تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين هولندا

Environmental Decree

صدر في 2018-07-03 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

العنوان الأصلي
Omgevingbesluit.
اللغة
Dutch
النوع
لائحة
الدولة
هولندا
الموضوعات
Environment, Land and soil, Sea, Water, Wild species and ecosystems
الكلمات المفتاحية
institution, environmental planning, subsidy/incentive, authorization/permit, pollution control, soil pollution/quality, environmental impact assessment (EIA), environmental standards, legal proceedings/administrative proceedings, offences/penalties, cultural heritage, data collection/reporting, monitoring, enforcement/compliance, policy/planning, standards, protection of environment, governance, land-use planning, freshwater pollution, sustainable development, sustainable use, ecosystem conservation, waterworks, biodiversity, hunting authorization/permit, hunting/capture, trade in species, wild fauna, wild flora, protection of habitats, endangered species, protection of species, marine area, marine spatial planning, marine pollution

أين تقرؤه

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. OMGEVINGSBESLUIT Geconsolideerde Staatsbladversie, 22-09-2023 Dit document bevat een geconsolideerde versie van het Omgevingsbesluit, zoals gewijzigd door het Invoeringsbesluit Omgevingswet en andere in het Staatsblad gepubliceerde wijzigingen. Hierin zijn opgenomen: 1. Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290) – tekstkleur zwart 2. Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400) – tekstkleur hemelsblauw 3. Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet (Stb. 2020, 557) – tekstkleur rood 4. Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Stb. 2021, 98) – tekstkleur paars 5. Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22) – tekstkleur groen 6. Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet (Stb. 2020, 532) – tekstkleur bruin 7. Besluit, houdende wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (kustfunda ment, grote rivieren, radarstations en hoogspanningsverbindingen) (Stb. 2020, 204) – tekst kleur blauw 8. Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2020, 348) – tekstkleur blauw 9. Besluit elektronische publicaties (Stb. 2021, 175) – tekstkleur donkeroranje 10. Besluit in verband met de implementatie van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 tot vast stelling van BBT-conclusies voor grote stookinstallaties en omzetting van de regels over toiletlo zingen van pleziervaartuigen en de monitoring van luchtkwaliteit (Stb. 2021, 200) – tekstkleur lichtgroen 11. Besluit tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur (stikstofreductie en natuur verbetering) (Stb. 2021, 287) – tekstkleur donkergroen 12. Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2022, 145) – tekstkleur roze 13. Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 (Stb. 2022, 172) – tekstkleur roze 14. Besluit tot wijziging van het Omgevingsbesluit in verband met het verplicht stellen van financiële zekerheid voor bepaalde gevallen van activiteiten (Stb. 2022, 359) – tekstkleur bruin 15. Besluit houdende wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de brandveiligheid van parkeergarages en normen voor daglicht en enkele technische wijzigingen (Stb. 2022, 360) – tekstkleur bruin 16. Besluit tot wijziging van het Omgevingsbesluit vanwege het aanwijzen van categorieën ontwikkelingen waarvoor financiële bijdrage kunnen worden verhaald (Stb. 2022, 361) – tekstkleur rood 17. Besluit wijziging Waterbesluit en Omgevingsbesluit in verband met de overdracht van areaal, het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met actualisatie van de indicatoren voor de goede ecologische waterkwaliteit alsmede het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Stb. 2022, 486) – tekstkleur rood 18. Uitvoeringsbesluit verordening hergebruik stedelijk afvalwater (Stb. 2023, 199) – tekstkleur lichtbruin 19. Besluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en het Besluit energie-audit in verband met de actualisatie van de energiebesparingsplicht voor milieubelastende activiteiten (Stb. 2023, 215) – tekstkleur olijfgroen 20. Besluit tot wijziging van het Bbl in verband met de actualisatie van de energiebesparingsplicht voor utiliteitsgebouwen en enkele andere wijzigingen (Stb. 2023, 272) – tekstkleur olijfgroen 21. Verzamelbesluit Omgevingswet 2023 (Stb. 2023, 298) – tekstkleur rood Een aantal onderdelen in het Omgevingsbesluit zal via het technische inwerkingtredings-KB worden uitgezonderd van inwerkingtreding. Deze onderdelen zijn in de geconsolideerde tekst voorzien van http://www.officielebekendmakingen.nl/stb-2018-290.html http://www.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-400.html http://www.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-557.html https://www.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-98.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-22.html http://www.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-532.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-204.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-348.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-348.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-175.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-200.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-287.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-145.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-172.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-359.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-360.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-361.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-486.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-486.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-199.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-215.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-272.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-298.html Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 2 een grijze achtergrond. Inhoud HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN ........................................................................... 6 HOOFDSTUK 2 OMGEVINGSPLAN, WATERSCHAPSVERORDENING EN OMGEVINGSVERORDENING .............................................................................................. 7 HOOFDSTUK 3 AANWIJZING VAN LOCATIES VOOR RIJKSTAKEN ...................................... 8 AFDELING 3.1 AANWIJZING VAN RIJKSWATEREN ................................................................. 8 AFDELING 3.2 AANWIJZING EN BEGRENZING VAN BEPERKINGENGEBIEDEN ........................... 8 HOOFDSTUK 4 BEVOEGD GEZAG OMGEVINGSVERGUNNING EN BETROKKENHEID VAN ANDERE BESTUURSORGANEN ......................................................................................... 10 AFDELING 4.1 BEVOEGD GEZAG OMGEVINGSVERGUNNING ................................................. 10 § 4.1.1 Algemeen ......................................................................................................... 10 § 4.1.2 Aanvraag om een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten ............................... 10 § 4.1.3 Aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten anders dan wateractiviteiten .................................................................................................................................. 11 § 4.1.4 Flexibiliteitsregeling bevoegd gezag alle activiteiten ............................................... 16 AFDELING 4.2 BETROKKENHEID VAN ANDERE BESTUURSORGANEN OF INSTANTIES BIJ EEN AANVRAAG OM EEN OMGEVINGSVERGUNNING OF EEN MAATWERKVOORSCHRIFT OF BIJ EEN VERZOEK OM INSTEMMING .............................................................................................. 17 HOOFDSTUK 5 PROJECTPROCEDURE .............................................................................. 23 AFDELING 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN PROJECTBESLUIT .................................................... 23 AFDELING 5.2 VOORNEMEN EN VOORKEURSBESLISSING ..................................................... 23 AFDELING 5.3 PROJECTBESLUIT........................................................................................ 24 HOOFDSTUK 6 FAUNABEHEEREENHEDEN EN –PLANNEN ................................................ 26 HOOFDSTUK 7 VOORKEURSRECHT EN ONTEIGENING ..................................................... 27 AFDELING 7.1 VOORKEURSRECHTBESCHIKKINGEN ............................................................. 27 AFDELING 7.2 ONTEIGENINGSBESCHIKKINGEN .................................................................. 28 HOOFDSTUK 8 FINANCIËLE BEPALINGEN ....................................................................... 29 AFDELING 8.1 VERGOEDING EN VERHAAL VAN KOSTEN ....................................................... 29 AFDELING 8.2 HEFFINGEN ................................................................................................ 29 AFDELING 8.3 FINANCIËLE ZEKERHEID .............................................................................. 30 AFDELING 8.4 KOSTENVERHAAAL ...................................................................................... 33 AFDELING 8.5 FINANCIËLE BIJDRAGEN VOOR ONTWIKKELINGEN VAN EEN GEBIED ................ 34 HOOFDSTUK 9 SCHADE ................................................................................................... 36 HOOFDSTUK 10 PROCEDURES ........................................................................................ 37 AFDELING 10.0 MINISTERIËLE REGELING .......................................................................... 37 AFDELING 10.1 OMGEVINGSPLAN, WATERSCHAPSVERORDENING EN OMGEVINGSVERORDENING ..................................................................................................................................... 37 AFDELING 10.2 TAKEN EN INSTRUCTIES ............................................................................ 38 Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 3 AFDELING 10.2A GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS ALS OMGEVINGSWAARDEN ........................... 38 AFDELING 10.3 OMGEVINGSVISIES ................................................................................... 39 AFDELING 10.4 PROGRAMMA’S ......................................................................................... 39 § 10.4.1 Algemeen ....................................................................................................... 39 § 10.4.2 Programma’s kwaliteit van de buitenlucht ........................................................... 39 § 10.4.3 Waterprogramma’s .......................................................................................... 40 § 10.4.4 Actieplannen geluid .......................................................................................... 41 § 10.4.5 Beheerplannen Natura 2000-gebieden ................................................................ 41 § 10.4.6 Programma stikstofreductie en natuurverbetering ................................................ 41 AFDELING 10.5 MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN ............................................... 42 AFDELING 10.6 OMGEVINGSVERGUNNING ......................................................................... 42 § 10.6.1 Aanvraag en werking omgevingsvergunning ........................................................ 42 § 10.6.2 Toepassing afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht ................... 44 AFDELING 10.7 GEDOOGPLICHTBESCHIKKING .................................................................... 45 AFDELING 10.7A AANWIJZING ALS CERTIFICATIE-INSTELLING ............................................. 45 AFDELING 10.7B TOELATINGSPROCEDURE EN GEGEVENSVERSTREKKING STELSEL VAN KWALITEITSBORGING VOOR HET BOUWEN ........................................................................ 45 AFDELING 10.8 VERSTREKKEN EN BESCHIKBAAR STELLEN VAN GEGEVENS ........................... 46 § 10.8.1 Externe veiligheid ............................................................................................ 46 § 10.8.1a Waterveiligheid .............................................................................................. 47 § 10.8.2 Kwaliteit van de buitenlucht .............................................................................. 47 § 10.8.3 Waterkwaliteit ................................................................................................. 47 § 10.8.3a Natuur .......................................................................................................... 48 § 10.8.4 Kwaliteit van zwemlocaties ................................................................................ 50 § 10.8.5 Geluid ............................................................................................................ 51 ARTIKEL 10.39A (GEGEVENSVERSTREKKING INDUSTRIETERREINEN) ........................... 51 § 10.8.6 PRTR .............................................................................................................. 54 § 10.8.7 Behoud van werelderfgoed ................................................................................ 55 § 10.8.8 Tegengaan van klimaatverandering .................................................................... 56 AFDELING 10.9 KAARTEN ................................................................................................. 56 HOOFDSTUK 11 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ................................................................. 57 AFDELING 11.1 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE VOOR PLANNEN EN PROGRAMMA’S ..................... 57 AFDELING 11.2 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE VOOR PROJECTEN ............................................. 58 AFDELING 11.3 GRENSOVERSCHRIJDENDE MILIEUEFFECTEN ............................................... 62 § 11.3.1 Grensoverschrijdende plan-mer ......................................................................... 62 § 11.3.2 Grensoverschrijdende project-mer ..................................................................... 63 HOOFDSTUK 12 ADVIESORGANEN EN ADVISEURS ......................................................... 66 AFDELING 12.1 COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ........................................ 66 AFDELING 12.2 OCW-SCHADEBEOORDELINGSCOMMISSIE ARCHEOLOGISCHE RIJKSMONUMENTEN ........................................................................................................ 66 Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 4 AFDELING 12.3 WETENSCHAPPELIJKE AUTORITEIT CITES .................................................... 67 HOOFDSTUK 13 HANDHAVING EN UITVOERING ............................................................. 68 AFDELING 13.1 BESTUURSRECHTELIJKE HANDHAVINGSTAAK EN HANDHAVINGSBEVOEGDHEID ..................................................................................................................................... 68 AFDELING 13.1A BESTUURLIJKE BOETES ........................................................................... 70 AFDELING 13.2 KWALITEITSBEVORDERING EN AFSTEMMING UITVOERING EN HANDHAVING ... 71 § 13.2.1 Toepassingsbereik ............................................................................................ 71 § 13.2.2 Strategische en programmatische uitvoering en handhaving ................................. 71 § 13.2.3 Omgevingsdiensten .......................................................................................... 73 § 13.2.4 Informatieverstrekking uitvoering en handhaving ................................................. 74 AFDELING 13.3 KWALITEITSBEVORDERING EN AFSTEMMING UITVOERING EN HANDHAVING BIJ SEVESO-INRICHTINGEN ................................................................................................... 75 § 13.3.1 Toepassingsbereik ............................................................................................ 75 § 13.3.2 Strategische en programmatische uitvoering en handhaving ................................. 75 AFDELING 13.4 BESTUURLIJKE EN STRAFRECHTELIJKE SANCTIES SEVESO-INRICHTINGEN ..... 78 § 13.4.1 Toepassingsbereik ............................................................................................ 78 § 13.4.2 Bestuurlijke handhaving Arbeidsomstandighedenwet ............................................ 78 § 13.4.3 Strafbaarstellingen ........................................................................................... 79 HOOFDSTUK 14 DIGITAAL STELSEL OMGEVINGSWET .................................................... 80 AFDELING 14.1 ELEKTRONISCH VERKEER .......................................................................... 80 AFDELING 14.2 INFORMATIE VIA DE LANDELIJKE VOORZIENING .......................................... 80 AFDELING 14.3 GEGEVENSBEHEER EN PERSOONSGEGEVENS ............................................... 81 § 14.3.1 Algemeen ....................................................................................................... 81 AFDELING 14.4 BEHEER ONDERDELEN LANDELIJKE VOORZIENING ....................................... 84 HOOFDSTUK 15 OVERGANGSRECHT................................................................................ 86 § 15.1 Sanering te hoge geluidbelastingen ....................................................................... 86 § 15.2 Geluidregister..................................................................................................... 87 § 15.3 Programma legalisering projecten natuur ............................................................... 87 HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN ................................................................................. 88 BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1 VAN DIT BESLUIT (BEGRIPPEN).......................................... 89 BIJLAGE II BIJ ARTIKEL 3.1 VAN DIT BESLUIT (AANWIJZING VAN RIJKSWATEREN) .... 90 BIJLAGE III BIJ DE ARTIKELEN 4.33 EN 4.34 VAN DIT BESLUIT (ADVIES DOOR BESTUUR VEILIGHEIDSREGIO EN ADVIES DOOR INSPECTEUR-GENERAAL LEEFOMGEVING EN TRANSPORT) .................................................................................................................. 93 BIJLAGE IV BIJ ARTIKEL 8.15 VAN DIT BESLUIT (KOSTENSOORTEN) ............................ 98 BIJLAGE V BIJ DE ARTIKELEN 11.6, 11.7 EN 11.8 VAN DIT BESLUIT (AANWIJZING PROJECTEN EN DE DAARVOOR BENODIGDE BESLUITEN WAARVOOR EEN MER (BEOORDELINGS)PLICHT GELDT) ................................................................................ 100 BIJLAGE VI BIJ ARTIKEL 13.12, EERSTE LID, VAN DIT BESLUIT (BASISTAKENPAKKET OMGEVINGSDIENST) .................................................................................................... 118 BIJLAGE VII BIJ ARTIKEL 13.12, DERDE LID, VAN DIT BESLUIT (AANWIJZING OMGEVINGSDIENSTEN) ................................................................................................ 120 Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 5 BIJLAGE VIII BIJ ARTIKEL 14.5 VAN DIT BESLUIT (VERSTREKKING VAN GEGEVENS) . 121 Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 6 Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over al gemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsbesluit) HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit. Artikel 1.1a (grondslag) 1. Dit besluit berust op de artikelen 1.5, tweede lid, 1.7a, tweede lid, 2.7, 2.20, eerste lid, 2.21a, tweede lid, 2.24, eerste lid, 5.7, tweede en derde lid, 5.9, 5.10, eerste en derde lid, 5.11, eerste lid, 5.12, tweede en derde lid, 5.13, eerste lid, 5.16, tweede lid, 5.36, vierde lid, 5.44b, tweede lid, 5.47, tweede en vijfde lid, 5.52, tweede en derde lid, 8.1, derde en vijfde lid, 12.1, eerste, vierde en vijfde lid, 12.5, derde lid, 12.6, vierde lid, 12.8, tweede lid, 12.9, tweede lid, 13.3a, eerste lid, 13.3d, 13.4a, vijfde lid, 13.4b, vierde lid, 13.5, eerste, tweede en derde lid, 13.11, eerste lid, 13.15, derde lid, 13.17, tweede lid, 13.20, zesde lid, 13.22, eerste lid, 13.23, eerste en vierde lid, 15.7, vierde lid, 15.8, vierde lid, 15.9, eerste lid, 15.53, eerste lid, 16.1, 16.7, tweede lid, 16.15, eerste lid, 16.16, eerste lid, 16.17, eerste lid, 16.20, tweede lid, 16.24, 16.24a, 16.36, zesde lid, 16.39, tweede lid, 16.42, 16.42a, 16.43, eerste en vierde lid, 16.44, vierde lid, 16.45, derde lid, 16.46, derde lid, 16.47, tweede lid, 16.52, eerste lid, 16.53a, 16.55, eerste lid, 16.65, eerste lid, 16.139, eerste en tweede lid, 17.3, 17.5, derde lid, 17.6, 18.2, vierde en zesde lid, 18.3, eerste en tweede lid, 18.15a, eerste en derde lid, 18.19, eerste lid, 18.22, 18.25, tweede en derde lid, 19.12, vierde lid, 20.2, zevende lid, 20.6, eerste lid, 20.8, eerste lid, 20.13, eerste lid, 20.14, vierde en vijfde lid, 20.21, derde lid, 20.22, eerste lid, 20.24, eerste lid, 20.25, eerste lid, en 20.26, eerste lid, van de wet. 2. Dit besluit berust ook op: a. de artikelen 6, eerste en derde lid, 7, eerste lid, 27, vijfde lid, 28a, eerste en zevende lid, 28b, 33, tweede en derde lid, en 34, vierde, vijfde, zesde, zevende en negende lid, van de Arbeidsom standighedenwet; b. artikel 19.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer; en c. de artikelen 61, tweede lid, en 64, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 1.2 (exclusieve economische zone) Dit besluit is ook van toepassing in de exclusieve economische zone. Artikel 1.3 (aanwijzing verboden activiteiten met aanzienlijke nadelige gevolgen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 1.7a, eerste lid, van de wet, om een activiteit te verrichten of na te laten als door het verrichten of nalaten daarvan aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, geldt voor de volgende activiteiten en nadelige ge volgen: a. direct of indirect stoffen, trillingen, warmte of geluid in water, bodem of lucht brengen, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van water, bodem of lucht of aan landschappen, natuur of cul tureel erfgoed ontstaat of dreigt te ontstaan; b. het met het oog op het gebruik van de bodem in of op de bodem brengen van stoffen of activi teiten die erosie, verdichting of verzilting tot gevolg hebben, als dat leidt tot aantasting of drei gende aantasting van de bodem; en c. het verwaarlozen van een beschermd landschap, beschermde natuur of beschermd cultureel erf goed, als dat aanzienlijke nadelige gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de beschermde waar den. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, wordt onder beschermd verstaan: be schermd bij wettelijk voorschrift of besluit op grond van de wet of een andere wet. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 7 HOOFDSTUK 2 OMGEVINGSPLAN, WATERSCHAPSVERORDENING EN OMGEVINGSVEROR DENING Artikel 2.1 (verplichting en verbod opname regels in omgevingsplan) 1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen. 2. In ieder geval worden niet in het omgevingsplan opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Gemeentewet: a. de artikelen 151a, eerste lid, 151b, eerste lid, 151c, eerste lid, 151d, eerste lid, en 154a, eerste lid; b. de artikelen 154, eerste lid, en 154b, eerste lid; c. de artikelen 172, tweede lid, en 174, derde lid; en d. artikel 216. Artikel 2.1a (overgangsrecht omgevingsvergunning gemeentelijke verordening) Tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 22.4 van de wet, worden voor de toepassing van artikel 22.8 van de wet: a. regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.1, eerste lid, alleen als regels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en b. regels in een gemeentelijke verordening die niet vallen onder artikel 2.1, eerste lid, ook als re gels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zo als die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold. Artikel 2.2 (verplichting en verbod opname regels in waterschapsverordening) 1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in de waterschapsverordening opgenomen. 2. In ieder geval worden niet in de waterschapsverordening opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Waterschapswet: a. artikel 78, tweede lid; b. artikel 81; en c. artikel 110. Artikel 2.3 (verplichting en verbod opname regels in omgevingsverordening) 1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in de omgevingsverordening opgenomen. 2. In ieder geval worden niet in de omgevingsverordening opgenomen regels als bedoeld in de vol gende bepalingen van de Provinciewet: a. artikel 150; en b. artikel 220. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 8 HOOFDSTUK 3 AANWIJZING VAN LOCATIES VOOR RIJKSTAKEN AFDELING 3.1 AANWIJZING VAN RIJKSWATEREN Artikel 3.1 (aanwijzing van rijkswateren) 1. Rijkswateren zijn de watersystemen of onderdelen daarvan, bedoeld in bijlage II. 2. Het beheer van de rijkswateren die op grond van het eerste lid zijn aangewezen, omvat ook het beheer van de daarin gelegen ondersteunende kunstwerken. AFDELING 3.2 AANWIJZING EN BEGRENZING VAN BEPERKINGENGEBIEDEN Artikel 3.2 (toepassingsbereik) De artikelen 3.3 tot en met 3.6 zijn alleen van toepassing zolang een beperkingengebied niet bij ministeriële regeling is aangewezen en geometrisch begrensd. Artikel 3.3 (beperkingengebied wegen) Het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk bestaat uit de weg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van: a. bij een weg op maaiveldniveau: 10 m, gemeten vanaf de kant van de verharding; b. bij een weg naast een watergang, die het water van de weg opvangt: 1 m vanaf de insteek van de watergang, gemeten vanaf de insteek die het meest verwijderd is van de weg; c. bij een weg in ingraving: 5 m, gemeten vanaf de insteek van de maaiveldverlaging; d. bij een weg in ophoging: 10 m, gemeten vanaf de kant van de verharding, vermeerderd met vijfmaal het hoogteverschil tussen de verharding en de insteek van de maaiveldverhoging; e. bij een weg in een tunnel of onder een aquaduct: 10 m, gemeten vanaf de rand van het kunst werk, vermeerderd met viermaal het hoogteverschil tussen de verharding en het maaiveld; of f. bij een weg op een brug of op een viaduct: 10 m, gemeten vanaf de rand van het kunstwerk, vermeerderd met vijfmaal het hoogteverschil tussen de verharding en het maaiveld. Artikel 3.4 (beperkingengebied waterstaatswerken) Het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk valt samen met het waterstaatswerk. Artikel 3.5 (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur) 1. Het beperkingengebied met betrekking tot hoofdspoorweginfrastructuur bestaat uit de hoofd spoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van: a. bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau: 11 m, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoor staven; b. bij een hoofdspoorweg in ingraving: 6 m, gemeten uit de bovenzijde van de ingraving; c. bij een hoofdspoorweg in ophoging: 6 m, gemeten uit de teen van het talud; d. bij een hoofdspoorweg in een tunnel: 30 m, gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel; of e. bij een hoofdspoorweg op een brug of op een viaduct: 30 m, gemeten vanaf de buitenste rand van de constructie. 2. Als een deel van de hoofdspoorweg alleen is bestemd voor goederenvervoer voor de lokale ont sluiting van haven- en industriegebieden, bestaat het beperkingengebied, in afwijking van het eer ste lid, uit dat deel van de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 3 m op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor. Artikel 3.6 (beperkingengebied installaties in een waterstaatswerk anders dan mijn bouwinstallaties) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 9 Het beperkingengebied met betrekking tot installaties in een oppervlaktewaterlichaam anders dan mijnbouwinstallaties bestaat uit de installatie en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 500 m van enig onderdeel van de installatie. Artikel 3.7 (beperkingengebied mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk) Het beperkingengebied met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een oppervlaktewaterlichaam bestaat uit de mijnbouwinstallatie en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn lig gend op een afstand van 500 m van enig onderdeel van de mijnbouwinstallatie. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 10 HOOFDSTUK 4 BEVOEGD GEZAG OMGEVINGSVERGUNNING EN BETROKKENHEID VAN AN DERE BESTUURSORGANEN AFDELING 4.1 BEVOEGD GEZAG OMGEVINGSVERGUNNING § 4.1.1 Algemeen Artikel 4.1 (toepassingsbereik) 1. Deze afdeling regelt welk bestuursorgaan, anders dan het college van burgemeester en wethou ders op grond van artikel 5.8 of 5.12, tweede lid, van de wet, beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning: a. voor wateractiviteiten: in paragraaf 4.1.2; en b. voor andere activiteiten: in paragraaf 4.1.3. 2. Paragraaf 4.1.4 is van toepassing op zowel wateractiviteiten als andere activiteiten. § 4.1.2 Aanvraag om een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten Artikel 4.2 (bevoegd gezag waterschap enkel- en meervoudige aanvraag; decentraal, tenzij) 1. Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wa teractiviteiten: a. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam dat onderdeel is van een watersysteem als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet; b. een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk; of c. een activiteit waarvoor in de waterschapsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zon der omgevingsvergunning is verboden. 2. Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist ook op een meervoudige aanvraag om een om gevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid en een of meer andere wateractiviteiten. Artikel 4.3 (bevoegd gezag provincie enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactivitei ten) 1. Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsver gunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten: a. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomge ving; of b. een wateractiviteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden. 2. Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, en een of meer andere wateractiviteiten. Artikel 4.4 (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat enkel- en meer voudige aanvraag; magneetactiviteiten) 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de vol gende wateractiviteiten: a. een wateractiviteit die betrekking heeft op een watersysteem of onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 3.1; of b. een stortingsactiviteit op zee vanaf een in Nederland geregistreerd vaartuig of luchtvaartuig dat zich buiten Nederland en de exclusieve economische zone bevindt. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 11 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om: a. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een ippc-installatie of een Seveso inrichting; of b. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die wordt verricht in het kader van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; en een of meer andere wateractiviteiten. Artikel 4.4a (aanvullende aanwijzing bevoegd gezag meervoudige aanvraag zonder mag neetactiviteiten) 1. Dit artikel is alleen van toepassing als op grond van de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4 nog geen be voegd gezag is aangewezen. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die be staat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid. Artikel 4.5 (voorrangsregel bevoegd gezag meervoudige aanvraag bij samenloop aanwij zing bevoegd gezag) 1. Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en gedepu teerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag. 2. Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag. 3. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, en Onze Minister van Infrastruc tuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, en in voorkomend geval het dagelijks be stuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag. § 4.1.3 Aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten anders dan wateractiviteiten Artikel 4.6 (bevoegd gezag provincie enkel- en meervoudige aanvraag; magneetactivitei ten) 1. Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsver gunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten: a. een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang; b. een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of bui ten de rijkswateren; c. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, artikel 3.91, eerste lid of arti kel 19.1c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale beteke nis of een lokale spoorweg die niet ligt in een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000; e. een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid; of f. een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 12 2. Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in: a. het eerste lid, onder a; b. het eerste lid, onder b, voor zover het gaat om een ontgrondingsactiviteit waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; of c. het eerste lid, onder c, met uitzondering van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving; en een of meer andere activiteiten. Artikel 4.7 (bevoegd gezag vervoerregio enkel- en meervoudige aanvraag) Als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewe zen, beslist het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat artikellid, op een enkel of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied. Artikel 4.8 (bevoegd gezag Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en kel- en meervoudige aanvraag; magneetactiviteiten) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist op een enkel- of meervou dige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer omge vingsplanactiviteiten van nationaal belang en een of meer andere activiteiten. Artikel 4.9 (bevoegd gezag Minister van Defensie enkel- en meervoudige aanvraag) Onze Minister van Defensie beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsver gunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven. Artikel 4.10 (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat enkel- en meer voudige aanvraag; magneetactiviteiten) 1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de vol gende activiteiten: a. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een mijnbouwlocatieactiviteit; of c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaats werk. 2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in: a. het eerste lid, onder a, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouw werk voor het opsporen of winnen van aardwarmte; b. het eerste lid, onder b; of c. het eerste lid, onder c; en een of meer andere activiteiten. Artikel 4.11 (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat enkel- en meer voudige aanvraag; magneetactiviteiten) 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de vol gende activiteiten: a. een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater anders dan in het winterbed van een rivier; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 13 b. een milieubelastende activiteit waarbij nationale veiligheidsbelangen zijn betrokken als bedoeld in: 1°. artikel 3.247 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. artikel 3.324, eerste lid, 3.327, 3.332 of 3.335, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomge ving; of 3°. elke andere bepaling uit hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin een ver gunningplichtige milieubelastende activiteit is aangewezen, als die activiteit geheel of in hoofdzaak plaatsvindt op: i. een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of ii. een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, een hoofdspoorweg of een bijzon dere spoorweg; of d. een activiteit anders dan bedoeld onder a tot en met c of in artikel 4.10, eerste lid, 4.12 of 4.13, die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in: 1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of 2°. de exclusieve economische zone. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in: a. het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om een ontgrondingsactiviteit waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; of b. het eerste lid, onder b; en een of meer andere activiteiten. Artikel 4.11a (bevoegd gezag Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit enkel en meervoudige aanvraag) Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een enkel- of meervoudige aan vraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer mili eubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.12 (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof enkel- en meervoudige aanvraag) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende ac tiviteiten: a. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang; of b. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang. 2. De volgende Natura 2000-activiteiten en de volgende flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.39, 11.40, 11.46, 11,47, aanhef en onder b, 11.48, 11.54. 11.60 en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden als activiteiten van nationaal belang aangewezen: a. een activiteit voor het aanleggen, uitbreiden, inrichten, wijzigen, gebruiken, beheren of onder houden van: 1°. een autoweg, autosnelweg, vaarweg, hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, voor zover deze weg wordt beheerd door het Rijk en voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het ver voer en transport via deze weg of de inpassing in de fysieke leefomgeving; 2°. een primaire waterkering in beheer bij het Rijk en doorgangen in deze waterkeringen, voor zo ver de activiteit rechtstreeks samenhangt met de waterveiligheid of de inpassing in de fysieke leef omgeving; 3°. een militair terrein en een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met mili taire doeleinden of de inpassing in de fysieke leefomgeving; 4°. een militaire luchthaven; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 14 5°. de luchthaven Schiphol of een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze luchthaven of met de inpassing in de fysieke leefomgeving; 6°. het gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n, van de Gaswet, en de daarmee verbonden gasdrukregelstations en gasdrukmeetstations, voor zover de activiteit rechtstreeks sa menhangt met het gastransport; en 7°. een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbon den schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen, voor zover de activiteit recht streeks samenhangt met de elektriciteitsvoorziening; b. een activiteit die rechtstreeks samenhangt met: 1°. