Arrêté royal pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable
صدر في 2013-03-19 · النص بتاريخ 2026-10-01
القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.
البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.
عن هذا القانون
- العنوان الأصلي
- Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen.
- اللغة
- French; Dutch
- النوع
- لائحة
- الدولة
- بلجيكا
- الموضوعات
- Environment, Cultivated plants
- الكلمات المفتاحية
- integrated pest management-IPM/pest management strategies, pesticides, pollution control, consumer protection, public health, air quality/air pollution, environmental standards, sustainable development, standards, protection of environment, certification, institution, authorization/permit, procedural matters, processing/handling, packaging/labelling, toxicity/poisoning, plant protection, governance
- الفئات
- agriculture
أين تقرؤه
النص
نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.
FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU [C − 2013/24124] 19 MAART 2013. — Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoe gingsstoffen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad; Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999 en bij de wet van 10 januari 2007; Gelet op de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werk nemers, artikel 5, gewijzigd bij de wet van 27 december 2004 en bij de wet van 27 juli 2011, artikel 8, gewijzigd bij de wet van 28 maart 2003, en artikel 9, gewijzigd bij de wet van 28 maart 2003 en bij de wet van 27 juli 2011; Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdings middelen voor landbouwkundig gebruik; Gelet op het ministerieel besluit van 5 januari 1977 houdende benoeming van de leden van de Consultatieve commissie, opgericht krachtens artikel 45 van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrij dingsmiddelen en fytofarmaceutische producten; Gelet op het ministerieel besluit van 4 mei 1977 ter uitvoering van het artikel 41, eerste paragraaf, 1°, c, van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten; Gelet op het advies van de Federale Raad voor Duurzame Ontwik keling, gegeven op 5 april 2011; Gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 6 april 2011; Gelet op het advies van de Raad voor het Verbruik, gegeven op 14 april 2011; Gelet op het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, gegeven op 25 mei 2011; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 juli 2011; Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescher ming op het werk, gegeven op 16 december 2011; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 26 maart 2012; Gelet op het advies van de Nationale Arbeidsraad, gegeven op 31 januari 2012; Gelet op de betrokkenheid van en het overleg met de gewestregerin gen bij het ontwerpen van dit besluit tijdens de Interministeriële Conferentie Leefmilieu, uitgebreid tot Landbouw, op 20 juli 2011; Overwegende het koninklijk besluit van 14 november 2003 betref fende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselke ten; Gelet op advies 51.526/3 van de Raad van State, gegeven op 3 juli 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Economie, de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Volksgezondheid, de Minister van Landbouw en van Middenstand, de Minister van Werk, de Staatssecretaris voor Leefmilieu en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. — Algemene bepalingen en definities Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden. SERVICE PUBLIC FEDERAL SANTE PUBLIQUE, SECURITE DE LA CHAINE ALIMENTAIRE ET ENVIRONNEMENT [C − 2013/24124] 19 MARS 2013. — Arrêté royal pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu le Règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil; Vu la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, l’article 4, modifié par la loi du 7 avril 1999 et par la loi du 10 janvier 2007; Vu la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l’environnement, de la santé et des travailleurs, l’article 5, modifié par la loi du 27 décembre 2004 et par la loi du 27 juillet 2011, l’article 8, modifié par la loi du 28 mars 2003, et l’article 9, modifié par la loi du 28 mars 2003 et par la loi du 27 juillet 2011; Vu l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole; Vu l’arrêté ministériel du 5 janvier 1977 portant nomination des membres de la Commission consultative instituée en vertu de l’arti cle 45 de l’arrêté royal du 5 juin 1975 relatif à la conservation, le commerce et à l’utilisation des pesticides et des produits phytophar maceutiques; Vu l’arrêté ministériel du 4 mai 1977 portant exécution de l’article 41, paragraphe 1er, 1°, c, de l’arrêté royal du 5 juin 1975 relatif à la conservation, au commerce et à l’utilisation des pesticides et des produits phytopharmaceutiques; Vu l’avis du Conseil fédéral du Développement durable, donné le 5 avril 2011; Vu l’avis du Conseil supérieur de la Santé, donné le 6 avril 2011; Vu l’avis du Conseil de la Consommation, donné le 14 avril 2011; Vu l’avis du Conseil central de l’économie, donné le 25 mai 2011; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 6 juillet 2011; Vu l’avis du Conseil supérieur pour la Prévention et la Protection au travail, donné le 16 décembre 2011; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 26 mars 2012; Vu l’avis du Conseil national du Travail, donné le 31 janvier 2012; Vu l’association et la concertation des gouvernements des Régions à l’élaboration du présent arrêté lors de la Conférence Interministérielle de l’Environnement, élargi à