تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين هولندا

Decree No. 204 of 1992 based on the Commodities Act Relative to Food Additives

صدر في 1992-03-25 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

research.laws.repealedOn

عن هذا القانون

اللغة
Dutch
النوع
لائحة
المنظمة
European Union
الدولة
هولندا
الموضوعات
Food and nutrition
الكلمات المفتاحية
food safety and quality, food additives, internal trade

أين تقرؤه

    لا يوجد رابط مصدر مسجل لهذا القانون.

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. 204 Besluit van 25 maart 1992, houdende Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksge zondheid en Cultuur van 25 september 1991, WP/L/U-691763, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Overwegende, dat uitvoering moet worden gegeven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (89/107 /EEG} {PbEG L 40); Overwegende, dat het voor de inzichtelijkheid van de wetgeving gewenst is dat de regels met betrekking tot de toelating van levensmid delenadditieven zoveel mogelijk worden geconcentreerd in een Waren wetbesluit; Overwegende, dat het om die reden tevens gewenst is dat de gebruiksvoorwaarden in of krachtens zodanig Warenwetbesluit dienen te worden vastgesteld; Gelet op de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a, 6, onderdeel a, 8, onderdelen a, b en c, 12 en 14 van de Warenwet (Stb. 1988, 360}; Gehoord de Adviescommissie Warenwet (advies van 12 december 1990, nr. 14245/(1)5); De Raad van State gehoord ( advies van 4 december 1991, nr. W13.91.0538}; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksge zondheid en Cultuur van 11 maart 1992 WP/L-92371, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. levensmiddelenadditieven: alle stoffen met of zonder voedings waarde die op zichzelf gewoonlijk niet als voedsel worden geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedsel-ingredient worden gebruikt, Staatsblad 1992 204 en die om technische redenen bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van eet- of drinkwaren opzettelijk daaraan worden toegevoegd, met als gevolg, of redelijkerwijs te verwachten gevolg, dat de stoffen zelf, dan wel de derivaten ervan, direct of indirect een bestanddeel van die eet- of drinkwaren worden; b. instellingen: restaurants, ziekenhuizen, kantines en andere soortge lijke instellingen, c. richtlijn: de richtlijn van de Raad van de EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenad ditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (89/107 /EEG) (PbEG L 40). 2. Als levensmiddelenadditief worden niet beschouwd: a. bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288); b. stoffen die als voedingsstoffen aan eet- of drinkwaren worden toegevoegd, zoals mineralen, sporeelementen en vitamines. 3. Dit besluit is niet van toepassing op a. stoffen die, hoewel zij als levensmiddelenadditieven gebruikt kunnen worden, kennelijk niet als zodanig bestemd zijn; b. geur- en smaakstoffen als bedoeld in het Warenwetbesluit Aroma's. Artikel 2 1. Het is verboden levensmiddelenadditieven die niet ingevolge dit besluit zijn toegelaten om als zodanig te dienen, of die niet voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen, te verhandelen of in eet- of drinkwaren te verwerken. 2. Het is verboden levensmiddelenadditieven te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften in dit besluit gesteld met betrekking tot hun aanduiding of tot het bezigen van vermeldingen. 3. Het is verboden met gebruikmaking van de in dit besluit aange geven aanduidingen andere waren te verhandelen dan levensmiddelen additieven waaraan die aanduidingen zijn voorbehouden. 4. Het is verboden eet- of drinkwaren te bereiden of te verhandelen die niet voldoen aan de eisen bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van levensmiddelenadditieven in die eet of drinkwaren. § 2. Toelating van levensmiddelenadditieven Artikel 3 1. Als levensmiddelenadditief zijn uitsluitend toegelaten stoffen die behoren tot een in bijlage I genoemde categorie van levensmiddelenad ditieven. 2. lndien 0nze Minister ter uitvoering van krachtens de richtlijn getroffen maatregelen stoffen, behorende tot een bepaalde categorie van levensmiddelenadditieven heeft aangewezen, zijn, in afwijking van het eerste lid, binnen die categorie uitsluitend die aangewezen stoffen toegelaten. 3. In afwijking van het eerste lid zijn van de stoffen behorende tot de categorieen zoetstof en gemodificeerd zetmeel als bedoeld in het Warenwetbesluit Zoetstoffen (Stb. 1989, 548), onderscheidenlijk in het Zetmeelbesluit (Warenwet) (Stb. 1975, 660), als levensmiddelenadditief uitsluitend toegelaten de op grond van die besluiten toegelaten stoffen. De artikelen 4 tot en met 8 zijn op zoetstoffen niet van toepassing. Staatsblad 1992 204 2 Artikel 4 1. Levensmiddelenadditieven moeten voldoen aan de volgende algemene zuiverheidseisen: a. het gehalte aan arsenicum mag ten hoogste 3 mg per kg bedragen; b. het gehalte aan lood mag ten hoogste 10 mg per kg bedragen; c. het gezamenlijk gehalte aan koper en zink mag ten hoogste 50 mg per kg bedragen, waarbij het gehalte aan zink niet hoger mag zijn dan 25 mg per kg. 2. 0nze Minister stelt, gehoord de Adviescommissie Warenwet, nadere regels vast met betrekking tot a. de zuiverheid van levensmiddelenadditieven in het algemeen, of van bepaalde levensmiddelenadditieven; b. de hoedanigheid van levensmiddelenadditieven die warden gebruikt als oplosmiddelen die als draagstof fungeren. § 3. Verhandeling van levensmiddelenadditieven Artikel 5 1. Bij de verhandeling moet de voor het betrokken levensmiddelenad ditief van toepassing zijnde aanduiding warden gebezigd. 