تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين هولندا

Decree No. 37 of 1995 containing rules as referred to in article 3(a), first paragraph, of the Pesticides Act 1962 (Decree Environment Criteria for Admitting Pesticides)

صدر في 1995-01-23 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

اللغة
Dutch
النوع
لائحة
المنظمة
European Union
الدولة
هولندا
الموضوعات
Cultivated plants, Water
الكلمات المفتاحية
pesticides, authorization/permit, plant protection, groundwater, freshwater pollution, pollution control
الفئات
agriculture

أين تقرؤه

    لا يوجد رابط مصدر مسجل لهذا القانون.

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. 37 Besluit van 23 januari 1995, houdende regelen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 mei 1994, nr. MJZ 31594013, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeen stemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op artikel 3a, eerste lid, en tweede lid, onder d, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962; Gezien het advies van de Bestrijdingsmiddelencommissie; De Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 1994, nr. W08.94 0348); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 januari 1995 , nr. MJZ 19195027, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. gebruiksvoorschriften: krachtens artikel 5, tweede of vijfde lid, of artikel 9, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 gegeven voorschriften; b. LC50: concentratie van een stof in milligram per liter, waarbij 50% van de in beschouwing genomen testorganismen sterft; c. NOEC: de hoogste concentratie van een stof in een toxiciteitstoets waarbij geen effect wordt waargenomen; d. EC50: concentratie van een stof in milligram per liter, waarbij 50% van de in beschouwing genomen proefdieren een effect vertoont; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1995 Staatsblad 1995 37 1 • ~E JE MAINTIENDRAI e. DT50: tijd die nodig is voor de omzetting van 50% van een hoeveelheid van een stof; f. omzetting: verandering in de chemische struktuur van een werkzame stof als gevolg van biologische, microbiologische of chemische reacties; g. omzettingsprodukt: stof die als gevolg van omzetting uit een of meer werkzame stoffen ontstaat; h. grondgebonden residu: residu in de bodem, afkomstig van toege paste bestrijdingsmiddelen die niet kunnen worden geëxtraheerd met methoden die de chemische aard van het residu niet significant veran deren; i. MTR: maximaal toelaatbaar risiconiveau waarbij het voortbestaan van 95% van de soorten binnen een ecosysteem volledig wordt gewaarborgd; j. grondwater: water beneden het grondoppervlak, beperkt tot water beneden de grondwaterspiegel, niet zijnde een schijnspiegel; k. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op de toelating van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, b, c en d, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, met uitzondering van: a. bestrijdingsmiddelen die uitsluitend bestaan uit micro-organismen of virussen, en b. op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit toegelaten bestrijdingsmiddelen die dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevattten en waarop het Besluit regulering grond ontsmettingsmiddelen van toepassing is. Artikel 3 Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien het middel voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5, 6 en 7 gestelde regels, waarbij voor de toepassing van die regels wordt uitgegaan van het gebruik van het middel overeenkomstig de gebruiksvoorschriften. Artikel 4 1. Aan de artikelen 5, 6 en 7 behoeft niet te zijn voldaan voor zover het betreft stoffen, die kunnen worden aangemerkt als stoffen met een geringe schadelijkheid voor de kwaliteit van bodem, daaronder begrepen grondwater, water of lucht. 2. Aan de artikelen 5, 6 en 7 behoeft niet te zijn voldaan voor zover het betreft een omzettingsprodukt van een bestrijdingsmiddel, dat niet ontstaat in een hoeveelheid die op enig tijdstip 10% of meer bedraagt van de gebruikte hoeveelheid van het middel, tenzij: a. dat omzettingsprodukt kan uitspoelen in een concentratie, gelijk aan of groter dan 0,1 microgram per liter in de bovenste meter van het grondwater, voor zover het betreft artikel 6, of b. de werkzame stof en zijn omzettingsprodukten ontstaan in een concentratie welke onaanvaardbare directe of indirecte effecten heeft voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van water ecosystemen, voor zover het betreft artikel 7. 3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt bepaald of aan het eerste en tweede lid is voldaan. Staatsblad 1995 37 2 Paragraaf 2. Persistentie in de bodem Artikel 5 1. Het bestrijdingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben een DT50 van minder dan 90 dagen. 2. Het bestrijdingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten vormen, bij laboratoriumproeven, geen grondgebonden residuen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en hebben geen mineralisatiesnelheid lager dan 5% binnen 100 dagen. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont: a. dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem dan wel op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten, en b. dat de som van de concentraties waarin het middel en zijn omzettingsprodukten ontstaan, niet zodanig is dat het MTR voor bodem organismen en organismen die afhankelijk zijn van deze bodem organismen wordt overschreden twee jaar na het tijdstip waarop het middel voor het laatst is gebruikt, in de bovenste 20 cm van de bodem op de plaats waar het middel is gebruikt. 4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop: a. de DT50 wordt vastgesteld; b. het percentage van het grondgebonden residu alsmede de mineralisatiesnelheid worden vastgesteld; c. de concentraties van een middel onderscheidenlijk zijn omzettings produkten worden berekend; d. het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald; e. de overeenkomstig de krachtens onderdeel c gestelde regels berekende concentratie wordt getoetst aan het overeenkomstig de krachtens onderdeel d gestelde regels berekende MTR; f. wordt bepaald of voldaan is aan de eis dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem; g. wordt bepaald of voldaan is aan de eis dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten. Paragraaf 3. Uitspoeling naar het grondwater Artikel 6 1. Het bestrijdingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben na uitspoeling: a. een berekende concentratie in de bovenste meter van het grond water van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a.1., van richtlijn nr. 94/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 tot vaststelling van bijlage VI bij richtlijn nr. 