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder b, van de wet; 2°. landaanwinning in de territoriale zee; of 3°. het opsporen, winnen of opslaan van: i. delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; of ii. aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; c. een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren, bedoeld in bijlage II, onder 1, onder A; d. een militaire activiteit, verricht door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, buiten de onder a, onder 3°, bedoelde terreinen, en buiten de onder a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens; e. een vlucht met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes; f. de uitoefening van een van de volgende vormen van commerciële visserij of vanwege onderzoek uitgevoerde visserij: 1°. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdieren zaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren; of 2°. sleepnetvisserij in zoute wateren; g. een lozingsactiviteit, inhoudende het brengen van afvalwater in de Waddenzee; h. een activiteit verricht door of namens een buitenlandse mogendheid; i. een activiteit die rechtstreeks uitvoering geeft aan het op 19 april 1839 te Londen gesloten Trac taat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161); j. een activiteit van of namens een lid van het Koninklijk Huis of op terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht; en k. een activiteit die geheel of grotendeels plaatsvindt in: 1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54); 2°. niet-provinciaal ingedeeld gebied; of 3°. de exclusieve economische zone. 3. Als flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang worden ook aangewezen: a. een activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activitei ten leefomgeving; c. een activiteit als bedoeld in «artikel 11.37, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om: 1˚. het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren ten behoeve van vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of ge wonde dieren; 2˚. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven, met het oog op het pre pareren ervan; 3˚. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier; of Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 15 4˚. het onder zich hebben van dieren of planten die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht; d. een activiteit als bedoeld in artikel 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij ge bruik wordt gemaakt van motorboten op open zee als bedoeld in bijlage IV, onder b, tweede ge dachtestreep, tweede zin, bij de vogelrichtlijn; e. een activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om het vangen en onder zich hebben van bruinvissen, gewone dolfijnen, gewone zeehonden, grijze zeehonden, tuimelaars, witflankdolfijnen of witsnuitdolfijnen ten behoeve van: 1˚. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcen trum; of 2˚. het doen van wetenschappelijk onderzoek; en f. activiteiten als bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om: 1˚. herintroductie van soorten; 2˚. het uitzetten van dieren voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden; 3˚. het uitzetten van dieren samen met de onder 2˚ bedoelde dieren, als prooidieren voor die die ren; of 4°. het uitzetten van dieren of eieren van dieren buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort. 4. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkelvoudige aanvraag om een omgevings vergunning als de aanvraag betrekking heeft op een valkeniersactiviteit. Artikel 4.13 (bevoegd gezag Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap enkel- en meervoudige aanvraag) Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist op een enkel- of meervoudige aan vraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer rijks monumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument. Artikel 4.14 (aanvullende aanwijzing bevoegd gezag meervoudige aanvraag zonder mag neetactiviteiten) 1. Dit artikel is alleen van toepassing als: a. het college van burgemeester en wethouders niet behoort tot de bij de aanvraag betrokken be stuursorganen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet; en b. op grond van de artikelen 4.6, 4.7, 4.9, 4.10, 4.11, 4.11a, 4.12, eerste lid, en 4.13 nog geen bevoegd gezag is aangewezen. 2. Gedeputeerde staten beslissen op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.7. 3. Onze Minister van Defensie beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7. 4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7. 5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 16 6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van acti viteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11a; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7. 7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevings vergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid; en b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7. 8. Voor zover op grond van het tweede tot en met zevende lid nog geen bevoegd gezag is aange wezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit: a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9, 4.10, eerste lid, 4.11, eerste lid, 4.11a, 4.12, eerste lid, of 4.13; en b. in voorkomend geval een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7. Artikel 4.15 (voorrangsregel bevoegd gezag meervoudige aanvraag bij samenloop aan wijzing bevoegd gezag) 1. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 4.8, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewe zen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag. 2. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van artikel 4.10, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, be slist Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op de aanvraag. 3. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Infrastruc tuur en Waterstaat op grond van artikel 4.11, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, be slist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag. 4. Als meer dan een van Onze hiervoor genoemde Ministers op grond van artikel 4.8, tweede lid, 4.10, tweede lid, of 4.11, tweede lid, en in voorkomend geval ook gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Binnen landse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag. Artikel 4.16 (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag) 1. In afwijking van artikel 4.6 beslissen gedeputeerde staten op elke enkel- of meervoudige aan vraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.1 of 5.4 van de wet als: a. die activiteiten geen wateractiviteiten zijn; b. die activiteiten worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, of 3.91, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. voor de milieubelastende activiteit, bedoeld onder b, een door gedeputeerde staten eerder ver leende omgevingsvergunning geldt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag alleen of onder meer betrekking heeft op: a. een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang; b. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte; c. een mijnbouwlocatieactiviteit; of d. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaats werk. § 4.1.4 Flexibiliteitsregeling bevoegd gezag alle activiteiten Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 17 Artikel 4.17 (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag) 1. Het met toepassing van artikel 5.16 van de wet overdragen van de bevoegdheid om op een aan vraag om een omgevingsvergunning te beslissen of om paragraaf 5.1.5 van de wet voor een omge vingsvergunning toe te passen, kan zich alleen uitstrekken tot meer dan een aanvraag om een om gevingsvergunning of meer dan een al verleende omgevingsvergunning als de aanvragen of ver gunningen betrekking hebben op: a. activiteiten die worden verricht op hetzelfde bedrijventerrein; of b. een in een ander opzicht samenhangend geheel van activiteiten. 2. Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.16 van de wet over draagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit ken nis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet medede ling van dat besluit door toezending daarvan aan de aanvrager of de vergunninghouder. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken. AFDELING 4.2 BETROKKENHEID VAN ANDERE BESTUURSORGANEN OF INSTANTIES BIJ EEN AAN VRAAG OM EEN OMGEVINGSVERGUNNING OF EEN MAATWERKVOORSCHRIFT OF BIJ EEN VERZOEK OM INSTEMMING Artikel 4.18 (toepassingsbereik algemeen) 1. Deze afdeling is alleen van toepassing als het bestuursorgaan waaraan de bevoegdheid tot ad vies of instemming is toegekend, niet zelf bevoegd gezag is. 2. Een op grond van deze afdeling uitgebracht advies richt zich tot het bevoegd gezag en zijn te nemen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of het verzoek om instemming. In plaats daarvan kan het advies zich ook richten tot een bestuursorgaan dat zelf adviseur is voor zover dat in deze afdeling is bepaald. 3. In deze afdeling wordt onder een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoor schrift ook verstaan een aanvraag om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of om intrekking van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoor schrift. Artikel 4.19 (toepassingsbereik bij grondgebiedoverstijgende aanvraag) 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die op het grondgebied van meer dan een gemeente, waterschap of provincie plaatsvindt, zijn de in de artikelen 4.20, 4.24 en 4.25 toegekende bevoegdheden tot advies van toepassing op het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde sta ten van elke gemeente, elk waterschap en elke provincie waar de activiteit gedeeltelijk plaatsvindt. 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid zijn de in de artikelen 4.20, 4.24 en 4.25 toegekende bevoegdheden tot instemming alleen van toepassing op het college, het dagelijks bestuur of gede puteerde staten van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak plaatsvindt. Artikel 4.20 (advies en instemming door college van burgemeester en wethouders) 1. Het college van burgemeester en wethouders is adviseur voor een aanvraag om een omgevings vergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een bouwactiviteit; b. een omgevingsplanactiviteit; c. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; of d. een milieubelastende activiteit. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van het college van burge meester en wethouders als het gaat om een aanvraag als bedoeld in: a. het eerste lid, aanhef en onder b, voor zover het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang; of Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 18 b. het eerste lid, aanhef en onder d, voor zover het gaat om een milieubelastende activiteit anders dan een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c, 4.10, eerste lid, onder a, of 4.11, eerste lid, onder b. Artikel 4.21 (advies door gemeenteraad) 1. De gemeenteraad is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een door hem aangewezen geval van een buitenplanse omgevings planactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. 2. Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aangewezen geval als bedoeld in het eerste lid, maar de voor genomen beslissing op de aanvraag instemming van het college behoeft, is de gemeenteraad advi seur voor het verzoek om instemming. Artikel 4.22 (advies door gemeentelijke adviescommissie) 1. De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de wet, is adviseur voor een aanvraag om een omge vingsvergunning waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is voor zo ver de aanvraag betrekking heeft op: a. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; of b. een andere activiteit, als het gaat om een door de gemeenteraad aangewezen geval of als het college van burgemeester en wethouders daartoe aanleiding ziet. 2. Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van tot het bevoegd gezag. Artikel 4.23 (uitzondering instemming door college van burgemeester en wethouders bij omgevingsplanactiviteit en eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag) In afwijking van artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onder a, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geen instemming van het college van burgemeester en wethouders als: a. het gaat om een aanvraag waarvoor gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16, eerste lid, bevoegd gezag zijn; en b. de omgevingsplanactiviteit verband houdt met een voorschrift dat is of zal worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.16, eer ste lid, onder b. Artikel 4.24 (advies en instemming door dagelijks bestuur waterschap) 1. Het dagelijks bestuur van het waterschap is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsver gunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam dat onderdeel is van een watersysteem als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet; b. een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk; c. een activiteit waarvoor in de waterschapsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zon der omgevingsvergunning is verboden; d. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomge ving; of e. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b of c, behoeft ook instemming van het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 4.25 (advies en instemming door gedeputeerde staten) 1. Gedeputeerde staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 19 a. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomge ving; b. een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of bui ten de rijkswateren, waarbij minder dan 100.000 m3 in situ wordt ontgraven; c. een milieubelastende activiteit als bedoeld in: 1°. artikel 3.19, eerste lid, of 3.48, eerste lid, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, of artikel 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving; of 2°. artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale beteke nis of een lokale spoorweg die niet ligt in een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000; e. een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid; f. een wateractiviteit of een andere activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden; g. een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 16.15a, onder d, van de wet; of h. een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder b, als het monument waarop de activiteit betrekking heeft buiten een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastge stelde bebouwde kom is gelegen. 2. Gedeputeerde staten zijn ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, maar zij op grond van artikel 4.15, eerste, tweede, derde of vierde lid, niet bevoegd zijn op die aanvraag te beslissen. 3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van gedeputeerde staten als het gaat om een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c, onder 1°, d, e, f of g, of tweede lid, met uitzondering van: a. een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder f, als de activiteit betrekking heeft op een provinciaal monument of een voorbeschermd provinciaal monument; en b. een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder g, als de voorgenomen beslissing strekt tot: 1°. het weigeren van de vergunning; of 2°. het verlenen van de vergunning en de activiteit betrekking heeft op een provinciaal monument. Artikel 4.26 (advies en instemming door dagelijks bestuur vervoerregio) 1. Als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aange wezen, is het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat artikellid, adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een be perkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam. Artikel 4.27 (advies en instemming door Minister van Binnenlandse Zaken en Konink rijksrelaties) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bouwactiviteit en het voornemen bestaat om bij de beslissing op de aanvraag in een voorschrift van de omgevingsver gunning op grond van artikel 4.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving af te wijken van een regel uit hoofdstuk 4 van dat besluit. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister van Bin nenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een maat werkvoorschrift om af te wijken van een regel als bedoeld in het eerste lid. 4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van niet toepassing op het met een vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift afwijken van artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 20 Artikel 4.28 (advies en instemming door Minister van Defensie) 1. Onze Minister van Defensie is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een militaire luchthaven; of b. een omgevingsplanactiviteit in een radarverstoringsgebied als bedoeld in artikel 5.155, derde lid, van het Besluit kwaliteit. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, be hoeft ook instemming van Onze Minister van Defensie. Artikel 4.29 (advies en instemming door Minister van Economische Zaken en Klimaat) 1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is adviseur voor een aanvraag om een omge vingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als be doeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aard warmte. 2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als be doeld in artikel 4.10, tweede lid, maar hij op grond van artikel 4.15, vierde lid, niet bevoegd is op die aanvraag te beslissen. 3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste of tweede lid, behoeft ook in stemming van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 4.30 (advies en instemming door Minister van Infrastructuur en Waterstaat) 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is adviseur voor een aanvraag om een omge vingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een wateractiviteit die betrekking heeft op een watersysteem of onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 3.1; b. een ontgrondingsactiviteit in: 1°. het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier; of 2°. een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij minder dan 100.000 m3 in situ wordt ontgraven; c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, een burgerluchthaven van regio nale betekenis, een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg; d. een activiteit anders dan bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder a tot en met c, of in artikel 4.10, eerste lid, 4.12 of 4.13, die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in: 1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of 2°. de exclusieve economische zone; e. een omgevingsplanactiviteit in een radarverstoringsgebied als bedoeld in artikel 5.155, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het gaat om mogelijke gevolgen voor het civiele ra darbeeld; of f. een omgevingsplanactiviteit in een gebied als bedoeld in artikel 5.161a, eerste lid, van het Be sluit kwaliteit leefomgeving. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is ook adviseur voor een aanvraag om een om gevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, maar hij op grond van artikel 4.15, vierde lid, niet bevoegd is op die aanvraag te beslissen. 3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, of tweede lid, behoeft ook instemming van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, met uitzondering van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, die betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis, als de voorgenomen beslissing strekt tot het weigeren van de vergunning. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 21 Artikel 4.30a (advies en instemming door Minister van Landbouw, Natuur en Voedsel kwaliteit) 1. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 4.31 (advies en instemming door Minister voor Natuur en Stikstof) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergun ning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit van nationaal belang of een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, tweede en derde lid. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister voor Na tuur en Stikstof. Artikel 4.32 (advies en instemming door Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten schap) 1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is adviseur voor een aanvraag om een om gevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument; of b. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, in de volgende gevallen: 1°. het slopen van het monument, als het gaat om het geheel afbreken van het monument of het gedeeltelijk afbreken daarvan als die gedeeltelijke afbraak van ingrijpende aard is voor de monu mentale waarden van het monument; 2°. het ingrijpend wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan, als de gevolgen voor de monumentale waarden van het monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het slopen van het monument, bedoeld onder 1°; 3°. het reconstrueren van het monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van het monument; 4°. het wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan voor een gebruiksverandering van het monument, als dat ingrijpende gevolgen heeft voor de monumentale waarden; of 5°. het verplaatsen van het monument of een belangrijk deel daarvan. 2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, be hoeft ook instemming van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 4.33 (advies door bestuur veiligheidsregio) Het bestuur van de veiligheidsregio op het grondgebied waarvan een milieubelastende activiteit ge heel of in hoofdzaak plaatsvindt, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage III, on der 1. Artikel 4.34 (advies door inspecteur-generaal leefomgeving en transport) De inspecteur-generaal leefomgeving en transport is adviseur voor een aanvraag om een omge vingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als be doeld in bijlage III, onder 2. Artikel 4.35 (advies over indirecte lozingen) Het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van een zuiveringtechnisch werk of een opper vlaktewaterlichaam waarop afvalwater vanuit een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activi teit die betrekking heeft op het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in een dergelijke voorziening. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 22 Artikel 4.36 (advies na toepassing flexibiliteitsregeling bevoegd gezag) Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te be slissen met toepassing van artikel 5.16 van de wet heeft overgedragen, is adviseur voor die aan vraag voor zover die betrekking heeft op de activiteit of activiteiten die bepalend zijn geweest voor de aanwijzing van dat bestuursorgaan als bevoegd gezag. Artikel 4.37 (instemming niet vereist) Het op grond van de artikelen 4.20 tot en met 4.32 aangewezen bestuursorgaan kan gevallen aan wijzen waarin instemming niet is vereist. Artikel 4.38 (gronden verlenen of onthouden instemming) 1. Instemming wordt alleen verleend of onthouden op dezelfde gronden als de gronden voor het verlenen of weigeren van de omgevingsvergunning voor de activiteit, tenzij het tweede, derde of vierde lid van toepassing is. Daarbij geldt een ontheffing als bedoeld in artikel 2.32 van de wet die is verleend voor een voorgenomen beslissing tot verlening van een omgevingsvergunning als ont heffing voor het verlenen van instemming. 2. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder g, kan instemming alleen worden onthouden als de voorgenomen beslissing op de aanvraag in strijd is met een door een bestuursorgaan van de pro vincie in een openbaar document aangegeven provinciaal belang en het provinciebestuur dat be lang niet met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden kan beschermen. 3. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als be doeld in artikel 4.27, eerste lid, of als het gaat om een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.27, derde lid, kan instemming alleen worden onthouden als geen sprake is van een bijzonder geval dat het afwijken van de regel uit hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leef omgeving rechtvaardigt. 4. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactivi teit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder c, kan instemming alleen worden onthouden in het belang van het veilig gebruik van het luchtruim. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 23 HOOFDSTUK 5 PROJECTPROCEDURE AFDELING 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN PROJECTBESLUIT Artikel 5.1 (flexibiliteitsregeling projectbesluit Rijk) 1. Als Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Za ken en Koninkrijksrelaties, zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.44b van de wet over draagt, geeft hij tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet hij me dedeling van dat besluit door toezending daarvan aan de initiatiefnemer. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken. AFDELING 5.2 VOORNEMEN EN VOORKEURSBESLISSING Artikel 5.2 (inhoud en kennisgeving voornemen) 1. Het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving bevat in ieder geval: a. een beschrijving van die opgave; b. een beschrijving van de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd; c. de termijn waarbinnen de verkenning zal worden uitgevoerd; en d. een vermelding van het bevoegd gezag. 2. Het bevoegd gezag geeft kennis van het voornemen op de in artikel 12 van de Bekendmakings wet bepaalde wijze. Artikel 5.3 (participatie) 1. In de kennisgeving van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken, bedoeld in artikel 5.47, vierde lid, van de wet, wordt in ieder geval aangegeven: a. wie worden betrokken; b. waarover zij worden betrokken; c. wanneer zij worden betrokken; d. wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer bij het betrekken van deze partijen; en e. waar aanvullende informatie beschikbaar is. 2. De kennisgeving vindt plaats op een door het bevoegd gezag te bepalen geschikte wijze, waar door het voor de te verkennen opgave in de fysieke leefomgeving relevante publiek zo goed moge lijk wordt bereikt. 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de benodigde informatie voor het betrekken van bur gers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen op een toegankelijke wijze be schikbaar is. Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5.4 (verplichte voorkeursbeslissing) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat neemt in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter voorbereiding van een projectbesluit voor werken met een nationaal belang in ieder geval een voorkeursbeslissing als de mogelijk bestaande of toe komstige opgave in de fysieke leefomgeving die is opgenomen in het voornemen of de daarin ge noemde mogelijke oplossing voor die opgave, geheel of gedeeltelijk ziet op: a. de aanleg van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg; b. de uitbreiding van een weg met meer dan twee rijstroken, als het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt; of c. de uitbreiding van een spoorweg met meer dan twee sporen, als het uit te breiden spoorwegge deelte twee aansluitingen met elkaar verbindt. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 24 Artikel 5.5 (inhoud voorkeursbeslissing) 1. Een voorkeursbeslissing vermeldt in ieder geval welke oplossing de voorkeur van het bevoegd gezag heeft. 2. In een voorkeursbeslissing wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organi saties en bestuursorganen zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen. AFDELING 5.3 PROJECTBESLUIT Artikel 5.5a (publicatie ontwerp projectbesluit) 1. Bij de voorbereiding van een projectbesluit van een bestuursorgaan van een waterschap, een provincie of het Rijk waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het waterschapsblad, het provinciaal blad respectie velijk de Staatscourant. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van een projectbesluit voor de inwerkingtre ding van dit besluit ter inzage is gelegd. Artikel 5.6 (inhoud projectbesluit) Onverminderd artikel 5.51 van de wet bevat een projectbesluit in ieder geval: a. een beschrijving van het project; b. de voor de fysieke leefomgeving relevante permanente of tijdelijke maatregelen en voorzienin gen om het project te realiseren; en c. de maatregelen die zijn gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nade lige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fy sieke leefomgeving. Artikel 5.7 (aanwijzing andere besluiten) 1. In een projectbesluit kan worden bepaald dat het projectbesluit geldt als: a. een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet; b. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; c. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit; en d. een onttrekking van een weg aan de openbaarheid als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder II, van de Wegenwet. 2. Als het projectbesluit geldt als een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing. 3. Als het projectbesluit geldt als een maatwerkvoorschrift, is paragraaf 4.3.2 van de wet van over eenkomstige toepassing. 4. Als het projectbesluit geldt als een verkeersbesluit, zijn de artikelen 16, eerste lid, en 152 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 12 tot en met 15, 18 en 21 van het Besluit administra tieve bepalingen inzake het wegverkeer van toepassing. 5. Als het projectbesluit geldt als een onttrekking van een weg aan de openbaarheid, zijn de artike len 4 tot en met 7 van de Wegenwet van toepassing. Artikel 5.7a (aanwijzing besluit vaststelling geluidproductieplafonds) Onverminderd artikel 5.54 van de wet wordt aan artikel 5.7, eerste lid, onder a, in ieder geval toe passing gegeven als een projectbesluit: a. een activiteit toelaat op een industrieterrein waarvoor op grond van artikel 2.12a van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en door het geluid door die acti viteit niet aan die plafonds kan worden voldaan; b. ziet op de aanleg van een weg of spoorweg waarvoor op grond van artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden worden vastgesteld; of Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 25 c. ziet op een wijziging van een weg of spoorweg waarvoor op grond van artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en na die wijziging niet aan die plafonds kan worden voldaan. Artikel 5.7b (geen advies voor projectbesluiten voor hoofdinfrastructuur bij Natura 2000-activiteiten) Artikel 4.31 is niet van overeenkomstige toepassing op een ontwerp van een projectbesluit en een voorgenomen projectbesluit voor een project als bedoeld in artikel 5.46, eer ste lid, aanhef en onder a tot en met e, van de wet, voor zover daarin wordt bepaald dat het geldt als een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Artikel 5.8 (advies en instemming andere besluiten) 1. Het bestuursorgaan dat op grond van de wet, de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenwet be voegd zou zijn om de besluiten, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, te nemen, is adviseur voor dat onderdeel van het projectbesluit. 2. Het in het eerste lid bedoelde onderdeel van het projectbesluit behoeft ook instemming van het adviserende bestuursorgaan, waarbij geen instemming is vereist als: a. het projectbesluit wordt vastgesteld door Onze Minister die het aangaat als bedoeld in artikel 5.44 van de wet; of b. het projectbesluit wordt vastgesteld door gedeputeerde staten en het projectbesluit geldt als be sluit waarvoor een ander bestuursorgaan, met uitzondering van een bestuursorgaan van het Rijk, het adviserende bestuursorgaan is. 3. Instemming wordt alleen onthouden op dezelfde gronden als die, waarop een aanvraag om een besluit kan worden afgewezen. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 26 HOOFDSTUK 6 FAUNABEHEEREENHEDEN EN –PLANNEN Artikel 6.1 (faunabeheereenheid) 1. Een faunabeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegd heid of een stichting. 2. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval vertegenwoordigd: a. de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid; en b. maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid be hoort. 3. Vertegenwoordigers van andere dan de in het tweede lid bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer kunnen op uitno diging van het bestuur van de faunabeheereenheid deelnemen aan de vergaderingen van het be stuur en het bestuur adviseren. Artikel 6.2 (faunabeheerplan) 1. Een faunabeheerplan bevat in ieder geval passende en doeltreffende maatregelen voor het voor komen en het bestrijden van schade aangericht door in het wild levende dieren. 2. Een faunabeheerplan wordt onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is om een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer te bewerkstelligen. 3. Een faunabeheerplan heeft geen betrekking op het beheren van populaties van exoten als be doeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving of verwilderde dieren en op het bestrijden van schadeveroorzakende exoten of verwilderde dieren. 4. Voor diersoorten die bij ministeriële regeling zijn aangewezen vanwege de omvang van hun leef gebieden stellen faunabeheereenheden met een binnen een leefgebied vallend werkgebied geza menlijk het faunabeheerplan vast. Artikel 6.3 (voorbereiding, openbaarmaking en verantwoording faunabeheerplan) 1. De faunabeheereenheid hoort de binnen haar werkgebied werkzame wildbeheereenheden over het ontwerp van het faunabeheerplan. 2. De faunabeheereenheid maakt het faunabeheerplan openbaar, zodra dit door het bevoegd gezag op grond van artikel 8.1, tweede of vijfde lid, van de wet is goedgekeurd. 3. De faunabeheereenheid brengt jaarlijks verslag uit van de uitvoering van het faunabeheerplan aan het bevoegd gezag voor de goedkeuring van het faunabeheerplan. 4. Houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit verstrekken aan de fau nabeheereenheid gegevens over de aantallen dieren, onderscheiden naar soort, die zij binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid hebben gedood. 5. De faunabeheereenheden maken een overzicht van de door houders van een omgevingsvergun ning voor een jachtgeweeractiviteit verstrekte gegevens en de gegevens uit het jaarlijkse verslag betrekking hebbend op hun totale werkgebied, openbaar. Artikel 6.4 (Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag) Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist over de goedkeuring van een faunabeheerplan en is bevoegd tot het stellen van de nadere regels over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen, bedoeld in artikel 8.1, derde lid, van de wet, en regels over wildbeheereenheden als bedoeld in ar tikel 8.2, vijfde lid, van de wet als deze betrekking hebben op terreinen waar de Kroondrager ge rechtigd is tot het uitoefenen van de jacht. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 27 HOOFDSTUK 7 VOORKEURSRECHT EN ONTEIGENING AFDELING 7.1 VOORKEURSRECHTBESCHIKKINGEN Artikel 7.1 (inhoud voorkeursrechtbeschikking) 1. Een voorkeursrechtbeschikking bevat in ieder geval: a. de kadastrale aanduidingen van de onroerende zaak of zaken waarop het voorkeursrecht wordt gevestigd en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn ge legen; b. de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen; c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat ge deelte; d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de in de beschikking opgenomen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster; e. de grondslag op basis waarvan het besluit is genomen; f. de eerst mogelijke vervaldatum van het voorkeursrecht; g. voor zover van toepassing: de grondslag op basis waarvan eerder een voorkeursrecht is geves tigd op de onroerende zaak of zaken en het tijdstip waarop dat voorkeursrecht is vervallen; en h. een grondtekening waarop is weergegeven of vermeld: 1°. de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de onroerende zaak of zaken beho ren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de tekening ver melde schaalgrootte; 2°. elke onroerende zaak waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd; 3°. de aansluiting van de onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen gebied; en 4°. een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten. 2. Een voorkeursrechtbeschikking die betrekking heeft op een provinciaal of nationaal voorkeurs recht, vermeldt ook: a. of op de onroerende zaak of zaken al een voorkeursrecht is gevestigd door een ander bestuurs orgaan; en b. als op de onroerende zaak of zaken al een voorkeursrecht is gevestigd door een ander bestuurs orgaan: 1°. het rechtsgevolg van de voorkeursrechtbeschikking voor het al eerder gevestigde voorkeurs recht; 2°. als al een uitnodiging tot onderhandeling is gedaan als bedoeld in artikel 9.12, vierde lid, van de wet: het rechtsgevolg van de voorkeursrechtbeschikking voor die uitnodiging. Artikel 7.2 (besluit tot intrekking en mededeling verval voorkeursrecht of vernietiging van voorkeursrechtbeschikking) 1. Een besluit tot intrekking van een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de wet bevat de kadastrale aanduidingen van de onroerende zaak of zaken waarop de intrekking be trekking heeft en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een mededeling als bedoeld in artikel 9.5, derde lid, van de wet. Artikel 7.3 (aangetekende verzending mededelingen voorkeursrecht) Schriftelijke mededelingen aan of van de vervreemder op grond van de artikelen 9.12, eerste lid, 9.13 en 9.16, eerste lid, van de wet worden gedaan bij aangetekende brief. Artikel 7.4 (afschriften verzoek rechtbank voorkeursrecht) 1. Het bevoegd gezag zendt aan de vervreemder een afschrift van: a. een verzoek aan de rechtbank als bedoeld in artikel 9.16, eerste lid, van de wet; en b. een schriftelijke intrekking van een verzoek als bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b, van de wet. 2. De vervreemder zendt aan het bevoegd gezag een afschrift van een verzoek als bedoeld in arti kel 9.18, eerste lid, van de wet. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 28 AFDELING 7.2 ONTEIGENINGSBESCHIKKINGEN Artikel 7.5 (inhoud onteigeningsbeschikking) Een onteigeningsbeschikking bevat in ieder geval: a. de kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen; b. de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen; c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat ge deelte; d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de te onteigenen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster; e. een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leef omgeving waarvoor de onteigening nodig is; en f. de naam van de onteigenaar. Artikel 7.6 (terinzagelegging ontwerponteigeningsbeschikking) Het ontwerp van de onteigeningsbeschikking wordt ter inzage gelegd met: a. een grondtekening waarop is weergegeven of vermeld: 1°. de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de te onteigenen onroerende zaak of zaken behoren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de te kening vermelde schaalgrootte; 2°. elke te onteigenen onroerende zaak; 3°. de aansluiting van de te onteigenen onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen ge bied; en 4°. een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten; en b. het ter inzage gelegde ontwerp van het omgevingsplan of het projectbesluit, het vastgestelde omgevingsplan of projectbesluit, de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of de verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings planactiviteit waarmee de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leef omgeving mogelijk wordt gemaakt, met daarop ook een projectie van de grondtekening, bedoeld onder a. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 29 HOOFDSTUK 8 FINANCIËLE BEPALINGEN AFDELING 8.1 VERGOEDING EN VERHAAL VAN KOSTEN Artikel 8.1 (aanwijzen gevallen verhaal van kosten bij verontreiniging fysieke leefomge ving) De gevallen van verontreiniging, aantasting, verstoring of beschadiging, bedoeld in artikel 13.3a, eerste lid, van de wet, waarin de voor rekening van de daarin bedoelde rechtspersonen komende kosten kunnen worden verhaald, zijn: a. de verontreiniging of aantasting van de bodem; of b. de verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 8.1a (verhalen van schadevergoeding bij beschikking) Gevallen als bedoeld in artikel 13.3d van de wet zijn de gevallen waarin schadevergoeding als ge volg van een besluit of een regel als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, onder a, e, i of k, van de wet is betaald, voor zover dat besluit of die regel betrekking heeft op waterbeheer. AFDELING 8.2 HEFFINGEN Artikel 8.2 (uitwerken ontgrondingenheffing) 1. Als minder dan 10.000 m3 vaste stoffen in situ wordt ontgraven, is geen heffing als bedoeld in artikel 13.4a, eerste lid, van de wet, verschuldigd. 2. Als het bedrag van de ontgrondingenheffing lager is dan € 250,-, vindt geen teruggave van de heffing plaats. 3. De ontgrondingenheffing wordt geheven bij wijze van aanslag. Artikel 8.3 (vrijstelling grondwateronttrekkingsheffing) Van de heffing, bedoeld in artikel 13.4b, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld onttrekkingen van grondwater: a. door het gemeentebestuur, het waterschapsbestuur, het provinciebestuur of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de uitoefening van taken op het gebied van het beheer van wa tersystemen op grond van de wet; b. voor het gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 4.1146 van het Be sluit activiteiten leefomgeving; c. voor het saneren van een verontreiniging van de bodem of het grondwater; d. voor landijsbanen; e. voor het ontwateren of afwateren van gronden; en f. door een oevergrondwaterwinning. Artikel 8.4 (kosten onderzoeken grondwaterbeleid) 1. De onderzoeken, bedoeld in artikel 13.4b, eerste lid, onder b, van de wet, waarvan de kosten kunnen worden bestreden met de grondwateronttrekkingsheffing zijn de onderzoeken voor het grondwaterbeleid van de provincie die noodzakelijk zijn voor het vaststellen en uitvoeren van een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet. 2. De kosten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 13.4b, vierde lid, van de wet, die kunnen wor den bestreden met de grondwateronttrekkingsheffing zijn de kosten van: a. het monitoren en verzamelen van gegevens over de geohydrologische gesteldheid van de bodem van de provincie; b. een bijdrage aan een onderzoeksprogramma dat direct verband houdt met de totstandkoming en uitvoering van het grondwaterbeleid; c. het verzamelen, beoordelen en berekenen van gegevens voor het grondwaterbeleid; d. het personeel dat de onderzoeken verricht of begeleidt; en e. het beschikbaar stellen van de resultaten van de onderzoeken aan het publiek. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 30 AFDELING 8.3 FINANCIËLE ZEKERHEID Artikel 8.5 (gevallen waarin financiële zekerheid kan worden gesteld) De gevallen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, van de wet, waarvoor aan een omgevingsvergun ning het voorschrift kan worden verbonden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt, zijn: a. een wateractiviteit; b. een ontgrondingsactiviteit; c. het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in ar tikel 3.40b van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.40d van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in artikel 3.41, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven af valwater, bedoeld in artikel 3.41, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; g. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; h. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaar lijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomge ving; i. het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, be doeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; j. het exploiteren van een ippc-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstof fen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; k. het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dier lijk afval, bedoeld in artikel 3.81 van het Besluit activiteiten leefomgeving; l. het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; m. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafval stoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; n. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; o. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afval stoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in artikel 3.87 van het Besluit activiteiten leefomgeving; p. het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motor voertuigen, bedoeld in artikel 3.152 van het Besluit activiteiten leefomgeving; q. het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere re cycling, bedoeld in artikel 3.159 van het Besluit activiteiten leefomgeving; r. het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven metaalafval voor verdere recycling, bedoeld in artikel 3.163 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en s. het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.184 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 8.6 (gevallen waarin financiële zekerheid moet worden gesteld) 1. De gevallen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, van de wet, waarvoor aan een omgevingsvergun ning het voorschrift wordt verbonden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt, zijn: a. het storten van afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b, Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 31 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van een stortplaats waar alleen bagger specie wordt gestort, voor zover het gaat om het nakomen van voorschriften die aan een omge vingsvergunning zijn verbonden over de bovenafdichting als bedoeld in artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. het storten van baggerspecie op een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het nakomen van de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden over het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag op de gestorte baggerspecie na het beëindigen van de stortwerkzaamheden; c. het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. het nakomen van de voorschriften die op grond van paragraaf 8.5.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning zijn verbonden; 2°. het nakomen van regels als bedoeld in paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer; en d. het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theater verbruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en f. het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit activiteiten leef omgeving. 2. Als het exploiteren van een Seveso-inrichting ook omvat het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het daarbij gaat om een mijnbouwwerk voor het opslaan van stoffen, is het eerste lid, aanhef en onder e, niet van toepassing op schade uit nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving als ge volg van dat exploiteren waarvoor financiële zekerheid kan worden gesteld op grond van de artike len 46, 47 en 48 van de Mijnbouwwet. Artikel 8.6a (samenloop artikelen 8.5 en 8.6) Voor zover een geval in zowel artikel 8.5 als artikel 8.6 is aangewezen, is alleen artikel 8.6 van toe passing. Artikel 8.7 (plicht voor openbaar lichaam) 1. Als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is, wordt alleen in gevallen als be doeld in artikel 8.6, onder a, b of c, een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden over het stellen van financiële zekerheid. 2. In gevallen als bedoeld in artikel 8.6, onder a of b, is het treffen van een gelijkwaardige maatre gel uitgesloten voor een ander dan een openbaar lichaam. Artikel 8.8 (afwegingscriteria stellen en wijzigen financiële zekerheid) Het bevoegd gezag houdt bij het verbinden van een voorschrift aan de omgevingsvergunning over het stellen van financiële zekerheid en het wijzigen van een dergelijk voorschrift in een geval als bedoeld in artikel 8.5 in ieder geval rekening met: a. de financiële draagkracht van degene die de activiteit verricht; b. de aanwezigheid en aard van de stoffen die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen veroorzaken; c. de ten hoogste verwachte schade die kan voortvloeien uit door de activiteit veroorzaakte nade lige gevolgen voor de fysieke leefomgeving; d. de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die zijn getroffen ter voorko ming en beperking van schade als bedoeld onder c; e. de verhouding tussen het risico op schade als bedoeld onder c van een bepaalde omvang en de daarmee gemoeide kosten van het stellen van financiële zekerheid; f. de naleving van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; en g. de verhouding tussen de criteria, bedoeld onder a tot en met f. Artikel 8.9 (vorm financiële zekerheidstelling) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 32 1. Het bevoegd gezag stelt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid de vorm vast waarin de financiële zekerheid wordt gesteld. 2. Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van de vorm waarin de financiële zekerheid wordt gesteld, in ieder geval rekening met: a. de voorkeur van degene die de activiteit verricht voor een specifieke vorm van financiële zeker heid, als die vorm voldoende zekerheid biedt; en b. de vraag of degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is. Artikel 8.10 (hoogte bedrag financiële zekerheidstelling) 1. Het bevoegd gezag stelt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid vast voor welk bedrag de zekerheid wordt gesteld. 2. Het bedrag is: a. voor een geval als bedoeld in artikel 8.5 niet hoger dan de kosten die noodzakelijk worden ge acht voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van die activiteit; b. voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder a, ten hoogste € 2,27 per ton gestorte afvalstof fen; c. voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder b, ten hoogste € 1,- per ton droge stof gestorte afvalstoffen; en d. voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder d, ten minste € 5.000.000,- per vergunningplich tige activiteit. 3. Voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder c, is de berekening gebaseerd op de criteria die zijn opgenomen in Beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van 20 april 2009 inzake tech nische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van win ningsindustrieën (PbEG 2009, L 101). Artikel 8.10a (aanvullende bepaling vorm en hoogte bedrag financiële zekerheid) Onverminderd de artikelen 8.9 en 8.10, tweede lid, onder a, kan voor een geval als bedoeld in arti kel 8.6, eerste lid, onder e, als de in dat onderdeel bedoelde milieubelastende activiteit ook omvat het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het daarbij gaat om een mijnbouwwerk voor het opslaan van stoffen, bij het vaststellen van de vorm, respectievelijk hoogte, van financiële zekerheid rekening worden gehouden met de vorm, respectievelijk hoogte, waarin sprake is van: a. een financiële zekerheid op grond van het recht, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Mijn bouwwet; of b. de financiële zekerheid, bedoeld in paragraaf 5.2.4 van de Mijnbouwwet. Artikel 8.11 (termijn instandhouding financiële zekerheidstelling) 1. Het bevoegd gezag stelt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid vast hoe lang de financiële zekerheid in stand wordt gehouden. 2. De financiële zekerheid voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats, met uitzondering van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, wordt in stand gehouden tot de stort plaats is gekeurd als bedoeld in artikel 8.59, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3. De financiële zekerheid voor het storten van baggerspecie op een stortplaats waar alleen bag gerspecie wordt gestort, wordt in stand gehouden tot zo nodig een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag op de gestorte baggerspecie is aangebracht. 4. De financiële zekerheid voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winnings afvalvoorziening wordt in stand gehouden tot: a. de vergunning niet meer geldt, voor zover de financiële zekerheid ziet op het nakomen van de voorschriften die op grond van paragraaf 8.5.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de om gevingsvergunning zijn verbonden; en b. de maatregelen, bedoeld in de artikelen 8.49 en 8.50 van de Wet milieubeheer, zijn uitgevoerd. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 33 Artikel 8.12 (bewijsvoering financiële zekerheidstelling) Het bevoegd gezag bepaalt in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid dat, binnen een door het bevoegd gezag te bepalen redelijke termijn nadat dat voorschrift aan de vergunning is verbonden, bewijs wordt verstrekt dat financiële zekerheid is gesteld. AFDELING 8.4 KOSTENVERHAAAL Artikel 8.13 (kostenverhaalplichtige activiteiten) Bouwactiviteiten waarvan kosten worden verhaald als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de wet, zijn: a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; b. de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cu mulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. Artikel 8.14 (afzien van kostenverhaal) Het bevoegd gezag kan beslissen kosten niet te verhalen als: a. het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van artikel 13.18 van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,-; b. er geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV zijn; of c. de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aanslui ting op nutsvoorzieningen betreffen. Artikel 8.15 (verhaalbare kostensoorten) De kostensoorten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de wet, zijn: a. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor geen tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is opgenomen: de in tabel A van bijlage IV aangegeven kostensoorten; en b. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor wel een tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is opgenomen: de in de tabellen A en B van bijlage IV aangegeven kostensoorten. Artikel 8.16 (raming opbrengsten van gronden) Bij de raming van de opbrengsten, bedoeld in artikel 13.17 van de wet, wordt uitgegaan van de op brengst van de gronden op een datum in het jaar waarin de beschikking, bedoeld in artikel 13.18, eerste lid, van de wet, zal worden gegeven. Artikel 8.17 (raming inbrengwaarde van gronden) 1. De raming van de inbrengwaarde, bedoeld in artikel 13.17 van de wet, wordt vastgesteld: a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15.21 tot en met 15.24 van de wet, met dien verstande dat voor gronden die zijn onteigend of waarvoor een onteigeningsbeschikking is gegeven of die op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde gelijk is aan de schade loosstelling op basis van paragraaf 15.3.1 van de wet; of b. overeenkomstig de waarde die bij beschikking op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor het kalenderjaar waarin de raming wordt vastge steld. 2. Tot de inbrengwaarde worden gerekend: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 34 a. de waarde van de grond en de te slopen opstallen in de toestand voorafgaand aan het vaststel len van het omgevingsplan of het projectbesluit of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; en b. de in bijlage IV, onder B2, B3 en B4, genoemde kosten, inclusief de kosten die voorafgaand aan het vaststellen van het omgevingsplan of het projectbesluit of het verlenen van de omgevingsver gunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn gemaakt en die direct verband houden met de te verrichten bouwactiviteiten. Artikel 8.18 (raming waardevermeerdering) 1. De raming van de waardevermeerdering, bedoeld in artikel 13.17 van de wet, wordt vastgesteld door de geraamde opbrengst van de locatie waar de activiteit wordt verricht te verminderen met de geraamde inbrengwaarde van die locatie. 2. Op de ramingen van de opbrengst en de inbrengwaarde zijn de artikelen 8.16 en 8.17 van over eenkomstige toepassing. Artikel 8.19 (eindafrekening op verzoek) Een eindafrekening op verzoek als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de wet vindt plaats op basis van de op het moment van de aanvraag om de eindafrekening: a. gemaakte kosten; en b. geraamde nog niet-gemaakte kosten. AFDELING 8.5 FINANCIËLE BIJDRAGEN VOOR ONTWIKKELINGEN VAN EEN GEBIED Artikel 8.20 (activiteiten waarover financiële bijdragen kunnen worden overeengeko men) De activiteiten waarover in een overeenkomst bepalingen over financiële bijdragen kunnen worden opgenomen, bedoeld in artikel 13.22, eerste lid, van de wet, zijn: a. de activiteiten, bedoeld in artikel 8.13; b. de bouw van een bouwwerk geen gebouw zijnde als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwer ken leefomgeving voor: 1°. land- of tuinbouw, voor zover de oppervlakte ten minste 100 m2 bedraagt; 2°. opwekking of winning, omzetting of transport van energie of van gasvormige, vloeibare of vaste stoffen als energiedrager; 3°. infrastructuur, voor zover het gaat om wegen, vaarwegen, spoorwegen of telecommunicatie infrastructuur; 4°. handelsreclame; of 5°. recreatie; en c. andere activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie, voor zover het gaat om het gebruik van: 1°. een of meer bestaande gebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, mits de bruto-vloeropper vlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.500 m2 bedraagt; 2°. gronden, mits de grondoppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.000 m2 be draagt; of 3°. een of meer bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning. Artikel 8.21 (categorieën ontwikkelingen waarvoor financiële bijdragen kunnen worden verhaald) 1. Als categorieën ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarvoor, als wordt voldaan aan de criteria van artikel 13.23, eerste lid, onder a en b, van de wet, in een omgevingsplan kan worden bepaald dat een financiële bijdrage wordt verhaald op degene die een activiteit als bedoeld in artikel 13.11 van de wet verricht, worden aangewezen: a. wijziging van de inrichting van het landelijk gebied ter verbetering van landschappelijke waarden door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen het verwijderen van vrijkomende agrarische bebouwing en het herstellen of aan vullen van landschappelijke elementen; b. aanleg of wijziging van gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet of gebieden die in het Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 35 omgevingsplan ter bescherming van de natuur zijn aangewezen en herstel, op basis van een omge vingsvisie of programma, van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voor komen door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen maatregelen in de fysieke leefomgeving: 1°. ter vermindering van de stikstofdepositie; of 2°. ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. aanleg van infrastructuur voor verkeers- en openbaar vervoersnetwerken van gemeentelijk of regionaal belang; d. aanleg van recreatievoorzieningen die behoren tot de gemeentelijke of regionale groenstructuur, waaronder in ieder geval worden begrepen parken en recreatiegebieden; e. ontwikkelingen gericht op het bereiken van een naar prijsklasse evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad in de gemeente of regio door middel van het realiseren van sociale huur- of koopwoningen als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leef omgeving buiten het gebied waar de activiteit, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, plaatsvindt, voor zover in dat gebied met het oog op die evenwichtige samenstelling onvoldoende sociale huur of koopwoningen worden gerealiseerd en het op een andere locatie realiseren van die woningen: 1°. in het omgevingsplan is toegelaten of voorgeschreven op grond van regels als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a of b, van dat besluit of in een programma is opgenomen; en 2°. tot gevolg heeft dat de kosten, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, op grond van het eerste lid van dat artikel niet volledig kunnen worden verhaald of dat een tekort op de gemeentelijke exploi tatie van de benodigde gronden ontstaat; en f. stedelijke herstructurering ter verbetering van het woon- en leefklimaat in verouderde wijken of gebieden met leegstandsproblemen door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leef omgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen het slopen van woningen en het aanleggen of wijzigen van wegen. 2. Onder de aanwijzing valt niet de aanleg van voorzieningen of het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving waarvoor kosten worden gemaakt die op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk moeten worden verhaald op degene die de betrokken activiteit verricht. Artikel 8.22 (regels over eindafrekening van financiële bijdragen) 1. Als op grond van artikel 13.23, eerste lid, van de wet in een omgevingsplan wordt bepaald dat voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving een financiële bij drage wordt verhaald, worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over de eindafrekening van de financiële bijdragen die met toepassing van artikel 13.24 van de wet worden verhaald. Daarbij wordt in ieder geval bepaald binnen welke termijn de eindafrekening plaatsvindt. 2. Als bij de eindafrekening blijkt dat de voor de ontwikkeling benodigde financiële bijdrage lager is dan de op grond van de beschikking, bedoeld in artikel 13.24 van de wet, betaalde geldsom, be taalt het college van burgemeester en wethouders het verschil terug met rente. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 36 HOOFDSTUK 9 SCHADE Artikel 9.1 (gevallen onder normaal maatschappelijk risico) Als gevallen waarin schade wordt geacht niet uit te gaan boven het normale maatschappelijke ri sico als bedoeld in artikel 15.7, vierde lid, van de wet, worden aangewezen omgevingsplanactivitei ten met betrekking tot bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29, onder a tot en met r, van het Be sluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 9.2 (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag nadeelcompensatie) 1. Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 15.8, derde lid, van de wet overdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet mede deling van dat besluit door toezending daarvan aan de aanvrager. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken. Artikel 9.3 (aanwijzing diersoorten voor tegemoetkoming schade) Voor de schade aangericht door dieren van de volgende soorten verlenen gedeputeerde staten een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 15.53, eerste lid, van de wet: a. soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; en c. soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 37 HOOFDSTUK 10 PROCEDURES AFDELING 10.0 MINISTERIËLE REGELING Artikel 10.0 (publicatie ontwerp regeling) 1. Bij de publieksparticipatie, bedoeld in artikel 23.4, eerste lid, van de wet, wordt van het ontwerp van een ministeriële regeling op grond van de wet ook mededeling gedaan in de vorm van een vol ledige publicatie in de Staatscourant. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van een ministeriële regeling voor de inwer kingtreding van dit besluit is opengesteld voor publieksparticipatie. AFDELING 10.1 OMGEVINGSPLAN, WATERSCHAPSVERORDENING EN OMGEVINGSVERORDENING Artikel 10.1 (overleg bestuursorgaan voorafgaand aan voorbereidingsbesluit) Het bevoegde bestuursorgaan voert voorafgaand aan het nemen van een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 4.16, eerste of tweede lid, van de wet overleg met het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad. Artikel 10.2 (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan) 1. Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, bedoeld in artikel 16.29 van de wet, wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en be stuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. 2. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maat schappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resul taten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepas selijke decentrale participatiebeleid. Artikel 10.3 (toezending en overleg bij bijzondere betrokkenheid provincie) 1. De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders zenden een besluit tot vast stelling van een omgevingsplan onverwijld aan gedeputeerde staten als sprake is van een geval als bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onder a of b, van de wet. 2. Gedeputeerde staten voeren voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 16.21 van de wet overleg met het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad. Artikel 10.3a (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie waterschapsverorde ning) Bij het vaststellen van een waterschapsverordening wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toe passelijke decentrale participatiebeleid. Artikel 10.3b (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsverorde ning) Bij het vaststellen van een omgevingsverordening wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maat schappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resul taten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepas selijke decentrale participatiebeleid. Artikel 10.3c (publicatie ontwerp omgevingsplan, waterschapsverordening en omge vingsverordening) 1. Bij de voorbereiding van een omgevingsplan, een waterschapsverordening en een omgevings verordening waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het gemeenteblad, het waterschapsblad respectievelijk het pro vinciaal blad. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 38 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van het omgevingsplan, de waterschapsver ordening en de omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd. AFDELING 10.2 TAKEN EN INSTRUCTIES Artikel 10.4 (actualisatie zwemwaterprofiel) Een zwemwaterprofiel als bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt regel matig beoordeeld en geactualiseerd in overeenstemming met bijlage III bij de zwemwaterrichtlijn. Artikel 10.5 (overleg bij aanwijzing zwemlocaties) Als de aanwijzing van zwemlocaties, bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, overleggen gedeputeerde staten met de voor die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten. Artikel 10.6 (overleg bestuursorgaan voorafgaand aan instructie) Het bevoegde bestuursorgaan voert voorafgaand aan het geven van een instructie op grond van artikel 2.33, 2.34 of 19.16, eerste en vierde lid, van de wet overleg met het bestuursorgaan waar aan de instructie wordt gegeven. Artikel 10.6a (publicatie instructie) Van een instructie van een bestuursorgaan van een provincie of het Rijk op grond van artikel 2.33 of 2.34 van de wet wordt tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling ge daan in het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant. Artikel 10.6b (bekendmaking kwantificering instandhoudingsdoelstellingen natuur en rode lijsten) Onze Minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor bekendmaking in de Staatscourant van: a. een kwantificering van instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, on der a, onder 2˚, van de wet; en b. rode lijsten met bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten als bedoeld in arti kel 2.19, vierde lid, onder a, onder 3˚, van de wet. Artikel 10.6c (actualisatie aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden en bijzondere na tionale natuurgebieden) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor de actualisatie van de besluiten tot aan wijzing van een Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet, en van de be sluiten tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied, bedoeld in artikel 2.44, tweede lid, van de wet. 2. Bij de actualisatie wordt rekening gehouden met de inzichten die voortkomen uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 10.6d (opvatting Europese Commissie over dwingende redenen van groot open baar belang bij Natura 2000-gebieden) De opvatting van de Europese Commissie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, over het aanvoeren van andere dwingende redenen van groot openbaar belang dan argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu we zenlijk gunstige effecten, als sprake is van een Natura 2000-gebied met een prioritair type natuur lijke habitat of een prioritaire soort, wordt door Onze Minister voor Natuur en Stikstof gevraagd, op verzoek van het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of voor de vaststelling van een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn. AFDELING 10.2A GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS ALS OMGEVINGSWAARDEN Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 39 Artikel 10.6e (voorbereidingsprocedure besluit tot vaststelling van geluidproductiepla fond als omgevingswaarde) Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in de arti kelen 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, en 2.15, tweede lid, van de wet, tenzij bij die vaststelling uitsluitend artikel 3.41, 3.42, 3.43 of 3.46, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt toegepast. AFDELING 10.3 OMGEVINGSVISIES Artikel 10.7 (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsvisie) 1. Bij het vaststellen van een omgevingsvisie wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maat schappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resul taten daarvan zijn. 2. Als een omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad of provinciale staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participa tiebeleid. Artikel 10.7a (publicatie ontwerp en beschikbaar stellen geconsolideerde omgevingsvi sie) 1. Bij de voorbereiding van een gemeentelijke, provinciale of nationale omgevingsvisie waarop af deling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp medede ling gedaan in het gemeenteblad, het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant. 2. Artikel 140 van de Gemeentewet, artikel 137 van de Provinciewet en artikel 10a van de Bekend makingswet zijn van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijke, provinciale respectievelijk nationale omgevingsvisie. AFDELING 10.4 PROGRAMMA’S § 10.4.1 Algemeen Artikel 10.8 (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie programma) 1. Bij het vaststellen van een programma wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappe lijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. 2. Als een programma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, het algemeen bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid. Artikel 10.9 (informatieverplichting gemeenten, waterschappen, provincies) Het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad, het dagelijks bestuur of het al gemeen bestuur van een waterschap en gedeputeerde staten of provinciale staten verstrekken aan Onze Minister die het aangaat de benodigde gegevens over: a. een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet voor zover dat is gericht op het voldoen aan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht; b. een stroomgebiedsbeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a, van de wet; c. een overstromingsrisicobeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder b, van de wet; d. een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de wet; e. een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of f. een actieplan geluid als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.9, eerste lid, van de wet. § 10.4.2 Programma’s kwaliteit van de buitenlucht Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 40 Artikel 10.10 (overleg bij kwaliteit van de buitenlucht) Bij de totstandkoming van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, voor zover dat is gericht op het voldoen aan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht, overlegt het college van burgemeester en wethouders of het op grond van artikel 4.1 van het Be sluit kwaliteit leefomgeving aangewezen bestuursorgaan met de bevoegde autoriteiten van andere staten als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door grensoverschrijdende emissies. Artikel 10.10a (actualisatie nationaal nec-programma) Het nationale nec-programma wordt geactualiseerd: a. elke vier jaar; en b. binnen achttien maanden na de indiening van de nationale emissie-inventarissen en nationale emissieprognoses, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als blijkt dat de emissiereductieverbintenissen en de verplichting om maatregelen te treffen, bedoeld in artikel 4 van die richtlijn, niet worden nagekomen, of als het gevaar bestaat dat dit het geval zal zijn. § 10.4.3 Waterprogramma’s Artikel 10.11 (overleg bij en actualisatie van stroomgebiedsbeheerplannen en overstro mingsrisicobeheerplannen) 1. Bij de totstandkoming van stroomgebiedsbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a en b, van de wet voor de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems voor zover die betrekking hebben of ook betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met: a. de bevoegde autoriteiten van andere staten in die stroomgebiedsdistricten; b. het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten als een stroomgebiedsdistrict of een gedeelte daarvan op het grondgebied van dat waterschap of die provincie ligt; en c. vertegenwoordigers van gemeenten. 2. Een stroomgebiedsbeheerplan en een overstromingsrisicobeheerplan worden elke zes jaar geac tualiseerd. Artikel 10.12 (overleg bij, actualisatie en operationaliteit programma van maatregelen mariene strategie) 1. Bij de totstandkoming van een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in ar tikel 3.9, tweede lid, onder c, van de wet overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio. 2. Het programma van maatregelen mariene strategie wordt elke zes jaar geactualiseerd. 3. Het programma van maatregelen mariene strategie is operationeel uiterlijk een jaar na de actua lisatie, bedoeld in het tweede lid. Artikel 10.13 (overleg bij en actualisatie documenten ter voorbereiding van programma van maatregelen mariene strategie; initiële beoordeling, omschrijving goede milieutoe stand en milieudoelen) 1. Bij de totstandkoming van de initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overlegt Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van de zelfde mariene subregio. 2. De initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen worden elke zes jaar geactualiseerd. Artikel 10.14 (overleg bij en actualisatie documenten ter voorbereiding van programma van maatregelen mariene strategie; monitoringsprogramma) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 41 1. Bij de totstandkoming van het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11.38, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio. 2. Het monitoringsprogramma wordt elke zes jaar geactualiseerd. Artikel 10.15 (overleg bij, actualisatie en eerste vaststelling van maritiem ruimtelijk plan) 1. Bij de totstandkoming van een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, on der d, van de wet overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autori teiten van andere staten die aan de Nederlandse mariene wateren grenzen, onder meer over het gebruik van de best beschikbare gegevens en de uitwisseling van informatie. 2. Een maritiem ruimtelijk plan wordt elke tien jaar geactualiseerd. Artikel 10.16 (overleg bij, actualisatie en operationaliteit maatregelen van waterpro gramma’s) 1. Bij de totstandkoming van het nationale waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, on der e, van de wet, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met: a. de bevoegde autoriteiten van andere staten; b. het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten als de rijkswateren of een ge deelte daarvan op het grondgebied van dat waterschap of die provincie liggen; en c. vertegenwoordigers van gemeenten. 2. Een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, een regionaal waterpro gramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet en het nationale waterprogramma wor den elke zes jaar geactualiseerd. 3. Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, 4.4, derde lid, onder a, of 4.10, derde lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma, zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid. § 10.4.4 Actieplannen geluid Artikel 10.17 (overleg bij en actualisatie van actieplannen geluid) 1. Bij de totstandkoming van een actieplan als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.9, eerste lid, van de wet overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende staten voor zover het actieplan ook betrekking heeft op een grensregio. 2. Een actieplan wordt elke vijf jaar geactualiseerd. § 10.4.5 Beheerplannen Natura 2000-gebieden Artikel 10.18 (actualisatie en eerste vaststelling beheerplan Natura 2000) 1. Een beheerplan voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet wordt elke zes jaar geactualiseerd. 