2. De in het eerste lid bedoelde aanduiding is het EEG-nummer en de bijbehorende algemeen gebruikelijke naam van het desbetreffende levensmiddelenadditief. Voor zover voor de desbetreffende stof geen EEG-nummer is vastgesteld, is die aanduiding een omschrijving van het levensmiddelenadditief die voldoende nauwkeurig is om deze te kunnen onderscheiden van andere levensmiddelenadditieven waarmee deze kan warden verward. 3. lndien het levensmiddelenadditief tezamen met andere levensmid delenadditieven warden verhandeld, moeten de desbetreffende aandui dingen in afnemende volgorde van het gewichtsaandeel warden vermeld. 4. lndien een of meer levensmiddelenadditieven tezamen met andere stoffen, materialen of ingredienten ten behoeve van de bereiding van eet- of drinkwaren warden ge'integreerd om het opslaan, verhandelen, standaardiseren, verdunnen of oplossen ervan te vergemakkelijken, moet de aanduiding, onderscheidenlijk moeten de aanduidingen bij de verhan deling warden vermeld in afnemende volgorde van het gewichtsaandeel. 5. De volgende vermelding moet bij de verhandeling warden gebezigd: «voor gebruik in levensmiddelen», of «voor levensmiddelen, beperkt gebruik», dan wel een meer specifieke vermelding inzake de toepassing in de eet- of drinkwaar waarvoor het levensmiddelenadditief bestemd is. 6. De in dit artikel bedoelde aanduiding en vermeldingen moeten duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, en mogen niet door vegen kunnen warden uitgewist. Artikel 6 1 . lndien de levensmiddelenadditieven als zodanig niet zijn bestemd voor de eindverbruiker of instellingen, moeten, onverminderd artikel 5, bij de verhandeling de volgende vermeldingen warden gebezigd: a. zo nodig een aanwijzing omtrent de bijzondere voorwaarden voor bewaring en gebruik; b. een gebruiksaanwijzing indien zonder zodanige vermelding een behoorlijk gebruik van het levensmiddelenadditief onmogelijk is; c. de naam of handelsnaam en het adres van de fabrikant, verpakker of van een in het gebied waarop het Verd rag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van toepassing is gevestigde Staatsblad 1992 204 3 verkoper, waarbij voor rechtspersonen de vermelding van het adres mag worden vervangen door de vermelding van de plaats van vestiging; d. het percentage van elk bestanddeel waarvoor in een eet- of drinkwaar een kwantitatieve beperking geldt of andere passende gegevens over de samenstelling aan de hand waarvan de koper kan voldoen aan enigerlei voor de desbetreffende eet- of drinkwaar geldend wettelijk voorschrift, met dien verstande dat het gecombineerde percentage in een getal mag worden aangegeven indien deze kwantita tieve beperking geldt voor een groep bestanddelen die afzonderlijk of in combinatie wordt gebruikt en e. de netto-hoeveelheid. Zij moeten duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en in een gemak kelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, en mogen niet door vegen kunnen worden uitgewist. 2. In afwijking van het eerste lid en artikel 5, vierde lid, behoeven de in het eerste lid, onderdelen b en d, bedoelde vermeldingen slechts voor te komen op de handelsdocumenten die de desbetreffende levensmiddelen additieven vergezellen of die reeds voor of tegelijkertijd met de aflevering worden verzonden. In dat geval moet de volgende vermelding goed zichtbaar op de verpakking worden gebezigd: «bestemd voor de vervaardiging van levensmiddelen, niet voor de verkoop in het klein». § 4. Gebruik van levensmiddelenadditieven Artikel 7 1. In eet- of drinkwaren mogen slechts levensmiddelenadditieven aanwezig zijn indien het gebruik van deze additieven in die eet- of drinkwaren in overeenstemming is met de criteria die zijn opgenomen in de Bijlage II. 2. Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot het gebruik van levensmiddelenadditieven die de volgende onderwerpen betreffen: a. de ten hoogste toegelaten hoeveelheid van het betrokken levens middelenadditief of de categorie levensmiddelenadditieven die in eet- of drinkwaren aanwezig mag zijn; b. in voorkomend geval welke beperking voor wat betreft het technisch gebruiksdoel van toepassing is. 3. Voor zover de in het tweede lid bedoelde regaling niet voortvloeit uit een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeen schap tot stand gekomen bindende regaling, stelt Onze Minister bedoelde regels vast in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en gehoord de Adviescommissie Warenwet. 4. In eet- of drinkwaren genoemd in de krachtens het tweede lid vastgestelde regaling, mogen uitsluitend levensmiddelenadditieven aanwezig zijn welke in samenhang met de desbetreffende waar zijn genoemd, een en ander met inachtneming van de beperkingen voor zover daarbij vermeld met betrekking tot de ten hoogste toegelaten hoeveelheid en de aard van de waar. In geval van een niet voor gebruik gereed zijnde waar, wordt de uit die beperkingen voortvloeiende, ten hoogste toegelaten hoeveelheid in de desbetreffende waar, berekend op het produkt verkregen uit die waar na bereiding volgens de gebruiksaan wijzing. 5. Het vierde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op voorschriften krachtens de Warenwet met betrekking tot een of meer andere dan in dat lid bedoelde eet- of drinkwaren of groepen van eet- of drinkwaren, voor wat betreft het daarin gestelde ten aanzien van de ten Staatsblad 1992 204 4 hoogste toegestane aanwezigheid van levensmiddelenadditieven in de aldaar bedoelde eet- of drinkwaren. § 5. Slotbepalingen Artikel 8 1 . Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of met betrekking tot de in dit besluit bedoelde levensmiddelenadditieven, onderscheidenlijk met betrekking tot eet- of drinkwaren waaraan levensmiddelenadditieven zijn toegevoegd, al dan niet is voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, worden aangewezen chromatografische scheidingsmethoden, alsmede fysische, biologische en chemische isolatiemethoden. 