تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين هولندا

Agricultural Quality Decree relative to Ecological Production Methods

صدر في 1992-11-26 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

اللغة
Dutch
النوع
لائحة
المنظمة
European Union
الدولة
هولندا
الموضوعات
Cultivated plants
الكلمات المفتاحية
ecological production/organic production, internal trade
الفئات
agriculture

أين تقرؤه

    لا يوجد رابط مصدر مسجل لهذا القانون.

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. 661 Besluit van 26 november 1992, houdende Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuur beheer en Visserij van 17 juni 1992, no. J. 928199, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens de Minister van Economische Zaken; Overwegende dat regels moeten worden gesteld ter uitvoering van de Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeen schappen van 24 juni 1991 (PbEG 1991, L 198), inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwpro dukten en levensmiddelen; Gelet op de artikelen 2, 3, 7, 8, 9 en 12 van de Landbouwkwaliteitswet (Stb. 1971, 371); Gehoord: het Landbouwschap; het Produktschap voor Groenten en Fruit; het Produktschap voor Vee en Vlees; het Produktschap voor Zuivel; het Produktschap voor Pluimvee en Eieren; het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten; de Consumentenbond; het Konsumentenkontakt; de Stichting Skal; het Platform Biologische Landbouw en Voeding; de Vereniging voor Biologisch-Dynamische Landbouw; de Nederlandse Vereniging voor Ekologische Landbouw; het Centraal Bureau Tuinbouwveilingen; De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 1992, no. W11.92.0273); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 november 1992, No. J. 9213960, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Staatsblad 1992 661 Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: wet: Landbouwkwaliteitswet (Stb. 1971, 371 ); Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; biologische produktiemethode: voortbrenging van plantaardige en dierlijke landbouwprodukten en houden van dieren overeenkomstig de bij of krachtens de Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 (PbEG 1991, L 198), zoals deze is of zal komen te luiden, gestelde voorschriften; bereiding: alle handelingen van verwerking, verduurzaming en verpakking van landbouwprodukten; ingredienten: stoffen, met inbegrip van additieven, welke worden gebruikt voor de bereiding van produkten bestemd voor menselijke voeding en die, al dan niet in gewijzigde vorm, aanwezig blijven in het eindprodukt; verhandelen: bedrijfsmatig in voorraad hebben, voorhanden hebben of te koop aanbieden, verkopen of afleveren; invoer: invoer op het grondgebied van de Europese Gemeenschappen; derde landen: landen die geen deel uitmaken van de Europese Gemeenschappen. 2. Het bepaalde bij of krachtens dit besluit is niet van toepassing op binnengekomen douanegoederen in de zin van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen (Stb. 1961, 31 ). 3. Het bepaalde bij of krachtens dit besluit is slechts van toepassing met betrekking tot produkten waarvoor regels als bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn gesteld. Artikel 2 1. Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanmerken van bepaalde methoden voor de voortbrenging van produkten als biologische produktiemethoden. 2. Onze Minister stelt regels vast voor het gebruik van aanduidingen en vermeldingen welke verwijzen naar de biologische produktiemethoden als bedoeld in het eerste lid en in het bijzonder voor het gebruik van de term «biologisch». Artikel 3 1. Tenzij is voldaan aan het bij of krachtens dit besluit bepaalde, is het verboden bij het verhandelen van produkten en bij de reclame voor produkten, de term «biologisch» te bezigen, dan wel andere aandui dingen of vermeldingen te bezigen, welke verwijzen naar biologische produktiemethoden of die de koper van dergelijke produkten kunnen doen aannemen dat de betreffende produkten of ingredienten daarvan zijn verkregen overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid. 2. Het is verboden de krachtens artikel 6 vastgestelde merken, tekenen of bewijsstukken te bezigen in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit besluit. 