabels en leidingen op de Noordzee is daarbij het uitgangspunt. Rijkswaterstaat verkent in het voortraject van een vergunningaanvraag, in overleg met de initiatiefnemer, verschillende mogelijke tracés en maakt van elke variant de consequenties inzichtelijk voor andere gebruikers en belangen. De initiatiefnemer geeft bij de definitieve vergunningaanvraag een voorkeursvariant aan. Het is aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over het tracé dat kan worden vergund. Daarnaast adviseert Rijkswaterstaat het ministerie van EZK bij leidingen die onder de Mijnbouwwet vallen. 70 De Mijnbouwwet verplicht de eigenaar om binnen vier weken na het buitenwerking zijn van een kabel of pijpleiding een melding te doen. Dit om de staatssecretaris van EZK kennis te laten nemen van het buiten werking zijn van de desbetreffende kabel of pijpleiding. In het Mijnbouwbesluit en in de Mijnbouwregeling is voorzien in een afweging van belangen aan de hand van criteria die zien op de doelmatigheid van het gebruik van de ruimte, de gevolgen voor het milieu, de veiligheid en doelmatigheid van kosten. De staatssecretaris van EZK kan aan de hand van deze afweging een (gedeeltelijke) verwijdering van de kabels of leidingen voor­ schrijven. Hierbij wordt opgemerkt dat in beginsel kabels en leidingen schoon en veilig worden achtergelaten. Staatstoezicht op de Mijnen ziet toe op de veilige uitvoering van de CO₂-opslagactiviteiten op de Noordzee. De verantwoordelijkheid voor het beheer van de opslaglocatie en de monitoring van de opgeslagen CO₂ rust in eerste instantie bij de vergunninghouder. Na een bepaalde periode, circa twintig jaar nadat de opslaglocatie is afgesloten, gaat de vergunning terug naar de Staat en wordt de Staat verantwoordelijk. Voor waterstof(opslag) is nog geen toezichthouder aangewezen. 71 Programma Noordzee 2022 – 2027 72 6 Zeescheepvaart In vergelijking met de grote, dynamische, aandacht opeisende thema’s energie, voedsel en natuur, lijkt de zeescheepvaart een stabiele gebruiker 6.1 Huidig gebruik van de Noordzee, waarvoor beleidsmatig alles al is geregeld. Dat beeld is maar ten dele juist. Het klopt dat de zeescheepvaart zich als waarschijnlijk en ontwikkelingen eerste menselijke gebruiksfunctie van zee en oceaan zó geleidelijk heeft ontwikkeld, dat beleid, beheer, regelgeving en voorzieningenniveau 6.1.1 Kenschets van zeescheepvaart op de Noordzee nationaal en internationaal hebben kunnen meegroeien. Maar nu staat Wereldwijd gaat 90 procent van het goederenvervoer over zee. De zeescheepvaart heeft een sterk ook de zeescheepvaart voor de grote opgave om te verduurzamen. En internationaal karakter en verbindt havens in verschillende landen en continenten via zo op de relatief kleine en ondiepe Noordzee vergt de ruimtelijke claim van efficiënt en veilig mogelijke routes. De Noordzee is één van de drukst bevaren zeeën ter wereld. De zeescheepvaart omvat hier behalve de handelsvaart nog diverse andere sectoren: visserij, opkomende andere vormen van gebruik de uiterste zorg en waakzaam- zeesleepvaart, waterbouw, offshore supply, en passagiers- en pleziervaart. Op de relatief kleine heid om de hoge standaard van veiligheid en betrouwbaarheid van deze Noordzee komt routegebonden en niet-routegebonden verkeer van schepen met verschillende manoeuvreerkarakteristieken, afmetingen en snelheden samen. vitale transportmodaliteit te waarborgen. Het aantal scheepsbewegingen op het Nederlands deel van de Noordzee is ruwweg 240 duizend per jaar, waarvan er circa 75 duizend een directe relatie hebben met een Nederlandse haven. De Rotterdamse haven is de grootste van Europa en behoort tot de grootste ter wereld; maar ook de havens van Amsterdam en het Scheldegebied zijn belangrijk. De economische waarde voor Nederland van de zeescheepvaart en zeehavens is hoog; de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse havens aan het bruto nationaal product is circa 8,6 miljard euro, van het maritieme cluster als geheel 24,7 miljard euro.80 Periodieke analyses van het scheepvaartverkeer op de Noordzee laten een toename zien van het aantal scheepvaartbewegingen en van de bruto vervoerde tonnages.81 Ook blijkt de diversiteit in de samenstelling van het scheepvaartverkeer groter te worden en nemen de afmetingen van schepen nog steeds toe. Recente studies voorzien tot 2030 een volumegroei van 35 tot 40 procent.82 80 NML, 2020, De Nederlandse Maritieme cluster, monitor 2020, pagina 16. 81 Marin, 2020, Netwerkevaluatie Noordzee 2018, 2019. 82 PBL, 2018, De toekomst van de Noordzee. 73 Het vervoer van goederen over de zee is voor Nederland als distributieland van cruciaal belang. Behalve het ontwerpcriterium worden voor het Nederlandse deel van de Noordzee ook aan­ Delen van het hoofdvaarwegennet zorgen voor de verbindingen met belangrijke Nederlandse vullende maatregelen genomen om de cumulatieve risico’s van windparken voor de scheepvaart­ zee- en binnenhavens, havens in buurlanden en economisch belangrijke gebieden in de regio. veiligheid niet te laten toenemen en waar mogelijk te beperken. Het gaat onder andere om Het vaarwegennetwerk van zeehavens en binnenwateren is verbonden met andere transportnet- verkeersbegeleiding op zee, extra toezicht en handhaving, extra sensoren zoals radar voor een werken via multimodale knooppunten voor goederenoverslag en is onderdeel van een multi­ beter actueel beeld van de verkeersbewegingen op zee, extra noodsleephulp en meer capaciteit modaal, synchromodaal logistiek systeem. voor Search and Rescue (SAR) en oliebestrijding. Dit maatregelenpakket is afgesproken voor alle windparken die worden gebouwd in het kader van de routekaarten 2023 en 2030.

  71. 6.1.2 Efficiënte, veilige en duurzame zeescheepvaart Daarnaast is in 2020 het monitoring- en onderzoeksprogramma ‘Scheepvaartveiligheid in relatie tot windenergie op zee’ gestart. Doel van dit onderzoeksprogramma is inzicht te geven in het De scheepvaartsector heeft wereldwijd een gemeenschappelijke juridische basis voor het bevorde- effect van de windparken op de scheepvaartveiligheid en in de effectiviteit van de getroffen ren van de efficiënte en veilige vaart. De regelgeving is mondiaal vastgelegd in de United Nations maatregelen; dit om eventuele aanpassingen van het maatregelenpakket te kunnen Convention on Law of the Sea (UNCLOS) en uitgewerkt in afspraken in de International Maritime onderbouwen. Organization (IMO), de International Association of Lighthouse Authorities (IALA) en in tal van verdragen. Met name UNCLOS-artikelen 58 paragraaf 1 (vrijheid van navigatie) en 60 paragraaf 7 (voorwaarden Voor het goed kunnen functioneren en de toekomstbestendigheid van de zeehavens zijn bij het ontwikkelen van offshore installaties) borgen de veiligheid en effectiviteit van navigatie en voldoende ankergebieden van voldoende grootte essentieel. Aangrenzend aan deze anker­ bereikbaarheid in de EEZ. gebieden wordt voldoende manoeuvreerruimte (c.q. voldoende afstand tot windparken) voor zeeschepen in stormsituaties vrijgehouden. Dit is belangrijk voor schepen die niet langer veilig Efficiënt en veilig ten anker kunnen liggen, om voldoende ruimte te hebben om zich gaande te kunnen houden De veiligheid van navigatie is een van de belangrijkste voorwaarden in de zeescheepvaart. gedurende de storm. Scheepvaartveiligheid intern (voor schip, bemanning en lading) en extern (voor infrastructuur en milieu) moet zijn gewaarborgd. Het (internationale) scheepvaartverkeer wordt op het Naar aanleiding van het ongeval met het containerschip MSC Zoe in januari 2019, waarbij 342 Nederlandse deel van de Noordzee gefaciliteerd door middel van een samenhangend, internatio- containers in zee geraakten en een grote hoeveelheid lading daarvan aanspoelde op de naal erkend routeringsstelsel. De toename van het aantal windparken op de Noordzee leidt Waddenkust, werkt de overheid aan het veiliger maken van containertransport boven de potentieel tot minder manoeuvreerruimte en tot verdichting van het scheepvaartverkeer. Het Wadden, waarover de minister van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer diverse keren risico op schade aan schepen en bemanning, infrastructuur en milieu kan daardoor toenemen. heeft geïnformeerd84. Aangezien een aantal maatregelen nog in ontwikkeling is en/of in IMO Uitgaande van het bestaande routeringstelsel is in 2013 besloten dit risico al in de planfase van verband moet worden afgestemd, zal de minister van IenW de Tweede Kamer hierover regel­ de aanleg van windparken te beperken door toepassing van het zogenaamde ‘Ontwerpcriterium matig blijven informeren. veilige afstanden tussen scheepvaartroutes en windparken op zee’ (zie bijlage 3). De veilige afstand is een bufferzone tussen de scheepvaartroutes voor handelsvaart en grootschalige Verduurzaming offshore initiatieven zoals windparken. De breedte van de bufferzone is afhankelijk van het De zeevaart heeft een overwegend internationaal karakter. Het kabinet zet daarom in op maatgevende schip in de route en dient, behalve als veilige uitwijkruimte voor deze schepen, ambitieuze afspraken over verduurzaming van de sector. Op mondiaal niveau gebeurt dat in ook als vaargebied voor niet-routegebonden verkeer (zeilvaart, visserij, offshore werkschepen). IMO-verband in het kader van het Maritime Pollution Verdrag MARPOL en het IMO- Strevend naar internationaal gedeelde uitgangspunten voor de ordening van afstanden tussen Ballastwaterverdrag. Op Europees niveau heeft Nederland in OSPAR-verband geijverd voor het windparken en scheepvaartroutes, heeft Nederland dit nationale initiatief voor een ontwerp­ verminderen van het illegaal vervuilen van het mariene milieu vanaf schepen en voor het criterium in 2016 ingebracht bij de IMO. De IMO heeft het overgenomen als een mondiaal uitgangspunt in ruimtelijke planning.83 84 Kamerstukken II, 2020-2021, 31 409, nr. 291, nr. 308 en nr. 339. 83 IMO-resolutie MSC.419(97). 74 verbeteren van de faciliteiten voor het innemen van afval van schepen. Als resultaat van de OSPAR-samenwerking is in 2016 een achtergronddocument gepubliceerd over de verbetering van de ISO-standaard in relatie tot de havenontvangstvoorzieningen85. Op nationaal niveau heeft het

  72. 6.2 Visie, ambitie en opgaven kabinet in 2019 met de maritieme sector de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens gesloten86. In deze Green Deal zijn afspraken gemaakt om onder meer luchtemissies van schadelijke stoffen Het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit, waaronder de (stikstof­oxiden, zwaveloxiden en fijnstof ) en van broeikasgassen (onder andere koolstofdioxide, scheepvaartroutes, is in de NOVI als nationaal belang aangemerkt. Ononderbroken netwerken methaan en lachgas) terug te dringen. Zo is vastgelegd dat per 1 januari 2021 de maatregelen voor voor heel Nederland en de verbinding daarvan met het buitenland moeten worden gewaar- de Noordzee-NECA (Nitrogen Emission Control Area) zijn ingevoerd en worden gehandhaafd. Om dat te borgd. In het toekomstperspectief voor de Noordzee moet zijn gegarandeerd dat het zeescheep- kunnen bereiken, moeten duurzame brandstoffen zo snel mogelijk op de markt worden gebracht vaartverkeer efficiënt en veilig blijft en dat de voor de Nederlandse economie belangrijke en verder worden uitgerold. zeehavens onverminderd toegankelijk zijn. Het huidige veiligheidsniveau van de scheepvaart moet minimaal worden gehandhaafd en waar mogelijk worden verbeterd.87 Schone scheepvaart Over de maximale uitstoot van schepen is in 2018 in IMO-kader afgesproken de reductienormen draagt bij aan het nationale belang van een goede leefomgevingskwaliteit in Nederland, en meer voor de totale mondiale zeevaart te verlagen met 50% in 2050. Hiervoor zijn afspraken gemaakt specifiek aan het belang van het waarborgen van een goede waterkwaliteit en het verbeteren en over efficiencynormen via de Energy Efficiency Design Index (EEDI). Hiernaast zijn andere beschermen van natuur en biodiversiteit. In de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens hebben afspraken nodig zoals het inzetten van prijsprikkels en het overschakelen naar alternatieve het Rijk en de maritieme sectoren afgesproken dat de CO₂-uitstoot van de zeevaart in 2050 met duurzame brandstoffen. Recent heeft de Europese Commissie het Fit-for-55 pakket gepresenteerd minstens 70 procent zal zijn verminderd ten opzichte van 2008. dat eveneens vergaande voorstellen bevat om de zeevaart te verduurzamen. In EU-kader is aangekondigd om zeevaart onder het ETS-systeem te brengen. In het licht van de Europese Green De ambitie in de planperiode 2022-2027 is daarom om bij een intensiever gebruikte Noordzee Deal en de daaruit voortgekomen initiatieven, heeft het kabinet eerder haar commitment een efficiënt en veilig scheepvaartverkeer en toegang naar de zeehavens veilig te stellen. De uitgesproken voor de doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050. In lijn hiermee wil het ministerie uitstoot naar lucht, water en onderwatergeluid blijft binnen de draagkracht van het ecosysteem van IenW ook voor de internationale zeevaart toewerken naar een klimaatneutrale zeevaart in volgens de KRM. Het Noordzeeakkoord benoemt de specifieke opgave van de ruimtelijke 2050. Bij de aangekondigde herziening van de IMO klimaatstrategie in 2023 zal Nederland inzetten ordening van scheepvaartroutes voor huidig en toekomstig scheepvaartverkeer in samenhang op een vergelijkbare mondiale ambitie. met het aanwijzen van gebieden voor de groei van windenergie op de Noordzee na 2030.

  73. 6.1.3 Toekomstige ontwikkelingen De vaart van en naar offshore locaties (voornamelijk voor aanleg en onderhoud van windparken) zal in toenemende mate het verkeersbeeld veranderen. Waarschijnlijk gaat in de toekomst ook de opkomst van autonoom varende handelsvaart een rol spelen. Een robuuste en betrouwbare connectiviteit (inclusief 5G) is daarvoor essentieel. 85 OSPAR 2016, Background document on Improving the implementation of ISO standard 21070:2013 in relation to port reception facilities, te vinden op: https://www.ospar.org/documents?v=35420. 87 Beleidskader maritieme veiligheid: In Veilige Vaart Vooruit; Kamerstukken II, 31409, nr. 307. 86 Kamerstukken II, 2018–2019, 33 043, nr. 102. 75

  74. 6.3 Beleid aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden op de Noordzee na 2030. Paragraaf 10.1 beschrijft de voorwaarden waaronder doorvaart door windparken is of wordt toegestaan. Op de agenda van het monitorings- en onderzoeksprogramma ‘Scheepvaartveiligheid in relatie tot

  75. 6.3.1 Efficiënte en veilige scheepvaart windenergie op zee’ staat voor 2025 een evaluatie van de getroffen maatregelen. Ook zal dit programma onderzoek doen naar nieuwe en innovatieve maatregelen waarvan de effectiviteit nog In de planperiode 2022-2027 wordt het huidige beleid voor een efficiënte en veilige scheepvaart onbekend is en zal het verschillende onderzoeksvragen oppakken waarover nog kennisleemten voortgezet. Dit is aangekondigd in de Havennota88 en uitgewerkt in het te publiceren bestaan. Beleidskader nautische veiligheid. In het internationaal vastgestelde routestelsel op de Noordzee gaat de onbelemmerde en veilige doorvaart van commerciële scheepvaart vóór ieder ander Bij de verdere ontwikkeling van windenergie op zee is tijdig en voldoende aandacht geboden voor gebruik, zoals visserij, recreatie en de aanleg van gebieden voor hernieuwbare energie. Olie- en het inpassen van mitigerende maatregelen ten behoeve van de scheepvaartveiligheid. Dit is van gasplatforms of andere permanente bouwwerken zijn in de officiële routestelsels niet toe­ groot belang om in de Nederlandse EEZ het internationale scheepvaartverkeer te kunnen blijven gestaan. Bij de optimalisatie van het scheepvaartrouteringstelsel op de Noordzee ligt de focus op accommoderen en het risico op incidenten zo veel mogelijk te minimaliseren. ‘veilig en functioneel’, dat wil zeggen op het toepassen van de in 2013 opgestelde ontwerpcriteria op bestaande stelsels, en op de toepassing van de IMO-uitgangspunten voor afstanden tussen Acties windparken en scheepvaart­routes. De scheepvaartrouteringsstelsels op de Noordzee worden • Door het aangewezen windenenergiegebied IJmuiden Ver (noord) en gebied 1 wordt ruimte gemonitord en getoetst op het gebied van functionaliteit, capaciteit en toegepaste ontwerp­ voor een clearway vrijgehouden om een veilige doorvaart te garanderen voor de scheepvaart. criteria. Waar nodig worden de stelsels geoptimaliseerd. Deze clearway is naast de ferry-verbinding, de verbinding tussen de NSR en de haven van IJmuiden en Amsterdam. Een ander aandachtspunt is de internationale samenwerking om routeringsvoorstellen in • Verbinding Noordelijke Zeeroute (Northern Sea Route, NSR). In internationaal verband worden grensgebieden te formaliseren bij de IMO. Als het op de Noordzee drukker wordt, zijn extra diverse routes verkend. Op het Nederlandse deel is zoekruimte geïdentificeerd voor een (grensoverschrijdende) routeringsmaatregelen nodig om het scheepvaartverkeer op bestaande nieuwe route ten westen van zoekgebied 7. Aanvullend is ruimte voor aansluitingen verbindingen tussen internationale havens en zeeën veilig en verantwoord te kunnen blijven benoemd voor verbindingen tussen de zeehavens en NSR. accommoderen. Een internationale EU-shipping group voert periodiek overleg om bestaande • Locatie bepalen* van clearway Esbjerg-Verenigd Koninkrijk ten noorden van zoekgebieden 6 internationale scheepvaartroutes te evalueren en waar nodig aan te passen, en om de verbindingen en 7, om de bestaande scheepvaartroute tussen Denemarken en het Verenigd Koninkrijk te tussen zeehavens en toegangsgebieden (sea lines of communication) te identificeren en ruimtelijk kunnen blijven faciliteren, in samenhang met aanwijzing windenergiegebieden in partiële zeker te stellen. En ook om andere belangrijke scheepvaartroutes op zowel nationaal als inter­ herziening en in afstemming met buurlanden en belanghebbenden. nationaal niveau ruimtelijk zeker te stellen. • Locatie bepalen* van clearway richting Baltische Zee die aansluit op de Duitse scheepvaart- route 10 (SN10). Voor het garanderen van internationale doorvaart van de zuidelijke Noordzee Mede in relatie tot het aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden is in het Noordzeeakkoord richting Denemarken en de Baltische Zee, wordt in overeenstemming met Denemarken, afgesproken om de noordoostelijke verbinding vanuit Nederlandse en Duitse havens naar het Duitsland en België een clearway vastgelegd. Verschillende opties voor de vormgeving van deze Kattegat (inclusief Esbjerg) vrij te houden, totdat daarover in IMO-verband definitieve afspraken zijn gemaakt. Ook de verbinding tussen de Nederlandse zeehavens en het noordwestelijke verkeersscheidingsstelsel moet worden gewaarborgd en de verwachte toename van het * Bij het aanwijzen van windenergiegebieden wordt ook de benodigde ruimte voor toekomstige scheepvaart­verkeer via een mogelijke polaire route moet kunnen worden geaccommodeerd. In clearways op de structuurvisiekaart gezet bij een partiële herziening van het Programma hoofdstuk 9 worden nieuwe routeringsmaatregelen gepresenteerd in samenhang met het Noordzee, in afstemming met buurlanden en onder meer de mijnbouw- en scheepvaartsector. Formele vaststelling van de clearways vindt plaats via de Mijnbouwregeling, en bij het inwerking 88 Havennota 2020-2030, Kamerstukken II, 31409, nr. 274. treden van de Omgevingswet via de Omgevingsregeling. 76 clearway zijn onderzocht in een Formal Safety Assessment (FSA). Daarbij is onder meer naar veiligheidsrisico’s gekeken. Deze nationale clearway bestaat uit verbindingen met de SN10 en de NSR. Besluitvorming vindt plaats mede in het kader van een partiële herziening van het

  76. 6.4 Beheer Programma Noordzee in afstemming met buurlanden en belanghebbenden. • Het FSA rapport concludeert dat zoekgebied 5 middenberm zeer ongunstig scoort vanuit De beheertaken op de Noordzee op het gebied van efficiënte, veilige en duurzame scheepvaart scheepvaartperspectief (veiligheid en bereikbaarheid). Het risico op incidenten met gevolgen worden uitgevoerd onder de vlag van het interdepartementale samenwerkingsverband van de voor de omgeving bij windparken in dit deelgebied is groot. Bovenstaande conclusies uit het Kustwacht. De Kustwacht heeft ook dienstverleningstaken, handhavingstaken en taken op het FSA rapport worden doorgeleid als element voor een nog voor te bereiden integrale afweging gebied van maritieme security. Onder de dienstverleningstaken van de Kustwacht vallen Search and over de windenergiegebieden voor de periode na 2030, die worden aangewezen in het kader Rescue (SAR), Rampen- en incidentenbestrijding (RIB) en nautisch beheer. Handhavingstaken zijn van de partiële herziening. er voor de verkeersveiligheid op zee en voor het nakomen van de milieuwetgeving. Maritieme security omvat in algemene zin de beveiliging tegen moedwillig veroorzaakt onheil, waaronder terreurdaden.

  77. 6.3.2 Verduurzaming van de scheepvaart op de Noordzee De opdracht aan de Kustwacht wordt jaarlijks geformuleerd in het Gecombineerde Jaarplan (GJP). Dit is een bundeling van het dienstverlenings-, handhavings- en maritieme-securityplan. De Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zal de ontwikkeling van zero-emission-schepen Raad voor de Kustwacht stelt het GJP vast. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is ondersteunen door belemmeringen in wet- en regelgeving daarvoor weg te nemen. Het Rijk verwacht coördinerend opdrachtgever en voorzitter van de Raad. Rijkswaterstaat treedt op als gedelegeerd in dat kader dat de brede en ambitieuze aanpak van de Europese Green Deal kansen biedt voor opdrachtgever, is voorzitter van het dagelijks bestuur (KW4/7) en stelt het dienstverleningsplan versnelling van investeringen in duurzame alternatieve brandstoffen en aandrijftechnologieën, wat voor de Kustwacht op. bijdraagt aan SDG 13 Klimaatactie. Nautisch beheer Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer van de Noordzee als watersysteem en vaarweg. Tot de beheertaken, die Rijkswaterstaat deels zelf uitvoert, behoren onder meer: vaarwegmarkering (in opdracht van de Kustwacht), monitoring en netwerkanalyses, crisis- en incidentbestrijding, het onderhoud en op diepte houden (bijvoorbeeld het uitbaggeren) van de toegangsgeulen tot de havens en het verwijderen van objecten van de zeebodem bij anker­ plaatsen. Daarnaast implementeert, monitort en onderzoekt Rijkswaterstaat in de komende planperiode het pakket scheepvaartmaatregelen Wind op zee. Voorbeelden zijn: nautische sensoren, markering en identificatie van windturbines, extra noodsleephulp en vessel traffic management (VTM) in de nabijheid van de windparken op de Noordzee. 77 Informatievoorziening Voor een veilig en efficiënt scheepvaartverkeer is nautische informatievoorziening van vitaal belang. Deze informatie is deels statisch, zoals zeekaarten, maar in belangrijke mate ook dynamisch, zoals de berichtgeving over verkeerssituaties in de toegangsgeulen, het weer en de waterstanden en de actuele berichtgeving aan zeevarenden. Het Hydro Meteo Centrum van het Watermanagementcentrum van Rijkswaterstaat berekent dagelijks de tijpoorten voor de Euro-Maasgeul, de IJ-geul en de toegang tot de Eemshaven. Tijpoorten zijn de periodes rond hoogwater waarbinnen de diepst liggende schepen veilig de toegangsgeulen in en uit kunnen varen. Het toelatingsbeleid tot de Scheldehavens is internationaal geregeld in de Scheldeverdragen en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten. Dit Nederlands-Vlaamse toelatingsbeleid wordt Gemeenschappelijk Nautisch Beheer (GNB) genoemd. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit (GNA) voert het uit op het Schelde Coördinatie­ centrum in Vlissingen. De Kustwacht is nautisch beheerder van de Noordzee met uitzondering van de aanloopgebieden naar en van zeehavens. Maritieme Noodhulp Onder maritieme noodhulp vallen het opsporen en redden van mensen in nood, de voorzieningen voor noodsleephulp, het bieden van een toevluchtsoord aan schepen in nood, het verlenen van assistentie om bij brand aan boord van schepen grootschalige evacuaties te voorkomen en het geven van medische adviezen aan zeevarenden. De Kustwacht voert deze taken uit. De Search and Rescue-taak van de Kustwacht strekt zich ook uit over gemeentelijk ingedeeld gebied (de eerste kilometer uit de kust), waar de Kustwacht deze taken in opdracht van de veiligheidsregio’s uitvoert. De zorgnormen en de bijbehorende noodhulp zijn vastgelegd in de Beleidsbrief maritieme en aeronautische noodhulp op de Noordzee. 78 Programma Noordzee 2022 – 2027 79 7 Andere nationale belangen op de Noordzee Nationale belangen wegen zwaarder dan belangen die deze status niet hebben. Maar ook, of eigenlijk juist bij nationale belangen komt het erop aan de goede 7.1 Zandwinning voor balans te vinden tussen het maatschappelijk en economisch gebruik van de Noordzee en de doelstellingen die zijn gericht op het herstel en behoud van een waterveiligheid en de bouw gezond en robuust ecosysteem. Zwaarwegende belangen zijn immers niet zomaar ondergeschikt te maken of terzijde te schuiven. Het vraagt daarom een 7.1.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen grotere beleidsinzet om ze toch harmonieus te laten samengaan. Duurzaam Zand en schelpen zijn oppervlaktedelfstoffen. Bij de winning van zand wordt onderscheid gebruik is daarbij het sleutelwoord. Dit is de essentie van de visie van het kabinet gemaakt tussen suppletiezand, ophoogzand en beton- en metselzand. De Noordzee levert al het die tot uiting komt in de NOVI en, in het verlengde daarvan, het suppletiezand en ongeveer een derde van het ophoogzand voor de bouw en de infrastructuur in Nederland. Van alle landen rond de Noordzee wint Nederland het meeste zeezand. Incidentele Noordzeeakkoord. Duurzaamheid als leidend principe voor alle gebruiksfuncties projecten niet meegerekend gaat het om ruim 25 miljoen m3 per jaar89, waarvan de helft kan leiden tot een Noordzee die in 2050 nog steeds intensief wordt gebruikt, suppletiezand en de helft ophoogzand. Hiermee is een oppervlakte gemoeid van ongeveer 60 tot 90 km2 per vijf jaar. Incidentele grootschalige zandwinning boven op het reguliere suppletie­ maar waar de natuurwaarden zijn hersteld. programma kan nodig zijn voor de lokale, zandige versterking van onze Noordzeekust. In de voorgaande hoofdstukken zijn drie nationale belangen beschreven die, Ophoogzand is voor het grootste deel bestemd voor West-Nederland, aangezien hier (in stedelijk gebied) nauwelijks ruimte voor zandwinning beschikbaar is en het zand in de bodem veelal onder sterk op elkaar betrokken, een langjarige transitie doormaken: CO₂-vrije klei- en veenlagen ligt. energie­voorziening, de verduurzaming van de visserij, en het behoud en herstel van een robuust ecosysteem. Deze transities kennen interactie met nationale De feitelijke winning van zeezand is ingedeeld in ‘ondiep’ (< 2 meter) en ‘diep’ (> 2 meter). In de afgelopen jaren is al regelmatig zeezand gewonnen op meer dan 2 meter laagdikte, onder andere belangen rondom het in stand houden en ontwikkelen van de hoofd­ voor de Zandmotor. Voor de aanleg van Maasvlakte 2 is zelfs tot 20 meter diep gewonnen. infrastructuur voor mobiliteit, waaronder de scheepvaartroutes. Hoofdstuk 7 Winning op grotere diepte heeft de voorkeur zolang het risico op vertraagde rekolonisatie van bodemleven en zuurstofloosheid minimaal wordt gehouden en de helling van de put beperkt beschrijft het beleid voor het inpassen van de overige nationale belangen in het blijft. Bij een verdieping tot 2 meter is de herstelperiode van het bodemleven vier tot zes jaar. integrale beeld van de Noordzee in 2050. Die overige nationale belangen zijn Voor een verdieping van 6 á 8 meter geldt waarschijnlijk een vergelijkbare herstelperiode, zandwinning voor waterveiligheid en de bouw, de hoofdinfrastructuur in de aangezien dergelijke verdiepingen ook van nature in de zeebodem voorkomen. Het Monitoring- en Evaluatieprogramma (MEP, 2018-2027), dat is voortgekomen uit de milieueffectrapportage Noordzee voor digitale connectiviteit, nationale veiligheid, militaire activiteiten, cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteit, en een gezonde en veilige 89 Landelijke Commissie voor de Coördinatie van het Ontgrondingenbeleid. fysieke leefomgeving. 80 van de zandwinning, doet hier onderzoek naar.90 De resultaten van het MEP (2018-2027) geven moet opnieuw een schatting worden gedaan, gebaseerd op de dan geldende inzichten in de voeding aan toekomstige MER-procedures voor grootschalige zandwinning en zijn sturend voor mate van zeespiegelstijging. Mogelijk gaat het om een toename van de behoefte aan suppletie- nieuw beleid. zand van 25 tot 35 miljoen m3 per jaar in de tweede helft van deze eeuw. De snelheid waarmee de zeespiegel stijgt en de omvang van het kustfundament zijn sterk bepalende factoren voor het Potentiële gebieden voor de winning van beton- en metselzand liggen ten westen van de suppletievolume dat voor het kustonderhoud nodig is. Deze factoren zijn deel van het vervolg- Zuid-Hollandse eilanden en Zeeland. Deze zandsoort ligt enkele meters beneden de zeebodem. onderzoek in het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. De grote hoeveelheid zand uit de afdeklaag, die eerst moet worden verwijderd, kan dienen als suppletie- of ophoogzand. Waar in voorgaande jaren zand is gewonnen voor de aanleg van Gespecialiseerde bedrijven winnen op de Noordzee schelpen uit sedimentlagen die voorname- Maasvlakte 2 ligt het beton- en metselzand nu meer aan de oppervlakte. lijk bestaan uit de resten van afgestorven schelpdieren. Ze worden voor uiteenlopende doelen gebruikt, bijvoorbeeld in drainagesystemen en voor verharding van paden. De verwachte zeespiegelstijging als gevolg van klimaatverandering heeft consequenties voor de benodigde hoeveelheid suppletiezand. In het onderzoeksprogramma Kustgenese 2.0 is onder andere onderzocht hoeveel zand nodig is om het zandige systeem van de kust in evenwicht te 7.1.2 Visie, ambitie en opgaven houden met de zeespiegelstijging. Dit onderzoek maakt ook duidelijk waar en wanneer zand moet worden aangebracht.91 Als wordt ingezet op bredere dijken en terpen op het land, zal ook De beschikbaarheid van voldoende en betaalbaar zand voor kustveiligheid, bouwactiviteiten en de vraag naar ophoogzand sterk toenemen. De garantie van voldoende beschikbaar zand tegen infrastructuur moet worden gewaarborgd, ook voor de lange termijn. Een gegarandeerde redelijke winningskosten voor de komende vijftig jaar staat nu al onder druk, vooral voor het beschikbaarheid draagt bij aan de nationale belangen waterveiligheid en klimaatbestendigheid, onderhoud van de kust tussen Katwijk en Egmond, de kust voor Texel, Vlieland en Terschelling, en aan belangen in de sfeer van woningbouw, mobiliteit en vestigingsklimaat. en de kust voor Walcheren en de Kop van Schouwen. In de overige gebieden is geen sprake van een tekort aan zand. De wijze van winnen van oppervlaktedelfstoffen moet maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Het bouwgrondstoffenbeleid hanteert als uitgangspunt dat het gebruik zuinig en hoogwaardig is. In het kennisprogramma Kustgenese 2.0 is ook uitgebreid onderzoek gedaan naar het gedrag Dit houdt in dat hoogwaardig grof zand en grind niet mogen worden gebruikt voor van sedimentstromen in de Nederlandse kustzone in relatie tot de verwachte stijging van de ophoogdoeleinden. zeespiegel. Prangende kennisvragen waren onder meer: hoeveel zand is nodig voor de periode na 2020? Waar kan het te suppleren zand het best (strategisch) worden neergelegd? Wanneer zijn Zandwinning vraagt, gezien de totale oppervlakte van de Nederlandse Noordzee, niet heel veel kantelpunten te verwachten voor het suppletiebeleid? Hoe zou de suppletie in de toekomst ruimte. Vanuit kostenefficiënt beheer is het wenselijk dat gebied waar zand het goedkoopst is te (waarschijnlijk) het best kunnen worden uitgevoerd? Op basis van dit onderzoek is voor de winnen voor de zandwinning beschikbaar blijft. Dit vertrekpunt van kosteneffectiviteit maakt periode tot 2035 een voorkeursstrategie voor suppleties uitgewerkt. Daarnaast is een doorkijk dat de ruimtevraag zich vooral toespitst op het drukke zuidelijke deel van de Noordzee. Juist daar opgesteld voor de periode tot 2100, uitgaande van een toenemende snelheid van de concentreren zich ook scheepvaart, olie- en gaswinning, recreatie en visserij. In de gebieden met zeespiegelstijging. de meest kosteneffectieve zandvoorraad en waar zandwinning de hoogste prioriteit heeft, neemt de druk bovendien toe door de aanleg van windparken en van elektriciteits- en De benodigde hoeveelheid suppletiezand bedraagt tot 2032 naar verwachting 11 miljoen m3 per telecommunicatie­kabels. Dit vraagt om een goede belangenafweging. Rekening houdend met jaar, uitgaande van de huidige inzichten in de snelheid van de zeespiegelstijging (derde herijking de klimaatverandering en de toenemende ruimteclaim van vooral activiteiten in de sfeer van Deltaprogramma). De behoefte aan ophoogzand blijft rond de 15 miljoen m3 per jaar. Na 2032 energiewinning, is op termijn een herijking van de strategie voor zandwinning noodzakelijk. Dit zou bijvoorbeeld kunnen passen in het kader van de derde herijking van het Deltaprogramma, 90 Kleijberg, R. (2018) Monitoring- en Evaluatieplan Zandwinning Noordzee (2018-2027). Plan van Aanpak. met mogelijk­heden voor ruimtelijke sturing. Rijkswaterstaat Zee en Delta en Stichting La MER Arcadis rapport 079885268 0.1 29 juni 2018, Arcadis B.V. 91 https://dp2021.deltaprogramma.nl/6-voortgang-per-gebied.html#h6_6 81

  78. 7.1.3 Beleid De vergunningverlening voor zandwinning (zowel commercieel als voor kustlijnzorg) wordt via een m.e.r. beoordeeld. De laatste jaren is gemiddeld dieper gewonnen, namelijk tot 8 meter, en Het beleid is erop gericht om op zee voldoende zandvoorraad te reserveren die tegen aannemelijke tot 20 meter bij grote projecten zoals Maasvlakte 2. Het oppervlak aan zeebodem dat jaarlijks en redelijke kosten is te winnen voor suppletie- en ophoogdoeleinden. Dit om op korte en lange wordt beroerd, is daardoor aanzienlijk verkleind en bedraagt nu gemiddeld 16 km2 per jaar. termijn gesteld te staan voor de opgaven waarvoor deze oppervlaktedelfstof nodig is. Tegenwoordig houden zandwinners ook rekening met het slibgehalte in het zand en met de aanwezigheid van hard substraat zoals stenen en schelpenbanken bevolkt door Ensis en Acties Spisulasoorten. Zij mijden die gebieden. Op basis van de resultaten van Kustgenese 2.0 wordt tussen 2022 en 2027 verkend of bij IJmuiden Vanuit de ontgrondingsvergunning volgt de verplichting om onderzoek te doen naar de maatwerk mogelijk is bij het bepalen van de ligging en begrenzing van het beoogde zandwin­ aannames en effecten die beschreven staan in de m.e.r. Rijkswaterstaat heeft, in samenwerking gebied. Dit zal spelen wanneer aanvullende doorsnijdingen van dit gebied door kabels of met Stichting LaMER, die de belangen behartigt van alle commerciële zandwinners, een plan van leidingen worden voorzien. aanpak opgesteld voor het Monitoring- en Evaluatieprogramma (MEP) Zandwinning Noordzee 2018-2027. Dit plan beschrijft onder meer de aanpak van onderzoek naar onder andere de Kennisagenda (ecologische) rekolonisatie van zandwinvakken, de aanwezigheid van schelpdierbanken en het Meer inzicht is nodig in de groeiscenario’s voor zandwinning en suppletie in relatie tot de effect van vrijkomend fijn sediment op de ecologie. uiteenlopende klimaatscenario’s en de daarmee gepaard gaande zeespiegelstijging. Hier ligt een kennisopgave. Ook de ruimtelijke consequenties en mogelijke knelpunten, eventuele tekorten De feitelijke winning van bouwgrondstoffen is geen overheidstaak. Rijkswaterstaat heeft de zorg en extra kosten (bijvoorbeeld door verder uit de kust te moeten winnen) moeten in het onder- voor waterveiligheid, schoon en gezond water en vlot en veilig verkeer over water, en reguleert zoek worden meegenomen. De ontwikkeling van ander gebruik (zoals windenergie, kabels en vanuit deze taken de winning van bouwgrondstoffen met vergunningverlening en handhaving. leidingen) vormt daarbij een gegeven context. Daarbij houdt Rijkswaterstaat ook rekening met andere gebruiksfuncties en randvoorwaarden, Winnen van zand verstoort het leven (én de leefomgeving) op de zeebodem. Bovendien komt bij zoals cultuurhistorische waarden. zandwinning slib vrij, wat effect kan hebben op de primaire en secondaire productie. De Rijkswaterstaat verleent vergunning voor het winnen van bouwgrondstoffen in de rijkswateren groeiscenario’s voor de winning en suppletie van zand moeten daarom ook aangeven of en hoe op basis van de Ontgrondingenwet en toetst aanvragen aan de relevante kaders. Als deze effecten na 2030 passen binnen de geldende beleidskaders en regelgeving voor natuur en Rijkswaterstaat ten behoeve van de kustlijnzorg zelf initiatiefnemer is, fungeert de organisatie milieu. Deze vragen kunnen bijvoorbeeld in het kader van de tweede herijking van het als beheerder en geeft de Inspectie Leefomgeving en Transport de vergunning af. Deltaprogramma worden opgepakt. Vanzelfsprekend draagt Rijkswaterstaat ook dan de zorg voor afstemming met andere gebruiksfuncties.

  79. 7.1.4 Beheer Het wettelijk kader voor de winning van bouwgrondstoffen in de rijkswateren is gegeven in de Ontgrondingenwet, het bijbehorende Besluit ontgrondingen in rijkswateren en de Regeling ontgrondingen in rijkswateren. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat ‘Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren’ opgesteld voor het ondersteunen van vergunningverlening en handhaving.92 92 De Ontgrondingenwet zal opgaan in de Omgevingswet.

  80. 7.2 Hoofdinfrastructuur voor 7.3 Nationale veiligheid: digitale connectiviteit maritieme veiligheid en De kabels van het netwerk voor telefoon- en dataverkeer in de zee, telecommunicatiekabels, zijn grensbewaking van een andere orde dan de kabels in het net dat deel uitmaakt van het energiesysteem op de Noordzee. Dit laatste is beschreven in hoofdstuk 5.