l’Agriculture, le 20 juillet 2011; Considérant l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’autocon trôle, à la notification obligatoire et à la traçabilité dans la chaîne alimentaire; Vu l’avis 51.526/3 du Conseil d’Etat, donné le 3 juillet 2012, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973; Sur la proposition du Ministre de l’Economie, de la Ministre de l’Intérieur, de la Ministre de la Santé publique, de la Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, de la Ministre de l’Emploi, du Secrétaire d’Etat à l’Environnement et de l’avis des Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : CHAPITRE 1er. — Dispositions générales et définitions Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la Direc tive 2009/128/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 octo bre 2009 instaurant un cadre d’action communautaire pour parvenir à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable. 23383MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° verordening : verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad; 2° gewasbeschermingsmiddelen : de gewasbeschermingsmiddelen zoals gedefinieerd door de verordening; 3° toevoegingsstoffen : de toevoegingsstoffen zoals gedefinieerd door de verordening; 4° producten : gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen; 5° producten voor professioneel gebruik : gewasbeschermingsmid delen erkend voor professioneel gebruik en toevoegingsstoffen; 6° producten voor niet-professioneel gebruik : gewasbescherming smiddelen erkend voor niet-professioneel gebruik; 7° professionele gebruiker : elke persoon die, in de landbouwsector of in een andere sector, producten gebruikt in het kader van zijn beroepsactiviteiten, met inbegrip van bedieners van toepassingsappa ratuur, technici, werkgevers en zelfstandigen; 8° niet-professionele gebruiker : elke persoon die producten gebruikt maar niet beantwoordt aan de definitie van 7°; 9° distributeur : elke natuurlijke of rechtspersoon die ervoor zorgt dat producten in de handel verkrijgbaar zijn, met inbegrip van groothan delaren, detailhandelaren, verkopers en leveranciers; 10° voorlichter : elke persoon die over voldoende verworven kennis beschikt en beroepsmatig of in het kader van een commerciële dienst advies verstrekt over de bestrijding van plagen en het veilig gebruik van producten, in voorkomend geval met inbegrip van particuliere en openbare zelfstandige voorlichtingsdiensten, handelsagenten, levens middelenproducenten en detailhandelaren; 11° fytolicentie : certificaat voor professioneel gebruik, distributie of voorlichting van producten; 12° spuiten vanuit de lucht : alle toepassingen van producten vanuit luchtvaartuigen (vliegtuigen of helikopters); 13° apparatuur voor de toepassing van producten : apparaat dat specifiek is bestemd voor de toepassing van producten, inclusief hulpstukken die essentieel zijn voor de doeltreffende werking daarvan, zoals spuitdoppen, manometers, filters, zeven en toebehoren voor het schoonmaken van tanks; 14° minister : desgevallend, de federale minister bevoegd voor Landbouw, en/of Volksgezondheid, en/of Werk en/of de staatssecre taris voor Leefmilieu; 15° dienst : de Dienst Pesticiden en Meststoffen van het Directoraat Generaal Dier, Plant en Voeding van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu; 16° erkenningscomité : het Erkenningscomité bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik; 17° oppervlaktewater : binnenwateren, met uitzondering van grond water; overgangswater en kustwateren en, voor zover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren; 18° grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat; 19° binnenwateren : al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten; 20° overgangswater : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt; 21° kustwateren : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater; Art. 2. Pour l’application du présent arrêté, il faut entendre par : 1° le règlement : le Règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directi ves 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil; 2° produits phytopharmaceutiques : les produits phytopharmaceuti ques comme définis par le règlement; 3° adjuvants : les adjuvants comme définis par le règlement; 4° produits : les produits phytopharmaceutiques et les adjuvants; 5° produits à usage professionnel : les produits phytopharmaceuti ques agréés pour un usage professionnel et les adjuvants; 6° produits à usage non professionnel : les produits phytopharma ceutiques agréés pour un usage non professionnel; 7° utilisateur professionnel : toute personne qui utilise des produits au cours de son activité professionnelle, et notamment les opérateurs, les techniciens, les employeurs et les indépendants, tant dans le secteur agricole que dans d’autres secteurs; 8° utilisateur non professionnel : toute personne qui utilise des produits mais qui ne répond pas à la définition visée au 7°; 9° distributeur : toute personne physique ou morale qui met des produits sur le marché, notamment les grossistes, les détaillants, les vendeurs et les fournisseurs; 10° conseiller : toute personne qui a acquis des connaissances suffisantes et fournit des conseils sur la lutte contre les ennemis des cultures et l’utilisation des produits en toute sécurité, à titre profession nel ou dans le cadre d’un service commercial, notamment les services de conseil privés indépendants et les services de conseil publics, les agents commerciaux, les producteurs de denrées alimentaires et les détaillants, le cas