2. Voor zover de in het eerste lid bedoelde methoden van onderzoek niet voortvloeien uit een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap tot stand gekomen bindende regaling, stelt Onze Minister bedoelde methoden vast in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en gehoord de Advies commissie Warenwet. Artikel 9 Het Antioxydantenbesluit (Warenwet) (Stb. 1973, 142)1 wordt gewijzigd als volgt: A Artikel 2 komt te luiden: De in de bijlage I tot en met Ill genoemde antioxydanten, al dan niet onderling of met de in bijlage IV genoemde stoffen vermengd, moeten indien zij bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding, vervaardiging of samenstelling van eetwaren of drinkwaren voldoen aan de bijzondere zuiverheidseisen, vermeld in de bij dit besluit genoemde bijlage V. B Artikel 4 komt te vervallen. Artikel 10 Het Conserveermiddelenbesluit (Warenwet) (Stb. 1967, 691 )2 wordt gewijzigd als volgt: A Artikel 3 komt te luiden: De in artikel 1 bedoelde conserveermiddelen en mengsels daarvan met andere produkten moeten voldoen aan de bijzondere zuiverheidseisen, vermeld in de bij dit besluit gevoegde bijlage II. B Artikel 5 komt te vervallen. C Artikel 6 komt te luiden: De in artikel 1 bedoelde conserveermiddelen mogen in een bedrijf, Staatsblad 1992 204 5 waar andere waren warden bereid, verpakt of behandeld of in voorraad zijn, slechts warden bewaard in de oorspronkelijke verpakking en voorzien van de in het Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven vereiste aanduidingen. D Artikel 7 komt te vervallen. E Artikel 8 komt te luiden: De waar, welke door een opschrift of op enige andere wijze wordt aangeduid of kennelijk voorhanden is als een der waren in dit besluit bedoeld, moet voldoen aan de eisen in de artikelen 3, 4 en 5 aan die waar gesteld. Artikel 11 Het Emulgatorenbesluit (Warenwet) (Stb. 1976, 153)2 wordt gewijzigd als volgt: A Artikel 4, eerste lid, komt te luiden: 1. De in bijlage I van dit besluit genoemde waren, al dan niet onderling of met andere additieven vermengd, deze laatste eventueel tezamen met stoffen waarin zij mogen warden opgelost of verdund, moeten voldoen aan de bijzondere zuiverheidseisen, vermeld in de bij dit besluit gevoegde bijlage II. B Artikel 5, eerste lid, komt te luiden: 1. Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken kunnen tezamen, indien dit in het belang van de volksgezondheid nodig wordt geacht, het tijdstip vaststellen, waarop het gebruik bij de bereiding van eet- of drinkwaren, van een of meer der waren, genoemd in de Bijlage van dit besluit, niet meer is toegestaan. C Artikel 6 komt te vervallen. Artikel 12 Het Kleurstoffenbesluit (Warenwet) (Stb. 1964, 582)3 wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 5 komt te vervallen. B Artikel 6 komt te luiden: De in artikel 1, eerste lid, bedoelde stoffen en mengsels daarvan met de in artikel 1, tweede lid, genoemde verdunnings- en oplosmiddelen Staatsblad 1992 204 6 1 Laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 jull 1984, Stb. 370 2 Laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 6 juni 1986, Stb. 326 3 Laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 maart 1989, Stb. 180 Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staats courant van 9 juni 1992, nr. 108 216653F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1992 mogen in een bedrijf, waar eet- of drinkwaren worden bereid, verpakt, behandeld of bewaard, slechts in voorraad zijn in de oorspronkelijke verpakking en voorzien van de in het Warenwetbesluit Levensmiddelen additieven vereiste aanduidingen. Artikel 13 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid mogen levensmiddelenadditieven welke voldoen aan de op de dag, voorafgaande aan de in het eerste lid bedoeld datum, op die waren van toepassing zijnde voorschriften, nog worden verhandeld tot en met 1 juni 1992. Artikel 14 Dit besluit kan worden aangehaald als: Warenwetbesluit Levensmidde lenadditieven. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. 's-Gravenhage, 25 maart 1992 Beatrix De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H.J. Simons Staatsblad 1992 204 Uitgegeven de zevende mei 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin 7 Bijlage I A De in artikel 3, eerste lid, bedoelde categorieen levensmiddelenaddi tieven zijn de volgende: 1 . antiklontermiddel B C 2. antioxydant 3. antischuimmiddel 4. bevochtigingsmiddel 5. conserveermiddel 6. drijfgas en verpakkingsgas 7. emulgator 8. geleermiddel 9. gemodificeerd zetmeel 10. glansmiddel 11 . kleurstof 12. meelverbeteraar 13. rijsmiddel 14. smaakversterker 15. smeltzout 16. stabilisator 17. verdikkingsmiddel 18. verstevigingsmiddel 19. voedingszuur 20. vulstof 21 . zoetstof 22. zuurteregelaar 23. complexvormers 24. enzymen. Onder glansmiddel wordt tevens begrepen glijmiddel. Onder stabilisator wordt tevens begrepen schuimhoudbaarheids middel. Deze bijlage behoort bij het Warenwetbesluit Levensmiddelenaddi tieven. De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H.J. Simons Staatsblad 1992 204 8 Bijlage II Algemene criteria voor het gebruik van levensmiddelenadditieven 1. Levensmiddelenadditieven mogen alleen warden goedgekeurd: indien er voldoende technische noodzaak kan warden aangetoond en het nagestreefde doel niet met andere economisch en technisch bruikbare methoden kan warden bereikt; indien deze bij de voorgestelde hoeveelheden geen enkel gevaar voor de gezondheid van de consument opleveren, voor zover zulks op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens kan warden beoordeeld; indien het gebruik ervan de consument niet misleidt. 