  81. 7.3.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit is van nationaal belang. Hier horen ook onze internationale verbindingen bij. Deze verbindingen worden waar Veiligheid op de Noordzee omvat de openbare orde, strafrechtelijke handhaving, maritieme mogelijk door de zee gelegd omdat de kans op storingen lager is dan met verbindingen over land. security, inclusief cyber security, crisisbeheersing en rampenbestrijding en grensbewaking, maar ook andere veiligheidstaken die door (veelal handhavende) organisaties geheel of gedeeltelijk De eerst gelegde telefoniekabels in zee waren deel van de trans-Atlantische telecommunicatie- binnen het Kustwachtsamenwerkingsverband worden verricht. verbinding tussen Europa en Noord-Amerika, waarvan de aanleg begon in de 19de eeuw. Sindsdien is het aantal telecommunicatiekabels gestaag gegroeid. Momenteel liggen er 20 Met de toenemende omvang en complexiteit van de processen op de Noordzee, neemt ook de actieve telecommunicatiekabels, met een totale lengte van 2000 kilometer. economische waardevermeerdering een grote vlucht. Gegeven de ambities zullen enkele van deze processen van groot belang worden voor de Nederlandse economie. Daar het mandaat voor Lange tijd hadden telefoonkabels een kern van koperdraad; tegenwoordig zijn glasvezelkabels de preventie, opsporing, handhaving en beveiliging van activiteiten in de EEZ beperkingen kent, standaard voor het telefoon- en dataverkeer. Verouderde (koperen) zeekabels zijn uit gebruik vormt de vestiging en beveiliging (‘security by design’) van vitale processen noodzakelijkerwijs genomen en ten dele verwijderd. Hier komen veelal ook nieuwe kabels voor terug om continuï- een (extra) aandachtspunt voor de governance. teit van de verbindingen te waarborgen. Tegelijkertijd vraagt het groeiend dataverkeer om meer capaciteit en betekent dit dat er ook veel extra telecommunicatiekabels worden aangelegd om De aanleg van windparken op zee kan de openbare orde en de rechtshandhaving op zee aan deze vraag te voldoen. Momenteel worden drie nieuwe telecommunicatiekabels met hoge beïnvloeden, zowel binnen als rondom de parken. De scheepvaartveiligheid is in het geding, capaciteit aangelegd tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Te verwachten is dat ook in maar ook de mogelijkheid van ondermijnende criminaliteit, waaronder smokkel. Ook denkbaar de komende jaren nieuwe telecomkabels worden aangelegd. is cybercriminaliteit die van de parken gebruikmaakt of deze als doelwit heeft. Op het gebied van veiligheid (zowel safety als security) hebben windparken dus een duidelijke relatie met (scheep- Het beleid, beheer en de opruimplicht met betrekking tot telecommunicatiezeekabels is vaart)veiligheid, maritieme- en cyber security, handhaving en eventuele opsporing. Bij de hetzelfde als voor elektriciteitskabels. Voor deze aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 5. verdere ontwikkeling van windparken op zee zijn risicobeoordelingen, inclusief de daarbij Hoofdstuk 9 beschrijft het beleid ten aanzien van de ruimtelijke inpassing. gebruikelijke dreigingsbeelden, dan ook noodzakelijk. De voor scheepvaart beschikbare ruimte op de Noordzee krimpt. In de toekomst wordt de doorvaart door windparken mogelijk voor schepen tot 46 meter lengte. Deze ontwikkelingen geven een verhoogde kans op scheepvaartovertredingen en op aanvaringen van schepen 83 onderling dan wel met installaties op zee. Het veiligheidsdomein wordt bovendien geconfronteerd Veiligheidsprofiel en een verdere uitwerking krijgen in de desbetreffende nationale crisis­ met snelle, innovatieve ontwikkelingen op de Noordzee zoals autonoom varen, productie en plannen, zoals het huidige Incidentbestrijdingsplan Noordzee (IBN 2021). opslag van waterstof, CO₂-opslag en de ontmanteling van installaties voor olie- en gas­winning. Ook de veiligheidsaspecten rond deze ontwikkelingen vragen om een proactief beleid en daaruit Grensbewaking voortvloeiende investeringen. De grensbewaking op zee is een taak van de Koninklijke Marechaussee en de douane die zij in Kustwachtverband uitvoeren. Grensactiviteiten voor de douane zijn gericht op de veiligheid, de Cyber en maritieme security integriteit en de fiscaliteit van het buitengrensoverschrijdend goederenverkeer, met als doel de De Nederlandse samenleving wordt op termijn sterk afhankelijk van energie die op de Noordzee samenleving te beschermen tegen onveilige, ongewenste of criminele goederen. Grensbewaking wordt opgewekt. Dit deel van de energiesector kan daarmee mogelijk deel gaan uitmaken van de voor de Koninklijke Marechaussee op de Noordzee is gericht op personenverkeer en draagt bij vitale infrastructuur. Een ander belangrijk aandachtspunt is de onderwaterinfrastructuur in de aan een effectief beheer van de Europese buitengrenzen en een veilig Schengengebied, dat Noordzee. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan data- en energiekabels. Met de periodiek wordt geëvalueerd in Schengenevaluaties. De grensbewaking omvat het afwenden van ontwikkeling van de Noordzee zal ook het nu al grote belang van de veiligheid van de onder­ illegale immigratie en migratiecriminaliteit zoals onder andere mensensmokkel, inclusief inzet water­infrastructuur verder toenemen. Een goede borging van het veilig en ongestoord functio- ten behoeve van de Europese grens- en kustwacht (EGKW/Frontex). neren van (werk)processen vormt daarom een aandachtspunt. De nationale belangen in, op en om de Noordzee worden niet door iedereen op eenzelfde wijze 7.3.2 Visie, ambitie en opgaven onderschreven of gesteund. Naarmate de toekomstplannen voor de Noordzee duidelijker en concreter zijn, ontstaat ook bij voor- en tegenstanders een duidelijker beeld van de beleids­ Het Rijk zet structureel in op de veiligheid van de scheepvaart op de Noordzee, onder andere in initiatieven op en in de Noordzee. Op zich is dat een goede zaak: de maatschappelijke en IMO-verband, bijvoorbeeld door het plaatsen van beveiligingsapparatuur in en nabij de wind­ politieke dialoog krijgt daardoor meer inhoud. Maar helaas moet daarbij ook rekening worden energiegebieden en door uitbreiding van de basiscapaciteit voor het bieden van noodsleephulp. gehouden met de dreiging die uitgaat van statelijke en niet statelijke actoren, personen of Ook zet het Rijk in op maatregelen om de cyber security naar een acceptabel risiconiveau te brengen. groepen die uit zijn op misbruik, spionage, sabotage, terreur en internationaal georganiseerde Deze maatregelen liggen in de sfeer van mensen (bewustwording en training), organisatie en en ondermijnende criminaliteit, en met de bescherming van de personen, beroepsgroepen en processen (werkinstructies, protocollen en escalatielijnen), en techniek (verminderen van de belangen die hierdoor zouden kunnen worden geraakt. Nationale veiligheid in Nederland houdt technische kwetsbaarheid). Binnen het veiligheidsdomein wordt het gebruik van digitale hulp­ niet op bij de laagwaterlijn en nationale en internationale veiligheidsvraagstukken zijn steeds middelen geïntensiveerd en de efficiënte inzet van deze middelen bevorderd. meer verweven. Internationale ontwikkelingen hebben een toenemende weerslag op de nationale veiligheid. Dit vraagt om een meer omvattende aanpak.

  82. 7.3.3 Beleid Met de ontwikkelingen op de Noordzee kunnen diverse nationale belangen zich uitbreiden naar het Nederlandse zeegebied. Daardoor neemt de afhankelijkheid toe van een goede borging van Het beleid richt zich op het monitoren van de veiligheid van de informatievoorziening en van het veilig en ongestoord functioneren van (werk)processen om die belangen te behartigen. Het vitale objecten op de Noordzee en – wanneer nodig – op het treffen van maatregelen. is dan ook zaak om, voorafgaand aan het formuleren van daarvoor te nemen maatregelen ter bevordering van de weerbaarheid, een goed beeld te hebben van de mogelijke risico’s die de Met het oog op de veiligheidsaspecten openbare orde, strafrechtelijke handhaving en grens­ ontwikkelingen met zich meebrengen. Zo kan doorlopend getoetst worden of de bescherming bewaking op de Noordzee, hebben het Openbaar Ministerie, de diensten die in van de nationale veiligheidsbelangen in de pas loopt met ontwikkelingen en dreigingen of Kustwachtverband samenwerken en de Kustwachtorganisatie zelf, afspraken gemaakt over de risico’s die de nationale veiligheid kunnen raken. Deze risico’s moeten worden geadresseerd en uitwerking van de beleidsplannen. De aandacht zal vooral uitgaan naar de governance op het gewogen voordat ze integraal deel kunnen zijn van plannen aangaande de vitale infrastructuur terrein van de openbare orde op zee, inclusief de internationale aspecten ervan. Ook de van het ministerie van EZK. Daarna moeten ze worden meegenomen in het Nationaal 84 mogelijke toename van meldingen van misstanden op zee en de vraag hoe hierop te anticiperen, krijgt extra aandacht. 7.4 Militaire activiteiten Aan het takenpakket van de Kustwacht is in 2020 het cluster ‘maritieme security’ toegevoegd. Hiermee is, onder druk van de ontwikkelingen op de Noordzee, invulling gegeven aan de 7.4.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen noodzaak om de security dreigingen in het maritieme domein bijtijds te onderkennen en hier adequaat op te reageren om zo ontwrichtende schade door moedwillige handelingen zoals De krijgsmacht gebruikt de Noordzee overal waar dat schikt voor opleidingen en trainingen. terreuraanslagen te voorkomen. Maar voor specifieke activiteiten zoals schietoefeningen, laagvliegen of oefeningen in het opsporen van zeemijnen en historische munitie, zijn formeel militaire gebieden aangewezen. Niet alleen de directe, maar ook de indirecte effecten van de transities op de veiligheid zullen De begrenzing van de aangewezen gebieden is vastgelegd in de Mijnbouwregeling en via de aandacht vereisen. Het Openbaar Ministerie heeft daarom besloten om, in het kader van luchtvaartregelgeving. De grenzen zijn kenbaar gemaakt op luchtvaartkaarten, in de Berichten ondermijnende criminaliteit, nader onderzoek te doen naar getroffen sectoren. aan Zeevarenden en via de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening93. Globaal zijn de grenzen van voor militaire doeleinden aangewezen gebieden ook aangeduid op de kaart waarop het huidige gebruik is afgebeeld (zie kaart 1).

  83. 7.3.4 Beheer De intensiteit van het gebruik van militaire oefengebieden loopt uiteen. In sommige gebieden Rijkswaterstaat beschikt over een Security Operation Centre (SOC). Het SOC beschermt door middel kan vanuit vliegtuigen en/of vanaf schepen worden geschoten; in enkele aangewezen gebieden van monitoring en detectie de informatievoorziening en industriële automatisering van wordt geschoten vanaf het land. Het gaat daarbij deels om oefeningen, maar ook om het Rijkswaterstaat tegen cyberdreigingen. beproeven van militaire systemen. De voor specifiek gebruik aangewezen gebieden kunnen elkaar overlappen. De behoefte aan ruimte voor militair gebruik is stabiel. In deze planperiode worden geen wezenlijke veranderingen verwacht.

  84. 7.4.2 Visie, ambitie en opgaven Militaire (oefen)gebieden op zee zijn nodig om de operationele paraatheid en geoefendheid van de krijgsmacht te kunnen garanderen. Een voor haar taken toegeruste krijgsmacht is een nationaal belang. Het is een permanente opgave om gebieden van voldoende omvang te reserveren voor de verschillende militaire activiteiten, ook al neemt het gebruik van ruimte voor andere functies op de Noordzee toe. 93 De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet opgaan in de Omgevingsregeling. 85

  85. 7.4.3 Beleid Op de Noordzee moeten voldoende oefengebieden beschikbaar zijn. Medegebruik van oefenge-

  86. 7.5 Cultureel erfgoed en bieden wordt toegestaan voor zover dit met het militaire gebruik is te verenigen. De meeste defensiegebieden op en boven zee zijn onveilig wanneer ze in gebruik zijn voor schiet- en/of landschappelijke kwaliteit vliegoefeningen. Wanneer er niet wordt geoefend, kunnen deze gebieden worden gebruikt voor andere activiteiten. Het is uitgesloten dat in militaire oefengebieden vaste objecten zoals mijnbouwplatforms of windturbines worden geplaatst. De kans op schade is te groot en het 7.5.1 Huidige situatie en ontwikkelingen militaire gebruik van deze gebieden wordt door de aanwezigheid van vaste objecten beperkt. In en op de Noordzeebodem ligt veel waardevol cultureel erfgoed, waaronder wrakresten van In de Mariene Strategie deel 1, bijlage VII (Militaire Activiteiten), zijn de verantwoordelijkheden schepen, die als ware tijdscapsules bewaard zijn gebleven. De Noordzee was niet altijd zee; zo’n van het ministerie van Defensie omschreven met betrekking tot milieubescherming op zee. tienduizend jaar geleden leefden in dit gebied jagers-verzamelaars. Hiervan zijn sporen in de Formeel voorziet de EU Kaderrichtlijn Mariene Strategie in een uitzondering voor militaire Noordzeebodem terug te vinden. Deze archeologische resten vormen een belangrijke bron van activiteiten. Bij de nationale implementatie van de richtlijn is de invulling formeel aan de kennis over het verleden. Zolang ze afgedekt in de bodem liggen, kunnen ze nog duizenden beleidsvrijheid van het ministerie van Defensie overgelaten. Maar daarbij is besloten dat waar jaren of langer bewaard blijven. Als ze aan de oppervlakte komen, zijn ze zeer kwetsbaar voor voor Defensieactiviteiten een uitzonderingsmogelijkheid geldt, deze alléén wordt gebruikt als natuurlijke erosie. maatregelen onverenigbaar zijn met de operationele bedrijfsvoering van Defensie. In de praktijk betekent dit dat oorlogsschepen bij oefeningen en bij vrijwel alle operaties geen lozingen Het plunderen van wrakken vanwege hun kostbare lading of, bij recentere wrakken, vanwege uitvoeren die volgens het MARPOL-verdrag niet zijn toegestaan. Voor het gebruik van sonar­ hun metaalwaarde, bedreigt het cultureel erfgoed onder water. Door geavanceerde opsporings- systemen94 en bij explosievenruiming95 zijn regels vastgesteld om deze activiteiten verantwoord en bergingstechnieken zijn wrakken steeds eenvoudiger te vinden en te bereiken. Wrakken zijn uit te voeren. Het ministerie van Defensie investeert in kennis om verantwoord gebruik blijvend geliefde plekken voor duiksportbeoefenaars, mede omdat ze vaak een rijke biodiversiteit zeker te stellen. Specifiek voor het ruimen van explosieven wordt, waar mogelijk in inter­ kennen. De regel is dat bezoek is toegestaan, maar dat het meenemen van delen of inhoud van nationaal verband, onderzoek gedaan naar alternatieve technologie om met minder effecten op (scheeps)wrakken verboden is. gevoelige soorten gevaarlijke historische munitie onschadelijk te maken en veilig gebruik van de Ook ruimtelijke ontwikkelingen op zee, die samenhangen met de energietransitie, grondstof- zee daarmee zeker te stellen. winning, visserij en aquacultuur, vergroten de kans dat waardevol erfgoed verloren gaat, vooral bij ingrepen in de bodem. Anderzijds bieden deze ontwikkelingen ook de mogelijkheid om archeologisch en geologisch onderzoek te doen, wat kan leiden tot nieuwe kennis over het verleden.

  87. 7.5.2 Visie, ambitie en opgaven Het cultureel erfgoed in de Noordzee heeft een belangrijke sociaal-culturele en historische betekenis voor Nederland. Het is een belangrijke bron van kennis, beleving en herinnering. De grote herinneringswaarde van wrakken en vliegtuigen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog 94 Instructie Commando Zeestrijdkrachten Verantwoord gebruik van sonar. geldt zowel voor de samenleving als geheel als voor nabestaanden. Gezonken oorlogsschepen en 95 Werkinstructie Defensie Duikgroep Vernietigen explosieven op zee, 2020 en Operatie Order Beneficial wrakken van militaire vliegtuigen genieten soevereine immuniteit. Dit wil zeggen dat de Cooperation, 2020. vlaggenstaat (bij schepen) of de staat van registratie (bij vliegtuigen) bepaalt wat er wel of niet 86 mee mag gebeuren. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het behouden en versterken van onder water komt ook tot uiting in de aankondiging dat het kabinet het Unescoverdrag ter cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang bescherming van het cultureel erfgoed onder water (2001) zal ratificeren97. Dit verdrag heeft tot geformuleerd als nationaal belang. doel plundering van archeologisch erfgoed onder water – vaak scheepswrakken – tegen te gaan. Het verdrag is een juridisch instrument, dat tevens een belangrijk mechanisme biedt voor De opgave is het behouden van het cultureel erfgoed onder water, waar mogelijk in situ (op de internationale samenwerking op dit terrein. plaats waar het wordt aangetroffen) en het vergroten van de kennis over het verleden. Dit kan spanningen opleveren met andere nationale belangen op de Noordzee, zoals zand- en grind­ Het beleid voor het omgaan met het archeologisch erfgoed van de Noordzee strekt zich uit langs winning, de aanleg van windparken en visserij. Daarom is een actueel inzicht nodig in de aard, de volgende lijnen: omvang en locatie van archeologische waarden en van de (landschappelijke) zones waar deze • Kennis over de archeologische voorraad aanwezig kunnen zijn. Vroegtijdige inventarisatie maakt het veelal mogelijk archeologische Om het cultureel erfgoed in de Noordzee te kunnen beheren en beschermen, moet bekend vindplaatsen in te passen en te combineren met ander ruimtegebruik. Als dit niet mogelijk is, zijn wat in de bodem aan archeologisch erfgoed aanwezig is en waar het zich bevindt. kan in ieder geval de wetenschappelijke waarde worden veiliggesteld door de archeologische Informatie over wrakken is beschikbaar via Geoweb, waaraan de wrakkendatabase van de RCE vindplaatsen te onderzoeken. Anderzijds kan het in situ behoud ook profiteren van ander en de objectgegevens van Rijkswaterstaat en de Hydrografische Dienst zijn gekoppeld. Het rijksbeleid zoals het aanwijzen van beschermde natuurgebieden op zee. aanvullen van deze data is een continu proces. Voorts heeft de RCE samen met Rijkswaterstaat en TNO voor het gehele continentale plat een archeo-geologische kaart ontwikkeld met zones waarin intacte prehistorische landschappen zijn te verwachten. De zoneringskaart zal met

  88. 7.5.3 Beleid nieuwe informatie uit recente en toekomstige onderzoeken worden verfijnd. Bovengenoemde kennisproducten helpen om beleidsmakers en initiatiefnemers op Op de Noordzee is het Rijk resultaatverantwoordelijk voor het cultureel erfgoedbeleid. Het voorhand te laten inschatten of en in hoeverre men bij een ruimtelijke ontwikkeling met rijksbeleid voor het omgaan met archeologisch erfgoed is gebaseerd op de uitgangspunten van het archeologische waarden te maken zal krijgen. Verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta genoemd). Dit verdrag strekt tot bescherming • Vergunningverlening van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en voor Archeologische en andere cultuurhistorische waarden worden meegewogen in de vergun- geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het streven is vooral om zoveel mogelijk archeolo- ningverlening voor projecten op de Noordzee. Het in kaart brengen van de effecten van die gische waarden in de bodem (in situ) te behouden, en het archeologisch belang mee te wegen in projecten op deze waarden is een verplicht onderdeel van de milieueffectrapportage. De de ruimtelijke ordening en in projecten. Ook moet het verdrag waar­borgen dat in milieu-effect­ initiatiefnemer van activiteiten die op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet rapportages en bij de daaruit voortvloeiende beslissingen rekening wordt gehouden met archeolo- vergunningplichtig zijn, maar waarvoor geen project-MER hoeft worden opgesteld, levert bij gische resten en hun context. Het uitgangspunt is dat de kosten voor het benodigde archeologisch de vergunningaanvraag desgevraagd een rapport aan waarin de archeologische waarden in onderzoek aan de initiatiefnemer worden doorberekend (het principe: ‘de verstoorder betaalt’). het betrokken gebied naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Onderzoek naar de aanwezigheid van wrakken wordt vrijwel altijd gevraagd. In de kabinetsbrief Erfgoed Telt, de betekenis van erfgoed voor de samenleving96 kondigde het Schepen kunnen immers overal op zee zijn gezonken, dus geldt voor het aantreffen van kabinet aan extra prioriteit te geven aan de zorg voor het maritiem archeologisch erfgoed. Dit wrakresten per definitie een archeologische verwachting. Is de conclusie op basis van dit gebeurt binnen het Programma Maritiem Erfgoed Nederland van de Rijksdienst voor het rapport dat de activiteiten kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden, dan kan Cultureel Erfgoed (RCE), dat archeologische resten onder water monitort, waardeert en fysiek het bevoegd gezag aan de vergunning nadere voorschriften verbinden, zoals de verplichting beschermt. De zorg voor ons erfgoed onder water is een gedeelde inspanning, waaraan ook andere overheden, kennisinstellingen, handhavende instanties, maatschappelijke organisaties 97 Kamerstukken II, 2015-2016, 34300-VIII, nr. 146. Nederland heeft zich bij de goedkeuring van het verdrag in en vrijwilligers hun steentje bijdragen. De toenemende aandacht voor het cultureel erfgoed 2001 reeds aan de uitgangspunten en de annex van het verdrag gecommitteerd. 96 Kamerstukken II, 2017-2018, bijlage bij 32820, nr. 248. 87 tot het treffen van technische maatregelen tot behoud in situ, of tot nader inventariserend onderzoek en opgravingen. Ook kan de initiatiefnemer worden verplicht tot het laten begeleiden van de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van de maritieme

  89. 7.6 Gezonde en veilige fysieke archeologische monumentenzorg. Voor m.e.r.-plichtige mijnbouwactiviteiten, zoals diepe boringen en de aanleg van bepaalde pijpleidingen, wordt de bescherming van archeologische leefomgeving: recreatie en andere cultuurhistorische waarden meegenomen in de afweging bij de vergunning­ verlening. Ten slotte moet voorafgaand aan het bergen of ruimen van wrakken met een cultuurhistorische waarde een nadere afweging worden gemaakt. Bij deze afweging zijn de 7.6.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen uitgangspunten van de annex van het UNESCO-verdrag uit 2001 sturend. De Noordzee en de kust hebben een belangrijke maatschappelijke waarde die onder andere tot Acties uiting komt in het aantal recreanten dat naar zee en kust trekt. Het 250 km lange Nederlandse • Het kabinet ratificeert het Unescoverdrag ter bescherming van het cultureel erfgoed onder zandstrand met achterliggend duingebied is een trekpleister voor nationaal en internationaal water (2001). toerisme. Langs de kust liggen badplaatsen en jachthavens. Het kustgebied is goed voor circa 25 procent van de overnachtingen in de toerismesector, die voor Nederland als geheel 3 procent van Kennisagenda het bruto nationaal product en 5 procent van de werkgelegenheid vertegenwoordigt. • De archeo-geologische zoneringskaart van het gehele continentale plat zal met nieuwe informatie uit recente en toekomstige onderzoeken worden verfijnd. De recreatievaart met particuliere zeil- en motorboten en de chartervaart zijn belangrijke • De RCE doet onderzoek om de impact van werkzaamheden op het erfgoed onder water in activiteiten op de Noordzee. Voor de recreatievaart zijn de toegankelijkheid van voldoende en beeld te brengen. goed gefaciliteerde havens langs de Noordzeekust, de ruimte op zee en de veiligheid belangrijke beleidsaspecten. Ook sportvissers (recreatieve visserij met hengels) zijn in toenemende mate actief op zee. Ze vissen vanaf de oever, vanuit kleine boten en vanaf charterboten. Voor sport­

  90. 7.5.4 Beheer duikers zijn scheepswrakken geliefde doelen. Dicht bij de kust heeft zich een scala aan recreatie- activiteiten ontwikkeld: varen, surfen, waterskiën, zwemmen en daarnaast uiteenlopende Rijkswaterstaat is coördinerend beheerder op de Noordzee voor cultureel erfgoed. De beheerder strandactiviteiten. De verwachting is dat zee en kust in de toekomst steeds intensiever zullen bekijkt samen met de andere betrokken overheden, het ministerie van Defensie en het ministerie worden gebruikt voor diverse vormen van vrijetijdsbesteding. van OCW (voor deze de RCE) de beheeraspecten van cultureel erfgoed per situatie. De RCE geeft hierbij advies aan het bevoegd gezag over beheermaatregelen die nodig zijn om het cultureel De recreatie op de Noordzee wordt beïnvloed door (het toenemend ruimtegebruik van) andere erfgoed te kunnen behouden. gebruiksfuncties. Zonder speciale maatregelen zou de recreatievaart, vanwege de ligging van de windparken, steeds meer gebruik moeten maken van routes voor de reguliere scheepvaart. Het Programma Maritiem Erfgoed Nederland brengt het meest waardevolle erfgoed onder water Alvorens de schippers militaire oefengebieden doorkruisen, moeten ze de scheepvaartberichten in kaart, evenals de eventuele bedreigingen. Dit overzicht is leidend om aan de hand van een in de gaten houden. afwegingskader besluiten te nemen over de maatregelen om het erfgoed veilig te stellen. Denk aan het periodiek monitoren van de fysieke toestand, het afdekken van een wrak ter bescher- ming tegen erosie of het veiligstellen van de informatiewaarde door middel van een opgraving. De gewenste maatregelen worden vastgelegd in beheerplannen van de RCE en afgestemd met Rijkswaterstaat. 88

  91. 7.6.2 Visie, ambitie en opgaven Het beleid voor de recreatievaart als deelnemer aan het scheepvaartverkeer is beschreven in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 9 beschrijft de ruimtelijke ordening van de Noordzee, waarbij ook de Het recreatieve gebruik van de kust en de Noordzee is een belangrijk motief om daar een belangen van de recreatie zijn meegewogen. Hoofdstuk 10 gaat specifiek in op het beleidskader gezonde en veilige fysieke leefomgeving te bevorderen en te waarborgen. De NOVI noemt dit een voor doorvaart en medegebruik van windparken. nationaal belang. Maar omgekeerd brengt het recreatieve gebruik ook een aantal drukfactoren met zich mee. Bij de ruimtelijke ordening van de Noordzee is zee- en kustrecreatie een factor om Verduurzaming van toerisme en recreatie krijgt vorm via verschillende beleidsterreinen. Het rekening mee te houden. De algemene verduurzamingsopgave vereist het terugdringen van terugdringen van vervuiling, onder meer door afspraken met de sectoren in de Green Deal Schone verstoring en vervuiling van het Noordzee-ecosysteem door recreatiedruk. De intensiever stranden, is beschreven in hoofdstuk 3. Dat hoofdstuk behandelt ook het beschermen van wordende cruisescheepvaart leidt tot opgaven met betrekking tot logistiek en milieu. natuurgebieden, waaronder het terugdringen van verstoring door recreatie. Als onderdeel van de scheepvaart valt de kleine recreatievaart, tot aan cruiseschepen, onder (internationaal) beleid en regelgeving om vervuiling door de scheepvaart tegen te gaan, zoals beschreven in hoofdstuk 6. Omwille van het behoud van cultuurhistorische waarden zijn maatregelen genomen om

  92. 7.6.3 Beleid scheepswrakken te beschermen, zie paragraaf 7.5. De toenemende recreatie op zee en aan de kust kan gevolgen hebben voor het mariene ecosy- steem. Recreatievaartuigen en cruiseschepen stoten broeikasgassen uit en produceren onderwa- tergeluid. Het is nog onbekend wat de bijdrage is van recreatief onderwatergeluid ten opzichte van de commerciële scheepvaart. Inzicht in de hoeveelheid continu onderwatergeluid van recreatieve schepen is onderdeel van de KRM kennisagenda. Recreatie kan daarnaast leiden tot zwerfafval dat in de duinen en in zee terechtkomt. Daarom zijn er bewustwordings- en opruim- campagnes en werkt het Rijk met provincies en gemeenten verder aan het beleid voor de circulaire economie. Ook gelden voor de zeegaande recreatievaart verschillende gedragscodes en zijn er in jachthavens afvalvoorzieningen voorgeschreven. Met het Kustpact streven bij de kust betrokken overheden en maatschappelijke organisaties naar een balans tussen de ontwikkeling van de kust en het beschermen van haar kernkwaliteiten en collectieve waarden. Het Kustpact en het beleid voor woningbouw regelen dat kwetsbare natuur in de kuststreken wordt beschermd en dat daar niet wordt gebouwd. Het natuurbeleid regionaal en lokaal is een verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten. Het Rijk, ondernemers en markt- en kennisinstellingen werken samen in een netwerk om de toerisme- en recreatiesector te faciliteren en te stimuleren. Decentrale overheden zijn veelal in soortgelijk verband actief aan en nabij de kust. Het Rijk voert overleg met decentrale overheden en andere partijen als de ruimtelijke planning of andere beleidsontwikkelingen op de Noordzee invloed hebben op de zee- en kustrecreatie. 89

  93. 7.7 Meteorologische en hydro- logische informatievoorziening

  94. 7.7.1 Huidig gebruik en ontwikkelingen Op een aantal olie- en gasplatforms op de Noordzee staan sensoren die data inwinnen ten behoeve van overheidsdiensten. Zo heeft het KNMI op veertien olie- en gasplatforms meet­ instrumenten geplaatst voor meteorologische en oceanografische waarnemingen (zie figuur 7-a). Ook de Kustwacht, Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en Rijkswaterstaat hebben sensoren op dergelijke platforms. Deze gegevensinwinning is relevant voor verschillende gebruikers, waaronder het algemeen publiek, de overheid, opsporings- en reddingsdiensten, scheepvaart en verschillende typen luchtvaart. De basis voor deze constructie ligt in het Mijnbouwbesluit (artikel 52, derde lid). Daarin is bepaald dat een mijnbouwinstallatie kan worden voorzien van door het KNMI goedgekeurde apparatuur voor meteorologische en oceanografische waarnemingen. Vanwege de verwachte afname van het aantal olie- en gasplatforms op de Noordzee (zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.1) dreigt het huidige meetnetwerk te eroderen. In 2020 en 2021 zijn drie platforms waar tot die tijd metingen werden verricht, ontmanteld (F16A, 2020; Hoorn-A, 2021; en D15-FA-1, 2021; zie afbeelding 7-a). Hierdoor worden onder andere minder meteorologische gegevens op de Noordzee ingewonnen. De kans bestaat dat afnemers van KNMI-producten vaker te maken krijgen met risicovolle weersomstandigheden waarvoor niet tijdig of onvoldoende kon worden gewaar- schuwd. Daarnaast zou er een breuk komen in de langjarige meetreeksen in het kader van onderzoek naar de impact en duiding van klimaatverandering.

  95. 7.7.2 Visie, ambitie en opgaven Het toenemende gebruik van vooral het zuidelijke deel van de Noordzee leidt naar verwachting tot een groeiende behoefte aan data en advisering, bijvoorbeeld ten behoeve van scheepvaart- en luchtverkeer in de nabijheid van windparken. Het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en het waarborgen van waterveiligheid en klimaat­ Figuur 7-a: Overzicht meteorologische meetpunten Noordzee 90 bestendigheid zijn nationale belangen. De beschikbaarheid van meteorologische en hydro­ logische data en informatie vanaf gebiedsdekkende meetlocaties op de Noordzee is hiervoor cruciaal. De opgave is om het voortbestaan van dergelijke meetlocaties voor de toekomst te garanderen.

  96. 7.7.3 Beleid Het beleid is, rekening houdend met een toenemende behoefte aan data, gericht op continuïteit in de omvang en kwaliteit van de informatievoorziening op basis van voldoende waarnemingen op meetlocaties op het Nederlands continentaal plat. De databehoefte vanuit Rijkswaterstaat, LVNL en de Kustwacht voor de middellange termijn moet eveneens worden verkend. De samenhang tussen al deze behoeftes én de problematiek van de verbindingen tussen sensoren en vaste wal zijn belangrijke aandachtspunten. Acties Een interdepartementale werkgroep zal in opdracht van het Interdepartementaal Directeurenoverleg Noordzee (IDON) een voorstel voor een Uitvoeringsprogramma Digitalisering Noordzee met investeringsplan voor de realisatie daarvan opstellen. Hiertoe wordt eerst de toekomstige informatiebehoefte in beeld gebracht van de diverse stakeholders en de daarbij benodigde IV-infrastructuur en de connectiviteitseisen. De scope van het Uitvoeringsprogramma Digitalisering Noordzee is gericht op een digitaliserings­ opgave voor de middellange (2030-2040) en lange termijn (na 2040). De informatiebehoefte wordt uitgewerkt naar deze termijnen. 91 Programma Noordzee 2022 – 2027 92 8 Duurzame blauwe economie Blue Growth98 is de langetermijnstrategie van de Europese Commissie ter ondersteuning van de ontwikkeling binnen de maritieme sector van 8.1 Huidig gebruik bedrijfstakken met een hoog potentieel aan duurzame banen en duur- zame groei. De Europese Agenda Blue Growth van 2012, geactualiseerd in en ontwikkelingen 2017, noemt als speerpunten voor te ontwikkelen EU-beleid: aqua­ cultuur, zee- en kusttoerisme, hernieuwbare-energieproductie op zee, Najaar 2020 is de Europese Commissie gestart met een traject dat, in samenspel met de ambities van de Green Deal, uitmondt in een nieuwe benadering van de Duurzame blauwe economie. De blauwe biotechnologie en de exploratie van de diepzee. Europese Commissaris voor Milieu, Visserij en Oceanen heeft opdracht gegeven deze geïnte- Nederland heeft Blue Growth uitgewerkt onder de naam Duurzame blauwe greerde nieuwe benadering in de planperiode uit te werken en te implementeren. Duurzaam meervoudig ruimtegebruik van zee en kust en de op het ecosysteem gebaseerde planning economie (DBE) en daarbij gezorgd voor een bredere integratie in het al daarvan is een onderdeel van de nieuwe benadering. Nederland zal actief bijdragen aan de bestaande en voorgenomen beleid. Onder de door Nederland gehanteerde ontwikkeling, uitwerking en implementatie van deze strategie voor de Duurzame blauwe term Duurzame blauwe economie vallen, behalve de hiervoor bij Blue economie99. EU-kaders en -strategieën, zoals voor de verdere toename van energie van wind­ parken op zee100, zijn van belang voor de economie, het ecologisch herstel, de bescherming van Growth genoemde opkomende sectoren, alle andere takken van mariene natuurwaarden en voor onderzoek en innovatie in Nederland. Europese samenwerking bij deze en maritieme bedrijvigheid, inclusief visserij, scheepvaart, scheepsbouw, aspecten is voor het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid van belang in termen van schaalvergroting, opschaling van activiteiten, een level playing field, research and development en toeleverende bedrijven en de offshore in brede zin. Daarmee is Duurzame innovatie, en ook human capital en financiering. blauwe economie een krachtige aanjager en procesomgeving geworden voor tal van tot voor kort incidentele op duurzaamheid gerichte initiatieven. Thema’s die in de blauwe economie aandacht behoeven zijn: • Sectoraal beleid, inclusief vergroening scheepvaart. De EU volgt deze Nederlandse benadering, ook wat betreft het bepalen van • Uitrol van de opgave voor windenergie van zee. de omvang van de blauwe economie en de daaraan gerelateerde werk­ • Routekaart alternatieve energievormen en transportmogelijkheden daarvan (verkenning elektriciteit uit water, en kader voor ‘zon op zee’). gelegenheid. De opzet van de Nederlandse Maritieme Monitor zien we • Routekaart duurzame voedselproductie, waaronder zeewierkweek en schelpdierkweek. terug in het jaarlijkse Blauwe-economierapport van de Europese 99 Mededeling van de Commissie (COM (2021) 240 final): A new approach for a Sustainable Blue Economy in Commissie. the EU (https://www.eesc.europa.eu/en/our-work/opinions-information-reports/opinions/ new-approach-sustainable-blue-economy-eu) 98 Mededeling van de Commissie (COM(2012) 494 final): Blauwe groei: Kansen voor duurzame mariene en 100 Commissie mededeling (2020) 741: An EU Strategy to harness the potential of offshore renewable energy for maritieme groei (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52012DC0494&from=EN)] a climate neutral future (19.11.2020) 93 • • • Aandacht voor toerisme en de vrijetijdseconomie. Verduurzaming en innovatieve vormen van visserij. Overige kansen, zoals blauwe biotechnologie (zie toelichting in kader).

