National Biodiversity Strategy & Action Plan Netherlands 2025-2030
صدر في 2025-03-25 · النص بتاريخ 2026-10-01
القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.
البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.
عن هذا القانون
- العنوان الأصلي
- Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030. De Nederlandse inzet op de 23 actiedoelen van het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework.
- اللغة
- Dutch; English
- النوع
- policy
- الدولة
- هولندا
- الموضوعات
- Agricultural and rural development, Environment, Fisheries and aquaculture, Forestry, Land and soil, Sea, Water, Wild species and ecosystems
- الكلمات المفتاحية
- biodiversity, protection of environment, climate change, pollution control, aquaculture, fishery management and conservation, forest management/forest conservation, land-use planning, soil rehabilitation, soil conservation/soil improvement, urban land, water resources management, ecosystem conservation, sustainable use, endangered species, genetic resources, collecting/harvesting, trade in species, invasive alien species, wild fauna, wild flora, access and benefit-sharing, risk assessment/management, biosafety, biotechnology, subsidy/incentive, capacity building, gender, public participation, monitoring, protection of habitats, protection of species, marine area, coral
أين تقرؤه
النص
نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.
Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 De Nederlandse inzet op de 23 actiedoelen van het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework 25 maart 2025 Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur © L an db ou w, V iss er ij, V oe ds el ze ke rh ei d en N at uu r f ot o va n Ba rt va n Vl ie t 3 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Inhoudsopgave Voorwoord 5 Inleiding 7 Leeswijzer 8 DEEL 1 Biodiversiteitsplan Europees Nederland 9 Managementsamenvatting 10 GBF-actiedoelen 16 Actiedoel 1. Integreer biodiversiteit in alle ruimtelijke planning- en beheerprocessen 16 Actiedoel 2. Herstel effectief ten minste 30% van aangetaste ecosystemen 20 Actiedoel 3. Bescherm belangrijke biodiversiteit op ten minste 30% van land en water 27 Actiedoel 4. Stop het uitsterven van soorten, bescherm de genetische diversiteit en beheers mens-dierconflicten voor co-existentie 31 Actiedoel 5. Zorg voor duurzaam, veilig en legaal gebruik, oogst en handel van wilde soorten 35 Actiedoel 6. Verminder introductie invasieve uitheemse soorten met 50% en minimaliseer hun impact 38 Actiedoel 7. Dring vervuiling terug tot een niveau dat niet schadelijk is voor de biodiversiteit 40 Actiedoel 8. Minimaliseer gevolgen van klimaatverandering voor biodiversiteit en bouw veerkracht op 49 Actiedoel 9. Garandeer duurzaam beheer en gebruik van wilde soorten ten behoeve van mensen 55 Actiedoel 10. Verduurzaam landbouw, aquacultuur, visserij en bosbouw 56 Actiedoel 11. Herstel, behoud en verbeter ecosysteemfuncties en -diensten door Nature-based Solutions 66 Actiedoel 12. Vergroot groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze 70 Actiedoel 13. Vergroot het delen van de voordelen van genetische hulpbronnen, digitale sequentie-informatie en traditionele kennis 75 Actiedoel 14. Integreer biodiversiteit in besluitvorming op elk niveau en in alle sectoren 80 Actiedoel 15. Laat bedrijven rapporteren over hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit 84 Actiedoel 16. Faciliteer consumenten bij duurzame keuzes en verklein onze voetafdruk 88 Actiedoel 17. Versterk de bioveiligheid en deel de baten van biotechnologie 95 Actiedoel 18. Effectievere overheidsuitgaven: schadelijke financiele stromen en prikkels inventariseren en ombuigen 97 Actiedoel 19. Verhoog financiële middelen voor biodiversiteit 98 Actiedoel 20. Versterk capaciteitsopbouw, wetenschappelijke en technische samenwerking voor biodiversiteit 103 Actiedoelen 22 & 23. Zorg voor inclusieve besluitvorming, toegang tot biodiversiteitsrechtvaardigheid, gendergelijkheid en een gender-responsieve aanpak van biodiversiteitsactie. Zorg voor een gender-responsieve aanpak in alle actiedoelen. 112 Hoe verder: Op weg naar 2030 115 Bijlagen 119 Bijlage 1.I Bijdragen van stakeholders per actiedoel 120 Bijlage 1.II Geconsulteerde niet-statelijke actoren en lokale overheden 166 Bijlage 1.III Tabel met nationale doelen per actiedoel 168 4 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 170 1 Inleiding: Context Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 171 1.1 Aanleiding 171 1.2 Methode beoordeling bijdrage NMBP aan GBF 171 1.3. Leeswijzer Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 172 2 Samenvatting Biodiversiteits plan Caribisch Nederland 173 2.1 Context Natuur-en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020 – 2030 173 2.2 Bijdrage van bestaand beleid en nationale doelstellingen aan de 23 GBF-actiedoelen 174 2.3 Bijdrage van niet-statelijke actoren in totstandkoming en uitvoering van het NMBP 176 2.4 Bestaande monitoringsindicatoren 176 2.5 Wijze van uitvoering en belemmeringen 176 2.6 Conclusie en aandachtspunten voor vervolg 177 3 Toelichting op bijdrage bestaand beleid Caribisch Nederland aan GBF 178 3.1 De trend van koraalrifdegradatie keren om gezonde, veerkrachtige en weerbare koraalriffen te creëren die een waarborg vormen voor het welzijn in Caribisch Nederland (strategisch doel 1) 178 3.2 Herstel en behoud van de unieke habitats en soorten in Caribisch Nederland voor huidige en toekomstige generaties (strategisch doel 2) 180 3.3 Duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie (strategisch doel 3) 181 3.4 Lokale voorwaarden scheppen voor duurzame resultaten van natuurbeleid in Caribisch Nederland (strategisch doel 4) 183 Bijlagen 188 Bijlage 2.I Stakeholders totstandkoming NMBP Caribisch Nederland 189 Bijlage 2.II Overzichtstabel relatie nmbp doelen en GBF-actiedoelen 192 Bijlage 2.III Overzicht relatie overig bestaand beleid en GBF-actiedoelen 194 Bijlage 2.IV NMBP en uitvoeringsagenda’s 195 5 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Voorwoord Natuur. Sinds het begin van de mensheid zijn mensen deel geweest van het leven om hen heen. Ze hebben er hun bestaanswijzen en gemeenschappen op ingericht. Ze hebben rivieren, bossen en duinen bezongen, geschilderd, gefotografeerd. Ze hebben zeeën en oceanen bevaren, ze bepeild en berekend, aan de pols gevoeld. Ze hebben natuur voor ontspanning en inspiratie aangewend, voor cultus en cultuur, grondstoffen en medicijnen, voedsel en vooruitgang, er de duizenden verschillende werelden van ontdekt, en er de metamorfosen en grilligheid van meegemaakt. De Nederlandse regering wil dat ook in de nabije toekomst de vissers nog steeds vissen, de boeren voortploegen, dat er nog nijver wordt gewerkt in, rond of aan kustgebieden, dat er ook dan nog steeds wandelaars zijn die een kievitsbloem proberen te vereeuwigen. Dan bieden mangroves nog steeds beschutting aan de vis, zijn wilgenvloedbossen nog thuis voor veel soorten. De zee biedt de kust ook dan, als altijd, eb en vloed aan. En voedselproductie is ook dan, als altijd, een ondeelbaar deel van de dynamiek in de natuur. Deze dynamiek en verwevenheden zijn voor Nederland een gegeven. De regering geeft een levend en samenhangend antwoord op de vragen die daaruit komen, en kiest voor maximale wendbaarheid, binnen de ambities die op de VN-biodiversiteitsconferenties in Montréal en Colombia zijn afgesproken. Toen kwamen 196 landen onder andere overeen om natuur op tenminste dertig procent van het landoppervlak en dertig procent van het zeeoppervlak te beschermen. In het bijbehorend Global Biodiversity Framework werd verder afgesproken dat tussen nu en 2030 23 mondiale actiedoelen voor biodiversiteitsherstel succesvol moeten zijn behaald, teneinde ecosystemen in 2050 goed te beschermen en te doen herstellen. Daarvoor moeten landen de biodiversiteit zo beheren, dat ook de voor mens en samenleving essentiële functies van ecosystemen overeind blijven. De opbrengsten uit het gebruik van genetische bronnen moeten eerlijk worden verdeeld en er moet geld zijn om te blijven investeren in biodiversiteit. Niet onbelangrijk is dat de 196 ondertekenaars deze 23 acties tegelijk oppakken. Daarmee ontstaat een zo gelijk mogelijk speelveld. Dit plan laat zien hoe Nederland bijdraagt aan de afspraken. Het beoogt, zonder grand design te zijn, datgene te versterken wat al goed gaat, waarbij de extra inspanningen daar worden verricht waar ze het meest nodig zijn. Het bundelt honderden samenwerkingsvormen en de meest kansrijke programma’s rond biodiversiteit of duurzame innovaties. Sommige programma’s worden mede gefinancierd door bedrijven en investeerders, veel ervan maken gebruik van kennis en van nieuwe technologieën, en alle gaan uit van de actuele behoeften van de natuur. Het plan bevat projecten rond, onder andere, het tegengaan van microplastics in zee, meer gebruik van natuurlijke gewasbescherming of agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Indachtig de 23 actiedoelen is het een brede en samen- hangende aanpak geworden. Zo bevat het plan ook programma’s om jonge kinderen en adolescenten fysieke, zintuiglijke natuurervaringen te laten opdoen. Die stimuleren immers de lust tot ondernemen en avontuur. Ze wekken verwondering op en het verlangen om de natuur en haar onvoorstelbare complexiteit te doorgronden. Al spelend leren kinderen niet alleen de natuur te vertrouwen, zo worden ook de ondernemers en onderzoekers van morgen wakker gekust. Ook aankomende generaties verdienen kansen om natuurwijs te worden, opdat ook zij eigen antwoorden kunnen geven op de razend complexe vragen die de natuur blijft opwerpen. Om mens en natuur verder te versterken, neemt Nederland regelmatig het initiatief om onderzoekers, pioniers, uitvinders, mensen van alle bestuurslagen bijeen te brengen. Jongeren worden actief betrokken, net als ondernemers, inwoners en belanghebbenden op het lokale niveau. Want juist degenen die iedere dag met de natuur werken of ermee vergroeid zijn, hebben ook vaak verrassend handige oplossingen, aangezien zij vaak als eersten opmerken hoe het met de natuur staat. Deze benadering staat in een lange nationale traditie van nuchterheid en inventiviteit. Nederland heeft een geschiedenis van beproefde en succesvolle manieren om samen de schouders onder uitdagingen te zetten, en of het nu om landinrichting of landbouw gaat: ecologische kennis en homegrown knowhow gaan al vele jaren hand in hand. Verder sluit het plan zoveel mogelijk aan bij plannen die voortvloeien uit de Europese wet- en regelgeving zoals de Natuurherstelverordening, de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water, de Exotenverordening en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Bonaire, Saba en Sint- Eustatius voeren samen het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland uit tot 2030. 2030 is ook het jaar waarin Nederland 60 procent minder broeikasgassen moet Voorwoord 6 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 uitstoten ten opzichte van 1990, en er in stikstofgevoelige natuurgebieden half zoveel stikstof mag neerslaan als in 2019. Door aan te sluiten bij deze activiteiten en daarbij zo min mogelijk extra regels te maken blijft Nederland zo wendbaar mogelijk in de aanpak. Bedrijven krijgen, waar mogelijk, de ruimte en de instrumenten om zich aan de veranderende natuur aan te passen. Opdat mens en natuur elkaar ook kúnnen versterken. Want niet alleen de natuur gedijt bij een goede wisselwerking. Dit is ook de grond onder onze welvaart, onze veiligheid en ons welzijn. Tot eeuwen voorbij 2030. Ik ben, tot slot, de agrarische bedrijven, diverse financiële- en kennisinstellingen, belangenorganisaties en medeoverheden mijn dank verschuldigd. Zij hebben, eveneens conform de afspraken, meegewerkt aan het plan. De VN-jongerenvertegenwoordigers van de nationale jeugdraad hebben dat zelfs vanaf de onderhandelingen in Montréal gedaan. Allen hebben het verrijkt met hun waardevolle inzichten. Het is mijn wens om dat samen zo te blijven doen. Jean Rummenie Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Voorwoord 7 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Inleiding 1 Convention on Biological Diversity (2022) Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. 2 Convention on Biological Diversity (z.d.) 2030 Targets (with Guidance Notes). 3 UN-WCMC (z.d.) Indicators for the Kunming – Montreal Global Biodiversity Framework. Het welzijn van mensen en de economie hebben belang bij biodiversiteit. Het gaat dan onder andere om gezonde bodems, schoon water, schone lucht, bestuivers voor voedselgewassen, en natuurlijke weerstand tegen ziekten en plagen. Biodiversiteit speelt ook een belangrijke rol in de beschikbaarheid van medicijnen, bouwmaterialen en industriële grondstoffen. Ook het waardevolle en bijzondere karakter van het landschap in Nederland heeft belang bij biodiversiteit, zodat we een leefomgeving hebben waarin fijn gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Nederland wil al deze essentiële functies behouden. Daar zijn inspanningen voor nodig en soms is actief herstel van biodiversiteit geboden, zowel in eigen land, samen met betrokkenen en belanghebbenden, als op wereldschaal, in samenwerking met andere landen. Wereldwijd en ook bij ons in Nederland zijn er grote uitdagingen maar ook kansen, bijvoorbeeld via de landbouw, voor het behouden en herstellen van onze biodiversiteit. Global Biodiversity Framework Om de wereldwijde uitdagingen rond biodiversiteit aan te pakken, hebben 196 landen op de 15e Conferentie van Partijen (COP-15) van het VN-Biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD) in december 2022 in Montreal afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn verwerkt in het Global Biodiversity Framework (GBF) en Nederland heeft die afspraken onderschreven.1 In het GBF zijn de landen 23 actiedoelen voor 2030 overeengekomen, die bijdragen aan het bereiken van biodiversiteitsherstel in 2050.2 De actiedoelen van het GBF zijn brede opgaves en laten zien dat het herstel van biodiversiteit niet alleen gaat over natuurbeheer. Omdat alle 196 landen tegelijkertijd aan deze 23 actiedoelen werken, ontstaat in toenemende mate een gelijk speelveld. In Montreal is ook afgesproken dat elk land een Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan (NBSAP, verder ‘het biodiversiteitsplan’) opstelt. De afspraak is dat landen dat doen in lijn met de doelen van het GBF en daarbij vermelden hoe hun plannen bijdragen aan de wereldwijde doelen. Zo worden deze internationale afspraken ook op nationaal niveau geïmplementeerd. De optelsom van deze nationale biodiversiteitsplannen moet ervoor zorgen aan dat de internationale ambities worden gehaald. Ook is in het GBF afgesproken dat het biodiversiteitsplan opgesteld wordt in samenwerking met verschillende overheids- instanties, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Ten slotte is afgesproken dat landen in 2026 en in 2029 nationale rapportages indienen, onder andere op basis van overeengekomen indicatoren3, waarin ze laten zien in hoeverre tegen die tijd de doelen zijn behaald en zo de wereldwijde voortgang in kaart te brengen. Het Nederlandse plan Bijgaand vindt u het biodiversiteitsplan voor Europees en Caribisch Nederland. In dit biodiversiteitsplan wordt beschreven hoe Europees en Caribisch Nederland bijdragen aan de 23 actiedoelen die in Montreal zijn afgesproken. Aruba, Curaçao en Sint-Maarten hebben ieder een eigen biodiversiteitsplan opgesteld; het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft hen hierbij ondersteund. In lijn met de afspraken uit het GBF zijn bij de totstand- koming van het biodiversiteitsplan bedrijven, financiële- en kennisinstellingen, belangenorganisaties, en jongeren- organisaties betrokken. Deze bedrijven en organisaties hebben voor ieder GBF-actiedoel een bijdrage geschreven. Deze zijn opgenomen in Bijlage 1.I. Ook zijn mede- overheden betrokken bij het opstellen van het plan. Inleiding https://www.cbd.int/gbf https://www.cbd.int/gbf/targets https://www.gbf-indicators.org/ © M in ist er ie va n In fra st ru ct uu r e n W at er st aa t, fo to va n Iv o Vr an ck en 1 2 Leeswijzer Deel 1 beschrijft hoe de Rijksoverheid in Europees Nederland met het huidige beleid bijdraagt aan de 23 GBF-actiedoelen. In bijlage 1.I is ook een paragraaf van niet-statelijke actoren per actiedoel opgenomen. Deel 2 beschrijft hoe Caribisch Nederland bijdraagt aan de 23 GBF-actiedoelen. DEEL 1 Biodiversiteitsplan Europees Nederland A© L an db ou w, V iss er ij, V oe ds el ze ke rh ei d en N at uu r, fo to va n W ie be M al ie pa ar d 10 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Managementsamenvatting 4 PBL (z.d.) Ecosysteemdiensten. 5 Convention on Biological Diversity (2022) Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. 6 Met de benaming ‘Natuurplan’ wordt verwezen naar het ‘Nationaal Herstelplan’ zoals beschreven in hoofdstuk III van de Natuurherstel- verordening: verordening (EU) 2024/1234 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2024 betreffende natuurherstel. Het welzijn van mensen en de economie hebben belang bij biodiversiteit. Biodiversiteit draagt bijvoorbeeld bij aan basisbehoeften zoals lucht, water en voedsel. Daarnaast zijn bestuivers nodig voor voedselgewassen en versterkt biodiversiteit de natuurlijke weerstand tegen ziekten en plagen.4 Om de wereldwijde uitdagingen rond biodiversiteit aan te pakken, hebben 196 landen in 2022 tijdens de 15e Conferentie van Partijen (COP-15) van het VN-Bio- diversiteits verdrag (Convention on Biological Diversity, CBD) het Global Biodiversity Framework (GBF) vastgesteld met 23 mondiale actiedoelen voor 2030.5 Deze doelen richten zich op het behoud, herstel en duurzaam gebruik van biodiversiteit. De actiedoelen van het GBF zijn brede opgaves ze laten zien dat het herstel van biodiversiteit over meer gaat dan alleen natuurbeheer. In dit biodiversiteits plan wordt beschreven hoe Nederland bijdraagt aan het behalen van de 23 mondiale actiedoelen. Naast de Rijksoverheid zijn bij de totstandkoming van dit plan ook medeoverheden, bedrijven, financiële- en kennisinstellingen, belangenorganisaties en jongeren- organisaties. Deze organisaties hebben voor ieder actiedoel een bijdrage geschreven (Bijlage 1.I). Nederlandse bijdrage aan de 23 actiedoelen Herstel en bescherming van natuurgebieden en soorten Om economische ontwikkelingen duurzaam perspectief te bieden, is het belangrijk natuurverslechtering te voor komen en noodzakelijk natuurherstel te realiseren. Nederland werkt op verschillende manieren aan herstel van natuur- gebieden en soorten. Dit gebeurt onder andere door de uitvoering van Europese wet- en regelgeving, zoals de Natuurherstelverordening, de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water, de Exotenverordening en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Op nationaal niveau vormen het Programma Natuur, Basiskwaliteit Natuur, Agrarisch Natuurbeheer, de Bossenstrategie, de Programmatische Aanpak Grote Wateren en Programma Noordzee belangrijke pijlers van het natuurherstelbeleid. Het Natuurplan,6 dat voor 1 september 2027 moet worden opgesteld op grond van de Natuurherstelverordening, zal een belangrijke invulling geven aan de inzet op natuurherstel. Om beter te kunnen sturen op de feitelijke staat van de natuur wordt, ter uitvoering van de Natuurherstelverordening, de natuurmonitoring versterkt en geïntensiveerd. Het Natuurplan is in feite de invulling van GBF-actiedoelen 1 tot en met 12. Figuur 1. Na herintroductie in de jaren 80 zien we een sterke toename van het aantal otters in Nederland, blijkt uit onderzoek van het CBS en de Zoogdiervereniging. © Economische Zaken DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.pbl.nl/ecosysteemdiensten https://www.cbd.int/gbf 11 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Bij de implementatie van bestaand beleid, zoals de uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland, zal in 2030 ongeveer 26% van het Nederlandse land en binnen- wateren beschermd zijn. Wanneer natuurgebieden buiten Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland worden meegeteld, stijgt dit percentage naar ruim 27%. Voor de zee zijn er beschermde gebieden onder de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, wat resulteert in een beschermingspercentage van ongeveer 30% van het zeeoppervlak in 2030. Het doel is om de gebiedseigen natuur te versterken, met robuuste natuur- gebieden op land en water en een solide basiskwaliteit voor een gezonde leefomgeving en vitale landbouw. Door samenwerking koppelen we de natuuropgave aan de energietransitie, woningbouw, defensie, mobiliteit en water- en klimaatvraagstukken. Dit is van belang om Nederland gezond, veilig en leefbaar te houden. Het kabinet geeft invulling aan de ruimtelijke ordening met de ontwikkeling van de Nota Ruimte en via het programma NOVEX. Nederland zet zich voor het behoud en herstel van plant- als diersoorten specifiek in door het opstellen van Rode Lijsten, het beschermen van de leefgebieden van soorten, het nemen van maatregelen voor bedreigde soorten en door het stimuleren van duurzaam gebruik en handel in wilde soorten. Het kabinet heeft bijzondere aandacht voor de afname van bijen-, vlinder- en zweefvliegpopulaties, vanwege hun cruciale rol in voedselzekerheid, economie en biodiversiteit. Met de Nationale Bijenstrategie wordt ingezet op het effectief tegengaan van de achteruitgang van bestuivers in Nederland. Daarnaast wordt er gewerkt aan preventieve maatregelen om de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten te voorkomen. In een dichtbevolkt land als Nederland kunnen ook conflicten ontstaan tussen mens en dier. Voorbeelden hiervan zijn de toenemende aantallen incidenten met wolven, mensen en vee. Daarom werkt het kabinet samen met de provincies aan een Landelijke Aanpak Wolven. Het herstel van de natuur wordt verder ondersteund door het verminderen van drukfactoren, zoals verdroging, versnippering en overmatige stikstofneerslag. Ook het terugdringen van het gebruik van nutriënten, gewasbeschermings middelen, chemische stoffen (zoals PFAS), marien zwerfafval en (micro)plasticvervuiling krijgt de nodige aandacht. Het kabinet streeft ernaar dit met zo min mogelijk regeldruk te doen. Het Rijk stuurt erop dat de totale inzet van provincies, gemeenten en andere terrein beherende organisaties bijdraagt aan het behalen van nationale, Europese- en internationale doelen. Daarnaast is het belangrijk om internationale afstemming te borgen om te komen tot een goede ecosysteembenadering, in het bijzonder voor het mariene ecosysteem. Ecosysteemdiensten Biodiversiteit draagt bij aan het behoud van ecosysteem- diensten die essentieel zijn voor het welzijn van mensen en de economie. Deze diensten omvatten onder andere gezonde bodems, schoon water, schone lucht, bestuivers voor voedselgewassen, en natuurlijke weerstand tegen ziekten en plagen. Biodiversiteit speelt ook een belangrijke rol in de beschikbaarheid van bouwmaterialen, medicijnen, industriële grondstoffen en draagt bij aan recreatie, toerisme en een aantrekkelijke leefomgeving (Figuur 2). Nederland ondersteunt het behoud van deze ecosysteem- diensten door zowel beleid voor natuurherstel als beleid voor het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Ook wordt er gewerkt aan kennis ontwikkeling over natuurlijk kapitaal en ecosysteemdiensten. Figuur 2. Voorbeelden van productie-, regulerende-, en culturele ecosysteemdiensten in Nederland. Bron: PBL, WUR & CICES (2014). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 12 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 3. Veengebieden, zoals in Nationaal Park Weerribben-Wieden, vormen een belangrijke nature-based solution wat bijdraagt aan de klimaatopgave. © Rob Poelenjee Specifiek in stedelijke gebieden draagt biodiversiteit bij aan een gezonde leefomgeving, recreatie en de klimaat- opgave. Naast het bouwen van voldoende woningen wordt er daarom ingezet op het behouden van deze diensten onder andere door voldoende groen in en rondom steden te realiseren, hittebestendig te bouwen en de omgeving zo in te richten dat deze beter bestand is tegen klimaatverandering . Andere initiatieven, zoals de Natuurherstelverordening, het Programma Gezonde Leefomgeving, de Landelijke maatlat voor een groene, en een klimaatadaptieve gebouwde omgeving, versterken de biodiversiteit en het welzijn in de stedelijke context. Bovendien helpt biodiversiteit bij het beperken van de oorzaken van klimaatverandering. Het kabinet neemt daarom maatregelen zoals bosaanleg, klimaatbuffers, meer ruimte voor rivieren en het bevorderen van hittebestendig bouwen. Daarnaast wordt ingezet op het verminderen van emissies en het bevorderen van koolstofvastlegging, bijvoorbeeld door veenweiden te vernatten, landbouwbodems duurzaam te beheren, de Bossenstrategie uit te voeren en natte natuur te realiseren. Met het Klimaatplan 2025-2035 bereiden we ons verder voor op de klimaatdoelen voor de lange termijn, op basis van de verplichtingen in de Klimaatwet. Duurzaam gebruik van de natuur De opgave voor natuur kan niet los worden gezien van de opgaven in de landbouw. Door landbouw en natuur met elkaar te verbinden, ontstaat er meer ruimte voor beide. Dit kabinet ondersteunt ondernemers in de land- en tuinbouw bij hun inspanningen om door te ontwikkelen en te innoveren, met focus op emissiereductie voor klimaat, natuur, water (inclusief de Kaderrichtlijn Water), stikstof, geur en fijnstof. We belonen ondernemers in de land- en tuinbouw voor de waardevolle diensten die ze aan de maatschappij leveren, bijvoorbeeld op het gebied van agrarisch natuurbeheer en biodiversiteit. De belangrijkste Nederlandse inzet op de landbouw gaat via het Gemeenschappelijk landbouw beleid (Nationaal Strategisch Plan) en het bijbehorende agrarisch natuur- en landschaps beheer. Visserij draait om het verantwoord oogsten van voldoende en kwalitatief voedsel uit de natuur, in harmonie met het ecologische systeem van gezonde wateren, zeeën en oceanen. We zetten in op het ondersteunen van innovaties in de visserij, met een focus op verduurzaming en het versterken van de natuur. Daarnaast wordt er aan duurzame visserij gewerkt binnen het Europese Gemeenschappelijke Visserijbeleid. De Visie op Voedsel uit zee en grote wateren geven de kaders voor duurzame en innovatieve visserij en aquacultuur om voedsel uit zee te winnen binnen de draagkracht van het ecosysteem. Ten slotte is het Visserij Innovatie Netwerk (VIN) opgericht om innovatiekrachten te bundelen. Er zijn verschillende richtlijnen voor houtproductie in Nederland. Het beleid van de Nederlandse overheid is erop gericht tot duurzaam bosbeheer te komen, waarbij economische belangen en biodiversiteit worden afgewogen. Een ander doel van dit kabinet is om koolstof- vastlegging te versterken in bossen, onder andere door het uitvoeren van de Bossenstrategie. Naast landbouw, visserij en houtkap worden ook richt- lijnen voor de jacht gehanteerd, waarbij de jacht op dit moment op vijf soorten is toegestaan binnen het jacht- seizoen, met waarborging van een duurzame instand- houding. In samenwerking met provincies en andere stakeholders, waaronder jagers, boeren, terreinbeheerders DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 13 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 en dierenwelzijnsorganisaties wordt gekeken naar dit stelsel en de eventuele verdere ontwikkeling hiervan. Het kabinet vindt een evenwichtige aanpak die zowel ecologische als maatschappelijke belangen dient belangrijk. Daarnaast maakt Nederland gebruik van genetisch materiaal uit organismen. Dit gebeurt binnen de kaders van het Protocol van Nagoya, dat zorgt voor de eerlijke verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische rijkdommen. De Europese ABS Verordening regelt de naleving van dit protocol, en Nederland heeft de Wet Implementatie Nagoya Protocol en de beleidsnota ‘Bronnen van ons Bestaan’ geïmplementeerd. De regels voor biotechnologie, zoals voor genetisch gemodificeerde organismen, zorgen ervoor dat de veiligheid van mens, dier en milieu gewaarborgd is. Nederland heeft het Cartagena Protocol volledig geïmplementeerd in samenwerking met de EU. Implementatie en mainstreaming Nederland is een van de dichtstbevolkte landen van Europa, waardoor de beschikbare ruimte onder druk staat. Uitdagingen zoals woningbouw, energietransitie, mobiliteit, landbouw, waterbeheer, natuurbehoud, economie en defensie vragen om een doordachte en integrale aanpak. Waar mogelijk integreert dit kabinet natuur in onze woon-, werk- en leefomgeving. Dat is een lastige puzzel, maar het biedt mogelijkheden om de opgave zo eerlijk mogelijk te verdelen over de verschillende gebieden en sectoren. Hierdoor creëren we ruimte voor maatschappelijke en economische activiteiten. Door samen te werken binnen het Rijk en met andere overheden, verbinden we de natuurherstelopgave met de energie transitie, woningbouw, bereikbaarheid, water- en klimaatuitdagingen, en het versterken van het verdien- vermogen van de boer. We stimuleren de actieve betrokkenheid van alle relevante sectoren, inclusief private financiering, bijvoorbeeld via de Agenda Natuurinclusief. Publieke financiële stromen en prikkels beïnvloeden biodiversiteit zowel positief als negatief. Sommige subsidies ondersteunen het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit, terwijl andere geldstromen en prikkels -onbedoeld- schadelijk kunnen zijn voor biodiversiteit. Het kabinet is zich ervan bewust dat het afschaffen of ombuigen van bepaalde geldstromen en prikkels ecologische druk kunnen verminderen, maar wil daarbij nadrukkelijk ook beschouwen of de biodiversiteits- voordelen opwegen tegen de mogelijke maatschappelijke of economische nadelen voor de samenleving. Ook bedrijven kunnen biodiversiteit zowel positief als negatief beïnvloeden. Het kabinet zal de private sector zo goed mogelijk ondersteunen bij natuurinclusieve initiatieven via beleidsinstrumenten en samenwerkings- verbanden. Ruimte voor de economie is belangrijk. Het kabinet geeft bedrijven daarom de ruimte om te onder nemen en stuurt bij waar nodig. Om meer inzicht te ontwikkelen en voldoende financiering voor biodiversiteit te realiseren wordt er ook een National Biodiversity Finance Plan opgesteld, in overeenstemming met de afspraken van de CBD. Figuur 4. Zeeuwse landschappen & agrarisch natuurbeheer. Agrarische ondernemers dragen bij aan het herstellen en versterken van de biodiversiteit door landbouw en natuur samen te laten werken. © Economische Zaken en Klimaat - Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Dienst Landelijk gebied. Fotograaf Phil Nijhuis. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 14 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Innovatie vormt een onmisbaar spoor om maatschappelijke doelen te halen. Innovatieve groenblauwe oplossingen dragen bijvoorbeeld bij aan duurzaam bodem- en water beheer, wat cruciale elementen zijn voor klimaat- robuustheid, dier- en plantgezondheid en voedselzekerheid. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stimuleert innovatie door bestaande structuren en beleid te versterken, in samenwerking met jonge ondernemers en innovatieve partijen. Naast de inzet op innovatiebeleid investeert het kabinet ook actief in onderzoek en ontwikkeling. Nederland stimuleert het vergroten van algemene kennis over biodiversiteit bijvoorbeeld door middel van verschillende beleidsinstrumenten onderzoeksfinanciering via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA) en toegepast onderzoek via de TO2-regeling. Tevens wordt gewerkt aan de toegankelijkheid van natuur en landbouw voor iedereen, bijvoorbeeld via het Programma Klimaat & Energie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap. Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Het kabinet ziet hier geen grote rol voor zichzelf weggelegd. Datzelfde geldt voor het terugbrengen van de ecologische voetafdruk. Het tot nu toe gehanteerde doel om de Nederlandse ecologische voetafdruk in 2050 te hebben gehalveerd, wordt niet onderschreven door dit kabinet. Wel dragen veel activiteiten op bestaande beleidsterreinen bij aan het verkleinen van de voetafdruk, zoals landbouw- en voedsel- beleid, klimaatbeleid en het circulaire economie beleid. Tabel 1. Nederlandse bouwstenen die bijdragen aan de 23 GBF-actiedoelen (niet uitputtend) Nederlandse bouwstenen GBF-actiedoelen o.a.: • Kaderrichtlijn Water • Vogel- en Habitatrichtlijn • Kaderrichtlijn Mariene Strategie • Natuurherstelverordening • Exotenverordening • Agrarisch Natuurbeheer • Programmatische Aanpak Grote Wateren • Nationale omgevingsvisie • Programma Natuur • Basiskwaliteit Natuur • Nationaal Milieu Programma • Nationale klimaatadaptiestrategie Herstel natuurgebieden en soorten (GBF-actiedoelen 1-8) o.a.: • Jacht en faunabeheer • Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Nationaal Strategisch Plan • Gemeenschappelijk Visserijbeleid • Visie op voedsel uit zee en grote wateren • Nationale Bossenstrategie • Interdepartementale programmatische aanpak Groen in en om de stad • Programma Gezonde Leefomgeving • Nagoya Protocol Duurzaam gebruik van de natuur (GBF-actiedoelen 9-13) o.a.: • Agenda Natuurinclusief • Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) • Nationaal Programma Circulaire Economie • Cartagena protocol • Global Biodiversity Information Facility (GBIF). • Kennis- en Innovatieagenda (KIA) • Programma Klimaat & Energie (OCW) Implementatie en mainstreaming (GBF-actiedoelen 14-23) DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 15 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Op weg naar 2030 7 Via de meetnetten van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) wordt de ontwikkeling in soorten nauwgezet gevolgd. Zie voor meer informatie: Netwerk Ecologische Monitoring | Het NEM (Netwerk Ecologische Monitoring) onderzoekt de natuur in Nederland structureel. 8 Compendium voor de Leefomgeving (2024) CLO Indicator 156910 Living Planet Index Nederland 1990-2023. 9 IPBES (2019) Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services. 10 Rijksoverheid (2023) Snel aan de slag! IBO Biodiversiteit. 11 OSPAR (2023) Quality Status Report. 12 PBL (2024) De betekenis van het VN ‘Kunming-Montreal Raamwerk voor biodiversiteit’ voor het Nederlandse beleid. 13 Kamerbrief 36600-XIV, nr. 66. (29 november 2024) Ruimte voor Landbouw en Natuur. Het huidige beleid draagt al bij aan het herstellen van de biodiversiteit. Zo hebben sommige soorten zich de afgelopen jaren positief ontwikkeld.7 Ook is de Nederlandse Living Planet Index van Nederland sinds de jaren 90 met 13% toegenomen. Dat komt door de aanzienlijke gemiddelde toename van soorten van zoetwater en moeras.8 Echter ligt er op verschillende vlakken nog een uitdaging voor het verbeteren van de biodiversiteit. Dit blijkt bijvoorbeeld het rapport van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES)9, het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Biodiversiteit10, het OSPAR Quality Status Report11 over de milieu- en ecologische toestand van de onder meer de Noordzee en een reflectie die het Planbureau voor de Leefomgeving heeft geschreven op de betekenis van het GBF voor het Nederlandse beleid12. De komende jaren zal daarom waar nodig verder worden ingezet op biodiversiteit. Dit zullen we onder andere doen door in te blijven zetten op al het beleid wat er al ligt. Daarnaast zullen ook het Natuurplan (n.a.v. de Natuurherstelverordening), het Programma Verbinden Landbouw en Natuur13 en de inzet op verduurzaming van visserij en inpassing van windparken op zee bijdragen. Dit kabinet zet ook in op innovatie, wat kan bijdragen aan verduurzaming van de landbouwsector en natuur- verbetering. Bij het werken aan biodiversiteit zal er rekening worden gehouden met verschillende belangen in de samenleving en de andere maatschappelijke opgaven zoals de landbouw, defensie en woningbouw. Alleen door samen te werken kan de biodiversiteit hersteld worden, wat essentieel is voor de gezondheid, het welzijn en de welvaart van toekomstige generaties. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.netwerkecologischemonitoring.nl/ https://www.clo.nl/indicatoren/nl156910-living-planet-index-nederland-1990-2023#bronnen https://www.ipbes.net/global-assessment https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/09/05/ibo-biodiversiteit-rapport-snel-aan-de-slag https://oap.ospar.org/en/ospar-assessments/quality-status-reports/qsr-2023/ https://www.pbl.nl/publicaties/de-betekenis-van-het-vn-kunming-montreal-raamwerk-voor-biodiversiteit-voor-het-nederlandse-beleid https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/29/kamerbrief-ruimte-voor-landbouw-en-natuur 16 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 GBF-actiedoelen Actiedoel 1. Integreer biodiversiteit in alle ruimtelijke planning- en beheerprocessen Figuur 5. Groene gevel in Leidschendam © Tineke Dijkstra Dit actiedoel richt zich op de invloed die ruimtelijke planning op land en zee heeft op biodiversiteit. Nederland is een van de dichtstbevolkte landen van Europa, waardoor de beschikbare ruimte onder druk staat. Uitdagingen zoals woningbouw, energietransitie, mobiliteit, landbouw, waterbeheer, natuur behoud, economie en defensie vragen om een doordachte en integrale aanpak. Om Nederland gezond, veilig en leefbaar te houden, is het essentieel deze opgaven in samenhang te benaderen. Door samen werking koppelen we de natuuropgave aan de energietransitie, woningbouw, defensie, mobiliteit en water- en klimaatvraagstukken. Het kabinet neemt de regie over de ruimtelijke ordening en geeft hier invulling aan met de ontwikkeling en uitwerking van de Nota Ruimte. Omdat ruimtelijke vraagstukken per gebied verschillen, is een gebiedsgerichte aanpak cruciaal. Dit betekent aansluiten bij lokale opgaven en kansen. Binnen het programma NOVEX werkt het Rijk daarom samen met provincies en regio’s aan de integratie en realisatie van nationale en decentrale ruimtelijke opgaven. Nota Ruimte en Nationale Omgevingsvisie De nieuwe Nota Ruimte zal een langetermijnvisie geven op de ruimtelijke inrichting van Nederland. Op weg naar de Nota Ruimte is een Voorontwerp gepubliceerd (2024). Het voorontwerp wordt nu uitgewerkt tot een definitieve Nota Ruimte. Na vaststelling zal de Nota Ruimte de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uit 2020 vervangen als overkoepelend kader voor het Rijksbeleid ten aanzien van de leefomgeving. In de Nota Ruimte worden ook structurerende keuzes gemaakt, die onder andere worden gebaseerd op de afspraken uit de ruimtelijke voorstellen en de nationale programma’s met een ruimtelijk component. De Nota schetst het kader voor een biodiversiteit- inclusieve ruimtelijke invulling en het meenemen van biodiversiteit bij ruimtelijke planvorming. Ook worden de drie inhoudelijke bewegingen voor de inrichting van Nederland beschreven: 1) naar een evenwicht tussen landbouw en natuur in heel Nederland; 2) naar een klimaat neutrale en circulaire samenleving en 3) naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel Nederland. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 17 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Deze bewegingen zijn onderling sterk met elkaar verbonden. De drie bewegingen geven sturing aan een toekomstbestendig evenwicht tussen de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen, inclusief de ontwikkeling van natuur. De inhoudelijke bewegingen dragen daarom bij aan het versterken van de biodiversiteit. De nieuwe Nota Ruimte is inhoudelijk een aanscherping van de NOVI. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leef omgeving in Nederland. Het verbeteren van natuur en biodiversiteit is één van de 21 nationale belangen die in NOVI centraal zijn gesteld. Daarnaast wordt het beschermen van biodiversiteit gekoppeld aan enkele andere belangen, waaronder het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat- bestendigheid en het ontwikkelen van duurzame voedsel- en agroproductie. Programma NOVEX Het programma NOVEX geeft via twee sporen vorm aan de noodzakelijke versnelling, versterking en vernieuwing van het ruimtelijk ordeningsbeleid. Met de provincies wordt toegewerkt naar twaalf ruimtelijke arrangementen waarin Rijk en provincies afspraken maken om de ruimtelijke puzzel te leggen waarin de opgaven en doelen uit de nationale programma’s worden verbonden met de decentrale opgaven met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast kent het programma NOVEX een gebiedsgerichte aanpak in zestien NOVEX- gebieden: daar waar opgaven de provinciegrenzen overschrijden, meervoudige oplossingen nodig zijn en/of het Rijk zelf actief moet puzzelen. Voor drie van de NOVEX-gebieden worden ontwikkelperspectieven opgesteld vanwege de complexiteit van de water-, klimaat- en natuuropgaven: het Groene Hart, de Peel en Arnhem-Nijmegen FoodValley. De uitwerking van deze ontwikkelperspectieven draagt bij aan een gebieds- gerichte, integrale aanpak van deze opgaven, hetgeen een positief effect zal hebben op de biodiversiteit in deze gebieden. Figuur 6. Duurzaam landschapsbeheer op de Van Ghent Kazerne in Rotterdam © Rijksoverheid, foto van Herman Zonderland Fotografie Delft Programma Mooi Nederland Het programma Mooi Nederland zet erop in dat de verbouwing van Nederland esthetisch en kwalitatief goed uitpakt. Het programma geeft een impuls aan de ruimtelijke kwaliteit in brede zin: belevingswaarde (mooi), gebruikswaarde (functioneel) én toekomstwaarde (robuust en duurzaam). Het programma Mooi Nederland ontwikkelt en biedt toekomst- en handelingsperspectieven die hieraan bijdragen en benut daarin de kracht van ontwerp. Deze toekomst- en handelingsperspectieven helpen om de maatschappelijke opgaven binnen de gestelde randvoorwaarden met (meer) kwaliteit te realiseren en voeden de nationale programma’s, provincies en gebieden, evenals de Nota Ruimte. Zo kunnen de nationale programma’s op het vlak van natuur, stikstofreductie, waterkwaliteit, biodiversiteit, werkgelegenheid en wonen gehaald worden. Tegelijkertijd kan de ruimte in Nederland zo goed en mooi mogelijk benut worden. Door te kijken naar samenhangende oplossingen zal het programma onder andere inzicht geven in natuur- en biodiversiteit-inclusieve oplossingen. Programma Mooi Nederland bestaat uit drie perspectieven die aansluiten bij de indeling van de Nota Ruimte. Vanuit perspectief A (voor landbouw en natuur) worden inrichtingsconcepten en inspirerende handreikingen ontwikkeld die ondersteunend zijn aan de uitwerking van groenblauwe dooradering, een duurzame inrichting van overgangsgebieden en de uitwerking van een biobased keten waarbij de landbouw duurzame teelten produceert voor de bouw. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 18 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Programma Noordzee Het Programma Noordzee 2022-2027 vloeit voort uit de Omgevingswet en het Noordzeeakkoord (zie actiedoel 10) en geeft invulling aan de implementatie van de Richtlijn Maritieme Planning en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM, actiedoel 2) door kaders te bieden voor het ruimtegebruik op de Noordzee, waaronder de aanwijzing van windenergiegebieden en beschermde gebieden onder de KRM (KRM-gebieden). De centrale opgave in het Programma Noordzee 2022-2027 is het bereiken van een duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee dat bijdraagt aan de maatschappelijke, economische en ecologische doelstellingen van Nederland. De ambitie is een balans tussen de energie transitie, de voedseltransitie en de natuurtransitie op zee. De ruimtelijke ontwikkeling moet efficiënt en veilig zijn en passen binnen de randvoor- waarden van een gezond ecosysteem, waarbij de goede milieutoestand zoals beschreven in het kader van de KRM als randvoorwaarde geldt. Het beleid zet sinds 2015 in op het natuurinclusief ontwerpen en realiseren van nieuwe windparken. Door onderzoek komt er ook meer inzicht in de positieve en negatieve effecten van windparken op habitats en vogels. Voor de diverse, mogelijk cumulatieve, effecten van de bouw en exploitatie van windparken wordt gebruikgemaakt van het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC). Dit geeft een indicatie van de ecologische gebruiksruimte voor windenergie op zee. Het natuurinclusief ontwerpen en realiseren van nieuwe windparken biedt kansen voor het versterken van soortenpopulaties en habitats die van nature in de Noordzee voorkomen. Dat geldt ook voor het uitvoeren van natuurherstelprojecten in windparken. Dit beleid is gericht op soorten en habitattypen van de EU-Habitatrichtlijn die landelijk niet in een gunstige staat van instandhouding verkeren, soorten van nationale Rode Lijsten en soorten of habitats van de OSPAR-List of Threatened and/or Declining Species and Habitats waarvoor aanbevelingen zijn geadopteerd. In 2024 heeft de Nederlandse overheid samen met stakeholders zoals bedrijven, natuur- en milieu- organisaties, wetenschap en kennisinstituten een programma Natuurversterking Noordzee opgezet. Doel is om door het gezamenlijk versterken van het natuurlijk kapitaal van de zee een passende balans te vinden met duurzaam gebruik; om ruimte te creëren voor zowel de natuurlijke processen als voor duurzame gebruiksvormen. Hiervoor is een budget beschikbaar van €150 miljoen. 14 Rijksoverheid (2022) Kabinet maakt water en bodem sturend sturen bij ruimtelijke keuzes; Kamerstuk 27625, nr. 688. (22 oktober 2024) Toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Water van 8 oktober 2024 over de visie van het Kabinet op water en bodem. Rekening houden met Water en Bodem Nederland is een dichtbevolkt land. Om de schaarse ruimte goed te benutten moeten keuzes gemaakt worden. Voor een toekomstbestendig Nederland met een hoge leefkwaliteit zullen we rekening moeten houden met water en bodem. De Water Bodem Sturend (WBS)-brief14 beschrijft de mogelijkheden om het water- en bodemsysteem vroeg in de planvorming mee te nemen. Naast een aantal harde eisen om Europese doelstellingen te kunnen behalen (zoals de Kaderrichtlijn Water, zie actiedoel 7) worden 33 structurerende keuzes benoemd die richting kunnen geven voor de komende decennia. Water- en bodemsystemen omvatten het gehele systeem, dus naast de fysieke toestand en de dynamiek ook de chemische en biologische kwaliteit. Deze structurerende keuzes voor bodem en water kunnen daarmee ook een positieve bijdrage leveren aan natuurbehoud en -verbetering. Een voorbeeld hiervan is de ecologische toestand van de waterkwaliteit, wat onderdeel is van de KRW-doelstellingen. Zo kan een verhoging van het oppervlaktewaterpeil een belangrijke bijdrage leveren aan de instandhouding en bevordering van de habitats van planten- en dieren, en draagt een dergelijke maatregel daarmee bij aan de landelijke Natura 2000-doelen. Naast het verbeteren van de kwaliteit en het gebruik van bodem en water, wordt er via de structurerende keuze 12 uit WBS ook specifiek ingezet op het bevorderen van biodiversiteit op dijken en het creëren van ruimte voor natuurlijke achteroevers. Zo worden de doelen voor natuur en hoogwaterveiligheid slim gecombineerd. Defensieterreinen Vanwege de noodzaak om de activiteiten van Defensie te versterken als reactie op de huidige geopolitieke ontwikkelingen, zoekt Defensie naar ruimte. De opgave voor Defensie kan niet los worden gezien van de opgave voor natuur. Juist door Defensie en natuur te verbinden, ontstaat meer ruimte voor beide. Hierbij wordt ingezet op het verbeteren en vergroten van natuurwaarden op en rondom defensieterreinen. Zo wordt bijvoorbeeld door middel van de inzet van gescheperde schaapskudden voor structuurrijke en ecologisch waardevolle heide gezorgd op terreinen waar er vanuit het operationeel militair belang openheid noodzakelijk is. Deze terreinen vervullen door hun omvang en gebruik een belangrijke rol in het behoud en de versterking van biodiversiteit in Nederland. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/11/25/kabinet-maakt-water-en-bodem-sturend-bij-ruimtelijke-keuzes https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2024Z16531&did=2024D39955 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2024Z16531&did=2024D39955 19 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Agenda Natuurinclusief 2.015 Domein Energie Binnen dit domein zijn verschillende relevante actielijnen opgesteld: • Specifieke aandacht voor verzamelen of laten uitvoeren van onderzoek voor natuur versterkende maatregelen. • Bepalen en uit laten voeren van de meest effectieve maatregelen om biodiversiteitsverlies tegen te gaan in de bouw van gebouwen zoals transformatoren, energie hubs en andere noodzakelijke bouw. • Leren in alle domeinen en kennis delen en verbinden. Deze acties zijn in belangrijke mate gericht op het tegengaan van biodiversiteitsverlies bij energieprojecten. Tegelijkertijd werkt het domein vanuit het besef dat rondom energieprojecten ook gewerkt kan worden aan de verbetering (herstel) van biodiversiteit en draagt zo tevens bij aan actiedoel 2. 15 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. Defensie onderstreept het belang van het toepassen van natuurversterkende en klimaatadaptieve maatregelen in zowel het beheer van terreinen als bij de bouw, renovatie en revitalisering van vastgoed. Deze maatregelen dragen direct bij aan het versterken van de operationele gereedheid die nodig is voor de uitvoering van Hoofdtaak 1. De ambities van Defensie richten zich op circulair bouwen, de energietransitie en het herstel van de groene infrastructuur tijdens bouwprojecten en bij het gebruik van huisvesting. Daarbij wordt ook geïnvesteerd in het versterken van de groenblauwe dooradering op defensie- terreinen, met als doel verdere integratie tussen oefen- en kazerneterreinen. Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid Veranderingen in biodiversiteit, landgebruik en klimaat hebben invloed op het risico op zoönosen: infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur werken al langere tijd samen op de aanpak van zoönosen, en sinds juli 2022 in het kader van het Nationaal actieplan versterken zoönosen beleid. Het doel van dit actieplan is om de risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. Door klimaatverandering, verlies van leefomgeving, en verlies van biodiversiteit wordt het zoönosen risico groter. Het actieplan noemt daarom ook acties gericht op het tegengaan van biodiversiteitsverlies, in het kader van het Global Biodiversity Framework. Meer informatie over het actieplan is de vinden bij actiedoelen 5, 8 en 12. Overige natuurprogramma’s Er is nog meer Nederlands en Europees beleid dat bijdraagt aan de biodiversiteit in Nederland. Het gaat hierbij onder andere over de onderstaande programma’s. Dit beleid wordt beschreven in andere actiedoelen. • Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering • Vogel- en Habitatrichtlijn • Kaderrichtlijn Water • Programmatische Aanpak Grote Wateren • Groenblauwe dooradering • Natuurdoelanalyses • Overgangsgebieden • Programma Natuur • Basiskwaliteit Natuur • Bossenstrategie • Natuurnetwerk Nederland • Uitvoeringsprogramma Waddengebied • Natuurherstelverordening DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 20 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 2. Herstel effectief ten minste 30% van aangetaste ecosystemen Figuur 7. Grote zandvlakte van Ameland met waddenzee © Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, fotograaf Martijn Harleman Om economische ontwikkelingen duurzaam perspectief te bieden, is het belangrijk om natuur verslechtering te voorkomen en noodzakelijk natuurherstel te realiseren. Dit vereist inspanningen om negatieve invloeden op de natuur, zoals verdroging, versnippering en overmatige stikstofneerslag, te verminderen. We streven ernaar dit met zo min mogelijk regeldruk te doen. Nederland werkt ook aan natuurherstel door uitvoering te geven aan de Europese en internationale afspraken, waaronder de Natuurherstelverordening, de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Het Natuurplan, dat voor 1 september 2027 moet worden opgesteld op grond van de Natuurherstelverordening, zal verder invulling geven aan de inzet op natuurherstel en is in feite de invulling van Global Biodiversity Framework actiedoelen 1 tot en met 12. Om beter te kunnen sturen op de feitelijke staat van de natuur, wordt de natuurmonitoring versterkt en geïntensiveerd, ook in het kader van de Natuurherstelverordening. De Vogel- en Habitatrichtlijn De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (tezamen VHR) zijn instrumenten van de Europese Unie om de Europese natuur te beschermen en te herstellen. Conform de VHR heeft Nederland onder andere een netwerk van beschermde gebieden ingesteld (Natura 2000), waar via beheerplannen maatregelen worden getroffen voor natuurherstel. Met de zes-jaarlijkse VHR-rapportages dragen EU-landen bij aan het overzicht van de staat van de biodiversiteit in Europa. Bij het realiseren van de VHR-doelen wordt gekeken naar robuust natuurherstel en de aanpak van meerdere drukfactoren waar dat nodig is. Waar het goed gaat, waarderen we dat, waar de kwaliteit stabiel is, behouden we die, en waar het slecht gaat, werken we aan herstel. Natuurdoelanalyses spelen een belangrijke rol door gebiedsgericht aan te geven wat er goed gaat en waar de knelpunten nog zitten. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 21 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 8. Voedselrijke weilanden en sloten op het platteland trekken Zilverreigers aan. © Rob Poelenjee De realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, zie actiedoel 3) door de provincies draagt ook bij aan de realisatie van de VHR-doelen. Wanneer herstel maatregelen nodig zijn om de VHR-doelen te halen worden deze afgewogen tegen de verschillende maatschappelijke opgaven in Nederland. Het kabinet zet zich in om maatregelen te treffen binnen de grenzen van haalbaarheid en met oog voor andere grensoverstijgende Europese belangen. Om tot natuurherstel te komen wordt gekeken naar zowel de uitbreiding van natuur in natuurgebieden als het creëren van leefgebied daarbuiten onder andere door middel van agrarisch natuurbeheer (zie actiedoel 10). Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door een agrarische functie te combineren met een natuurdoelstelling voor bepaalde agrarische soorten en habitattypen. Groenblauwe dooradering (zie actiedoel 12) is een voorbeeld van hoe agrarische bedrijfsvoering natuurherstel kan ondersteunen. De monitoring van de VHR was tot dusver voornamelijk gericht op het in beeld brengen van de landelijke Staat van Instandhouding. Momenteel wordt in het Verbeterprogramma VHR natuurmonitoring gewerkt aan een uitbreiding van het monitoringstelsel zodat er op gebiedsniveau een beter zicht komt op het doelbereik. Het doel van het Verbeterprogramma is om het monitoringstelsel zo vorm te geven dat het inzichtelijk maakt wat het effect is van de natuurherstelmaatregelen op systeemherstel in en rond natuurgebieden. Stikstofbeleid Het kabinet bekijkt hoe om te gaan met de in de huidige wetgeving vastgelegde percentages van het areaal aan stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden. In lijn met het regeerprogramma blijft het kabinet werken aan stikstofreductie maar wel op een andere manier. Onderdeel van de koerswijziging die dit kabinet voorstaat is dat de stikstofaanpak wordt gebaseerd op emissie in plaats van depositie. Het kabinet borgt dat de emissie van stikstof structureel verder daalt. Het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN) is bedoeld om invulling te geven aan de verplichting uit de Omgevingswet om een programma vast te stellen voor het verbeteren van de natuur en het omlaag brengen van de stikstofneerslag. Dit programma richt zich op het bereiken van de benodigde condities voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Zowel de bron- maatregelen (die de stikstofuitstoot bij de bron aanpakken) als de natuurherstelmaatregelen zijn hierop gericht. Het Uitvoeringsprogramma Natuur omvat de natuurherstelmaatregelen en is onderdeel van het PSN. Beide soorten maatregelen zijn onderdeel van de natuurdoelanalyses. Deze analyses beschrijven hoe het gaat met beschermde natuur in een gebied, wat de verwachte effecten van vastgestelde maatregelen zijn en in welke richting aanvullende maatregelen nodig zijn om de natuur weer gezond te maken. De natuurdoelanalyses worden hieronder toegelicht. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 22 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Natuurdoelanalyses en gebieden rondom kwets- bare Natura 2000-gebieden Het maken van natuurdoelanalyses is een verplichting die voortvloeit uit de wet stikstofreductie en natuur- verbetering. Alle provincies, Rijkswaterstaat en Defensie hebben als voortouwnemers in april 2023 de eerste natuurdoelanalyses voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden opgeleverd. Hiermee wordt onderzocht of met de huidige vastgestelde maatregelen de instand- houdings doelstellingen van de Natura 2000-gebieden kunnen worden gehaald, of verslechtering van natuur niet is uit te sluiten, of dat verslechtering van de natuur al is geconstateerd. Op basis van de uitkomsten van de natuurdoelanalyses kan worden bepaald of aanvullende maatregelen nodig zijn de instandhoudings doelstellingen te bereiken. Wanneer de natuurdoelanalyse laat zien dat het doelbereik voor de gebieden niet in zicht is dient concreet inzichtelijk gemaakt te worden welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn en welke maatregelen al worden genomen om deze verslechtering te voorkomen en te stoppen. Hier gaat het niet enkel om overlevingsmaatregelen, maar ook om systeem herstel- maatregelen die de oorzaken van de drukfactoren op het gebied aanpakken. Deze maatregelen worden genomen binnen de grenzen van wat haalbaar is en met oog voor andere grensoverstijgende Europese belangen. Gebieden rondom de kwetsbare Natura 2000-gebieden zijn van belang voor het treffen van systeemherstel- maatregelen om onder andere de stikstofdruk in de kwetsbare Natura 2000-gebieden te verminderen. Bij het bepalen van de locatie en omvang van de gebieden rondom de kwetsbare Natura 2000-gebieden, het overgangsgebied en de benodigde herstel- en stikstof- verlagende maatregelen wordt een koppeling gemaakt met de landschapsecologische processen en drukfactoren die een stikstof gevoelig Natura 2000-gebied beïnvloeden. De Ecologische Autoriteit geeft aan of een landschap- secologische systeemanalyse (LESA) van het kwetsbare Natura 2000-gebied noodzakelijk is, waarbij de gebundelde kennis van verschillende vakgebieden wordt gebruikt om de landschapsecologische processen, de drukfactoren en hun reikwijdte te bepalen. De LESA is een belangrijk onderdeel van de natuurdoelanalyse, op basis waarvan aanvullende herstelmaatregelen worden getroffen. Eind 2024 zijn er in het BO Natuur met de provincies en betrokken andere departementen afspraken gemaakt over het vervolg van de natuurdoelanalyses waarin deze verbreed worden naar alle drukfactoren en zich richten op zowel de stikstofgevoelige als niet-stikstofgevoelige 16 Rijksoverheid (2024) Rijk en provincies aan de slag met maatregelen om de natuur te verbeteren. Natura 2000-gebieden. Om uitvoering te geven aan deze volgende cycli van de natuurdoelanalyses zal de handreiking voor het opstellen van de natuurdoelanalyses aangevuld, geactualiseerd en verbeterd worden. Met een nieuwe handreiking kunnen de voortouwnemers volgende versies van de natuurdoelanalyses opstellen. Een keteninitiatief voor Natura 2000-melk Ik wil eerlijke zuivel wil melkveehouders en de natuur in en om Natura 2000-gebieden duurzaam in balans brengen, in combinatie met een financieel gezonde bedrijfsvoering om blijvend te kunnen boeren. Door het opzetten van een ketensamenwerking krijgen boeren eerlijke prijzen voor hun melk, terwijl zij met verduurzamingstrajecten bijdragen aan de omliggende natuur. Diverse stakeholders zijn hierbij betrokken: melkveehouders, provincies, afnemers (retail en consumenten) en ikwileerlijkezuivel als ketenregisseur én als producent. Programma Natuur Met het Programma Natuur werken het Rijk en de provincies samen aan systeemherstel in en rond stikstof- gevoelige Natura 2000-gebieden en aan instandhouding van beschermde stikstofgevoelige natuurwaarden buiten Natura 2000. Dit programma is gericht op het verbeteren van de staat van instandhouding van beschermde soorten en habitats. De maatregelen dragen ook bij aan het behalen van doelen voor de Kaderrichtlijn Water (zie actiedoel 7). Het Rijk heeft afgesproken om middel het Programma Natuur € 2,8 miljard te investeren in natuurherstel over de periode 2021-2030.16 Centraal staat de uitvoering van prioritaire maatregelen in en rond stikstofgevoelige natuur, met prioriteit voor het tegengaan van (dreigende) verslechtering. Daarnaast versterken we de kennis over natuurherstel, de monitoring, de lerende samenwerking en ondersteunende programma’s. Daarnaast is het kabinet voornemens om vanaf 2026 incidenteel €500 miljoen te reserveren om met diverse natuurherstelmaatregelen verslechtering van de natuur tegen te gaan in en rondom Natura-2000 gebieden. In het Natuurpact 2013 was een bedrag van circa €415 miljoen per jaar afgesproken (85% vanuit Rijk, 15% vanuit provincies), voornamelijk voor het halen van VHR en de Kaderrichtlijn Water. Sommige provincies zetten op dit moment extra eigen middelen in. Het Programma Natuur biedt een aanvullende financiële impuls hierop. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/11/11/rijk-en-provincies-aan-de-slag-met-maatregelen-om-de-natuur-te-verbeteren https://ikwileerlijkezuivel.nl/over/ 23 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Integratie in de woon-werk en leefomgeving In de kamerbrief over beleidsagenda natuur staat opgenomen dat wordt ingezet om in goede samen werking met andere overheden en departementen de natuurherstel opgave te koppelen aan andere opgaven. Dit is bedoeld om te zorgen voor synergie en om vertraging en extra kosten te voorkomen door regels en procedures. Basiskwaliteit natuur is erop gericht om de integratie van natuur in de woon-, werk en leefomgeving te helpen faciliteren. Niet door een ruimteclaim of extra eisen te stellen, maar door de primaire gebruiksfunctie in een gebied te combineren met hoe algemene soorten (zoals huismus, egel, hommel, madeliefje) de ruimte gebruiken. Zo worden kansen in de bestaande ruimte door multifunctioneel gebruik benut. Dit kan bijvoorbeeld door ander beheer van bestaand groen, door bermen van infra structuur te gebruiken, door noodzakelijke klimaatadaptieve maatregelen te gebruiken, maar ook door vroegtijdig bij ruimtelijke ontwikkelingen te bekijken hoe biodiversiteit ook een plekje kan krijgen bij de ontwikkeling. Deze inzet draagt ook bij aan het behalen van de doelen van de Natuurherstelverordening op gebied van onder andere bestuivers, graslandvlinders, boerenlandvogels en het stedelijk ecosysteem. Bossenstrategie Revitaliseren, oftewel het herstellen van gedegradeerd bos, is een van de twee hoofddoelstellingen van de Nederlandse bossenstrategie. Het bosbeheer zal zich daarvoor de komende decennia vooral moeten richten op biodiversiteit, klimaatadaptatie en klimaatmitigatie. Hiervoor werken we aan het terugdringen van de stikstofneerslag, het herstellen van het watersysteem, bosverjonging en diversiteit en het verbeteren van verbindingen van bossen. Een van de doelen van de bossenstrategie is om voor 2030 een kwaliteitsimpuls te geven aan bestaand bos. Vrijwel alle bossen in Nederland kunnen een dergelijke kwaliteitsimpuls goed gebruiken. De benodigde maatregelen zijn beschreven in het rapport ‘Revitalisering Nederlandse Bossen’.17 De kwaliteitsimpuls is niet alleen van belang voor het behalen van natuurdoelen, maar ook voor het op peil houden van de houtproductie, de instandhouding van bossen voor recreatie, drinkwaterwinning en de klimaatopgave. Welke maatregelen nodig zijn, is afhankelijk van de lokale uitgangssituatie; het is daarmee maatwerk. De nationale bossenstrategie kwantificeert het revitaliseringsdoel dan ook niet in hectare, maar stelt dat de provincies revitaliseringsplannen opstellen en hiervoor in kaart te brengen waar herstel nodig is en welke maatregelen daarvoor vereist zijn. 17 Stichting Probos, Unie van Bosgroepen, Staatsbosbeheer (2020), Revitalisering Nederlandse Bossen. 18 Kamerstuk 30821, nr. 240 (14 oktober 2024) Investeren in de preventie en mitigatie van natuurbranden. Natuurbrandbeheersing Nederland ziet steeds meer brandgevoelige dagen met mogelijke omstandigheden waarbij er sprake kan zijn van onbeheersbare natuurbranden. Door de sterke verwevenheid van de natuur met de rest van de fysieke leefomgeving kunnen natuurbranden snel behoorlijke schade veroorzaken en een grootschalige impact hebben. Om dit te voorkomen is het versterken van natuurbrand- beheersing belangrijk. In de periode 2024 tot en met 2029 wordt er in totaal 70 miljoen euro geïnvesteerd in het beheer van de natuur en de ontwikkeling en deling van kennis en expertise om de intensiteit, grootte en frequentie van natuurbranden beperkt te houden. Dit gebeurt onder andere door te investeren in risico- communicatie, vlucht- en calamiteitenroute(s), bluswater- voorzieningen en coördinatie en samenwerking op het gebied van natuurbrandbeheersing. Het Rijk werkt hiervoor nauw samen met de provincies, gemeenten, veiligheids regio’s en terreinbeherende organisaties.18 Concept-Richtlijn Bodemmonitoring en Veerkracht Een gezonde, veerkrachtige bodem levert een bijdrage aan ecologische, maatschappelijke en economische behoeften. Het draagt bij aan zowel klimaatmitigatie als -adaptatie, vergroot de voedselzekerheid en voorkomt of beperkt biodiversiteitsverlies. Meer dan een kwart van de biodiversiteit bevindt zich in de bodem, deze is onlosmakelijk verweven met de biodiversiteit boven de grond en daarmee met die sectoren voor wie de bodem een belangrijk onderdeel van het bestaan is, zoals de agrarische sector. De Concept-Richtlijn Bodemmonitoring en Veerkracht bevat discriptoren en criteria voor een gezonde bodem, waaronder een aantal gericht op het monitoren van biodiversiteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet om inzicht te krijgen in de biodiversiteit in de bodem en deze te beschermen en als noodzakelijk te herstellen. In juli 2023 heeft de Europese Commissie een voorstel voor de Richtlijn Bodemmonitoring en Veerkracht gepresenteerd. De Bodemmonitoringsrichtlijn heeft tot doel een kader voor bodemmonitoring voor alle bodems in de EU tot stand te brengen en is gericht op een stapsgewijze verbetering van de bodem gezondheid. De concept-richtlijn bevat geen bindende doelen en tussendoelen, maar een inspannings verplichting gericht op het lange termijn streefdoel van een gezonde bodem in 2050. De onderhandelingen over de concept-richtlijn zijn momenteel gaande. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.probos.nl/images/pdf/rapporten/Rapp2020 RevitaliseringNederlandseBossen 22juli2020.pdf https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2024Z15833&did=2024D38411 24 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Kaderrichtlijn Mariene Strategie Op basis van de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) stellen lidstaten een mariene strategie op om een goede milieutoestand te bereiken en/of te behouden. Deze strategie wordt iedere zes jaar herzien. De strategie bestaat uit drie delen: een beoordeling van het mariene milieu, het beschrijven van de goede milieutoestand en het stellen van milieudoelen (Deel 1, 2018-2024), een Monitoringprogramma (Deel 2, 2020-2026) en een Programma van Maatregelen (Deel 3, 2022-2028). Het beschrijft het mariene milieu op basis van 11 descriptoren: biodiversiteit (zeevogels, zeezoogdieren, vissen, inktvissen), niet-inheemse soorten, commerciële vissoorten, voedselwebben, eutrofiëring, zeebodem- integriteit, hydrografische eigenschappen, vervuilende stoffen, verontreinigende stoffen in visserijproducten, zwerfafval en onderwatergeluid. Wanneer de huidige toestand en de goede milieutoestand niet in overeenstemming zijn, wordt hiervan op al de benoemde descriptoren – waar nodig – een kennis- en/of beleids- opgave afgeleid. Vooralsnog is de goede milieu toestand enkel voor de descriptor rondom verontreinigende stoffen in visserijproducten behaald. Voor alle landen rondom de Noordzee geldt dat de goede milieutoestand in algemene zin nog niet onder handbereik is. Nederland werkt momenteel aan de afronding van een Ontwerp voor de actualisatie van de Mariene Strategie Deel 1. De KRM werkt als een paraplu-richtlijn, en brengt al het relevante beleid dat bijdraagt aan een ecologisch veerkrachtige Noordzee bij elkaar, zoals de VHR (zie actiedoel 2 en 3), afspraken gemaakt met de Internationale Maritieme Organisatie (zie actiedoel 6 en 7), en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (zie actiedoel 10). Verder wordt als onderdeel van de strategie actie ondernomen om beschermde gebieden (KRM-gebieden) aan te wijzen (zie actiedoel 3), de introductie van niet-inheemse soorten geminimaliseerd (zie actiedoel 6) en gewerkt aan het terugdringen van verontreiniging van de zee in relatie met eutrofiering, verontreinigende stoffen en zwerfafval (zie actiedoel 7). Programmatische Aanpak Grote Wateren Het doel van de Programmatische Aanpak Grote Wateren19 (PAGW) is een toekomstbestendig stelsel van grote wateren in 2050, waarin hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie. De grote wateren omvatten het Nederlandse deel van de wateren van het IJsselmeergebied, het Zuidwestelijke Deltagebied, het Waddengebied (incl. Eems-Dollard) en het gebied van de grote rivieren en waar relevant aangrenzende binnendijkse gebiedsdelen. De PAGW geeft samen met de Natura-2000 19 Ministeries LVVN, IenW (n.d.) Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). beheerplanning, de Kaderrichtijn Water en NNN ook invulling aan het beschermen van binnenwateren. Het doel van de PAGW is om de grote wateren te herstellen en te versterken, waaronder de verbetering van de ecologische waterkwaliteit. Met inrichtingssprojecten wordt meer ruimte geboden voor natuurlijke processen, de connectiviteit verbeterd, zowel binnen de grote wateren als met de directe omgeving van de grote wateren, en worden arealen ontbrekende leefgebieden aangelegd. Ook worden transities naar verantwoord gebruik en beheer ingezet. Zo worden gunstige uitgangssituaties voor het systeem van de grote wateren gecreëerd die het mogelijk maken de wateren ecologisch gezond te laten functioneren, hoogwaardige natuur te realiseren en ruimte te bieden voor inpassing van economisch gebruik. Deze projecten en transities vergroten het potentieel aan ecosysteem- diensten en de sociaal-economische waarden van de grote wateren. Het programma werkt op dit moment aan planstudies voor 23 inrichtingsprojecten die uiterlijk 2033 moeten zijn aangelegd. Naar verwachting kiest Nederland nog voor 2030 voor een volgende tranche projecten en activiteiten in de uitvoering van het programma. Waddenzee Er wordt extra ingezet op de versterking van de natuur op systeemniveau in de Waddenzee. Hierbij is aandacht voor de kernwaarden (en uitzonderlijke universele waarde) van het UNESCO Werelderfgoed Waddenzee en het open landschap/weidsheid, rust en donkerte. Naast verduurzaming van gebruik wordt er via de volgende sporen gewerkt aan het herstellen en versterken van de natuur in de Waddenzee: 1. Met de PAGW werkt het Rijk met regionale overheden aan verbetering van de natuurlijke dynamiek van het systeem door systeemingrepen en grootschalige inrichtingsmaatregelen zoals het herstel van zoet- zoutovergangen en onderwaternatuur, 2. De Beheerautoriteit Waddenzee werkt met het Beheerders Collectief Waddenzee aan het verbeteren van natuur-, vis- en waterbeheer. Dit gebeurt onder andere door betere samenwerking en een meer integrale en gestructureerde benadering van beheeractiviteiten zoals fysiek beheer (bijvoorbeeld het beheer van kwelders), monitoring en toezicht en handhaving. Ook wordt samen met de Beheerautoriteit geïnvesteerd in de natuur via middelen van de restopgave natuur Waddenzee en het Ecologisch Impulspakket Waddenzee, DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.pagw.nl/ 25 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 3. Het Natura 2000-beheerplan Waddenzee gaat over gebruik en beheer, specifiek gericht op het behalen van de instandhoudingsdoelen c.q. de specifiek aangewezen soorten en habitats op grond van de VHR. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan het Actieplan Broedvogels Waddenzee. Rijkswaterstaat werkt als voortouwnemer met partijen aan een nieuw Natura 2000-beheerplan Waddenzee, 4. Ook wordt uitwerking gegeven aan de motie De Groot-Bevers20 om “een beleidskader op te stellen vanuit de hoofddoelstelling natuur en met oog voor de leefbaarheid, en daarbij draagvlak te zoeken bij betrokkenen”. Om het economisch gebruik van de Waddenzee, waaronder voldoende ruimte en toekomstperspectief voor de visserij, ook op langere termijn mogelijk te maken is er een samenhangend kader nodig. Met het op te stellen Beleidskader Natuur Waddenzee (BNW) zal aan ondernemers en gebruikers van de Waddenzee duidelijkheid geven over welke activiteiten onder welke voorwaarden mogelijk zijn. Dit zal worden gedaan op basis van de gemeten staat van de Waddenzeenatuur, met aandacht voor sociaaleconomische effecten. 5. Internationaal wordt samengewerkt met Duitsland en Denemarken, bijvoorbeeld als het gaat om monitoring, kennisontwikkeling, educatie, gastheerschap en duurzaam toerisme Elk type gebruik van de Waddenzee heeft op zichzelf veelal een relatief beperkte impact op het ecosysteem; er zijn sterke aanwijzingen dat juist de optelsom druk legt op de draagkracht van de natuur. Dit maakt het van belang om tot een integrale aanpak te komen die de druk op de natuur in zijn geheel vermindert. Het BNW moet de (cumulatieve) impact van het gebruik op de natuur van de Waddenzee terugbrengen, om zo te komen tot een nieuwe balans tussen ecologie en economie. Uitgangspunt voor het BNW zijn de Natura 2000-natuurdoelen, maar het BNW richt zich ook in bredere zin op het bereiken van de hoofddoelstelling voor de Waddenzee. Dit betreft de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap, zoals ook vastgelegd in de PKB Waddenzee, wat later de Structuurvisie Waddenzee werd. Het BNW bevindt zich momenteel in de Analysefase (welke eindigt in Q3 2025), met als uitkomst een Beleidsnotitie met een duidelijke (ecologische) opgave. Om te voldoen aan de hoofddoelstelling van de Waddenzee, en de natuur in de Waddenzee beter te beschermen en te herstellen, formuleren we concrete doelen om drukfactoren te 20 Motie van de leden Tjeerd de Groot en Bevers over een beleidskader opstellen vanuit de hoofddoelstelling natuur (29684-224), 14 maart 2022. verlagen. Dit vormt het startpunt voor de scenario- ontwikkelingsfase (van Q4 2024 t/m Q4 2025), waarin we met stakeholders, (mede)overheden en Rijksvertegenwoordigers scenario’s gaan ontwikkelen om de ecologische doelstellingen te behalen en dus drukfactoren te verlagen (op basis van een vergelijkbaar concept als de Klimaattafels). Hierbij maken we gebruik van een raamwerk om scenario’s, met als doel om drukfactoren te verlagen, te toetsen aan zowel ecologische als sociaaleconomische impact. Het BNW heeft ook de ambitie om flankerend beleid (financierings constructies) te ontwikkelen voor de verdere uitwerking van deze scenario’s. Maatregelen op defensieterreinen Het natuurbeleid van Defensie richt zich op het herstellen en behouden van de kwaliteit van ecosystemen, in samenhang met de activiteiten op deze terreinen. Door actief bij te dragen aan het behoud en de versterking van natuur en biodiversiteit, geeft Defensie invulling aan het rijksbeleid voor een bloeiende en robuuste natuur. Het herstelplan voor het Witterveld is een goed voorbeeld waar Defensie zich hard maakt voor het herstel van een waardevol en voor Nederland uniek hoogveengebied. Natuurherstelverordening Een belangrijk nieuw EU instrument voor natuurherstel is de Natuurherstelverordening (hierna NHV). Het doel van de NHV is driedelig: 1. Bijdragen aan een doorlopend, langdurig en bestendig herstel van diverse en veerkrachtige natuur in de EU, zowel op land als zee, door herstel van ecosystemen, habitattypen en soorten. 2. Bijdragen aan het bereiken van de EU-doelstellingen op het gebied van klimaatmitigatie en -adaptatie. 3. Bijdragen aan de internationale inzet van de EU op natuurterrein, onder meer in het kader van het VN-Biodiversiteitsverdrag. De NHV bevat aanvullende verplichtingen tot het beschermen en herstellen van ecosystemen die nu beschermd worden op grond van de VHR, de KRW en de KRM. De natuurhersteldoelen in de NHV hebben daarnaast betrekking op een breed scala aan ecosystemen, namelijk terrestrische, kust- en zoetwater ecosystemen, mariene ecosystemen, stedelijke ecosystemen, rivieren en uiterwaarden, bestuivers, landbouw ecosystemen en bosecosystemen. De NHV, en met name de uitwerking daarvan in een Natuurplan, draagt daarom ook in belangrijke mate bij aan actiedoel 1 en actiedoelen 3 t/m 12. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 26 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Lidstaten moeten uiterlijk 1 september 2027 bij de Commissie een Natuurplan indienen met concrete maatregelen voor de periode tot 2030 en met een strategische doorkijk naar 2050. Het Natuurplan biedt aan Nederland de mogelijkheid om de eigen inzet op natuurherstel zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de 21 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. conditie van de natuur zoals die nu is, daarbij rekening houdend met de Nederlandse situatie. Nederland kan daarmee de eigen ruimtelijke puzzel leggen, binnen de doelstellingen en rand voorwaarden zoals geformuleerd in de Verordening. Agenda Natuurinclusief 2.021 Domein Infrastructuur De Agenda Natuurinclusief 2.0 draagt onder andere bij aan het herstel van gedegradeerd landschap in Nederland door middel van acties van het domein Infrastructuur. Verder draagt de inzet van dit domein in positieve zin bij aan het behalen van actiedoelen 1, 6, 7, 8, 11, 12, 14, 15 en 19 en is daarbij vooral waardevol voor actiedoelen 8 en 12. Enkele acties waar het om gaat zijn hieronder kort beschreven. • Dit domein zal in de uitvoering van Agenda Natuurinclusief 2.0 (2024-2026) bijdragen aan biodiversiteits herstel in Nederland tot 2030 en positieve impact van infrastructuurprojecten op biodiversiteit vanaf 2030. Daarbij wil het domein in de periode 2024-2026 het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework vertaald hebben naar de ambities in de infrasector. • De focus van het domein ligt op het beter benutten van het enorme areaal (8% van Nederland) ten behoeve van biodiversiteitsherstel langs (spoor)wegen, dijken, waterwegen en infrastructuur van nutsvoorzieningen. • Het domein zet zich ervoor in om ecologisch beheer de norm te laten worden binnen de sector. Denk hierbij aan bermen, dijken en hoogspanningsstations. Dit betekent ook volledig uitfaseren van pesticidengebruik. Om dit doel te bereiken wordt de beweging van opdrachtgevers die momenteel ecologisch beheer toepassen vergroot, bijvoorbeeld door middel van het opstellen van een convenant voor gemeenten, provincies, waterschappen, uitvoerders en infrabeheerders. • De komende jaren zijn de inspanningen er daarnaast op gericht om natuurinclusief bouwen en ontwerpen de nieuwe standaard in alle projecten binnen het domein Infrastructuur te laten zijn, en in alle aanbestedingen en projecten natuurinclusief werken als eis op te laten nemen. • Samen met onder andere het Domein Water zal worden gewerkt aan concrete projecten voor het realiseren van groenblauwe dooradering. Ook wordt gewerkt aan het opdoen van kennis over de interactie tussen infrastructuur en natuur en de inzet van Nature-based Solutions in het kader van onder meer brandbeheersing, wat ook klimaatadaptatie van en met natuur ten goede komt. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 27 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 3. Bescherm belangrijke biodiversiteit op ten minste 30% van land en water Figuur 9. Nationaal park de Biesbosch © Rob Poelenjee 22 Compendium voor de Leefomgeving (2023) CLO indicator 142505. Aandeel beschermde natuurgebieden in Nederland, 2022. De Nederlandse natuur heeft kenmerkende landschappen en wateren die ons land uniek maken en is een belangrijk onderdeel van onze identiteit. Natuur en landschap zijn verweven met het dagelijks leven, van stadsparken en boerenland tot nationale parken. Het kabinet ziet natuur dan ook breder dan alleen onze natuurgebieden. Het doel is om de gebiedseigen natuur te versterken, met robuuste natuurgebieden op land en water en een solide basiskwaliteit voor een gezonde leefomgeving en vitale landbouw. Het herijken van Natura 2000-gebieden is onderdeel van deze aanpak. Natuurgebieden in Nederland Natuurgebieden in Nederland zijn zowel wettelijk (Natura 2000) als planologisch (Natuurnetwerk Nederland) beschermd (Figuur 10). Bij de implementatie van bestaand beleid, waaronder de geplande uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland, zal in 2030 bij 26% van het land en binnenwateren een beschermingsregime van kracht zijn.22 Wanneer natuurgebieden buiten de Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland een beheercontract bezitten en een beheersubsidie ontvangen via Subsidiestelsel Natuur en Landschap, kunnen deze gebieden ook meetellen met het aandeel beschermd gebied. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.clo.nl/indicatoren/nl142505-aandeel-beschermde-natuurgebieden-in-nederland-2022 28 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Wanneer deze gebieden worden meegenomen, loopt het percentage beschermd natuurgebied in Nederland op tot ruim 27%.23 Deze berekeningen zijn gemaakt op basis van de Voortgangsrapportage Natuur waarin provincies de voortgang op onder andere de gestelde doelen rondom de uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland rapporteren; op basis van de daadwerkelijke voortgang van de provincies kan dit percentage licht wijzigen. Met de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de 23 Planbureau voor de Leefomgeving, Wagening University & Research (2022) Quickscan EU-biodiversiteitsstrategie. Een eerste reflectie op de implementatieopgave van nieuw voorgestelde doelen voor opervlakte beschermde natuur en herstel VHR-natuur. Kaderrichtlijn Mariene Strategie heeft Nederland in 2030 ruim 30% van het areaal kust en zee (de zoute wateren) als beschermd gebied aangewezen. In het kader van de Europese Biodiversiteitsstrategie is afgesproken dat het doel om 30% van land, water en zeegebieden te beschermen wordt verdeeld onder de 27 lidstaten van de EU. Elke lidstaat moet hier een billijke bijdrage aan leveren. De grootte van deze billijke bijdrage is nog niet vastgesteld. Figuur 10. Kaart met alle beschermde Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) gebieden in Nederland (CLO Indicator 142505). Vogel- en Habitatrichtlijn Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) zijn in Nederland 162 Natura 2000-gebieden beschermd. Het aandeel Natura 2000-gebieden is 15% van de oppervlakte aan land en binnenwateren en 27% in kust en marien (inclusief de Waddenzee). De Natura 2000-gebieden zijn wettelijke beschermd, met een verslechteringsverbod, verplichtingen voor overheden om instandhoudings- maatregelen te treffen en een vergunningplicht voor projecten met mogelijk schadelijke effecten. De VHR draagt zo bij aan actiedoel 3 voor zowel land en binnenwateren als de zee. Het kabinet zet in om de Natura 2000-gebieden te herijken ten behoeve van een hoofdstructuur van robuuste natuurgebieden. Natuurnetwerk Nederland Afspraken over beheer, uitbreiding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn gemaakt in het Natuurpact dat in 2013 is gesloten tussen het Rijk en provincies. Taken en bevoegdheden in het natuurbeleid werden daarmee grotendeels bij de provincies belegd. De drie hoofdambities die Rijk en provincies in het Natuurpact overeenkwamen, waren: 1) het verbeteren van de biodiversiteit; 2) het versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur en 3) het versterken van de relatie tussen natuur en economie. Om de eerste ambitie na te streven spraken Rijk en provincies onder andere af om in 2027 een netwerk van natuurgebieden af te ronden: het NNN – voorheen de Ecologische Hoofdstructuur. Met de provincies is een bestuurlijke afspraak gemaakt om het bestaande natuurnetwerk te vergroten door 80.000 hectare nieuwe natuur in te richten en maatregelen DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.pbl.nl/uploads/default/downloads/pbl-2022-quickscan-biodiversiteitsstrategie-eu-biodiversiteit-4472 0.pdf https://www.pbl.nl/uploads/default/downloads/pbl-2022-quickscan-biodiversiteitsstrategie-eu-biodiversiteit-4472 0.pdf 29 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 te treffen om de natuurkwaliteit in dit netwerk te behouden en te verbeteren. Sinds 1 januari 2011 is circa 48.511 hectare natuur ingericht.24 De doelstelling is om een robuust natuur netwerk te realiseren. De provincies beogen hiermee ook het doelbereik voor de Europese natuurdoelen ‘met een forse extra stap’ dichterbij te brengen. Met afronding van het NNN wordt zo’n 26% van land en binnenwater planologisch beschermd.25 Defensieterreinen Meer dan 26.000 hectare van Nederland wordt ingezet als militair oefenterrein, schietterrein of vliegbasis. Hiervan maakt ruim 15.000 hectare deel uit van Natura 2000-gebieden. Het ministerie van Defensie geeft invulling aan het rijksbeleid door bij te dragen aan het behoud en versterking van de biodiversiteit, zowel op land als in water. Dit wordt gerealiseerd door actief beheer gericht op het versterken van natuurwaarden en het nemen van gerichte maatregelen om verontreiniging van bodem en water te voorkomen. De terreinbeheerders van de militaire terreinen stellen elk jaar, op basis van een beheerplan, een werkplan op om de natuurwaarden te behouden en waar mogelijk versterken. De Bossenstrategie Meer dan 90% van het bos in Nederland heeft natuur- kwaliteits doelstellingen en ligt in het NNN. Alle bossen in Nederland, ook buiten het NNN, genieten bescherming onder de Omgevingswet en 46% van de Nederlandse bossen zijn gecertificeerd door de Forest Stewardship Council.26 De Bossenstrategie stelt daarnaast als doel voor 2030 om 37.400 hectare additioneel bos te realiseren, waarvan 15.000 binnen het NNN. Ook stelt de Bossenstrategie als doel dat er in 2030 14.000 hectare extra bos omgevormd gaat worden naar natuurbos. Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natura 2000 gebieden (kust en marien) Op de Noordzee worden gebieden beschermd onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM, zie actiedoel 2) en de VHR. De ruimtelijke afspraken zijn geformaliseerd in het Programma Noordzee 2022-2027 (zie actiedoel 1). Eind 2025 wordt de partiële herziening van het Programma Noordzee 2022-2027 verwacht. Hierin worden, onder andere, de grenscorrecties Borkumse stenen en KRM- aanwijzing Zuidelijke Doggersbank voorzien, conform afspraken in het Noordzeeakkoord. Dit zal leiden tot minimaal 30% beschermde gebieden op de Noordzee in 2030. Dit percentage kan toenemen omdat er mogelijk 24 Bij12 (2022) Negende voortgangsrapportage Natuur. 25 Compendium voor de Leefomgeving (2023) CLO indicator 142505. Aandeel beschermde natuurgebieden in Nederland, 2022. 26 Wageningen University and Research (2019) Sixth National Report of the Kingdom of the Netherlands 2019. nog aanvullende vogelrichtlijngebieden op zee bij komen. Er is als uitvloeisel van het Noordzeeakkoord afgesproken dat in 2030 in 15% van de Nederlandse Noordzee geen bodemvisserij mag plaatsvinden. Hiervoor wordt een procedure van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (zie actiedoel 10) doorlopen. Als eerste stap is eind 2024 een gezamenlijke aanbeveling (nationaal- en internationaal afgestemd) tot instandhoudingsmaatregelen in natuur- gebieden bij de Europese Commissie ingediend, waarmee het percentage bodembescherming van de huidige 5% zou uitkomen op 13,8% in natuurgebieden op zee. In 2,8% van de beschermde gebieden op de Noordzee worden alle vormen van visserij geweerd. Daarnaast gelden in Natura 2000-gebieden ook beperkingen voor andere activiteiten, zoals het boren naar olie en gas, scheepvaart en recreatie. Dat staat in het beheerplan en wordt ook doorgevoerd middels de vergunningverlening onder de Omgevingswet, naast andere regulerende maatregelen, voornamelijk onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid onder Europese wetgeving. Alle andere ontwikkelingen op zee, zoals de uitrol van windenergie op zee, moeten passen binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. De Natura 2000-beheerplannen worden elke zes jaar door Rijkswaterstaat geëvalueerd. Uitvoeringsprogramma Waddengebied De Agenda voor het Waddengebied 2050 beschrijft de gezamenlijke ambities voor de Waddenzee – hoofddoel natuur – en het Waddengebied. De ambities die de overheden en stakeholders eind 2020 hebben vastgesteld komen (nog) niet overeen met de huidige toestand in de Waddenzee en het Waddengebied. Het verschil tussen de ambitie en de huidige toestand vormt de opgave voor de partijen in het Waddengebied. Er wordt gewerkt aan de opgaves door onder meer te werken aan 30 verschillende initiatieven en vier transities. In het Uitvoeringsprogramma Waddengebied 2021-2026 is een aantal initiatieven erop gericht de natuur – in samenhang met het gebruik – te versterken en het doel van Natuur van Wereldklasse te bereiken. Dit wordt concreet uitgewerkt langs onder andere de volgende initiatieven: • Natuurbeheer, -herstel en -ontwikkeling (programma’s als Natura 2000, Kaderrichtlijn Water, Programmatische Aanpak Grote Wateren); • Uitwerking kernwaarden Waddengebied (rust, ruimte en stilte); • Ecosysteemgericht baggeren in de Waddenzee; • Programma Eems-Dollard 2050; • Versterken Lauwersmeergebied; DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://open.overheid.nl/documenten/079d253a-5044-4124-ba3f-4131acbeecf2/file https://www.clo.nl/indicatoren/nl142505-aandeel-beschermde-natuurgebieden-in-nederland-2022 https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=&cad=rja&uact=8&ved=2ahUKEwjA24fN67mEAxVViv0HHbIkDoYQFnoECA8QAQ&url=https%3A%2F%2Fedepot.wur.nl%2F499170&usg=AOvVaw3m7QaLaSSAjDQUnUdA2K5p&opi=89978449 30 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • Beleidskader Natuur Waddenzee: in kaart brengen van de impact van (cumulatie) van gebruik en daar kaders voor opstellen. EU-wetgeving rondom natuurbescherming De Europese Biodiversiteitsstrategie Onder de Europese Biodiversiteitsstrategie (EBS) is een doel gesteld om in 2030 30% van het Europees grondgebied wettelijk en effectief te beschermen, waarvan 10% strikt moet worden beschermd (EBS T1, T2 en T3). Alle landen binnen de EU dienen hier een billijke bijdrage aan te leveren. Dit proces wordt gefaciliteerd door het pledge-en- review proces. Wanneer alle lidstaten een billijke bijdrage leveren aan de 30% beschermingsdoelstelling zal actiedoel 3 op EU-niveau worden gehaald. Ook Nederland zal een bijdrage leveren. In de EBS worden verscheidene acties benoemd welke bijdragen aan het doelbereik, waaronder het effectieve beheer van beschermde gebieden, duidelijke instandhoudingsdoelstellingen en groenblauwe dooradering (EBS-acties A1-9). Ook zijn de VHR en de KRM van groot belang voor actiedoel 3; deze zijn eerder in de tekst beschreven. Natuurherstelverordening In de Natuurherstelverordening (voor meer uitleg zie actiedoel 2) staan hersteldoelen beschreven die raken aan actiedoel 3. Het Natuurplan, dat voor 1 september 2027 moet worden opgesteld op grond van de Natuurherstelverordening, zal verder invulling geven aan de inzet op natuurherstel en bijdragen aan de Nederlandse inzet op actiedoel 3. Overige programma’s Enkele andere bestaande natuurprogramma’s dragen ook bij aan het doelbereik van actiedoel 3, zoals de Kaderrichtlijn Water (zie actiedoel 7). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 31 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 4. Stop het uitsterven van soorten, bescherm de genetische diversiteit en beheers mens-dierconflicten voor co-existentie Figuur 12. Edelhert in Nationaal Park De Hoge Veluwe. © Rob Poelenjee Nederland zet zich in voor het behoud en herstel van plant- en diersoorten. Het kabinet maakt zich in het bijzonder zorgen over de afname van bijen-, vlinder- en zweefvliegpopulaties, zowel in Nederland als wereldwijd, vanwege hun cruciale rol in voedselzekerheid, economie en biodiversiteit. Veel fruit- en groentegewassen zijn bijvoorbeeld afhankelijk van bestuiving. Met de Nationale Bijenstrategie wordt ingezet op het effectief tegengaan van de achteruitgang van bestuivers in Nederland. In een dichtbevolkt land als Nederland kunnen ook conflicten ontstaan tussen mens en dier. Voorbeelden hiervan zijn de toenemende aantallen incidenten met wolven, mensen en vee. Daarom werkt het kabinet samen met de provincies aan een Landelijke Aanpak Wolven. Rode Lijsten Om een beter beeld te krijgen van de staat van plant- en diersoorten in de Nederlandse natuur worden er onder andere internationale en nationale Rode Lijsten opgesteld op basis van de criteria van de Internationale Unie voor Natuurbescherming (IUCN). Dat gebeurt op dit moment voor 20 verschillende soortgroepen. De nationale Rode Lijsten zijn verankerd in de Omgevingswet en worden gepubliceerd in de Staatscourant. De criteria die worden gebruikt voor nationale Rode Lijsten spitsen zich toe op de unieke situatie in Nederland. Net zoals de omringende landen hanteert Nederland 1950 als basisjaar, zodat er geen shifting baseline effect optreedt en langjarige trends zichtbaar zijn. Ook maakt dat de Rode Lijsten onderling vergelijkbaar. De Rode Lijsten hebben een signaalfunctie en daarom wordt ernaar gestreefd om alle Rode Lijsten elke 10 jaar te actualiseren. Provincies zijn verplicht om actief maatregelen te treffen voor soorten die op de Rode Lijst staan. Samenwerking tussen boeren voor weidevogels en biodiversiteit Boeren van Amstel is een groep van 18 boeren die gezamenlijk een melkproductie hebben opgezet. De leden van Boeren van Amstel ontvangen inkomsten als beloning voor het weidevogelbeheer waarin ze zijn bevestigd. Ter ere van het 750-jarig bestaan van de gemeente Amsterdam is ook een kaas ontwikkeld. Voor elke kilo verkochte kaas, zaaien de boeren een vierkante meter biodivers zadenmengsel in. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://eur01.safelinks.protection.outlook.com/?url=https%3A%2F%2Fwww.boerenvanamstel.nl%2F&data=05%7C02%7Cc.vermeulen%40minlnv.nl%7Cc369a676440f42daadfa08dd469b13a0%7C1321633ef6b944e2a44f59b9d264ecb7%7C0%7C0%7C638744354035496375%7CUnknown%7CTWFpbGZsb3d8eyJFbXB0eU1hcGkiOnRydWUsIlYiOiIwLjAuMDAwMCIsIlAiOiJXaW4zMiIsIkFOIjoiTWFpbCIsIldUIjoyfQ%3D%3D%7C0%7C%7C%7C&sdata=wlBHL%2B9IKTBtOhe3ZsvBI%2BwT4miGYtghl1DMquocMFI%3D&reserved=0 32 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Vogel- en Habitatrichtlijn en Natuurnetwerk Nederland De inzet op gebiedsherstel en -bescherming worden beschreven onder actiedoelen 2 en 3. Internationaal belangrijke natuurgebieden in Nederland zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. De bescherming van deze gebieden richt zich op soorten en habitattypen waarvoor dit verplicht is vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Daarnaast wijzen provincies ook Natuurnetwerk Nederland-gebieden aan voor de bescherming van Europees en nationaal beschermde soorten en Rode Lijst-soorten. Het kabinet zet in om de Natura 2000-gebieden te herijken ten behoeve van een hoofdstructuur van robuuste natuurgebieden. Nationale Bijenstrategie Nederland heeft als antwoord op de achteruitgang van bestuiverpopulaties in 2018 de Nationale Bijenstrategie27 (NBS, 2018-2030) opgezet. Hier werken we met meer dan honderd partners samen waarmee bijvoorbeeld wordt ingezet op het creëren van voldoende voedsel en nestelgelegenheid. 27 Rijksoverheid (2018) Nationale Bijenstratgie: Bed & Breakfast for Bees. 28 Kamerstuk 33575, nr. 389 (28 november 2024) Verzamebrief natuur. 29 Zoogdierenvereniging (2020) Basisrapport Rode Lijst Zoogdieren. De doelstelling van de NBS is dat vóór 2030 een stabiele en/of een positieve trend van populaties wilde bijen en andere soorten bestuivers is ingezet. Een essentieel onderdeel van de NBS is de theory of change, waarmee partners op negen thema’s worden gestimuleerd om maatregelen te nemen. Naar aanleiding van de vijfjaarlijkse evaluatie hebben de partners een rapportage uitgebracht en gezamenlijk aanbevelingen opgesteld. Deze aanbevelingen zijn meegestuurd in de verzamelbrief Natuur aan de Tweede Kamer.28 De belangrijkste conclusie van de evaluatie van de NBS is dat er in de afgelopen jaren veel succesvolle lokale en regionale initiatieven zijn ontplooid, maar dat er meer inspanningen nodig zijn om de negatieve trend te keren. Omdat het van belang is om beter inzicht te krijgen in de bijenstand – en dit tevens een verplichting is vanuit de Natuurherstelverordening – start in 2025 de monitoring van bijen en zweefvliegen. Daarnaast kunnen de aanbevelingen van de NBS-partners dienen als inspiratie bron voor herstelmaatregelen ter bevordering van bestuiverspopulaties binnen het Natuurplan. Figuur 13. Bijenkasten op een recreatiepark leveren een bijdrage aan bijenstrategie © Rijksoverheid, foto van Bart van Vliet Specifieke maatregelen voor bedreigde soorten Er worden actieve maatregelen genomen om soorten die uitgestorven zijn of dreigen uit te sterven te herintroduceren of extra bescherming te bieden. Bijvoorbeeld: • Herintroductieprogramma’s: In het verleden zijn de otter (Lutra lutra) en de bever (Castor fiber), die verdwenen waren uit Nederland, met succes geherintroduceerd in de Nederlandse natuur. De Rode Lijst-status van beide soorten is op dit moment ‘Thans niet bedreigd’.29 Nederland ondersteunt op dit moment met financiële middelen en (mens)uren de haalbaarheidsstudie naar de herintroductie van de Europese steur (Acipenser sturio) in de Rijn. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/01/22/nationale-bijenstrategie-bed--breakfast-for-bees https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/29/verzamelbrief-natuur https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/2020-11/Basisrapport RL Zoogdieren 01102020 def.pdf 33 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • Onderzoek: Daarnaast geeft het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) opdracht voor onderzoek op landelijk niveau voor de Europese hamster (Cricetus cricetus) naar het bereiken van een duurzame zelfstandige populatie in Limburg en worden er door de provincie Limburg akkers beheerd op een hamstervriendelijke manier. • Provinciaal Soortenbeleid: Provincies voeren actief soortenbeleid om voor de provincie belangrijke bedreigde soorten actief te beschermen en te behouden (bv. de eikelmuis (Eliomys quercinus) en ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus) in Limburg en de tweekleurige vleermuis (Verspertillio murinus) in Utrecht). • Het Aanvalsplan Grutto: Rijk en provincies zetten extra in op de bescherming van weidevogels door de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto. Het Aanvalsplan Grutto maakt onderdeel uit van het Nationaal Strategisch Plan voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027. Met provincies is afgesproken om voor de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto in de komende periode van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 €69,5 miljoen beschikbaar te stellen. Daarnaast wordt op dit moment ook gekeken naar aanvullende manieren om de grutto te beschermen. Het gaat dan onder meer om het verkennen van mogelijkheden om grutto eieren uit te broeden (‘headstarting’). • De Nationale Visroutekaart: Ter invulling van de Kaderrichtlijn Water (zie actiedoel 7) worden maatregelen genomen om de barrières te slechten voor trekvissen. Een overzicht van de nationale stand van zaken inclusief de resultaten en opgaven is te vinden op de Nationale Visroutekaart.30 Noordzeeakkoord en (nieuwe) beschermingsplannen In het Noordzeeakkoord is afgesproken dat voor soorten waarvoor nog geen soortenbeschermingsplan bestaat dergelijke plannen worden ontwikkeld op basis van EU-richtlijnen (Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie), internationale afspraken (OSPAR, ASCOBANS, CMS, MoU Sharks), en het Kader Ecologie en Cumulatie voor de uitrol van windparken op zee. Er is een soortselectielijst opgesteld waarin alle soorten zijn opgenomen waarvoor een plan wordt opgesteld in de periode 2023-2025. In totaal zullen er 12 plannen worden gemaakt in deze periode. De soortselectielijst is gebaseerd op: 1) meest kwetsbare soorten en habitats met het oog op de ontwikkeling van wind op zee, 2) soorten en habitats die bescherming nodig hebben in algemene zin zoals blijkt uit de internationale kaders (Vogel- en Habitatrichtlijn, OSPAR, Rode Lijst) en 3) soorten en habitats die een sleutel zijn in 30 Nationale Visroutekaart (z.d.) Nationale Visroutekaart. natuurherstel-en versterking. In 2025 zal bekeken worden of er nog voor aanvullende soorten een soorten- beschermings plan moet worden opgesteld. Momenteel wordt er gewerkt aan drie nieuwe beschermingsplannen: twee plannen zijn gericht op vogels, 1) jan-van-gent (Morus bassanus) en drieteenmeeuw (Rissa tridactyla), en 2) grote mantelmeeuw (Larus marinus) en zilvermeeuw (Larus argentatus), en het derde plan is gericht op benthos, 3) schelpdieren (Ostrea edulis, Modiolus modiolus en Mytilus edulis) en kokerwormen (Sabellaria spinulosa en Lanice conchilega). Daarnaast zijn er al plannen voor de bescherming van haaien en roggen, bruinvissen en zeehonden: • Haaien- en Roggen Actieplan: Er is op basis van een quickscan van het vorige actieplan en een Programma van Eisen (opgesteld met de visserijsector, maatschappelijke organisaties en wetenschappers) een Haaien- en Roggen Actieplan 2022-2027 opgesteld. • Bruinvisbeschermingsplan: Het Bruinvisbeschermings- plan is in 2020 herzien en aangescherpt. Daarnaast heeft er in 2024 een evaluatie van het Bruinvisbeschermings- plan plaatsgevonden. Het richt zich nu onder andere ook op intensivering van internationale samenwerking, op verbetering van strandingsgegevens en op verminderen van drukfactoren zoals bijvangst en onderwatergeluid veroorzaakt door heiwerkzaamheden en seismisch onderzoek. Het bruinvisbeschermingsplan heeft als doel om een gunstige staat van instandhouding te behouden voor de soort in Nederlandse wateren. • Seal Management Plan: Dit beheerplan voor de bescherming van de gewone en grijze zeehonden komt voort uit de Trilaterale Waddenzee Samenwerking, waar Nederland, Denemarken en Duitsland in samenwerken. Het beheerplan bevat een groot aantal acties rondom monitoring, strandingen, beschermingsmaatregelen en is aangenomen voor de periode 2023-2027. De Omgevingswet Ook buiten natuurgebieden genieten de Europees en nationaal aangewezen soorten bescherming. Onder de Omgevingswet is het verboden om in het wild voorkomende dieren en planten van Europees of nationaal beschermde soorten te doden of te verstoren. Provincies en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland verlenen onder voorwaarden ontheffing van deze verboden wanneer daar een noodzaak toe is, wanneer geen alternatieve oplossingen bestaan en wanneer geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding. Het duurzaam gebruik, oogst en handel in wilde soorten wordt verder toegelicht in actiedoel 5. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://storymaps.arcgis.com/stories/784f89c209bb4362b6453e6ad8f733be 34 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Co-existentie Sinds 2021 werkt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in opdracht van het ministerie van LVVN aan een betere verankering en toepassing van kennis over beschermde dier- en plantensoorten bij de vergunning- verlening in het ruimtelijke domein. Met behulp van wetenschappelijk onderzoek en samen met het ministerie en de provincies, worden lacunes in de voor soort- bescherming noodzakelijk kennis geïdentificeerd, net als kansen voor de verbetering van de eigen werkwijze bij beheer en ruimtelijke ingrepen. De focus van het onderzoek ligt op de staat van instandhouding van soorten en (de effectiviteit van getroffen of te treffen) maatregelen. De uitkomsten worden gebruikt om bestaande beleids- en uitvoeringsinstrumenten te herzien, zodat ruimtelijke ingrepen en beheer zo efficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden met het oog op beschermde natuur. Op dit moment heeft de verduurzaming en (na-)isolatie en renovatie van de gebouwde omgeving veel aandacht binnen deze onderzoeksopdracht. • Voor Wind op Land en Hoogspanningslijnen op Land wordt gewerkt aan een natuurinclusieve benadering. Bedoeling hiervan is dat de vergunningverlening sneller en voorspelbaarder wordt, samen gaand met minder effecten op soorten (vooral vleermuis- en vogelsoorten). • (Na-)isolatie van (ook particuliere) gebouwen een pijler van het Klimaatakkoord. Echter heeft ze ook grote gevolgen voor gebouwbewonende beschermde en bedreigde soorten (vooral verschillende vleermuis- soorten). De Taskforce natuurvriendelijk isoleren heeft tot doel dat elke gemeente in Nederland een soort- management plan opstelt en volgt, waarbij de soorten beschermd en versterkt worden én o.a. (particuliere) na-isolatie doorgang kan vinden. Monitoring van effectiviteit van de maatregelen en de soorten- populaties wordt bij beide trajecten vormgegeven. Conflict tussen mens en natuur De wolf is sinds 2019 in Nederland gevestigd. Er is een toename van het aantal incidenten met vee en met mensen en hun huisdieren en zijn er zorgen om de veiligheid. Nederland heeft daarom de Landelijke Aanpak Wolven. De landelijke aanpak heeft tot doel om wolvenaanvallen op mensen, huisdieren en vee beter te voorkomen en om in die gevallen dat desondanks toch aanvallen plaatsvinden, effectief te kunnen optreden. In het dichtbevolkte Nederland zijn er beperkingen aan de beschikbare ruimte voor een groot roofdier als de wolf. De aanpak heeft ook tot doel het beheersen van de toenemende maatschappelijk onrust en het toewerken naar kaders die passend zijn voor Nederland als klein en dicht bevolkt land. De landelijke aanpak wolven bevat onder andere acties met betrekking tot veebescherming, informatie voorziening en Europese samenwerking. EU-wetgeving rondom soortenbescherming De Europese Biodiversiteitstrategie Naast de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie om actiedoel 4 te halen, stelt de Europese Biodiversiteitsstrategie als doel om in 2030 de negatieve trends in bestuiverpopulaties te keren door de implementatie van de EU Pollinators Initiative voor 2030. Dit initiatief heeft als doel om 1) de beschikbare kennis over de achteruitgang van bestuivers en haar oorzaken en gevolgen te meten; 2) het behoud van bestuivers te verbeteren en 3) om de samenleving te mobiliseren en een strategische planning en samenwerking op alle niveaus te bevorderen. Ook draagt de EU Mission Restore our Oceans and Waters – objective 1 bij aan het doelbereik, evenals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Natuurherstelverordening In de Natuurherstelverordening (voor meer uitleg zie actiedoel 2) staan doelen beschreven voor het herstellen van bestuiverpopulaties en leefgebieden van soorten. Indirect dragen ook de andere doelstellingen uit de verordening bij aan actiedoel 4, omdat deze bijdragen aan het verbeteren van ecosystemen en leefgebieden waardoor bedreigde soorten meer kans van overleven hebben. Het Natuurplan, dat voor 1 september 2027 moet worden opgesteld op grond van de Europese Natuurherstelverordening, zal verder invulling geven aan de inzet op natuurherstel. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 35 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 5. Zorg voor duurzaam, veilig en legaal gebruik, oogst en handel van wilde soorten Figuur 14 . Een in beslag genomen ijsvogel op Schiphol. © Britta Jaschinski / IUCN NL 31 Besluit activiteiten leefomgeving (2025) artikel 11.99 wetten.nl - Regeling - Besluit activiteiten leefomgeving - BWBR0041330. 32 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (2024) Dieren op de huis- en hobbydierenlijst. 33 Omgevingswet (2024), artikel 8.5 lid 4 wetten.nl - Regeling - Omgevingswet - BWBR0037885. Door implementatie van het ondertekende CITES-verdrag zet Nederland zich in voor de regulatie van de internationale handel in bedreigde planten- en diersoorten. Daarnaast zijn per 1 juli 2024 nieuwe regels van kracht: alleen zoogdieren die op de huis- en hobbydierenlijst staan, mogen worden gekocht, gehouden of verkocht. Hiermee wordt bijgedragen aan dierenwelzijn en het tegengaan van de handel in niet-geschikte huisdieren. Het gebruik van wilde soorten Bezitverbod katachtigen en primaten Het huidige stelsel rondom de Omgevingswet (op basis van eerdere wetgeving) verbiedt het houden van alle soorten primaten, alle katachtigen op Bijlage A van de basisverordening van de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES), een aantal grote en middel grote katachtigen op Bijlage B van de CITES-basisverordening en de fretkat.31 Uitzondering hierop is onder voorwaarde alleen mogelijk voor doeleinden die het publiek belang dienen, zoals educatie, natuur bescherming en wetenschap en wordt in de praktijk verstrekt aan o.a. dierentuinen, opvangcentra en onderzoeksinstellingen. Huis- en hobbydierlijst zoogdieren In juli 2024 is de Huis- en hobbydierenlijst32 van kracht geworden. Hierop staan 30 zoogdieren die gehouden mogen worden door particulieren, alle andere zoogdieren worden uitgesloten van bezit, handel en fok. Om tot deze lijst te komen heeft een adviescollege ruim 300 zoogdiersoorten beoordeeld met behulp van een toetsingskader waarin onder andere domesticatie, het risico op zoönosen en veiligheid voor mens en dier worden meegewogen. Het oogsten van wilde soorten Duurzame jacht Faunabeheer is nodig voor het beheer van de natuur en het voorkomen van schade. Duurzame oogst (jacht) is in Nederland nu nog voor slechts vijf soorten toegestaan, de wilde eend, houtduif, fazant, konijn en wilde haas, mits de staat van instandhouding van de soort niet in het geding is.33 Voor twee soorten, konijn en haas, is de jacht om die reden momenteel niet geopend (voor het konijn landelijk, voor de haas in drie provincies). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2025-01-01 https://www.rvo.nl/onderwerpen/dieren-houden-verkopen-verzorgen/huis-en-hobbydierenlijst#de-huis--en-hobbydierenlijst https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2024-01-01 36 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Voor alle andere beschermde soorten schrijft de Omgevingswet voor dat deze alleen gedood mogen worden wanneer daar een noodzaak toe is, wanneer geen alternatieve oplossingen bestaan en wanneer geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Een stelselwijziging jacht en faunabeheer is in voorbereiding.34 De minister voor Natuur en Stikstof heeft aangekondigd het gehele stelsel voor jacht en faunabeheer te herzien Het doel van de herziening is een toekomstbestendig stelsel waarmee de schade- problematiek beheersbaar blijft en soort bescherming duurzaam wordt gewaarborgd. De stelsel wijziging wordt uitgevoerd in samenwerking met de provincies en betrokken stakeholders, zoals jagers en boeren- organisaties. Het nieuwe stelsel zal worden getoetst aan Europese wet- en regelgeving, met name de Vogel- en Habitatrichtlijn. Naar verwachting zal in 2025 een traject voor een wetswijziging in gang worden gezet. Duurzame visserij Duurzame visserij, waaronder de maximale duurzame oogst, Europese Aalverordening en de Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlantic, Baltic, and Mediterranean regions, wordt onder actiedoel 10 verder toegelicht. Het verhandelen van wilde soorten (Inter)nationale bescherming van inheemse planten en dieren Nederland is meerdere internationale overeenkomsten aangegaan om inheemse planten en dierenwilde dieren in hun natuurlijke habitat te beschermen. Om migrerende diersoorten te beschermen, implementeert Nederland de Convention on Migratory Species, oftewel het Verdrag van Bonn. Om plant- en diersoorten in de Europese regio te beschermen, implementeert Nederland de Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats, oftewel het Verdrag van Bern. Om specifiek vogelsoorten en andere plant- en diersoorten binnen de Europese Unie te beschermen, implementeert Nederland respectievelijk de Vogel- en Habitatrichtlijn. De verplichtingen die deze overeenkomsten met zich meebrengen zijn geïntegreerd in de Omgevingswet. Daarin 34 Kamerbrief 36200-XIV, nr. 120 (4 april 2023) Kamerbrief stand van zaken soortenbeleid | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. 35 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer. 36 Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid („diergezondheids wetgeving”); Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoeder wetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermings middelen te waarborgen. 37 Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten. zijn regels opgenomen over het in specifieke gevallen mogen bejagen, vangen, verzamelen, plukken of oogsten van deze soorten, het gebruiken en het verhandelen ervan. Regulering internationale handel in bedreigde dier- en plantsoorten Nederland implementeert de CITES. De overeenkomst is vastgelegd in Europese regelgeving35 en direct werkend. Het CITES-verdrag reguleert de internationale handel in bedreigde planten- en diersoorten door middel van vergunningen en indien nodig door handel te verbieden. De centrale doelstelling is het voorkomen dat de opgenomen soorten sterk achteruitgaan of in het wild uitsterven als gevolg van internationale handel. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is in Nederland verantwoordelijk voor de implementatie van het CITES-verdrag en treedt op als Management Autoriteit. Nederland heeft een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van de implementatie en handhaving van CITES aangezien we met de haven van Rotterdam en Schiphol grote toegang tot de Europese interne markt hebben. Duurzame handel wordt zoveel mogelijk gefaciliteerd en illegale handel tegengegaan. Dit vraagt naast nationale ook Europese en internationale samenwerking. In Nederland zijn een groot aantal instanties betrokken bij de handhaving. De lijnen zijn kort en prioritering wordt gezamenlijk gedaan. Verminderen overdracht ziekteverwekkers van dier naar mens Om in het wild gevangen dieren en hun producten te mogen importeren binnen de Europese Unie, is wet- en regelgeving aanwezig waarin restricties en voorwaarden worden gesteld.36 Het dier of het product moet onder andere worden vergezeld van een gezondheidscertificaat, moet afkomstig zijn uit een toegestaan land en moet bij binnen komst verplicht een invoercontrole ondergaan. Het fyto sanitaire EU-beleid is gericht op het voorkomen van introductie, vestiging en verspreiding van risicovolle organismen voor planten en plantaardige producten. De regel geving is vastgelegd in de plant gezond heids verordening.37 Bij import voert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) officiële controles uit op dieren en dierlijke producten afkomstig uit derde landen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/04/04/verzamelbrief-soortenbeleid 37 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het betreft controles bij invoer in- en doorvoer door de Europese Unie op basis van EU-regelgeving. Deze controles worden uitgevoerd in aangewezen grens- controleposten. Op plaatsen van binnenkomst wordt in samenwerking met de douane gecontroleerd op dierlijke producten in passagiersbagage en op binnenkomende gezelschapsdieren die met hun eigenaar reizen. Het werk van de NVWA is er bij deze controles op gericht om alleen gezonde dieren, veilig voedsel en veilige producten tot de markt van de Europese Unie toe te laten. Hiermee wordt er tevens naar gestreefd om de insleep en verspreiding van dierziekten en voor de mens gevaarlijke ziekten te voorkomen. Hiermee wordt bijgedragen aan de publieke belangen voedselveiligheid, volksgezondheid, diergezondheid en dierenwelzijn. In het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid wordt ingezet op preventie en detectie van en respons op zoönosen. In dit kader is onder andere de opsporing en handhaving van illegale handel in wilde dieren en bushmeat door de NVWA geïntensiveerd. Nederland steunt (ook financieel) het werk van de Wereldgezondheid sorganisatie, de Voedsel- en Landbouworganisatie, de Wereldorganisatie voor Diergezondheid en het VN-Milieuprogramma om risico’s rondom ‘traditional markets for food’ te beheersen, waarbij bijvoorbeeld hygiënemaatregelen geadviseerd worden. Jachttrofeeën Ook is het beleid dat er geen invoervergunningen worden afgegeven voor jachttrofeeën die afkomstig zijn van de soorten genoemd in Bijlage A bij verordening inzake de bescherming van in het wild levende dier- en planten- soorten door controle op het desbetreffende handels- verkeer38 en de soorten genoemd in bijlage XIII van de uitvoeringsverordening39 vanwege de twijfels ten aanzien van de duurzaamheid van de jacht op deze diersoorten. Europese wetgeving rondom duurzaam gebruik, oogst en handel van wilde soorten Op Europees niveau dragen verscheidene verordeningen, acties en richtlijnen bij aan de duurzame handel, oogst en gebruik van wilde soorten. Enkele hiervan zijn CITES en de CITES Strategic Vision 2030, het EU action plan against wildlife trafficking, de EU Wildlife Trade Regulation (WTR), de Europese wetgeving rondom beschermde soorten en de African-Eurasian Migratory Waterbird Agreement. Daarnaast bestaan er ook rapportageverplichtingen voor lidstaten rondom CITES en de WTR. Europese wetgeving op het gebied van duurzame visserij wordt behandeld in actiedoel 10. 38 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantsoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer. 39 Verordening (EG) nr 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 38 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 6. Verminder introductie invasieve uitheemse soorten met 50% en minimaliseer hun impact Figuur 15. De Amerikaanse rivierkreeft is een invasieve soort © PxHere 40 O.a. kamerstuk 26407, nr. 150 (27 november 2023) Biodiversiteit | Tweede Kamer der Staten-Generaal; Compendium voor de Leefomgeving (2022) Exoten in Nederland 1900-2020; NVWA (2024) Advies van BuRO over de update horizonscan invasieve exoten 2022. 41 Kamerbrief 26407, nr. 154 (18 december 2024) Aanbieding Contouren van Landelijk Aanvalsplan Invasieve Exoten. Planten, dieren of andere organismen die van nature niet in Nederland voorkomen, kunnen schadelijk zijn voor de biodiversiteit, volksgezondheid, economie en infrastructuur. Nederland geeft daarom opvolging aan de wettelijke verplichtingen op het gebied van invasieve soorten van de Europese Exotenverordening en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Er wordt daarnaast ook gewerkt aan een landelijk aanvalsplan invasieve exoten. Generiek exotenbeleid Door klimaatverandering en globalisering krijgt Nederland in toenemende mate te maken met invasieve exoten. Invasieve exoten (zoals bijvoorbeeld uitheemse rivierkreeften, de wasbeer en de Aziatische duizendknoop) zijn een serieuze drukfactor voor de biodiversiteit en zorgen voor schade aan onder meer inheemse flora en fauna.40 Nederland geeft opvolging aan de wettelijke verplichtingen van de Europese Exotenverordening. In de Exotenverordening zijn regels vastgesteld om de nadelige gevolgen op de biodiversiteit, van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding in de Europese Unie van invasieve uitheemse soorten, te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. De Exotenverordening bevat regels ten aanzien van preventie, bestrijding en herstelmaatregelen die gelden voor zorgwekkende invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst (verder; Unielijst). Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) is systeemverantwoordelijk voor het geheel en werkt daarbij samen met andere overheden en organisaties. De provincies zijn verantwoordelijk voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste soorten van de Unielijst en voor het treffen van herstelmaatregelen in natuurgebieden. En ook de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de bestrijding van een aantal soorten van de Unielijst. Daarnaast is in Nederland een nationaal handelsverbod op drie Aziatische duizendknopen ingesteld. Nederland werkt aan een Landelijk aanvalsplan Invasieve Exoten.41 Nederland hecht belang aan een effectieve aanpak die schadelijke gevolgen beperkt en waar mogelijk voorkomt. Het landelijk aanvalsplan zal daarom voorstellen bevatten voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. Daarbij ligt de focus op preventie en is ook aandacht voor de bestrijding van en beheersmaatregelen tegen invasieve exoten. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2023Z19461&did=2023D47242 https://www.clo.nl/indicatoren/nl162202-exoten-in-nederland-1900-2020 https://www.nvwa.nl/documenten/plant/planten-in-de-natuur/exoten/risicobeoordelingen/advies-van-buro-over-de-update-horizonscan-invasieve-exoten-2022 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/12/18/contouren-van-landelijk-aanvalsplan-invasieve-exoten 39 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Nederland werkt samen met stakeholders aan een programma voor de aanpak van uitheemse rivier kreeften. Uitheemse rivierkreeften graven in waterbodems en oevers en brengen schade toe aan water planten en waterfauna, en vormen daarmee een risico voor onder meer waterkwaliteit en biodiversiteit. Het programma zoekt naar een kosteneffectieve aanpak, waarbij preventie van verdere verspreiding, bestrijding en versterking van het ecosysteem de belangrijkste hoofdlijnen zijn. Het ministerie van LVVN is systeemverantwoordelijk voor de implementatie van de Exotenverordening. Het nemen van maatregelen ligt bij verschillende partijen zoals Rijkswaterstaat en provincies. Het ministerie van Defensie geeft met haar natuurbeleid ook richting aan de uitvoering van de Exotenverordening op haar terreinen. Waar mogelijk wordt actief ingezet op het beperken van de introductie en verspreiding van invasieve exoten, evenals op het verwijderen van deze soorten, om zo bij te dragen aan het behoud van gezonde ecosystemen. Bij het beheer van invasieve exoten wordt door de beheerders van de defensieterreinen rekening gehouden met de laatste inzichten op het vlak van exoten bestrijding. Ook Rijkswaterstaat werkt aan de bestrijding van een aantal soorten van de Unielijst op hun terreinen. Invasieve exoten vormen niet alleen een bedreiging voor de biodiversiteit, maar ook voor de volks gezondheid, economie en infrastructuur (bijvoorbeeld bepaalde soorten muggen en termieten). De betrokken departementen werken daarom aan een passende coördinatiestructuur voor een integrale aanpak voor beheersing van plaagorganismen en invasieve exoten, met inachtneming van de taken en verantwoordelijkheden op centraal en decentraal niveau.42 Marien exotenbeleid Niet-inheemse soorten zijn een onderdeel van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM, zie actiedoel 2). De wijze waarop dit in de praktijk wordt gebracht heeft Nederland vastgelegd in beleidsdocumenten Mariene Strategie deel 1 t/m 3. Hierin staat beschreven dat toename van nieuwe niet-inheemse soorten voornamelijk via verschillende introductieroutes geminimaliseerd moet worden vanwege het gebrek aan handelingsperspectief wanneer deze zich in Nederlandse wateren hebben gevestigd. De KRM stelt kaders voor duurzaam gebruik binnen de randvoorwaarden van het ecosysteem, rekening houdend met internationale en Europese regelgeving. 42 Kamerstuk 27858, nr. 638 (19 oktober 2023) Strategisch Kader Biociden en stand van zaken programma IPM-knaagdierbeheersing. Het Nederlandse beleid richt zich vooral op preventieve maatregelen tegen mariene niet-inheemse soorten. In de afgelopen jaren zijn diverse maatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden aan de vergunningen voor schelpdierentransport. Daarnaast heeft Nederland in 2017 het Ballastwaterverdrag van de Internationale Maritieme Organisatie geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving. Dit verdrag stelt eisen aan internationale scheepvaart om exotentransport via het ballastwater te minimaliseren door bijvoorbeeld filters of schoonmaakmiddelen te gebruiken. In het verlengde hiervan streeft Nederland ook naar internationale afspraken over de aangroei op scheepshuiden (hull fouling). Een toenemend aandachts- punt is het inbrengen van gebiedsvreemd hard substraat in de Noordzee (voor bijvoorbeeld erosie beschermende bestorting van windparken) met als risico de primaire of secundaire introductie van niet-inheemse soorten in de Noordzee. Als deelnemend land aan de Trilaterale Waddenzee Samenwerking heeft Nederland zich samen met Duitsland en Denemarken gecommitteerd om het trilaterale Management and Action Plan Alien Species (MAPAS) verder uit te werken en te implementeren. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/10/19/strategisch-kader-biociden-en-stand-van-zaken-programma-ipm-knaagdierbeheersing 40 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 7. Dring vervuiling terug tot een niveau dat niet schadelijk is voor de biodiversiteit Figuur 16. Zwerfafaval langs de rivieren © Rijkswaterstaat, foto van Tineke Dijkstra 43 Eutrofiëring betekent dat er in het oppervlaktewater te veel stikstof en fosfor voorkomt, waardoor een paar soorten (algen, kroos) gaan overheersen en de biodiversiteit achteruit gaat. Natuur is veel meer dan alleen stikstofgevoelige natuur. Het Nederlandse milieubeleid richt zich op het verminderen van vervuiling in water, bodem en lucht waarbij naast stikstof juist ook andere drukfactoren worden aangepakt. In een aantal overkoepelende programma’s wordt gewerkt tegen vervuiling, zoals het Nationaal Milieu Programma, Schone Luchtakkoord, de Kaderrichtlijn Water, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie. Terugdringen van het vrijkomen van nutriënten Nutriënten en mestbeleid Door onder andere de uitspoeling van nutriënten naar het grond- en oppervlaktewater wordt het water verontreinigd. Er wordt actief beleid gevoerd om de waterkwaliteit te verbeteren onder andere door middel van nutriënten- en mestbeleid. De nitraatrichtlijn Het Nederlandse mestbeleid is gericht op verbetering van de waterkwaliteit door het tegengaan van emissies vanuit de landbouw die hierop nadelige effecten hebben. Dit betreft zowel de uitspoeling van nutriënten (met name stikstof) als de afspoeling (met name fosfaat). Hiermee geeft Nederland invulling aan de Europese Nitraatrichtlijn, maar wordt ook bijgedragen aan het bereiken van doelen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM, zie actiedoel 2). Vanuit de Nitraatrichtlijn moet de uitspoeling van nitraat beperkt worden (onder 50 mg/l nitraat), moet goede landbouwpraktijk gestimuleerd worden, mag de waterkwaliteit niet verslechteren en moet eutrofiëring van het oppervlaktewater voorkomen worden.43 Maatregelen uit het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn (hierna: 7e AP) en de derogatiebeschikking 2022-2025 zijn geïmplementeerd. Dit betreft onder andere het opstellen van de regelgeving omtrent het verplicht aanhouden van bufferstroken, het aanwijzen van de met nutriënten verontreinigde gebieden (zogenaamde NV-gebieden) waar de derogatie versneld wordt afgebouwd en de stikstofgebruiksnorm met 20% wordt verlaagd, het aanwijzen van derogatievrije zones rondom Natura 2000-gebieden, een verstevigde aanpak in grondwater- beschermingsgebieden, de verlaging van de mestproductie plafonds en de regelgeving tot stimulering van de inzaai van vanggewassen. Het 7e AP eindigt op 31 december 2025. Vanaf 2026 zal het achtste actieprogramma (hierna: 8e AP) moeten ingaan. Er is gestart met de voorbereidingen voor dit 8e AP. Het 8e AP zal erop gericht zijn effectieve (verplichtende en stimulerende) maatregelen te treffen ter verbetering van DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 41 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 de waterkwaliteit voor de periode 2026-2029, voor wat betreft nutriënten (stikstof en fosfor) afkomstig uit de landbouw voor grondwater en oppervlaktewater. Een goede water- en bodemkwaliteit vraagt om een evenwichtig en verantwoord gebruik van meststoffen. Ook het opnieuw benutten van onder andere mest tot nieuwe grondstoffen is daarom belangrijk. Nederland zet al een aantal jaren in op het mogelijk maken van het gebruik van dierlijke mest dat wordt omgezet in mineralenconcentraat (RENURE) en toegepast kan worden als een circulaire meststof naast dierlijke mest. Dit draagt bij aan het circulair gebruik van dierlijke mest. Landschapselementen De KRW richt zich met name op de ecologische kwaliteit van oppervlaktewater –daarvoor zijn nutriënten een belangrijk aspect. Door onder andere de uitspoeling van nutriënten van de landbouwsector komt er vervuiling vrij in de bodem en het omliggende landschap. De aanleg, beheer en herstel van landschaps elementen is een belangrijke maatregel om deze vervuiling tegen te gaan. Bijvoorbeeld, door de filterende en zuiverende werking van natuurvriendelijke oevers en bufferzones rondom beken. Daarmee dragen deze elementen sterk bij aan een betere waterkwaliteit in waterlopen en zijn een belangrijk onderdeel om de doelen van de KRW te behalen. Landschapselementen kunnen daarnaast atmosferische stikstof afvangen en daarmee bijdragen aan een verminderde depositie van onder andere ammoniak in de directe omgeving. Hetzelfde geldt voor de reduceren van drift van gewasbeschermingsmiddelen. Mariene eutrofiëring Ook vanuit de KRM wordt er gewerkt aan het terugdringen van eutrofiëring op zee.44 Eutrofiëring beïnvloedt de productiviteit van de zee, de samenstelling van leefgemeenschappen, en daarmee de structuur van het voedselweb en de draagkracht van ecosystemen. Ook kunnen grote algenbloeien als gevolg van eutrofiëring een bedreiging vormen voor zowel de biodiversiteit als voor de menselijke gezondheid. In de OSPAR North East Atlantic Environment Strategy 2030 is één van de strategische doelen ook gericht op het tegengaan van eutrofiëring. Binnen OSPAR wordt er gewerkt aan harmonisatie van monitorings technieken -en 44 Goede milieutoestand voor eutrofiëring in mariene wateren is bereikt wanneer: “door de mens teweeggebrachte eutrofiëring is tot een minimum beperkt, met name de schadelijke effecten ervan zoals verlies van de biodiversiteit, aantasting van het ecosysteem, schadelijke algenbloei en zuurstofgebrek in de bodemwateren”. 45 Kamerstuk 30252, nr. 149 (23 januari 2024) Voortgang aanpak piekbelasting. 46 Kamerstuk 35334, nr. 323 (29 november 2024) Inzet op Stikstofemissiereductie. 47 Ministerie van LVVN (2020) Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. analyse, ontwikkeling van drempelwaarden en gezamenlijke maatregelen. Het Nederlandse en Europese beleid voor het terugdringen van stikstof en fosfaat/fosfor op het land en in het oppervlakte water draagt in belangrijke mate bij aan het halen van de doelen op zee. Stikstof Via verschillende sporen wordt ingezet op de reductie van stikstofemissies. In het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering zijn diverse bronmaatregelen genomen om tot emissiereductie in de landbouw, mobiliteit, bouw en industrie te komen. Voor diverse versnellings- en koploperprojecten uit dit programma heeft het kabinet in november 2022 en juni en december 2024 reeds financiering beschikbaar gesteld. Via de aanpak piekbelasting wordt daarnaast gestreefd om op korte termijn te komen tot reductie van stikstofdeposities via onder andere de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties plus (Lbv-plus) en is additionele financiering vrijgemaakt om alle aanvragen voor beëindiging onder de Lbv te kunnen honoreren.45 Het huidige kabinet heeft alle vastgestelde maatregelen van het vorige kabinet voortgezet en ontwikkelt daarnaast nieuw stikstofbeleid waarin wordt ingezet in een omslag van depositie- naar emissiebeleid. Deze stikstofaanpak bestaan uit een combinatie van gebiedsgerichte maatregelen, generieke maatregelen zoals een brede uitkoopregeling; en uit doelsturing op bedrijfsniveau via een systematiek van bedrijfsspecifieke normen voor de emissies van stikstof en klimaat.46 Reduceren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden en overige chemische stoffen De tweede pijler voor het terugdringen van vervuiling betreft het reduceren van de risico’s voortkomend uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, biociden en chemische stoffen, waaronder zeer zorgwekkende stoffen, zoals PFAS. Gewasbeschermingsmiddelen Het nationale beleid voor gewasbescherming, inclusief het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, is vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 203047 en het geactualiseerd Nationaal Actieplan Duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022-2025. Het beleid inzake goedkeuring en toelating van gewasbeschermingsmiddelen is sterk geharmoniseerd via DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2024Z00904&did=2024D02151 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35334-323.html https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/28/uitvoeringsprogramma-toekomstvisie-gewasbescherming-2030 42 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 de Europese Verordening Gewasbeschermingsmiddelen48, waarbij stoffen en middelen verboden zijn totdat onafhankelijke wetenschappelijke risicobeoordelingen veilig gebruik voor mens, dier en milieu bevestigen. Het beleid inzake duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is voor een belangrijk deel gebaseerd op de Europese richtlijn inzake duurzaam gebruik van pesticiden49 aangevuld met nationaal beleid uit het UP 2030. De ambities omvatten onder andere het bevorderen van innovatie en precisielandbouw, het 48 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. 49 Richtlijn 2009/128/EG van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden. 50 Kamerstuk 27858, nr. 683. (26 november 2024) Gewasbeschermingsbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal. stimuleren van groene alternatieven en het intensiveren van de ingezette omslag naar geïntegreerde gewasbescherming waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk wordt voorkomen. Het kabinet zet de Rijkstaken uit het UP 2030 voort en bij de besluitvorming over de Europese goedkeuring en de nationale toelating van gewasbeschermings middelen, de onafhankelijke wetenschappelijke adviezen van daartoe aangewezen en bevoegde instanties respecteert. Figuur 17. Strokenteelt bij Boerderij van de toekomst in Wageningen. Eén van de voordelen van strokenteelt is dat de biodiversiteit op het perceel toeneemt en gewasziektes afnemen. © Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, foto van Martijn Beekman Het gewasbeschermingsbeleid heeft als doel om de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermings- middelen te verminderen, met name de meest risicovolle. Verder is het beleid gericht op het verminderen van de milieubelasting en het bewaken van de gezondheids- effecten voor omwonenden en dat de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen veilig is voor mens, dier en milieu. Het UP 2030 en NAP 2022-2025 richten zich op drie strategische doelen voor 2030: weerbare planten en teeltsystemen, verbinden landbouw en natuur, nagenoeg geen emissies en residuen op producten. Specifiek om te voldoen aan de KRW is het streefdoel om in 2027 nagenoeg geen normoverschrijdingen te hebben in oppervlakte water. In november 2024 is de Monitoringsrapportage UP 2023 opgeleverd, met de voortgang voor alle strategische doelen.50 De monitoring omvat in totaal 16 indicatoren. Er is o.a. een dalende trend van de verkochte hoeveelheid werkzame stoffen sinds 2020 en daarbij een sterk waarneembare trend in de verkoop van stoffen met een laag risicoprofiel, de zogenoemde groene stoffen. Jaarlijks wordt een jaarplan en monitoringsrapportage opgesteld en gedeeld met de Tweede Kamer. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2024D46157&did=2024D46157 43 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Biociden Het beleid inzake goedkeuring en toelating van biociden is gebaseerd op de Europese biociden verordening.51 Specifiek voor het nationale biocidenbeleid heeft Nederland in oktober 2023 een Strategisch Kader vastgesteld waarin drie lijnen zijn uitgezet voor het biocidenbeleid:52 1) het voorkomen van ongewenste organismen en terugdringen van vermijdbaar gebruik van biociden; 2) een adequaat middelen (zoals biociden)- en maatregelenpakket en 3) het bevorderen van een geharmoniseerde Europese markt met een efficiënt beoordelingssysteem. Deze lijnen staan centraal bij de verdere nationale en Europese implementatie en doorontwikkeling van de Europese Biocidenverordening. Belangrijk onderdeel van het strategisch kader is het principe van geïntegreerde bestrijding, waarbij eerst preventieve of niet-chemische maatregelen worden getroffen voordat (zware) chemische middelen worden ingezet. Chemische stoffen Voor het internationale en nationale strategische chemische stoffenbeleid werkt Nederland aan het voorkomen en terugdringen van (gecombineerde) blootstelling van mens en milieu aan schadelijke chemische stoffen en materialen. De Nederlandse beleidsinzet voor chemische stoffen is ingegeven door de Europese duurzame chemicaliën strategie.53 Nederland draagt momenteel actief bij aan een volledige en evenwichtige implementatie hiervan en zet zich daarbij in op het sneller identificeren van milieu- en gezondheids risico’s van zowel bestaande als nieuw ontworpen chemische stoffen en materialen, bijvoorbeeld via actief bijdragen aan de toepassing van de Europese verordening inzake de Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen (REACH). Zo agendeert Nederland bijvoorbeeld in Europese gremia de zorgen die bestaan over de onbekende risico’s van geavanceerde materialen die van belang zijn voor innovatieve oplossingen voor de energietransitie. Verder wordt op internationaal gebied ingezet om milieu- en gezondheids- risico’s sneller te kunnen adresseren en participeert onder andere in de oprichting van een Science Policy Panel voor chemische stoffen, vervuiling en afval. Europees zet Nederland zich verder in op het versterken van de Richtlijn Industriële Emissies voor het terugdringen van emissies uit industriële installaties om mens en milieu beter te beschermen en op het vergroten van de effectiviteit en efficiëntie bij de eind 2025 verwachte revisie van de REACH verordening. Ook zet Nederland zich actief in om 51 Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden. 52 Rijksoverheid (2023) Strategisch kader voor de inzet van biociden bij het voorkomen en beheersen van ongewenste organismen. 53 Europse Commissie (n.d.) Chemicals Strategy. Geraadpleegd op 30 april 2024. 54 European Chemicals Agency (n.d.) ECHA publishes PFAS restriction proposal. Geraadpleegd op 30 april 2024. wereldwijd erkende standaarden voor testmethoden sneller te valideren zodat risico’s vroegtijdig in beeld kunnen worden gebracht. Daar waar in een later stadium van de gebruiksfase van chemische stoffen en materialen schadelijke milieu- en gezondheidsrisico’s blijken, handelt Nederland proactief om de risico’s te beperken. Vanuit de KRM wordt er gewerkt aan het terugdringen van verontreinigende stoffen in zee. De goede milieutoestand is behaald wanneer: “concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden”. In de OSPAR North East Atlantic Environment Strategy 2030 is het terugdringen van verontreiniging één van de strategische doelen. Het hiervoor beschreven Nederlandse en Europese beleid voor het terugdringen chemische verontreiniging van het land en in het oppervlakte water draagt in belangrijke mate bij aan het halen van de doelen op zee. Een andere belangrijke pijler is het terugdringen van verontreiniging van de zeescheepvaart door uitvoering van het Maritime Pollutionverdrag (MARPOL) van de International Maritime Organisation (IMO) via Nederlandse en Europese beleid en regelgeving voor zeehavens, voor schepen onder Nederlandse vlag en door handhaving door de Inspectie Leefomgeving en Transport. PFAS Een specifieke casus onder de REACH verordening betreft de zogenoemde PFAS restrictie. PFAS (Per- en polyfluoralkylstoffen) is schadelijk voor het milieu en de gezondheid van mens en dier en is onder andere aanwezig in voedsel, oppervlaktewater, drinkwater, bodem en consumentenproducten. Nederland heeft samen met Denemarken, Duitsland, Noorwegen en Zweden een restrictievoorstel ingediend bij het Europees Chemicaliënagentschap om PFAS te verbieden onder de Europese regelgeving voor REACH.54 Dit voorstel beoogt om het gebruik van (producten met) PFAS zo ver mogelijk te beperken om zo risico’s voor gezondheid en milieu zo klein mogelijk te houden. Vooruitlopend op de restrictie werkt de Rijksoverheid samen met VNO-NCW in PFAS-actieprogramma. Hiermee wordt gezocht naar reductie en vervanging van PFAS in bestaande bedrijfsprocessen, zodat al vóór de invoering van de restrictie het gebruik van PFAS door het bedrijfsleven wordt gereduceerd. Daarbij heeft Nederland een onder- zoeks programma PFAS opgestart (omvang €6,5 miljoen). In dit onderzoeksprogramma zal tussen 2022 en 2025 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/10/19/bijlage-2-strategisch-kader-voor-de-inzet-van-biociden-bij-het-voorkomen-en-beheersen-van-ongewenste-organismen https://environment.ec.europa.eu/strategy/chemicals-strategy en https://echa.europa.eu/nl/-/echa-publishes-pfas-restriction-proposal 44 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 worden gekeken naar de mogelijke blootstellings routes van mens en milieu aan PFAS, met als doel handelings- perspectieven te genereren voor de omgang met PFAS in voedsel en drinkwater.55 Emissiebeleid Zeer zorgwekkende stoffen Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn zeer gevaarlijke stoffen voor mens en milieu. Van ZZS is het Europees vastgesteld dat ze voldoen aan een of meer van de criteria van artikel 57 van de Europese REACH verordening. De criteria uit artikel 57 van de REACH-verordening zijn: kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen, persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen alsmede zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen, en stoffen van soortgelijke zorg (zoals hormoonverstorende stoffen). Het streven is om alle ZZS uit de leefomgeving te weren. Dit geldt ook voor emissies. De Omgevingswet en onderliggende besluiten stellen daarom regels aan ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten. Informatiebronnen om na te gaan of er sprake is van deze stoffen zijn de ZZS-lijst op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de website van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (zelfclassificatie), en informatie over eigenschappen van de stof van de producent. Het ZZS-emissiebeleid stelt dat bedrijven die ZZS uitstoten moeten voorkomen dat deze in het milieu terechtkomen, en als dit niet kan, de emissie zo ver mogelijk verminderen. Dit kan door bijvoorbeeld bronaanpak. Bedrijven met een milieubelastende activiteit waarvoor paragraaf 5.4.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt, moeten minimaal 1 keer per 5 jaar de ZZS-emissiedatabase invullen. Hiermee ontstaat een landelijk beeld van de afname van de emissies van ZZS. Ook stuurt het bedrijf eens in de vijf jaar een Vermijdings- en Reductieprogramma aan het bevoegd gezag waarin wordt opgenomen de emissie- situatie en de maatregelen en technieken die ondernomen worden om de emissie van ZZS te verminderen. Als er nieuwe beste beschikbare technieken haalbaar en betaalbaar zijn, moet het bedrijf deze technieken toepassen. Als de beste beschikbare technieken niet volstaan om de leefomgeving afdoende te beschermen, zijn verdergaande maatregelen nodig om de activiteit op die locatie toe te staan. Op defensieterreinen wordt ook gewerkt om verontreiniging van bodem en water tegen te gaan. Hiervoor hanteert Defensie een managementsysteem. Daarin zijn processen opgenomen die moeten zorgen dat (onder meer) de geldende wettelijke eisen en normen voor ZZS bekend zijn, de geldende regels worden opgenomen 55 RIVM (z.d.) PFAS. Geraadpleegd op 30 april 2024. 56 Kamerstuk 30015, nr. 111 (21 december 2022) Bestuurlijke afspraken Bodem en ondergrond en verdeling bodemsaneringsmiddelen. wordt in de interne werkwijzen, dat vergunningen worden aangepast en dat de naleving van vergunningen en andere wettelijke eisen wordt gecontroleerd. Bodemverontreiniging Sinds de jaren 80 wordt gewerkt aan de aanpak van bodemverontreiniging. Het bodembeleid richt zich op de aanpak van historische bronlocaties met onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie of verspreiding van de verontreiniging (spoedlocaties) door decentrale overheden met een taak als bevoegd gezag voor bodemsanering (Wet bodembescherming en de Omgevingswet). De bodem is ook verontreinigd door stoffen die pas recent in beeld zijn gekomen, zoals PFAS, of stoffen die al in lagere gehalten schadelijker zijn dan lang werd gedacht, zoals diffuus verspreid lood. Daarnaast wordt ook gewerkt aan de afbouw en borging van nazorg van bijzondere grote historische verontreinigingen. Dit wordt meestal tegelijkertijd aangepakt met ruimtelijke ontwikkelingen om de saneringen betaalbaar te houden. Omdat het om grote opgaven gaat, waarvoor de kosten vaak niet door individuele decentrale overheden gedragen kunnen worden, vindt financiële ondersteuning plaats. Hierover zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen het Rijk en decentrale overheden.56 Deze afspraken hebben tot doel om uiterlijk in 2030 de bestaande historische bodemverontreiniging te beheersen. Er zijn ook afspraken gemaakt over onder andere kennisontwikkeling- en deling, robuuste uitvoering en governance. Vanuit ‘Water en Bodem sturend’ (zie actiedoel 1) zijn richtinggevende keuzes gemaakt ten behoeve van een vitale bodem. Voor wat betreft bodemverontreiniging gaat het om een herijking van de aanpak van zowel bestaande als diffuse bodemverontreiniging, waarbij het minimaliseren van risico’s voor mens en milieu centraal staat. Binnen het Nationaal Programma Bodem en Ondergrond krijgt bodemherstel ook een plaats als één van de thema’s. Hierbij is aandacht voor de ruimtelijke component van bodemherstel, waarbij ook rekening wordt gehouden met fysische en biologische aspecten van de bodem. Hiertoe worden indicatoren ontwikkeld, waarmee de gezondheid van de bodem in brede zin gemeten kan worden. Op basis van deze indicatoren kunnen doelen gesteld worden. Daarmee wordt bodembiodiversiteit een integraal onderdeel van bodemkwaliteit. De ontwikkeling van de Europese Bodemmonitoringsrichtlijn is onderdeel van dit verbredingsproces. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rivm.nl/pfas https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2022Z25958&did=2022D55945 45 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Marien zwerfafval en plasticvervuiling Marien zwerfafval Als onderdeel van de KRM zijn – naast bestaande maatregelen – aanvullende maatregelen bepaald voor zwerfafval. Bij het terugdringen van zwerfafval zet Nederland in op preventie door middel van een integrale bronbenadering, bewustwording en het sluiten van productketens. De Nederlandse inspanningen om zwerfafval op zee aan te pakken vinden plaats in verschillende contexten: op lokaal, nationaal, regionaal en mondiaal niveau. In het Programma van Maatregelen van de KRM wordt ingezet op een nationale aanpak met maatregelen in zes clusters: educatie en bewustwording, stranden, stroom gebieden, scheepvaart, visserij en kunststofproducten. Later dit jaar zal de effectiviteit van dit beleid worden beoordeeld met de publicatie van concept Mariene Strategie Deel 1. Daarnaast werkt Nederland op regionaal niveau aan coherente implementatie van de KRM, gebruik makend van regionale zeeconventies, voor Nederland is dat het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR- verdrag). Hiertoe werkt Nederland actief in OSPAR-verband aan onder andere de uitvoering van het OSPAR Regional Action Plan Marine Litter II voor het voorkomen en sterk reduceren van marien zwerfafval (macro- meso en micro) en uiteindelijk het elimineren van de instroom van zwerfafval in zee. Binnen de IMO zet Nederland zich al jaren actief in om plastic zwerfafval op zee van schepen aan te pakken via relevante IMO-instrumenten (bijvoorbeeld wetgeving en ontwikkeling van guidelines), waarbij wordt gestreefd naar het elimineren van scheepsafval in zee. Plasticvervuiling Nederland neemt verschillende maatregelen om plasticvervuiling te voorkomen via invulling van Europese richtlijnen en nationaal beleid, onder andere: • Implementatie van de Europese Single-use plastic richtijn (SUP-richtlijn). • Implementatie van statiegeld op kleine plastic flesjes en blikjes. • Implementatie van Plastic Bag Directive: er geldt voor winkeliers een verbod op het gratis weggeven van plastic tassen. • Implementatie van de Europese richtlijn Havenontvangst Voorzieningen voor afgifte van scheepsafval. • Uitvoering van beleidsprogramma microplastics waaronder maatregelen voor bronaanpak van zwerfafval. Er is bijvoorbeeld een programma zwerfafval in rivieren (€8 miljoen t/m 2025) voor het voorkomen van zwerfafval dat vrijkomt door bijvoorbeeld riviercruises. Op dit moment wordt er gewerkt een vervolg van het beleidsprogramma. • Ook verkent Nederland de mogelijkheden om een Europees verbod op sigarettenfilters te bewerkstelligen. Dit willen we doen bij de herziening van de SUP-richtlijn of bij de herziening van de tabaksproductenrichtlijn. In 2018 heeft Nederland een transitieagenda voor de circulaire economie voor kunststoffen aangenomen. Het doel is om de kringloop voor kunststoffen te sluiten door ze slimmer en zuiniger te gebruiken en door meer hoogwaardige secundaire grondstoffen en biomassa te gebruiken voor 2050. Op mondiaal vlak zet Nederland zich in voor aanpak van (plastic) vervuiling. Op VN-niveau lopen de onderhandelingen voor een VN-verdrag inzake de aanpak van plasticvervuiling wereldwijd. Het verdrag had in 2024 gereed moeten zijn. Nederland zet in op een ambitieus, juridisch bindend VN-verdrag dat de gehele productketen omvat. De onderhandelingen worden in 2025 hervat. Nederland trekt hierin op met Europese High Ambition Coalition (HAC) to end plastic pollution. Microplastics Microplastics zijn kleine plasticdeeltjes (<5mm) die in water, bodem en lucht terechtkomen door slijtage van producten of doordat ze bewust aan producten worden toegevoegd. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat onze huidige blootstelling aan microplastics schadelijk kunnen is voor de gezondheid van mens en ecosysteem. Het kabinet treft voorzorgsmaatregelen om de uitstoot van microplastics te voorkomen en terug te dringen. Tot de voornaamste bronnen van microplastics behoren plastic verpakkingen, autobanden, plastickorrels (pellets), landbouwplastics, textiel en verf. Voorbeelden van de bronaanpak op (micro)plastics zijn: • Zwerfafval: er geldt een verbod op wegwerpplastics zoals rietjes, bordjes, bestek en binnenkort ook drinkbekers en maaltijdverpakkingen. Er is een programma zwerfafval in rivieren (€8 miljoen tot en met 2025) voor het voorkomen van zwerfafval dat vrijkomt door bijvoorbeeld riviercruises. • Pellets: er loopt een verkenning om lekkages van plastickorrels bij productielocaties te voorkomen door bijvoorbeeld extra eisen te stellen in het vergunningsproces. Daarnaast is er een Europese Richtlijn in de maak voor de aanpak van pellets, Nederland zet in op een ambitieuze richtlijn. Trialogen starten in 2025. • Autobanden: het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) financiert een Europees project voor de ontwikkeling van een betere autoband die onder andere minder slijt en daardoor minder microplastic uitstoot. • Land- en tuinbouwplastics: begin 2024 heeft het ministerie van IenW en een verkenning gedaan naar de vervuilende impact van land- en tuinbouwplastics in Nederland. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 46 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Onder de REACH-verordening is in 2023 het in de handel brengen van producten waar bewust micro plastics aan toe zijn gevoegd, zoals cosmetica, verboden. Een aantal toepassingen is direct verboden, andere toepassingen volgen de komende jaren. Dit is echter een relatief klein aandeel (circa 1%) van alle microplastics die in het milieu terechtkomen. Uit recent onderzoek van RIVM blijkt dat de drie grootste bronnen van microplastics zijn 1) slijtage van banden op het wegdek, 2) plastic korrels die de industrie gebruikt voor plastic producten, 3) en plastic afval. Kleinere bronnen van microplastics zijn onder andere verf, kleding, rubbergranulaat voor kunstgrasvelden en bepaalde pesticiden. De Europese Commissie een breed beleidspakket uitgerold ter beperking van microplastics die onbedoeld in het milieu belanden. Dit is pakket is onderdeel van de EU Plastic Strategie.Ook heeft De EU in 2021 het Zero Pollution Action aangenomen “Towards a Zero Pollution for Air, Water and Soil” (onderdeel van European Green Deal). Nederland ondersteunt de doelen van het EU Zero Pollution Action Plan. Nederland wil in de uitwerking van de EU Ecodesign- verordening productontwerpeisen stellen. Voor de kennisopbouw over de effecten van microplastics op de gezondheid van de mens investeert het ministerie van IenW circa €1 miljoen en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport circa €6 miljoen tot en met 2025. De kennisopbouw wordt gecoördineerd door ZonMw. Het ministerie van IenW investeert ook in de kennisontwikkeling over de effecten van microplastics op de gezondheid van ecosystemen. Deze kennisontwikkeling is belegd bij het RIVM. Het RIVM heeft in 2023 onderzoek verricht naar de voornaamste bronnen van microplastics en mogelijkheden deze te mitigeren. Daarnaast heeft het ministerie van IenW het RIVM gevraagd de kennis inclusief hiaten over microplastics in de bodem te inventariseren en te komen tot een risicobeoordelingsraamwerk voor microplastics in de bodem. In het kader van het Nationaal Groeifonds57 is 220 miljoen euro toegekend aan het project Circular Plastics NL. Dit project wil de recycling van kunststoffen een impuls geven door huidige knelpunten weg te nemen. Het ministerie van IenW financiert (voor in totaal €1,7 miljoen euro) onderzoek naar de afbreekbaarheid van plastics zodat plastics die onverhoopt in het milieu belanden in de toekomst niet meer schadelijk zijn. 57 Rijksoverheid (n.d) Circular Plastics NL. 58 Compendium voor de Leefomgeving (2023) CLO Indicator 008114, Relatie ontwikkelingen emissies en luchtkwaliteit, 1990-2021. 59 European Commission (z.d.) EU air quality standards. 60 Informatiepunt Leefomgeving (2024) Europese Raad geeft groen licht voor aanscherping luchtkwaliteitseisen. Om conform de monitoringsverplichting in het kader van de grondwaterrichtlijn van de KRM te bepalen hoeveel plastic in het oppervlaktewater aanwezig is, werkt het ministerie van IenW aan een monitoringsmethodiek- en strategie voor micro-, meso- en macroplastics. In 2022 is de ontwikkeling van de meetmethode voor microplastics afgerond. In 2023-2025 volgt validatie van de methode en start het monitoringsprogramma naar de aanwezigheid van microplastics in de Maas en de Rijn. Overkoepelende Nederlandse programma’s tegen vervuiling Het Nationaal Milieuprogramma Het Nationaal Milieuprogramma (NMP) is in ontwikkeling en streeft naar een gezonde, schone en veilige leefomgeving in 2050. Zoals omschreven in Kamerbrieven over het NMP (juli 2022, juli 2023 en mei 2024) omvat de leefomgeving van de mens, dieren, planten en al het andere dat leeft en benoemt het NMP de drie door de VN benoemde crises (klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit en vervuiling) in hun samenhang. Het NMP richt zich met name op het onderwerp vervuiling. Naast de gezondheid van de mens is de kwaliteit van water en bodem (-systemen) onderdeel van de streefbeelden en doelen van het NMP: in 2050 zijn de ecosystemen in Nederland vitaal en veerkrachtig. De ecosystemen in water, bodem en lucht zijn divers: er leven veel verschillende soorten planten, dieren en organismen. Binnen de natuurlijke dynamiek zijn de ecosystemen met elkaar in balans. Alleen dan kunnen hun waardevolle diensten aan de maatschappij duurzaam blijven leveren. De streefbeelden en doelen van het NMP illustreren de wederzijdse belangen met het biodiversiteitsplan. Luchtkwaliteit Dankzij goed bronbeleid zijn de emissies uit wegverkeer, industrie en energie flink gedaald en is er geen sprake meer van zure regens in Nederland.58 Nederland voldoet bijna overal aan de huidige EU-grens waarden voor luchtkwaliteit.59 Echter gelden er vanaf 2030 nieuwe, lagere normen conform de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit.60 Volgens de nieuwe richtlijn moeten EU-landen in 2050 aan de WHO-advies waarden voldoen. Deze waarden zijn nog lager dan de herziene EU-normen en worden puur vanuit gezondheidskundig oogpunt vastgesteld. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.nationaalgroeifonds.nl/overzicht-lopende-projecten/thema-energie-en-duurzame-ontwikkeling/duurzame-materialennl https://www.clo.nl/indicatoren/nl008114-relatie-ontwikkelingen-emissies-en-luchtkwaliteit-1990-2021 https://environment.ec.europa.eu/topics/air/air-quality/eu-air-quality-standards en https://iplo.nl/thema/lucht/nieuws-lucht/2024/europese-raad-geeft-groen-licht-aanscherping/ 47 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het Schone Lucht Akkoord (SLA) is een convenant tussen Rijk, provincies en meer dan 120 gemeenten. Samen streven de deelnemende partijen naar een gezondheidswinst door verminderde emissies van luchtvervuiling van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Het SLA is begin 2020 van start gegaan met het idee om gezondheidsschade ook onder de huidige EU-grenswaarden tegen te gaan. Het RIVM kijkt elke twee jaar of het doel te halen is. Volgens het RIVM is het doel net binnen bereik,61 maar hangt wel af van het volledig uitvoeren van de SLA-maatregelen en het halen van de klimaat- en stikstofdoelen. Minder stikstofemissies leidt namelijk tot minder stikstofdioxide (directe winst voor gezondheid) maar ook tot minder ammoniakuitstoot en daardoor minder vorming van schadelijk fijnstof.62 Beleid tegen broeikasgassen leidt vaak tot minder verbrandingsprocessen waar stikstofdioxide en fijnstof vrijkomt. Hiermee is klimaatbeleid bijna altijd gunstig voor de luchtkwaliteit, behalve als er wordt ingezet op biobrandstoffen die vaak schadelijker zijn dan de oorspronkelijke brandstoffen.63 Kaderrichtlijn Water De KRW is een Europese richtlijn die streeft naar een goede chemische en ecologische toestand van het oppervlakte- en grondwater. In de stroomgebiedbeheerplannen voor de Rijn, Maas, Eems en Schelde voor de periode 2022-2027 staan de doelen en de maatregelen, zowel het landelijk waterkwaliteitsbeleid als gebiedsgerichte maatregelen. Dit betreffen voor deze planperiode circa 65 generieke (beleids)maatregelen en 1700 gebiedsgerichte maatregelen, die bijdragen aan een goede ecologische en chemische toestand. Een aantal van deze maatregelen passen de fysieke inrichting van watersystemen aan, bijvoorbeeld door de aanleg van natuurvriendelijke oevers, vispasseerbaar maken van waterbouw kundige kunstwerken en de aanleg van speciale leefgebieden voor flora en fauna. De maatregelen moeten zijn uitgevoerd voor eind 2027. In Nederland zijn er in totaal ongeveer 750 KRW- waterlichamen met ongeveer 140 doelen per water- lichaam. In totaal dus ruim 100.000 doelen om aan te voldoen. Daarvan voldoen we nu aan ruim driekwart. Vanuit het Europese principe one-out-all-out voldoet echter vrijwel nog geen enkel waterlichaam in Nederland aan alle eisen. Nederland heeft de afgelopen jaren al veel geïnvesteerd in het verbeteren van de waterkwaliteit. 61 RIVM (2024) Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord. 62 Atlas leefomgeving (z.d.) Stikstofdioxide (NO2). 63 RIVM (z.d.) Gezondheidsimpact van biobrandstoffen. 64 Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (2022) – Impulsprogramma Chemische Stoffen (2023-2026). 