2. Het gebruik van een levensmiddelenadditief kan alleen warden overwogen indien is bewezen dat het voorgestelde gebruik van het additief voor de consument aantoonbare voordelen heeft, met andere woorden, er moet warden aangetoond dat het, zoals dat heet, «nodig» is. Het gebruik van levensmiddelenadditieven moet beantwoorden aan de onder a tot en met d genoemde doelstellingen en mag alleen wanneer deze doelstellingen niet met andere economisch en praktisch bruikbare middelen kunnen warden bereikt en de levensmiddelenadditieven geen gevaar voor de gezondheid van de consument opleveren: a. instandhouding van de voedingskwaliteit van het levensmiddel; een opzettelijke verlaging van de voedingskwaliteit van een levensmiddel is alleen gerechtvaardigd indien het levensmiddel geen wezenlijk bestanddeel vormt van een normaal dieet of wanneer het additief nodig is voor de vervaardiging van levensmiddelen voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften; b. levering van de genoemde ingredienten of bestanddelen van levens middelen die voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften warden vervaardigd; c. verhoging van de houdbaarheid of stabiliteit van een levensmiddel of verbetering van de organoleptische eigenschappen, mits dit de aard, substantie of kwaliteit van het levensmiddel niet zodanig verandert dat de consument daardoor kan warden mislaid; d. vergemakkelijking van het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen, mits het additief niet wordt gebruikt om de gevolgen van het gebruik van ondeugdelijke grondstoffen of van ongewenste (en ook onhygienische) methoden tijdens een van deze activiteiten te verhullen. 3. Om de eventuele schadelijke effecten van een levensmiddelenad ditief of zijn derivaten te bepalen, moet dit warden onderworpen aan gerichte toxiciteitsproeven en een toxicologische beoordeling. Bij deze beoordeling moet eveneens rekening warden gehouden met bij voorbeeld de cumulatieve, synergetische en versterkende effecten van het gebruik ervan, alsook met intolerantie van de mens voor lichaams vreemde stoffen. 4. Alie levensmiddelenadditieven moeten voortdurend warden geobserveerd en telkens opnieuw warden beoordeeld wanneer wijzi gingen in de gebruiksomstandigheden en nieuwe wetenschappelijke gegevens daartoe aanleiding geven. 5. Alie levensmiddelen moeten te allen tijde aan de goedgekeurde zuiverheidseisen voldoen. 6. Goedkeuring van levensmiddelenadditieven moet a. vergezeld gaan van de vermelding van de levensmiddelen waaraan deze additieven mogen warden toegevoegd en van de voorwaarden voor de toevoeging ervan; b. beperkt warden tot de kleinste hoeveelheid die nodig is om het gewenste effect te bereiken; c. geschieden met inachtneming van de aanvaardbare dagelijkse dosis of een gelijkwaardig gegeven dat voor de levensmiddelenadditieven is Staatsblad 1992 204 9 vastgesteld en de waarschijnlijke dagelijkse opname van het additief uit alle voedselbronnen. Wanneer het levensmiddelenadditief bestemd is om te worden gebruikt in levensmiddelen voor speciale groepen consu menten, moet rekening worden gehouden met de mogelijke dagelijkse opname van het additief door consumenten van die groepen. Deze bijlage behoort bij het Warenwetbesluit Levensmiddelenaddi tieven. De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H.J. Simons Staatsblad 1992 204 10 NOTA VAN TOELICHTING Algemeen De voorschriften van het onderhavige besluit geven uitvoering aan de bepalingen van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeen schappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (89/107 /EEG). Deze richtlijn vormt de nieuwe basis van het EEG-beleid ter zake van levensmiddelenadditieven. Op grond van artikel 3 van de richtlijn zal een algemene richtlijn worden opgesteld waarin bijzondere bepalingen worden opgenomen voor de additieven van de in bijlage I genoemde categorieen en waarin met name de reeds bestaande richt lijnen inzake bepaalde additieven worden opgenomen. Het zal daarbij enerzijds gaan om de toelating van stoffen als levens middelenadditief, en anderzijds om regels voor het gebruik ervan bij de bereiding van levensmiddelen. Genoemde richtlijn geeft de criteria aan waaraan stoffen moeten voldoen voordat toelating plaats kan vinden. Aangezien evenwel in de afgelopen jaren reeds EEG-Richtlijnen ter zake van de volgende categorieen levensmiddelenadditieven zijn vastgesteld: kleurstoffen, antioxydanten, emulgatoren en dergelijke, alsmede conser veermiddelen, is tevens in genoemde richtlijn bepaald dat die richtlijnen van toepassing blijven totdat zij zijn vervangen door richtlijnen vastge steld krachtens de onderhavige richtlijn. Een vergelijkbare werkwijze is ook gevolgd bij het onderhavige besluit. Er is voor gekozen om op basis van de vernieuwde Warenwet een besluit te treffen, waarbij of krachtens welk zowel de door de EEG reeds vastgestelde als de nog op grond van artikel 3 van de richtlijn vast te stellen maatregelen kunnen worden ge·implementeerd. Vooralsnog worden daarin nu slechts opgenomen de bepalingen die voortvloeien uit de reeds vastgestelde richtlijn (89/107 /EEG). Hierin bevinden zich onder andere bepalingen ten aanzien van algemene zuiverheidseisen en etiketteringseisen voor levensmid delen-additieven. Deze bepalingen vormen nu ook een onderdeel van de geldende Warenwetbesluiten met betrekking tot genoemde categorieen van levensmiddelenadditieven: Kleurstoffenbesluit (Warenwet) (Stb. 1964, 582), Antioxydantenbesluit (Warenwet) (Stb. 1973, 142), Emulga torenbesluit (Warenwet) (Stb. 1976, 153) en Conserveermiddelenbesluit (Warenwet) (Stb. 1967, 691 ). Deze bepalingen worden