2. Het eerste beheerplan Natura 2000 wordt vastgesteld uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet. § 10.4.6 Programma stikstofreductie en natuurverbetering Artikel 10.19 (actualisatie programma stikstofreductie en natuurverbetering) Het programma stikstofreductie en natuurverbetering wordt ten minste elke zes jaar geactuali seerd. Artikel 10.19a (overleg met andere landen en Europese Commissie) 1. Als uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of uit de Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 42 gegevensverzameling, bedoeld in artikel 11.69a van dat besluit, blijkt dat ondanks alle maatrege len die al zijn getroffen een instandhoudingsdoelstelling voor een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied niet kan worden bereikt of alleen met een onevenredige inspanning kan worden bereikt als gevolg van stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door bronnen in andere lid staten van de Europese Unie, overlegt Onze Minister voor Natuur en Stikstof met de lidstaten waar uit de stikstof overwegend afkomstig is, over maatregelen in die lidstaten om de emissie te vermin deren. 2. Als vermindering van de emissie redelijkerwijs niet mogelijk is, overlegt Onze Minister voor Na tuur en Stikstof met de Europese Commissie over de toepassing van de vogelrichtlijn en de habitat richtlijn voor dit Natura 2000-gebied en de betrokken habitat. AFDELING 10.5 MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN Artikel 10.19b (aanvraag maatwerkvoorschrift activiteiten die de natuur betreffen) Voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over artikel 11.96 of 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt gebruikgemaakt van het elektronische for mulier dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar is gesteld op mijn.rvo.nl. Artikel 10.20 (kennisgeving melding en maatwerkvoorschrift) 1. Het bevoegd gezag geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis van: a. meldingen als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomge ving; en b. meldingen als bedoeld in artikel 7.33 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 2. Het bevoegd gezag geeft kennis van maatwerkvoorschriften als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze. AFDELING 10.6 OMGEVINGSVERGUNNING § 10.6.1 Aanvraag en werking omgevingsvergunning Artikel 10.21 (aanvraag omgevingsvergunning wateractiviteiten los) Voor alle wateractiviteiten wordt de omgevingsvergunning los aangevraagd van de omgevingsver gunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 van de wet. Artikel 10.21a (aanvraag omgevingsvergunning activiteiten die de natuur betreffen los) Voor de volgende activiteiten die de natuur betreffen wordt de omgevingsvergunning los aange vraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 van de wet: a. een jachtgeweeractiviteit; b. een valkeniersactiviteit; en c. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c. Artikel 10.21b (nadere regels aanvraag en uitreiking omgevingsvergunning jachtgeweer activiteit) 1. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt door de aan vrager in persoon ingediend, onder overlegging van een geldig identiteitsbewijs. 2. Het eerste lid en artikel 16.78a, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op een aanvrager die een aanvraag indient om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 10.23, vijfde lid. Artikel 10.21c (nadere regels aanvraag omgevingsvergunning valkeniersactiviteit) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 43 Voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een valke niersactiviteit wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar is gesteld op mijn.rvo.nl. Artikel 10.21d (nadere regels aanvraag omgevingsvergunning andere activiteiten die de natuur betreffen) Voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c, wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar is gesteld op mijn.rvo.nl. Artikel 10.22 (informatie omgevingsvergunning milieubelastende activiteit) 1. Het bevoegd gezag verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een andere staat een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit met de daarbij be horende gegevens als: a. die activiteit aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu in die staat kan veroorzaken; of b. die staat vanwege mogelijke aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu daarom verzoekt. 2. Het afschrift en de daarbij behorende gegevens worden verstrekt op het moment waarop op grond van: a. artikel 16.57 van de wet kennis wordt gegeven van de aanvraag; of b. artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het ontwerpbesluit met de daarbij behorende stukken ter inzage wordt gelegd. 3. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een winningsafvalvoorziening categorie A als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een andere staat, en over het op die aanvraag te nemen besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in die andere staat, wordt dit overleg vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. 4. Als de aanvraag betrekking heeft op het produceren en leveren van teruggewonnen water, be doeld in artikel 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt informatie uitgewisseld als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 8, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afval water. 5. Nadat het besluit is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat besluit aan de bevoegde auto riteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties van die andere staat. Artikel 10.22a (informatie omgevingsvergunning cultureel erfgoed) 1. Het bevoegd gezag verstrekt binnen een week na de dag waarop een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit is verleend een afschrift van de vergunning aan het college van bur gemeester en wethouders en aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 2. Het bevoegd gezag verstrekt binnen een week na de dag waarop een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de wet is verleend die van invloed is op het karakter van dat stads- of dorps gezicht, een afschrift van de vergunning aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 10.23 (termijnstelling in omgevingsvergunning) 1. In een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een tijdelijk bouw werk wordt bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij de omgevingsvergun ning gestelde termijn van ten hoogste vijftien jaar, verplicht is de voor de verlening van de omge vingsvergunning bestaande toestand te hebben hersteld. 2. Als de in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit bepaalde termijn korter is dan vijftien jaar, kan die termijn worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar. 3. In een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt bepaald dat die geldt: a. voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste een jaar, binnen een periode die loopt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende jaar; of b. als dat eerder is, tot het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd waarbij de bevoegdheid tot het gebruik van een geweer ter uitvoering van de wet is ontzegd. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 44 4. In een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt bepaald dat die geldt: a. voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste vijf jaar, binnen een periode die loopt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende jaar; of b. als dat eerder is, tot het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd waarbij de bevoegdheid tot het gebruik van een roofvogel ter uitvoering van de wet is ontzegd. 5. Als toepassing wordt gegeven aan artikel 8.74u of 8.74x van het Besluit kwaliteit leefomgeving en een omgevingsvergunning aan niet in Nederland woonachtige personen wordt verleend, wordt in de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en in de omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit bepaald dat die geldt voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste zes op eenvolgende in de vergunning vermelde dagen. § 10.6.2 Toepassing afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 10.24 (voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning) 1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om, wijziging van of intrekking van een omgevingsvergunning, als de aan vraag, wijziging of intrekking geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de volgende activiteiten: a. een rijksmonumentenactiviteit als het gaat om een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in arti kel 4.32, eerste lid, onder a of b; b. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een Seveso-in richting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieube lastende installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in artikel 3.63, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het storten of verzamelen van winnings afvalstoffen in een winningsafvalstoffenvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, onder c, van het Be sluit activiteiten leefomgeving; f. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lo zen van afvalwater afkomstig van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activi teiten leefomgeving; g. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lozen van afvalwater afkomstig van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; h. een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, 3.42, tweede lid, 3.108, 3.141, 3.149, 3.286, derde lid, 3.301, tweede lid, 6.55, eerste lid, onder c, of 7.60, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; i. een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62 van het Besluit activiteiten leefomgeving; j. een Natura 2000-activiteit; of k. een wateractiviteit anders dan bedoeld in de onderdelen f tot en met i, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, als die betrekking heeft op: 1°. een ippc-installatie; of 2°. een Seveso-inrichting. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, als die activiteit alleen wordt verricht voor archeologisch vooronderzoek voor zover dit bestaat uit booron derzoek, proefputtenonderzoek, proefsleuvenonderzoek, of, bij cultureel erfgoed onder water, het nemen van materiaalmonsters of het meenemen van een archeologische vondst als bedoeld in de Erfgoedwet. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder d, als die activiteit alleen of voornamelijk wordt uitgevoerd voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe methoden of producten gedurende minder dan twee jaar, tenzij aannemelijk is dat de acti viteit significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 45 4. Dit artikel is niet van toepassing op een wijziging van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, en k, onder 1°, als die wijziging naar het oordeel van het be voegd gezag geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu. Artikel 10.25 (toepassing coördinatieregeling Awb) 1. In een geval als bedoeld in artikel 16.7, eerste lid, onder a, van de wet is coördinerend be stuursorgaan als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het be stuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de andere activiteit of activiteiten dan wa teractiviteiten. 2. In de gevallen, bedoeld in artikel 16.7, eerste lid, onder b, van de wet, is coördinerend bestuurs orgaan als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursor gaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, respectievelijk dat bevoegd is die voorschriften ambtshalve te wijzigen. AFDELING 10.7 GEDOOGPLICHTBESCHIKKING Artikel 10.26 (intrekking gedoogplichtbeschikking) Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een gedoogplichtbeschikking. AFDELING 10.7A AANWIJZING ALS CERTIFICATIE-INSTELLING Artikel 10.26a (toepassing afdeling 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de beslissing op een aanvraag om aan wijzing als certificatie-instelling en de beslissing op een aanvraag om aanwijzing van een certifica tieschema als bedoeld in de artikelen 3.74, eerste lid, en 3.75, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. AFDELING 10.7B TOELATINGSPROCEDURE EN GEGEVENSVERSTREKKING STELSEL VAN KWALI TEITSBORGING VOOR HET BOUWEN Artikel 10.26b (aanvraagvereisten) 1. De aanvrager verstrekt bij de aanvraag om toelating van een instrument voor kwaliteitsborging tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen als bedoeld in artikel 3.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden. 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden hoeven niet te worden verstrekt voor zo ver de toelatingsorganisatie al over die gegevens of bescheiden beschikt. Artikel 10.26c (toepassing afdeling 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de beslissing op de aanvraag om toela ting van een instrument voor kwaliteitsborging tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bou wen als bedoeld in artikel 3.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 10.26d (registratie instrumentaanbieders) De toelatingsorganisatie neemt binnen twee werkdagen na de datum waarop een beschikking als bedoeld in artikel 7ad, 7ae, 7af of 7ag van de Woningwet is gegeven in het register, bedoeld in arti kel 7ai, eerste lid, van die wet op: a. de datum van de beschikking tot toelating van het instrument, de bedrijfsnaam en de plaats van vestiging van de instrumentaanbieder, en het nummer van inschrijving van de instrumentaanbieder Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 46 in het handelsregister; b. de naam van het toegelaten instrument, met vermelding van de gevolgklassen en de type bouw werken waarop het instrument is gericht; c. de datum van de aan de instrumentaanbieder gegeven waarschuwing en de datum en de termijn van de schorsing of intrekking van de toelating van een instrument met vermelding van de reden voor de waarschuwing, schorsing of intrekking. Artikel 10.26e (registratie kwaliteitsborgers) 1. De toelatingsorganisatie neemt binnen twee werkdagen na ontvangst daarvan de gegevens, be doeld in artikel 7ah, eerste lid, van de Woningwet, op in het register, bedoeld in artikel 7ai, eerste lid, van die wet. 2. Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de toelatingsorganisatie ver meldt de instrumentaanbieder: a. de bedrijfsnaam en de plaats van vestiging van de kwaliteitsborger en het nummer van inschrij ving van de kwaliteitsborger in het handelsregister; b. vermelding van de gevolgklasse en de type bouwwerken waarop de toestemming is gericht; c. voor zover van toepassing: 1°. de reden voor de waarschuwing en de datum waarop de waarschuwing is gegeven; 2°. de reden voor de schorsing en de datum en de termijn van de schorsing; en 3°. de reden voor de intrekking en de datum van de intrekking. AFDELING 10.8 VERSTREKKEN EN BESCHIKBAAR STELLEN VAN GEGEVENS § 10.8.1 Externe veiligheid Artikel 10.27 (gegevensverstrekking externe veiligheidsrisico’s) De bestuursorganen, bedoeld in artikel 11.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verstrekken de gegevens over externe veiligheid, bedoeld in de artikelen 11.2, 11.3, 11.4, 11.6 en 11.7 van dat besluit, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: a. als het gaat om een activiteit met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in de artikelen 5.23, 5.26, 5.31 van dat besluit of bijlage VII, onder A, B, D, onder 1, en E, bij dat besluit, of waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet, onverwijld na: 1°. de inwerkingtreding van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevings vergunning of een vergunning als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet; 2°. de ontvangst van een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. de ontvangst van de informatie inhoudende dat niet binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht aan de in het Besluit activiteiten leefomgeving voor die activiteit be paalde afstand is voldaan; of 4°. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling over een besluit als bedoeld onder 1° of een melding als bedoeld on der 2°; en b. voor locaties van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwets bare en kwetsbare locaties als bedoeld in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving onver wijld na: 1°. de inwerkingtreding van een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan; 2°. de inwerkingtreding van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevings vergunning; of 3°. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling, over een besluit als bedoeld onder 1° of 2°. Artikel 10.27a (overgangsrecht gegevensverstrekking externe veiligheidsrisico’s) Als een activiteit al rechtmatig wordt verricht op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.27, dan geldt de verplichting om gegevens te verstrekken, bedoeld in de aanhef van dat artikel, met ingang van 1 januari 2025. De gegevens worden onverwijld verstrekt. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 47 Artikel 10.28 (gegevensverstrekking domino-effecten Seveso-inrichting) Wanneer het bevoegd gezag beschikt over gegevens als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, die niet zijn verstrekt door degene die de Seveso-in richting exploiteert, worden die gegevens beschikbaar gesteld aan degene die de Seveso-inrichting exploiteert voor zover dit nodig is voor de toepassing van artikel 4.13 van dat besluit. § 10.8.1a Waterveiligheid Artikel 10.28a (gegevensverstrekking veiligheid primaire waterkeringen) Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt voor elke primaire waterkering waarover het het beheer heeft een verslag over de algemene waterstaatkundige toestand als bedoeld in artikel 11.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. § 10.8.2 Kwaliteit van de buitenlucht Artikel 10.29 (verstrekking en publicatie gegevens over luchtkwaliteit) 1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, waarvan het grondgebied ligt in een aandachtsgebied dat is aangewezen in artikel 5.51, tweede of derde lid, van het Besluit kwa liteit leefomgeving, en gedeputeerde staten van de provincie waarvan het grondgebied in dat ge bied ligt, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.22, eerste en tweede lid, van dat besluit, jaarlijks uiterlijk op 31 mei aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt jaarlijks uiterlijk op 31 maart de gegevens, bedoeld in artikel 11.22, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar. 3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt jaarlijks uiterlijk op 31 december een ver slag van de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de bui tenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elek tronisch beschikbaar. Artikel 10.30 (beschikbaar stellen informatie over emissies) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de nationale emissie-inventarissen en natio nale emissieprognoses, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar. Artikel 10.31 (bekendmaking tijdelijke regels bij luchtverontreiniging) De commissaris van de Koning maakt een besluit met regels over het gebruik van installaties of brandstoffen en over andere verontreinigende activiteiten als bedoeld in artikel 19.12, eerste of derde lid, van de wet, via de media en langs elektronische weg bekend. Van het besluit wordt ver volgens zo spoedig mogelijk mededeling gedaan in het provinciaal blad, onder vermelding van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit. § 10.8.3 Waterkwaliteit Artikel 10.32 (beschikbaar stellen monitoringsprogramma) Een monitoringsprogramma als bedoeld in artikel 11.28 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt elektronisch beschikbaar gesteld. Artikel 10.33 (gegevensverstrekking opstellen stroomgebiedsbeheerplannen) Het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verstrekken de door hen verza melde gegevens die nodig zijn voor het opstellen van stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in ar tikel 11.35 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch aan Onze Minister van Infrastruc tuur en Waterstaat, uiterlijk op de volgende tijdstippen: a. 22 juni 2026 en 22 juni 2027; en b. om de zes jaar na de tijdstippen, bedoeld onder a. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 48 Artikel 10.33a (gegevensverstrekking resultaten analyses en beoordeling kaderrichtlijn water) Het gemeentebestuur, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verstrek ken uiterlijk op 22 juni 2025 en vervolgens om de zes jaar de resultaten van de analyses en beoor deling, bedoeld in artikel 11.36 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch aan Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 10.33b (gegevensverstrekking voortgang uitvoering van maatregelen) Het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verstrekken uiterlijk op 22 juni 2024 en vervolgens om de zes jaar de gegevens over de voortgang van de uitvoering van de maat regelen, bedoeld in artikel 11.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch aan Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 10.34 (gegevensverstrekking beschermde gebieden kaderrichtlijn water) Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, gedepu teerde staten en Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekken zo spoedig mogelijk na gegevens verzameling, de als gegevens verzamelde beschermde gebieden, bedoeld in artikel 11.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 10.35 (verstrekking en publicatie gegevens inzameling, transport en behandeling stedelijk afvalwater en afvoer slib) 1. Het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk verstrekt de gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwa ter en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, vier maanden na ontvangst van een verzoek daartoe aan Onze Minister van Infrastructuur en Water staat. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt elke twee jaar het verslag van de gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwa ter en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.42 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektro nisch beschikbaar. Artikel 10.36 (beschikbaar stellen verslagen kaderrichtlijn water) Het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen aan het eind van de looptijd van een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet respectievelijk het nationale waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de wet, elektronisch beschikbaar: a. een verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor waterkwali teit, bedoeld in de artikelen 2.10, 2.11, 2.13, 2.14 en 2.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. een verslag als bedoeld in artikel 11.41 van het Besluit kwaliteit leefomgeving over de resultaten van de monitoring van de andere parameters, bedoeld in artikel 11.27 van dat besluit. Artikel 10.36aa (gegevensverstrekking verordening hergebruik stedelijk afvalwater) Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de gegevens waarover zij beschikken die nodig zijn om te voldoen aan artikel 11, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater. § 10.8.3a Natuur Artikel 10.36a (rapportages vogelrichtlijn en habitatrichtlijn) 1. Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof gegevens over: a. door gedeputeerde staten of provinciale staten genomen besluiten of getroffen maatregelen ter uitvoering van de vogelrichtlijn en van de habitatrichtlijn; en b. de staat van instandhouding van: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 49 1°. de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende vogelsoorten; en 2°. de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen I, II, IV en V bij de habitatrichtlijn. 2. De gegevens worden verstrekt ten behoeve van: a. de toepassing van artikel 4, eerste lid, van de vogelrichtlijn en artikel 4, eerste lid, in samen hang met artikel 11 van de habitatrichtlijn; b. de verslaglegging, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de vogelrichtlijn en artikel 16, tweede lid, van de habitatrichtlijn; en c. de verslaglegging, bedoeld in artikel 12 van de vogelrichtlijn, en artikel 17 van de habitatricht lijn. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de ge gevens, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, laatste zin, en 10, tweede lid, van de vogelrichtlijn aan de Europese Commissie. Artikel 10.36b (melding compenserende maatregelen Natura 2000-gebieden aan Euro pese Commissie) 1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of voor de vaststelling van een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn meldt gegevens over de compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, of 10.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie. Artikel 10.36c (rapportage uitvoering invasieve-exoten-basisverordening) 1. Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof uiterlijk op 1 juni 2025, en daarna steeds na zes jaar, gegevens over de uitvoering van de maatregelen voor de pre ventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve exoten van de in bijlage VC bij het Besluit kwaliteit leefomgeving genoemde soorten. 2. De door gedeputeerde staten verstrekte gegeven hebben betrekking op: a. de aard en de doeltreffendheid van de genomen maatregelen en de gevolgen van deze maatre gelen voor niet-doelsoorten; b. de maatregelen die zijn getroffen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van inva sieve uitheemse soorten en over acties die burgers verzocht worden te ondernemen; en c. als deze gegevens aanwezig zijn: de kostprijs van de onder a en b bedoelde maatregelen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie. Artikel 10.36d (rapportage aan Tweede en Eerste Kamer over natuurnetwerk Nederland) 1. Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof gegevens over de voortgang van de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof informeert op basis van de gegevens van gedeputeerde staten de beide Kamers der Staten-Generaal over de voortgang van de totstandkoming en instand houding van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 10.36da (gegevensverstrekking over programma stikstofreductie en natuurverbe tering) 1. De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar aan Onze Minister voor Na tuur en Stikstof. 2. De bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het beheerplan, bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke zes jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 50 Artikel 10.36db (gegevensverstrekking gebiedsgerichte uitwerking programma stikstof reductie en natuurverbetering) Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervolgens steeds zo spoedig mogelijk na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekken gedepu teerde staten de gegevens, bedoeld in artikel 11.69b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan die Minister. Artikel 10.36dc (rapportage aan Tweede en Eerste Kamer over programma stikstofreduc tie en natuurverbetering) Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt aan de beide Kamers der Staten-Generaal de vol gende verslagen met de volgende frequentie: a. elk jaar: 1°. het verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepo sitie, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en 2°. het verslag over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen, bedoeld in artikel 11.69c, onder a, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. elke twee jaar: het verslag over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, bedoeld in artikel 11.69c, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. elke zes jaar: het verslag over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden, bedoeld in artikel 11.69c, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 10.36e (verstrekking gegevens verzekering jachtgeweer) De korpschef verstrekt op verzoek gegevens uit de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 11.73 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, over de nakoming van een verzekering als bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan: a. Onze Minister voor Natuur en Stikstof en Onze Minister van Justitie en Veiligheid; b. de personen belast met de opsporing van strafbaar gestelde feiten wegens handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet; en c. hen die aannemelijk maken dat zij zijn betrokken bij schade die grond kan opleveren voor toe passing van artikel 8.4 van de wet. § 10.8.4 Kwaliteit van zwemlocaties Artikel 10.37 (gegevensverstrekking zwemlocaties) Het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap verstrekt jaarlijks uiterlijk op 31 oktober over elke zwemlocatie waarover het het beheer heeft in ieder geval de volgende gege vens aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: a. het verslag van de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarde voor een zwemloca tie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. de uitkomst van de beoordeling van de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarde voor een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, uitgevoerd in overeenstemming met de bij ministeriële regeling gestelde regels; en c. een beschrijving van de belangrijkste getroffen beheersmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 10.38 (beschikbaar stellen verslag monitoring omgevingswaarde kwaliteit zwem locatie) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een verslag van de resultaten van de monito ring van de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 51 Artikel 10.39 (beschikbaar stellen informatie over zwemlocaties) 1. Gedeputeerde staten lichten het publiek gedurende het badseizoen voor over: a. de indeling van de zwemlocaties in klassen, bedoeld in bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn, de ingestelde negatieve zwemadviezen en opgelegde zwemverboden; b. de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van zwemmers: 1°. als zich een overmatige groei van cyanobacteriën of een neiging tot overmatige groei van ma croalgen of marien fytoplankton voordoet en gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; 2°. als sprake is van een zwemwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 11.44, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en 3°. als sprake is van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid van zwemmers; c. de getroffen zwemwaterbeheersmaatregelen, bedoeld in artikel 3.8 van het Besluit kwaliteit leef omgeving, als dat naar hun oordeel nodig is; en d. de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de uitkomsten niet leiden tot een negatief zwemadvies of een zwemverbod. 2. Gedeputeerde staten geven in de nabijheid van een zwemlocatie op passende wijze voorlichting, via de media en langs elektronische weg, zodra de informatie beschikbaar is. 3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, bestaat de voorlichting in ieder geval uit: a. het plaatsen van een bord in de nabijheid van de zwemlocatie op een zichtbare en gemakkelijk toegankelijke plaats met de informatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de zwemwaterrichtlijn; en b. het verspreiden van de informatie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de zwemwaterrichtlijn via internet, zo nodig ook in andere talen. § 10.8.5 Geluid Artikel 10.39a (gegevensverstrekking industrieterreinen) 1. Degene die op een industrieterrein een activiteit anders dan het wonen verricht, verstrekt op verzoek van de gemeenteraad, of provinciale staten als artikel 2.12a, eerste lid, van de wet wordt toegepast, gegevens over het geluid door die activiteit voor de vaststelling van een geluidproduc tieplafond als omgevingswaarde voor het industrieterrein. 2. Het eerste lid geldt niet voor: a.informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatie beveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013); en b. informatie over het geluid door een activiteit waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsver gunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde be oordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 30 m van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verminderd met 5 dB. Artikel 10.39b (gegevensverstrekking windturbines, windparken, civiele en militaire bui tenschietbanen en militaire springterreinen op industrieterreinen) Als dat nodig is om aan de verplichting van een bestuursorgaan tot gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder f of g, te voldoen, verstrekt degene die een activiteit als bedoeld in die onderdelen verricht, op verzoek van dat bestuursorgaan gegevens over het ge luid door die activiteit. Artikel 10.39c (gegevensverstrekking luchthavens) Als dat nodig is om aan de verplichting tot gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder e, te voldoen, verstrekt degene die een luchthaven exploiteert, op verzoek van gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gegevens over het geluid door die luchthaven. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 52 Artikel 10.40 (verstrekking en publicatie gegevens over belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens) 1. Gedeputeerde staten verstrekken elke vijf jaar uiterlijk op 31 maart de gegevens, bedoeld in ar tikel 11.49, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat publiceert elke vijf jaar uiterlijk op 29 juni in de Staatscourant: a. de door gedeputeerde staten verstrekte gegevens; en b. de gegevens, bedoeld in artikel 11.49, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 10.41 (gegevensverstrekking door beheerder geluidbron voor geluidbelasting kaart) 1. Degene die een geluidbron beheert, verstrekt op verzoek van het bestuursorgaan dat is belast met de vaststelling van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet, alle gevraagde gegevens voor zover dat bestuursorgaan daar zelf geen toegang toe heeft. 2. De gegevens worden binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek is ontvangen ver strekt, of, wanneer de gevraagde gegevens nog niet beschikbaar zijn, onverwijld nadat die beschik baar zijn gekomen. Artikel 10.42 (gegevensverstrekking door bestuursorganen voor geluidbelastingkaart) Als dat nodig is voor de vaststelling van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eer ste lid, onder a, van de wet, verstrekken bestuursorganen elkaar op verzoek alle gevraagde gege vens voor zover het verzoekende bestuursorgaan daar geen toegang toe heeft. Artikel 10.42a (gegevensverstrekking geluidregister) 1. De volgende bestuursorganen verstrekken de volgende gegevens op elektronische wijze aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat binnen de daarbij aangegeven termijn: a. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infra structuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, on der 1˚, onder 3˚ tot en met 5˚ en onder 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omge vingswaarde; b. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infra structuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, on der 2˚, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op de dag van bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde; c. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, Onze Minister van Infra structuur en Waterstaat en de beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 6˚, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, over een kalenderjaar voor 18 juli van het daarop volgende jaar; d. het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap ver strekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder b, onder 1°, 2°, 3° en 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken: 1˚. na het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van dat be sluit; 2˚. nadat toepassing is gegeven aan artikel 3.27, zesde lid, van dat besluit; en 3˚. nadat hun besluit tot aanleg van een weg of spoorweg als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder b, van dat besluit is genomen; e. het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap ver strekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder b, onder 4°, van het Besluit kwa liteit leefomgeving, binnen vier weken na het uiterste tijdstip, bedoeld in artikel 10.42c, eerste lid, onder b; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 53 f. gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Infrastructuur en Water staat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder c, van het Besluit kwali teit leefomgeving binnen vier weken na de bekendmaking van hun luchthavenbesluit; g. het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Mi nister voor Klimaat en Energie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na de bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het om gevingsplan dat, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die of het projectbe sluit dat waarden bevat voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieter rein; en h. het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Mi nister van Defensie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder e, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bin nen vier weken na de bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het omgevingsplan dat, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die of het projectbesluit dat waarden bevat voor het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een mili tair springterrein op een industrieterrein. 2. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verstrekken onverwijld gecorrigeerde gegevens nadat is gebleken dat eerder door hen verstrekte gegevens onjuist zijn. Artikel 10.42b (verstrekking en publicatie verslag monitoring geluidproductieplafonds) 1. Voor industrieterreinen in een gemeente die niet ligt in een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie, doet het college van burgemeester en wethouders voor 18 juli 2029 en daarna elke vijf jaar verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwa liteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit. Het verslag bevat daarnaast: a. een overzicht van de op grond van artikel 2.11a van de wet vastgestelde geluidproductiepla fonds waarbij toepassing is gegeven aan artikel 3.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. een beschrijving van de ontwikkelingen van het bronbeleid en andere relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de geluidproductieplafonds als bedoeld onder a; c. een motivering of de ontwikkelingen, bedoeld onder b, aanleiding geven tot intrekking of wijzi ging van geluidproductieplafonds als bedoeld onder a; d. de conclusies naar aanleiding van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en e. een overzicht van de maatregelen die naar verwachting de komende vijf jaar nodig zijn om te voldoen aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van het Besluit kwaliteit leefomge ving. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat doet jaarlijks verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit. 3. De beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, doet jaarlijks aan Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van dat besluit, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit. 4. Als toepassing is gegeven aan artikel 3.46, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doen het college van burgemeesters en wethouders en gedeputeerde staten elk jaar voor 18 juli voor de betrokken geluidproductieplafonds verslag van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5. Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld. Artikel 10.42c (verstrekking en publicatie verslag monitoring geluid wegen en spoorwe gen met basisgeluidemissie) 1. Het college van burgemeester en wethouders doet aan de gemeenteraad en het dagelijks be stuur van een waterschap doet aan het algemeen bestuur van het waterschap: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 54 a. uiterlijk op het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verslag van de waarde van de basisgeluidemissie, bedoeld in dat artikel; en b. uiterlijk op 18 juli 2029 en vervolgens elke vijf jaar uiterlijk op 18 juli verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.47 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevat ten minste: a. de afweging van geluidbeperkende en geluidwerende maatregelen voor gebouwen als bedoeld in artikel 3.28 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. een overzicht van de geluidgevoelige gebouwen waarvoor op grond van artikel 3.52, eerste lid, onder a of b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving een besluit over het treffen van geluidwerende maatregelen wordt genomen; en c. de wijzigingen van de basisgeluidemissie ten opzichte van het vorige verslag. 3. Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld. § 10.8.5a Bodemkwaliteit Artikel 10.42c1 (beschikbaar stellen eindonderzoek bodem) 1. Als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld als bedoeld in artikel 5.4, aanhef en onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving, stelt het bevoegd gezag voor het publiek relevante informatie daarover elektronisch beschikbaar. 2. De gegevens worden pas beschikbaar gesteld nadat de juistheid van die gegevens deugdelijk is vastgesteld. Artikel 10.42c2 (gegevensverstrekking stortplaatsen voor baggerspecie op land) Het bevoegd gezag voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelas tende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stort plaats, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verstrekt, voor zover op de stortplaats alleen baggerspecie wordt gestort en de stortplaats niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam, een afschrift van de re sultaten, bedoeld in artikel 8.62n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat. § 10.8.6 PRTR Artikel 10.42d (elektronisch indienen PRTR-verslag) Een PRTR-verslag wordt ingediend met gebruikmaking van een elektronisch formulier. Het formulier wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar gesteld op e-mjv.nl. Artikel 10.43 (gegevensverstrekking PRTR; uitstel verklaring PRTR-verslag) Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doet van het uitstel van de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 11.57, derde lid, van dat besluit, uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar, schriftelijk mededeling aan degene die de activiteit, bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening, verricht. Artikel 10.44 (gegevensverstrekking PRTR; gegevens als bedoeld in artikel 5.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving) 1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verstrekt de gegevens, bedoeld in artikel 5.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving, na de kwaliteit daarvan te hebben beoordeeld, telkens uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het ver slagjaar in elektronische vorm aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 55 a. op gegevens waarover het bestuursorgaan op grond van artikel 11.57, tweede lid, van het Be sluit kwaliteit leefomgeving heeft verklaard dat ze niet aan artikel 5.10, 5.12 of 5.13 van het Be sluit activiteiten leefomgeving voldoen; of b. als het bestuursorgaan op grond van artikel 11.58 van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft verklaard dat geen PRTR-verslag is ingediend. 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, meldt het bestuursorgaan aan Onze Minister van Infra structuur en Waterstaat dat een verklaring als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a of on der b, is afgegeven, uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar of, als dat eerder is, zodra die verklaring in werking is getreden. Artikel 10.45 (gegevensverstrekking PRTR; handelwijze bij geheimhouden gegevens) 1. Als het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op grond van artikel 11.60, eerste lid, van dat besluit heeft beslist bepaalde in het PRTR-verslag opgenomen gegevens niet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat te verstrekken, deelt dat be stuursorgaan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat mee: a. welk type informatie geheim is gehouden; en b. welke uitzonderingsgrond, bedoeld in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, is toege past. 2. De mededeling bevat een samenvatting van de motivering van de beslissing. 3. Als de mededeling betrekking heeft op het geheimhouden van de naam van een verontreini gende stof, wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI bij het Besluit activiteiten leefomgeving, waartoe de geheimgehouden verontreinigende stof be hoort. 4. In afwijking van artikel 10.44, eerste lid, worden gegevens waarvoor een verzoek als bedoeld in artikel 11.60, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat dat besluit in werking is getreden. Artikel 10.46 (beschikbaar stellen van gegevens en verklaringen PRTR) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de gegevens en verklaringen, bedoeld in arti kel 11.63 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, uiterlijk op 31 maart van het tweede kalenderjaar volgend op het verslagjaar per verslagjaar beschikbaar via het PRTR, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. § 10.8.7 Behoud van werelderfgoed Artikel 10.48 (gegevensverstrekking werelderfgoed) Een instantie of een bestuursorgaan, aangewezen als siteholder in het managementplan, bedoeld in de Operational guidelines for the implementation of the World Heritage Convention, verstrekt aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op verzoek de gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 29 van het werelderfgoedverdrag. Artikel 10.49 (gegevensverstrekking activiteiten die werelderfgoed kunnen aantasten) 1. Als een instantie of een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 10.48 op de hoogte is van een voornemen om een activiteit te verrichten die de uitzonderlijke universele waarde van een werel derfgoed kan aantasten, stelt die instantie of dat bestuursorgaan Onze Minister van Onderwijs, Cul tuur en Wetenschap daarvan zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voordat zich onomkeerbare gevolgen kunnen voordoen, op de hoogte. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op een ander bestuursorgaan dat is belast met de uitoefe ning van taken en bevoegdheden op grond van de wet als het werelderfgoed op zijn grondgebied ligt of als de uitoefening van een taak of bevoegdheid de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 56 § 10.8.8 Tegengaan van klimaatverandering Artikel 10.49a (beschikbaar stellen broeikasgasinventarissen) Onze Minister voor Klimaat en Energie stelt de broeikasgasinventarissen, bedoeld in artikel 11.66, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar. Artikel 10.49b (doorzenden berichten over maatregelen verduurzaming energiegebruik) Onze Minister voor Klimaat en Energie brengt berichten over maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik die via de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 5.15c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefom geving, zijn ingediend, onverwijld binnen het bereik van het bevoegd gezag. AFDELING 10.9 KAARTEN Artikel 10.50 (overleg, actualisatie en elektronische beschikbaarstelling geluidbelasting kaarten) 1. Bij de totstandkoming van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende lid staten, voor zover die kaart ook betrekking heeft op grensregio’s. 2. Het bevoegd gezag actualiseert een geluidbelastingkaart elke vijf jaar. 3. Het bevoegd gezag stelt een geluidbelastingkaart elektronisch beschikbaar. Artikel 10.51 (actualisatie en elektronische beschikbaarstelling kaarten basiskustlijn) 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat actualiseert kaarten van de kustlijn als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder b, van de wet uiterlijk 15 februari 2024 en daarna elke zes jaar. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt kaarten van de kustlijn elektronisch be schikbaar. Artikel 10.52 (overleg, actualisatie en elektronische beschikbaarstelling overstromings gevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten) 1. Bij de totstandkoming van overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten als be doeld in artikel 20.17, eerste lid, onder c, van de wet overleggen gedeputeerde staten met: a. de bevoegde autoriteiten van andere staten in de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems; en b. het dagelijks bestuur van het waterschap en het college van burgemeester en wethouders als een stroomgebiedsdistrict of een gedeelte daarvan op het grondgebied van het waterschap of die gemeente ligt. 2. Gedeputeerde staten actualiseren de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten uiterlijk 22 december 2025 en daarna elke zes jaar. 3. Gedeputeerde staten stellen de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten, be doeld in artikel 11.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 57 HOOFDSTUK 11 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE AFDELING 11.1 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE VOOR PLANNEN EN PROGRAMMA’S Artikel 11.1 (plan-mer-beoordeling) 1. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieu effecten, bedoeld in artikel 16.36, vijfde lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het plan of programma en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het plan of programma. 2. Artikel 16.36, derde lid, van de wet is niet van toepassing op een plan of programma: a. dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor een project als bedoeld in artikel 16.43, eer ste lid, onder a, van de wet; of b. dat het benodigde besluit is voor een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet. 3. Een beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten van een plan of programma als be doeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau vindt alleen plaats als: a. voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; en b. de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is. 4. Bij de beoordeling of sprake is van kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet, betrekt het bevoegd gezag de context van het plan of pro gramma dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke mili eueffecten zullen hebben. Artikel 11.2 (advies Commissie voor de milieueffectrapportage) Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren. Artikel 11.3 (inhoud plan-MER) 1. Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie: a. een beschrijving van de inhoud van het plan of programma en de redelijke alternatieven, de be langrijkste doelstellingen van het plan of programma en het verband met andere relevante plannen en programma’s; b. de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwik keling daarvan als het plan of programma niet wordt uitgevoerd; c. de milieukenmerken van gebieden waarvoor de effecten van het plan of programma aanzienlijk kunnen zijn; d. alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, in het bijzonder de problemen in gebieden waar het belang van het beschermen van het milieu een belangrijke rol speelt; e. een beschrijving van de wijze waarop de doelstellingen ter bescherming van het milieu die zijn vastgesteld op internationaal, communautair of nationaal niveau en andere milieuoverwegingen zijn betrokken bij het plan of programma, voor zover zij relevant zijn voor het plan of programma; f. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma en van de redelijke alternatieven, met inbegrip van een beoordeling van die milieuef fecten; g. de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk te compenseren; h. een motivering van de selectie van de onderzochte alternatieven en een beschrijving van de wijze waarop de milieueffecten zijn vastgesteld en beoordeeld, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het verzamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden, zoals technische tekortkomin gen of ontbrekende kennis; i. een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen; en j. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met i verstrekte informatie. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 58 2. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist, ook gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden en de inhoud van het plan of programma. Artikel 11.4 (inhoud plan of programma) 1. In het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met: a. het milieueffectrapport; en b. het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. 2. Daarnaast bevat het plan of programma in ieder geval: a. een samenvatting van de milieuoverwegingen die zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma; b. een samenvatting van de redenen om te kiezen voor het vastgestelde plan of programma, waar bij in ieder geval de in het milieueffectrapport beschreven redelijke alternatieven worden betrok ken; en c. de monitoringsmaatregelen. Artikel 11.5 (monitoring plan-mer) 1. Het bevoegd gezag monitort de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Het bevoegd gezag kan hiervoor gebruik maken van bestaande monitoring. 3. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar. 4. Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de on voorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. AFDELING 11.2 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE VOOR PROJECTEN Artikel 11.6 (aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten) 1. Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eer ste lid, onder a, van de wet, die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eer ste lid, onder b, van de wet, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieuef fectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking heb ben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen: a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbe sluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; c. de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. Artikel 11.7 (bijzonderheden bij aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten) 1. Voor gevallen die zowel in kolom 2 als in kolom 3 van bijlage V zijn aangegeven, wordt bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport gemaakt. 2. Bij de vaststelling of sprake is van een project als bedoeld in artikel 11.6, eerste of tweede lid, wordt het gehele project in beschouwing genomen, met inbegrip van de grensoverschrijdende on derdelen. 3. Projecten als bedoeld in bijlage V, kolom 2, in samenhang met kolom 1, die alleen of hoofdzake lijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet lan ger dan twee jaar worden gebruikt, worden in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, aangemerkt als projecten als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid. 4. Onder een wijziging of uitbreiding als bedoeld in bijlage V, kolom 3, wordt ook verstaan: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 59 a. een wijziging die betrekking heeft op reconstructie of een andere verandering van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties; en b. een uitbreiding die betrekking heeft op het opnieuw in gebruik nemen van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties. Artikel 11.8 (bijzonderheden bij de besluiten bij mer-(beoordelings)plichtige projecten) 1. Als in bijlage V, kolom 4, de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is aange wezen, wordt ook de omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit van afvalwater op een opper vlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk bedoeld voor zover in hoofdstuk 3 van het Be sluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat het is verboden om: a. zonder omgevingsvergunning die milieubelastende activiteit te verrichten; en b. zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van die activiteit op een oppervlaktewaterli chaam of een zuiveringtechnisch werk te lozen. 2. Als geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, kan het bevoegd gezag een ander besluit aanwijzen dat nodig is voor een project waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van dat besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt aange vraagd, wordt die omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aangemerkt als het be sluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4. Artikel 11.9 (regels ontheffing) 1. Bij een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet verstrekt de gene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval de volgende gegevens: a. een beschrijving van het voorgenomen project; b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het project zal worden uitgevoerd; c. de redenen voor het verzoek; en d. een aanduiding van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft, op de in artikel 12 van de Bekendmakings wet bepaalde wijze, kennis van: a. de ontheffing, bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet; en b. indien van toepassing, de gegevens die zijn verzameld bij een andere vorm van beoordeling van de milieueffecten, bedoeld in artikel 16.44, derde lid, van de wet. Artikel 11.10 (inhoud mededeling voornemen) 1. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: a. het project, met in ieder geval een beschrijving van: 1˚. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactivi teiten; 2˚. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffec ten van het project als gevolg van: 1˚. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en 2˚. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. 2. Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, houdt degene die voornemens is het project uit te voeren rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de mi lieueffecten. 3. Bij de mededeling kan een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van het voorgeno men project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te ver mijden of te voorkomen. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 60 Artikel 11.11 (project-mer-beoordeling) 1. Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken na ontvangst van de mededeling de beslissing, be doeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, op grond van de informatie, bedoeld in artikel 11.10. 2. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieu effecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit. 3. In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd. Artikel 11.12 (passende scheiding) 1. Als het bevoegd gezag degene is die voornemens is het project uit te voeren waarvoor een mili eueffectrapport moet worden gemaakt, zorgt het bevoegd gezag in ieder geval voor een passende scheiding tussen conflicterende functies bij de ambtelijke voorbereiding van het besluit. 2. Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt zorg voor de naleving daarvan. Artikel 11.13 (raadpleging reikwijdte en detailniveau) 1. Het bevoegd gezag brengt advies uit over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, met inachtneming van de informatie die is verstrekt door degene die voornemens is het project uit te voeren, in het bijzonder over: a. de specifieke kenmerken van het project, waaronder de locatie en de technische capaciteit; en b. de te verwachten milieueffecten van het project. 2. Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, brengt het bevoegd gezag advies uit. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Artikel 11.14 (advies Commissie voor de milieueffectrapportage) Als toepassing wordt gegeven aan artikel 16.47, eerste lid, van de wet, stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport in de gelegenheid daarover te adviseren. Artikel 11.15 (coördinatie terinzagelegging MER en passende beoordeling) Als voor een project een milieueffectrapport moet worden gemaakt en voor dat project een ont werpbesluit ter inzage is gelegd waarvoor op grond van artikel 16.53c van de wet een passende beoordeling is gemaakt, wordt de passende beoordeling ook tegelijkertijd met het milieueffectrap port door het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor het milieueffectrapport wordt gemaakt, ter inzage gelegd. Artikel 11.16 (inhoud project-MER) 1. Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie: a. een beschrijving van het project; b. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het project en de specifieke kenmerken er van, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten, en een motivering voor de gekozen optie in het licht van de milieueffecten; c. een beschrijving van de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwikkelingen daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van beschikbare milieu-informatie en wetenschappelijke kennis; d. een beschrijving van de factoren bevolking, gezondheid, biodiversiteit, land, bodem, water, lucht, klimaat, materiële goederen, cultureel erfgoed en landschap, waarop het project aanzienlijke Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 61 milieueffecten kan hebben, en de samenhang daartussen; e. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; f. een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die zijn gebruikt voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het ver zamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden; g. een beschrijving van de kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om alle be schreven aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en, voor zover van toepassing, van voorgestelde monitoringsmaatre gelen en procedures voor monitoring; h. een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voort vloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen; i. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met h verstrekte informatie; en j. een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het milieuef fectrapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen. 2. Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt aangegeven in welke mate aanzien lijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd in zowel de bouwfase als de bedrijfsfase. 3. Voor zover van toepassing omvat de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder h, de ge plande maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen te voorkomen of te beperken, en informatie over paraatheid en de voorgenomen reactie bij dergelijke noodsituaties. 4. Wanneer een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrap port bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden. 5. Om overlapping van milieueffectrapporten te voorkomen, wordt bij het maken van het milieuef fectrapport rekening gehouden met de beschikbare resultaten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Artikel 11.17 (beschrijving project in MER) De beschrijving van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder a, bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de locatie van het project; b. een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten, en de eisen over landgebruik tijdens de bouw- en bedrijfsfase; c. een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de bedrijfsfase van het project, waaronder de productieprocessen; en d. een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies en de hoe veelheden en soorten tijdens de bouw- en bedrijfsfase geproduceerde afvalstoffen. Artikel 11.18 (beschrijving milieueffecten in MER) 1. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder e, op de in artikel 11.16, eerste lid, onder d, bedoelde factoren, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. de realisatie en het bestaan van het project, en, als dat van toepassing is, van de sloopactivitei ten; b. het gebruik van natuurlijke bronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze bronnen; c. de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidhinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ont staan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen; d. de risico’s voor de gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu; e. de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen van gebieden die vanuit milieuoogpunt van Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 62 bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke bronnen; f. het effect van het project op het klimaat en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatveran dering; en g. de gebruikte technologieën en stoffen. 2. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project heeft betrekking op de directe en, voor zover van toepassing, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrij dende effecten op korte, middellange en lange termijn, permanente en tijdelijke en positieve en negatieve effecten van het project. 3. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project houdt rekening met de Europese of nationale doelstellingen over milieubescherming, die relevant zijn voor het project. Artikel 11.19 (inhoud besluit) 1. In het besluit waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, ver meldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met: a. het milieueffectrapport; en b. indien van toepassing, het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. 2. Daarnaast bevat het besluit in ieder geval: a. de gemotiveerde conclusie van het bevoegd gezag over de aanzienlijke milieueffecten van het project; b. alle aan het besluit verbonden voorschriften; c. voor zover van toepassing, een beschrijving van alle kenmerken van het project en de voorgeno men maatregelen om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beper ken en, als dat mogelijk is, te compenseren en op welk moment de maatregelen moeten zijn uitge voerd; en d. in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen en procedures voor de monitoring van die effec ten waarvoor het bevoegd gezag monitoring noodzakelijk acht, waarbij het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring evenredig moeten zijn aan de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten. 3. Het bevoegd gezag kan bepalen dat degene die voornemens is het project uit te voeren be staande monitoring gebruikt voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monito ring. Artikel 11.20 (monitoring project-mer) 1. Als op grond van artikel 11.19, tweede lid, onder d, monitoring plaatsvindt, verstrekt degene die het project uitvoert de resultaten van de monitoring aan het bevoegd gezag. 2. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar. 3. Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de on voorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Artikel 11.21 (gegevensverstrekking) Het bevoegd gezag voor het milieueffectrapport verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek de bij dat gezag beschikbare gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 12, tweede lid, van de mer-richtlijn. AFDELING 11.3 GRENSOVERSCHRIJDENDE MILIEUEFFECTEN § 11.3.1 Grensoverschrijdende plan-mer Artikel 11.22 (mededeling en toezending informatie grensoverschrijdende milieueffec ten) 1. Als een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft, deelt het bevoegd gezag dit mee aan de Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 63 bevoegde autoriteit van de staat die deze mogelijke effecten zal ondervinden. Tegelijk met die me dedeling, of nadat die autoriteit hierom heeft verzocht, zendt het bevoegd gezag aan die autoriteit in ieder geval: a. het ontwerp van het plan of programma; b. het milieueffectrapport, voor zover dit niet is opgenomen in het ontwerp van het plan of pro gramma, met inbegrip van informatie over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten en een vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport in de taal van de andere staat; c. informatie over de totstandkomingsprocedure van het plan of programma; en d. de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit van de andere staat kan aangeven of zij overleg wenst over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten. 2. Het bevoegd gezag doet de mededeling zo spoedig mogelijk en zendt de informatie in ieder ge val voor de vaststelling van het plan of programma. Artikel 11.23 (overleg) 1. Als de bevoegde autoriteit van de andere staat binnen de gestelde termijn heeft aangegeven dat zij overleg wenst, overlegt het bevoegd gezag met die autoriteit over de mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk te compenseren. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 11.24 (zienswijzen) Het betrokken publiek en de bevoegde instanties van de andere staat worden in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen, met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 11.25 (inhoud en verstrekking plan of programma) Nadat het plan of programma is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat plan of programma aan de bevoegde autoriteit van de andere staat, degenen die zienswijzen naar voren hebben ge bracht en de bevoegde instanties van de andere staat. Artikel 11.26 (grensoverschrijdende milieueffecten in Nederland) 1. Als de bevoegde autoriteit van een andere staat heeft meegedeeld dat een plan of programma mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft in Nederland, geeft het betrokken bestuursorgaan binnen de door die autoriteit gestelde termijn aan of overleg is gewenst. 2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de be voegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te compenseren. 3. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeen stemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gele genheid zienswijzen naar voren te brengen. 4. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeen stemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van: a. het vastgestelde plan of programma; b. een door de bevoegde autoriteit van de andere staat opgestelde samenvatting van de wijze waarop de milieuoverwegingen, de gehouden overleggen, de naar voren gebrachte zienswijzen en het milieueffectrapport zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma; en c. de monitoringsmaatregelen waartoe de bevoegde autoriteit heeft besloten. § 11.3.2 Grensoverschrijdende project-mer Artikel 11.27 (mededeling grensoverschrijdende milieueffecten) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 64 1. Als een project waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft, deelt het bevoegd gezag dit mee aan de bevoegde auto riteit van de andere staat die deze mogelijke effecten zal ondervinden. Tegelijk met deze medede ling, of zo spoedig mogelijk nadat die autoriteit hierom heeft verzocht, zendt het bevoegd gezag aan die autoriteit in ieder geval: a. informatie over het project, waaronder alle beschikbare informatie over de mogelijke grensover schrijdende milieueffecten; b. informatie over de aard en de totstandkoming van het te nemen besluit; en c. informatie over de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit van de andere staat advies kan uitbrengen over het milieueffectrapport en zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerp van het besluit. 2. Het bevoegd gezag zendt die informatie niet later dan het moment waarop derden op grond van artikel 16.46 of 16.50 van de wet worden betrokken bij het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet. 3. Als sprake is van een projectbesluit, zendt het bevoegd gezag deze informatie niet later dan het moment van de kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een moge lijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 5.47 van de wet. Artikel 11.28 (toezending informatie en zienswijzen) 1. Als de bevoegde autoriteit van de andere staat aangeeft deel te willen nemen aan de totstand komingsprocedure van het besluit waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, worden het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de andere staat in ieder geval in de gelegen heid gesteld om: a. zienswijzen naar voren te brengen, met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.4 van de Al gemene wet bestuursrecht; en b. als het om een projectprocedure gaat: mogelijke oplossingen aan te dragen voor de mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving, met overeenkomstige toepassing van artikel 5.47, derde lid, van de wet. 2. De hiertoe aangewezen bevoegde instanties in de andere staat worden, voor zover van toepas sing, in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie voor het milieueffectrapport, met overeenkomstige toepassing van artikel 16.46 van de wet. 3. Voor zover dit nog niet is gebeurd, zendt het bevoegd gezag de volgende informatie aan de be voegde autoriteit en de bevoegde instanties van de andere staat: a. het ontwerp van het besluit, met inbegrip van het milieueffectrapport; b. de termijn waarbinnen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht en waarbinnen advies kan worden uitgebracht; en c. een vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport in de taal van de andere staat. 4. De vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport wordt gemaakt door degene die op grond van artikel 16.43, vijfde lid, van de wet het milieueffectrapport maakt. Artikel 11.29 (overleg) 1. Binnen een door de partijen afgesproken termijn overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteit van de andere staat over de mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van het project en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te vermijden, te voorko men, te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 11.30 (inhoud en verstrekking besluit) Nadat het besluit is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat besluit aan de bevoegde autori teit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties van de andere staat. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 65 Artikel 11.31 (nieuwe informatie, monitoring en evaluatie) 1. Als het bevoegd gezag voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid van de wet, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden ge maakt, over nieuwe informatie beschikt over een mogelijk nadelig grensoverschrijdend milieuef fect, die niet beschikbaar was op het moment dat het besluit werd genomen en die het besluit in houdelijk zou kunnen hebben beïnvloed, deelt het bevoegd gezag deze nieuwe informatie mee aan de bevoegde autoriteit van de andere staat. 2. Als een van de staten hierom verzoekt, vindt overleg plaats over de vraag of het besluit naar aanleiding van die nieuwe informatie moet worden gewijzigd. 3. Als de staten hiertoe gezamenlijk besluiten, voert het bevoegd gezag een evaluatie uit van het mogelijk nadelige grensoverschrijdende milieueffect van de uitvoering van het project, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Artikel 11.32 (grensoverschrijdende milieueffecten in Nederland) 1. Als de bevoegde autoriteit van een andere staat heeft meegedeeld dat een project mogelijk aan zienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft in Nederland, geeft het betrokken bestuursor gaan binnen de door die autoriteit gestelde termijn aan of deelname aan de procedure van de mili eueffectrapportage gewenst is. 2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de be voegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren. 3. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeen stemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gele genheid zienswijzen naar voren te brengen. 4. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeen stemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van: a. het genomen besluit; b. een door de bevoegde autoriteit opgestelde samenvatting van de wijze waarop de milieuoverwe gingen, de gehouden overleggen, de naar voren gebrachte zienswijzen en het milieueffectrapport zijn betrokken bij het nemen van een besluit voor het project; en c. de monitoringsmaatregelen waartoe de bevoegde autoriteit heeft besloten. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 66 HOOFDSTUK 12 ADVIESORGANEN EN ADVISEURS AFDELING 12.1 COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Artikel 12.1 (samenstelling commissie) De Commissie voor de milieueffectrapportage bestaat uit een voorzitter en ten hoogste veertien plaatsvervangend voorzitters. Artikel 12.2 (secretaris en bureau) 1. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft een secretaris en een bureau dat onder lei ding staat van die secretaris. 2. De secretaris van de Commissie voor de milieueffectrapportage wordt benoemd en ontslagen door de voorzitter van de commissie, na overleg met de plaatsvervangend voorzitters. Artikel 12.3 (jaarverslag) De Commissie voor de milieueffectrapportage brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalender jaar. Artikel 12.4 (samenstelling werkgroep) 1. Als de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid wordt gesteld te adviseren, stelt de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter daarvoor een werkgroep van deskundigen sa men. 2. De secretaris van de Commissie voor de milieueffectrapportage deelt aan het bevoegd gezag en aan degene die het milieueffectrapport maakt of zou moeten maken mee uit welke deskundigen de werkgroep bestaat. 3. Een werkgroep staat onder voorzitterschap van de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter. 4. De deskundigen in een werkgroep worden aangewezen door de voorzitter of een plaatsvervan gend voorzitter. 5. Als een deskundige niet meer voldoet aan artikel 17.5, tweede lid, van de wet, ontheft de voor zitter van de werkgroep hem van zijn deelname in de werkgroep. Als de voorzitter niet de voorzit ter van de Commissie voor de milieueffectrapportage is, gebeurt dit na overleg met laatstge noemde voorzitter. Artikel 12.5 (advisering door werkgroep) 1. De werkgroep, bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, adviseert aan het bevoegd gezag. 2. De adviezen worden uitgebracht in overeenstemming met het gevoelen van de meerderheid van de deskundigen in de werkgroep. 