échéant; 11° phytolicence : certificat pour l’utilisation professionnelle, la distribution ou le conseil de produits; 12° pulvérisation aérienne : toutes applications de produits par aéronef (avions ou hélicoptères); 13° matériel d’application des produits : tout équipement spéciale ment destiné à l’application de produits, y compris des accessoires qui sont essentiels au fonctionnement efficace de tels équipements, tels que des buses, manomètres, filtres, tamis et dispositifs de nettoyage des cuves; 14° ministre : selon le cas, le Ministre fédéral ayant l’Agriculture, et/ou la Santé publique, et/ou l’Emploi dans ses attributions et/ou le secrétaire d’Etat à l’Environnement; 15° service : le Service Pesticides et Engrais de la Direction générale Animaux, Végétaux et Aliments du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement; 16° comité d’agréation : le Comité d’agréation visé à l’article 9 de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole; 17° eaux de surface : les eaux intérieures, à l’exception des eaux souterraines, les eaux de transition et les eaux côtières, sauf en ce qui concerne leur état chimique, pour lequel les eaux territoriales sont également incluses; 18° eaux souterraines : toutes les eaux se trouvant sous la surface du sol dans la zone de saturation et en contact direct avec le sol ou le sous-sol; 19° eaux intérieures : toutes les eaux stagnantes et les eaux courantes à la surface du sol et toutes les eaux souterraines en amont de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales; 20° eaux de transition : des masses d’eaux de surface à proximité des embouchures de rivières, qui sont partiellement salines en raison de leur proximité d’eaux côtières, mais qui sont fondamentalement influencées par des courants d’eau douce; 21° eaux côtières : les eaux de surface situées en-deçà d’une ligne dont tout point est situé à une distance d’un mille marin au-delà du point le plus proche de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales et qui s’étendent, le cas échéant, jusqu’à la limite extérieure d’une eau de transition; 23384 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 22° rivier : een binnenwaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen; 23° tuinbouwsector : groente-, fruit-, en sierteeltsector. Art. 3. Dit besluit is van toepassing onverminderd de bepalingen van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten. HOOFDSTUK 2. — Specifieke praktijken en toepassingen Afdeling 1. — Spuiten vanuit de lucht Art. 4. Spuiten vanuit de lucht is verboden. De minister kan afwijkingen op dit verbod toestaan mits wordt voldaan aan de in bijlage 1 bepaalde voorwaarden. Afdeling 2. — Specifieke maatregelen ter bescherming van het aquatische milieu en het drinkwater Art. 5. § 1. Bij het verlenen van de toelating voor het op de markt brengen van een product stelt het Erkenningscomité passende maatre gelen vast om het aquatische milieu en de voorziening van drinkwater te beschermen tegen het effect ervan. Deze maatregelen ondersteunen en zijn verenigbaar met de desbetreffende bepalingen van Richt lijn 2000/60/EG en de verordening. § 2. Bij het verlenen van de toelating voor het op de markt brengen van een product stelt het Erkenningscomité alle bijkomende risicore ducerende maatregelen vast die toelaten of nodig zijn om de toelatings voorwaarden van de verordening te respecteren. Art. 6. De in artikel 5 bedoelde maatregelen voorzien ondermeer in : 1° het gebruik van risicoreducerende maatregelen waardoor het risico van vervuiling buiten het behandelde terrein als gevolg van verwaaiende spuitnevel, uitspoeling en afspoeling tot een minimum wordt beperkt. Deze maatregelen voorzien onder andere in het afbakenen van bufferzones met passende afmetingen voor de bescher ming van niet-doelwitwaterorganismen, waarbinnen geen producten mogen worden toegepast; 2° een zoveel mogelijke beperking of uitschakeling van de toepassing van producten op en langs wegen, spoorwegen, zeer doorlaatbare oppervlakken en andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlak tewater, grondwater of kustwater, alsook op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren of rioleringssystemen bestaat. Art. 7. In toepassing van artikel 6, 1°, worden bufferzones voor de bescherming van niet-doelwitwaterorganismen aangehouden tussen enerzijds het behandelde oppervlak en anderzijds zowel oppervlakte water als oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren bestaat. Art. 8. Bij het bepalen van bufferzones worden volgende gevallen onderscheiden : 1° behandeling van een kas zoals gedefinieerd door de verordening; 2° behandeling na de oogst zoals gedefinieerd door de verordening; 3° verticaal neerwaarts gerichte bespuitingen met uitsluiting van de gevallen bedoeld in 1° en 2°; 4° andere dan verticaal neerwaarts gerichte bespuitingen met uitsluiting van de gevallen bedoeld in 1° en 2°; 5° alle andere mogelijke toepassingswijzen waarbij blootstelling van niet-doelwitwaterorganismen aan producten kan optreden met uitslui ting van de gevallen bedoeld in 1° en 2°. Art. 9. In toepassing van artikel 7 geldt : 1° er worden geen bufferzones opgelegd voor de gevallen bedoeld in artikel 8, 1° en 2°; 2° de volgende minimale bufferzones zijn van toepassing : a) een bufferzone van één meter voor de gevallen bedoeld in artikel 8, 3° en 5°; b) een bufferzone van drie meter voor de gevallen bedoeld in artikel 8, 4°; 3° indien grotere bufferzones vereist zijn dan deze voorzien door 2°, worden deze vastgelegd in de toelating voor het op de markt brengen van het product. 