tegelijkertijd met het van kracht worden van het onderhavige besluit ingetrokken. Zodra de EEG gereed is met de eerder genoemde, op grond van artikel 3 van de richtlijn, vast te stellen regels ten aanzien van de toelating en het daadwerkelijke gebruik van levensmiddelenadditieven, zullen die op eenvoudige wijze en in beginsel krachtens dit besluit kunnen worden uitgevoerd. De toelating van gemodificeerde zetmelen en zoetstoffen (en de overige regelgeving ten aanzien van zoetstoffen) is echter gereali seerd in afzonderlijke besluiten voor die produktgroepen, met name nu enerzijds er een bijzondere etikettering van eet- en drinkwaren van toepassing is (zoetstoffen), en anderzijds tevens natief zetmeel in het desbetreffende Warenwetbesluit is opgenomen (gemodificeerd zetmeel) (artikel 3, derde lid). De huidige Warenwetregels met betrekking tot het gebruik van levens middelenadditieven, opgenomen in een Warenwetbesluit dat betrekking heeft op een produkt of produktgroep, blijven van toepassing op het desbetreffende produkt of de desbetreffende produktgroep. Zodra dergelijke besluiten zullen worden ingetrokken, zal het bepaalde in of krachtens het onderhavige besluit ook op de additieven in die produkten of produktgroepen van toepassing worden. Vanwege de EEG zullen ook de ten hoogste toegelaten hoeveelheden van een levensmiddelenadditief Staatsblad 1992 204 11 of een groep levensmiddelenadditieven in specifieke (groepen van) eet of drinkwaren warden vastgesteld. Zadra specifieke voorschriften ter zake van dergelijke toepassingsvoorschriften zijn uitgevaardigd, zullen zij in de Warenwetgeving warden opgenomen, en wel, afhankelijk van de waar waarvoor dergelijke hoeveelheden gelden, in regelingen krachtens dit besluit. Als bijlagen I en II bij deze nota van toelichting zijn opgenomen een tweetal concordantietabellen, waaruit de desbetreffende overeenkom stige artikelen in het onderhavige besluit en de EEG-Richtlijn met betrekking tot levensmiddelenadditieven kunnen warden afgelezen. Bij de opzet van het besluit is zoveel mogelijk gekozen voor de bewoor dingen van de richtlijn, teneinde vertaalproblemen van de richtlijn naar de Warenwetregeling te voorkomen. Voorts is het besluit in een aantal paragrafen opgedeeld, waarmee wordt beoogd de inzichtelijkheid te verbeteren, conform de aanbeve lingen van de Adviescommissie Warenwet. Het betreft de volgende onderdelen: 1. algemene bepalingen; 2. toelating van levensmiddelen additieven; 3. verhandeling van levensmiddelenadditieven; 4. gebruik van levensmiddelenadditieven; 5. slotbepalingen. Dereguleringsstreven Dit besluit is getoetst op dereguleringsaspecten aan de hand van de beknopte vragenlijst, zoals opgenomen in de Aanwijzingen inzake de toetsing van ontwerpen van wet en van algemene maatregelen van bestuur (Stcrt. 1985, 18). Aangezien met dit besluit uitvoering wordt gegeven aan meergenoemde EEG-richtlijnen, kon daarmee warden volstaan. Daaruit is gebleken dat, gelet op bovenstaande overwegingen, tegen dit besluit geen bezwaren bestaan. Het onderhavige besluit past geheel binnen de doelstelling van de EEG-Richtlijn betreffende levens middelenadditieven, geeft bovendien vorm aan een van de hoofddoel stellingen van de Warenwet, namelijk het belang van de {bescherming van de) volksgezondheid. Artikelsgewijs § 1. Algemene bepalingen In het eerste lid van artikel 1 is een drietal omschrijvingen opgenomen van begrippen die in de andere artikelen van het besluit gebezigd warden. Het betreft de definitie van levensmiddelenadditief, van instel lingen, de laatste ontleend aan de Richtlijn Etikettering (79/112/EEG) en van de richtlijn waaraan dit besluit uitvoering geeft. In het tweede lid wordt aangegeven wat niet onder levensmiddelenad ditief wordt verstaan; de opsomming spreekt voor zich. Bij de redaktie van dit lid is uitgegaan van de oorspronkelijke (Franse) tekst van de richtlijn, aangezien in de Nederlandse versie daarvan ten onrechte het woord «niet» ontbreekt. Aangezien het tevens kan voorkomen dat een stof, hoewel als levens middelenadditief bruikbaar niet als zodanig wordt gebruikt, is in het derde lid (onderdeel a) opgenomen dat in het geval dat zich die situatie kennelijk voordoet, het onderhavige besluit daarop niet van toepassing is. Het zal doorgaans met name gaan om de etikettering van een toegelaten stof, maar oak additieven die niet krachtens dit besluit zijn toegelaten en die zijn gemengd met andere stoffen of met andere oplosmiddelen, kunnen in de praktijk buiten het levensmiddelen-gebeuren voorkomen. Geur- en smaakstoffen (aroma's) zouden oak kunnen warden gezien als levensmiddelenadditieven, gelet op de definitie ervan. Toch moeten zij niet als zodanig warden beschouwd, omdat een specifiek EEG-regime Staatsblad 1992 204 12 daarvoor voorzien is. Ook voor dat aspect is in het derde lid een voorziening getroffen (onderdeel b}. Artikel 2 bevat zoals gebruikelijk de verbodsbepalingen die op het besluit van toepassing zijn. Het eerste lid berust op artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet (Stb. 1988, 360), het tweede lid op artikel 8, onderdelen a en c, het derde lid op artikel 8, onderdeel b, terwijl het vierde lid een uitvloeisel is van artikel 6. § 2. Toelating van levensmiddelenadditieven Artikel 3 is de kern van het besluit voor wat betreft de toelating van een stof als levensmiddelenadditief in eet- en drinkwaren. Hoewel de richtlijn letterlijk genomen, alleen betrekking heeft op de in bijlage I genoemde categorieen van additieven en het gebied daarbuiten vrijlaat, is besloten, in overeenstemming met de strekking van de richtlijn, alleen die stoffen als levensmiddelenadditief toe te laten die tot die categorieen behoren. Voor