65 Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (2022) Evaluatie ZZS-emissiebeleid 2016-2021 | Rapport | Rijksoverheid.nl; IPO, VNG en Omgevingsdienst NL (2022) ZZS Decentraal, VNG, IPO, ODs. Maar dit is een complexe opgave met ook in de uitvoering nog uitdagingen, risico’s en knelpunten. Daarom zijn we begin 2023 met Rijk, provincies en waterschappen gezamenlijk onder leiding van de minister van IenW gestart met het impulsprogramma KRW om alles op alles te zetten om eind 2027 te voldoen aan de KRW. Doorlopende inzet op preventiebeleid ten aanzien van bijvoorbeeld industriële emissies, gewas beschermings- middelen, biociden, lozingen scheepvaart en het verbod op anti-fouling middelen (Tributyltin hydride, TBT) blijft noodzakelijk, evenals de voortzetting van maatregelen die genomen zijn voortvloeiend uit diverse andere EU-conventies, zoals de International Convention For the Prevention of Pollution from Ships van de IMO. Het Impulsprogramma Chemische Stoffen Er zijn meerdere beleidsvelden die zich richten op het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Zo zet het nationale ZZS emissiebeleid in op het voorkomen – of, waar dit nog niet mogelijk is – minimaliseren van emissies van chemische stoffen en is er bijvoorbeeld ook regelgeving inzake lucht kwaliteit, bodemkwaliteit en gebruik van biociden. In december 2022 is het Impulsprogramma Chemische Stoffen (2023–2026) aangeboden aan de Kamer. Dit programma heeft tot doel om knelpunten in de uitvoering van het beleid voor chemische stoffen aan te pakken. Hiermee wordt gewerkt aan een gezonde en schone leefomgeving. Het gaat daarbij ook om de noodzakelijke versterking van de uitvoering en om het oplossen van kennishiaten zoals de aanpak van cumulatie en verspreiding van stoffen, kennisopbouw en betere samenhang tussen regelgeving. Onder het Impulsprogramma Chemische Stoffen wordt met een projectmatige aanpak gewerkt aan het dichterbij brengen van het doel van minimalisatie van deze ZZS en verdere bevordering van nationaal en Europees stoffenbeleid.64 Het Impulsprogramma Chemische Stoffen is doorsnijdend op beleidsdomeinen en draagt daarmee bij aan de samenhang in het beleid voor chemische stoffen zoals het beleid voor lucht, water en de bodem. Verder wordt in dit programma gewerkt aan het oplossen van kennishiaten en knelpunten die uit meerdere evaluaties zijn gebleken.65 Hoofddoel blijft daarbij het voorkomen en terugdringen van vervuiling van het milieu door gevaarlijke chemische stoffen. Hierbij wordt o.a. ingezet op de versterking van de vergunningverlening in DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rivm.nl/publicaties/monitoringsrapportage-doelbereik-schone-lucht-akkoord-tweede-voortgangsmeting#:~:text=De%20SLA%2Dpartners%20hebben%20begin,afnemen%20ten%20opzichte%20van%202016 https://www.atlasleefomgeving.nl/thema/schone-lucht/stikstofdioxide-NO2 https://www.rivm.nl/duurzaamheid/duurzaamheid-en-gezondheid/gezondheidsimpact-van-biobrandstoffen https://open.overheid.nl/documenten/ronl-5692b6d36f2097834252e6c9f904963c4fe16b0e/pdf https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/06/03/rapport-berenschot-arcadis-evaluatie-zzs-emissiebeleid-2016-2021 https://vng.nl/sites/default/files/2022-03/Decentrale%20benadering%20ZZS%20-%20eindrapportage.pdf 48 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 het bijzonder rond persistente stoffen en de cumulatie van gevaarlijke chemische stoffen in de leefomgeving. Een bedrijf moet continu streven naar vermindering van de emissie van ZZS. Europese wetgeving rondom het tegengaan van vervuiling Naast bovengenoemde Europese richtlijnen en verordeningen dragen ook onder andere de volgende Europese richtlijnen bij aan het doelbereik: de First Zero Pollution Monitoring and Outlook, het voorstel van de Europese Commissie voor Sustainable Use of Plant Protection Products, het Circulair Economy Action Plan, de aankomende voorstellen over microplastics en het instrument EU Mission Restore our Ocean and Waters – objective 2. Ook heeft de Europese Biodiversiteitstrategie (EBS) als doel gesteld om in 2030 het verlies van nutriënten afkomstig uit kunstmest te verlagen (EBS T13) en om het risico van pesticiden en ZZS tegen te gaan (EBS T6). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 49 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 8. Minimaliseer gevolgen van klimaatverandering voor biodiversiteit en bouw veerkracht op Figuur 18. Nationaal Park Weerribben-Wieden. © Nadine Kliffen / IUCN NL 66 Kamerstuk 31710-83 (23 november 2023) Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie, 31710-83. Het kabinet neemt maatregelen zodat Nederland zich kan aanpassen aan de huidige en toekomstige klimaat- verandering (klimaatadaptatie), voor onze voedsel- zekerheid, gezondheid, waterveiligheid en woon- en leefomgeving. Voorbeelden van maatregelen zijn bosaanleg, klimaatbuffers zoals meer ruimte voor rivieren en het bevorderen van hittebestendig bouwen. Naast klimaatadaptatie moet in 2030 de broeikasga- suitstoot in Nederland ten minste 55% lager zijn dan in 1990. Het streven is om de emissies te verminderen en koolstofvastlegging te bevorderen, bijvoorbeeld door veenweiden te vernatten, landbouwbodems duurzaam te beheren, de Bossenstrategie uit te voeren en natte natuur te realiseren. We onderzoeken hoe we dit het beste kunnen bereiken en ondersteunen hierbij boeren, tuinders, overheden en landbeheerders. Met het Klimaatplan 2025-2035 bereiden we ons verder voor op de klimaat- doelen voor de lange termijn, op basis van de verplichtingen in de Klimaatwet. Het Nederlandse beleid dat aan dit actiedoel bijdraagt valt grofweg onder twee sporen: beleid gericht op klimaatadaptatie en beleid gericht op klimaatmitigatie. Klimaatadaptatie Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft een coördinerende en stimulerende rol in de nationale aanpak voor klimaatadaptatie. Dit gebeurt vanuit twee programma’s: de Nationale klimaat adaptie strategie (NAS) en het Deltaprogramma. Nationale klimaatadaptatiestrategie De NAS is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. In het regeerprogramma staat dat het kabinet in 2026 een nieuwe NAS presenteert met doelen voor infra structuur, zoetwaterbeschikbaarheid, gezondheid, wonen, cultureel erfgoed, landbouw en natuur. In het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie, gepubliceerd in november 2023, zijn diverse uitgangspunten en prioriteiten voor de herziening van deze NAS vastgesteld, waaronder het formuleren van concrete adaptatiedoelen.66 Landbouw en natuur maken hier deel van uit. Met de LVVN-actie programma’s voor klimaatadaptieve landbouw en natuur beogen we bijvoorbeeld dat in 2030 alle ondernemers in de land- en tuinbouw en terreinverantwoordelijken in natuur DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2023D46523&did=2023D46523 50 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 duurzaam en effectief kunnen omgaan met de veranderingen in het klimaat. Actieprogramma Klimaatadaptatie Natuur Onderdeel van de NAS is klimaatadaptatie van en met natuur. Een veerkrachtige en klimaatbestendige natuur realiseren én natuur inzetten voor klimaatadaptatie: hiervoor heeft het ministerie van LVVN het Actieprogramma Klimaatadaptatie Natuur opgesteld. Dit programma heeft als doel om in 2030 (mede)overheden en terreinverantwoordelijken toegerust te hebben om: • om te gaan met de effecten van de grootste klimaatrisico’s voor de natuur en biodiversiteit en deze, waar mogelijk, in te perken; • natuurinclusieve oplossingen in te zetten voor klimaatadaptatie in de fysieke leefomgeving; en • klimaatadaptatie van en met natuur een structurele plek te geven in beleid en uitvoering in de fysieke leefomgeving. Dit geldt voor zowel bestaande als nog aan te leggen natuur, binnen en buiten natuurgebieden. Om het doel samen met stakeholders te realiseren én desinvesteringen en maladaptatie te voorkomen, wordt gewerkt met drie strategieën in de tijd: 1. Korte termijn: optimalisatie van de huidige situatie, zoals efficiënter omgaan met het beschikbare water. 2. Middellange termijn: meebewegen met de klimaatverandering door aanpassen aan de natuurlijke omstandigheden. 3. Lange termijn: transformatie door fundamentele en (eco)systematische veranderingen. Dit actieprogramma ondersteunt de (mede)overheden en terreinverantwoordelijken om – vanuit een gedeeld beeld – onder andere nieuwe praktijken (handelingsperspectief) te ontwikkelen, en opgedane inzichten en praktijken op te schalen, zodat we samen meer impact gaan realiseren. Deze inzichten kunnen vervolgens meegenomen worden in de verdere ontwikkeling van de gebiedsprogramma’s en het ruimtebeslag dat met de uitvoering van onder meer de Bossenstrategie en de afronding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gemoeid. Dit resulteert in een toekomstbestendige inrichting van het landelijk gebied. Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw In januari 2020 is het Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw (AP KAL) aan de Tweede Kamer verstuurd. Het actieprogramma bestaat uit vijf pijlers: watersysteem, bodemsysteem, gewassen en teelt systemen en veehouderij. De ondersteunende instrumenten zijn kennis en innovatie, regionale aanpak en risicomanagement. In juli 2022 is de 67 Kamerstuk 35925-XIV-159 (7 juli 2022) Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2022 | Tweede Kamer der Staten-Generaal. Tweede Kamer geïnformeerd over het vervolg van het AP KAL (2023-2027).67 In het vervolg wordt meer ingezet op het handelingsperspectief voor de boeren en tuinders op de langere termijn, bijvoorbeeld het beter omgaan met verzilting, toepassing van meer robuuste rassen, gewassen en teeltsystemen en verbeterd risico management. Agrariërs kunnen met bodem- en watermaatregelen bijdragen aan het verbeteren van de biodiversiteit en andere lokale en regionale opgaven in relatie tot het in balans brengen van het bodem- en watersysteem. Hier ligt ook aansluiting bij het IenW-programma Water en bodem sturend (bij ruimtelijke keuzes). Natura 2000-gebieden en Vogel- en Habitatrichtlijn De Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) vraagt om het in stand houden van de belangrijkste natuurgebieden (Natura 2000) in Nederland. Het klimaatrobuust maken van de Natura 2000-gebieden, waartoe de VHR ook verplichten, vraagt veelal dezelfde type maatregelen als die al nodig zijn voor realisatie van de huidige instandhoudings- doelstellingen: herstel van hydrologie, buffering van externe invloeden, aanleg van verbindingen en het verminderen van andere drukfactoren. De maatregelen kunnen zo worden gericht dat positieve bijdragen van natuurherstel aan klimaatadaptatie worden versterkt. Natuurherstel kan ook een belangrijke rol spelen bij het tegengaan van (de effecten van) klimaatverandering, bijvoorbeeld via kustbescherming, waterberging en het vastleggen van broeikasgassen in bossen, veenbodems, graslanden en kwelders. De inzet op het behalen van de VHR versterkt de veerkracht en robuustheid van de natuur, juist ook tegen de effecten van klimaatverandering. Kennis- en innovatieprogramma NL2120 Vanuit het Nationaal Groeifonds investeert de Nederlandse overheid 110 miljoen euro, waarvan 40 miljoen voorwaardelijk, in het kennisprogramma NL2120. In dit programma werken overheden, natuurorganisaties, ingenieursbureaus, baggerbedrijven en kennis- en beroepsinstellingen samen aan op de natuur gebaseerde oplossingen (Nature-based Solutions) voor grote uitdagingen op het gebied van klimaat, natuur inclusieve landbouw, biodiversiteit en wonen. Voor meer informatie zie actiedoel 11. Deltaprogramma Het nationaal Deltaprogramma werkt tot 2050 thematisch en gebiedsgericht aan een waterveilig Nederland met een voldoende zoetwatervoorziening en een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting. Bijvoorbeeld door via het Hoogwaterbeschermings- DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2022D30127&did=2022D30127 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2022D30127&did=2022D30127 51 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 programma de primaire keringen (dijken, duinen) te versterken, waar mogelijk in combinatie met natuur- opgaven. Via het Deltaplan Zoetwater worden maatregelen uitgevoerd die neerslagwater langer vasthouden in bodems, in stedelijk en landelijk gebied, en meer laten infiltreren naar het grondwater. Daarnaast wordt via rivierafvoer de zoetwater voorraad in het IJsselmeergebied geborgen en op termijn vergroot. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) omvat maatregelen en projecten voor een waterrobuust en klimaatbestendig Nederland in 2050. Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid Op 6 juli 2022 is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid68 aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Volgens experts kan klimaatverandering de kans op zoönosen vergroten, waarbij in gematigde gebieden zoals in Nederland een toename mogelijk is door groeiende populaties van muggen en teken en ook door de introductie van nieuwe vectoren (bijvoorbeeld de tijgermug) en nieuwe ziekteverwekkers. Bij het nemen van maatregelen om zo goed mogelijk om te gaan met de gevolgen van klimaat- verandering is het belangrijk om het daardoor eventueel ontstaan van hotspots van vectoren te voorkomen. Het is dan ook de uitdaging om naast het optimaal gebruik maken van de positieve effecten van groen en water, ook de eventuele (indirecte) volksgezond heidsrisico’s in het oog te houden. Zo kunnen bijvoorbeeld innovatieve waterconcepten,69 die de impact van klimaatverandering moeten tegengaan, zoönosen risco’s verkleinen of vergroten. In het kader van het actieplan worden handreikingen opgesteld voor decentrale overheden, die zij kunnen gebruiken bij te maken beleidskeuzes. 68 Kamerstuk (6 juli 2022), Nationaal Actieplan versterken Zoönosenbeleid, 25295-1935. 69 RIVM (2017) https://www.rivm.nl/publicaties/waterkwaliteitscheck-voor-nieuwe-en-bestaande-stedelijk-waterconcepten-belang-van. Klimaatmitigatie Klimaatwet In 2016 heeft de EU, mede namens Nederland, de Overeenkomst van Parijs ondertekend. Doel van de overeenkomst is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Om de doelen van de Overeenkomst van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt: De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55% minder moet uitstoten. In 2050 wil de EU klimaatneutraal zijn, wat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. Dit is vastgelegd in een Europese Klimaatwet. De Nederlandse Klimaatwet bevat doelen voor Nederland om in 2030 tot een reductie van broeikasgas emissies van 55%, ten opzichte van 1990. Daarnaast is klimaatneutraliteit in 2050 ook een doel op nationaal niveau. Dit betekent dat er in Nederland in 2050 nauwelijks nog broeikasgasemissies zijn en dat de emissies die er nog zijn in eigen land of binnen Europa gecompenseerd worden door vastlegging van broeikasgassen in, bijvoorbeeld, bossen of onder de grond. Op het snijvlak van klimaatmitigatie en de biodiversiteitsopgave zijn onder andere de Bossenstrategie, groenblauwe dooradering en het Programma Veenweiden interessant, vanwege hun expliciete doelstelling om aan beide opgaven bij te dragen. Figuur 19. Middenin het Groene Hart liggen de Nieuwkoopse Plassen, een uitgestrekt laagveengebied. Samen met enkele boeren onderhoudt Natuurmonumenten de gebieden rondom de Nieuwkoopse Plassen. © Rob Poelenjee DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/07/06/nationaal-actieplan-versterken-zoonosenbeleid https://www.rivm.nl/publicaties/waterkwaliteitscheck-voor-nieuwe-en-bestaande-stedelijk-waterconcepten-belang-van 52 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Bossenstrategie In het Nationale Klimaatakkoord is een wettelijke opgave opgenomen van 0,4-0,8 Mton jaarlijks additionele koolstofvastlegging in bos, bomen en natuur. Hiervoor wordt onder andere ingezet op het vergroten van het areaal bos, landschapselementen en agroforestry, het toekomstbestendig maken van het bestaande bos, maatregelen in natte natuur, zoals moeras-, veen- en kustecosystemen, maar ook kleine wateren en oevers. Deze maatregelen kunnen deels in synergie met natuurdoelen gerealiseerd worden, zoals het areaal bos wat zowel aan de klimaatopgave als aan de VHR-opgave bijdraagt, en bosherstel wat ook bijdraagt aan de opgave voor de Natuurherstelverordening. Bosontwikkeling in het rivierengebied (met name de aanleg van ooibossen) verbetert de biodiversiteit, creëert extra waterberging in het kader van klimaat adaptatie, vermindert de verdroging van de uiterwaarden en draagt bij aan de instandhoudings doelen van Natura 2000. De aanleg en herstel van karakteristieke (ooi)bossen in het rivierengebied is onderdeel van de ambitie voor de grote wateren. De doelstellingen van de Bossenstrategie zijn als volgt: • Een toename van 37.400 hectare bos. • Een kwaliteitsimpuls voor bestaand bos. • 10% groenblauwe dooradering in het landelijk gebied. • Ontwikkelen van agroforestry. • Stimuleren van hoogwaardig gebruik van hout. • Uitbreiding 14.000 hectare natuurbos binnen bestaand en nieuw bos. Groenblauwe dooradering Groenblauwe dooradering (GBDA) beoogt een fijnmazig netwerk van (semi-) natuurlijke landschaps elementen gerealiseerd in het landelijk gebied. De opgave van 10% GBDA in 2050 komt voort uit de doelstelling van het Aanvalsplan Landschap, als verdere uitwerking van het Klimaatakkoord en is zo opgenomen in de Bossenstrategie. Daarbij dient GBDA als nationale invulling om aan de wettelijke verplichting van de Natuurherstelverordening, VHR, Kaderrichtlijn Water en Klimaatwet te voldoen. Als onderdeel van de Natuurherstelverordening, zal de inzet van GBDA in de verdere uitwerking nog nader bepaald worden, mede in voortzetting van de GBDA opgave neergezet in het Aanvalsplan Landschap. Het GBDA netwerk wordt door middel van de aanleg, beheer en herstel van diverse landschapselementen vervult. Houtige landschapselementen zoals hagen, heggen en houtwallen verlagen de windsnelheid en verminderen daarmee verdamping. Daarnaast, ze wordt het waterbergend vermogen van de grond verhoogt en een toevluchtsoord voor (de migratie van) biodiversiteit gevormd. De begroeiing van kruiden- en bloemrijke randen dienen als belangrijke biodiversiteitsaders voor onder andere wilde bestuivers in het landelijk gebied. Natte elementen als natuurvriendelijke oevers of het herstel van bufferzones rondom beken hebben een filterende werking, gaan uitspoeling tegen en houden water beter vast. Hierbij draagt de integratie van GBDA in de ruimtelijke opgave van het landelijke gebied, niet alleen bij aan de koolstofvastlegging, maar ook aan de vitaliteit en weerbaarheid van de Nederlandse landbouw en natuur. Waarbij ook onze voedselvoorziening weerbaarder wordt tegen klimaatverandering en bijbehorende weersextremen. Nationaal Programma Veenweide In het Nationaal Klimaatakkoord is de opgave opgenomen om vanaf 2030 jaarlijks 1Mton aan broeikas gas reductie gerealiseerd te hebben uit veen- en moerige gronden via een adaptieve en gebiedsgerichte aanpak onder regie van provincies. Naast het verminderen van veenafbraak en uitstoot van broeikas gassen zijn nevendoelen onder meer het tegengaan van bodemdaling, het realiseren van klimaat-robuuste watersystemen, het realiseren van een goede bodem- en waterkwaliteit, het behoud van cultuurhistorische en landschappelijke waarden en versterking van de biodiversiteit (realisatie NNN, biodiversiteit in boerenland). Hiervoor wordt onder andere ingezet op het verhogen van waterpeilen en toepassen van waterinfiltratiesystemen om veenbodems te vernatten en de afbraak van veen te remmen en het toepassen van natte teelten. Deze maatregelen kunnen deels in synergie met natuurdoelen worden gerealiseerd, zoals de aanleg van natte natuur. Dergelijke op de natuur gebaseerde oplossingen die passen bij de eigenschappen van het bodemwatersysteem kunnen landschappelijke waarden versterken en de biodiversiteit bevorderen. Het toekomstperspectief kunnen bieden aan agrarische bedrijven in het veenweidegebied en behoud en versterking van de vitaliteit en leefbaarheid van het platteland zijn belangrijke randvoorwaarden voor een brede aanpak. Met een impuls voor het agrarisch natuurbeheer geeft het huidige kabinet perspectief aan boeren, ook in de veenweiden. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 53 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 20. Uitstoot van broeikasgassen door veenafbraak; doel van het onderzoek. Bron: Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden. 70 Overlegorgaan fysieke leefomgeving (2020) Het akkoord voor de noordzee. Nationaal Programma Landbouwbodems Binnen het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) wordt er samengewerkt met partijen in de agroketen aan een gebiedsgerichte strategie voor duurzame landbouwbodems. Doel hiervan is om vanaf 2030 alle landbouwbodems duurzaam te beheren en jaarlijks 0,5 Mton CO2-eq. extra koolstof vast te leggen in minerale landbouwbodems, conform de afspraken uit het Klimaatakkoord. Een duurzaam beheerde bodem stoot minder broeikasgassen uit. Daarnaast zorgt het vastleggen van extra bodem koolstof ervoor dat de bodem weerbaarder is tegen droogte, hitte, verzilting en overtollige neerslag. Boeren voor Biobased Bouwen Een opkomende markt is de hennepteelt. Dit is goed voor het verkleinen van CO2-voetafdruk, het herstellen bodemstructuur, en verminderd gebruik van gewasbeschermingsmidellen en kunstmest. Loonwerker Hofmeijer heeft grote investeringen gedaan om boeren hierin te kunnen helpen. Er is onder andere specialistische kennis opgebouwd en er zijn geschikte machines aangeschaft. Boer Herman Pieter Prangsma is één van de boeren die vezelhennep als nieuwe teelt heeft toegepast. Met zijn bedrijf Boerderij Kreel draagt hij bij aan verschillende doelstellingen. Bijvoorbeeld met houtwallen, bomen en poelen. Noordzeeakkoord Met het Noordzeeakkoord70 geven Rijksoverheid en stakeholders samen invulling aan de drie grote transities op de Noordzee: energie, natuur en voedsel en de samenhang daartussen. Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Noordzeeakkoord, waarin bijvoorbeeld staat dat de uitrol van wind op zee binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee zal plaatsvinden. Het akkoord is een evenwichtig pakket geworden van afspraken over een duurzaam gebruik van de Noordzee tot en met 2030 met een verkenning naar de periode daarna. Met daarbij bepalingen over de wijze en het tijdstip waarop deze afspraken worden bereikt om innovatie, transitie en mitigatie ten behoeve van natuur en visserij mogelijk te maken. Wind op zee De ecologische na-effecten van wind op zee zijn voor dit kabinet van groot belang. Bij het beleid voor windenergie op zee en de uitvoering ervan worden schadelijke effecten op natuur zoveel mogelijk voorkomen en kansen voor natuurversterking worden waar kan benut. Voorbeelden zijn: het niet bouwen in beschermde natuurgebieden, de stilstandregeling voor vleermuizen en de start- stopregeling tijdens massale nachtelijke trek van vogels. Ook zijn er voorschriften voor natuurinclusief bouwen, zoals voor de afmetingen van stenen zodat deze aantrekkelijk is voor onder andere kabeljauw. Daarnaast wordt er gewerkt aan verdere versterking van de Noordzee-natuur via ecologische criteria in de tender- procedure voor het uitgeven van vergunningen voor windparken op zee. Ook vindt verder onderzoek plaats naar de effecten van windparken op zee, de effectiviteit van mitigerende maatregelen en mogelijkheden voor natuurversterking. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://open.overheid.nl/documenten/ronl-99d46f4b-1d45-49cd-a979-2ce8bf737e22/pdf https://www.hofmeijervoorst.nl/biobased-bouwen/ https://www.kreelsekoe.com/ 54 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Agenda Natuurinclusief 2.071 Domein water Water is van levensbelang voor mensen en de natuur. Het domein Water van Agenda Natuurinclusief heeft de ambitie om, in samenwerking met andere sectoren, water de verbinding én motor te laten zijn van de natuurinclusieve inrichting van Nederland. Wateropgaven worden aangepakt met Nature-based Solutions en slim gecombineerd met biodiversiteitsherstel en klimaatadaptatie. Hiermee heeft het domein water een sleutelrol en belangrijke aanjagende functie die het merendeel van de actiedoelen uit het biodiversiteits- plan ten goede komt. De bijzondere bijdrage aan actiedoel 8 de komende jaren is de ambitie om natuurinclusief waterbeheer mainstream te maken en hier in het waterbeheer concreet mee aan de slag te gaan. Nature-based Solutions worden standaard onderdeel van het waterbeheer en de voorkeursmaatregel bij beheermaatregelen voor wateropgaven. In icoonprojecten van koploperorganisaties die voorgaan in deze ontwikkeling naar natuurinclusief waterbeheer wordt gedemonstreerd hoe dit in de praktijk werkt en welke voordelen het biedt. Daarnaast zet de natuurinclusieve watersector in op de verbinding met andere water- en ruimtelijke programma’s en implementatie in andere sectoren, zoals landbouw, bouw en infrastructuur. Ook wordt er ingezet op windenergie, scheepvaart en visserij om de mariene ecologie op de Noordzee en Waddenzee te verbeteren. Dit alles geven we vorm via een integrale gebiedsgerichte natuurinclusieve aanpak van alle tien natuurinclusieve domeinen. Centraal in deze aanpak staan inspirerende icoonprojecten rond klimaatadaptatief waterbeheer, natuurherstel en gebiedsontwikkeling, een lerende watergemeenschap en nationaal platform natuurinclusief waterbeheer. 71 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 55 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 9. Garandeer duurzaam beheer en gebruik van wilde soorten ten behoeve van mensen Figuur 21. Hazen in weide. © Rijksoverheid, foto va Hugo de Wolf 72 Bij12 (2024) Schadecijfers 2023. Nederland heeft een stelsel voor jacht en faunabeheer. In samenwerking met provincies en andere stakeholders, waaronder jagers, boeren, terreinbeheerders en dierenwelzijnsorganisaties wordt gekeken naar dit stelsel en de eventuele verdere ontwikkeling hiervan. Het kabinet vindt een evenwichtige aanpak die zowel ecologische als maatschappelijke belangen dient belangrijk. Jacht en faunabeheer Jacht met als oogmerk benutting is in Nederland, binnen het jachtseizoen, op dit moment toegestaan op vijf soorten: haas, konijn, houtduif, fazant en wilde eend, op voorwaarde dat de duurzame staat van instandhouding niet in het geding is. Jacht als bron van voedsel of inkomsten voor lokale gemeenschappen speelt in Nederland nauwelijks rol van betekenis. Autoriteiten kunnen toestemming verlenen om ook andere soorten te doden, indien deze schade of overlast veroorzaken. In die gevallen moet aan de voorwaarden worden voldaan dat het doden niet bijdraagt aan een verslechtering van de staat van instandhouding en er geen bevredigende alternatieve oplossingen zijn. Zie ook actiedoel 5. Met name ter voorkoming van landbouwschade vindt beheer van wilde populaties plaats. In 2023 is voor ruim €55 miljoen aan tegemoetkomingen voor landbouwschade uitgekeerd.72 Een stelselwijziging jacht en faunabeheer is in voorbereiding. Het doel van de herziening is een toekomstbestendig stelsel, waarmee de schade- problematiek beheersbaar blijft en soortbescherming duurzaam gewaarborgd is. De stelselwijziging wordt uitgevoerd in samenwerking met de provincies en betrokken stakeholders, zoals jagers en boeren- organisaties. Het nieuwe stelsel zal worden getoetst aan Europese wet- en regelgeving, met name de Vogel- en Habitatrichtlijn. Naar verwachting zal in 2025 een traject voor een wetswijziging in gang worden gezet. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.bij12.nl/onderwerp/faunaschade/schadecijfers/#:~:text=05%2D2024).-,Schadejaar%202023,bijna%207700%20naar%20circa%208500. 56 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 10. Verduurzaam landbouw, aquacultuur, visserij en bosbouw Figuur 22. Agrarisch natuurbeheer met kruidenrijke akkerranden en bloemstroken. De bloemen en kruiden hebben verschillende voordelen zoals natuurlijke plaagbeheersing, gewasbestuiving, vergroten van de biodiversiteit en verbetering van de waterkwaliteit. © Regie Plattelandsontwikkelingsprogramma 10.1 Landbouw 73 De doelstelling staat in de basisverordening GLB (2021/2115) als volgt beschreven: “f) bijdragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten en tot de instandhouding van habitats en landschappen”. De opgave voor natuur kan niet los worden gezien van de opgaven in de landbouw. Door landbouw en natuur met elkaar te verbinden, ontstaat er meer ruimte voor beide. Dit kabinet ondersteunt ondernemers in de land- en tuinbouw bij hun inspanningen om door te ontwikkelen en te innoveren, met focus op emissiereductie voor klimaat, natuur, water (inclusief de Kaderrichtlijn Water), stikstof, geur en fijnstof. We belonen ondernemers in de land- en tuinbouw voor de waardevolle diensten die ze aan de maatschappij leveren, bijvoorbeeld op het gebied van agrarisch natuurbeheer en biodiversiteit. Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Nationaal Strategisch Plan Het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) 2023-2027 beloont toekomstbestendig boeren sterker dan voorheen, met subsidies gericht op agrariërs die zich inspannen om de omslag te maken naar een duurzame bedrijfsvoering. Het GLB richt zich hiermee sterker op doelbereik, waaronder dat van de biodiversiteit (specifiek doel 06 Bescherming van de biodiversiteit).73 Aan dit doel dragen meerdere interventies bij. Ter toelichting van figuur 23 ‘Boeren werken aan een biodivers landschap’: 1. Boeren ontvangen een basispremie als zij voldoen aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zorgen ervoor dat in heel Europa een basiskwaliteit van natuur wordt nagestreefd; 2. Boeren die natuurinclusiever willen boeren en groenblauwe diensten leveren, worden daarvoor via de eco-regeling vergoed. Zij kunnen kiezen uit een lijst met eco-activiteiten die positief bijdragen aan biodiversiteit, landschap, kwaliteit van water, lucht en bodem en het klimaat; 3. Via het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) beheren boeren specifieke leefgebieden voor planten- en diersoorten, waaronder boerenlandvogels. Door bijvoorbeeld later te maaien, of plasdrassen aan te leggen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 57 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 74 De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan voor aanpassing van enkele GLMC’s. Hierbij is geen analyse uitgevoerd van het effect op het doelbereik van biodiversiteit en andere doelen. Nederland heeft de Europese Commissie gevraagd om dit assessment te doen. 75 De voorwaarde om 4 procent niet productief areaal aan te houden komt ingevolge de Verordening te vervallen. Voor 2024 past Nederland de derogatie toe op basis van de uitvoeringsverordening 2024/587, op de eis dat ten minste 4 procent van het bouwland dat op de peildatum bij de landbouwer in gebruik is, bestemd moet zijn voor niet-productieve gronden voor zover de landschapselementen gelegen zijn op of grenzen aan bouwland. 76 Voor gebieden uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn wordt een uitzondering gemaakt op het ploegverbod. Figuur 23. Boeren werken aan een biodivers landschap met steun van het GLB in drie stappen; (1) basiskwaliteit agrarisch gebied, (2) functionele agrobiodiversiteit en (3) kwaliteit van leefgebieden. Bron: Het Nationaal Strategisch Plan, Samenvatting (publicatie 08-12-2022) Het GLB biedt met steun voor gebiedsprocessen ook de mogelijkheid om in de omgeving bijvoorbeeld landschaps- elementen te planten of aan te leggen. Deze instrumenten dragen samen bij aan de zogenaamde groen blauwe architectuur. Dat zorgt voor betere leefgebieden voor planten en dieren en een goede waterkwaliteit. Belangrijk voor het beschermen van weidevogels, vlinders en bijen, maar ook voor vissen en waterplanten en voor een sterk eco systeem, waarin ook komende generaties goed kunnen boeren. Het doelbereik wordt mede ondersteund door de zogenaamde conditionaliteiten of Goede Landbouw- en Milieucondities (GLMC’s):74 normen en eisen die gelden voor het verkrijgen van GLB-subsidies. Bij overtreding hiervan kan er op de subsidies worden gekort. Met het stellen van deze voorwaarden wordt bijgedragen aan het verbeteren van klimaat, bodem, water, biodiversiteit en landschap, gezondheid en dierenwelzijn. Het gaat onder meer om het 7e Nederlandse actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water (zie actiedoel 7). De voorwaarden gelden zowel voor maatregelen van de eerste pijler (steun uit het Europese Landbouwgarantie- fonds (ELGF) als voor het ANLb uit de tweede pijler (steun uit het Europese Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)). In het Nationaal Strategisch Plan van het GLB (GLB-NSP) wordt op verschillende manieren bijgedragen aan behoud en herstel van de biodiversiteit. Diverse GLMC’s en activiteiten in de eco-regeling dragen hieraan bij op bedrijfs- en perceelsniveau. Een belangrijke GLMC die bijdraagt aan biodiversiteit is GLMC 8:75 het behoud van landschapselementen en het verbod op het kappen van hagen en bomen tijdens het broed- en groeiseizoen. Daarnaast wordt er een bijdrage geleverd door het verbod op het omzetten of ploegen van blijvend grasland dat is aangewezen als milieugevoelig permanent grasland in Natura 2000-gebieden,76 de instandhouding van blijvend grasland, de aanleg van bufferstroken langs waterlopen en verplichte gewasrotatie. In de eco-regeling worden onder andere akkerranden, stroken teelt, rust- en vanggewassen, verlengde weidegang, kruidenrijk grasland, voer-/ eiwitgewas van eigen land, houtopstanden en langjarig grasland, alsook biologische landbouw gestimuleerd. Als streefcijfers voor 2027 voor de bescherming van de biodiversiteit zijn benoemd: • Op 60% van het oppervlakte cultuurgrond zijn activiteiten voor biodiversiteitsbehoud en -herstel. Op 22% van de Natura 2000-gebieden wordt het beheer verbeterd. • Er wordt 65.000 hectare aan landschap beheerd. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 58 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • Boeren ontvangen steun om 170.000 stuks zeldzame landbouwhuisdieren te behouden; • 1.330 bedrijven krijgen investeringssteun voor verbetering van de biodiversiteit en er worden 800 investeringen gedaan op het platteland voor verbetering van natuur, milieu en klimaat. • Er wordt gestreefd naar 6,5% van het landbouwareaal biologische productie (voortzetting en omschakeling) in Nederland. Deze streefcijfers zijn bij de totstandkoming van het GLB-NSP voor de periode 2023-2027 in overleg met provincies en de Europese Commissie tot stand gekomen, gebaseerd op een inschatting van het potentieel in Nederland dat met de beschikbare GLB-middelen zou kunnen worden gerealiseerd. De streefcijfers (resultaatindicatoren) zijn een belangrijk middel om de ambities en de voortgang van het GLB-NSP te kunnen beoordelen. Er wordt jaarlijks over de voortgang gerapporteerd en er vindt tweejaarlijks een review plaats met de Europese Commissie, waarbij wordt bezien of het GLB-NSP moet worden aangepast. Verschillende interventies van het GLB-NSP worden nog doorontwikkeld. De ervaringen van boeren en de overheid, soms uit pilots, worden hierbij betrokken. Met de impuls voor het agrarisch natuurbeheer (jaarlijks 500 miljoen euro vanaf 2026) levert het kabinet een belangrijke bijdrage aan het realiseren van doelen op het gebied van natuur, water en klimaat en biedt het realistische verdienmodellen voor agrarische ondernemers met de voorgenomen langjarige vergoedingen. In de eerste jaren zal het accent liggen op investeringen in gebieden, bijvoorbeeld de aanleg van landschapselementen op agrarische percelen. Hieronder wordt nader ingegaan op de bijdrage van een viertal interventies aan het specifieke doel van bescherming van de biodiversiteit: 1. Eco-regeling 2. ANLb 3. Samenwerkingsmaatregel veenweiden en overgangsgebieden Natura 2000 4. Niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven Eco-regeling Agrariërs die zorgen voor het landschap en ecosysteemdiensten leveren, worden daarvoor vergoed. Zij kunnen kiezen uit een lijst met eco-activiteiten die positief bijdragen aan biodiversiteit, landschap, kwaliteit van water, lucht en bodem en het klimaat. Hoe meer eco-activiteiten een boer onderneemt, hoe hoger de vergoeding. Er zijn 26 eco-activiteiten waaruit boeren kunnen kiezen. Een boer kiest activiteiten die passen bij zijn bedrijfsvoering of interesse. De gekozen eco- activiteiten moeten evenwichtig aan alle doelen bijdragen. Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Per 1 januari 2016 is het ANLb ingevoerd. De kern hiervan is een leefgebiedenbenadering voor (dier)soorten op basis van een collectieve, gebiedsgerichte aanpak. Het ANLb gaat uit van effectief en efficiënt agrarisch natuurbeheer (meer natuurwinst), een collectieve, gebiedsgerichte aanpak en –verantwoordelijkheid. Het ANLb ondersteunt het beheer van natuurgebieden en verbindt de natuur- gebieden met elkaar. Daarnaast zijn er veel soorten die hun leefgebied in het agrarisch gebied hebben. Via het ANLb worden de leefgebieden voor deze soorten in stand gehouden. Speciale aandacht gaat uit naar het behoud en herstel van de populatie boerenlandvogels. De inzet hierop wordt uitgebreid. Er wordt in het NSP ook budget vrijgemaakt om de acties zoals in ‘Aanvalsplan Grutto’ zijn geformuleerd uit te gaan voeren via het ANLb. De uitvoering van het agrarisch natuur- en landschaps- beheer wordt gedaan door 40 agrarische collectieven, waarin ruim 12.000 boeren samenwerken. Het blijkt vijf jaar na de invoering goed te werken. Boeren zijn meer betrokken bij het beheer, hebben meer ruimte om maatregelen aan te passen aan omstandigheden in het veld, zien meer ruimtelijke samenhang van het beheer en er zijn hoopvolle resultaten op het gebied van ecologie op gebiedsniveau. In de lopende GLB-periode is de inzet gericht op uitbreiding van de begrenzing van de beheergebieden, zodat meer boeren kunnen deelnemen. Daarnaast kan het ANLb worden toegepast op activiteiten in de bufferzones rondom Natura 2000-gebieden. In de beheerpakketten komt naast biodiversiteit meer ruimte om klimaat en water in de pakketten op te nemen. In de uitvoering wordt het mogelijk een koppeling aan te brengen tussen (niet-productieve) investeringen en het beheer. De impuls voor het agrarisch natuurbeheer zal doorwerken in volgende GLB-perioden met een voorziene geleidelijke groei tot 2035 in aantal hectares, aantal deelnemende boerencollectieven en type beheerpakketten. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 59 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 77 Meer informatie over het GLB-NSP is te vinden op Home | Toekomst GLB. Figuur 24. Agrarisch natuurbeheer in Corridor Amsterdam Hoorn. Waterbeheer is van belang voor de weide- en akkervogels in Nederland en kan bijdragen aan de biodiversiteit en waterkwaliteit. © Infrastructuur en Waterstaat, foto van Tineke Dijkstra Samenwerkingsmaatregel Veenweiden en overgangsgebieden Natura 2000 Deze interventie ondersteunt de gedeeltelijke beëindiging van melkveehouderijbedrijven dichtbij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hierdoor worden percelen en bedrijven extensiever (minder bemesten en minder dieren per hectare per bedrijf, geen stikstofkunstmest) en komt er meer ruimte binnen percelen en bedrijven voor een hoger percentage agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het streven is circa 50.000 hectare tot en met 2028. In veenweidegebieden wordt het verhogen van de grondwaterstand bereikt door geringere drooglegging te combineren met een waterinfiltratiesystemen, met als doel vermindering van de broeikasgasemissie door oxidatie van veen. Ook kunnen melkveehouderijbedrijven in veenweidegebied dezelfde vergoeding krijgen bij minder mest en minder dieren als bij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Vooral in de gebieden van het Aanvalsplan Grutto past het verhogen van de grondwater- stand in combinatie met minder mest en minder dieren. Het streven is circa 22.000 hectare tot en met 2028. Een vergoeding voor de waardedaling van landbouwgrond met behoud van de landbouwfunctie en met afgesproken beperkingen ten gunste van natuur, klimaat en biodiversiteit, een zogeheten gebiedspecifieke vergoeding, is nog in ontwikkeling. Niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven Deze regeling heeft betrekking op het vergroten van de biodiversiteit met zoveel mogelijk koppeling aan de uitvoering van andere doelen zoals klimaat, water en energie. Het gaat om de aanleg en het beheer van landschapselementen en bossen, efficiënter gebruik van watervoorzieningen en stikstofreductie.77 Programma Klimaatopgave Het Klimaatakkoord bevat nationale doelen voor Nederland om in 2030 tot een reductie van broeikasgas emissies van 55% ten opzichte van 1990. De nationale klimaatdoelen zijn vastgelegd in de Klimaatwet. Daarbij richt het kabinetsbeleid zich op een emissiereductie van 60% in 2030, zodat bij tegenvallers de 55% emissiereductie binnen bereik blijft. In 2050 wil Nederland klimaatneutraal zijn. Op het snijvlak tussen klimaatmitigatie en de biodiversiteitsopgave zijn onder andere de Bossenstrategie, groenblauwe dooradering, het Nationaal Programma Landbouwbodems en het Programma Veenweiden interessant. Deze genoemde beleidslijnen of programma’s worden nader beschreven bij actiedoel 8 Klimaatadaptatie. Stikstof Voor het beleid ten aanzien van stikstof wordt verwezen naar de actiedoelen 2 en 7. Groenblauwe dooradering Groenblauwe Dooradering (GBDA) beoogt een fijnmazig netwerk van (semi-) natuurlijke, kleine en vaak lijnvormige landschapselementen in het landelijk gebied op nationale schaal. De opgave 10 procent GBDA in 2050 komt voort uit de doelstelling van het Aanvalsplan Landschap, als verdere uitwerking van het Klimaatakkoord, opgenomen in de Bossenstrategie. Het Aanvalsplan Landschap is met een coalitie van Rijks- en medeoverheden en maatschappelijke DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.toekomstglb.nl/ 60 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 partijen tot stand gekomen en heeft daarmee een breed maatschappelijk draagvlak. De opgave van GBDA zet zich voort in het huidige beleid als nationale invulling om aan de wettelijke verplichting van de Europese Natuurherstelverordening, Vogel- en Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Water en Klimaatwet te voldoen. Als onderdeel van de Europese Natuurherstelverordening (NHV) zal de inzet van GBDA in lijn met het Aanvalsplan Landschap nog nader worden bepaald. Om de invulling van GBDA te monitoren, ook in het kader van de NHV, werkt het Rijk in samenwerking met onder andere medeoverheden aan een landsdekkend landschaps- elementen register. Het landelijk gebied in Nederland bestaat grotendeels uit agrarische ecosystemen, waardoor GBDA ook een maatregel van natuurinclusieve bedrijfs- voering is. De realisatie van GBDA is vooral op basis van de vrijwilligheid van terreineigenaren en agrariërs geborgd en hiermee veelal ondersteund in het huidige GLB-NSP. Daarnaast is GBDA in aanleg en beheer voor een deel opgenomen binnen het Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Door rekening te houden met het landschap en voormalig aanwezige cultuur historische patronen kan de integratie van natuurlijke, vaak niet-productieve landschaps- elementen ingezet worden voor bijvoorbeeld beschutting, plaagbestrijding, bestuiving, erfbepaling of om een toevluchtsoord en migratiemogelijkheden voor biodiversiteit te creëren. Daarmee wordt niet alleen bijgedragen aan de vitaliteit van de Nederlandse natuur, maar ook de weerbaarheid van de landbouwsector en daarmee onze voedselvoorziening. GBDA is tevens in te passen en te benutten voor de agrarische bedrijfsvoering als productieve investering, onder andere door middel van agroforestry. De ambitie om voor 2030 25.000 hectare agroforestry te realiseren en 1.000 hectare voedselbossen, is opgenomen in de Bossenstrategie. Agroforestry zijn teeltsystemen waarbij bomen en struiken bewust worden gecombineerd met de veehouderij, akkerbouw en/of groenteteelt op hetzelfde perceel. Het draagt bij aan productieve investeringen van agrariërs en daarmee ook de duurzaamheid en integratie van biodiversiteitvriendelijke werkzaamheden en agrarisch natuurbeheer in de landbouw. Actieplan Biologische Landbouw In 2022 heeft het kabinet het Actieplan Biologische Landbouw gepubliceerd. Hiermee wordt aangestuurd op een versnelling van de groei van het biologische landbouw areaal van 4% (in 2021), naar 15% in 2030. Dat betekent een groei van circa 80.000 hectare nu naar circa 300.000 hectare in 2030. Dit is een forse ambitie. De groei zal voornamelijk moeten komen van de melkveehouderij 78 Kamerstuk 30252 nr. 176 (25 okotber 2024) Kamerbrief over bedrijfsgerichte doelsturing | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. en akkerbouw, sectoren met veel areaal die grondgebonden zijn en met omschakeling kunnen bijdragen aan de opgaven die er zijn op natuur, stikstof, water, biodiversiteit en dierenwelzijn. Hiermee kan ook de kringlooplandbouw en de landbouwinclusieve natuur een extra impuls krijgen. Doelsturing Het kabinet werkt toe naar doelsturing met haalbare bedrijfsspecifieke normen voor broeikasgas- en stikstofemissies, waarbij ondernemers voldoende tijd krijgen om aan deze doelen te voldoen.78 Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ontwikkelt hiervoor verschillende doelsturings- instrumenten. Uitgangspunt is dit zoveel mogelijk publiek-privaat te doen, bijvoorbeeld bij het opstellen van gemeenschappelijke definities, bij de data-infrastructuur of een landelijk gedragen systematiek van kritische prestatie-indicatoren (kpi’s). De kpi’s bieden agrarisch ondernemers inzicht in hun duurzaamheidsprestaties en de mogelijkheid om hier op te sturen. Daarnaast wordt voor de melkvee houderij en akkerbouw een stoffenbalans ingevoerd om te sturen op emissiereductie en die gebruikt kan worden voor de toepassingsvormen van doelsturing (informeren, stimuleren, verantwoorden, beprijzen, afrekenen). Hiervoor is de actie-agenda stoffenbalans gestart. Nationaal Groeifondsprogramma Regeneratieve Landbouw Het Nationaal Groeifondsprogramma Regeneratieve Landbouw (Re-Ge-NL) ontwikkelt samen met Nederlandse boeren een toekomstbestendige landbouwsector waarbij landbouw samengaat met bodemverbetering, herstel van bodemleven en natuur. Daarnaast biedt het een goed verdienmodel voor boeren. Re-Ge-NL start tot 2030 met duizend boeren de overgang naar regeneratieve landbouw met een positieve business case in vijf focusgebieden. Door deze eerste stap te zetten wordt Re-Ge-NL een leidend voorbeeld voor de sector in Nederland en internationaal. Zo wordt regeneratieve landbouw het nieuwe normaal tussen 2030 en 2040. Het Nationaal Groeifonds investeert maximaal € 129 miljoen in het project. Duurzaamheidscriteria biogrondstoffen De inzet van biogrondstoffen is noodzakelijk voor een klimaatneutrale en circulaire economie. Daarbij geldt het uitgangspunt dat alleen duurzame biogrondstoffen hier een bijdrage aan kunnen leveren en dat duurzame biogrondstoffen uiteindelijk zo hoogwaardig mogelijk moeten worden ingezet. Duurzaam geproduceerde biogrondstoffen zijn echter niet ongelimiteerd DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://eur01.safelinks.protection.outlook.com/?url=https%3A%2F%2Fwww.rijksoverheid.nl%2Fdocumenten%2Fkamerstukken%2F2024%2F10%2F21%2Fbedrijfsgerichte-doelsturing&data=05%7C02%7Cl.r.s.buters%40minlnv.nl%7Ca63a410635c04a18f68b08dd444bd7d9%7C1321633ef6b944e2a44f59b9d264ecb7%7C0%7C0%7C638741815248211517%7CUnknown%7CTWFpbGZsb3d8eyJFbXB0eU1hcGkiOnRydWUsIlYiOiIwLjAuMDAwMCIsIlAiOiJXaW4zMiIsIkFOIjoiTWFpbCIsIldUIjoyfQ%3D%3D%7C0%7C%7C%7C&sdata=6rbo%2FIjNPhEpgzX2sQzb2uZfLEtpYuzAaOzZ6%2FFEKRU%3D&reserved=0 61 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 beschikbaar. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden voor welke productgroepen ze het beste kunnen worden ingezet. De SER (SER 2020) heeft hiervoor een afwegingskader opgesteld waarin onderscheid wordt gemaakt tussen laagwaardige toepassing (bijvoorbeeld voor het opwekken van elektriciteit of als brandstof voor personenvervoer, overbruggingstoepassing (bijvoorbeeld als brandstof voor de luchtvaart) en hoogwaardige toepassing (bijvoorbeeld als grondstof voor de chemische sector of de bouw). Het vorige kabinet heeft op basis van dit afwegingskader het duurzaamheidskader biogrondstoffen gepresenteerd dat richting geeft aan de inzet van duurzame biogrondstoffen in Nederland. Als onderdeel van het duurzaamheidskader biogrond stoffen wordt gewerkt aan regelgeving waarmee duurzaam- heidscriteria (waaronder over biodiversiteit) gesteld worden aan de herkomst van biogrond stoffen. Deze duurzaam- heids criteria zullen als randvoorwaarde gaan gelden voor gesubsidieerde of gereguleerde stromen biogrondstoffen onder het klimaat- en circulaire economie beleid. 1,5 Miljard euro voor boer en natuur in de provincies Het vorige kabinet heeft € 1,54 miljard beschikbaar gesteld voor zogenoemde koplopersmaatregelen in de regio. Het gaat om maatregelen voor bijvoorbeeld verduurzaming van veehouderijen of natuurherstel die snel uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen dragen bij aan toekomstbestendige landbouw en de doelen voor natuur, water en klimaat. Voorbeelden zijn een Fieldlab Veenweidenprovincies en innovatieve teelt van biologische lupine, soja en veldbonen. Overige programma’s en instrumenten Tot slot kunnen de volgende programma’s of instrumenten worden genoemd met een aanjaagfunctie: • De Agenda Natuurinclusief (zie actiedoel 14), een collectief van groene koplopers van bedrijven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, overheden en burgers. De Agenda beslaat 10 domeinen, waaronder de landbouw. Zie actiedoel 14 voor meer informatie over Agenda Natuurinclusief en paragraaf 10.1.B voor de inbreng van het domein Landbouw in het biodiversiteitsplan. • Kennis- en Innovatie-agenda’s van de Topsectoren (Klimaat en Energie en Landbouw, Water en Voedsel). • De Green Deal Natuurinclusieve Landbouw Groen Onderwijs, die een doorontwikkeling in het groene onderwijs beoogt te bewerkstelligen en hiermee de basis legt voor een andere manier van agrarisch ondernemen, namelijk een die natuur en landbouw met elkaar verbindt. In de Green Deal Natuurinclusieve Landbouw Groen Onderwijs werken partijen samen om deze doorontwikkeling in te zetten, te versnellen en te verbreden. • De opzet van goede monitoring van natuur in het landelijk gebied, zodat deze (beter) in beeld kan komen en kan worden gevolgd. • Basiskwaliteit Natuur, een indicator voor omgevingskwaliteit. Het is een manier om de gehele omgeving, dus alle condities die nodig zijn voor een soort, op orde te krijgen. • Diverse subsidies voor initiatieven die natuurinclusief boeren ondersteunen via de aanbod- en vraag kant (biodiversiteitsvriendelijk voedsel). Europese wetgeving Op Europees niveau draagt de Natuurherstelverordening bij aan actiedoel 10. In de Natuurherstelverordening (zie actiedoel 2) staan doelen beschreven voor het herstellen van landbouwecosystemen. Het Natuurplan, dat voor 1 september 2027 moet worden opgesteld op grond van de Europese Natuurherstelverordening, zal verder invulling geven aan de Nederlandse inzet op natuurherstel. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 62 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Agenda Natuurinclusief 2.079 Domein Landbouw Binnen het landbouwdomein van de Agenda Natuurinclusief werken statelijke en niet-statelijke actoren samen om de beweging naar natuurinclusieve landbouw te versnellen. Hierbij wordt ingezet op: • Het verbeteren van de kennisinfrastructuur van natuurinclusieve boeren, door regionale kennisplatforms en praktijknetwerken te versterken en uit te breiden; • Het verbeteren van het verdienvermogen van natuurinclusieve landbouw, door de bekostiging en financiering van (de ontwikkeling naar) natuurinclusieve boerenbedrijven te stimuleren; • Het vergroten van het draagvlak voor natuurinclusieve landbouw, zowel onder boeren als onder erfbetreders en de bredere samenleving. Kennis, verdienvermogen en draagvlak worden binnen de Agenda Natuurinclusief gezien als voorwaarden voor natuur- inclusieve landbouwgebieden die op een biodiversiteitsvriendelijke wijze worden beheerd. De samenwerking tussen statelijke en niet-statelijke actoren is daarin essentieel. 79 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 63 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 10.2 Aquacultuur en Visserij Figuur 25. Garnalenkotter op de Waddenzee © Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 80 Verordening (EG) Nr. 1100/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het bestand van Europese aal. We zijn trots op onze Nederlandse vissers, die al eeuwenlang bijdragen aan de voedselzekerheid. Visserij draait om het verantwoord oogsten van voldoende en kwalitatief voedsel uit de natuur, in harmonie met het ecologische systeem van gezonde wateren, zeeën en oceanen. We zetten in op het ondersteunen van innovaties in de visserij, met een focus op verduurzaming en het versterken van de natuur. Voor de garnalen visserij wordt een vrijwillige saneringsregeling aangeboden, gecombineerd met een toekomstvisie voor degenen die door willen gaan. Visie op voedsel uit zee en grote wateren In maart 2024 is de visie op voedsel uit zee en grote wateren aan de Tweede Kamer gestuurd. Uitgangs punten voor de visie zijn dat 1) voedsel uit zee belangrijk is, want het is een regionaal en gezond product met een relatief lage CO2-voetafdruk en 2) dat voedselwinning dient plaats te vinden binnen de draag kracht van het ecosysteem. Om dit laatste te bereiken worden maatregelen genomen om impact op het ecosysteem te beperken. Deze worden hieronder op hoofdlijnen beschreven. Daarbij gaat het – afhankelijk van het gebied en het type visserij – om het terugdringen van bodemberoering, bijvangst en CO2- uitstoot. Concrete maatregelen voor bescherming van de biodiversiteit (gebieds- en soorten bescherming) komen aan de orde bij actiedoel 2. De visie Voedsel uit zee en grote wateren wordt in 2025 – samen met de betrokkenen, waaronder visserijsector en NGO’s – uitgewerkt in concrete acties in een uitvoeringsagenda. Het Europese Gemeenschappelijk Visserijbeleid Visserij- en aquacultuuractiviteiten vallen onder EU-regelgeving: het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Het GVB beoogt dat visserij- en aquacultuur- activiteiten op de lange termijn ecologisch duurzaam zijn en worden beheerd in lijn met doelstellingen op economisch en sociaal gebied, werkgelegenheid en de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In het kader van het GVB wordt een voorzorgsbenadering gehanteerd en wordt beoogd dat de visbestanden een bepaald biomassaniveau bereiken en behouden. Via deze wijze van visserijbeheer kan de maximale duurzame opbrengst (Maximum Sustainable Yield, MSY) voor de visserijsector worden gerealiseerd zonder dat de voortplanting van de visbestanden in gevaar komt. Bestandsbeheer op MSY-niveau is voor Nederland een belangrijk speerpunt. Het GVB hanteert een ecosysteemgerichte benadering om negatieve gevolgen van visserij- en aquacultuur activiteiten voor het mariene ecosysteem en de biodiversiteit tot een minimum te beperken. Specifiek voor de bescherming van de aal is sinds 2007 de EU Aalverordening80 van kracht als kader voor lidstaten om nationaal maatregelen te treffen ter verbetering van de aalstand. Nederland heeft hiertoe een nationaal aalbeheerplan opgesteld met verschillende maatregelen om de aalstand te verbeteren. Hierin zijn visserij- beperkende maatregelen opgenomen zoals een gesloten periode voor de aalvisserij in de kustwateren, het IJsselmeer en de andere binnenwateren. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 64 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Daarnaast worden ook maatregelen getroffen om migratie belemmeringen voor de aal zoveel mogelijk weg te nemen. Kleinschalige kust- en binnenvisserij Voor de niet-mariene wateren die niet onder het GVB vallen heeft Nederland nationaal beleid ontwikkeld om te zorgen dat de visserij en de draagkracht van de beviste bestanden met elkaar in evenwicht zijn. Dit geldt voor de schelpdiervisserij, voor de kleinschalige kustvisserij en voor de visserij op de binnen wateren en het IJsselmeer. Noordzeevisserij en kustvisserij Het Nederlands beleid voor de visserij op de Noordzee en de garnalenvisserij in de kustwateren is gericht op voldoende gezond en veilig voedsel dat gewonnen wordt binnen de draagkracht van het ecosysteem. Om dat te bereiken richt het beleid zich op het terugdringen van de CO2-uitstoot, bijvangst en bodem beroering. Nederland beoogt deze doelen vooral te bereiken via innovaties en vergunningen. Voor de garnalenvisserij – die vrijwel volledig in natuurgebieden plaatsvindt –worden maatregelen om de balans tussen visserij en natuur te herstellen met de sector en natuurorganisaties besproken in het kader van de Toekomstvisie Garnalenvisserij. De Noordzeevloot is door de recente sanering al met 1/3e gekrompen, wat naar verwachting een positief effect heeft op de druk op het ecosysteem. Het inzetten op verdere verduurzaming blijft echter onverminderd noodzakelijk. Om innovatiekrachten te bundelen en ideeën te ontwikkelen is het Visserij Innovatie Netwerk (VIN) opgericht. Het VIN is een samenwerkingsnetwerk van het ministerie van LVVN met de stakeholders (vissers, scheepswerven, machinefabrieken, visnetspecialisten, NGO’s, wetenschappers etc.). De Community of Practice Noordzee richt zich als netwerkorganisatie daarnaast onder andere op het ontwikkelen van ideeën en samenwerking voor nieuwe vormen van voedselwinning als onderdeel van de duurzame blauwe economie. Pelagische visserij De pelagische visserij, die vooral buiten de Noordzee vist, levert met haring en makreel de grootste hoeveelheden Nederlandse vangsten. Haring en makreel scoren voor de CO2-voetafdruk binnen de verschillende vissoorten zeer gunstig. Daarnaast veroorzaakt deze visserij geen bodemberoering en heeft weinig tot geen bijvangst. Middelen voor het stimuleren van verduurzaming Voor de doorontwikkeling van de Noordzeevisserij en ontwikkeling van nieuwe vormen van voedselwinning worden Europese en nationale middelen ingezet. Hiervoor zijn en worden tot en met 2030 o.a. subsidieregelingen opengesteld voor innovaties en investeringen. Vanuit het Europese fonds EMFAF worden daarnaast innovatie subsidieregelingen opengesteld voor de overige visserij- en aquacultuursector. Concrete kwantitatieve doelen Nederland onderschrijft de concrete doelstellingen van het GVB. Verder zijn met diverse niet-statelijke actoren kwantitatieve afspraken gemaakt, o.a. via het Noordzeeakkoord en het Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee en het Addendum op Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 65 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 10.3 Bosbouw Figuur 26. Gekapte bomen © Openbaar Ministerie, foto van Loes Spruijt-van der Meer 81 Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren (2022) Gedragscode soortenbescherming bosbeheer 2022. 82 Ministerie van LVVN, Interprovinciaal Overleg (2020) Bossenstrategie: Bos voor de toekomst. Bossen hebben verschillende functies. Het beleid van de Nederlandse overheid is erop gericht tot duurzaam bosbeheer te komen, waarbij economische belangen en biodiversiteit worden afgewogen. Een ander doel van dit kabinet is om koolstofvastlegging te versterken in bossen, onder andere door het uitvoeren van de Bossenstrategie. Er zijn verschillende richtlijn voor houtproductie in Nederland. Bosbouw Bos in Nederland vervult gelijktijdig verschillende functies, zoalsnatuur, recreatie en welzijn, klimaat en productie van hout. Genoemde functies sluiten met elkaar aan op de internationaal erkende beginselen van duurzaam bosbeheer.81 Alle bossen in Nederland genieten bescherming onder de Wet natuur bescherming. Bossen met productiefunctie hebben nooit houtoogst als enige doel maar kennen een dubbelfunctie met natuur en biodiversiteit. De natuurfunctie stelt daarbij beperkingen aan de productie functie en omgekeerd. Voor houtoogst moet een ontheffing op de Omgevingswet aangevraagd worden. Daar waar een ontheffing is verleend moet de kap zorgvuldig met zo min mogelijk impact aan het bosecosysteem plaatsvinden. De Gedragscode Soortenbescherming Bosbeheer biedt richtlijnen en beschrijft gemaakte afspraken om kap zorgvuldig uit te voeren. Zo is er in de gedragscode afgesproken dat er geen vlaktekap mag plaatsvinden, kan er alleen groepenkap plaatsvinden met een maximale oppervlakte van 0,5 hectare en mag op ieder moment maar maximaal 30% van het bos in verjonging zijn. Daarnaast is in de Omgevingswet opgenomen dat alle kap gemeld moet worden en dat het gekapte areaal op dezelfde plek (en per uitzondering elders) gecompenseerd moet worden. Zo neemt het bosareaal in Nederland niet af. Het is tot op heden mogelijk een uitzondering te verkrijgen op de meld- en herplantplicht wanneer voor natuuromvorming bos binnen een Natura 2000-gebied gekapt wordt. In het kader van de Bossenstrategie is met provincies afgesproken dat dit bos alsnog, ook met terugwerkende kracht, gecompenseerd wordt. Dit wordt later ook in de Omgevingswet opgenomen. Een belangrijke component van het Nederlandse bosbeleid is revitalisering van de huidige bossen. Met deze ‘revitalisering’ werken we toe naar completere en meer diverse bossen. Dit zijn bossen met bomen van verschillende leeftijden en soorten, gevestigd op een gezonde bodem. Dit draagt bij aan de weerbaarheid, biodiversiteit en koolstofvastlegging. Ook zorgen we er zo voor dat het bos meer zelfregulerend en klimaatbestendig wordt. Dit is beschreven in de bossenstrategie waarvoor provincies revitaliseringsplannen aan het opstellen zijn.82 Nationale Bossenstrategie In 2020 is de landelijke bossenstrategie tot 2030 door Rijk en provincies aangenomen. De bossenstrategie kent de volgende doelen: • Een toename van 37.400 hectare bos • Een kwaliteitsimpuls voor bestaand bos • 10% groenblauwe dooradering in het landelijk gebied • Ontwikkelen van agroforestry • Stimuleren van hoogwaardig gebruik van hout • Uitbreiding 14.000 hectarenatuurbos binnen bestaand en nieuw bos DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-10/Gedragscode-soortenbescherming-bosbeheer-2022-1.pdf https://open.overheid.nl/documenten/ronl-d6ac7db2-0d36-45b0-9507-f76638a48c0d/pdf 66 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 11. Herstel, behoud en verbeter ecosysteemfuncties en -diensten door Nature-based Solutions Figuur 27. Nationaal park Weerribben-Wieden © Nadine Kliffen/IUCN NL 83 Nationaal groeifonds (n.d.), NL2120 het groene verdienvermogen. Biodiversiteit draagt bij aan het behoud van ecosysteem- diensten die essentieel zijn voor het welzijn van mensen en de economie. Deze diensten omvatten onder andere vruchtbare bodems, schoon water, schone lucht, klimaat- adaptatie, bestuivers voor voedselgewassen, en natuurlijke weerstand tegen ziekten en plagen. Biodiversiteit speelt ook een belangrijke rol in de beschikbaarheid van bouwmaterialen, medicijnen, industriële grondstoffen en draagt bij aan recreatie, toerisme en een aantrekkelijke leefomgeving. Nederland ondersteunt het behoud van deze ecosysteemdiensten door zowel beleid voor natuurherstel als beleid voor het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het inzetten van de natuur als oplossing (nature-based solutions, NbS). Ook wordt er gewerkt aan kennisontwikkeling over natuurlijk kapitaal en ecosysteemdiensten. Nederlands beleid omtrent natuurbescherming en –herstel Inzetten op robuust natuurbeleid draagt bij aan het herstellen en beschermen van ecosysteemdiensten in zowel natuurgebieden – inclusief binnenwateren, kust en marien – als in landelijke, stedelijke en overgangsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn (zie actiedoel 2 en 3), Natuurnetwerk Nederland (inclusief de Bossenstrategie), Kaderrichtlijn Water (zie actiedoel 7) en Programma Natuur (zie actiedoel 2); de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Uitvoeringsprogramma Waddenzee (zie actiedoel 2 en 3); de Programmatische Aanpak Groen in en om de Stad en het Programma Gezonde Leefomgeving (zie actiedoel 12). Voorbeeld van een Nature Based Solution: Prins Hendrik Zanddijk op Texel NbS bieden veel kansen voor klimaatadaptatie, het verhogen van de waterveiligheid en tegelijkertijd het versterken van natuurwaarden. De afgelopen jaren is door onder andere de waterschappen in Nederland al de nodige ervaring opgedaan met NbS. Een voorbeeld van een op waterveiligheid gericht NbS-project is de Prins Hendrik Zanddijk op Texel. In opdracht van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is deze dijk aan de kant van de Waddenzee versterkt met zand. Het eindresultaat lijkt erg op de natuur zoals deze was voor de aanleg van de dijk; een nieuw duinlandschap tegen de oude dijk en een kwelderlandschap aan de zeezijde. Dit draagt bij aan de biodiversiteit. Nederlandse inzet omtrent Nature-based Solutions Het inzetten van NbS kan bijdragen aan maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. klimaatadaptatie, water, biodiversiteit en gezondheid. Het Nationaal Groeifonds83 is opgezet en gefinancierd met €110 miljoen vanuit het DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.nationaalgroeifonds.nl/overzicht-lopende-projecten/thema-landbouw-voedsel-en-land-en-watergebruik/nl2120-het-groene-verdienvermogen-van-nederland https://www.hhnk.nl/prinshendrikzanddijk https://www.hhnk.nl/prinshendrikzanddijk 67 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Nationaal Groeifonds. NL2120 investeert in onderzoek naar NbS. Het doel is om klimaat effecten op te vangen, biodiversiteit te herstellen en tegelijkertijd het productievermogen te behouden en brede welvaart te versterken. Het programma combineert een nationaal kennisprogramma met het opdoen van ervaring in lopende gebiedsprojecten in verschillende landschapstypen, zoals de hoge zandgronden, veenweidengebied en stad. Binnen deze projecten leren betrokken partijen over de werking van natuurlijke oplossingen, innovatieve verdienmodellen en maatschappelijke transitieprocessen. Door kennis- ontwikkeling en praktijkervaring te combineren integreert, verdiept en verrijkt NL2120 bestaande kennis. Daarnaast probeert het programma ook zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande beleidstrajecten zoals de Nationale Omgevingsvisie en hierbij waar mogelijk NbS als oplossings- richting mee te geven en natuurlijk kapitaal duurzaam te benutten. Het consortium, ondersteund door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), bestaat uit kennisorganisaties, onderwijsinstellingen, bedrijven, groene maatschappelijke organisaties en overheden. Groenblauwe Dooradering Groenblauwe Dooradering (GBDA) beoogt een fijnmazig netwerk van (semi-) natuurlijke, kleine en vaak lijnvormige landschapselementen, geïntegreerd door het landelijk gebied heen. Landschapselementen als houtwallen of natuurvriendelijke oevers ondersteunen de weerbaarheid en klimaatadaptieve vermogen van onder andere, agrarische ecosystemen tegen weersextremen als droogte of overstroming. Bijvoorbeeld, door de windsnelheid te verlagen of het waterbergend vermogen te verhogen. Daarnaast zorgt het beoogde netwerk van GBDA voor toevluchtsoorden, migratie- en uitwisselingsmogelijkheden van soorten, ter bevordering van onder andere wilde bestuivers en de algemene basiskwaliteit natuur. Hiermee borgt GBDA de vitaliteit van de natuur ten behoeve van de maatschappij en draagt daarmee actief bij aan natuurlijke oplossingen voor de toekomstbestendigheid van het landelijk gebied, de landbouw en daarmee onze voedsel- zekerheid. De opgave van 10% GBDA in 2050 komt voort uit de doelstelling van het Aanvalsplan Landschap, als verdere uitwerking van het Klimaatakkoord opgenomen in de Bossenstrategie. Met actieve participatie van het Rijk wordt doorlopend gewerkt aan de verdere uitvoering van GBDA mede vanuit het Aanvalsplan Landschap. Voor meer informatie zie actiedoel 10. Actieprogramma Klimaatadaptatie Natuur Het Actieprogramma Klimaatadaptatie Natuur is onderdeel van de Nationale Klimaatadaptatie Strategie (zie actiedoel 8) en heeft als doel een veerkrachtige en klimaatbestendige natuur te realiseren én natuur in te zetten voor klimaatadaptatie. Hierbij is de ambitie om in 2030 (mede)overheden en terrein verantwoordelijken toegerust te hebben, zodat zij: • Om kunnen gaan met de effecten van de grootste klimaatrisico’s voor de natuur en biodiversiteit en deze, waar mogelijk, in te perken; • Natuurinclusieve oplossingen in kunnen zetten voor klimaatadaptatie in de fysieke leefomgeving; en • Klimaatadaptatie van en met natuur een structurele plek kunnen geven in beleid en uitvoering in de fysieke leefomgeving. Natuur speelt een belangrijke rol bij klimaatadaptatie. Zo zijn zoetwaterecosystemen onze buffers voor droge periodes én om water op te slaan tijdens hevige regenbuien. We willen de beweging naar een toekomstbestendig Nederland versnellen, waarbij natuurinclusiviteit en het water-, bodem- en ecosysteem de basis zijn. De verbondenheid tussen water, biodiversiteit en andere ruimtelijke opgaves vraagt om een integrale aanpak. Programmatische Aanpak Grote Wateren De Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW, zie actiedoel 2) draagt bij aan het verbeteren van de ecosysteemfuncties en -diensten van de grote wateren in Nederland. Hiermee draagt dit beleid ook bij aan het doelbereik van actiedoel 8, specifiek op het gebied van klimaatadaptatie. Met transities in het gebruik en beheer wordt economisch gebruik binnen de randvoorwaarden van het ecosysteem in de grote wateren mogelijk gemaakt. Om richting te geven aan de ingrepen zijn ecologische streefbeelden voor de grote wateren uitgewerkt. PAGW werkt samen met Hoogwaterveiligheidsprogramma, Ruimte voor de River 2.0 en andere wateropgaven. Middels NbS houden we Nederland veilig en leefbaar. Met deze maatregelen realiseert de PAGW een uitgangssituatie voor duurzame ecologische watersystemen dat óók aan de voorwaarden voldoet om de doelen van de Kaderrichtlijn Water en VHR/ Natura 2000 volledig te kunnen realiseren. Het investeringsvolume voor de PAGW is in 2018 begroot op ca. €1,8 miljard. In opdracht van het ministerie van LVVN onderzoekt Wageningen University & Research de mogelijkheden om de toepassing van NbS bij maatschappelijke opgaven aan te jagen en te versnellen. Het project is in 2022 gestart en heeft als doel om handelingsperspectief te bieden voor LVVN en andere stakeholders, onder meer met de verkenning van vier concrete casussen. Daarnaast zijn NbS opgenomen in het Beleidskompas voor Rijksambtenaren - de centrale werkwijze voor het maken van beleid bij de Rijksoverheid (zie actiedoel 14). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 68 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Naast deze initiatieven wordt er ook ingezet op het toepassen van NbS als oplossing voor verschillende maatschappelijke opgaven in o.a.: rekening houden met water en bodem (zie actiedoel 1), integraal rivier- management, de Zandmotor, Water in Balans, Landelijke Maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving, de aanleg van natuurlijke oevers en het bevorderen van biodiversiteit op dijken, Amsterdam Rainproof, Smart Rivers, de aanleg van klimaatbuffers, het Bijenlandschap West-Brabant, etc. Kennisontwikkeling rondom natuurlijk kapitaal en ecosysteemdiensten De Kennis- en Innovatieagenda Landbouw, Water, Voedsel 2024-202784 beschrijft de benodigde kennis en innovatie voor vraagstukken in het domein van landbouw, water en voedsel en bestaat uit zes missies. Eén van deze missies is veerkrachtige natuur, met innovatieprogramma’s op het gebied van versterken van natuur en biodiversiteit, versterken en waarderen van ecosysteemdiensten, effectieve en duurzame inzet van NbS, transitie naar een natuurinclusieve samenleving en technologie- en data-gedreven natuurbeleid- en beheer. Daarnaast beschrijft de Kennis- en Innovatieagenda ook de belangrijke rand voorwaarden om de gewenste impact te bereiken, zoals een effectieve ontsluiting van kennis naar bedrijven in de praktijk en een sterke samenwerking met het onderwijs en (inter)nationale (kennis)partners. De Natuurlijk Kapitaalrekeningen (NKR)85 voor monitoring en economische analyse geven inzicht in de waarde van ecosystemen, en beschrijven verschillende aspecten, namelijk: de omvang en kwaliteit van ecosystemen, de hoeveelheid geleverde ecosysteemdiensten alsook de monetaire waarde ervan. Toepassingen zijn onder andere het (visueel) in kaart brengen van de toestand en trends van ecosystemen en de hoeveelheid diensten die ze leveren. De 12 ecosysteemdiensten die zijn opgenomen in de NKR vertegenwoordigen een waarde van meer dan €13 miljard per jaar.86 Daarnaast is de totale waarde van mariene ecosysteemdiensten in het Nederlandse deel van de Noordzee €6 miljard per jaar.87 Deze waarden betreffen nog niet alle ecosysteemdiensten en ook worden intrinsieke waarden van de natuur, zoals de schoonheid van het landschap, hier niet in meegenomen. Deze rekeningen zijn ontwikkeld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en Wageningen University & Research (WUR) en komen voort uit de Europese milieu- 84 KIA-LWV (z.d.) Missie 1: Natuur – KIA Landbouw, Water en Voedsel. 85 CBS (2021) Natuurlijk Kapitaalrekeningen Nederland 2013-2018 | CBS. 86 CBS (2021) https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85854NED/table?dl=A3E21. 87 Bogaart et al. (2023) https://research.wur.nl/en/publications/seea-ocean-ecosystem-accounting-for-the-dutch-north-sea-towards-a. 88 ESVD (z.d.) Our database | Ecosystem Services Valuation Database. 89 Atlas Natuurlijk Kapitaal (z.d.) Atlas Natuurlijk Kapitaal | Atlas Natuurlijk Kapitaal. economische rekeningen (EEEA). Momenteel worden onderdelen van de NKR meegenomen in de Monitor Brede Welvaart en Sustainable Development Goals voor monitoringsdoeleinden. De Ecosystem Services Valuation Database (ESVD)88 verzamelt informatie over economische welzijns waarden met betrekking tot ecosysteemdiensten, gemeten in monetaire eenheden. Door dergelijke waarden in monetaire eenheden te communiceren, verstrekken zij herkenbare informatie die kan worden gebruikt om het belang van de natuur te internaliseren in besluitvorming van overheden, het bedrijfs leven en de financiële sector. De ESVD bevat momenteel 10.000+ datapunten van over de hele wereld uit meer dan 1100 studies, verspreid over alle biomen, ecosysteemdiensten en geografische regio’s. De ESVD is ontwikkeld door de Foundation for Sustainable Development. De Atlas Natuurlijk Kapitaal89 voor kennis- ontsluiting en besluitvormingsprocessen brengt de toestand en waarde van de ecosystemen en bijhorende diensten in kaart. Deze digitale atlas brengt beschikbare kennis en kaarten over ecosysteem diensten van verschillende kennisinstellingen bij elkaar. Ook biedt het handelingsopties en best practices. De Groene Baten Planner voor gemeenten is gebaseerd op deze Atlas. Ontwikkeld door RIVM in samen werking met Wageningen Environmental Research (WEnR), Wageningen Economic Research, Deltares, CBS, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), BIJ12 en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.kia-landbouwwatervoedsel.nl/missie-1-natuur/missie1-natuur/ https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2021/22/natuurlijk-kapitaalrekeningen-nederland-2013-2018 https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85854NED/table?dl=A3E21 https://research.wur.nl/en/publications/seea-ocean-ecosystem-accounting-for-the-dutch-north-sea-towards-a https://www.esvd.info/ourdatabase https://www.atlasnatuurlijkkapitaal.nl/ 69 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het Natuurlijk Kapitaal Model voor scenarioanalyse omvat een set ecosysteemdienst-modellen die gebruik maken van een set basiskaarten.90 Het model kan de effecten van toekomstscenario’s op de levering van ecosysteemdiensten door te rekenen en ruimtelijk in beeld 90 PBL (z.d.) Natuurlijk Kapitaal Model | Planbureau voor de Leefomgeving. 91 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. te brengen in een bepaald gebied. Het Natuurlijk Kapitaal Model is bijvoorbeeld ingezet voor de Natuurverkenning van het PBL (Figuur 28) en voor de evaluatie van de Groenvisie van Amsterdam. Ontwikkeld door WEnR, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en PBL. Figuur 28. Levering van goederen en diensten uit ecosystemen (blauw) bij een natuurinclusieve inrichting van Nederland (groen) ten opzichte van de totale vraag (100%). Er meer ecosysteemdiensten worden geleverd als je Nederland natuur inclusief inricht. Bron: Natuurlijk Kapitaal Model | PBL Planbureau voor de Leefomgeving. Agenda Natuurinclusief 2.091 Het doel van de Agenda Natuurinclusief is om de beweging voor een natuurinclusieve samenleving in 2050 te versterken. Daarmee wordt algeheel natuur- en biodiversiteitsherstel bevorderd én kan de positieve kracht van natuur duurzaam voor andere maatschappelijke opgaven worden benut. Natuurinclusief wordt daarbij gedefinieerd als de mate waarin maat- schappelijk en economische activiteiten verweven zijn met de natuur en er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd. Hierin wordt ook het potentieel van Nature-based Solutions genoemd. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.pbl.nl/modellen/natuurlijk-kapitaal-model 70 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 12. Vergroot groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze Figuur 29. Groen in de stad. @ Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, foto van Tineke Dijkstra Nederland heeft een grote woningopgave. We willen niet alleen voldoende woningen bouwen, maar ook zorgen voor een veilige, plezierige en gezonde leefomgeving, met goede toegang tot werk, onderwijs, recreatie, natuur, en cultuur. Dit doen we onder andere door voldoende groen in en rondom steden te behouden en de omgeving zo in te richten dat deze beter bestand is tegen klimaat- verandering. De leefbaarheid van zowel nieuwe als bestaande woongebieden heeft een grote invloed op het welzijn van iedereen, natuur en biodiversiteit kunnen helpen bij die leefbaarheid. Natuurherstelverordening stedelijk gebied - Groen in en om de stad Nederland maakt werk van de implementatie van de EU natuurherstel verordening. Voortbouwend op de aanpak van Groen in en om de stad (GIOS-aanpak) wordt de implementatie van artikel 8 uit de Europese Natuurherstelverordening (NHV) opgepakt. De NHV vraagt het voorkomen van nationaal netto achteruit gang van stedelijk groen en stedelijke boomkroonbedekking t/m 2030 en na 2030 een positieve trend in stedelijk groen en stedelijke boomkroonbedekking in elk van de stedelijke ecosysteemgebieden. Hoe dit in de praktijk wordt vormgegeven gaat onderdeel uitmaken van het Natuurplan dat conform de NHV wordt opgesteld. Streven hierbij is groen als onderdeel van een veilige, leefbare, gezonde leefomgeving. Die uitnodigt tot bewegen en recreëren, klimaatadaptief en biodivers is. De aanpak heeft meerdere doelen: 1) klimaatadaptatie, 2) vergroten van de leefbaarheid van het stedelijk gebied (ook in relatie tot de verstedelijkingsopgave), 3) bevorderen van een gezonde leefomgeving en 4) het versterken van de biodiversiteit in het stedelijk gebied. De inzet is gericht op het realiseren van een samenhangende aanpak van het groen in en om de stad die optimaal bijdraagt aan deze doelen en richt zich met name op het ondersteunen van medeoverheden. Hiertoe is in 2024 de eerste versie van de Handreiking Groen in en om de stad gepubliceerd. De handreiking helpt decentrale overheden hun groenvisie, ambities en doelstellingen helder te formuleren en te komen tot een strategie en plan voor de uitvoering, beheer en onderhoud, de ruimtelijke vertaling hiervan en groen agenderen als integrale opgave op de gemeentelijke, regionale en provinciale agenda en als gelijkwaardige pijler in het ruimtelijke domein. Basiskwaliteit Natuur in bebouwd gebied wordt hier een onderdeel van. Gezamenlijk met gemeenten en andere partijen worden diverse leerpunten verder opgepakt om de handreiking in 2025 te actualiseren en concretiseren. Kennisontwikkeling en kennisdeling Naast de handreiking worden meerdere tools ontwikkeld voor andere overheden en wordt kennis opgedaan voor het realiseren van groen in en om de stad, zoals bijvoorbeeld kennis over de basiscondities die soorten nodig hebben (Basiskwaliteit Natuur). Ook wordt gekeken hoe kennis gedeeld kan worden via leernetwerken of via DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 71 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 een digitale kennisbank. Er is binnen de velden van beleid, onderzoek en realisatie al veel kennis aanwezig. Voorheen zijn, los van de aanpak GIOS, tools en data ontwikkeld om de effecten van groen op de ecosysteemdiensten in beeld te brengen. Voorbeelden daarvan zijn de Atlas Natuurlijk Kapitaal, de Groene Batenplanner, Natuurlijk Kapitaalrekeningen (zie actiedoel 11) en de maatschappelijke kosten-batenanalyse Werkwijzer Natuur (zie actiedoel 14). Het kabinet ondersteunt ook diverse fysieke en digitale netwerken zoals het platform voor klimaatadaptief bouwen met de natuur en Groenblauwe netwerken. Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadap- tieve gebouwde omgeving De landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving is de basis voor het klimaatadaptief bouwen. De landelijke maatlat definieert eenduidig wat we onder klimaatadaptief bouwen en inrichten verstaan en bestaat uit kwalitatieve doelen, kwantitatieve prestatie-eisen en richtlijnen voor de thema’s overstromingen, wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit en bodemdaling. De koepels van medeoverheden hebben bestuurlijk commitment uitgesproken om de landelijke maatlat al zoveel mogelijk te gebruiken. Het doel voor biodiversiteit en natuurinclusiviteit in de maatlat luidt: ‘Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit worden versterkt op alle schaalniveaus.’ Dit is vervolgens uitgewerkt in de volgende richtlijnen: • waardevolle habitats en basiskwaliteit natuur behouden en realiseren; • groene oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen en structuren hebben de voorkeur boven technische oplossingen; en • percentage groen op buurtniveau behouden en realiseren. Natuurinclusief bouwen Het vergroten van groene en blauwe ruimten in de stad kan ondersteund worden door natuurinclusief bouwen. Er lopen verschillende ontwikkelingen die hiervoor relevant zijn: • Basiskwaliteit Natuur: Ter ondersteuning van herstel van ecosystemen buiten natuurgebieden wordt via een programmatische aanpak gewerkt aan Basiskwaliteit Natuur (BKN). Het gaat daarbij specifiek om het herstel van condities en daarmee ecosystemen die noodzakelijk zijn voor algemene soorten buiten natuurgebieden, zoals de egel, de korenbloem en de huismus. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) werkt in samenspraak met provincies, andere ministeries, maatschappelijke- en kennispartners aan de uitwerking van BKN. Meer informatie over BKN is te vinden bij actiedoel 2. • Soortenmanagementplannen: Voor een natuurinclusieve na-isolatieopgave van woningen heeft het kabinet middelen beschikbaar gesteld om op decentraal niveau zogenoemde Soortenmanagementplannen (SMP) op te stellen. Met een SMP brengen we de soorten en de te nemen mitigerende en compenserende maatregelen in een gebied in beeld op basis waarvan provincies een gebiedsvergunning kunnen verlenen. In zo’n SMP kan een gemeente ook andere ruimtelijke opgaven meenemen. Nationaal Groeifondsprogramma Werklandschappen van de Toekomst Werklandschappen van de Toekomst is een brede beweging van partijen die met innovaties op diverse terreinen toewerken naar toekomstgerichte, groene, gezonde en klimaatbestendige bedrijventerreinen. Dit programma - wat door het Nationaal Groeifonds mede gefinancierd wordt met €26 miljoen - werkt in negen jaar toe naar een nieuw normaal, waarin bedrijventerreinen transformeren naar groene, gezonde, energie-efficiënte en klimaatbestendige werklandschappen van de toekomst. Dit vraagt innovatie op meerdere terreinen. De werkwijze van Werklandschappen van de Toekomst bestaat uit vijf oplossingsrichtingen: • onderbouwen en verspreiden van de business cases voor vergroening van bedrijventerreinen. Dit levert een bijdrage aan het verduurzamen en klimaatbestendig maken van bedrijventerreinen; • verbinden van publieke en private belangen teneinde gezamenlijk te financieren; • verhogen van inzicht in de waarde en opbrengsten van het groen; • innovatieve fysieke oplossingen ontwikkelen, testen en toepassen; en • versterken van de groene sector door een nieuwe arbeidsmarktaanpak. Vanaf 2024 wordt gestart met het testen van innovaties op geselecteerde bedrijventerreinen. Groenblauwe dooradering Groenblauwe Dooradering (GBDA) beoogt een fijnmazig netwerk van (semi-)natuurlijke en vaak lijnvormige en kleine landschapselementen, geïntegreerd door het Nederlands cultuurhistorische landschap. De opgave van 10% GBDA in het landelijk gebied komt voort uit de doelstelling van het Aanvalsplan Landschap, wat als verdere uitwerking van het Klimaatakkoord is opgenomen in de Bossenstrategie. Door GBDA te realiseren in het landelijk gebied, richt deze opgave zich eveneens op de stadsranden en woonlandschappen van de stedelijke gebieden. Daarmee heeft de maatschappij direct toegang tot de verbindingszones van GBDA en DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 72 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 worden de blauw-groene ruimten van het stedelijk gebied en het landelijk gebied effectief geïntegreerd. GBDA levert hiermee een bijdrage aan de verschillende ecosysteem- diensten benodigd in het stedelijk gebied zoals klimaatadaptatie en waterhuishouding. Daarbij wordt de biodiversiteit binnen en buiten de stedelijke gebieden op een geïntegreerde wijze bevordert, in samenhang met de ruimtelijke opgaven van de stad. De inzet van GBDA zal binnen de uitwerking van het NHV traject nog nader bepaald worden, in voortzetting op de doelen zoals opgenomen in de Bossenstrategie. Ecologisch bermbeheer Het Natura 2000-areaal onder beheer van Rijkswaterstaat omvat delen van bermen van hoofdwegen en uiterwaarden. Langs het spoor beheert ProRail de bermen. Voor de rijksinfrastructuur is een basis kwaliteits niveau vastgesteld: welke kwaliteit moet dit minimaal hebben om aan de vervoersfunctie te kunnen voldoen? Hierbij dient te worden voldaan aan wet- en regelgeving, onder meer op het vlak van soortenbescherming. Zorg voor beschermde soorten is aan de orde op grofweg 20% van het areaal. Daarnaast werkt ProRail momenteel aan het aanbesteden van duurzaam bermbeheer onder de noemer ‘Meer natuur in de berm’. Hierbij maakt de groenaannemer meer biodiverse keuzes bij het uitvoeren van groenonderhoud. Daarnaast stelt ProRail zich ten doel om voor elke gekapte boom meer bomen te herplanten dan de wettelijke verplichting voorschrijft. In het project Groene Netten wordt met infra- en netbeheerders verkend welke gezamenlijke maatregelen een positief effect zouden kunnen hebben op biodiversiteitsherstel. Ook vanuit de Agenda Natuurinclusief, binnen het domein infrastructuur, wordt ingezet op het bevorderen van ecologisch bermbeheer. Programma Gezonde Leefomgeving Een gezonde leefomgeving nodigt uit tot gezond gedrag, stimuleert beweging en ontmoeting en beschermt tegen gezondheidsrisico’s. Het programma Gezonde Leefomgeving richt zich op professionals uit het sociale en fysieke domein die op lokaal en regionaal niveau werken aan een gezonde leefomgeving. Door het toegankelijker maken van kennis en data en het bieden van praktisch toepasbare instrumenten kunnen professionals gezondheid meer integraal meenemen in hun beleid en uitvoering. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is de opdrachtgever voor dit programma. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en ZonMw voeren het uit. Groen en water kunnen beïnvloeders van gezondheid zijn en zijn een belangrijk thema bij het gezond ontwerpen en inrichten van de leefomgeving. In het Programma Gezonde Leefomgeving komt het thema groen/blauw terug in: • te ontwikkelen vuistregels voor niet-genormeerde aspecten van een gezonde leefomgeving (groen/blauw, beweegvriendelijkheid, ontmoeten). • kennisontwikkeling en -toepassing via ‘living labs’ en subsidieprojecten, gericht op onder andere een groene(re) omgeving en het beter beschermen van inwoners tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering; • zichtbaar maken van de baten van een groene leefomgeving, waarbij ingezoomd wordt op typen groen in relatie tot gezondheid; • versterken van bestaande leerstructuren met kennis over gezondheid en leefomgeving, met onder andere een vrij toegankelijke leermodule; • doorontwikkelen van diverse instrumenten, zoals een kernset indicatoren voor een gezonde leef omgeving en ruimtelijke aspecten van groen in handreikingen; • het samenbrengen van ontwerpprincipes, praktijk- voorbeelden en instrumenten in een online Toolbox. • inbreng van kennis ten behoeve van de doorontwikkeling van de Handreiking GIOS. Deltaplan Biodiversiteitsherstel Het Deltaplan Biodiversiteitsherstel is een groep van expertorganisaties en gemeenten die zich inzetten voor biodiversiteit in de openbare ruimte. Het doel van het Deltaplan is om organisaties te stimuleren en te activeren om meer aan biodiversiteitsherstel te doen. Daarom heeft het Deltaplan verschillende ambities en doelen voor de bebouwde omgeving opgesteld: • in 2050 bestaat 10% van het landelijk gebied uit landschapselementen; • in 2030 wordt 50% van de openbare ruimte ecologisch beheerd; • iedere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling levert een toename op voor biodiversiteit. In 2030 geldt dit voor minimaal 50% van de projecten. Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid Het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid zet in op het versterken van het beleid omtrent preventie, monitoring en bestrijding van zoönotische infectieziekten (zie actiedoel 5). Om een toename van vectoroverdraagbare infectieziekten te voorkomen is het van belang om, naast het optimaal gebruik maken van de positieve effecten van groen en blauw, ook de eventuele (indirecte) volksgezondheidsrisico’s in het oog te houden. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 73 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Verblauwing en vergroening van de stad kan diverse doelen hebben, bijvoorbeeld verkoeling, klimaat adaptatie, of verbetering van de biodiversiteit. Er zijn voorbeelden te bedenken waar naar meer groen gestreefd wordt om het welzijn van bewoners te verhogen of om verkoeling te brengen), maar niet gericht op meer biodiversiteit. Dat kan bijvoorbeeld door het creëren van een grasveld met een aantal bomen. Dat zal minder stimulerend werken voor de biodiversiteit dan een heel gevarieerde omgeving met verschillende struiken en bomen. Zo dient er een goede afweging gemaakt te worden tussen doel en functie van het in te richten groen & blauw. In het kader van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid worden 92 Op onderdelen bestaan al handreikingen om zoönosenrisico’s mee te wegen, zoals de ‘Handreiking Veehouderij en gezondheid omwonenden’. 93 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. 94 KAN Bouwen (2023) Natuurinclusief bouwen voor gezonde bewoners; Top-10 maatregelen voor nieuwbouw en gebiedsontwikkeling. handreikingen92 opgesteld, die decentrale overheden kunnen gebruiken bij het maken van beleidskeuzes rondom de inrichting van het landelijk en stedelijk gebied. De handreikingen kunnen daarnaast ook benut worden door andere partijen, bijvoorbeeld door omgevings- diensten, terrein beherende organisaties en natuurorganisaties. Voor decentrale overheden ligt er een belangrijke rol om de integratie van infectieziektebeheersing met groen- en waterbeheer en de advisering over inrichting van de leefomgeving te bewerkstelligen. Agenda Natuurinclusief 2.093 Domeinen binnen de Agenda Natuurinclusief die significant bijdragen aan het vergroten van groen en blauw in de stad zijn het domein Bedrijventerreinen en het domein Bouw. De domeinen hebben elk hun eigen ambities en acties. Daarnaast wordt er samen met andere domeinen gewerkt aan het gericht en onderbouwd integreren van groene en blauwe elementen in de diverse omgevingen. Dit wordt mede gedaan op basis van onderzoek naar de basisbehoeften van de mens ten aanzien van groenblauw in de omgeving, onder andere middels het initiatief ‘Stad als natuurpark’. Domein Bedrijventerreinen De ambitie is gericht op het versnellen van de beweging voor de transformatie van bedrijventerreinen tot natuurinclusieve landschappen, zowel bij bestaande terreinen als herstructurering en nieuwbouw. Het domein streeft ernaar dat onze bedrijventerreinen weer volwaardige onderdelen van het landschap worden, waar voldoende ruimte is voor zowel mensen als natuur, en waar toekomstige bedrijvigheid gedijt. Om deze ambitie te realiseren, streven we naar optimaal gebruik van ruimte met een focus op meervoudig gebruik. Elk van de activiteiten van het domein Bedrijventerreinen is gekoppeld aan één of meerdere Top 10 maatregelen, zoals opgesteld door het Klimaatadaptief bouwen met de Natuur (KAN) platform94 met Agenda Natuurinclusief en Alles is Gezondheid. De Top 10 dient voor dit domein als leidraad om te sturen op concrete resultaten. Maatregel 6 en 7 zijn minder relevant voor bedrijventerreinen en enkele andere maatregelen vergen aanpassingen voor de specifieke situatie. Daarom ontwikkelt dit domein een eigen variant. Naast het koppelen van activiteiten aan de top 10 maatregelen heeft het domein een viertal acties die bijdragen aan actiedoel 12 - en deels ook aan actiedoel 8 - van het biodiversiteitsplan: 1. Gedragsbeïnvloeding: Een verhaal ontwikkelen vanuit de praktijk, door het ophalen van ervaringen en inbouwen van leermomenten. Doelgroep zijn de beslissers op andere terreinen, parkmanagers, ondernemersverenigingen, bedrijven en (gemeente)ambtenaren. 2. Kennisontwikkeling van ecologie op bedrijventerreinen: Deze actie omvat een werksessie met ecologen en ondernemers voor het ontwikkelen van een stappenplan. Focus ligt op het identificeren van ruimte op bedrijventerreinen voor ecologie in plaats en ook in de tijd. 3. Juridische instrumenten in beeld: Deze actie omvat onderzoek naar de bestaande juridische instrumenten voor natuurinclusiviteit op bedrijventerreinen, voor nieuwbouw en voor bestaande bebouwing en terreinen. Belangrijk is dat een goede economische functie daarbij geborgd blijft. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.kanbouwen.nl/wp-content/uploads/2024/03/270923KAN Natuurinclusief-bouwen-voor-gezonde-bewoners .pdf 74 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 4. Onderzoek groene gezonde bedrijventerreinen: Deze actie omvat samenwerking met Fontys Hogeschool. Zij voeren een onderzoek uit waarin casestudies worden uitgevoerd naar de wijze waarop initiatieven in gezondheid en biodiversiteit voor vergroening van bedrijventerreinen kunnen worden versneld. Hierin gaat Fontys ook de succes- en faalfactoren in beeld brengen. Domein Bouw De ambitie van domein Bouw is gericht op natuur als vanzelfsprekend onderdeel van de bebouwde omgeving. De bebouwde omgeving kan niet zonder natuur. In ons bebouwde gebied hebben we natuur nodig voor de verbetering van lucht- en waterkwaliteit, klimaatadaptatie, gezondheid en ruimte voor recreatie en ontspanning. Om natuur duurzaam in stand te houden is het essentieel om biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en de natuur te herstellen. Ook willen we producten gebruiken zoals biobased bouwmaterialen (gemaakt van lokaal geproduceerde van plantaardige materialen) zodat we niet alleen de lokale biodiversiteit stimuleren, maar ook de biodiversiteit elders kunnen ontzien. Natuur buiten ons bebouwde gebied, zoals de Natura 2000-gebieden, kan juist weer worden ondersteund door hoogkwa- litatieve groenblauw verbindingen in onze bebouwde omgeving waarmee de Basiskwaliteit Natuur wordt behaald; denk hierbij aan voedsel en nestelaanbod. Planten, dieren en hun omgeving zijn afhankelijk van elkaar en vormen een samen- hangend geheel: een ecosysteem. Het versterken van het ecosysteem en daarmee de natuur én alle voordelen die natuur oplevert, zien wij als vanzelfsprekend onderdeel van bouwen en ontwikkelen en domein bouw gaat de transitie daarnaar- toe versnellen. Vanuit domein Bouw ontwikkelen en nemen we actie in visie- en strategievorming met als uiteindelijk doel om bewust- wording en gedragsverandering te creëren ten behoeve van natuurinclusieve gebouwde omgeving. We houden ons bezig met ruimtelijke planning, ontwerpen, bouwen en gebruik. Om de bebouwde omgeving natuurinclusief te maken, is het nodig om de verschillende schaalniveaus te koppelen in beleid, uitvoering en gebruik: gebied, kavel en gebouw. Binnen ons domein houden wij ons bezig met de bouw en het gebruik van nieuwe en bestaande gebouwen, dus: woning en utiliteit. Maar ook de directe leefomgeving hoort daarbij en dus de ruimtelijke planning van de gebouwde omgeving. Kortom: domein Nouw beweegt zich binnen een brede range van bebouwing, infrastructuur en openbare en private leefomgevingen waarbinnen gewoond, gewerkt en gecreëerd wordt. Alle acties van domein Bouw zullen bijdragen aan het biodiversiteitsplan en dan met name de actiedoelen 8, 11, 12, 14, 19, en 21. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 75 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 13. Vergroot het delen van de voordelen van genetische hulpbronnen, digitale sequentie-informatie en traditionele kennis Figuur 32. Aardappelplantje © Valerie Kuypers 95 Kamerstuk 34142, nr 5 (9 maart 2015) Kamerstuk 34142, nr. 5 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen. Sommige wilde plantensoorten, bacteriën en schimmels hebben interessante eigenschappen die gebruikt kunnen worden in de landbouw of voor geneesmiddelen en cosmetica. Het internationale Nagoya Protocol zorgt voor de eerlijke verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische rijkdommen. Nederland heeft dit protocol ondertekend en maakt daarom gebruik van genetisch materiaal uit organismen binnen de kaders van het protocol. De Europese ABS Verordening regelt de naleving van dit protocol, en Nederland heeft de Wet Implementatie Nagoya Protocol en de beleidsnota ‘Bronnen van ons Bestaan’ geïmplementeerd. Bronnen van ons bestaan In 2002 heeft de Nederlandse regering de beleidsnota ‘Bronnen van ons bestaan’ aangenomen.95 Deze nota wordt op dit moment geactualiseerd om in te gaan op de laatste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek en innovatie, conservering en duurzaam gebruik van genetische bronnen, en de verdeling van de voordelen die voortkomen uit het gebruik van genetische bronnen, daarmee samenhangende traditionele kennis, en Digitale Sequentie Informatie (DSI). Deze beleidsnota dient als richtlijn voor overheidsprogramma’s en -activiteiten op het gebied van genetische bronnen. De hoofddoelstelling van het beleid wordt hierin geformuleerd als ‘het behoud en duurzaam gebruik van genetische bronnen, en een billijke verdeling van de voordelen die voortkomen uit het gebruik van genetische bronnen’. Als partij van het VN-biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD) erkent Nederland de nationale soevereiniteit van landen ten aanzien van hun genetische bronnen en komt het de verplichtingen uit het verdrag na. Tegelijkertijd wordt gestreefd naar een zo vrij mogelijke toegang tot en uitwisseling van genetisch materiaal binnen en tussen landen voor kennisontwikkeling en voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit. Uitwisseling dient gebaseerd te zijn op wederzijdse en vooraf overeengekomen afspraken tussen de leverende en ontvangende partijen, en moet bijdragen aan behoud, beheer en duurzaam gebruik van genetische bronnen in landen van oorsprong. De uitwisseling is mede gebaseerd op afspraken die bijdragen aan een billijke verdeling van voordelen van het gebruik van betreffend genetisch materiaal; als zodanig wordt hiermee in ontwikkelingslanden bijgedragen aan armoedebestrijding. Lokale en inheemse kennis over het beheer en gebruik van genetische bronnen wordt gerespecteerd, waarbij gezocht DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34142-5.html 76 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 wordt naar een billijke verdeling van voordelen. Tenslotte moeten gebruikers van genetische bronnen bijdragen aan een transparante, internationaal georiënteerde uitwisseling van kennis en informatie over genetische bronnen, met bijzondere aandacht voor de herkomst van het genetisch materiaal. In de nota wordt onderstreept dat veel ontwikkelingslanden en enkele westerse landen wet- en regel geving hebben ontwikkeld over de toegang tot en het beheer van genetische bronnen, maar dat er sprake is van zeer grote verschillen tussen landen. Daarom wordt het noodzakelijk geacht om de informatie voorziening over dergelijk beleid, wet- en regelgeving te verbeteren. Bedrijven, instellingen en burgers worden opgeroepen om zorgvuldig om te gaan met beleid, wet- en regelgeving dat internationaal is overeengekomen of in andere landen is vastgesteld. Er wordt gesteld dat het verkrijgen van overeenstemming vooraf bij afzonderlijke transacties van genetische bronnen van groot belang is om potentiële conflicten te vermijden, zeker met landen die vergaande wetgeving hebben ontwikkeld. In de nota stelt de regering verder dat zij het niet noodzakelijk acht om haar soevereiniteit ten aanzien van de toegang tot in Nederland voorkomende genetische bronnen in nationale wetgeving te verankeren (zie paragraaf 3.2 van de nota). Voor wat betreft internationale samenwerking wordt gesteld dat Nederland zich actief zal blijven inzetten voor een goede internationale samenhang tussen de diverse internationale fora en een sterke wisselwerking van de internationale en nationale aanpak voor genetische bronnen. Wettelijke Onderzoekstaak Genetische Bronnen In het kader van het beleid zoals aangegeven in de bovengenoemde nota Bronnen van ons bestaan heeft de regering een reeks vijfjarige overeenkomsten getekend met het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) van Wageningen University & Research. Deze overeenkomsten zijn gericht op de onderzoekstaak genetische diversiteit en identiteit van soorten die van belang zijn voor de landbouw en bosbouw, en een werkprogramma uit te voeren dat bijdraagt aan het behoud en gebruik van genetische hulpbronnen in internationale samenwerking. Binnen deze overeenkomsten voert CGN in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de Wettelijke Onderzoekstaak Genetische Bronnen (WOT GB) uit. Het werkprogramma maakt het onderhoud van de ex situ collecties en de daarmee samenhangende informatie- en documentatie- instrumenten mogelijk, evenals onder steuning van in situ 96 Technopolis Group (2020) Evaluatie WOT Genetische Bronnen. (inclusief op boerderijen) conservatie door andere actoren, regionale samenwerking in de Europese netwerken, beleidsondersteuning voor de overheid en educatieve activiteiten gericht op het bereiken van een breder publiek. CGN beheert een collectie belangrijke gewassen waarvan de omvang de komende jaren uitgebreid zal worden, op advies van een een externe evaluatie van Technopolis.96 Met name relevant voor actiedoel 13 zijn de activiteiten van CGN op het gebied van Access and Benefit-Sharing (ABS) die in het kader van het WOT-programma worden uitgevoerd. Allereerst is het CGN door de Nederlandse overheid aangewezen als national focal point (NFP) voor ABS in Nederland. Het NFP geeft voorlichting en informatie over ABS, om ervoor te zorgen dat er bij de verschillende gebruikers groepen van genetische bronnen in Nederland een adequaat bewustzijn ontstaat over afspraken met betrekking tot ABS, en voldoende kennis aanwezig is over de inhoud van wet- en regelgeving. Daarnaast is een aanzienlijk deel van het onderdeel ‘Technische beleidsadvisering voor behoud en duurzaam gebruik van genetische bronnen’ gericht op het ondersteunen van LVVN bij activiteiten van Nederland in internationale fora op het gebied van ABS, zoals de CBD, het Nagoya Protocol, het Internationale Verdrag inzake Plantgenetische Bronnen voor Voedsel en Landbouw (ITPGRFA) van de VN Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en de Commissie voor Genetische Bronnen voor Voedsel en Landbouw (CGRFA). Toegang tot en verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis Nederland is partij bij de CBD (van kracht geworden in 1993) en haar Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik (van kracht geworden in 2014). De CBD en het Nagoya Protocol zijn de belangrijkste internationale overeenkomsten op het gebied van toegang en verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis. Nederland is ook partij bij verschillende gespecialiseerde instrumenten voor toegang tot en verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis, met name het ITPGRFA (dat betrekking heeft op meer dan zestig voedsel- en voedergewassen) en het Kader betreffende de paraatheid voor influenzapandemieën onder de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), dat betrekking DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://open.overheid.nl/documenten/ronl-e78cb14d-e2dd-4d84-9acc-3f10942c9df1/pdf 77 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 heeft op influenzavirussen die tot een voor mensen gevaarlijke pandemie kunnen leiden. Verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis Binnen de EU wordt het nalevingsaspect van het Nagoya Protocol geïmplementeerd door de EU ABS Verordening97 die op 12 oktober 2014 in werking trad. Deze verordening is wettelijk bindend en bevat verplichtingen voor gebruikers van genetische bronnen en bijbehorende traditionele kennis in de EU en voor regeringen van EU-lidstaten. Lidstaten kunnen aanvullende ABS- wetgeving hebben, bijvoorbeeld over de toegang tot genetische bronnen. De EU ABS Verordening is van toepassing op genetische bronnen die 1) verkregen zijn op of na 12 oktober 2014; 2) verkregen zijn uit een land dat partij is bij het Nagoya Protocol en toepasselijke toegangsregels heeft vastgesteld en 3) binnen de EU worden gebruikt. De Uitvoeringsverordening98 die in 2015 in werking is getreden, geeft een nadere uitwerking van specifieke bepalingen van de EU ABS Verordening. In het bijzonder geeft deze verordening informatie over het EU-register van collecties, zorgvuldigheidsverklaringen en erkende beste praktijken. Ter uitvoering van het Nagoya Protocol en de ABS- verordening in Nederland is op 23 april 2016 de Wet implementatie Nagoya Protocol van kracht geworden. De Wet implementatie Nagoya Protocol bevat begripsomschrijvingen en gaat in op de uitvoering, de aanwijzing van bevoegde instanties, sancties en andere maatregelen. De memorie van toelichting bij de Wet implementatie Nagoya Protocol gaat in op de achtergrond van het protocol, licht de inhoud toe en bespreekt de verhouding tot andere verdragen. Ook wordt ingegaan op de inhoud van de EU ABS-verordening en de uitvoering ervan in Nederland. De verhouding tot andere wetgeving en de lastendruk worden behandeld, en tenslotte is er een artikels gewijze toelichting van de Wet implementatie Nagoya Protocol. In de bijlage worden de relaties weer gegeven tussen de artikelen van het protocol, de ABS-verordening en de Wet implementatie Nagoya Protocol. Artikel 1 van de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 31 maart 2016, nr. WJZ/15145152, houdende uitvoeringsbepalingen van de Wet 97 Verordening (EU) Nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevings- maatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie. 98 Uitvoeringsverordening 2015/1866 - Bepalingen ter uitvoering van Verordening 511/2014 wat het register van collecties, het toezicht op de naleving door gebruikers en beste praktijken betreft. implementatie Nagoya Protocol (Regeling uitvoering Wet implementatie Nagoya Protocol) wijst de artikelen van EU Verordening 511/2014 en EU Uitvoeringsverordening 2015/1866 aan die strafrechtelijk gehandhaafd kunnen worden. Deze artikelen betreffen het in acht nemen van de voorgeschreven zorgvuldigheidseisen en het meewerken aan verificatie hiervan door gebruikers van genetische rijkdommen. Gedragingen in strijd met de in deze regeling aangewezen voorschriften worden aangewezen als economisch delict. In het Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 31 maart 2016, nr. WJZ/15163191, tot aanwijzing toezichthouders en nationaal contactpunt Wet implementatie Nagoya Protocol, is de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet implementatie Nagoya Protocol. Het CGN is aangewezen als het nationaal contactpunt voor toegang en verdeling van voordelen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet implementatie Nagoya Protocol. Als nationaal contactpunt voor toegang en verdeling van voordelen is het CGN belast met het geven van voorlichting aan gebruikers van genetische bronnen en het beantwoorden van vragen van (potentiële) gebruikers. Met de publicatie van het Besluit van 8 april 2016 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet implementatie Nagoya Protocol is de Wet implementatie Nagoya Protocol in werking getreden op 23 april 2016. Toegang tot genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis De EU ABS Verordening gaat alleen over de nalevingsaspecten van het Nagoya Protocol. Regulering van toegang tot genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis vindt niet plaats op EU-niveau, maar op nationaal niveau. Dit betekent dat elk EU-land zelf toegangsregels kan vaststellen voor genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis. De wetgeving ter uitvoering van het Nagoya Protocol in Nederland bevat geen voorschriften met betrekking tot de toegang tot genetische bronnen in Nederland, omdat de Nederlandse overheid het niet noodzakelijk vindt om haar soevereiniteit ten aanzien van de toegang tot in Nederland voorkomende genetische bronnen te verankeren in DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 78 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 nationale wetgeving (sectie 6.2.1 van de memorie van toelichting bij de Wet implementatie Nagoya Protocol). Dit betekent dat geen voorafgaande geïnformeerde toestemming nodig is om genetische bronnen in Nederland te verkrijgen. In sommige gevallen is de toegang tot in situ genetische bronnen echter wel beperkt door wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming, gebiedsbescherming en dier- en plantenziekten. In die gevallen moet er voor het verzamelen van genetisch materiaal toestemming worden gevraagd aan de landeigenaar. Dit kan een boer zijn, maar ook een overheidsinstantie, burger of bedrijf. Ook kunnen er regels van toepassing zijn op het gebied van milieueffecten. Genetische bronnen op boerderijen of in tuinen zijn particulier bezit, en daarom is toestemming van de eigenaar nodig om deze bronnen, in welke vorm dan ook, te verplaatsen. Collectiehouders kunnen voorwaarden stellen (bijvoorbeeld in de vorm van een Overeenkomst inzake overdracht van materiaal, MTA), die vaak afhankelijk zijn van de voorwaarden waaronder de collecties zelf het materiaal hebben verkregen. Digitale Sequentie Information Nederland is actief in de multilaterale onderhandelingen die al enige jaren in verschillende VN-fora worden gevoerd over de vraag of het gebruik van DSI van genetische bronnen onderhevig zou moeten worden aan verplichtingen inzake toegang en verdeling van voordelen, net als het gebruik van genetische bronnen. Het belangrijkste discussieforum is de CBD. Tijdens CBD COP-15 in 2022 is besloten een multi- lateraal mechanisme (MLM) te ontwikkelen voor het delen van de baten voortvloeiend uit het gebruik van DSI van genetische bronnen, inclusief oprichting van een mondiaal fonds.99 Vervolgens is tijdens COP-16 van de CBD in 2024 besloten het MLM voor de verdeling van voordelen uit het gebruik van DSI van genetische bronnen te operationaliseren, inclusief de oprichting van het Cali Fonds.100 Het mechanisme is gebaseerd op een multilaterale aanpak en valt direct onder de CBD, en vormt geen onderdeel van het Nagoya Protocol, en het zal daarom niet de bilaterale benadering van het Nagoya Protocol volgen. Er is een vervolgproces gestart in de aanloop naar COP-17 met een uitgebreid intersessioneel proces om verdere details van de operationalisatie uit te werken. Ook is een uitgebreid review proces opgenomen, met o.a. de optie om het MLM voor DSI van genetische bronnen, op termijn op vrijwillige basis uit te breiden naar genetische bronnen. In het intersessionele proces worden de voorwaarden en details van het MLM en de oprichting van het Cali Fonds besproken. Deze onder handelingen vinden met name 99 Convention on Biological Diversity (2022) Decision 15/9 Digital sequence information on genetic resources. 100 Convention on Biological Diversity (2024) Decision 16/2 Digital sequence information on genetic resources. plaats in een ‘Steering Committee’ en een ‘Funding Allocation Committee’ onder de CBD. Nederland heeft zich kandidaat gesteld voor deze intersessionele Committees en blijft ook actief in andere fora waar DSI wordt besproken (zoals FAO, WHO, WIPO, en BBNJ), om tot beleidscoherente en samenhangende oplossingen te komen. Andere instrumenten Nederland is daarnaast betrokken bij de ontwikkeling van gespecialiseerde ABS-instrumenten en andere internationale ABS processen: • Voor mariene biodiversiteit in gebieden buiten nationale jurisdictie (marine biological diversity in areas beyond national jurisdiction, BBNJ) onder het VN Zeeverdrag (UNCLOS); • Pathogenen die tot een voor mensen gevaarlijke pandemie kunnen leiden (Pathogen Access and Benefit-Sharing System, PABS), onder de WHO. Alhoewel de exacte scope van het instrument nog niet gedefinieerd is, hebben WHO Lid Staten besloten om zowel pathogene materialen alsook sequentie informatie op te nemen, waarmee de link met het Nagoya Protocol en het DSI MLM onder de CBD wordt gemaakt; en • Invoering van een openbaarmakingsvereiste bij het aanvragen van een octrooi, wanneer de uitvinding is gebaseerd op een genetische bron, onder de Mondiale Intellectueel Eigendom Organisatie (WIPO). Binnen het ITPGRFA wordt gewerkt aan verbetering van het Multilateraal Systeem (MLS) voor ABS. Het MLS van het ITPGRFA is een wereldwijde pool van plantgenetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw (PGRFA), bedoeld om de toegang tot PGRFA te vergemakkelijken en te zorgen voor een eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan. Om zowel de toegang tot plant genetische bronnen voor voedsel en landbouw als het delen van de voordelen van het gebruik ervan te verbeteren, is in 2022 een proces herstart ter verbetering van het MLS van het ITPGRFA. Belangrijke elementen die worden besproken zijn DSI/GSD, uitbreiding van het MLS naar alle PGRFA en betalingsstructuur en -tarieven daarvan. Budget Contributies • CBD: US $88.110 (2022-2023), ITPGRFA (FAO) US $110.202 (2022-2023) HGIS, middelen (inter)nationale organisaties. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.cbd.int/doc/decisions/cop-15/cop-15-dec-09-en.docx https://www.cbd.int/doc/decisions/cop-16/cop-16-dec-02-en.docx 79 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Nationale implementatie • WOT Genetische Bronnen, totale subsidie voor alle activiteiten: €3.476.026 (excl. BTW) per jaar (2022-2026);101 • Hiervan is ongeveer €100.000 per jaar beschikbaar voor de activiteiten van CGN als National Focal Point ABS, en ongeveer €50.000 per jaar voor technische beleidsadvisering op het gebied van ABS en DSI. • SeedNL publiek-privaat partnerschap (LVVN, BHOS, Plantum, NAO): €450.000 (incl. BTW) per jaar (2023- 2027) Voedselzekerheid middelen. Handhaving • NVWA, Compliance Nagoya Protocol (CBD) €68.015 per jaar (500 uur x 136,03). Vrijwillige bijdragen • ITPGRFA US $150.000 per jaar (2021-2023) verbetering Multilaterale Systeem voor ABS (deelname gesponserde delegates informele consultatie proces). • GIZ, the ABS Initiative US $250.000 per jaar (2023-2024), informele consultaties en capaciteitsopbouw ter ondersteuning CBD en FAO processen ABS en DSI. 101 Centre for Genetic Resources, the Netherlands, Wageningen University & Research Wageningen (2021) Meerjarenplan WOT Genetische Bronnen 2022-2026 557374. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://edepot.wur.nl/557374 80 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 14. Integreer biodiversiteit in besluitvorming op elk niveau en in alle sectoren Figuur 33. De Groene Long Hogeschool Almere © Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Tinek Dijkstra 102 Kamerstuk 33576, nr. 272 (16 juni 2022) Kabinetsreactie agenda Natuurinclusief. Het kabinet zet in op verdere integratie van natuur in onze woon-, werk- en leefomgeving. Deze verweving, hoewel uitdagend, biedt mogelijkheden om de opgave zo eerlijk mogelijk te verdelen over de verschillende gebieden en sectoren. Hierdoor creëren we ruimte voor maatschappelijke en economische activiteiten. Door samen te werken binnen het Rijk en met andere overheden, verbinden we de natuurherstelopgave met de energietransitie, woningbouw, bereikbaarheid, water- en klimaatuitdagingen, en het versterken van het verdienvermogen van de boer. We stimuleren de actieve betrokkenheid van alle relevante sectoren, inclusief private financiering, bijvoorbeeld via de Agenda Natuurinclusief. Agenda Natuurinclusief Agenda Natuurinclusief is een maatschappelijk initiatief, gestart door een consortium van publieke en private partijen dat zich inmiddels heeft ontwikkeld tot Collectief Natuurinclusief, een breed netwerk van publiek-private samenwerking op tien domeinen: bedrijventerreinen, bouw, energie, financiële sector, gezondheid, infrastructuur, landbouw, onderwijs, vrijetijdseconomie en water. Sinds 2022 ondersteunt het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de maatschappelijke ambities van het Collectief Natuurinclusief met de inzet van een programmabureau.102 Het doel van Agenda Natuurinclusief is om te bewegen naar een natuurinclusieve samenleving in 2050. De focus ligt op het verrijken van de 70% niet beschermde natuur in Nederland door natuur meer te verweven met onze woon-, werk- en leefomgeving. De aanpak is erop gericht om natuurinclusief denken en doen te bevorderen, uitgaande van de positieve kracht van natuur en het belang van ons natuurlijk kapitaal voor mens en economie. Daarmee sluit het gedachtegoed van de Agenda Natuurinclusief naadloos aan bij actiedoel 14. Het bevordert algeheel biodiversiteitsherstel én beschermt en benut de natuur en ecosysteemdiensten voor andere maatschappelijke opgaven. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/06/16/kabinetsreactie-agenda-natuurinclusief 81 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 34. Visualisatie Collectief Natuurinclusief. De natuurinclusieve samenleving wordt manifest in een groene en gezonde leefomgeving voor mens en natuur. Wij zorgen voor een ‘vruchtbare bodem’ met condities en randvoorwaarden, waarop de natuurinclusieve samenleving goed kan groeien. Dit doen we met iedereen samen. Bron: Agenda Natuurinclusief 2.0. Collectief Natuurinclusief werkt vanuit de gedachte van de whole-of-society approach (Figuur 34). Sinds 2023 is er een ambassadeur natuurinclusief. Deze is tevens voorzitter van het Natuurinclusief Nationaal Overleg (NiNO) dat uit leiders bestaat die op persoonlijke titel de domeinen, overheden en maatschappelijke partijen vertegen- woordigen. De publiek-private samenwerking stimuleert de natuurinclusieve beweging in belangrijke mate door middel van het verspreiden van kennis over praktische mogelijkheden om natuurinclusief te worden binnen een sector, bedrijf of organisatie. Daarbij wordt steeds gekeken naar een win-win situatie voor de natuur en het domein. In het najaar 2023 is de Agenda Natuurinclusief 2.0 door het NiNO vastgesteld en als product vanuit de samenleving aangeboden aan de Tweede Kamer, alle overheden en betrokken private partijen. De Agenda Natuurinclusief 2.0 beschrijft ambities richting 2050 en concrete acties voor de periode 2024-2026. De inzet is er expliciet op gericht om bij te dragen aan de doelstellingen van het VN-bio- diversiteits verdrag, de Europese Biodiversiteitsstrategie en andere relevante beleidsontwikkelingen zoals de Basiskwaliteit Natuur in combinatie met andere maatschappelijke opgaven zoals de woningbouw opgave, energietransitie, klimaatadaptatie, gezonde leefomgeving en brede welvaart. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 82 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Ter verdieping van Agenda Natuurinclusief 2.0 heeft het Collectief Natuurinclusief een onafhankelijk adviesbureau opdracht gegeven voor de ‘Investeringsagenda Natuurinclusief’. Dit rapport geeft een indicatie welke kosten en baten er naar verwachting gemoeid zijn met de ambities die zijn opgenomen in de Agenda Natuurinclusief 2.0 (Figuur 35). Het legt geen claims, het doel is om handelingsperspectief te bieden aan betrokken domeinen van het Collectief Natuurinclusief. Een keuzepallet aan instrumenten en andere praktische handvatten om de publiek-private ambities van de Agenda Natuurinclusief 103 Schuttelaar & Partners (2024) https://www.pianoo.nl/sites/default/files/media/documents/2024-05/onderzoeksrapport-biodiversiteit-in- mvi-criteria-en-aanbestedingen-april2024.pdf. 2.0 te realiseren en te financieren zijn ook onderdeel van de Investeringsagenda. In het voorjaar van 2024 hebben de betrokken overheden naar aanleiding van de Agenda Natuurinclusief 2.0 opdracht gegeven om een bestuurlijke verkenning op te starten. De verkenning richt zich op de vraag hoe de overheden effectief kunnen samenwerken op natuur- inclusieve onderwerpen en de ondersteuning van deze brede maatschappelijke beweging. Dit advies wordt voor de zomer van 2025 verwacht. Figuur 35. Kosten en baten in de tijd van Agenda Natuurinclusief. Bron: Investeringsagenda Natuurinclusief – Zo komen we op gang (De Natuurverdubbelaars en Rebel, 2024). Instrumenten voor het meewegen van biodiversi- teit in besluitvorming Samenwerking met verschillende kennisinstellingen in de ontwikkeling van methoden, data en tools is belangrijk om de functionele waarden van natuur voor domeinen en hun maatschappelijke opgaven te meten en mee te wegen in de besluitvorming. Natuurlijk Kapitaalrekeningen (NKR) zijn in Nederland de invulling van actiedoel 14 met betrekking tot de implementatie van het door de VN ontwikkelde System of Environmental Economic Accounting (SEEA). Deze rekeningen zijn ontwikkeld door Centraal Bureau voor de Statistiek en Wageningen University & Research en bevatten de omvang en kwaliteit van ecosystemen en de hoeveelheid en (monetaire) waarde van geleverde ecosysteemdiensten vanaf het jaar 2013. Momenteel worden onderdelen van de NKR meegenomen in de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals voor monitorings doeleinden en worden verdere toepassingsmogelijkheden verkend. Een meer uitgebreide beschrijving van de NKR is opgenomen bij actiedoel 11. Biodiversiteit in het Beleidskompas Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft op de natuur gebaseerde oplossingen – nature-based solutions, NbS – laten opnemen als ondersteunend instrument het Beleidskompas, de centrale werkwijze voor het maken van beleid bij de Rijksoverheid. Daarnaast financiert LVVN een langjarig project van Wageningen University & Research om NbS toepasbaar te maken voor beleidsmakers. Zie actiedoel 11 voor meer informatie. Biodiversiteit in overheidsinkoop en -aanbestedingen Biodiversiteit is – als onderdeel van milieu – een van de 6 thema’s binnen Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI). Het doel van MVOI is om de inkoopkracht van alle overheden zoveel mogelijk in te zetten voor het realiseren van maatschappelijke doelen in het fysieke en het sociale domein en de economie te verduurzamen (zie Nationaal Plan MVI 2021-2025). PIANOo heeft in opdracht van LVVN verkend hoe biodiversiteit momenteel wordt meegenomen in overheidsinkoop en -aanbesteding, waaruit blijkt dat biodiversiteit nog niet stevig verankerd is in de MVI- criteria en dat het aantal aanbestedingen waarin wordt gerefereerd aan biodiversiteit beperkt is.103 Vervolgstappen richten zich op het verkennen van het integreren van biodiversiteitscriteria in alle opdracht- en inkoopcategorieën, beginnende met de sectoren waar de impact op biodiversiteit groot is, zoals infrastructuur en water, bouw en landbouw. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.pianoo.nl/sites/default/files/media/documents/2024-05/onderzoeksrapport-biodiversiteit-in-mvi-criteria-en-aanbestedingen-april2024.pdf https://www.pianoo.nl/sites/default/files/media/documents/2024-05/onderzoeksrapport-biodiversiteit-in-mvi-criteria-en-aanbestedingen-april2024.pdf 83 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 MKBA Werkwijzer Natuur voor integrale afwegingen Een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) is een hulpmiddel om integrale afwegingen te maken over ruimtelijke maatregelen. Met de MKBA Werkwijzer Natuur, ontwikkeld door CE Delft en Arcadis, kunnen de effecten van beleidsopties op ecosystemen en biodiversiteit (fysiek en/of monetair) worden bepaald. Hierbij is er speciale aandacht voor veranderingen in brede welvaart en dus op de maatschappelijke waarde van natuur, uitgedrukt in ecosysteemdiensten. Het gebruik van MKBA’s in gebiedsontwikkeling sluit aan op het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur in ‘Natuurinclusief Nederland’ om het gebruik van MKBA’s te verbeteren om natuurschade te voorkomen en het belang van biodiversiteitsherstel en het duurzaam gebruik van ecosysteemdiensten mee te nemen. 104 Kamerstuk 29435, nr 264 (6 oktober 2023) Brief van de minister van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties. Ruimtelijk beleid De integratie van biodiversiteit in ruimtelijk beleid is ook onderdeel van dit actiedoel, zie voor meer uitgebreide toelichting actiedoel 1. Van bijzonder belang voor dit actiedoel is dat in het Voorontwerp Nota Ruimte – welke een opmaat is voor de nieuwe Nota Ruimte - natuur en groen reeds geïntegreerd zijn in twee van de drie ruimtelijke bewegingen voor heel Nederland.104 Daarin wordt ingezet op een evenwicht tussen landbouw en natuur, en naar een natuurinclusieve leefomgeving in steden en dorpen. Ook bij de uitwerking van de beweging naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving wordt aansluiting gezocht met natuurinclusiviteit. Daarnaast zijn de nog vigerende Nationale Omgevingsvisie (NOVI) de afwegingsprincipes – meervoudig functiegebruik, niet afwentelen op toekomstige generaties, en aansluiten bij de kenmerken en identiteiten van een gebied – bruikbaar voor natuurinclusieve ontwikkeling. Bovendien is de belangrijkste doelstelling van de Omgevingswet om een goede balans te vinden tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Agenda Natuurinclusief 2.0 Het Collectief Natuurinclusief werkt aan de uitvoering van Agenda Natuurinclusief 2.0 in publiek-private samenwerking in tien domeinen. De inzet van elk domein draagt op onderscheidende wijze bij aan en heeft veelal positieve impact op meerdere actiedoelen van het biodiversiteitsplan, zie voor toelichting op de bijdrage van de tien verschillende domeinen: Actiedoel 1 (RO) Domein Energie Actiedoel 2 (Natuurherstel) Domein Infrastructuur Actiedoel 8 (Klimaat) Domein Water Actiedoel 10 (Landbouw) Domein Landbouw Actiedoel 12 (Stad) Domein Bedrijventerreinen en Domein Bouw Actiedoel 14 (Beleid) Domein Gezondheid Actiedoel 16 (Voetafdruk) Domein Vrijetijdseconomie Actiedoel 19 (Financiën) Domein Financiële sector Actiedoel 21 (Kennis) Domein Onderwijs Domein Gezondheid Tussen de acties van domein Gezondheid en de huidige biodiversiteitsplan-actiedoelen bestaat voorals nog een minder directe relatie. De aanbeveling van domein Gezondheid is om in de internationale samenwerking rond het biodiversiteitsplan, wanneer actiedoelen worden geëvalueerd, het concept Planetary Health ofwel natuurinclusieve gezondheid mee te nemen: de gezondheid van mens en biodiversiteit gaan hand in hand. Dit wordt gezien als een belangrijk perspectief in de mainstreaming van biodiversiteit. Deze paragraaf is opgesteld door het Collectief Natuurinclusief. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29435-264.html 84 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 15. Laat bedrijven rapporteren over hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit Figuur 36. Ecosystemen hebben ook een economische waarde. © Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Tineke Dijkstra Bedrijven kunnen biodiversiteit zowel positief als negatief beïnvloeden. Bedrijven hebben innovatieve ideeën voor maatschappelijke opgaven en investeren in innovatie waar we in de toekomst de vruchten van plukken, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, klimaat, natuur en leefomgeving. Het kabinet zal de private sector zo goed mogelijk ondersteunen bij natuurvriendelijke initiatieven via beleids instrumenten en samenwerkingsverbanden, onder andere via de Agenda Natuurinclusief. Ruimte voor de economie is belangrijk. Het kabinet geeft bedrijven daarom de ruimte om te ondernemen en stuurt bij waar nodig. Bedrijven, organisaties en biodiversiteit Het kabinet ondersteunt bedrijven en financiële instellingen bij de implementatie van wet- en regelgeving op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) en stimuleert hen o.a. om hun impact, afhankelijkheden en risico’s rondom biodiversiteit te monitoren, rapporteren en verbeteren. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en het ministerie van Economische Zaken (EZ) ondersteunen (coalities van) bedrijven, financiële instellingen, kennisinstituten, NGO’s en andere overheden om methoden, tools en data te ontwikkelen en toe te passen. Figuur 37. Waarom de economie niet zonder biodiversiteit kan; de vervlechting van de economie en biodiversiteit. Bron: De Nederlandsche Bank DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 85 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 EU-wetgeving rondom internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij gepaste zorgvuldigheid betrachten in overeenstemming met de UN Guiding Principles on Business and Human Rights105 en de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) voor multinationale ondernemingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.106 Deze vrijwillige internationale kaders schrijven voor dat bedrijven risico’s voor mens en milieu, inclusief biodiversiteit, in hun internationale ketens in kaart brengen, prioriteren en aanpakken – de meest ernstige risico’s eerst – en hierover communiceren. Het kabinet implementeert EU-wetgeving die grote bedrijven en financiële instellingen stimuleert en verplicht om de, afhankelijkheden en risico’s voor mens en milieu inclusief biodiversiteit in hun waardeketen te identificeren, te voorkomen en aan te pakken en daarover te rapporteren. Denk aan de Corporate Sustainability Reporting Directive107 (CSRD), Corporate Sustainability Due Diligence Directive108 (CSDDD), Sustainable Finance Disclosure Regulation109 en de EU taxonomy for sustainable activities.110 Voorts verbiedt de Deforestation-free Products Regulation111 bedrijven om bepaalde producten in te voeren die hebben bijgedragen aan ontbossing en zorgt de Ecodesign for Sustainable Products Regulation112 voor meer duurzame en circulaire producten. De Europese Commissie werkt aan aanvullende maatregelen om groenwassen (Green Claims Directive)113 te voorkomen. In het najaar van 2024 kondigde de Europese Commissie een zogenaamd ‘omnibusvoorstel’ aan dat bedoeld is om de regeldruk van verschillende Europese wetten in samenhang terug te dringen. Over dit geplande voorstel zijn nog weinig details bekend maar het wordt onder meer in verband gebracht met de CSRD en CSDDD. Het kabinet onderschrijft het doel van regeldrukvermindering, zoals ook opgenomen in het regeerprogramma. Tegelijk zouden aanpassingen aan deze wetgeving niet ten koste mogen gaan van de ambitie rondom duurzaamheids verslaglegging en due diligence om verantwoord ondernemen te bevorderen. 105 UN (z.d.) The UN Guiding Principles on Business and Human Rights : UN Guiding Principles Reporting Framework. 106 Ministerie van Buitenlandse Zaken (z.d.) Home | Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen. 107 EU commissie (z.d.) Corporate sustainability reporting - European Commission. 108 EU commissie (z.d.) Corporate sustainability due diligence - European Commission. 109 EU commissie (z.d.) Sustainability-related disclosure in the financial services sector - European Commission. 110 EU commissie (z.d.) EU taxonomy for sustainable activities - European Commission. 111 EU commissie (z.d.) Regulation on Deforestation-free products - European Commission. 112 EU commissie (z.d.) Ecodesign for Sustainable Products Regulation - European Commission. 113 EU commissie (z.d.) Green claims - European Commission. 114 Kamerstuk 2025D01633 (20 januari 2025) https://open.overheid.nl/documenten/ad5e12c9-a98b-4dc0-91e3-ed5ae4d9fb13/file, 115 Natuurlijk Kapitaal (z.d.) Natuurlijk Kapitaal | De natuur werkt. Ook met jou. 116 MVO Nederland (z.d.) Community of Practice: Aan de slag met de CSRD | MVO Nederland. In de visie op de financiële sector114 benadrukt de minister van Financiën dat voor een effectieve duurzame transitie rapportagelasten moeten worden teruggebracht. Financiële instellingen hebben een belangrijke rol in de duurzame transitie. De afgelopen jaren heeft de focus in Europa en Nederland met name gelegen op verbeterde informatieverschaffing over duurzaamheid van bedrijven en het beheersen van aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s. Dat waren op zichzelf goede stappen, maar de onderlinge samenhang in rapportages ontbreekt. Zo verschillen definities (van bijvoorbeeld duurzame financiering) en moeten bedrijven vanuit verschillende wetten over dezelfde soort zaken rapporteren, bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijke negatieve milieuimpact. Hierdoor ontstaan dubbele rapportage lasten en is het raamwerk onnodig complex. Het kabinet zet zich in om eenvoud en samenhang in het raamwerk aan te brengen. Ondersteunen van maatschappelijke initiatieven en sectorcoalities Het kabinet ondersteunt verschillende initiatieven om bedrijven en financiële instellingen te onder steunen bij hun rapportageverplichtingen, bijvoorbeeld rondom de ontwikkeling en toepassing van methoden en instrumenten om impact, afhankelijkheden en risico’s van rondom biodiversiteit en ecosysteemdiensten te meten, rapporteren en verbeteren. Denk aan: Nederland Maatschappelijk Programma Natuurlijk Kapitaal van MVO Nederland:115 het ministerie van LVVN subsidieert MVO Nederland om communities of practice te organiseren waarin bedrijven - met name in de sectoren agrifood en bouw - kennis en ervaring opdoen met meten van impacts en afhankelijkheden met betrekking tot biodiversiteit. Het doel is om deze kennis vervolgens te verankeren in hun verdienmodel. Daarnaast organiseert MVO Nederland ook de community of practice CSRD,116 die bedrijven in verschillende sectoren helpt zich voor te bereiden op de CSRD. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.ungpreporting.org/resources/the-ungps/ https://www.oesorichtlijnen.nl/ https://finance.ec.europa.eu/capital-markets-union-and-financial-markets/company-reporting-and-auditing/company-reporting/corporate-sustainability-reporting en https://commission.europa.eu/business-economy-euro/doing-business-eu/sustainability-due-diligence-responsible-business/corporate-sustainability-due-diligence en https://finance.ec.europa.eu/sustainable-finance/disclosures/sustainability-related-disclosure-financial-services-sector en https://finance.ec.europa.eu/sustainable-finance/tools-and-standards/eu-taxonomy-sustainable-activities en https://environment.ec.europa.eu/topics/forests/deforestation/regulation-deforestation-free-products en https://commission.europa.eu/energy-climate-change-environment/standards-tools-and-labels/products-labelling-rules-and-requirements/ecodesign-sustainable-products-regulation en https://environment.ec.europa.eu/topics/circular-economy/green-claims en https://open.overheid.nl/documenten/ad5e12c9-a98b-4dc0-91e3-ed5ae4d9fb13/file https://natuurlijkkapitaal.nl/ https://www.mvonederland.nl/projects/csrd-mvo-nederland-stuurt-130-bedrijven-richting-integratie-duurzaamheid-in-bedrijfsstrategie?gad source=1&gclid=Cj0KCQiAoeGuBhCBARIsAGfKY7wm1n0GCpTj5SEUyAwYuQbdK1gwksE3OK0lPiuSOSjMj6xWN 1Z5lUaAi2FEALw wcB 86 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Agenda Natuurinclusief:117 het kabinet ondersteunt Agenda Natuurinclusief, waarin bedrijven, overheden en anderen samenwerken in de beweging naar een natuurinclusieve samenleving in 2050. Ambities en acties van deze partijen uit de Agenda Natuurinclusief 2.0 zijn er onder andere op gericht om rapportages in lijn te brengen met de CSRD. Zie actiedoel 14 voor meer informatie. Werkgroep biodiversiteit DNB Platform voor Duurzame Financiering:118 het ministerie van LVVN draagt bij aan de werkgroep biodiversiteit onder het Platform voor Duurzame Financiering van De Nederlandsche Bank (DNB). Via dit platform werken toezichthouders, Nederlandse financiële instellingen, maatschappelijke instellingen en verschillende ministeries samen aan de verduurzaming van Nederland. Initiatieven voor ondersteuning bij implementatie van IMVO wetgeving: het kabinet ontplooit – in samenwerking met VNO-NCW/MKB NL, de Sociaal- Economische Raad (SER), de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en MVO Nederland – verscheidene initiatieven, zowel gericht op rapportageplichtige ondernemingen, als op MKB- ondernemingen die zich in de waardeketens van rapportageplichtige ondernemingen bevinden. Het kabinet licht het bedrijfsleven voor over de CSRD, onder andere via de websites van de Kamer van Koophandel (KvK) en het Ondernemersplein. Het MVO-steunpunt dat is ondergebracht bij RVO ondersteunt bedrijven bij de implementatie van de OESO-richtlijnen en IMVO-wetgeving, waaronder de CSRD en CSDDD. Onder dit MVO Steunpunt is onder meer de ESRS Navigator119 beschikbaar, dit is een praktische handleiding voor bedrijven over de European Sustainability Reporting Standards (ESRS) - de rapportagestandaarden onder de CSRD. Ook heeft het kabinet een opdracht verstrekt aan de Stichting Projecten MKB-Nederland om branches te ondersteunen bij het implementeren van de CSRD, om zo de sectorale samenwerking te versterken. In dat kader organiseert de stichting samen met de SER en de NBA thema- en stakeholderbijeenkomsten, online Q&A-sessies en een informatiepakket voor branches. 117 Collectief natuurincusief (z.d.) Naar een Natuurinclusief Nederland in 2050: Doe mee aan de Groene Revolutie! Collectief Natuurinclusief. 118 De Nederlandse Bank (z.d.) Werkgroep Biodiversiteit | De Nederlandsche Bank. 119 RVO (2025) https://www.rvo.nl/sites/default/files/2025-01/ESRS Navigator januari 2025.pdf. 120 TNFD (z.d.) The Taskforce on Nature-related Financial Disclosures. 121 PBAF (z.d.) The PBAF Standard enables financial institutions to assess and disclose impact and dependencies on biodiversity of loans and investments | PBAF - Partnership for Biodiversity Accounting Financials. 122 ESVD (z.d.) Ecosystem Services Valuation Database | Foundation for Sustainable Development |Environmental Research. Daarnaast heeft het kabinet een aanvraag ingediend voor het Technical Support Instrument Flagship ‘Improving Sustainability Reporting for Businesses’ van de Europese Commissie. Het kabinet zal onder de vleugels van dit traject, samen met andere lidstaten, werken aan ondersteuning aan MKB-ondernemingen die zich in de waardeketen bevinden van rapportageplichtige ondernemingen en het verduidelijken en faciliteren van databronnen voor datapunten onder de ESRS. Momenteel loopt er een onderzoek van de Haagse Hogeschool naar de indirecte effecten van de CSRD op het MKB. Doel van het onderzoek is om te komen tot acties en aanbevelingen om zo het MKB te ondersteunen bij het voldoen aan verzoeken voor duurzaamheidsdata die zij krijgen van rapportage plichtige ondernemingen. Dit onderzoek zal in 2025 worden opgeleverd en op basis hiervan bepaalt het kabinet welke verdere ondersteuning nodig is. Internationaal Taskforce on Nature-related Financial Disclosures (TNFD):120 het ministerie van LVVN is een van de oprichters van de TNFD, die een rapportageraamwerk ontwikkelt over impact, afhankelijkheden, risico’s en kansen rondom biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Het ministerie van LVVN neemt ook deel aan de Stewardship Council en subsidieert de TNFD om een raamwerk voor transitie- plannen voor natuur voor private partijen te ontwikkelen. Partnership for Biodiversity Accounting Financials (PBAF):121 het ministerie van LVVN ondersteunt PBAF, bijvoorbeeld ten behoeve van de ontwikkeling van de Biodiversity Footprint Financial Institutions tool en guidance (jaarlijkse publicatie van de PBAF Standard) voor financiële instellingen om hun impacts en afhankelijkheden te meten en rapporteren. Zo heeft PBAF de impacts van investeringen op de monetaire waarde van ecosysteemdiensten in deze standaard geïntegreerd. Ecosystem Services Valuation Database (ESVD):122 het ministerie van LVVN subsidieert de ESVD een wereldwijde database met monetaire waarde van ecosysteemdiensten. Daarmee kunnen bedrijven en financiële instellingen beter rekening houden met hun impact en afhankelijkheden rondom ecosysteemdiensten. Zie actiedoel 11 voor meer informatie. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.collectiefnatuurinclusief.nl/ https://www.dnb.nl/groene-economie/platform-voor-duurzame-financiering/werkgroep-biodiversiteit/ https://www.rvo.nl/sites/default/files/2025-01/ESRS Navigator januari 2025.pdf https://tnfd.global/ https://www.pbafglobal.com/ https://www.pbafglobal.com/ https://www.esvd.info/ 87 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES): het ministerie van LVVN en Planbureau voor de Leefomgeving leveren allebei een lead auteur voor twee hoofdstukken van het methodologisch assessment, die momenteel wordt ontwikkeld, over de impact en afhankelijkheden van het bedrijfsleven rondom biodiversiteit en ecosysteemdiensten.123 EU Business and Biodiversity Platform:124 het ministerie van LVVN draagt bij aan het EU Business & Biodiversity Platform, waarin bedrijven, financiële instellingen en overheden samenwerken en kennisdelen om biodiversiteit en natuurlijk kapitaal in bedrijfsactiviteiten en besluitprocessen te bevorderen. Finance for Biodiversity Foundation:125 via RVO ondersteunt het ministerie van LVVN de Finance for Biodiversity Foundation (FfB) en UNEP-FI bij het ontwikkelen van een framework voor natuurpositief financieren. In 2024 is een discussiepaper geschreven met als doel het concept ‘Finance for Nature Positive’ voor de private financiële sector te operationaliseren om zo de positieve als de negatieve impact van private investeringen op de natuur in kaart te kunnen brengen. In 2025 gaan UNEP-FI en de FfB aan de slag met het ontwikkelen een raamwerk en stappenplan voor financiële instellingen. Toezicht De Nederlandsche Bank (DNB) heeft als doel om duurzaamheid in 2025 geïntegreerd te hebben in haar kerntaken. Om dit te bereiken is door DNB een Sustainable Finance Strategie126 opgesteld. Vanuit deze strategie wordt onder meer gewerkt aan de integratie van klimaat- en milieurisico’s in het reguliere prudentieel toezicht. Hiervoor is in 2023 een gids voor de beheersing van klimaat- en milieurisico’s gepubliceerd waarin instellingen onder toezicht bijvoorbeeld worden opgeroepen om biodiversiteits risico’s te monitoren en informatie te verstrekken over materiële risico’s.127 In 2025 vindt er een 123 IPBES (z.d.) Business and biodiversity assessment | IPBES secretariat. 124 EU commissie (z.d.) Our members - European Commission. 125 UN (2024) Finance for Nature Positive Discussion Paper – United Nations Environment – Finance Initiative. 126 De Nederlandse Bank (2023) Sustainable finance strategie 2021-2025. 127 De Nederlandse Bank (2023) Gids voor de beheersing van klimaat- en milieurisico’s. 128 De Nederlandse Bank (2025) https://www.dnb.nl/media/oeohiyq4/gids-beheersing-van-klimaat-en-milieurisico-s web.pdf. 129 De Nederlandse Bank (2020) Indebted to nature – Exploring biodiversity risks for the Dutch financial sector – 2020 – DNB-PBL. 130 De Nederlandse Bank (2023) The economic and financial stability repercussions of nature degradation for the Netherlands: Exploring scenarios with transition shocks | De Nederlandsche Bank. 131 NGFS (z.d.) Welcome to the NGFS website | Network for Greening the Financial System. 132 NGFS (2024) Nature-related Financial Risks: a Conceptual Framework to guide Action by Central Banks and Supervisors | Network for Greening the Financial System. 133 Ministerie van Financiën (2023) Overheid.nl | Consultatie Consultatie klimaatmaatregelen financiële sector. 134 Ministerie LVVN (2021) Biodiversity Footprint for Financial Institutions: Exploring Biodiversity Assessment in 4 cases | Report | Government.nl. 135 Ministerie LVVN (2021) Biodiversity impact and ecosystem service dependencies | Report | Government.nl. 136 PBAF Netherlands (2020) PBAF commongroundpaper2020.pdf. 137 PBL (2020) Business for Biodiversity | PBL Netherlands Environmental Assessment Agency. consultatie plaats voor de actualisatie van deze gids.128 In samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) werkt DNB ook aan methodes om biodiversiteits- risico’s te kwantificeren. Met het rapport ‘Indebted to Nature’ was DNB de eerste centrale bank die de bloot- stelling van de financiële sector aan natuurrisico’s becijferde.129 Inmiddels is in samenwerking met PBL ook een scenario-gebaseerde studie gepubliceerd om de economische en financiële stabiliteit repercussies te verkennen van maatregelen om natuurdegradatie tegen te gaan.130 Tot slot is DNB co-voorzitter van de Task Force Nature-related Risks onder het Network for Greening the Financial System131 en draagt het vanuit die rol bij aan verschillende publicaties zoals ‘Nature-related Financial Risks: a Conceptual Framework to guide Action by Central Banks and Supervisors’.132 Consultatie klimaatmaatregelen financiële sector De voormalige ministers van Financiën, Economische Zaken en Klimaat hebben een consultatie uitgezet om aanvullende klimaatwetgeving en maatregelen voor financiële instellingen te verkennen.133 Daarbij werd ook gevraagd naar het opnemen van biodiversiteit. Echter, in het licht van het terugbrengen van rapportagelasten worden er momenteel geen nieuwe (rapportage) verplichtingen opgelegd ten aanzien van duurzame financiering via aanvullende nationale regelgeving. Kennisontwikkeling voor de private sector Het kabinet stimuleert kennisontwikkeling op het gebied van biodiversiteit en de bijbehorende impact en afhankelijkheden binnen het bedrijfsleven en de financiële sector. Denk aan rapporten over biodiversiteit- footprints,134 afhankelijkheden van ecosysteemdiensten135 en harmonisatie van methoden voor biodiversiteits- accounting.136 Ook PBL draagt bij, bijvoorbeeld met het ‘Business & Biodiversity’ rapport137 en de ontwikkeling van modellen zoals GLOBIO en IMAGE die de interactie tussen de economie en de ecologie in beeld brengen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.ipbes.net/business-impact https://green-business.ec.europa.eu/business-and-biodiversity/about/our-members en https://www.unepfi.org/publications/finance-for-nature-positive-discussion-paper/ https://www.dnb.nl/media/xumjhfz5/76119-dnb-sustainable-fin web.pdf https://www.dnb.nl/media/e4pnb4dy/gids-voor-de-beheersing-van-klimaat-en-milieurisico-s-2023.pdf https://www.dnb.nl/media/oeohiyq4/gids-beheersing-van-klimaat-en-milieurisico-s web.pdf https://www.dnb.nl/media/4c3fqawd/indebted-to-nature.pdf https://www.dnb.nl/en/publications/research-publications/occasional-study/nr-2-2023-the-economic-and-financial-stability-repercussions-of-nature-degradation-for-the-netherlands-exploring-scenarios-with-transition-shocks/ https://www.dnb.nl/en/publications/research-publications/occasional-study/nr-2-2023-the-economic-and-financial-stability-repercussions-of-nature-degradation-for-the-netherlands-exploring-scenarios-with-transition-shocks/ https://www.ngfs.net/en https://www.ngfs.net/en/publications-and-statistics/publications/nature-related-financial-risks-conceptual-framework-guide-action-central-banks-and-supervisors https://www.ngfs.net/en/publications-and-statistics/publications/nature-related-financial-risks-conceptual-framework-guide-action-central-banks-and-supervisors https://www.internetconsultatie.nl/klimaatmaatregelenfinancielesector/b1 https://www.government.nl/documents/reports/2021/07/29/biodiversity-footprint-for-financial-institutions https://www.government.nl/documents/reports/2021/08/05/biodiversity-impact-and-ecosystem-service-dependencies https://pbafglobal.com/files/downloads/PBAF commongroundpaper2020.pdf https://www.pbl.nl/en/publications/business-for-biodiversity 88 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 16. Faciliteer consumenten bij duurzame keuzes en verklein onze voetafdruk Figuur 38. Voetafdruk: Definities en families. Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Het kabinet wil daar niet aan in de weg staan, maar wil deze keuze nadrukkelijk bij consumenten laten. Het kabinet ziet hier geen grote rol voor zichzelf weggelegd. Datzelfde geldt voor het terugbrengen van de ecologische voetafdruk. Het tot nu toe gehanteerde doel om de Nederlandse ecologische voetafdruk in 2050 te hebben gehalveerd, wordt niet onderschreven door dit kabinet. Als activiteiten op bestaande beleidsterreinen zoals landbouw- en voedselbeleid, klimaatbeleid en het circulaire economie beleid, als neveneffect hebben dat zij bijdragen aan het verkleinen van de Nederlandse voetafdruk, kan dit dienen als bijdrage aan dit actiedoel. De Nederlandse voetafdruk De consumptie van de Nederlandse bevolking maar ook de productie die in Nederland plaatsvindt, heeft een effect op het behoud, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit en het functioneren van natuurlijke ecosystemen binnen onze landsgrenzen, maar ook daarbuiten. Nederland doet wat mogelijk is met betrekking tot het verbeteren van de natuur in eigen land, en ook aan het herstellen, behouden en verbeteren van biodiversiteit in de rest van de wereld. Het verminderen van de voetafdruk van onze eigen consumptie is aan de consumenten en producenten zelf, het kabinet ziet hier geen grote rol voor zichzelf weggelegd. Producenten, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen spelen een belangrijke rol in het ontwikkelen van producten, teeltmethoden en het communiceren over duurzame producten en het vergroten van het aanbod van producten met een lagere voetafdruk. Ze doen al heel veel in het mainstreamen van de biodiversiteitsopgave en in het standaardiseren van normen voor de milieuvoet afdruk van producten en organisaties. Ook de Nederlandse impact op het behoud, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit elders in de wereld is onderdeel van de internationale beleidsopgave voor biodiversiteit. Samen met andere landen werken wij daaraan. Nederland hoeft geen koploper te zijn. Mocht er kennis en kunde in Nederland ontwikkeld worden om de duurzaamheid en efficiëntie van haar productieprocessen te vergroten dan zijn we bereid dat internationaal zichtbaar te maken aangezien dat bijdraagt aan ons toekomstig verdien vermogen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 89 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 39. Voetafdrukken van consumptie naar productgroep. Bron: PBL 2020 138 Planbureau voor de Leefomgeving (2021), Halveren van de Nederlandse voetafdruk. 139 Planbureau voor de Leefomgeving (2023), Integrale Circulaire Economie Rapportage. In 2021 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geadviseerd om te werken met een familie van voetafdrukken138 voor het vormgeven van beleid, ook om zo mogelijke afwegingen inzichtelijk te maken. Ook adviseert het PBL om naast de voetafdruk van consumptie te kijken naar het verlagen van de voetafdruk van de productie in Nederland. Zie hieronder een overzicht uit de PBL-publicatie139 waar diverse voetafdruk-indicatoren met elkaar vergeleken worden. De ecologische voetafdruk van de Nederlandse consumptie was in 2018 ongeveer 5,7 hectare per inwoner. Hiervan komt 36% door de mondiale productieruimte die nodig is voor onze consumptie, met name voor voedsel en grondstoffen. Voor 64% betreft de omvang van de voetafdruk de virtuele ruimte die nodig zou zijn om de uitstoot van CO2 te compenseren die plaatsvindt als gevolg van onze consumptie (exclusief internationale lucht- en scheepvaart en de uitstoot van overige broeikasgassen). Figuur 40. Milieu effecten van Nederlands grondstoffengebruik. PBL en CBS (2025) DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-halveren-van-de-nederlandse-voetafdruk-4270.pdf https://www.pbl.nl/publicaties/integrale-circulaire-economie-rapportage-2023 90 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Drie bouwstenen van de Nederlandse inzet De afgelopen jaren is er al veel beleid ontwikkeld in Nederland en in de EU dat bijdraagt aan het verminderen van onze voetafdruk, zowel door de overheid als de maatschappij. Hieronder wordt inzichtelijk gemaakt aan welke bouwstenen wordt gewerkt om de Nederlandse voetafdruk te verkleinen. Dit betreft zowel de ecologische voetafdruk als verschillende leden van de familie van voetafdrukken alsook verschillende schaalniveaus (van product, organisatie tot aan landelijk). Onderstaand zijn de belangrijkste inspanningen in drie blokken weergegeven. Bouwsteen 1: meten Er is al kennis over de ecologische voetafdruk en over de ‘familie van voetafdrukken’ die richting geeft aan beleidsopties, zoals bijvoorbeeld over CO2-uitstoot en landgebruik. Echter voor beleidsevaluaties, en het in beeld brengen van eventuele afwentelingen tussen diverse voetafdrukken is uitbreiding van kennis over de impact van beleid op de voetafdrukken en verdere uitwerking van diverse voetafdrukken wenselijk. Het Rijk heeft haar Kennis- en Innovatie-Agenda (KIA) 2024-2027 geactualiseerd.140 Deze biedt mogelijkheden om ook gezamenlijk met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en het maatschappelijk middenveld specifieke voetafdrukkennisvragen vanuit bijvoorbeeld het ketenperspectief (zowel de productie als de consumptiekant) van de voetafdruk op te pakken. De inzet is om samen met het PBL en relevante kennisinstellingen een gestandaardiseerde set methoden te ontwikkelen die ook op internationaal niveau toepasbaar kunnen zijn zodat landen hun voortgang op het verminderen van hun voetafdruk met elkaar kunnen vergelijken141 ook om zo de het gelijk speelveld tussen landen te vergroten. Voor de watervoetafdruk zal bijvoorbeeld gewerkt moeten worden aan een uitbreiding van de indicator met regenwater en het water dat nodig is om vervuild water te verdunnen tot de waterkwaliteit dat binnen de gestelde normen valt.142 Op Europees niveau worden in werkgroepen afspraken gemaakt met de lidstaten over hoe de milieuvoetafdruk van producten en organisaties gemeten moeten worden. Op deze wijze zijn milieuprestaties vergelijkbaar.143 Door niet-statelijke actoren wordt gewerkt aan levenscyclusanalyses van producten om de totale milieubelasting van een product te bepalen. Het Rijk is betrokken bij de EU-werkgroepen waar gewerkt wordt aan deze uniformering. 140 Rijksoverheid (2023), Kennis- en Innovatieconvenant 2024-2027. 141 Planbureau voor de leefomgeving (2023), Hoofdlijnen Werkprogramma PBL. 142 Planbureau voor de Leefomgeving (2015) Trends in Nederlandse Voetafdrukken 1995-2010. 143 Europese Commissie (n.d.), Evironmental Footprint methods. 144 Ministerie van Buitenlandse Zaken (2023) Rapport — Beter afgestemd? Evaluatie van het Actieplan Beleidscoherentie voor Ontwikkeling | Rapport | Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB). Bouwsteen 2: Beleidscoherentie Het PBL adviseert om een integrale en coherente interdepartementale langetermijnvisie te ontwikkelen op het verminderen van de Nederlandse voetafdruk. Ook is het advies om een brede groep maatschappelijke actoren te mobiliseren om het benodigde beleid en de bijbehorende maatregelen en instrumenten mede vorm te geven. Met het oog op de belangen van het mondiale zuiden gaat het actieplan beleidscoherentie voor ontwikkeling ook in op beleid dat zich richt op de Nederlandse klimaat-, land- en watervoetafdruk.144 In het actieplan wordt beleid genoemd wat hieraan bijdraagt, specifiek met het oog op de voetafdruk buiten Nederland en de belangen van het mondiale zuiden. Bouwsteen 3: Inzetten van beleid Om de Nederlandse voetafdruk te verkleinen is er al heel wat beleid ontwikkeld in alle domeinen van consumptie en productie (energie, voedsel, transport, bouw, consumptiegoederen). Veel van het ingezette rijksbeleid draagt bij aan het verminderen van de voetafdruk zonder noodzaak van nationale koppen. Ook niet-statelijke actoren zetten stappen om hun voetafdruk te verkleinen. De kennis en kunde die ontwikkeld wordt op in Nederland op dit vlak draagt ook bij aan ons duurzaam verdienvermogen. Er zijn diverse beleidsterreinen die bijdragen aan het verkleinen van de Nederlandse voetafdruk. Dit betreft onder andere het circulaire economie beleid, de Agenda Natuurinclusief (zie actiedoel 14), het actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie’, het duurzaam voedselbeleid, beleid voor duurzame landbouwproductie, beleid voor vergroening van de financiële sector (zie actiedoel 19), de implementatie van EU-regelgeving voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (zie actiedoel 15), onderwijs (zie actiedoel 21) en het Nederlands klimaatbeleid. Het circulaire economie beleid In het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2023 -2030 staat welke stappen worden gezet om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Het Rijk heeft als doel om het gebruik van primaire, abiotische grondstoffen in 2030 te halveren en in 2050 een circulaire DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2023/11/03/kennis-en-innovatieconvenant-2024-2027 https://www.pbl.nl/system/files/document/2024-01/PBL-2023-werkprogramma-2024-2025-5448.pdf https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/PBL-2015-Trends in Nederlandse voetafdrukken 00707 0.pdf https://green-business.ec.europa.eu/environmental-footprint-methods en https://www.iob-evaluatie.nl/publicaties/rapporten/2023/05/19/actieplan-beleidscoherentie-voor-ontwikkeling#:~:text=Het%20actieplan%20beleidscoherentie%20voor%20ontwikkeling%20heeft%20als%20doel%20ervoor%20te,en%20liefst%20zelfs%20nog%20ondersteunen. https://www.iob-evaluatie.nl/publicaties/rapporten/2023/05/19/actieplan-beleidscoherentie-voor-ontwikkeling#:~:text=Het%20actieplan%20beleidscoherentie%20voor%20ontwikkeling%20heeft%20als%20doel%20ervoor%20te,en%20liefst%20zelfs%20nog%20ondersteunen. 91 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 economie te bereiken waarin de effecten van het grondstoffengebruik binnen de planetaire grenzen moeten zijn teruggebracht, zowel vanuit productie- als consumptieperspectief. In een circulaire economie worden minder grondstoffen gebruikt en worden grondstoffen op een verantwoorde manier gebruikt en hergebruikt. Daardoor worden de voetafdrukken op klimaat, biodiversiteit en het milieu verkleind en wordt de leveringszekerheid van grondstoffen vergroot. Het NPCE richt zich in het bijzonder op productgroepen met een grote voetafdruk binnen vijf prioritaire ketens: kunststoffen, maakindustrie, bouw, biomassa en voedsel- en consumptiegoederen. Denk bijvoorbeeld aan productgroepen als elektrische en elektronische apparaten, textiel, kustwerken en woningen. De activiteiten binnen de biomassa- en voedselketen vallen binnen de duurzame landbouw productie en het voedselbeleid (zie beleidsterrein 3 en 4). In het NPCE staan maatregelen om om producenten te bewegen om meer duurzame, circulaire producten en diensten aan te bieden. Zo biedt het Versnellingshuis Nederland Circulair! ketenondersteuning aan bedrijven en hun ketenpartners om hun aanbod te verduurzamen en productieketens circulair te maken. Daarnaast bevat het NPCE maatregelen om consumenten te stimuleren meer duurzame, circulaire keuzes te maken. Op basis van een uitgewerkte gedragsstrategie Burgers en circulaire economie wordt ingezet op het stimuleren en faciliteren van het gewenste circulaire gedrag van burgers. Parallel hieraan verzorgt Milieu Centraal een onafhankelijke voorlichters rol om de consument te informeren over duurzaam consumeren en biedt daarbij ook concreet handelingsperspectief. Het Rijk pleit daarnaast voor ambitieuze EU-wetgeving op het gebied van circulaire economie ter bevordering van de Nederlandse circulaire doelstellingen, die een gelijk speelveld voor bedrijven bevordert om de concurrentiekracht van het bedrijfsleven te versterken. Dit verbetert tevens de leveringszekerheid van grondstoffen op Europees niveau en beschermt het milieu en de gezondheid. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aanscherping van de Europese product specifieke ontwerpeisen binnen de Eco designVerordening. Er wordt ingezet op ontwerpeisen zoals repareerbaarheid en herbruikbaarheid, zodat producten langer meegaan. Ook kan er een eis aan gebruik van recyclaat en de CO2- en milieuvoetafdrukken van producten worden gesteld, om bijvoorbeeld emissies en het primaire grondstoffengebruik bij productie te verminderen. Een van strategieën om grondstoffengebruik circulair te maken, is het vervangen van primaire grond stoffen door biogrondstoffen. Een vergroting van het aanbod van biogrondstoffen door productie is alleen verantwoord in combinatie met aandacht voor bodembeheer, natuur en biodiversiteit. Deze duurzame biogrondstoffen zijn echter niet ongelimiteerd beschikbaar. Het Rijk heeft daarom het duurzaamheidskader biogrondstoffen gepresenteerd dat richting geeft aan de inzet van duurzame biomassa in Nederland, en duurzaamheidseisen stelt aan de gebruikte biomassa. Bij de inzet wordt onderscheid gemaakt tussen laagwaardige toepassing (bijvoorbeeld voor het opwekken van elektriciteit of als brandstof voor personenvervoer), overbruggingstoepassing (bijvoorbeeld als brandstof voor de luchtvaart) en hoogwaardige toepassing (bijvoorbeeld als grondstof voor de chemische sector of de bouw). Textiel, papier en karton, voedsel en diervoer vallen momenteel niet onder de reikwijdte van het duurzaamheidskader. Er wordt momenteel verkend of het duurzaamheidskader verbreed kan worden naar andere toepassingen, waardoor een integrale afweging gemaakt kan worden tussen de verschillende toepassingen. Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen Ook verduurzaming van de productie kan bijdragen aan een verkleining van de consumptievoetafdruk. Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) is daarvoor een belangrijk middel. De Ontbossingsverordening (EUDR), de richtlijn duurzaamheidsrapportage (CSRD), de Taxonomie en Europese verordeningen op het gebied van batterijen en conflictmineralen uit zullen de komende jaren bijdragen aan het verkleinen van de consumptievoetafdruk. Dat geldt ook voor de EU Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) die op 25 juli 2024 in werking trad en die momenteel wordt omgezet in nationale wetgeving (zie ook actiedoel 15). Nederland zet in op onderlinge coherentie van deze wetgeving om de impact te vergroten en om stapeling van regelgeving voor bedrijven zoveel mogelijk te beperken. Gepaste zorgvuldigheidseisen in de verschillende wetten worden daarbij zo goed mogelijk in overeenstemming gebracht met de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO), die bedrijven vragen om aan te tonen hoe zij risico’s op milieuschade en mensenrechtenschendingen voorkomen. Bij de implementatie van aanstaande wetgeving is actieve diplomatieke inzet en flankerend beleid vanuit Europa en Nederland van belang. Daarom zet het kabinet in op dialoog met partnerlanden en werkt het mee aan initiatieven die bedrijven en productielanden ondersteunen bij het maken van positieve impact voor mens en milieu. Duurzaam voedselbeleid Het Nederlandse voedselbeleid, zowel aquatisch als terrestrisch, is gericht op het tegengaan van DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 92 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 voedselverliezen en -verspilling, het transparant maken van de duurzaamheid van ons voedsel en de inspanningen die de markt- en ketenpartijen daarop leveren, en het toewerken naar een toekomstbestendig voedselaanbod en -consumptie. In lijn met Sustainable Development Goal 12.3 wordt gestreefd naar een halvering van onze voedselverspilling in 2030 de voedselverspilling ten opzichte van 2015. Aan de ambitie voor het verminderen van voedselverspilling145 geeft het Rijk invulling door de Stichting Samen Tegen Voedselverspilling te financieren (een samenwerkingsverband met onder andere het bedrijfsleven), voedselverspilling te monitoren en het Voedingscentrum informatie te laten verspreiden onder consumenten die daar interesse in hebben. Voorwaardelijk in het streven naar een houdbaar voedselsysteem is dat partijen transparant zijn over hoe voedselproducten tot stand komen en welke impact dit heeft op mens en maatschappij. Door transparanter te zijn over de duurzaamheid van voedselproducten en de verduurzaming van bedrijven in de voedselketen kan geconcurreerd worden op verduurzaming. Om dit te stimuleren financiert het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de beoordeling van keurmerken door Milieu Centraal. Er zijn zo’n 140 private keurmerken en logo’s op de Nederlandse voedingsmiddelenmarkt. Milieu Centraal beoordeelt deze en heeft 12 topkeurmerken aangeduid die ambitieus en transparant zijn. Dit zijn onder andere Biologisch, Beter Leven (voor vlees en zuivel), MSC/ASC (voor vis), On the way to planet proof (agro producten) en Fairtrade. Om tot meer transparantie over de duurzaamheid van voedsel te komen zet Nederland in op een database (RIVM-database milieu impact voedingsmiddelen) die vanaf 2025 inzage zal geven in de gemiddelde milieudruk van zo’n 3.000 producten. Daarnaast wordt via het dashboard Duurzaamheid Supermarkten inzicht gegeven in de duurzaamheids- inspanningen van supermarkten. Om mensen die duurzamer en gezonder willen eten te ondersteunen, wordt het Voedingscentrum gefinancierd. Het Voedingscentrum heeft adviezen verwerkt in de Schijf van Vijf, die burgers handelingsperspectief geeft in hun eet- en drinkgewoonten. De consumptie van duurzaam voedsel wordt jaarlijks gemonitord. De vereisten voor het biologisch keurmerk liggen vast in EU verordeningen. Ook werkt Nederland in Europees verband aan milieucriteria die worden ontwikkeld met de private sector voor diverse producten. Voedsel uit de zee – zeewier, vis-, schaal en schelpdieren – neemteen bijzondere positie in. Gezien hun lage CO2-, land- en 145 Ministerie LVVN (z.d.) Vermindering voedselverspilling | Voeding | Rijksoverheid.nl. 146 Ministerie LVVN (2022) Actieplan - Groei van biologische productie en consumptie | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. watervoetafdruk kan dit voedsel een rol spelen naar duurzame voedselconsumptie. Daarbij is het van belang om voedsel van land en uit de zee onderling te kunnen vergelijken. Bij het ontwikkelen van indicatoren vraagt dit specifieke aandacht. Beleid voor duurzame landbouwproductie Voor de landbouwproductie is er ook beleid dat bijdraagt aan het verkleinen van onze nationale- en internationale voetafdruk. Dit betreft voornamelijk de missie gedreven innovatieprogramma’s, de implementatie van de Europese Ontbossingsverordening, het landbouwemissiebeleid, het gewas beschermingsbeleid, het Actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie146 en het beleid op het verminderen van voedselverliezen in de productieketen. Internationaal is een belangrijke rol voorzien voor het LVVN Attaché Netwerk, diplomaten en medewerkers die zich op ambassades wereldwijd inzetten voor de beleidsdoelstellingen op het gebied van water, klimaat, voedsel en biodiversiteit. De meerjarige innovatieprogramma’s Innovatie is onmisbaar voor Nederland om tot de meest concurrerende en duurzame markten ter wereld te blijven behoren én om maatschappelijke doelen te halen. Daarom zetten we in op technologieën en markten waar voor Nederland groeikansen liggen. De innovatie missies beschrijven een wenkend perspectief voor Nederland: een veerkrachtige natuur en een robuust water- en bodemsysteem die sturend zijn, zowel in de bebouwde omgeving als in een vitaal landelijk gebied waarin de land- en tuinbouw in al haar verscheidenheid een van de economische dragers is. De brede verwaarding van grondstoffen vanuit de voedselproductie, via slimme verwerkingstechnologieën, naar voedsel én hoogwaardige non-food producten, levert een substantiële bijdrage aan de totale verduurzaming van het systeem, en tevens aan het verdienvermogen van de boer en de keten. Het innovatiefonds financiert innovatieve technologieën die (mee)helpen broeikasgasemissies te verminderen. Ontbossingsverordening Net als de CSDDD heeft de implementatie van de EUDR als effect dat onze voetafdruk wordt verkleind. De verordening verplicht bedrijven aantoonbaar te maken dat producten (soja, oliepalm, rund, cacao, hout, koffie, rubber en daarvan afgeleide producten) die zij importeren niet gerelateerd zijn aan ontbossing en legaal geproduceerd zijn. Vooralsnog heeft de EUDR enkel bossen in haar scope en vallen andere kwetsbare ecosystemen, die ook bepalend zijn voor de landen, niet onder de verordening. Via het implementeren, DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/voeding/vermindering-voedselverspilling https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/12/19/lnv-actieplan-biologische-landbouw 93 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 en waar mogelijk uitbreiden, van de ontbossings- verordening en toepassing van IMVO-richtlijnen is het wel mogelijk om de milieu-impact van verschillende 147 Ministerie LVVN (2019) https://open.overheid.nl/documenten/ronl-1fe2900b-5755-4bc2-a10e-cab52a7fb3ca/pdf. 148 Ministerie LVVN (2022) Actieplan - Groei van biologische productie en consumptie | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. geïmporteerde agrogrond stoffen die op de EU-markt worden aangeboden te beperken. Figuur 41. Houtkap in Suriname © Britta Jaschinski/IUCN NL Landbouwemissiebeleid Voor de landbouwsector streeft het kabinet naar een gebalanceerd en gedragen beleidspakket om voldoende emissiereductie te kunnen realiseren die past bij een pad naar klimaatneutraliteit in 2050. Om duidelijkheid te bieden voor de lange termijn werkt het kabinet toe naar doelsturing met haalbare, bedrijfsspecifieke doelen voor broeikasgas- en stikstofemissies, zodat ondernemers voldoende tijd hebben om deze doelen te halen. Naast de focus op bedrijfsspecifieke emissiedoelen voert de overheid verschillende landelijke maatregelen uit in aansluiting op lopende programma’s. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op het ondersteunen van ondernemers bij hun inspanningen om te ontwikkelen, te innoveren en emissiereducties te realiseren. Aan de andere kant bieden ze ondersteuning voor ondernemers die uit de sector willen stappen, door o.a. een brede beëindigingsregeling. Daarnaast richt de overheid zich met de aanpak “Ruimte voor Landbouw en Natuur” (RLN) op gebieden waar de uitdagingen het grootst zijn en/of waar concrete oplossingen voorhanden zijn. Ook wordt er gewerkt aan een meetprotocol voor emissiemonitoring van methaan. Het mestbeleid, met opeenvolgende actieprogramma’s onder de Nitraatrichtlijn, richt zich op het verbeteren van de waterkwaliteit. Minimale Gewasbescherming147 LVVN zet in op duurzame productie met weerbare planten en teeltsystemen, waardoor ziekten en plagen veel minder kansen krijgen en het gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk kan worden voorkomen. Daar waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, is dit conform de principes van geïntegreerde gewasbescherming, toepassing van laagrisicomiddelen en met zo min mogelijk emissies naar het milieu en met zo min mogelijk residuen op producten. Hiermee wordt tegelijkertijd een blijvend economisch perspectief voor de land- en tuinbouw gerealiseerd. Het beleid rondom gewasbeschermingsmiddelen wordt verder beschreven in actiedoel 7. Het Actieplan ‘groei van biologische productie en consumptie’148 Biologische landbouw heeft met zijn extensieve productiewijze en gebruik van natuurlijke en zoveel mogelijk lokale grondstoffen een kleinere voetafdruk. Met schoner water, een gezondere bodem, meer biodiversiteit en verbeterd dierenwelzijn als gevolg. Met het Actieplan streeft de Rijksoverheid naar een toename van de biologische productie naar 15% van het Nederlands landbouwareaal in 2030. Om dit te bereiken is de groei van de vraag van de consument en markt een belangrijke voorwaarde. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://open.overheid.nl/documenten/ronl-1fe2900b-5755-4bc2-a10e-cab52a7fb3ca/pdf https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/12/19/lnv-actieplan-biologische-landbouw 94 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Reductie van verliezen in de voedselketen Naast beleid met betrekking tot voedselverspilling bij de consument (zie duurzaam voedselbeleid), is er ook beleid om voedselverliezen in de productieketen, van oogst tot aan verkooppunten, te verminderen. De Rijksoverheid heeft het doel van 50% reductie van voedselverspilling verbreed naar de gehele voedselketen in 2030, ten opzichte van 2015. Door deze verliezen te verminderen zal onze voetafdruk afnemen, niet alleen in eigen land maar ook in landen waarvandaan wij producten importeren, en soms ook weer doorvoeren naar andere (vooral) EU-landen. Agrologistieke oplossingen (verpakkingen/(gekoelde) opslag en transport) kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het reduceren van voedselverliezen en dus de voetafdruk. Klimaatbeleid De broeikasgasvoetafdruk van de Nederlandse consumptie (niet alleen CO2-uitstoot, maar ook uitstoot van andere broeikasgassen) was in 2018 271 Mton CO2-equivalenten. Hiervan betrof 37% binnenlandse emissies en 63% buitenlandse emissies. Voor de binnenlandse emissies is de doelstelling in de Klimaatwet om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dit komt dus een aardig eind in de richting van halvering van de broeikas- gas voetafdruk. Voor 2030 is het tussendoel 55% broei- kasgasemissiereductie ten opzichte van 1990. 149 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. Het klimaat beleid wordt verder beschreven in actiedoel 8. Voor het buitenlandse deel geldt dat het Rijk ook deze emissies substantieel wil verminderen. Daartoe zijn er tal van activiteiten ter ondersteuning en stimulering van andere landen om hun emissies te reduceren. Ook wordt ingezet op verduurzaming van de binnenlandse consumptie. In de koepel campagne klimaat is één van de doelen om het publiek middels gedragsverandering andere, duurzame consumptiekeuzes te laten maken. De campagne ‘Zet ook de knop om’ is tot stand gekomen in samenwerking met de kerndepartementen en richt zich op de thema’s wonen (inclusief energie), reizen, spullen en voedsel. Beleid dat leidt tot verduurzaming van productie, zoals voor circulaire economie, draagt ook bij aan het reduceren van broeikasgasemissies. Daarnaast werkt de Rijksoverheid, zoals vermeld in de Kamerbrief ‘Naar een beleidsagenda voor een klimaatneutraal Nederland’ aan een nationale uitwerking van beleid voor reductie van ketenemissies. Onderdeel daarvan is om in de EU, vervolgstappen te bepleiten. De CSDDD, op basis waarvan grote bedrijven in de EU verplicht worden gesteld om een klimaatplan op te stellen en zich moeten inspannen dit uit te voeren, vormt een belangrijke basis voor ketenemissie- reductiebeleid op een manier die het Europese gelijke speelveld waarborgt. Agenda Natuurinclusief 2.0149 Domein Vrijetijdseconomie Het domein Vrijetijdseconomie werkt aan de ambitie om te recreëren in balans met de natuur, opdat elk bezoek zo weinig mogelijk invloed heeft op de natuur. Concreet betekent dit dat bezoekers zich houden aan de regels van terreinbeheerders, zoals geen afval achterlaten, op paden blijven en het volgen van aanwijzingen ten aanzien van honden. Daarnaast wordt regeneratief gedrag gestimuleerd, waarbij bezoekers iets terug doen voor de natuur, zoals bijdragen aan onderhoud en aanleg. De koplopers in dit domein zetten een onderzoeksprogramma op dat gericht is op het beeld in beeld brengen wat gewenst en daadwerkelijk natuurinclusief gedrag van bezoekers inhoudt, hoe hierop te sturen en welke interventies te plegen. Ook werken zij aan integrale samenwerking tussen diverse partijen in het domein Vrijetijdseconomie en de natuur- sector ten aanzien van het stimuleren van natuurinclusief gedrag om te komen tot een gezamenlijke communicatiecam- pagne, de ontwikkeling van een gedragscode voor natuur en aandacht voor het opschalen van bestaande initiatieven rondom bijvoorbeeld zwerfvuilacties en campagnes. Het domein Vrijetijdseconomie onderscheidt zich binnen Agenda Natuurinclusief met haar focus op natuurbeleving en het bevorderen van natuurinclusief gedrag onder bezoekers. Dit is een belangrijk aspect van het toewerken naar een natuurin- clusieve samenleving waarin natuur is verankerd in al ons denken en doen. De kennis, ervaring en goede voorbeelden die de komende jaren worden opgedaan door de koplopers van het domein Vrijetijdseconomie en partijen die hierop aan willen haken, kunnen vervolgens als inspiratie dienen voor andere domeinen en hun (internationale) ketens. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 95 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 17. Versterk de bioveiligheid en deel de baten van biotechnologie Figuur 42. Close-up van een genetisch gemodificeerde aardappel © BASF , CC BY-NC-ND 2.0 DEED Biotechnologie benut biologische processen op een slimme manier voor bijvoorbeeld voedsel, medicijnen en nieuwe materialen. De overheid stimuleert de mogelijkheden van biotechnologie, maar neemt ook maatregelen om risico’s te beheersen. Internationale regels op het gebied van biotechnologie zijn opgenomen in het Cartagena Protocol, en waarborgen de veilige toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) voor mens, dier en milieu. Nederland heeft dit protocol ondertekend en volledig geïmplementeerd in samenwerking met de EU. Wetten en regels voor biotechnologie Er zijn wetten en regels voor biotechnologie. Deze verzekeren de veiligheid van mens, dier en milieu. Het Rijk controleert of onderzoekers biotechnologie volgens de wet gebruiken. De regels voor bio technologie verzekeren de veiligheid van mens, dier en milieu. De regels richten zich op drie soorten gebruik: • onderzoek dat alleen in afgesloten ruimten, zoals kassen of laboratoria, mag plaatsvinden; • onderzoek en proeven die al veilig genoeg zijn om buiten die afgesloten ruimten plaats te vinden, zoals veldproeven met gewassen of klinisch onderzoek met medicijnen; • bij aangetoonde veiligheid over de toelating als product op de (gemeenschappelijke) Europese markt. Consumenten hebben zelf de keuze of ze voor genetisch gemodificeerde producten kiezen. Fabrikanten van deze producten moeten het op het etiket vermelden als 0,9% van het product genetisch gemodificeerd is. Cartagena Protocol is geïmplementeerd Nederland heeft met de EU het Cartagena Protocol volledig geïmplementeerd, waarmee Europees Nederland al sinds jaren voldoet aan actiedoel 17. Per complementaire Global Biodiversity Framework-indicator wordt hieronder aangegeven wat de Nederlandse situatie is. • Nederland beschikt over de nodige wettelijke en administratieve maatregelen op het gebied van bioveiligheid (2009/41, 2001/18 en 1829/2003 en Besluit ggo en Regeling ggo). • Nederland heeft bioveiligheidsmaatregelen geïmplementeerd. • Nederland beschikt over de nodige maatregelen en middelen voor de detectie en identificatie van biotechnologische producten (afgedekt in 2001/18 en Besluit ggo/Regeling ggo en food/feed verordening 1829/2003). • Nederland voert wetenschappelijk verantwoorde risicobeoordelingen uit ter ondersteuning van de besluitvorming op het gebied van bioveiligheid (2009/41, 2001/18 en 1829/2003 en Besluit ggo en Regeling ggo). • Nederland implementeert de relevante bepalingen van het Cartagena Protocol inzake bioveiligheid. • Nederland stelt risicomanagementmaatregelen vast en DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 96 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 implementeert deze (2009/41, 2001/18 en 1829/2003 en Besluit ggo en Regeling ggo). • Nederland heeft wettelijke en technische maatregelen voor herstel en compensatie (2004/35 environmental liability). • Het Nagoya – Kuala Lumpur Supplementary Protocol is ook in EU – en Nederlandse regelgeving vastgelegd. • Nederland heeft een systeem voor herstel en compensatie van schade aan het behoud en duurzaam gebruik van biologische diversiteit. Dit is in EU- en nationale regelgeving vastgelegd. • Nederland heeft een mechanisme om het delen van en de toegang tot informatie over potentiële negatieve effecten van biotechnologie op de biodiversiteit en de menselijke gezondheid te vergemakkelijken. Ontsluiting van informatie en beslissingen via Biosafety Clearing House, de nationale ggo-vergunningendatabase, EU-databases voor deliberate releases of genetically modified organisms (GMOs) (2001/18 part B en C) en food feed GMO (EU register). Deze bevatten informatie over de ggo’sen hun gebruik met bijbehorende risicobeoordelingen. Bestaande EU-doelen en acties: • EU GGO-wetgeving; • nieuwe wetgeving inzake genoomtechnieken (voorstel in voorbereiding). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 97 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 18. Effectievere overheidsuitgaven: schadelijke financiele stromen en prikkels inventariseren en ombuigen Figuur 43. Nationaal Park de Hoge Veluwe © Frans de Wit Publieke financiële stromen en prikkels beïnvloeden biodiversiteit zowel positief als negatief. Sommige subsidies ondersteunen het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit, terwijl andere geldstromen en prikkels -onbedoeld- schadelijk kunnen zijn voor biodiversiteit. Het kabinet is zich ervan bewust dat het afschaffen of ombuigen van bepaalde geldstromen en prikkels ecologische druk kunnen verminderen, maar wil daarbij nadrukkelijk ook beschouwen of de biodiversiteitsvoordelen opwegen tegen de mogelijke maatschappelijke of economische nadelen voor de samenleving. Biodiversiteitsimpact van financiële stromen en prikkels Nederland is in het najaar van 2024 gestart met de uitvoering van een Rijksbreed onderzoek naar de positieve en negatieve effecten van financiële Rijksmiddelen op milieu en biodiversiteit. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft hiervoor een beoordelingsmethode en een protocol laten ontwikkelen, zodat een gestandaardiseerde werkwijze kan worden gevolgd. Beide producten zijn internationaal getoetst in een workshop met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), Directoraat- generaal Milieu van de Europese Commissie, Duitsland, Frankrijk, Italië, Finland en Australië. De methode sluit aan bij de richtlijnen van de OESO en de rapportage eisen van zowel het VN-biodiversiteitsverdrag voor actiedoel 18 als van de Europese Commissie voor Environmentally Harmful Subsidies. Het onderzoek beslaat meerdere sectoren en de deelnemende ministeries zijn verenigd in een Community of Practice. Het onderzoek is medio 2025 gereed, waarna mogelijke vervolgstappen ter verbetering zullen worden verkend. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 98 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 19. Verhoog financiële middelen voor biodiversiteit Figuur 44. Driel vistrap © Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, foto van Thea van den Heuvel 150 Centraal bureau voor de Statistiek (2024) Kosten en financiering van het milieubeheer. Financiële middelen voor biodiversiteit leveren, met name op de langere termijn, financieel-economische en maatschappelijke baten op en zorgen ervoor dat bedrijven en financiële instellingen hun risico’s rondom biodiversiteitsverlies beter kunnen beheersen. Het kabinet ondersteunt ondernemers daarom bij innovatie en ontwikkeling. We belonen ondernemers voor de diensten die ze leveren aan de maatschappij, zoals op het gebied van agrarisch natuurbeheer en biodiversiteit. Het kabinet heeft bijvoorbeeld middelen vrijgemaakt voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer en natuurherstel. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gaven Nederlandse overheden in 2021 bruto al ongeveer 1,34 miljard euro150 uit aan natuur en landschap. Er wordt ook gekeken hoe private middelen, publiek-private samenwerkingen en andere publieke financiering kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van onze inzet, bijvoorbeeld via investeringen in landbouwinnovatie binnen Invest-NL. Nederland gaat conform de afspraken in het Global Biodiversity Framework een National Biodiversity Finance Plan opstellen met als doel om meer inzicht en voldoende financiering voor biodiversiteit te realiseren. Hieronder staan per sub- actiedoel een aantal acties waarmee het kabinet bijdraagt aan actiedoel 19. Sub-actiedoel a) internationale financiering Middelen voor biodiversiteit in ontwikkelingslanden. Conform zijn verplichtingen dient Nederland elke paar jaar aan het VN-biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD) te rapporteren over de kabinetsbrede bijdrage aan biodiversiteit in ontwikkelingslanden, de eerstvolgende keer in februari 2026. In 2024, het meest recente jaar waarvoor dit is vastgesteld, werd uit de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp circa 220 miljoen euro uitgegeven aan activiteiten in ontwikkelingslanden die ook bijdroegen aan biodiversiteit. Op 20 februari is met de Tweede Kamer de Beleidsbrief DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84733NED/table?ts=1708931154926 99 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Ontwikkelingshulp gedeeld.151 Binnen de daarin genoemde prioriteiten en gemaakte keuzes wordt waar opportuun bijgedragen aan internationale biodiversiteit, mede gelet op de versterking van effectiviteit van interventies op bijvoorbeeld het terrein van voedselzekerheid en water. Dit is bijvoorbeeld het geval waar ingezet wordt op 151 Kamerstuk 36180-133 (20 februari 2025) Doen waar Nederland goed in is - Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking | Tweede Kamer der Staten-Generaal. 152 Centraal bureau voor de Statistiek (2024) Kosten en financiering van het milieubeheer. 153 LVVN (2023) A Review of experience and recommendations for National Biodiversity Strategies and Action Plans and National Biodiversity Finance Plans | Report | Government.nl. 154 De Nederlandse Bank (z.d.) Werkgroep Biodiversiteit | De Nederlandsche Bank. nature-based solutions (zie actiedoel 11). Daarnaast levert het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) een bijdrage, bijvoorbeeld via de inzet van LVVN-raden in het buitenland. Sub-actiedoel b) nationale financiering Middelen voor natuur in Nederland Volgens het CBS gaven Nederlandse overheden in 2021 bruto al ongeveer 1,34 miljard euro152 uit aan natuur en landschap (directe uitgaven plus betaalde overdrachten). Het kabinet heeft ongeveer 5 miljard euro toegewezen aan de agrarische sector en is voornemens om tot 500 miljoen voor natuurherstel in te zetten. Er zijn verder geen aanvullende publieke middelen voorzien. National Biodiversity Finance Plan Nederland zal conform de afspraken in het Global Biodiversity Framework een National Biodiversity Finance Plan153 ontwikkelen, wat zal bestaan uit de onderdelen: (1) hoeveel financiering voor natuur nodig is, (2) hoeveel financiering momenteel beschikbaar is en (3) wat manieren zijn om meer financiering te realiseren, inclusief (publiek-private) innovatieve financieringsmechanismen. Hiervoor krijgt Nederland technische ondersteuning van IUCN vanuit het EU Technical Support Instrument in een gezamenlijk project met België, Finland en Luxemburg. Daarbij wordt aangesloten bij het Natuurplan en wordt samenwerking met verschillende stakeholders gezocht. Sub-actiedoel c) private financiering Instrumentontwikkeling voor de private sector Het mobiliseren van de private sector krijgt voortdurende aandacht. Zo ondersteunt het kabinet verschillende initiatieven die de private sector helpen bij het in kaart brengen van impacts, afhankelijkheden, risico’s en kansen rondom biodiversiteit. Denk aan ondersteuning van het Partnership Biodiversity Accounting Financials, Ecosystem Services Valuation Database, Taskforce on Nature-related Financial Disclosures, MVO Nederland, Capitals Coalition en onderzoek van De Nederlandsche Bank en het Planbureau voor de Leefomgeving. Zie actiedoel 15 voor meer informatie. Meer inzicht in de relatie van de private sector met biodiversiteit en ecosysteemdiensten stimuleert financiële instellingen om met financiële producten zoals investeringen, leningen en verzekeringen een positievere impact op de biodiversiteit te realiseren. Werkgroep biodiversiteit DNB Platform voor Duurzame Financiering Het ministerie van LVVN draagt bij aan de werkgroep biodiversiteit onder het Platform voor Duurzame Financiering van de Nederlandse Bank.154 Via dit platform werken toezichthouders, Nederlandse financiële instellingen, maatschappelijke instellingen en verschillende ministeries samen aan verschillende milieuopgaven waaronder biodiversiteit in Nederland. Agenda Natuurinclusief Nederland ondersteunt de Agenda Natuurinclusief, een publiek-privaat initiatief dat de koers uitzet naar een natuurinclusieve samenleving en financiële sector in 2050. Het domein Financiële Sector, waarin zowel financiële instellingen als overheden deelnemen, heeft de ambitie om geldstromen in te zetten voor biodiversiteit. Het koppelt concrete acties om de impact op biodiversiteit in kaart te brengen en te verbeteren (zie paragraaf 19.B voor een nadere toelichting op dit domein). De inzet van de Agenda is ook gericht op natuurinclusiviteit in financiële producten en innovatieve financieringsmodellen. Zie actiedoel 14 voor meer toelichting op Agenda Natuurinclusief 2.0 en de Investeringsagenda Natuurinclusief. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2025Z03188&did=2025D07197 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2025Z03188&did=2025D07197 https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84733NED/table?ts=1708931154926 https://www.government.nl/documents/reports/2023/07/17/a-review-of-experience-and-recommendations-for-national-biodiversity-strategies-and-action-plans-and-national-biodiversity-finance-plans https://www.government.nl/documents/reports/2023/07/17/a-review-of-experience-and-recommendations-for-national-biodiversity-strategies-and-action-plans-and-national-biodiversity-finance-plans https://www.dnb.nl/groene-economie/platform-voor-duurzame-financiering/werkgroep-biodiversiteit/ 100 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Sub-actiedoel d) innovatieve financiering 155 Seth Shames, Margot Hill Clarvis, and Gabrielle Kissinger (2014) Synthesis: Financing Strategies for Integrated Landscape Investment. 156 Wolfs Company (2023) Developing-blended-finance-capacity-for-nature-on-a-national-level.pdf. 157 RVO (2024) Eco-regeling 2024 | RVO.nl. Onderzoek naar innovatieve financiering Het kabinet zet zich in voor kennisontwikkeling rondom innovatieve financieringsmodellen voor biodiversiteit. Voorbeelden van afgeronde studies zijn het EcoAgricultural Partners rapport155 over het financieren gebiedsgerichte landschapsprojecten en de Wolfs-Company studie156 over publiek-private blended finance modellen voor natuurprojecten. De komende tijd zet Nederland in op kennisontwikkeling rondom gebiedsgedreven publiek- private financiering (blended finance), bio-credits en betaling voor ecosysteemdiensten. De Nederlandse ambassade in het Verenigd Koninkrijk verkent de mogelijkheden voor internationale samenwerking op het gebied van biodiversiteitsfinanciering met het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Figuur 45. De drie typen ecosysteemdiensten verschillen op het gebied van publiek of private financiering, schaal en de termijn waarop de baten merkbaar zijn. Er zijn daarom financieringsstrategieën die passen bij de karakteristieken van ieder type ecosysteemdienst, zoals het creëren van natuurinclusieve markten, het bundelen van publieke financiële middelen en private beloningssystemen voor regulerende ecosysteemdiensten. Blended finance kan de drie typen ecosysteemdiensten samenbrengen in één publiek-privaat financieringsmechanisme. Bron: Van Leenders & Heijblom, 2024 Betaling voor ecosysteemdiensten Het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor de periode 2023-2027 beloont boeren sterker voor toekomstbestendige praktijken, met speciale aandacht voor het behoud van natuur, klimaat en milieu naast voedselproductie. Zo bevat het Nationaal Strategisch Plan van het GLB regelingen die boeren vergoeden voor het leveren van ecosysteemdiensten: • Met de eco-regelingen157 kunnen agrariërs aanspraak maken op een eco-premie als zij bijdragen aan het verbeteren van klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit. Hoe hoger de bijdrage, hoe hoger de vergoeding. Denk aan het telen van rustgewassen om de bodemstructuur te verbeteren en het planten van stikstofbindende gewassen voor meer stikstofopname. Het budget voor de eco-regelingen bedraagt €152 miljoen per jaar.Met het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) worden agrarische collectieven, bestaande uit landbouwers of andere grondgebruikers, vergoed voor het verbeteren van de biodiversiteit, klimaat en water op of aanpalend aan landbouwgrond. Denk aan het beheren van plasdras voor weidevogels zoals de grutto en het onderhouden van natuurvriendelijke oevers. In de huidige GLB periode 2023-2027 zal het budget voor het ANLb groeien van €100 miljoen per jaar naar DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rsm.nl/fileadmin/CDC/Shames Seth et al. Financing Strategies for Integrated Landscape Investment Synthesis Report.pdf https://www.idfb-dialogue.org/wp-content/uploads/2023/05/Developing-blended-finance-capacity-for-nature-on-a-national-level.pdf https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/glb-2024/eco-regeling 101 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 €120 miljoen per jaar. Met de extra € 500 miljoen structureel voor agrarisch natuurbeheer ligt het in de lijn der verwachting dat het areaal voor het ANLb fors zal toenemen. Het aantal hectares waar ANLb- beheerpakketten worden ingezet kan daarmee potentieel uitbreiden van de huidige 100.000 naar circa 280.000 hectare in 2032, afhankelijk van nog te maken keuzes over bijvoorbeeld de hoeveelheid zwaar beheer.158 Met de Samenwerkingsmaatregel Veenweiden en Overgangsgebieden Natura 2000159 wordt de extensivering van de melkveehouderij ondersteund.160 Er zijn drie categorieën waar subsidie voor kan worden aangevraagd in 2024, namelijk het opstellen van een gebiedsplan en het opzetten samenwerkingsverband (€1,2 miljoen), verhogen van de grondwaterstand in veenweidegebieden en mogelijk extensiveren (€37,5 miljoen) en extensiveren in overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden (€105 miljoen). In totaal tot 2028 is er ongeveer €370 miljoen beschikbaar gesteld voor deze samenwerkingsregeling. 158 Kamerbrief nr. 33576, nr. 402 (13 december 2024) Kamerstuk 33576, nr. 402 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen. 159 RVO (2024) Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-overgangsgebieden | RVO.nl. 160 Extensivering houdt in dat meer landbouwareaal per dier beschikbaar wordt gemaakt of minder dieren op hetzelfde landbouwareaal als extra areaal niet beschikbaar is. 161 Ministerie van Financiën (z.d.) Groene obligaties steunen groene uitgaven overheid | Verduurzaming financiële sector | Rijksoverheid.nl. 162 Eu commissie (2023) taxonomy-regulation-delegated-act-2022-environmental-annex-4 en 0.pdf. 163 Zo is in opdracht van het ministerie van LVVN de studie The Climate-Biodiversity Nexus: Quantified in four investment cases uitgevoerd. 164 De Nederlandse Bank (z.d.) Werkgroep Klimaatadaptatie | De Nederlandsche Bank. 165 Platform voor duurzame financiering (2023) Klimaatadaptatie in een stroomversnelling. 166 Coalition of Finance Ministers. 167 Zo heeft het in 2022 het rapport An Overview of Nature-Related Risks and Potential Policy Actions for Ministries of Finance: Bending The Curve of Nature Loss gepubliceerd en workshops georganiseerd om dit rapport te bespreken en ervaringen uit te wisselen. InvestNL InvestNL heeft zich afgelopen jaar verdiept in de vraag hoe het kan bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit. Het resultaat is een verkenning naar de impact, publieke omgeving, de markt en rolopvatting van Invest-NL, samengevat in een visiedocument. Het onderliggende onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met financiers, kennisinstellingen, ondernemers, NGO’s en overheidsinstellingen. Groene obligaties De Rijksoverheid haalt periodiek geld op met groene obligaties om duurzame maatregelen en projecten te financieren.161 Ook geeft de uitgifte van groene obligaties een impuls aan de groene obligatiemarkt. Voor de uitgifte van groene obligaties maakt de Rijksoverheid gebruik van de EU taxonomie. Natuurbescherming en herstel maakt sinds juli 2023 onderdeel uit van de EU-taxonomie.162 Sub-actiedoel e) synergieën met klimaatfinanciering Kennisontwikkeling relatie klimaat en biodiversiteit Nederland draagt bij aan kennisontwikkeling in de financiële sector over de relatie tussen klimaat en biodiversiteit, inclusief synergieën en afruilmogelijkheden.163 Werkgroep klimaatadaptatie DNB Platform voor Duurzame Financiering Verschillende ministeries dragen bij aan de werkgroep klimaatadaptatie164 onder het Platform voor Duurzame Financiering van DNB. Rondom financiering en verzekeringen kijkt de werkgroep ook naar oplossingen die tegelijk bijdragen aan klimaatmitigatie, natuurinclusiviteit en biodiversiteit.165 Coalition of Finance Ministers for Climate Action De Nederlandse minister van Financiën is ten minste tot april 2025 samen met de Indonesische collega co-voorzitter van de Coalition of Finance Ministers for Climate Action.166 De coalitie deelt kennis en helpt landen bij het integreren van klimaat en biodiversiteit in het beleidsinstrumentarium van ministers van Financiën.167 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33576-402.html https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/samenwerking-veenweide-natura-2000 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/verduurzaming-financiele-sector/groene-obligaties#:~:text=Groene%20staatsobligaties%20dragen%20bij%20aan,naar%20het%20aanleggen%20van%20windmolenparken. https://finance.ec.europa.eu/system/files/2023-06/taxonomy-regulation-delegated-act-2022-environmental-annex-4 en 0.pdf https://www.government.nl/documents/publications/2022/06/13/the-climate-biodiversity-nexus---quantified-in-four-investment-cases https://www.dnb.nl/groene-economie/platform-voor-duurzame-financiering/werkgroep-klimaatadaptatie/ https://www.dnb.nl/media/1uhbm3od/klimaatadaptatie-in-een-stroomversnelling-rapport.pdf https://www.financeministersforclimate.org/ https://www.financeministersforclimate.org/sites/cape/files/inline-files/Bending the Curve of Nature Loss - Nature-Related Risks for MoFs 2.pdf https://www.financeministersforclimate.org/sites/cape/files/inline-files/Bending the Curve of Nature Loss - Nature-Related Risks for MoFs 2.pdf 102 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Agenda Natuurinclusief 2.0 168 Domein Financiële Sector Binnen het domein Financiële Sector van de Agenda Natuurinclusief 2.0 gewerkt aan definities en criteria die financiële instellingen kunnen gebruiken voor het stellen van voorwaarden aan financiering van en investeringen in biodiversiteit. Ook wordt gewerkt aan het ontwikkelen en inzetten van instrumenten voor publiek-private samenwerking voor investe- ringen in natuurinclusiviteit. Daarnaast wordt financiële kennis beschikbaar gesteld voor het ontwikkelen van innovatieve verdienmodellen voor natuurinclusieve oplossingen binnen de overige domein zoals Bouw, Energie, Infrastructuur, Landbouw en Water. Duidelijk en lange termijn overheidsbeleid op het vlak van natuurinclusiviteit stelt de financiële sector in staat nog nadrukkelijker haar rol te pakken binnen de verschillende domeinen en sectoren. Daarnaast is er steeds meer behoefte aan een gebiedsgerichte aanpak en samenwerking. Eenzijdig investeren in de natuur levert nog vaak onvoldoende op voor zowel de afzonderlijke investeerder als voor het collectief. Daarom is het belangrijk om samen te werken, zodat zoveel mogelijk partijen voordeel hebben bij een natuurinclusieve investering. 168 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 103 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 20. Versterk capaciteitsopbouw, wetenschappelijke en technische samenwerking voor biodiversiteit Figuur 46. Planten in erlenmeyers © CHUTTERSNAP via Unsplash Innovatie vormt een onmisbaar spoor om maatschappelijke doelen te halen. Innovatieve groenblauwe oplossingen dragen bijvoorbeeld bij aan duurzaam bodem- en waterbeheer, wat cruciale elementen zijn voor klimaat- robuustheid, dier- en plantgezondheid en voedsel- zekerheid. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) stimuleert innovatie door bestaande structuren en beleid te versterken, in samenwerking met jonge ondernemers en innovatieve partijen. Naast de inzet op innovatiebeleid investeert het kabinet ook actief in onderzoek en ontwikkeling. Bij innovatie, onderzoek en ontwikkeling wordt ingezet op effectieve en constructieve samenwerkingsverbanden binnen het koninkrijk, in Europa en internationaal. Mondiale samenwerking voor biodiversiteitsdata en informatievoorziening Nederland is lid van de Global Biodiversity Information Facility (GBIF), een internationaal netwerk en databank voor biodiversiteitsgegevens, en kent een bijbehorend Nederlands kennisknooppunt genaamd NLBIF. GBIF en NLBIF hebben tot gezamenlijk doel om iedereen, waar dan ook, open toegang te geven tot gegevens over alle soorten leven op aarde. NLBIF ondersteunt de mobilisatie en uitwisseling van biodiversiteitsdata via capaciteitsopbouw (workshops, trainingen, helpdesk, projectfinanciering, etc.). Nederland neemt via GBIF deel aan het door de EU gefinancierde Biodiversity Information for Development (BID) programma, een meerjarig programma onder leiding van GBIF om capaciteits opbouw rondom biodiversiteits- informatie en biodiversiteitsdata te stimuleren en het gebruik van biodiversiteitsgegevens in onderzoek en beleid in Afrika, Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en de Pacifische eilanden. Nederland kent een nationaal focal point voor het Clearing House Mechanism onder het VN-bio diversiteits verdrag (Convention on Biological Diversity, CBD). Hiervoor wordt de website biodiversiteit.nl beheerd. Nederland biedt ondersteuning op dit vlak aan twee CBD-lidstaten, Grenada en Palau. Nederlandse bijdrage aan mondiale capaciteitsopbouw-initiatieven Nederland was lid van de Taskforce on Capacity Building van het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten in de periode 2014-2019 en is dat wederom voor de periode 2024-2027. Nederland is donor van de Global Environment Facility, een internationaal fonds dat bijdraagt aan het tegengaan van biodiversiteitsverlies, vervuiling, klimaatverandering en druk op de fysieke leefomgeving wereldwijd en draagt op die manier bij aan de capacity-building activiteiten van de Global Environment Facility. Nederland draagt via steun aan de internationale activiteiten van de Commissie voor de Milieueffectrapportage bij aan capaciteits- en kennisopbouw rondom de inzet van milieueffect- rapportages in ontwikkelingslanden. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland http://biodiversiteit.nl 104 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Transnationale onderzoekssamenwerking en Noord-Zuid samenwerking in de wetenschap NL is co-lead voor de internationalisering van het Biodiversa+ programma dat onder meer internationale samenwerking in biodiversiteitsonderzoek stimuleert. In dat verband zijn er ook contacten met GBIF in het kader van het versterken van Research Infrastructures en ten aanzien van het stroomlijnen van de mondiale governance rond biodiversiteitsmonitoring. Er zijn diverse programma’s en langlopende initiatieven om Noord-Zuid samenwerking in het wetenschappelijke onderzoek te stimuleren. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek kent het programma WOTRO Science for Global Development van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), een domein overstijgend initiatief om onderzoek naar inclusieve mondiale ontwikkeling en het vinden van duurzame oplossingen voor maatschappelijke en ecologische vraagstukken in lage- en middeninkomens- landen te programmeren, financieren en faciliteren. Daarin stimuleert NWO internationale deelname aan Nederlandse onderzoeksprojecten via onder andere het Money Follows Cooperation initiatief. Zeven Nederlandse kennisinstellingen hebben een speciaal kennis- en onderwijsontwikkelingsmandaat voor samenwerking met de OS-partnerlanden. Deze instellingen zijn verenigd in Stichting Samenwerkingsverband Instituten van Internationaal Onderwijs Landbouwuniversiteit (SAIL) Wageningen en brengen internationaal hoger onderwijs, onderzoek en capaciteitsopbouw samen. Het SAIL-platform heeft tot doel de productie en verspreiding van kennis over inclusieve mondiale duurzame ontwikkeling te stimuleren, met een speciale focus op het mondiale zuiden. SAIL- instellingen richten zich op het overbruggen van kennis tussen Noord-Zuid, Zuid-Zuid en Noord-Noord. Op die manier wordt de capaciteit van individuen, instituten en organisaties versterkt. Nederland draagt bij aan het mondiale Unesco-netwerk van ruim 600 leerstoelen om kennisuitwisseling en capaciteitsversterking te stimuleren voor duurzame ontwikkeling. Nederland kent momenteel 14 Unesco leerstoelen. Stimuleren Noord-Zuid samenwerking in innova- tie en technologie Internationale samenwerking op het gebied van innovatie, onderwijs en wetenschap wordt gestimuleerd via het LVVN attaché-netwerk (LAN), het netwerk van water attaches (Infrastructuur en Waterstaat; IenW), het netwerk van innovatie-attachés (KGG) en het netwerk van onderwijs- en wetenschapsattachés (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Deze netwerken zijn allemaal onderdeel (in afwisselende samen stellingen) van de diverse ambassade teams. Er vinden bilaterale kennis- en innovatiemissies plaats. Activiteiten vinden plaats in het kader van de Kennis- en Innovatieagenda (KIA) Landbouw, Water, Voedsel die voor de periode 2024-2027 actief inzet op natuur (lucht, water, bodem en biodiversiteit). Deze KIA is een gezamenlijk product van LVVN, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, IenW, en de Topsectoren Agri & Food, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen en Water & Maritiem. De Nederlandse ontwikkelingsbank FMO stimuleert en financiert innovatie van agrifood MKB’s in ontwikkelings- landen. De National Space Office ondersteunt met financiering van het ministerie van Buitenlandse Zaken de toepassing van remote sensing voor satellietdata voor de aanpak van duurzaamheids opgaven in ontwikkelingslanden waaronder de monitoring van biodiversiteit. Het Partners voor Water programma van Nederland heeft diverse thematische aanpakken, waaronder nature-based solutions (zie actiedoel 11) en ‘water- en voedsel’ waar Noord-Zuid partnerschappen vorm worden gegeven. De inzet op biodiversiteit is op dit moment hoofdzakelijk multilateraal. De komende jaren breidt LVVN dit verder uit naar bilaterale samenwerkingsverbanden met een aantal te selecteren landen. De inzet op biodiversiteit en water betekent ook kritisch kijken naar welk type samen- werkingen het ministerie ondersteunt. Relevant daarbij zijn zowel do no harm (voorkomen biodiversiteits verlies) als do good (actief bijdragen aan biodiversiteits herstel). Daarin is een belangrijke rol voorzien voor het LAN, diplomaten en lokale medewerkers die zich op ambassades wereldwijd inzetten voor de beleidsdoel stellingen op het gebied van water, klimaat, voedsel en biodiversiteit. Als het gaat om behoud en herstel van biodiversiteit heeft Nederland ook veel te leren van andere landen. Teams van het LAN werken op de economische afdelingen van 60 Nederlandse ambassades en/of consulaten en bedienen van daaruit meer dan 80 landen. Daarnaast vertegenwoordigen ze Nederland bij internationale organisaties zoals de Europese Unie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), en de VN Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties. Het LAN beschikt over een sterk netwerk bij overheid, maatschappelijke actoren en bedrijfsleven in strategische partnerlanden. In deze landen signaleert het netwerk innovaties, best practices, kansen voor samenwerking tussen overheden en marktkansen voor bedrijven. De attachés duiden ontwikkelingen en kunnen de verbinding leggen tussen stakeholders uit Nederland en de landen waar ze werkzaam zijn. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 105 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het LAN draagt internationaal bij aan een duurzame wereldvoedselvoorziening en versterking van de biodiversiteit. Dit doet het LAN in lijn met de visie van het ministerie van LVVN en de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Capaciteitsopbouw en –ontwikkeling van onder- zoeks- en onderwijsinstellingen Via het Orange Knowledge Programme van Nuffic worden beurzen verstrekt aan buitenlandse studenten en wordt Noord-Zuid institutionele samenwerking en uitwisseling van onderwijs- en kennisinstellingen ondersteund en gestimuleerd. Er wordt gewerkt aan de versterking van lokaal bestuur in landen in ontwikkeling via het International capaciteitsopbouwprogramma van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor decentrale overheden, bijvoorbeeld het programma Inclusive Green Growth for Cities. In Europees verband wordt via Erasmus+ samengewerkt aan onderwijs-, opleidings- en arbeidsmarkt versterking. De afgelopen tien jaar zijn er 16 internationale Erasmus+ projecten uitgevoerd door Nederlandse kennisinstellingen met Biodiversiteit als thema, met een totaalbudget van €7 miljoen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 106 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 21. Maak informatie en kennis over biodiversiteit beschikbaar voor iedereen Figuur 47. Activiteiten tijdens boeklancering ‘Mevrouw Mol’, een kinderboek geschreven door Janneke Schotveld, om kinderen te leren over het belang van een gezonde bodem met een rijk bodemleven. © Hanno De Vries 169 Naturalis (z.d.) ARISE: Nederlandse soorten kennen en herkennen. 170 LTER-LIFE (z.d.) LTER-LIFE. 171 Bv. NWO (2021) Nationale Roadmap Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur. Het Rijk en de provincies werken samen aan een samenhangend systeem voor ecologische informatie- voorziening. Veel data is opgeslagen in de Nationale Databank Flora en Fauna. Het kabinet wil deze databank in 2025 openbaar toegankelijk maken. Daarnaast stimuleren we innovatie door samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen te bevorderen, onder meer via biodiversiteit gerelateerde Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA). Tot slot investeren we in actueel en aantrekkelijk groen onderwijs en kennisdeling. Het Nederlandse wetenschaps- en onderzoeksbeleid Het Nederlands wetenschaps- en onderzoeksbeleid stimuleert en faciliteert fundamenteel, praktijk gericht en toegepast onderzoek door alle onderzoeksdomeinen, waaronder op het gebied van biodiversiteit. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) financiert en coördineert onderzoeksprogramma’s. Met de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) wordt ingezet op interdisciplinair onderzoek, samenwerking met de maatschappij en stimuleren van kennisopbouw van fundamentele, praktijkgerichte en toegepaste kennis. Op het gebied van biodiversiteit neemt dit vorm aan via de NWA Groene Route: Natuur en biodiversiteit in een snel veranderende omgeving. Regieorgaan SIA investeert in praktijkgericht onderzoek waaronder op het thema biodiversiteit. Biodiversity XL Centre of Excellence in Biodiversity Research is een samenwerkingsverband van Nederlandse instellingen voor biodiversiteitsonderzoek, bestaande uit Naturalis Biodiversity Center, Westerdijk Instituut (KNAW), Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) en NIOZ-NWO. Onder het wetenschaps- en onderzoeks beleid wordt verder deelname aan Europese onderzoeksinitiatieven ondersteund, waaronder Horizon en Biodiversa+ (zie hieronder). Ook wordt langjarig grootschalige wetenschappelijke infra structuur gefinancierd via de Nationale Roadmap, binnen de groene life sciences zijn dit o.a. ARISE,169 LTER-LIFE170 en XL-EFES.171 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.naturalis.nl/wetenschap/arise-nederlandse-soorten-kennen-en-herkennen https://lter-life.nl/en https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=&ved=2ahUKEwjOzdjvrtyLAxVSxQIHHcqROk0QFnoECBQQAQ&url=https%3A%2F%2Fwww.nwo.nl%2Fsites%2Fnwo%2Ffiles%2Fmedia-files%2FWEB%2520roadmap.pdf&usg=AOvVaw06kGmPDsc9a7peYW5wP59c&opi=89978449 107 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het Nederlandse kennis- en innovatiebeleid Het Nederlands kennis- en innovatiebeleid is er op gericht om de samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid, maatschappelijke organisaties en kennispartijen voor kennisontwikkeling, innovatie en inbedding in de samenleving te bevorderen. Hieronder worden diverse aan biodiversiteit gerelateerde KIA’s beheerd waaronder KIA Landbouw-Water-Voedsel, in het bijzonder de Missie Veerkrachtige Natuur. Daarnaast beheert het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) diverse kennisinstrumenten gericht op natuur- en biodiversiteitsherstel en het integreren van natuur in woon-, werk- en leefomgeving, waaronder kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN Natuurkennis). Daarnaast financiert het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) programma’s voor beleidsondersteunend onderzoek bij Wageningen Research, waaronder de missie Veerkrachtige natuur (met aandacht voor technologie- en data-gedreven natuurbeleid en natuurbeheer), het kennisprogramma land- en tuinbouw binnen de grenzen van de natuurlijke omgeving en het kennisprogramma Klimaatslim Bosbeheer. Via het Fonds Toegepaste Onderzoeksfaciliteiten van het ministerie van Klimaat en Groene Groei wordt grootschalig geïnvesteerd in biodiversiteitsonderzoek en technologieën. Het Nationaal Groeifonds stimuleert innovatie voor ecosysteemdiensten (zie actiedoelen 10, 11 en 12). Daarnaast is er een innovatiebeleid specifiek ter bevordering van het ontwikkelen en toepassen van nieuwe sleutel technologieën voor biodiversiteitsmonitoring, in het bijzonder eDNA technieken en digitale technologieën (KIA digitalisering, Meerjarig Missiegedreven Innovatie Programma’s (MMIP) en sleuteltechnologieën KIA Landbouw Water en Voedsel). Verschillende departementen voeren nationale kennisagenda’s uit op het gebied van water, klimaat, delta, biologische landbouw ter ondersteuning van beleidsopgaven. Figuur 48. Het IJkcentrum van de bodem doet onderzoek het bodemleven in Nederland zo goed mogelijk te herstellen met als basis een gezonde natuur en een gezonde maatschappij. © Rijksoverheid, foto van Herman Zonderland. Innovatie in het groene domein wordt verder gestimuleerd via diverse regelingen waaronder Start-up in Residence: een innovatiecompetitie voor start-ups voor maatschappelijke vraagstukken. De vroegefase financiering biedt een mogelijkheid tot een lening aan starters en MKB- ondernemingen om te onder zoeken of hun innovatie kans van slagen heeft op de markt. Toegepast onderzoek, praktijkonderzoek en kennisontwikkeling op het gebied van biodiversiteit Het Rijk kent de TO2 regeling om toegepast onderzoek te financieren onder andere in het groene domein dat uitgevoerd wordt door TO2 instellingen zoals Wageningen University & Research, Deltares en de Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO). Rijkskennisinstellingen, zoals het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en Naturalis Biodiversity Center, leveren een belangrijke bijdrage aan de kennis- en informatievoorziening op het gebied van biodiversiteit. Toegepast onderzoek in het groene domein wordt gefaciliteerd via de WR Kennisdesk en het WR beleidsondersteunend onderzoek. LVVN financiert ook langlopend fundamenteel onderzoek op biodiversiteit via de Kennisbasissubsidie, zoals het Kennisbasisprogramma over biodiversiteit en veerkrachige ecosystemen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 108 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 LVVN financiert samen met regie-orgaan SIA (onderdeel NWO) meerjarig praktijkgericht onderzoek, uitgevoerd door lectoren, binnen het Programma Praktijkkennis Voedsel & Groen. Er wordt daarnaast geïnvesteerd in de infrastructuur en lectoraten van hogescholen door middel van SPRONG Groen. Groene hogescholen zijn Hogescholen Aeres, Van Hall Larenstein, HAS Greenacademy en InHolland. En practoraten van het groene onderwijs worden ondersteund: kennisplatforms die praktijk, onderzoek en MBO-onderwijs verbinden. Verschillende lectoraten en practoraten zijn actief binnen zogenaamde hotspots die expliciet aandacht besteden aan biodiversiteit. Bijvoorbeeld de blauwe hotspot van Yuverta. Verder is er een practoraat water en bodem en een practoraat groen in de stad bij Yuverta en een practoraat natuurinclusieve landbouw bij Terra wat een doorstart krijgt in het practoraat regeneratief (rent) meesterschap, een lectoraat inclusief natuurbeheer en een lectoraat bijengezondheid (bij Van Hall Larenstein) en een lectoraat innovatieve biomonitoring (HAS Greenacademy). Natuurgegevens, informatie en rapportage Het rijk en provincies zetten zich samen in om een samenhangend systeem voor de ecologische informatievoorziening voor landelijke, provinciale en gebiedsdoelen te bevorderen. In dit systeem spelen vrijwilligers, soortenorganisaties en het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) een rol. Het NEM is een samenwerkingsverband tussen verschillende overheidsorganisaties voor de monitoring van natuurbeleidsdoeleinden. Deze natuurmonitoring is van belang voor de inhoud en onderbouwing van internationale rapportages (zoals als onderdeel van de Vogel- en Habitatrichtlijn en OSPAR), nationale en provinciale beleidsevaluatie (Natuurpact) en nationale graadmeters (PBL). De uitvoering van de monitoring is belegd bij landelijke soortenorganisaties die de meetprogramma’s coördineren en uitvoeren samen met 16.000 vrijwillige waarnemers. Het CBS zorgt voor de kwaliteits borging van de data. Hun waarnemingen worden opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zodat de data ook beschikbaar is voor derden. Momenteel ondergaat het NDFF een transitie naar een publiek natuurregister NDFF. Er is een breed scala aan beleid, wettelijke verplichtingen en initiatieven omtrent de informatie voorziening en het ondersteunen van dataverzameling van biodiversiteit, waaronder: • Door het Rijk gefaciliteerde statistieken, informatieve websites en scenario’s, waaronder: - Compendium voor de Leefomgeving (met een onderdeel over biodiversiteit); Voortgangsrapportage Natuur; Staat van Landbouw, Natuur en Voedsel; Natura 2000 profielendocumenten en bouwstenen; Balans van de Leefomgeving; Basisregistratie Ondergrond; Dutch Caribbean Biodiversity Database; Lerende Evaluatie Natuurpact en Atlas Natuurlijk Kapitaal. • Wettelijke Onderzoekstaken informatievoorziening Natuur en Milieu, waaronder: - Wettelijke rapportages in het kader van Natura 2000, TMAP en TWO (trilaterale Waddenzee), IWC en ASCOBANS (Walvisconventies) en CCAMLR (Antarctica). • Planbureaufuncties CBS (voor statistische data rond natuur en milieu), PBL en periodieke evaluaties en/of verkenning van natuurbeleid (WOT N&M). • Diverse (wettelijke) rapportages, zoals voortgangsrapportage natuur (NNN), de rode lijsten, wettelijke rapportage Vogel- en Habitatrichtlijn (zesjaarlijks) en de AERIUS stikstofmeting en rapportage. • Ondersteuning aan diverse databanken voor soortendata en biodiversiteit, waaronder NEM, Nationale Databank Flora en Fauna en databanken van soortenorganisaties. • Diverse natuurmonitoringsinitiatieven, waaronder VHR/ UPN en BKN/biodiversiteitsplanner. • National Space Office / RVO – remote sensing natuurmonitoring. • Nederlandse Expertise Centrum Exoten (NEC-E) – onderzoek naar effecten en prevalentie van exoten. Digitale technologie en artificiële intelligentie De inzet van digitale technologie voor het verzamelen van biodiversiteitsdata neemt een enorme vlucht. Een initiatief in kader hiervan is Small Business and Innovation Research van de National Space: een regeling om de inzet van satellietdata ten behoeve van biodiversiteitsmonitoring te stimuleren. Onder de groot schalige wetenschappelijke infrastructuur zijn ARISE en LTER-LIFE voorbeelden. Vanuit beleid wordt onder meer ingezet op het LVVN Actieplan Digitalisering, het uitvoeringsprogramma Digitalisering Noordzee en stimulering van innovatie via de MMIP sleuteltechnologieën. Ook wordt er praktijkonderzoek gestart naar robotisering in de natuur & leefomgeving. Onderwijs en educatie Hieronder valt het ondersteunen van natuur- en duurzaamheidseducatie binnen en buiten school, bijvoorbeeld door stimuleren van groene/natuurinclusieve schoolpleinen en stadslandbouw, het educatie en leernetwerkprogramma Duurzaam Door, waarvan DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 109 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 biodiversiteit een van de hoofdthema’s is, en het bewust(er) maken en mobiliseren van publiek voor biodiversiteitsthema’s. Kenmerkend voor de Nederlandse inzet op het hoofdstuk CEPA (Communication, Education, Participation, Awareness) is het grote en fijnmazige netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheids educatie (NDE). Hiernaast zijn er veel landelijke ngo’s die zich bezighouden met voorlichting en educatie, zowel binnen het reguliere onderwijs als in buitenschoolse activiteiten en activiteiten naar diverse andere doelgroepen. Globaal wordt het NDE-netwerk gekenmerkt door: • Circa 140 lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie, die grotendeels door lokale overheden gefinancierd worden. Veel projecten zijn gericht op het bewustmaken, kennismaken en leren over natuur en ecologie, binnen basis- en voortgezet onderwijs, en op waardevorming. Daarnaast wordt het ‘publiek’ geïnformeerd en geactiveerd. Kinderboerderijen, schooltuinen, natuurspeelplekken en heemtuinen tellen op bij dit netwerk van educatieplekken dichtbij bewoners. • Een tweede lijn van provinciale en landelijke NGO’s, zoals SME, GDO en IVN, de natuur- en milieufederaties en het provinciaal landschapsbeheer, die natuur- en milieueducatie ondersteunen en het publiek mobiliseren zich in te zetten voor biodiversiteit. Een voorbeeld hiervan zijn de vrijwilligersactiviteiten van ‘tellers’ (monitoren en meten), ‘herstellers’ (vrijwillig natuurbeheer) en ‘vertellers’ (excursies, acties, sponsoring en educatie) • Voorlichting en educatie in en rond nationale parken via, bezoekerscentra, activiteiten voor gezinnen en schoolactiviteiten wordt grotendeels uitgevoerd door terreinbeherende organisaties, met ondersteuning van het IVN. • Een netwerk van kleinere en grotere natuurmusea, naast het landelijke Centrum voor Biodiversiteit Naturalis. De ondersteuning van deze netwerken en de professionalisering van de organisaties wordt onder meer gefaciliteerd door het programma DuurzaamDoor, Jong Leren Eten en het beleid voor nationale parken. Via het Groenpact wordt daarnaast structureel geïnvesteerd in groen onderwijs: • Groenpact is een netwerksamenwerking van meer dan 80 partijen vanuit de overheid, het onderwijs en het bedrijfsleven dat zich richt op werken, leren en innoveren. Binnen het onderwijs betreft dit VMBO-, MBO- en HBO-instanties en universiteiten. 172 De ministeries van LVVN, KGG en OCW (2024) Bijlage 1: Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs | Rapport | Rijksoverheid.nl. • Groenpact staat voor grote opgaven rondom het klimaat, de natuur en water, met transities in landelijke én stedelijke gebieden. Hierbij gaat het om ons water-, bodem- en voedselsysteem, maar ook om het systeem van productie en consumptie, en om de natuur en leefomgeving. Biodiversiteit is hierin een belangrijk thema. • In het Groenpact wordt ook aandacht besteed aan de effecten van biodiversiteit op de arbeidsmarkt van de toekomst, waarin ook aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van relevante beroepsgroepen die een rol spelen bij biodiversiteitsherstel, bijvoorbeeld rondom ecologen of agrarisch natuurbeheer. Gerelateerde vragen: - Wie heb je nodig om biodiversiteit te bevorderen en te herstellen? - Welke kennis en vaardigheden hebben zij nodig (onderwijsvernieuwing en leven lang ontwikkelen) en hoe verspreid je deze kennis? - Hoe kan het huidige werk anders ingericht worden om biodiversiteit te bevorderen en te herstellen? - Hoe kunnen we hier ons leerecosysteem op aanpassen? • De KIEM-groen/MBO-regeling is gericht op het stimuleren van nieuwe samenwerkingsverbanden tussen practoraten, lectoraten, kennisinstellingen en MKB partners in het groene domein. Andere initiatieven die via beleid worden gefaciliteerd: • Ondersteuning van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en de werkgroep Kennis en Innovatie; • Young professionals initiatief Programma Natuur; • Nationale Denktank 2022 Biodiversiteitsverlies; • Campagne ‘Wij zijn Natuur’ - LVVN DC; • VBNE en OBN – natuurkennisuren, capaciteitsopbouw en versterken natuurkennis; • Professionalisering beroepsgroep ecologen door middel van vernieuwing in het onderwijs Nederland neemt deel aan diverse internationale gremia gericht op het versterken van duurzaamheids onderwijs (Education for Sustainable Development), waaronder UNESCO werkgroep ESD2030, UNECE stuurgroep ESD, European Education Area – werkgroep Learning for Sustainability en ASEM (Asian-Europe Meeting op duurzaamheidseducatie). De landelijke afspraken en internationale ambities zijn uitgewerkt in het Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs.172 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/05/31/bijlage-2-uitvoeringsplan-duurzaamheid-onderwijs 110 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Kennisbeheer, kennisbenutting, ontsluiting en verspreiding LVVN ondersteunt digitale platforms om kennis te verspreiden, verschillende kennisbronnen met elkaar te verbinden en digitale interactie te creëren. Enkele voorbeelden hiervan zijn Groen Kennisnet en OBN Natuurkennis. Daarnaast biedt Kennis op Maat onder de topsectorenregeling de mogelijkheid om bestaande kennis te vertalen naar de praktijkomgeving van het MKB en groen onderwijs. Beleid ter bevordering van praktijkkennis, lokale kennis, praktijk- toepassingen, inheemse- en historische kennis Enkele voorbeelden (niet uitputtend) zijn: • Erfgoeddeal (het stimuleren van pilotprojecten op het gebied van erfgoed en landschaps- en natuurverbetering); • Rijksdienst Cultureel Erfgoed (ontsluiten cultuurhistorische kennis landschaps- en natuurbeheer); • NWO-NWA living labs; • Agenda Natuurinclusief: door de beschikbaarheid van natuur- en duurzaamheidseducatie in het hele land worden kennis en informatie over biodiversiteit beschikbaar voor iedereen. In de Agenda Natuurinclusief 2.0 zijn vijf lijnen van ambitie en actie voor de periode 2024-2026 beschreven voor het onderwijs; • Nationale Wetenschapsagenda; • Monitor Landschap: met de monitor Landschap worden veranderingen van ons landschap in beeld gebracht. De NWA heeft als doel om een positieve en structurele bijdrage te leveren aan de kennismaatschappij van morgen, waar nieuwe kennis gemakkelijk doorstroomt van onderzoeker naar gebruiker, en waar nieuwe vragen vanuit de praktijk en de samenleving snel en vanzelfsprekend ingang vinden in nieuw onderzoek. De NWA biedt overheden de mogelijkheid om onderzoeksthema’s die voor hen relevant zijn te stimuleren en om gefundeerde antwoorden te vinden op maatschappelijke vraagstukken. Overheden kunnen jaarlijks thema’s en beleidsvragen aanreiken waarvoor onderzoek wenselijk is. Voorbeelden zijn de onderzoeksprogramma’s ‘Living labs voor het herstel van biodiversiteit in het landelijk gebied’, Biodiversiteit in het Amazonegebied en ‘Kennisontwikkeling voor transitie naar natuurinclusief gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel in bebouwd gebied’. Wetenschap voor beleid Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zet zich vanuit de ministeriële verantwoordelijkheid voor de wetenschap en het wetenschapsstelsel in voor het 173 Samen voor Biodiversiteit (z.d.) Deltaplan Biodiversiteitsherstel. 174 Biodiversiteit.NL (z.d.) Gegevens, Informatie en Kennis. versterken van wetenschap voor beleid binnen de Rijksoverheid. Nederland kent al een rijk advieslandschap: ministeries gebruiken de wetenschappelijke inzichten van adviesraden, kennisinstellingen en planbureaus in hun domein geregeld in beleid. Dit gebeurt echter niet altijd voldoende. Ook blijven veel van de bestaande connecties tussen beleidsmakers en wetenschappers binnen hetzelfde domein. Voor veel van de complexe vraagstukken van de Rijksoverheid, is daarentegen een dynamische multidisciplinaire benadering essentieel. Hiervoor zijn structurele uitwisselingen nodig (science-policy interacties), waarin beleidsmakers en wetenschappers uit verschillende disciplines de dialoog aangaan over wat de belangrijkste vragen zijn van een maatschappelijk vraagstuk. Alleen met wetenschappelijke inzichten vanuit verschillende disciplines kunnen we onze huidige maatschappelijke uitdagingen oplossen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een Science for policy team ingesteld in samenwerking met veldpartijen om de rijksbrede kennisfunctie te verbeteren en om aan de hand van actuele complexe vragen dialoog en samenwerking tussen wetenschap en beleid te exploreren. Versterken internationale kennis- en datainfra- structuur biodiversiteit Nederland is lid van de Global Biodiversity Information Facility (GBIF) en financiert het nationaal knoop punt NLBIF voor het onderhouden en updaten van de technische infrastructuur voor het internationaal delen en vrij toegankelijk maken van Nederlandse biodiversiteitsdata met GBIF (zie ook actiedoel 20). Nederland is betrokken bij de nieuwe Europese onderzoeksinfrastructuur consortium van Long-Term Ecological Research en bij LifeWatch. Daarnaast neemt Nederland deel aan het Europese onderzoekspartnerschap Biodiversa+ (NWO en LVVN), Horizon Europe en ERA-NET. Nederland levert via PBL en LVVN een bijdrage aan het Europese biodiversiteitskenniscentrum (EC Knowledge Centre for Biodiversity). Daarnaast kent Nederland een focal point voor de Nederlandse inbreng bij het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten, een onafhankelijk netwerk voor wetenschappelijke kennis over biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Consortium Samen voor Biodiversiteit Toolbox All4Biodiversity173 is een waardevol overzicht van lopende activiteiten en initiatieven op het gebied van actiedoel 21. Verdere informatie wordt gegeven op de website biodiversiteit.nl.174 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://toolbox-all4biodiversity.nl/ https://nl.chm-cbd.net/nl/beleid-biodiversiteit-nederland/gegevens-informatie-kennis 111 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Agenda Natuurinclusief 2.0175 Domein Onderwijs Zoals natuur de basis is van onze samenleving, zo vormen opvoeding en onderwijs de basis van de mensen die onze samenleving vormgeven. Hierbij is zowel het onderwijs zelf, als de fysieke onderwijsomgeving van belang. Idealiter versterken deze elkaar: natuurinclusief onderwijs in een natuurinclusieve onderwijs omgeving. Vanuit deze gedachte zijn in de Agenda Natuurinclusief 2.0 vijf lijnen van ambitie en actie voor de periode 2024-2026 beschreven voor het onderwijs: 1. onderwijs in ontwikkeling 2. natuurinclusief burgerschapsonderwijs 3. onderwijs voor een natuurinclusieve arbeidsmarkt 4. natuurinclusieve onderwijsomgevingen 5. ondersteuningsstructuur natuur- en duurzaamheidseducatie (NDE) Binnen ieder van deze actielijnen heeft het beschikbaar stellen van data, informatie en kennis een plek. Het Collectief Natuurinclusief zet zich ervoor in dat deze goed worden ontsloten via kanalen die voor de doelgroepen geschikt zijn. Zo wordt de samenwerking tussen organisaties en het van elkaar leren bevorderd. Ten aanzien van de actielijnen 1 en 4 wordt actief kennis opgehaald en verspreid om het gebruik ervan zo laagdrempelig mogelijk te maken. Figuur 49. In dit project van Diergaarde Blijdorp wordt een drijvend kweeksysteem getest op Bonaire, om te onderzoeken hoe vissen zich voortplanten in open water. Foto: Casper Douma. 175 De Agenda Natuurinclusief 2.0 is opgesteld door Nederlandse publieke en private koplopers uit verschillende sectoren. Meer informatie hierover bij actiedoel 14. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 112 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoelen 22 & 23. Zorg voor inclusieve besluitvorming, toegang tot biodiversiteitsrechtvaardigheid, gendergelijkheid en een gender-responsieve aanpak van biodiversiteitsactie. Zorg voor een gender-responsieve aanpak in alle actiedoelen. Figuur 50. Green Livelihoods Alliance (GLA) beschermt tropische bossen en de mensen die daar direct van afhankelijk zijn. © Stephanie Broekarts 176 Kamerstuk 32813-1397 (31 mei 2024) Kabinetsaanpak Klimaatbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij het werken aan biodiversiteit is het van belang dat verschillende belanghebbende worden betrokken zodat er een goede afweging kan worden gemaakt tussen de verschillende maatschappelijke opgaven en belangen. Nederland kent verschillende projecten, programma’s en initiatieven die bijdragen aan participatie en inclusiviteit van verschillende groepen in de samenleving. Zowel op het terrein van landbouw, groen in de stad als in natuurgebieden. Nationaal beleid Nederland kent verschillende projecten, programma’s en initiatieven die bijdragen aan het actief betrekken van burgers en in het bijzonder vrouwen, jongeren en andere ondervertegenwoordigde groepen bij het maken van beleid en in de uitvoering bij het werken aan onze opgaven. Zowel op het terrein van landbouw, groen in de stad als in natuurgebieden. Binnen Nederland wordt op verschillende terreinen gewerkt aan toegankelijkheid van natuur en landbouw voor iedereen en met iedereen. Voorbeelden hiervan zijn onder meer: • Jongeren en hun rol in besluitvorming over biodiversiteit (in de landbouw): Ontwerpaanpak overgangsgebieden, Young Professionals Traject, jonge boeren en bedrijfs- overname, steunen betrokkenheid jongeren bij plattelandsopgaven; • Deelname/rol van vrouwen in de landbouw: faciliteren netwerk Vrouwen & Voedsel bestaand uit vrouwen uit de hele agroketen, ter versterking van het vrouwelijk potentieel en agrarisch ondernemerschap en betrekken van verschillende perspectieven voor beleid; • Kennisontwikkeling op het gebied van vrouwelijk ondernemerschap en specifieke innovatiepaden van vrouwen in agrifood; • Staatsbosbeheer stuurt actief op inclusiviteit bij de werving van boswachters; • Vanuit Programma Groen In en Om de Stad (zie actiedoel 12) is toegankelijkheid van de natuur ook voor bewoners in achterstandswijken een aandachtspunt; • In de Agenda Natuurinclusief 2.0 (zie actiedoel 14) wordt ook aandacht besteed aan voorbeelden van participatieve (groei)projecten en bewegingen. Ook provincies en Staatsbosbeheer nemen hieraan deel; • Vanuit het Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs wordt geïnventariseerd wat nu al gebeurt bij provincies, gemeenten en waterschappen voor groenblauwe schoolpleinen en wordt gekeken wat er eventueel nog meer nodig is.176 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2024Z09510&did=2024D22440 113 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 51. Werkgroep Vrouwen & Voedsel en het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP). POP draagt bij aan een vitaal platteland door een concurrerende, duurzame en innovatieve landbouw te stimuleren en de biodiversiteit te versterken © Rijksoverheid Programma Klimaat & Energie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap Het programma Klimaat & Energie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap draagt via drie acties bij aan deze actiedoelen: 1. Onderzoek toekomstbestendig wonen: In het onderzoek naar het voorkomen van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in minst toekomstbestendige gebieden in Nederland en op Bonaire worden in kaart gebracht: - de minder toekomstbestendige woningen in Nederland en Bonaire, wie daar wonen, gespecifi- ceerd naar geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, het soort woning (sociale huurhuur of eigen huis) en hoogte van het inkomen (laag en midden, inclusief (risico op) armoede) en intersecties daartussen. - welke interventies er mogelijk zijn, bijvoorbeeld aan de hand van goede voorbeelden, om gender- ongelijkheid in deze gebieden te voorkomen en gendergelijkheid in deze gebieden juist te bevorderen (voor klimaatadaptatie). 2. Vrouwen in techniek: versnellen gelijkheid van meisjes en jongens in het onderwijs. Een rand voorwaarde voor de energietransitie is de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt gerelateerd aan de transitie. Deze vloeit voort uit studiekeuze. Met middelen beschikbaar gesteld vanuit het klimaatfonds, zorgen we ervoor dat stereotypen, sociale normen en behoudende rolopvattingen over mannen en vrouwen niet van invloed zijn op de studie- en loopbaankeuzes van leerlingen of op hoe een leerling geadviseerd wordt door diens leraar. 3. Vrouwen in de top: We streven naar meer vrouwen in topposities en in de besluitvorming. Meer vrouwen in de top kan besluitvorming gericht op het bereiken van de duurzaamheidsdoelen verstevigen. Internationaal beleid Met het kabinetsbrede Feministisch Buitenlandbeleid (FBB) zet Nederland in op gelijke rechten voor vrouwen en LHBTIQ+ personen. Onder feministisch verstaan we gelijkheid en gelijkwaardigheid voor iedereen. Als meer mensen gelijke kansen krijgen dan draagt dat bij aan een veilige, stabiele en welvarende wereld. Daarmee vergroot dit beleid de effectiviteit van het Nederlandse buitenlandbeleid. Het beleid kent vier uitgangspunten: rechten van vrouwen worden gerespecteerd (rechten); vrouwen worden actief betrokken bij politieke besluitvorming (representatie); er zijn voldoende middelen om deze doelen te realiseren (financiering); en beleid wordt aangepast naar gelang de lokale context (context specifiek). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 114 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Inclusiviteit is één van de dwarsdoorsnijdende thema’s in de internationale inzet van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).177 Dit betekent dat we onszelf steeds bevragen of de juiste partijen aan tafel zitten, waaronder ook vrouwen, jongeren en kleinere bedrijven. Het posten netwerk zetten we, zowel diplomatiek als economisch, in om verder te werken aan inclusieve besluit vorming, die nodig is om een 177 Ministerie LVVN (2024) https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/03/15/ kamerbrief-volhoudbare-voedselsystemen-over-de-grens-de-internationale-inzet-van-lnv. volhoudbaar voedselsysteem mogelijk te maken, binnen de draagkracht van de aarde. Bij projecten en programma’s nemen we de rol en positie van vrouwen, jongeren en minderheidsgroepen ook nadrukkelijk mee in de opzet en vormgeving. Concreet betrekken we jongeren onder andere via de inzet van de door het ministerie van LVVN aangestelde VN Jongeren vertegenwoordigers voor Biodiversiteit en Voedsel. Bestaande EU-doelen en acties: EUBDS A60 Put in place a new biodiversity governance framework EUBDS A63 Improve environmental compliance assurance EUBDS A64 Revise the Aarhus Regulation EUBDS A65 Review and possible revision of the Environmental Crime Directive EUBDS A100 Increase mutual benefits and decrease trade-offs between biodiversity protection and human rights, gender, health, education, conflict sensitivity, the rights-based approach, land tenure and the role of indigenous peoples and local communities DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/03/15/kamerbrief-volhoudbare-voedselsystemen-over-de-grens-de-internationale-inzet-van-lnv https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/03/15/kamerbrief-volhoudbare-voedselsystemen-over-de-grens-de-internationale-inzet-van-lnv 115 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Hoe verder: Op weg naar 2030 178 Rijksoverheid (2024) Regeerprogramma | Regering | Rijksoverheid.nl. 179 IPBES (2024). Thematic assessment of the interlinkages among biodiversity, water, food, and health | IPBES secretariat. In de voorgaande tekst is per actiedoel beschreven hoe Nederland op diverse manieren werkt aan het behoud en herstel van biodiversiteit en daarmee bijdraagt aan de implementatie van de internationale doelstellingen van het Global Biodiversity Framework. In het navolgende hoofdstuk staat het kabinet stil bij volgende stappen om te zetten voor het behoud en herstel van de natuur in Nederland ten behoeve van mens, natuur en economie en bij de context waarbinnen die stappen gezet worden, steeds langs de lijnen van het regeerprogramma.178 Ruimtelijke afwegingen en integrale aanpak De beschikbare ruimte in Nederland staat onder druk. Dit vraagt om evenwichtige en doordachte keuzes en multifunctioneel ruimtegebruik. Bij het bevorderen van de biodiversiteit zal daarom rekening moeten worden gehouden met de andere maatschappelijke opgaven zoals de woningbouw, energietransitie, mobiliteit, landbouw, waterbeheer, natuurbehoud, economie en defensie. Ook in Europa moeten evenwichtige keuzes worden gemaakt met betrekking tot het ruimtegebruik en de invulling van internationale doelstellingen. Het kabinet gaat Europees in gesprek om te kijken welke acties op welke plek het meest passend zijn. De ruimtelijke keuzes binnen Nederland zullen nader worden uitgewerkt in de Nota Ruimte. Veel van de maatschappelijke opgaven zijn nauw met elkaar verbonden en kunnen niet los van elkaar worden beschouwd. Zo is bijvoorbeeld de landbouw niet los te denken van de natuur; door beide sectoren met elkaar te verbinden kunnen er nieuwe mogelijkheden ontstaan om zowel natuur als landbouw ruimte te bieden en kunnen innovatieve oplossingen worden bedacht om beide opgaven aan te pakken. Het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) benadrukt in een recent gepubliceerd rapport ook dat uitdagingen rondom biodiversiteit, water, voedsel, gezondheid en klimaat een integrale aanpak vereisen gezien hun onderlinge verbondenheid.179 Het is belangrijk om samenwerking tussen verschillende sectoren te bevorderen, om oplossingen te vinden die zowel de natuur behouden alsook bijdragen aan andere maatschappelijke opgaven. Deze samenwerking gaat bijdragen aan het behalen van GBF-actiedoelen 1 en 14. Figuur 52. Biologische melkveehouderij werk aan weidevogelbeheer, biodiversiteit, waterkwaliteit en een continue verbetering van de bodem © Rijksoverheid, foto van Hugo de Wolf DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerprogramma https://www.ipbes.net/nexus-assessment 116 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het huidige Programma Verbinden Landbouw en Natuur en de Agenda Natuurinclusief 2.0 zijn voorbeelden van deze gezamenlijke aanpak. De komende jaren wordt gewerkt aan de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur waarin gericht gewerkt wordt aan wettelijke doelen en toekomstperspectief voor de landbouw.180 Het draagt bij aan het maken van ruimtelijke keuzes voor de ontwikkeling van landbouw en natuur en moet het bijdragen aan meer samenhang in het rijksbeleid voor het landelijk gebied. Om de natuurdoelen te realiseren, zet het kabinet in op verdere integratie van natuur in de woon-, werk- en leefomgeving. Dit zorgt ervoor dat de opgave wordt verdeeld over de verschillende sectoren en regio’s, terwijl ruimte wordt gecreëerd voor maatschappelijke en economische activiteiten, waaronder vergunningverlening. De actieve betrokkenheid van verschillende sectoren, inclusief private investering, wordt gestimuleerd (GBF- actiedoel 19). We dragen namelijk gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor een Nederland waarbij een balans bestaat tussen een vitaal landelijk gebied, robuuste natuur (ook in de stad), en ruimte om te wonen, werken, recreëren en ondernemen. Natuurherstel op land en water Het voorkomen van natuurverslechtering en het realiseren van het daarvoor noodzakelijk natuurherstel is essentieel voor het bieden van duurzaam perspectief voor 180 Kamerstuk 36600-XIV-66 (29 november 2024) Kamerbrief Ruimte voor Landbouw en Natuur | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. 