  97. 8.2 Visie, ambitie en opgaven • Blijvende ondersteuning van vergroening van bestaande sectoren in de blauwe economie, en van nieuwe opkomende duurzame initiatieven om een plek op zee te verkrijgen. De in 2015 vastgestelde mondiale Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030 van de Verenigde • Het voortzetten van de Community of Practice Noordzee. Naties (SDG)101 streven naar een duurzame omgang met onze planeet en naar het welzijn van zijn bewoners. Het behoud en duurzaam gebruik van de zeeën (SDG 14) kan bijdragen aan het bereiken van deze doelen en is integraal onderdeel van de Agenda Duurzame Ontwikkeling. Zo kan ook de blauwe economie bijdragen aan de ambities voor ‘Een wereld zonder honger’ (SDG 2) Mariene biotechnologie en aan ‘Duurzame en betaalbare energie voor iedereen’ (SDG 7). Duurzame energie draagt bovendien bij aan SDG 13 ‘Klimaatactie’. Schone scheepvaart is een van de pijlers voor een Het zeeleven heeft zich aangepast om te gedijen in de extreme omgevingscondities in Duurzame blauwe economie en biedt kansen voor Nederland. de zee. Blauwe biotechnologie houdt zich bezig met de verkenning en exploitatie van diverse mariene organismen om nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. De internationaal sterke positie van Nederland in de mondiale blauwe economie willen we op Verkenning van de biodiversiteit in de zee zou ons in staat kunnen stellen nieuwe duurzame wijze behouden. Dit betekent dat aandacht nodig is voor een slim samenspel tussen geneesmiddelen of industriële enzymen te ontwikkelen die bestand zijn tegen extreme nationale activiteiten en internationale kansen. De verduurzaming van de huidige activiteiten in omstandigheden en daardoor een hoge economische waarde hebben. Op de lange de blauwe economie en het ontwikkelen van nieuwe economische sectoren biedt Nederland de termijn wordt verwacht dat de sector hooggeschoolde werkgelegenheid en aanzien- kans om als maritiem land concurrerend en innovatief te blijven. Het bouwen aan deze ambitie lijke mogelijkheden verderop in de keten zal bieden. voor een Duurzame blauwe economie en het realiseren ervan stelt ons voor diverse opgaven. Deze liggen op het terrein van technologie, samenwerking, het opleiden van gekwalificeerd personeel en het aantrekken van investeringen, terwijl we continu oog blijven houden voor het mariene en kust-ecosysteem. Door in het perspectief van de Duurzame blauwe economie de krachten van diverse topsectoren te combineren, is veel te bereiken. De samenwerking tussen de Nederlandse voedselsector en de maritieme sector kan leiden tot succesvolle businesscases, net zoals samenwerking tussen de offshore bedrijvigheid rond olie en gas, windenergie op zee, zon op zee en elektriciteit uit water. Daarbij opgeteld kan natuurinclusief ontwerpen en bouwen met de natuur, in samenhang met natuurherstelprojecten, leiden tot een duurzaam profiel van de Nederlandse blauwe economie. De Noordzee zelf is bij uitstek een gebied om dit concept gestalte te geven en verder uit te bouwen. 101 Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development (25/09/2015). 94

  98. 8.3 Beleid 8.3.2 Noordzeebrede samenwerking Vooral voor de opkomende economische sectoren is het relevant om samen te werken, kennis en kunde te bundelen en ervaringen op te doen en uit te wisselen. Innovatieve pilots en

  99. 8.3.1 Verkenning Duurzame blauwe economie projecten in de Noordzeebuurlanden kunnen bijdragen aan de Nederlandse Duurzame blauwe economie. Verschillende Europese hulpmechanismen (projectfinanciering, onderzoeks- en De nieuwe blauwe economie op de Noordzee vraagt ruimte voor (opschaling van) robuuste matchmaking- programma’s rond de Duurzame blauwe economie) vereisen grensoverschrijdende pilots en eenduidig beleid met heldere uitgangspunten voor vergunningsverlening en locatie- samenwerking. Voor de ontwikkeling van de Duurzame blauwe economie in Nederland is het keuze. Het gaat hierbij om aquacultuur (teelt van – inheemse soorten – zeewieren en schelp­ daarom belangrijk aan te sluiten op Brussels beleid en op de ontwikkeling in andere (EU-)landen. dieren en daarnaast de passieve vangst van vissen, schaaldieren en inktvissen) en elektriciteit uit water en zon op zee. Van deze activiteiten moet worden aangetoond dat ze passen binnen de De opschaling van economische activiteiten op zee heeft uiteenlopende grensoverschrijdende ecologische draagkracht van de Noordzee, bijvoorbeeld wat betreft de aanwezige nutriënten. Die effecten, bijvoorbeeld ten aanzien van efficiëntie en veiligheid van ruimtegebruik in relatie tot ruimte kan worden gevonden binnen en buiten (te bouwen) windparken. Voor investerende doorgaande scheepvaart. En ook effecten op het mariene milieu en mogelijk sociaal­economische partijen is het van belang op tijd zicht hebben op haalbare business cases, risico’s, kansrijke effecten. Op grond van Europese richtlijnen is consultatie bij dergelijke grens­overschrijdende vergunningverlening en goede aansluiting van hun activiteiten op afnemers (op land). effecten verplicht. Het dient ook Nederlands eigen belang om de ontwikkelingen in het duurzaam gebruik van de Noordzee in samenhang te bezien met ontwikkelingen in andere Noordzeelanden. In 2021 is de Verkenning ‘Duurzame blauwe economie’ uit het Noordzeeakkoord gestart. De Dit voorkomt eventuele conflicten en schept idealiter synergie, en dat helpt bij het benutten van verkenning wordt tot 2027 voortgezet, waarbij tussentijds beleidsopties en marktkansen worden het poten­tieel van de Noordzee voor duurzame economische ontwikkeling. Goede voorbeelden uitgewerkt. De verkenning stuurt aan op een integrale realisatie van de beleidsdoelen van het van degelijke samenwerking in het Noordzeegebied zijn de North Seas Energy Cooperation (NSEC)102 en Programma Noordzee 2022-2027, met focus op innovaties in duurzame mariene voedsel­ de Supportgroup for spatial planning103. De North Seas Energy Cooperation ondersteunt en faciliteert de productie en op beleidsdoelen rond energie uit wind, water en ‘zon op zee’. Bij dit alles is er ontwikkeling van offshore netontwikkeling en het grote potentieel aan hernieuwbare energie in de aandacht voor kansrijke manieren van medegebruik van windparken. De realisatie is gebaseerd regio. Met de NSEC-partners wordt in de planperiode samen­werking gezocht op relevante op de informatie uit de gebiedspaspoorten per windpark, waarin de afweging plaatsvindt met onderwerpen, zoals projecten die binnen windparken kunnen plaatsvinden. De deelnemers aan de betrekking tot: Support group for spatial planning werken gezamenlijk aan coördinatie, kennisuitwisseling en best • natuurontwikkeling, natuurherstel en -bescherming; practices, gericht op de ontwikkeling van offshore wind- en netwerkprojecten. • vormen van en locaties voor passieve visserij (bijvoorbeeld manden en korven); • toegestane vormen van en locaties voor medegebruik door de ‘nieuwe blauwe economie’ Acties (bijvoorbeeld teelt van inheemse zeewiersoorten, mosselen en platte oesters en ‘elektriciteit • Opzetten en uitvoeren van een meerjarige verkenning Duurzame blauwe economie met als uit water’ en ‘zon op zee’). doel ontwikkeling van beleid en een routekaart. Het Rijk voert de verkenning samen met ondernemers, NGO’s, en kennisinstituten uit in de Community of Practice Noordzee. De De Community of Practice Noordzee (CoP) is het vliegwiel van de verkenning en de Duurzame verkenning volgt het PETER-principe (Productie, Economie, Techniek, Ecologie, en Risico’s & blauwe economie. De CoP is het platform waar alle Noordzeestakeholders – vertegenwoordigers Regulering), waarmee inzichtelijk wordt welke partijen voor welke onderdelen aan de lat van overheden, onderzoeks- en onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en NGO’s – elkaar ontmoe- staan. De verkenning moet duidelijkheid verschaffen of en welke meerwaarde het voor de ten en het gesprek of de discussie aangaan, waar initiatieven tot stand komen en waar men blauwe economie heeft als specifiek hiervoor een Maatschappelijk Meerjarig samenwerkt aan oplossingen. In september 2021 is tevens de Board of Support voor de CoP Innovatieprogramma en een Topconsortium Kennis en Innovatie worden opgezet. Noordzee van start gegaan, waarin verschillende vertegenwoordigers uit de CoP deelnemen, met als doel het netwerk een stimulans te geven en ontwikkelingen in de Duurzame blauwe 102 https://ec.europa.eu/energy/topics/infrastructure/high-level-groups/north-seas-energy-cooperation_en economie te vertalen naar de CoP Noordzee en haar organisaties. 103 Implementation of the Political Declaration on energy cooperation between the North Seas Countries 95 • Verstevigen van de banden met andere (EU-)landen op het terrein van Duurzame blauwe missies zijn hieronder genoemd. Dit zijn meerjarige maatschappelijke innovatieprogramma’s uit economie door uitwisseling van kennis en intensiveren van kennisrelaties. Dat gebeurt via de Kennis en Innovatieagenda (KIA) Landbouw, Water, Voedsel van de Topsectoren Agro & Food, deelname aan (bestaande Europese) economische samenwerkingsverbanden en door middel en Maritiem & Water. In aanvulling daarop richten de Maatschappelijke missies voor van een op te zetten samenwerkingsverband104 met Noordzee- en Oostzeelanden rond het Energietransitie en Duurzaamheid van de Topsector Energie zich op de langere termijn op een thema emerging challenges & solutions in Maritime Spatial Planning, met als specifiek onderwerp breder spectrum van vormen van duurzame energiewinning dan windenergie alleen. Duurzame blauwe economie. Verschillende vormen van ‘blauwe’ energie, zoals zon op zee, passen in die benadering. • Stimuleren van de ontwikkeling van pilots voor meervoudig gebruik van ruimte op de Noordzee naar het niveau van doorontwikkelde startondernemingen (scale-ups) en verder Missie A Kringlooplandbouw opgeschaalde ondernemingen (scalers). Deze ontwikkeling vindt onder meer plaats via experimenten dichter bij de kust (nearshore) en in de EEZ (offshore). A4 Eiwitvoorziening uit (nieuwe) plantaardige bronnen • Het Rijk zet in op grootschalig experimenteren met duurzaam medegebruik van windparken Het relevante onderdeel van dit MMIP is: (innovatieve voedsel- en energieproductie, al dan niet in combinatie met natuur­ • Het ontwikkelen van duurzame, gezonde voor de consument aantrekkelijke plantaardige ontwikkeling). De schaalgrootte van dergelijke experimenten zal voldoende basis moeten eindproducten. bieden voor doorontwikkeling. De windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord) komen het eerst voor deze experimenten in aanmerking. Afhankelijk A5 Biodiversiteit in de kringlooplandbouw van resultaten en omgevingscondities is vervolgens stapsgewijs opschaling mogelijk naar Het doel van dit MMIP is een impuls te geven aan de ontwikkeling, verspreiding en doorwerking windparken die verder in de toekomst worden gerealiseerd. Tegelijkertijd is ook dichter bij de van kennis en innovatie voor het herstel en de benutting van biodiversiteit in de kringloop­ kust (nearshore) een aantal pilots in andere gebieden dan windparken voorzien. Het Rijk stuurt landbouw. Deze doelstelling beslaat de volle breedte van alle samenhangende aspecten rond de samen met de hierbij betrokken partners aan op goede banden met initiatieven binnen begrippen biodiversiteit, kringlooplandbouw en de uiteenlopende typen kennis en innovatie windenergiegebieden en met het regime voor vergunningverlening. Zie hiervoor ook het die nodig zijn voor de realisatie van het doel. Afwegingskader medegebruik. • Het innovatieplatform en netwerk Community of Practice Noordzee vormt het instrument om de Missie B Klimaatneutrale landbouw en voedselproductie Duurzame blauwe economie te stimuleren en te komen tot concrete initiatieven. Aanvullend wordt voor samenwerking aansluiting gezocht bij Europese partners, zoals nationale B4 E11D Verhoging vastlegging koolstof in bos en natuur maritieme clusters. Er is meer kennis nodig over de biomassaketen in de kustzone. Waar komt biomassa vandaan • Het Rijk heeft de ambitie om een monitoringprogramma op te zetten voor het in kaart (mariene productie), hoe zijn de ketens georganiseerd (rol beheerder, producenten, afnemers, brengen van de ecologische effecten van (grootschalig) meervoudig gebruik. eindgebruikers), waar worden de verschillende biomassastromen nu voor gebruikt en hoe is dit gebruik vanuit een duurzaamheidsperspectief te optimaliseren? Kennisagenda In het kader van het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid105 (zie ook het Kennis- en De binnen deze missie relevante kennis- en innovatieopgave is: Innovatie Convenant (KIC)), heeft het kabinet in 2019 zijn beleidsambities als grondslagen voor 3) beheer van ecologische systemen in schelpdierproductie in de Waddenzee en de Zeeuwse beleidsdoelen rond een aantal grote maatschappelijke thema’s vastgelegd in missies. Een aantal wateren, maar ook specifiek de kansen voor natuurontwikkeling (ecosysteemdiensten) gekoppeld missies, inclusief de daarmee verbonden beleidsthema’s en meerjarige missiegedreven innova- aan biomassaproductie en het vastleggen van CO₂ in de kustzone (Blue Carbon). Wereldwijd komt er tieprogramma’s (MMIP’s), is essentieel voor de ontwikkeling van de Duurzame blauwe economie steeds meer aandacht voor combinaties van duurzame landbouw/visteelt, kustbescherming, op de Noordzee. Alleen de relevante onderdelen voor de Duurzame blauwe economie van die natuurherstel en CO₂-vastlegging (Blue Carbon Solutions). 104 https://www.msp-platform.eu/ 105 Kennis- en Innovatieconvenant 2020-2023 (11/11/2019). 96 B6 E12B Productie en gebruik van biomassa Missie F Nederland is en blijft de best beschermde en leefbare delta Deelthema’s die bijdragen aan de duurzame blauwe economie zijn: Nederland is ook in de volgende eeuw de best beschermde en leefbare delta ter wereld. De 1) verhoging biomassaproductie met verdubbelde fotosynthese in 2050 en zeewierteelt. stijging van de zeespiegel en de sterke schommelingen in de afvoer van rivieren vragen dan wel om een nieuwe aanpak. Missie C is voor het Programma Noordzee 2022-2027 niet relevant. F3 Nederland Digitaal Waterland Missie D Gewaardeerd, gezond en veilig voedsel Het MMIP ‘Nederland Digitaal Waterland’ geeft inhoud en vorm aan de ambitie van Nederland Mechanismen als waardecreatie en verdienvermogen zijn in te zetten voor het vergroten van de om voorop te (blijven) lopen bij digitalisering van (en ten behoeve van) het waterbeheer. waardering voor voedsel uit de Noordzee en voor het versterken van het vertrouwen in de Daarmee kan Nederland een voorbeeld zijn voor andere landen. Onze kennis en kunde van de daarvoor verantwoordelijke voedselproductiesector (LNV-visie Waardevol Verbonden). Het is watersector is dan nog beter aan het buitenland te verkopen. bovendien nodig om onverkort te blijven inzetten op voedselveiligheid. Dit is essentieel voor de De inzet van dit MMIP is daarom: samenhang brengen in de ontwikkeling en toepassing van productie en consumptie van voedsel uit de Noordzee. data-inwinning, -beheer, -analyse en -weergave (visualisatie) in relatie tot het fysieke systeem (water en bodem), de infrastructuur en het gebruik ervan (waterkeringen, smart water systems, Missie E Duurzame en veilige Noordzee, oceanen en binnenwateren autonoom varen, energiewinning, verkeer en transport et cetera). Beheer- en onderhouds­ In 2030 zijn in Nederland de ecologische draagkracht, waterveiligheid en waterkwaliteit van opgaven kunnen daardoor duurzamer, efficiënter en betrouwbaarder worden uitgevoerd. Voor mariene wateren in balans met de vraag naar hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere de uitvoering van deze MMIP is – nog meer dan al gebruikelijk – een cross-sectorale benadering economische activiteiten. In 2050 geldt dit – met inbegrip van de zoetwatervoorziening – ook nodig, met inbegrip van een verbinding met de sleuteltechnologie ICT. Het is evident dat de voor de rivieren, meren en intergetijdengebieden (estuaria en wadden). ontwikkelde digitale systemen bestand zijn tegen cybercrime. Het MMIP ‘NL digitaal waterland’ omvat de ontwikkeling van kennis, concepten, ondersteunende E1 Duurzame Noordzee technologie en maximale implementatie in de praktijk (opschaling van bestaande en nieuwe pilots Het MMIP Duurzame en veilige Noordzee richt zich op het ontwikkelen van duurzaam en veilig tot concrete toepassingen). meervoudig menselijk gebruik van een robuust Noordzee-ecosysteem en op verdieping van het inzicht in de rekgrenzen van dit ecosysteem. De focus ligt daarbij op medegebruik van activiteiten Sleuteltechnologieën voor natuurontwikkeling, voedselproductie, scheepvaart en andere economische activiteiten, Doorontwikkeling van een aantal sleuteltechnologieën is cruciaal voor het welslagen van de binnen de ruimte die is toegewezen voor hernieuwbare energiewinning en de daarvoor benodigde missies die de Duurzame blauwe economie mogelijk maken. infrastructuur. Er zijn aparte MMIP’s ‘Visserij’ (Missie E) en ‘Biogrondstoffen’ (Missie B) uitgewerkt. Deze drie MMIP’s kunnen niet los van elkaar worden gezien. E5 Visserij Het MMIP Visserij richt zich op het ontwikkelen van een ecologisch én socio-economisch duur- zame kust- en zeevisserij op de Noordzee ter bevordering van een dynamische visserijsector, een goede levensstandaard voor visserijgemeenschappen en een goede status van de visbestanden en het mariene milieu. Dit MMIP vormt, samen met de apart uitgewerkte MMIP’s ‘Duurzame en veilige Noordzee’ (Missie E) en ‘Biogrondstoffen’ (inclusief zeewier) (Missie B) een integraal geheel. 97 Community of Practice Noordzee 8.4 Beheer De Community of Practice is het vliegwiel van de verkenning Duurzame blauwe economie. Het is een door RVO ondersteund platform, waar alle Noordzeestakeholders elkaar Het Programma Noordzee 2022-2027 beschrijft in hoofdstuk 10 verschillende beleidsinstrumenten ontmoeten, het gesprek of de discussie aangaan, initiatieven nemen, leren van elkaar die een directe relatie hebben met de Duurzame blauwe economie: en samenwerken aan oplossingen. Het doel is duurzame initiatieven van de markt goed • het Beleidskader doorvaart en medegebruik in windenergiegebieden op de Noordzee; te laten aansluiten op de trajecten die voor vergunningverlening moeten worden • de Handreiking gebiedspaspoort voor windenergiegebieden op de Noordzee; doorlopen. • het Afwegingskader medegebruik in windparken; • het Afwegingskader vergunningplichtige activiteiten Noordzee; Enkele issues die bij het ontwikkelen van nieuwe projecten (pilots of volwaardige • het Afwegingskader kunstmatige eilanden. business-cases) naar boven zijn gekomen zijn: • onduidelijkheid met betrekking tot vergunningverlening, niet alleen voor de Onder de overige relevante wet- en regelgeving vallen onder meer de Waterwet, de Wet natuur­ Waterwet, maar ook andere benodigde vergunningen (bij welke overheid moeten bescherming, de Mijnbouwregeling en de Visserijwet. we, voor wat en in welke fase zijn?); • technologische vereisten voor het werken op zee, met name binnen windparken Het is mogelijk dat initiatieven in het vergunningverleningstraject vragen oproepen over (medegebruik); haalbaarheid, betaalbaarheid of voldoende toepasbaarheid van beleidskaders en regelgeving. Als • scope en mate van detail van ecologisch onderzoek (aan de voorkant in een MER dat tot gevolg heeft dat de vergunningsprocedure mogelijk niet succesvol verloopt, kunnen de en qua monitoring); desbetreffende initiatiefnemers gebruikmaken van het CoP Noordzee-mechanisme om hun • ontbreken van bepaalde juridische of beleidskaders (bijvoorbeeld aanlanding van voorstel te laten toetsen. Rijkswaterstaat, een van de vergunningverlenende instanties, maakt elektriciteit uit andere bronnen dan windparken op zee); hiervan deel uit. • financieringsvormen (met of zonder subsidies van de Nederlandse overheid) voor bepaalde fasen in het project/de projectontwikkeling naar marktvolwassenheid; • exportondersteuning via specifieke regelingen en het creëren van een referentie- project in Nederland. Initiatiefnemers blijven ook binnen de Community of Practice uiteindelijk verantwoorde- lijk voor het uitwerken van hun business-cases, risico’s en investeringsbeslissingen. De overheid is verantwoordelijk voor het, op passende momenten, mogelijk maken van vergunningverlening door het scheppen van kaders en het laten uitvoeren van strategisch onderzoek naar (cumulatie van) milieueffecten. 98 Programma Noordzee 2022 – 2027 99 9 Ruimtelijke ordening

  100. 9.1 Ruimtelijk beeld 2022-2027 Het Noordzeeakkoord (NZA) geeft mede richting aan de noodzakelijke ruimtelijke afweging voor de verschillende gebruiksfuncties. Het bereiken van een balans tussen de transities rondom voedsel, natuur en energie staat centraal. Daarbij wordt rekening gehouden met de belangen van andere gebruikers zoals zeescheepvaart en zandwinning. De drie transities hangen sterk samen: • Het mariene ecosysteem staat onder druk. Het gebruik van de Noordzee neemt in de

  101. 9.1.1 Ontwikkelingen in balans komende planperiode en de jaren daarna toe, onder meer door de verduurzaming van de energievoorziening en het groeiende scheepvaartverkeer. Toenemend gebruik is alleen De Noordzee is een waardevol en kwetsbaar ecosysteem, en kent tegelijk een groot aantal verantwoord als dat samengaat met herstel en behoud van het Noordzee-ecosysteem. De gebruiksfuncties zoals scheepvaart, visserij, windenergie, olie- en gaswinning, zandwinning, ecologische draagkracht is randvoorwaarde voor het individuele en cumulatieve gebruik. defensie en recreatie. De Nederlandse Noordzee behoort tot de meest intensief benutte zeeën ter Daarbij is het ecosysteem van de Noordzee geen statisch gegeven. Objecten en installaties wereld. De voorgaande hoofdstukken 3 tot en met 8 beschrijven het beleid en de ruimtevragen creëren nieuwe leefgebieden (habitats) en kunnen bijdragen aan de natuur. Ook de gevolgen van de verschillende functies en activiteiten. Hoofdstuk 9 zet uiteen hoe tijdens deze plan­ van klimaatverandering leiden tot dynamiek. Nieuwe kennis, verdieping van inzicht en het periode de verschillende vormen van gebruik een plek kunnen krijgen in het gebied. Een aanvullend monitoren van de Noordzee zijn dan ook noodzakelijk om beleid en beheer te doorkijk op de lange termijn naar de Noordzee in 2050, wanneer alle gebruiksfuncties succesvol kunnen optimaliseren. zijn verduurzaamd, is daarbij richtinggevend. Het gebruik van de Noordzee moet efficiënt en • Het aantal windparken op de Noordzee en de daarmee verbonden activiteiten zoals uitbrei- veilig zijn, maar ook passen binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Het ding van de opslag van energie op zee en het transport van zee naar land, zullen fors vinden van de juiste maatschappelijke balans om dit mogelijk te maken is de hoofdopgave voor uitbreiden. Dit is een keuze om te voldoen aan de randvoorwaarden van het Klimaatakkoord de ruimtelijke inrichting van de Noordzee. en het Akkoord van Parijs. Gelet op de belangen van het ecosysteem en andere gebruiks­ functies is een zorgvuldige afweging geboden. De technologische dynamiek rondom In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de beleidskeuze vastgelegd om de klimaat­ windenergie op zee vraagt om een adaptieve planning, bijvoorbeeld in relatie tot de verdere doelstellingen voor 2030 en 2050 te halen door de noodzakelijke duurzame energieproductie ontwikkeling van kennis over de ecologische draagkracht, de potentie van natuur­ grotendeels te realiseren door middel van windparken op de Noordzee. De NOVI constateert dat versterkende maat­regelen, de inzet van waterstof, de aanleg van kunstmatige eilanden in zee de ruimte op de Noordzee in de toekomst schaarser zal zijn dan ooit. Het krachtenveld tussen en de ontwikkeling van alternatieve vormen van mariene energiewinning. De winning van natuurbescherming en -herstel, voedselvoorziening, windenergie op zee, scheepvaart en de fossiele brandstoffen wordt geleidelijk uitgefaseerd. overige nationale belangen uit de NOVI, dwingt tot − in sommige gevallen scherpe – keuzes. Dit • De Noordzee is voor vissers van cruciale betekenis en ten diepste verbonden met de sociaal­ zijn keuzes, gemaakt of in voorbereiding, over het samengaan, scheiden en prioriteren van economische en culturele basis van lokale gemeenschappen. Het is voor de visserij van gebruik, over investeringen in verduurzaming en kennis en over adaptief beleid. Meervoudig doorslaggevend belang om de sector om te vormen tot een rendabele en duurzame bedrijfstak ruimtegebruik, gebaseerd op de kwaliteiten van het gebied, krijgt gestalte op grond van de die naar aard en omvang past bij de nieuwe situatie op de Noordzee. Deze transitie vraagt om gebiedsverkenningen en handreikingen gebiedspaspoort, en de beleids- en afwegingskaders heroriëntatie en uiteindelijk herstructurering van de vloot. Dit is niet alleen een ecologische voor doorvaart en medegebruik (zie paragraaf 10.1 tot en met 10.3). Ook het verkennen en verder noodzaak en een (bedrijfs)economische realiteit, maar ook een sociaal-maatschappelijk realiseren van een duurzame economie speelt hierbij een rol (zie hoofdstuk 8). vereiste. Naast de visserij vragen een toenemende ideevorming en ontwikkeling op het gebied van aquacultuur om ruimte op de Noordzee. 100 De transities op het gebied van natuur, voedsel en energie hebben niet alleen een onderlinge te wijzen gebieden (10,7 GW) is voor de periode na 2030 nog ruimte nodig voor 17 GW. Voor het samenhang, maar moeten ook zijn afgestemd met ander gebruik zoals zeescheepvaart, aanwijzen van deze toekomstige windenergiegebieden zal het Programma Noordzee 2022-2027 zandwinning, defensie en recreatie. Dit hoofdstuk presenteert integrale oplossingen die gericht ná de definitieve vaststelling in maart 2022 partieel worden herzien. zijn op maatschappelijke baten op de lange termijn, in een context van adaptieve ruimtelijke planning. Op de Noordzee vinden ook olie- en gasactiviteiten plaats. Deze activiteiten spelen nu nog een belangrijke rol in de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening. Aardgas is belangrijk bij de levering van warmte aan huizen, de industrie en in de productie van elektriciteit. Het

  102. 9.1.2 Ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen kabinet streeft ernaar om zo snel mogelijk naar een klimaatneutrale energievoorziening over te gaan. Daarom wordt onder andere ingezet op het reduceren van de vraag naar aardgas door Energiewinning op de Noordzee onder meer energiebesparing en alternatieve energiebronnen en -dragers te stimuleren. In het In het NZA zijn afspraken gemaakt over de toename van windenergie op zee en de daarvoor NZA is de gaswinning op de Noordzee nadrukkelijk geplaatst in het kader van realiseren van de benodigde ruimte. Toename van windenergie op zee is nodig om de CO₂-uitstoot van onze doelstellingen van het Akkoord van Parijs. energievoorziening te verminderen en zodoende mondiale, Europese en nationale klimaat­ doelen te behalen. Om de Europese klimaatdoelstelling ‘vermindering van de uitstoot met 49 Het terugbrengen van de vraag naar aardgas vergt tijd. De verwachting is dat aardgas de komende procent ten opzichte van 1990 vóór 2030´ te realiseren, moeten Nederlandse windparken op zee decennia nog noodzakelijk is. Zolang dat het geval is, heeft gaswinning uit de Nederlandse vanaf dat peiljaar jaarlijks 49 TWh duurzame elektriciteit produceren. Dat komt neer op circa 11,5 kleine gasvelden de voorkeur boven import, waar dit veilig en verantwoord kan. Daardoor vindt GW geïnstalleerd windvermogen. In april 2021 zijn de EU-doelen aangescherpt tot 55 procent minder CO₂-uitstoot plaats. Bij geïmporteerd gas is de CO₂-uitstoot namelijk 20-30% hoger dan CO₂-reductie in 2030. De Stuurgroep Extra Opgave106 geeft aan dat voor deze versnelling 10 GW bij gaswinning in Nederland, omdat dit gepaard gaat met transport over grotere afstanden en gerealiseerd windvermogen op zee nodig is, aanvullend op bestaande plannen en windparken. met minder milieuvriendelijke productietechnieken. Aansluitend hierop verzoekt de breed gedragen en aangenomen motie-Boucke107 het kabinet om in 2021 minimaal ruimte voor 10 GW aan te wijzen, bedoeld voor windenergie op zee. Het doel Een deel van de aardgasinfrastructuur is mogelijk te gebruiken voor de ondergrondse opslag van op de lange termijn is dat de Nederlandse energievoorziening in 2050 geheel CO₂-neutraal is. CO₂. Op dit moment is sprake van twee concrete initiatieven. Het gaat om het project Porthos, Volgens PBL-scenario’s108 is daarvoor 38 tot 72 GW windenergie op zee nodig (zie hoofdstuk 5). dat voorziet in transport en opslag van CO₂ nabij de kust van Zuid-Holland. Een tweede initiatief voor toekomstig transport van CO₂ is Aramis. Het gaat hier om een pijpleiding van de Maasvlakte De routekaart 2030 geeft aan in welke eerder aangewezen windenergiegebieden windparken richting opslaglocaties ten noordwesten van Den Helder. Voor dit project is een Rijkscoördinatie­ gerealiseerd kunnen worden om tot 10,8 GW te komen. Voor het bereiken van 49 procent procedure gestart. Hierbij wordt de ruimtelijke inpassing onderzocht in samenhang met CO₂-reductie in 2030 is er nog een tekort van 0,7 GW. Dit betekent dat, samen met de 10 GW die bestaande activiteiten en toekomstige ontwikkelingen, met het oog op een integrale afweging nodig is voor het bereiken van 55 procent CO₂-reductie, tot en met 2030 extra ruimte nodig is over het ruimtegebruik. voor 10,7 GW. Hiertoe worden in dit Programma Noordzee windenergiegebieden aangewezen. Aanvullend geeft dit Programma Noordzee de zoekgebieden aan voor de opgave om ná 2030 De verwachting is dat na 2030 het transport van energie met moleculaire energiedragers zoals windenergie op zee verder te ontwikkelen, met als uitgangspunt het minimumscenario van het waterstof zal toenemen. Dit kan betekenen dat na 2030 duurzame energieopwekking verder op Planbureau voor de Leefomgeving (38 GW totaal geïnstalleerd windvermogen op zee in 2050). zee kosten-effectiever wordt. Ook hiervoor is mogelijk de al aanwezige energie-infrastructuur te Aanvullend op de ruimte in de bestaande Routekaart 2030 (10,8 GW) én de in dit Programma aan benutten. Dit wordt onderzocht. In de periode voor 2030 zijn enkele projecten voorzien gericht op het testen en demonstreren van (grootschalige) waterstofproductie op zee voor 2030. 106 Kamerstukken II 2020-21, 32 813, nr. 683. Innovaties in vormen van duurzame energieproductie, anders dan met windturbines, is een 107 Kamerstukken II 2020-21, 35 668, nr. 21. aandachtspunt voor het Rijk in deze planperiode. Te denken is aan zonneparken op zee. Gegeven 108 Klimaatneutrale energiescenario’s 2050: Scenariostudie ten behoeve van de integrale infrastructuurverken- de kansen en onzekerheden voor zonneparken op zee kiest het kabinet ervoor om deze ning 2030-2050. Berenschot & Kalavasta. 101 ontwikkeling in de innovatiefase te ondersteunen en belemmeringen weg te nemen109. Daarmee de context te plaatsen van ontwikkelingen in de gehele internationale Noordzeeregio en van het houdt het rijk de weg open voor de doorgroei naar een marktrijpe optie als substantiële, Europese Gemeenschappelijke Visserijbeleid (GVB). goedkope duurzame energiebron voor de verdere toekomst. Voor de korte termijn is het vooral van belang om grote proefprojecten mogelijk te maken. Het Rijk verwacht dat deze techniek Een andere vorm van voedselwinning op zee is aquacultuur. Door meervoudig gebruik van de voor 2030 nog niet grootschalig (meer dan 1 GW) zal zijn in te zetten. De ontwikkelingen na ruimte in windparken ontstaan hiervoor mogelijkheden (zie hoofdstuk 4). In het coalitie­ 2030 zijn afhankelijk van uitkomsten van nader onderzoek en pilots. Het Rijk onderzoekt in het akkoord 2021-2025 is aangegeven dat, gezien de uitdagingen voor de visserij, er voldoende kader van gebiedsverkenningen en gebiedspaspoorten welke locaties binnen windenergie­ ruimte en perspectief moet zijn voor innovatie en diversificatie. Samen met vissers en de andere gebieden geschikt zijn voor andere vormen van duurzame energiewinning. Daarbij wordt steeds partners in het Noordzeeoverleg zal hier het komende jaar mee aan de slag worden gegaan. de afweging gemaakt tussen de verschillende vormen van medegebruik en inpasbaarheid. Scheepvaart Natuur De scheepvaart op de Noordzee is divers en intensief. Ontwikkelingen in het gebruik van de De natuurgebieden op zee leveren een bijdrage aan het behalen van de wettelijk verplichte Noordzee kunnen van invloed zijn op scheepvaart(routes). De aanleg van windparken brengt doelstellingen van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie extra clearway-reserveringen en mogelijke routeringsmaatregelen met zich mee om de inter­ (KRM), en aan de ontwikkeling van het ecologische netwerk van natuurgebieden (zie hoofdstuk nationale doorvaart, veiligheid en bereikbaarheid van zeehavens te garanderen. Daarnaast zal 3). Met het behalen van deze doelstellingen draagt Nederland bij aan de EU-ambities voor het scheepvaartverkeer in toenemende mate gebruik gaan maken van noordelijke polaire routes. biodiversiteit in 2030, als onderdeel van de Europese Green Deal. De ruimtelijke afspraken die in Ondanks (inter)nationale inspanningen om de opwarming van de aarde zo veel mogelijk te dit Programma Noordzee op basis van het NZA worden voorgesteld, onderstrepen onze beperken, worden deze routes door de afname van poolijs steeds meer bevaarbaar. nationale ambitie. Het breed gedragen streven naar herstel en behoud komt in een tijd waarin De noordelijke routes zijn niet alleen van belang voor het doorkruisen van de polaire route, de gevolgen van klimaatverandering, de visserij en de grootschalige aanleg van windparken op maar ook voor de bereikbaarheid van de Scandinavische landen en de Baltische Zee. Vanwege de zee reden zijn tot zorg. De toename van verschillende activiteiten op de Noordzee en de toenemende verkeersintensiteit zijn over de betreffende routes internationale afspraken nodig. ruimtelijke claims die daarbij horen, zijn alleen toelaatbaar als het ecosysteem van de Noordzee Deze zijn essentieel voor het garanderen van de bereikbaarheid en de concurrentiepositie van de deze kan dragen. Het Programma Monitoring Onderzoek Natuurversterking en Soorten­ Nederlandse havens. bescherming (MONS) werkt aan kennisleemten over de draagkracht van het ecosysteem (zie hoofdstuk 11). Als gevolg van windparkontwikkeling zijn maatregelen nodig om een vlotte en veilige scheep- vaart te kunnen borgen. Binnen windenergiegebieden is doorvaart toegestaan in speciaal Voedselwinning aangewezen doorvaartpassages, bedoeld voor schepen met een lengte tot 46 meter (zie paragraaf De verdere uitrol van windenergie op zee heeft verdere inkrimping van het bevisbare areaal tot 10.1). Om de windparken heen worden veiligheidsmarges gehanteerd, volgens het gevolg. Daarnaast heeft de sector te maken met gebiedssluitingen om te voldoen aan wettelijke ‘Ontwerpcriterium veilige afstanden tussen scheepvaartroutes en windparken op zee’ uit 2013 verplichtingen op het gebied van natuur én met afspraken in het NZA. Ook nieuwe verkeers- (zie bijlage 3). scheidingsstelsels voor de scheepvaart kunnen leiden tot visserijbeperkende maatregelen. Dergelijke routeringsmaatregelen zijn in dit Programma Noordzee nog niet aan de orde, maar Paragraaf 9.3.2 gaat in op maatregelen voor de scheepvaart die nodig zijn bij de windenergie- worden voor de langere termijn wel verkend. Afname van het areaal aan visgronden leidt tot gebieden die in dit Programma Noordzee worden aangewezen. Paragraaf 9.4 beschrijft ontwik- toename van visserijdruk in overige gebieden. Deze verdringingseffecten zijn op dit moment kelingen na 2030, waarvoor op een zoekgebiedenkaart ruimtelijke indicaties zijn gegeven. Bij niet te kwantificeren en zijn evenmin los te zien van andere belangrijke ontwikkelingen die het nemen van maatregelen wordt rekening gehouden met de toenemende omvang van schepen gevolgen hebben voor de visserijvloot (zoals het pulsverbod en Brexit). Gelijksoortige ontwikke- (zie hoofdstuk 6). In 2022 worden de resultaten bekend van onderzoek naar de cumulatieve lingen voltrekken zich bij buurlanden. Het is dan ook zaak de belangen van de visserijsector in effecten op scheepvaartveiligheid. Hierbij worden zowel de aangewezen windenergiegebieden beschouwd als de zoekgebieden voor de periode na 2030. 109 Nader uit te werken in Routekaart Zon op Water. 102

  103. 9.1.3 Leeswijzer Paragraaf 9.2 geeft een toelichting op het voorgenomen ruimtelijke beleid voor de thema’s natuur, visserij/voedselvoorziening, windenergie op zee, scheepvaart, zandwinning, kabels en leidingen en militaire activiteiten. Deze paragraaf gaat in op de structuurvisie en het ruimtelijke beleid. Kaart 3, de structuurvisiekaart, brengt dit beleid in beeld. Paragraaf 9.3 onderbouwt de aanwijzing van nieuwe windenergiegebieden en beschrijft de relatie met de ecologische draagkracht en de betekenis hiervan voor andere gebruiksfuncties. In dit verband worden voorwaarden, vertrekpunten en actiepunten beschreven die gelden bij de nadere uitwerking in de Routekaart 2030+ en de daaropvolgende kavelbesluiten. Paragraaf 9.4 beschrijft aan welke zoekgebieden en ruimtelijke verkenningen voor windenergie en scheepvaart wordt gedacht voor de periode na 2030. Dit is ten behoeve van een partiële herziening van dit Programma Noordzee, die vanaf 2022 wordt voorbereid. Paragraaf 9.5 handelt over de relevante land-zee-interacties en paragraaf 9.6 over de maritieme ruimtelijke planning in internationale context. 103