zover al van stoffen zou kunnen worden gesteld, dat zij tot een niet genoemde categorie behoren, zal uit de door de Raad van de EEG op te stellen lijsten blijken dat die stoffen toch tot een der bestaande categorieen moeten worden gerekend. In het eerste lid is bepaald dat in elk geval slechts de levensmiddelen additieven welke zijn toegelaten als mogelijk ingredient van eet- of drinkwaren, mogen worden verwerkt of aanwezig mogen zijn in de waar, voor zover zij behoren tot een der in bijlage I opgenomen categorieen. lndien een niet tot een van die categorieen behorend levensmiddelenad ditief in de waar aanwezig zou zijn, kan overtreding van deze bepaling, in samenhang met artikel 2, vierde lid, ten laste worden gelegd. In het tweede lid wordt bepaald dat indien de Minister lijsten heeft opgesteld, die de specifieke levensmiddelenadditieven bevatten, die zijn toegelaten voor gebruik in de bereiding van eet- en drinkwaren, de niet genoemde stoffen die tot dezelfde categorie behoren, niet meer zijn toegelaten. Dit betekent dat de verhandeling en het gebruik van die niet genoemde stoffen dan in beginsel verboden is. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de richtlijn kan echter, op grond van artikel 16, tweede lid, van de Warenwet, ontheffing van het verbod worden gegeven. Ook zal bij het vaststellen van de lijsten een ruime overgangstermijn worden gehan teerd. Zoals hierboven in het algemeen gedeelte van deze nota van toelichting is uiteengezet, is met betrekking tot gemodificeerd zetmeel en zoetstoffen in het derde lid opgenomen dat evenwel voor die catego rieen levensmiddelenadditieven in afzonderlijke besluiten de toelating (en voor wat betreft zoetstoffen ook het gebruik: artikel 7, tweede lid) wordt geregeld. In artikel 4 wordt bepaald dat de levensmiddelenadditieven te alien tijde moeten voldoen aan de van toepassing zijnde zuiverheidseisen. Het zal daarbij gaan om regels ten aanzien van mogelijke contaminatie met bij voorbeeld zware metalen (eerste lid), maar ook om eisen ten aanzien van de identiteit van de betrokken hulpstof, zoals minimum-gehalte van de zuivere stof, zuurgraad, smelttraject en maximum-gehalte aan vluchtige stoffen. In het tweede lid wordt daartoe aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur opgedragen aan de toegelaten levensmiddelenadditieven nadere zuiverheidseisen te stellen (onderdeel a). Tevens bepaalt dat lid in (onderdeel b) dat de Minister nadere regels moet stellen met betrekking tot levensmiddelenadditieven die fungeren als oplosmiddel en daardoor als draagstof fungeren van bij voorbeeld aroma's of van andere levensmiddelenadditieven. Staatsblad 1992 204 13 § 3. Verhandeling van levensmiddelenadditieven In de artikelen 5 en 6 zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de informatie voor de gebruiker van levensmiddelenadditieven. Artikel 5 betreft voorschriften die in elk geval in acht moeten warden genomen bij de verhandeling. Daarnaast zijn bij de verhandeling de voorschriften uit het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen van kracht. Deze voorschriften zijn hier niet opnieuw expliciet opgenomen. Het eerste lid legt vast dat bij de verhandeling steeds de aanduiding moet warden gebezigd. Vervolgens wordt in het tweede lid bepaalt dat die aanduiding is het EEG-nummer, dan wel de algemeen gebruikelijke naam van het desbetreffende levensmiddelenadditief. In het derde en vierde lid warden regels gegeven voor mengsels van verschillende levensmiddelenadditieven (derde lid) en levensmiddelenad ditieven met andere stoffen, materialen of ingredienten. De regel is dat naar rato van het gewichtsaandeel de volgorde van de vermelding van de verschillende bestanddelen moeten warden bepaald. Ten slotte is in het vijfde lid vastgelegd dat bij de verhandeling steeds een vermelding moet warden gebezigd waaruit blijkt dat het om stoffen gaat die voor levens middelen bestemd zijn. In het zesde lid is bepaald dat de te bezigen informatie duidelijk zichtbaar, ontuitwisbaar, gemakkelijk leesbaar en in een gemakkelijk te begrijpen taal moet zijn aangebracht. Artikel 6 bevat de voorschriften die in acht moeten warden genomen bij de verhandeling van levensmiddelenadditieven die niet voor de eindverbruikers, zijnde de consumenten, of instellingen zijn bestemd. Aangezien het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen niet op een dergelijke verhandeling van toepassing is, moet in dit besluit warden vastgelegd welke informatie bij die verhandeling moet warden gebezigd. Zulks geschiedt in het eerste lid. Het betreft (naast de aanduiding conform artikel 5) vermeldingen over bewaring, gebruik, de fabrikant, verkoper of verpakker, technische aanwijzingen omtrent de toepassing van de betrokken hulpstoffen, alsmede de netto-hoeveelheid. Ten slotte is bepaald dat de te bezigen informatie duidelijk zichtbaar, onuitwisbaar, gemakkelijk leesbaar en in een gemakkelijk te begrijpen taal moet zijn aangebracht. Het tweede lid bevat een versoepeling van dat laatste. Bepaalde vermeldingen behoeven slechts op het begeleidende handels document te warden gebezigd. Het betreft de in onderdelen b en d van het eerste lid bedoelde technische aanwijzingen omtrent het gebruik van de betrokken hulpstof. lndien van die optie gebruik wordt gemaakt dient op de verpakking evenwel een vermelding te warden aangebracht die aangeeft wat voor bestemming de waar heeft. Tevens moet een vermelding warden gebruikt waaruit blijkt dat het produkt niet voor verdere verhandeling (in het klein) bestemd is. In de richtlijn Levensmid delenadditieven wordt nog aangegeven dat de voorschriften die van toepassing zijn bij de verhandeling van gevaarlijke stoffen ook op levens middelenadditieven