181 Kamerbrief 33576, nr. 417. (24 januari 2025) Instellen Ministeriële Commissie Economie & Natuurherstel. economische ontwikkelingen. Het kabinet zet zich in het kader van natuurherstel in op een gebiedsgerichte aanpak waarbij gebiedseigen natuur wordt versterkt en ruimte wordt gemaakt voor robuuste natuurgebieden op land en in water. Het herijken van de Natura-2000 gebieden zal hier onderdeel van zijn. Dit vereist inspanningen om negatieve invloeden op de natuur, zoals verdroging, versnippering en overmatige stikstofneerslag te verminderen (GBF- actiedoelen 2, 3, 7, 8). Het kabinet streeft ernaar dit met zo min mogelijk regeldruk te realiseren. De recent aangestelde Ministeriële Commissie Economie & Natuurherstel heeft de opdracht gekregen om te besluiten over een concreet programma met als doel om Nederland van het slot te halen en perspectief bieden aan de sectoren die zijn geraakt door de diverse uitspraken.181 Het Natuurplan, dat voor 1 september 2027 moet worden opgesteld op grond van de Europese Natuurherstelverordening, zal invulling geven aan de inzet op natuurherstel. De Natuurherstelverordening bevat doelstellingen voor het herstellen van terrestrische, kust-, zoetwater-, zoutwater-, stedelijke-, landbouw- en bosecosystemen, rivieren en bestuivers . Daarmee levert dit plan een grote bijdrage aan de GBF-actiedoelen 1 t/m 12. Tevens zal in het kader van de Europese Natuurherstelverordening natuurmonitoring worden geïntensiveerd zodat de daadwerkelijke staat van de Nederlandse natuur leidend is voor verdere beleidsvorming, waaronder ontwikkelingen in het landelijk gebied. Figuur 53. De uiterwaarden zijn ondergelopen in buitendijks gelegen natuurgebied de Gelderse Poort. Dit gebied wordt gebruikt voor hoogwaterberging en natuurontwikkeling. Daarnaast biedt het ruimte voor de rivier. © Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, foto van Tineke Dijkstra. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/29/kamerbrief-ruimte-voor-landbouw-en-natuur https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven regering/detail?id=2025Z01220&did=2025D02722 117 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Natuurherstel is ook belangrijk voor de voedselzekerheid. Het kabinet maakt zich in het bijzonder zorgen over de afname van bijen-, vlinder- en zweefvliegpopulaties, zowel in Nederland als wereldwijd, vanwege hun cruciale rol in voedselzekerheid, economie en biodiversiteit. Met de Nationale Bijenstrategie wordt ingezet op het effectief tegengaan van de achteruitgang van bestuivers in Nederland (GBF-actiedoel 4). Natuurherstel kan echter ook voor conflicten zorgen tussen mens en dier, zeker in een dichtbevolkt land als Nederland. Voorbeelden hiervan zijn de toenemende aantallen incidenten met wolven, mensen en vee. Daarom werkt het kabinet samen met de provincies aan een Landelijke Aanpak Wolven. Gezien het belang van water voor onder andere landbouw, drinkwatervoorziening, industrie en natuur zal door middel van het Nationaal Waterprogramma (2027) worden ingezet op bewust watergebruik, een robuust watersysteem en een toekomstbestendige drinkwatersector. Het hernieuwde programma Ruimte voor de Rivier (2026) zal zich richten op maatregelen voor korte (en waar mogelijk lange) termijn gericht op het herstel van rivierbodems en ruimte voor hoge rivierafvoeren. Er worden stappen gezet in onder andere de landbouwsector, zoals de uitspoeling van mest en gewasbeschermingsmiddelen, de industrie en het reduceren van geneesmiddelenresiduen, als onderdeel van de brede, bestaande aanpak voor water. De voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 zal de toekomstbestendigheid van de landbouw en natuur verbeteren door de verspreiding van ziekten en plagen te voorkomen en de uitstroom van residuen in het milieu verminderen. Ook wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe aanpak ten behoeve van de structurele daling van de stikstofemissie. Innovatie en verduurzaming Innovatie speelt een sleutelrol in de verduurzaming van sectoren zoals landbouw, tuinbouw en visserij en is belangrijk voor het behalen van de klimaat- en energiedoelen van het Parijsakkoord en de Europese en Nationale klimaatwet. De klimaat- en energieopgaven in landbouw en landgebruik vereisen bijzondere aandacht gezien de samenhang van landbouwopgave met uitdagingen als waterbeheer, natuurbehoud, stikstof, mest, en dierenwelzijn. Innovaties op het gebied van stal, management, voer, fokkerij, mest en voedselproductie zullen worden gestimuleerd en zullen een duurzaam economisch perspectief bieden voor de sector, en bijdragen aan een vitaal landelijk gebied (GBF-actiedoelen 7, 8, 10 en 20). Goede en toegankelijke informatievoorziening speelt een belangrijke rol bij het stimuleren van innovaties. Om deze reden zal de Nationale Databank Flora en Fauna in 2025 openbaar worden gemaakt, zullen samen werkingen tussen het bedrijfsleven, overheid, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen door middel van biodiversiteit gerelateerde Kennis- en Innovatieagenda’s worden gestimuleerd, en zal worden geïnvesteerd in groen onderwijs en kennisdeling (GBF-actiedoel 21). Naast de inzet op innovatie zal het kabinet op andere wijzen inzetten aan het behalen van de klimaat- en energiedoelen. Het Klimaatplan 2025-2035 zal de basis vormen van het klimaatbeleid in de komende jaren met maatregelen om de klimaatdoelstellingen te halen en stappen te zetten richting klimaat neutraliteit in 2050 (GBF-actiedoel 8). De voortzetting van het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie en het Convenant energietransitie glastuinbouw 2022-2030 zullen bijdragen aan een gezond milieu en concurrentievermogen van Nederland. In Europees verband zal worden ingezet op het afbouwen van fossiele subsidies gericht op energievoorziening, zodat klimaateffecten die gepaard gaan met het gebruik van fossiele brandstoffen Europees beprijsd worden (GBF-actiedoel 18). Er wordt daarnaast zo snel mogelijk gestopt met het subsidiëren van laagwaardige toepassingen van biogrond stoffen conform het eerder afgesproken afbouwpad uit het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen. Acties op het gebied van klimaatadaptatie zullen worden uitgewerkt in het kabinetsbrede actieagenda hitte (2025), het Hoogwater Beschermingsprogramma (2025), de nieuwe Nationale Klimaatadaptatie Strategie (2026) en beleidsprogramma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ (2026). Met het voorgaand overzicht van activiteiten is het nog niet volledig bekend of elk actiedoel behaald zal worden. Waar dat uit latere rapportages blijkt onderzoekt het kabinet welke aanvullende stappen mogelijk zijn om de actiedoelen te halen, steeds in samenhang met andere beleidsdoelen en met oog voor wendbaarheid en het zo laag mogelijk houden van regeldruk. Daarbij houdt het kabinet nadrukkelijk de mogelijkheid open om geen aanvullende maatregelen te nemen als blijkt dat die maatregelen een te grote maatschappelijke en economische impact hebben voor het klein en drukbevolkt Nederland. Conclusie Het versterken van natuurbescherming en -herstel is niet alleen voordelig voor het milieu, maar ook van groot belang voor andere sectoren. Door stappen te zetten ter verbetering van de natuur draagt het kabinet bij aan de stabiliteit van natuurlijke systemen, worden economische kansen gecreëerd en worden de veerkracht van de landbouw en andere industrieën vergroot. Wanneer actie wordt ondernomen om natuur te beschermen en herstellen zal rekening worden gehouden met de verschillende belangen in de samenleving. Door samenwerking tussen verschillende ministeries en sectoren te versterken worden DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 118 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 stappen gezet richting een vitaal platteland met een toekomstgericht voedselsysteem, een sterke landbouw en visserijsector en een bloeiende en robuuste natuur en wordt de natuuropgave aan de energietransitie, woningbouw, mobiliteit en water- en klimaatvraagstukken gekoppeld. In 2026 zal Nederland de eerste rapportage moeten indienen bij het VN-biodiversiteitsverdrag waarin de voortgang van de implementatie van de GBF-actiedoelen wordt samengevat. Uit deze rapportage zal blijken of het huidige beleid toereikend is om de doelstellingen te halen. Vanuit een wens tot maximale weerbaarheid zal het kabinet bezien of, en zo ja welke, maatregelen gewenst en haalbaar zijn. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlagen 120 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Bijlage 1.I Bijdragen van stakeholders per actiedoel In lijn met de afspraken uit het GBF zijn bij de totstand koming van het biodiversiteitsplan bedrijven, financiële- en kennisinstellingen, belangenorganisaties, en jongeren organisaties betrokken. Deze bedrijven en organisaties hebben voor ieder GBF-actiedoel een bijdrage geschreven. Ook zijn medeoverheden betrokken bij het opstellen van het plan. We zijn trots op alle partijen in Nederland die actief bijdragen aan deze 23 wereldwijde actiedoelen voor biodiversiteits herstel en zien veel toekomst in deze samenwerking. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 121 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 1. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe dragen niet-statelijke actoren in Nederland bij aan dit actiedoel? Er gebeurt al heel veel. De sleutel voor de volgende stap ligt bij de samenwerking en het opzoeken van gemeenschappelijke belangen. Daarbij kan het helpen om biodiversiteitsherstel via een integrale aanpak van verschillende opgaven, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, leefbaarheid en klimaat, te verbinden. Gemeenten Gemeenten hebben een belangrijke rol: biodiversiteit meenemen in de inrichting en beheer van de openbare ruimte. Biodiversiteitsherstel is steeds vaker verankerd in de omgevingsvisie en (uitvoerings)program- ma’s. Daarbij wordt aangestuurd op ecologisch beheer, de versterking van groenblauwe dooradering en de aansluiting bij Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Buiten gemeen- telijke gronden sturen gemeenten inwoners en andere grondbeheerders, zoals boeren en bedrijven, aan op het vergroenen van hun eigen terreinen. Gemeenten geven hierin het juiste voorbeeld en creëren draagvlak door middel van campagnes, informatieavonden en evenementen. Daarnaast stellen gemeenten financiën beschikbaar voor vergroeningsprojec- ten op privaat terrein. Natuur- en milieuorganisaties Natuur- en milieuorganisaties hebben de rol om de belangen van natuur te behartigen én, vanuit goed onderbouwde informatie, te agenderen waar de drukfactoren op biodiversi- teit liggen. Deze organisaties hebben vaak veel expertise in huis, waarmee ze de tools hebben om de juiste kennis naar buiten te brengen. Dit gaat niet alleen over knelpunten, maar juist ook over het identificeren van kansen om biodiversiteit in de ruimtelijke ontwikkeling mee te nemen. Deze organisaties ondersteunen overheden, bedrijven en particulieren met het maken van de juiste keuzes als het over de inrichting van de leefomgeving gaat. Ze bewaken hierbij de belangen van de natuur en houden ze de overheid scherp. Waar nodig sturen zij aan op aanvullende wet- en regelge- ving en spreken ze overheden aan op het niet nakomen van verplichtingen voortkomend uit bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven Bedrijven zetten hun innovatiekracht in, en laten zien hoe economie en ecologie bij elkaar kunnen worden gebracht. Steeds meer bedrijven, waaronder banken, nemen hun verantwoordelijkheid, omdat ze inzien dat verduurzaming noodzakelijk en onvermijdelijk is om toekomstbestendig te zijn. Zo werken ze aan de vermindering van hun bijdrage aan druk- factoren op biodiversiteit, bijvoorbeeld door middel van circulaire materialen en zero-emissie initiatieven. Een aantal bedrijven werkt aan een CSRD-ketenplan waarbij iedere fabrikant de impact op biodiversiteit en klimaat van zijn toeleverings cirkel in kaart brengt. Daarbij zorgen ze ervoor dat de toeleveranciers in de keten niet bijdragen aan biodiversiteits verlies. Daarnaast werken ze aan het vergroenen van hun terreinen en het belonen van duurzamere praktijken. Kennisinstituten De kerntaak van kennisinstituten is om de kennis over biodiversiteit in de fysieke leefomgeving te vergroten. Huidige kennislacu- nes over (de monitoring van) soorten, condities buiten natuurgebieden, effectieve maatregelen en beheer worden door hen ingevuld. Door dit te vertalen naar praktische handvatten en hier actief over te communiceren, kunnen grondbe- heerders met deze kennis aan de slag in de praktijk. Daarnaast sturen kennisinstituten steeds meer aan op het betrekken van particulieren en professionals in het monitoren van biodiversiteit door middel van citizen science. Hierdoor wordt de kennis van de maatschappij over biodiversiteit vergroot. Wat hebben niet-statelijke actoren hiervoor nodig? Alle partijen wensen duidelijke, behapbare wet- en regelgeving, heldere doelen en een langetermijnvisie van de Rijksoverheid. Daarnaast roepen zij de overheid op om hun eigen wet- en regelgeving te handhaven. Onderling is behoefte aan én motivatie voor meer samenwerking en transparantie. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 122 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Gemeenten Gemeenten hebben een langetermijnvisie en structureel perspectief nodig om, los van de politieke kleur, stappen te kunnen zetten op het gebied van biodiversiteitsherstel. Duidelijke (en versimpeling van) regelgeving en heldere doelen zijn hiervoor de fundamentele basis. Landelijke inzet via de media voor het belang van biodiversiteit is nodig om het draagvlak onder alle stakeholders in de openbare ruimte te vergroten. Gemeenten hebben belang bij een heldere, kwalitatieve en kwantitatieve groennorm om biodiversiteit in de verschil- lende ruimtelijke ontwikkelingen te waarbor- gen. Ondersteuning van kennispartijen voor het ontwikkelen van de inhoud van deze groen- norm is nodig. Natuur- en milieuorganisaties Natuur- en milieuorganisaties wensen meer transparantie van en samenwerking met het bedrijfsleven. Daarnaast is een duidelijke lijn van de overheid en het nakomen en handhaven van diens eigen regelgeving een sterke behoefte. Het bieden van structurele financie- ring en duidelijkheid vanuit de overheid is nodig voor natuur- en milieuorganisaties om hun inzet voor biodiversiteit voort te zetten en te versterken. Bovendien kunnen ze hierdoor betere ondersteuning bieden aan andere partijen, zoals het bedrijfsleven. Bedrijven Er is duidelijke en behapbare regelgeving vanuit de overheid nodig om de transitie in het bedrijfsleven te versnellen. Omdat vergroening en verduurzaming veel geld kost en niet verplicht is, blijven veel bedrijven in deze transitie achter. De overheid kan bedrijven op deze transitie aansturen door middel van stimuleringsmaatregelen. Bijvoorbeeld door belastingvoordeel te bieden aan duurzame- en biodiversiteitsvriendelijke bedrijven. Bedrijven kunnen daarnaast ook zelf bijdragen aan een betere beloning voor, onder andere, duurzaam boeren. Daarnaast is het cruciaal om bedrijven meer educatie en kennis aan te bieden over het belang en waarde van groen. Het bedrijfsleven heeft daarbij behoefte aan meer samenwerking met kennispartijen en natuurorganisaties. Kennisinstituten Kennisinstituten willen meer gaan sturen op het produceren van kennis voor de maat- schappij, en het vertalen van kennis naar praktische handvatten. Daarvoor is het onder andere nodig om de beloningsstrategie vanuit de NWO aan te passen, waarbij nu nog vaak wordt gestuurd op het ontwikkelen van niche-kennis. Er moeten meer financiële middelen beschikbaar komen voor publiek- private onderzoeken (zoals pilots) waarbij kennisinstituten als partner betrokken worden. Daarnaast is het belangrijk om een kennispunt over biodiversiteit in te richten waar particulieren en professionals terecht kunnen. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 123 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 2. Bijdragen van niet-statelijke actoren 182 Samen voor Biodiversiteit (z.d.) Deltaplan Biodiversiteitsherstel. 183 Van der Sluis & Pedroli (2017) Kansen voor natuur binnen RWS-terreinen : een eerste verkenning - Rijkswaterstaat Publicatie Platform. 184 Ecomunitypark (z.d.) Bedrijventerrein Ecomunitypark. Hoe dragen niet-statelijke actoren in Nederland bij aan actiedoel 2? Momenteel zijn het vooral overheden die bijdragen aan actiedoel 2. Hierbij gaat het om de nationale overheid en, met name, de provincies die gedelegeerde verantwoordelijk- heid hebben voor natuurherstel. Er moeten specifieke niet-statelijke actoren betrokken worden die grote arealen beheren en een groot belang hebben bij een gezond en natuurlijk ecosysteem, zoals agrarische ondernemers, terreinbeherende organisaties en waterbedrij- ven. Alle niet-statelijke actoren dragen al op enigerlei wijze bij aan ecosysteemherstel. Dit gebeurt bijvoorbeeld door agendering, onderzoek, visie en kennisontwikkeling, ontwerpen voor en met natuur en het creëren van draagvlak. Veel van de niet-statelijke actoren zijn betrok- ken bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel.182 In dit initiatief zetten natuurorganisaties, boeren, burgers, kennisinstellingen, overheden en bedrijven zich samen in voor biodiversiteitsher- stel in Nederland. Het doel van het Deltaplan is het realiseren van 10% groenblauwe doorade- ring in Nederland. Behalve landbouwgrond betreft dit ook grond zonder landbouwfunctie die in eigendom is van overheden en particulieren. Belangrijk is het identificeren van ‘sturende factoren’ voor ecosysteemherstel. Dat kan door een gedegen systeemanalyse die gedaan wordt voordat men gaat ingrijpen in een gebied. Ook niet-beursgenoteerde bedrijven dienen maatschappelijk verantwoord ondernemen de basis maken voor hun bedrijfsvoering, en moeten duidelijke doelstellingen opnemen rond behoud en herstel van ecosystemen. De onderzoeksinstituten, zoals aanwezig, hebben een taak om ook maatschappelijk verantwoord te werken en zo bij te dragen aan behoud en herstel van ecosystemen. Soms moeten opdrachten worden geweigerd die zullen leiden tot ecosysteemdegradatie. Ook onderzoek naar verdere intensivering van de landbouw, of bouw en vervanging van grote infrastructurele projecten – in Nederland of elders op de wereld – moet kritisch worden bekeken tegen het licht van potentiële degradatie van ecosystemen. Natuur-inclusief, natuur-positief en, tenminste, het voorkomen van schade is het uitgangspunt. Veel terreinen die in beheer van de overheid zijn die geen natuurfunctie hebben bieden kansen voor hersel. In totaal ligt ongeveer 350.000 hectare die eigendom is van het ministerie van IenW, in of nabij terreinen van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Exclusief water gaat het om 50.000 hectare nabij Natura 2000-gebieden183 die met goede herstelmaatre- gelen kan bijdragen aan de 30% doelstelling. Het moet een streven zijn om bij huidige en toekomstige projecten voor elke hectare bebouwd oppervlak een hectare natuur te herstellen. Een inspirerend voorbeeld is het bedrijvenpark Ecomunitypark,184 waar een groot deel van het aangekochte bedrijventerrein ingericht is voor natuur. Een gemeente, kennis instelling, onderzoeksinstituut, de spoorwegen, elk bedrijf met eigen grond en ook de burger met een tuin kan 50% van het areaal op natuurlijke wijze inrichten of herstellen. Hier ondervinden ook zij de voordelen van, bijvoorbeeld door waterbuffers te creëren en een positief effect op klimaatadaptatie. Dit moet worden gestimuleerd door enthousias- merende publiciteitscampagnes, bijvoorbeeld gekoppeld aan de tuinvogeltelling, het NK tegelwippen of andere publieksacties die hierop aansluiten. Een ander inspirerend voorbeeld is Land van Ons, een coöperatie met 23.000 leden. De coöperatie koopt met eigen inleg, via crowd- funding, landbouwgrond met potentie voor natuurherstel, en besteedt deze grond uit uit aan agrarische ondernemers met een focus op DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/ https://open.rijkswaterstaat.nl/open-overheid/onderzoeksrapporten/@191634/kansen-natuur-binnen-rws-terreinen/#highlight=Pedroli,%20B. https://open.rijkswaterstaat.nl/open-overheid/onderzoeksrapporten/@191634/kansen-natuur-binnen-rws-terreinen/#highlight=Pedroli,%20B. https://ecomunitypark.com/ 124 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 duurzame (veelal kringloop of ecologische) landbouw. Het totaal oppervlak is relatief gering, met ongeveer 300 hectare, maar de demonstratiewaarde en de bewustwording die het initiatief creëert is heel belangrijk. Dit komt onder andere doordat de 23.000 leden meebeslissen over aankopen en door de transparante communicatie. Jongerenorganisaties beschikken over actieve netwerken. Daarmee kunnen ze de overheid helpen met het betrekken van jongeren én toekomstige generaties in beleid gerelateerd aan actiedoel 2. Ook kunnen ze jongeren mobiliseren voor lokale campagnes en projecten met betrekking tot actiedoel 2, bijvoorbeeld in het kader van het NK tegelwip- pen en het monitoren van soorten. De hogescholen en universiteiten zouden bewust- wording van studenten moeten opnemen in hun curricula, en het lesprogramma focussen op het ontwikkelen van nieuwe oplossingsrich- tingen voor het voorkomen en herstellen van gedegradeerde ecosystemen. Wat hebben niet-statelijke actoren hiervoor nodig? Er zijn meerdere suggesties gedaan voor randvoorwaarden die de overheid zou kunnen faciliteren: • De overheid kan de rol van natuurorganisa- ties versterken bij uitvoering van projecten door financiering beschikbaar te stellen. • Een plek ‘aan tafel’ regelen, het middenveld betrekken bij beleidsdiscussies. In een vroeg stadium zouden ook partijen al betrokken kunnen worden die pas later in het proces een actieve rol zullen spelen. • Visies en voorstellen vanuit de ngo’s laten doorrekenen. • Betere handhaving van milieuregels, voorkomen van ecosysteemdegradatie. • ‘True pricing’: we moeten milieukosten doorberekenen zodat duurzamer landgebruik gestimuleerd wordt. • Verplichtingen vanuit de overheid voor het opzij zetten van grond voor natuurherstel; met name bij inrichting van nieuwe projecten en bouwterreinen (biodiversiteitscompensa- tie in plaats van groencompensatie?). • Meer druk vanuit overheid op bedrijven en sectoren om herstel ter hand te nemen (zie klimaattafels). • Geen subsidies verlenen als er niet aan herstel en/of behoud van ecosystemen wordt bijgedragen en dit niet expliciet gemaakt wordt in de aanvraag. • Doen wat we zeggen dat we gaan doen. • Specifieke natuurdoelstellingen opnemen in aanbestedingsprocedures, zodat advies- en ingenieursbureaus hier meer ruimte voor krijgen in de projecten. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 125 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 3. Bijdragen van niet-statelijke actoren 185 Compendium voor de Leefomgeving (2023), CLO indicator 142505. Aandeel beschermde natuurgebieden in Nederland, 2022. 186 Voor meer informatie, zie: Compendium voor de Leefomgeving (2023) CLO indicator 062501, Citizen Science voor Natuur en Compendium voor de Leefomgeving (2022) CLO indicator 162401, Burgerbetrokkenheid bij Natuur. 187 Compendium voor de Leefomgeving (2023) CLO indicator 126206, Eigendom van Bossen, 1975-2021. Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 3 en wat hebben zij daarbij nodig? De bijdragen van de niet-statelijke actoren variëren van de realisatie van natuurgebieden, kennis ontwikkeling en -verspreiding en het betrekken van het brede publiek, tot het verstrekken van financiering, kwalitatieve beoordelingen ontwikkelen en het aandragen van feiten en cijfers. Bijdrage aan kennisontwikkeling, -verspreiding en het betrekken van het brede publiek Kennisinstellingen, zoals CBS, PBL en WUR verzamelen feiten en cijfers die te maken hebben met bescherming, beheer en behoud van gebieden en het effect hiervan op natuur- kwaliteit en biodiversiteit. Feiten en cijfers worden onder andere in de vorm van indicato- ren gepresenteerd en gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO). De doelstelling van het CLO is het beschikbaar maken van wetenschappelijk onderbouwde feiten en cijfers ter ondersteuning van de maatschappelijke discussie en keuzes op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Bijvoorbeeld: wat is het areaal beschermd natuurgebied in Nederland.185 De effectiviteit van de bescherming en het beheer wordt vaak uitgedrukt in natuurherstel of verbeteren van biodiversiteit. Biodiversiteitsdata, veelal verzameld door tienduizenden vrijwillige waarnemers, worden gebruikt voor biodiversiteitsindicatoren waarmee inzicht in de toestand en veranderin- gen van natuur en biodiversiteit wordt verkregen. Biodiversiteitsindicatoren zijn essentieel voor evaluaties van het natuurbe- heer en –beleid, en ze worden gebruikt in internationale rapportages voor de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en de Convention on Biological Diversity van de VN. 186 Bijdrage aan realisatie van natuurgebieden Niet-statelijke actoren dragen ook actief bij aan bescherming en beheer van gebieden. Zo is meer dan een derde van de bossen in Nederland particulier bezit en veelal onderdeel van het Natuurnetwerk.187 Figuur 1. Eigendom van bossen in Nederland. Groene delen zijn publiekrechtelijk bosbezit, blauw zijn privaatrechtelijk bosbezit en grijs zijn onbekend. Bron: WEnR, 2023 DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.clo.nl/indicatoren/nl142505-aandeel-beschermde-natuurgebieden-in-nederland-2022 https://www.clo.nl/indicatoren/nl142505-aandeel-beschermde-natuurgebieden-in-nederland-2022 https://www.clo.nl/indicatoren/nl062501-citizen-science-voor-natuur https://www.clo.nl/indicatoren/nl062501-citizen-science-voor-natuur https://www.clo.nl/indicatoren/nl162401-burgerbetrokkenheid-bij-natuur https://www.clo.nl/indicatoren/nl126206-eigendom-van-bossen-1975-2021 126 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 De niet-statelijke actoren zijn bereid deze rollen te blijven vervullen, maar stellen wel voor de impact van hun activiteiten te vergroten door de onderstaande aanbevelingen over te nemen. Verder kan gezocht worden naar particulieren die willen bijdragen aan natuurrealisatie en behoud. Voor de succesvolle realisatie van actiedoel 3 benadrukken de niet-statelijke actoren dat er twee noodzakelijke randvoorwaarden zijn. Het gaat hierbij om: 1. Daadwerkelijke en aantoonbare effectivi- teit van bescherming en beheer. Het huidige systeem van zelfregulering, gekenmerkt als het ‘piepsysteem’, voldoet daar onvoldoen- de aan. Aangegeven wordt dat er onvol- doende sturing wordt gegeven door de overheid in de keuzes die nodig zijn om tot effectief beheer en bescherming te komen. Bescherming is bovendien niet alleen een taak van de Rijksoverheid, maar ook van allerlei andere partijen, zoals gemeente, waterschap, provincie en Staatsbosbeheer. Er is echter onvoldoende capaciteit en prioriteit om hier uitvoering aan te geven. Ook is er onvoldoende eerlijkheid over de opgave die er is. Voor de uitvoering geldt dat er sprake is van zelfregulering door lagere overheden, waardoor de kwaliteit niet altijd goed is. Het percentage an sich is echter niet zozeer wat er telt, maar de wijze waarop die bescherming wordt ingevuld. Uiteraard, hoe meer natuur er is hoe groter de kans is dat dit ook kwaliteit biedt op een bepaald percentage dat mogelijk niet geldt voor 100% van alle gebieden. Echter, de uiteindelijke kwalitatieve invulling zou moeten tellen. Echter, zonder een geborgde kwalitatieve invulling is het percentage een borging voor de minimale inspanning die noodzakelijk is – een basis. Wat ontbreekt, is een goede uitvoering, een borging op de kwaliteit en handhaving op uitvoering en resultaat. De realisatie van waarlijk ‘effectief’ beheer en bescherming vraagt om ecologie als basis voor keuzes te nemen, als uitgangspunt. En niet als mee te koppelen nevendoel. Als de overheid de huidige wet- en regelgeving effectief zou toepassen zouden we misschien de 30% doelstelling al halen, is de veronderstelling bij diverse deelnemers. 2. Goed verbonden. Dit deel van de doel- stelling roept de reactie op dat dit ook een belangrijke is voor de realisatie van werkelijke effectiviteit. De verbondenheid zit dan niet enkel in de realisatie van de ecologische corridors, maar is gedefinieerd als daadwerkelijke landschappelijke inbedding. De Franse of Engelse regionale nationale parken worden als voorbeeld genoemd. Het draagvlak voor realisatie van 1 en 2 vraagt om een aantal nieuwe acties. Zo kan monito- ring door vrijwilligers eraan bijdragen dat het draagvlak voor ingrepen groter wordt. Daarnaast zouden de baten van de effectieve beheer en bescherming van natuur ten goede moeten komen bij degene die daarvoor de kosten maken. Ook zou de ecologische meer- waarde meer gelijkwaardig moeten meewegen in bijvoorbeeld Maatschappelijke Kosten en Baten Analyses en Milieueffectrapportages. De niet-statelijke actoren hebben als advies de volgende punten aanbevolen: 1. Integrale ruimtelijke ordening terug op Rijksniveau is nadrukkelijk gewenst. 2. Met daarbij een logische doorvertaling van Rijk naar provincie en gemeente. 3. Ecologische principes dienen verankert te worden in de beoordelingsprocessen van beleid (bijvoorbeeld bij de toekenning van vergunningen of in de beoordeling van bestemmingsplannen). 4. Toetsing van inhoudelijke beleidskeuzes daarin moet vervolgens gebaseerd worden op wetenschappelijke (ecologische) informatie. 5. De toetsing moet standaard plaatsvinden door een onafhankelijke instantie of er moet een contra-expertise plaatsvinden. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 127 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 4. Bijdragen van niet-statelijke actoren 188 Staatsbosbeheer (2022), 30 hectare nieuwe Natuur in Maashorst. 189 Natuurmonumenten (2024), Nieuwe natuur in het Land van Serlé. 190 NatuurWijs (z.d.) NatuurWijs. 191 Gemeente Breda (z.d.), Groene Buurtjes. 192 Groene Cirkels (z.d.), https://www.groenecirkels.nl/. Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan dit actiedoel? Voor actiedoel 4 zaten tijdens de stakeholder- consultatie op 22 november 2023 representan- ten aan tafel van de terreinbeherende organisa- ties, gemeenten, opleidings instituten en kennisinstellingen. De actoren Aan de tafel is vastgesteld dat niet-statelijke actoren in Nederland een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het stoppen of tenminste afremmen van het door de mens veroorzaakte uitsterven van bedreigde soorten. Zonder volledig te kunnen zijn noemen we hier de volgende actoren: • Terreinbeherende organisaties dragen bij aan het actiedoel door het zorgvuldig beheren van natuur gebieden en het inrichten van nieuwe natuur, vaak in het kader van de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. Isolatie van leefgebieden van bedreigde en kwetsbare soorten wordt zo tegengegaan. Voorbeelden zijn 30 hectare nieuwe natuur in de Maashorst (N-Br)188, en 15 hectare nieuwe natuur op de Gulpenerberg (L).189 Terreinbeheerders spelen ook een rol bij educatie. Zo heeft Staatsbosbeheer het onderwijsprogramma NatuurWijs ontwik- keld, waarbij natuurbeleving-en educatie op basisscholen wordt aangeboden.190 • Provincies dragen bij aan dit actiedoel doordat zij zich actief en passief (via beschermingsregels) inzetten op behoud van habitats en populaties van soorten. De accenten die worden gelegd variëren van provincie tot provincie. Zo stimuleert Overijssel particulier natuurbeheer en zet zij in op het bevorderen van natuurinclusief bouwen. Noord-Brabant hanteert een leefgebiedenbenadering met bijbehorend subsidies telsel. Daarnaast betrekt de provincie aanvullende provinciale ambities bij het instandhouden van het Natuurnetwerk Brabant. • Gemeenten dragen bij aan het ontwikkelen en behouden van groene verbindingszones en groen structuren. Zo hebben de gemeenten Breda en Tilburg de afgelopen jaren meer dan 200 hectare natuur gerealiseerd. Daarnaast stellen gemeenten regels op om te borgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met bedreigde soorten. Ook soortenmanagementplannen (SMP’s) dragen hieraan bij. De Gemeente Breda heeft bijvoorbeeld groen normen opgesteld met een kwantitatieve- en kwalitatieve opgave op het vlak van soortenbehoud en investeert in soortgerichte maatregelen voor bijvoorbeeld weidevogels, boomkikker en witte rapunzel. Ook helpt de gemeente bij het bevorderen van publieksparticipatie. Een voorbeeld is het project ‘Groene Buurtjes’, waarbij bewoners samen hun wijk groener maken.191 • De opleidingsinstituten (MBO’s, HBO’s, universiteiten) dragen bij aan dit actiedoel door het opleiden van de toekomstige uitvoerders van beheer en monitoring en het zorgen dat de benodigde kennis in de maatschappij aanwezig blijft. Ook voeren zij vooral toegepast praktijkonderzoek uit. Dergelijk onderzoek leert welke maatregelen werken bij het behalen van actiedoel 4. • De kennisinstellingen en monitoring- organisaties (zoals Sovon, Vlinderstichting etc.) dragen bij aan dit actiedoel door de informatievoorziening over de (ontwikkeling van de) staat van instandhouding van alle soorten en over de onderliggende mechanis- men. Ook bezitten zij, door de uitvoering van landelijke flora- en fauna-meetnetten, de kennis om te kunnen voorspellen wanneer soorten risico lopen op uitsterven. • Bedrijven kunnen andere bedrijven inspire- ren om een bijdrage te leveren aan het tegengaan van uitsterven van bedreigde soorten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Groene Cirkels.192 Hierbij werken partners uit het bedrijfsleven, de agrarische sector, de kennissector, de bankensector, DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/nieuws/2022/03/maashorst-30-hectare https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/geuldal/nieuws/nieuwe-natuur-in-het-land-van-serle https://www.natuurwijs.nl/ https://www.breda.nl/groene-buurtjes https://www.groenecirkels.nl/ 128 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 de overheid en het maatschappelijk midden- veld samen. Gezamenlijk werkt men aan transitiethema’s zoals stikstof en CO2-uitstoot, een duurzamer voedselsysteem, behoud van biodiversiteit, gezondheid, klimaatadaptatie en de energietransitie. Zo is er een groene cirkel circulaire suikerbietketen waarin Cosun Beet Company, Naturalis en de Provincie Noord-Brabant samen werken aan circulaire economie, een aantrekkelijke leefomgeving, sterke natuur en toekomstbestendige landbouw. Samen voeren ze projecten en pilots uit, doen ze onderzoek en delen ze kennis.Daarnaast kunnen bedrijven een rol spelen in het beschermen van soorten op hun eigen terreinen. Bedrijventerreinen zijn immers geen natuurgebied, maar kunnen wel soortenrijk zijn. De mogelijkheden hiervoor worden nog niet optimaal benut. Wat hebben niet-statelijke actoren nodig om mede bij te dragen aan het bereiken van dit actiedoel? Deze vraag is opgedeeld in fundamenten en instrumenten. Hierbij zijn fundamenten de randvoorwaarden die essentieel zijn voor het behalen van actiedoel 4 in 2030. De instru- menten zijn middelen die de niet-statelijke actoren kunnen helpen bij hun bijdrage aan dit actiedoel. Zonder deze fundamenten zullen de instrumenten waarschijnlijk geen vruchtbare bodem vinden. Fundamenten 1. Ten eerste is een afname van de externe drukfactoren op de natuur - zoals versnippering, verdroging, verzuring en vermesting – van groot belang. De grond water stand moet omhoog. Zonder dat aan de randvoorwaarden voldaan wordt, zullen soorten niet kunnen herstellen en kunnen de niet-statelijke actoren ook geen doel matige bijdrage leveren aan het tegen gaan van het verdwijnen van soorten in Nederland; 2. Het tweede fundament is het in gebruik nemen van een early warning systeem voor het voorspellen van het verdwijnen van bedreigde soorten. Door gebruik te maken van zogenaamde alert limits kan Nederland het verdwijnen van soorten gerichter voorkomen of beperken. Dit kan bereikt worden door het efficiënter inzetten van de beschikbare kennis. Nu acteren we vaak pas achteraf (‘achterhoedegevecht’) en wordt de potentiële signaalfunctie van de resultaten uit het Netwerk Ecologische Monitoring (het landelijke stelsel van natuur meetnetten) niet goed benut. Voor een goed werkend early warning systeem moeten de probleem eigenaren wel helder zijn. Instrumenten 1. Een eerste instrument is het uitbreiden van effectmonitoring. In plaats van te blijven monitoren voordat maatregelen überhaupt genomen worden, is het beter om op basis van de kennis die we nu hebben te beginnen met het nemen van maatregelen en vervolgens hun effect te blijven monitoren via praktijkonderzoek. Het ‘lerend beheren’. 2. Een tweede instrument is het inzetten van de overheid als kennismakelaar. De niet-statelijke actoren onderschrijven allen het belang van de rol van de overheid als bruggenbouwer tussen kennisinstituten en bedrijven en tussen bedrijven onderling. Dit zou maatwerk mogelijk maken, wat gerichter bijdraagt aan herstel. Er zou bijvoorbeeld een loket kunnen worden geopend waarbij bedrijven terecht kunnen met vragen, om vervolgens gekoppeld te worden aan kennis instituten of koploper- bedrijven. Dit loket moet dan ook gevoegd worden met kennis door de kennis- instituten, zodat het advies kan geven in maatregelen die bedrijven kunnen nemen om gericht soortenverlies tegen te gaan. 3. Een derde instrument is meer aandacht voor educatie van publiek. Het is van groot belang dat de overheid het publiek inzicht verschaft in wat hun gedrag betekent voor het verlies van biodiversiteit en, meer specifiek, het verlies van bedreigde soorten. Ook kan de overheid de instituten en organisaties die die kennis in huis hebben ondersteunen in het laten landen van die kennis. Dit helpt bij het creëren van een breed draagvlak. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 129 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 5. Bijdragen van niet-statelijke actoren 193 IFAW (2022). the EU’s role in the global shark trade. 194 IFAW (2023). Shark safeguards: Elevating EU controls on shark trade. 195 WWF (2022). wwf-nl-report-risky-business.pdf. 196 IFAW (2023). Officers train to handle animals seized from wildlife trafficking. 197 WWF (z.d.) Forest Foresight | WWF | Ontbossing voorspellen. 198 Whales Watching Iceland (z.d.) Meet Us Don’t Eat Us - Whale Watching in Iceland. 199 The Guardian (2006) Wildlife threatened by tourist souvenirs | UK news | The Guardian. Hoe dragen niet-statelijke actoren in Nederland bij aan dit actiedoel? Analyses van handelsstromen Door beter inzicht te krijgen in handelsstromen, de economische waarde en belangrijkste handelsactoren, kunnen beleidsmakers en wetshandhavingsinstanties voorzien worden van waardevolle informatie. Deze analyses kunnen helpen bij het identifice- ren van risico’s, verwachte handelspatronen (van zowel legale als illegale handel) en het ontwikkelen van gerichte maatregelen om duurzaamheid te bevorderen. Voorbeelden: IFAW rapport naar aanleiding van de handels- analyse van haaienproducten193 en Shark safeguards: Elevating EU controls on shark trade.194 Handelsland Nederland heeft een cruciale rol in het stoppen van wereldwijde ontbossing en andere natuur vernietiging. Dat laat het nieuwe WWF-NL rapport ‘The impact of Dutch imports on nature loss worldwide’ zien.195 Helpen bij inbeslagnames Door samen te werken met wetshandhavings- instanties kunnen niet-statelijke actorenexper- tise bieden, zoals het identificeren van bedreigde soorten, het inschatten van markt- trends en het verstrekken van juridisch en praktisch advies. Deze samenwerking verhoogt de effectiviteit van inbeslagnames en ontmoe- digt illegale handelspraktijken. Voorbeelden: IFAW traint handhavingsautoriteiten op verzoek van overheden in o.a. Azië en Latijns- Amerika.196 In het programma Forest Foresight197 zet WWF-NL kunstmatige intelligen- tie in om ontbossing te voorspellen. Hiermee wordt gewaarschuwd voordat illegale ontbos- sing plaatsvindt. Forest Foresight helpt de bewoners hun omgeving beter te beschermen, bijvoorbeeld door illegale ontbossing in hun gemeenschapsbos te voorkomen. Trainingen voor een ‘veilig buitengebied’ Niet-statelijke actoren kunnen bijdragen aan het verminderen van risico’s op overexploitatie door trainingen te verzorgen voor agrariërs, jagers, gemeenten, politie en brandweer, maar bijvoorbeeld ook lokale inwoners, natuur- beschermings organisaties en waterschappen die dagelijks in de natuur zijn. Deze trainingen kunnen zich richten op duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, het herkennen van bedreigde soorten en het rapporteren van verdachte activiteiten. Door de gemeenschap- pen bewust te maken en hen de middelen te geven om duurzaamheid te waarborgen, wordt het risico op overexploitatie en vervuiling verminderd. Voorbeelden: de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) werkt vanuit het Platform Veilig Ondernemen (PVO) aaneen gezamenlijk doel: een veilig buiten- gebied. Hierbij is onder andere het signaleren van milieu-en natuurcriminaliteit een doel is. Bewustwordingscampagnes richting toeristen en andere reizigers Niet-statelijke actoren kunnen bewust- wordings campagnes opzetten om toeristen en reizigers te informeren over de gevolgen van de handel in wilde soorten. Door het publiek bewust te maken van de ecologische impact, gezondheidsrisico’s en dieren welzijns bezwaren kunnen deze actoren bijdragen aan het verminderen van de vraag naar illegale producten en het bevorderen van duurzaam toerisme. Voorbeelden: IFAW’s campagne in IJsland gericht op toeristen Meet Us Don’t Eat Us198 en de campagne Think Twice.199 De KNJV geeft haar leden altijd mee dat er moet worden gewerkt binnen de kaders van een door de lokale overheid goedgekeurd managementplan. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.ifaw.org/international/resources/eu-role-global-shark-trade https://www.ifaw.org/international/resources/eu-safeguards-shark-trade https://www.wwf.nl/globalassets/pdf/rapporten/wwf-nl-report-risky-business.pdf https://www.ifaw.org/international/press-releases/training-frontline-officers-handling-live-animals-seized-wildlife-trafficking https://www.wwf.nl/wat-we-doen/focus/bossen/forest-foresight https://whaleswatchingiceland.is/meet-us-dont-eat-us/ https://www.theguardian.com/uk/2006/sep/05/environment.conservation 130 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Monitoren en tellen Niet-statelijke actoren, zoals natuur- beschermings organisaties, dierenbeschermings- organisaties, jagers, vissers, vrijwilligers en wetenschappelijke instellingen, kunnen bijdragen aan het verzamelen van data. Deze data identificeert en monitort bedreigde soorten en speelteen cruciale rol bij het vormgeven van beleid en het nemen van beschermingsmaatregelen. Door het verstrek- ken van wetenschappelijke gegevens helpen niet-statelijke actoren bij het identificeren van prioritaire soorten die bescherming nodig hebben. Voorbeelden: IFAW is lid van de coalitie End Wildlife Trafficking Online200 die onderzoek doet, data deelt en met trainingen steun biedt. De jagers van de KNJV leveren een actieve bijdrage aan het monitoren van die soorten waar zij mede verantwoordelijk voor zijn. Dat betekent dat er landelijke tellingen worden georganiseerd samen met de faunabeheereenheden. Wat hebben niet-statelijke actoren de komende zeven jaar nodig om met elkaar het actiedoel in 2030 te halen? Bewustwording Niet-statelijke actoren hebben financiële steun nodig voor bewustwordingscampagnes bij het algemeen publiek en specifieke sectoren of beroepsgroepen. De Zoogdiervereniging publiceert bijvoorbeeld artikelen en nieuws- brieven over exoten om zo het publiek hierover te informeren. Ook WWF-NL werkt aan bewustwording van het algemeen publiek via haar social media kanalen en specifiek haar achterban via nieuwsbrieven. Regulering en handhaving door de overheid • Financiële steun voor het geven van trainingen en het organiseren van opleidings- programma’s voor wetshand- 200 The Coalition to End Wildlife Trafficking Online (z.d.) Coalition to End Wildlife Trafficking Online. 201 Barbara Slee (2024) Barbara Slee op LinkedIn: Colombia: hijo de capo del cartel de Cali envuelto en tráfico de aletas de… 202 Barbara Slee (2024) Barbara Slee op LinkedIn: #panama #shark #trade #panama #oceans #conservation #limittradesavesharks. 203 United for Wildlife (z.d.) About United for Wildlife - United for Wildlife. 204 IFAW (2022) IFAW AnimalsinDisastersEurope ENG LR DIGITAL.pdf. 205 Staci Putney (2024) Staci Putney McLennan op LinkedIn: #animalwelfare #disastermanagement. 206 IFAW (2022) IFAW AnimalsinDisastersEurope ENG LR DIGITAL.pdf. havingsinstanties, gericht op het herkennen en tegengaan van illegale handelspraktijken en voor het identificeren van bedreigde soorten bij inbeslag nemingen. Voorbeelden: IFAW haaienvinnen identificatie workshop in Colombia Dec 2023201 en CITES training in Panama Sept 2023.202 • Samenwerking met rechtshandhavingsin- stanties om expertise te delen en capaciteit op te bouwen voor effectieve handhaving. • Ontwikkeling van internationale samenwerkings verbanden voor het opsporen en vervolgen van illegale handelaren. Voorbeeld samenwerkingsverband van niet-statelijke actoren: United for Wildlife.203 Plannen/voorbereiden op uitbraak van zoönose met behulp van een plan van aanpak • Financiële steun voor de ontwikkeling van nationale en internationale plannen van aanpak voor het voorkomen en beheersen van zoönosen. Voorbeeld: IFAW Report Beyond Rescue,204 zie pagina’s 9-11. • Capaciteitsopbouw voor snelle respons en coördinatie bij een mogelijke zoönose uitbraak, inclusief training van gezondheids- werkers, veterinaire professionals en verwerkeringsbedrijven. Voorbeelden: IFAW workshop in samenwerking met de World Organisation for Animal Health205 en IFAW report Beyond Rescue 2022 trainingen,206 zie pagina’s 32-33. Opvang van in beslag genomen dieren • Oprichting en ondersteuning van opvangcen- tra voor in beslag genomen dieren, met aandacht voor hun welzijn en eventuele rehabilitatie. • Samenwerking met dierenbeschermingsor- ganisaties en overheidsinstanties voor de implementatie van effectieve opvangprogramma’s. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.endwildlifetraffickingonline.org/ https://www.linkedin.com/posts/barbara-slee-b6a80bbb colombia-hijo-de-capo-del-cartel-de-cali-activity-7139627454729482240-40ft/?utm source=share&utm medium=member desktop https://www.linkedin.com/posts/barbara-slee-b6a80bbb colombia-hijo-de-capo-del-cartel-de-cali-activity-7139627454729482240-40ft/?utm source=share&utm medium=member desktop https://www.linkedin.com/posts/barbara-slee-b6a80bbb panama-shark-trade-activity-7106926828618952704-aKhj/?utm source=share&utm medium=member desktop https://www.linkedin.com/posts/barbara-slee-b6a80bbb panama-shark-trade-activity-7106926828618952704-aKhj/?utm source=share&utm medium=member desktop https://unitedforwildlife.org/about-us/ https://d1jyxxz9imt9yb.cloudfront.net/resource/1341/attachment/original/IFAW AnimalsinDisastersEurope ENG LR DIGITAL.pdf https://www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7155206769043001345/ https://d1jyxxz9imt9yb.cloudfront.net/resource/1341/attachment/original/IFAW AnimalsinDisastersEurope ENG LR DIGITAL.pdf 131 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • Financiële steun voor het ontwikkelen en aanbieden van (online) training voor autoriteiten bij de inbeslagname van levende wilde dieren. Monitoring van onder andere handelsstromen en dierziekten • Voldoende financiële ondersteuning voor analyse van handelsgegevens en voor de ontwikkeling en implementatie van monito- ringssystemen voor handelsstromen en ziekten en/of verbetering van bestaande monitoringssystemen. • Samenwerking met wetenschappelijke instellingen en technologiebedrijven om innovatieve oplossingen te ontwikkelen voor monitoring. Duurzaamheidslabels op producten • Niet-statelijke actoren kunnen overheden en bedrijven aanmoedigen om duurzaamheids- labels voor producten te implementeren. Ook kunnen actorenbedrijven verantwoordelijk houden voor gemaakte beweringen met betrekking tot een duurzame, diervriende- lijke en/of gezonde herkomst. • Samenwerking met bedrijven om duurzaamheids normen vast te stellen en ervoor te zorgen dat consumenten bewust kunnen kiezen voor producten die voldoen aan deze normen. • Ondersteuning bij het ontwikkelen van transparante traceerbaarheidssystemen voor producten. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 132 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 6. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe dragen niet-statelijke actoren in Nederland bij aan dit actiedoel? In Nederland zijn buiten de overheid vele partijen betrokken bij de exotenproblematiek. Bijvoorbeeld vanuit eigen specifieke organisa- tiedoelstellingen met betrekking tot het beschermen van de inheemse biodiversiteit gericht zijn (specifieke) soorten of (beheer van natuur-) gebieden. Daarnaast zijn organisaties betrokken bij de import, handel, kweek en toepassing van soorten. Zij zijn betrokken bij potentiële en actuele pathways van exoten en richten, vanuit een gevoelde maatschappelijke verantwoordelijkheid, werkprocessen gaande- weg anders in. Tenslotte zijn er veel niet specifiek bevraagde en veelal niet bewust betrokken partijen (zoals aannemers, bagge- raars en wegenbouwers) zonder duidelijke intrinsieke motivatie die vooral vanuit een maatschappelijke of juridische druk voelen dat door hen uitgevoerde activiteiten anders moeten, vanwege problematiek rondom exoten. 1. Bestaande rol stakeholders Buiten de overheid (hoewel deels ondersteund door de overheid) worden de volgende zaken, voor een deel, voortvarend aangepakt: vroegtijdige signalering van bestaande en nieuwe exoten (deels met vrijwilligers en deels ondersteund door innovatieve methoden) en bundeling van deze data in de Nationale Databank Flora en Fauna, risico-inschattingen en horizonscanning, centraal ontsluiten van informatie (o.a. nederlandsesoorten.nl, verspreidingsatlas.nl), informeren van burgers (o.a. via Nature Today), consumenten (o.a. door promotie van inheemse alternatieven bij verkooppunten, tuinernietin.nl), achterbannen en bedrijfstakken (o.a. tuincentra) over exotenbeleid, -wetgeving en soorten met risico, stimulering van inheemse of niet invasieve alternatieven. Vanuit de natuurbeschermingsorganisaties wordt bij de signalering van eerste vestigingen vaak ingegrepen, of wordt bevoegd gezag geïnformeerd om in te (laten) grijpen. Op deze manier zijn diverse malen exoten na de eerste introductie in Nederland succesvol uitgeroeid. Bij bestrijding worden zowel bewezen succes- volle als innovatieve bestrijdingsmethoden ingezet. Voor wijder verspreide en moeilijk te bestrijden soorten wordt, buiten lokale bestrijding, steeds vaker het weerbaar maken van ecosystemen ingezet, voor zover kansrijk en mits financierbaar. Hoewel niet altijd succesvol om exoten kwijt te raken, is deze aanpak wel vaak impact-beperkend. Grotere bedrijven, bijvoorbeeld in de kweek of handel, moeten vanaf 2024 een duurzaamheids- rapportage opmaken in het kader van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Hierin wordt ook aandacht gevraagd voor de impact op biodiversiteit en ecosyste- men (en naar verwachting ook exoten) van deze bedrijven. 2. Behoeften vanuit stakeholders Zowel ter ondersteuning van de eigenstandige rol van stakeholders (ook in onderlinge afstemming) als vanuit de verwachte rol van de overheid zelf zijn door de stakeholders diverse wensen geuit en ideeën ingebracht voor zaken die bij kunnen dragen aan de doelen van actiedoel 6. Deze begeven zich vooral op het vlak van preventie, signalering, beperking, impact, beleid en wetgeving. Preventie Van de overheid wordt meer informatie en duidelijkheid verwacht. Ook tussen soortbe- scherming en handel/kweek is meer actieve informatiedeling gewenst, met vragen als: van welke soorten buiten de huidige wettelijke kaders wordt verwacht dat ze problematisch zijn of kunnen worden in de nabije toekomst? Met deze informatie kunnen de kweek en handel daar tijdig op inspelen, ook vanwege economische belangen. Dit kan gaan om het meer generiek oproepen tot het beperken van uitheemse besdragers of meelifters, of het voorkomen dat een verboden soort gemakke- lijk kan worden vervangen door een vermoede- lijk net zo invasief alternatief. Door meer duidelijkheid over risicovolle soorten, kunnen tuincentra en telers op hun beurt de consumen- ten duidelijker informeren. Een groot deel van de data is momenteel versnipperd (o.a. nederlandsesoorten.nl, tuinernietin.nl, Horizonscan), zonder duidelijke DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel http://nederlandsesoorten.nl http://verspreidingsatlas.nl http://tuinernietin.nl http://nederlandsesoorten.nl http://tuinernietin.nl 133 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 status of deels niet actueel. Een sterkere bundeling is wenselijk. De mogelijkheden om niet-invasieve rassen en varianten van soorten (bijvoorbeeld steriele planten) vrij te stellen van inperking door (toekomstige) wettelijke kaders moeten worden verkend. Voor een toekomstige aanvulling op de Unielijst zou een dergelijk onderzoek onderdeel moeten zijn van de procedure, voordat een soort als geheel wordt opgenomen. Daarnaast is belangrijk om de mogelijkheid om gehouden dieren levend in te leveren (vgl. verwijderings bijdrage elektronica) te versterken en het centraal inleveren van exotisch plantma- teriaal te promoten om ongewenste dumpin- gen te voorkomen. In de agrarische wereld is het moeilijk om betaalbare zaadmengsels van (akkerranden) kruiden zonder (vervuiling van) potentieel invasieve exoten toe te passen. Hier ligt een kans om samen met de sierteelt sector te streven deze mengsels wel beschikbaar te krijgen. Tot slot: betrek ook niet-gerelateerde sectoren, zoals bouwers, baggeraars, grond- en slibbanken bij het preventiedossier. Signalering Het budget voor monitoring (NEM) ten behoeve van snelle signalering in de huidige omvang staat onder druk, maar moet omhoog om een opvolgende snelle aanpak mogelijk te maken. Er kunnen dan bovendien nog meer burger- waarnemingen worden verzameld. Dit geldt niet alleen voor soorten van de Unielijst, maar ook voor overige potentieel invasieve soorten. Beperking impact Alle provincies moeten eraan gehouden worden om minstens de soorten met een uitroei- verplichting gelijkaardig, tijdig en correct aan te pakken. Beschouw een infectie als een calami- teit. Mogelijk moet er voor meer soorten een draaiboek of soortenplan komen voor de daadwerkelijke bestrijding, om de tijd tussen signaleren en ingrijpen zo kort mogelijk te houden. Voorkom dat bestrijding onnodig wordt opgehouden door (nog meer) onderzoek. Beleid en wetgeving Versterk een landelijke aanpak. Decentralisatie van een deel van het overheidsbeleid (van Rijk naar provincies en deels naar gemeenten) resulteert in het exotendossier tot ongewenste situaties, onder andere voor mobiele soorten met een uitroeidoelstelling die nu vrij zijn in de ene provincie, maar aangepakt worden in de andere. Hierdoor is een provinciegrens- overstijgende aanpak momenteel bijna onmogelijk. Ook het afdwingen van het gebruik van een hygiëneprotocol is zeer wisselend. Het is tijd voor een meer integrale exoten- bestrijding, waarbij de Kaderrichtlijn Water, stikstof problematiek en zeker ook een stroom- gebied benadering op nationaal en internationaal een belangrijke rol spelen. Daar hoort bij dat economisch afhankelijke partijen (in bijvoor- beeld de handel en kweek) beter voorbereid moeten kunnen zijn op beleidswijzigingen die hen aangaan, en er niet door overvallen worden. Het begrip ‘soort’ in de bestaande regelgeving belemmert de aanpak van uitheemse herkomst van inheemse soorten. Vanuit behouds- perspectief van inheemse biodiversiteit zijn inheemse soorten met een uitheemse her- komst risicovol en daarom vaak niet gewenst. Vanuit kweek en handel wordt de dringende suggestie gedaan voor een verdere regionalise- ring van exotenbeleid binnen Europa, bijvoor- beeld via klimaatzones, zodat soorten die in Nederland geen probleem vormen toegepast kunnen blijven worden in ons land. Dergelijke soorten kunnen, wat deze organisaties betreft, van de Europese Unielijst af en worden verplaatst naar nationale lijsten waar ze wel problemen veroorzaken. Deze oproep wordt niet gesteund door natuurbeschermings- organisaties, omdat wordt voorbijgegaan aan het neveneffect van blijvend aanbod op de Europees markt. Er moeten in Nederland meer invasieve soorten op de nationale lijst worden geplaatst, ook invasieve soorten met een Europese herkomst. De positieflijst (huis- en hobbydierenlijst) moet worden uitgebreid naar andere diergroepen waarin ook het invasierisico wordt meegeno- men. Momenteel is ‘klimaatmatch’ zelfs een voorwaarde voor toelating. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 134 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Handhaving bij bestaande wetgeving wordt als minimaal ervaren. Er zouden meer kosten van opruimen en dergelijke op wetsovertreders moeten kunnen worden verhaald. Bovendien lijkt een gerichte handhaving gemakkelijker effect te bereiken. Bijvoorbeeld door geen grote zaak te maken van de zoveelste uitzetting van goudvissen, maar wel van een unieke situatie van een (Unielijst)soort met grote impact. Dan kan handhaving dienen als waarschuwing aan een groep van bijvoorbeeld dierhouders, baggeraars of kwekers. Zo’n geval gaat snel rond in dergelijke groepen. Regelgeving (met name de Omgevingswet en Visserijwet) maakt snelle acties bij infecties duur, moeilijk of zelfs onhaalbaar, al helemaal bij invasieve soorten die niet op de Unielijst staan. Vaak is het voortbestaan van bescherm- de soorten of habitats in het geding als de infectie voortduurt, dus wordt wetgeving in sommige gevallen als contraproductief ervaren. Juridisch en beleidsmatig gedragen soortprotocollen en soorten plannen voor de aanpak van exoten zouden hierbij kunnen helpen. Hoewel de vele combinaties van soorten, wetten en passende maatregelen het moeilijk maken een generiek plan te formule- ren, zou een oplossing voor overduidelijke knelpunten heel wenselijk zijn. Bestrijding van exoten kan conflicteren met ethische principes, met name als het gaat om het doden van dieren. Goede regelingen voor opvang en doding zijn daarbij van belang, waarbij moet worden voorkomen dat de opvang door gewetensnood bij personeel en vrijwilligers in het geding komt of gewetens- nood tot onwettelijke acties leidt. Een retoursy- steem voor dieren zou wenselijk zijn, maar is moeilijk vanwege risico op ziekten. Tenslotte: De stakeholders signaleren dat – hoewel er al diverse bilaterale contacten bestaan – deze nog verder kunnen worden aangetrokken. Bovendien zou een centraal georganiseerd thematisch overleg met hen een waardevolle aanvulling zijn om exotenproble- matiek in Nederland beter, en breder gedragen, aan te pakken. Het vormgeven van een aanvalsplan exoten zou een mooie gelegenheid zijn voor LVVN om hier de komende tijd invulling aan te geven. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 135 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 7. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe kunnen niet-statelijke actoren bijdragen aan dit actiedoel? Snelle stappen: direct winst Binnen de industrie is, naast met complexere en tijdvragende problematiek, soms ook nog winst te behalen met kleine, relatief simpele, stappen. Een voorbeeld hiervan ten aanzien van plastic lekkage naar de omgeving is het verlies van plastic pellets tijdens het laden voor transport. Momenteel wordt dat als aanvaardbaar beschouwd, maar het kan ook terug gebracht worden naar nul, zoals dat al praktijk is bij het laden van gevaarlijke stoffen. Een voorbeeld ten aanzien van mogelijk snelle stappen in de reductie van risico van het gebruik van zeer gevaarlijke stoffen is het verhogen van de inspanning om naar minder schadelijke alternatieven te zoeken ter substitutie van toegepaste zeer gevaarlijke stoffen in bestaande processen en/of produc- ten, zoals dat ook in het verleden al succesvol heeft plaatsgevonden voor stoffen als carbontetra chloride en chloor fluor koolwa- terstoffen (CFK’s). Nieuwe projecten: vervuiling voorkomen Tevens is het belangrijk om tijdens het opzetten van nieuwe industriële projecten te streven naar geen vervuilende uitstoot, in plaats van minder uitstoot. Bij nieuwe projecten is dit gemakkelijker te realiseren dan bij bestaande, waar het vaak een veel grotere investering vergt. Hier worden ook al vorderingen in gemaakt door de industrie. Dit soort streven bevordert ook de vraag naar technische innovaties, welke onmisbaar zijn om de doelstelling te behalen. Ook het omzetten van niet recyclebare, meerlaagse drinkverpakkingen naar eenlaagse plastic verpakkingen welke wel goed recycle- baar zijn is een belangrijke stap om te zetten. In deze recycleketen is ook nog winst te behalen, door meer in te zetten op het terugwinnen van materiaal op mechanische of chemische wijze. Dit maakt de keten duurzamer in vergelijking met de huidige afvalverbranding waarbij alleen energie wordt teruggewonnen en dus CO2 wordt uitgestoten. Zo zijn er in elke industrietak snel stappen te zetten. Wat hebben niet-statelijke actoren hierbij nodig? Kennisoverdracht voor besef van urgentie Het is essentieel dat het besef er is dat biodiversiteit op één moet staan. De focus bij vervuiling ligt vaak bij menselijke gezondheid, maar biodiversiteit moet net zo belangrijk worden. Een tool die daar bijvoorbeeld bij kan helpen is het ontwikkelen van een Biodiversiteit Effect Rapportage (BER). Monitoring via het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en methodes zoals Boeren Insecten Monitoring Agrarisch Gebied (BIMAG) helpen daarbij om de voort- en achteruitgang van de biodiversiteit in kaart te brengen. Daarnaast is het opzetten van een kenniscentrum over de invloed van vervuiling op de biodiversiteit belangrijk. Deze kan door het bundelen en het ontsluiten van de al aanwezige (maar veelal versnipperde) kennis, barrières wegnemen, maar ook kennishiaten signaleren voor verder onderzoek. Tevens moet er een consumptieverandering plaatsvinden. Bij vleesproductie wordt bijvoor- beeld erg inefficiënt omgegaan met grond- stoffen. De consument kan gestimuleerd worden om minder vlees te kopen door dit extra te belasten en alternatieve plantaardige producten aantrekkelijker te maken. Wanneer elke bedrijfstak bij al zijn activiteiten serieus afweegt of deze negatieve impact hebben op biodiversi- teit en de bedrijfsprocessen zodanig aanpast dat deze impact wordt voorkomen, zal dit een enorme winst betekenen voor de bio diversiteit en de eco systeem functies-en diensten. Toekomstbestendige wetgeving Wetgeving wordt de sleutel tot het behalen van doelen. Ook zorgt wetgeving ervoor dat innovaties in gang worden gezet. Wel is dan belangrijk dat deze wetgeving toekomstgericht is. Wetgeving die gericht is op de huidige normen is bij inwerking treding al achterhaald en moet na korte tijd alweer worden bijgesteld. Dat is frustrerend omdat bedrijven niet weten waar zij aan toe zijn. Door toekomstbestendige DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 136 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 normen die voor 2030 gehaald moeten worden nu al in wetten te verankeren, worden innova- tieve processen gestimuleerd en is het duidelijk dat iedereen nu maatregelen moet nemen: nietsdoen is geen optie. Doelstelling aanscherpen In het algemeen is bestaande vervuiling in bodem, water en lucht moeilijk te verwijderen. Ondanks dat dit een aanzienlijke inspanning vergt, moet er wel op ingezet worden om vervuilde gebieden op te schonen. De eerste stap daarbij is voorkomen dat er nog nieuwe vervuiling bij komt. Daaruit volgt dat de doelstelling ‘Vervuiling verminderen tot niet-schadelijke niveaus, rekening houdend met de cumulatieve effecten’, feitelijk betekent: ‘Tenminste voorkomen dat er nog nieuwe vervuiling wordt toegevoegd’. Om de doelstel- ling te halen zouden daarom de maatregelen gericht moeten zijn op ‘Vervuilende uitstoot van alle bronnen (gevaarlijke chemische middelen en pesticiden, nutriënten en plastic) voorkomen’. Niet-statelijke actoren kunnen hieraan bijdragen door een beter inzicht te krijgen in wat bedrijven lozen naar water of emitteren naar lucht. Het voorkomen van emissie van niet of moeilijk afbreekbare chemicaliën dient daarin de hoogste prioriteit te hebben. Maar saneringsinspanningen zullen ook nodig zijn, vooral als die van grondwater naar oppervlakte water zouden kunnen migreren. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 137 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 8. Bijdragen van niet-statelijke actoren Niet-statelijke actoren in Nederland vervullen een cruciale rol bij het bevorderen en imple- menteren van op de natuur gebaseerde oplossingen (Nature-based Solutions). Het initiatief wordt vooral genomen door organisa- ties uit het maatschappelijk middenveld, omdat zij actief publieke en private partijen samen- brengen om multi-sectorale oplossingen te ontwikkelen. De motivatie hierachter is vaak om biodiversiteitsherstel en klimaat adaptatie integraal aan te pakken. Het is dikwijls het geval dat private ondernemingen bijdragen op bedrijfs niveau en binnen hun eigen sector, terwijl ngo’s zich richten op een breder landschapsniveau. Het besef van de schaal en ruimte die Nature-based Solutions vereisen is cruciaal, en het stimuleren van samenwerkings- verbanden op verschillende niveaus (bedrijfs-, sector- en landschapsschaal) is van groot belang. Tijd is een kritieke factor, gezien de noodzaak om ecosystemen te herstellen en vitale functies, zoals zoetwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit en waterveiligheid, klimaatmiti- gatie en -adaptatie, te herwinnen. Het inzetten van nature-based solutions in Nederland heeft in dit verband urgentie, aangezien het uitstellen van keuzes voor het herstellen van klimaatro- buuste en veerkrachtige ecosystemen ons door klimaatverandering zal doen dwingen tot meer infrastructurele en technische maatregelen die minder maatschappelijke voordelen hebben dan oplossingen die de kracht van de natuur benutten. Hoe dragen niet-statelijke actoren in Nederland bij aan actiedoel 8? Kennisoverdracht en innovatie Actieve kennisoverdracht in onderwijsinstellin- gen over nature-based solutions heeft laten zien dat er in Nederland (en daarbuiten) al veel ervaring is opgedaan met dit soort oplossingen op verschillende schaalniveaus en in diverse landschaps types. Initiatieven zoals Ruimte voor de Rivier, het klimaatbufferprogramma van Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers en Building with Nature tonen aan dat nature-based solutions kansrijke initiatieven zijn voor het klimaatbestendig en natuurinclusief inrichten van Nederland. Ondanks inspirerende pilotpro- jecten blijft echter de opschaling en main- streaming van deze oplossingen achter, waarbij ze tot nu toe nog niet als het voorkeursalterna- tief worden beschouwd in veel uitvoerings- programma’s, zoals het Hoogwater- beschermings programma, Nationaal Programma Landelijk Gebied en Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX). Het eerder- genoemde kennis- en innovatieprogramma NL2120, gefinancierd door het Nationaal Groeifonds en uitgevoerd door 25 partners, heeft als doel de benodigde kennis te ontwik- kelen om een schaalsprong te maken. Dit programma omvat actieve kennisover- dracht over klimaatoplossingen en biodiversi- teitsherstel door middel van Nature-based Solutions. Samenwerking voor een natuurinclusieve samenleving Natuurpositieve initiatieven worden bijna altijd in samenwerkingsverbanden met overheden, bedrijven, instellingen en burgers ondernomen. Een voorbeeld is de Agenda Natuurinclusief die als doel heeft om een visie, koers en planning uit te zetten naar een natuurinclusieve Nederlandse samenleving in 2050. De Agenda Natuurinclusief draagt bij aan actiedoel 8 door natuur, water en de klimaatopgaven te integreren in de verschillende domeinen en draagt zo bij aan op ecosysteem herstel geba- seerde klimaatadaptatie en klimaatmitigatie. Wat hebben niet-statelijke actoren de komende zeven jaar nodig om met elkaar actiedoel 8 in 2030 te halen? Integrale visie voor ruimtelijke inrichting Om het actiedoel in 2030 te behalen, hebben niet-statelijke actoren een aantal essentiële elementen nodig. Allereerst is er behoefte aan een integrale langetermijn visie voor de ruimte- lijke inrichting van Nederland. Als dichtbevolkte en laaggelegen delta, staat Nederland voor grote uitdagingen als het gaat om de gevolgen van klimaatverandering en biodiversiteits- verlies. Opschalen en versnellen van Nature- based Solutions vereist initiatief van overheden en provincies om ruimte te creëren en belangen binnen een vooruitstrevende natuurinclusieve en klimaatbestendige visie te waarborgen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 138 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Green Deal voor Nederland De voorgestelde ‘Green Deal voor Nederland’ van Frans Timmermans, gebaseerd op de visie ‘Nederland 2120’ en ook het rapport ‘Natuurverkenning 2050 - Scenario Natuurinclusief’ van PBL, bieden een toekomst- beeld waarin het natuurlijk systeem een leidende rol speelt in ruimtelijke keuzes. Het is van cruciaal belang deze natuurinclusieve visie verder te onderbouwen, te concretiseren, en te formaliseren in overheidsbeleid. Een breed gedragen Green Deal ten behoeve van klimaat adaptatie voor Nederland kan hierbij als kader dienen. Nature-based Solutions op waarde schatten Om Nature-based Solutions te bevorderen is het noodzakelijk het aandeel natuurinclusieve maatregelen in alle sectoren te vergroten, met specifieke aandacht binnen de domeinen water, landbouw, (steden)bouw en infrastructuur. De kosten-effectiviteit van Nature-based Solutions ten opzichte van civieltechnische oplossingen rechtvaardigt extra investeringen vanwege de maatschappelijke waardecreatie voor onder andere, klimaatadaptatie, schoon drinkwater en recreatie. Nature-based Solutions mainstreamen met aanbestedingsbeleid De implementatie van Nature-based Solutions vereist criteria en kaders voor aanbestedingen ten aanzien van de toepassing van deze oplossingen. In aanbestedingen zou daarom bijvoorbeeld altijd een op de natuur gebaseerd ontwerp als voorkeurs alternatief kunnen worden uitgevraagd door opdrachtgevers. Behalve wanneer de relevantie en noodzaak van Nature-based Solutions onvoldoende kan worden onderbouwd, zou mogen worden uitgeweken naar civieltechnische oplossingen. Naar een Nederlands Nature-based Solutions incubatiefaciliteit Het stimuleren van private sector investeringen in groen en specifiek in nature-based solutions door overheden is cruciaal. Momenteel zijn hiervoor onvoldoende filantropische en eigen middelen van niet-statelijke actoren beschik- baar. De schaal grootte (nu nog kleinschalig op niveau van pilotproject) kan worden vergroot als initiële private investeringen gebruik kunnen maken van een garantieregeling voor de mobilisatie van additionele publieke investerin- gen. Het Groeifonds is met het NL2120 kennis- en innovatieprogramma een voorbeeld van een breed programma waar niet-statelijke actoren en overheden samenkomen om de versnelling en opschaling van Nature-based Solutions in Nederland te bevorderen. Een idee dat verder kan worden uitgewerkt is de ontwikkeling van een ‘Nederlands Nature- based Solutions incubatieaciliteit’, die techni- sche assistentie en subsidies biedt om initiatie- ven naar voldoende volwassenheid (natuurinclusieve groeiprojecten) te brengen voor reguliere financiering. Financiering moet hier gericht zijn op ondersteuning van koploper initiatieven en subsidies voor opschaalbare projecten. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 139 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 10 - Landbouw. Bijdragen van niet-statelijke actoren Nederland heeft een grote diversiteit aan unieke agrarische cultuurlandschappen: denk aan de veenweiden, de essen en enken, het coulisselandschap, de kleipolders, de hoge zandgronden en de kustveen gebieden. Boeren vervullen een cruciale rol in het beheer van het landelijk gebied. Gelet op de urgente maatschappelijke opgaven in het landelijk gebied is het van belang dat zorg en aandacht voor biodiversiteit, landschap, bodem, water en klimaat structureel en onlosmakelijk onderdeel worden van de bedrijfsvoering van elke boer. Boeren moeten eerlijk beloond worden voor de waardevolle groenblauwe diensten die zij daarmee leveren aan de maatschappij. Alleen dan kunnen zij hun cruciale rol goed vervullen. Als koepelorganisatie vertegenwoordigt BoerenNatuur de 40 agrarische collectieven die - samen met de ruim 12.000 deelnemende boeren - verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het stelsel van agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). Ons gezamenlijke toekomst beeld is een toekomst- bestendige, natuurinclusieve landbouw waarin biodiversiteit, landschap, bodem, water en klimaat structureel en onlosmakelijk onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van elke boer. Onze agrarische collectieven weten welke opgaven er spelen in hun gebied en wat er nodig is om meer natuurinclusieve landbouw te realiseren. Collectieven ondersteunen en begeleiden boeren om stappen te zetten die passen bij de opgaven én hun bedrijf. Het ANLb is daarvoor een onmisbaar instrument. De kracht van onze collectieven is dat zij: • samen met hun deelnemers (hoofdzakelijk boeren, maar ook particuliere grondeigena- ren) op basis van een gedeelde verantwoor- delijkheid en intrinsieke motivatie (oftewel: draagvlak) het ANLb uitvoeren; • SNL-gecertificeerd zijn en de kwaliteit van het uitgevoerde beheer waarborgen; • over een uitgebreid netwerk van boeren, grond eigenaren, overheden, marktpartijen, natuur organisaties, regionale LTO-afdelingen, waterschappen en gemeenten beschikken; • samen landsdekkend actief zijn en tegelijker- tijd specifieke gebiedskennis in huis hebben. Elk gebied is immers uniek qua kenmerken, opgaven én mensen; • beschikken over langdurig opgebouwde kennis en ervaring. Hierdoor zijn de collectieven bij uitstek in staat om de vertaalslag te maken van Europese/ nationale en provinciale doelen naar gebied- specifieke doelen én om een brug te slaan tussen deze beleidsdoelen en de agrarische praktijk. Om maximaal bij te kunnen dragen aan alle doelen is het van belang dat zowel de omvang als de intensiteit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer toenemen. Het is essentieel om boeren een toekomstbestendig bedrijfsmo- del te bieden, waarmee zij voedselproductie kunnen combineren met het versterken van biodiversiteit, landschap, bodem, water en klimaat. Met de extra € 500 mln. die per 2026 jaarlijks beschikbaar komt, kunnen daar verdere stappen in gezet worden. Deze paragraaf is opgesteld door BoerenNatuur, vereniging voor agrarische collectieven. Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 140 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 10 – Aquacultuur en visserij. Bijdragen van niet- statelijke actoren Noordzeeakkoord In 2020 is het Noordzeeakkoord vastgesteld voor de periode tot 2030, met afspraken over de drie grote transities op de Noordzee: de energie-, voedsel- en natuurtransitie. Het Noordzeeoverleg, waarin naast het Rijk ook de energie-, visserij-, scheepvaartsector en natuurorganisaties deelnemen, ziet toe op de uitvoering van de gemaakte afspraken. In het Noordzeeakkoord is o.a. afgesproken dat in 2030 15% van het Nederlands deel van de Noordzee gevrijwaard moet zijn van bodem- beroerende visserij. De procedure voor het sluiten van gebieden gaat volgens Artikel 11 van het GVB. Op dit moment is 5% van de Noordzee gesloten voor bodem beroerende visserij. Voorbeeld terugdringen bijvangst: CIBBRiNA project In het kader van bijvangst van gevoelige soorten heeft het ministerie van LVVN, samen met ministeries, visserij organisaties, wetenschappe- lijke instituten en ngo’s uit nog 12 andere Europese landen het EU LIFE project Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlantic, Baltic and Mediterranean regions (CIBBRiNA) geïnitieerd. CIBBRiNA richt zich specifiek op incidentele bijvangst van zeezoog- dieren, vogels, schildpadden, haaien en roggen door de visserij. Inspanningen, zowel Europees als internationaal, om bijvangst tot een minimum te beperken hebben tot nu toe nog onvoldoende resultaat gehad. Met het project CIBBRiNA wil het ministerie van LVVN zich samen met Europese partners inspannen om tot concrete oplossingen te komen ten behoeve van het minimaliseren van bijvangst. Het project omvat twee aanvliegroutes voor het vinden van oplossingen: enerzijds nauwe samenwerking en betrokkenheid van de visserijsector en andere belanghebbenden en anderzijds het op de lange termijn implementeren van bewezen en veelbelovende technische oplossingen. Het consortium bestaat uit 45 partners met een Stakeholder Advisory Board bestaande uit zo’n 30 organisaties. CIBBRiNA is in september 2023 gestart en zal zes jaar lopen. Transitie naar een duurzame IJsselmeervisserij In 2019 is samen met alle overheden en stakeholders die betrokken zijn bij het visserijbeleid op het IJsselmeer het Actieplan Verduurzaming IJsselmeervisserij overeen- gekomen. Dit actieplan voorziet in de periode tot 2026 in een transitie van de IJsselmeer- visserij, waarbij vangst en draagkracht van de bestanden met elkaar in evenwicht worden gebracht. Inmiddels is hierin goede vooruitgang geboekt. Voor de meeste vissoorten geldt dat de bestanden een positieve trend laten zien en in evenwicht zijn met de visserij. Om dit ook naar de toekomst te borgen wordt in het kader van het Actieplan toegewerkt naar een nieuw sturingsstelsel waarmee de visserij zodanig kan worden gestuurd dat onttrekking van vis en aanwas van de bestanden ook op de lange termijn met elkaar in evenwicht blijven. Mosselconvenant In 2008 zijn afspraken gemaakt tussen de mosselsector, ngo’s en het ministerie van LVVN over enerzijds verduurzaming en transitie van de mosselsector en anderzijds een verbetering van de natuur in de Waddenzee. In het kader van de mossel- transitie wordt de bodemmosselzaad visserij in de Waddenzee gefaseerd afgebouwd, waarbij in ruil de invang van mosselzaad via zogenaamde ‘mosselzaadinvanginstallaties’ wordt toegestaan. In 2020 zijn deze afspraken hernieuwd, waarbij wordt ingezet op een 100%-sluiting van de bodemmosselzaad- visserij in de Waddenzee in 2029. Intentieovereenkomst ‘oesters’ In 2023 hebben zeven partijen de intentieovereenkomst ‘Oesterkweek, Duurzaamheid en Natuur’ ondertekend. De Nederlandse Oestervereniging, Zeeuwse Milieufederatie, Vereniging Natuurmonumenten, het ministerie van LVVN, Rijkswaterstaat, Nationaal Park Oosterschelde en provincie Zeeland onderschrijven in deze overeenkomst om in de periode 2023 tot en met 2027 gezamenlijk te werken aan de DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 141 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 bevordering van zowel een duurzame oestercultuur als aan een veerkrachtige natuur in de Zeeuwse Delta. Deze maatschappelijke paragraaf bevat samenwerkings verbanden van de Rijksoverheid met organisaties en bedrijven uit de maatschappij. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 142 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 10 – Bosbouw. Bijdragen van niet-statelijke actoren 207 Gereedschapskist Klimaatslim Bos- en Natuurbeheer (z.d.) Klimaatslim Bos- en Natuurbeheer. Particuliere boseigenaren Particuliere boseigenaren bezitten circa 30% van het Nederlandse bosareaal. De meesten zijn gericht op duurzaam behoud van hun bos, in oppervlakte en functie. Veel bossen hebben een multifunctionele functie waarin beperkt houtoogst mogelijk is. Bossen met een nadruk op houtproductiefunctie komen veel minder voor. Het beheer is bij vrijwel alle eigenaren dan ook gericht op natuurlijke veerkracht en versterken van de biodiversiteit. Maar ook eigenaren die wel hout oogsten, focussen op veerkracht en behoud van het bos. Bovendien kent een deel van deze bossen eisen aan duurzaam bosbeheer via FSC of PEFC-certificering. De biodiversiteit in de Nederlandse bossen gaat deels vooruit (bijvoorbeeld toename dood hout, stand bosvogels). Er zijn echter vier belangrijke negatieve trends: verdroging door wateronttrekking, klimaat verandering (met name periodieke droogte en hitte), schade door insecten en stikstofneerslag. Dat maakt dat de meeste bosecosystemen, vooral die op de zand gronden, in slechte staat zijn. Beheer van bestaand bos is gericht op meer menging van soorten, inbreng van loofhout in plaats van naaldhout, inbreng van meer klimaatrobuuste boomsoorten en hydrologisch herstel. Bosdata Als kennisinstituut en schakel tussen weten- schap en praktijk, draagt Probos bij aan het verbeteren van de biodiversiteit en duurzaam- heid van bossen en bosbeheer in Nederland én daarbuiten. Probos is de autoriteit op het gebied van bosdata met haar betrokkenheid in zowel de nationale bosinventarisatie als de private bosinventarisaties (SyHI’s). Deze schat aan objectieve data, gecombineerd met expertise op het gebied van duurzaam en klimaatslim bosbeheer en een uitgebreid netwerk in de sector, vormt de basis voor de activiteiten omtrent dit thema. Probos heeft de afgelopen jaren actief bijgedragen aan zowel nationale als provinciale bossenstrategieën, input geleverd voor bosuitbreidings- vraagstukken en provinciale revitaliseringsop- gaven uitgewerkt. Hierbij geeft Probos inzicht in de stand van zaken en ontwikkelingen van bos- en bosgebieden op thema’s als biodiversi- teit, vitaliteit en bosbouw technische zaken. Daarnaast biedt het ook praktische handvatten en adviezen voor beheerders. Hierbij onder- zoekt Probos ook hoe de verschillende functies die het bos vervult en de diensten die het levert (bijvoorbeeld biodiversiteit, duurzame houtoogst, opslag van CO2) optimaal gecombi- neerd kunnen worden. Hiermee wordt de transitie naar kleinschalig, klimaatslim bosbeheer gestimuleerd, waar aandacht voor biodiversiteit hoog in het vaandel staat. Klimaatslim bos- en natuurbeheer Sinds 2018 leidt de WUR het onderzoekspro- gramma naar klimaatslim bos- en natuurbe- heer in Nederland. In deelprojecten wordt bekeken hoe Nederlandse bossen en andere natuurterrei- nen klimaatbestendig gemaakt kunnen worden. Er zijn al meer dan 60 locaties in het ‘veld’ waar maatregelen zijn uitgevoerd, die de afgelopen vijf jaar ook zijn gemonitord. Resultaten en ervaringen worden geüpload in de Gereedschapskist Klimaatslim Bos- en Natuurbeheer207, die regelmatig wordt bijgewerkt. De monitoring van het Nederlandse bos gebeurt in de 8e Nederlandse Bosinventarisatie (NBI-8), die uitgevoerd wordt in de periode 2022-2026. De NBI-8 wordt geleid door de WUR en uitgevoerd in samenwerking met partners Stichting Probos, Onderzoeksbureau Van Nierop en Borgman Beheer Advies. Met de metingen op ruim 3.600 steekproefpunten wordt een beeld verkregen van de staat van het Nederlandse bos. Bijvoorbeeld wat betreft de staande voorraad hout, de sterfte en de houtoogst in Nederlandse bossen. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://gereedschapskist.vbne.nl/ 143 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Wat is er nodig voor niet-statelijke actoren om meer bij te kunnen dragen aan dit actiedoel? Investeringen voor bos- en hydrologisch herstel, terugdringen stikstofdepositie Er dient een goed (financieel) instrumentarium aanwezig te zijn om de gewenste ambities en gestelde doelen op het gebied van het verbeteren van biodiversiteit en duurzaam beheer van bossen te realiseren. Draagvlak, transparantie, duidelijke richtlijnen met flexibiliteit voor beheer Zorgdragen voor voldoende draagvlak onder de bosbeheerders, beleidsmakers maar ook zeker de maatschappij om onze bossen duurzaam te beheren én te benutten is noodzakelijk. Hierbij is transparantie en het uitzetten van duidelijke richtlijnen binnen zowel Europese als nationale regelgeving van belang, waarbij ruimte wordt geboden voor flexibiliteit in het beheer. Om invulling te geven aan beleid en beheer is er behoefte aan goede monitoring. In de NBI-8 zien we een afname van de bereidwilligheid van boseigenaren om mee te werken aan de metingen in hun bos. Het betrekken en informeren van boseigenaren en beheerders bij onderzoeken en planvorming is dus erg belangrijk. Inzet op innovatieve technieken Voor het monitoren van bossen komen steeds meer innovatieve technieken beschikbaar. Op lokale schaal worden deze al met succes ingezet, zoals laser scanning en drone-opna- mes. Er moet de komende jaren sterk worden ingezet op het testen en valideren van deze technieken voor toepassing op nationale schaal. Dit is onder andere van belang om tegemoet te komen aan de zwaardere eisen vanuit de Europese Commissie op het gebied van monitoring. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 144 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 11. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 11 en wat hebben zij daarbij nodig? Niet-statelijke actoren in Nederland dragen op verschillende wijze bij aan het herstellen, beschermen en duurzaam gebruiken van ecosysteemdiensten (actiedoel 11). Dit is nodig omdat ecosysteemdiensten (schone lucht, water, vruchtbare bodem en behoud van biodiversiteit) een fundament zijn van ons bestaan. Ten eerste dragen kennisinstellingen bij met onderzoek naar ecosysteemdiensten op verschillende manieren. Er wordt onderzoek uitgevoerd gericht op planning, uitvoering, versterking, monitoring, effectiviteit en waardering van ecosysteemdiensten vanuit verschillende dimensies (sociaal, economisch, ecologisch en institutioneel). Concrete voorbeelden van de kennis ontwikkeling rondom ecosysteemdiensten en nature-based solutions zijn het Centre of Expertise Groen, het Ecosystem Services Partnership (ESP) en lectoren platform biodiversiteit. Ten tweede, omdat ecosysteem diensten locatie specifiek zijn, zijn lokale overheden essentieel in het verbinden van partijen, zoals bedrijven en omwonenden, en in het mogelijk maken van initiatieven via regelgeving. Voorbeelden hiervan zijn groenvisies van verschillende lokale overheden. Ten derde is het cruciaal dat het bedrijfsleven bijdraagt aan actiedoel 11 door de waarde van ecosysteemdiensten te integreren in bedrijfsmodellen en zorg te dragen voor het verbeteren van de conditie van de ecosystemen rondom hun bedrijfsactiviteiten. Financiële instellingen kunnen bijdragen door hun financieringsvoorwaarden passend te maken voor activiteiten die bevorderlijk zijn voor ecosysteemdiensten. Concrete voorbeelden hiervan zijn Factories as a Forest, biodiversi- teitsfondsen en de Open Bodem Index. Ten slotte dragen maatschappelijke organisaties bij door de waarde van ecosysteemdiensten te agenderen, implementeren, betrokkenen te verenigen en acties op het thema aan te jagen. Concrete voorbeelden zijn Tiny Forests, voedselbossen, Natuurkracht, NL2120, Re-Ge-NL, Werklandschappen van de Toekomst en het Aanvalsplan Landschap. Wat hebben niet-statelijke actoren nodig om met elkaar dit actiedoel te bereiken? Maatschappelijke waarde van ecosysteemdiensten meetellen De waarde en het belang van ecosysteem- diensten wordt nu niet meegenomen in beslissingen die deze diensten beïnvloeden. Om verandering hierin mogelijk te maken en de positieve impact van bijvoorbeeld Nature- based Solutions (NbS) te begrijpen is het (correct) waarderen van ecosysteemdiensten essentieel. Het gaat hierbij om verschillende vormen van waarderen, namelijk om de bijdrage van natuur aan gezondheid, veiligheid, sociale cohesie en economische waarde. Hier is experimenteer ruimte voor nodig. Deze waardering kan via bijvoorbeeld aanbestedingen direct verschil maken, omdat interventies (zoals Nature-based Solutions) met positieve effecten op de ecosysteemdiensten (die vaak ook andere gebruikers functies ten goede komen, zogehe- ten meervoudige waardecreatie) makkelijker kunnen concurreren met andere ideeën. Regelgeving en/of randvoorwaarden wijzigen De gezondheid van een ecosysteem in een gebied dient als integrale norm of uitgangspunt te worden genomen in besluitvorming over een gebied. Duidelijke normering, waardering en beprijzing is nodig. Aantasting van de gezond- heid van een ecosysteem(dienst) dient beprijsd te worden en andersom dienen positieve effecten op ecosysteem diensten beloond te worden. Op dit moment bestaat er regelgeving en financiële prikkels die negatief zijn voor ecosysteemdiensten. Initiatieven die bijdragen aan de gezondheid van ecosysteemdiensten zouden eenvoudiger gerealiseerd moeten kunnen worden. Hiervoor is het van belang dat tegenwerkende of schadelijke regelgeving voor ecosysteemdiensten geïdentificeerd en weggenomen wordt. Verbinding en betrokkenheid Om actiedoel 11 te behalen is het van belang kennis over de waarde van ecosysteemdiensten en opties voor NbS actief te delen met zowel regionale als lokale overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De kennis die al aanwezig is (bijvoorbeeld bij financiële DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 145 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 instellingen208 en bedrijven209) dient te worden verbonden met de praktijk door middel van werkgroepen, samen werkings verbanden of communities of practice om voor iedereen inzichtelijk te krijgen hoe ecosysteemdiensten onze samenleving beïnvloeden en versterken. Dit helpt om de gemeenschap in en rondom een gebied te activeren en te betrekken. Het schept een gezamenlijk verhaal, eigenaar- schap en daarmee meer collectieve actie rondom gezonde ecosysteemdiensten. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. 208 PBAF (z.d.) The PBAF Standard enables financial institutions to assess and disclose impact and dependencies on biodiversity of loans and investments | PBAF - Partnership for Biodiversity Accounting Financials. 209 Natuurlijk Kapitaal (z.d.) Natuurlijk Kapitaal | De natuur werkt. Ook met jou. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.pbafglobal.com/ https://www.pbafglobal.com/ https://natuurlijkkapitaal.nl/ 146 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 12. Bijdragen van gemeenten Inzet van gemeenten De biodiversiteitsopgave in en om de stad vraagt om een gebiedsgerichte aanpak gebaseerd op de specifieke kenmerken van een stad. Het zijn daarom vooral de gemeentes die werken aan het uitbreiden van de groene en blauwe ruimtes in het stedelijk gebied. Hieronder is een bijdrage opgenomen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de gemeente Leiden en de gemeente Arnhem. Vereniging van Nederlandse Gemeenten De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de belangenorganisatie en het netwerkplatform voor alle Nederlandse gemeenten. De VNG ondersteunt het verster- ken van stedelijk groen, omdat dit naast natuur herstel bijdraagt aan opgaven van gemeenten om een fijn en gezond werk, woon- en leefklimaat te organiseren voor alle inwoners. Daarvoor is de VNG betrokken bij verschillende Rijkstrajecten die raken aan groenblauwe dooradering in en om de stad, zoals Basiskwaliteit Natuur en de interdepar- tementale aanpak ‘Groen in en om de stad’ waarvoor VNG ook deel uitmaakt van de ambtelijke en bestuurlijke klankbord groep voor deze aanpak. Er zijn verschillende samenwerkingsverbanden en natuur positieve initiatieven die raken aan actiedoel 12. De werkzaamheden van het Deltaplan Biodiversiteits herstel en Stadswerk zijn hier een goed voorbeeld van. De VNG heeft zelf een gemeentelijk netwerk natuur en groen, waarin zaken met betrekking tot de vergroenings opgave en biodiversiteit geconcre- tiseerd worden. In samenwerking met dit netwerk en andere organisaties werkt de VNG aan het ontwikkelen van kennisproducten die gemeenten ondersteunen bij het integreren van natuur- en groenbeleid. Voor het versterken van natuur in het stedelijk gebied is, over het algemeen, aandacht nodig voor een aantal zaken. Dit zijn, onder andere, de volgende zaken: • Samenhang van opgaven: gemeenten houden zich bezig met de integrale afwegin- gen voor hun gebied op basis van maat- schappelijke vraagstukken. Daar komen de belangen van regio, provincie en Rijk nog bij. Het wordt steeds moeilijker voor bestuurders om goede keuzes te maken, omdat er te weinig duidelijkheid is wat betreft rol en verantwoordelijkheid en goed handelings- perspectief met betrekking tot maatschap- pelijke opgaven. • Beleidsvrijheid van gemeenten: vanwege de integrale afwegingen die gemaakt worden op lokaal niveau, waar gebiedseigen karakteris- tieken een grote rol in spelen, is beleidsvrij- heid nodig om verantwoorde keuzes te maken in de openbare ruimte. • Financiën: de totale kosten van vergroening van steden en dorpen kunnen hoog oplopen en de middelen daarvoor ontbreken nog. Daarnaast zal een stapeling van opgaven er toe leiden dat de financiële- en capaciteits- druk op gemeenten toeneemt. De kosten- en batenverdeling van de vergroenings opgave is daarmee ook onevenredig verdeeld. • Maatwerk: niet elke gemeente is hetzelfde. De vraag stukken die spelen omtrent prioritei- ten, financiën, capaciteitsverschillen op basis van gebieds specifieke context en politieke kleur vragen om maatwerk. Voorbeelden uit de gemeenten Leiden en Arnhem Er zijn al veel goede voorbeelden te vinden van het uitbreiden van groene en blauwe ruimtes in de stad. Hieronder staan voorbeelden uit de gemeenten Leiden en Arnhem. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 147 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Figuur 2. Vergroening van de stadsringen in Leiden d.m.v. het Singelpark. Bron: Gemeente Leiden De groenblauwe ontwikkeling in Leiden staat onder andere beschreven in de 1) Omgevingsvisie Leiden 2040, 2) Samen leven in Leiden (beleidsakkoord) en 3) Leiden biodivers en klimaatbestending (uitvoeringsprogramma). Eén van de inspanningen in Leiden is het realiseren van een uitgebreid groenblauw raamwerk in de stad. Dit raamwerk wordt onder andere opgebouwd door het vergroenen van de stadsringen, het Singelpark (Figuur 2) en een tweede groene ring aan de rand van de stad. Ook worden er groene verbindingen gelegd tussen deze ringen en het buitengebied. Maar het gaat ook om het vergroenen van alle buurten, waarbij de vervanging van de riolering als aanleiding wordt gebruikt (duurzame wijkvernieuwingen (Figuur 3)). Figuur 3. Verduurzaming van wijken in Leiden; nu (boven) en later (onder). Bron: Gemeente Leiden Leiden gebruikt een integrale gebiedsgerichte benadering waardoor er naast het versterken van de biodiversiteit ook wordt gewerkt aan andere opgaves, zoals klimaat adaptatie, circulariteit en de energietransitie. Daarnaast draagt het ontwikkelen van de nieuwe groene en blauwe gebieden in Leiden bij aan de leefbaarheid van wijken en biedt het mogelijk- heid tot recreatie. In Arnhem staat de ontwikkeling van groene en blauwe ruimten onder andere beschreven in de Groenvisie en de Agenda biodiversiteit. Ook de Bomenvisie is hierbij van belang. Een belangrijk doel voor de gemeente Arnhem is het verbin- den van de natuur buiten het stedelijk gebied met de binnenstad. Daarnaast werkt Arnhem met de 3-30-300 richtlijn. Deze richtlijn stelt dat inwoners minimaal 3 bomen moeten kunnen zien vanuit huis, dat een wijk voor minimaal DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 148 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 30% uit bladerdek moet bestaan en dat er een maximale afstand van 300 meter tot een park of groene ruimte dient te zijn. Hierdoor komt groen voor iedereen binnen handbereik. Het ontwikkelen van groene en blauwe ruimten wordt tevens in samen werking gedaan met de verschillende wijken. Bewoners kunnen meedenken over de ontwikkeling en indeling van groen en blauw in de wijk. Binnen de gemeente wordt ook gewerkt aan 10% minder verharding, wat bijdraagt aan zowel het vergroten van de groenblauwe dooradering als aan klimaatadaptatie. Deze paragraaf is geschreven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de gemeente Leiden en de gemeente Arnhem. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 149 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 13. Bijdragen van niet-statelijke actoren Er vindt regelmatig (een tot drie keer per jaar) stakeholdersoverleg plaats met vertegenwoor- digers van de geïdentificeerde groepen van gebruikers van genetische bronnen. 1. Universiteiten 2. Hbo-instellingen 3. Publieke onderzoeksinstellingen 4. Fokkerijbedrijfsleven 5. Particuliere fokkers 6. Plantenveredelings- en vermeerderingsbedrijven 7. Particuliere telers/veredelaars 8. Collectiehouders 9. Boomkwekers en terreinbeheerders 10. Voedingsmiddelenindustrie 11. Farmaceutische industrie (medisch en veterinair) 12. Overige industriële biotechnologie en procestechnologie 13. Botanische tuinen 14. Dierentuinen 15. Natuurcosmetica- en natuurgeneesmiddelensector 16. Biologische bestrijdingssector Het doel van het nationale ABS stakeholders- overleg is aan de ene kant het informeren van de stakeholders over relevante nieuwe ontwikkelingen op EU en mondiaal niveau (met name CBD- en FAO-processen). Aan de andere kant wordt de inbreng gevraagd van stakehol- ders voor deze processen, om zo bij te dragen tot werkbare oplossingen. Gestreefd wordt naar het actief betrekken en positioneren van nationale stakeholders in zowel het onderhan- delingsproces als in informele internationale consultaties op dit vlak, vanuit een whole of society approach. Plantenveredelings- en vermeerderingsbedrijven In het Factsheet Biodiversiteit beschrijft Plantum, de branchevereniging voor 300 bedrijven in de sector veredeling, vermeerde- ring en opkweek van zaden en jonge planten, het belang van brede beschikbaarheid van genetische variatie. Voor de ontwikkeling van nieuwe plantenras- sen hebben veredelaars materiaal nodig voor hun kruisingen. Ze gebruiken daarvoor vooral moderne (commerciële) rassen en eigen materiaal. Dit vullen ze aan met genetische bronnen uit de natuur of premoderne land- bouw. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om wilde verwanten van cultuurplanten of oude boerenrassen. Die planten kunnen essentiële nieuwe eigenschappen voor de toekomst bevatten, zoals resistentie tegen ziektes en plagen of eigenschappen die de plant weerbaar maken tegen klimaatverandering. Biodiversiteit staat aan de basis van plantenveredeling. Voor een gezonde toekomst is het essentieel dat alle veredelaars toegang hebben tot de beschikbare genetische variatie. De uitwerking en onduide- lijkheid van internationale verdragen en (lokale) wetgeving kunnen deze toegang belemmeren. Plantum zet zich in voor uitwisseling van genetisch materiaal onder redelijke voorwaar- den. Geen of slechte toegang beperkt innova- tie, en bedreigt daarmee de voedselzekerheid en de biodiversiteit. Er wordt ingegaan op de bestaande ABS wetgeving onder het Nagoya Protocol en de onduidelijkheden over toegang en gebruik van genetische bronnen waar tegenaan wordt gelopen in de praktijk. Ook gaat het factsheet in op de onderhandelingen rondom ontwikkeling van een multilateraal systeem voor DSI van genetische bronnen. Plantum pleit ervoor dat zo’n systeem werkbaar en betaalbaar is, dat er geen uitzonderingen op het systeem voorko- men en dat het systeem ook ingezet wordt voor genetische bronnen. Dit om te voorkomen dat er verschillende betalingsmechanismen naast elkaar ontstaan en financiële verplichtingen zich opstapelen. FAO’s ITPGRFA wordt ondanks enkele bezwaren (bijvoorbeeld over de beperkte beschikbaarheid van gewassen) als de best werkbare oplossing voor de toegang tot genetische bronnen gezien door Plantum. Plantum pleit daarom ervoor dat dit verdrag van toepassing wordt op álle gewassen en de daaraan verbonden ziekten en plagen. De voorwaarden worden op dit moment echter herzien waardoor het onzeker is of het FAO-verdrag de beste oplossing blijft. Veredelaars zijn zich al heel lang bewust van het belang van biodiversiteit. Samen met genen- DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 150 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 banken werken ze aan het uitbreiden van collecties en het veiligstellen van genetische bronnen voor de toekomst. Daarmee dragen veredelaars direct bij aan het behoud van biodiversiteit en aan voedselzekerheid.210 DSI en biodiversiteit monitoring Naast de eerdergenoemde gebruiken van DSI wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van ‘environmental DNA’ of eDNA voor het monitoren van biodiversiteit. Alle levende organismen laten sporen van hun DNA achter in hun leefomgeving: eDNA. Dit DNA wordt geëxtraheerd uit bodem, sediment, water en lucht monsters. De stukjes DNA die gebruikt worden zijn de DNA-barcodes: korte stukjes niet-coderend DNA die uniek zijn voor iedere soort. Deze DNA soort referenties worden vastgelegd in de Barcode of Life Database (BOLD).211 De DNA barcodes uit de eDNA samples worden vergeleken met BOLD om tot een soortenlijst te komen voor monito- ring doeleinden. Om biodiversiteits monitoring via eDNA verder te ontwikkelen en te kunnen blijven gebruiken is het belangrijk om DNA barcoding buiten de ABS-regulatie te houden zegt Naturalis. Naturalis ontwikkelt deze technieken via de ARISE-infrastructuur212 die het mogelijk gaat maken om alle meercellig leven in NL te identificeren op basis van beelden verkregen via cameravallen, geluidsopnamen én DNA/eDNA. Om biodiversiteitsmonitoring via eDNA verder te versnellen heeft Naturalis recentelijk een subsidie ontvangen voor de eDentity infrastructuur die grootschalige eDNA monitoring uit de bodem, water en lucht mogelijk gaat maken. Daarnaast is Naturalis coördinator van het Biodiversity Genomics Europe (BGE)213 project. De paragraaf beschrijft samenwerkingsverbanden tussen de Rijksoverheid en organsaties en bedrijven uit de maatschappij. 210 Plantum (2023) Genetische variatie moet breed beschikbaar zijn. https://www.plantum.nl/wp-content/ uploads/2023/09/FS-Biodiversiteit.pdf. 211 Bold Systems (z.d.) BOLD – The Barcode of Life Data Systems. 212 Arise (z.d.) Biodiversity | Arise Biodiversity | Leiden I The Netherlands. 213 Biodiversity Genomics Europe (z.d.) BGE Home - Biodiversity Genomics Europe. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.plantum.nl/wp-content/uploads/2023/09/FS-Biodiversiteit.pdf https://www.plantum.nl/wp-content/uploads/2023/09/FS-Biodiversiteit.pdf https://www.plantum.nl/wp-content/uploads/2023/09/FS-Biodiversiteit.pdf https://www.boldsystems.org/ https://www.arise-biodiversity.nl/ https://biodiversitygenomics.eu/ 151 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 15. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe dragen niet-statelijke actoren in Nederland bij aan dit actiedoel? Disclaimer: onderstaande input van de niet-statelijke actoren is ingebracht met focus op het bedrijfsleven. Methoden, tools en data • Samenwerking op de ontwikkeling van methoden en tools, zowel vanuit bedrijfs- als wetenschappelijk perspectief. • Reeds bestaande tools breed onder de aandacht brengen (zoals TNFD Framework, Natural Capital Protocol en aanvullende guidance en toolkit, PBAF Standaard, etc.). • Niet-statelijke actoren kunnen een rol te spelen in het beschikbaar stellen van data en/ of de interpretatie ervan. • Bedrijven kunnen bepaalde acties inzetten, maar gezien de vaak complexe (product) ketens is het tonen van positieve impact vaak complex. Samenwerking in de keten en met externe partijen is belangrijk (bedrijven, wetenschap, ngo’s). • Prioritering van impactgebieden door specifieke onderwerpen te identificeren en ontwikkeling van meetbare indicatoren voor acties die als proxies dienen (bijvoorbeeld voor on-the-ground impact), door bedrijfsle- ven, wetenschap en ngo’s. • Focus is nodig op evenwichtige monitoring en daadwerkelijke impactcreatie. Communicatie en bewustwording • Vergroten van bewustzijn, met name onder bedrijfs leven, bijvoorbeeld door communica- tie over goede voorbeelden en best practices. • Betrokkenheid van accountants: aandacht vestigen op transparantie voor biodiversiteit door, bijvoorbeeld, te focussen op bestaande instrumenten. • Sector guidance documenten verspreiden en toepassen, zoals van Business for Nature/ WEF/WBCSD en het maken met afspraken met sectoren organisaties over acties met hun achterban. Leren en capaciteitsversterking • Het belang van het vertalen van rapportage naar concrete acties, met aandacht voor praktische stappen en uitvoerbaarheid, door consultants, ngo’s, branche organisaties, platformen als MVO Nederland, IUCN-NL en Deltaplan Biodiversiteitsherstel. • Opschaling van praktische initiatieven, zoals COP CSRD (MVO Nederland) op sectorniveau. TNFD en onder liggende frameworks (onder andere het Natural Capitial Protocol) zijn richtinggevend. • Aanpakken van het tekort aan ecologische expertise binnen bedrijven door eigen aannamebeleid. • Leerprocessen verbinden: Hoe kunnen we de verbinding maken tussen de verschillende platformen en netwerken? (hierin support van overheid wenselijk) • Nastreven van een integrale aanpak van materiële zaken: verbinden van beleid en (aankomende) wetgeving, ambities en initiatieven. Bijvoorbeeld: - koppeling binnen bedrijfsleven van bio diver siteitsstrategie met klimaat- afspraken (dit kan niet zonder natuur en biodiversiteit), ook om meer draagvlak te creëren; en - verbinden van Agenda Natuurinclusief, Deltaplan Biodiversiteitsherstel, EUDR en ander beleid en wetgeving. • Register accountants meenemen in dit onderwerp en de training. Rapportage, toezicht en financiële sector • Correcte implementatie van CSRD op het gebied van biodiversiteit: de kans bestaat dat bedrijven biodiversiteit ten onrechte laten vallen, omdat het als niet-materieel wordt aangemerkt. Financiële instellingen, adviesbureaus, ngo’s, brancheorganisaties en accountants zullen dit idee moeten uitdagen. • Correcte implementatie van CSDDD en OESO richtlijnen: mpact van bedrijfsleven op biodiversiteit in de keten meenemen waar materieel en relevant voor de Nederlandse footprint in internationale ketens; zie ook footprint document TNFD/PBAF. • Heroriëntatie van financiële middelen en hoe deze strategisch kunnen worden ingezet om de biodiversiteits doelen te ondersteunen. • Concrete acties zoals de Finance for Biodiversity Pledge en leningen aan biodiversiteitsgebieden. • Banken kunnen klanten helpen verduurza- men, liefst geïntegreerd (want iedere keer een nieuw thema kost energie en tijd). DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 152 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • De International Finance Corporation, de dochter van de Wereldbank – richtlijnen volgen. • Naar analogie van Roadmap voor Circulaire Economie (Platform voor Duurzame Financiering) dit ook doen voor biodiversiteit met backcasting. • Klimaat- en milieurisico’s worden geïnte- greerd in het reguliere prudentieel toezicht door de DNB. Instellingen onder dit toezicht worden opgeroepen om o.a. biodiversiteits- risico’s te monitoren en informatie hierover te verstrekken. Wat hebben niet-statelijke actoren de komende zeven jaar nodig om met elkaar het actiedoel uiterlijk 2030 te halen? Disclaimer: Onderstaande input van de niet-statelijke actoren is ingebracht met focus op het bedrijfsleven. Drie concrete acties Niet-statelijke actoren gaan ervan uit dat de Nederlandse overheid actiedoel 15a via de CSRD, en straks de CSDDD, invulling wil geven. Voor praktische en impactvolle implementatie zijn de volgende zaken nodig met een belang- rijke rol voor de overheid: 1. Stimuleren van capaciteitsversterking binnen sectoren en waardeketens voor transformatieve verandering. Inhoudelijk kunnen de Sector guides214 voor de ‘routekaarten naar natuurposi- tief’ van de WBCSD, WEF en Business for Nature een goed startpunt zijn voor aanpak van de materiële thema’s. De overheid kan zorgen voor een gecoördi- neerde aanpak en stimuleren dat partijen als MVO Nederland, VNO-NCW, branche- organisaties, financiële sector en kennis instellingen hierin gezamenlijk optrekken. Op die manier wordt toege- werkt naar concrete actieplannen binnen bedrijfsleven en wordt voorkomen dat bedrijven natuur en biodiversiteit ten onrechte als niet materieel benoemen. Een initiële focus op de drie tot vijf meest impactvolle sectoren en waardeketens is wenselijk. Opschaling van de succesvolle CSRD Communities of Practice aanpak215 is hierbij een goed voorbeeld en kan 214 Business for Nature (z.d.) Sector actions for nature — Business For Nature. 215 MVO Nederland (z.d.) Dit is de CSRD-richtlijn en zo ga je ermee aan de slag | MVO Nederland | MVO Nederland. sectorspecifiek worden gemaakt. Naast de sector aanpak zal het stimuleren van (cross sectorale) verbinding tussen lerende platforms versnellend werken. Het instellen of ondersteunen van een relevante prijs, als opvolging van de Kristalprijs, zal bijdragen aan de bewustwording, net als het delen van best practices en waarderen van koplopers, terwijl ook achterblijvers actief gestimuleerd worden. 2. Beschikbaarheid van data stimuleren en organiseren: Het is van cruciaal belang dat bedrijven toegang hebben tot data op een niveau dat voor hen relevant is, met specifieke locatie-identificatie, koppelin- gen aan ketens, waar mogelijk gratis en gemakkelijke toegankelijkheid, vooral voor het MKB. Momenteel vormen deze elementen obstakels. Efficiënte ontslui- ting van reeds gerapporteerde data kan bijdragen aan het dichten van dit data-gat. 3. Definiëren van een stip op de horizon en organiseren tussentijdse monitoring: Niet-statelijke actoren hebben behoeften aan een stip op de horizon en het vaststel- len van meetbare (tussentijdse) streef- waarden als een duidelijke richtlijn voor vooruitgang en controle. Dit vereist vereenvoudigde doelen, heldere verwach- tingen en sterke communicatie naar uitvoerende partijen. Tussentijdse monitoring van de uiteindelijke impact van maatregelen voor natuur en biodiversiteit is essentieel voor niet-statelijke actoren, om zo beslissingen te kunnen nemen over de voortzetting en/of bijsturing van ingezette acties. De overheid wordt gevraagd om deze (tweejaarlijkse) monitoring op biodiversiteitsherstel, met expliciete aandacht voor de kwaliteit en diepgang van de rapportages, in lijn met de COP-rapportages op te zetten en financieel te borgen. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.businessfornature.org/sector-actions https://www.mvonederland.nl/wat-is-de-csrd-richtlijn-en-hoe-ga-je-ermee-aan-de-slag 153 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 16. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 16 en wat hebben zij daarbij nodig? Niet-statelijke actoren hebben een cruciale rol in het realiseren van actiedoel 16. Denk aan het bevorderen van duurzame consumptie, het aanbieden van duurzame producten en importeren van verantwoord gewonnen grondstoffen. Hier ligt een leidende rol voor detailhandel en retailers, producerende bedrijven, importeurs en handelaren, financiers en investeerders, consumentenorganisaties, maatschappelijke organisaties en kennisinstel- lingen. Speciale prioriteit heeft de ecologische voetafdruk van de agri-food sector en materi- aal-intensieve sectoren. Bewustwording en kennisdeling Hoge prioriteit heeft meer en bredere kennis over de voetafdruk en alternatieven bij zowel consumenten als producenten, evenals meer transparantie in waarde ketens. Kennis- instellingen en maatschappelijke organisaties doen onderzoek naar de Nederlandse voetaf- druk in samenwerking metbedrijven, consumenten organisaties en overheid. Branche verenigingen, ngo’s en consumenten- organisaties vergroten het bewustzijn in de private sector, bij de consument en ook overheid. Nieuwe wettelijke EU-kaders, onder andere de richtlijn duurzaamheidsrapportage en de EU-ontbossings verordening, vragen extra aandacht. Belangrijke landelijke initiatieven: • Bedrijvennetwerken van MVO NL: grote bedrijven, sectornetwerken, koplopersnetwerk; • IMVO convenanten - onder andere Renewable Energy Beoordelen en meten van de internationale voetafdruk Verschillende tools zijn ontwikkeld en beschik- baar om de voetafdruk op biodiversiteit te meten, maar zijn nog niet breed bekend en gebruikt. Verdere ontwikkeling is ook nodig, evenals op maat gemaakte versies voor sectorale benaderingen. Deskundig advies en hulp wordt geboden door gespecialiseerde bedrijven, kennisinstellingen en maatschappe- lijke organisaties. Voorbeelden van tools: • Levenscyclusanalyse: is nog niet voor alle productgroepen beschikbaar; • Werkgroep Footprint: WUR en 25 stakehol- ders (vooral bedrijven) werken aan een Eco rating label voor al het voedsel in NL en EU; • Internationaal is het Science Based Targets for Nature (SBTN) leidend voor het meten van impact op biodiversiteit. Het terugdringen van (over)consumptie Het bevorderen en stimuleren van duurzame consumptie keuzes door eindgebruikers, producenten en importeurs is een essentiële rol voor niet-statelijke actoren. Steeds meer individuele bedrijven (koplopers) en sectorale initiatieven zijn actief om de (over)consumptie terug te dringen. Er wordt steeds groeiende aandacht besteed aan verminderen van voedselverspilling en behoefte aan grondstof- fen (circulaire economie). Er is echter nog veel meer nodig om de Nederlandse (over)con- sumptie binnen de planetaire grenzen terug te brengen. Verschillende nationale initiatieven brengen belanghebbenden uit de samenleving en economie bij elkaar en ondersteunen bedrijven in hun ambities. Voorbeelden: • Initiatief Duurzame Handel (IDH): sectornet- werken onder andere Fruit & vegetables. Duurzame en verantwoorde producten Niet-statelijke actoren hebben een sleutelrol in innovatie voor duurzame producten en bedrijfs modellen. De komende jaren moeten en zullen de producten en bedrijfsmodellen van de toekomst worden ontwikkeld en getest. Bedrijven zullen investeren in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Essentieel zijn geheel nieuwe businessmodellen met een natuurpositieve impact. Een voorbeeld van een landelijk initiatief is de Transitiecoalitie Voedsel. Investeringen in duurzame productielandschappen Niet-statelijke actoren zijn centrale spelers bij investeringen in de duurzame en verantwoorde productie van voedsel en grondstoffen. Dit vergt cross-sectorale samenwerking van bedrijven met andere producenten, landeige- naren en maatschappelijke organisaties in het landschap. Verschillende maatschappelijke organisaties, bedrijven en initiatieven in Nederland zijn internationaal koplopers, met steun van de Nederlandse overheid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 154 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Voorbeelden van landelijke initiatieven: • Initiatief Duurzame Handel (IDH) • Collaborative Soy Initiative (CSI) Pleitbezorging voor een lagere voetafdruk Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van transpa- rantie en verandering in sector- en bedrijfsstra- tegieën, waarbij ze de negatieve impact op de biodiversiteit en mogelijkheden voor verbete- ring blootleggen. Sommige brancheorganisa- ties vervullen een leidende rol in de eigen sector, maar er is nog veel winst te behalen. Voorbeeld van landelijke initiatieven: • True Animal Protein Price Coalition (TAPP) Trans-sectorale samenwerking voor transformatieve verandering Het realiseren van actiedoel 16 vereist out-of-the- box samenwerking en benaderingen. Er bestaan al verschillende initiatieven van niet-statelijke actoren, vaak publiek-privaat (bedrijven en maatschappelijke organisaties) die innovatieve alternatieven ontwikkelen en testen. Deze platforms zijn belangrijke versnellers, er kunnen praktijken en successen worden gedeeld, evenals lessen die zijn gerokken uit mislukkingen. Voorbeelden van landelijke initiatieven: • Publiek private samenwerking “True Price – van inzicht naar actie” • Transitiecoalitie Voedsel • MVO NL platforms, sectorale platforms Nieuwe initiatieven zijn gewenst, bijvoorbeeld een pilot met grote detailhandelaren en cateringbedrijven om de voetafdruk te halveren, en over sectorbrede echte prijzen, inclusief impact op biodiversiteit. Wat hebben niet-statelijke actoren de komende zeven jaar nodig om met elkaar het actiedoel in 2030 te halen? De rijksoverheid heeft een cruciale rol in het stellen van kader en gericht beleid voor actiedoel 16: • Bewustwording: onder andere normen en regelgeving communiceren naar bedrijven en consumenten, inclusief EU-wetgeving en normering zoals de Corporate Social Reporting Directive en de Corporate Due Diligence Directive; • Wetten, regelgeving en beleid zorgen voor een gelijk speelveld voor duurzame alterna- tieven, onder andere door het formuleren van harde doelstellingen in bedrijfsrapporta- ges, true pricing c.q. verwaarding van natuurpositieve productie en richtlijnen voor specificaties van retailers. • Ondersteuning, inclusief financieel, voor transitiesen duurzame alternatieven. Koplopers ervaren nu nadeel door hogere kosten. Steun is gewenst voor meet- en datasystemen en beschikbaarheid van gegevens per sector. • Steun voor publiek-private afspraken en initiatieven. De komende jaren is onder andere behoefte aan: een breed akkoord over de landbouwtransitie (inclusief voetafdruk) dat zekerheid en houvast biedt aan producerende bedrijven; opschroeven van duurzaamheids normen in de detailhan- del; wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen per sector, met bijbehorende afrekenbare afspraken. • Het goede voorbeeld geven. De overheid heeft een sleutelrol en potentieel als launching customer en kan het goede voorbeeld geven bij haar eigen inkoop. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 155 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 18. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe draagt het bedrijfsleven bij aan het ombuigen van schadelijke financiële prikkels? Inventarisatie door overheid • De overheid draagt de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de inventarisatie van schadelijke financiële prikkels op macroni- veau en voor het hervormen naar en opschalen van natuurpositieve subsidies en regelingen. • Alhoewel bedrijven niet primair verantwoor- delijk zijn voor bovenstaande inventarisatie, kunnen ze wel relevante input leveren over mogelijkheden voor hervormingen, wat zal bijdragen aan commitment en steun. Inventarisatie binnen bedrijfsleven • Om zich gedegen voor te bereiden kan het bedrijfsleven zelf een analyse maken van het (financiële) profijt dat ze hebben van subsidies, regelingen, heffingen en belastin- gen met negatieve impact voor natuur en welke mogelijkheden zij zien om deze zo te hervormen dat ze beter aansluiten om de natuurambities. • Op deze manier kunnen bedrijven een inschatting maken van wat een mogelijke toekomstige herziening naar natuurpositieve subsidies-, regelingen-, heffingen- en belastingen zou kunnen betekenen voor de eigen bedrijfsvoering. De financiële omvang en gerelateerde risico’s kunnen immers substantieel en daarmee materieel zijn. • Het inventariseren door bedrijven van mogelijkheden voor hervorming van regelingen, regelingen, heffingen en belastingen, als input voor de inventarisatie door de overheid zal bijdragen aan commit- ment en steun voor de voorgestelde hervormingen. Financiële sector & accountants • Herziening van schadelijke subsidies en regelingen zal impact hebben op verschil- lende sectoren en individuele bedrijven enorganisaties. Voor onderhavige sectoren zelf maar zeker ook voor de financiële sector is het daarom van belang om tijdig de gevolgen en risico’s hiervan in te schatten en maatregelen te treffen. Dit zowel op sector- als bedrijfsniveau. • Banken dienen via de eigen dienstverlening of via andere kanalen hun klanten te helpen verduurzamen, zowel voor huneigen levensvatbaarheid als vanuit hunmaatschap- pelijke rol. Een integrale aanpak vanuit banken richting hun klanten is hierbij wenselijk (zie ook actiedoel 15). • De betrokkenheid van accountants is van belang voor juiste en tijdige advisering richting klanten die mogelijk geraakt worden met de herziening naar natuurpositieve subsidies. Indien relevant kan dit ook via Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) gerelateerde activiteiten worden meegenomen. Individuele accountants dienen rond toekomstige hervormingen juist en tijdig geïnformeerd en waar nodig getraind te worden. Wat heeft het bedrijfsleven de komende zeven jaar hiervoor nodig? Nationaal publiek-privaat overleg voor Transitie en Routekaarten • Zodra de inventarisatie is uitgevoerd, dienen plannen te worden gemaakt om schadelijke subsidies, regelingen, heffingen en belastin- gen af te schaffen, uit te faseren en/of te hervormen. Dit heeft impact op de gangbare werkwijze binnen verschillende sectoren en op de bedrijfsvoering van individuele bedrijven en organisaties. Gezien de urgentie en het (economische) belang van het tegengaan en herstellen van biodiversiteitsverlies is het van belang om routekaarten oftransitiepaden te ontwikkelen die de af- en ombouw van schadelijke subsidies en regelingen realiseren. Dit is essentieel voor de transitie naar een natuurpositieve economie. • Om dit in goede banen te leiden is nauwe samenwerking nodig tussen overheid en bedrijfsleven. Hiervoor dient structureel overleg tussen overheid en bedrijfsleven plaats te vinden. Het bedrijfsleven heeft hiervoor een nationaal overlegplatform nodig. Daarin hebben bijvoorbeeld (verte- genwoordigers van) de volgende organisaties en instituties zitting: - alle relevante ministeries en andere overheden; DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 156 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 - koplopend bedrijfsleven (bijvoorbeeld CEO Klankbordgroep Bedrijfsleven en Biodiversiteit, MVO NL); - relevante branche-organisaties (via of vertegenwoordigd door VNO-NCW) - De Nederlandsche Bank; - accountants (via de De Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants en de SRA; - Agenda Natuurinclusief; - relevante (wetenschappelijke) experts; - selectie van maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld: Natuur & Milieu, WWF-NL en IUCN NL. • Voor alle deelnemers zal moeten gelden dat zij het nut en de noodzaak inzien van een natuurinclusieve economie: een gezamenlijk commitment om samen te werken aan hervorming van regelingen en prikkels dient hiervoor de basis te zijn. Zonder die basis- voorwaarde is zitting nemen in dit nationaal overlegplatform niet zinvol. • Voor sectoren waar grote hervormingen nodig zijn, dient het nationaal overlegplat- form met een specifieke sectoraanpak te komen. Hierbij kan worden gedacht aan sectoren voedsel & landbouw, energie en gebouwde omgeving. Communicatie en bewustwording • De afschaffing, uitfasering en hervorming van schadelijke subsidies, regelingen, heffingen en belastingen heeft impact op diverse sectoren en de bedrijfsvoering van individuele bedrijven. Nut en noodzaak voor routekaarten en transitie bij af-/ombouw van schadelijke regelingen verlangt heldere en tijdige communicatie richting bedrijfsleven en maatschappij, in het bijzonder sectoren die geraakt worden. Dit kan een zekere weerstand opleveren, echter de transitie naar een natuurinclusieve economie is noodzake- lijk. Het is hierbij van belang dat een level playing field wordt gecreëerd om bedrijven met een duurzaam ennatuurinclusief businessmodel te stimuleren. • Het overlegplatform kan een pro-actieve rol spelen bij de communicatie en het creëren van draagvlak onder het bedrijfsleven. Juist ook het tonen van voorbeeldenvan natuurin- 216 ASN Bank (2022) Investeren in de natuur loont, óók voor de economie. clusieve bedrijfsmodellenen de transitie daarnaar toe is hier van belang. Stimuleren van capaciteitsopbouw binnen sectoren en waardenketens voor transformatieve verandering • Sectoren en individuele bedrijven die beïnvloed worden door af-/ombouw van schadelijke regelingen staan voor een transitie naar natuurinclusieve bedrijfsmo- dellen. Dergelijke veranderingen en transities vragen nieuwe inzichten, strategieën, vaardigheden en verandertrajecten. Om bedrijven hierop voor te bereiden, vereist dit ondersteuning via capaciteitsopbouw. De noodzaak voor capaciteits opbouw geldt ook al voor wetgeving ten aanzien van de CSRD, CSDDD, EUDR en dergelijke. Voor het maken van een eerste beoordeilngkan het bedrijfsle- ven tevens geholpen worden met praktische tooling om inzicht te krijgen op wat (ver- wachte) wijzigingen voor hun bedrijfsvoering zou kunnen betekenen. • Herstel van biodiversiteit kost veel tijd en financiële opbrengsten zijn relatief laag.216 Het opzetten van een blended finance instru- ment cq. fonds door de overheid voor bedrijven en financiële instellingen die willen investeren in natuurbehoud- en herstel is voor het opschalen zeer wenselijk. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door de CEO Klankbordgroep Biodiversiteit van MVO- Nederland, zie bijlage 1.II Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.asnbank.nl/nieuws-pers/investeren-in-de-natuur-loont-ook-voor-de-economie.html 157 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 19. Bijdragen van niet-statelijke actoren 217 De Nederlandse Bank (2020) Biodiversiteit en de financiële sector: een kruisbestuiving? | De Nederlandsche Bank. 1. Randvoorwaarden voor financiering 1.1 Wat gebeurt er al? De Nederlandse financiële sector is voor ruim €500 miljard afhankelijk van de natuur.217 Financiële instellingen ontwikkelen financiële instrumenten om te investeren in behoud en herstel van natuur en het vergroenen van bestaande financiering in binnen- en buiten- land. Om de business case voor private investe- ringen in projecten rond te krijgen, ook als nu nog geen rendement wordt gegenereerd, worden filantropisch geld, middelen uit het bedrijfsleven en publieke financiering ingezet om innovatieve financiële instrumenten te ontwikkelen zoals blended finance. Regelgeving zoals de EU Taxonomie, Exclusion lists, wetgeving om ontbossing uit te bannen en randvoorwaar- den voor risicovolle investeringen geven belangrijke randvoorwaarden. Natuur heeft nu vaak geen economische waarde. Steeds vaker wordt erkend dat de waarde van natuur meegenomen moet worden in het beprijzen van producten en diensten. 1.2 Wat is er nodig? Die erkenning bevordert de business case voor natuur bescherming- en herstel en duurzaam gebruik van biodiversiteit. Het helpt bij het ontwikkelen van innovatieve financiële producten, zoals verzekeringen om met transitierisico’s om te gaan. Vanwege de relaties tussen financiering en de economie, kunnen actiedoel 15, 18 en 19 van het Global Biodiversity Framework het beste in samen- hang worden uitgevoerd. Voor het beprijzen van natuur zijn regelgeving en toezicht nodig. De overheid kan bijdragen door meer blended finance instrumenten op te zetten. Om nationale en internationale financierings- behoeften in kaart te brengen is een National Biodiversity Finance Plan cruciaal. Overkoepelende, op de wetenschap gebaseer- de doelen met duidelijke kritieke prestatie- indicatorenkunnen financiële instellingen helpen om schadelijke investeringen te stoppen. Alle data over natuurgerelateerde impacts en risico’s kan door regelgevers en toezichthouders gebruikt worden. Pensioenfondsen kunnen een belangrijke rol spelen om meer financiering in te zetten met een lange looptijd en lager rendement. 2. Een andere manier van meten en waarderen 2.1 Wat gebeurt er al? Financiële instellingen krijgen steeds vaker inzicht in hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit en de risico’s van natuurverlies. Er wordt samengewerkt met initiatieven zoals de Taskforce on Nature-related Financial Disclosures (TNFD), het Science-Based Targets Network (SBTN), Partnership for Biodiversity Accounting Financials (PBAF), de Finance for Biodiversity Pledge, de Werkgroep Biodiversiteit onder het Platform voor Duurzame Financiering van DNB en het Network for Greening the Financial System. Aanbevelingen zijn ontwikkeld zodat investeer- ders kunnen acteren op in kaart gebrachte natuurgerelateerde impacts, risico’s en afhankelijkheden. 2.2 Wat is er nodig? Regulerende ecosysteemdiensten verzorgen de omstandigheden waar al het leven van afhankelijk is, zoals een stabiel klimaat, schone bodem en water veiligheid. Om ervoor te zorgen dat verlies van natuur vertaald wordt naar extra kosten voor degene die er verantwoordelijk voor is, zijn regelgeving en financiële prikkels nodig. Die maken het ook gemakkelijker voor investeerders om te investeren in bescherming, herstel en duurzaam gebruik van natuur. Kosten en baten moeten dus worden doorgerekend naar klant of gebruiker. 3. Waardering van ecosysteemdiensten 3.1 Wat gebeurt er al? Het waarderen van ecosysteemdiensten wordt binnen veel initiatieven bestudeerd, getest en uitgevoerd, ook in Caribisch Nederland. De uitkomsten helpen (impact)investeerders om de waarde van natuur te vertalen naar business DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/nieuws-2020/biodiversiteit-en-de-financiele-sector-een-kruisbestuiving/ 158 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 cases. Waardering van ecosysteemdiensten is vaak onderdeel van financiële mechanismen die bijdragen aan het aantrekken van investeringen. 3.2 Wat is er nodig? Voor een bredere toepassing van het geven van waarde aan ecosysteemdiensten door private en andere niet-statelijke actoren is meer kennis nodig over hoe die waarde berekend en bepaald kan worden. De overheid kan biodiver- siteit opnemen in haar eigen inkoopbeleid. Bij aanbesteding voor wonen, bouw en infrastruc- tuur is veel te winnen. De overheid moet bij investeringen voorkeur aan projecten die laten zien hoe je ecosysteem diensten versterkt. Het principe moet zijn “groen-tenzij”. Bij infrastruc- turele investeringen moet dus de groene variant gekozen worden, tenzij er zwaarwe- gende redenen zijn om dit niet te doen. 4. Investeren in natuur en klimaat 4.1 Wat gebeurt er al? De noodzaak om klimaat en natuur geïnte- greerd aan te pakken wordt breed gedragen. Nederland heeft relevante ervaring met publiek-private initiatieven en Nature-based Solutions (NbS). Voorbeelden zijn natuurlijke inrichting langs rivieren om overstromingen te voorkomen en water opvang te stimuleren, de vernatting van het veenweide gebied en natuurinclusief bouwen. Innovatie is opgeno- men in regionale bouwconvenanten. Ook provincies en waterschappen kiezen soms voor groene oplossingen. Nederlandse bedrijven investeren in NbS in het buitenland zoals kustbescherming, zoetwater huishouding, mangroveherstel, rampenbestrijding en bosherstel. Het waarderen en vermarkten van ecosysteem diensten maakt soms de business case mogelijk. Carbon credits, blue carbon en betalingen voor bescherming van stroomgebie- den maken natuurherstel en kustbescherming mogelijk. 4.2 Wat is er nodig? Voor klimaatadaptatie en groene infrastructuur krijgen NbS prioriteit. Een gebiedsgerichte aanpak moet daarbij leidend zijn. Natuur en biodiversiteit zijn per gebied uniek en hebben daarom ook een plaatsspecifieke aanpak nodig. Alle relevante belanghebbenden zijn nodig om samen een gebiedsgerichte visie met doelen en een strategie vast te stellen om natuur te beschermen en herstellen in samenhang met andere belangen. Water en bodem zijn leidend. De overheid kan obligaties uitgeven voor NbS. Ecosysteemdiensten en NbS worden aantrek- kelijker als de waarde ervan inzichtelijk is en er een vergoeding tegenover staat. Biodiversity credits kunnen aanvullende kansen creëren voor financiering voor natuur. Dit is een nieuw concept waarbij een asset wordt gecreëerd op basis van investeringen in de bescherming en het herstel van natuur in een specifiek landschap. Noot: Waar we het in dit document over “natuur” hebben, bedoelen daarmee altijd “natuur en biodiversiteit”. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 159 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 20. Bijdragen van niet-statelijke actoren Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 20 en wat hebben zij daarbij nodig? Deze paragraaf beschrijft de input die is verzameld onder Nederlandse niet-statelijke actoren die werken aan biodiversiteit in een internationaal werkveld. De twee belangrijkste vragen die in deze paragraaf worden beant- woord zijn: 1. Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 20? 2. Wat hebben niet-statelijke actoren nodig om samen de doelen van actiedoel 20 te bereiken? De sectoren die tijdens deze consultatie vertegenwoordigd waren, zijn wetenschappe- lijke- en kennisinstellingen en ngo’s. Wat ontbreekt in dit overzicht is input van actoren uit de private sector en van uitvoerende overheidsorganisaties. Dit heeft te maken met de beschikbaarheid en de opvatting van actoren uit de particuliere sector dat hun werkterrein geen zinvolle betrokkenheid bij actiedoel 20 inhoudt. Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 20? De middelen en manieren om bij te dragen aan actiedoel 20 omvatten een breed scala aan activiteiten op het gebied van het delen van kennis, het delen van capaciteit en technologi- sche innovatie. Deze vinden meestal plaats in een internationale setting, gekenmerkt door grensoverschrijdende samenwerking en uitwisselingen tussen het Noorden en het Zuiden van de wereld. Het volgende overzicht beschrijft de belangrijk- ste benaderingen van niet-statelijke actoren: • Nationale en internationale samenwerking binnen gezamenlijke onderzoeksprogram- ma’s met andere wetenschaps- en kennisin- stellingen, maatschappelijke organisaties en overheden. Betrokkenheid bij internationale netwerken, waaronder IUCN, Ramsar, GEO BON, IPBES, WWQA, ISO en ESP. • Samenwerking met partnerorganisaties, ngo’s, milieuactivisten, vrouwengroepen, lokale gemeenschappen en netwerken. Financiële ondersteuning, kennisdeling, beleidsontwikkeling, gezamenlijke belangen- behartiging en toegang tot financiering en netwerken. • Gezamenlijke ontwikkeling van projecten en gezamenlijke fondsenwerving met partneror- ganisaties en ngo’s. • Het bieden van onderwijs en training, cursussen, masterprogramma’s en PhD- posities. Zowel voor (inter)nationale studenten als speciale programma’s voor studenten uit het Zuiden, met name via het wereldwijde capaciteit-ontwikkelingsplat- form SAIL. • Het ontwikkelen, co-creëren en testen van technologieën voor ruimtelijke ordening, afstandswaarneming, cameravallen, e-DNA, biodiversiteits monitoring, geo-citizen science, besluitvorming ondersteunende systemen, early warning systems en datavisualisatie. • Kennisdeling en institutionele ondersteuning van nationale overheden door middel van samenwerking met maatschappelijke partnerorganisaties. • Onderzoeken van tegenstrijdigheden binnen verschillende sectoren en beleid en bewust- wording creëren over deze tegenstrijdighe- den. Maatschappelijke partnerorganisaties die werken met lokale gemeenschappen en oorspronkelijke bewoners faciliteren verbindingen met lokale overheden en (sub)-nationale beleidsmakers. • Delen van kennis en capaciteit en toegang tot netwerken via alumninetwerken (bijvoor- beeld SAIL-instituten). Wat hebben niet-statelijke actoren nodig om gezamenlijk de doelen van doelstel- ling 20 te bereiken? De behoeften van de Nederlandse niet-statelij- ke actoren om actiedoel 20 gezamenlijk te bereiken worden gekenmerkt door een sterke focus op toegang tot en beschikbaarheid van financiering, voortzetting van inspanningen en kennisdeling in internationale netwerken en een sterkere erkenning van de relevantie van het werk aan Noord-Zuidsamenwerking op het gebied van capaciteits deling, innovatie en wetenschap. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 160 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Het volgende overzicht beschrijft de belangrijk- ste behoeften van niet-overheidsactoren: • Stop overheidssteun voor activiteiten die de biodiversiteit vernietigen. • Voortzetting van donor financiering voor biodiversiteit (al dan niet geoormerkt), van de Nederlandse overheid (Ministerie van Buitenlandse Zaken, Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Ministerie van Onderwijs), de NWO en/of de Europese Unie. • Afstemming van thema’s en geografische focus tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken, LVVN en de Nederlandse ambassades. • Faciliteren van co-learning en effectieve samenwerking tussen Nederlandse niet- statelijke actoren die werken aan actiedoel 20, waaronder onderwerpen als internatio- nale machtsverhoudingen, ethiek en rechtvaardigheid. • Toegang tot financiering voor maatschappe- lijke organisaties en netwerken van maat- schappelijke organisaties om gemeenschap- pen te ondersteunen in hun lokale acties en initiatieven die bijdragen aan de GBF-doelen. Partners die werken aan GBF-doelen hebben fondsen, financieringsmechanismen en kleine subsidies nodig die rekening houden met de organisatorische (administratie & financiën) systemen van lokale groeperingen. • Financiële steun om commitment op lange termijn en beleidsadvies aan te bieden aan internationale platformen en netwerken (IPBES, ESP, GEOBON, IUCN, Ramsar). • Ondersteuning en stimulering van samen- werking met netwerken van oorspronkelijke bewoners voor wederzijdse kennisuitwisseling. • Zorgen voor synergie tussen de drie Rio Verdragen (CBD, UNFCCC & UNCCD) in Nederlands (inter)nationaal beleid. • Voorkomen dat waardevolle kennis en wetenschappers die in Nederland werken of studeren verloren gaan. • Het wegnemen van barrières en politieke beperkingen en het vergemakkelijken van visums voor buitenlanders die naar Nederland komen voor onderwijs. • Innovatieve businessmodellen voor kennisin- stellingen om onderzoek voort te zetten of om te bevorderen dat kennisinstellingen in aanmerking komen voor financiering en subsidieregelingen. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 161 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 21. Bijdragen van niet-statelijke actoren Er gebeurt ontzettend veel op dit gebied. Er is een grote diversiteit aan organisaties en initiatieven die zich inzetten voor het verzame- len van data en het delen van kennis ten behoeve van biodiversiteit. Wetenschappelijke kennis en data zijn de basis voor de plannen die tot biodiversiteitsherstel kunnen leiden. Het inzichtelijk maken van de huidige stand van zaken en mogelijkheden voor biodiversiteit geeft namelijk ook handvatten voor verbete- ring. De onderstaande lijst toont de organisa- ties, projecten en initiatieven en is – nadrukke- lijk – geen complete lijst. Wetenschap en (praktijk)onderzoek Voor kennis- en onderzoeksinstellingen is het vergaren van kennis hun core-business. Diverse initiatieven faciliteren het verzamelen van wetenschappelijke data, samenwerking op het gebied van biodiversiteit en het genereren van praktische toepassingen voor biodiversiteits- herstel. Zo worden gegevens verzameld over verschillende aspecten van biodiversiteit, zoals soorten, ecosystemen en genetische bronnen en hebben onderzoeksinstituten ook de expertise om verzamelde gegevens te analyse- ren en te verwerken tot bruikbare informatie. Ze produceren rapporten en analyses die beleidsmakers, organisaties en het publiek helpen om trends en patronen in biodiversiteit te begrijpen. Ze beheren vaak databases en archieven waarin biodiversiteits gegevens worden opgeslagen en toegankelijk zijn voor wetenschappers en beleidsmakers over de hele wereld. Daarnaast zijn deze instellingen vaak betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe technologieën en methoden voor het verzame- len en analyseren van (biodiversiteits)gegevens. Voorbeelden van initiatieven in dit veld: • LTER-LIFE • ARISE • Biodiversity XL • Lectorenplatform biodiversiteit en Centre of Expertise Groen (hbo) • KANO onderzoeken via LIFE All4Biodiversity • Ecosystem Services Valuation Database • Soil Valley • Nature Positive Universities Initiative • Nederland 2120 • Netwerk Ecologische monitoring. Bedrijfsleven Bedrijven spelen een cruciale rol bij het verzame- len, delen en benutten van informatie en kennis over biodiversiteit. Door te investeren in onder zoek en gegevens verzameling met betrekking tot biodiversiteit in gebieden waar ze actief zijn dragen bedrijven bij aan het identifice- ren van biodiversiteitsrisico’s- en kansen en het genereren van waardevolle gegevens. Dit wordt versterkt wanneer bedrijven samenwerken met wetenschappelijke instellingen en ngo’s om gezamenlijk onderzoek te financieren en uit te voeren. De impact en aantal initiatieven vanuit het bedrijfsleven neemt toe en wordt verder gestimuleerd door wetgeving vanuit de CSRD. De verwachting is dat het beter rapporteren over en committeren aan biodiversiteits- herstel impact zal hebben op herstel van onze leef omgeving. Dit draagt bij aan kennis over de staat van biodiversiteit en geeft inzicht in de effectiviteit van genomen maatregelen. Ook draagt het bedrijfsleven bij aan kennisde- ling door best practices te delen met hun industrie en bredere gemeenschap. Dit moedigt anderen aan om vergelijkbare inspanningen voor biodiversiteit te onderne- men. Dit gebeurt onder andere via publicaties, conferenties en samenwerkingsverbanden. Maatschappelijke actoren en initiatieven Initiatieven en partnerschappen vanuit maatschappelijke actoren stimuleren samen- werking en kennisontwikkeling. Maatschappelijke organisaties, zoals natuurbeschermings organisaties- en verenigin- gen, monitoren en vergroten kennis over planten, dieren en ecosystemen. Ze betrekken hierbij vaak vrijwilligers voor citizen science. Sommige organisaties en initiatieven pleiten voor openbaarheid van gegevens met betrek- king tot biodiversiteit. Voorbeelden van initiatieven in dit veld: • Deltaplan Biodiversiteitsherstel: - Werkgroep Kennis en Innovatie; - Innovatiefonds Samen voor Biodiversiteit; - Toolbox Samen voor Biodiversiteit voor bedrijven en gemeenten DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 162 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • Stichting voor Duurzame Ontwikkeling; - Nature Today – actuele informatie over natuur en natuurbeleid • Ecosystem Services Partnership; • Vereniging Bos en Natuureigenaren (VBNE) faciliteert de continue versterking van professionaliteit van het bos- en natuurbe- heer door haar leden; en • Earthwatch. Publieksvoorlichting en natuureducatie Naast alle natuurherstelmaatregelen zijn veranderingen in menselijk gedrag noodzake- lijk. De mens haalt uit de natuur wat hij nodig heeft en dumpt wat hij niet meer kan gebruiken met uitputting en verontreiniging tot gevolg. Die houding moet veranderen naar meer respect voor de wereld om ons heen. Bij informatieverstrekking moet - naast het delen van feiten en cijfers - ook worden ingezet op gedragsverandering. Een groot aantal maat- schappelijke actoren draagt hieraan bij door voorlichting en educatie over natuur. Voorbeelden zijn: • educatie in dierentuinen; • bezoekerscentra Nationale Parken; • educatie-activiteiten en publieksvoorlichting van natuur- en soortenorganisaties en ngo’s; • Heimans en Thijsse Stichting; • Stichting GLOBE Nederland; • Naturalis Biodiversity Center; en • NEMO Science Museum. Dashboards, databanken en plantools Voor het beschikbaar stellen van data en kennis over en voor biodiversiteit zijn verschillende dashboards, databanken en planningtools actief of in opbouw. Voorbeelden hiervan zijn: • Nationaal Dashboard Biodiversiteit (IUCN NL); • Biodiversiteitsplanner; • Basiskwaliteit Natuur; • Initiatief KPI’s biodiversiteit (Deltaplan Biodiversiteitsherstel); • NL Greenlabel; • Ecosystem Services Valuation Database (ESVD); • Nationale Databank Flora en Fauna; • Waarneming.nl; • Verspreidingsatlas.nl; • BIOFIN; • EU Pollinator Monitoring Scheme (EU PoMS). Gebiedsinitiatieven De ontwikkeling van data en kennis over biodiversiteit vraagt ook om lokale kennis en aanpak. Om stappen te kunnen zetten richting biodiversiteitsherstel is het daarom van belang kennis en ervaring op te doen over lokale situaties en kennis te delen over best practices. Gebiedsinitiatieven zoomen in op de praktijk en lokale uitzonderingen. Voorbeelden van dergelijke initiatieven zijn: • Unesco Biosfeergebied Maasheggen en aspirant-biosfeergebied KempenBroek (mondiaal wetenschaps- en kennisnetwerk biodiversiteit); • Deltaplan Biodiversiteitsherstel: werkgroep gebiedsgerichte samenwerking; • Living Labs; en • agrarische collectieven. Wat hebben niet-statelijke actoren de komende zeven jaar nodig om met elkaar het actiedoel in 2030 te halen? Ondanks de vele initiatieven en manieren waarop niet-statelijke actoren data, informatie en kennis over biodiversiteit verzamelen en beschikbaar stellen, zijn er ook drempels die voorkomen dat de beste informatie geleverd wordt. De benodigde aspecten zijn: 1. beschikbaarheid van data/kennis; 2. samenwerking tussen expertises; 3. breed communiceren in gemeenschappe- lijke taal; en 4. ondersteuning voor relevant onderzoek. 1. Om kennis over biodiversiteit verder te kunnen ontwikkelen is het beschikbaar stellen van al bestaande data en informatie essentieel. Met name de toegankelijkheid van platforms is hierin beperkend. Naast het verbeteren van toegang tot bestaande data is het ook belang- rijk om te investeren in het verzamelen van nieuwe gegevens, vooral in gebieden waar momenteel een tekort aan informatie is. Denk hierbij aan: • kaarten voor data-uitwisseling; • eenvoudig beschikbare data over omgeving; • gratis beschikbaarheid van data (NDFF); en • data voor bedrijven ter rapportage. Naast het ontwikkelen van nieuwe kennis is het ook goed om inzicht te hebben in de historische ontwikkeling van natuur en natuurbescherming DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 163 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 om lessen te trekken uit het verleden en beter te begrijpen hoe we de toekomst kunnen vormgeven. Het verzamelen en toegankelijk maken van data en informatie is essentieel, maar even belangrijk is de kennis om data te kunnen verwerken en interpreteren zodat deze aan een breder publiek ontsloten kan worden. Er moet daarom meer (financiële) stimulans komen om expertise op dit gebied te kunnen ontwikkelen en behouden. 2. Het verkrijgen van data over en uitwisselen van kennis voor biodiversiteitsherstel vraagt een toenemende mate van multidisciplinair werken, waarbij expertise vanuit verschillende disciplines samenkomt. Dit betekent dat organisaties, instellingen en bedrijven met diverse achtergronden moeten samenwerken om duurzame oplossingen te vinden. Het bevorderen van samenwerking en ‘co-creatie’ kan worden bereikt door: • Het stimuleren of verplichten van ‘co-creatie’ en multidisciplinair werken in aanvragen van financiering. • Het betrekken van sociaalwetenschappelijke expertise kan helpen bij het begrijpen van de sociale aspecten van biodiversiteitsherstel en hoe mensen betrokken kunnen worden. • Ondersteuning bieden aan vrijwilligers die een cruciale rol kunnen spelen bij het verzamelen van gegevens en het bevorderen van bewustwording. 3. Voor een duurzame transitie en goede samenwerking is het ook van belang dat alle belanghebbenden een gemeenschappelijke taal spreken. Dit omvat niet alleen het begrijpen van biodiversiteit, maar ook het verbinden van kennis, beleid en uitvoering. Het spreken van eenzelfde taal gaat over kennis van biodiversi- teit tot aansluiting tussen kennis, beleid en uitvoerders. Daarbij moet er veel meer gecommuniceerd worden om de beschikbare kennis tot in de haarvaten van de samenleving te krijgen. En om vervolgens nog meer de dialoog met de verschillende partijen in de samenleving aan te gaan over natuur en de bescherming en het herstel ervan. Want ondanks dat er heel veel gebeurt worden veel organisaties, bedrijven en overheden nog onvoldoende bereikt. Dit vraagt ook om: • Het opnemen van biodiversiteit in onderwijs- curricula, waarbij voldoende kennis bij docenten noodzakelijk is. • Kennisuitwisseling tussen beleidsmakers op verschillende beleidsniveaus en het verster- ken van experts. 4. Voor het ondersteunen van relevant en doeltreffend onderzoek is verder behoefte aan: • meer samenwerking tussen onderzoekers en belanghebbenden om relevante en gezamen- lijke onderzoeksagenda’s te ontwikkelen; • toewijding en financiering op lange termijn om continuïteit en stabiliteit in onderzoeks- inspanningen te waarborgen; • ondersteuning voor taxonomen, inclusief het bieden van baanzekerheid, aangezien hun expertise essentieel is voor het identificeren van soorten; en • financiële middelen en ondersteuning voor monitoringactiviteiten, inclusief het inhuren van betaalde medewerkers. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 164 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 22 & 23. Bijdragen van niet-statelijke actoren Niet-statelijke actoren erkennen het belang van een inclusieve, rechtvaardige en gender-inclu- sieve aanpak van de mondiale biodiversiteits- en klimaatuitdagingen waar we momenteel voor staan. De urgentie is groot. Niet-statelijke actoren werken hard aan de Nederlandse biodiversiteits- en klimaatdoelen. Ze zijn bijzonder gemotiveerd en stellen hoge ambities om de uitdagingen aan te gaan. Overheid en bedrijven dragen een verantwoor- delijkheid richting de samenleving. Maatschappelijke organisaties hebben de rol om te agenderen, signaleren en monitoren of afspraken en verdragen worden nagekomen. Als er schendingen of misstanden zijn leggen zij deze bloot. De aanbevelingen vanuit niet-statelijke actoren hebben betrekking op bestuur, beleid en implementatie. Niet-statelijke actoren hebben allereerst de volgende overkoepelende adviezen: 1. Actiedoelen 22 en 23 zijn dwarsdoorsnij- dende thema’s. Kijkend naar sectie C van de Considerations for the implementation of the Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework is het advies om alle doorsnij- dende thema’s in acht te nemen, met name op de inbreng en rechten van oorspronkelijke bewoners, gender en inter generationele gelijkheid. Het advies is om het biodiversiteits plan vanuit een intersectionele lens in te steken, waarin een perspectief vanuit minderheids- groepen, gender, jeugd en ouderen wordt geborgd. 2. Nothing about us, without us. Betrek degenen op wie beleid en beslissingen impact hebben. Participatie is betekenisvol, tokenism wordt vermeden. De ruimte en invloed die er is voor stakeholders vraagt om een stevige inspanningsverplichting van beleidsmakers om verantwoording af te leggen, inzicht te geven en terug te koppelen. 3. Ruimte om te experimenteren en de juiste vorm te vinden is nodig en dient genomen te worden. Hoe dragen niet-statelijke actoren bij aan actiedoel 22 en actiedoel 23? Niet-statelijke actoren in Nederland vervullen een cruciale rol bij het implementeren van actiedoelen 22 en 23. Ze zijn geworteld in het maatschappelijk middenveld. Ze bestaan uit, of vertegenwoordigen, diverse meerderheids- en minderheidsgroepen binnen de samenle- ving, zoals vrouwen en meisjes in al hun diversiteit, LHBTIQ+-personen, oorspronke- lijke bewoners, jongeren, ouderen, mensen met een beperking, mensen met een migratie- achtergrond en vluchtelingen. Niet-statelijke actoren creëren bewustzijn over ongelijkheden binnen de samenleving, de impact van het koloniaal verleden en het signaleren van problemen. Ze adviseren over gepaste oplossingen om de belangen van gemarginaliseerde groepen te beschermen. Niet-statelijke actoren vertegen- woordigen de stem van diverse bevolkings- groepen en komen op voor hun rechten. Ook dragen ze bij aan representativiteit, bijvoor- beeld voor meer vrouwen en diversiteit binnen de Nederlandse politiek. Niet-statelijke actoren verbinden en mobiliseren mensen uit diverse groepen. Tijdens de Mars voor Klimaat en Rechtvaardigheid 2023 namen meer dan 70.000 mensen deel om zich uit te spreken over het klimaatbeleid. Niet-statelijke actoren vervullen een belangrijke rol in het aanspreken en samenwerken met groepen binnen maar ook buiten de natuur- en klimaatbeweging. Ze gaan samenwerkingen aan met minder voor de hand liggende partijen, de unusual suspects, zoals de kunst- en cultuur- sector. Niet-statelijke actoren doen aan kennis ontwikkeling- en deling en wisselen waar relevant ervaringen en lessen uit met (inter) nationale partijen en zetten zich in voor de coördinatie en participatie van deze groepen. Ze adviseren en ondersteunen betrokken organisaties (overheid, gemeentes, bedrijven etc.) bij het uitvoeren van gender impact assessments, diversiteit, gelijkheid en inclusie (DEI) en het faciliteren van processen rondom cultuurverandering. Ook toetsen ze beleid (bijvoorbeeld biodiversiteit en klimaat- bestendigheid van wetgeving of door middel DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 165 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 van een generatietoets) op beleidscoherentie (bijvoorbeeld UNFCCC Gender Action Plan, Feministisch Buitenlandbeleid). Wat hebben niet-statelijke actoren de komende zeven jaar nodig om met elkaar dit actiedoel te behalen? Om hun rol optimaal in te kunnen vullen, hebben niet-statelijke actoren een aantal essentiële (rand)voorwaarden nodig om effectief en efficiënt te kunnen opereren. Voorop staat erkenning van de overheid voor hun rol. Verder zijn er twee prioriteiten: ‘toegang tot’ en ‘bestuurlijke draagkracht’. Toegang tot Toegang is een overkoepelend thema en relateert aan verschillende zaken, waarvan een deel gerelateerd is aan free, prior and informed consent: • tijdig toegang tot informatie met betrekking tot beleid rondom biodiversiteit en klimaat, en beleid van indirecte invloed; • informatie over procesverloop en toegang tot betekenisvolle participatie en inspraak; • toegang tot relevante netwerken en partijen en toegang tot gerechtigheid wanneer schendingen of misstanden zich voordoen; • informatie wordt gedeeld in begrijpelijke taal, zodat die toegankelijk is voor verschil- lende groepen; en • toegang tot flexibele en institutionele financiering voor maatschappelijke- en grassroots organisaties om hun rol te kunnen vervullen. Ook is een standaard budget voor inclusieve participatie in de budgetlijnen van alle actiedoelen nodig. Bestuurlijke draagkracht De tweede prioriteit betreft bestuurlijke draagkracht. Aandacht voor structurele ongelijkheid (in alle vormen) en die daadwerke- lijk aanpakken. Commitment, transparantie en het nemen van verantwoordelijkheid van de overheid zijn hierin bepalend. Duidelijkheid over rollen en verantwoordelijkheden, waarbij een duidelijk aanspreekpunt (met mandaat), die belangengroepen adviseert, door het proces navigeert en het thema blijft agenderen. De gemeente Amsterdam heeft binnen haar organisatie een specifieke functie gecreëerd met de taak om inclusieve participatie te borgen binnen de gemeente; tijdens participatie-avon- den bleek dat er geen goede afspiegeling van de inwoners van de stad bereikt werd. Een representatieve overheid, waarin men zich herkent, is hierin ook een vereiste. Een tool hiervoor is bijvoorbeeld een platform waarbin- nen partijen aan elkaar gekoppeld kunnen worden, overzicht krijgen en spelers elkaar kunnen vinden, zonder dat het wiel opnieuw moet worden uitgevonden. Om de biodiversiteitsdoelen te halen, zijn langetermijn processen nodig. Een maatschap- pelijke verankering van het onderwerp door middel van participatiemechanismes zijn van cruciaal belang. Ook oog voor een respectvolle en wederkerige relatie is belangrijk. Partijen kunnen kritisch op elkaar zijn op inhoud, maar blijven respectvol met de persoon omgaan. Tenslotte is ondersteuning en bescherming van mensenrechten en milieu verdedigers tegen geweld nodig om hen veilig en onafhankelijk hun werk te kunnen laten doen. Deze maatschappelijke paragraaf is opgesteld door experts vanuit natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijfsleven op de bijeenkomst over de GBF- actiedoelen (zie bijlage 1.II). Deze paragraaf bevat dus geen kabinetsbeleid. DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.I - Bijdragen van stakeholders per actiedoel 166 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Bijlage 1.II Geconsulteerde niet-statelijke actoren en lokale overheden Bij de totstandkoming van dit biodiversiteitsplan zijn meer dan 100 stakeholders betrokken. Er hebben twee grote stakeholderbijeenkomsten plaatsgevonden: op 24 mei 2023 in Utrecht, georganiseerd door het ministerie van LVVN en op 22 november 2023 i.s.m. IUCN-Nederland en MVO-Nederland in Amersfoort. De stakeholders hebben in werkgroepen de maatschappelijke paragrafen opgesteld (zie bijlage 1.I). De stakeholders die in werkgroepen de maatschappelijke paragrafen hebben opgesteld zijn afkomstig uit de volgende organisaties: ABN AMRO Action Aid Adviseur Inclusiviteit Natuurdomein Afriflora Agenda Natuurinclusief Albert Heijn Arcadis Artemis Natuurijk Both Ends Capitals Coalition CRV Deltaplan Biodiversiteitsherstel Deltares DIBEVO De Nederlandse Bank DOW DSM-Firmenich Ecoshape / NL 2120 FLORON FME Industrie FSD Gemeente Amsterdam Gemeente Arnhem Gemeente Breda Gemeente Den Haag Gemeente Leiden Gemeente Zaanstad HAS Green Academy Havenbedrijf Rotterdam Heijmans Hogeschool Inholland Holland Bio IFAW Interface IUCN NL IVN Natuureducatie Jagersvereniging Jongeren Milieuraad KNAW LTO Nederland Meststoffen NL MVO-NL Nationale Denktank Nationale Jeugdraad Naturalis Nature Today Natures Pride Natuur & Milieu Natuur- en Milieufederaties Natuurmonumenten Natuurverdubbelaars NBA Accountants NCV Cosmetica NEC-E Nederlands Cultuurlandschap Nederlandse Vereniging van Banken Nederlandse Waterschapsbank NMF Noord-Holland Oxfam Novib PBAF Planbureau voor de Leefomgeving Plantum Provincie Noord Holland Rabobank RAVON RIVM Royal Haskoning RVO/LVVN Samen voor Biodiversiteit Shell SOVON Stichting Bargerveen Stichting BoerenNatuur Topigs Norvin TNO TU Delft Tuinbranche Nederland Unesco Delft Institute for Water Education Universiteit Leiden Universiteit Maastricht Universiteit Twente Universiteit Utrecht Vereniging Kust & Zee Vlinderstichting VNONCW Vogelbescherming Waddenvereniging Wageningen University & Research WECF Wereld Natuur Fonds Witteveen & Bos WO=MEN Zoogdiervereniging DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland 167 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 De maatschappelijke paragraaf voor actiedoel 10 (landbouw) is opgesteld door BoerenNatuur De maatschappelijke paragraaf voor actiedoel 18 (ombuigen schadelijke subsidies) is opgesteld door de Klankbordgroep Bedrijfsleven en Biodiversiteit: Jelle Hannema, CEO Vitens, Arie Koornneef, CEO ASN Bank, Lidwin van Velden, CEO NWB Bank, Volkert Engelsman, oud CEO Eosta, Geert van der Veer, oprichting Caring Farmers, Onno Dwars, CEO Ballast Nedam Development, Marlies Marten, CEO Vitam, Michel Driessen, CEO Verstegen, Jonne Velthuis, Domeintrekker Finance Agenda Natuurinclusief, Martin Lok, Executive Director Capitals Coalition en Erwin van Overbeek, Manager Grote Bedrijven Netwerk MVO Nederland. Tevens zijn geconsulteerd bij de totstandkoming van het biodiversiteitsplan: Interprovinciaal overleg (IPO) Unie van Waterschappen (UvW) Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) Het Collectief Natuurinclusief DEEL 1. Biodiversiteitsplan Europees Nederland Bijlage 1.III Tabel met nationale doelen per actiedoel Doelstelling Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 EU doelen Overkoepeld doel om doeltreffende en gebiedsgebonden herstelmaatregelen nemen teneinde in alle binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende gebieden en ecosystemen uiterlijk in 2030, gezamenlijk, als Uniedoel, minstens 20 % van het landoppervlak en minstens 20 % van het zeeoppervlak, en uiterlijk in 2050 alle te herstellen ecosystemen te bestrijken. EU Natuurherstelverordening Goal A M H M De nadelige gevolgen op de biodiversiteit van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding in de Unie van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen EU exotenverordening Goal A M Tegen 2030 het gebruik van kunstmest met minstens 20% terugdringen; EU Farm to Fork Goal A L Verminderen van de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen door middel van weerbare planten en teelsystemen voor 2030. EU UP 2030 Goal A L Het verbinden van landbouw en natuur voor 2030. EU UP 2030 Goal A, Goal B M L L L Het terugbrengen van zowel de emissies naar het milieu en de residuen van gewasbe- schermingsmiddelen op levensmiddelen naar nagenoeg nul voor 2030. EU UP 2030 Goal A L Geen normoverschrijdingen meer in de waterkwaliteit in 2027. EU UP 2030 Goal A L 100% ontbossing vrije agrogrondstoffen (Soja, palmolie, koffie, cacao, rubber en rundvlees geïmporteerd/geëxporteerd in NL eind 2024 tov eind 2020 EU Ontbossingverordening Goal B L M Nationale doelen Een landelijk gunstige Staat van Instandhouding (SvI) bereiken voor de in een ongunstige SvI verkerende habitattypen en soorten onderdeel van de VHR Vogel- en Habitatrichtlijn Goal A L M M M Aanleggen van 37.000ha nieuw bos in 2030 en het (waar nodig) revitaliseren van bestaand bos Bossenstrategie Goal A L M H L L Realiseren van 10% groenblauwe-dooradering (GBDA) voor 2050. Bossenstrategie Goal A, Goal B M M L M L Vanuit de Natuurherstelverordening is het volgende doel gesteld: het voorkomen van nationaal netto achteruitgang van stedelijk groen en stedelijke boomkroonbedekking t/m 2030 en na 2030 een positieve trend in stedelijk groen en stedelijke boomkroonbedek- king in elk van de stedelijke ecosysteemgebieden Programma Groen in en om de Stad Goal A, Goal B H M H Realiseren van 80.000 hectare extra nieuwe natuur in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in 2027 ten opzichte van 1 januari 2011 Natuurpact Goal A L H In 2030 is 15% van de Nederlandse Noordzee gevrijwaarde van bodemroerende visserij in natuurgebieden. Programma Noordzee; Noordzee Akkoord Goal A, Goal B L L L H Een stabiele en/of positieve trend van populaties wilde bijen en andere bestuiversoorten is ingezet voor 2030 De Nationale Bijenstrategie Goal A L M Het streven is om het aantal kansgebieden voor de grutto uit te breiden van 14 in 2022 naar circa 35 in 2027. Aanvalsplan Grutto Goal A M Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten (exoten) komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert Kaderrichtlijn Mariene Strategie Deel 1 t/m 3 Goal A H Risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder verkleinen en voorbereid zijn op een eventuele uitbraak Nationaal actieplan versterken zoönosebeleid Goal A M Verhogen van de grondwaterstand in veenweidegebieden van ca. 22.000 ha t/m 2028 (streefgetal) tbv kansgebieden van de grutto. Samenwerkingsmaatregel Veenweiden en Overgangsgebieden Natura 2000 Goal A L L L M Bodemverontreiniging ter plaatse van historische spoedlocaties is beheerst in 2030 Wet bodembescherming Goal A L Goede chemische en ecologische toestand van het oppervlakte- en grondwater voor 2027 Kaderrichtlijn Water Goal A L H L Doelstelling Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 Bereiken en/of behouden van een goede milieutoestand in mariene gebieden Kaderrichtlijn Mariene Strategie; Programma Noordzee Goal A L M M M Toekomstbestendig stelsel van grote wateren in 2050, waarin hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie Programmatische Aanpak Grote Wateren Goal A, Goal B L M M M L L Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit worden versterkt op alle schaalniveaus door middel van 1) waardevolle habitats en basiskwaliteit natuur behouden en realiseren; 2) groene oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen en structuren hebben de voorkeur boven technische oplossingen; en 3) percentage groen op buurtniveau behouden en realiseren. Maatlat voor een klimaatadaptieve groene Gebouwde Omgeving Goal A, Goal B L M In 2027 zijn op 60% van de oppervlakte cultuurgrond activiteiten voor biodiversiteitsbe- houd en -herstel. GLB-NSP Goal A, Goal B M M M In 2027 is op 45% van de Natura 2000-gebieden het beheer verbeterd GLB-NSP Goal A H In 2027 wordt 65.000 ha aan landschap beheerd; GLB-NSP Goal A H Tot 2027 krijgen 1.250 bedrijven investeringssteun voor verbetering van de biodiversiteit en er worden 650 investeringen gedaan op het platteland voor verbetering van natuur, milieu en klimaat; GLB-NSP Goal A, Goal D L M L L M Er wordt gestreefd naar 6,5% biologische landbouw (voortzetting en omschakeling) in Nederland in 2027 GLB-NSP Goal B M Ruimte creëren voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het streven is ca. 50.000 ha t/m 2028 Samenwerkingsmaatregel Veenweiden en Overgangsgebieden Natura 2000 Goal B M L Een natuurinclusieve samenleving in 2050 Agenda natuurinclusief Goal B, Goal D L M H L L L M 15% Biologisch landbouwareaal in 2030 behaald Actieplan Biologische Landbouw Goal B M In 2030 worden alle Nederlandse bodems die worden gebruikt voor landbouwactiviteiten duurzaam beheerd Kamerbrief Nationaal programma Landbouwbodems Goal B M Concentraties gewasbeschermingsmiddelen voldoen aan de wettelijke normen Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030; Nationaal Actieplan Duurzaam Gebruik Gewasbescherming 2022-2025 Goal B M M Drie doelstellingen voor 2030 op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen: weerbare planten en teeltsystemen, verbinden landbouw en natuur, nagenoeg geen emissies en residuen op producten Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030; Nationaal Actieplan Duurzaam Gebruik Gewasbescherming 2022-2025 Goal B L M In 2030 zijn overheden en terreinverantwoordelijken in natuur voorbereid om duurzaam en effectief om te gaan met klimaatveranderingen, zoals een toename van hitte, extreme neerslag, langdurige droogte, zeespiegelstijging en verzilting. Actielijnen klimaatadaptatie natuur | Rapport Goal B L 50% gezondheidswinst in 2030 t.o.v. 2016 Het Schone Lucht Akkoord Goal B L Vanaf 2030 jaarlijks 1Mton aan broeikasgasreductie realiseren uit veen- en moerige gronden Programma Veenweide Goal B M Uitstoten van 55% minder broeikasgassen in 2030 t.o.v.1990; klimaatneutraliteit in 2050 Het Klimaatplan; Programma Klimaatopgave Goal B H L L L Halveren van het gebruik van primaire, abiotische grondstoffen in 2030; Bereiken van een circulaire economie waarin de effecten van het grondstoffengebruik binnen de planetaire grenzen ligt in 2050 Nationaal Programma Circulaire Economie Goal B, Goal D H In 2030 halvering voedselverspilling t.o.v. 2015 Kamerbrief Evaluatie voedselagenda 2016-2020 en het voedselbeleid Goal B H Een inventarisatie van de positieve en negatieve effecten van financiële Rijksmiddelen op milieu en biodiversiteit in 2025. Kamerbrief LNV Quickscan (DGNV / 27398258) Goal B, Goal D H L In 2027 hebben minimaal 1.000 bedrijventerreinen zich aangesloten bij het Nationaal Groeifondsprogramma Werklandschappen van de Toekomst en zijn deze getransformeerd in toekomstbestendige 'werklandschappen' Nationaal Groeifondsprogramma Werklandschappen van de Toekomst Goal B, Goal D L M L L Behoud, beheer en duurzaam gebruik van genetische bronnen, en een billijke verdeling van de voordelen die voortkomen uit het gebruik van deze bronnen. Bronnen van ons bestaan Goal C H L Zo vrij mogelijke toegang tot en uitwisseling van genetisch materiaal binnen en tussen landen voor kennisontwikkeling , en behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit Bronnen van ons bestaan Goal C H Gebruikers van genetische bronnen dragen bij aan een transparante, internationaal georiënteerde uitwisseling van kennis en informatie over genetische bronnen, met bijzondere aandacht voor de herkomst van het genetisch materiaal Bronnen van ons bestaan Goal C, Goal D M Gelijke rechten voor vrouwen en LHBTIQ+ personen Feministisch Buitenland Beleid Goal D L L DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 171 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 1 Inleiding: Context Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 1 Uit GBF Annex I: “In order to minimize the time and resources required to revise or update NBSAPs, the alignment of existing NBSAPs and their targets with the new framework could be assessed. This exercise will allow the identification of those aspects or components of their NBSAPs that need to be revised or updated in the light of the new framework.” 