تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين بلجيكا

Décret modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement et le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets

صدر في 2021-02-26 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

اللغة
French; Dutch
النوع
لائحة
الدولة
بلجيكا · Vlaanderen
الموضوعات
Environment, Waste and hazardous substances
الكلمات المفتاحية
pollution control, hazardous waste, institution, waste disposal, waste management, waste non-domestic sources, waste prevention, circular economy, governance, hazardous substances, inspection, classification/declassification, waste domestic sources, policy/planning, recycling/reuse, environmental fees/charges, offences/penalties

أين تقرؤه

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN VLAAMSE GEMEENSCHAP — COMMUNAUTE FLAMANDE VLAAMSE OVERHEID [C − 2021/20625] 26 FEBRUARI 2021. — Decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen HOOFDSTUK 1. — Algemene bepalingen Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. HOOFDSTUK 2. — Wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Art. 2. Aan artikel 10.3.3, §2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden een punt 20°, 21° en 22° toegevoegd, die luiden als volgt: “20° het uitvoeren van de taken in het kader van de bijzondere afvalstoffen, vermeld in artikel 22 en 32 van het Materialendecreet; 21° het uitvoeren van de taken in het kader van toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen als vermeld in titel XVI; 22° het aanduiden van een organisatie voor het overnemen van de taken van de certificatie-instelling asbest, vermeld in artikel 33/16 van het Materialendecreet.”. HOOFDSTUK 3. — Wijzigingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen Art. 3. Artikel 2 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen wordt vervangen door wat volgt: “Art. 2. Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van: 1° richtlijn (EU) 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen; 2° richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen; 3° richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoor zieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/ EG; 4° richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu.”. Art. 4. In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 30 juni 2017 en 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt aan punt 1° een punt g) toegevoegd, dat luidt als volgt: “g) stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen als vermeld in artikel 3, lid 2, g), van verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlij nen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie, en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan;”; 2° in paragraaf 1, 7°, wordt de zinsnede “het nuttig toepassen en het verwijderen van afvalstoffen,” vervangen door de zinsnede “het nuttig toepassen, met inbegrip van sortering, en het verwijderen van afvalstoffen,”; 3° in paragraaf 1 wordt een punt 9°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “9°/1 bioafval: biologisch afbreekbaar tuin-en plantsoenafval, levensmiddelen-en keukenafval van huishoudens, kantoren, restaurants en andere voedingsdiensten, groothandels, kantines, cateringfaciliteiten en winkels, en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;”; 4° in paragraaf 1 wordt een punt 19°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “19°/1 levensmiddelenafval: alle levensmiddelen als vermeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, die afvalstoffen zijn geworden;”; 30914 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD 5° in paragraaf 1 wordt een punt 22°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “22°/1 niet-gevaarlijke afvalstof: een afvalstof die geen gevaarlijke afvalstof is;”; 6° in paragraaf 1, 24°, c), worden de woorden “in stoffen en voorwerpen” vervangen door de woorden “in materialen”; 7° in paragraaf 1 wordt een punt 25°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “25°/1 regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid: een reeks maatregelen die de Vlaamse Regering conform artikel 21 vaststelt om ervoor te zorgen dat producenten van producten de financiële of financiële en organisatorische verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van de afvalfase in de levenscyclus van een product;”; 8° in paragraaf 1 wordt een punt 25°/2 ingevoegd, dat luidt als volgt: “25°/2 stedelijk afval: gemengd afval en gescheiden ingezameld afval van huishoudens, met inbegrip van papier en karton, glas, metaal, plastic, bioafval, hout, textiel, verpakkingen, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afgedankte batterijen en accu’s, grofvuil, met inbegrip van matrassen en meubels, en gemengd afval en gescheiden ingezameld afval uit andere bronnen dan de voormelde bronnen als de aard en samenstelling van dat afval vergelijkbaar zijn met de aard en samenstelling van afval van huishoudens. Stedelijk afval omvat geen afval van productie, landbouw, bosbouw, visserij, septische tanks en het riolerings- en zuiveringsstelsel, met inbegrip van zuiveringsslib, afgedankte voertuigen of bouw- en sloopafval;”; 9° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “De definitie, vermeld in het eerste lid, 25°/2, doet geen afbreuk aan de toewijzing van verantwoordelijkheden voor afvalbeheer aan publieke of private actoren.”; 10° in paragraaf 2 wordt een punt 4°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “4°/1 gebouweenheid: een in functioneel opzicht zelfstandige eenheid binnen een gebouw;”; 11° aan paragraaf 2 wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt: “11° wooneenheid: een gebouweenheid die over de nodige woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren.”. Art. 5. In artikel 4, §2, van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de inleidende zin wordt vervangen door wat volgt: “De doelstelling van dit decreet is maatregelen vaststellen om een circulaire economie te bevorderen en om materiaalkringlopen tot stand te brengen waarbij:”; 2° punt 1° wordt vervangen door wat volgt: “1° de gezondheid van de mens en het milieu beschermd worden door afvalproductie en de negatieve gevolgen van afvalproductie en -beheer te voorkomen of te verminderen;”. Art. 6. In artikel 6, §1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 maart 2013 en 26 april 2019, wordt tussen de zinsnede “hoeveelheid, aard, oorsprong” en de zinsnede “en, als dat van toepassing is,” de zinsnede “, de hoeveelheid materialen die verkregen zijn door voorbereiding voor hergebruik, recycling of andere handelingen van nuttige toepassing” ingevoegd. Art. 7. Aan artikel 9 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt: “§3. De inzamelaar van afvalstoffen biedt aan de afvalstoffenproducent een inzamelformule aan die de afvalstoffenproducent stimuleert de afvalstoffen zo aan te bieden dat bij de verwerking van afvalstoffen de doelstellingen, vermeld in artikel 4, §2, en de hiërarchie, vermeld in artikel 4, §3, 1°, maximaal kunnen worden toegepast. De inzamelformule, gericht op de selectieve inzameling, slaat op de wijze waarop de afvalstoffen worden ingezameld, zoals de gebruikte recipiënten, de inzamelfrequentie, de tarieven en de tariferingsformule. De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels vaststellen.”. Art. 8. Artikel 10 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: “Art. 10. Met behoud van de toepassing van artikel 21 en overeenkomstig het beginsel ’de vervuiler betaalt’ worden de kosten van het afvalstoffenbeheer, met inbegrip van de kosten voor de noodzakelijke infrastructuur en de exploitatie ervan, gedragen door de oorspronkelijke afvalstoffenproducent, de huidige of de vorige houders van afvalstoffen, de producent van het product waaruit het afval is voortgekomen, of de distributeurs of invoerders van een dergelijk product. De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels vaststellen.”. Art. 9. In artikel 17 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt: “§2. De preventieprogramma’s bestaan, voor zover van toepassing, minimaal uit maatregelen met de volgende doelstellingen: 1° duurzame productie- en consumptiemodellen bevorderen en ondersteunen; 2° het ontwerp, de fabricage en het gebruik van producten aanmoedigen die voldoen aan één of meer van de volgende voorwaarden: a) ze zijn hulpbronnenefficiënt; b) ze zijn duurzaam, ook wat betreft levensduur. Er is dus geen geplande veroudering; c) ze zijn repareerbaar, zowel naar praktische mogelijkheden als naar betaalbaarheid ten opzichte van de aanschaf van een nieuw toestel; d) ze zijn herbruikbaar; e) ze zijn opwaardeerbaar; 3° de producten die kritieke grondstoffen bevatten, in kaart brengen om te voorkomen dat die materialen afval worden; 4° producten hergebruiken en systemen invoeren die reparatie- en hergebruikactiviteiten stimuleren, namelijk voor elektrische en elektronische apparatuur, textiel en meubelen, verpakkingen, bouwmaterialen en -producten; 30915MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD 5° in voorkomend geval en met behoud van de toepassing van de intellectuele eigendomsrechten de beschikbaarheid van losse onderdelen, handleidingen, technische informatie of andere instrumenten, apparatuur of software die de reparatie en het hergebruik van producten mogelijk maken, aanmoedigen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit en veiligheid ervan; 6° de afvalproductie verminderen in processen in verband met de industriële productie, de winning van mineralen, de verwerkende industrie en