van toepassing zijn. In Nederland is de desbetref fende EEG-richtlijn verwoord in en krachtens de Wet Milieu Gevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639), zodat dat besluit ook op de in dit besluit bedoelde stoffen van toepassing is. § 4. Gebruik van levensmiddelenadditieven In paragraaf 4 warden de regels gesteld die betrekking hebben op de toepassing van levensmiddelenadditieven bij de levensmiddelenbe reiding. In het eerste lid wordt bepaald dat levensmiddelenadditieven slechts mogen warden gebruikt in de bereiding van eet- en drinkwaren indien een dergelijk gebruik in overeenstemming is met een aantal algemene uitgangspunten. Deze zijn in de EG-Richtlijn vervat in de bijlage II de Staatsblad 1992 204 14 «Algemene kriteria voor het gebruik van levensmiddelenadditieven» en in het onderhavige besluit eveneens opgenomen in de bijlage II. Samen gevat komen deze neer op het volgende: zij mogen geen gevaar opleveren voor de volksgezondheid van de eindverbruiker, zijnde de consument; er moet een technische noodzaak zijn voor het gebruik; er mag door het gebruik ervan in de eet- en drinkwaren geen misleiding plaats vinden bij de consument ten aanzien van de aard van de betrokken waar. Hoewel deze uitgangspunten tot nu toe nog niet in een wettelijk voorschrift waren opgenomen, betreft het wel de uitgangspunten die steeds werden gehanteerd bij de toelating (en de mogelijke toepassing) van (hulp)stoffen. Tevens wordt in die bijlage bepaald dater toxicolo gische proeven en een toxicologische beoordeling met betrekking tot de betrokken stof moeten geschieden. Tevens moet bij die toelating rekening worden gehouden met andere mogelijke effecten, zoals cumulatieve, synergistische en versterkende effecten en relatie tot andere aan eet- of drinkwaren toe te voegen stoffen. Bovendien dient mogelijke intolerantie van de mens voor de betrokken stof als criterium bij de toelating te gelden. Die elementen zijn nieuw bij de beoordeling van een stof. Het moge duidelijk zijn dat bedoeld is dat in eerste instantie slechts evidente gevallen van dergelijke effecten bij de beoordeling kunnen worden betrokken, gelet op de praktisch onuitvoerbare onder zoeken ter zake, zou men alle effecten willen onderzoeken. Bovendien gaat het overwegend om stoffen die al tientallen jaren bij de bereiding van eet- en drinkwaren worden gebruikt. Voorstelbaar is evenwel dat met name bij de introductie van nieuwe stoffen ook dergelijke effecten zullen worden bestudeerd. Het karakter van bijlage II is overigens die van een handleiding bij de toxicologische en technologische beoordeling of, en zo ja onder welke voorwaarden van gebruik een stof als levensmiddelen additief kan worden toegelaten. In het tweede lid van artikel 7 wordt bepaald dat regels worden gesteld inzake het gebruik van levensmiddelenadditieven in eet- en drinkwaren. Deze regels zullen in ieder geval betrekking hebben op de beperkingen, die aan het gebruik van een levensmiddelenadditief in eet en drinkwaren worden gesteld teneinde te voldoen aan de in de bijlage II geformuleerde algemene criteria. Een beperking kan ook in voorkomend geval gesteld worden voor wat betreft het technisch gebruiksdoel. Ten aanzien van de toepassing van zoetstoffen geschiedt zulks op overigens vergelijkbare wijze krachtens het Warenwetbesluit Zoetstoffen (Stb. 1989, 548), nu met dat besluit een integrale benadering van toelating en gebruik van deze groep van levensmiddelenadditieven is beoogd. Het ligt in het voornemen om ook de eet- en drinkwaren waarvoor tot nu toe geen specifieke regaling van toepassing was in deze regaling op te nemen. In geval de voorschriften voortvloeien uit regelingen die zijn vastgesteld in het kader van de richtlijn ter zake van levensmiddelenaddi tieven (89/107 /EEG), of vanwege andere uit het EEG-Verdrag voort vloeiende bindende regels, is in het derde lid bepaald dat zodanige opneming in de Nederlandse wetgeving geschiedt door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, zonder advisering door de Advies commissie Warenwet. Het belang dat het advies van dit adviesorgaan doorgaans terdege wel heeft, is in een dergelijk geval en in dat stadium immers afwezig. Een dergelijk advies is daarentegen zeer gewenst alvorens tot vaststelling in EEG-kader is besloten. Krachtens artikel 24, tweede lid, van de Warenwet zal de Adviescommissie Warenwet worden gehoord over ontwerp-regelingen in dat verband. In dat stadium van de besluitvorming kan dan immers nog van invloed sprake zijn. Zulks geldt eveneens voor niet op dergelijke EEG-regels berustende bepalingen die krachtens het onderhavige besluit worden vastgesteld. In dat geval is eveneens overeenstemming met de beide andere betrokken ministers nodig. Het vierde lid bevat het voorschrift dat in levensmiddelen slechts Staatsblad 1992 204 15 levensmiddelenadditieven aanwezig mogen zijn die zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht voldoen aan de in het eerste lid bedoelde regaling. In dat lid is tevens bepaald hoe in voorkomend geval, namelijk bij niet voor gebruik gereed zijnde eet- of drinkwaren, de ten hoogste toegelaten hoeveelheden moeten worden berekend. Deze moeten worden betrokken op de uit die eet- of drinkwaren volgens de gebruiks aanwijzing verkregen produkten, zoals pudding uit puddingpoeder, saus uit sauspoeder en dergelijke. Ter vereenvoudiging van de regelgeving, en met het oog op een zo uniform mogelijke benadering van het probleem van de berekening van de toegelaten hoeveelheden levensmiddelenaddi tieven is in het vijfde lid bepaald dat de tweede volzin van het vierde lid van overeenkomstige toepassing is in geval in of krachtens een Waren wetregeling normering van een