  104. 9.2 Structuurvisiekaart 2022-2027 Het Programma Noordzee geldt volgens artikel 4.1 van de Waterwet als structuurvisie voor de Noordzee als bedoeld in artikel 2.3 lid 2 Wet ruimtelijke ordening. De structuurvisiekaart biedt overzicht over alle ruimtelijke functies op de Noordzee in de beleidsperiode 2022-2027. Deze paragraaf gaat per functie in op het ruimtegebruik. Visserijgegevens ontbreken op de structuur­ visiekaart, omdat de visserij in beginsel overal toegang heeft, mits er geen beperkende maatregelen gelden. Overigens zijn er wel aanzienlijke verschillen in de betekenis van gronden voor de visserij. Natuur in relatie tot visserij (voedselvoorziening) Op basis van de NOVI worden de nationale belangen ‘het realiseren van een goede leefomgevings- kwaliteit in Nederland’, en – mede in aansluiting op de Sustainable Development Goals – ‘het waarborgen van een goede leefomgevingskwaliteit en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit’ uitgewerkt. Ook de omslag naar duurzame visserij is in de NOVI benoemd als nationaal belang. Om instandhoudingsdoelen voor Natura 2000- en KRM-gebieden te halen, worden conform de afspraken in het NZA in onderstaande gebieden ruimtelijke maatregelen genomen (zie ook kaart 2: Natuurgebieden op de Noordzee in hoofdstuk 3.3): • Bruine Bank (Natura 2000): - in 2021 is de Bruine Bank aangewezen als Vogelrichtlijngebied.110 111; - opstellen van een Natura 2000-beheerplan binnen drie jaar na het aanwijzen; - mogelijke (visserij)maatregelen als gevolg van de nadere effectenanalyse. • Friese Front (Natura 2000 en KRM) voor 2023; - opstellen van een Natura 2000-beheerplan; - het gesloten gebied voor bodemberoerende visserij wordt uitgebreid met 1.014 km2; - van het geheel wordt een deel een ‘no fisheries zone’ van 1.649 km2; - een deelgebied van 100 km2 wordt aangewezen voor oesterherstel; 110 Het kavelbesluit voor het windenergiegebied IJmuiden Ver houdt met de begrenzing van de kavels rekening met de aanwijzingsprocedure als Vogelrichtlijngebied. 111 Stcrt. 2021, 48715. Bekendmaking aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Bruine Bank, Ministerie van Kaart 3: Structuurvisiekaart Noordzee Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 104 - aan de rand wordt een ander deelgebied van 100 km2 aangewezen voor onderzoek naar de natuurhersteldoelen, criteria, definities en randvoorwaarden uit. De daarvoor relevante afspraken in langetermijneffecten van de boomkor en pulskor; hier mag onder voorwaarden bodem­ het Noordzeeakkoord vormen het vertrekpunt voor de Nederlandse inzet bij deze uitwerking. beroerend worden gevist. • Doggersbank (Natura 2000): - voor 2023 uitbreiding van het Natura 2000-gebied met als doel het voor bodem­ Windenergie op zee beroerende visserij gesloten gebied met 557 km2 te vergroten; - voor 2023 verbod op flyshoot in de 1.326 km2 managementzones; De ruimtelijke planning van windenergie op zee is een nadere uitwerking van het in de NOVI - aanpassen van het beheerplan. genoemde nationale belang ‘het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energie­ • Klaverbank (Natura 2000): voorziening, die in 2050 CO₂-neutraal moet zijn, inclusief de daarbij benodigde hoofd­ - voor 2023 uitbreiden van het voor bodemberoerende visserij gesloten gebied (exclusief infrastructuur’. In het Klimaatakkoord is opgenomen dat windenergie op zee hierin een Botney Cut) met 552 km2; belangrijke rol in speelt. Het Programma Noordzee vult de ruimtelijke planning van windenergie - mogelijk aanpassen van het beheerplan. op zee voor de periode 2022-2027, met een doorkijk naar de lange termijn, als volgt in: • Centrale Oestergronden (KRM) voor 2023: - uitbreiden van het voor bodemberoerende visserij gesloten gebied met 1.062 km2. Windenergiegebieden waarin al windparken zijn gerealiseerd of gepland, of waarin al sprake is van • Borkumse Stenen (KRM) voor 2023: (ontwerp)kavelbesluiten, of waarin volgens de vastgestelde Routekaart windenergie op zee 2030 - instellen van voor bodemberoerende visserij gesloten gebied van 683 km2 (zie hiervoor kavelbesluiten zijn gepland, blijven windenergiegebied. De gebieden IJmuiden Ver (noord) en het hoofdstuk 3). zuidelijk deel van Hollandse Kust (west) worden herbevestigd als aangewezen windenergiegebied. Voor de Noordzeekustzone wordt, conform het VIBEG II-akkoord, de artikel 11-procedure uit het In vergelijking met de Beleidsnota Noordzee 2016-2021, als onderdeel van het NWP 2016-2021, geldt Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) gestart. Doel is de huidige gesloten gebieden te verplaat- (zie de structuurvisiekaart): sen en deze ruimtelijke beperkingen voor zowel de Nederlandse als buitenlands gevlagde • De begrenzing van Hollandse Kust (west) is aan de west- en oostzijde aangepast om te zorgen vissersvloot te laten gelden. voor een vloeiende begrenzing langs de omliggende scheepvaartroutes. Aan de noordzijde is de begrenzing aangepast om ruimte te maken voor een clearway IJmuiden-Newcastle. Vanaf 2021 zal in het MONS-programma onderzoek worden uitgevoerd naar de verspreiding van • In het zuidelijk deel van IJmuiden Ver (noord) wordt ruimte vrijgehouden voor een clearway zandkokerwormriffen (Sabellaria). Voor 2025 wordt onafhankelijk onderzocht of de Hollandse Kust, (zie paragraaf 9.3.2 voor de breedte hiervan). de Vlakte van de Raan, de Borkumse Stenen, de Klaverbank, de Doggersbank en de Centrale • De zuidelijke begrenzing van het windenergiegebied IJmuiden Ver is aangepast vanwege de Oestergronden voldoen aan de selectiecriteria112 voor aanwijzing als Vogelrichtlijngebieden (zie aanwijzing van de Bruine Bank als Vogelrichtlijngebied. hoofdstuk 3). Ruimtelijke beperkingen die onder het huidige beleid van toepassing zijn, zoals in de • Noord Hinder is opgeheven als windenergiegebied, omdat dit gebied in de aanloop van de Voordelta en de Vlakte van de Raan, worden voortgezet. Op internationaal gebied is de inzet om de haven van Rotterdam ligt en te klein is. geldende beperkende visserijmaatregelen in het Nederlandse deel van de Scholbox ongedaan te • Hollandse Kust (noordwest en zuidwest) zijn geschrapt als windenergiegebieden, vanwege de maken. belangen van visserij, natuur en scheepvaart. Aanwijzen van deze gebieden wordt ook niet heroverwogen als onderdeel van de partiële herziening voor de periode ná 2030. In de biodiversiteitsstrategie van de EU is opgenomen dat in 2030 tenminste 30 procent van het totale • Nieuw aangewezen als windenergiegebied zijn de gebieden 1, 2 en 5 (oost). zeegebied van de lidstaten wordt beschermd. Tenminste een derde daarvan moet dan strikt zijn - Bij gebied 1 gaat het om de delen 1 (zuid) en 1 (noord), waartussen een clearway zal komen beschermd. Tussen 2021 en 2023 werken de Europese Commissie en de lidstaten wettelijk bindende (zie paragraaf 9.3.2 voor de breedte hiervan). - Bij gebied 2 gaat het om de delen 2 (zuid) en 2 (noord). Op de kaart is 2 (zuid) afgebeeld als 112 Natura 2000 Vogelrichtlijngebieden – Bijlage 1: selectiecriteria en methode van begrenzing. Link: NvA 1 een deelgebied begrensd door windenergiegebied IJmuiden Ver (noord) en defensie- Bijlage 1 Selectie en begrenzing (natura2000.nl) oefengebied EHD41. Het deelgebied 2 (noord) ligt ten noorden van EHD41. 105 - Bij gebied 5 (oost) gaat het om een gebied grenzend aan de scheepvaartroute East-Friesland. Scheepvaart Dit gebied grenst aan Duitsland. Aan de doorgaande scheepvaartroute worden aan beide zijden van de grens windparken gepland. Daarom wordt samen met Duitsland bekeken Het in stand houden en verder ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit, hoe breed veiligheidsmarges moeten zijn. Hiertoe is ruimte voor een brede veiligheids- waaronder de scheepvaartroutes, is in de NOVI als nationaal belang aangemerkt. Op de marge op de structuurvisiekaart ingetekend. structuurvisiekaart is het bestaande scheepvaartstelsel te zien, evenals bestaande ankergebieden • Bij de aanwijzing van windenergiegebieden 1, 2 en 5 (oost), en de herbevestiging van en clearways. Paragraaf 9.3.2 beschrijft mogelijke clearway-reserveringen in verband met nieuwe windenergiegebieden IJmuiden Ver (noord) en het zuidelijk deel van Hollandse Kust (west) windenergiegebieden op zee. Paragraaf 9.4 geeft een nadere toelichting op toekomstige geldt de voorwaarde dat in het totaal van deze gebieden tot en met 2030 niet meer dan 10,7 ontwikkelingen waaronder de Northern Sea Route. GW aan windparken wordt gerealiseerd. Tevens geldt de voorwaarde dat deze ontwikkeling past binnen de ecologische draagkracht. Daarbij is sprake van een adaptieve planning. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat aangewezen windenergiegebieden uiteindelijk niet of Zandwinning gedeeltelijk in gebruik worden genomen. • In deze gebieden is meer ruimte voor de realisatie van windparken aanwezig (in totaal voor 16,7 Gegarandeerde beschikbaarheid van voldoende en betaalbaar zand draagt bij aan de nationale GW). Deze ‘ruime’ aanwijzing biedt de noodzakelijke flexibiliteit om in het vervolgtraject belangen waterveiligheid en klimaatbestendigheid, en aan belangen in de sfeer van woning- richting kavelbesluiten rekening te kunnen houden met beperkingen en belangen gerelateerd bouw, mobiliteit en vestigingsklimaat. De strook zeewaarts van de doorgaande NAP-20m aan andere functies, ecologische waarden en aanlandingsmogelijkheden. Hiermee samen­ dieptelijn tot 12 nautische mijl uit de kust blijft gereserveerd voor de winning van zand voor de hangende voorwaarden, vertrekpunten en actiepunten zijn beschreven in paragraaf 9.3. kustverdediging en voor ophoogzand ten behoeve van de bouw en de infrastructuur. Het winnen • De (delen van) windenergiegebieden die voor de periode tot en met 2030 afvallen, worden van schelpen is toegestaan zeewaarts van de NAP-5m dieptelijn in hoeveelheden die overeen- heroverwogen voor de periode ná 2030. Dit gebeurt tijdens een partiële herziening van dit stemmen met de natuurlijke aanwas. Programma Noordzee, waarbij ook andere zoekgebieden worden betrokken (zie paragraaf 9.4). • Echter, de gebieden Hollandse Kust (noordwest en zuidwest) en Noord Hinder vallen definitief af als windenergiegebied en zullen geen onderdeel zijn van deze partiële Olie- en gaswinning herziening. Het Afwegingskader voor het bepalen van de veilige afstand tussen windparken en mijnbouw­ installaties, ten behoeve van helikoptervluchten, is aangevuld (zie bijlage 4). Olie- en gaswinning op de Voedsel/visserij Noordzee blijft binnen de grenzen van het Klimaatakkoord. In het NZA is de gaswinning op de Noordzee nadrukkelijk geplaatst in het kader van realiseren van de doelstellingen van het Akkoord De ruimte voor sleepnettenvisserij zal als gevolg van meer areaal voor natuurgebieden en van Parijs. Gekozen wordt voor een gestage afbouw, waarbij gas wordt gewonnen zolang en in zoverre windparken verder afnemen. Om de ruimte op de Noordzee efficiënt te benutten en daarbij gas nog nodig is, en alleen waar dit veilig kan. Dit kan enkele decennia duren. De bestaande tevens meer ruimte voor alternatieve vormen van voedselwinning te creëren, wordt ingezet op gasinfrastructuur wordt onderzocht op geschiktheid voor eventueel hergebruik voor het transport aquacultuur en passieve visserij, onder andere in windparken. Daarnaast vormen het NZA en de van waterstof. Hergebruik van bestaande infrastructuur beperkt de ruimtelijke impact en ecologische Kottervisie een basis voor onderzoek en innovaties om effecten op en mogelijkheden voor de effecten van waterstoftransport. Op termijn kunnen specifieke platforms mogelijk dienstdoen in het visserij te onderzoeken en/of te ontwikkelen. Zie hiervoor hoofdstuk 4. In het NZA is tevens kader van Carbon Capture and Storage (CCS). vastgelegd dat internationaal overleg wordt gevoerd over het ongedaan maken van visserij­ beperkende maatregelen in de Scholbox. 106 Tijdelijke parkeerfaciliteit modernisering en nieuwbouw van Op basis van keuzes in de Verkenning aanlanding windenergie op zee (VAWOZ)113, starten ruimtelijke procedures voor toekomstige kabeltracés. Dit gebeurt in samenhang met het boorplatforms opstellen van een nieuwe routekaart windenergie 2030+ en met de voorbereiding van kavelbesluiten. Binnen de Agenda voor het Waddengebied is afgesproken met alle partijen een gezamenlijk Bij initiatieven op zee die een groot oppervlak beslaan, kan het Rijk een ruimtelijke reservering gedragen oplossing te zoeken voor een tijdelijke parkeerfaciliteit in de buurt van de haven van voorschrijven voor de doorgang van toekomstige kabels en leidingen. Alsnog verplaatsen en Den Helder voor het faciliteren van de modernisering en nieuwbouw van boorplatforms. bundelen van bestaande kabels in het desbetreffende gebied brengt hoge kosten met zich mee en wordt daarom niet nagestreefd. Kabels en Leidingen De verwachte toename van medegebruik in windparken vergt dat ook voor infield kabels van een windpark onderhoudszones moeten worden aangehouden. Uit onderzoek is gebleken dat voor Het realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit is van het veilig kunnen uitvoeren van het onderhoud aan weerszijden van infield kabels een ruimte vrij nationaal belang, evenals de benodigde hoofdinfrastructuur voor het realiseren van een moet blijven van 250 meter. betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening. In geval van nieuwe leidingen en telecommunicatiekabels geeft het Rijk aanwijzingen over hoe deze zich tot bestaande windparken en windenergiegebieden moeten verhouden. Buiten Kabels en leidingen worden zo gesitueerd en aangelegd dat zij geen gevaar of belemmering gebruik gestelde kabels en leidingen (die onder de Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken vallen en vormen voor andere nationale belangen. Gedurende de looptijd van dit Programma Noordzee na 2000 aangelegd zijn) worden opgeruimd, tenzij de maatschappelijke baten van laten liggen zal het Rijk uitwerken hoe om te gaan met conflicten tussen nationale belangen. Aan weers­ groter zijn dan de maatschappelijke kosten. zijden van kabels en leidingen op de Noordzee geldt een veiligheids- en onderhoudszone van 500 meter. Bij de aanleg van windparken wordt ten opzichte van bestaande leidingen en elektriciteitskabels in principe een zone van 500 meter aangehouden en ten opzichte van Militaire activiteiten telecommunicatiekabels een zone van 750 meter. Met het oog op efficiënt ruimtegebruik kunnen onderhoudszones van kabels en leidingen, waar mogelijk, worden verkleind. Het zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten is een nationaal belang uit de NOVI. De bestaande voor militaire doeleinden aangewezen gebieden Bij de planning van de aanleg van nieuwe kabels en leidingen streeft het Rijk, in overleg met de blijven gehandhaafd (zie structuurvisiekaart). Verplaatsing van EHD41 is overwogen, maar dit initiatiefnemer, naar zoveel mogelijk parallel lopende tracés. Voor het doorkruisen van de blijkt door de aanwezigheid van mijnbouwplatforms niet mogelijk voor 2030. Op langere vastgestelde zandwinzone zijn voorkeurtracés bepaald (zie structuurvisiekaart), uitgaande van de termijn kan deze situatie veranderen. Om op langere termijn extra ruimte te scheppen voor beschikbaarheid van winbaar zand en de mogelijke locaties voor aanlandingspunten van kabels windenergie worden de mogelijkheden onderzocht voor verplaatsing van EHD41 na 2030. Voor en leidingen. Om de ruimte op de Noordzee efficiënt te gebruiken, worden elektriciteitskabels, EHD42, een defensie-oefengebied dat overlap heeft met zoekgebied 4, worden de mogelijk­ telecommunicatiekabels en buisleidingen zoveel mogelijk gebundeld. Het Afwegingskader heden van meervoudig gebruik onderzocht (zie paragraaf 9.4). Randvoorwaarde bij toekomstige activiteiten op de Noordzee is uitgebreid en aangescherpt om het beleid van bundeling te besluiten over EHD41 en EHD42 is dat de operationele bruikbaarheid van de oefengebieden kunnen uitvoeren (zie paragraaf 10.5). gegarandeerd blijft. 113 Effectanalyse Verkenning aanlanding windenergie op zee (VAWOZ), Afwegingsnotitie, Ministerie van EZK, september 2021. 107 Behoud van het cultureel erfgoed onderwater De NOVI noemt het behoud en versterken van cultureel erfgoed als nationaal belang. Het

  105. 9.3 Nieuw aan te wijzen wind- archeologische erfgoed in en op de zeebodem maakt hier deel van uit. Het beleid is dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in de bodem (in situ) behouden blijft. Door archeologische energiegebieden in relatie tot vindplaatsen vroegtijdig te inventariseren, kunnen in de Noordzee in-situ behoud en ruimtelijke ontwikkelingen meestal goed samengaan. Als in-situ-behoud niet mogelijk blijkt, kan het de voorkeur hebben om de archeologische vindplaats op te graven en zodoende de informatiewaarde natuur en ander gebruik ervan veilig te stellen (zie paragraaf 7.5). Windenergiegebieden zijn aangewezen op basis van een samenhangende afweging van ecologi- sche effecten, de gevolgen voor andere gebruiksfuncties, tijdige realiseerbaarheid van windparken en maatschappelijke-kosteneffectiviteit. De onderbouwing van keuzes is beschreven in paragraaf

  106. 9.3.1. Aan de aanwijzing en herbevestiging van windenergiegebieden zijn voorwaarden, vertrek- punten en actiepunten voor het vervolgtraject verbonden, gericht op de evenwichtige ontwikkeling die dit Programma Noordzee beoogt. Deze zijn beschreven in paragraaf 9.3.2.

  107. 9.3.1. Onderbouwing keuzes van nieuw aan te wijzen windenergiegebieden Trechtering van in aanmerking komende zoekgebieden tot en met 2030 In het Ontwerp Programma Noordzee van maart 2021 zijn zoekgebieden geïdentificeerd voor de bouw van windparken ten behoeve van de CO₂-reductiedoelen die in 2030 moeten worden behaald. In een eerste trechtering is bepaald welke zoekgebieden (zie kaart in paragraaf 9.4) afvallen als windenergiegebied vóór 2030. • De zoekgebieden 3, 6 en 7 zijn pas na 2030 te ontwikkelen omdat aanlanding (transport van opgewekte elektriciteit) niet tijdig realiseerbaar is. Bij zoekgebied 3 speelt de geïsoleerde ligging en de afstand van het gebied mee. Bij zoekgebieden 6 en 7 geldt bovendien dat de aanleg van elektriciteitsinfrastructuur op dit moment niet rendabel of weinig kosteneffectief is. Op langere termijn kan transport via moleculaire energiedragers zoals waterstof hier een rol spelen. • Zoekgebied 4 is niet voor 2030 realiseerbaar omdat dit overlapt met defensieoefengebied EHD42. Verplaatsing van EHD42 is niet mogelijk gebleken. Eventuele mogelijkheden van gecombineerd gebruik vragen om onderzoek dat niet tijdig is af te ronden voor een besluit over realisatie van een windpark vóór 2030. 108 • Zoekgebieden 8 en 5 middenberm hebben te maken met verhoogde scheepvaart-veiligheids- • Na weging van de ecologische effecten114 115 116 117 118 119, effecten op ander gebruik120 121 122, mogelijk- risico’s die nu nader worden onderzocht. Verdere afwegingen hieromtrent vragen meer tijd. heden voor aanlanding123 en maatschappelijke kosteneffectiviteit124 125 126 is geconcludeerd dat Omdat gebied 5 middenberm van invloed is op een internationale scheepvaartroute en aan zowel IJmuiden Ver (noord) als het zuidelijk deel van Hollandse Kust (west) kunnen worden Duitsland grenst, is overleg en onderzoek samen met Duitsland nodig. herbevestigd als windenergiegebied. Dit wordt toegelicht in paragraaf 9.3.2. Daarin komen ook de daarmee samenhangende voorwaarden, vertrekpunten en actiepunten voor het vervolg­ De bovengenoemde gebieden zijn in dit ruimtelijk plan opgenomen als zoekgebieden voor de traject aan bod. windenergie-op-zee opgave na 2030, maar zijn vóór 2030 geen potentiële windenergiegebieden • Hollandse Kust (zuidwest) en Hollandse Kust (noordwest) zijn zeer ongunstig als wind­ (zie paragraaf 9.4). energiegebied in relatie tot visserij, natuur en scheepvaart. Omdat in de overgebleven gebieden voldoende ruimte is voor de opgave die voortkomt uit het 55 procent CO₂- Omgang met nog onbenutte delen van bestaande windenergiegebieden reductiedoel, worden deze gebieden geschrapt als windenergiegebied. Niet alleen vóór 2030, In het NWP 2016-2021 zijn de nog onbenutte windenergiegebieden IJmuiden Ver (noord), maar ook na 2030. Hollandse Kust (zuidwest) en Hollandse Kust (noordwest) aangewezen. Ook is er nog onbenutte ruimte in het zuidelijk deel van Hollandse Kust (west). Overwogen is of herbevestiging van deze gebieden nodig en mogelijk is. 114 Advice on future assessment of ecosystem effects from offshore wind farms, Advice for KEC, Deltares (Van • Bij IJmuiden Ver (noord), waar ruimte is voor 2 GW, is sprake van synergievoordelen in relatie Duren), oktober 2021. tot de ontwikkeling van IJmuiden Ver. Hierdoor is IJmuiden Ver (noord) relatief snel te 115 Cumulative population-level effects of habitat loss on seabirds ‘KEC 4.0’ report C070/21, Wageningen ontwikkelen. Daarom komt IJmuiden Ver (noord) in aanmerking voor herbevestiging. University & Research (Soudijn et al.). • Het zuidelijke deel van Hollandse Kust (west), waar ruimte is voor de ontbrekende 0,7 GW om 116 Cumulative impact assessment of collisions with existing and planned offshore wind turbines in the southern het 49 procent CO₂-reductiedoel te kunnen bereiken, is eveneens snel en kosteneffectief te North Sea. Analysis of additional mortality using collision rate modelling and impact assessment based on population modelling for development according to roadmap 2030 and Versnelling, Bureau Waardenburg ontwikkelen. Daarom komt het zuidelijk deel van Hollandse Kust (west) in aanmerking voor (Potiek et al.), oktober 2021. herbevestiging. In het noordelijk deel van Hollandse Kust (west) worden bovendien al kavelbesluiten voorbereid. 117 Windenergie op zee volgens Programma Noordzee, Advies voor het vermijden van effecten op populaties van zeezoogdieren door de versnelde aanleg van windparken in de periode 2016 – 2030, Heinis en De Jong, oktober 2021. 118 Aanvullende Passende Beoordeling voor het Aanvullend Ontwerp van het Programma Noordzee 2022-2027, Pondera (Van de Bilt et al.), oktober 2021. 119 Aanvullende PlanMER voor het Aanvullend Ontwerp van het Programma Noordzee 2022-2027, Pondera (Van de Bilt et al.), oktober 2021. 120 Zie voetnoot 119. 121 Aanvullende analyse van de economische effecten van inrichtingsvarianten voor de Noordzee tot 2040/2050, Wageningen Economic Research (Roebeling et al.), juni 2021. 122 Inzicht in de sociaaleconomische waarde van de zoekgebieden windenergie op de Noordzee 2030-2050 voor de Nederlandse visserij, Wageningen Marine Research (Deetman et al.), december 2020. 123 Zie voetnoot 113. 124 Zie voetnoot 121. 125 Zie voetnoot 122. 126 Determination of the cost levels of wind farms (and their grid connections) in new offshore wind energy search areas, WOZ2180096. BLIX Consultancy BV & partners, december 2020. 109 Nieuw aan te wijzen windenergiegebieden In de zoekgebieden 1, 2 en 5 (oost) uit het Ontwerp Programma Noordzee van maart 2021 is tijdige ontwikkeling van windparken voor 2030 haalbaar. Deze gebieden zijn op de structuur­ visiekaart gezet en worden aangewezen als windenergiegebied. Hierbij is rekening gehouden met het behoud van ruimte voor defensie-oefengebied EHD41. Ten behoeve van de aanwijzing zijn ecologische effecten,127 effecten op ander gebruik,128 mogelijkheden voor aanlanding129 en maatschappelijke kosteneffectiviteit130 in kaart gebracht en afgewogen. Bij het bepalen van de maatschappelijke kosteneffectiviteit zijn de energieopbrengsten en aanlegkosten beschouwd, inclusief aanlanding131. Ook zijn inschattingen gedaan over maatregelen ten behoeve van scheepvaartveiligheid132 en voor opbrengstverliezen van de visserij133. In de herbevestigde en nieuwe gebieden tezamen is in fysieke zin ruimte voor 16,7 GW. Voor het aanwijzen van deze windenergiegebieden is de voorwaarde gesteld dat er tot en met 2030 maximaal 10,7 GW wordt ontwikkeld. Paragraaf 9.3.2 beschrijft voorwaarden, vertrekpunten en actiepunten die samenhangen met overwegingen bij de nadere verdeling van de benodigde ruimte voor 10,7 GW over de beschikbare ruimte, die groter is. Deze betreffen de ecologische draagkracht, mogelijkheden van aanlanding, omgang met ander gebruik (scheepvaart, mijn- bouw en visserij) en multifunctioneel gebruik binnen windparken (waaronder recreatie, visserij, aquacultuur en andere duurzame energievormen). Ruim aanwijzen nu geeft flexibiliteit om in een later stadium (delen van) windenergiegebieden onbenut te laten ten behoeve van een optimale ruimtelijke inpassing en om ecologische effecten te beperken. Zandwinning komt niet aan de orde in de voorwaarden, vertrekpunten en actiepunten; de aangewezen windenergie­ gebieden liggen daarvoor te ver van de kust. Bij de voorbereiding van kavelbesluiten wordt onderzocht hoe om te gaan met archeologische waarden, dit volgens de wettelijke kaders. 127 Zie voetnoot 114, 115, 116, 117, 118 en 119. 128 Zie voetnoot 119, 121 en 122. 129 Zie voetnoot 113. 130 Zie voetnoot 121, 122 en 126. 131 Zie voetnoot 113. 132 Zie voetnoot 121. 133 Zie voetnoot 122. 110 Vervolgtraject in context van ruimtelijke adaptieve planning Aanwijzen windenergiegebieden Tendering en bouw Het aanwijzen van nieuwe en het herbevestigen van bestaande windenergiegebieden Na een genomen kavelbesluit volgt kaveluitgifte via een tenderprocedure. Met deze omvat een ruimtelijke reservering in het Programma Noordzee. Het is een eerste stap in procedure wordt de toekomstige windparkexploitant geselecteerd. Deze kan vervolgens een proces dat na het opstellen van een routekaart uitmondt in kavelbesluiten, waarin de de bouw voorbereiden en realiseren. locaties van windparken meer in detail worden bepaald. Volgens artikel 3, tweede lid, van de Wet windenergie op zee kan een kavelbesluit alleen worden genomen in de daartoe Samenhang met aanlanding aangewezen windenergiegebieden. Voor het aanwijzen van windenergiegebieden wordt De planvorming over windenergiegebieden en kavelbesluiten enerzijds en elektriciteits- een integrale afweging gemaakt, waarbij gebruik wordt gemaakt van uiteenlopende infrastructuur anderzijds geschiedt in onderlinge afstemming en samenhang. Voor de onderzoeken. Tevens is een PlanMER inclusief Passende beoordeling nodig. kabeltracés van het net op zee gelden afzonderlijke procedures. Eerst wordt in een informele verkenning onderzocht welke kabeltracés kansrijk zijn. Daarna volgen voor de Routekaart kansrijke alternatieven ruimtelijke procedures waarin verschillende alternatieven/ Het ministerie van EZK stelt de Routekaart windenergie op zee op in afstemming met varianten voor kabeltracés worden onderzocht. Alleen als er kansen zijn voor aanlanding andere departementen en na een participatieproces met belanghebbende partijen. In de wordt een windenergiegebied aangewezen. Een kavelbesluit wordt alleen genomen op routekaart wordt bepaald voor welke van de aangewezen windenergiegebieden locaties vanwaar de opgewekte elektriciteit naar land is te transporteren. daadwerkelijk kavelbesluiten worden voorbereid. Dit proces gaat gepaard met een integrale afweging, gebruikmakend van onderzoeken naar ecologische effecten en Kennisontwikkeling inpassingsmogelijkheden ten opzichte van ander gebruik. In het bovenbeschreven traject, dat inclusief realisatie 8 tot 10 jaar in beslag kan nemen, wordt steeds gebruikgemaakt van actuele kennis en voortschrijdende inzichten. Als het Kavelbesluit gaat om kennis over ecologische effecten wordt gebruik gemaakt van het Kader Ecologie Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet windenergie op zee kan de minister van en Cumulatie (KEC). Van tijd tot tijd wordt het KEC geactualiseerd op basis van de meest KenE in overeenstemming met de ministers van IenW en NenS een kavelbesluit nemen. recente inzichten, die verkregen zijn door onderzoek, onder andere in bestaande In dit besluit wordt de locatie van een windpark bepaald en ook de noodzakelijke windparken. Dat betekent dat in de tijd tussen de ruimtelijke reservering van de voorwaarden die samenhangen met ecologische effecten en ander gebruik. Deze windenergiegebieden en de kavelbesluiten kennisleemten worden ingevuld met actuele integrale afweging wordt onderbouwd op basis van gedetailleerde onderzoeken, kennis en voortschrijdend inzicht, met het oog op ecologische draagkracht, een optimale gebiedsverkenningen en een project-MER, inclusief Passende beoordeling. ruimtelijke inpassing en de mogelijkheden van meervoudig gebruik. 111

  108. 9.3.2 Voorwaarden en afspraken voor vervolgtraject 2.1 De uitgevoerde onderzoeken laten zien dat de ecologische ruimte op de Noordzee beperkt is; hier geldt het voorzorgsbeginsel in relatie tot instandhoudingsdoelen en het bereiken van de windenergie-op-zee goede milieutoestand volgens Europese wettelijke kaders. Als voorwaarde bij de aanwijzing geldt dat de betreffende kennisleemten worden ingevuld, voordat onomkeerbare stappen Aan de aanwijzing van windenergiegebieden zijn de hieronder genoemde voorwaarden, worden gezet. Op het moment dat kavelbesluiten worden genomen, dient de benodigde vertrekpunten en actiepunten verbonden, gericht op het vervolgtraject. Hiermee wordt rekening ecologische ruimte te zijn aangetoond. Waar nodig moeten mitigerende maatregelen gehouden bij de totstandkoming van Routekaart 2030+ en de voorbereiding van kavelbesluiten. worden voorgeschreven. Ook natuurversterkende maatregelen kunnen bijdragen aan de Over deze voorwaarden, vertrekpunten en actiepunten is consensus bereikt met het ecologische ruimte. Noordzeeoverleg, het orgaan van stakeholders, waaronder het Rijk, dat overlegt over de uitvoering van het Noordzeeakkoord. 2.2 Om binnen de ecologische draagkracht te kunnen blijven, wordt ingezet op kennisvermeer- dering en natuurversterkende maatregelen. De hieronder omschreven onzekerheden en 1. Maximaal 10 GW + 0,7 GW tot en met 2030 kennisleemten geven mede richting aan het benodigde onderzoek naar natuur-inclusieve De aangewezen windenergiegebieden IJmuiden Ver (noord), zuidelijk deel Hollandse Kust ontwikkeling van windenergie op zee. Voorkomen moet worden dat de windparken voor (west), en de windenergiegebieden 1, 2 en 5 (oost) bieden maximaal ruimte voor 16,7 GW aan 2030 zo veel ecologische ruimte gebruiken dat dit de realisatie van windparken na 2030 windenergie. De voorwaarde is dat hiervan tot en met 2030 maximaal ruimte voor 10,7 GW verder compliceert. Daarom worden aanvullend de kwetsbaarheden die verband houden wordt benut. In welke gebieden en in welke volgorde de beschikbare ruimte wordt gebruikt met de windenergie-opgave na 2030 in kaart gebracht. In het kader van het Programma voor windparken, wordt besloten in het kader van de Routekaart 2030+. Het ministerie van Monitoring, Onderzoek, Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS) en het EZK stelt deze in afstemming met andere departementen op. Hierover vindt een integrale Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep) wordt de komende jaren het nodige afweging plaats. De (deel)gebieden die niet gebruikt worden, worden heroverwogen als onderzoek uitgevoerd. Een extra impuls is nodig om de gesignaleerde kennisleemten tijdig windenergiegebied voor de periode na 2030, waarbij ook de zoekgebieden voor na 2030 te vullen. worden beschouwd. Deze heroverweging is onderdeel van een partiële herziening van het Programma Noordzee. 2.3 Voor twee soorten is op grond van de huidige stand van kennis en de huidige werknormen de ecologische grens bereikt. Het betreft de Zilvermeeuw en de Jan-van-gent.137 Maar er zijn 2. Ecologische draagkracht: onderzoek en natuurversterkende maatregelen ook specifieke onzekerheden over de dichtheid van de Zilvermeeuwpopulaties en over de De ontwikkeling van windparken is alleen mogelijk binnen de beschikbare ecologische mate waarin de Jan-van-gent uitwijkt voor windturbines. Uit nader onderzoek naar deze ruimte en het daarbij te hanteren voorzorgsbeginsel. In dat licht gelden de hieronder aspecten kan blijken dat voor deze twee soorten toch voldoende ecologische ruimte beschreven voorwaarden en actiepunten. Bij het bepalen van de ecologische effecten van beschikbaar is. Voordat onomkeerbare stappen worden gezet, worden de betreffende windparken in de nieuwe windenergiegebieden is gebleken dat voor de meeste soorten en onzekerheden nader onderzocht. Natura 2000-gebieden de ontwikkeling van 10,7 GW aan windparken mogelijk is binnen de ecologische ruimte.134 135 136 Voor een beperkt aantal soorten en aspecten is dat kritisch – op 2.4 Voor de Drieteenmeeuw en Grote Mantelmeeuw geldt dat de ontwikkeling van 10,7 GW basis van de huidige stand der kennis en met specifieke onzekerheden daaromtrent. haalbaar lijkt binnen de ecologische ruimte.138 Of dat geldt bij iedere mogelijke verdeling van Daarover zijn specifieke afspraken opgenomen. 10,7 GW over de beschikbare ruimte is nog onzeker. Dit wordt nader onderzocht bij het bepalen van de ruimtelijke verdeling van toekomstige windparken. 134 Zie voetnoot 114, 116, 117, 118 en 119. 135 Achtergronddocument Passende Beoordeling Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee, vogels, vleermuizen, vissen en benthos, Bureau Waardenburg (Gyimesi et al.), oktober 2021. 136 Windenergie op zee 2016-2030, inclusief zoekgebieden voor versnelling aanleg, cumulatieve effecten op 137 Zie voetnoot 116, 118, 119 en 135. zeezoogdieren, Heinis, oktober 2021. 138 Zie voetnoot 116, 118, 119 en 135. 112

  109. 2.5 Bij het bepalen van effecten op zeezoogdieren is gebleken dat bruinvissen het meest 3. Sprong naar het noorden kwetsbaar zijn. De ontwikkeling van 10,7 GW is op basis van de huidige kennis alleen De ambitie is om bij het aanwijzen en benutten van windenergiegebieden maximaal in te haalbaar als tijdens de bouw van windparken een geluidsnorm van SELSS (750 m) = 160 dB re zetten op een ‘sprong naar het noorden’. Dit vanwege: 1 μPa2s wordt toegepast bij de gebieden IJmuiden Ver en de aangewezen en herbevestigde a. bestuurlijke afspraken met onder meer Groningen om te investeren en in te zetten op windenergiegebieden.139 Er zijn aanwijzingen (Dähne et al. (2015) en Tougaard et, al (2017)) elektriciteitsinfrastructuur in en om Delfzijl; dat bij het bepalen van de effecten beter rekening is te houden met differentiatie van b. afspraken in het NZA, met als achtergrond dat windparkontwikkeling in het noorden minder geluids­frequenties waarvan bruinvissen hinder ondervinden. Daarom wordt de noodzaak tot effecten heeft op ander gebruik zoals visserij en scheepvaart, en mogelijk ook minder het anders definiëren van de geluidsnorm onderzocht. In dit verband is het nodig rekening ecologische impact. Dit wordt nog onderzocht; te houden met de opgave op lange termijn voor windenergie op zee en met internationale c. de windenergieopgave op zee voor de lange termijn, met na 2030 schaalvoordelen in het ontwikkelingen. De windenergiesector en het Noordzeeoverleg worden bij onderzoeken en noorden door verbeterde kosteneffectiviteit en mogelijke kansen voor transport via afwegingen betrokken. moleculaire energiedragers (waterstof ) en connectiviteit met energie-infrastructuur van en naar andere Noordzeelanden (energiehubs).

  110. 2.6 Gebied 5 (oost) is volgens inschatting meer gevoelig voor de genoemde ecosysteem­effecten dan andere aan te wijzen of te herbevestigen windenergiegebieden140. Het benutten van De beoogde ‘sprong naar het noorden’ sluit aan bij de zoekgebieden voor windenergie na gebied 5 (oost) is alleen mogelijk onder voorwaarde van de ecologische inpasbaarheid. Bij de 2030, die nagenoeg allemaal in het noorden liggen (zie paragraaf 9.4). Voor de periode tot aanlanding van gebied 5 (oost) is de kwetsbaarheid van de Waddenzee is een belangrijk 2030 is een mogelijke eerste stap te zetten door het benutten van windenergiegebied 5 aandachtspunt. (oost). Dit onder voorwaarde van ecologische inpasbaarheid, zoals in punt 2.6 omschreven.

  111. 2.7 Algemeen geldt dat de kennisbasis over ecosysteemeffecten moet worden versterkt. 4. Omgang met scheepvaart Onderzoek daartoe is ook relevant voor de opgave op lange termijn met meer zoekgebieden 4.1 Door windenergiegebied 1 en IJmuiden Ver (noord) is een clearway van IJmuiden naar in de noordelijke Noordzee. Mogelijk zijn door een specifieke windparkinrichting ecosy- Newcastle nodig, die ook een verbinding is met de Fair Isle Passage en met de toekomstige steem-effecten te mitigeren. Northern Sea Route. Deze clearway zal een minimale breedte hebben van 6.400 meter. Met name in windenergiegebied 1 wordt de locatie van de clearway nader bepaald. Zolang mijnbouw-

  112. 2.8 Inzet op natuurversterkende maatregelen beïnvloedt naar verwachting de algehele toestand platform K13-A hier blijft staan, zal in verband met de daarvoor benodigde veiligheidszone de van het Noordzee-ecosysteem positief, en daarmee ook de ecologische ruimte voor de breedte van de clearway door dit windenergiegebied 7.400 meter bedragen. toename van windenergie. In het besef dat de natuur niet eenduidig ‘maakbaar’ is, zullen haalbaarheid en verwachte effecten eerst worden onderzocht. Het gaat bijvoorbeeld om 4.2 Windenergiegebied 5 (oost) grenst in het zuiden aan scheepvaartroute East Friesland, die maatregelen ter verbetering van de overleving of het broedsucces van kritische soorten in doorloopt naar de EEZ van Duitsland, waarin ook windparken langs de route zijn gepland. De Nederland of in de ons omringende landen. Of het laatste praktisch haalbaar en juridisch veiligheidsmarges langs de route zullen in onderlinge afstemming met Duitsland worden mogelijk is, verdient aandacht. Dat laat onverlet dat de internationale dialoog over de bepaald. Hiertoe is ruimte voor een brede veiligheidsmarge op de structuurvisiekaart noodzaak van een grensoverschrijdende aanpak van de ontwikkeling van windenergie en ingetekend. In het westen grenst gebied 5 (oost) aan de internationale scheepvaartroute ander gebruik in balans met de draagkracht van het ecosysteem wordt geïntensiveerd: zie richting de Baltische Zee, in Duitsland genaamd route SN10. Op basis van de veiligheidsstudie ook voorwaarde 10. (Formal Safety Assessment, FSA)141 wordt afgezien van een verbindingscorridor door gebied 5 (oost). Hoe om te gaan met de scheepvaartroute richting de Baltische Zee in combinatie met gebied 5 middenberm komt tijdens de partiële herziening aan bod. 139 Zie voetnoot 117, 118, 119 en 136. 140 Zie voetnoot 114 en 119 141 FSA Routing Baltic, Report no. 32774-1-MO-rev.1.0, MARIN (Koldenhof et al.), oktober 2021. 113

  113. 4.3 Door de bouw van windparken nemen scheepvaartveiligheidsrisico’s toe. Deze worden met 7. Multifunctioneel gebruik behulp van modelonderzoek inzichtelijk gemaakt. Mitigerende maatregelen zijn nodig om Vertrekpunt is windenergiegebieden zoveel mogelijk multifunctioneel te gebruiken. Denk de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Deze maatregelen zijn kwalitatief in kaart gebracht. aan doorvaartmogelijkheden in passages voor recreatievaart en visserij, het toestaan van In de komende jaren worden ze meer in detail uitgewerkt in relatie tot de uitwerking van de vormen van visserij en aquacultuur, en duurzame energieopwekking anders dan met Routekaart 2030+ en te nemen kavelbesluiten. Het nemen van de benodigde maatregelen is windturbines. Het Rijk geeft daar richting aan door middel van gebiedsverkenningen (bij de voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van windparken. voorbereiding van kavelbesluiten) en meer gedetailleerd bij gebiedspaspoorten na de kaveluitgifte (zie paragraaf 10.2). Ook wordt hiervoor het Afwegingskader medegebruik in 5. Omgang met mijnbouw windparken toegepast (zie paragraaf 10.3). In een deel van de aangewezen windenergiegebieden – vooral in windenergiegebied 2 (noord) – bevinden zich mijnbouwplatforms die ook na 2030 nog productie leveren. 8. Dichtheid windturbines Onderzoek moet uitwijzen hoeveel GW vóór 2030 in dit gebied is te realiseren. Ook ten Bij het bepalen van het potentieel aan GW is uitgegaan van 10 MW per km2, waarbij de gebieden, aanzien van de andere windenergiegebieden wordt in samenspraak met de mijnbouwsector ten behoeve van nadere ruimtelijke inpassing, niet geheel zijn opgevuld. De dichtheid van 10 MW nagegaan op welke wijze windenergie en mijnbouw – en mogelijk ook CO₂-opslag – in tijd en per km2 blijft vertrekpunt bij de nadere uitwerking van de Routekaart en bij kavel­besluiten, dit met ruimte zijn te combineren. het oog op een efficiënt gebruik van de Noordzee binnen de draagkracht van het ecosysteem. 10 MW per km2 is een hogere dichtheid dan voorheen werd aangehouden, toen was het 6 MW per 6. Omgang met visserij km2. Een hogere dichtheid heeft een lagere elektriciteits­opbrengst tot gevolg. Onderzoek van Ten behoeve van de totstandkoming van dit Programma Noordzee is van de zoekgebieden de Blix143 heeft uitgewezen dat desondanks rendabele windparken mogelijk zijn in de aangewezen huidige waarde voor de visserij bepaald142. In het kader van het NZA zijn middelen gereserveerd windenergiegebieden. Tegelijkertijd zijn er mogelijk andere voordelen verbonden aan lagere voor aanpassing van de kottervloot, waarbij verduurzaming een belangrijk doel is. De maat­ dichtheden, zoals minder ecologische effecten of meer mogelijkheden voor multifunctioneel regelen zijn uitgewerkt in de Kottervisie. In het kader van de verdere uitrol van windenergie op gebruik. Daarom is van 10 MW/km2 af te wijken als uit onderzoek blijkt dat efficiënt ruimtegebruik zee worden aanvullende middelen ter beschikking gesteld voor de visserijsector. Het Rijk zal mogelijk blijft en hiermee een betere balans ontstaat tussen energieproductie, medegebruik en nauwlettend volgen welke werkelijke effecten voor de visserij in de praktijk optreden en hoe ecologische draagkracht. vissers hun activiteiten zullen aanpassen als er minder ruimte is om te vissen en er bovendien een veelheid aan ontwikkelingen zich tegelijkertijd voltrekt. Het Rijk voert in 2022 een 9. Samenhang met aanlanding sociaaleconomische impactanalyse uit naar de gevolgen van alle grote ontwikkelingen voor het De op te wekken windenergie moet uiteraard naar land worden getransporteerd, vooralsnog gehele viscluster. De analyse zal relevante informatie opleveren om te bepalen of en zo ja, welke via elektriciteitskabels. Op basis van de resultaten uit VAWOZ 2030144 is een eerste selectie van maatregelen nodig zijn voor (onderdelen van) het viscluster om zich aan te passen. Daarna zal mogelijke kansrijke routes gemaakt. De komende jaren zullen voor alle nieuw aan te wijzen monitoring plaatsvinden en wordt een model ontwikkeld om gevolgen van beleid te kunnen gebieden mogelijke kabeltracés worden onderzocht. Nog onzeker is of alle tracés daad­ simuleren. Hierbij zal onder andere aansluiting worden gezocht bij het programma MONS werkelijk haalbaar, wenselijk en te vergunnen zijn; dit zal pas blijken uit de onderzoeken in (Monitoring, Onderzoek, Natuurversterking en Soortenbescherming). In dat kader wordt naar het kader van ruimtelijke procedures. Daarbij is sprake van adaptieve planning. Dit kan er verwachting een model ontwikkeld om de gevolgen van gebieds­sluitingen voor de visserij en de bijvoorbeeld toe leiden dat onderzochte tracés uiteindelijk niet in gebruik worden genomen, ecologie te voorspellen. of dat er alternatieve tracés worden gekozen. Bij het verdelen van de maximale hoeveelheid van 10,7 GW over aangewezen windenergiegebieden in de Routekaart 2030+, zal sprake zijn van een intensieve afstemming met de onderzoeken naar de kabeltracés. De besluitvorming over kavelbesluiten voor windparken en over kabeltracés vindt in samenhang plaats. 142 Zie voetnoot 122. 143 Zie voetnoot 126. 144 Zie voetnoot 113. 114 Zo wordt geborgd dat voor ieder windpark de locatie op zee en het kabeltracé haalbaar zijn, zodat zowel de bouw van het windpark als de aanlanding van elektriciteit uitvoerbaar is. 10. Internationale samenwerking Met de voorziene toename van windenergie op zee wordt internationale samenwerking steeds urgenter. De spanning tussen windenergie op zee, natuurdoelstellingen, visserij en ander gebruik is per definitie grensoverschrijdend; het vraagstuk van het vinden van de juiste balans speelt ook in de andere Noordzeelanden. Ruimtelijke ontwikkelingen en maatregelen in de ons omringende landen hebben effecten op de ecologische ruimte in ons deel van de Noordzee en vice versa. Daarnaast is sprake van Europese kaders en richtlijnen die vragen om internationale coördinatie op het gebied van het bereiken van de goede milieutoestand en ruimtelijke ordening. Ecologische effecten, het onderzoek daarnaar en te treffen maat­regelen teneinde natuurversterking te bevorderen moeten daarom in internationaal perspectief worden bezien. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot het nemen van natuur­versterkende maat­ regelen op locaties waar deze het meest effectief zijn voor de goede milieutoestand en de bescherming van soorten, bij ons of in buurlanden. Andere voorbeelden van onderwerpen die het best zijn te bezien in de internationale context van het Noordzeebekken zijn: het garanderen van een veilige en vlotte doorgang van internationaal scheepvaartverkeer, internationale verbindingen tussen energie-infrastructuur en energiehubs en het beschermen van natuurgebieden. Dit alles vergt een toenemende onderlinge afstemming en coördinatie tussen de verschillende Noordzeelanden om tot een evenwichtige ontwikkeling van de Noordzee te komen. Ook de aansluiting tussen het Europese visserijbeleid, het Europese biodiversiteitsbeleid en de uitwerking van Europese klimaatdoelstellingen zal komende jaren aandacht vragen. In dat licht neemt Nederland het initiatief om samen met de ons omringende Noordzeelanden een grensoverschrijdende strategische aanpak te ontwikkelen, waarmee onder meer de ruimtelijke planning in betere onderlinge afstemming kan plaatsvinden. Zie paragraaf 9.6. 115