bouw- en sloopwerkzaamheden, rekening houdend met de beste beschikbare technieken; 7° de productie van levensmiddelenafval in de primaire productie, de verwerking en de industrie, in de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants, catering en huishoudens verminderen; 8° voedselschenkingen en andere herverdeling voor menselijke consumptie aanmoedigen, waarbij het menselijke gebruik voorrang heeft op diervoeding en op de herverwerking tot producten die niet voor de voeding bestemd zijn; 9° de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten bevorderen, onverminderd de geharmoniseerde wettelijke vereisten voor die materialen en producten; 10° de productie verminderen van afvalstoffen die niet geschikt zijn voor de voorbereiding voor hergebruik of recycling; 11° vaststellen welke producten de belangrijkste bronnen van zwerfafval vormen, namelijk in het natuurlijke en mariene milieu, en zwerfafval van die producten voorkomen en verminderen; 12° de productie van zwerfvuil in zee voorkomen; 13° voorlichtingscampagnes ontwikkelen en ondersteunen om de bewustwording over afvalpreventie en zwerfafval te bevorderen. Een preventieprogramma omschrijft verder, indien relevant, het nut en de bijdrage aan de afvalpreventie van de hierna genoemde niet-limitatieve lijst van instrumenten en maatregelen, zoals: 1° planningsmaatregelen invoeren of andere economische instrumenten toepassen die een efficiënt gebruik van grondstoffen bevorderen; 2° onderzoek en ontwikkeling bevorderen met het oog op schonere technologieën en producten die minder verspilling veroorzaken, en de resultaten van onderzoek en ontwikkeling op dat gebied verspreiden en toepassen; 3° relevante en doeltreffende indicatoren ontwikkelen voor de milieudruk als gevolg van de productie van afvalstoffen. Die indicatoren helpen bij de preventie van afvalproductie op alle niveaus, van productvergelijkingen op communautair niveau tot acties die plaatselijke instanties ondernemen; 4° ecologische ontwerpen en de systematische integratie van milieuaspecten in het ontwerp van een product bevorderen om de milieuprestaties van het product gedurende de hele levenscyclus ervan te verbeteren; 5° informatie over afvalpreventietechnieken verstrekken om de toepassing van de beste beschikbare technieken door het bedrijfsleven te vergemakkelijken; 6° het personeel van de bevoegde instanties opleiden om afvalpreventie-eisen in vergunningen op te nemen; 7° afvalpreventiemaatregelen in installaties opnemen; 8° bewustmakingscampagnes voeren of financiële, besluitvormings- of andere steun aan bedrijven verlenen; 9° vrijwillige overeenkomsten, consumenten- of producentenpanels of sectoraal overleg gebruiken om ervoor te zorgen dat de betrokken bedrijven of industriële sectoren eigen afvalpreventieplannen of -doelstellingen vaststellen of maatregelen nemen om verspilling die door producten of verpakkingen veroorzaakt is, een halt toe te roepen; 10° geloofwaardige milieumanagementsystemen bevorderen, bijvoorbeeld EMAS en ISO 14001; 11° economische instrumenten inzetten, zoals de beloning van “schoon” aankoopgedrag of de instelling van een door de consument verplicht te betalen vergoeding voor een verpakkingsartikel of -element dat anders gratis ter beschikking zou worden gesteld; 12° bewustmakingscampagnes voeren en informatie verstrekken voor het brede publiek of specifieke categorieën van consumenten; 13° geloofwaardige milieukeurmerken bevorderen; 14° overeenkomsten met het bedrijfsleven of met de distributie sluiten over de beschikbaarheid van afvalpreventie informatie en van producten met een minder groot milieueffect; 15° in het kader van aankopen door publieke organisaties en bedrijven: milieu-, recyclage- en afvalpreventiecriteria integreren in aanbestedingen en contracten; 16° hergebruik of herstelling bevorderen van afgedankte producten of componenten ervan die daarvoor in aanmerking komen, namelijk via educatieve, economische, logistieke of andere maatregelen, zoals het ondersteunen of opzetten van erkende herstellings- en kringloopcentra en -netwerken, in het bijzonder in dichtbevolkte gebieden; 17° de vervanging van producten bevorderen door alternatieven die een aantoonbare lagere ecologische voetafdruk hebben. De Vlaamse Regering stelt een specifiek programma vast voor de preventie van levensmiddelenafval en bepaalt wie dit coördineert, opvolgt en welke overheidsinstanties daar buiten de OVAM bij worden betrokken.”. Art. 10. In artikel 18, §6, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt 2° en 3° worden vervangen door wat volgt: “2° bestaande grote verwijderingsinstallaties en installaties voor nuttige toepassing inclusief speciale regelingen voor afgewerkte olie, gevaarlijke afvalstoffen, afvalstoffen die aanzienlijke hoeveelheden kritieke grondstoffen bevatten, of afvalstromen waarvoor specifieke Uniewetgeving bestaat; 3° een beoordeling van de noodzaak om bestaande afvalinstallaties te sluiten, van de behoefte aan extra afvalinstallatie-infrastructuur conform paragraaf 2, en van de investeringen en andere financiële middelen die nodig zijn, namelijk voor de lokale autoriteiten, om te voorzien in die behoeften. Die beoordeling wordt opgenomen in de relevante uitvoeringsplannen of andere strategische documenten die gelden;”; 30916 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD 2° er worden een punt 3°/1 en een punt 3°/2 ingevoegd, die luiden als volgt: “3°/1 informatie over de maatregelen om de hoeveelheid afvalstoffen te beperken die naar stortplaatsen gaan; 3°/2 een beoordeling van: a) de bestaande regelingen voor afvalinzameling, inclusief voor de materialen en gebieden die door gescheiden inzameling worden bestreken, en van de maatregelen om de werking ervan te verbeteren; b) de behoefte aan nieuwe inzamelingsregelingen;”; 3° punt 6° wordt vervangen door wat volgt: “6° passende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en doelstellingen, met name voor: a) de hoeveelheid geproduceerd afval en de verwerking ervan; b) stedelijk afval dat wordt verwijderd of energieterugwinning ondergaat;”; 4° er worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt: “7° maatregelen ter bestrijding en voorkoming van alle vormen van zwerfafvalproductie en voor het opruimen van alle soorten zwerfafval; 8° maatregelen en doelstellingen voor preventie, hergebruik, recyclage en ander beheer van stedelijk afval, waaronder verpakkingsafval, en zwerfvuil.”. Art. 11. In artikel 21 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 4° vervangen door wat volgt: “4° conform artikel 10 de financiële verantwoordelijkheid toewijzen voor het beheer van de afvalstoffen die voortkomen uit producten die ze op de markt gebracht hebben;”; 2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: “Als de maatregelen, vermeld in het eerste lid, bestaan uit het opzetten van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zijn de vereisten, vermeld in artikel 21/1, van toepassing. De Vlaamse Regering kan besluiten dat producenten die uit eigen beweging financiële of financiële en organisatorische verantwoordelijkheden voor het beheer van de afvalfase in de levenscyclus van een product op zich nemen, sommige of alle vereisten, vermeld in artikel 21/1, moeten toepassen.”; 3° in paragraaf 1 wordt in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, de zin “Dergelijke maatregelen kunnen onder meer aanmoedigen tot het ontwikkelen, vervaardigen en in de handel brengen van producten die geschikt zijn voor meervoudig gebruik, die technisch duurzaam zijn en die, zodra ze afval zijn geworden, geschikt zijn voor een passende en veilige recyclage, voor andere nuttige toepassing en voor milieuverantwoorde verwijdering.” vervangen door de zin “Dergelijke maatregelen kunnen onder meer het ontwikkelen, vervaardigen en in de handel brengen aanmoedigen van producten en componenten van producten die: a) geschikt zijn voor meervoudig gebruik; b) gerecycleerde materialen bevatten; c) technisch duurzaam en gemakkelijk te repareren zijn, zowel naar praktische mogelijkheden als naar betaalbaarheid ten opzichte van de aanschaf van een nieuw toestel; d) zodra ze afval zijn geworden, geschikt zijn voor de voorbereiding voor hergebruik en functionele hoogwaardige recycling om een juiste toepassing van de afvalstoffenhiërarchie mogelijk te maken.”; 4° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “Bij de maatregelen, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de effecten van producten gedurende hun volledige levenscyclus, met de afvalhiërarchie en, in voorkomend geval, met het potentieel voor meervoudige recyclage, andere nuttige toepassingen en milieuverantwoorde verwijdering.”; 5° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt: “§2/1. Als bepaalde producten of afvalstoffen een relevant aandeel van de zwerfvuilkosten en van de milieudruk ten gevolge van zwerfvuil veroorzaken, worden die kosten gedragen door de producenten. De Vlaamse Regering wijst de producten of afvalstoffen aan die een relevant aandeel van de totale zwerfvuilkosten en milieudruk uitmaken en kan nadere regels vaststellen om hun aandeel in de zwerfvuilkosten te bepalen. De zwerfvuilkosten omvatten de kosten voor: 1° bewustmakingsmaatregelen; 2° het inzamelen van afval van die producten, dat in openbare inzamelsystemen wordt afgedankt, inclusief de kosten voor de infrastructuur en de exploitatie ervan en voor het daaropvolgende vervoer en de verwerking van dat afval; 3° het opruimen van het zwerfafval van de voormelde producten, en voor het daaropvolgende vervoer en de verwerking van dat zwerfafval; 4° het verzamelen en rapporteren van gegevens over de hoeveelheden die op de markt gebracht zijn; 5° andere algemene kosten van het beleid tegen zwerfvuil. De te dekken zwerfvuilkosten bedragen niet meer dan de kosten die noodzakelijk zijn om de diensten, vermeld in het eerste lid, op een kostenefficiënte manier aan te bieden, en kunnen door de Vlaamse Regering voor de betrokken actoren op transparante wijze worden vastgelegd. De kosten voor het opruimen, vervoeren en verwerken van zwerfafval blijven beperkt tot kosten voor werkzaamheden door of namens overheidsinstanties. De berekeningsme thode wordt zodanig ontwikkeld dat de kosten voor het opruimen, vervoeren en verwerken van zwerfafval proportioneel kunnen worden vastgesteld. Om de administratieve kosten zo laag mogelijk te houden, kan de Vlaamse Regering voor het opruimen, vervoeren en verwerken van zwerfafval een financiële bijdrage bepalen door passende meerjarige vaste bedragen vast te stellen.”