22° rivière : une masse d’eau intérieure coulant en majeure partie sur la surface du sol, mais qui peut couler en sous-sol sur une partie de son parcours; 23° le secteur horticole : l’horticulture maraîchère, fruitière et ornementale. Art. 3. Le présent arrêté est applicable sans préjudice des disposi tions du règlement général pour la protection du travail et la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail et ses arrêtés d’exécution. CHAPITRE 2. — Pratiques et utilisations spécifiques Section 1re. — Pulvérisation aérienne Art. 4. La pulvérisation aérienne est interdite. Le ministre peut déroger à cette interdiction moyennant le respect des conditions définies à l’annexe 1re. Section 2. — Mesures spécifiques de protection du milieu aquatique et de l’eau potable Art. 5. § 1er. Lors de l’octroi de l’autorisation pour la mise sur le marché d’un produit, le Comité d’agréation détermine les mesures appropriées pour protéger le milieu aquatique et les ressources en eau potable contre l’incidence de celui-ci. Ces mesures soutiennent les dispositions pertinentes de la Directive 2000/60/CE et du règlement et sont compatibles avec celles-ci. § 2. Lors de l’octroi de l’autorisation pour la mise sur le marché d’un produit, le Comité d’agréation détermine l’utilisation de toutes autres mesures d’atténuation de risques permettant de, ou nécessaires pour, respecter les conditions d’autorisation du règlement. Art. 6. Les mesures prévues à l’article 5 consistent notamment : 1° à prévoir l’utilisation des mesures d’atténuation qui réduisent au minimum le risque de pollution hors site par dérive, drainage et ruissellement. Ces mesures comprennent entre autre la délimitation des zones tampons de taille appropriée pour la protection des organismes aquatiques non cibles, à l’intérieur desquelles l’application de produits est interdite; 2° à réduire autant que possible ou proscrire l’application de produits sur ou le long des routes et des voies ferrées, sur les surfaces très perméables ou autres infrastructures proches d’eaux de surface, souterraines, ou côtières, ou sur les surfaces imperméables où le risque de ruissellement dans les eaux de surface ou dans les égouts est élevé. Art. 7. En application de l’article 6, 1°, des zones tampons pour la protection des organismes aquatiques non cibles sont établies entre d’une part la surface traitée et d’autre part les eaux de surface, ainsi que les surfaces où le risque de ruissellement vers les eaux de surface est élevé. Art. 8. Lors de l’établissement de zones tampons, les cas suivants seront considérés : 1° le traitement d’une serre comme défini par le règlement; 2° le traitement post-récolte comme défini par le règlement; 3° les pulvérisations dirigées verticalement vers le sol, avec exclusion des cas visés aux 1° et 2°; 4° les pulvérisations autres que celles dirigées verticalement vers le sol, avec exclusion des cas visés aux 1° et 2°; 5° toute autre procédure d’application pouvant entraîner une expo sition d’organismes aquatiques non cibles à des produits, à l’exclusion des cas visés aux 1° et 2°. Art. 9. En application de l’article 7, il est imposé ce qui suit : 1° aucune zone tampon n’est imposée pour les cas visés à l’article 8, 1° et 2°; 2° les zones tampons minimales suivantes sont d’application : a) une zone tampon d’un mètre pour les cas visés à l’article 8, 3° et 5°; b) une zone tampon de trois mètres pour les cas visés à l’article 8, 4°; 3° en cas de nécessité de zones tampons plus larges que celles prévues au 2°, elles seront fixées dans l’acte d’autorisation de mise sur le marché du produit. 23385MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 4° onverminderd de in 2° bedoelde minimale bufferzones kunnen de in 3° bedoelde bufferzones worden gereduceerd mits gebruikmaking van bijkomende driftreducerende middelen of maatregelen. De minis ter kan bepalen welke driftreducerende middelen of maatregelen hiervoor in aanmerking komen. Bij toepassing van deze driftreduce rende middelen of maatregelen mogen de vereiste bufferzones maxi maal twintig meter groot zijn voor de gevallen bedoeld in artikel 8, 3°, en maximaal dertig meter groot zijn voor de gevallen bedoeld in artikel 8, 4° en 5°. Indien grotere bufferzones vereist zijn, zal geen toelating worden verleend voor het op de markt brengen van het product. Afdeling 3. — Hantering en opslag van producten en behandeling van de verpakkingen en restanten ervan Art. 10. De volgende verrichtingen van professionele en niet professionele gebruikers, en in voorkomend geval van distributeurs, mogen de menselijke gezondheid (inclusief de voedselveiligheid) niet in gevaar brengen : 1° de opslag, hantering, verdunning en vermenging van producten vóór de toepassing ervan; 2° de hantering van verpakkingen en restanten van producten. Ondermeer bij de toepassing van vloeibare producten worden de zorgvuldig geledigde verpakkingen met voldoende water gespoeld; 3° de verwijdering van tankmengsels die overblijven na toepassing. Tankmengsels die overblijven na toepassing mogen circa tien maal worden verdund en toegepast op het reeds behandelde oppervlak volgens de gebruiksvoorschriften. Om tankmengsels die overblijven na toepassing te vermijden, wordt de benodigde hoeveelheid spuitvloei stof nauwkeurig berekend aan de hand van de te behandelen oppervlakte; 4° In toepassing van 1° tot en met 3° kan de minister richtlijnen voorschrijven voor de hantering van verpakkingen en restanten van producten en voor de verwijdering van tankmengsels die overblijven na