  114. 9.4 Zoekgebieden en ruimtelijke verkenningen Zoekgebieden voor windenergie na 2030 In de komende decennia wordt een forse verdere groei verwacht van windenergie op zee, waarvoor extra ruimte nodig is. De benodigde ruimte daarvoor zal worden aangewezen in een partiële herziening van dit Programma Noordzee. De voorbereiding hiervan start na de vast­ stelling van dit programma. Het minimale PBL-scenario van 38 GW windenergie op zee dient als uitgangspunt voor de omvang van de opgave. In aanvulling op de ruimtelijke reserveringen voor windenergie die in dit Programma Noordzee en eerder zijn gemaakt, is op basis van het 38 GW scenario nog ruimte voor 17 GW nodig. Op de zoekgebiedenkaart (kaart 4) is te zien aan welke zoekgebieden daarvoor wordt gedacht. Deze tezamen bieden ongeveer ruimte voor 34 GW, dus ongeveer tweemaal zoveel als nodig is. De ecologische kwetsbaarheden en scheepvaart­ veiligheidsrisico’s van deze gebieden worden al deels in beeld gebracht. Andere onderzoeken moeten nog beginnen. Maatschappelijke kosten en baten zijn al onderzocht en moeten mogelijk nader worden bekeken vanwege de nieuwe inzichten over energiehubs en energie- transport middels moleculaire energiedragers zoals waterstof. Ook voor de windparken na 2030 zal gelden dat deze moeten passen binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee. Per zoekgebied gelden aanvullend – niet uitputtend – de volgende aandachtspunten: Zoekgebied (# GW) Aandachtspunten en onderzoeken 3 (2 GW) Relatief klein zoekgebied, nagaan wat mogelijkheden zijn voor connectie met andere windenergiegebieden. 4 (10 GW) Overlap met defensie-oefengebied EHD42, onderzoek naar mogelijkheden meervoudig gebruik. Vorm en begrenzing zijn te optimaliseren in relatie tot ecologische effecten en ander gebruik. In zuidelijke deel extra scheepvaart­ veiligheidsrisico’s en behoefte aan meer ruimte tussen scheepvaartroute en windenergiegebied. In zuidelijk deel kan uitzicht vanaf de kust ook een rol spelen. Nagaan of begrenzing aan oost- en westzijde in lijn moet worden gebracht met KRM-gebieden. 5 middenberm Scheepvaartveiligheidsrisico’s en routeringsmaatregelen clearway naar (2 GW) Baltische zee worden nader onderzocht in een Formal Safety Assesment. Hiertoe is overleg met Duitsland gaande. Kaart 4: Zoekgebiedenkaart Noordzee 116 Zoekgebied (# GW) Aandachtspunten en onderzoeken • Clearway Esbjerg – Verenigd Koninkrijk. Hier is indicatief zoekruimte voor op de kaart gezet 6 (10 GW) De zoekgebiedenkaart geeft – in lichtere kleur – aanvullende zoekruimte aan. ten noorden van zoekgebieden 6 en 7, om de bestaande scheepvaartroute tussen De vorm en begrenzing van het zoekgebied is te optimaliseren in relatie tot Denemarken en het Verenigd Koninkrijk te kunnen blijven faciliteren. natuur, visserij, scheepvaart, mijnbouwactiviteiten of ander gebruik. • Clearway richting de Baltische Zee die aansluit op de Duitse scheepvaartroute 10 (SN10). Voor Mogelijkheden van energie-hubs en energietransport via moleculaire energie- het garanderen van internationale doorvaart van de zuidelijke Noordzee richting dragers zoals waterstof worden onderzocht. Hierbij wordt bekeken of gebruik Denemarken en de Baltische Zee, wordt in overeenstemming met Denemarken, Duitsland en kan worden gemaakt van bestaande gasinfrastructuur om de ruimtelijke en ecologische impact te beperken. België een clearway vastgelegd die aansluit op de SN10. Verschillende opties voor de vorm­ geving van deze clearway zijn onderzocht in een Formal Safety Assesment (FSA). Daarbij is onder 7 (8 GW) De vorm en begrenzing van dit zoekgebied is te optimaliseren in relatie tot ecologische effecten en ander gebruik. Dit gebied is minder ongunstig voor meer naar veiligheidsrisico’s gekeken. Deze nationale clearway bestaat uit verbindingen met visserij dan andere gebieden, maar de maatschappelijke kosteneffectiviteits- de SN10 en de NSR. analyse (MKEA) liet negatieve maatschappelijke baten zien. De mogelijkheden • Dit FSA is een essentiële bouwsteen voor een integrale afweging in internationale context om van energie-hub en energietransport via moleculaire energiedragers zoals het haalbare potentieel van zoekgebied 5 middenberm te bepalen, inclusief de gevolgen voor waterstof worden onderzocht. Deze ontwikkelingen verhogen wellicht de bereikbaarheid en scheepvaartveiligheid, en om mogelijke mitigerende maatregelen te kosteneffectiviteit. Daarbij wordt bekeken of bestaande gasinfrastructuur kan worden gebruikt om zo de ruimtelijke en ecologische impact te beperken. verkennen. 8 (2 GW) Dit is een relatief klein zoekgebied waar een hogere dichtheid nodig is dan 10 MW/km². Over de haalbaarheid van windparken in dit gebied is besluitvorming nodig, rekening houdend met hoge scheepvaartrisico’s, waarschijnlijk relatief veel ecologische effecten, maar minder ongunstige effecten voor visserij dan elders. Scheepvaart Het garanderen van veilige internationale doorvaart van de Nederlandse EEZ naar de Baltische Zee en vice versa en de behoefte om de bestaande polaire route optimaal te kunnen blijven benutten, is aanleiding om de volgende ruimtelijke indicaties voor scheepvaartroutes, clearways en corridors te benoemen. Ook de toenemende omvang van schepen en de noodzaak van routeringsmaatregelen als gevolg van nieuwe windparken na 2030 spelen daarbij een rol. Het gaat op de zoekgebiedenkaart om ruimtelijke indicaties. De benodigde ruimte wordt in een partiële herziening van dit Programma Noordzee op de structuurvisiekaart gezet. Dit gebeurt in afstemming met belanghebbende sectoren en buurlanden. De locatie is afhankelijk van de aanwijzing van windenergiegebieden, de mogelijke gevolgen voor ander gebruik en natuur, en van de ligging van routes in aangrenzende landen. Clearways worden formeel vastgelegd in de Mijnbouwregeling, en zodra de Omgevingswet in werking is getreden in de Omgevingsregeling. • Verbinding Noordelijke Zeeroute (Northern Sea Route, NSR). In internationaal verband worden diverse routes verkend. Op het Nederlandse deel is indicatief zoekruimte geïdentificeerd voor een nieuwe route ten westen van zoekgebied 7. Aanvullend is ruimte voor aansluitingen benoemd voor verbindingen tussen de zeehavens en de NSR. 117

  115. 9.5 Land-zee-interacties 9.5.2 Energie: winning op zee, omzetting in waterstof en aansluiting op land De ruimtelijke besluitvorming op zee en in het hoofdwatersysteem is anders georganiseerd dan De energietransitie op zee en de aansluiting van op zee gewonnen energie op land zijn voor de op het land. Op het land en in grote delen van de kust aan de landzijde van de laagwaterlijn planperiode een dominant aandachtsgebied voor Rijk en regio’s. hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen een gedeelde verantwoordelijkheid in het ruimtelijk beleid. In alle gevallen waarin activiteiten op zee en op het land een samen­ De aanlanding van energie, in de vorm van elektriciteit of waterstof, biedt de desbetreffende hangend besluit vragen, is daarom coördinatie nodig tussen de diverse bestuurslagen, met regio’s veel kansen. In de transitie naar een CO₂-neutrale maatschappij in 2050, wordt de respect voor ieders verantwoordelijkheden en bevoegdheden. beschikbaarheid van groene energie steeds belangrijker. Sterker nog, windenergie op zee is voor Nederland cruciaal om zijn klimaatdoelen te halen en tegelijkertijd hier de werkgelegenheid te In deze paragraaf zijn de land-zee-interacties die in de planperiode aandacht van meerdere behouden. Nu al is de toevoer van elektriciteit vanaf zee een belangrijke reden voor (buitenland- bestuurslagen vragen bijeengebracht. Dit geeft medeoverheden een compact overzicht over de se) bedrijven om zich in Nederland te vestigen en dit belang wordt alleen maar groter. gezamenlijke agenda voor de ruimtelijk-ecologische en ruimtelijk-economische besluit- en Aanlandregio’s spelen hier al op in, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de waterstofambities in beleidsvorming over het gebruik van de zee. Groningen, Noord-Holland Noord en het Noordzeekanaalgebied. Realisatie hiervan staat of valt met tijdige beschikbaarheid van een substantiële aanvoer van energie. Dit bepaalt in de komende decennia de ontwikkeling van de regio. Ook voor de regio’s Rotterdam, Zeeland en het

  116. 9.5.1 Ecologie, biodiversiteit en natuur Noordzeekanaalgebied is tijdige beschikbaarheid van energie belangrijk om een begin te maken met het creëren van een waterstofketen die op den duur de rol van fossiele energie in die In alle grote wateren en het gebied eromheen (zoals de duinen en eilanden) zijn er opgaven voor gebieden kan overnemen. natuur, biodiversiteit en natuurherstel/natuurontwikkeling. De programma’s van maatregelen voor KRW, KRM en Natura 2000 zorgen samen voor de goede ecologische toestand in de wateren Om aanlanding in 2030 mogelijk te maken, moet tijdig worden begonnen met de ruimtelijke die de overgangen vormen tussen land en zee, inclusief de transitiewateren. Daarnaast verdienen procedures, aangezien deze 8,5 tot 10 jaar in beslag nemen. Als bekend is waar, hoeveel en in ook de duingebieden aandacht. De Europese Biodiversiteitsstrategie (EBS), een belangrijke pijler welke vorm energie van zee aan land komt, is ook duidelijk welke infrastructuur op het land van de Europese Green Deal, heeft tot doel de biodiversiteit in Europa uiterlijk in 2030 op het pad naar moet worden gecreëerd en welke economische effecten zijn te verwachten. Door de elektriciteit herstel te zetten. In de komende planperiode wordt de EBS voor 2030 voor Nederland en de buur­ van windenergie op zee zoveel mogelijk aan te landen op plekken waar veel vraag is, kan de landen rond de Noordzee uitgewerkt. De ambitie is om langs de lijnen van de grensoverschrijdende hoeveelheid nieuw aan te leggen infrastructuur op het land beperkt blijven. Dit kan veel vergen samenhang van beschermde natuurgebieden 30 procent gebiedsbescherming te realiseren, waarvan van gemeenten in de buurt van aanlandlocaties nabij industriële clusters. Al aanwezige een derde strikte bescherming. infrastructuur maakt op de korte termijn sommige regio’s aantrekkelijker dan andere regio’s, maar op de lange termijn (na 2030) komen ook andere potentiële aanlandplekken in beeld om Op basis van de in 2021 uitgewerkte en in de EU vastgestelde criteria voor gebiedsbescherming en de aanlanding van windenergie op zee zo efficiënt mogelijk te maken. wettelijk vast te leggen natuurhersteldoelen, wordt duidelijk welke aanvullende acties (mogelijk) nodig zijn voor de natuurgebieden op het snijvlak van land en zee. Dit is nadrukkelijk relevant waar Op weg naar 2040 zullen de mogelijkheden voor aanlanding van energie in de vorm van het trekvogels, trekvissen en hun leefgebieden aangaat. Het Rijk en de medeoverheden (primair moleculaire energiedragers zoals waterstof toenemen. Het grote voordeel van een dergelijk provincies) zullen daarin vanuit hun respectievelijke verantwoordelijkheden samen optrekken. Een transport is dat hiervoor (deels) al infrastructuur op zee ligt (pijpleidingen) en dat meer energie dergelijke samenwerking is ook relevant bij de implementatie van het Zero Pollution actieplan van de tegelijkertijd door eenzelfde leiding is te transporteren, waardoor het ruimtebeslag beperkt EU om de verontreiniging van lucht, water en bodem terug te dringen tot een niveau dat niet blijft, zowel op zee als op het land. schadelijk is voor mens en natuur. Binnen de EU wordt dit actieplan in 2021 verder uitgewerkt. 118 Het ministerie van EZK is verantwoordelijk voor de benodigde infrastructuur op zee en op land. deze nieuwe infrastructuur worden onderzocht, onder andere in een milieueffectrapportage. De programma’s energiehoofdstructuur en infrastructuur duurzame industrie werken samen Hier maken ook de ecologische effecten onderdeel van uit. Daarnaast zijn er diverse initiatieven met de Verkenning aanlanding wind op zee (VAWOZ) aan een energie-infrastructuur in waarin mogelijkheden van hergebruik van bestaande infrastructuur (pijpleidingen en platforms) Nederland met oog voor regionale kansen. worden onderzocht. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid van transport per schip en directe injectie van CO₂ in uitgeproduceerde olie- en gasvelden onder de Noordzee.

  117. 9.5.3 Carbon Capture and Storage (CCS) en opslag en transport Het Rijk overlegt in de planperiode 2022-2027 verder met belanghebbende partijen in het energiedomein en op de Noordzee, en met medeoverheden om tot een optimale en gedragen van waterstof besluitvorming over energie-infrastructuur te komen, zowel voor CO₂ richting de Noordzee als voor waterstof van zee naar land. Het Klimaatakkoord besteedt aandacht aan de afvang en opslag van CO₂, met daarbij de afspraak dat de permanente opslag van CO₂ alleen onder de zeebodem plaatsvindt (in uitgeproduceerde olie- en gasvelden en mogelijk ook aquifers). Het doel is vooral om de uitstoot van CO₂ door 9.5.4 Verduurzamen scheepvaart heeft een component aan bepaalde industriële sectoren te beperken. Op termijn zijn opslaglocaties in de (diepe) zee­ bodem echter ook relevant voor de grootschalige productie en opslag van waterstof of het de wal realiseren van negatieve emissies. De verduurzaming van activiteiten op zee, in het bijzonder ook van de scheepvaart voor de kust, zet De bij de bron afgevangen CO₂ wordt vanuit de industriële clusters per pijplijn of per schip naar de komende periode door. Dat gaat de verzuring van de zee tegen én beperkt eventuele deposities de Noordzee getransporteerd. In het Klimaatakkoord is hiervoor tot 2030 een jaarlijks maximum (zoals stikstof ) in de duingebieden van activiteiten op zee. Om verduurzaming van de scheepvaart subsidieplafond vastgesteld: maximaal 7,2 Mton industriële CO₂, aangevuld met maximaal 3 mogelijk te maken, zullen in havens fysieke aanpassingen nodig zijn. Dit is een opgave waarin Rijk, Mton CO₂ vanuit de elektriciteitssector. In 2022 wordt het jaarlijkse subsidieplafond voor de provincies, gemeenten en havenbedrijven gezamenlijk een rol hebben te vervullen. industrie mogelijk verhoogd met maximaal 2,5 Mton. Havenbedrijf Rotterdam heeft in 2020 samen met Energie Beheer Nederland (EBN) en Gasunie de haalbaarheid bewezen van een robuuste basisinfrastructuur (backbone) voor het verzamelen en 9.5.5 Mariene proteïne: eiwitten, vis, viskweek, schelpdieren transporteren van CO₂ van bedrijven in het havengebied, die vervolgens kan worden opgeslagen in uitgeproduceerde olie- en gasvelden onder de zeebodem. Het gaat om het Porthos-project145 en schelpdierkweek, aquacultuur en zilte teelt (Port of Rotterdam CO₂ Transport Hub & Offshore Storage). In 2021 heeft het ministerie van EZK een ruimtelijke verkenning uitgevoerd voor initiatieven Verduurzaming van de visserij is een hoofdpunt uit het Noordzeeakkoord en in de Kottervisie voor CO₂-transport en -opslag. De ruimtelijke verkenning laat zien dat er meer plannen zijn voor van het ministerie van LNV. Het beleid en de beleidsmaatregelen voor bestaande schelpdier- CO₂-infrastructuur op de Noordzee, ook verder van de kust.146 Het is de verwachting dat het kweek en aquacultuur in binnenwateren zoals de Oosterschelde, in de Waddenzee en in de Aramis-initiatief147 hierin voorziet door CO₂-infrastructuur te realiseren vanaf de Maasvlakte naar kustwateren worden voortgezet. Voor de kweek van schelpdieren voor menselijke consumptie uitgeproduceerde olie- en gasvelden ten noordwesten van Den Helder. Het betreft een hoofd- zijn al beschermde schelpdierwateren aangewezen. Dit zijn de Waddenzee, de Voordelta, transportleiding die CO₂–opslag in verschillende opslaglocaties mogelijk maakt. Voor dit Grevelingen, de Oosterschelde en het westelijk deel van de Westerschelde. Aramis-project is een Rijkscoördinatieprocedure gestart waarin de effecten van de aanleg van Naar aanleiding van het NZA is in 2021 een verkenning gestart naar kansen voor de Duurzame 145 www.porthosco2.nl/ blauwe economie rond mariene eiwitten. Gebleken is dat de kweek van vis, schaal- en schelp­ 146 Pondera et al, 2021, “Ruimtelijke verkenning CO₂ transport en -opslag, situatie medio 2021” dieren buiten de kustzone lastig is en economisch (nog) niet rendeert. Ruimte op zee om 147 www.aramis-ccs.com 119 duurzame innovaties in de voedselproductie van mariene eiwitten te testen, is in de planperiode MIRT-investeringen van het Rijk. Hoewel Den Helder in economische zin geen haven van nationaal daarom een aandachtspunt voor het Rijk, in samenwerking met de visserijsector(en). Als belang is, gaat het gezien de combinatie van civiele en defensiebelangen wel om een Rijkszeehaven onderdeel van het Programma Noordzee zal het Rijk (ministeries van LNV en IenW) ook van een bijzondere categorie. Den Helder is de thuishaven van de Koninklijke Marine en de onderzoek verrichten naar de ecologische ruimte voor grootschalige kweek van zeewier (tot 400 Kustwacht. Defensie is aangewezen als Rijkshavenmeester op grond van de Scheepvaartverkeerswet. km2). Dit onderzoek zal ook inzicht geven in de logistiek van havens van waaruit kan worden Met offshore windenergie en inzet op waterstof is er potentie voor verdere ontwikkeling in de kop van gewerkt, en in locaties voor de verwerking van de oogst. Het ministerie van LNV zal bij de Noord-Holland. Om de maritieme ontwikkeling in de regio te versterken, investeert het Rijk uitwerking tevens kijken naar de kweek van mariene eiwitten op het land. Dit is mogelijk voor maximaal 5 miljoen euro als onderdeel van de derde tranche Regio Deals. zeewieren en bepaalde vissoorten en biedt wellicht logistieke voordelen en betere business cases. Daarnaast zijn er op het snijvlak van zee en land kansen voor zilte teelt van bijvoorbeeld lamsoor, zeesla en zeekraal, maar ook van aardappelen en tomaten. In onder andere Zeeland (aquacultuurgebied rondom Colijnsplaat/Kats) en op Texel wordt hiermee al praktijkervaring opgedaan. Dit kan perspectief bieden voor verziltende landsdelen en gebieden langs de kust.

  118. 9.5.6 Havens Voor alle Nederlandse zee- en binnenhavens geldt het beleid zoals opgenomen in de Havennota 2020-2030148. In relatie tot de wisselwerking tussen land en zee is er in de Havennota specifiek aandacht voor (zee)havens en achterland in transitie. De beleidsinzet is geordend over acht integrale thema’s, waaronder bereikbaarheid en logistiek, economie en innovatie, verduurzaming, ruimtelijke omgeving en arbeidsmarkt. Op basis van de karakteristieken van de havengebieden concentreert de agenderende inzet van het Rijk zich in de Havennota op de clusters mainport Rotterdam en Moerdijk, Amsterdam Noordzeekanaalgebied, Zeeland/Scheldebekken, Groningen/ Eemsmond en Nederlandse binnenhavens. De Haven van Rotterdam heeft in het huidige beleid een bijzondere positie vanwege de economische omvang en schaalgrootte. Dit houdt in dat bij een gelijke maatschappelijke score projecten voor de mainport Rotterdam voorgaan op investeringen in de andere havens van nationaal belang. Maar mede gelet op het advies ‘Mainports voorbij’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2016)149 om de blik op mainports te verbreden, wil het ministerie van IenW de toekenning van middelen aan de mainport, meer dan voorheen, in samenhang bezien met de ontwikkeling van andere belangrijke clusters, zoals de Brain- en Greenports en het logistieke systeem van zee- en binnenhavens. Overige zeehavens zoals Scheveningen, Harlingen en Den Helder zijn wat betreft op- en overslag primair van lokaal of regionaal belang. Deze zeehavens krijgen bij investeringen in bereikbaarheid steun van lokale en regionale overheden en komen daarmee niet direct in aanmerking voor 148 Kamerstukken II 2020-21, 31 409, nr. 306. 149 www.rli.nl/publicaties/2016/advies/mainports-voorbij 120

  119. 9.6 Maritieme Ruimtelijke Samenwerking tussen Noordzeelanden is vanzelfsprekend en vindt inmiddels op allerlei deelgebieden van MRP al plaats: bilateraal, multilateraal zoals in de Europese Expert Group voor MRP van de Europese Commissie, OSPAR, IMO en ICES en in projecten als North SEE Interreg, SEANSE Planning en internationale (ecologische effecten van windparken op zee) en North Seas Energy Cooperation. Er zijn overleggen over scheepvaart (veiligheid), milieuvoorwaarden, natuurgebieden, visserij, monitoring en windpark- ontwikkelingen op zee. Ook is sprake van uitwisselingen en consultaties over plannen van de samenwerking verschillende Noordzeelanden. In september 2021 is het EU-project Emerging topics in ecosystem based maritime spatial planning for the North- and Baltic Sea Regions gestart. Dit project gaat over opkomende thema’s voor grensoverschrijdende MRP Internationale samenwerking in het maritiem ruimtelijk planningsproces (MRP) is gericht op zoals klimaatverandering en de EU Green Deal. Het project loopt tot begin 2024 en kent deelnemers het waarborgen van ‘de coherentie en coördinatie van de maritieme ruimtelijke plannen in de van alle EU-Noordzeelanden en de meeste Oostzeelanden. hele betrokken mariene regio’. Dit is een vereiste van artikel 11, lid 2 van de MRP-richtlijn. Ter invulling van deze eis is in 2020 een ambtelijke werkgroep North Sea Maritime Spatial Planning Verkenning van een versterkte internationale samenwerking collaboration ingesteld om de samenwerking tussen de landen rond de Noordzee structureel vast te leggen. De samenwerking omvat het coördineren van de ruimtelijke planning met de relevante in de Noordzee lidstaten en de autoriteiten in derde landen in de Noordzeeregio. Noorwegen is lid van de werkgroep en het Verenigd Koninkrijk, Ierland en IJsland zijn uitgenodigd om aan te sluiten. In paragraaf 2.3 is ingegaan op de internationale strategische ambities voor de Noordzee. Daartoe behoort het uitbreiden van het areaal beschermde natuurgebieden tot 30 procent van Doelstellingen van de MRP-werkgroep zijn: de EU-wateren en strikte bescherming van een derde daarvan, wettelijk vast te leggen natuur­ • fungeren als platform voor duurzame samenwerking over grensoverschrijdende aspecten bij hersteldoelen, een verhoging van de ambitie voor energie van zee binnen de grenzen van de maritieme ruimtelijke planning; Goede Milieu Toestand en de transitie naar een volledig duurzame blauwe economie. • opstellen van strategieën en plannen die over grenzen heengaan – voor een efficiënt en optimaal gebruik van de Noordzee; Mei 2021 heeft de Europese Commissie (EC) een strategie over de transitie naar een duurzame • uitwisselen en generen van nieuwe data en informatie; blauwe economie gepubliceerd. Eén van de doelen van de EC is een op maat gesneden strategie • uitwisselen van ervaringen en best practices; voor elk Europees zeebekken op te stellen. Het streven is dergelijke strategieën uit te breiden naar • coördineren van kennis van verschillende instanties (hydrografische diensten, OSPAR, buurlanden, waarmee de EU zeebekkens, mariene levende hulpbronnen en geo-economische internationale samenwerking rond (wind)energie op de Noordzee); kenmerken deelt. Hiermee in lijn is Nederland in 2021 een verkenning gestart naar samenwerking • coördineren, initiëren en afstemmen van nieuwe (door de EU meegefinancierde) grens­ tussen Noordzeelanden, gericht op het behalen van gezamenlijke internationale en nationale overschrijdende projecten die maritieme planning in de Noordzeelanden kunnen doelen, zoals de met de zee samenhangende VN-Duurzaamheidsdoelen voor 2030 en de doelen ondersteunen. van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Aandacht in de werkgroep gaat ook uit naar andere relevante onderwerpen, zoals medegebruik De uitvoering van het NZA, het onderbouwen van ruimtelijke keuzes over windenergie, voor aquacultuur, alternatieve energievormen en doorvaarbaarheid van windparken op zee. natuurgebieden, visserij en scheepvaartinfrastructuur, en het daartoe uit te voeren onderzoek 121 hebben een internationale dimensie: zie ook paragraaf 9.3.2, voorwaarde 10. Met de andere Noordzeelanden vindt afstemming plaats over grensoverschrijdende kwesties en effecten. Voor de toekomst is het van belang deze samenwerking te versterken. De ruimtelijke druk op de Noordzee neemt toe, de blauwe economie moet duurzaam worden, de bescherming en versterking van natuur vragen om extra inspanningen, en er zijn kansen voor internationale connecties van energie-infrastructuur. De verkenning voor een Noordzeebekken-strategie vindt plaats in dialoog met de overige Noordzeelanden, de Nederlandse kustprovincies en de North Sea Commission. Aan de EC wordt gevraagd haar ervaringen met het opstellen van strategieën voor andere zeebekkens te delen. Het doel is om in de eerste helft van 2023 samen met de betrokken partijen conclusies te trekken over een Noordzeebekken-strategie. Vooruitlopend hierop spant Nederland zich in om op korte termijn resultaten te boeken vanuit de bestaande samenwerkingsvormen rondom de Noordzee en in OSPAR-verband. Denk aan samenwerking gericht op de in dit Programma Noordzee genoemde harmonisatie van normeringen, grensoverschrijdende scheepvaartroutes en maatregelen voor biodiversiteit en natuurversterking. In paragraaf 1.6 is ingegaan op de internationale consultatie en afstemming van dit ruimtelijk plan als onderdeel van het Programma Noordzee en het Nationaal Water Programma. 122 Programma Noordzee 2022 – 2027 123 10 Beleids- en afwegingskaders

  120. 10.1 Beleidskader doorvaart en monitoringsperiode kon de combinatie vergunningplichtig medegebruik en doorvaart niet getoetst worden omdat het niet heeft plaatsgevonden. Vergunningplichtig medegebruik heeft enkel op zeer kleine schaal, in de vorm van een pilot natuurontwikkeling op de zeebodem, medegebruik in windenergie­ plaatsgevonden. Deze activiteit is niet belemmerend geweest voor doorvaart en had ook geen effect op de exploitatie van het windpark. In de evaluatie is aangegeven dat bij een eventuele wijziging van het doorvaartbeleid de aanvullende of nieuwe aspecten middels beleid verkennend gebieden op de Noordzee onderzoek inzichtelijk gemaakt zullen worden. De evaluatie is geen goede graadmeter in relatie tot de grotere windparken. De evaluatie van de pilot passieve visserij als vorm van medegebruik wordt separaat uitgevoerd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) .

  121. 10.1.1 Huidige situatie en ontwikkelingen

  122. 10.1.2 Visie, ambitie en opgaven Efficiënt en meervoudig ruimtegebruik is al vanaf de Nota Ruimte een belangrijke doelstelling van het beleid voor de Noordzee. In de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 is vastgelegd dat vanaf 2017 in In de NOVI geeft het Rijk voor de langere termijn richting aan de ontwikkelingen op de Noordzee principe in alle operationele windparken op zee doorvaart en medegebruik onder voorwaarden en daarbij zijn verschillende nationale belangen gedefinieerd waaronder het verbeteren van de wordt toegestaan. De uitvoeringsregels voor dit beleid zijn uitgewerkt in de Beleidsregel instelling biodiversiteit, het ontwikkelen van een duurzame voedselproductie, en het realiseren van een veiligheidszone windparken op zee150. Vanaf april 2018 zijn de windparken Luchterduinen, Prinses betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening. Daarnaast is in hoofdstuk 8.3 van dit Amalia en Egmond aan Zee opengesteld voor doorvaart en medegebruik. Dit is per windpark Programma Noordzee beschreven dat de nieuwe Duurzame blauwe economie ruimte vraagt om gebeurd door het herzien van het besluit van algemene strekking met betrekking tot de instelling (opschaling van) robuuste pilots. Denk aan aquacultuur, passieve visserij en elektriciteit uit van een veiligheidszone. De Gemini windparken zijn niet open­gesteld vanwege de hoge kosten van water of op water. Als gevolg van allerlei (nieuwe) ruimtelijke gebruiksfuncties wordt het steeds een goede handhaving van de voorwaarden tot openstelling. drukker op de Noordzee. Vooral de ruimtevraag voor nieuwe windenergiegebieden is groot. Om voor alle functies en behoeftes ruimte te kunnen blijven toewijzen, zijn meervoudig ruimte­ Evaluatie openstelling windparken op zee gebruik en integratie van opgaven meer dan ooit noodzakelijk. In de windenergiegebieden op In de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 is afgesproken dat na een openstelling van twee jaar voor zee betekent dit het faciliteren van doorvaart en grootschalig medegebruik. schepen tot 24 meter lengte en medegebruik in de operationele kleinere windparken, het beleid zou worden geëvalueerd151. Op basis van de monitoringsperiode en evaluatie van alle onderdelen kan gesteld worden dat doorvaart in de kleinere operationele windparken, met als doel het varen van A naar B, niet of nauwelijks tot overtredingen en gevaarlijke situaties heeft geleid. In de 150 Stcrt. 2018, nr. 22588. 151 Min IenW, 26 maart 2020, Evaluatierapport bestaande windparken - Noordzeeloket 124

  123. 10.1.3 Beleid snel en efficiënt te kunnen passeren. Het is dan ook niet toegestaan hinderlijk (vaar)gedrag te vertonen dat de doorvaart belemmert153. Onder uiteenlopende (weers)omstandigheden geldt Doorvaart en medegebruik in windenergiegebieden zijn als communicerende vaten. Waar onverkort het principe van goed zeemanschap voor het bepalen of het veilig is door een doorvaart- doorvaart is, kan (vaak) geen medegebruik plaatsvinden met vaste constructies in de waterkolom passage te varen. en vice versa. Het faciliteren van zowel doorvaart als grootschalig medegebruik zorgt ervoor dat integrale doorvaart in de nieuwe windenergiegebieden niet mogelijk is. Het Rijk streeft naar eenduidige doorvaartregels voor de scheepvaart op de Nederlandse Noordzee, ook al zijn deze internationaal nog niet geharmoniseerd. Dit betekent dat de Doorvaart in passages uitgangspunten voor de doorvaart in principe opgaan voor alle windparken, met de mogelijk- Het beleid voor de planperiode 2022-2027 staat doorvaart in gerealiseerde windenergiegebieden heid hiervan onder bijzondere omstandigheden af te wijken. Offshore Windpark Egmond aan alleen onder voorwaarden toe in speciaal aangewezen doorvaartpassages. Deze worden ingericht Zee en Prinses Amalia Windpark blijven voorlopig opengesteld volgens de huidige voorwaarden als een tweerichtingsverkeersstelsel waar scheepvaart het windenergiegebied kan passeren. De die in het besluit van algemene strekking zijn vastgelegd. uiteindelijke ligging en oriëntatie van de nieuwe doorvaartpassages moet per windenergie­ gebied verder worden uitgezocht, onder andere door het verzamelen en analyseren van Medegebruik vaarbewegingen van de visserij en de recreatievaart. Daarbij geldt dat doorvaartpassages zoveel Onder medegebruik154 in gerealiseerde windenergiegebieden verstaan we natuurontwikkeling, mogelijk corresponderen met bestaande vaarroutes naar en vanuit havens van de recreatievaart voedsel (passieve visserij, aquacultuur) en hernieuwbare energieopwekking en opslag (elektrici- en de belangrijke visgronden. Aanvullend worden de doorvaartpassages zoveel mogelijk teit uit of op het water en installaties voor waterstofproductie155). gebundeld met onderhoudszones voor kabels en leidingen, die vaak oost-west georiënteerd zijn. De ruimte binnen de windenergiegebieden van Routekaart 2023 en 2030 is in principe beschik- De doorvaartpassages dienen veilig te worden ingericht. ‘Veilig’ wil zeggen: duidelijk gemarkeerd, baar voor medegebruik. Voor Borssele, Hollandse Kust (zuid), (noord) en (west), IJmuiden Ver en met voldoende afstand tot windturbines en voldoende breedte voor tweerichtingsverkeer. Het Ten Noorden van de Waddeneilanden wordt een Handreiking gebiedspaspoort gemaakt. Via een verloop van de doorvaartpassages moet tot zo weinig mogelijk koerswijzigingen voor de door­varende zonering wordt vervolgens aangegeven waar in een windenergiegebied ruimte is voor mede­ schepen leiden. De in- en uitgangen van de doorvaartpassages dienen zo haaks mogelijk op de gebruik. Uitgezonderd van medegebruik zijn: doorvaartpassages, onderhouds- en veiligheids­ bestaande scheepvaartroutes aan te sluiten. De uitgevoerde veiligheidsstudie152 wijst uit dat doorvaart zones rondom platforms, windturbines, infield-kabels en de logische vaarroutes daar naartoe. De in passages veilig kan binnen windenergiegebieden en zo nodig zullen daarvoor (extra) veiligheids- resterende ruimte is beschikbaar voor medegebruik156. maatregelen worden getroffen. Het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MOSWOZ) houdt de komende jaren de vinger aan de pols bij ontwikkelingen rond Een Handreiking gebiedspaspoort is een richtlijn waarin per windenergiegebied onderscheid scheepvaartveiligheid in relatie tot de uitrol van windenergiegebieden op zee en waar nodig kunnen gemaakt wordt tussen verschillende typen medegebruiksvormen en welk type medegebruik in de huidige uitgangspunten worden bijgesteld voor een volgende planperiode. 153 Hengelvisserij zoals bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Visserijwet 1963, kan worden toegestaan in de Het gebruik van de doorvaartpassages wordt toegestaan voor schepen tot 46 meter lengte. doorvaartpassages mits veilig en andere vaartuigen in de passages hierdoor niet worden belemmerd. Daarmee zijn de passages geschikt voor de kottervloot en een groot deel van de recreatievloot. 154 Onder medegebruik worden alle vergunningplichtige activiteiten verstaan die binnen de contouren van Schepen mogen ook ’s nachts gebruik maken van de doorvaartpassages, mits ze hiervoor zijn windparken tussen de windturbines plaatsvinden, en die niet onder de noemer windenergie op zee vallen. toegerust. Een doorvaartpassage is primair bedoeld om het desbetreffende windenergiegebied 155 Voor CO₂ opslag wordt naar alle waarschijnlijkheid bestaande mijnbouwinfrastructuur die gelegen is binnen een windenergiegebied hergebruikt, deze activiteit valt daardoor onder de mijnbouwwetgeving. Bij de verkaveling wordt bijlage 4 ‘Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken’ toegepast. 152 Formal Safety Assessment – doorvaart in passages in windparken https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/190181/formal-safety-assessment-doorvaart-in-passages-in- 156 Sommige niet-bodemgebonden vormen van medegebruik, zoals natuurontwikkeling en passieve visserij windparken.pdf kunnen, als ze het onderhoud niet belemmeren, wel in een deel van de onderhoudszones worden toegelaten. Zie toelichting bij Afwegingskader medegebruik in windparken. 125 welke mate de voorkeur krijgt. Ook de NOVI belangen (zie hoofdstuk 2) worden daarbij mee­ Uit tabel 10.1 is af te leiden welke gebieden meer of minder geschikt zijn voor bepaalde vormen van gewogen. De Handreiking gebiedspaspoort brengt een meer gelaagde structuur aan die aan aquacultuur en passieve visserij. Naast de natuurlijke elementen van het gebied is het belangrijk om nationale belangen een gebiedsgerichte uitwerking geeft. Hoofdstuk 10.3 licht de werking van te kijken naar welke activiteiten dichterbij de kust dienen plaats te vinden vanwege economische het gebiedspaspoort in relatie tot het Afwegingskader voor medegebruik in windparken op zee haalbaarheid. De economische haalbaarheid zal afhangen van verschillende facetten zoals de verder toe. vaartijd, de mate van onderhoud of monitoring van de activiteit en omstandigheden ter plekke. Aan de hand van de Handreiking gebiedspaspoort wordt bekeken welke windparken voor welke Naast economisch medegebruik moet in windparken voldoende ruimte blijven voor natuur­ medegebruiksfunctie het meest geschikt zijn en de voorkeur krijgen. ontwikkeling ten behoeve van het bereiken van een gezonde en duurzame Noordzee. Vanuit de ecosysteembenadering blijft de blik gericht op de balans tussen functies, waarmee industriali­ Innovaties voortkomend uit de Tenderregeling Windenergie op zee satie van de Noordzee moet worden voorkomen. Ook voor medegebruikactiviteiten in een In de Wet windenergie op zee is een aantal verdeelmethoden voor vergunningverlening windenergiegebied, die niet worden gereguleerd via de Waterwet, zoals passieve visserij, moet (‘tenderinstrumenten’) opgenomen waaronder de vergelijkende toets. Bij de toepassing van de vooraf toestemming worden gevraagd.157 vergelijkende toets kunnen er bij ministeriële regeling rangschikkingscriteria worden uitgewerkt en toegevoegd die locatie specifiek zijn of die vanuit extra maatschappelijke overwegingen met zeewier mossel platte oester zeekat Noordzeekrab Noordzeekreeft betrekking tot innovatie op dat moment eenmalig een rol spelen. De toe te voegen Egmond aan Zee + ++ + 0 ++ - rangschikkings­criteria kunnen bijvoorbeeld criteria zijn op het gebied van natuur, aquacultuur, visserij, veiligheid of scheepvaart.158 Zo is in de regeling voor de vergunningverlening van Prinses Amalia + ++ + 1 + - Hollandse Kust (noord) een bepaling opgenomen om innovaties te stimuleren die ten goede Luchterduinen + + + 1 ++ 0 komen aan de integratie van toekomstige windparken in het Nederlandse energiesysteem. Dit Buitengaats 0 0 +++ 0 ++ + zijn innovaties in het windpark zelf of direct daarmee verbonden middelen die bijdragen aan het (Gemini) vergroten van de flexibiliteit van het leveringsprofiel van toekomstige windparken op zee. Zee-energie 0 0 +++ 0 +++ +++ Daarbij valt te denken aan installaties voor andere vormen van hernieuwbare energieopwekking (Gemini) en waterstofproductie. Voor deze installaties moet een vergunning worden aangevraagd als ze Borssele +++ +++ +++ 1 ++ +++ niet direct zijn gerelateerd aan de windturbines van het windpark. Deze innovaties/activiteiten Holl. Kust (zuid) +++ + + 1 + - worden meegenomen in het inrichtingsplan van het windpark. Omdat de Handreiking gebieds­ Holl. Kust (noord) + ++ + 1 + - paspoort wordt opgesteld na het inrichtingsplan van het windpark, wordt met de ruimte die nodig is voor deze activiteiten automatisch rekening gehouden. Zo is de inpassing van mede­ Holl. Kust (west) + ++ - 1 ++ + gebruik vooraf mogelijk via de tender maar ook achteraf. Dit zorgt ervoor dat medegebruik Ten Noorden 0 0 +++ 0 + - adaptief kan worden toegepast in tijd en ruimte. van de Wadden IJmuiden Ver + 0 - 1 + 0 Consortia vorming en combineren van medegebruik activiteiten Tabel 10.1 Geschiktheid windenergiegebieden voor een aantal vormen van aquacultuur en passieve visserij157 Het vormen van consortia en de combinatie van medegebruikactiviteiten kunnen zorgen voor efficiënt ruimtegebruik en mogelijk ook kostenbesparing. Initiatiefnemers kunnen faciliteiten delen, Noot: potenties op basis van daadwerkelijk vastgestelde aan-/ afwezigheid, afwezig (0), aanwezig (1); potenties op basis van voorspelde gradiënten: best (+++), heel goed (++), goed (+), geschikt (0), minder bijvoorbeeld de vaartuigen voor het zaaien en oogsten, en ze zouden gebruik kunnen maken van de geschikt (-). elektriciteitsinfrastructuur. Daarnaast kan tussen verschillende combinaties synergie ontstaan. Consortia voor gecombineerde initiatieven kunnen een zogeheten parapluvergunning aanvragen. 157 Wageningen Marine Research, Geschiktheid zeewindparken voor aquacultuur en passieve visserij; Een kwantitatieve beoordeling van de kansrijkheid van de gebieden voor de potentiële productiviteit van een 158 Memorie van toelichting Wijziging van de Wet windenergie op zee, Kamerstukken II, 2018/19, 35092, nr. 1-4. selectie aan commercieel interessante soorten, 2020. Programma Noordzee 2022 – 2027 126