. 30917MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 12. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2019, wordt een artikel 21/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “Art. 21/1. §1. Als de Vlaamse Regering conform artikel 21, §1, eerste lid, regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vaststelt, zorgt ze ervoor dat: 1° een duidelijke omschrijving wordt gegeven van de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren, waaronder: a) de producenten die producten op het grondgebied op de markt brengen; b) de organisaties die namens hen verplichtingen op grond van de uitgebreide producentenverantwoordelijk heid nakomen; c) de private of publieke inzamelaars en afvalverwerkers; d) de lokale besturen; e) de exploitanten van installaties voor hergebruik en voorbereiding voor hergebruik en de ondernemingen van de sociale economie, als dat van toepassing is; 2° doelstellingen voor afvalbeheer worden vastgesteld, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, om ten minste de kwantitatieve doelstellingen te behalen die relevant zijn voor de regeling voor uitgebreide producentenverantwoor delijkheid en andere kwantitatieve en/of kwalitatieve doelstellingen die relevant worden geacht voor de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; 3° een rapportagesysteem wordt opgezet om gegevens te verzamelen over: a) de producten die producenten op het grondgebied op de markt brengen; b) de inzameling en verwerking van afval dat afkomstig is van die producten, met vermelding van de materiaalstromen als dat van toepassing is; c) andere gegevens dan de gegevens, vermeld in punt a) en b), die relevant zijn voor de toepassing van punt 2°; 4° een gelijke behandeling en non-discriminatie van producenten worden gewaarborgd, ongeacht hun oorsprong of grootte, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen en producenten van kleine hoeveelheden producten; 5° de nodige maatregelen worden genomen om de houders van afvalstoffen te informeren over afvalpreventie, hergebruik en voorbereiding voor hergebruik, terugname- en inzamelingssystemen en het voorkomen van zwerfvuil; 6° de nodige maatregelen worden genomen om de houders van afvalstoffen aan te sporen om hun afval af te leveren bij de bestaande systemen voor gescheiden inzameling. §2. Als de Vlaamse Regering conform artikel 21, §1, eerste lid, regelingen voor uitgebreide producentenverant woordelijkheid vaststelt, neemt ze de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de financiële bijdragen die de producent betaalt om zijn verplichtingen voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen, aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze dekken minstens de volgende kosten voor de producten die de producent op de markt brengt: a) de kosten van de gescheiden inzameling van afval en vervolgens het vervoer en de verwerking ervan, met inbegrip van de verwerking die nodig is om te voldoen aan de doelstellingen, rekening houdend met de inkomsten uit het gebruik en de verkoop van secundaire grondstoffen van hun producten en niet-opgeëist statiegeld; b) de kosten van het verstrekken van passende informatie aan afvalstoffenhouders conform paragraaf 1, 5°; c) de kosten van het verzamelen en rapporteren van gegevens conform paragraaf 1, 3°; 2° in geval van collectieve uitvoering van de verplichtingen voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn ze, als dat mogelijk is, gedifferentieerd voor afzonderlijke producten of groepen van soortgelijke producten. Daarbij wordt uitgegaan van de gehele levenscyclus, in afstemming met de geldende Europese vereisten en, als die beschikbaar zijn, op basis van geharmoniseerde Europese criteria. Voor de differentiatie kan rekening worden gehouden met: a) duurzaamheid; b) repareerbaarheid; c) herbruikbaarheid en recycleerbaarheid; d) de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen; 3° ze bedragen niet meer dan de kosten die nodig zijn om de afvalbeheersdiensten op kostenefficiënte wijze te verrichten. Die kosten worden op transparante wijze vastgesteld tussen de betrokken actoren. De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die zijn vastgesteld voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afgedankte voertuigen of afgedankte batterijen en accu’s. Als dat wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om een adequaat afvalbeheer en de economische levensvat baarheid van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te waarborgen, kan er afgeweken worden van de verdeling van financiële verantwoordelijkheid, vermeld in het eerste lid, 1°, a). Die afwijking kan alleen op voorwaarde dat de producenten ten minste 80% van de noodzakelijke kosten dragen en mits de overige kosten worden gedragen door de afvalstoffenproducent of de distributeur van het product waaruit het afval is voortgekomen.”. Art. 13. Aan artikel 25, §2, van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “Het eerste lid is niet van toepassing als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° de aard, samenstelling en hoeveelheid van het bedrijfsafval van de afvalstoffenproducent zijn vergelijkbaar met de aard, samenstelling en hoeveelheid van huishoudelijke afvalstoffen. De Vlaamse Regering kan hiertoe nadere regels bepalen; 2° het bedrijfsafval van de afvalstoffenproducent wordt samen met huishoudelijk afval in één ronde ingezameld.”. Art. 14. Aan artikel 30, §5, van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “Als conform het eerste lid geen scheiding vereist is, wordt het gemengd afval verwerkt in een faciliteit die beschikt over een vergunning om dat mengsel te verwerken conform artikel 11.”. 30918 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 15. In artikel 33/6, vierde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt tussen de woorden “Voor de andere” en de woorden “constructies met risicobouwjaar” het woord “publieke” ingevoegd. Art. 16. In artikel 33/9, paragraaf 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord “geldig” opgeheven; 2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: “Bij wooneenheden mag een asbestinventaris als vermeld in artikel 33/10, §1, en een asbestinventarisattest maar betrekking hebben op één wooneenheid.”; 3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt het woord “geldig” opgeheven; 4° aan het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de volgende zin toegevoegd: “Voor de toegankelijke constructies met risicobouwjaar die niet vallen onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, of onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, kan de Vlaamse Regering de regels bepalen voor de opmaak van een asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen.”; 5° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de volgende zinnen toegevoegd: “De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het opstellen van een asbestinventaris per wooneenheid, vermeld in het tweede lid, en het opmaken van een afzonderlijke asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen als voor de privatieve delen, vermeld in het derde lid, verder uitwerken. De Vlaamse Regering kan richtlijnen bepalen voor gebouwen en gebouweenheden bij de opmaak van een asbestinventaris.”. Art. 17. In artikel 33/10 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin “Het inspectieprotocol asbestinventarisatie kan bepalen welke constructies met risicobouwjaar bijkomend deel moeten uitmaken van de asbestinventaris en kan bepaalde constructies met risicobouwjaar of bepaalde materialen uitsluiten van de asbestinventaris.” vervangen door de zin “Het inspectieprotocol asbestinventarisatie kan bepalen welke constructies met risicobouwjaar bijkomend deel moeten uitmaken van de asbestinventaris, kan bepaalde constructies met risicobouwjaar of bepaalde materialen uitsluiten van de asbestinventaris en kan de modaliteiten bepalen voor het opmaken van een asbestinventaris per gebouw, gebouweenheid, wooneenheid en gemeenschappelijk deel.”; 2° in paragraaf 3 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: “De eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar stelt zijn eigendom open en toegankelijk opdat de asbestdeskundige inventarisatie veilig een volledige asbestinventaris kan opmaken. Dit recht van toegang moet uitgeoefend worden op een redelijke en proportionele wijze. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.”; 3° in paragraaf 4, eerste lid, wordt de zin “De asbestdeskundige inventarisatie bewaart deze persoonsgegevens maximaal tot een geldig asbestinventarisattest afgeleverd werd, overeenkomstig artikel 33/11.” vervangen door de zin “De asbestdeskundige inventarisatie bewaart de persoonlijke contactgegevens en het rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid uiterlijk tot een geldig asbestinventarisatieattest is afgeleverd conform artikel 33/11.”; 4° in paragraaf 4, vierde lid, worden de woorden “De persoonsgegevens opgenomen in de databank” vervangen door de zinsnede “De persoonlijke contactgegevens en het rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid die in de databank zijn opgenomen,”. Art. 18. In artikel 33/14 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd: “Voor de toegankelijke constructies met risicobouwjaar die niet vallen onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, of onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, kan de Vlaamse Regering de regels bepalen voor de opmaak van een asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen.”; 2° aan paragraaf 4 wordt de volgende zin toegevoegd: “Het asbestinventarisattest kan maar betrekking hebben op één wooneenheid.”. Art. 19. In artikel 33/16 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het derde lid wordt tussen de woorden “legt ook de” en de woorden “kwaliteitseisen vast” de woorden “taken en” ingevoegd; 2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “Voor de certificering van een asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in het eerste en het tweede lid, en de erkenning van een certificatie-instelling als vermeld in het derde lid, kan een certificatiereglement opgesteld worden. De Vlaamse Regering kan bepalen hoe dit certificatiereglement wordt vastgesteld en kan de inhoud ervan bepalen.”. Art. 20. Artikel 36 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: “Art. 36. Afvalstoffen worden niet langer als afvalstoffen beschouwd als ze een behandeling voor recyclage of andere nuttige toepassing hebben ondergaan en ze voldoen aan al de volgende voorwaarden: 1° de stof of het voorwerp is bestemd om te worden gebruikt voor specifieke doelen; 2° er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp; 3° de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen, vermeld in punt 1°, en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; 4° het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.”. 30919MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 21. In artikel 39 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt: “§2. Als er voor een specifiek materiaal geen Europese criteria zijn vastgelegd, kan de Vlaamse Regering specifieke criteria uitwerken die moeten garanderen dat de voorwaarden, vermeld in artikel 36 en 37, zijn vervuld. De criteria, vermeld in het eerste lid, waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid en bevorderen een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Ze hebben betrekking op: 1° het afvalmateriaal dat als input voor de handeling voor nuttige toepassing mag worden gebruikt; 2° de toegelaten verwerkingsprocessen en -technieken; 3° de kwaliteitscriteria voor materialen die het resultaat zijn van de handeling voor nuttige toepassing overeenkomstig de toepasselijke productnormen, waaronder, als dat nodig is, grenswaarden voor verontreinigende stoffen; 4° de vereisten waaraan beheerssystemen moeten voldoen om aan te tonen dat de criteria zijn nageleefd, met inbegrip van kwaliteitscontrole en interne controle en, in voorkomend geval, accreditatie; 5° de vereiste inzake conformiteitsverklaring. Bij de evaluatie van de over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu en de menselijke gezondheid, vermeld in artikel 36, 4°, en artikel 37, 4°, wordt rekening gehouden met de doelstellingen, vermeld in artikel 4, §3.”. Art. 22. Aan artikel 40 van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden een paragraaf 2 en een paragraaf 3 toegevoegd, die luiden als volgt: “§2. Voor materialen waarvoor geen specifieke criteria bestaan en die niet bestemd zijn om te worden ingezet als brandstof, kan de houder een zelfbeoordeling uitvoeren op basis van de voorwaarden, vermeld in artikel 36 of 37. De Vlaamse Regering kan regels uitwerken waarmee de houder kan verifiëren of een bepaald materiaal niet of niet meer als een afvalstof moet worden beschouwd. §3. Een natuurlijke of rechtspersoon die voor de eerste keer een materiaal gebruikt dat niet langer een afvalstof is en niet in de handel is gebracht, of een materiaal voor het eerst sinds het niet langer een afvalstof is, in de handel brengt, ziet erop toe dat het materiaal voldoet aan de vereisten in kwestie, vermeld in de wetgeving over de chemische stoffen en producten. Aan de voorwaarden, vermeld in artikel 36 of 37, is voldaan voordat de wetgeving over de chemische stoffen en producten van toepassing is op het materiaal dat niet of niet meer als een afvalstof moet worden beschouwd.”. Art. 23. In artikel 41, eerste lid, van hetzelfde decreet, wordt de zinsnede “van scheepsafval van de zeevaart, met inbegrip van de behandeling en verwerking van het scheepsafval,” vervangen door de zinsnede “van afval van schepen van de zeevaart, met inbegrip van de ontvangst en verwerking van dat afval en met uitzondering van passief opgevist afval,”. Art. 24. In artikel 66, §1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt: “De Vlaamse Regering kan de opname in het register, vermeld in artikel 13, afhankelijk stellen van een retributie die de kosten dekt van al de volgende elementen: 1° de administratieve behandeling van de aanvraag; 2° het beheer van het register; 3° de uitoefening van het toezicht op de voorwaarden die aan de registratie gekoppeld zijn.”. HOOFDSTUK 4. — Slotbepalingen Art. 25. Artikel 16 treedt in werking op dezelfde datum als artikel 33/9, §1, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Art. 26. Artikel 17 treedt in werking op dezelfde datum als artikel 33/10 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Art. 27. Artikel 18 treedt in werking op dezelfde datum als artikel 33/14 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Art. 28. Artikel 19 treedt in werking op dezelfde datum als artikel 33/16 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Brussel, 26 februari 2021. De minister-president van de Vlaamse Regering, J. JAMBON De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, Z. DEMIR Nota (1) Zitting 2020-2021 Documenten: – Ontwerp van decreet : 612 – Nr. 1 – Verslag : 612 – Nr. 2 – Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 612 – Nr. 3 Handelingen - Bespreking en aanneming: Vergadering van 24 februari 2021. 30920 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [C − 2021/20625] 26 FEVRIER 2021. — Décret modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement et le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets (1) Le PARLEMENT FLAMAND a adopté et Nous, GOUVERNEMENT, sanctionnons ce qui suit : Décret modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement et le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets CHAPITRE 1er. — Dispositions générales Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale. CHAPITRE 2. — Modification du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement Art. 2. L’article 10.3.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement, inséré par le décret du 7 mai 2004 et modifié en dernier lieu par le décret du 26 avril 2019, est complété par des points 20°, 21° et 22°, rédigés comme suit : « 20° l’exécution des tâches dans le cadre des déchets particuliers, visés aux articles 22 et 32 du Décret sur les Matériaux ; 21° l’exécution des tâches dans le cadre du contrôle, du maintien et des mesures de sécurité tels que visés au titre XVI ; 22° la désignation d’une organisation pour reprendre les tâches de l’organisme de certification amiante, visé à l’article 33/16 du Décret sur les Matériaux. ». CHAPITRE 3. — Modifications du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets Art. 3. L’article 2 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets est remplacé par ce qui suit : « Art. 2. Le présent décret transpose partiellement : 1° la directive (EU) 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative aux déchets et abrogeant certaines directives ; 2° la directive (UE) 2018/851 du Parlement européen et du Conseil du 30 mai 2018 modifiant la directive 2008/98/CE relative aux déchets ; 3° la directive (UE) 2019/883 du Parlement européen et du Conseil du 17 avril 2019 relative aux installations de réception portuaires pour le dépôt des déchets des navires, modifiant la directive 2010/65/UE et abrogeant la directive 2000/59/CE ; 4° la directive (UE) 2019/904 du Parlement européen et du Conseil du 5 juin 2019 relative à la réduction de l’incidence de certains produits en plastique sur l’environnement. ». Art. 4. À l’article 3 du même décret, modifié par les décrets des 25 avril 2014, 30 juin 2017 et 29 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées : 1° le paragraphe 1er, point 1°, est complété par un point g), rédigé comme suit : « g) les substances destinées à une utilisation comme matières premières pour aliments des animaux, telles que visées à l’article 3, paragraphe 2, g), du règlement (UE) n° 767/2009 du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 concernant la mise sur le marché et l’utilisation des aliments pour animaux, modifiant le règlement (CE) no 1831/2003 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 79/373/CEE du Conseil, la directive 80/511/CEE de la Commission, les directives 82/471/CEE, 83/228/CEE, 93/74/CEE, 93/113/CE et 96/25/CE du