3. Op verzoek van de deskundigen die in de werkgroep een standpunt hebben verdedigd, dat af wijkt van het gevoelen van de meerderheid, wordt dat standpunt in het advies vermeld. Deze des kundigen kunnen over een zodanig standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen. AFDELING 12.2 OCW-SCHADEBEOORDELINGSCOMMISSIE ARCHEOLOGISCHE RIJKSMONUMENTEN Artikel 12.6 (instelling en aanwijzing commissie) Er is een OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten die tot taak heeft advies uit te brengen aan bestuursorganen over schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 15.1, eerste lid, onder k, van de wet, voor zover de schade voortvloeit uit beslissingen op aanvragen om omgevingsvergun ningen voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument. Artikel 12.7 (samenstelling commissie) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 67 De OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten bestaat uit ten hoogste zeven leden. AFDELING 12.3 WETENSCHAPPELIJKE AUTORITEIT CITES Artikel 12.8 (samenstelling autoriteit) 1. De wetenschappelijke autoriteit CITES bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste negen leden, de voorzitter daaronder begrepen. 2. De leden bezitten ook deskundigheid op het gebied van natuurbescherming, welzijn van dieren en opvang van dieren. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 68 HOOFDSTUK 13 HANDHAVING EN UITVOERING AFDELING 13.1 BESTUURSRECHTELIJKE HANDHAVINGSTAAK EN HANDHAVINGSBEVOEGDHEID Artikel 13.1 (toedeling handhavingstaak aan een ander bestuursorgaan dan het college van burgemeester en wethouders) 1. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de vol gende gevallen niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna ge noemde bestuursorgaan: a. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet; b. gedeputeerde staten: 1°. bij een zwemverbod als bedoeld in artikel 2.38 van de wet; 2°. bij een door hen ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet; 3°. bij een bij omgevingsverordening gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet ge richt tot een bestuursorgaan; en 4°. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidpro ductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en, voor zover toepassing is gegeven aan artikel 2.12a van de wet, artikel 3.45, tweede lid, aanhef onder a, van dat besluit; c. de commissaris van de Koning: bij een tijdelijke regel als bedoeld in artikel 19.12, eerste lid, van de wet; d. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de wet; 2°. bij een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de wet; 3°. bij een activiteit die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de territoriale zee, voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, of die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de exclusieve economische zone; 4°. bij de zorgplicht voor de akoestische kwaliteit van op grond van artikel 2.15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de wet bij ministeriële regeling aangewezen rijkswegen en hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; 5°. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en 6°. bij een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het in opdracht op of in de landbodem toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie; e. Onze Minister van Financiën: bij het onthouden van toestemming tot vertrek van een vaartuig of luchtvaartuig uit Nederland als bedoeld in artikel 18.8 van de wet; f. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: 1°. bij een door hem ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet; en 2°. bij het verbod tot het verrichten van activiteiten binnen de afpalingskring van een eendenkooi, bedoeld in artikel 8.5 van de wet; g. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een verplichting in verband met een archeologische toevalsvondst van algemeen belang opgelegd krachtens de artikelen 19.8, tweede of derde lid, en 19.9 van de wet, in verbinding met artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet; en h. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: bij een regel over het energiela bel, gesteld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of bij ministeriële regeling. 2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de vol Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 69 gende gevallen evenmin bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna aan gegeven bestuursorgaan, voor zover dat een ander bestuursorgaan is dan het college van burgemeester en wethouders: a. het bestuursorgaan dat op grond van paragraaf 2.4.1 van de wet bevoegdheden of taken toebe deeld heeft gekregen met betrekking tot een specifiek aspect van de fysieke leefomgeving: bij een activiteit die in strijd is met de zorgplicht, bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de wet, of met het verbod, bedoeld in artikel 1.7a van de wet, voor zover het gaat om het specifieke aspect van de fysieke leefomgeving; b. het dagelijks bestuur van een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in dat artikellid; c. het bestuursorgaan dat een projectbesluit heeft vastgesteld: bij een projectbesluit, voor zover dat besluit geldt als: 1°. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of 2°. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit; d. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 19.2, eerste lid, van de wet: bij een verplichting in ver band met een ongewoon voorval opgelegd krachtens artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet; e. het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving: bij een in hoofdstuk 4 of 5 van dat besluit gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan; f. het bestuursorgaan waaraan op grond van afdeling 10.8 gegevens worden verstrekt: bij een in die afdeling gestelde verplichting tot gegevensverstrekking als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan; en g. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een experiment als bedoeld in artikel 23.3, eerste lid, van de wet: bij een aanwijzing tot het treffen van een maatregel als be doeld in artikel 23.3, zesde lid, van de wet. Artikel 13.2 (toedeling handhavingstaak gedoogplichten) De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit hoofdstuk 10 van de wet bij: a. gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet; b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet; 2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet; c. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet; 2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en 3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet; d. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieube heer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet; e. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet; f. het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het op sporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en g. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet; 2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet; 3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en 4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet. Artikel 13.3 (toedeling mede-handhavingstaak in verband met regels over instemming) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 70 1. Voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een activiteit, berust in de volgende gevallen de bestuursrechtelijke handhavingstaak ook bij het bestuursorgaan dat op grond van afdeling 4.2 heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die activiteit, of dat op grond van ar tikel 4.37 van dit besluit of artikel 16.16, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat instemming niet is vereist: a. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, onder a, b of c; b. gedeputeerde staten: 1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder a, b, d, e of f, voor zover bij dat laatste onderdeel de activiteit betrekking heeft op een watersysteem dat of een weg die in beheer is bij de provincie; en 2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; c. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als be doeld in artikel 4.26, eerste lid; d. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat: 1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid; en 2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29, tweede lid; e. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder a, b, c, voor zover het bij die onderdelen gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk of een hoofdspoorweg, of d; en 2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; f. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: bij een omgevingsvergunning die be trekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30a, eerste lid; g. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.31, eerste lid; en h. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een omgevingsvergunning die betrek king heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16 bevoegd gezag zijn, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, onder 1°. 3. Als in een projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald dat het besluit geldt als een omgevingsvergun ning als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de wet en daarbij op grond van artikel 16.20, eerste lid, van de wet geen instemming is vereist, berust de bestuursrechtelijke handha vingstaak voor de betrokken activiteit, voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit, in de in het eerste lid, onder a, b, en h, bedoelde gevallen ook bij het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten, respectievelijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 13.3a0 (toedeling mede-handhavingstaak in verband met andere regels) De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.184, 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218 en 3.250 van dat besluit, ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. AFDELING 13.1A BESTUURLIJKE BOETES Artikel 13.3a (bestuurlijke boete bij overtreding cites-regels) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 71 1. Als regels als bedoeld in artikel 18.15a, eerste lid, van de wet bij overtreding waarvan Onze Mi nister voor Natuur en Stikstof een bestuurlijke boete kan opleggen worden aangewezen: a. artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het de volgende handelingen betreft: 1˚. het binnenbrengen in de Europese Unie van een specimen in strijd met artikel 4, derde en vierde lid, van de cites-basisverordening; 2˚. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren; en 3˚. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onder c, en 40, eerste lid, onder d, van de cites-uitvoeringsverordening; en b. de artikelen 11.103 en 11.104 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eer ste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen be stuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in arti kel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ten tijde van het begaan van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden. AFDELING 13.2 KWALITEITSBEVORDERING EN AFSTEMMING UITVOERING EN HANDHAVING § 13.2.1 Toepassingsbereik Artikel 13.4 (toepassingsbereik) Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden voor de uitoefening van be voegdheden door het bevoegd gezag in het kader van de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de wet, en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet. § 13.2.2 Strategische en programmatische uitvoering en handhaving Artikel 13.5 (uitvoerings- en handhavingsstrategie) 1. De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoerings- en handhavingstaak stellen een uitvoe rings- en handhavingsstrategie vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aange geven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht. 2. De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eer ste lid. 3. De handhavingsstrategie wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving. 4. De handhavingsstrategie wordt gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. Artikel 13.6 (inhoud uitvoerings- en handhavingsstrategie) 1. De uitvoerings- en handhavingsstrategie biedt in ieder geval inzicht in: a. de prioriteitenstelling voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid; b. de methode die wordt gebruikt om te bepalen of de doelen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, worden bereikt; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 72 c. de criteria die worden gebruikt bij het beoordelen van en beslissen op aanvragen om omgevings vergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet; en d. de werkwijze bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet. 2. De handhavingsstrategie biedt ook inzicht in: a. de afspraken die door bestuursorganen onderling en met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt over samenwerking bij en afstemming van werkzaamhe den; b. de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehou den; c. de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties; d. de wijze waarop bestuurlijke sancties en termijnen die bij het opleggen en ten uitvoer leggen daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd; en e. de wijze waarop wordt gehandeld na geconstateerde overtredingen die zijn begaan door of in naam van een bestuursorgaan of een andere tot de overheid behorende instantie. Artikel 13.7 (nadere inhoud handhavingsstrategie) 1. Tot de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt ge houden, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder b, behoort in ieder geval: a. de wijze waarop toezicht wordt voorbereid, uitgaande van een register waarin in ieder geval ippc-installaties zijn opgenomen; b. de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die frequentie voor ippc installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een ge certificeerd milieuzorgsysteem, ten minste is: 1°. eenmaal per drie jaar bij beperkte milieurisico’s; en 2°. eenmaal per jaar bij grote milieurisico’s; en c. de termijn waarbinnen na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding niet-routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die termijn voor ippc-in stallaties is: 1°. na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding: zo spoedig mogelijk en in voorkomend geval voor de verlening of wijziging van een omgevingsver gunning; of 2°. na het vaststellen van een ernstige overtreding: in ieder geval binnen zes maanden. 2. Tot de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder c, behoort in ieder geval: a. de termijn waarbinnen een rapportage wordt gedeeld met betrokkenen, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties twee maanden is; en b. de termijn waarbinnen en mate waarin een rapportage openbaar wordt gemaakt, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties vier maanden is en de artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 13.8 (uitvoeringsprogramma) 1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, werken jaarlijks de uitvoerings- en handhavings strategie uit in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke van de werkzaamhe den, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, het komende jaar zullen worden verricht. Daarbij houden ze rekening met de doelen, bedoeld in dat lid, en de prioriteitenstelling, bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, onder a. 2. Het uitvoeringsprogramma wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving. Artikel 13.9 (uitvoeringsorganisatie) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 73 1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, richten hun organisatie zodanig in dat een goede uitvoering van de uitvoerings- en handhavingsstrategie en het uitvoeringsprogramma is gewaar borgd. 2. De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat: a. de personeelsformatie voor de uitvoering en handhaving en de bij de functies behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd; b. een persoon die door hen is belast met het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel of het stellen van een maatwerkvoorschrift ten aan zien van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leef omgeving, niet wordt belast met: 1°. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit; en 2°. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie ten aanzien van dezelfde mili eubelastende activiteit; c. een door hen met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet belaste persoon niet voortdurend wordt belast met het toezicht op dezelfde milieubelastende activiteit; en d. de bereikbaarheid en beschikbaarheid van hun organisatie ook buiten kantooruren is gegaran deerd. 3. De bestuursorganen dragen er ook zorg voor dat de werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening voor de uitvoering en handhaving worden vastgelegd en dat werkzaamheden worden verricht volgens deze werkprocessen en procedures. Artikel 13.10 (borgen van middelen) De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, dragen er zorg voor dat: a. de voor het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en voor het ver richten van de werkzaamheden, bedoeld in dat lid, benodigde en beschikbare financiële en perso nele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de begroting worden gewaarborgd; en b. voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn. Artikel 13.11 (evaluatierapportage) 1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, rapporteren jaarlijks over de mate waarin uitvoe ring van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel. 2. Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde rapportage wordt de uitvoerings- en handha vingsstrategie bezien en zo nodig aangepast. § 13.2.3 Omgevingsdiensten Artikel 13.12 (basistakenpakket omgevingsdienst) 1. Het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in ieder geval de volgende werkzaamheden, voor zover tot hun taak behorend, en voor zover deze regels zijn gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om milieubelastende activiteiten, of artikel 3.2, 4.2, 5.2, 6.2 of 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, als het gaat om bouwactiviteiten of sloopactiviteiten, door een omgevingsdienst worden verricht: a. het voorbereiden van beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het voorberei den van het toepassen van paragraaf 5.1.5 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4, met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buiten planse omgevingsplanactiviteiten; b. het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet, en het voorbe reiden van beschikkingen op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 74 c. het voorbereiden van beschikkingen tot het stellen van maatwerkvoorschriften, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5; d. het houden van toezicht op de naleving van: 1°. de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4; en 2°. de regels gesteld bij of krachtens de wet en de Wet milieubeheer, over activiteiten die zijn aan gewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 6 en 8; e. ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 7; en f. het voorbereiden van bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder d en e. 2. Tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, behoort niet de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de wet, alleen door de in bijlage VII aangewezen omgevingsdiensten uitge voerd. 4. Een naamswijziging van een in bijlage VII aangewezen omgevingsdienst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden nadat een daarover genomen besluit bekend is gemaakt in de Staatscourant. § 13.2.4 Informatieverstrekking uitvoering en handhaving Artikel 13.13 (verplichting tot informatieverstrekking) Aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in artikel 18.25, eerste lid, van de wet, is in ieder geval voldaan als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Justitie en Veiligheid en het algemeen bestuur van de omgevingsdiensten de gegevens die zij beheren in verband met het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, via het be veiligde digitale systeem voor informatie-uitwisseling, Inspectieview Milieu, raadpleegbaar maken. Artikel 13.14 (andere bestuursorganen) Als andere bestuursorganen als bedoeld in artikel 18.25, tweede lid, van de wet worden aangewe zen: a. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; b. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; c. de korpschef; en d. het openbaar ministerie. Artikel 13.15 (gebruik van het burgerservicenummer) Ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt door de bestuursorganen, bedoeld in de artikelen 13.13 en 13.14, bij het verstrekken van per soonsgegevens het burgerservicenummer aangegeven. Artikel 13.15a (verwerkingsverantwoordelijke Inspectieview Milieu) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwer king van persoonsgegevens in Inspectieview Milieu. Artikel 13.15b (geen gegevensbewaring in Inspectieview Milieu) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorgt ervoor dat in Inspectieview Milieu geen gege vens worden bewaard. Artikel 13.15c (kosten Inspectieview Milieu) De jaarlijkse beheerkosten van Inspectieview Milieu komen, voor zover ze niet worden gedekt door de jaarlijkse bijdragen van aangesloten bestuursorganen en instanties, voor rekening van Onze Mi nister van Infrastructuur en Waterstaat. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 75 AFDELING 13.3 KWALITEITSBEVORDERING EN AFSTEMMING UITVOERING EN HANDHAVING BIJ SEVESO-INRICHTINGEN § 13.3.1 Toepassingsbereik Artikel 13.16 (toepassingsbereik) Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van de volgende werkzaamheden door het be voegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandig hedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio: a. het houden van toezicht op de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomge ving, met inbegrip van het verzamelen en registreren van gegevens die hiervoor van belang zijn; en b. het behandelen van klachten over de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leef omgeving. § 13.3.2 Strategische en programmatische uitvoering en handhaving Artikel 13.17 (coördinatie uitvoering en handhaving) 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de coördinatie van het onderling afgestemd verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.16, waartoe in ieder geval behoren: a. het houden van toezicht op de naleving van de artikelen 4.5, 4.6, 4.10 tot en met 4.20, 4.22, 4.24 en 4.26 tot en met 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het vaststellen van een toezichtplan, bedoeld in artikel 13.20, eerste lid; c. het uitwerken van een toezichtplan in toezichtprogramma’s, bedoeld in artikel 13.21, eerste lid; d. het overleg over toezicht, toezichtrapporten, bestuurlijke handhaving en andere vervolgacties; e. het verzamelen en evalueren van voortgangsgegevens, realisatiegegevens en kwaliteitsgegevens over toezicht en vervolgacties; en f. het signaleren van geconstateerde overtredingen die ernstig van aard zijn en het organiseren en treffen van verbetermaatregelen. 2. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeids omstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio: a. verstrekken elkaar onverwijld langs elektronische weg de gegevens en bescheiden waarover zij beschikken, voor zover die gegevens en bescheiden noodzakelijk zijn voor het goed verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.16; en b. stemmen het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld onder a, onderling af. 3. Tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onder a, behoren in ieder geval: a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste lid, en 4.6, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, die moeten worden verstrekt als paragraaf 4.2 van dat besluit van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting of bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van dat besluit; b. de voor een Seveso-inrichting verleende omgevingsvergunningen, de aanvragen om omgevings vergunningen voor een Seveso-inrichting en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden; c. besluiten tot aanwijzing als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn in de omgevingsvergunning op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; d. een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan; e. de conclusies van het onderzoek van het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 13.19, eerste lid; f. de toezichtrapporten, bedoeld in artikel 13.23, eerste lid; g. handhavingsacties en beschikkingen tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie aan degene die een Seveso-inrichting exploiteert; h. het rapport inzake de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit veilig heidsregio’s, en het besluit tot het aanwijzen van een locatie als bedrijfsbrandweerplichtig, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s; en i. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefom geving die worden verstrekt als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 76 Artikel 13.18 (onderzoeken veiligheidsrapport) 1. Het bevoegd gezag onderzoekt of de onderdelen van het opgestelde of bijgewerkt veiligheids rapport die gaan over externe veiligheidsrisico’s voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Het bevoegd gezag stelt de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Ar beidsomstandighedenwet, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werk nemers, de werkgever en zelfstandige voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Het bevoegd gezag stelt het bestuur van de veiligheidsregio waarin de Seveso-inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het vei ligheidsrapport die gaan over de bedrijfsbrandweer en de voorbereiding van de rampenbestrijding, voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. Het bevoegd gezag stelt het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een lozingsac tiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk tij dig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over mogelijke waterverontreiniging of een mogelijke belemmering voor de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk bij een zwaar ongeval voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.16, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 13.19 (conclusies onderzoek veiligheidsrapport) 1. Het bevoegd gezag stelt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke ter mijn, maar uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van het veiligheidsrapport, in kennis van de conclusies van het onderzoek daarvan. 2. Als het bevoegd gezag van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, wordt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen acht weken na ontvangst van het veiligheidsrapport ver zocht om aanvullende gegevens en bescheiden te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken. 3. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag dat het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is gedaan tot de dag waarop de aanvullende gegevens en bescheiden zijn verstrekt. Artikel 13.20 (toezichtsysteem en toezichtplan) 1. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeids omstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zorgen gezamenlijk voor het vaststel len, bezien en bijwerken van een toezichtsysteem en een toezichtplan. 2. Het toezichtplan bevat ten minste: a. een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties; b. het gebied dat het toezichtplan bestrijkt; c. een lijst van de Seveso-inrichtingen die onder het plan vallen; d. een lijst van de Seveso-inrichtingen die zijn aangewezen op grond van artikel 8.38 van het Be sluit kwaliteit leefomgeving; e. een lijst van de Seveso-inrichtingen met specifieke externe risico’s of gevarenbronnen die het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; f. procedures voor routinematig toezicht; g. procedures voor niet-routinematig toezicht waarmee ernstige klachten, zware ongevallen, bijna ongevallen, incidenten en overtredingen zo spoedig mogelijk worden onderzocht; en h. afspraken over samenwerking tussen het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio. 3. Het toezichtplan wordt regelmatig bezien en zo nodig bijgewerkt. Artikel 13.21 (toezichtprogramma) 1. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeids omstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio werken gezamenlijk het toezichtplan Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 77 uit in toezichtprogramma’s voor routinematig en niet-routinematig toezicht op een Seveso-in richting. 2. Een toezichtprogramma vermeldt ten minste de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden. De frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, is: a. voor hogedrempelinrichtingen: ten minste eenmaal per jaar; en b. voor Seveso-inrichtingen die geen hogedrempelinrichtingen zijn: ten minste eenmaal per drie jaar. 3. Het tweede lid, tweede zin, is niet van toepassing als een toezichtprogramma is vastgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen, die ten minste is ge baseerd op: a. de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu; b. gegevens over de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. als dat passend is: bevindingen van het houden van toezicht op de naleving van andere wette lijke voorschriften dan die in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 13.22 (uitvoering toezicht) 1. Het houden van toezicht wordt afgestemd op het soort Seveso-inrichting en is niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten. 2. Met bezoeken ter plaatse, het controleren van interne maatregelen, systemen, rapporten, docu menten en opvolging van bevindingen en een planmatig, systematisch, technisch, organisatorisch en bedrijfskundig onderzoek van de systemen die in de Seveso-inrichting worden gebruikt, wordt nagegaan of: a. degene die de Seveso-inrichting exploiteert kan aantonen dat: 1°. passende maatregelen zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen; en 2°. in passende middelen is voorzien om de gevolgen van zware ongevallen te beperken; b. het veiligheidsrapport en andere ingediende rapporten de situatie adequaat weergeven; en c. de artikelen 4.5, 4.6, 4.10 tot en met 4.20, 4.22, 4.24 en 4.26 tot en met 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden nageleefd. 3. Als dat passend is, wordt het toezicht zoveel mogelijk gecombineerd met toezicht op andere wettelijke voorschriften. Artikel 13.23 (bevindingen toezicht) 1. Binnen vier maanden na afronding van een bezoek, controle of onderzoek als bedoeld in artikel 13.22, tweede lid, worden de bevindingen vastgelegd in een toezichtrapport en meegedeeld aan degene die de Seveso-inrichting exploiteert. 2. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeids omstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zien er, voor zover het gaat om de uit oefening van hun bevoegdheden en het verrichten van hun werkzaamheden, op toe dat degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke termijn na de mededeling, bedoeld in het eer ste lid, de bevindingen opvolgt door de vereiste maatregelen te treffen. 3. Als een belangrijke overtreding van een bepaling in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geconstateerd, vindt binnen zes maanden na die constatering aanvullend toezicht plaats. Artikel 13.24 (openbaarmaking bevindingen toezicht) 1. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeids omstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio verschaffen aan een ieder de volgende gegevens: a. de datum waarop voor het laatst routinematig toezicht is gehouden of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; en b. inlichtingen over de wijze waarop op verzoek meer gedetailleerde gegevens over het toezicht en het toezichtplan kunnen worden verkregen. 2. Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen toezichtrapporten als bedoeld in artikel 13.23, eerste lid. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 78 3. Als toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast toezichtrapport beschikbaar gesteld, dat ten minste algemene gegevens bevat over risico’s van zware ongevallen, de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu en de bevindingen van het toezicht. AFDELING 13.4 BESTUURLIJKE EN STRAFRECHTELIJKE SANCTIES SEVESO-INRICHTINGEN § 13.4.1 Toepassingsbereik Artikel 13.25 (toepassingsbereik) 1. Deze afdeling is van toepassing op het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Arbeidsomstandig hedenwet in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde. 2. Deze afdeling is ook van toepassing op de strafbaarstellingen voor handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s en krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet in paragraaf 4.2 van het Besluit activitei ten leefomgeving bepaalde. § 13.4.2 Bestuurlijke handhaving Arbeidsomstandighedenwet Artikel 13.26 (last onder bestuursdwang voor overtredingen Arbeidsomstandigheden wet) Een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter zake van de naleving van het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet, in de artikelen 4.4, 4.5, eerste en derde lid, 4.6, eerste lid, 4.7, 4.9 tot en met 4.15, 4.18, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.24, 4.26, 4.27 en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde. Artikel 13.27 (bestuurlijke boete voor overtredingen Arbeidsomstandighedenwet) 1. Als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt het handelen of nalaten door de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeids omstandighedenwet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, in strijd met de in artikel 13.26 genoemde artikelen, met uitzondering van artikel 4.9, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Als ernstige overtreding als bedoeld in artikel 34, zesde en negende lid, van de Arbeidsomstan dighedenwet wordt aangemerkt een overtreding waardoor de werkgever, bedoeld in artikel 1, eer ste of tweede lid, van die wet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf ver richt, weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers of van de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid verricht, ontstaat of is te verwachten. 3. Als soortgelijke verplichtingen en verboden als bedoeld in artikel 34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden aangewezen verplichtingen en verboden die voortvloeien uit het in de in artikel 13.26 genoemde artikelen bepaalde, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op overtreding van die verplichting of dat verbod op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van die wet, hoger is dan € 12.500,-. 4. Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding. Artikel 13.28 (waarschuwingen en stillegging voor overtredingen Arbeidsomstandighe denwet) 1. Na een herhaling van een overtreding of een soortgelijke overtreding kan een waarschuwing als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden gegeven. Als opnieuw Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 79 dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd, kan de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, een bevel worden opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode van ten hoogste drie maanden worden stilgelegd of niet mogen aanvangen. 2. Als de aard van de overtreding of de soortgelijke overtreding, de met de overtreding of soortge lijke overtreding samenhangende omstandigheden of de gevolgen van een stillegging van de werk zaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van het geven van een waarschuwing en het opleggen van een bevel. 3. Van een soortgelijke overtreding als bedoeld in het eerste en tweede lid is sprake als het gaat om een overtreding van de in artikel 13.26 genoemde artikelen, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, hoger is dan € 50.000,-. 4. Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag van deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding. § 13.4.3 Strafbaarstellingen Artikel 13.29 (strafbaarstellingen Wet veiligheidsregio’s) Handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheids regio's in de artikelen 4.14, 4.15, 4.17, 4.19, 4.20 en 4.24 van het Besluit activiteiten leefomge ving bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economi sche delicten. Artikel 13.30 (strafbaarstellingen Arbeidsomstandighedenwet) Handelen of nalaten door de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeids omstandighedenwet, in strijd met het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeids omstandighedenwet in de artikelen 4.4, 4.5, eerste en derde lid, 4.6, eerste lid, 4.7, 4.9 tot en met 4.15, 4.18, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.24, 4.26, 4.27 en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomge ving bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Arbeidsomstandighe denwet. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 80 HOOFDSTUK 14 DIGITAAL STELSEL OMGEVINGSWET AFDELING 14.1 ELEKTRONISCH VERKEER Artikel 14.1 (elektronisch verkeer via de landelijke voorziening) 1. Via de landelijke voorziening kan worden ingediend of gedaan: a. een aanvraag om een omgevingsvergunning; b. een aanvraag om een maatwerkvoorschrift; c. een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel; en d. een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet. 2. Via de landelijke voorziening kan worden voldaan aan een andere informatieverplichting dan een melding, tenzij bij wettelijk voorschrift een andere wijze is aangewezen waarop aan de informatie verplichting wordt voldaan. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag, een melding of informatie: a. die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013; of b. met betrekking tot: 1°. een jachtgeweeractiviteit; 2°. een valkeniersactiviteit; 3°. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c; 4°. een activiteit met betrekking tot dieren, planten of producten daarvan als bedoeld in artikel 11.96 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of 5°. een activiteit met betrekking tot de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten als bedoeld in artikel 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 14.2 (elektronisch formulier) 1. Als via de landelijke voorziening een aanvraag om een omgevingsvergunning, een maatwerk voorschrift of toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel wordt ingediend, een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet wordt gedaan of aan een informatiever plichting anders dan een melding wordt voldaan: a. wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat op de datum van indiening beschik baar is in de landelijke voorziening; en b. worden de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden ook via de landelijke voorziening ver strekt, tenzij het bevoegd gezag instemt met een andere wijze van verstrekken. 