levensmiddelenadditief wordt vastgelegd. «Carry-over-principle>> Het komt vaak voor dat bepaalde eet- of drinkwaren als grondstoffen dienen voor andere eet- of drinkwaren. Aan dergelijke «grondstoffen» zullen veelvuldig eisen ten aanzien van de aanwezigheid van levensmid delenadditieven zijn gesteld. Toevoeging van die stoffen aan de «grondstof» zal, gelet op het eerste lid van artikel 7, een bepaald technisch nut moeten hebben. Als dat nut weliswaar in de grondstof aanwezig is, maar niet aanwezig is in het met die «grondstof» samenge stelde levensmiddel kan geen sprake zijn van een levensmiddelenadditief, maar uiteraard wel van een technisch hulpmiddel. Deze benadering staat bekend als het «carry-over-principle». Uiteraard moet de stof wel recht matig in de gebruikte grondstof aanwezig zijn. lndien de betrokken stof wel een functie heeft in het eindprodukt zal het gebruik ervan expliciet moeten zijn toegelaten, nu het in dat geval een «gewoon» levensmidde lenadditief is geworden. § 5. Slotbepalingen Artikel 8 spreekt voor zich; de bekende onderzoekingsmethoden zijn van toepassing bij de controle op de naleving van het bepaalde in of krachtens dit besluit. In voorkomend geval kunnen echter door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur bijzondere methoden worden vastgesteld, met name in het geval er wellicht discussie zou kunnen ontstaan over de te gebruiken methode. De artikelen 9 tot en met 12 bevatten wijzigingen van een aantal warenwetbesluiten, die betrekking hebben op levensmiddelenadditieven. Dit zijn het Antioxydantenbesluit (Warenwet), het conserveermiddelenbe sluit (Warenwet), het emulgatorenbesluit (Warenwet) en het kleurstof fenbesluit (Warenwet). Vanwege het inwerkingtreden van het onder havige Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven vervallen in de genoemde besluiten de bepalingen met betrekking tot de algemene zuiverheidseisen en de etikettering. Deze eisen zijn nu opgenomen in het onderhavige besluit. De inwerkingtreding is gesteld op de tweede dag na publikatie in het Staatsblad (artikel 13), waarna een overgangstermijn tot 1 juni 1992 van toepassing wordt. De overeenkomstige termijnen in meergenoemde EEG-richtlijn zijn respectievelijk 1 januari 1990 en 1 januari 1991. Met name de geheel andere opzet van Warenwetbesluiten op basis van de vernieuwde Warenwet, en de ontwikkelingen ter zake van gebruiksvoor waarden van levensmiddelenadditieven in EEG-verband, zijn oorzaak van deze niet geheel parallel lopende termijnen. 0verigens vloeien daar in de praktijk geen moeilijkheden uit voort, gelet op de nadere regels ter zake van het gebruik van levensmiddelenadditieven, die krachtens artikel 7. tweede lid, door de betrokken ministers moeten worden vastgesteld. Het blijft echter wel gewenst en onvermijdelijk een (zij het korte) overgangs Staatsblad 1992 204 16 termijn op te nemen aangezien anders de justitiable in onoverkomelijke problemen zou kunnen komen. § 6. Concordantietabellen Concordantietabel I Warenwetbesluit levensmiddelenadditieven Richtlijn Warenwetbesluit Richtlijn Levensmiddelen- Levensmiddelen- Levensmiddelen additieven additieven additieven 1.1 8. aanhef 1.2 1 .1.a. 8.a 1.3.a -(NvT) 8.b 1.3.b 1.2.a 8.c 1.3.c 1.3.b 8.d 1.3.d 1.2.b 9 2.1 2.1/3.1 10.1 ° alinea 2.2 3.1 10.2° alinea 2.3 7.1 11 3.1 7.2 12.1 3.2.a 3.2 12.2-3 3.2.b 7.2/a 13 3.2.c 4.2.a 14.1.1 °str. 3.3.a 4.1/4.2.a 14.1.2°str. 3.3.b 8.1/8.2 14.2 3.3.c 4.2.b 3.3.d Bijlage I 4 voetnoot 1 5 - (WW. 16.1) voetnoot 2 6 voetnoot 3 7.1.aanhef 2.2./2.3/ voetnoot 4 5.6/6.1 voetnoot 5 7.1.a.1 ° 5.1 /5.2/5.3 7.1.a.2° 5.4 Bijlage II 7.1.b 5.5 7.1.c 6.1.a 7.1.d 6.1.b 7.1.e 6.1.b 7.1.f 6.1.c 7.1.g 6.1.d 7.1.h 6.1.e 7.1.i 7.2 6.2 Concordantietabel 11 Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven Warenwetbesluit Richtlijn Warenwetbesluit Levensmiddelen- Levensmiddelen- Levensmiddelen additieven additieven additieven 1.1.a 1.2 7.2 1.1.b 7.3 1.2.a 1.3.b 7.4 1.2.b 1.3.d 8 1.3.a 9 1.3.b 1.3.c 10 2.1 2.1/12.1 11 2.2 7 .1 /8.aanh/12.1 12 2.3 7.1/8.a/12.1 13.1 2.4 13.2 3.1 2.1 /2.2/3.2.a 14 3.2 3.2.a 3.3 Staatsblad 1992 204 Warenwetbesluit Levensmiddelen additieven 2.2./5.6 2.3.5.2 5.5 (BAGS) 5.6/6.1 slotzin 2.1/2.22.3 13.1 13.2 Bijlage I bijl.l.C. bijl. I.B. Bijlage II Richtlijn Levensmiddelen additieven 3.2.b 3.2.b 3.3.b-c 14.1.1 °str 14.1.2°str 17 Warenwetbesluit Levensmiddelen additieven 4.1.a-b 4.1.c 4.2.a 4.2.b 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 6.1 6.1.a 6.1.b 6.1.c 6.1.d 6.1.e 6.1. slotzin 6.2 7.1 Richtlijn Levensmiddelen additieven 3.3a/bijl.ll.5 3.3.a/bijl.ll.5 3.3.c/bijl.ll.5 7.1.a 7.1.a.8.a 7.1.a.1 °str/8.b 7.1.a.2°str/8.b 7.1.b/8.b 7.1.aanh./8.aanh 7.1 7.1 C 7.1.d 7.1.f 7.1.g 7.1.h 10.2° alinea 7.2 2.3 Warenwetbesluit Levensmiddelen additieven Bijlage I 1.8 I.C Bijlage II Richtlijn Levensmiddelen additieven Bijlage I l.voetnoot 3 l.voetnoot 1 Bijlage II 1. Komt overeen met de bijlagen I, II en Ill van het Antioxydantenbe sluit en vloeit overigens rechtstreeks voort uit Richtlijn 70/357 /EEG. 2. Komt respectievelijk overeen met het huidige artikel 1, derde lid, artikel 1, vierde lid, artikel 9 en bijlage I van het Conserveermiddelenbe sluit; deze bepalingen vloeien overigens rechtstreeks voort uit Richtlijn 64/54/EEG. 3. Komt overeen met artikel 3, tweede lid, onderdeel d, respectievelijk bijlage I, van het Emulgatorenbesluit en vloeit overigens rechtstreeks voort uit Richtlijn 74/329.EEG. 4. Komt overeen met bijlage I van het Kleurstoffenbesluit en vloeit overigens rechtstreeks voort uit Richtlijn 2645/62. De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H.J. Simons Staatsblad 1992 204 18

Decree No. 204 of 1992 based on the Commodities Act Relative to Food Additives · Nelum