3. Het is verboden voor landbouwprodukten en levensmiddelen merken, tekenen of bewijsstukken te bezigen welke sterk gelijken op de in het tweede lid bedoelde merken, tekenen of bewijsstukken. Staatsblad 1992 661 2 Artikel 4 1. ledere in Nederland gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die produkten, waarvoor aanduidingen of vermeldingen worden gebezigd die verwijzen naar biologische produktiemethoden of waarvan het in de bedoeling ligt om daarvoor dergelijke aanduidingen te bezigen, produ ceert, bereidt of met het oog op verhandeling in Nederland invoert, dient zich aan te sluiten bij de in artikel 7 genoemde controle-instelling. 2. De in artikel 7 genoemde controle-instelling stelt een reglement vast omtrent de inhoud en het verloop van de door haar uit te oefenen controles. Onze Minister kan nadere regels vaststellen omtrent de in dit reglement vast te leggen voorschriften. Artikel 5 1. Onze Minister kan bepalen dat overeenkomstig de biologische produktiemethoden voortgebrachte produkten aan een keuring kunnen of moeten worden onderworpen. 2. Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de keuring. Artikel 6 1. Onze Minister kan voor produkten, die zijn voortgebracht overeen komstig het bij of krachtens dit besluit bepaalde, merken, tekenen of bewijsstukken als bedoeld in artikel 7 van de wet vaststellen. Het aanbrengen van deze merken, tekenen en bewijsstukken is uitsluitend toegestaan aan aangeslotenen bij de in artikel 7 genoemde controle-instelling. 2. Onze Minister kan regelen vaststellen betreffende het vervaardigen, voorhanden en in voorraad hebben, zomede het afleveren en gebruiken van de in het eerste lid bedoelde merken, tekenen en bewijsstukken, en van de cliches, stempels en andere werktuigen tot het vervaardigen of aanbrengen van die merken, tekenen of bewijsstukken. Artikel 7 De Stichting Skal te Zwolle is a. belast met het toezicht op de naleving door de bij haar aangeslo tenen van het bij of krachtens dit besluit bepaalde; b. belast met de in artikel 5 bedoelde keuring van overeenkomstig de biologische produktiemethode voortgebrachte produkten; c. bevoegd tot het uitreiken van de in artikel 6 bedoelde merken, tekenen en bewijsstukken aan de bij haar aangeslotenen. Artikel 8 lndien de controle-instelling constateert dat met betrekking tot een produkt of produktpartij, waarvoor aanduidingen, vermeldingen of merken, tekenen en bewijsstukken worden gebezigd als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en 6, eerste lid, het bepaalde bij of krachtens dit besluit door een bij haar aangeslotene niet wordt nageleefd, legt zij de betref fende aangeslotene de verplichting op om het merk dan wel de aandui dingen of vermeldingen van de betreffende produkten te verwijderen of te doen verwijderen. Artikel 9 1. De voorzitter van de in artikel 7 genoemde controle-instelling wordt door Onze Minister telkens voor ten hoogste vier jaar benoemd. Hij is Staatsblad 1992 661 3 Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staats courant van 12 januari 1993, nr. 7 217268F ISSN 0920 - 2064 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1992 terstond weder benoembaar. 2. Het bestuur van de in artikel 7 genoemde instelling doet aan Onze Minister een voordracht voor de benoeming. 3. De voorzitter mag niet rechtstreeks betrokken zijn bij de produktie of verhandeling van produkten, welke via biologische produktiemethoden worden verkregen. Artikel 10 1. Onze Minister kan vrijstelling en, op aanvrage, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit besluit. 2. Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend voor zover dit geen strijd oplevert met het bepaalde in Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (PbEG 1991, L 198) inzake biologische produktiemethoden en aanduidingen dienaan gaande op landbouwprodukten en levensmiddelen. 