2. In afwijking van het eerste lid worden niet via de landelijke voorziening verstrekt: a. bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1 respectievelijk 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gege vensbescherming; en b. informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatie beveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013. 3. Het bevoegd gezag stelt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de in formatie beschikbaar die nodig is om het elektronische formulier te kunnen samenstellen. Artikel 14.3 (ondertekening) 1. Een aanvraag of melding die is ingediend of gedaan via de landelijke voorziening geldt als onder tekend. 2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via de landelijke voorziening gelden als ondertekend. AFDELING 14.2 INFORMATIE VIA DE LANDELIJKE VOORZIENING Artikel 14.4 (informatie uit besluiten en andere rechtsfiguren) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 81 1. De Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, stelt voor ontsluiting via de lan delijke voorziening beschikbaar: a. de inhoud van de bij ministeriële regeling aangewezen omgevingsdocumenten, in een zodanige vorm dat de informatie in samenhang per geometrisch begrensd object raadpleegbaar is; b. informatie over de status van de omgevingsdocumenten, bedoeld onder a; en c. informatie uit documenten die zijn opgenomen in de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, in een zodanige vorm dat deze begrijpelijk en in combinatie met de informatie, bedoeld onder a, raadpleegbaar is. 2. De Dienst draagt zorg voor het beheer van de ingevolge het eerste lid beschikbaar gestelde in formatie. Artikel 14.5 (verstrekking gegevens over besluiten en andere rechtsfiguren) Aan de Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, worden de in bijlage VIII ge noemde gegevens over de besluiten en andere rechtsfiguren, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid, on der a, verstrekt door: a. het college van burgemeester en wethouders, voor zover het gaat om een besluit dat of een an dere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door een bestuursorgaan van de ge meente; b. het dagelijks bestuur van een waterschap, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door een bestuursorgaan van het waterschap; c. gedeputeerde staten, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie; en d. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of Onze Minister die het aangaat, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vast gesteld door of op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk Onze Minister die het aangaat. AFDELING 14.2A ANDERE FUNCTIONALITEITEN VAN DE LANDELIJKE VOORZIENING Artikel 14.5a (samenwerkfunctionaliteit) De landelijke voorziening voorziet in het elektronisch kunnen uitwisselen van gegevens bij het voorbereiden van een beslissing op een aanvraag en het beoordelen van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet. Artikel 14.5b (doorzendfunctionaliteit) De landelijke voorziening voorziet in het elektronisch doorzenden van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet naar Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor het uitoefenen van de bestuursrech telijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 13.1, aanhef en onder b, onder 5°. AFDELING 14.3 GEGEVENSBEHEER EN PERSOONSGEGEVENS § 14.3.1 Algemeen Artikel 14.6 (begripsbepalingen) In deze afdeling wordt verstaan onder: bericht: elektronisch bericht als bedoeld in artikel 14.1, eerste en tweede lid; bezoeker: degene die de landelijke voorziening bezoekt, maar niet inlogt; DSO-LV-id: unieke aanduiding van een geauthentiseerde persoon, die alleen binnen de landelijke voorziening wordt gebruikt; eHerkenning pseudoniem: pseudoniem dat door eHerkenning wordt verstrekt om een persoon die namens een niet-natuurlijke persoon handelt te identificeren; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 82 gebruiker: degene die inlogt in de landelijke voorziening; identificatienummer van de organisatie: nummer waarmee een niet-natuurlijke persoon kan wor den geïdentificeerd, zoals het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer, het nummer van de inschrijving in het handelsregister of het Organisatie-identificatienummer; initiatiefnemer: degene die een aanvraag heeft ingediend, een melding heeft gedaan of gegevens en bescheiden heeft verstrekt om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een mel ding. § 14.3.2 Gegevensbeheer Artikel 14.7 (beheer berichten) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties brengt een ingediend bericht on verwijld binnen het bereik van het bevoegd gezag en stelt het bevoegd gezag hiervan onverwijld op de hoogte. 2. Een ingediend bericht wordt ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. Deze termijn kan op verzoek van het bevoegd gezag met een jaar worden verlengd als dat noodzakelijk is voor de behandeling van het bericht. 3. Een nog niet ingediend formulier en daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard, gerekend vanaf het tijdstip van de laatste mutatie. Artikel 14.7a (uitwisselen gegevens bij samenwerken) 1. Een bestuursorgaan dat is betrokken bij het voorbereiden van een beslissing op een aanvraag of het beoordelen van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere infor matieverplichting dan een melding op grond van de wet kan via de landelijke voorziening gegevens uitwisselen met andere betrokken bestuursorganen en adviseurs. 2. De gegevens worden ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. Deze termijn kan op verzoek van het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van ge gevens met een jaar worden verlengd als dat noodzakelijk is voor de behandeling van de aanvraag of de beoordeling van de melding of gegevens en bescheiden. Artikel 14.7b (doorzenden berichten) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties brengt een ingediend bericht over een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activitei ten leefomgeving onverwijld binnen het bereik van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor het uitoefenen van de bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 13.1, aanhef en onder b, onder 5°. 2. Een ingediend bericht wordt ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. § 14.3.3 Persoonsgegevens Artikel 14.8 (verwerkingsverantwoordelijke) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening. 2. Het bevoegd gezag is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in een bericht, vanaf het moment dat het dit heeft opgehaald uit de landelijke voorziening. 3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwer king van persoonsgegevens in een bericht als bedoeld in artikel 14.7b, eerste lid, vanaf het mo ment dat hij dit heeft opgehaald uit de landelijke voorziening. 4. In afwijking van het eerste lid zijn, als sprake is van het uitwisselen van gegevens als bedoeld in artikel 14.7a, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens gezamenlijke verwerkingsverant woordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens. Artikel 14.9 (verwerking persoonsgegevens voor toegang tot landelijke voorziening) Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 83 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor het verlenen van toegang tot de landelijke voorziening de volgende persoonsgegevens: a. over gebruikers: 1°. gegevens om de gebruiker te identificeren, waaronder het burgerservicenummer, het eHerken ning pseudoniem in combinatie met het identificatienummer van de organisatie of het uniek identi ficerend nummer bij authenticatie buiten Nederland maar binnen de Europese Unie; en 2°. profielgegevens, waaronder de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de functie en voor keursinstellingen; en b. over medewerkers van bestuursorganen en adviseurs: 1°. gegevens om de medewerker te identificeren, waaronder het eHerkenning pseudoniem en het identificatienummer van de organisatie; en 2°. profielgegevens, waaronder de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de functie, con tactgegevens van het bevoegd gezag en voorkeursinstellingen. 2. De persoonsgegevens worden ten hoogste achttien maanden na het opheffen van het account in de landelijke voorziening bewaard. Artikel 14.10 (verwerking persoonsgegevens voor doorgeleiden berichten naar bevoegd gezag) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor het doorgeleiden van berichten naar het bevoegd gezag de volgende persoonsgegevens: a. over gebruikers: 1°. gegevens om te communiceren met de gebruiker, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer; 2°. gegevens om de gebruiker te identificeren, waaronder het burgerservicenummer of het identifi catienummer van de organisatie; en 3°. gegevens om het bericht te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaron der gegevens over de activiteit, gegevens over de locatie waar de activiteit wordt verricht, de ver mogensrechtelijke status in relatie tot die locatie en financiële gegevens; en b. over derden die direct zijn betrokken bij de activiteit waarop het bericht betrekking heeft: gege vens om het bericht te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder de naam, het adres, het telefoonnummer, de functie en een bewijs van vakbekwaamheid. 2. Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7, tweede en derde lid, genoemde bewaarter mijnen. Artikel 14.10a (verwerking persoonsgegevens bij samenwerken) 1. Bij het voorbereiden van beslissingen op aanvragen en het beoordelen van meldingen of gege vens en bescheiden om te voldoen aan andere informatieverplichtingen dan meldingen worden de volgende persoonsgegevens verwerkt: a. over initiatiefnemers: 1°. gegevens om te communiceren met de initiatiefnemer, waaronder de naam, de organisatie naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer; 2°. gegevens om de initiatiefnemer te identificeren, waaronder het burgerservicenummer of het identificatienummer van de organisatie; en 3°. gegevens om de aanvraag, melding of gegevens en bescheiden te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder gegevens over de activiteit, gegevens over de locatie waar de activiteit wordt verricht, de vermogensrechtelijke status in relatie tot die locatie en financiële gegevens; en b. over derden die direct zijn betrokken bij de activiteit waarop de aanvraag of melding betrekking heeft of waarop de gegevens en bescheiden betrekking hebben: gegevens om de aanvraag, mel ding of gegevens en bescheiden te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waar onder de naam, het adres, het telefoonnummer, de functie en een bewijs van vakbekwaamheid. 2. Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7a, tweede lid, genoemde bewaartermijnen. Artikel 14.10b (verstrekking van persoonsgegevens bij samenwerken) Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, bedoeld in Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 84 artikel 14.8, vierde lid, kan de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 14.10a, eerste lid, verstrekken aan de volgende bestuursorganen of adviseurs voor zover dat noodzakelijk is voor een goede ver vulling van een wettelijke taak: a. een ander bestuursorgaan vanwege de betrokkenheid van dat bestuursorgaan bij de voorberei ding van een besluit als bedoeld in artikel 16.7 van de wet, waarop afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is; b. een bestuursorgaan of andere instantie als bedoeld in artikel 16.15 van de wet vanwege de be voegdheid tot advies van dat bestuursorgaan of die instantie; c. een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 16.16 van de wet vanwege de bevoegdheid tot instem ming van dat bestuursorgaan; en d. een adviseur, anders dan bedoeld onder b. Artikel 14.10c (verwerking persoonsgegevens bij doorzenden) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor het doorzenden van berichten over meldingen en gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 14.5b naar Onze Minis ter van Infrastructuur en Waterstaat de volgende persoonsgegevens: a. over gebruikers: gegevens om te kunnen communiceren, waaronder de naam, de organisatie naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer; b. over initiatiefnemers, opdrachtgevers en uitvoerders: gegevens voor het uitoefenen van de be stuursrechtelijke handhavingstaak, waaronder gegevens over de activiteit, de locatie waar de acti viteit wordt verricht, de herkomstlocatie en toepassingslocatie, de naam, de organisatienaam en het adres; en c. over derden: gegevens om de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 1, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, te kunnen verifiëren, waaronder de organisatienaam. 2. Voor de persoonsgegevens geldt de in artikel 14.7b, tweede lid, genoemde bewaartermijn. Artikel 14.11 (verwerking persoonsgegevens voor operationele werking landelijke voor ziening) 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt voor de inrichting, in standhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening de volgende persoonsgegevens: a. over bezoekers, gebruikers en medewerkers van bestuursorganen en adviseurs: gegevens die relevant zijn voor de adequate werking van de landelijke voorziening en gegevens in technische logbestanden voor onderzoek naar systeemtechnische fouten, waaronder gegevens over de her komst en kenmerken van het netwerkverkeer, de kenmerken van de gebruikte software en hard ware, het IP-adres en sessiegegevens; b. over gebruikers en medewerkers van bestuursorganen en adviseurs: gegevens in auditlogbe standen voor incidentoplossing, onderzoek naar oneigenlijk gebruik en bewijsvoering in juridische geschillen of procedures, waaronder het DSO-LV-id, de gebeurtenis, de datum en het tijdstip van de gebeurtenis en het IP-adres; en c. over gebruikers, initiatiefnemers en derden die direct zijn betrokken bij de activiteit waarop een bericht betrekking heeft: gegevens in auditlogbestanden voor incidentoplossing, onderzoek naar oneigenlijk gebruik en bewijsvoering in juridische geschillen of procedures, bestaande uit de gege vens, bedoeld in de artikelen 14.10, eerste lid, en 14.10a, eerste lid. 2. De persoonsgegevens en technische logbestanden, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden ten hoogste achttien maanden in de landelijke voorziening bewaard, waarbij de sessiegegevens al leen worden bewaard tot het moment waarop de sessie wordt beëindigd. De auditlogbestanden, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, worden ten hoogste vijf jaar in de landelijke voorziening be waard. AFDELING 14.4 BEHEER ONDERDELEN LANDELIJKE VOORZIENING Artikel 14.12 (beheer onderdelen landelijke voorziening door Kadaster) De Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, draagt zorg voor de inrichting, in standhouding, werking en beveiliging van: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 85 a. het deel van de landelijke voorziening dat dient voor de ontsluiting van informatie, bedoeld in artikel 20.21, eerste lid, onder a, van de wet; b. een stelselcatalogus; en c. koppelvlakken voor het beschikbaar stellen van gegevens aan, en hergebruik van gegevens uit de landelijke voorziening. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 86 HOOFDSTUK 15 OVERGANGSRECHT § 15.1 Sanering te hoge geluidbelastingen Artikel 15.1 (toepassingsbereik) 1. De artikelen 3.21, eerste en tweede lid, 3.23 en 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van toepassing op deze paragraaf. 2. In deze paragraaf wordt onder geluidgevoelig gebouw, geluidaandachtsgebied, gemeenteweg, provinciale weg en waterschapsweg verstaan wat in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving onder die begrippen wordt verstaan. Artikel 15.2 (lijst met vanwege het geluid te saneren gebouwen) 1. Voor de toepassing van paragraaf 12.1.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen onder staande bestuursorganen uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een lijst samen van geluidgevoelige gebouwen: a. het college van burgemeester en wethouders: voor gemeentewegen en voor lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; b. het dagelijks bestuur van een waterschap: voor waterschapswegen; en c. gedeputeerde staten: voor provinciale wegen en voor lokale spoorwegen die bij omgevingsveror dening zijn aangewezen. 2. Op de lijst wordt vermeld een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig ge luidgevoelig gebouw dat ligt in het geluidaandachtsgebied van: a. een provinciale weg die binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde be bouwde kom ligt, waarvan het geluid, bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds zoals die zijn vastgesteld op grond van artikel 12.6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van dat besluit; b. een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt, waarvan het geluid, bij volledige benut ting van de geluidproductieplafonds zoals die zijn vastgesteld op grond van artikel 12.6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van dat besluit; c. een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen, waarvan het geluid, bij volle dige benutting van de geluidproductieplafonds, hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of d. een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen, waarvan het geluid in het jaar, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van dat besluit. 3. Op de lijst wordt niet vermeld een geluidgevoelig gebouw: a. waarop met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering een hogere geluidbelasting dan de maximale waarde op grond van de Wet geluidhinder is toegestaan; b. waarbij toepassing is gegeven aan artikel 83, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet geluidhinder, zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit; c. dat eerder op grond van de Wet geluidhinder vanwege het geluid op kosten van het Rijk is gesa neerd en is vermeld op een uiterlijk een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat te publiceren lijst, met uitzondering van ge bouwen die zijn gesaneerd door een verkeersmaatregel waarmee een snelheid van 30 km/u is in gesteld en waarvoor geen rijksbijdrage voor geluidwerende maatregelen is ontvangen; of d. dat alleen aan de voorwaarden van het tweede lid voldoet voor een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd. 4. De lijst bevat voor elk geluidgevoelig gebouw in ieder geval: a. de in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen identificatienummers; en b. het in het tweede lid bedoelde geluid op het gebouw. Artikel 15.3 (samenstellen en melding lijst met vanwege het geluid te saneren gebou wen) 1. Voorafgaand aan de samenstelling van de lijst, bedoeld in artikel 15.2, publiceren het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap en gedeputeerde sta ten een ontwerp van de lijst en stellen zij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de ge legenheid een zienswijze naar voren te brengen. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 87 2. Bij de publicatie van het ontwerp van de lijst wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven en maat schappelijke organisaties bij de samenstelling van de lijst zijn betrokken. 3. Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap en ge deputeerde staten zenden een afschrift van de lijst voor het in artikel 15.2, eerste lid, bedoelde tijdstip op elektronische wijze aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. § 15.2 Geluidregister Artikel 15.4 (afwijkend tijdstip gegevensverstrekking ten behoeve van het geluidregis ter) 1. In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder a en b, verstrekt het bestuursorgaan dat bevoegd is geluidproductieplafonds vast te stellen de in die onderdelen bedoelde gegevens met betrekking tot geluidproductieplafonds langs wegen en spoorwegen die zijn herberekend op grond van artikel 3.2 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, met uitzondering van het gegeven, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na die herberekening. 2. In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder f, verstrekken gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de in dat onderdeel bedoelde gegevens met betrekking tot op het tijdstip van inwerkingtreding van het Aanvullingsbe sluit geluid Omgevingswet geldende besluit over het toegelaten geluid van een luchthaven waar voor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist, binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn. 3. In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder g en h, verstrekt het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Infra structuur en Waterstaat, Onze Minister voor Klimaat en Energie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn de in die onderde len bedoelde gegevens met betrekking tot activiteiten die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet rechtmatig worden verricht. § 15.3 Programma legalisering projecten natuur Artikel 15.5 (gegevensverstrekking over programma legalisering projecten natuur en rapportage aan Tweede en Eerste Kamer) 1. De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van het in artikel 22.21, tweede lid, van de wet bedoelde programma voor het legaliseren van projecten met een geringe stikstofdepositie, ver strekken de gegevens, bedoeld in artikel 12.26b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elk jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt elk jaar aan de beide Kamers der Staten-Gene raal het verslag over de voortgang en de gevolgen van het programma, bedoeld in artikel 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 88 HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN Artikel 16.1 (inwerkingtreding) De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel 16.2 (citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Omgevingsbesluit. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 89 BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1 VAN DIT BESLUIT (BEGRIPPEN) A Begrippen Voor de toepassing van dit besluit wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: bijeenkomstfunctie: bijeenkomstfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefom geving; bruto-vloeroppervlakte: bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; enkelvoudige aanvraag om een omgevingsvergunning: aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op één activiteit; gebruiksfunctie: gebruiksfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; hoofdgebouw: hoofdgebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; kantoorfunctie: kantoorfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; landelijke voorziening: landelijke voorziening als bedoeld in artikel 20.21 van de wet; meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning: aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op meer dan een activiteit; prioritair type natuurlijke habitat: type natuurlijke habitat dat in bijlage I bij de habitatrichtlijn als zodanig is aangeduid; prioritaire soort: soort die in bijlage II bij de habitatrichtlijn als zodanig is aangeduid; programma stikstofreductie en natuurverbetering: programma stikstofreductie en natuurverbete ring als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; provinciaal monument: provinciaal monument als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; PRTR-verslag: PRTR-verslag als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; rijstrook: rijstrook als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; Seveso-inrichting: Seveso-inrichting als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomge ving; tijdelijk bouwwerk: tijdelijk bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomge ving; voorbeschermd provinciaal monument: voorbeschermd provinciaal monument als bedoeld in bij lage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; wet: Omgevingswet; winkelfunctie: winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; winterbed: winterbed als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; woonfunctie: woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; zwaar ongeval: zwaar ongeval als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving. B Verordeningen, richtlijnen en besluiten Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: cites-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescher ming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handels verkeer (PbEU 2006, L 166); verordening hergebruik stedelijk afvalwater: verordening hergebruik stedelijk afvalwater als be doeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 90 BIJLAGE II BIJ ARTIKEL 3.1 VAN DIT BESLUIT (AANWIJZING VAN RIJKSWATEREN) 1 Oppervlaktewaterlichamen A Hoofdwateren 1°. de zee, grote estuaria en daarmee verbonden wateren – de territoriale wateren en de exclusieve economische zone van de Noordzee; – Waddenzee; – Eems, Dollard; – Westerschelde, Kanaal van Gent naar Terneuzen; – Oosterschelde, Kanaal door Zuid-Beveland; – Grevelingenmeer; – Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal, Schelde-Rijnverbinding; – Hollandsch Diep, Haringvliet, Wantij, Vlij, Rietbaan, Strooppot; 2°. het IJsselmeer en daarmee verbonden wateren – IJsselmeer (met inbegrip van Ketelmeer en Zwarte Meer), Buiten-IJ, Markermeer (met inbegrip van Gouwzee en IJmeer), Randmeren (met inbegrip van Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijker kernauw, Nuldernauw, Veluwemeer, Drontermeer en Vossemeer); 3°. de Rijn en daarmee verbonden wateren – Pannerdensch Kanaal, Nederrijn, Lek, Nieuwe Maas, Nieuwe Waterweg, Maasmond, Calandka naal, Breediep, Hollandsche IJssel van Krimpen aan de IJssel tot de Waaiersluis bij Gouda; – Beneden Merwede, Noord, Dordtsche Kil, Oude Maas, Spui; – Lekkanaal, Amsterdam-Rijnkanaal, Afgesloten IJ, Noordzeekanaal, Buitenhaven van IJmuiden; – Boven-Rijn, Bijlandsch Kanaal, Waal, Boven Merwede, Nieuwe Merwede; 4°. de IJssel en daarmee verbonden wateren – IJssel; – Reevediep; – Twentekanalen; – Zwarte Water, Zwolle-IJsselkanaal; 5°. de Maas en daarmee verbonden wateren – Maas, Verbindingskanaal Bossche Veld, Afleidingskanaal Maastricht, Zuid-Willemsvaart (Lim burgse tak), Bergsche Maas, Heusdensch Kanaal, Afgedamde Maas, Amer, Brabantse, Dordtsche en Sliedrechtse Biesbosch; – Julianakanaal, Lateraal kanaal, Maas-Waalkanaal, Kanaal van St. Andries; – Wilhelminakanaal, met inbegrip van de Amertak, Zuid-Willemsvaart (Brabantse tak), Máximaka naal, Kanaal Wessem-Nederweert. B Andere wateren dan hoofdwateren 1°. in de provincie Groningen: – alle in het Groningse deel van het Lauwersmeergebied gelegen oppervlaktewaterlichamen; – Eemskanaal; – Van Starkenborghkanaal; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 2°. in de provincie Friesland: – alle in het Friese deel van het Lauwersmeergebied gelegen oppervlaktewaterlichamen; – Prinses Margrietkanaal; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 3°. in de provincie Drenthe: – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 4°. in de provincie Overijssel: – het Meppelerdiep; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 5°. in de provincie Gelderland: – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 6°. in de provincie Utrecht: Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 91 – het Merwedekanaal; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 7°. in de provincie Noord-Holland: – de Muidertrekvaart vanaf het Amsterdam-Rijnkanaal tot aan de schotbalkkering; – de Diemen aan de oostzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal; – het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep); – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 8°. in de provincie Zuid-Holland: – het Vuile Gat in het Haringvliet; – Mallegat Oost, gelegen bij de splitsing Dordtse kil en Oude Maas; – de zeegeul naar het Haringvliet, genaamd het Slijkgat; – de Sliksloot; – het Zuiderdiepje; – alle inliggende oppervlaktewaterlichamen op Tiengemeten; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 9°. in de provincie Zeeland: – het Veerse Meer; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 10°. in de provincie Noord-Brabant: – Gekanaliseerde Dieze, Kanaal Engelen-Henriëttewaard, Markkanaal; – de Bakkerskil; – de vaargeul naar de sluis in de Rode Vaart (nabij haven Moerdijk); – de havens, kreken en killen bij Gors d’n Anwas, ter hoogte van Woudrichem; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk; 11°. in de provincie Limburg – de Noordervaart en de Voedingskanalen van de Zuid-Willemsvaart in Midden-Limburg en Maas tricht; – de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer bij het Rijk. 2 Primaire waterkeringen en andere waterkeringen A Primaire waterkeringen – duinwaterkeringen (en aansluitingen) op Ameland, Terschelling en Vlieland; – de Waddenzeedijken op Vlieland; – Afsluitdijk; – Houtribdijk; – Nijkerkersluis; – Roggebotsluis; – Reevedam en Reevesluiscomplex; – Meppelerdiep-keersluis; – Grote Kolksluis; – Spooldersluis; – stormvloedkering Ramspol; – Prinses Beatrixsluizen; met inbegrip van voorhavendijken (Nieuwegein); – Koninginnensluizen; met inbegrip van voorhavendijken (Nieuwegein); – Prinses Irenesluizen; met inbegrip van voorhavendijken (Wijk bij Duurstede); – Prinses Marijkesluizen; met inbegrip van keersluis Ravenswaaij (Rijswijk); – Prins Bernhardsluizen (Tiel); – Verbindende kering IJmuiden; – sluizencomplex Schellingwoude (Amsterdam); – Marken; – stormvloedkering Nieuwe Waterweg en Europoortkering I; – Europoortkering II en Hartelkering; – stormvloedkering Hollandsche IJssel; – Haringvlietkering; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 92 – Hellegatsdam en Volkeraksluizen; – Biesboschsluis; – Wilhelminasluis en Afsluitdijk Andel; – Brouwersdam; – Oosterscheldekering; – Veersedam; – Zandkreekdam; – Grevelingendam; – Philipsdam; – Krabbenkreekdam; – Oesterdam; – Oostelijke Spuikanaaldijk; – Sluizen Hansweert; – Bathse spuisluis; – waterkering sluizen Terneuzen; – Marksluis; – sluis Empel; – sluis St. Andries; – sluiscomplex Weurt; – sluiscomplex Heumen; – sluis Limmel; – sluis Bosscherveld. B Andere dan primaire waterkeringen – regionale keringen Twentekanalen; – Westelijke kanaaldijk Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal tussen Amsterdam en Nieuwegein, vanaf km 1.000 tot en met km 45.000; – oostelijke dijk Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal; – westelijke dijk Amsterdam-Rijnkanaal vanaf splitsing Lekkanaal tot aan Wijk bij Duurstede; – de westelijke en oostelijke dijk langs het Amsterdam-Rijnkanaal, gelegen tussen de Lek en de Waal (tussen de Prinses Marijke- en de Prins Bernhardsluizen); – waterkeringen langs het Kanaal van Gent naar Terneuzen; – kanaaldijken Zuid-Willemsvaart; – kanaaldijken Máximakanaal; – kanaaldijken Wilhelminakanaal; – kanaaldijken Wessem – Nederweert; – dijk langs A2 bij Den Bosch; – kanaaldijken Maas-Waalkanaal (oost en west); – kanaaldijk Kreekrakpolder; – kanaaldijken Julianakanaal (oost en west); – kanaaldijken Noordervaart. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 93 BIJLAGE III BIJ DE ARTIKELEN 4.33 EN 4.34 VAN DIT BESLUIT (ADVIES DOOR BESTUUR VEILIGHEIDSREGIO EN ADVIES DOOR INSPECTEUR-GENERAAL LEEFOMGEVING EN TRANSPORT) 1 Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.33 Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.33 zijn: a. het exploiteren van een koelinstallatie met meer dan 1.500 kg ammoniak, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het opslaan in een opslagtank van giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. meer dan 1.500 kg ammoniak; of 2°. meer dan 1 m3 andere giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2; c. het opslaan in een opslagtank van gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om meer dan 1 m3; d. het opslaan in een opslagtank van meer dan 13 m3 propaan of propeen, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het opslaan van: 1°. ten hoogste 50 m3 met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3; of 2°. meer dan 50 m3; e. het opslaan in een opslagtank van brandbare gassen van ADR-klasse 2, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om meer dan 13 m3 acetyleen; f. het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer of ver pakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1, bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om meer dan 1 m3; g. het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer of ver pakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder e, van het Be sluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. meer dan 1 m3; en 2°. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of 3°. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, als die: i. bij inademing acuut toxisch zijn; of ii. bij opname door de mond acuut toxisch zijn, voor zover die stoffen niet kunnen worden inge deeld in die klasse bij inademing of blootstelling aan de huid; h. het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3 of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 150 m3, bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II; en 2°. een bovengrondse opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt ge bruikt; i. het in een opslagplaats opslaan van meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; j. het in een opslagplaats opslaan van meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de geva renklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in gasflessen, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 94 k. het in een opslagplaats opslaan van 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, be doeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder h, van dat besluit, voor zover het opslaan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op: 1°. brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbin dingen; of 2°. zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof of zwavelhoudende verbindingen; l. het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theaterge bruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; m. het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit activiteiten leefomgeving; n. het opslaan van meer dan 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststof fengroep 2 van PGS 7, bedoeld in artikel 3.37, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leef omgeving; o. het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in de artikelen 3.50 en 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; p. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van explosieven, bedoeld in de artikelen 3.72, eerste lid, onder f, en 3.73, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; q. het behandelen van aardgas, het regelen van aardgasdruk of het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas, voor zover deze activiteiten worden verricht in een installatie met een gas toevoerleiding met een diameter van meer dan 50,8 cm, bedoeld in de artikelen 3.97 en 3.98, aan hef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; r. het aanbrengen van metaallagen met een cyanidehoudend bad met een inhoud van ten minste 100 l, bedoeld in artikel 3.105, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; ra. het behandelen van het oppervlak van metalen met een bad met een inhoud van ten minste 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1 of vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevaren klasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, be doeld in artikel 3.105, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; s. het tanken van voertuigen of werktuigen met LNG of waterstof, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder e of f, van het Besluit activiteiten leefomgeving; t. het opslaan van vuurwerk of van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder i, van het Besluit activiteiten leefomgeving; u. het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder j, van het Besluit activi teiten leefomgeving; v. het buiten een Seveso-inrichting opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bij lage I, deel 1, kolom 2, of deel 2, kolom 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aante keningen bij die bijlage, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder k, van het Besluit activiteiten leef omgeving; va. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activi teiten leefomgeving, voor zover het gaat om een spoorwegemplacement als bedoeld in tabel E.13 in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; w. het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen met LNG of waterstof, bedoeld in artikel 3.297 van het Besluit activiteiten leefomgeving; x. het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in de artikelen 3.320 en 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het winnen, op slaan, bewerken of gereedmaken voor transport van: 1°. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse: i. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 95 ii. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verorde ning; of iii. acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; 2°. ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1; of 3°. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1 of 8; en y. elke andere milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomge ving als vergunningplichtig is aangewezen, als van die activiteit onderdeel is het aanwezig hebben van een insluitsysteem, anders dan een koelinstallatie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activi teiten leefomgeving, een opslagtank als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activi teiten leefomgeving wordt gebruikt, met: 1°. meer dan 1.500 kg ammoniak; 2°. meer dan 13 m3 en ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3; 3°. meer dan 50 m3 propaan of propeen; 4°. meer dan 13 m3 acetyleen; 5°. meer dan 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1 als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; 6°. meer dan 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activi teiten leefomgeving, voor zover het gaat om: i. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1 of 2, bedoeld in bij lage I, deel 3, bij de CLP-verordening, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of ii. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving als die: – bij inademing acuut toxisch zijn; of – bij opname door de mond acuut toxisch zijn, voor zover die stoffen niet kunnen worden ingedeeld in die klasse bij inademing of blootstelling aan de huid; of 7°. meer dan 150 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, verpakkingsgroep I of II als bedoeld in bijlage I bij het Besluit ac tiviteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bovengronds insluitsysteem. 