2 Deze analyse is uitgevoerd door adviesbureau TwynstraGudde. Dit Deel 2 van het biodiversiteitsplan voor Nederland beschrijft de bijdrage van Nederland voor Caribisch Nederland, zijnde Bonaire, Saba en Sint Eustatius, aan het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (GBF). 1.1 Aanleiding Het Biodiversiteitsverdrag Convention on Biological Diversity (CBD) vraagt verbonden landen te beoordelen in hoeverre het eigen biodiversiteitsplan bijdraagt aan het nieuwe GBF.1 Het GBF geldt als opvolger van de Aichi actiedoelen (targets) voor 2020. In het GBF zijn de 23 actiedoelen afgesproken voor 2030, die bijdragen aan de vier hoofddoelen voor biodiversiteitsherstel in 2050. De beoordeling van de biodiversiteitsplannen moet worden voldaan in voorbereiding op de Conference of Parties (COP16) in november 2024. Agendapunt tijdens de COP16 is de bespreking van de mondiale voortgang op de 23 actiedoelen voor 2030. In 2020 is het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020 – 2030 (NMBP CN) vastgesteld. Het NMBP dient tevens als biodiversiteitsplan voor Caribisch Nederland. Ten behoeve van de vaststelling van voorliggend biodiversiteitsplan voor Nederland is geanalyseerd2 hoe het NMBP bijdraagt aan het GBF. Aangezien er voor Caribisch Nederland met het NMBP al een biodiversiteits plan is ontwikkeld, is de vorm van de analyse en rapportage van dit onderdeel anders van opzet dan voor Europees Nederland (onderdeel A). Conform de richtlijnen van de CBD voor bestaande biodiversiteitsplannen zijn voor Caribisch Nederland de nationale doelen als vertrekpunt genomen. Voor de uitvoering van de tweede fase van het NMBP CN wordt op dit moment gezocht naar de benodigde financiering. In het licht van de toestand van de biodiversiteit zal in de loop van 2025 een voorstel voor financiering worden voorgelegd. 1.2 Methode beoordeling bijdrage NMBP aan GBF Met het GBF beoordelingskader biedt de CBD landen een hulpmiddel om de mate van overeenstemming vast te stellen tussen reeds opgestelde biodiversiteitsplan (inclusief ander bestaand beleid) en de meest recente CBD-richtlijnen voor biodiversiteitplannen (Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework, december 2022). Het vraagt om de invulling van a) in hoeverre de nationale doelen bijdragen aan de GBF-actiedoelen, b) welk beleid hieraan ten grondslag ligt, c) wat de bijdrage is van non-state actors, d) bestaande monitoringsindicatoren en e) de wijze van uitvoering en belemmeringen. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland https://www.cbd.int/doc/decisions/cop-15/cop-15-dec-04-en.pdf https://www.cbd.int/doc/decisions/cop-15/cop-15-dec-04-en.pdf 172 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 1.3. Leeswijzer Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland Hoofdstuk 2 beschrijft een samenvatting van het biodiversiteitsplan voor Caribisch Nederland en hoe dit document (en ander bestaand) beleid bijdraagt aan het GBF. In hoofdstuk 3 is beschreven hoe en de mate waarin de doelstellingen van het biodiversiteitsplan CN bijdragen aan de actiedoelen van het GBF. Figuur 1 geeft een totaaloverzicht van de bestaande documenten die onderdeel zijn van het biodiversiteits- plan voor Caribisch Nederland en in de voorbereiding op de COP16 gedeeld kunnen worden met het secretariaat van de CBD. Figuur 1. Samenhang bestaand beleid DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 173 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 2 Samenvatting Biodiversiteits- plan Caribisch Nederland 3 Debrot, A.O., Henkens, R.J.H.G., Verweij, P.J.F.M. (red.), 2018. Staat van de natuur van Caribisch Nederland 2017: Een eerste beoordeling van de staat (van instandhouding), bedreigingen en managementimplicaties van habitats en soorten in Caribisch Nederland. Wageningen Marine Research Wageningen UR (University & Research centre), Wageningen Marine Research rapport C086/17. 214 blz. In 2020 is een Natuur-en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020 – 2030 (NMBP CN) vastgesteld. Het NMBP CN dient als biodiversiteitsplan voor de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Ten behoeve van de vaststelling van het biodiversiteitsplan voor Caribisch Nederland is geanalyseerd hoe het NMBP CN en ander belangrijk bestaand beleid specifiek bijdragen aan de 23 actiedoelen van het Global Biodiversity Framework (GBF; 15/4. Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (cbd.int)). Voor deze beoordeling is het beoordelingskader van de Convention on Biological Diversity (CBD) gebruikt. Dit beoordelingskader vraagt om een toelichting op a) in hoeverre de nationale doelen bijdragen aan de GBF-actiedoelen, b) welk beleid hieraan ten grondslag ligt, c) wat de bijdrage is van non-state actors, d) bestaande monitoringsindicatoren en e) de wijze van uitvoering en belemmeringen. In deze samen- vatting staan de belangrijkste resultaten van deze beoordeling beschreven. Eerst volgt een korte toelichting op de context van het NMBP CN. 2.1 Context Natuur-en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020 – 2030 Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) heeft een veelheid aan natuurlijke hulpbronnen die de plaatselijke bevolking – maar ook de regio en de rest van de wereld – tal van diensten op ecologisch, cultureel en economisch vlak bewijst. Het welzijn en de welvaart van de eilanden en hun bewoners zijn sterk afhankelijk van de kwaliteit van de natuurlijke omgeving (NMBP, 2020. p5). Daarnaast hebben de eilanden met dezelfde uitdagingen te maken, zij het in verschillende mate. Grote uitdagingen zijn de gevolgen van extreme weersomstandigheden, de druk door bevolkingsgroei en de toename van het toerisme (NMBP, 2020. p5). Voor de aanpak van deze uitdagingen in relatie tot natuur en milieu is in 2020 het NMBP CN 2020 – 2030 vastgesteld. Dit beleidsplan heeft als visie een welvarende samenleving en culturele identiteit in balans met een veerkrachtige en gezonde natuurlijke omgeving. Het NMBP CN bouwt voort op het Natuurbeleidsplan 2013 - 2017 en het rapport Staat van de natuur van Caribisch Nederland 2017.3 In dit rapport wordt geconcludeerd dat de biodiversiteit van Caribisch Nederland zich zonder uitzondering in een matige tot zeer ongunstige staat bevindt (NMBP CN, 2020. p14). Het NMBP CN en de bijbehorende uitvoeringsplannen hebben als doel het goed beheren van de natuurlijke omgeving waardoor een verantwoordelijk en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen wordt vergemakkelijkt (NMBP, 2020. p6). Het NMBP CN bestaat uit vier strategische doelen, met daaronder twaalf subdoelen. Figuur 2 laat een overzicht zien. Onder het NMBP CN 2020 – 2030 stellen Bonaire, Sint Eustatius en Saba eilandelijke uitvoeringsagenda’s op, hetgeen ruimte geeft voor eilandspecifieke prioritering. Op Sint Eustatius en Saba zijn deze uitvoeringsagenda’s vastgesteld, op Bonaire nog niet. In de uitvoeringsagenda is per strategisch doel benoemd wat a) de mijlpalen en hoofdactiviteiten zijn, b) welke organisatie de leiding heeft, c) de planning en deadlines en d) het reeds beschikbare en/of benodigde budget. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland https://www.cbd.int/doc/decisions/cop-15/cop-15-dec-04-en.pdf https://www.cbd.int/doc/nbsap/Annex 1 (NBSAP guidance).pdf 174 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Vision A prosperous society and cultural identity in balance with a resilient and healthy natural environment. Strategic goal 1 Reverse coral reef degradation to enhance wellbeing in the CN Strategic goal 2 Restore and conserve the unique habitats and species in the CN Strategic goal 3 Sustainable use of land and water for the development of the local economy 1.1 Control erosion and runoff 2.1 Conservation and restoration of key habitats 3.1 Sustainable fisheries 1.2 Effective waste and wastewater management 2.2 Conservation of keystone and flagships species 3.2 Tourism industry in balance with nature conservation 1.3 Coral reef restoration 2.3 Prevent new and control established invasive species 3.3 Invest in sustainable local food production Strategic goal 4 Create the local conditions to ensure sustainable results of nature policy in the CN 4.1 Create awareness through education and training 4.2 Create employment through investments in nature 4.3 Develop a structural research agenda Figuur 2. Overzicht strategische doelen en subdoelen van het NMBP CN 2020 -2030. Bron: NMBP CN. 2.2 Bijdrage van bestaand beleid en nationale doelstellingen aan de 23 GBF-actiedoelen Ten behoeve van de vaststelling van het biodiversiteitsplan van Nederland voor Caribisch Nederland is een analyse uitgevoerd naar de bijdrage van bestaand beleid en nationale doelstellingen voor Caribisch Nederland aan de 23 GBF-actiedoelen. Deze analyse wijst uit dat alle 23 GBF-actiedoelen worden geadresseerd in vigerend beleid. De meesten worden geadresseerd in het NMBP CN en de resterende actiedoelen in overig beleid van met name de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Bijdrage van NMBP CN aan GBF-actiedoelen Het NMBP CN is tijdens het opstellen afgestemd op de CBD en in 2020 vastgesteld als biodiversiteitsplan voor Caribisch Nederland. Het NMBP draagt met haar strategische doelen en uitvoeringsagenda’s bij aan 17 van de 23 GBF-actiedoelen en sluit aan op de lokale biodiversiteitsuitdagingen, sociaaleconomische ontwikkelingen en natuurambities. Bijlage 2.II laat in een tabeloverzicht zien hoe de vier strategische doelen en veertien subdoelstellingen uit het NMBP CN bijdragen aan de 23 actiedoelen zoals geformuleerd voor het GBF. Binnen elk van de GBF-actiedoelen worden meerdere aspecten benoemd die belangrijk zijn voor het behalen van de GBF-mondiale doelen. Deze aspecten zijn verspreid terug te vinden in het NMBP CN en bestaand beleid, en variërend in een low, medium en high bijdrage. Ter illustratie: aspecten van actiedoel 21 zijn terug te vinden in het NMBP en uitvoeringsagenda’s, verspreid over zeven subdoelstellingen van het NMBP CN. Het NMBP CN en de uitvoeringsagenda’s zijn in de eerste plaats gericht op de actiedoelen 1 tot en met 8 van de CBD, gericht op ‘reducing threats to biodiversity’. In het NMBP CN wordt gewerkt aan natuurherstel- maatregelen, bescherming van gebieden zoals de koraalriffen, versterken van beheer van gebieden en inzet op het beperken van drukfactoren zoals erosie en vervuiling, en dragen daarom in grote mate bij aan de actiedoelen gericht op ‘reducing threats to biodiversity’. Daarnaast hebben het NMBP CN en de uitvoeringsagenda’s ook oog voor de actiedoelen 9 tot en met 13 (gericht op ‘Meeting people’s needs through sustainable use and benefit-sharing’) en 14 tot en met 23 (gericht op ‘Tools and solutions for implementation and mainstreaming’). In een deel van de gevallen is dit een afgeleide van natuurbeleid of wordt het aangevuld vanuit beleid van andere ministeries. Voorbeelden hiervan zijn het Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland en plannen voor herbebossing, visserij en toerisme. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 175 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 In hoofdstuk 3 wordt meer in detail beschreven hoe de strategische doelen en subdoelstellingen uit het NMBP CN bijdragen aan de 17 GBF-actiedoelen. Uit de analyse is gebleken dat zes GBF-actiedoelen niet worden geadresseerd in het NMBP CN. Er is een vervolganalyse uitgevoerd of en in hoeverre overig beleid bijdraagt aan deze zes GBF-actiedoelen. Bijdrage van overig beleid aan resterende GBF-actiedoelen Uit de vervolganalyse blijkt dat vier van de resterende zes actiedoelen worden geadresseerd in overig beleid. Voor de actiedoelen 13 en 17 is er geen vigerend beleid voor Caribisch Nederland, maar is geïdentificeerd dat implementatie voor Europees NL via respectievelijk het Nagoya en Cartagena Protocol is geregeld. Dit lijkt ook de oplossingsrichting te zijn voor Caribisch Nederland. Onderstaand volgt voor elk van de zes actiedoelen een korte toelichting welk vigerend beleid bijdraagt aan deze actiedoelen. In deze analyse is uitgegaan van het voornaamste vigerende (Caribisch) beleid van de Ministeries van LNV, BZK en I&W. Hoofdstuk 3 bevat een uitgebreidere beschrijving van de bijdrage van dit overig beleid. • Actiedoel 12. Groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze vergroten Het Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland beschrijft maatregelen voor groen en blauw en voor natuurinclusief ontwikkelen in verstedelijkt gebied in Caribisch Nederland. Zo stelt het Rijk in overleg met de openbare lichamen adviezen en/of richtlijnen op voor het voorzieningen niveau van woongebieden inclusief groen. • Actiedoel 13. Vergroot het delen van de voordelen uit het gebruik van genetische bronnen, digitale sequentie-informatie en traditionele kennis. Dit actiedoel wordt geadresseerd in de beleidsnota ‘Bronnen van ons bestaan’ (2002), met de hoofddoel- stelling ‘het behoud en duurzaam gebruik van genetische bronnen, en een billijke verdeling van de voordelen die voortkomen uit het gebruik van genetische bronnen’. Daarnaast is Nederland sinds 2016 partij bij het Nagoya Protocol. Het Nagoya Protocol wordt echter (nog) niet specifiek genoemd in de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES. Onderzocht zal worden in hoeverre aanpassing van deze wet wenselijk is om het Protocol op de eilanden te kunnen implementeren. • Actiedoel 15. Bedrijven rapporteren over hun impact op- en afhankelijkheid van biodiversiteit. Het kabinet stimuleert bedrijven en financiële instellingen om hum impacts, afhankelijkheden en risico’s rondom biodiversiteit te monitoren, rapporteren en verbeteren. Het kabinet draagt o.a. met de Beleidsagenda voor de financiële sector van het ministerie van Financiën actief bij aan dat meet- en rapportagemethoden mondiaal worden geharmoniseerd en op EU-niveau worden verplicht. In algemene zin geldt dit beleid ook voor Caribisch Nederland. Om volledig te voldoen aan actiedoel 15 zijn echter nog stappen te nemen. Voor Caribisch Nederland is dan met name het midden- en klein- bedrijf (MKB) een belangrijke doelgroep. In overleg met de openbare lichamen zal in beeld worden gebracht wat er nodig is om het bedrijfsleven te stimuleren en waar nodig te faciliteren in deze transitie. • Actiedoel 17. Versterken van biotech-veiligheidsmaatregelen. Nederland heeft met de EU het Cartagena Protocol (inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit) volledig geïmplementeerd. Europees Nederland voldoet hiermee aan het GBF-target 17. Daarmee ligt er ook een goede basis voor Caribisch Nederland. Het Cartagena protocol geldt namelijk op dit moment nog niet voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In overleg met de openbare lichamen zal worden onderzocht op welke manier het Cartagena protocol geïmplementeerd kan worden. • Actiedoel 18. Effectievere overheidsuitgaven: schadelijke subsidies inventariseren en hervormen. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) neemt het voortouw en heeft een eerste stap gezet met de quickscan ‘Effecten LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit’ (Kamerbrief DGNV/27398258, 29 augustus 2023). Na een eerste inventarisatie bij de Ministeries van LNV en BZK, kunnen ook andere overheden aan de slag met de ontwikkelde assessment-methode. LNV en Collectief Natuurinclusief zullen dit stimuleren en daarbij ook in gesprek gaan met de openbare lichamen van Caribisch Nederland voor inzet van deze assessment-methode. • Actiedoel 22 & 23. Inclusieve besluitvorming en gender-responsieve aanpak biodiversiteitsactie. Nederland werkt aan een meer inclusieve besluitvorming, die nodig is om de transitie naar een volhoudbaar voedselsysteem mogelijk te maken, binnen de grenzen van de aarde. In algemene zin geldt dit beleid ook voor Caribisch Nederland. In overleg met de openbare lichamen zal verkend worden in hoeverre aanvullende stappen nodig zijn om aan dit actiedoel te voldoen. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 176 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 2.3 Bijdrage van niet-statelijke actoren in totstandkoming en uitvoering van het NMBP De CBD schrijft naast een ‘whole-of-government’ óók een ‘whole-of-society’ approach voor het opstellen en uitvoeren van het biodiversiteitsplan. Dit houdt in dat een breed scala aan maatschappelijke partijen en groepen natuur integreert in hun handelen. Het opstellen van het NMBP CN is in samenwerking gedaan met diverse partijen, zowel overheidspartijen als maatschappelijke actoren. Denk hierbij aan natuurbeheerders, toeristische sector en kennisinstellingen. Ook in de uitvoering wordt nauw samen- gewerkt met de lokale bevolking en andere lokale actoren. In de uitvoeringsagenda’s wordt specifiek per mijlpaal benoemd welke actor verantwoordelijk is én welke actoren een rol hebben in de uitvoering. Een impressie van (niet-statelijke) actoren die een rol hebben in het uitvoeren van het NMBP CN: lokale natuur NGO’s, scholen, natuurbeheerorganisaties, onderzoekers (WUR), visserijverenigingen en lokale boeren. 2.4 Bestaande monitoringsindicatoren De bijdrage van NMBP en uitvoeringsagenda’s aan de targets is nu vooral kwalitatief geduid. In het NMBP CN is een monitoringskader voorgesteld, gebaseerd op de criteria en principes die door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn vastgesteld (NMBP, p. 47). Met ondersteuning van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt gewerkt aan het uitwerken van dit kader, inclusief indicatoren voor de diverse resultaatniveaus. Aandachtspunt is dat deze uitwerking in de toekomst ook goed aansluit op het GBF-monitoringskader. Verder is vermeldenswaardig dat elk eiland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) een eigen programmamonitor heeft, waarin de voortgang van het NMBP en de eilandelijke uitvoeringsprogramma’s en projecten wordt bijgehouden 2.5 Wijze van uitvoering en belemmeringen In de uitvoeringsagenda’s is beschreven a) hoe de doelen via mijlpalen en hoofdactiviteiten uitgewerkt worden, b) welke organisatie de leiding heeft, c) de planning en deadlines plus d) de beschikbare en/of benodigd additionele budget. In het beoordelingskader geeft de CBD ook ruimte om aan te geven wat eventuele belemmeringen zijn in de uitvoering. In de Uitvoeringsagenda’s 2020 – 2030 van de eilanden staan de volgende voorwaarden en aandachtspunten voor succesvolle uitvoering benoemd: • Lokaal draagvlak en betrokkenheid voor uitvoering van maatregelen, onder meer bij de lokale bevolking, bedrijven en de toerismesector, handhavende instanties, ambtenaren, politici en investeerders. • Sturing en governance op de realisatie van het NMBP en de uitvoeringsagenda’s, zowel vanuit alle relevante overheidslagen als de maatschappelijk stakeholders. • Voldoende capaciteit en gekwalificeerd personeel voor de uitvoering. • Het uitwerken van een aanpak en beschikbaar stellen van capaciteit om natuur-en milieuwetgeving te handhaven. Hierbij moet aandacht zijn voor de versnippering van bevoegdheden binnen de overheid. • Structurele financiering voor natuurbeheeractiviteiten. In de uitvoeringsagenda’s staat voor meerdere doelen benoemd dat budgetten nog niet beschikbaar zijn. Aangegeven wordt dat vanuit de Rijksoverheid, het OLB en de direct belanghebbenden te weinig continuïteit is op het gebied van natuurbeleid. Veel activiteiten zijn afhankelijk van tijdelijke financiering die na een verloop van een aantal jaar weer ophoudt. Er wordt momenteel een National Biodiversity Finance Plan ontwikkeld. Dit plan zal in kaart brengen hoeveel financiering voor natuur nodig is, hoeveel financiering beschikbaar is alsook manieren om publieke en private financiële middelen te mobiliseren. Het plan zal daarbij ook ingaan op de rol van innovatieve financieringsmechanismen zoals blended finance. • Opzetten van een monitoringkader voor de kwaliteit van de natuur en het uitwerken en uitvoeren van een onderzoek agenda voor ontbrekende data. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 177 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 2.6 Conclusie en aandachtspunten voor vervolg Op basis van het CBD-beoordelingskader is vastgesteld dat bestaand beleid en doelstellingen voor Caribisch Nederland bijdraagt aan alle 23 actiedoelen van het GBF. De mate waarin bestaand beleid bijdraagt en ook de concreetheid van uitvoeringsmaatregelen en uitvoeringskracht verschilt echter per actiedoel. Daarmee kan worden geconcludeerd dat Caribisch Nederland goed op weg is qua GBF-doelen voor 2030, maar er zeker ook ruimte is voor verbetering. Deze ruimte voor verbetering is vooral van toepassing op de actiedoelen waar enkel het overige vigerende beleid bijdraagt. Uit de analyse bleek namelijk dat er voor deze actiedoelen een goede basis ligt vanuit het algemene (nationale) beleid. Om volledig te voldoen aan de actiedoelen zijn echter vervolgstappen nodig, zoals implementatie van protocollen en vertaling van beleid naar de specifieke context van Caribisch Nederland. Dit betreft de actiedoelen 13, 15, 17, 18, 22 & 23 (score L in Bijlage 2.III). DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 178 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 3 Toelichting op bijdrage bestaand beleid Caribisch Nederland aan GBF 4 De uitvoeringsagenda 2020 – 2030 van het NMBP voor Bonaire betreft een conceptversie. Het document is niet officieel vastgesteld en heeft geen formele status. Dit hoofdstuk beschrijft de bijdrage van bestaand beleid voor Caribisch Nederland aan het Global Biodiversity Framework meer in detail. Zoals gezegd draagt met name het NMBP CN bij aan de 23 actiedoelen. Dit wordt hierna beschreven in onderdeel A. De actiedoelen waar het NMBP niet aan bijdraagt, worden in onderdeel B separaat behandeld en gerelateerd aan ander bestaand beleid. A NMBP Bijlage 2.II laat in een tabeloverzicht zien hoe de vier strategische doelen en veertien subdoelstellingen uit het NMBP van Caribisch Nederland bijdragen aan de 23 actiedoelen zoals geformuleerd voor het GBF. In dit hoofdstuk is de bijdrage van het NMBP aan het GBF verder toegelicht. Om te beoordelen of een NMBP-doel wel of niet bijdraagt (en in welke mate) aan het GBF-actiedoel, is naast het NMBP ook gekeken naar de bestaande uitvoeringsagenda’s van Bonaire,4 Sint Eustatius en Saba en de mijlpalen die daarin beschreven staan. 3.1 De trend van koraalrifdegradatie keren om gezonde, veerkrachtige en weerbare koraalriffen te creëren die een waarborg vormen voor het welzijn in Caribisch Nederland (strategisch doel 1) “Koraalriffen zijn essentieel voor het welzijn en de welvaart van de eilanden in Caribisch Nederland en worden nationaal en internationaal hogelijk gewaardeerd als biodiversiteitshotspots. Duidelijk is dat onmiddellijk handelen is vereist om de bestaande degradatietendensen te kunnen keren en deze waardevolle ecosystemen te kunnen behouden. Het is de bedoeling om te investeren in oplossingen voor de belangrijkste lokale drukfactoren (d.w.z. erosie en vervuiling) en in actief herstel van het koraal om de voorwaarden te scheppen voor gezonde riffen die zo goed mogelijk bestand zijn tegen de gevolgen van de klimaatverandering en andere mondiale krachten. Investeringen in koraalriffen leveren een bijdrage aan een bloeiende toeristische sector en aan de bescherming van de kustlijn, en generen voor de lokale gemeenschappen een groot scala andere voordelen.” Uit: Natuur- en Milieubeleidsplan, p. 20 Zoals in bovenstaand kader geciteerd, gaat strategisch doel 1 van het NMBP in op het keren van de trend van koraalrifdegradatie om gezonde, veerkrachtige en weerbare koraalriffen te creëren die een waarborg vormen voor het welzijn in Caribisch Nederland. Strategisch doel 1 is uitgewerkt in 3 subdoelstellingen (met bijbehorende mijlpalen uitgewerkt in de uitvoeringsagenda’s): • 1.1 Bestrijding van erosie en afstroming Inzet op aanpak van drukfactoren op waterkwaliteit, met name de loslopende dieren, slecht regen water- beheer, ongecontroleerde kustontwikkeling. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 179 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • 1.2 Effectief afval- en afvalwaterbeheer Het terugbrengen van het nutriënten niveau in het grondwater en de kustgebieden door een effectieve behandeling van afvalwater en het uitwerken van strategieën voor afvalbehandeling. • 1.3 Koraalrifherstel Investeren in het herstel van de riffen, waaronder kweken en herplaatsen van koraal, monitoring van de riffen en regionaal uitwisselen van kennis over herstel van koraal. In onderstaande tabel is weergegeven in welke mate Strategisch doel 1 van het NMBP van Caribisch Nederland bijdraagt aan de GBF-hoofddoelen (2050) en actiedoelen (2030). Onder de tabel volgt een toelichting. NMBP/NEPP doel Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 1. De trend van koraalrifdegra- datie keren om gezonde, veerkrachtige en weerbare koraalriff en te creeren die een waarborg vormen voor het welzijn in Caribisch Nederland Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal A, Goal B 1.1: Bestrijding van erosie en afstroming Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M L M M M M M 1.2: Afval- en afvalwaterbeheer ter verbetering van de waterkwaliteit Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M M H M H L 1.3: Koraalrifh erstel Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M H M M L De inzet op strategisch doel 1 draagt specifiek bij aan de volgende GBF-actiedoelen: • Actiedoel 1: Het herzien van ruimtelijke ontwikkelingsplannen voor alle gebieden met daarin aandacht voor natuurbehoud, het verplichten van MER en SMB’s, bufferzones voor het bouwen in kustgebieden, beheer van vee, herstel van aangetaste rif gebieden en het opstellen van plannen voor het vasthouden water in alle gebieden zijn voorbeelden van hoe het NMBP- strategisch doel 1 bijdraagt aan actiedoel 1. • Actiedoel 2: Het herstel van aangetaste rifgebieden en verminderen van drukfactoren (op de waterkwaliteit) dragen bij aan dit actiedoel dat ingaat op herstel van gedegradeerde ecosystemen. • Actiedoel 3: Het opnemen van natuurbehoud in ruimtelijke ontwikkelingsplannen en het vaststellen van streefdoelen voor koraalbedekking op basis van historische basisniveaus draagt (beperkt) bij aan het actiedoel 3 dat streeft dat 30% van het land en water wereldwijd beschermd is. • Actiedoel 4: Alle NMBP subdoelstellingen en mijlpalen dragen bij aan actiedoel 4; het voorkomen van uitsterven van soorten en het beperken van de negatieve relatie tussen mens en habitats en wilde soorten. De aanname hierbij is dat koraalriffen beschermde soorten bevatten. • Actiedoel 7: De subdoelstellingen voor adequate afvalwaterbehandeling (1.2.1.) en beheer van vast afval (1.2.2), inclusief onder meer het handhaven van het afvalbeheerbeleid, minder uitstroom landbouw chemicaliën, regelgeving afvallozing schepen, verbod op wegwerpplastic en zwerfvuilaanpak (land en zee) dragen in grote mate bij aan dit actiedoel dat ingaat op het verminderen van overtollige nutriënten, pesticiden, chemische stoffen en plastic. • Actiedoel 8: Het sturen op regenwaterbeheer, waaronder regenwaterretentieplannen en plannen voor natuurlijke oplossingen voor kustbescherming, dragen bij aan dit actiedoel dat deels ingaat op het minimaliseren van de negatieve impact van klimaatverandering op biodiversiteit (met natuurinclusieve maatregelen). • Actiedoel 10: Het verminderen van de uitstroom van landbouwchemicaliën, het bevorderen van het gebruik van organische kunstmestsoorten en het investeren in een duurzame veehouderijsector dragen bij aan dit actiedoel dat (deels) stuurt op duurzaam beheer van landbouw. • Actiedoel 11: Natuurlijke oplossingen voor kustbescherming, natuurlijke maatregelen voor koraalrif- herstel en het vasthouden van water (zoals (her)bebossing) worden benoemd bij strategisch doel 1.1 en sluiten aan bij dit actiedoel dat stuurt op het versterken van de natuur met natuurinclusieve maatregelen ten behoeve van de gemeenschap. • Actiedoel 14: Het integreren van natuurbehoud in ruimtelijke ontwikkelingsplannen, het verplichten en handhaven van MER’s en SMB’s en het handhaven van diverse drukfactoren dragen bij aan dit actiedoel. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 180 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 • Actiedoel 16: Het verbod op wegwerpplastic, regulering en handhaving van afvalscheiding en prikkels ten behoeve van naleving afvalbeheerbeleid draagt bij aan dit actiedoel dat ingaat op het bevorderen van duurzame keuzes door consumenten. • Actiedoel 20: Het opzetten van een praktijkgemeenschap voor kennisuitwisseling tussen de zes Caribische eilanden draagt bij aan dit actiedoel dat ingaat op de kennisopbouw en kwaliteit van de uitvoeringskracht. • Actiedoel 21: Het uitvoeren van een monitoringsprogramma voor de kwaliteit van grond- en zeewater, inclusief de benodigde onderzoek voorzieningen draagt bij aan dit actiedoel dat (deels) ingaat op het beschikbaar stellen van data. 3.2 Herstel en behoud van de unieke habitats en soorten in Caribisch Nederland voor huidige en toekomstige generaties (strategisch doel 2) “Naast koraalriffen herbergen de eilanden allerlei andere unieke habitats en soorten. Hiervan hebben er vele te lijden onder dezelfde drukfactoren en oorzaken die verantwoordelijk zijn voor de aantasting van de koraalriffen. Om deze belangrijke habitats voor huidige en toekomstige generaties te behouden, is betere bescherming en herstel van aangetaste habitats vereist. Ook moeten iconische soorten en soorten die een spilfunctie vervullen, centraal komen te staan, zodat een gezonde populatie gewaarborgd is. Gezien de bijzondere kwetsbaarheid van ecosystemen op kleine eilanden voor invasieve soorten zijn daarnaast betere biologische bestrijdingsmethoden nodig, evenals grotere inspanningen om de gevestigde invasieve soorten in het terrestrische en maritieme milieu onder controle te krijgen.” Uit: Natuur- en Milieubeleidsplan, p. 23 Strategisch doel 2 van het NMBP gaat in op het herstel en behoud van de unieke habitats en soorten in Caribisch Nederland voor huidige en toekomstige generaties. Op dit moment staan unieke habitats en soorten onder druk van dezelfde drukfactoren en oorzaken die verantwoordelijk zijn voor de aantasting van de koraalriffen. Daarom is betere bescherming en herstel vereist. Daarbij moet er specifiek aandacht zijn voor iconische soorten en soorten die een spilfunctie hebben. Strategisch doel 2 is uitgewerkt in drie subdoelen (met bijbehorende mijlpalen uitgewerkt in de uitvoeringsagenda’s): • 2.1 Behoud en herstel van cruciale habitats Enkele belangrijke habitats dienen te worden aangewezen als beschermd gebied (aanvullend op de huidige beschermde gebieden), en in gebieden die al beschermd zijn dient de handhaving en het beheer te worden verbeterd. Enkele gebieden zullen worden aangewezen als nationaal park. Daarnaast worden hersteloperaties uitgevoerd voor droge en tropische bossen en mangroven. Ten slotte moet de instroom van sargassum worden aangepakt door een te ontwikkelen actieplan. • 2.2 Behoud van cruciale en iconische soorten Veel belangrijke soorten worden al beschermd. Om ervoor te zorgen dat er voor deze soorten sprake is van gezonde populaties, moet er als onderdeel van de algemene monitoringsstrategie een gecoördineerde monitoringsstrategie worden ontwikkeld. Daarnaast moeten instandhoudings- strategieën worden uitgevoerd en waar nodig fok- en kweekprogramma’s ter bevordering van de inheemse populaties worden ingesteld. • 2.3 Voorkoming van nieuwe en bestrijding van gevestigde invasieve soorten Om populaties invasieve soorten te kunnen bestrijden, zal een effectieve verwijdering (van bijvoorbeeld koraalduivels, ratten en verwilderde katten en honden) centraal staan in de beheer- strategieën, evenals een integrale aanpak van ecosysteemherstel (bijvoorbeeld ten aanzien van corallita en zeegras). Daarnaast moet het binnendringen van uitheemse soorten in de ecosystemen van Caribisch Nederland via zee- en luchttransport onder controle komen. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 181 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 In onderstaande tabel is weergegeven in welke mate Strategisch doel 2 van het NMBP van Caribisch Nederland bijdraagt aan de GBF-hoofddoelen (2050) en actiedoelen (2030). Onder de tabel volgt een toelichting. NMBP/NEPP doel Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 2. Herstel en behoud van de unieke habitats en soorten in Caribisch Nederland voor huidige en toekomstige generaties Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal A, Goal B 2.1: Behoud en herstel van cruciale habitats Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H H H M M M L 2.2: Behoud van cruciale en iconische soorten Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M 2.3: Voorkoming van nieuwe en bestrijding van gevestigde invasieve soorten Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M M H De inzet op strategisch doel 2 draagt specifiek bij aan de volgende GBF-actiedoelen: • Actiedoel 1: het aanwijzen van extra beschermde gebieden (als Nationaal Park), het beter beheren van beschermde gebieden en het beschermen van die gebieden tegen invasieve soorten draagt bij het aan behouden, beschermen en beheren van die gebieden met een belangrijke waarde voor biodiversiteit • Actiedoel 2: het behoud en herstel van habitats en soorten draagt bij aan herstel van ecosystemen en verbetert het functioneren van het ecosysteem • Actiedoel 3: het aanwijzen van extra beschermde gebieden die cruciale habitats bevatten en het beter beheren van beschermde gebieden door het maken van gebiedsspecifieke beheerplannen draagt bij aan een effectief beheer van het doel om minstens 30% van belangrijke gebieden effectief te beheren • Actiedoel 4: het aanwijzen van extra beschermde gebieden (als Nationaal Park), het beter beheren van beschermde gebieden en het beschermen van die gebieden tegen invasieve soorten draagt bij aan het voorkomen van uitsterven van bekende bedreigde soorten • Actiedoel 6: een effectieve verwijdering (van bijvoorbeeld koraalduivels, ratten en verwilderde katten en honden) centraal staan in de beheerstrategieën, evenals een integrale aanpak van ecosysteemherstel • Actiedoel 8: het Actieplan Sargassum (oorzaak: klimaatverandering/opwarming en vervuiling oceaan), structurele herbebossing en herstel van mangroven draagt bij aan voorkomen negatieve invloed ecosystemen en volksgezondheid • Actiedoel 11: het beter beheren van beschermde gebieden en met name structurele herbebossing en herstel van mangroven draagt bij aan het onderhouden en verbeteren van de bijdrage van natuur aan de mensen, doordat mangrove bijdraagt aan o.a. kustbescherming en bossen CO2 opnemen. • Actiedoel 19: het instellen van financiële mechanismen voor programma’s inzake monitoring, behoud en rampenbestrijding (2.2, d) draagt bij aan het verhogen van financiële middelen. • Actiedoel 20: capaciteitsopbouw uitmondend in een LVV-departement voor herbebossing op de drie eilanden draagt bij aan capaciteitsopbouw. 3.3 Duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie (strategisch doel 3) “De kleine eilandeconomieën Bonaire, Saba en Sint-Eustatius zijn sterk afhankelijk van de kwaliteit van de lokale ecosystemen. Toerisme is voor alle eilanden een sleutelsector die een aanzienlijk deel van de bevolking voorziet van inkomen en werkgelegenheid. Exploitatie en gebruik van natuurlijke hulpbronnen leiden echter tot aantasting van het milieu. Door te investeren in duurzame toeristische sectoren en systemen voor de visserij en landbouw, kunnen de milieugevolgen tot een minimum worden beperkt, terwijl tegelijkertijd de economische ontwikkeling wordt gestimuleerd.” Uit: Natuur- en Milieubeleidsplan, p. 25 DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 182 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Strategisch doel drie van het NMBP gaat in op het duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie. Strategisch doel drie is uitgewerkt in drie subdoelstellingen (met bijbehorende mijlpalen uit de uitvoeringsagenda’s): • 3.1 Investeren in duurzame visserij Tegen 2030 een volledig duurzame exploitatie van visbestanden, waaronder stabiele visstanden, bescherming van bedreigde vissoorten, oprichting van visserij coöperaties en een vast inkomen voor vissers. • 3.2 Toerismesector in evenwicht met natuurbehoud Het vaststellen van het draagvermogen van de eilanden met betrekking tot toerisme, het opstellen van lange termijn ontwikkelingsstrategieën voor toerisme en inkomsten uit toerisme inzetten voor duurzame financiering van natuurbeheer. • 3.3 Investeren in duurzame lokale voedselproductie Investering in lokale voedselproductie om de kwaliteit van het landschap te verbeteren en tegelijkertijd de lokale economische ontwikkeling te stimuleren en de voedselzekerheid te vergroten. In onderstaande tabel is weergegeven in welke mate Strategisch doel 3 van Caribisch Nederland bijdraagt aan de GBF-hoofddoelen (2050) en actiedoelen (2030). Onder de tabel volgt een toelichting. NMBP/NEPP doel Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 3. Duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal A, Goal B 3.1. Investeren in duurzame visserij Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M H M H H M M H M L 3.2. Toerismesector in evenwicht met natuurbehoud Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M H L H L 3.3. Investeren in duurzame lokale voedselproductie Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M M L M M L L De inzet op Strategisch doel 3 draagt specifiek bij aan de volgende GBF-actiedoelen: • Actiedoel 1: Het duurzaam beheren van de visserij-, toerisme-, en landbouwsector draagt bij aan het versterken van de biodiversiteit en sluit tegelijkertijd aan bij de (economische) behoeften van de lokale gemeenschap. • Actiedoel 2: De zones waarin niet gevist mag worden, worden uitgebreid tot ten minste 30% van de kustwateren. Dit draagt bij aan het onderdeel van dit actiedoel dat ingaat op minimaal 30% beschermen van marine en kustgebieden. Ook de doelen voor de toerismesector in evenwicht met natuurbehoud draagt bij aan het herstellen van land. • Actiedoel 3: Het invoeren en handhaven van de visserijwetgeving, regelgeving voor duurzame toeristische sector en ontwikkelen van richtlijnen voor duurzame landbouw draagt bij aan dit actiedoel. • Actiedoel 4: Het beschermen van bedreigde en kwetsbare toppredatoren en herbivoren (haaien en groupers) via visserijregelgeving sluit aan op dit actiedoel voor het nemen van acties om bedreigde soorten te beschermen. • Actiedoel 5: Beleidsplan duurzame visserij en visserijregelgeving gaat onder meer in op het uitbreiden van zones waarin niet gevist mag worden voor het opbouwen van een stabiel visbestand. • Actiedoel 6: Het uitwerken van innovatieve methoden voor het vangen van de koraalduivel draagt bij aan dit actiedoel over het verminderen van de impact van invasieve soorten op biodiversiteit. • Actiedoel 7: Het reguleren van het aantal toeristische activiteiten per locatie op basis van de ecologische draagkracht en het faciliteren van een duurzaam gebruik van afvalwater en andere afvalstromen voor landbouwproductie draagt bij aan dit actiedoel. • Actiedoel 9: Met het investeren in duurzame visserij wordt gestuurd op stabiele visstanden en een vast inkomen voor vissers. • Actiedoel 10: De doelen voor duurzame visserij en landbouw (lokale voedselproductie) dragen bij aan dit actiedoel dat ingaat op het duurzaam gebruik van landbouw en visserijen. Specifiek biodiversiteits- DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 183 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 vriendelijke vormen van landbouw worden niet benoemd. • Actiedoel 11: Het duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie draagt bij aan dit actiedoel dat ingaat op het herstellen, behouden en versterken van de bijdrage van natuur op mensen. Specifiek doel 3.2 dat ingaat op de toerismesector in evenwicht met natuurbehoud. • Actiedoel 16: Het opzetten van een strategie om de circulaire productie te stimuleren (conform EU-strategie voor circulaire economie) en het duurzaam gebruik van afvalwater en andere afvalstromen voor landbouwproductie draagt (in kleine mate) bij aan dit actiedoel dat ingaat op het halveren van de voedselverspilling, duurzame consumptiekeuzes en het verminderen van afval. • Actiedoel 19: Het ontwikkelen en invoeren van een fiscaal instrumentarium voor de toeristische sector met het oog op de financiering van investeringen in natuurbehoud sluit aan bij onderdeel d) uit target 19 dat ingaat op het stimuleren van innovatieve manieren voor het betalen van ecosysteemdiensten. • Actiedoel 21: Het bevorderen van ‘beste praktijken’ voor duurzame landbouw, een actieve monitoring van de visbestanden ten behoeve van duurzame exploitatie en het organiseren van workshops draagt bij aan dit actiedoel, dat onder meer gericht is op het versterken van educatie, kennis en monitoring. 3.4 Lokale voorwaarden scheppen voor duurzame resultaten van natuurbeleid in Caribisch Nederland (strategisch doel 4) “Om ervoor te zorgen dat de resultaten van het NMBP CN een maatschappelijke inbedding krijgen, moeten randvoorwaarden worden geschapen. Gezien het feit dat de uitdagingen voor natuurbeheer in Caribisch Nederland vragen om gezamenlijke inspanningen en een collectief besef van urgentie onder uiteenlopende belanghebbenden, moet door middel van ambitieuze voorlichtings- en opleidingsprogramma’s aan grotere bewustwording worden gewerkt. Daarnaast moeten er arbeidskansen worden geschapen om voldoende capaciteit te realiseren voor het uitvoeren van de activiteiten die uit dit plan voortvloeien. Ten slotte is het voor het realiseren van de strategische doelen voor de lange termijn cruciaal om de gevolgen van klimaat- verandering te bestuderen en bestrijdings- en aanpassingsstrategieën te formuleren.” Uit: Natuur- en Milieubeleidsplan, p. 26 Natuurbeleid komt beter tot uitwerking met gezamenlijke inspanningen en een collectief besef van urgentie. Dit strategische doel beschrijft het creëren van voorwaarden hiervoor, waarmee inzet op natuur herstel en -behoud maatschappelijk worden ingebed. Strategisch doel 4 wordt in drie subdoelen uitgewerkt: • 4.1 Bewustmaking via onderwijs en opleiding Meer kennis onder de lokale bevolking en bij de lokale en nationale instanties, een breed urgentiebesef en het integreren van kennis en onderwijs in de gehele realisatiefase van elk van de doelstellingen. • 4.2 Hoogwaardige werkgelegenheid creëren door investeringen in natuurbeheer Het creëren van werkgelegenheid bij de uitvoering van het NMBP en het opzetten van een lokaal personeelsbestand dat over voldoende capaciteit en deskundigheid beschikt, waardoor inzet op natuur ook sociaaleconomisch effect heeft en breder draagvlak krijgt. • 4.3 . Ontwikkeling van een structurele onderzoeksagenda voor de opbouw van een permanente kennisbasis ten behoeve van behoud, herstel en duurzaam gebruik van de natuur in Caribisch Nederland Het verzamelen van kennis door het ontwikkelen van een onderzoeksagenda, het monitoren en beoordelen van natuur- en milieubeleid en het vullen van hiaten in kennis over bijvoorbeeld de lokale gevolgen van klimaatverandering voor mariene en terrestrische ecosystemen in Caribisch Nederland. Dit laatste subdoel wordt door de eilanden gezamenlijk opgepakt en niet verder uitgewerkt in de uitvoerings agenda’s per eiland. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 184 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 In onderstaande tabel is weergegeven in welke mate Strategisch doel 4 van Caribisch Nederland bijdraagt aan de GBF-hoofddoelen (2050) en actiedoelen (2030). Onder de tabel volgt een toelichting. NMBP/NEPP doel Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 "4. Lokale voorwaarden scheppen voor duurzame resultaten van natuurbeleid in Caribisch Nederland" Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal D 4.1. Bewustmaking via onderwijs en opleiding Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M L L 4.1.1 Onderwijs en opleiding Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M L L 4.1.2 Bewustwording Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M L L 4.2. Hoogwaardige werkgelegen- heid creëren door investeringen in natuurbeheer Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M M 4.3. Ontwikkeling van een structurele onderzoeksagenda voor de opbouw van een permanente kennisbasis ten behoeve van behoud, herstel en duurzaam gebruik van de natuur in Caribisch Nederland Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's L L Bijdrage NMBP aan target ja/nee De inzet op strategisch doel 4 draagt specifiek bij aan de volgende GBF-actiedoelen: • Actiedoel 9: Door de uitvoering van natuurprojecten te koppelen aan het creëren van lokale werk- gelegenheid (en het verzorgen van de daarvoor benodigde opleiding), eventueel specifiek voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, heeft inzet op natuur ook sociaaleconomische effecten. • Actiedoel 16: Onderwijs en bewustwordingscampagnes kunnen helpen bij het maken van duurzame keuzes door de lokale bevolking en bezoekers, door bijvoorbeeld voorlichting over een gezond water- en bodemsysteem of circulaire economie en hoe men daaraan kan bijdragen, of door in te zetten op het tegengaan van zwerfafval of voedselverspilling. Er is aandacht voor onderwijsprogramma’s op alle NMBP-onderwerpen op verschillende niveaus (nursery, primary and secondary schools), jeugd in het algemeen en de lokale gemeenschap in het algemeen, en specifiek voor o.a. beleidsmakers en vrijwilligers/gidsen die bij natuurparken werken. • Actiedoel 20: Het gaat hier met name om het versterken van ‘capacity building’ door de inzet op onderwijs en kennis (met name subdoel 4.1) en het ontwikkelen van een gezamenlijke onderzoeksagenda (4.3). • Actiedoel 21: Onderwijs en opleiding draagt bij aan het beschikbaar maken van data, kennis en informatie en het versterken van bewustwording en onderwijs. Het NMBP en de uitvoeringsprogramma’s gaan specifiek over onderwijsprogramma’s op alle NMBP-onderwerpen op verschillende niveaus (nursery, primary and secondary schools), maar ook op specifieke doelgroepen zoals beleidsmakers en toeristen. B Overige GBF-actiedoelen en bestaand beleid Zoals beschreven draagt het NMBP CN bij aan 17 van de 23 actiedoelen. In deze paragraaf wordt geanalyseerd in hoeverre de resterende zes actiedoelen worden geadresseerd in ander vigerend beleid. Het betreft achtereenvolgens: • Actiedoel 12. Groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze vergroten; • Actiedoel 13. Eerlijke verdeling van voordelen uit het gebruik van genetische bronnen en DSI; • Actiedoel 15. Bedrijven rapporteren over hun impact op- en afhankelijkheid van biodiversiteit; • Actiedoel 17. Versterken van biotech-veiligheidsmaatregelen; • Actiedoel 18. Effectievere overheidsuitgaven: schadelijke subsidies inventariseren en hervormen; • Actiedoel 22 & 23. Inclusieve besluitvorming en gender-responsieve aanpak biodiversiteitsactie. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 185 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 In onderstaande tabel is weergegeven in welke mate overig Nederlands beleid bijdraagt aan de GBF- hoofddoelen (2050) en actiedoelen (2030). Onder de tabel volgt een toelichting. NMBP/NEPP doel Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) OVERIG VIGEREND BELEID T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland (BZK) M Beleidsnota ‘Bronnen van ons bestaan’ (LNV) L Nagoya Protocol (LNV) L Beleidsagenda voor de fi nanciële sector (Financien) L Cartagena Protocol (LNV) L Assesmentmethodiek LNV (Kamerbrief DGNV/27398258, 29 augustus 2023) L Feministisch Buitenlandbeleid (kabinetsbreed) L L Bijdrage beleid TOTAAL aan targets ja/nee Actiedoel 12 Groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze vergroten; Maatregelen voor groen en blauw in verstedelijkt gebied van Caribisch Nederland staan voornamelijk beschreven in het Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. Dit programma stelt onder meer: • De ruimte op de eilanden in Caribisch Nederland is beperkt. Om een duurzame ontwikkeling te waarborgen, is het daarom van belang om bij alle ruimtelijke keuzes een afweging te maken of er op een efficiënte en effectieve wijze met de beschikbare ruimte (zowel boven als onder de grond) wordt omgegaan. Daarbij is het van belang dat er bij nieuwe ontwikkelingen op een duurzame wijze gebouwd wordt, om de impact op de leefomgeving te minimaliseren. • Woonbuurten met toegankelijke voorzieningen, een goede bereikbaarheid en veel groen zorgen voor een leefbare en aantrekkelijke omgeving waar mensen van alle leeftijden met plezier wonen. Daarnaast zorgt veel groen in de gebouwde omgeving voor bestendigheid tegen: hitte, wateroverlast en andere effecten van klimaatverandering. • Het Rijk stelt in overleg met de openbare lichamen adviezen en/of richtlijnen op voor het voorzieningen niveau van woongebieden (inclusief groen). Een ruimtelijk ontwikkelingsplan dat voorziet in de bouw van nieuwe woningen bevat een onderbouwing van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van nutsvoorzieningen en andere voorzieningen voor een gezonde leefomgeving in de directe omgeving van de nieuw te bouwen woningen. • Als gevolg van klimaatverandering krijgen de eilanden mogelijk in toenemende mate te maken met perioden van droogte of te veel regenwater. Dit kan leiden tot meer wateroverlast en erosie. De eilanden dienen waterrobuust ingericht worden. Een ruimtelijk ontwikkelingsplan bevat om die reden een onderbouwing van de wijze waarop het plan rekening houdt met het risico op wateroverlast, waterkwaliteit en erosie als gevolg van regenval. De onderbouwing is gebaseerd op een door de openbare lichamen vast te stellen waterbeheerplan en afvalwaterbeheerplan. In de onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze met de diverse wateraspecten (opvangen, infiltreren en afvoeren) wordt omgegaan en tot welke resultaten dit moet leiden. Ten aanzien van natuurinclusief ontwikkelen in bebouwde gebieden geeft het Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland de volgende kaders: • Ook in bebouwingskernen is natuur aanwezig of kan natuur zich ontwikkelen. Met een goede inrichting kunnen binnen deze gebieden ecologische corridors tot stand komen, die bijdragen aan versterking van de ecologische hoofdstructuur van het eiland. Dit leidt tot versterking van de natuurwaarden van het gehele eiland en het beter functioneren van de natuurgebieden op zich. Daarnaast draagt het ontwikkelen van natuurlijke- of groengebieden in stedelijk gebied bij aan de kwaliteit van de leefomgeving en klimaatbestendigheid, zoals waterbeheer en het voorkomen van hittestress. In de Woondeals en/of in woningbouwafspraken wordt aandacht gevraagd voor natuurinclusief bouwen. • Dit betekent voor ruimtelijke ontwikkelingsplannen: een ruimtelijk ontwikkelingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding daarvan binnen bebouwingskernen bevat een onderbouwing van de wijze waarop met aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt omgegaan. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 186 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel 13 Vergroot het delen van de voordelen uit het gebruik van genetische bronnen, digitale sequentie-informa- tie en traditionele kennis In 2002 heeft de Nederlandse regering de beleidsnota ‘Bronnen van ons bestaan’ aangenomen. Deze beleidsnota dient als richtlijn voor overheidsprogramma’s en -activiteiten op het gebied van genetische bronnen. De hoofddoelstelling van het beleid wordt geformuleerd als ‘het behoud en duurzaam gebruik van genetische bronnen, en een billijke verdeling van de voordelen die voortkomen uit het gebruik van genetische bronnen’. Als Partij bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (Convention on Biological Diversity, CBD, van kracht geworden in 1993) erkent Nederland de nationale soevereiniteit van landen ten aanzien van hun genetische bronnen en komt Nederland de verplichtingen uit het Verdrag na. Tegelijkertijd wordt gestreefd naar een zo vrij mogelijke toegang tot en uitwisseling van genetisch materiaal binnen en tussen landen voor kennisontwikkeling, en behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit. Vanuit de CBD is het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik (‘Nagoya Protocol’) van kracht geworden in 2014. Nederland is Partij sinds 2016. De CBD en het Nagoya Protocol zijn belangrijke internationale overeenkomsten op het gebied van toegang en verdeling van voordelen (Access and Benefit-Sharing, ABS) uit het gebruik van genetische bronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis. De afspraken onder het Nagoya Protocol gelden ook voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Op die eilanden is de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES van toepassing. Het Nagoya Protocol wordt hierin echter (nog) niet specifiek genoemd. In de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES zijn de uitvoeringsbepalingen van het Biodiversiteitsverdrag wel opgenomen. Het Biodiversiteits- verdrag is het moederverdrag van het Nagoya Protocol. Onderzocht zal worden in hoeverre aanpassing van deze wet wenselijk is om het Protocol op de eilanden te kunnen implementeren. Daarnaast kunnen de eilanden al wel gebruik maken van het feit dat onder meer Nederland toegang tot genetische bronnen bevordert en materialen vanuit haar genenbanken vrij deelt met gebruikers. Actiedoel 15 Bedrijven rapporteren over hun impact op- en afhankelijkheid van biodiversiteit; De transitie naar een klimaat-neutrale, circulaire en natuurinclusieve economie vraagt om een andere manier van denken over de rol van het bedrijfsleven en de financiële sector. Zij kunnen met hun activiteiten en financiering een aanzienlijke positieve of negatieve impact hebben op de biodiversiteit. De beweging naar een natuurinclusieve economie biedt kansen om nieuwe verdienmodellen te ontwikkelen en de concurrentiepositie te versterken. Hiertoe stimuleert het kabinet bedrijven en financiële instellingen om hun impacts, afhankelijkheden en risico’s rondom biodiversiteit te monitoren, rapporteren en verbeteren. Het kabinet draagt onder andere met de Beleidsagenda voor de financiële sector van het ministerie van Financiën actief bij aan dat meet- en rapportagemethoden mondiaal worden geharmoniseerd en op EU-niveau worden verplicht. De inzet van het kabinet is dat dergelijke wetgeving goed wordt geïmplementeerd, dat een breed duurzaamheidsbegrip wordt gehanteerd zodat biodiversiteit een inhaalslag kan maken ten aanzien van klimaatwetgeving en dat bedrijven en financiële instellingen meer rekening houden met synergiën en afruilmogelijkheden tussen duurzaamheidsdoelen. Daarnaast is het ook belangrijk dat positieve impacts op de biodiversiteit meer gaat lonen en dat negatieve impacts onaantrekkelijker worden. In algemene zin geldt dit beleid en deze inzet ook voor Caribisch Nederland. Om volledig te voldoen aan actiedoel 15 zijn echter nog stappen te nemen. Voor Caribisch Nederland is dan met name het MKB een belangrijke doelgroep. In overleg met de openbare lichamen zal in beeld worden gebracht wat er nodig is om het bedrijfsleven te stimuleren en waar nodig te faciliteren in deze transitie. Actiedoel 17 Versterken van biotech-veiligheidsmaatregelen; Er zijn wetten en regels voor biotechnologie. Deze verzekeren de veiligheid van mens, dier en milieu. Het Rijk controleert of onderzoekers biotechnologie volgens de wet gebruiken. De regels voor biotechnologie (genetisch gemodificeerde organismen of ggo’s) verzekeren de veiligheid van mens, dier en milieu. Nederland heeft met de EU het Cartagena Protocol (inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit) volledig geïmplementeerd. Dit Protocol heeft als doel ‘bij te dragen tot een afdoend beschermingsniveau op het gebied van de veilige overdracht, de veilige behandeling en het veilige gebruik van DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 187 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 gemodificeerde levende organismen, voortgekomen uit de moderne biotechnologie, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit, waarbij ook rekening wordt gehouden met de risico’s voor de gezondheid van de mens en specifiek de nadruk ligt op grensoverschrijdende verplaatsingen’. Europees Nederland voldoet hiermee aan het GBF-target 17. Daarmee ligt er ook een goede basis voor Caribisch Nederland. Het Cartagena protocol geldt namelijk op dit moment nog niet voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In overleg met de openbare lichamen zal worden onderzocht op welke manier het Cartagena protocol geïmplementeerd kan worden. Actiedoel 18 Effectievere overheidsuitgaven: schadelijke subsidies inventariseren en hervormen; Het Ministerie van LNV neemt het voortouw en heeft een eerste stap gezet met de quickscan ‘Effecten LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit’ (Kamerbrief DGNV/27398258, 29 augustus 2023). Samen met andere departementen en kennisinstellingen heeft LNV een assessmentmethode laten ontwikkelen om publieke financiële prikkels te kunnen beoordelen op hun biodiversiteitsimpact, zowel positief als negatief. Intentie is om in 2025 een begin te maken met het vergroenen, ombuigen en afbouwen van schadelijke elementen van de financiële prikkels van LNV. Hierbij zal nauw worden samengewerkt met ‘Collectief Natuurinclusief’. Na de eerste inventarisatie bij de ministeries van LNV en BZK, kunnen ook andere overheden aan de slag met de ontwikkelde assessment-methode. LNV en Collectief Natuurinclusief zullen dit stimuleren en daarbij ook in gesprek gaan met de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor inzet van deze assessment-methode. Actiedoel 22 & 23 Inclusieve besluitvorming en gender-responsieve aanpak biodiversiteitsactie. Nederland werkt aan een meer inclusieve besluitvorming, die nodig is om de transitie naar een volhoudbaar voedselsysteem mogelijk te maken, binnen de grenzen van de aarde. Dit betekent dat we onszelf steeds bevragen of de juiste partijen aan tafel zitten, waaronder ook vrouwen, jongeren en kleinere bedrijven. In overleg met de openbare lichamen zal verkend worden in hoeverre aanvullende stappen nodig zijn om aan dit actiedoel te voldoen. DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland Bijlagen 189 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Bijlage 2.I Stakeholders totstandkoming NMBP Caribisch Nederland De volgende partijen zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020 – 2030: Area Organization Bonaire STINAPA Bonaire Bonaire Ban Bonaire Bek Bonaire Blue destination Bonaire Bonaire Wild Bird Rehab Bonaire BonBerde Bonaire Boneiru Duradero Bonaire BONHATA Bonaire Cargill Bonaire CARIBSS Bonaire Clean Coast Bonaire Bonaire Coral Reef Foundation Bonaire Bonaire DCNA Bonaire Openbaar Lichaam Bonaire Bonaire Dive Friends Bonaire Echo Bonaire Echo Foundation Bonaire Kopibon (Fishermen cooperative) Bonaire Kriabon (food in general) Bonaire Mangazina di Rei Cultural Park & Learning Centre Bonaire OLB-DRO Bonaire Piskabon Bonaire Reef Renewal Bonaire Bonaire Sea Turtle Conservation Bonaire Bonaire STCB Bonaire STINAPA Bonaire TCB Bonaire UNESCO National Committee Representative Bonaire WWF-NL Sint Eustatius Openbaar Lichaam Sint Eustatius Sint Eustatius Caribbean Measurements technology DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 190 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Area Organization Sint Eustatius CMT Sint Eustatius CNSI Sint Eustatius ECPHF / STENAPA Sint Eustatius Golden Rock Divers Sint Eustatius Royal Haskoning DHV Sint Eustatius Knippenga Sint Eustatius Made in Statia Sint Eustatius NSI CN Sint Eustatius NuStar Sint Eustatius Scripps Institute of Oceanography Sint Eustatius Scubaqua Sint Eustatius St Eustatius Center for Archaeological Research Sint Eustatius St Eustatius Monuments Foundation Sint Eustatius St Eustatius Tourism Development Foundation Sint Eustatius Statia Harbour Sint Eustatius STENAPA Saba Applied Geomatics Research Group (AGRG) Saba Brigadoon Saba Juliana Hotel Saba Openbaar Lichaam Saba Saba Public Works & Sanitation Saba Rock wind sun Saba Saba archaelogical society Saba Saba Conservation Foundation Saba Saba Deep Dive Center Saba Saba Health Care Foundation Saba Saba Roads and Construction Saba Samford University Saba SCF - Saba Bank Saba Scouts place, Saba divers Saba Sea and Learn Saba Tourist Bureau Saba Windward Roads Regional CBS CN Regional CNSI Regional Dutch Caribbean Nature Alliance (DCNA) Regional Hogeschool Van Hall Larenstein Regional IUCN and Reptiles and Aquarium at the Milwaukee County Zoo Regional Mininsterie van Binnenlandse Zaken Regional Ministerie van Landbouw, Natuur & Voedselkwaliteit Regional Ministerie van Defensie DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 191 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Area Organization Regional Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Regional Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Regional Naturalis Biodiversity Center Regional NIOZ - Royal Netherlands Institute for Sea Research Regional Ravon Regional RCN Regional RCN ministerie Infrastructuur en Milieu Regional RCN ministerie Landbouw, Natuur & Voedsel Kwaliteit Regional RCN ministerie van Financien Regional TNO Regional University of Amsterdam Regional Utrecht University Regional Vrije Universiteit Regional Wageningen University Regional WWF DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland Bijlage 2.II Overzichtstabel relatie nmbp doelen en GBF-actiedoelen Doelstelling Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 1 De trend van koraalrifdegradatie keren om gezonde, veerkrachtige en weerbare koraalriffen te creeren die een waarborg vormen voor het welzijn in Caribisch Nederland Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal A, Goal B 1.1 Bestrijding van erosie en afstroming Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M L M M M M M 1.2 Afval- en afvalwaterbeheer ter verbetering van de waterkwaliteit Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M M H M H L 1.3 Koraalrifherstel Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M H M M L 2 Herstel en behoud van de unieke habitats en soorten in Caribisch Nederland voor huidige en toekomstige generaties Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal A, Goal B 2.1 Behoud en herstel van cruciale habitats Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H H H M M M L 2.2 Behoud van cruciale en iconische soorten Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M 2.3 Voorkoming van nieuwe en bestrijding van gevestigde invasieve soorten Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M M H 3 Duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal A, Goal B 3.1 Investeren in duurzame visserij Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M H M H H M M H M L 3.2 Toerismesector in evenwicht met natuurbehoud Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M H L H L 3.3 Investeren in duurzame lokale voedselproductie Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M M L M M L L 4 Scheppen van randvoorwaarden voor effectief beheer en duurzaam gebruik van de natuur in Caribisch Nederland Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's Goal D 4.1 Bewustmaking via onderwijs en opleiding Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M L L 4.1.1 Onderwijs en opleiding Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's M L L 4.1.2 Bewustwording Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M L L 4.2 Werkgelegenheid creëren via investeringen in natuur Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's H M 4.3 Ontwikkeling van een structurele onderzoeksagenda voor de opbouw van een permanente kennisbasis ten behoeve van behoud, herstel en duurzaam gebruik van de natuur in Caribisch Nederland Beleidsplan Natuur en Milieu Caribisch Nederland 2020 - 2030 (NMBP) + de drie uitvoeringsagenda's L L Bijdrage NMBP aan target ja/nee 192 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland Doelstelling Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 Overig vigerend beleid Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland (BZK) M Beleidsnota ‘Bronnen van ons bestaan’ (LNV) L Nagoya Protocol (LNV) L Beleidsagenda voor de financiële sector (Financien) L Cartagena Protocol (LNV) L Assesmentmethodiek LNV (Kamerbrief DGNV/27398258, 29 augustus 2023) L Feministisch Buitenlandbeleid (kabinetsbreed) L L Bijdrage beleid TOTAAL aan targets ja/nee 193 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland Bijlage 2.III Overzicht relatie overig bestaand beleid en GBF-actiedoelen Doelstelling Bron Bijdrage aan mondiale doelen Bijdrage aan mondiale targets (High, medium, low) T1 T2 T3 T4 T5 T6 T7 T8 T9 T10 T11 T12 T13 T14 T15 T16 T17 T18 T19 T20 T21 T22 T23 Overig vigerend beleid Ontwerp Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland (BZK) M Beleidsnota ‘Bronnen van ons bestaan’ (LNV) L Nagoya Protocol (LNV) L Beleidsagenda voor de financiële sector (Financien) L Cartagena Protocol (LNV) L Assesmentmethodiek LNV (Kamerbrief DGNV/27398258, 29 augustus 2023) L Feministisch Buitenlandbeleid (kabinetsbreed) L L Bijdrage beleid TOTAAL aan targets ja/nee 194 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 195 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Bijlage 2.IV NMBP en uitvoeringsagenda’s 5 Het volledige overzicht van indicatoren is te vinden op de CBD website: 2030 Targets (with Guidance Notes) (cbd.int) Het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework bevat een gedetailleerd monitoringkader dat bestaat uit een reeks indicatoren. Deze indicatoren worden gebruikt om de voortgang richting de doelen en actiedoelen van het framework te volgen. Het monitoringkader omvat ‘headline’ indicatoren die worden aanbevolen voor nationale, regionale en mondiale monitoring, en meer gedetailleerde ‘component’ indicatoren en ‘complementary’ indicatoren. Over de verschillende indicatoren wordt nog onderhandeld in mei 2024, waardoor de deze nog kunnen veranderen. In deze bijlage is een overzicht te vinden van de headline indicatoren per actiedoel, zoals initieel vastgesteld in het GBF. De component- en complementary indicatoren5 zijn niet meegenomen in dit overzicht. Tabel 1. Headline indicatoren per actiedoel zoals initieel vastgesteld in het GBF. Actiedoel Headline indicatoren Actiedoel 1 Plan en beheer alle gebieden om het verlies van biodiversiteit te verminderen A.1 Red List of Ecosystems A.2 Extent of natural ecosystems 1.1 Per cent of land and seas covered by biodiversity- inclusive spatial plans Actiedoel 2 Herstel effectief tenminste 30% van aangetaste ecosystemen 2.2 Area under restoration Actiedoel 3 Bescherm belangrijke biodiversiteit op tenminste 30% van land en water. 3.1 Coverage of protected areas and OECMs Actiedoel 4 Stop het uitsterven van soorten, bescherm de genetische diversiteit en beheers mens-dierconflic- ten voor co-existentie A.3 Red list Index A.4 The proportion of populations within species with an effective population size > 500 Actiedoel 5 Zorg voor een duurzaam, veilig en legaal gebruik, oogst en handel van wilde soorten 5.1 Proportion of fish stocks within biologically sustainable levels Actiedoel 6 Verminder introductie van invasieve uitheemse soorten met 50% en minimaliseer hun impact 6.1 Rate of invasive alien species establishment Actiedoel 7 Dring vervuiling terug tot een niveau dat niet schadelijk is voor de biodiversiteit 7.1 Index of coastal eutrophication potential 7.2 Pesticide environment concentration Actiedoel 8 Minimaliseer gevolgen van klimaatveran- dering voor biodiversiteit en bouw veerkracht op - Actiedoel 9 Verduurzaam beheer en gebruik van wilde soorten ten behoeve van mensen 9.1 Benefits from the sustainable use of wild species 9.2 Percentage of the population in traditional occupations Actiedoel 10 Verduurzaam beheer van landbouw, aquacultuur, visserij en bosbouw 10.1 Proportion of agricultural area under productive and sustainable agriculture 10.2 Progress towards sustainable forest management Actiedoel 11 Herstel, behoud en verbeter ecosysteem- functies en -diensten door toepassing van Nature-based Solutions B.1 Services provided by ecosystems DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland https://www.cbd.int/gbf/targets 196 | Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030 Actiedoel Headline indicatoren Actiedoel 12 Vergroot groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze 12.1 Average share of the built-up area of cities that is green/blue space for public use for all Actiedoel 13 Vergroot de eerlijke verdeling van de baten van genetische hulpbronnen, digitale sequentie- informatie en traditionele kennis C.1 Indicator on monetary benefits received C.2 Indicator on non-monetary benefits Actiedoel 14 Integreer biodiversiteit op elk niveau in besluitvorming - Actiedoel 15 Laat bedrijven rapporteren over hun impact op, en afhankelijkheid van biodiversiteit 15.1 Number of companies reporting on disclosures of risks, dependencies and impacts on biodiversity Actiedoel 16 Faciliteer consumenten bij duurzame keuzes en verklein onze voetafdruk - Actiedoel 17 Versterk de bio veiligheid en deel de baten van biotechnologie - Actiedoel 18 Inventariseer en hervorm schadelijke subsidies voor effectievere overheidsuitgaven 18.1 Positive incentives in place to promote biodiversity conservation and sustainable use 18.2 Value of subsidies and other incentives harmful to biodiversity that have been eliminated, phased out or reformed Actiedoel 19 Verhoog financiële middelen voor biodiversiteit en overbrug het financieringsgat D.1 International public funding, including official development assistance for conservation and sustainable use of biodiversity and ecosystems D.2 Domestic public funding of conservation and sustainable use of biodiversity and ecosystems D.3 Private funding (domestic and international) of conservation and sustainable use of biodiversity and ecosystems Actiedoel 20 Versterk capaciteitsopbouw, wetenschap- pelijke en technische samenwerking - Actiedoel 21 Maak informatie en kennis over biodiversiteit beschikbaar voor iedereen 21.1 Indicator on biodiversity information for the monitoring the global biodiversity framework Actiedoel 22 & 23 Zorg voor inclusieve besluitvorming, toegang tot biodiversiteitsrechtvaardigheid, genderge- lijkheid en een gender-responsieve aanpak van biodiversiteitsactie - DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland Voorwoord Inleiding Leeswijzer DEEL 1 Biodiversiteitsplan Europees Nederland Managementsamenvatting �GBF-actiedoelen Actiedoel 1. Integreer biodiversiteit in alle ruimtelijke planning- en beheerprocessen Actiedoel 2. Herstel effectief ten minste 30% van aangetaste ecosystemen Actiedoel 3. Bescherm belangrijke biodiversiteit op ten minste 30% van land en water Actiedoel 4. �Stop het uitsterven van soorten, bescherm de genetische diversiteit en beheers mens-dierconflicten voor co-existentie Actiedoel 5. �Zorg voor duurzaam, veilig en legaal gebruik, oogst en handel van wilde soorten Actiedoel 6. Verminder introductie invasieve uitheemse soorten met 50% en minimaliseer hun impact Actiedoel 7. Dring vervuiling terug tot een niveau dat niet schadelijk is voor de biodiversiteit Actiedoel 8. Minimaliseer gevolgen van klimaatverandering voor biodiversiteit en bouw veerkracht op Actiedoel 9. Garandeer duurzaam beheer en gebruik van wilde soorten ten behoeve van mensen Actiedoel 10. Verduurzaam landbouw, aquacultuur, visserij en bosbouw Actiedoel 11. Herstel, behoud en verbeter ecosysteemfuncties en -diensten door Nature-based Solutions Actiedoel 12. Vergroot groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden op duurzame wijze Actiedoel 13. Vergroot het delen van de voordelen van genetische hulpbronnen, digitale sequentie-informatie en traditionele kennis Actiedoel 14. Integreer biodiversiteit in besluitvorming op elk niveau en in alle sectoren Actiedoel 15. Laat bedrijven rapporteren over hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit Actiedoel 16. Faciliteer consumenten bij duurzame keuzes en verklein onze voetafdruk Actiedoel 17. Versterk de bioveiligheid en deel de baten van biotechnologie Actiedoel 18. Effectievere overheidsuitgaven: schadelijke financiele stromen en prikkels inventariseren en ombuigen Actiedoel 19. Verhoog financiële middelen voor biodiversiteit Actiedoel 20. Versterk capaciteitsopbouw, wetenschappelijke en technische samenwerking voor biodiversiteit Actiedoelen 22 & 23. Zorg voor inclusieve besluitvorming, toegang tot biodiversiteitsrechtvaardigheid, gendergelijkheid en een gender-responsieve aanpak van biodiversiteitsactie. Zorg voor een gender-responsieve aanpak in alle actiedoelen. Hoe verder: Op weg naar 2030 Bijlagen Bijlage 1.I Bijdragen van stakeholders per actiedoel Bijlage 1.II Geconsulteerde niet-statelijke actoren en lokale overheden Bijlage 1.III Tabel met nationale doelen per actiedoel DEEL 2 Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 1 �Inleiding: Context Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 1.1 Aanleiding 1.2 Methode beoordeling bijdrage NMBP aan GBF 1.3. Leeswijzer Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 2 �Samenvatting Biodiversiteitsplan Caribisch Nederland 2.1 Context Natuur-en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020 – 2030 2.2 �Bijdrage van bestaand beleid en nationale doelstellingen aan de 23 GBF-actiedoelen 2.3 �Bijdrage van niet-statelijke actoren in totstandkoming en uitvoering van het NMBP 2.4 Bestaande monitoringsindicatoren 2.5 Wijze van uitvoering en belemmeringen 2.6 Conclusie en aandachtspunten voor vervolg 3 �Toelichting op bijdrage bestaand beleid Caribisch Nederland aan GBF 3.1 �De trend van koraalrifdegradatie keren om gezonde, veerkrachtige en weerbare koraalriffen te creëren die een waarborg vormen voor het welzijn in Caribisch Nederland (strategisch doel 1) 3.2 �Herstel en behoud van de unieke habitats en soorten in Caribisch Nederland voor huidige en toekomstige generaties (strategisch doel 2) 3.3 �Duurzaam gebruik van land en water voor de ontwikkeling van de lokale economie (strategisch doel 3) 3.4 �Lokale voorwaarden scheppen voor duurzame resultaten van natuurbeleid in Caribisch Nederland (strategisch doel 4) Bijlagen Bijlage 2.I Stakeholders totstandkoming NMBP Caribisch Nederland Bijlage 2.II Overzichtstabel relatie nmbp doelen en GBF-actiedoelen Bijlage 2.III Overzicht relatie overig bestaand beleid en GBF-actiedoelen Bijlage 2.IV NMBP en uitvoeringsagenda’s