3. Onze Minister kan bepalen dat een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, door de in artikel 7 genoemde controle-instelling wordt verleend of in door hem te bepalen gevallen door deze instelling wordt v.erleend. Hij kan ter zake van het verlenen van zodanige vrijstelling of ontheffing regelen stellen of aanwijzingen geven. Hij kan voorts bepalen dat een besluit, waarbij een zodanige vrijstelling wordt verleend, de goedkeuring behoeft van een door hem aangewezen autoriteit. Artikel 11 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993. 2. Dit besluit kan worden aangehaald als Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van .toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. 's-Gravenhage, 26 november 1992 Beatrix De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. D. Gabor De Minister van Economische Zaken, J. E. Andriessen Staatsblad 1992 661 Uitgegeven de tweeentwintigste december 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin 4 NOTA VAN TOELICHTING 1. Algemeen Het onderhavige besluit is vastgesteld ter uitvoering van de Veror dening (EEG) 2092/91, inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen (PbEG 1991, L198), zoals deze op 24 juni 1991 door de Raad van de Europese Gemeenschappen is vastgesteld. Deze Verordening is nadien aangevuld danwel gewijzigd bij de navolgende Verordeningen: Veror dening (EEG) Nr. 94/92 van de Commissie van 14 januari 1992, PbEG L 11 van 17 janliari .1992, Verordening (EEG) Nr. 1535/92 van de Commissie van 15 juni 1992, PbEG L 162 van 16 juni 1992, Verordening (EEG) Nr. 2083/92 van 14 juli 1992, PbEG L 208 van 24 juli 1992. Biolo gische landbouw kan worden omschreven als een produktiewijze waarbij voor de instandhouding van het produktievermogen van de bodem en voor het bestrijden van ptagen, ziekten en onkruiden natuurlijke methoden worden gebruikt als.groenbemesters, gecompost,eerd organisch materiaal, het toepassen van passende vruchtwisselings schema's en het inzetten van natuurlijke vijanden. De grond wordt minder intensief gebruikt dan bij de gangbare landbouwmethoden en er wordt geen gebruik gemaakt van synthetisch-chemische bestrijdingsmid delen, - detergentia (reinigingsmiddelen), - meststoffen of - bodemver beteraars. Geconstateerd kan worden, dat de vraag naar landbouwprodukten en daaruit vervaardigde levensmiddelen, die zijn verkregen volgens biolo gische produktiemethoden groeiende is. De toegenomen aandacht die consumenten hebben voor de toestand van het milieu is daarvan de meest prominente oorzaak. De verhoogde belangstelling van de consument voor biologische produkten zou er toe kunnen leiden dat allerhande produkten op de markt verschijnen onder de benaming «biologisch» die eigenlijk niet voor dit predikaat in aanmerking komen. De al genoemde EEG-Verordening legt dan ook vast wat de biolo gische landbouwmethode inhoudt en geeft voorts een regaling voor het gebruik van aanduidingen die naar de biologische produktiemethode verwijzen. Vooralsnog ziet de Verordening alleen op onverwerkte plantaardige produkten en levensmiddelen die hoofdzakelijk bestaan uit een of meer ingredienten van plantaardige oorsprong. Het ligt echter uitdrukkelijk in de bedoeling om op korte termijn ook regels te gaan stellen met betrekking tot de biologische produktie van dierlijke produkten en levens middelen met ingredienten van dierlijke oorsprong. De aandacht voor dierenwelzijn zal tot uiting komen in een huisvestingssysteem, waarin het dier zijn soorteigen gedrag in belangrijke mate kan uitoefenen. Bij de implementatie van de bovengenoemde Verordening is er voor gekozen de onderhavige materie onder te brengen in een Landbouwkwa liteitsbesluit. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag. In de Verordening worden regels gesteld met betrekking tot de kwaliteit van landbouwprodukten, en wel in het bijzonder aangaande hun (ten opzichte van de gangbare methodes) bijzondere voortbrengings wijze. Daaronder zijn ook regels met betrekking tot de aanwending van bepaalde grondstoffen en hulpmiddelen. Voorts worden regels gesteld omtrent het gebruik van aanduidingen, alsmede de verplichting voor diegenen die deze aanduidingen wensen te gebruiken om zich te onder werpen aan een speciaal hiervoor opgezet controle-systeem. Staatsblad 1992 661 5 Deze onderwerpen overziende kan men concluderen dat zij bij uitstek passen in de opsomming van artikel 2, tweede lid, van de Landbouwkwa liteitswet (Stb. 1971, 371 ). Voorts biedt de Verordening een kader om de controle over te laten aan een erkende controle-instelling. Middels een Landbouwkwaliteitsbe sluit kan daartoe een privaatrechtelijke controle-instelling bij de uitvoering van de Verordening worden betrokken. lngevolge de bepalingen van de Landbouwkwaliteitswet functioneren dergelijke controle-instellingen immers onder rijkstoezicht. Het controle-systeem treedt gelijktijdig met de bepalingen omtrent etikettering, onderwerping aan het controle-systeem, alsmede invoer uit derde landen, in werking. De tenuitvoerlegging van het controle-systeem kan immers pas effectief zijn zodra de regels omtrent etikettering en aansluiting bij de controle-organisatie verplicht zijn. Aanvankelijk zouden die regels op grond van de Verordening een jaar na inwerkingtreding van de Verordening van toepassing worden, maar bij Verordening (EEG) Nr. 2083/92 van 14 juli 1992, is dit uitgesteld tot 1 januari 1993. De principes van het systeem, alsmede de aanwijzing van de controle instelling, zijn overigens wel reeds in april 1992 aan de Europese Commissie gemeld. 2. Uitgebrachte adviezen Met betrekking tot het ontwerp is advies gevraagd en uitgebracht door de volgende organisaties: het Landbouwschap, het Produktschap voor Groenten en Fruit, het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, het Produktschap voor Vee en Vlees, het Produktschap voor Pluimvee en Eieren, het Produktschap voor Zuivel, de Consumentenbond, Konsu menten Kontakt, het Platform Biologische Landbouw en Voeding, de Stichting Skal, de Vereniging voor Biologisch-Dynamische Landbouw, de Nederlandse Vereniging voor Ekologische Landbouw en het Centraal Bureau Tuinbouwveilingen. Over het algemeen is het ontwerp positief ontvangen. Naar aanleiding van de adviezen is de naamgeving van het ontwerp aangepast aan de Verordening en gewijzigd in «Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode». Met de aanwijzing van de Stichting Skal als controle-instelling is ingestemd. Met daze aanwijzing is voldaan aan het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Verordening. Enkele van de gehoorde organisaties vrezen dat met de aanwijzing van een controle-instelling de keuringskosten voor het bedrijfsleven hoog op kunnen lopen. Dienaangaande wordt opgemerkt dat het op de controle-instelling uit te oefenen rijkstoezicht mede gericht zal zijn op een verantwoord financieel beheer. De aanwijzing van meer controle-instellingen is in de toekomst niet uitgesloten. Daarvoor is evenwel een wijziging van het Landbouwkwaliteitsbesluit vereist. In enige adviezen is voorts aandacht besteed aan de installing van het landbouwkwaliteitsmerk. Enkele van de gehoorde organisaties adviseerden niet tot de invoering van een Landbouwkwaliteitsmerk over te gaan. De in de Verordening geboden mogelijkheden tot aanduiding van biologisch voortgebrachte produkten werden voldoende geacht als informatiemiddel naar de consument. Gelet op het feit dat de Verordening het gebruik van een rijksmerk niet verplicht stelt en gelet op de op grond van het besluit geboden controle mogelijkheden om in de aanduiding de produkten die zijn voortgebracht overeenkomstig het bij of krachtens het besluit bepaalde te onder scheiden zal, mede gelet op de uitgebrachte adviezen, aan de bevoegdheid tot het vaststellen van een rijksmerk thans geen uitvoering worden gegeven. Staatsblad 1992 661 6 3. lnhoud van het besluit Gekozen is voor een besluit dat het verkeer heeft van een raamre geling. Het besluit bevat vooral de noodzakelijke bevoegdhedenschep pende bepalingen, waarbij de invulling van de materiele aspecten van de EEG-Verordening wordt overgelaten aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Voornaamste reden voor deze opzet is het feit