Conseil, ainsi que la décision 2004/217/CE de la Commission, et qui ne contiennent pas ou ne sont pas composées de sous-produits animaux ; » ; 2° dans le paragraphe 1er, 7°, le membre de phrase « la valorisation et l’élimination de déchets, » est remplacé par le membre de phrase « la valorisation, y compris le tri, et l’élimination de déchets, » ; 3° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 9°/1, rédigé comme suit : « 9°/1 biodéchets : les déchets biodégradables de jardins et de parcs, les déchets alimentaires et les déchets de cuisine provenant des ménages, des bureaux, des restaurants et autres services alimentaires, des commerces en gros, des cantines, des facilités de restauration et des magasins, ainsi que les déchets comparables de l’industrie alimentaire ; » ; 4° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 19°/1, rédigé comme suit : « 19°/1 déchets alimentaires : toutes les denrées alimentaires telles que visées à l’article 2 du règlement (CE) n° 178/2002 du Parlement européen et du Conseil du 28 janvier 2002 établissant les principes généraux et les prescriptions générales de la législation alimentaire, instituant l’Autorité européenne de la sécurité des aliments et fixant des procédures relatives à la sécurité des denrées alimentaires, qui sont devenues des déchets ; » ; 5° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 22°/1, rédigé comme suit : « 22°/1 déchet non dangereux : un déchet qui n’est pas de déchet dangereux ; » ; 6° dans le paragraphe 1er, 24°, c), les mots « dans des substances et objets » sont remplacés par les mots « dans des matériaux » ; 7° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 25°/1, rédigé comme suit : « 25°/1 régime de responsabilité élargie des producteurs : un ensemble de mesures que le Gouvernement flamand arrête conformément à l’article 21, afin de garantir que les producteurs de produits assument la responsabilité financière ou financière et organisationnelle de la gestion de la phase des déchets du cycle de vie d’un produit ; » ; 30921MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD 8° dans le paragraphe 1er, il est inséré un point 25°/2, rédigé comme suit : « 25°/2 déchets municipaux : les déchets en mélange et les déchets collectés séparément provenant des ménages, y compris le papier et le carton, le verre, le métal, le plastique, les biodéchets, le bois, les textiles, les emballages, les équipements électriques et électroniques mis au rebut, les piles et accumulateurs usagés, les déchets encombrants, y compris les matelas et les meubles, et les déchets en mélange et les déchets collectés séparément provenant de sources autres que celles mentionnées ci-dessus, si la nature et la composition de ces déchets sont similaires à la nature et à la composition des déchets provenant des ménages. Les déchets municipaux ne comprennent pas les déchets provenant de la production, de l’agriculture, de la sylviculture, de la pêche, des fosses septiques et du réseau d’égout et d’épuration, y compris les boues d’épuration, les véhicules hors d’usage ou les déchets de construction et de démolition ; » ; 9° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit : « La définition, visée à l’alinéa 1er, 25°/2, ne porte pas préjudice à l’attribution de responsabilités en matière de gestion des déchets à des acteurs publics ou privés. » ; 10° dans le paragraphe 2, il est inséré un point 4°/1, rédigé comme suit : « 4°/1 unité de bâtiment : une unité fonctionnellement indépendante au sein d’un bâtiment ; » ; 11° le paragraphe 2 est complété par un point 11°, rédigé comme suit : « 11° unité de logement : une unité de bâtiment d’habitation disposant des équipements de logement nécessaires pour pouvoir fonctionner de manière autonome. ». Art. 5. À l’article 4, § 2, du même décret, les modifications suivantes sont apportées : 1° la phrase introductive est remplacée par ce qui suit : « L’objectif du présent décret est d’arrêter des mesures pour promouvoir une économie circulaire et pour réaliser des cycles de matériaux par lesquels : » ; 2° le point 1 ° est remplacé par ce qui suit : « 1° la santé de l’homme et de l’environnement sont protégées en prévenant ou en réduisant la production de déchets et les incidences négatives de la production et de la gestion des déchets ; ». Art. 6. Dans l’article 6, § 1er, alinéa 1er, du même décret, modifié par les décrets des 1er mars 2013 et 26 avril 2019, le membre de phrase « , la quantité de matériaux obtenus lors de la préparation en vue d’une réutilisation, d’un recyclage ou d’une autre opération d’application utile » est inséré entre le membre de phrase « la quantité entrée et sortie, la nature, l’origine » et le membre de phrase « et, si applicable, ». Art. 7. L’article 9 du même décret, modifié par le décret du 26 avril 2019, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit : « § 3. Le collecteur de déchets propose au producteur de déchets une formule de collecte qui incite le producteur de déchets à offrir les déchets de manière à ce que les objectifs visés à l’article 4, § 2, et la hiérarchie visée à l’article 4, § 3, 1°, puissent être maximisés lors du traitement des déchets. La formule de collecte, qui vise la collecte sélective, fait référence à la manière dont les déchets sont collectés, comme les conteneurs utilisés, la fréquence de collecte, les tarifs et la formule de tarification. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités à cet effet. ». Art. 8. L’article 10 du même décret est remplacé par ce qui suit : « Art. 10. Sans préjudice de l’article 21 et conformément au principe du pollueur-payeur, les coûts de la gestion des déchets, y compris ceux relatifs aux infrastructures nécessaires et à leur exploitation, sont supportés par le producteur initial de déchets, par les détenteurs actuels ou précédents de déchets, par le producteur du produit dont proviennent les déchets, ou par les distributeurs ou importateurs d’un produit pareil. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités à cet effet. ». Art. 9. Dans l’article 17 du même décret, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit : « § 2. Les programmes de prévention comportent, le cas échéant, au minimum des mesures ayant les objectifs suivants : 1° promouvoir et soutenir des modèles de production et de consommation durables ; 2° encourager la conception, la fabrication et l’utilisation de produits qui satisfont à une ou plusieurs des conditions suivantes : a) ils sont efficaces en termes de ressources ; b) ils sont durables, y compris en termes de durée de vie. Il n’y a donc pas d’obsolescence programmée ; c) ils sont réparables, tant au niveau de possibilités pratiques que d’abordabilité par rapport à l’achat d’un nouvel appareil ; d) ils sont réutilisables ; e) ils peuvent être revalorisés ; 3° identifier les produits contenant des matières premières critiques afin d’éviter que ces matières ne deviennent des déchets ; 4° réutiliser des produits et introduire des systèmes qui encouragent les activités de réparation et de réutilisation, notamment pour les équipements électriques et électroniques, les textiles et les meubles, les emballages, les matériaux et produits de construction ; 5° le cas échéant et sans préjudice de l’application des droits de propriété intellectuelle, encourager la disponibilité de pièces individuelles, de manuels, d’informations techniques ou d’autres outils, équipements ou logiciels permettant la réparation et la réutilisation des produits, sans préjudice de leur qualité et de leur sécurité ; 30922 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD 6° réduire la production de déchets dans les processus liés à la production industrielle, à l’extraction des minéraux, à l’industrie transformatrice et aux travaux de construction et de démolition, en tenant compte des meilleures techniques disponibles ; 7° réduire la production de déchets alimentaires dans la production primaire, la transformation et l’industrie, dans le commerce de détail et les autres formes de distribution alimentaire, dans les restaurants, la restauration et les ménages ; 8° encourager les dons de denrées alimentaires et autres redistributions pour la consommation humaine, l’utilisation humaine primant sur l’alimentation animale et la retransformation en produits non destinés à l’alimentation ; 9° promouvoir la réduction de la teneur en substances dangereuses des matériaux et produits, sans préjudice des exigences légales harmonisées pour ces matériaux et produits ; 10° réduire la production de déchets qui ne se prêtent pas à une préparation en vue de leur réutilisation ou de leur recyclage ; 11° déterminer quels produits sont les principales sources de déchets sauvages, notamment dans l’environnement naturel et marin, et prévenir et réduire les déchets sauvages provenant de ces produits ; 12° prévenir la production de déchets sauvages marins ; 13° développer et soutenir des campagnes d’information pour sensibiliser à la prévention des déchets et aux déchets sauvages. Un programme de prévention décrit en outre, le cas échéant, l’utilité et la contribution à la prévention des déchets de la liste non exhaustive d’instruments et de mesures énumérés ci-dessous, tels que : 1° introduire des mesures de planification ou appliquer d’autres instruments économiques qui favorisent l’utilisation efficace des matières premières ; 2° promouvoir la recherche et le développement de technologies plus propres et de produits qui impliquent moins de gaspillage, et diffuser et appliquer les résultats de la recherche et