2 Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.34 Milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.34 zijn: a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in de artike len 3.41, onder a, en 3.42, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als in die installa tie: 1°. afvalwater wordt gereinigd door middel van waterstraal- of oppervlaktebeluchters, met een ca paciteit van 250.000 inwonerequivalenten als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefom geving of meer; en 2°. vergistingsgas als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving wordt gewonnen; b. het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in de artikelen 3.50 en 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld in de artikelen 3.54, eerste lid, en 3.55, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 MW of meer; d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie en gas, bedoeld in de ar tikelen 3.57, eerste lid, en 3.58, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie met een capaciteit van 1.000.000.000 kg per jaar of meer; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 96 e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes, bedoeld in de artikelen 3.60, eerste lid, en 3.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van 100.000.000 kg per jaar of meer; f. het exploiteren van een ippc-installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in de artikelen 3.63, eerste lid, onder a, en 3.64, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. steenkool, met een capaciteit van 100.000.000 kg per jaar of meer; of 2°. aardolie of aardoliefracties, met een capaciteit van 1.000.000.000 kg per jaar of meer; g. het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in de artikelen 3.66, eerste lid, en 3.67, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. een ippc-installatie voor het roosten of sinteren van ertsen als bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; 2°. een ippc-installatie voor het maken van ijzer of staal als bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, on der b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van 1.000.000 kg per jaar of meer; 3°. een ippc-installatie voor het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, smeden met ha mers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal als bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een productieoppervlak van 250.000 m2 of meer; 4°. een ippc-installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen als bedoeld in artikel 3.66, eer ste lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een jaarproductie van 5.000 ton of meer; of 5°. een ippc-installatie voor het winnen van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secun daire grondstoffen, het smelten, met inbegrip van het legeren, en het gieten van non-ferrometalen als bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving; h. het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in de artikelen 3.69, eerste lid, en 3.70, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. een ippc-installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk of magnesi umoxide als bedoeld in artikel 3.69, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het maken van cement of cementklinkers, met een capaciteit van 100.000.000 kg per jaar of meer; of 2°. een ippc-installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels, als bedoeld in artikel 3.69, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: i. het maken van glas, met een capaciteit van 150.000 ton per jaar of meer; of ii. het maken van glasvezels, met een capaciteit van 5.000.000 kg per jaar of meer; i. het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in de artikelen 3.72, eerste lid, en 3.73, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. een ippc-installatie voor het maken van organisch-chemische producten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een verwerkings- of pro ductiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; 2°. een ippc-installatie voor het maken van anorganisch-chemische producten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een verwerkings- of pro ductiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; 3°. een ippc-installatie voor het maken van fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomge ving, met een verwerkings- of productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer; 4°. een ippc-installatie voor het maken van producten voor gewasbescherming of van biociden als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een ver werkings- of productiecapaciteit van 20.000 ton per jaar of meer; 5°. een ippc-installatie voor het maken van farmaceutische producten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een verwerkings- of productieca paciteit van 20.000 ton per jaar of meer; of Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 97 6°. een ippc-installatie voor het maken van explosieven als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, on der f, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een verwerkings- of productiecapaciteit van 20.000 ton per jaar of meer; j. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afval stoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in de artike len 3.87, eerste lid, en 3.88, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; k. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen, bedoeld in artikel 3.119, eerste lid, aanhef en on der a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het maken van elastome ren of enzymen, met een productiecapaciteit van 50.000 ton per jaar of meer; en l. het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het be werken en verwerken van alleen melk, bedoeld in artikel 3.129, eerste lid, van het Besluit activitei ten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. het brouwen van bier, met een koelinstallatie met een capaciteit groter dan 5 ton ammoniak; of 2°. het vervaardigen van zetmeel of zetmeelderivaten, met een productiecapaciteit van 25 ton per uur of meer. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 98 BIJLAGE IV BIJ ARTIKEL 8.15 VAN DIT BESLUIT (KOSTENSOORTEN) De kostensoorten, bedoeld in artikel 8.15, zijn de in de tabellen A en B bedoelde kostensoorten. A. Kostensoorten bij kostenverhaal met of zonder tijdvak A1 De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omge vingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek A2 De waarde van de gronden die worden gebruikt voor de uitvoering van de on der A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eer ste lid A3 De kosten van het vrijmaken van de gronden, bedoeld onder A2, van persoon lijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten A4 Het tijdelijk beheer van de door of vanwege de gemeente, de provincie of de Staat verworven percelen, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te ver wachten opbrengsten A5 De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obsta kels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder A2 A6 De kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder A2 A7 De kosten van de noodzakelijke compensatie van in het kostenverhaalsgebied verloren gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen A8 De kosten van de aanleg of wijziging van: 1°. wegen, gebouwde en ongebouwde openbare parkeergelegenheden, plei nen, voet- en rijwielpaden, gebouwde openbare fietsenstallingen, faciliteiten voor ondergrondse afvalinzameling, waterpartijen, watergangen, voorzienin gen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg daarvan verband houdende werken en bouwwerken; 2°. infrastructuur voor openbaar-vervoervoorzieningen met bijbehorende wer ken en bouwwerken; 3°. groenvoorzieningen, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen; 4°. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen; 5°. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en af rasteringen in de openbare ruimte; 6°. distributienetwerken voor elektriciteit, warmte, gas en water, inclusief bij behorende werken en bouwwerken; en 7°. riolering, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken A9 De kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leef omgeving en een goede omgevingskwaliteit A10 De kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de onder A3, A5, A6, A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek A11 Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet A12 Niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW of an dere niet-terugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder A1 en A3 tot en met A10 A13 De rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met ren teopbrengsten A14 De kosten van andere door of in opdracht van het bestuursorgaan te verrich ten werkzaamheden, voor zover die werkzaamheden rechtstreeks verband Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 99 houden met de in deze bijlage bedoelde werken, werkzaamheden en maatre gelen B. Kostensoorten bij kostenverhaal met tijdvak; in aanvulling op tabel A B1 De waarde van de gronden waar de bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet, zullen worden verricht, inclusief de waarde van de daar aanwezige, te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid B2 De kosten om de gronden, bedoeld onder B1, vrij te maken van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten B3 De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obsta kels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder B1 B4 De kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlakte wateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder B1 Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 100 BIJLAGE V BIJ DE ARTIKELEN 11.6, 11.7 EN 11.8 VAN DIT BESLUIT (AANWIJZING PRO JECTEN EN DE DAARVOOR BENODIGDE BESLUITEN WAARVOOR EEN MER-(BEOORDE LINGS)PLICHT GELDT) Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit A. Landbouw, bosbouw en aquacultuur A1 Installaties voor inten sieve veehouderij Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op meer dan: 1°. 85.000 plaatsen voor mesthoenders; 2°. 60.000 plaatsen voor hennen; 3°. 3.000 plaatsen voor mestvarkens; of 4°. 900 plaatsen voor zeugen Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit A2 Het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of semina tuurlijke gebieden voor intensieve land bouw Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan A3 Waterbeheersingspro jecten voor landbouw doeleinden, met inbe grip van irrigatie- en droogleggingspro jecten Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit of de goed keuring van ge deputeerde sta ten op grond van artikel 16.72 van de wet A4 Eerste bebossing of ontbossing met als doel een andere ruim telijke functie van de grond Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan A5 Intensieve aquacul tuur van vis Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit of de omge vingsvergunning voor een water activiteit B. Winning van delfstoffen en oppervlaktedelfstoffen Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 101 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit B1 Turfwinning, groeven en dagbouwmijnen Winning, wijziging of uit breiding van een winning: 1°. van turf met een ter reinoppervlakte van meer dan 150 ha; of 2°. in een groeve of dag bouwmijn met een ter reinoppervlakte van meer dan 25 ha Winning, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een ontgron dingsactiviteit B2 Winning van minera len door afbaggering van de zee-, meer- of rivierbodem Winning, wijziging of uit breiding op de Noordzee van: 1°. een winplaats van 500 ha of meer of het winnen van 10.000.000 m3 of meer; of 2°. meerdere winplaat sen, die samen 500 ha of meer omvatten, of 10.000.000 m3 of meer betreffen en in elkaars nabijheid liggen Winning, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een ontgron dingsactiviteit B3 Ondergrondse mijn bouw, met inbegrip van oppervlakte-in stallaties Winning, wijziging of uit breiding van een winning, die betrekking heeft op een gewonnen hoeveel heid van meer dan: 1°. 500 ton aardolie per dag; of 2°. 500.000 m3 aardgas1 per dag Winning, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit B4 Diepboringen, in het bijzonder: a. geothermische bo ringen; b. boringen in ver band met de opslag van kernafval; of c. boringen voor wa tervoorziening; met uitzondering van boringen voor het on derzoek naar de stabi liteit van de grond Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit of de omge vingsvergunning voor een water activiteit C. Energie-industrie Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 102 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit C1 Thermische centrales en andere verbran dingsinstallaties voor de productie van elek triciteit, stoom of warm water Oprichting, wijziging of uitbreiding met een warmtevermogen van 300 MW of meer (ther misch) Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit C2 Windparken Oprichting, wijziging of uitbreiding van een wind park met 20 of meer windturbines Oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met drie of meer windturbines De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit of het kavelbe sluit op grond van artikel 3 van de Wet wind energie op zee C3 Kerncentrales en an dere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of bui tengebruikstelling van die centrales of reac toren, met uitzonde ring van onderzoekin stallaties voor de pro ductie en verwerking van splijt- en kweek stoffen, met een con stant vermogen van ten hoogste 1 kW (thermisch) Oprichting Wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van ar tikel 15 van de Kernenergiewet C4 Installaties voor de opwerking van be straalde splijtstoffen Oprichting Wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van ar tikel 15 van de Kernenergiewet C5 Installaties voor: a. de productie of de verrijking van splijt stoffen; b. de behandeling van bestraalde splijtstof fen of hoog radioactief afval; c. de definitieve ver wijdering van be straalde splijtstoffen; d. alleen de definitieve Oprichting Wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van ar tikel 15 van de Kernenergiewet Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 103 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit verwijdering van ra dioactief afval; of e. alleen de (voor meer dan 10 jaar ge plande) opslag van bestraalde splijtstof fen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieter rein C6 Installaties voor de behandeling en de op slag van radioactief afval anders dan be doeld in C5 Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De vergunning op grond van ar tikel 15 van de Kernenergiewet C7 Industrieel briketteren van steenkool of bruinkool Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit C8 Installaties voor de productie van hydro elektrische energie Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit D. Metaalindustrie D1 Geïntegreerde hoog ovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D2 Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstof fen met metallurgi sche, chemische of elektrolytische proce dés Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D3 Installaties voor de productie van ruwijzer of staal, met inbegrip van continugieten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D4 Installaties voor ver werking van ferrome talen door: Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 104 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit a. warmwalsen; b. het smeden met hamers; of c. het aanbrengen van deklagen van gesmol ten metaal een milieubelas tende activiteit D5 Smelterijen van ferro metalen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D6 Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, en met inbegrip van terugwin ningsproducten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D7 Installaties voor op pervlakbehandeling van metalen en plastic materiaal door een elektrolytisch of che misch procedé Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D8 Installaties voor het vervaardigen van mo torvoertuigen of mo toren voor motorvoer tuigen of het assem bleren van motorvoer tuigen2 Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D9 Installaties voor het bouwen, onderhou den, repareren of be handelen van het op pervlak van metalen vaartuigen of drij vende werktuigen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D10 Installaties voor de bouw of reparatie van luchtvaartuigen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D11 Spoorwegmaterieelfa brieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 105 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit een milieubelas tende activiteit D12 Uitstampen van meta len door springstoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit D13 Installaties voor het roosten of sinteren van ertsen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit E. Minerale industrie E1 Installaties voor de winning van asbest3 Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit E2 Installaties voor de bewerking of verwer king van asbest of as besthoudende pro ducten of de vervaar diging van asbesthou dende producten3 Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op de bewerking of verwerking van: 1°. asbestcement met een capaciteit van meer dan 20.000 ton eindpro duct per jaar; 2°. remvoeringen met een capaciteit van meer dan 50 ton eindproduct per jaar; of 3°. andere asbesthou dende producten met een verbruik van meer dan 200 ton asbest per jaar Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit E3 Installaties voor de vervaardiging van ce ment Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit E4 Installaties voor het vervaardigen van glas, met inbegrip van glasvezels Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit E5 Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 106 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit de fabricage van mi neraalvezels E6 Installaties voor de vervaardiging van ke ramische producten door bakken, in het bijzonder dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aarde werk of porselein Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit F. Chemische industrie en raffinage F1 Raffinaderijen van ruwe aardolie, met uitzondering van be drijven die alleen smeermiddelen uit ruwe olie vervaardi gen Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit F2 Installaties voor ver gassing en vloeibaar making van steenkool of bitumineuze schis ten Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op een verwerkings capaciteit van 500 ton of meer steenkolen of bitu mineuze schisten per dag Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit F3 Geïntegreerde chemi sche installaties, zijnde installaties voor de fabricage op indu striële schaal van stof fen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenhe den naast elkaar be staan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van: a. organische basis chemicaliën; b. anorganische basis chemicaliën; c. fosfaat-, stikstof-, of kaliumhoudende meststoffen als be doeld in bijlage I bij Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 107 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit het Besluit activiteiten leefomgeving (enkel voudige of samenge stelde meststoffen); d. basisproducten voor gewasbescher mingsmiddelen en van biociden als bedoeld in bijlage I bij het Be sluit activiteiten leef omgeving; e. farmaceutische ba sisproducten met een chemisch of biologisch procedé; of f. explosieven F4 Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool) Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit F5 Behandeling van tus senproducten en ver vaardiging van chemi caliën Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit F6 Productie van gewas beschermingsmidde len of van biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, farma ceutische producten, verven en vernissen, elastomeren of per oxiden Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G. Voedingsmiddelenindustrie G1 Vervaardiging van plantaardige of dier lijke oliën of vetten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G2 Conservenfabrieken voor dierlijke of plant aardige producten Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G3 Zuivelfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 108 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit een milieubelas tende activiteit G4 Bierbrouwerijen of mouterijen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G5 Suikerwaren- of si roopfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G6 Suikerfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G7 Zetmeelfabrieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G8 Vismeel- of visoliefa brieken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit G9 Installaties voor het slachten van dieren Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H Overige industrie H1 Industriële installaties voor het vervaardigen van papierpulp uit hout of andere vezel stoffen Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H2 Industriële installaties voor het vervaardigen van papier of karton Oprichting, wijziging of uitbreiding van een instal latie met een productieca paciteit van meer dan 200 ton per dag Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H3 Installaties voor het vervaardigen en be werken van celstof of papierstof Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H4 Installaties voor de voorbehandeling of Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 109 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit het verven van vezels of textiel een milieubelas tende activiteit H5 Installaties voor het looien van huiden Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H6 Vervaardiging en be handeling van pro ducten op basis van elastomeren Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H7 Testbanken voor mo toren, turbines of re actoren Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit H8 Installaties voor de terugwinning of ver nietiging van explo sieve stoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit I. Opslag I1 Installaties voor het afvangen van CO2 stromen voor geolo gische opslag op grond van richtlijn ge ologische opslag van kooldioxide Oprichting, wijziging of uitbreiding als: 1°. de CO2-stromen af komstig zijn van installa ties waarvoor de mer plicht, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet, geldt; of 2°. de totale jaarlijkse af vang van CO2 1,5 mega ton of meer bedraagt Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit I2 Opslaglocaties op grond van richtlijn ge ologische opslag van kooldioxide Oprichting Wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit I3 Installaties voor de opslag van aardolie of petrochemische of chemische producten Oprichting, wijziging of uitbreiding van een op slag met een capaciteit van 200.000 ton of meer Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit I4 Bovengrondse opslag van aardgas1 of fos siele brandstoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 110 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit I5 Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit J. Infrastructuur en ruimte J1 Wegen Als sprake is van: 1°. de aanleg van een au tosnelweg of autoweg; 2°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een nieuwe weg met vier of meer rijstroken die be trekking heeft op een on onderbroken tracélengte van 10 km of meer; of 3°. de verlegging of ver breding van een be staande weg met twee rij stroken of minder tot een weg met vier of meer rij stroken die betrekking heeft op een ononderbro ken tracélengte van 10 km of meer Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J2 Spoorwegen en facili teiten voor de overla ding tussen vervoers wijzen en van overla dingsstations Aanleg van spoorwegen voor spoorverkeer over lange afstand Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J3 Tramrails, boven- en ondergrondse spoor wegen, zweefspoor en gelijksoortige bijzon dere constructies Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J4 Binnenvaarwegen Als sprake is van: 1°. de aanleg van een binnenvaarweg die kan worden bevaren door schepen met een laadver mogen van meer dan 1.350 ton; of 2°. een wijziging of uit breiding van een binnen vaarweg die betrekking heeft op: Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een ontgron dingsactiviteit, de omgevings vergunning voor een wateractivi teit, de goedkeu ring van gedepu teerde staten op grond van artikel Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 111 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit a. een vergroting van de oppervlakte met 20% of meer van een binnenvaar weg die kan worden be varen door schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton; of b. een structurele veran dering waarbij meer dan 5.000.000 m3 grond wordt verzet 16.72 van de wet of het omge vingsplan J5 Havens: a. een haven voor de binnenscheepvaart; b. een zeehandelsha ven; of c. een visserijhaven Als sprake is van een ge val als bedoeld onder a of b: 1°. de aanleg van een ha ven die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton; of 2°. de wijziging of uitbrei ding van een haven die betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J6 Een met het land ver bonden en buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten Als sprake is van: 1°. de aanleg die betrek king heeft op een pier die schepen met een laadver mogen van meer dan 1.350 ton kan ontvangen; of 2°. de wijziging of uitbrei ding die betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J7 Luchthavens De aanleg of uitbreiding van een start- of lan dingsbaan met een lengte van 2.100 m of meer Aanleg, wijziging of uit breiding van een lucht haven of een uitbrei ding of wijziging van het gebruik van de luchthaven of van de banen door de wijziging van: 1°. het beperkingenge bied, bedoeld in hoofd stuk 8 of artikel 10.17 Voor de luchtha ven Schiphol een luchthaveninde lingbesluit of een luchthavenver keerbesluit als bedoeld in res pectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 112 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit van de Wet luchtvaart, voor zover dit is vast gesteld op grond van het externe-veiligheids risico of geluidbelas ting, tenzij: a). de voorgenomen wijziging leidt tot een beperkingengebied dat valt op of binnen het geldende beperkingen gebied; of b). het beperkingenge bied vervalt; of 2°. de grenswaarden, bedoeld in artikel 8.17, vijfde lid, onder a tot en met c, 8.44, eerste lid, onder a, of 8.70, tweede lid, juncto arti kel 8.44, eerste lid, on der a, of de grenswaar den voor geluidsbelas ting, bedoeld in artikel 10.17, tweede lid, van de Wet luchtvaart, ten zij die een gelijk of be ter beschermingsni veau bieden dan de geldende grenswaarden Voor een andere luchthaven een luchthavenbe sluit als bedoeld in de Wet lucht vaart J8 Hoogspanningsleidin gen Aanleg, wijziging of uit breiding van een boven grondse hoogspannings leiding van: 1°. een spanning van 220 kV of meer; en 2°. een lengte van meer dan 15 km Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan of, bij afwe zigheid daarvan, de omgevings vergunning voor een wateractivi teit J9 Buisleidingen voor: a. het transport van gas, olie of chemica liën; b. het transport van kooldioxide stromen voor geologische op slag, met inbegrip van Als sprake is van een ge val als bedoeld onder a of b: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buis leiding met: 1°. een diameter van meer dan 0,8 m; en 2°. een lengte van meer Aanleg, wijziging of uit breiding De vergunning op grond van ar tikel 94 of 95 van het Mijn bouwbesluit of, bij afwezigheid daarvan, het omgevingsplan Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 113 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit de pompstations; of c. stoom of warm wa ter dan 40 km of, bij afwezig heid daarvan, de omgevingsver gunning voor een wateractivi teit. J10 Industrieterrein Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J11 Stedelijk ontwikke lingsproject met inbe grip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeer terreinen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J12 Landinrichtingspro jecten Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan J13 Landwinning in zee Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een ontgron dingsactiviteit, de omgevings vergunning voor een wateractivi teit of de goed keuring van ge deputeerde sta ten op grond van artikel 16.72 van de wet K. Waterbeheer K1 Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater Een hoeveelheid water van 10.000.000 m3 of meer per jaar Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit of de omge vingsvergunning op grond van een omgevings verordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet K2 Projecten voor de overbrenging van wa ter tussen stroomge bieden, met uitzonde ring van overbrenging Aanleg, wijziging of uit breiding als: 1°. de overbrenging als doel heeft eventuele wa Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit, de goedkeu Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 114 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit van via leidingen aan gevoerd drinkwater terschaarste te voorko men en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100.000.000 m3 per jaar; of 2°. het meerjarig gemid delde jaardebiet van het bekken waaraan het wa ter wordt onttrokken meer bedraagt dan 2.000.000.000 m3 en de hoeveelheid overgebracht water 5% van dit debiet overschrijdt ring van gedepu teerde staten op grond van artikel 16.72 van de wet of de omge vingsvergunning op grond van een omgevings verordening als bedoeld in artikel 5.4 van de wet K3 Stuwdammen en an dere installaties voor het stuwen of voor de langere termijn op slaan van water Aanleg, wijziging of uit breiding die betrekking heeft op het stuwen of permanent opslaan van water van meer dan 10.000.000 m3 Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit of de goed keuring van ge deputeerde sta ten op grond van artikel 16.72 van de wet K4 Werken voor kanalise ring en werken ter be perking van overstro mingen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit of de goed keuring van ge deputeerde sta ten op grond van artikel 16.72 van de wet K5 Aquaducten over lange afstand Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan K6 Kustwerken om erosie te bestrijden of mari tieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden of andere kustverde digingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding De omgevings vergunning voor een wateractivi teit of de goed keuring van ge deputeerde sta ten op grond van artikel 16.72 van de wet Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 115 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit van deze werken K7 Wijziging in de Maat gevende Peil Verwach ting voor de sluiting van de Oosterschelde kering Niet van toepassing Als het gaat om een wijziging van 16 cm of meer Het peilbesluit op grond van ar tikel 2.41 van de wet K8 Wijziging van het (streef-)peil in: a. het Veerse Meer; b. de Grevelingen; c. het Haringvliet; of d. het IJsselmeer, het Markermeer en de randmeren Niet van toepassing Als het gaat om een wijziging van 16 cm of meer Het peilbesluit op grond van ar tikel 2.41 van de wet K9 Structurele verlaging van het (streef-)peil van een oppervlakte water Niet van toepassing Als de wijziging: 1. betrekking heeft op een verlaging van 16 cm of meer; 2. plaatsvindt in een Natura 2000-gebied, een bijzonder provinci aal natuurgebied of een bijzonder nationaal na tuurgebied als bedoeld in artikel 2.44 van de wet; en 3. betrekking heeft op een oppervlakte van 200 ha of meer Het peilbesluit op grond van ar tikel 2.41 van de wet K10 Opvullen van een diepe plas Niet van toepassing Opvulling met een of meer partijen De omgevings vergunning voor een wateractivi teit L. Afval- en afvalwaterbeheer L1 Installaties voor de verwijdering van ge vaarlijke afvalstoffen Oprichting van een instal latie voor de verbranding, de chemische behande ling, het storten of het in de diepe ondergrond brengen Als sprake is van: 1. een wijziging of uit breiding van een instal latie voor de verbran ding, de chemische be handeling, het storten of het in de diepe on dergrond brengen; of 2. oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie anders dan De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 116 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit genoemd onder 1. L2 Installaties voor de verwijdering van niet gevaarlijke afvalstof fen Oprichting, wijziging of uitbreiding van een instal latie voor de verbranding of chemische behandeling met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit L3 Rioolwaterzuiverings installaties Oprichting, wijziging of uitbreiding die betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 150.000 in wonerequivalenten Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit of de omge vingsvergunning voor een water activiteit L4 Slibstortplaatsen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit L5 Opslag van schroot, met inbegrip van au towrakken Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit L6 Installaties voor het verwerken van kada vers of delen van ka davers van landbouw huisdieren als bedoeld in het Besluit activitei ten leefomgeving, die niet door slachting voor menselijke con sumptie zijn gedood, met het doel deze te verwijderen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit M. Toerisme, sport en recreatie M1 Skihellingen, skiliften, kabelbanen en bijbe horende voorzienin gen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan M2 Jachthavens Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan M3 Vakantiedorpen of ho telcomplexen buiten Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 117 Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Nr. Projecten Gevallen waarin de mer-plicht geldt (arti kel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Gevallen waarin de mer-beoordelings plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Besluiten als bedoeld in arti kel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit stedelijke zones met bijbehorende voorzie ningen M4 Permanente kampeer of caravanterreinen Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan M5 Themaparken Niet van toepassing Aanleg, wijziging of uit breiding Het omgevings plan M6 Permanente race- of testbanen voor gemo toriseerde voertuigen Niet van toepassing Oprichting, wijziging of uitbreiding De omgevings vergunning voor een milieubelas tende activiteit of het omge vingsplan 1 Voor de projecten B3 en I4 wordt onder aardgas verstaan: aardgas als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 2 Voor project D8 wordt onder motorvoertuig verstaan: motorvoertuig als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3 Voor de projecten E1 en E2 wordt onder asbest verstaan: asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 118 BIJLAGE VI BIJ ARTIKEL 13.12, EERSTE LID, VAN DIT BESLUIT (BASISTAKENPAKKET OMGEVINGSDIENST) Categorie 1 1. Milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstukken 3 en 19 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Onder deze aanwijzing vallen niet de activiteiten die zijn aangewezen in de volgende paragrafen: a. paragraaf 3.2.1, 3.2.7 of 3.2.9, tenzij die: 1°. als vergunningplichtig zijn aangewezen op grond van hoofdstuk 3 van dat besluit; of 2°. onderdeel uitmaken van een activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van dat besluit en niet onder b tot en met e is uitgezonderd; b. paragraaf 3.7.1, voor zover die alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan parti culieren of de opgeslagen afvalstoffen alleen bestaan uit materialen die voor de werkzaamheden zijn meegenomen; c. paragraaf 3.7.8, voor zover die alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan parti culieren; d. paragraaf 3.8.4, voor zover die alleen bestaan uit het herstellen van ruitschade of het onderhou den of vervangen van banden; en e. paragraaf 3.8.6, voor zover die alleen worden verricht voor vervoer van of naar particulieren. Categorie 2 Bouw- en sloopactiviteiten als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover gede puteerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van: a. artikel 4.6, tweede lid, onder a, voor zover het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinci aal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten; b. artikel 4.6, tweede lid, onder c; of c. artikel 4.16, eerste lid. Categorie 3 Omgevingsplanactiviteiten, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van: a. artikel 4.6, tweede lid, onder a, voor zover het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinci aal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten; b. artikel 4.6, tweede lid, onder c; of c. artikel 4.16, eerste lid. Categorie 4 Omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten. Categorie 5 Het bedrijfsmatig verwijderen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leef omgeving en asbesthoudende producten uit bouwwerken, en het bedrijfsmatig opruimen van as best als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving en asbesthoudende pro ducten vrijgekomen als gevolg van een incident. Categorie 6 Activiteiten met stoffen, preparaten, producten en toestellen waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, voor zover deze worden verricht in samenhang met een milieube lastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Categorie 7 Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot: afvalstoffen; Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 119 vuurwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving en explosieven voor civiel gebruik; secundaire grondstoffen; en andere milieugevaarlijke stoffen. Categorie 8 Het in stand houden van bouwwerken voor zover daarover regels zijn gesteld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 120 BIJLAGE VII BIJ ARTIKEL 13.12, DERDE LID, VAN DIT BESLUIT (AANWIJZING OMGE VINGSDIENSTEN) 1. Omgevingsdienst Groningen; 2. Omgevingsdienst Regio Nijmegen; 3. Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; 4. DCMR Milieudienst Rijnmond; 5. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; en 6. RUD Zuid-Limburg. Omgevingsbesluit – geconsolideerde Staatsbladversie 121 BIJLAGE VIII BIJ ARTIKEL 14.5 VAN DIT BESLUIT (VERSTREKKING VAN GEGEVENS) Informatie over besluiten en andere rechtsfiguren, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid, onder a: 1. Het gegeven dat tegen het besluit beroep is ingesteld. 2. Het gegeven dat het besluit, of een deel daarvan, is geschorst. 3. Het gegeven dat het besluit, of een deel daarvan, onherroepelijk is geworden. 4. Het gegeven dat het besluit, of een deel daarvan, is vernietigd. 5. Het gegeven dat het besluit of de andere rechtsfiguur, of een deel daarvan, is ingetrokken.

Environmental Decree · Nelum