dat indien de Veror dening wordt gewijzigd, een aanpassing van de Nederlandse regelgeving noodzakelijk is. Een zodanige wijziging is reeds aangekondigd; het ligt immers uitdrukkelijk in de bedoeling om op zeer korte termijn te komen met regels inzake dieren en dierlijke produkten. Daarbij zal aan de opzet van het stelsel, zoals die in dit besluit is neergelegd, niet licht iets veran~ deren, maar voor de te hanteren materiele eisen en voorschriften ligt dat anders. In dat geval is het vanzelfsprekend eenvoudiger om een ministe riele regaling te wijzigen dan het wijzigeri van een algemene maatregel van bestuur. Bovendien ontbreken er op dit moment nog een groot aantal uitvoe ringsbepalingen aan de Verordening, zoals deze in juli 1991 is gepubli ceerd. De meeste van die uitvoeringsbepalingen zullen door de Commissie op de wijze zoals omschreven in artikel 14 van de Veror dening tot stand worden gebracht. Ook deze uitvoeringsbepalingen zullen via een ministeriele regaling op eenvoudige wijze kunnen worden ge·implementeerd. Het bedrijfsleven is in de gelegenheid gesteld stand punten betreffende genoemde uitvoeringsbepalingen kenbaar te maken. Deze gelegenheid zal ook bestaan zodra regels inzake dieren en dierlijke produkten zullen worden gesteld welke dienen te worden ge·implemen teerd. In dit besluit is niet voorzien in een delegatie van regelgevende bevoegdheden aan een produktschap. Dit hangt samen met de reikwijdte van het besluit, die een zeer uiteenlopende verzameling van zowel plant aardige als dierlijke agrarische produkten, bewerkt en onbewerkt, omvat. Bij de uitvoering van dit besluit zou dan ook een groot aantal produkt schappen moeten worden betrokken (te denken valt aan onder meer het Produktschap voor Groenten en Fruit, het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, het Produktschap voor Vee en Vlees, het Produkt schap voor Zuivel en het Produktschap voor Pluimvee en Eieren), hetgeen de overzichtelijkheid van de regelgeving niet ten goede zou komen. Ook uit een oogpunt van efficiency is het niet wenselijk de uitvoering van de Verordening over een groot aantal produktschappen te verdelen. Tenslotte moet worden bedacht dat bij de implementatie van de voorschriften van de Verordening er weinig beleidsruimte bestaat; van inschakeling van de produktschappen is dan ook afgezien. De Verordening verplicht alle producenten, bereiders of importeurs van biologische produkten uit derde landen, die op de een of andere wijze aan de consument kenbaar willen maken dat hun produkten geprodu ceerd zijn overeenkomstig de regels inzake de biologische produktieme thode, zich te onderwerpen aan een daartoe opgezet controle-systeem. Deze verplichting is in het kader van dit besluit gerealiseerd door aansluiting bij de controle-instelling verplicht te stellen voor produ centen, bereiders en importeurs. Daarbij dient te worden opgemerkt, dat deze aansluitplicht niet geldt voor producenten etc. uit de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen. Van deze marktdeel nemers kan in redelijkheid niet worden geeist dat zij zich, naast de controle-organisatie in hun eigen land, ook nog onderwerpen aan de Staatsblad 1992 661 7 Nederlandse controle-organisatie. In alle Lid-Staten zullen immers controle-instellingen op basis van de Verordening functioneren. Ook voor in derde landen gevestigde producenten etc. geldt de aansluitingsplicht niet; een adequate controle is hier verzekerd door de bepaling uit de Verordening dat invoer van produkten, waarvoor verwij zingen naar de biologische produktiemethode warden gehanteerd, uit derde landen alleen mogelijk is als deze produkten zijn gecontroleerd in het kader van een door de Gemeenschap erkende controle-regeling. 