du développement dans ce domaine ; 3° développer des indicateurs pertinents et efficaces pour la pression environnementale résultant de la production de déchets. Ces indicateurs contribuent à prévenir la production de déchets à tous les niveaux, allant des comparaisons de produits au niveau communautaire aux mesures prises par les autorités locales ; 4° promouvoir l’écoconception et l’intégration systématique des aspects environnementaux dans la conception des produits dans le but d’améliorer la performance environnementale du produit tout au long de son cycle de vie ; 5° fournir des informations sur les techniques de prévention des déchets afin de faciliter l’application des meilleures techniques disponibles par les entreprises ; 6° former le personnel des instances compétentes pour inclure les exigences de prévention des déchets dans les permis ; 7° inclure des mesures de prévention des déchets dans les installations ; 8° mener des campagnes de sensibilisation ou apporter un soutien financier, décisionnel ou autre aux entreprises ; 9° utiliser des accords volontaires, des panels de consommateurs ou de producteurs ou des consultations sectorielles pour faire en sorte que les entreprises ou les secteurs industriels concernés adoptent leurs propres plans ou objectifs de prévention des déchets ou prennent des mesures pour mettre fin au gaspillage causé par des produits ou des emballages ; 10° promouvoir des systèmes de gestion environnementale crédibles, par exemple EMAS et ISO 14001 ; 11° utiliser des instruments économiques, tels que la récompense d’un comportement d’achat « propre » ou l’introduction d’une redevance payable par le consommateur pour un article ou un élément d’emballage qui serait autrement fourni gratuitement ; 12° mener des campagnes de sensibilisation et fournir des informations au grand public ou à des catégories spécifiques de consommateurs ; 13° promouvoir des éco-labels crédibles ; 14° conclure des accords avec les entreprises ou avec la distribution sur la mise à disposition d’informations sur la prévention des déchets et de produits ayant un impact environnemental réduit ; 15° dans le cadre des achats par des organisations et entreprises publiques : intégrer des critères d’environnement, de recyclage et de prévention des déchets dans les adjudications et les contrats ; 16° promouvoir la réutilisation ou la réparation des produits mis au rebut ou de leurs composants éligibles, notamment par des mesures éducatives, économiques, logistiques ou autres, telles que le soutien ou la création de centres et de réseaux de réparation et de récupération agréés, en particulier dans les zones densement peuplées ; 17° promouvoir le remplacement des produits par des alternatives dont l’empreinte écologique est manifestement plus faible. Le Gouvernement flamand adopte un programme spécifique pour la prévention de déchets alimentaires et détermine qui en assure la coordination et le suivi et quels organismes publics, autres que l’OVAM, y sont associés. ». Art. 10. À l’article 18, § 6, du même décret, les modifications suivantes sont apportées : 1° les points 2° et 3° sont remplacés par ce qui suit : « 2° les grandes installations d’élimination et installations pour l’application utile, y compris les règlements spéciaux pour les huiles usagées, les déchets dangereux, les déchets contenant des quantités considérables de matières premières critiques, ou les flux de déchets pour lesquels il existe une législation spécifique de l’Union ; 3° une évaluation de la nécessité de fermeture d’installations de déchets existantes, de la nécessité de mettre en place des infrastructures supplémentaires d’installation de gestion des déchets conformément au paragraphe 2, et des investissements et autres moyens financiers nécessaires, notamment pour les autorités locales, pour répondre à ces besoins. Cette évaluation est incluse dans les plans de mise en œuvre ou autres documents stratégiques pertinents qui s’appliquent ; » ; 30923MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD 2° il est ajouté les points 3°/1 et 3°/2, rédigés comme suit : « 3°/1 des informations sur les mesures prises pour réduire la quantité de déchets mis en décharge ; 3°/2 une évaluation : a) des systèmes de collecte des déchets existants, y compris pour les matériaux et les zones couverts par la collecte sélective, et des mesures visant à améliorer leur fonctionnement ; b) de la nécessité de nouveaux systèmes de collecte ; » ; 3° le point 6° est remplacé par ce qui suit : « 6° les indicateurs et les objectifs qualitatifs et quantitatifs appropriés, en particulier pour : a) la quantité de déchets produits et leur traitement ; b) les déchets municipaux qui sont éliminés ou font l’objet d’une récupération d’énergie ; » ; 4° un point 7° et un point 8° sont ajoutés, rédigés comme suit : « 7° des mesures de lutte et de prévention de toute forme de production de déchets sauvages, et de nettoyage de tous les types de déchets sauvages ; 8° des mesures et des objectifs en matière de prévention, de réutilisation, de recyclage et d’autres formes de gestion des déchets municipaux, y compris les déchets d’emballage et les déchets sauvages. ». Art. 11. À l’article 21 du même décret, les modifications suivantes sont apportées : 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit : « 4° l’attribution de la responsabilité financière pour la gestion des déchets résultant de produits qu’ils ont mis sur le marché, conformément à l’article 10; » ; 2° dans le paragraphe 1er, il est inséré entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit : « Si les mesures visées à l’alinéa 1er consistent à mettre en place des régimes de responsabilité élargie des producteurs, les exigences visées à l’article 21/1 s’appliquent. Le Gouvernement flamand peut décider que les producteurs qui soumettent volontairement des informations financières ou des informations financières et organisationnelles pour la gestion de la phase des déchets dans le cycle de vie d’un produit, doivent appliquer certaines ou toutes les exigences visées à l’article 21/1. » ; 3° dans le paragraphe 1er, dans l’alinéa 3 existant, qui devient l’alinéa 4, la phrase « De telles mesures peuvent encourager à développer, fabriquer et commercialiser des produits qui sont appropriés à l’usage multiple, qui sont techniquement durables et qui, dès qu’ils sont transformés en déchets, sont appropriés à un recyclage adéquat et sûr, pour d’autres applications utiles et pour l’élimination écologique. » est remplacée par la phrase « De telles mesures peuvent encourager, entre autres, le développement, la fabrication et la commercialisation de produits et de composants de produits qui : a) sont appropriés à un usage multiple ; b) contiennent des matériaux recyclés ; c) sont techniquement durables et faciles à réparer, tant au niveau de possibilités pratiques que d’abordabilité par rapport à l’achat d’un nouvel appareil ; d) dès qu’ils sont transformés en déchets, sont appropriés à la préparation en vue d’une réutilisation et d’un recyclage fonctionnel de haute qualité pour permettre une application correcte de la hiérarchie des déchets. » ; 4° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 5, rédigé comme suit : « Les mesures visées à l’alinéa 1er tiennent compte des effets des produits tout au long de leur cycle de vie, de la hiérarchie des déchets et, le cas échéant, des possibilités de recyclage multiple, d’autres applications utiles et de l’élimination écologique. » ; 5° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit : « § 2/1. Lorsque certains produits ou déchets constituent une part pertinente des coûts des déchets sauvages et de la pression environnementale qu’ils causent, ces coûts sont supportés par les producteurs. Le Gouvernement flamand désigne les produits ou déchets qui constituent une part pertinente du coût total des déchets sauvages et de la pression environnementale, et peut arrêter des modalités pour déterminer leur part dans le coût des déchets sauvages. Les coûts des déchets sauvages comprennent les coûts : 1° des mesures de sensibilisation ; 2° de la collecte des déchets issus de ces produits qui sont mis au rebut dans des systèmes de collecte publics, y compris les coûts de l’infrastructure et de l’exploitation de ceux-ci ainsi que du transport et du traitement ultérieurs de ces déchets ; 3° du nettoyage des déchets sauvages provenant des produits précités, ainsi que du transport et du traitement ultérieurs de ces déchets sauvages ; 4° de la collecte et de la communication de données sur les quantités mises sur le marché ; 5° des autres frais généraux de la politique en matière de déchets sauvages. Les coûts des déchets sauvages ne dépassent pas les coûts qui sont nécessaires pour fournir les services visés à l’alinéa 1er de manière rentable, et peuvent être déterminés par le Gouvernement flamand de manière transparente pour les acteurs concernés. Les coûts d’enlèvement, de transport et de traitement des déchets sauvages sont limités aux coûts des travaux effectués par ou pour le compte des autorités publiques. La méthode de calcul est élaborée de manière à ce que les coûts d’enlèvement, de transport et de traitement des déchets sauvages puissent être déterminés proportionnellement. Afin de maintenir les coûts administratifs aussi bas que possible, le Gouvernement flamand peut déterminer une contribution financière pour l’enlèvement, le transport et le traitement des déchets sauvages au moyen de montants fixes pluriannuels appropriés. ». 