  124. 10.2 Gebiedsverkenningen en Handreiking gebiedspaspoort voor medegebruik in wind­ energiegebieden op de Noordzee De uitrol van windenergie op de Noordzee is in volle gang. In de planperiode voor dit Programma Noordzee zijn of komen de windparken in de windenergiegebieden van Routekaart windenergie op zee 2023 (Borssele, Hollandse Kust (zuid) en (noord)) gereed en wordt de bouw in de windener- giegebieden voor Routekaart windenergie op zee 2030 (Hollandse Kust (west), Ten noorden van de Wadden en IJmuiden Ver) gestart en/of grotendeels afgerond. De kavelbesluiten voor Routekaart windenergie op zee 2023 zijn onherroepelijk en de besluitvormingsprocedures voor Routekaart windenergie op zee 2030 zijn reeds gestart. Voordat de besluitvormingsprocedures voor de kavelbesluiten starten, wordt de verkaveling vastgesteld. Voor Routekaart windenergie op zee 2030 is dit anno 2022 reeds afgerond omdat deze samenhangt met de locaties van de platforms voor het net op zee. De vergunningprocedures voor deze platforms kennen een lange doorlooptijd en starten daarom vroegtijdig. In de verkaveling wordt rekening gehouden met doorvaartpassages voor schepen tot 46 meter lengte op basis van gegevens over scheepvaartverkeer in het gebied. Vroegtijdig anticiperen op de mogelijkheid van medegebruik in een windpark zal in het algemeen meer kosteneffectief zijn dan het naderhand toevoegen van functies aan een windpark. Voor Routekaart windenergie op zee 2023 (Borssele, Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord)) zijn echter alle kavelbesluiten al genomen en de tenderprocedures afgerond. Daarmee is het vroegtijdig anticiperen op medegebruik niet meer mogelijk voor deze gebieden. Om toch in de geest van het Noordzeeakkoord te werken zijn twee instrumenten ontwikkeld: Gebiedsverkenning en Handreiking gebiedspaspoort. Figuur 10-a: Windenergie op zee 127 Stappen uitrol windenergie op zee Stappen realisatie medegebruik in windparken gebied. De Gebiedsverkenning zal minder gespecificeerd zijn dan de Handreiking gebiedspaspoort. A. Programma Noordzee 2022-2027: Programma Noordzee 2022-2027: Duurzame In het verkavelingsproces van een windenergiegebied zal verkend worden wat de oriëntatie en Aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden blauwe economie (voorheen Beleidsnota Noordzee ligging van de aan te leggen doorvaartpassages zouden kunnen worden. In de gebieds­ (voorheen Beleidsnota Noordzee 2016-2021) 2016-2021) verkenning wordt zover mogelijk rekening gehouden met de contouren van het windenergie­ B. Routekaarten windenergie op zee: gebied en de daarin aanwezige kavels en doorvaartpassage(s). Welke (delen van) windenergiegebieden wanneer ontwikkelen. Handreiking gebiedspaspoort Windenergiegebied C. Verkaveling en verkenning aanlanding Gebiedsverkenning met gebiedsspecifieke Een Handreiking gebiedspaspoort geeft als richtlijn per windenergiegebied op basis van gebieds- (windenergie op zee) kenmerken, zoals natuurwaarden, huidige en specifieke kenmerken aan waar en welke vormen van medegebruik het gunstigste perspectief toekomstige gebruikers. hebben en het best zijn in te passen en daarom de voorkeur genieten. Aan de hand van de D. Vaststellen kavelbesluit van het windpark: In aanloop naar de tender (facultatieve) Handreiking gebiedspaspoort kan in het door Rijkswaterstaat opgestelde nieuwe Afwegingskader Exacte contouren en voorwaarden kavel aan de hand consortiavorming tussen medegebruikers medegebruik van windparken op zee onderscheid worden gemaakt tussen de vergunning­ van de m.e.r.-procedure. onderling en/of met windparkexploitant. aanvragen van potentiële medegebruikers. Mocht er geen behoefte zijn aan het type medegebruik E. Tendering van het windpark159 Na tenderuitslag afstemming medegebruiker met dat de voorkeur geniet, dan kan de zone worden vrijgegeven voor overig medegebruik. winnende windparkexploitant F. Bouw windpark conform werkplannen (o.a. Handreiking gebiedspaspoort op basis van inrichtingsplan (lay-out) van het windpark gebiedsspecifieke kenmerken aangeven waar en door exploitant) welke vormen van medegebruik het gunstigste perspectief hebben en de voorkeur krijgen. G. Besluit algemene strekking (BAS) voor het Juridisch vaststellen doorvaartpassages en de instellen van de veiligheidszone rondom het regels voor toegang tot het windenergiegebied. windenergiegebied H. Ingebruikname windpark (Indienen vergunningaanvraag) Medegebruik in het windpark Tabel 10.2: Uitrol windenergie op zee in relatie tot medegebruik in windparken Nadat het inrichtingsplan van de windparken bekend is, stelt het Rijk voor alle zes de windenergie- gebieden uit Routekaart 2023 en 2030 een Handreiking gebiedspaspoort op. Na publicatie kunnen initiatiefnemers voor mogelijk medegebruik in gesprek gaan met het bevoegd gezag en een vergunning aanvragen. Pas na het gereedkomen van het windpark kunnen deze initiatieven voor medegebruik worden uitgevoerd.159 Gebiedsverkenning windenergiegebied Een Gebiedsverkenning van een windenergiegebied geeft een inventarisatie weer van alle bekende gebiedsspecifieke kenmerken en van de huidige en potentieel toekomstige gebruikers van het 159 In de Wet windenergie op zee zijn meerdere tender mogelijkheden opgenomen; de procedure met subsidie, Figuur 10-b: De beschikbare ruimte voor potentieel medegebruik in Windenergiegebied Borssele vergelijkende toets (met of zonder financiële component) of veilen. (9.800 hectare) 128 Via een ruimtelijke zonering wordt op een kaart aangegeven waar in de windenergiegebieden ruimte is voor medegebruik. 10.3 Afwegingskader mede­ Bij de gebiedsindeling is er oog voor balans in de transitiedriehoek natuur, voedsel en energie en voor de ecologische draagkracht van de Noordzee. In de gebieden die in de Handreiking gebruik in windparken gebiedspaspoort zijn aangewezen voor natuurontwikkeling zullen geen andere medegebruik activiteiten plaatsvinden. Wanneer het aangevraagde medegebruik niet overeenkomt met de voorkeursvorm, kan de duur van de vergunning worden beperkt. Zo kunnen op termijn alsnog 10.3.1 Inleiding voorkeursactiviteiten in aanmerking komen voor het benutten van de meest geschikte mede­ gebruiksruimte. Dit wordt in hoofdstuk 10.3 nader toegelicht. Indien nodig kan na een evaluatie Het Rijk stelt kaders voor het gebruik van de ruimte op de Noordzee, zodat dit gebruik zich de huidige systematiek van gebiedsverkenningen en gebiedspaspoorten worden bijgesteld voor efficiënt, veilig en duurzaam kan ontwikkelen. Meervoudig ruimtegebruik is daarbij een belangrijk een volgende planperiode. uitgangspunt dat evenwichtige kansen biedt voor alle vormen van gebruik op de Noordzee. Het Rijk past het Afwegingskader medegebruik in windparken toe ter beoordeling van medegebruik­ Samengevat: de Handreiking gebiedspaspoort geeft op transparante wijze informatie over: activiteiten in offshore windparken. Voor het verkrijgen van een vergunning voor medegebruik in • de mogelijkheden voor toekomstig medegebruik door huidige en nieuwe gebruikers, in lijn een windpark worden in het Afwegingskader drie stappen doorlopen. met de doelen van medegebruik in het gebied; • voorkeursvorm(en) van medegebruik; • welke ruimte beschikbaar is voor medegebruik; 10.3.2 Reikwijdte • de in het gebied aanwezige natuurlijke kwaliteiten en eigenschappen; • de in het gebied bekende en te verwachten archeologische waarden; Het Afwegingskader voor medegebruik in windparken op de Noordzee geldt voor alle • een gelaagde structuur waarbij nationale belangen een gebiedsgerichte uitwerking krijgen. vergunning­plichtige activiteiten in offshore windparken op basis van de geldende wet- en regelgeving in de territoriale zee en de EEZ. Voor het kunnen realiseren van medegebruikactiviteiten in windparken op de Noordzee moet een vergunning worden aangevraagd160. Het afwegingskader daarvoor is enerzijds bedoeld voor de vergunningverleners om de vergunningaanvragen voor deze activiteiten in windparken op zee te kunnen beoordelen en de belangen goed af te wegen. Anderzijds geeft het kader de vergunningaanvragers inzicht in de te nemen stappen voor het verkrijgen van een vergunning en de daarvoor benodigde documentatie en middelen. Onder medegebruik worden alle vergunningplichtige activiteiten verstaan die binnen de contouren van windparken tussen de windturbines plaatsvinden en die niet onder de noemer windenergie op zee vallen. De volgende vormen van medegebruik zijn mogelijk in windparken op zee: • aquacultuur (onder andere schelp- en schaaldieren en zeewier); 160 Met uitzondering van passieve visserij, zie kader procedure passieve visserij. 129

  125. 10.3.3 Uitgangspunten Natuurinclusief bouwen versus medegebruik Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteit wordt een vaste wettelijke procedure Niet alleen het realiseren van bepaalde duurzame vormen van medegebruik, maar ook gevolgd. Het afwegingskader biedt handvatten om te kunnen sturen op efficiënt en meervoudig natuurinclusief ontwerpen en bouwen kunnen direct of indirect bijdragen aan behoud ruimtegebruik in windparken. Hierbij wordt deels het beginsel ‘first come, first serve’ gehanteerd en en duurzaam gebruik van inheemse soorten en habitats in Nederland, bijvoorbeeld ligt het initiatief bij de markt. doordat bepaalde organismen kunnen profiteren van de toegepaste materialen. In de kavelbesluiten voor de windenergiegebieden Borssele en Hollandse Kust (zuid) is Bij de toetsing van de vergunningaanvraag wegen onder andere mee: de ruimtelijke aspecten, daarom voor de bouw van windparken op zee een inspanningsvoorschrift opgenomen veiligheid, effecten van de activiteit op de ecologie en het milieu en overige effecten op de om natuurinclusief bouwen te bevorderen. Voor Hollandse Kust (noord) is het voor- gebruiksfuncties in en om het gebied. Een vergunning wordt geweigerd als de doelstellingen van schrift specifieker. In het laatste geval houdt het voorschrift in dat de windpark­ het waterbeheer zich tegen vergunningverlening verzetten en de mogelijkheid ontbreekt om exploitant, die stenen of andere materialen gebruikt als erosiebescherming rondom de met voorschriften of beperkingen de belangen van het waterbeheer voldoende te beschermen. fundatie van windturbinepalen, maatregelen moet nemen in de vorm van kleine en/of Daarnaast kan een vergunning slechts worden verleend als deze in overeenstemming is met het grote holen en spleten en (be)vestigingssubstraat ter vergroting van de geschikte habitat London Protocol en het OSPAR-verdrag. voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten. Dat zijn in het bijzonder ‘paraplusoorten’ als kabeljauw en platte oesters. Handreiking gebiedspaspoort en voorkeursactiviteiten Voor elk windenergiebied wordt een Handreiking gebiedspaspoort opgesteld. In de Handreiking Door ze natuurinclusief te bouwen dragen windparken actief bij aan versterking van een gebiedspaspoort staan de gebiedsspecifieke kenmerken beschreven, zijn de nationale doelen en gezonde zee en versterking van behoud en duurzaam gebruik van soorten en habitats prioriteiten voor het gebied opgenomen, wordt aangetoond welke ruimte beschikbaar is voor die van nature in Nederland voorkomen. medegebruik en welke medegebruikactiviteiten de voorkeur krijgen. Activiteiten hebben de voorkeur als ze aansluiten bij de duurzame ambities van de energie-, voedsel –en natuur­ Natuurinclusief ontwerpen of bouwen is een integraal onderdeel van het windpark. Om transitie. Door de toepassing van de stappen in het afwegingskader is enige vorm van ruimtelijke windparken natuurinclusief te kunnen bouwen moeten exploitanten voor de aanvang sturing mogelijk. Activiteiten die overeenkomen met de beleidsvoorkeuren worden in het van de bouw een werkplan indienen. Als extra installaties of constructies worden afwegingskader ‘voorkeursactiviteiten’ genoemd. geplaatst los van de windturbines en de erosiebescherming, moet hiervoor een watervergunning worden aangevraagd, net als voor activiteiten van medegebruik. Meervoudig ruimtegebruik waar mogelijk In gebieden die zijn aangemerkt voor activiteiten van nationaal belang162 mogen andere activiteiten dit gebruik niet belemmeren. Hierbij moet worden aangetekend dat een vergunninghouder voor de specifieke activiteit waarvoor de vergunning is afgegeven, in het betreffende zeegebied • andere vormen van hernieuwbare energieopwekking en opslag (onder andere elektriciteit uit of weliswaar het alleenrecht heeft om exploratie of exploitatie voor die activiteit te verrichten, maar op het water en installaties voor waterstofproductie 161); dat hij niet het alleenrecht heeft voor het algehele gebruik van het desbetreffende gebied. Er is in • natuurbevorderende projecten (bijvoorbeeld oesterherstel, schuilplekken voor vissen, principe ruimte voor medegebruik mits de betrokken vergunninghouder daardoor geen oneven­ kunstriffen); redige schade of hinder ondervindt. • passieve visserij (onder andere korven voor vangst van krabben en kreeften). 161 Indien bestaande mijnbouwinfrastructuur, die gelegen is binnen een windenergiegebied, wordt hergebruikt voor CO₂-opslag, valt dit onder de mijnbouwwetgeving. Daarop is het Afwegingskader medegebruik in 162 Hiermee worden de twaalf NOVI-belangen bedoeld waar het Programma Noordzee invulling aan geeft. windparken niet van toepassing. Duurzame energie waaronder windenergie is van nationaal belang. 130 Procedure ten aanzien van passieve visserij Visserijactiviteiten op de Noordzee worden gereguleerd via de regelgeving voor visserij en • Het in te zetten vistuig valt onder de categorie passieve vistuigen, gedefinieerd als zijn daarom niet vergunningplichtig onder de waterwet. Voor visserijactiviteiten is op technieken waarbij de vis zichzelf vangt door in een haak te happen of in een kooi of grond van de (Europese) visserij wet- en regelgeving een visvergunning nodig voor het netwerk te zwemmen; vaartuig en het vistuig. In beginsel kan op het hele Nederlandse deel van de Noordzee • Het vistuig mag de bodem raken maar, op grond van in visserijbeleid gebruikelijke worden gevist, behalve in de gebieden waar dit verboden is zoals in de veiligheidszones terminologie, niet beroeren; van installaties op zee. Rondom een windenergiegebied is een veiligheidszone ingesteld, • De ondernemer draagt zorg voor het minimaliseren van het verlies van het vistuig; binnen deze zone is de toegang beperkt en gelden specifieke regels in verband met de • De ondernemer draagt zorgt voor een wijze van handelen waarbij er geen vogels worden veiligheid en de te beschermen installaties. Met een visvergunning wordt geen toegang aangetrokken; verleend tot het windenergiegebied. Toegang tot dit gebied buiten de doorvaartpassages • De visactiviteit mag geen effect hebben op het onderhoud aan- en de continuïteit van zal alleen zijn toegestaan voor vissers die door het Rijk ruimte toegewezen hebben het windpark; gekregen om passieve-visserijactiviteiten te kunnen uitoefenen. De ruimte die voor • De ondernemer beschikt over aantoonbare kennis en vaardigheden met betrekking tot: passieve-visserijactiviteiten beschikbaar is in een windenergiegebied is beperkt. De - het veilig manoeuvreren binnen een windpark; verdeling van deze schaarse ruimte vindt plaats via een inschrijving waarbij ondernemers, - het veilig uitzetten van het vistuig binnen een windpark; bij voorkeur in een consortium of ander samenwerkingsverband, inschrijven op een of • Het vaartuig moet hiertoe de geschikte eigenschappen bezitten; meerdere specifieke ruimtes. De beschikbare ruimtes voor passieve visserij binnen een • De ondernemer is verzekerd voor mogelijke schade aan de turbines en de infield kabels windenergiegebied worden opgenomen in de Handreiking gebiedspaspoort voor het van het windpark en voor de eventuele gevolgschade; windenergiegebied. De ondernemer moet bij de inschrijving in ieder geval voldoen aan en • Het vaartuig dat wordt ingezet voor de uitvoering van de visactiviteit moet, voorafgaand aan rekening houden met de volgende voorwaarden: het binnenvaren van het windenergiegebied, zijn aangemeld bij de Kustwacht Nederland; • De ondernemer beschikt over een visvergunning waarop het in te zetten vistuig en • Voor de visserijactiviteiten worden duurzame vistuigen ingezet; het veroorzaken van vissersvaartuig zijn geregistreerd; zwerfvuil moet worden vermeden. Medegebruik buiten de onderhoudszones voor windturbines en infield-kabels het aanhouden van de onderhoudszones ontstaat een bepaalde mate van zonering in het gebied Op basis van onderzoek163 is gebleken dat voor het veilig kunnen uitvoeren van het benodigde en wordt duidelijk waar medegebruik zou kunnen komen. De onderhoudszones kunnen onderhoud, rondom de windturbines en de infield-kabels een ruimte vrij moet blijven van 500 daarnaast worden gebruikt als aanvaarroutes voor onderhoudsschepen naar de verschillende meter radius rondom de windturbines164 en 250 meter aan weerzijden van de infield-kabels. Door installaties. Het aanhouden van vaste onderhoudszones creëert duidelijkheid voor alle partijen die gebruik maken van het gebied en zorgt voor een veiligere situatie in windparken. 163 BMT Netherlands B.V., Rapport inzake de benodigde ruimte voor onderhoud aan windturbines binnen windparken, maart 2020. Nut en Noodzaak 164 De radius rondom de turbine is opgebouwd uit een 250 meter onderhoudszone en 250 meter veilige In het geval een voorgenomen activiteit significante negatieve ruimtelijke en/of ecologische manoeuvreerruimte voor de grote onderhoudsschepen. In de 250 meter manoeuvreerruimte kunnen effecten met zich meebrengt, moet worden aangetoond waarom die activiteit op de Noordzee eventueel medegebruik activiteiten op de bodem plaatsvinden zoals natuurontwikkeling of vormen van moet plaatsvinden. Van enkele activiteiten is het nationale belang165 expliciet in het rijksbeleid passieve visserij. Deze en andere vormen van medegebruik mogen niet leiden tot vormen van obstructie in de manoeuvreerruimte door bijvoorbeeld objecten aan het wateroppervlak. 165 Hiermee worden de twaalf NOVI-belangen bedoeld waar het Programma Noordzee invulling aan geeft. 131

  126. 10.3.4 De stappen van het afwegingskader vastgelegd. Het maatschappelijk belang van deze activiteiten hoeft niet opnieuw te worden onderbouwd. Alle andere toetsen uit het afwegingskader worden wel op deze activiteiten toegepast. STAP 1: Vooroverleg en beschrijving activiteit en ruimtelijke behoefte • Vooroverleg Van alle overige activiteiten die significante negatieve ruimtelijke en/of ecologische effecten • Beschrijving activiteit en ruimtelijke behoefte veroorzaken, moet de initiatiefnemer nut en noodzaak aantonen. De initiatiefnemer moet • Ecosysteembenadering en voorzorgsbeginsel • Algemene randvoorwaarden (afstemming windparkexploitant) onderbouwen waarom de activiteit op die locatie moet plaatsvinden en waarom dat redelijker- wijs niet mogelijk is op een andere locatie, inclusief op het land. Bij twijfel over nut en noodzaak van een nieuwe activiteit kan het bevoegd gezag de initiatiefnemer vragen een maatschappelijke De activiteit is NIET aangewezen als voorkeurs­ kosten-batenanalyse (MKBA) uit te voeren. Op basis daarvan maakt het bevoegd gezag een STAP 2: Pre-beoordeling ruimtelijke activiteit voor de beoogde locatie. eindafweging. Als nut en noodzaak met succes zijn aangetoond, moeten nog wel de resterende behoefte en voorgenomen activiteit toetsen uit dit afwegingskader worden doorlopen. Bekendmaking: mogelijkheid tot kenbaar maken van andere initiatieven met dezelfde ruimtevraag?

  127. 10.3.5 Toelichting bij de te nemen stappen Nee Ja De stappen 1 en 2 van het afwegingskader vormen het begin van het proces, met focus op vooroverleg. Na stap 2 begint de formele vergunningsprocedure. Selectie activiteit Afweging volgens de voorkeuren en de Door het vooroverleg, het vastgestelde beleid en de Handreiking gebiedspaspoort voor elk Handreiking gebiedspaspoort windenergiegebied is de initiatiefnemer in staat om op voorhand rekening te houden met alle Toets efficiënt en meervoudig ruimtelijke belangen en voorkeuren in het plangebied. Dit geeft de initiatiefnemers en windpark- ruimtegebruik exploitanten vooraf duidelijkheid en leidt naar verwachting tot minder juridische procedures na de formele vergunningaanvraag. Bovendien kan een initiatiefnemer in een vroegtijdig stadium kennisnemen van de formele toetsingscriteria en procedure voor de vergunningverlening. STAP 3: Start formele procedure en beoordeling vergunningsaanvraag • Beoordeling effecten activiteit en ruimteclaim STAP 1: Vooroverleg en beschrijving activiteit en ruimtelijke behoefte • Afstemming activiteiten van het windpark en ander gebruik in het gebied • Offshore bestendigheid van de constructie • Veiligheid en aansprakelijkheid Het vooroverleg • Beoordeling behoud goede milieu toestand Voordat een initiatiefnemer een vergunningaanvraag indient voor een activiteit van mede­ • Duur van de vergunning • Opruimplicht en financiële zekerheid gebruik, is het aan te bevelen om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag166 om de • Archeologische en cultuurhistorische waarden voorgenomen activiteit te bespreken. Het vooroverleg kan worden gezien als de start van een Indien er sprake is van significante ruimtelijke of ecologische effecten dient proces gericht op optimale inpassing van de activiteit in een windpark. Zo nodig worden ook nut en noodzaak van de activiteit te worden aangetoond. andere belanghebbenden zoals de windparkexploitanten betrokken. Figuur 10-c: De stappen van het afwegingskader 166 Voor (vergunningplichtige) activiteiten op de Noordzee die onder de reikwijdte van de Waterwet (opgaand in de Omgevingswet) vallen is Rijkswaterstaat (namens de minister van IenW) het bevoegd gezag. 132 Beschrijving activiteit en ruimtelijke behoefte activiteit van nationaal belang. Dit houdt in dat bij het beoordelen van een vergunningaanvraag Het specifiek maken van de ruimtelijke behoefte van de voorgenomen activiteit houdt een voor medegebruik ook de belangen van de windparkexploitant en mogelijke effecten op het beschrijving in om de activiteit, de ruimteclaim, de mogelijke effecten van de activiteit en de windpark moeten worden afgewogen. De medegebruikactiviteit mag de opwekking van beoogde locatie in het windpark kenbaar maken. Deze informatie is nodig om te beoordelen of windenergie niet zodanig belemmeren dat de energieopwekking en de levering van elektriciteit het initiatief overeenkomt met de beleidsvoorkeuren (onder andere omschreven in de onmogelijk wordt. Ook mag het medegebruik de benodigde onderhoudswerkzaamheden aan Handreiking gebiedspaspoort voor het desbetreffende windpark) en voor het verdere proces van het windpark niet belemmeren of onmogelijk maken. De bereikbaarheid van de assets binnen de vergunningaanvraag. het windpark moet gewaarborgd blijven en het onderhoud moet veilig kunnen worden uitgevoerd. Om dit te waarborgen mogen medegebruikactiviteiten alleen plaatsvinden buiten de De informatie die de aanvrager aanlevert, moet naast de basisinformatie voor de ruimtelijke onderhoudszones voor windturbines en de infield-kabels. claim de volgende onderdelen bevatten: • een beschrijving van de natuurwaarden in het gebied (uitgaande van de ecosysteem­ Het kan gunstig zijn voor de goede inpassing van medegebruikactiviteiten in het windpark om al benadering) en de situering van de activiteit; vroeg in het proces in overleg te gaan met de windparkexploitant. Dit zal ook helpen om • een beschrijving van de effecten die de activiteit op zich en in combinatie met andere potentiële effecten in beeld te brengen en te voorkomen dat de windparkexploitant bezwaar activiteiten kan hebben; maakt tegen de vergunning van de medegebruikactiviteit. Afstemming en samenwerking tussen • een beoordeling van deze potentiële effecten op basis van de best beschikbare kennis. windparkexploitant en initiatiefnemers van medegebruik is zeer wenselijk, zo niet noodzakelijk. Ecosysteembenadering en voorzorgsbeginsel STAP 2: Pre-beoordeling voorgenomen activiteit en ruimtelijke behoefte Voor duurzame ontwikkeling en duurzaam gebruik van de Noordzee wordt de ecosysteem­ Het bevoegd gezag beoordeelt de activiteit volgens de voorkeuren die per windenergiegebied in benadering toegepast. Dat wil zeggen dat niet alleen effecten op afzonderlijke soorten gelden, het beleid en de Handreiking gebiedspaspoort zijn bepaald. Na de beoordeling zijn er twee maar ook en vooral de effecten op de volledige samenhang van leefgemeenschappen en hun mogelijkheden: habitat. De bestaande wet- en regelgeving geeft invulling aan de ecosysteembenadering onder 1. De voorgenomen activiteit is aangewezen als voorkeursactiviteit voor het gebied en de daarin andere door middel van een voortoets op de effecten voor natuur en milieu en door de toepas- beoogde plek; dan volgt gelijk stap 3. De formele vergunningsprocedure kan dan starten. sing van het voorzorgsbeginsel. Dit beginsel heeft al jaren een plaats in internationaal en 2. Als de voorgenomen activiteit niet als voorkeursactiviteit is aangewezen, maakt het bevoegd nationaal beleid (OSPAR, NWP, KRM en Natura 2000). In de voortoets wordt specifiek gekeken gezag bekend dat er een voornemen is om een vergunning voor de specifieke locatie te naar effecten op het ecosysteem en op Natura 2000-gebieden. Belangrijke aspecten zijn introductie verstrekken. Andere initiatiefnemers kunnen dan binnen 6 weken kenbaar en aantoonbaar van niet-inheemse soorten, ecologische draagkracht, nutriëntenonttrekking of -toevoer en maken dat ook zij op korte termijn een medegebruikactiviteit in het gebied willen ont­ effecten op soorten (bijvoorbeeld de extra risico’s die voor vogels ontstaan als activiteiten in plooien. Als zich binnen 6 weken geen andere initiatiefnemers melden, volgt stap 3 en kan de windparken hen aantrekken). Na het doorlopen van de voortoets zal blijken of een Passende formele vergunningsprocedure starten. Als zich binnen 6 weken een gegadigde meldt met beoordeling noodzakelijk is en/of een ontheffing Wet natuurbescherming moet worden aan­ een voorkeursactiviteit voor de beoogde locatie, zal in overleg worden bekeken of er ruimte is gevraagd of dat geen verdere actie nodig is. Als medegebruik op grotere schaal plaatsvindt en voor beide initiatieven en of in dat geval de activiteiten kunnen worden gecombineerd. grootschalige effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het bevoegd gezag ervoor kiezen om Betreft het een of meerdere initiatieven die geen voorkeursactiviteiten zijn, dan geldt het een milieueffectrapportage te eisen. beginsel van first come first serve en krijgt de initiële activiteit voorrang. Deze kan dan door naar stap 3. Wel wordt bekeken of meervoudig ruimtegebruik mogelijk is (kan het samen?) en Verhouding initiatiefnemer medegebruik en windparkexploitant zal in overleg ook worden gekeken naar een andere locatie in het gebied voor de initiatieven Een windenergiegebied is primair aangewezen voor de opwekking van windenergie. De die na de bekendmaking een ruimtevraag kenbaar hebben gemaakt. opwekking van windenergie inclusief de daarvoor benodigde kabels wordt gezien als een 133 STAP 3: Beoordeling effecten van activiteit en locatiekeuze Veiligheid en aansprakelijkheid Na het indienen van de formele vergunningaanvraag start het traject met wettelijke termijnen. De installaties of constructies die voor medegebruikactiviteiten worden ingezet, moeten zo zijn De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de hieronder beschreven toetsingscriteria. ontworpen dat het risico voor mens en (mariene) milieu aanvaardbaar is gedurende hun gehele levenscyclus. Binnen een windpark gelden strenge veiligheidseisen. Om aan deze eisen te Toetsingscriteria kunnen toetsen moet de vergunninghouder een veiligheidsplan voor werken op zee bij de vergunningaanvraag indienen. Uit veiligheidsoogpunt moet het onderhoud aan de installaties Beoordeling ruimtelijke en operationele effecten op het windpark en andere overdag plaatsvinden en het gebied bij slecht weer worden gemeden. Een initiatiefnemer voor activiteiten in het gebied een medegebruikactiviteit moet rekening houden met kosten die voortvloeien uit eventuele • Beoordelen van de ruimteclaim in relatie tot gebiedspaspoort voor windenergiegebieden. schade aan een turbine en/of de infield-kabels, die door de medegebruikactiviteit dan wel het • Beoordelen van de effecten die de medegebruikactiviteit opzichzelfstaand en in combinatie daarvoor gebruikte vaartuig kan ontstaan. De initiatiefnemer moet een goede aansprakelijk- met andere activiteiten kan hebben. heidsverzekering hebben die voldoende dekking biedt voor schade die kan voortvloeien uit de • Beoordeling van deze potentiële effecten op basis van de beste beschikbare kennis. vergunde medegebruikactiviteit binnen een windpark. In de beoordeling van de vergunning­ aanvraag zullen mogelijke (veiligheids)risico’s worden afgewogen en – indien nodig – voor- Het ontbreken van voldoende kennis over de gevolgen van een activiteit mag geen argument zijn schriften worden opgenomen om de risico’s zo veel als mogelijk uit te sluiten, of zodanig te om die activiteit te laten doorgaan. De vergunningverlener kan dan besluiten: verminderen dat de vergunning kan worden toegekend. Om de nautische veiligheid te vergroten • de activiteit niet toe te staan; kan het nodig zijn markering op of rondom de installaties of constructies aan te brengen. De • de activiteit wel toe te staan, maar onder voorwaarde dat de initiatiefnemer de effecten Kustwacht beoordeelt of dit noodzakelijk is. De kosten voor markering komen voor rekening van beperkt en/of compenseert; de initiatiefnemer. • nader onderzoek (bijvoorbeeld monitoring) te laten verrichten en de vergunning voor bepaalde tijd (duur van het onderzoek) te verlenen; Duur van de vergunning • andere beperkingen op te leggen zoals bijvoorbeeld de voorwaarde ‘hand aan de kraan’ Een vergunning wordt altijd voor een bepaalde periode verleend. Na toekenning van de vergunning waarbij de activiteit mag plaatsvinden totdat een bepaalde norm wordt overschreden. moet de vergunde activiteit binnen drie jaar zijn gestart, anders vervalt de vergunning. In principe betekent het einde van een windpark ook de beëindiging van vergunningen voor medegebruik­ Installaties zijn offshorebestendig en veilig activiteiten in het desbetreffende windpark. In de vergunning kan echter een voorschrift worden De constructie of installatie wordt geacht offshore proof te zijn. Bij het indienen van een vergunning­ opgenomen waaruit volgt dat de toegekende ruimte ook gebruikt blijft. Zo niet, dan vervalt de aanvraag moet worden beschreven hoe de constructie wordt verankerd of anderszins wordt vergunning na een bepaalde termijn en kunnen andere initiatiefnemers de kans krijgen om een vastgemaakt om te voorkomen dat ze loskomt en op drift raakt. Het losslaan van de constructie of aanvraag in te dienen voor een medegebruikactiviteit. installatie kan immers schade veroorzaken aan de infield-kabels, windturbines of constructies/ installaties van andere medegebruikers. Naast de beschrijving van de verankering, kan de offshorebe- Opruimplicht en financiële zekerheid stendigheid worden aangetoond door middel van onder meer onderzoeksresultaten en risicoanalyse, In beginsel moeten alle installaties, constructies en objecten die aan de medegebruikactiviteit sterkte- en krachtenberekeningen en het testen van de constructie. De constructies of installaties zijn verbonden na afloop van een vergunningstermijn worden verwijderd. Deze verplichting moeten onder omstandigheden (onder andere windkracht, golfhoogtes, stroming) die op de komt voort uit het verbod op storten op zee en ter bescherming van het milieu. Daarnaast zorgt Noordzee, en specifiek in het gebied in kwestie, kunnen voorkomen op positie te blijven, zodat ze de opruimplicht ervoor dat het gebied weer beschikbaar en bruikbaar wordt voor andere geen schade veroorzaken. De initiatiefnemer moet, ingeval van toch losraken, verlies en/of beschadi- activiteiten. De opruimplicht geldt ook voor constructies en objecten die geplaatst worden in het ging van zijn constructie of installatie, maatregelen nemen om risico’s te beperken. In de vergunning kader van natuurontwikkeling. Indien zich in een windpark nieuwe waardevolle natuur kunnen hiervoor voorschriften worden opgenomen zoals een meldplicht bij een calamiteit of het ontwikkelt die bijdraagt aan een gezonde staat van de Noordzee, kan worden bezien of deze na gebruik van een ‘tracker’ die zichtbaar maakt wanneer de constructie zich ongecontroleerd verplaatst de ontmanteling van het windpark kan blijven liggen. Om ervoor te zorgen dat de opruimplicht en waarmee het object bij verlies makkelijk is terug te vinden. wordt nageleefd wordt hiervoor een voorschrift in de vergunning opgenomen en een financiële 134 zekerheid geëist. De financiële zekerheid is ter dekking van de kosten voor het verwijderen van 11. De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, is op een niveau dat het mariene de objecten indien de vergunninghouder dit niet doet, bijvoorbeeld door faillissement, en de milieu geen schade berokkent. waterbeheerder de objecten moet verwijderen. Archeologische en cultuurhistorische waarden Goede milieutoestand en voorzorgsbeginsel Archeologische en cultuurhistorische waarden worden meegewogen in de vergunningverlening Het Programma Noordzee 2022-2027 bevat een toetsingskader voor de doelstellingen die voor activiteiten op de Noordzee. Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag worden voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). De eventuele effecten op archeologische vindplaatsen afgewogen volgens de uitgangspunten van beschrijving van de milieugevolgen moeten zodanig zijn opgesteld dat toetsing conform het het Verdrag van Valletta. Voor de windenergiegebieden zijn in het kader van de op te stellen toetsingskader in het Programma Noordzee 2022-2027 kan worden uitgevoerd. milieueffectrapportages voor de kavelbesluiten rapporten opgesteld waarin de archeologische vindplaatsen in een windenergiegebied in kaart zijn gebracht167. Kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieu- toestand zijn: 1. De biologische diversiteit wordt behouden. De kwaliteit en het voorkomen van habitats, en de verspreiding en dichtheid van soorten zijn in overeenstemming met de heersende fysiografische, geografische en klimatologische omstandigheden. 2. Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert. 3. Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een opbouw qua leeftijd en omvang die kenmerkend is voor een gezond bestand. 4. Alle elementen van de mariene voedselketens, voor zover deze bekend zijn, komen voor in normale dichtheden en diversiteit en op niveaus die de dichtheid van de soorten op lange termijn en het behoud van hun volledige voortplantingsvermogen garanderen. 5. Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring is tot een minimum beperkt, met name de schadelijke effecten ervan zoals verlies van de biodiversiteit, aantasting van het ecosysteem, schadelijke algenbloei en zuurstofgebrek in de bodemwateren. 6. Integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de ecosystemen gewaarborgd zijn en dat met name benthische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast. 7. Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene eco­ systemen geen schade. 8. Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden. 9. Vervuilende stoffen in vis en andere visserijproducten voor menselijke consumptie over- schrijden niet de grenzen die door communautaire wetgeving of andere relevante normen zijn vastgesteld. 10. De eigenschappen van, en de hoeveelheden zwerfvuil op zee veroorzaken geen schade aan 167 De desbetreffende rapporten ten aanzien van archeologische vindplaatsen in windenergiegebieden, zijn te het kust- en mariene milieu. raadplegen via: https://offshorewind.rvo.nl/ 135

  128. 10.4 Afwegingskader gebruik 10.5 Afwegingkader activiteiten van voor zandwinning op de Noordzee gereserveerd gebied 10.5.1 Inleiding Het Rijk stelt kaders zodat het gebruik van de ruimte op de Noordzee zich efficiënt, veilig en Als andere activiteiten van nationaal belang gebruik willen maken van het voor zandwinning duurzaam kan ontwikkelen. Meervoudig ruimtegebruik is daarbij een belangrijk uitgangspunt. gereserveerde gebied, wordt het volgende kader toegepast voor het vinden van een oplossing. Bij Dit biedt voor alle vormen van gebruik van de Noordzee evenwichtige kansen. Het afwegings­ het zoeken naar ruimte voor kabels en leidingen (inclusief interconnector- en telecommunicatie- kader is het mechanisme dat de Rijksoverheid toepast ter beoordeling van de toelaatbaarheid kabels) wordt, rekening houdend met de aansluiting aan landzijde, achtereenvolgens gekeken of: van activiteiten op zee. Activiteiten zijn projecten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd 1. een tracé mogelijk is door een voor zandwinning uitgeput gebied, zo niet of; of een projectbesluit kan worden genomen. Verzamelingen van dergelijke activiteiten worden in 2. een tracé mogelijk is in de reeds aangewezen voorkeurstracés voor kabels en leidingen, zo het Programma Noordzee gebruiksfuncties genoemd. Het beleid aangaande de gebruiksfuncties niet of; is in hoofdstuk 3 tot en met 8 beschreven. 3. een tracé mogelijk is waarbij de nieuwe kabels en leidingen worden gebundeld met bestaan- de kabels en leidingen, zo niet of; Daarbij zijn activiteiten van nationaal belang benoemd waaraan het kabinet prioriteit geeft. In het 4. een tracé alleen mogelijk is door een potentieel zandwingebied. Als dat het geval is, moet de afwegingskader komt relevant beleid samen en wordt beschreven hoe, binnen de Europese en initiatiefnemer het Rijk compenseren voor de extra kosten die worden gemaakt omdat de internationale kaders, de afweging wordt gemaakt voor nieuwe activiteiten. Tevens wordt zandwinning moet uitwijken naar een andere locatie. aangegeven hoe te handelen als verschillende activiteiten van nationaal belang met elkaar 5. Voor gebieden met schaarse zandvoorraad (de kust van Katwijk tot Egmond, en de kust voor conflicteren. Gedurende de looptijd van dit Programma Noordzee zal het Rijk nader uitwerken hoe Texel, Vlieland, Terschelling, Walcheren en de Kop van Schouwen) biedt compensatie geen om te gaan met conflicten tussen nationale belangen zoals deze zijn geformuleerd in de NOVI. afdoende oplossing. Daarom zal in die gevallen in principe binnen de stappen 1 t/m 3 een oplossing moeten worden gevonden. De ruimtelijke weerslag van beleidskeuzes ten behoeve van activiteiten van nationaal belang is weergeven op de structuurvisiekaart voor de Noordzee. Deze en andere uitgangspunten en de reikwijdte van het afwegingskader zijn in deze paragraaf beschreven. Het afwegingskader bestaat uit vijf toetsen die van grof naar fijn werken en volgordelijk worden doorlopen, maar niet noodzakelijkerwijs allemaal van toepassing zijn.