toepassing. Afdeling 4. — Vermindering van risico’s gerelateerd aan het gebruik van producten in specifieke gebieden Art. 11. § 1. Bij het verlenen van de toelating voor het op de markt brengen van een product wordt, op basis van de resultaten van desbetreffende risicobeoordelingen, de toegang geminimaliseerd of verboden in recentelijk behandelde gebieden. Er worden passende risicobeheersmaatregelen genomen. Hierbij kan het gaan om een tijdsperiode die moet worden gerespecteerd alvorens behandelde percelen of ruimten opnieuw te betreden. § 2. Onder voorbehoud van paragraaf 1 mag herbetreding van behandelde percelen of ruimten, zonder geschikte beschermingskledij, ten vroegste gebeuren eens de spuitvloeistof volledig is opgedroogd. HOOFDSTUK 3. — Distributie, voorlichting en professioneel gebruik van producten Afdeling 1. — Distributie Art. 12. § 1. Distributeurs beschikken, voor wat betreft producten voor professioneel gebruik, over een fytolicentie « Distributie/Voorlichting ». § 2. Per verkooppunt van producten voor professioneel gebruik voldoet er minstens één persoon aan paragraaf 1. Art. 13. § 1. Distributeurs beschikken, voor wat betreft producten voor niet-professioneel gebruik, over een fytol icentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet-professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». § 2. Per verkooppunt van producten voor niet-professioneel gebruik voldoet er minstens één persoon aan paragraaf 1. Art. 14. § 1. Producten voor professioneel gebruik worden uitslui tend verkocht aan houders van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden producten voor professio neel gebruik waarvan op de erkenningsakte wordt vermeld dat gebruik uitsluitend is voorbehouden voor houders van een fytolicentie « Spe cifiek professioneel gebruik », uitsluitend verkocht aan houders van een fytol icentie « Specifiek professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». 4° sans préjudice des zones tampons minimales visées au 2°, les zones tampons visées au 3° peuvent être réduites moyennant l’utilisa tion de plus amples mesures ou moyens de réduction de la dérive. Le ministre peut déterminer les mesures ou moyens de réduction de la dérive pouvant entrer en ligne de compte à cet effet. En application de ces mesures ou de ces moyens de réduction de la dérive, les zones tampons nécessaires peuvent mesurer au maximum vingt mètres pour les cas visés à l’article 8, 3°, et au maximum trente mètres pour les cas visés à l’article 8, 4° et 5°. En cas de besoin de plus grandes zones tampons, l’autorisation pour la mise sur le marché du produit ne sera pas accordée. Section 3. — Manipulation et stockage des pesticides et traitement de leurs emballages et des restes de produits Art. 10. Les opérations énumérées ci-après, effectuées par les utili sateurs professionnels et non-professionnels et, lorsque cela les concerne, par les distributeurs, ne peuvent en aucun cas porter atteinte à la santé humaine (y compris la sécurité alimentaire) : 1° le stockage, la manipulation, la dilution et le mélange des produits avant leur application; 2° la manipulation des emballages et des restes de produits. Entre autres, lors de l’application de produits liquides, les emballages soigneusement vidés de leur contenu sont rincés abondamment à l’eau; 3° l’élimination des mélanges restant dans les cuves après applica tion. Les mélanges restant dans les cuves après l’application peuvent être dilués environ dix fois et appliqués sur la surface traitée en suivant les consignes d’utilisation. Afin d’éviter les mélanges restant dans les cuves après application, la quantité nécessaire de bouillie doit être calculée avec précision sur base de la superficie de la surface à traiter; 4° En application du 1° au 3°, le ministre peut déterminer des lignes directrices pour la manipulation des emballages et des restes de produits et pour l’élimination des mélanges restant dans les cuves après application. Section 4. — Réduction des risques liés à l’usage de ces produits dans des zones spécifiques Art. 11. § 1er. Lors de l’octroi de l’autorisation pour la mise sur le marché d’un produit, l’accès aux zones récemment traitées est restreint ou interdit sur base des résultats des évaluations de risques appro priées. Des mesures appropriées de gestion de risques sont prises. Dans ce contexte, il peut s’agir d’une période à respecter avant d’accéder à nouveau aux parcelles ou aux espaces traités. § 2. Sous réserve du paragraphe 1er, la ré-accession aux parcelles ou aux espaces traités, sans vêtements de protection appropriés, ne peut avoir lieu qu’une fois que la bouillie pulvérisée est complètement sèche. CHAPITRE 3. — Distribution, conseils et usage professionnel de produits Section 1re. — Distribution Art. 12. § 1er. Les distributeurs disposent, pour ce qui concerne les produits à usage professionnel , d ’une phytolicence « Distribution/Conseil ». § 2. Par point de vente de produits à usage professionnel au moins une personne correspond au paragraphe 1er. Art. 13. § 1er. Les distributeurs disposent, pour ce qui concerne les produits à usage non professionnel, d’une phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non professionnel » ou « Distribution/Conseil ». § 2. Par point de vente de produits à usage non professionnel au moins une personne correspond au paragraphe 1er. Art. 14. § 1er. Les produits à usage professionnel sont vendus exclusivement aux titulaires d’une phytolicence « Usage profession nel » ou « Distribution/Conseil ». § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les produits à usage professionnel dont l’acte d’agréation indique que l’usage est autorisé uniquement aux titulaires d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique », sont vendus uniquement aux titulaires d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique » ou « Distribution/Conseil ». 