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227), of b. een gemeten concentratie in het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a.1., van de in onderdeel a genoemde richtlijn nr. 94/43/EG. 2. Indien in de gebruiksvoorschriften wordt voorgeschreven dat het bestrijdingsmiddel dient te worden gebruikt te zamen met andere Staatsblad 1995 37 3 bestrijdingsmiddelen, hebben deze bestrijdingsmiddelen en hun omzettingsprodukten te zamen na uitspoeling: a. een berekende concentratie van minder dan 0,5 microgram per liter in de bovenste meter van het grondwater, of b. een gemeten concentratie van minder dan 0,5 microgram per liter in het grondwater. 3. Aan het eerste en tweede lid behoeft niet te zijn voldaan, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont dat bij een transporttijd van 4 jaar in de verzadigde fase van het grondwater op een diepte van 10 meter onder het maaiveld aan het eerste en tweede lid wordt voldaan als gevolg van: a. hydrolyse van het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, of b. een ander dan het onder a bedoelde afbraakproces, dat plaatsvindt in de verzadigde fase beneden de grondwaterspiegel. 4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop: a. de concentratie van een stof in het grondwater wordt berekend of gemeten, en b. wordt bepaald of aan het derde lid is voldaan. Paragraaf 4. Risico voor waterorganismen Artikel 7 1. Een werkzame stof van een bestrijdingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben in het oppervlaktewater een concentratie van minder dan: a. 1. 0,01 van de LC50 voor acute toxiciteit voor vis en 0,01 van de acute EC50 voor Daphnia, en 2. 0,1 van de NOEC voor lange termijn toxiciteit voor vis en Daphnia; b. 0,1 van de NOEC voor algen. 2. Een werkzame stof van een bestrijdingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben een maximale bioconcentratiefactor van minder dan: a. 1000 voor werkzame stoffen, die gemakkelijk biologisch afbreekbaar zijn, of b. 100 voor werkzame stoffen, die niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar zijn. 3. Aan het eerste en tweede lid behoeft niet te zijn voldaan, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont dat er geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen. 4. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt bepaald of aan het eerste, tweede en derde lid is voldaan. Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8 1. Voor bestrijdingsmiddelen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn toegelaten en die vanwege een of meer van de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt, niet voldoen aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gestelde regels, kan, voor een periode van telkens twee jaar en uiterlijk tot 1 januari 2000, op verzoek van de toelatinghouder met betrekking tot deze doeleinden de toelating worden verlengd indien voor het betrokken middel geldt dat: a. het gebruik dringend vereist is en voor het gebruik geen geschikt alternatief bestaat vanuit landbouwkundig of volksgezondheidsoogpunt in de vorm van een ander bestrijdingsmiddel dan wel een mechanische of Staatsblad 1995 37 4 biologische methode, die hetzelfde doeleinde en een vergelijkbare deugdelijkheid heeft en waarvan met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat deze aanmerkelijk minder risico’s heeft voor de kwaliteit van het milieu; of b. de niet-verlenging van de toelating zou resulteren in een aanzienlijke verslechtering van de arbeidsomstandigheden. 2. Voor bestrijdingsmiddelen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn toegelaten en die vanwege een of meer van de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt, niet voldoen aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gestelde regels, kan, op verzoek van de toelatinghouder en voor de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt de toelating tot uiterlijk 1 januari 2000 worden verlengd indien de toelating een bestrijdingsmiddel betreft op basis van werkzame stoffen die zijn vastgesteld op de lijst, opgenomen in de bijlage behorende bij dit besluit, en de toelating voor het betrokken doeleinde ingevolge het verzoek van de toelatinghouder voldoet aan de voorlopige normen en criteria die zijn overeengekomen op grond van de Bestuursovereenkomst MJP-G (Kamerstukken II 1992–93, 21 677, nr. 17). 3. Het verzoek van de toelatinghouder, bedoeld in het tweede lid, betreft een verzoek tot wijziging van de bij de toelating gegeven gebruiks voorschriften en dient uiterlijk 31 december 1995 te zijn ingediend. 4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de wijze waarop de beoordeling plaatsvindt of aan het eerste lid, onderdelen a en b, wordt voldaan, en b. de bij de verlenging in gevallen als bedoeld in het eerste lid te geven gebruiksvoorschriften die betrekking hebben op een vermindering van de mate waaraan niet aan de regels gesteld bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7 wordt voldaan. Artikel 9 Op volledige aanvragen om toelating van een bestrijdingsmiddel, die zijn ingediend voor de datum van publikatie van dit besluit in het Staatsblad, zijn de bepalingen inzake de toelatingseisen voor bestrijdings middelen van toepassing zoals die golden onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 10 Het Bestrijdingsmiddelenbesluit1 wordt gewijzigd als volgt: 1. In de artikelen 3 en 5 wordt «3, eerste lid, onder a,» telkens vervangen door: 3, tweede lid, onder b. 2. In artikel 5a wordt «3, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3, tweede lid, onder b. Artikel 11 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel I, onderdelen D, voor zover het betreft artikel 3, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, E en J, aanhef en onderdeel 1, van de Wet van 15 december 1994 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (implementatie richtlijn gewasbeschermingsmiddelen) (Stb. 1995, nr. 4) in werking treedt. Artikel 12 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Staatsblad 1995 37 5 Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 23 januari 1995 Beatrix De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Margaretha de Boer Uitgegeven de eenendertigste januari 1995 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager 51U0026 ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995 1 Stb. 1964, 328, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 1993, Stb. 697. Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Minis terie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 februari 1995, nr. 32. Staatsblad 1995 37 6

Decree No. 37 of 1995 containing rules as referred to in article 3(a), first paragraph, of the Pesticides Act 1962 (Decree Environment Criteria for Admitting Pesticides) · Nelum