4. Artikelsgewijze toelichting In artikel 1 warden ten eerste een aantal begrippen gedefinieerd. Tevens is de gebruikelijke uitzonderingsclausule met betrekking tot douanegoederen opgenomen. In het derde lid is een bijzondere voorziening opgenomen met betrekking tot die produkten, waarvoor thans nog geen voorschriften betreffende de biologische produktieme thode zullen warden vastgesteld, ofschoon zij in beginsel onder de werking van het besluit vallen. Hierbij moet warden gedacht aan de voorschriften met betrekking tot dieren en dierlijke produkten. De kern van het besluit is te vinden in de artikelen 2 en 3. Daarin wordt bepaald dat de Minister regels kan vaststellen aangaande de biologische produktiemethode en voor het gebruik van aanduidingen die verwijzen naar deze produktiemethode; het gaat hier om nadere regels ter uitwerking en precisering, uiteraard voorzover binnen het kader van genoemde EEG-Verordening. Daaraan gekoppeld is een aantal verbods bepalingen, op basis waarvan het bepaalde bij of krachtens het besluit langs tuchtrechtelijke dan wel strafrechtelijke weg kan warden gehand haafd. Met name het gebruik van de term «biologisch» wordt verboden indien landbouwprodukten of levensmiddelen niet zijn voortgebracht overeenkomstig de voor de biologische produktiewijze gestelde regels. Produkten waarvan het etiket aanduidingen bevat of waarover in de reclame beweringen warden gedaan die bij de consument de indruk wekken dat het produkt (of de ingredienten ervan) afkomstig is uit de biologische landbouw dienen te zijn voortgebracht overeenkomstig de voor de biologische produktiemethode gestelde regels. Dergelijke aanduidingen kunnen zijn «ekologisch», «organisch». Ook voorvoegsels als «bio- en «eko-» kunnen de indruk wekken dat sprake is van produkten afkomstig van de biologische landbouw. Er zij nadrukkelijk op gewezen dat evenbedoeld verbod zich, blijkens de tekst van het eerste lid van artikel 3, niet uitstrekt tot het gebruik van de term biologisch voor zover deze term kennelijk geen verwijzing inhoudt naar de biologische produktiemethode als bedoeld in het besluit. Wanneer de term biologisch bijvoorbeeld niet verwijst naar een produktiemethode in de landbouw mag deze term gebruikt warden in relatie tot produkten die niet afkomstig zijn van de biologische landbouw. Van een niet biologisch geteeld produkt mag bijvoorbeeld warden beweerd dat het verpakt is in biologisch afbreekbaar materiaal, of biolo gisch is bestreden. In artikel 4 is geregeld, dat de producenten, bereiders en importeurs van biologische produkten uit derde landen, die met betrekking tot produkten aanduidingen willen bezigen die verwijzen naar de biologische produktiemethode, zich aan dienen te sluiten bij de controle-instelling. Allereerst dient te warden opgemerkt dat het gebruik van dergelijke aanduidingen of het merk niet verplicht is: biologische produkten mogen zonder enig bezwaar ook onder de aanduidingen warden geproduceerd, verhandeld etcetera die gebruikt warden voor hun volgens gangbare, Staatsblad 1992 661 8 conventionele, methoden voortgebrachte equivalenten. Maakt men echter gebruik van de mogelijkheden om het biologisch produkt te presenteren als produkt dat is voortgebracht volgens de voor de biolo gische produktiewijze gestelde regels, dan geldt ingevolge de Veror dening de verplichting om zich aan een controle te onderwerpen. In het onderhavige besluit is deze verplichting gerealiseerd door het recht om dergelijke aanduiding'en te gebruiken te koppelen aan een aansluitplicht. Met producent wordt de primaire producent bedoeld. Tot de bereiders worden de verwerkers, de verpakkers alsmede degenen die wijzigingen in de verpakking aanbrengen, gerekend. Als bereider wordt voorts aange merkt degene die produkten in opdracht laat bewerken of verpakken. Eindverkopers die in een aparte ruimte bewerkingen uitvoeren of uit doen voeren zijn derhalve in de hoedanigheid van bereider verplicht zich aan te sluiten bij de controle-organisatie. De aansluitplicht geldt ook voor het grootwinkelbedrijf dat een produkt afkomstig uit de biologische landbouw verkoopt onder eigen merk. De feitelijke producent van een dergelijk produkt dient uiteraard ook te zijn aangesloten. Het voorgaande houdt in dat de handelaar, de importeur van biolo gische produkten uit andere Lidstaten, alsmede de detaillist die zonder wijzigingen in de verpakking aan te brengen het betreffende produkt (door-)verkoopt