30924 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 12. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2019, il est inséré un article 21/1, rédigé comme suit : « Art. 21/1. § 1. Si le Gouvernement flamand adopte des régimes de responsabilité élargie des producteurs conformément à l’article 21, § 1er, alinéa 1, il veille à ce que : 1° une description claire soit donnée des tâches et des responsabilités de tous les acteurs concernés, y compris : a) les producteurs qui mettent des produits sur le marché sur le territoire ; b) les organisations qui remplissent en leur nom les obligations de la responsabilité élargie des producteurs ; c) les collecteurs et transformateurs privés ou publics de déchets ; d) les autorités locales ; e) les exploitants d’installations de réutilisation et de préparation à la réutilisation et les entreprises de l’économie sociale, le cas échéant ; 2° des objectifs de gestion des déchets soient fixés, conformément à la hiérarchie des déchets, afin d’atteindre au moins les objectifs quantitatifs pertinents pour le régime de responsabilité élargie des producteurs et d’autres objectifs quantitatifs et/ou qualitatifs jugés pertinents pour le régime de responsabilité élargie des producteurs ; 3° un système de rapport soit mis en place pour collecter des données sur : a) les produits que les producteurs mettent sur le marché sur le territoire ; b) la collecte et le traitement des déchets provenant de ces produits, en précisant les flux de matériaux, le cas échéant ; c) les informations autres que celles énumérées aux points a) et b), qui sont pertinentes pour l’application du point 2° ; 4° l’égalité de traitement et la non-discrimination des producteurs soient garanties, quelle que soit leur origine ou leur taille, y compris les petites et moyennes entreprises et les producteurs de petites quantités de produits ; 5° les mesures nécessaires soient prises pour informer les détenteurs de déchets sur la prévention, la réutilisation et la préparation à la réutilisation des déchets, les systèmes de reprise et de collecte, et la prévention des déchets sauvages ; 6° les mesures nécessaires soient prises pour inciter les détenteurs de déchets à déposer leurs déchets dans les systèmes de collecte sélective existants. § 2. Lorsque le Gouvernement flamand adopte des régimes de responsabilité élargie des producteurs conformément à l’article 21, § 1er, alinéa 1er, il prend les mesures nécessaires pour que les contributions financières versées par le producteur pour remplir ses obligations en matière de responsabilité élargie des producteurs répondent aux conditions suivantes : 1° ils couvrent au moins les coûts suivants pour les produits mis sur le marché par le producteur : a) les coûts de la collecte séparée des déchets et de leur transport et traitement ultérieurs, y compris le traitement nécessaire pour atteindre les objectifs, compte tenu des recettes provenant de l’utilisation et de la vente des matières premières secondaires de leurs produits et des consignes non réclamées ; b) les coûts liés à la fourniture d’informations appropriées aux détenteurs de déchets conformément au paragraphe 1, 5° ; c) les coûts de la collecte et de la communication des données conformément au paragraphe 1, 3° ; 2° en cas de mise en œuvre collective des obligations de responsabilité élargie des producteurs, elles sont, si possible, différenciées pour des produits individuels ou des groupes de produits similaires. Dans ce contexte, l’ensemble du cycle de vie sert de base, conformément aux exigences européennes applicables et, si ceux-ci sont disponibles, sur la base des critères européens harmonisés. Pour la différenciation, on peut prendre en compte : a) la durabilité ; b) la réparabilité ; c) la possibilité de réutilisation et de recyclage ; d) la présence de substances dangereuses ; 3° ils ne dépassent pas les coûts nécessaires pour fournir les services de gestion des déchets d’une manière rentable. Ces coûts sont déterminés de manière transparente entre les acteurs concernés. La condition visée à l’alinéa 1er, 1°, ne s’applique pas aux régimes de responsabilité élargie des producteurs qui sont arrêtés pour les déchets d’équipements électriques et électroniques, les déchets de véhicules ou les déchets de piles et d’accumulateurs. Si la nécessité d’assurer une gestion adéquate des déchets et la viabilité économique du régime de responsabilité élargie des producteurs le justifie, il est possible de déroger à la répartition de la responsabilité financière visée à l’alinéa 1er, 1°, a). Cette dérogation n’est possible qu’à condition que les producteurs prennent en charge au moins 80 % des coûts nécessaires, et que les coûts restants soient pris en charge par le producteur de déchets ou le distributeur du produit dont proviennent les déchets. ». Art. 13. L’article 25, § 2, du même décret, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit : « L’alinéa 1er ne s’applique pas si les conditions cumulatives suivantes sont remplies : 1° la nature, la composition et la quantité des déchets industriels du producteur des déchets sont comparables à la nature, à la composition et à la quantité des déchets ménagers. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités à cet effet ; 2° les déchets industriels du producteur de déchets sont collectés en une seule fois avec les déchets ménagers. ». 30925MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 14. L’article 30, § 5, du même décret, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit : « Si la séparation n’est pas exigée conformément à l’alinéa 1er, les déchets mélangés sont traités dans une installation autorisée à traiter ce mélange conformément à l’article 11. ». Art. 15. Dans l’article 33/6, alinéa 4, du même décret, inséré par le décret du 29 mars 2019, le mot « publiques » est inséré entre les mots « Pour les autres constructions » et les mots « d’année à risque ». Art. 16. À l’article 33/9, paragraphe 1er, du même décret, inséré par le décret du 29 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées : 1° dans l’alinéa 1er, le mot « valide » est abrogé ; 2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit : « Pour les unités de logement, l’inventaire d’amiante tel que visé à l’article 33/10, § 1er, et le certificat d’inventaire d’amiante ne peuvent porter que sur une seule unité de logement. » ; 3° dans l’alinéa 2 existant, qui devient l’alinéa 3, le mot « valide » est abrogé ; 4° l’alinéa 2 existant, qui devient l’alinéa 3, est complété par la phrase suivante : « Pour les constructions accessibles d’année à risque qui ne relèvent pas du régime de copropriété forcée, visé à l’article 577-3 du Code civil, ou de l’application de l’article 577-2 du Code civil, le Gouvernement flamand peut déterminer les règles d’établissement d’un inventaire d’amiante pour les parties communes. » ; 5° l’alinéa 3 existant, qui devient l’alinéa 4, est complété par les phrases suivantes : « Le Gouvernement flamand peut préciser l’obligation d’établir un inventaire d’amiante pour chaque unité de logement, visée à l’alinéa 2, et d’établir un inventaire d’amiante distinct pour les parties communes et pour les parties privatives, visée à l’alinéa 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer des directives pour les bâtiments et les unités de bâtiment lors de l’établissement d’un inventaire d’amiante. ». Art. 17. À l’article 33/10 du même décret, inséré par le décret du 29 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées : 1° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase « Le protocole d’inspection de l’inventaire d’amiante peut déterminer quelles constructions d’années à risque doivent faire partie de l’inventaire d’amiante et peut exclure certains matériaux ou certaines constructions d’années à risque de l’inventaire d’amiante. » est remplacée par la phrase « Le protocole d’inspection de l’inventaire d’amiante peut déterminer quelles constructions d’années à risque doivent faire partie de l’inventaire d’amiante, peut exclure certains matériaux ou certaines constructions d’année à risque de l’inventaire d’amiante, et peut arrêter les modalités d’établissement d’un inventaire d’amiante par bâtiment, unité de bâtiment, unité de logement et partie commune. » ; 2° dans le paragraphe 3, il est inséré entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit : « Le propriétaire d’une construction accessible d’année à risque rend sa propriété ouverte et accessible afin que l’expert en inventaire d’amiante puisse établir en toute sécurité un inventaire complet de l’amiante. Ce droit d’accès doit être exercé de manière raisonnable et proportionnelle. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités à cet effet. » ; 3° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, la phrase « L’expert en inventaire d’amiante conserve ces données à caractère personnel au maximum jusqu’à la délivrance d’un certificat d’inventaire d’amiante valide conformément à l’article 33/11. » est remplacée par la phrase « L’expert en inventaire d’amiante conserve les données de contact personnelles et le numéro de registre national/numéro d’identification de la sécurité sociale au plus tard jusqu’à la délivrance d’un certificat d’inventaire d’amiante valide conformément à l’article 33/11. » ; 4° dans le paragraphe 4, alinéa 4, les mots « Les données à caractère personnel reprises dans la base de données » sont remplacés par le membre de phrase « Les données de contact personnelles et le numéro de registre national/numéro d’identification de la sécurité sociale repris dans la base de données, ». Art. 18. À l’article 33/14 du même décret, inséré par le décret du 29 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées : 1° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante : « Pour les constructions accessibles d’année à risque qui ne relèvent pas du régime de copropriété forcée, visé à l’article 577-3 du Code civil, ou de l’application de l’article 577-2 du Code civil, le Gouvernement flamand peut déterminer les règles d’établissement d’un inventaire d’amiante pour les parties communes. » ; 2° le paragraphe 4 est complété par la phrase suivante : « Le certificat d’inventaire d’amiante ne peut porter que sur une seule unité de logement. ». Art. 19. À l’article 33/16 du même décret, inséré par le décret du 29 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées : 1° dans l’alinéa 3, les mots « tâches et » sont insérés entre les mots « fixe également les » et les mots « exigences de qualité » ; 2° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit : « Pour la certification d’un expert en inventaire d’amiante telle que visée aux alinéas 1er et 2, et l’agrément d’un organisme de certification tel que visé à l’alinéa 3, un règlement de certification peut être établi. Le Gouvernement flamand peut déterminer la manière dont ce règlement de certification est arrêté et peut en déterminer le contenu. ». 30926 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 20. L’article 36 du même décret est remplacé par ce qui suit : « Art. 36. Les déchets ne sont plus considérés comme des déchets lorsqu’ils ont subi un traitement en vue de leur recyclage ou d’une autre application utile et qu’ils remplissent toutes les conditions suivantes : 1° la substance ou l’objet est destiné à être utilisé à des fins spécifiques ; 2° il y a un marché pour ou une demande de la substance ou de l’objet ; 3° la substance ou l’objet satisfait aux prescriptions techniques pour les objectifs spécifiques, visés au point 1°, et à la législation et aux normes en vigueur pour les produits ; 4° en général, l’utilisation de la substance ou de l’objet n’a pas d’effets défavorables sur l’environnement ou sur la santé humaine. ». Art. 21. Dans l’article 39 du même décret, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit : « § 2. Si aucun critère européen n’est déterminé pour un matériau spécifique, le Gouvernement flamand peut élaborer des critères spécifiques, qui doivent garantir que les conditions, visées aux articles 36 et 37, sont remplies. Les critères visés à l’alinéa 1er assurent un niveau élevé de protection de l’environnement et de la santé humaine et favorisent une utilisation prudente et rationnelle des ressources naturelles. Ils concernent : 1° les déchets qui peuvent être utilisés comme matériel de base pour l’opération d’application utile ; 2° les processus et techniques de traitement autorisés ; 3° les critères de qualité pour les matériaux issus de l’opération d’application utile, conformément aux normes de produit applicables, y compris, le cas échéant, les valeurs limites pour les polluants ; 4° les exigences auxquelles les systèmes de gestion doivent satisfaire afin de démontrer leur conformité aux critères, y compris le contrôle de la qualité et le contrôle interne et, le cas échéant, l’accréditation ; 5° l’exigence en matière de déclaration de conformité. Lors de l’évaluation des effets défavorables, en général, sur l’environnement et la santé humaine, visée à l’article 36, 4°, et l’article 37, 4°, il est tenu compte des objectifs visés à l’article 4, § 3. ». Art. 22. L’article 40 du même décret, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par une paragraphe 2 et un paragraphe 3, rédigés comme suit : « § 2. Pour les matériaux pour lesquels il n’existe pas de critères spécifiques et qui ne sont pas destinés à être utilisés comme combustible, le détenteur peut procéder à une auto-évaluation sur la base des conditions visées aux articles 36 ou 37. Le Gouvernement flamand peut élaborer des règles permettant au détenteur de vérifier si un matériau particulier ne doit pas ou ne doit plus être considéré comme un déchet. § 3. La personne physique ou morale qui utilise pour la première fois un matériau qui a cessé d’être un déchet et qui n’est pas mis sur le marché, ou qui met un matériau sur le marché pour la première fois depuis qu’il a cessé d’être un déchet, veille à ce que le matériaux réponde aux exigences en question, visées à la législation sur les substances et produits chimiques. Les conditions visées à l’article 36 ou 37 sont remplies avant que la législation sur les substances et produits chimiques s’applique au matériau qui ne doit pas ou ne doit plus être considéré comme un déchet. Art. 23. Dans l’article 41, alinéa 1er, du même décret, le membre de phrase « déchets d’exploitation des navires, y compris le traitement de ces déchets, » est remplacé par le membre de phrase « déchets des navires de la navigation maritime, y compris la réception et le traitement de ces déchets, à l’exception des déchets repêchés passivement, ». Art. 24. Dans l’article 66, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 29 mars 2019, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit : « Le Gouvernement flamand peut subordonner l’inscription au registre, visée à l’article 13, au paiement d’une rétribution qui couvre les frais de tous les éléments suivants : 1° le traitement administratif de la demande ; 2° la gestion du registre ; 3° l’exercice du contrôle sur les conditions liées à l’enregistrement. ». CHAPITRE 4. — Dispositions finales Art. 25. L’article 16 entre en vigueur à la même date que l’article 33/9, § 1er, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets. Art. 26. L’article 17 entre en vigueur à la même date que l’article 33/10 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets. Art. 27. L’article 18 entre en vigueur à la même date que l’article 33/14 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets. 30927MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 28. L’article 19 entre en vigueur à la même date que l’article 33/16 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets. Promulguons le présent décret, ordonnons qu’il soit publié au Moniteur belge. Bruxelles, le 26 février 2021. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, J. JAMBON La Ministre flamande de la Justice et du Maintien, de l’Environnement et de l’Aménagement du Territoire, de l’Énergie et du Tourisme, Z. DEMIR Note (1) Session 2020-2021 Documents : – Projet de décret : 612 – N° 1 – Rapport : 612 – N° 2 – Texte adopté en séance plénière : 612 – N° 3 Annales - Discussion et adoption : Séance du 24 février 2021. REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [C − 2021/20707] 25 MARS 2021. — Arrêté du Gouvernement wallon modifiant l’arrêté du Gouvernement wallon du 6 décem bre 2012 portant exécution de l’article 3, § 4, du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques Le Gouvernement wallon, Vu le décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques, l’article 3, § 4 ; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 6 décembre 2012 portant exécution de l’article 3, § 4, du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques ; Vu l’avis du l’Inspecteur des Finances, donné le 9 décembre 2020 ; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 16 décembre 2020 ; Vu le rapport du 15 décembre 2020 établi conformément à l’article 3, 2°, du décret du 11 avril 2014 visant à la mise en œuvre des résolutions de la Conférence des Nations unies sur les femmes à Pékin de septembre 1995 et intégrant la dimension du genre dans l’ensemble des politiques régionales ; Vu la demande d’avis dans un délai de 5 jours, adressée au Conseil d’État le 17 décembre 2020, en application de l’article 84, § 1, alinéa 1er, 3°, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973; Considérant l’absence de communication de l’avis dans ce délai ; Vu l’article 84, § 4, alinéa 2, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973 ; Sur proposition du Ministre de la Mobilité ; Après délibération, Arrête : Article unique. La redevance réclamée pour les terrasses du secteur HORECA sur base du barème repris à l’annexe 1rede l’arrêté du Gouvernement wallon du 6 décembre 2012 portant exécution de l’article 3, § 4, du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques, sous la rubrique « Occupations de terrains/activité commerciale HORECA », ne sera pas due pour l’année 2020. Namur, le 25 mars 2021. Pour le Gouvernement : Le Ministre-Président, E. DI RUPO Le Ministre du Climat, de l’Énergie et de la Mobilité, Ph. HENRY ÜBERSETZUNG ÖFFENTLICHER DIENST DER WALLONIE [C − 2021/20707] 25. MÄRZ 2021 — Erlass der Wallonischen Regierung zur Abänderung des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 6. Dezember 2012 zur Ausführung von Artikel 3 § 4 des Dekrets vom 19. März 2009 über die Erhaltung des regionalen öffentlichen Straßen- und Wasserstraßennetzes Die Wallonische Regierung, Aufgrund des Dekrets vom 19. März 2009 über die Erhaltung des regionalen öffentlichen Straßen- und Wasserstraßennetzes, Artikel 3 § 4; Aufgrund des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 6. Dezember 2012 zur Ausführung von Artikel 3 § 4 des Dekrets vom 19. März 2009 über die Erhaltung des regionalen öffentlichen Straßen- und Wasserstraßennetzes; 30928 MONITEUR BELGE — 01.04.2021 — BELGISCH STAATSBLAD

Décret modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement et le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets · Nelum