23386 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 15. § 1. De in artikel 14, § 1, bedoelde producten voor professioneel gebruik mogen worden afgehaald door een meerderjarig persoon, handelend in opdracht van een in artikel 14, § 1, bedoelde houder van een fytolicentie. In voorkomend geval verstuurt de distributeur de factuur naar de in artikel 14, § 1, bedoelde persoon of onderneming voor wie de in artikel 14 § 1, bedoelde persoon de producten voor professioneel gebruik aankoopt. Deze factuur vermeldt tevens de identiteit en het nummer van de fytolicentie van de in artikel 14, § 1, bedoelde persoon en de identiteit van de meerderjarige persoon. De distributeur brengt deze meerderjarige persoon op de hoogte van de gevaren die verbonden zijn aan deze producten voor professioneel gebruik, en van de voorzorgen die bij hun transport en opslag moeten worden in acht genomen. § 2. In voorkomend geval dat producten voor professioneel gebruik worden afgehaald door een in paragraaf 1 bedoelde meerderjarig persoon, overhandigt de voornoemde persoon deze aan een houder van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik », « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting » of slaat deze op in het lokaal of de kast zoals bedoeld in artikel 28. Art. 16. De distributeur vergewist zich ervan dat de persoon aan wie de producten voor professioneel gebruik worden verkocht, de in artikel 14 bedoelde vereiste kwalificatie bezit. Art. 17. Bij elke verkoop van een product voor professioneel gebruik houdt de distributeur volgende gegevens bij : 1° de datum; 2° de naam en de hoeveelheid van het product voor professioneel gebruik; 3° identiteit en nummer van de fytolicentie van de in artikel 14 bedoelde houder van de fytolicentie; 4° aanduiding van de onderneming voor wie de in artikel 14 bedoelde persoon de producten voor professioneel gebruik aankoopt, in voorkomend geval; 5° handtekening, identiteit en woonplaats van de in artikel 15 bedoelde meerderjarige persoon, in voorkomend geval. De distributeur bewaart deze gegevens op ordentelijke wijze gedu rende een termijn zoals bepaald in de verordening. Op vraag van de ambtenaar die belast is met de controle op de toepassing van de bepalingen van dit besluit worden deze gegevens voorgelegd. Afdeling 2. — Voorlichting Art. 18. § 1. Voorlichters beschikken, voor wat betreft producten voor professioneel gebruik, over een fytolicentie « Distributie/Voorlichting ». § 2. Distributeurs van producten voor professioneel gebruik hebben voldoende voorlichters in dienst die in verkooppunten aanwezig zijn om klanten voldoende informatie te verschaffen over het gebruik van producten voor professioneel gebruik, de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu alsmede de veiligheidsinstructies voor de omgang met die risico’s. Art. 19. § 1. Voorlichters beschikken, voor wat betreft producten voor niet-professioneel gebruik, over een fytol icentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet-professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». § 2. Distributeurs van producten voor niet-professioneel gebruik hebben voldoende voorlichters in dienst die op het tijdstip van verkoop beschikbaar zijn om klanten voldoende informatie te verschaffen over het gebruik van producten voor niet-professioneel gebruik, de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu alsmede de veiligheids instructies voor de omgang met die risico’s. De minister kan nader bepalen op welke wijze aan deze bepaling wordt voldaan. Afdeling 3. — Professioneel gebruik Art. 20. § 1. Producten voor professioneel gebruik worden uitslui tend gebruikt door professionele gebruikers. § 2. Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van jongeren op het werk en van het koninklijk besluit van 21 september 2004 betreffende de bescher ming van stagiairs wordt een afwijking van paragraaf 1 toegestaan aan jongeren op het werk, zoals gedefinieerd in het voornoemde besluit van 3 mei 1999, en stagiairs, zoals gedefinieerd in het voornoemde besluit van 21 september 2004. Art. 15. § 1er. Les produits à usage professionnel visés à l’article 14, § 1er, peuvent être enlevés par une personne majeure, agissant au nom d’un titulaire d’une phytolicence visé à l’article 14, § 1er. Le cas échéant, le distributeur envoie la facture à la personne visée à l’article 14, § 1er, ou à l’entreprise pour laquelle la personne visée à l’article 14, § 1er, achète les produits à usage professionnel. Cette facture contient également l’identité et le numéro de phytolicence de la personne visée à l’article 14, § 1er, et l’identité de la personne majeure. Le distributeur informe cette personne majeure des dangers liés aux produits à usage professionnel ainsi que des précautions à prendre pendant le transport et le stockage des produits susmentionnés. § 2. Si, le cas échéant, des produits à usage professionnel sont enlevés par une personne majeure comme visé au paragraphe 1er, la personne susmentionnée remet ceux-ci à un titulaire d’une phytolicence « Assis tant usage professionnel » , « Usage professionnel » , « Distribution/Conseil », ou les entrepose dans un local ou dans une armoire comme visé à l’article 28. Art. 16. Le distributeur s’assure que l’acheteur des produits