  129. 10.5.2 Reikwijdte en uitgangspunten van het afwegingskader Reikwijdte Het afwegingskader voor activiteiten op de Noordzee geldt voor alle vergunningplichtige activiteiten en projectbesluiten in het kader van de op de Noordzee geldende wet- en regelgeving in de territoriale zee en de EEZ voor zover het de aspecten betreft die invloed hebben op het watersysteem van de 136 Noordzee. Het Afwegingskader van de Wet natuurbescherming is daarin zover mogelijk geïntegreerd. Activiteiten zijn niet vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming indien op Onder vergunningplichtige activiteiten wordt ook bestaand gebruik verstaan waarvoor de vergun- grond van andere wetten, en met inachtneming van artikel 6, derde en vierde lid van richtlijn ning wordt verlengd of uitgebreid. Voor niet-vergunningplichtige functies (scheepvaart, een deel van 92/43/EEG, een vergunning is of zal worden verleend (dit geldt alleen voor activiteiten in de EEZ), het militair gebruik en recreatie) komen de aspecten van het afwegingskader pas in beeld bij of de activiteiten die in het Natura 2000-gebied plaatsvinden al zijn beoordeeld en geregeld in herziening van beleid of bij nieuw beleid. Een andere uitzondering betreft de visserij in de EEZ. Deze het beheerplan voor het betreffende gebied. is gereguleerd via het GVB van de Europese Unie. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een Indien significante effecten van een plan of project niet zijn uit te sluiten, vraagt de Wet natuur­ economische activiteit wordt een vaste procedure gevolgd. Hierbij wegen mee: de ruimtelijke bescherming om het toepassen van de ADC-toets. Deze toets maakt het mogelijk dat voor plannen aspecten, veiligheid en de gevolgen voor ecologie en milieu. Dit kan leiden tot eventueel aan een of projecten die om dwingende redenen van groot openbaar belang moeten worden gerealiseerd, vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen. Met het doorlopen van het afwegingskader bij ontstentenis van alternatieve oplossingen toch toestemming kan worden verleend. Voorwaarde wordt mede getoetst of de activiteit voldoet aan de doelstelling van de KRM. Daarbij zijn het is dan wel dat de initiatiefnemer voorafgaand alle nodige compenserende maatregelen neemt om voorzorgsbeginsel en het hanteren van de ecosysteembenadering van belang. te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Status en toepassing van het afwegingskader Uitgangspunten Het afwegingskader is een beleidsregel die het bevoegd gezag verplicht om bij de vergunning­ • Algemeen: het kabinet geeft binnen de Europese en internationale kaders (Kaderrichtlijn verlening overeenkomstig dit kader te handelen. Het afwegingskader is daarom vooral van belang Water, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het voor het bevoegd gezag en voor Noordzeegebruikers die een vergunning willen aanvragen op Verdrag van Malta) prioriteit aan activiteiten die van nationaal belang zijn voor Nederland: grond van168 Waterwet, Ontgrondingenwet, Wet natuurbescherming, Wet algemene bepalingen scheepvaart, olie- en gaswinning, CO₂-opslag, opwekking van duurzame (wind)energie, omgevingsrecht, de Mijnbouwwet169, de Wet windenergie op zee en een aantal scheepvaart­ zandwinning en -suppletie en defensie. Meervoudig ruimtegebruik wordt zoveel mogelijk wetten170 171 172. De beleidsregel wordt toegepast door het bevoegd gezag, zijnde Rijkswaterstaat bevorderd. (namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat), de minister voor Klimaat en Energie, de • Experimenteerruimte: voor kleinschalige experimenten die versterking van duurzame staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat, de minister van Landbouw, Natuur en ontwikkeling van de Noordzee op de langere termijn beogen, kan het Rijk een experimenteer­ Voedselkwaliteit en de minister voor Natuur en Stikstof. Het afwegingskader zoals hier beschreven ruimte aanwijzen en indien mogelijk tijdelijk afwijken van dit afwegingskader. De is een voortzetting van het afwegingskader in de Beleidsnota Noordzee 2016-2021. vergunning­verlener waarborgt met beperkingen en/of voorwaarden dat het experiment de veiligheid van ander bestaand gebruik niet in gevaar brengt. Nadelige effecten op andere Relatie met de Wet natuurbescherming vormen van gebruik moeten binnen redelijke grenzen blijven173. Zoals aangegeven is het afwegingskader ook van toepassing op activiteiten waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming een vergunning respectievelijk een ontheffing is vereist. Dat is het geval indien: • activiteiten mogelijk significante negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied hebben, of; • activiteiten mogelijke effecten (doden, vangen, verstoren) hebben op beschermde inheemse dier- en plantensoorten, of; • activiteiten het vernielen, het beschadigen of verstoren van voortplantings-, verblijf- en rustplaatsen tot gevolg hebben. 168 Voor meer informatie over de nationale wettelijke kaders zie www.noordzeeloket.nl onder beleid. 173 Het voorzorgsbeginsel blijft van kracht. De toetsen ‘locatiekeuze en ruimtegebruik’ (toets 2), ‘nut en noodzaak’ 169 Voor zover het de aspecten betreft die invloed hebben op het watersysteem Noordzee. (toets 3) en ‘compensatie’ (toets 5) vervallen. De belangen die door deze toetsen worden gewaarborgd, zijn daarmee niet buiten beeld. Ze spelen volledig mee bij een beoordeling van het experiment op basis van de 170 Wet voorkoming verontreiniging door schepen. projectbeschrijving. 171 Scheepvaartverkeerswet. 172 Scheepvaartreglement territoriale zee. 137

  130. 10.5.3 De vijf toetsen van het afwegingskader Toets 1: Definiëring ruimtelijke claim & toepassing voorzorgsbeginsel • Ruimtelijke claim • Ecosyseembenadering en voorzorgsbeginsel In figuur 10-d zijn de vijf toetsen van het afwegingskader weergegeven. Hieruit wordt duidelijk • Effecten van bestaande en nieuwe activiteiten dat de toetsen wel volgtijdelijk, maar niet noodzakelijkerwijs allemaal worden doorlopen. Een toelichting op de toetsen is weergegeven in de volgende paragrafen. Toets 2: Locatiekeuze & beoordelen ruimte/tijdgebruik Toets 1: Definiëring ruimtelijke claim en toepassen voorzorgsbeginsel • Belevingswaarde • Meervoudig ruimtegebruik Het definiëren van de ruimtelijke claim is eigenlijk geen echte toets, maar geeft een beschrijving • Afstemming activiteiten van nationaal belang van de desbetreffende activiteit. Die informatie is nodig voor de overige toetsen. In en na overleg • Alternatieven • Behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden met het bevoegd gezag volgt de initiatiefnemer voor de beschrijving een vast format, waarin • Termijn van de vergunning minimaal de volgende rubrieken zijn opgenomen: aard en doel van de activiteit, aanvang en • Verwijderen van objecten tijdsduur, ruimtebeslag en beoogde locatie, de potentiële effecten en één of meerdere alterna- tieven. Met name de ruimteclaim en de potentiële effecten moet de initiatiefnemer gedetailleerd uitwerken en waar nodig onderbouwen met resultaten uit onderzoek. Indien significante effecten, volgt toets 3. Anders besluit vergunning ja (incl. voorwaarden) of nee. Bepalen ruimtelijke claim Toets 3: Nut & noodzaak Informeel vooroverleg met het bevoegd gezag kan worden gezien als de start van een proces • Aantonen nationaal belang gericht op optimale inpassing, waarbij zo nodig ook andere belanghebbenden worden betrok- • Onderbouwing, eventueel MKBA • Dwingende redenen van groot openbaar belang i.v.m. ken. Uitgangspunt voor het bevoegd gezag is het beleid om nieuwe activiteiten op zee te Wet Natuurbescherming stimuleren en mogelijk te maken binnen de gestelde kaders, door toepassing van een ontwikkel- gerichte benadering waarbij gebruiksfuncties duurzaam en geïntegreerd op elkaar zijn afge- stemd. Door het vooroverleg is de initiatiefnemer in staat om op voorhand rekening te houden Indien activiteit toegestaan, volgt toets 4. met alle ruimtelijke belangen in het plangebied. Dit leidt naar verwachting tot minder juridische procedures na de formele vergunningaanvraag. Bovendien kan hij in een vroegtijdig stadium kennisnemen van de toetsingscriteria en procedure voor de vergunningverlening. Per initiatief is Toets 4: Mitigeren er één loket waar het bevoegd gezag samen met de initiatiefnemer bekijkt of ruimte kan worden • Mitigerende maatregelen in mitigatieplan i.v.m. Wet Natuurbescherming geboden binnen de kaders van het Noordzeebeleid. Na de formele vergunning­aanvraag start het formele traject. De toetsingscriteria voor de vergunningverlening worden hierna beschreven. Indien mitigatieplan voldoende is onderbouwd, volgt toets 5. Ecosysteembenadering en voorzorgsbeginsel Voor duurzame ontwikkeling en duurzaam gebruik van de Noordzee wordt de ecosysteem­ benadering toegepast. Dat houdt in dat niet alleen effecten op afzonderlijke soorten gelden, Toets 5: Compensatie van effecten maar ook de effecten op de volledige samenhang van leefgemeenschappen en hun habitat. De • Compensatieopgave in compensatieplan voor Natura2000-gebieden i.v.m. Wet Natuurbescherming bestaande wet- en regelgeving geeft invulling aan de ecosysteembenadering, onder andere door middel van een toets op de effecten voor natuur en milieu en door toepassing van het voorzorgs- beginsel. Dit beginsel heeft al jaren een plaats in internationaal en nationaal beleid (OSPAR, Figuur 10-d: De vijf toetsen van het afwegingskader NWP, KRM en Natura 2000). Het is een cruciaal uitgangspunt bij de uitwerking en planning van activiteiten op zee. Het beginsel houdt in dat een gebruiker preventieve maatregelen moet 138 nemen als er redelijke grond is tot bezorgdheid over mogelijke onherstelbare schade die de Maatregelen ter beperking van effecten moeten worden vastgesteld op het moment van het activiteit zou kunnen toebrengen aan het mariene milieu, de gezondheid van mensen en/of ander besluit over vergunningverlening. Als bij de beoordeling van een vergunningaanvraag (al dan rechtmatig gebruik. Er is geen afdoende bewijs nodig van een oorzakelijk verband tussen de niet met inbegrip van het MER) voldoende zekerheid is verkregen dat er geen kans is op activiteit en de gevolgen ervan. De preventieve maatregelen moeten langdurige, ongewenste en significant negatieve effecten, hoeft de rest van het afwegingskader niet te worden doorlopen, onomkeerbare effecten van activiteiten voorkomen of – als ze niet zijn te vermijden – beperken. met uitzondering van de toets op locatiekeuze (toets 2). Voorbeelden van preventieve maatregelen zijn: zonering in de tijd, toepassen van schone technieken, aanbrengen van controlesystemen en beheersen van stromen (afval-)stoffen. Toets 2: Locatiekeuze, beoordeling ruimtegebruik en vergunningstermijn Het bevoegd gezag beoordeelt per vergunningaanvraag of de ruimteclaim van de initiatiefnemer Effecten van bestaande en nieuwe activiteiten reëel is óf dat een efficiëntere ruimtelijke inpassing mogelijk is aan de hand van hieronder De wijze waarop het voorzorgsbeginsel wordt toegepast, hangt af van de vraag of het gaat om uitgewerkte aspecten. een activiteit van een bestaande of van een nieuwe gebruiksfunctie. Voor bestaand gebruik is immers al beleid en regelgeving van kracht, terwijl rond nieuw gebruik meer vragen en Binnen de 12-mijlszone worden geen vanaf de laagwaterlijn zichtbare permanente werken onzekerheden leven. Als nieuwe activiteiten van bestaande functies m.e.r.-plichtig zijn, geeft het (bouwwerken die zes maanden of langer op hun plaats staan) toegestaan. Uitzonderingen MER voldoende inzicht in de effecten om te kunnen toetsen op het voorzorgsbeginsel. daarop zijn permanente werken behorend bij activiteiten van nationaal belang. Deze kunnen Bij niet-m.e.r.-plichtige activiteiten past het bevoegd gezag het voorzorgsbeginsel toe op basis worden toegestaan in de 12-mijlszone, wanneer er geen redelijke alternatieve locaties zijn en er van bestaand beleid, bestaande regelgeving en de gangbare praktijk. Als er geen nieuwe geen significante effecten optreden op de bescherming van de kust. Schade aan de vrije horizon, inzichten zijn betreffende ecologische effecten, of effecten op de gezondheid van mensen of op recreatie en visserij dient dan zo beperkt mogelijk te zijn. Hergebruik van bestaande permanente ander rechtmatig gebruik, is hiermee aan het toepassen van het voorzorgsbeginsel voldaan. Als mijnbouwwerken voor opslag is mogelijk. nieuwe inzichten daartoe wél aanleiding geven, verzoekt het bevoegd gezag de vergunning­ aanvrager nadere informatie te verstrekken over de mogelijke effecten en zo nodig preventieve Meervoudig ruimtegebruik waar mogelijk maatregelen te treffen. In gebieden die zijn aangemerkt voor activiteiten van nationaal belang (zie structuurvisiekaart) De informatie die de aanvrager aanlevert, moet naast de basisinformatie voor de ruimtelijke mogen andere activiteiten dit gebruik niet belemmeren. Hierbij moet worden aangetekend dat een claim de volgende onderdelen bevatten: vergunninghouder voor de specifieke activiteit waarvoor de vergunning is afgegeven, in het • een beschrijving van de natuurwaarden in het gebied (uitgaande van de ecosysteembenade- betreffende zeegebied weliswaar het alleenrecht heeft op exploratie of exploitatie voor de vergunde ring) en de situering van de activiteit; activiteit, maar dat hij niet het alleenrecht heeft voor het algehele gebruik van het desbetreffende • een beschrijving van de effecten die de activiteit op zich en in combinatie met andere gebied. Er is in principe ruimte voor medegebruik mits de betrokken vergunninghouder daarbij geen activiteiten kan hebben; onevenredige schade of hinder ondervindt. Ook de effecten op andere sectoren, inclusief de visserij • een beoordeling van deze potentiële effecten op basis van de beste beschikbare kennis. moeten worden beschouwd. Het bevoegd gezag maakt uiteindelijk de afweging en beslist over de voorwaarden waaronder andere initiatieven in hetzelfde gebied mogelijk zijn. Als een gebruiker Ontbreekt voldoende kennis over de gevolgen van een activiteit, dan mag dat geen argument meent schade te ondervinden van een ander rechtmatig gebruik, kan hij bij het bevoegd gezag een zijn om die activiteit te laten doorgaan. De vergunningverlener kan dan besluiten: beroep doen op schadevergoeding. Het gaat daarbij alleen om schade van individuele gebruikers, die • de activiteit niet toe te staan; zij redelijkerwijs niet zelf kunnen dragen en die buiten het normaal maatschappelijk risico valt. Als • de activiteit wel toe te staan, maar onder voorwaarde dat de initiatiefnemer de effecten het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de vergunningverlener is, kan gebruik worden beperkt en/of compenseert; gemaakt van de nadeelcompensatieregeling die de Waterwet biedt. De Beleidsregel nadeel­ • nader onderzoek (bijvoorbeeld monitoring) te laten verrichten en de vergunning voor compensatie Infrastructuur en Milieu 2019 geeft hieraan invulling. bepaalde tijd (duur van het onderzoek) te verlenen; • andere beperkingen op te leggen zoals bijvoorbeeld de voorwaarde ‘hand aan de kraan’ waarbij de activiteit mag plaatsvinden totdat een bepaalde norm wordt overschreden. 139 Activiteit van nationaal Randvoorwaarde Activiteit van nationaal Randvoorwaarde belang belang Scheepvaart In verkeersscheidingsstelsels, diepwaterroutes, ankergebieden, precautionary Opwekking van duurzame In een windpark en een veiligheidszone van 500 meter rondom het park is area’s en clearways gaat scheepvaart vóór ander gebruik. (wind)energie (vervolg) geen scheepvaart toegestaan. Vanaf 1 mei 2018 zijn drie windparken voor de Nederlandse kust opengesteld voor schepen met een lengte over alles tot 24 Mijnbouwinstallaties en andere permanente individuele bouwwerken worden meter. Het betreft het Offshore Windpark Egmond aan Zee, Prinses Amalia uit veiligheidsoverwegingen binnen scheepvaartroutes en binnen een zone van Windpark voor de kust van IJmuiden en windpark Luchterduinen voor de 500 meter aan weerszijden van deze scheepvaartroutes niet toegestaan. kust van Noordwijk. Hiervan is windpark Luchterduinen weer gesloten in verband met de bouw van nabij liggende windparken. Het is de intentie om Olie- en gaswinning Het potentieel aan olie- en gasvoorraden inclusief de ‘kleine velden’ doorvaart van windparken in speciale passages te verruimen tot schepen met wordt zoveel mogelijk benut. een lengte over alles tot 46 meter. Dit is onder voorbehoud van een Formal Safety Assessment (FSA). Binnen een veiligheidszone van 500 meter rond een mijnbouwplatform is scheepvaart of ander gebruik niet toegestaan. Bij de aanwijzing van windenergiegebieden is het Ontwerpcriterium: afstand tussen scheepvaartroutes en windparken van toepassing (zie bijlage 3). Voor mijnbouwplatforms met een helikopterdek is het vertrekpunt een obstakelvrije zone van 5 NM rondom het platform, om onder alle Voor de afstand tussen kabels en windparken op zee geldt in principe een weersomstandigheden veilig helikopterverkeer van en naar het platform onderhoudszone van maximaal 500 m voor elektriciteitskabels, leidingen en te garanderen. In specifieke situaties wordt, door toepassing van het telecomkabels. ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken (zie bijlage 4) bezien of een maatwerkoplossing mogelijk is. In principe moeten nieuwe kabels voorkeurstracés gebruiken bij doorsnijding van de zandwinzone (zie hoofdstuk 10.4). In principe dienen nieuwe leidingen voorkeurstracés te gebruiken bij doorsnijding van de zandwinzone (zie hoofdstuk 10.4). Zandwinning Winning van zand voor kustverdediging en ophoging heeft voorrang in de reserveringszone tussen de doorgaande NAP-20 m dieptelijn en de grens CO₂-opslag Het potentieel aan uitgeproduceerde olie- en gasvelden en aan (voor van de 12-mijlszone. CO₂-opslag geschikte) wordt zoveel mogelijk benut. In principe moeten nieuwe kabels voorkeurstracés gebruiken bij Binnen een veiligheidszone van 500 meter rond een platform met installatie doorsnijding van de zandwinzone (zie hoofdstuk 10.4). voor CO₂-opslag is scheepvaart of ander gebruik niet toegestaan. Buiten de 12-mijlszone gaan bij ‘stapeling’ andere activiteiten van In principe dienen nieuwe leidingen voorkeurstracés te gebruiken bij nationaal belang boven die van zandwinning. doorsnijding van de zandwinzone (zie hoofdstuk 10.4). Landwaarts van de doorgaande NAP-20 dieptelijn mag geen zandwinning Zie bijlage 4. plaatsvinden. Uitzondering daarop vormt in beginsel winning uit Opwekking van duurzame Het gebruik van de Noordzee ten behoeve van de opwekking van duurzame vaargeulen, het aanleggen van overslagputten, winning waarbij het (wind)energie (wind)energie in aangewezen gebieden gaat vóór ander gebruik. verwijderen van oppervlaktedelfstoffen uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging en het in oorspronkelijke staat brengen van de In de aangewezen windenergiegebieden wordt gestreefd naar (vroegtijdige) zeebodem van voormalige stortgebieden. afstemming tussen het (toekomstig) gebruik van het gebied ten behoeve van Defensie In defensiegebieden wordt medegebruik toegestaan voor zover dit is te enerzijds windenenergie en anderzijds (toekomstige) olie- en gaswinning. verenigen met de oefeningen daar. In eerste instantie oordeelt de Afstemming tussen windenergie en olie- en gaswinning is maatwerk. minister van Defensie hierover. Bij de uitgifte van kavels is het ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwloca- ties en windparken van toepassing (zie bijlage 4). Afstemming met de Tabel 10.3: Onderlinge afstemming van activiteiten van nationaal belang medegebruiker kan leiden tot een gewijzigde lay-out van het windturbinepark. 140 Onderlinge afstemming van activiteiten van nationaal belang een pijpleiding ter beschikking worden gesteld aan de minister van OCW, voor zover die gegevens Wanneer activiteiten van nationaal belang stapelen in hetzelfde gebied, is ook daarbij het informatie kunnen verschaffen over de aanwezigheid van archeologische monumenten dan wel uitgangspunt dat gestreefd wordt naar gecombineerd en efficiënt ruimtegebruik. Daarbij geldt van vermoedelijke archeologische monumenten in of op de bodem van de territoriale zee of het wel een aantal specifieke randvoorwaarden (zie tabel 10.3). Deze tabel wordt nader uitgewerkt continentaal plat. De mijnbouwregelgeving voorziet bovendien in regulering van toevalsvondsten om ook de conflicten tussen nationale belangen uit de NOVI te omvatten (zie paragraaf 12.2). bij het uitvoeren van mijnbouwactiviteiten. Alternatieven Voor alle activiteiten op de Noordzee waarbij een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, geldt Het bevoegd gezag kan bij zijn ecologische of ruimtelijke overwegingen ook alternatieve locatie- een meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet en kan de minister van OCW voorstellen willen betrekken en de initiatiefnemer vragen voor m.e.r.- plichtige activiteiten voorschriften geven of de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk laten stilleggen. Voor de toepassing (aanvullend) onderzoek te doen met betrekking tot zowel de voorkeurslocatie als de alternatieve van deze bevoegdheid kan een schadevergoeding overeengekomen worden. locaties, zeker ter voorkoming van mogelijke significante ecologische effecten. Termijn van de vergunning Archeologische en cultuurhistorische waarden Een vergunning wordt voor een bepaalde periode verleend, met uitzondering van vergunningen De Noordzee heeft een bijzonder bodemarchief met daarin historische scheepswrakken, verdronken voor mijnbouwactiviteiten. Activiteiten op zee zijn meestal van tijdelijke aard, onder andere prehistorische landschappen en andere archeologische vindplaatsen. Bij bodemingrepen op het door de grote dynamiek van de zee. Er wordt regelmatig bezien of de afweging omtrent Nederlands continentaal plat moet rekening worden gehouden met de verplichting tot behoud van ruimtegebruik nog overeenkomt met de werkelijke situatie. Tevens wordt zo voorkomen dat het (informatie over) archeologische en cultuurhistorische waarden volgens het Verdrag van Malta. Dit ruimtebeslag van kracht blijft zonder dat de ruimte wordt benut. Het bevoegd gezag bepaalt bij verdrag is middels de Wet op de archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in onder andere het verlenen van vergunningen een termijn; soms is deze wettelijk verplicht. Fasering in de tijd de Erfgoedwet, de Ontgrondingenwet en de Wet milieubeheer en werkt ook door in andere wet­ biedt de mogelijkheid om meerdere activiteiten in een bepaald gebied te combineren. geving, zoals de Waterwet en de Wet windenergie op zee. Verwijderen van objecten Archeologische en cultuurhistorische waarden worden meegewogen in de vergunningverlening voor Uitgangspunt is dat objecten na afloop van een vergunningstermijn worden verwijderd in projecten op de Noordzee. Het in kaart brengen van de effecten op deze waarden is een verplicht verband met het verbod op storten ter bescherming van het milieu. Deze opruimplicht zorgt onderdeel van de milieueffectrapportage bij projecten. Voor activiteiten die vergunningplichtig zijn ervoor dat meer ruimte beschikbaar komt. Het bevoegd gezag stelt de opruimplicht vóór het op grond van de Waterwet, Wet Windenergie op zee of de Ontgrondingenwet, maar waarvoor geen verlenen van de vergunning ter kennis aan de initiatiefnemer en legt bijzonderheden omtrent de project-MER hoeft te worden opgesteld, levert de initiatiefnemer bij de vergunningaanvraag een opruimplicht vast in de vergunning. Daarbij worden vaak tevens financiële zekerheden gevraagd bureauonderzoek en een onderwateronderzoek aan, waarin de archeologische waarden in het gebied voor het kunnen dekken van de verwijderingskosten. naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Als op basis van • Platforms voor olie- en gaswinning: De verwijdering van installaties die niet meer in gebruik zijn, is bovengenoemd rapport wordt geconcludeerd dat de activiteiten kunnen leiden tot aantasting van geregeld in artikel 44 lid 1 van de Mijnbouwwet. De staatssecretaris van Economische Zaken en archeologische waarden, kan het bevoegd gezag nadere voorschriften verbinden aan de vergunning, Klimaat kan deze verplichting beperken tot een bepaalde diepte beneden de bodem van het zoals de verplichting tot nader inventariserend onderzoek, de verplichting tot het treffen van oppervlaktewater. Verwijderen tot dezelfde diepte als de putten (zes meter onder de zeebodem) technische maatregelen tot behoud in situ, de verplichting tot het doen van een opgraving of tot ligt dan het meest voor de hand. archeologische begeleiding van de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van de • Windturbineparken: Voor de huidige vergunningen voor windturbineparken geldt een maximale maritieme archeologie. vergunningstermijn van 30 jaar. Dit komt overeen met een operationele periode van Voor m.e.r.-plichtige mijnbouwactiviteiten, zoals diepboringen en de aanleg van bepaalde ongeveer 25 jaar. Deze termijn is gebaseerd op de levensduur van de turbines. De termijn kan pijpleidingen, wordt de bescherming van archeologische en andere cultuurhistorische waarden worden verlengd. Het wetsvoorstel Wijziging van de Wet windenergie op zee (ondersteunen meegenomen in de afweging bij de vergunningverlening. Op grond van de mijnbouwregelgeving opgave windenergie op zee) omvat, vanwege de steeds verder toenemende levensduur van moeten voorts onderzoeksgegevens voor de plaatsing van een mijnbouwinstallatie of aanleg van windturbines, de mogelijkheid voor een maximale vergunningsduur van 40 jaar (overeen­ 141 komend met een operationele periode van 35 jaar). Om er zeker van te zijn dat de turbines na Toets 4: Mitigeren het verstrijken van de vergunningstermijn kunnen worden verwijderd, is bij het afgeven van Als een activiteit niet te vermijden significant negatieve ecologische effecten heeft, moet de de vergunning een bankgarantie voor de opruimkosten verplicht. initiatiefnemer maatregelen nemen om deze te beperken conform de Wet natuurbescherming. • Kabels en leidingen: Kabels en leidingen die niet meer in gebruik zijn, moeten in principe worden verwijderd. Dit De initiatiefnemer dient een maatregelenplan in waarin gedetailleerd is beschreven: beleid wordt geëffectueerd door middel van vergunningseisen in het kader van de Waterwet of de • welke (aspecten van de) activiteiten wanneer en onder welke omstandigheden negatieve Mijnbouwwet. Per geval wordt een afweging gemaakt van de feitelijke effecten op onder andere effecten veroorzaken; milieu, de veiligheid, het ruimtebeslag en de kosten die met opruimen zijn gemoeid. Dat gebeurt • wat die effecten zijn qua aard, omvang, tijd en plaats; aan de hand van de in de bijlage 5 opgenomen ‘Checklist opruimplicht kabels en leidingen’ en • welke maatregelen de negatieve effecten zoveel mogelijk zullen voorkomen (werking, overige hierop van toepassing zijnde beleidsregels en/of wet- en regelgeving op grond van de uitvoering en uiteindelijk resultaat). Waterwet of Mijnbouwwet. Ook voor sommige oude kabels en leidingen die zijn vergund onder de Mijnbouwwet maar waarvoor geen opruimplicht in de vergunning was opgenomen, kan de Het bevoegd gezag toetst of het mitigatieplan voldoende is onderbouwd. staatssecretaris van EZK opruiming eisen. Dezelfde checklist wordt daarbij toegepast. Toets 5: Compensatie van effecten Toets 3: Nut en noodzaak Schade aan het watersysteem Noordzee die ondanks mitigatie niet is te voorkomen, moet zo In het geval van significante negatieve ruimtelijke en/of ecologische effecten moet worden goed mogelijk worden gecompenseerd conform de Wet natuurbescherming. aangetoond waarom die activiteit op de Noordzee moet plaatsvinden. Compenserende maatregelen zijn onderdeel van de voorwaarden waaronder de vergunning Van enkele activiteiten is het nationale belang expliciet in het rijksbeleid vastgelegd. Het wordt verleend. Het bevoegd gezag beoordeelt aan de hand van monitoringsgegevens of de maatschappelijk belang van deze activiteiten hoeft niet opnieuw te worden onderbouwd. Alle voorgestelde compenserende maatregelen voldoende zijn. Het is dus van belang dat de andere toetsen uit het afwegingskader worden wel op deze activiteiten toegepast. monitoring aansluit bij de compensatieopgave. Bij de Wet natuurbescherming is dit pas aan de orde na het doorlopen van de ADC-toets. Van alle overige activiteiten die significante negatieve ruimtelijke en/of ecologische effecten veroorzaken, moet de initiatiefnemer nut en noodzaak aantonen. Hij moet onderbouwen Bij activiteiten in een Natura 2000-gebied geldt voor compensatie een resultaatsverplichting. Bij waarom de activiteit op die locatie moet plaatsvinden en waarom dat redelijkerwijs niet mogelijk activiteiten in de overige gebieden met effect op Natura 2000-doelen volstaat een inspannings­ is op een andere locatie, inclusief op het land. Bij twijfel over nut en noodzaak van een nieuwe verplichting. Bij het treffen van compenserende maatregelen gelden de volgende uitgangspunten: activiteit kan het bevoegd gezag de initiatiefnemer vragen een maatschappelijke kosten-baten- • alleen voor significante effecten die na beperkende/mitigerende maatregelen nog resteren, is analyse (MKBA) uit te voeren. Op basis daarvan maakt het bevoegd gezag een eindafweging. Als compensatie vereist; nut en noodzaak met succes zijn aangetoond, moeten nog wel de resterende toetsen uit dit • compenserende maatregelen moeten worden getroffen voordat de voorgenomen activiteit afwegingskader worden doorlopen. plaatsvindt; • waar mogelijk moet in natura worden gecompenseerd, liefst in of anders direct grenzend aan Conform de Wet natuurbescherming zijn in of nabij gebieden met bijzondere ecologische de Noordzee; waarden (de aangewezen Natura 2000-gebieden) geen nieuwe activiteiten met een kans op • de initiatiefnemer stelt een compensatieplan op dat door het bevoegd gezag moet worden significante ecologische effecten toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake goedgekeurd. is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Als aan die beide voorwaarden is voldaan, kan het bevoegd gezag het openbare belang afwegen tegen het natuurbelang. Staat de vergunning­verlener de activiteit toe, dan moet de initiatiefnemer maatregelen nemen om de negatieve effecten te beperken (mitigatie) of te compenseren (zie toets 4 en 5). 142

  131. 10.6 Kunstmatige eilanden aanleg, beheer en exploitatie. Het Rijk is initiatiefnemer omdat volgens internationale wetgeving de staat verantwoordelijk is voor het borgen van de veiligheid op het eiland in de breedste zin van het woord. Het gaat hierbij om de territoriale, fysieke economische veiligheid, ecologische in zee bescherming, politieke stabiliteit en rechtsorde, zowel internationaal als nationaal. Bovendien wordt een eiland alleen aangelegd voor vitale of essentiële (energie-)infrastructuur, waarvoor de overheid een wettelijke verantwoordelijkheid draagt of heeft opgedragen. Daarnaast heeft een kunstmatig eiland een (semi-)permanent karakter en kan het in de loop van de levensduur Uiteenlopende ontwikkelingen op zee vragen mogelijk in de nabije toekomst om kunstmatige wenselijk zijn de functies ervan aan te passen. Het Rijk zal daarom als nut en noodzaak van het eilanden in zee. Met name voor de toekomstige energie-infrastructuur op zee kunnen kunstmatige eiland zijn aangetoond, met in achtneming van de dan geldende onderzoeks- en inspraak­ eilanden een essentieel onderdeel zijn, bijvoorbeeld als energiehub voor stroomconversie, verplichtingen, een (project)besluit nemen en bepalen welke ruimtelijke functies het eiland zal interconnectie, energieopslag en waterstofproductie of assemblage en onderhoud van wind­ vervullen. De voorwaarden waaronder een kunstmatig eiland kan worden aangelegd zijn turbines. De realisatie van kunstmatige eilanden gaat gepaard met lange voorbereidingstijden. Ook hieronder op hoofdlijnen beschreven. Bij de besluitvorming heeft de minister van Infrastructuur als binnen de planperiode van dit Programma Noordzee nog geen kunstmatige eilanden worden en Waterstaat een coördinerende taak en zullen andere departementen worden betrokken. aangelegd, kan het toch nodig zijn om de komende jaren voorbereidingen te treffen en besluiten te nemen. Daarom worden in deze paragraaf richtinggevende uitspraken gedaan over de omgang Tijdens de verkennings- en ontwikkelingsfase heeft het Rijk een initiërende rol en beslist daarbij met kunstmatige eilanden en vervolgacties benoemd ter nadere uitwerking. over nut en noodzaak, functie, locatie en wijze van beheer. Daarbij wordt onderzocht of kan worden voldaan aan de voorwaarden (zie voorwaarden op hoofdlijnen). Bij de kennisontwikkeling die vanaf de ontwikkelingsfase nodig is om ideeën te genereren en plannen uit te werken, zal de Typering kunstmatig eiland in zee creativiteit en deskundigheid van marktpartijen worden betrokken. Gedurende de exploitatiefase zal het Rijk verantwoordelijk blijven voor onder meer het waterstaatkundig beheer van het eiland Een kunstmatig eiland zoals in deze paragraaf bedoeld, is een in de territoriale zee (TZ) of en zeggenschap houden ten aanzien van de wijze van exploitatie. economische exclusieve zone (EEZ) met landaanwinning aangelegd gebied omgeven door zee, dan wel een (semi)permanent aan de zeebodem verankerd grootschalig werk of platform niet zijnde een installatie of bouwwerk waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet regels zijn Voorwaarden op hoofdlijnen gesteld, zoals voor een mijnbouwinstallatie of windpark. • Een kunstmatig eiland in de TZ en EEZ is alleen te realiseren voor een activiteit van nationaal belang, waarvoor een noodzaak bestaat dat deze op zee plaatsvindt en waarvoor geen redelijk Gebied alternatief voorhanden is op land. Activiteiten van nationaal belang zijn activiteiten genoemd in de NOVI. De voor de Noordzee relevante nationale belangen staan beschreven in hoofdstuk 2. De uitspraken in deze paragraaf betreffen zowel kunstmatige eilanden in de territoriale zee als in • Locatie, functie en wijze van beheer moeten voldoen aan (inter)nationale veiligheidscriteria. de economische exclusieve zone, maar niet de (voor de ruimtelijke ordening) gemeentelijk Risicoanalyses zijn nodig die aansluiten bij de Nationale veiligheidsstrategie. ingedeelde gebieden. • Het Rijk bepaalt de locatie van een eiland en streeft daarbij naar efficiënt ruimtegebruik. Daarbij wordt getoetst op ecologische effecten, toepassing van het voorzorgsbeginsel voortvloeiend uit de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natura 2000, de effecten op andere Regierol Rijk gebruiksfuncties en archeologische en cultuurhistorische waarden. Locaties die nu zijn uitgesloten voor installaties zoals clearways en ankergebieden, zijn ook uitgesloten voor een Een kunstmatig eiland in zee heeft – in tegenstelling tot een installatie op zee - een aantal kunstmatig eiland in zee. In principe geldt een opruimplicht voor alle bouwwerken. In specifieke kenmerken waardoor het Rijk een regierol wil vervullen bij eventuele ontwikkeling, 143 nadere uitwerking wordt nagaan hoe dit in voorwaarden is vast te leggen in combinatie met het permanente karakter en de relatief lange levensduur. Vervolgacties • Het Rijk zal een verkenning starten om nut en noodzaak en haalbaarheid van één of meer energiehub(s), mogelijk in de vorm van een kunstmatig eiland, aan te tonen. Daarbij dienen ook de ecologische en ruimtelijke implicaties te worden meegenomen. En zal, indien nut en noodzaak is aangetoond, in deze planperiode starten met de voorbereidingen (onderzoeken en verkenningen) van een dergelijke hub(s). Daarbij worden belanghebbenden en buur­ landen vroegtijdig betrokken. • (Voorbereiding van) het van toepassing verklaren van Nederlandse wetgeving op kunstmatige eilanden. De bodem van de EEZ is geen eigendom van de Nederlandse staat. Nederland heeft het soevereine recht en exclusieve rechtsmacht om een kunstmatig eiland aan te leggen in de EEZ. Om deze rechtsmacht uit te oefenen is het nodig Nederlandse wetgeving op kunstmatige eilanden in de EEZ van toepassing te verklaren. Hiervoor moet een (project)wet worden opgesteld waarin bijvoorbeeld het Nederlands strafrecht en het Nederlands burgerlijk wetboek van toepassing wordt verklaard op het eiland. In de (project)wet kunnen ook de principes van gronduitgifte of concessieverlening worden uitgewerkt174. In dit verband wordt nagegaan of aanvullende veiligheidsnormen nodig zijn ten aanzien van de waterveiligheid en de externe veiligheid van infrastructuur op eilanden of dat dit per eiland kan worden vastgelegd in het projectbesluit. • (Voorbereiding van) de ontwikkeling van toereikend juridisch instrumentarium, specifiek bedoeld voor het in gebruik geven van gronden op eilanden (het huidige instrumentarium is alleen van toepassing op de TZ en niet binnen de EEZ). 174 Naar voorbeeld van de Wet van 3 december 1964, houdende voorzieningen ten aanzien van installaties op de bodem van de Noordzee (Wet installaties Noordzee), de Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet) of de Wet van 24 juni 2015, houdende regels omtrent windenergie op zee (Wet windenergie op zee). 144 Programma Noordzee 2022 – 2027 145 11 Kennisontwikkeling en monitoring De opgave van het Programma Noordzee 2022 – 2027 is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de 11.1 Onderzoek en monitoring Noordzee, die efficiënt en veilig is en past binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Het invullen van kennisleemten over de Er is sprake van verschillende programma’s waarin onderzoek en monitoring plaatsvindt, te weten het MWTL (programma Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands), de WOT draagkracht van het ecosysteem, over natuurversterking en soorten­ (wettelijke onderzoekstaken), Wozep (Wind op zee ecologisch programma) en de strategische bescherming, en over de effecten van drukfactoren speelt een grote rol onderzoeksprogramma’s van de kennisinstellingen. Ook kunnen kennisvragen worden gefinancierd middels de Nationale Wetenschapsagenda van de Nederlandse Organisatie voor bij onderzoek en monitoring. Een belangrijk voorbeeld is onderzoek Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), het programma van de topsector Water en Maritiem en het naar de gevolgen van de grootschalige uitrol van windenergie op zee. missiegedreven onderzoeksprogramma Landbouw, Water en Voedsel. Naast de kennisvragen uit het Noordzeeakkoord komen kennisvragen Aanvullend op deze programma’s wordt, zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord, een voort uit de KRM-implementatie. De mariene strategie deel 1 (2018) en integraal onderzoeks- en monitoringsprogramma uitgewerkt, het programma Monitoring mariene strategie deel 3 (bijlage 1) bevatten een overzicht van kennis- Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS). Het MONS Programma voert de komende 10 jaar onderzoek uit om allerlei kennisvragen, zoals geformuleerd in het Akkoord leemten per descriptor. voor de Noordzee, te kunnen beantwoorden en ontwikkelde kennis te kunnen gebruiken voor beleidskeuzes. De doelstelling van MONS is de benodigde kennis te ontwikkelen en beschikbaar te stellen om ervoor te (kunnen) zorgen dat het veranderend gebruik van de Noordzee binnen de draagkracht van het ecosysteem blijft. Het MONS-programma geeft duidelijkheid over de door de ministeries van EZK, LNV en I&W beschikbare financiële middelen en de aanwending ervan voor de MONS-thema’s. Het programma geeft verder een overzicht van de voorlopig geprioriteerde projecten waarvoor deze middelen zullen worden aangewend. Afstemming met andere programma’s is belangrijk. Het uitvoerings­ bureau MONS volgt nationale en internationale initiatieven voor Noordzee-onderzoek met het oog op cofinanciering en koppelen van onderzoek. Daarnaast zijn er Europese onderzoekstrajecten en -programma’s waarin relevante kennisvragen kunnen worden opgepakt. Voorbeelden van deze trajecten zijn het in 2021 gestarte Horizon Europe-programma (het kaderprogramma van de EU voor onderzoek en innovatie), LIFE+ en Interreg. Eén van de instrumenten onder Horizon Europe is ‘Partnership’. Voor het mariene domein is een Partnership Blue Economy opgesteld. Nederland zal als partner aan dit programma deelnemen. 146 Ook belangrijk voor de kennisvragen rondom het Noordzeebeleid is het Europese Maritiem nationale scheepvaartroutes en de toekomstige windparken interfereren. Voor scheepvaart zal Visserij en Aquacultuur Fonds (EMFAF). Het fonds co-financiert projecten die bijdragen aan de verder onderzoek nodig zijn naar wat er exact nodig is voor veilig scheepvaartverkeer en Europese doelstellingen op deze thema’s. Deze Europese doelstellingen zijn vervat in vier bereikbaarheid van internationale zeehavens, in combinatie met windparken. Nieuwe EU-prioriteiten: elementen zijn dat in dit gebied nog geen verkeersscheidingsstelsels zijn ontworpen en dat 1. Bevorderen van een duurzame visserij en de instandhouding van de biologische rijkdommen bijvoorbeeld de weers­omstandigheden in het noorden heel anders zijn dan in de zuidelijke van de zee; Noordzee. Het ontwikkelen van windenergie op zee aan de grens van de EEZ met Duitsland en 2. Bijdragen aan de voedselzekerheid in de Unie door concurrerende en duurzame aquacultuur het Verenigd Koninkrijk speelt ook mee in het kader van internationale en markten; scheepvaartverbindingen. 3. Mogelijk maken van de groei van een Duurzame blauwe economie en het bevorderen van welvarende kustgemeenschappen; 4. Versterking van het internationale oceaanbestuur en het mogelijk maken van veilige, beveiligde, schone en duurzaam beheerde zeeën en oceanen. De voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord gereserveerde EMFAF-middelen worden ingezet om aan Europese kaders gerelateerde doelen van het Noordzeeakkoord (van juni 2020) en de Kottervisie (van oktober 2019) te realiseren. De aan deze doelen gerelateerde kennisvragen die opgepakt worden in het MONS-programma vallen binnen de hierboven aangegeven EU-prioriteiten 1 en 4. En vallen als zodanig binnen de scope van het Nederlandse Operationeel Programma. Dit programma is de nationale invulling van de EMFAF-verordening175. In 2021 is Rijkswaterstaat gestart met een langjarig programma voor monitoring en onderzoek dat meer inzicht moet verschaffen in de effecten van windparken op de scheepvaartveiligheid, bijvoorbeeld ten aanzien van de kans op aanvaringen, maar ook de mogelijke gevolgen van incidenten voor opvarenden, materieel en milieu. Het programma zal op basis van de nieuwe kennis eventuele aanpassingen van veiligheidsmaatregelen adviseren en onderbouwen ten behoeve van de verdere uitrol van windenergie op zee. Tevens kijkt het programma naar opties voor internationale afstemming van kennis, afspraken en maatregelen. De monitoring en het onderzoek worden gebruikt voor een beleidsevaluatie in 2025 om de effectiviteit van de genomen maatregelen te beoordelen en zo nodig aan te passen of te verbeteren, bijvoorbeeld om in te spelen op innovaties. Dit alles natuurlijk om de veiligheid op zee in relatie tot wind- energie te borgen of te verbeteren. Naast dit programma zal er geanticipeerd moeten worden op de verdere ontwikkeling van windenergie op zee bij het aanwijzen van nieuwe gebieden in het Programma Noordzee 2022-2027. Dit betekent dat er aanvullend onderzoek vereist is voor de gebieden waar inter­ 175 Regulation (EU) 2021/1139 of the European Parliament and of the Council of 7 July 2021 establishing the European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund and amending Regulation (EU) 2017/1004. 147