niet verplicht is zich aan te sluiten bij de controle-organi satie. Evenmin geldt de aansluitplicht voor de detaillist die het betref fende produkt verpakt, danwel wijzigingen in de verpakking aanbrengt, in aanwezigheid van de consument. De artikelen 6, 7, 8 en 9 bevatten bepalingen omtrent de merken, tekenen en bewijsstukken, de aanwijzing van de privaatrechtelijke controle-instelling en de positie van de voorzitter van die installing. Tegen een onregelmatig gebruik van merken, aanduidingen of vermel dingen kan op basis van artikel 8 door de controle-instelling, althans voor zover het aangeslotenen betreft, concreet worden opgetreden door de aangeslotene de verplichting op te leggen om het werk, de tekenen of bewijsstukken, alsmede de aanduidingen of vermeldingen te verwijderen of te doen verwijderen. Bij niet-nakoming van deze verplichting kunnen de in artikel 13 van de Landbouwkwaliteitswet genoemde tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd. Skal is voornemens een tuchtreglement vast te stellen. Op grond van artikel 18, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet, kan de Officier van Justitie, na overleg met de controle-instelling, echter bepalen dat de overtreding strafrechtelijk wordt afgedaan, met uitsluiting van tuchtrechtelijke maatregelen. Deze strafrechtelijke afdoening geschiedt op basis van de Wet op de economische delicten. De op grond van de Verordening te nemen maatregel om bij een ernstige overtreding van de etiketterings- en produktievoorschriften de aangesloten marktdeelnemer het recht te ontnemen om produkten, aangeduid als biologisch geproduceerd op de markt te brengen zal in het reglement van de controle-instelling worden opgenomen. De periode gedurende welke dit recht wordt ontnomen zal in overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden vastgesteld. In artikel 10 is een vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Het tweede lid dient slechts te worden opgevat als een verduidelijking van hetgeen rechtens reeds geldt, namelijk dat de Minister met zijn vrijstellingen- en ontheffingenbeleid niet in strijd mag handelen met hetgeen in de Verordening, die als basis voor dit besluit en de daarop rustende regelingen fungeert, is bepaald. In het derde lid is Staatsblad 1992 661 9 een voorziening getroffen waardoor de Minister zijn vrijstellings- en ontheffingsbevoegdheden verder kan delegeren. 5. Deregulering Het onderhavige besluit is getoetst aan de hand van de beknopte vragenlijst, zoals opgenomen bij de Aanwijzingen inzake de toetsing van ontwerpen van wet en van algemene maatregelen van bestuur (Stcrt. 1985, 18). Aangezien met dit besluit implementatie van de bovenge noemde EEG-Verordening wordt beoogd, kon daarmee warden volstaan. Het besluit vertoont geen samenhang of overlappingen met andere bestaande of in voorbereiding zijnde regelingen. Voor de uitvoering van dit besluit wordt geen nieuw orgaan in het leven geroepen, maar zal de reeds bestaande Stichting Skal warden aangewezen als privaatrechtelijke controle-instantie. Voor het betrokken bedrijfsleven kunnen extra finan ciele lasten uit deze regaling voortvloeien, daar de controle-instantie de kosten van keuring, controle en toezicht aan haar aangeslotenen kan doorberekenen. Deelname aan deze regaling is echter vrijwillig en ook in het thans nog vigerende privaatrechtelijke controlestelsel dienen deelne mende bedrijven een bijdrage aan de controle-organisatie te betalen. Voor de overheid vloeien uit deze regaling, afgezien van een geringe startbijdrage aan de controle-instelling, geen andere financiele lasten voort dan de lasten welke verband houden met de opsporings- en controle-activiteiten van de Algemene lnspectiedienst, die gezien de primaire verantwoordelijkheid van de Skal beperkt van omvang zijn. Er is dan ook niet van bezwaren tegen het onderhavige besluit gebleken. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. D. Gabor De Minister van Economische Zaken, J. E. Andriessen Staatsblad 1992 661 10

Agricultural Quality Decree relative to Ecological Production Methods · Nelum