à usage professionnel dispose de la qualification requise visée à l’article 14. Art. 17. Lors de chaque vente d’un produit pour un usage profes sionnel, le distributeur prend acte des données suivantes : 1° la date; 2° le nom et la quantité du produit pour un usage professionnel; 3° l’identité et le numéro de phytolicence du titulaire de la phytolicence visé à l’article 14; 4° l’indication, le cas échéant, de l’entreprise pour laquelle la personne visée à l’article 14 achète les produits à usage professionnel; 5° la signature, l’identité et la résidence de la personne majeure visée à l’article 15, le cas échéant. Le distributeur conserve ces données de façon convenable pendant la période définie par le règlement. Ces données doivent être présentées à la demande du fonctionnaire chargé de contrôler l’application des dispositions de cet arrêté. Section 2. — Conseils Art. 18. § 1er. Les conseillers disposent, pour ce qui concerne les produits à usage professionnel , d ’une phytolicence « Distribution/Conseil ». § 2. Les distributeurs des produits à usage professionnel disposent d’un nombre suffisant de conseillers qui sont présents dans les points de vente pour fournir aux clients les informations appropriées concer nant l’utilisation des produits à usage professionnel, les risques pour la santé humaine et l’environnement, et les consignes de sécurité afin de gérer ces risques. Art. 19. § 1er. Les conseillers disposent, pour ce qui concerne les produits à usage non professionnel, d’une phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non professionnel » ou « Distribution/Conseil ». § 2. Les distributeurs des produits à usage non professionnel disposent d’un nombre suffisant de conseillers qui sont disponibles au moment de la vente pour fournir aux clients les informations appro priées concernant l’utilisation des produits à usage non professionnel, les risques pour la santé humaine et l’environnement, et les consignes de sécurité afin de gérer ces risques. Le ministre peut préciser la façon selon laquelle cette disposition est respectée. Section 3. — Usage professionnel Art. 20. § 1er. Les produits à usage professionnel sont utilisés uniquement par des utilisateurs professionnels. § 2. Sans préjudice des dispositions de l’arrêté royal du 3 mai 1999 relatif à la protection des jeunes au travail et de l’arrêté royal du 21 septembre 2004 relatif à la protection des stagiaires, une dérogation au paragraphe 1er est accordée aux jeunes au travail, comme définis dans l’arrêté du 3 mai 1999 précité, et aux stagiaires, comme définis dans l’arrêté du 21 septembre 2004 précité. 23387MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD § 3. Professionele gebruikers beschikken, voor wat betreft producten voor professioneel gebruik, over een fytolicentie « Assistent professio neel gebruik », « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». Art. 21. § 1. Houders van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » gebruiken producten voor professioneel gebruik uitsluitend onder het gezag van een houder van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». De houder van de fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting » maakt een verklaring in tweevoud op naar het model in bijlage 2. Deze verklaring wordt gedagtekend en ondertekend door beide partijen en het origineel wordt aan de houder van de fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » overhandigd. Op vraag van de ambtenaar die belast is met de controle op de toepassing van de bepalingen van dit besluit dient elke partij deze verklaring te kunnen voorleggen. § 2. Onverminderd paragraaf 1 is in de landbouw- en tuinbouwsector het gebruik van producten voor professioneel gebruik door een houder van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » uitsluitend toegestaan indien de voornoemde persoon de producten voor profes sioneel gebruik gebruikt onder het gezag van een houder van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting » die zelf het te behandelen perceel of teelt beheert. § 3. Maximaal tien houders van een fytolicentie « Assistent profes sioneel gebruik » gebruiken producten voor professioneel gebruik onder het gezag van eenzelfde houder van een fytolicentie « Professio neel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». Art. 22. In afwijking van artikel 20, § 3, beschikken professionele gebruikers van producten voor professioneel gebruik waarvan op de erkenningsakte wordt vermeld dat gebruik uitsluitend is voorbehou den voor houders van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik », over een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik ». Art. 23. Niet-erkende producten bestemd voor een proef of experi ment voor onderzoek- of ontwikkelingsdoeleinden waarbij het middel in het milieu wordt gebracht worden uitsluitend gebruikt door houders van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting », tenzij anders bepaald door de minister. Art. 24. § 1. Professionele gebruikers houden voor producten regis ters bij zoals voorzien door de verordening. § 2. Professionele gebruikers zijn in staat de identiteit en de woonplaats op te geven van de persoon voor rekening van wie een product werd gebruikt. § 3. Elk gebruik van producten voor professioneel gebruik waarvan op de erkenningsakte wordt vermeld dat gebruik uitsluitend is voorbehouden voor houders van een fytolicentie Specifiek professio neel gebruik wordt door de houder van de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » bijgehouden in een afzonderlijk register, bevat