  132. 11.2 Prioritering en afstemming 11.3 Informatieontsluiting: het van onderzoek Informatiehuis Marien (IHM) en Niet alle kennisvragen kunnen in de planperiode van dit Programma Noordzee 2022 – 2027 de Digital Twin Noordzee worden opgepakt. Aangezien het budget beperkt is, is prioritering van onderzoek noodzakelijk. Prioritering van onderzoek geldt ook voor het uitvoeren van het MONS-programma (2021-2030). Op 8 september 2021 heeft het NZO het MONS-programma vastgesteld. Dit programma bevat een Data, informatie, kennis en ruimtelijk-ecologische en economische modellering ondersteunen prioritering van kennisvragen, het daaraan gekoppelde budget, en een fasering in de tijd. Het het Noordzeebeleid. Het Informatiehuis Marien176 is opgezet voor de ontsluiting van rijksdata programma MONS is een adaptief programma: nieuwe kennisvragen kunnen op basis van over de Noordzee. De ambitie is te komen tot een platform waarbij zowel publieke als private gezamenlijk overleg worden ingepast. Gedurende de looptijd van het Programma MONS partijen gegevens over Noordzee, Waddenzee en Delta kunnen delen. Het Rijk ontsluit zijn data (2021-2030) is een evaluatie voorzien. Mogelijk vindt deze evaluatie in 2023 plaats, aangezien over de Noordzee conform open-datastandaarden en op grond van Europese datawetgeving om deze dan past binnen de evaluatie die voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord is voorzien. die data makkelijk te hergebruiken. Voor het maximaal benutten van de in het MONS- programma verzamelde en gebruikte gegevens voor inzicht en beheer is het internationaal Afstemming van onderzoek en monitoring is belangrijk om overlap te voorkomen, beperkte geaccepteerde ‘FAIR’ principe (Findable, Accessible, Interoperable, Reusable) een goede financiële middelen efficiënt in te zetten en de toegevoegde waarde van wetenschappelijk leidraad. Voor een goede informatie-uitwisseling op regionaal en EU-niveau dient ook aan­ onderzoek te versterken. Zo vraagt de KRM-, EMFAF-, en MONS-programmering om een goede gehaakt te worden bij EMODnet (European Marine Observation and Data Network). afstemming. Daarnaast is de afstemming met bestaand onderzoek en monitoringbeleid van belang. Afstemming met bestaande onderzoeks- en monitoringprogramma’s - ook internationaal Geïntegreerde kennisontwikkeling en -ontsluiting zal het beleid voor de Noordzee in de - is een belangrijke taak voor het MONS-uitvoeringsbureau. planperiode ondersteunen. Binnen het in 2019 gestarte programma DigiShape is de Digital Twin voor de Noordzee177 in ontwikkeling. Dit instrument is gericht op de ontwikkeling van een Gelijktijdig met de ontwikkeling van de Nederlandse kennisagenda’s voor de Noordzee hebben ook digitale gereedschapskist voor het doen van voorspellingen en scenario-analyses gerelateerd aan OSPAR en de Europese Commissie de belangrijkste kennisvragen geïdentificeerd. De Europese het (multifunctioneel) gebruik van de Noordzee. Met de digitale kopie van de Noordzee wordt lidstaten met een zeegebied kennen verglijkbare beleidsopgaven en kampen veelal met dezelfde alle kennis ingebouwd en gevisualiseerd, om daarmee inzicht te verschaffen in de ruimtelijke, kennisleemten. Daarbij kunnen veel kennisvragen logischerwijze alleen op regionale schaal ecologische en sociaaleconomische effecten van ruimtelijke plannen op de Noordzee. Dit inzicht beantwoord worden. Afstemming op internationaal niveau is dan ook een vereiste. in ecologische en sociaaleconomische effecten is van belang voor beleidsmakers en belang­ hebbenden. Vanuit de filosofie van DigiShape worden beide gebruikersgroepen betrokken bij de doorontwikkeling van de Digital Twin Noordzee. 176 https://www.informatiehuismarien.nl/. 177 https://www.digishape.nl/projecten/digitwin-noordzee. Programma Noordzee 2022 – 2027 Programma Noordzee 2022 – 2027 149 12 Hoofdlijnen van beleid Onderwerp Olie- en gaswinning Beleid Zo veel mogelijk winning van aardgas en -olie uit de Nederlandse velden op de Noordzee zodat het potentieel van voorraden wordt benut, binnen de grenzen van de afspraken van het Parijse Klimaatakkoord. De internatio- nale opruimplicht voor uitgeproduceerde platforms wordt

  133. 12.1 Hoofdlijnen van het beleid onverkort uitgevoerd. Alleen platforms die worden hergebruikt voor productie en/of opslag van waterstof of CO₂ mogen blijven staan. CO₂-opslag Voldoende ruimte voor opslag van CO₂ in uitgeproduceerde Het kabinet geeft binnen de Europese kaders (Kaderrichtlijn Water, Kaderrichtlijn Mariene olie- en gasvelden of in ondergrondse waterhoudende Strategie, richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning, Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en Verdrag bodemlagen (aquifers). Dit als tijdelijk instrument tijdens het verloop van de transitie naar een volledig duurzame van Malta) in het Programma Noordzee uitwerking aan de nationale belangen door voortzetting energievoorziening. en aanpassing van bestaand beleid en door nieuw beleid: Zeescheepvaart Realiseren en onderhouden van één geheel van verkeers- scheidingsstelsels, clearways en ankergebieden dat de scheepvaart op een veilige en vlotte manier kan Voortzetting van het bestaande beleid accommoderen. Zandwinning Voldoende ruimte voor zandwinning ten behoeve van Onderwerp Beleid kustbescherming, het tegengaan van overstromingsrisico’s Marien ecosysteem Behouden en beschermen van al aangewezen Natura en als ophoogzand voor op het land. 2000- en KRM-gebieden en van het mariene ecosysteem Defensie Voldoende oefengebieden op de Noordzee. als geheel. Bij de ruimtelijke afweging van activiteiten toetsen aan de randvoorwaarden van het mariene Onderwater Cultureel Erfgoed Het rijksbeleid voor het omgaan met archeologisch erfgoed ecosysteem. Volhouden van de huidige beleidsinspanning is gebaseerd op de uitgangspunten van het Verdrag van voor het terugdringen van verontreiniging en verstoring Valletta. van het ecosysteem om de goede milieutoestand te Gezonde en veilige fysieke Opruimings- en bewustwordingscampagnes voor bereiken en te behouden. leefomgeving - recreatie zwerfvuil. Visserij Bevorderen van een duurzame visserij en aquacultuur en Afwegingskader vergunning­ Afwegingskader vergunningverlening activiteiten op de een evenwichtige exploitatie, binnen randvoorwaarden van verlening activiteiten Noordzee Noordzee: hanteren van een transparant en evenwichtig het ecosysteem. De windparken in het zuidelijk deel van de kader voor het beoordelen van activiteiten op de Noordzee. Noordzee blijven tot nader order gesloten voor bodembe- roerende visserij. Opwekking van duurzame Voldoende ruimte voor de productie van 49 TWh per jaar energie uit windenergie op zee (conform Klimaatakkoord) en aanvullend voor 10 GW extra windenergie vanwege Europese afspraken over aanscherping van de klimaatdoel- stelling in 2030, als het kabinet daartoe besluit; tevens ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie, zo veel mogelijk in combinatie met windparken. 150 Aangepast en nieuw beleid Onderwerp Beleidskeuzes Paragraaf Onderwerp Beleidskeuzes Paragraaf Mariene KRM-programma van maatregelen. Aanvullende maatregelen 3.3.1 en Voor kabels en leidingen, die in beginsel schoon en veilig 5.3.2 ecosysteem rondom gebiedsbescherming, soortenbescherming, zwerfvuil bijlage 1 worden achtergelaten, is een beoordelingsmethodiek voor de en onderwatergeluid. verwijderingsplicht ontwikkeld. Gebiedsbescherming: in 2023 13,7 procent van de Noordzee 3.3.2 Scheepvaart Een polaire route (Northern Sea Route, NSR) resulterend in 6.3.1 vrijwaren van bodemberoerende visserij, oplopend naar 15 clearways en uiteindelijk internationaal erkende procent in 2030. Dit zal worden gerealiseerd via visserijbeper- scheepvaartroutes. kende maatregelen voor de bodemberoerende visserij in al Door het aangewezen windenenergiegebied IJmuiden Ver 6.3.1 aangewezen en nog aan te wijzen Natura 2000- en (noord) en windenergiegebied 1 komt een clearway voor de KRM-gebieden. scheepvaart. Deze clearway is – naast de ferry-verbinding – de Soortbescherming op basis van actie- en 3.3.3 verbinding tussen de NSR en de haven van IJmuiden en soortenbeschermingsplannen. Amsterdam. Integrale natuurversterking (‘natuurinclusief bouwen’): bij het 3.3.4 Clearway Kattegat richting Duitsland/Denemarken. 6.3.1 ontwikkelen van maatschappelijk gewenste activiteiten op de Clearway Esbjerg - Verenigd Koninkrijk in het verlengde van de 6.3.1 Noordzee zo vroeg mogelijk in het ontwerp voorschriften, Duitse scheepvaartroute 15 (SN15). Deze clearway staat in maatregelen en acties benoemen die bijdragen aan de relatie tot de noordelijke begrenzing van zoekgebieden 6 en 7. versterking en herstel van het systeem in aanvulling op de wettelijk verplichte mitigatiemaatregelen. Duurzame Stimuleren van meervoudig ruimtegebruik in windparken ten 8.3 blauwe behoeve van andere vormen van energieopwekking en van Visserij/voedsel Verduurzaming van de visserij (kottervisserij, garnalenvisserij, 4.3 economie aquacultuur. staandwantvisserij): duurzaam bestandsbeheer, alternatieve vistuigen, alternatieve vormen van visserij in windparken, Maritieme Monitoring van de veiligheid van de informatievoorziening en 7.3.3 gesloten gebieden, sanering, tegengaan van verontreiniging. veiligheid en van vitale objecten op de Noordzee en – wanneer nodig – het grensbewaking treffen van maatregelen. Innovaties in de mariene voedselproductie. Stimuleren van 8 aquacultuur. Beleidskaders Beleidskader doorvaart en medegebruik windenergiegebieden. 10.1 Energie Aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden met ruimte voor 9 Afwegingskader Medegebruik windparken. 10.3 0,7 GW + 10 GW (nodig voor 49% respectievelijk 55% reductie Gebiedsverkenning en Handreiking gebiedspaspoort. 10.2 uitstoot broeikasgassen): windenergiegebied 1, 2 en 5 (oost). Afwegingskader gebruik van voor zandwinning gereserveerd 10.4 Herbevestigen van het zuidelijk deel van Hollandse Kust (west) 9 gebied. en IJmuiden Ver (noord). Richtinggevende uitspraken kunstmatige eilanden in zee. 10.6 Het niet opnieuw bevestigen van specifieke onderdelen van het 9 al aangewezen windenergiegebied Hollandse Kust (west) en het windenergiegebied ten noorden van de scheepvaartkrui- sing North Hinder. Het niet opnieuw bevestigen van Hollandse Kust (zuidwest) en 9 (noordwest). Aanpassen van het Afwegingskader veilige afstand helikopter- 5 vlucht tot mijnbouwinstallatie en toevoegen dat het ook geldt voor CCS. 151

  134. 12.2 Uitvoeringsprogramma Onderwerp Acties Trekker Jaartal Onderwerp Acties Trekker Jaartal 1 Algemeen Opstellen beleidstheorie. IenW 2022 18 Uitvoering bruinvisbeschermingsplan. LNV 2022- 2027 2 Nader uitwerken conflicten nationale belangen NOVI. IenW 2022- 2027 19 Uitvoering overige soortenbeschermingsplannen. LNV 2023- 2030 3 Evaluatie Noordzeeakkoord. IenW 2023 20 Herstel en bescherming biogene riffen en platte LNV 2022- 4 Marien Implementeren aanvullende maatregelen opgenomen IenW, LNV 2022- oesterbanken. 2027 ecosysteem in programma van maatregelen KRM (zie voor nadere 2027 details bijlage 1). 21 Ontwikkelen kader voor natuurinclusief bouwen, LNV 2022- inclusief het nader concretiseren van relevante 2027 5 OSPAR Quality Status Report 2023. IenW, LNV 2023 natuurdoelen en te bereiken effecten. 6 Actualiseren Mariene Strategie Deel 1 - initiële IenW, LNV 2024 22 Stimuleren van natuurinclusief bouwen van nieuwe LNV 2022- beoordeling en beschrijving goede milieutoestand. windparken middels kavelbesluitvoorschriften. 2027 7 Actualiseren IenW, LNV 2026 23 Verkennen en uitwerken van mogelijkheden om onder LNV 2022 Mariene Strategie Deel 2 –monitoringsprogramma. meer natuurinclusief bouwen te stimuleren middels de 8 Actualiseren monitoringprogramma KRM. IenW, LNV Jaarlijks procedure van de ‘vergelijkende toets’ onder de te 9 Evaluatie programma MONS. IenW, LNV 2023 wijzigen Wet windenergie op zee. 10 Bruine Bank (Natura 2000). LNV 2021- 24 Borgen van overkoepelende of aanvullende monitoring LNV 2022- 2024 van effecten van natuurinclusief bouwen die voortko- 2027 men uit kavelbesluitvoorschriften. 11 Friese Front (Natura 2000 en KRM). LNV 2022- 2027 25 Stimuleren van introducties van platte oesters via LNV 2022- natuurinclusief bouwen van windparken op zee. 2027 12 Doggersbank (Natura 2000). LNV 2022- 2027 26 Verkennen van synergiemogelijkheden platteoesterin- LNV 2022- troducties op de bodem (natuurversterking) en 2027 13 Klaverbank (Natura 2000). LNV 2022- platteoesterteelt in de waterkolom (aquacultuur) in 2027 windparken. 14 Centrale Oestergronden (KRM). LNV 2022- 27 Er zal onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek LNV 2021- 2027 worden uitgevoerd om vast te stellen of de Hollandse 2025 15 Borkumse Stenen (KRM). LNV 2022- Kust, de Vlakte van de Raan, de Borkumse Stenen, de 2027 Klaverbank, de Doggersbank en de Centrale Oestergronden voldoen aan de selectiecriteria voor 16 Gebieden in de Noordzeekustzone beschermen LNV 2022- aanwijzing als Vogelrichtlijngebied. Gebieden die middels de artikel 11-procedure. 2027 voldoen aan de selectiecriteria dienen daarna zo 17 Het KRM-haaienactieplan 2015-2021 zal in 2021 LNV 2022 spoedig mogelijk aangewezen te worden als worden geëvalueerd en kan daarna een vervolg krijgen Vogelrichtlijngebied. voor een nieuwe zesjaarlijkse periode. 152 Onderwerp Acties Trekker Jaartal Onderwerp Acties Trekker Jaartal 28 Duurzame Opstellen van een innovatie-agenda. LNV 2022 41 Olie-en Het kabinet werkt de procedure voor het verwijderen EZK 2021 voedsel­ gaswinning of hergebruiken van platforms en andere mijnbouw- voorziening werken in lagere regelgeving uit. 29 Inzetten voor herziening van het Europese verbod op LNV 2022- 42 Waterstof Onderzoeken en ontwikkelen van een instrumentarium EZK 2022 pulsvisserij uiterlijk in 2025. 2025 om opschaling van groene waterstofproductie in relatie tot windenergie op zee op gang te brengen. 30 In Europees verband inzetten op het afschaffen van de LNV 2022- nu geldende beperkende maatregelen in het 2027 43 Onderzoek naar de rollen en positie van staatsdeel­ EZK 2022- Nederlandse deel van de Scholbox. nemingen en netbeheerders in relatie tot het opzetten 2027 van waterstofnetten op zee en land. 31 Aanjagen van innovaties in de mariene voedsel­ LNV 2022- productie in samenwerking met onderwijs, topsectoren 2027 44 Noordzee- Ontwikkelen van een voorstel (van Tennet) voor EZK 2022- en met de Community of Practice Multi Use Noordzee 2030 energiesysteem WindConnector, een NSEC-project dat de interconnec- 2027 (CoP). tie beoogt met het Verenigd Koninkrijk vanuit offshore windpark IJmuiden Ver. 32 Opzetten van een saneringsregeling voor de kotter­ LNV 2022 visserij welke gedurende de planperiode uitgevoerd 45 Het Rijk verkent de noodzaak en de mogelijkheden van EZK, IenW 2022- wordt. energiehubs in samenhang met visievorming over en 2023 ontwikkeling van het toekomstige energiesysteem en 33 Steun geven aan activiteiten om zwerfvuil (pluis) te LNV 2022- in samenhang met het aanwijzen van nieuwe verminderen. 2027 windenergiegebieden voor de periode na 2030, in een 34 Windenergie Vaststellen van het geactualiseerde Kader Ecologie en EZK 2022 partiële herziening van het Programma Noordzee. Cumulatie (KEC) om te bezien of en op welke wijze Daarbij wordt het gebruik van energie-eilanden toekomstige extra windparken op zee in overeenstem- vergeleken met andere constructievormen. Hierbij ming zijn te brengen met de Wet Natuurbescherming wordt ook naar de ruimtelijke inpassing en potentiële en de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn. ecologische effecten. 35 Voorbereiden extra windenergie op zee vóór 2030. EZK 2022 46 Duurzame Sociaaleconomische impactanalyse ontwikkeling LNV 2022- 36 Opstellen van Routekaart 2030+. EZK 2022 voedsel­ visserijsector inclusief keten 2027 voorziening 37 Opstellen Verkenning Aanlanding Windenergie op Zee EZK 2021 2030 (VAWOZ). 47 Elektriciteit uit Onderzoek naar de wijze waarop het juridisch mogelijk EZK 2021 water en zon op kan worden gemaakt dat de elektriciteit die in 38 Opstellen Verkenning Aanlanding Windenergie op Zee EZK 2022 zee proefprojecten voor ‘zon op zee’ en ‘elektriciteit uit 2031-2040 (VAWOZ 2031-2040). water’ wordt opgewekt ook over het net op zee kan 39 Op grond van de Wet windenergie op zee stelt het EZK 2022- worden vervoerd. kabinet gedurende de planperiode kavelbesluiten vast, 2027 48 Het rijk betrekt het ruimtegebruik en de inpassing van EZK 2022- elk onderbouwd met een verplichte milieueffect­ ‘zon op zee’ en ‘elektriciteit uit water’ bij het vormge- 2027 rapportage. Daarna volgen de tenders voor kavels ven van de gebiedspaspoorten voor de binnen de aangewezen windenergiegebieden. windenergiegebieden. 40 Verbindingen Afspraken maken met de helikoptersector en het EZK 2022- 49 Het Rijk onderzoekt welke kennisleemten ingevuld EZK 2022- door de lucht beschikbaar stellen van een accurate database van de 2027 dienen te worden voor de herijking van de IKIA in 2023 2023 locaties van windturbines voor gebruik tijdens en zal t.a.v. die kennisleemten samen met TKI’s en TO2 vliegprocedures in de cockpit. kennisinstellingen nader onafhankelijk onderzoek faciliteren. 153 Onderwerp Acties Trekker Jaartal Onderwerp Acties Trekker Jaartal 50 Zeescheepvaart Een polaire route (Northern Sea Route, NSR) resulterend IenW 2022- 61 Stimuleren van de ontwikkeling van pilots voor LNV 2022- in clearways en de uiteindelijk internationaal erkende 2027 meervoudig gebruik van ruimte op de Noordzee naar 2027 scheepvaartroutes. het niveau van doorontwikkelde startondernemingen (‘scale-ups’) en uiteindelijk verder opgeschaalde 51 Door het aangewezen windenenergiegebied IJmuiden Ver IenW 2022- ondernemingen (‘scalers’). en het windenergiegebied 1 komt een clearway voor de 2027 scheepvaart. Deze clearway is – naast de ferry-verbinding 62 Het Rijk zet in op grootschalig experimenteren met LNV 2022- –, de verbinding tussen de NSR en de haven van IJmuiden duurzaam medegebruik van windparken. 2027 en Amsterdam. 63 Het innovatieplatform en netwerk Community of Practice LNV 2022- 52 Clearway Kattegat richting Duitsland/Denemarken. IenW 2022- Noordzee vormt het instrument om de Duurzame 2027 2027 blauwe economie te stimuleren en te komen tot concrete initiatieven. Aanvullend wordt voor 53 Nationale formalisatie (vastlegging als clearway) van het IenW 2022- samenwerking aansluiting gezocht bij Europese Nederlandse deel van de scheepvaartroute Esbjerg-Hull. 2027 partners, zoals nationale maritieme clusters. 54 Zandwinning Op basis van de resultaten van Kustgenese 2.0 IenW 2022- 64 Opzetten van een monitoringsprogramma om hiermee LNV 2022- verkennen of bij IJmuiden maatwerk kan worden 2027 de ecologische effecten van (grootschalig) meervoudig 2027 geleverd wat betreft de ligging en begrenzing van het gebruik in kaart te brengen. beoogde zandwingebied. 65 Internationale Verkenning versterkte internationale samenwerking. IenW 2022- 55 Digitale Voor datacommunicatiekabels wordt nader verkend EZK 2022- afstemming 2023 connectiviteit hoe in de planperiode voldoende ruimte blijft voor 2027 marktpartijen om kabels aan te landen. 66 Project Europese Green Deal en Maritieme ruimtelijke IenW, LNV 2021- planning in de Noord- en Oostzee. 2024 56 Militaire In het kader van de Omgevingswet wordt verkend of Defensie 2022- oefengebieden het verlenen van toestemming voor medegebruik van 2027 67 Doorvaart en Evaluatie systematiek gebiedsverkenningen en IenW 2022- aangewezen oefengebieden in een meer formele vorm medegebruik Handreiking gebiedspaspoort. 2027 moet worden georganiseerd. 57 Cultureel erfgoed Het kabinet ratificeert het Unescoverdrag ter OCW 2022- en landschappe- bescherming van het cultureel erfgoed onder water 2027 lijke kwaliteit (2001). 58 Meteorologische Uitwerken van duurzame oplossingen voor het IenW 2022 en hydrologische inwinnen van relevante data ver op zee en de informatie­ connectiviteit met het vaste land. voorziening 59 Duurzame Opzetten en uitvoeren van een Meerjarige Verkenning LNV, IenW 2021- blauwe Duurzame blauwe economie met als doel een routekaart 2027 economie om beleid te ontwikkelen. 60 Verstevigen van de verbinding met andere (EU)-landen LNV 2022- op het terrein van de duurzame blauwe economie met 2027 als kern de uitwisseling van kennis en kennisrelaties. 154

  135. 12.3 Financiering van beleid Duurzaam gebruik van de Noordzee vergt continue en significante investeringen. Diverse In Europees verband zijn er budgetten beschikbaar vanuit het EMVAF. Dit fonds wordt ten dele onderdelen van verschillende ministeries hebben een verantwoordelijkheid ten aanzien van de ingezet ten behoeve van de uitvoering van het Noordzeeakkoord. Daarnaast wordt waar mogelijk Noordzee. Activiteiten in het kader van de gebruiksfuncties worden door zowel publieke als gebruik gemaakt van vermeerderingseffecten door samenwerking te zoeken onder de verschil- private partijen ontplooid. lende Europese fondsen, waaronder LIFE+, Interreg en Horizon Europe. Voor het beleid op de Noordzee, zoals in de hoofdstukken 3 tot en met 11 is beschreven en dat bijvoorbeeld voortkomt uit autonome ontwikkelingen of politieke toezeggingen, is dekking op de begrotingen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Rijkswaterstaat voert het beleid uit en krijgt hiervoor op basis van het beschreven beheer ‘opdrachten’ met de bijbehorende budgetten. Daarnaast hebben de NVWA en het SodM een belangrijke rol in de handhaving van beleid. Waar het gaat om de benoemde acties (zie paragraaf 12.3) is het uitgangspunt dat de trekker verantwoordelijk is voor het organiseren van bekostiging voor deze actie. De te maken ruimtelijke keuzes bij het aanwijzen van windenergiegebieden in het Programma Noordzee hebben financiële gevolgen. Deze zijn ten dele in de MKEA en onderliggende rapporten indicatief in kaart gebracht. De financiële gevolgen bestaan uit twee bestanddelen: 1. De kosten van de te ontwikkelen windparken en de bijbehorende energie-infrastructuur naar land. 2. De gevolgkosten voor andere functies en activiteiten op zee, die in of nabij de windenergie­ gebieden plaatsvinden, alsook gevolgen voor natuur. Deze uiten zich bijvoorbeeld in kosten van mitigerende maatregelen voor scheepvaartveiligheid, mitigerende en compenserende maatregelen voor natuur, (compenserende maatregelen voor) inkomstverliezen van de visserij, en mitigerende en compenserende maatregelen ten behoeve van visserijg­emeenschappen. Voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord stelt het kabinet een transitiebedrag van 200 miljoen euro tot en met 2030 beschikbaar. Dit budget is bedoeld voor sanering en verduur­ zaming van de visserij, voor natuurherstel, monitoring en onderzoek, voor veilige doorvaart door de aan te leggen windparken en voor extra handhaving door de NVWA. Voor het transitie­ bedrag is al dekking beschikbaar op verschillende departementale begrotingen. 155 Bijlage 1 Programma van Maatregelen Kaderrichtlijn Mariene Strategie De Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee 2022-2027 (deel 3), waarin het KRM-programma van maatregelen opgenomen staat, is als zelfstandig leesbare bijlage gepubliceerd bij dit Programma Noordzee (zie: www.iplo.nl/water-nwp). 156 Bijlage 2 Onderverdeling regimes opruimplicht Waterwet Mijnbouwwet (nieuw) Pijpleiding en umbilicals Opruimen, tenzij de afweging van maatschappelijke kosten en De norm is dat deze schoon en veilig worden achtergelaten, tenzij de (combi leiding/kabel) baten, effecten op ruimtegebruik, milieueffecten en veiligheids­ staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de eigenaar verplicht aspecten van het laten liggen dan wel opruimen anders uitvalt. Dan tot verwijdering. Opruiming kan bijvoorbeeld wenselijk zijn als oude kan de leiding blijven liggen, maar blijft er wel een inspectie- en kabels en leidingen in de weg liggen bij ander gebruik van de zeebodem. In onderhoudsplicht. het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling zal worden opgenomen dat de staatssecretaris van EZK daartoe een afweging van belangen maakt aan de hand van een viertal criteria: de doelmatigheid van het gebruik van de ruimte, de gevolgen voor het milieu, de veiligheid en doelmatigheid van kosten. Van kabel- en leidingeigenaren zal worden gevraagd om bij het afmelden van een kabel of pijpleiding de benodigde informatie aan te leveren voor deze afweging. De staatssecretaris van EZK kan aldus in voorkomende gevallen de eigenaar alsnog verplichten een kabel of pijpleiding die buiten werking is gesteld, (gedeeltelijk) te verwijderen overeenkomstig een verwijderingsplan. Telecomkabels Opruimplicht uit Waterwetvergunning en binnen de territoriale zee via telecomwet. Hoogspanningskabels Opruimen, tenzij de afweging van maatschappelijke kosten en baten, effecten op ruimtegebruik, milieueffecten en veiligheids­ aspecten van het laten liggen dan wel opruimen anders uitvalt. Dan kan de kabel blijven liggen, maar blijft er wel een inspectie- en onderhoudsplicht. Platforms Er geldt altijd een opruimplicht voor een platform. Hiervoor geldt Er geldt altijd een opruimplicht voor een platform. Deze kan uitgesteld een bankgarantie. worden indien een platform een andere functie krijgt, bijvoorbeeld als een CCS-injectieplatform. Overige objecten In beginsel dienen alle installaties, constructies en objecten die worden gebruikt voor een activiteit na afloop van de vergunnings­ termijn te worden verwijderd. Hiervoor geldt een bankgarantie. Programma Noordzee 2022 – 2027 157 Bijlage 3 Ontwerpcriterium afstand tussen scheepvaartroutes en windparken Voor de ruimtereservering is het ‘maatgevend schip’ van belang. Afhankelijk van de route is het maatgevend schip 300 of 400 meter lang. De routes naar Amsterdam hebben bijvoorbeeld een maatgevend schip van 300 meter. De grootste manoeuvre die een schip moet kunnen maken en waar dus ruimte voor moet zijn, is de zogenaamde rondtorn. Hiervoor zijn zes scheepslengtes nodig. Voor stuurboord is 0,3 NM extra uitwijkmanoeuvre nodig voordat een schip de rondtorn zal inzetten omdat het eerst zal proberen een rondtorn te vermijden. De totaal benodigde ruimte aan stuurboord is dan 0,3 NM + zes scheepslengtes. Bovendien is een veiligheidszone van 500 meter rond single objects (windturbines) van kracht. In deze zone is op dit moment geen doorvaart mogelijk. De benodigde veilige afstanden voor scheepvaart zijn dan: • Bij schepen van 400m lengte: 1,87 NM aan stuurboord en 1,57 NM aan bakboord; • Bij schepen van 300m lengte: 1,54 NM aan stuurboord en 1,24 NM aan bakboord. Voor de clearways, de verbindingsroutes tussen de formele routes, zijn deze afstanden in de breedte van het clearwaypad meegenomen. Voor ankergebieden en precautionary areas kunnen dezelfde veilige afstanden worden aangehouden als bij een verkeerscheidingsstelsel. 158 Bijlage 4 Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken Het beleidsmatige uitgangspunt is dat zowel de winning van olie en gas en opslag van CO₂ als CCS-onderneming(en). Daarbij kan een onderzoek plaatsvinden naar de mogelijkheden om productie van windenergie op de Nederlandse Noordzee kan plaatsvinden. Dit vraagt om met een aanvaardbare beperking van de (helikopter)bereikbaarheid van het mijnbouw- of vroegtijdig overleg wanneer deze activiteiten in ruimte en tijd in elkaars buurt komen. Het CCS-platform ruimte te bieden voor de plaatsing van windturbines. Het uitgangspunt daarbij is uitgangspunt is meervoudig ruimtegebruik, waarbij voornoemde activiteiten naast elkaar maatwerk omdat elke situatie uniek is en met de betrokken mijnbouw- of CCS- kunnen plaatsvinden. onderneming(en) moet worden besproken. De eigenschappen van een mijnbouw- of CCS-installatie (waaronder platforms), de ligging en • Ten aanzien van de prospects zullen – op basis van alle bij het ministerie van EZK/TNO in bezit vorm van een windpark en de mogelijkheden tot meervoudig ruimtegebruik zullen per locatie zijnde (vertrouwelijke) informatie – de locatie en voorwaarden van de voorgenomen windkavel verschillen. Daarom moet per locatie en/of installatie de interactie tussen mijnbouw en/of zodanig worden vastgesteld dat toekomstige mijnbouwbelangen hierdoor zo min mogelijk CCS-installaties enerzijds en het betreffende windpark anderzijds, en de gevolgen daarvan voor worden aangetast. onder andere de (helikopter)bereikbaarheid onderzocht worden. Hierover zal het ministerie van • Met individuele mijnbouwondernemingen die binnen 5 NM vanaf de locatie van de voorgeno- Economische Zaken en Klimaat voorafgaand aan de vaststelling van een ontwerp-kavelbesluit men windkavel in het bezit zijn van een mijnbouw opsporings- of winningsvergunning, zal – voor een windpark overleggen met de betrokken mijnbouw- en/of CCS-onderneming, met mede met het oog op eventuele aanwezige prospects en werkplannen – bilateraal worden inachtneming van relevante aspecten vanuit vliegveiligheid en vanuit het belang van de afgestemd. toekomstige windparkexploitant. Andersom geldt dat mijnbouw- en/of CCS-ondernemingen bij • Naast het hier beschreven ‘maatwerk in ruimte’ zullen tevens de mogelijkheden van ‘maatwerk mogelijke of voorgenomen nieuwe activiteiten en/of mogelijke of voorgenomen wijzigingen in tijd’ worden meegenomen bij de afweging ten behoeve van een specifiek windkavel. van bestaande activiteiten binnen in het Programma Noordzee aangewezen windenergie­ • Inzet bij het vinden van de maatwerkoplossing is om gezamenlijk tot een voor alle partijen gebieden in overleg treden met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en/of de veilige en werkbare oplossing te komen. Indien in het voortraject met de betrokken mijnbouw- betreffende (toekomstige) windparkexploitant. en/of CCS-onderneming(en) overeenstemming bereikt wordt over de maatwerkoplossing, dan zullen de desbetreffende voorschriften juridisch worden verankerd, bijvoorbeeld in het De procedure voorafgaand aan de vaststelling van een ontwerp-kavelbesluit voor een windpark is: ontwerpbesluit. • In het ontwerpbesluit worden alle relevante belangen afgewogen. • Mocht overeenstemming in het voortraject met de betrokken mijnbouwonderneming niet • Specifiek voor mijnbouw en/of CCS wordt, binnen de gebieden waar het nieuwe windpark mogelijk blijken, dan zal de minister voor Klimaat en Energie samen met de minister van kostenefficiënt gebouwd kan worden, gezocht naar locaties waar de ruimtelijke spanning met Infrastructuur en Waterstaat (medebevoegd gezag), een ontwerpbesluit nemen over de mijnbouw en/of CCS zo beperkt mogelijk is. Hierbij wordt rekening gehouden met de actuele locatie van en voorwaarden voor de specifieke windkavel. Bij dit besluit worden de belangen status van de aanwezige prospects (zoals bekend bij EZK/TNO), bestaande mijnbouw- en van enerzijds de locatie van het windpark en anderzijds de consequenties daarvan voor de CCS-installaties en aanwezige transportleidingen, alsmede geplande of redelijk te verwachten betrokken mijnbouw- of CCS-onderneming afgewogen. leidingentracés. • Indien de afstand van de locatie van de voorgenomen windkavel tot een bestaand mijnbouw- of CCS-platform kleiner is dan 5 NM of als deze kavel komt binnen de onderhoudscontour van een aanwezige transportleiding, dan zal worden afgestemd met de desbetreffende mijnbouw- of 159 Bijlage 5 Checklist opruimplicht kabels en leidingen Criterium Checklist Ruimte Ruimtebeslag incl. werk- en veiligheidszones Versnippering vrije ruimte Barrièrewerking Hinder voor andere bestaande en toekomstige gebruiksfuncties Milieuconsequenties Verstoring bodemecosysteem Gevolgen waterkwaliteit Vrijkomen gebiedsvreemde stoffen Verstoring visfauna Verstoring vogels en zeezoogdieren Netto energieverbruik Recycling en hergebruikmogelijkheden Veiligheid In geval van opruimen: - risico’s voor personeel en materieel tijdens verwijdering. In geval van laten liggen: - risico’s op blootspoelen, breuk, etc.; - risico’s voor visserij; - risico’s voor scheepvaart. Kosten In geval van opruimen: - Saldo van opruim- en verwerkingskosten en evt. opbrengsten. In geval van laten liggen: - schoonmaakkosten; - inspectiekosten; - aansprakelijkheidskosten; - extra kosten voor andere bestaande of toekomstige gebruiks- functies als gevolg van veroorzaakte hinder. *Deze checklist geldt niet voor kabels voor windparken. 160 Colofon Datum: Maart 2022 Status: Definitief Coördinatie: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Den Haag Fotografie: Maria Kolossa (cover, p.22); Dirk Maalsen (p.2, p.149); Bram du Saar (p.12); Maarten de Jong (p.30, p.44 en p.72); Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (p.54); Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (p.79); North Sea Farmer&UNITED-project EU (p.92); Kustwacht (p.99, p.123); Jan Macher (p.145) Vormgeving: Tappan, Den Haag Kaarten: PosadMaxwan, Den Haag 161 Dit is een uitgave van Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maart 2022

North Sea Programme 2022 – 2027 · Nelum