tend de gegevens vermeld in de paragrafen 1 en 2. § 4. Professionele gebruikers bewaren deze registers en gegevens zoals bedoeld in de paragrafen 1, 2 en 3, op ordentelijke wijze gedurende een termijn zoals bepaald in de verordening. Op vraag van de ambtenaar die belast is met de controle op de toepassing van de bepalingen van dit besluit worden deze gegevens voorgelegd. Art. 25. Professionele gebruikers voeren regelmatig kalibraties en technische controles uit aan de apparatuur voor de toepassing van producten. HOOFDSTUK 4. — Opslag van producten Afdeling 1. — Opslag van producten voor niet-professioneel gebruik Art. 26. Producten voor niet-professioneel gebruik worden opgesla gen in een ruimte die droog, doelmatig verlucht en in goede staat van onderhoud en netheid is. De inrichting is doelmatig, zodanig dat de goede bewaring van de opgeslagen producten is verzekerd. Afdeling 2. — Opslag van producten voor professioneel gebruik Art. 27. § 1. Professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters slaan producten voor professioneel gebruik op in een lokaal dat of een kast die voldoet aan volgende voorwaarden : 1° het lokaal of de kast is droog, doelmatig verlucht en in goede staat van onderhoud en netheid. De inrichting is doelmatig, zodanig dat de goede bewaring van de opgeslagen producten is verzekerd; 2° het lokaal of de kast is op slot; 3° de toegang tot het lokaal of de kast wordt voorzien van : a) de tekst, verboden toegang voor onbevoegden’ en gelijkwaardig symbool; § 3. Les utilisateurs professionnels disposent, pour ce qui concerne les produits à usage professionnel, d’une phytolicence « Assistant usage professionnel », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil ». Art. 21. § 1er. Les titulaires de la phytolicence « Assistant usage professionnel » utilisent des produits à usage professionnel unique ment sous l’autorité d’un titulaire d’une phytolicence « Usage profes sionnel » ou « Distribution/Conseil ». Le titulaire de la phytolicence « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil » fait une déclaration en double exemplaire suivant le modèle en annexe 2. Cette déclaration est datée et signée par les deux parties et l’original est remis au titulaire de la phytolicence « Assistant Usage professionnel ». Chaque partie doit pouvoir présen ter cette déclaration à la demande du fonctionnaire chargé de contrôler l’application des dispositions de cet arrêté. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’utilisation de produits à usage professionnel dans le secteur agricole et horticole par un titulaire d’une phytolicence « Assistant usage professionnel » est exclusivement autorisée si la personne susmentionnée utilise les produits à usage professionnel sous l’autorité d’un titulaire d’une phytolicence « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil » qui lui-même gère la parcelle ou la culture à traiter. § 3. Au maximum dix titulaires d’une phytolicence « Assistant usage professionnel » utilisent des produits à usage professionnel sous l’autorité d’un même titulaire d’une phytolicence « Usage profession nel » ou « Distribution/Conseil ». Art. 22. Par dérogation à l’article 20, § 3, les utilisateurs profession nels de produits à usage professionnel dont l’acte d’agréation indique que l’usage est autorisé uniquement aux titulaires d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique », disposent d’une phytolicence « Usa ge professionnel spécifique ». Art. 23. Les produits non agréés destinés à des expériences ou des tests effectués à des fins de recherche ou de développement et impliquant l’émission du produit dans l’environnement sont unique ment utilisés par des titulaires d’une phytolicence « Usage profession nel » ou « Distribution/Conseil », sauf si le ministre en décide autre ment. Art. 24. § 1er. Les utilisateurs professionnels tiennent à jour des registres pour les produits comme prévu par le règlement. § 2. Les utilisateurs professionnels sont en mesure de fournir l’identité et le lieu de résidence de la personne pour le compte de laquelle ils ont utilisé un produit. § 3. Chaque usage de produits à usage professionnel dont l’acte d’agréation indique que l’usage est autorisé uniquement aux titulaires d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique » est répertorié séparément par le titulaire de la phytolicence « Usage professionnel spécifique » tout en incluant les données visées aux paragraphes 1er et 2. § 4. Les utilisateurs professionnels conservent ces registres et données comme visé aux paragraphes 1er, 2 et 3, de façon structurée pendant une période telle que définie par le règlement. Ces données sont présentées à la demande du fonctionnaire chargé de contrôler l’appli cation des dispositions de cet arrêté. Art. 25. Les utilisateurs professionnels procèdent à des étalonnages et des contrôles techniques réguliers du matériel d’application des produits. CHAPITRE 4. — Stockage de produits Section 1re. — Stockage de produits à usage non professionnel. Art. 26. Les produits à usage non professionnel sont conservés dans un endroit sec, efficacement ventilé, maintenu en bon état d’entretien et de propreté. L’aménagement est agencé de façon à ce que la bonne conservation des produits entreposés soit assurée. Section 2. — Stockage de produits à usage professionnel Art. 27. § 1er. Les utilisateurs professionnels, les distributeurs et les conseillers conservent les produits à usage professionnel dans un local ou une armoire qui satisfait aux conditions suivantes : 1° le local ou l’armoire sont secs, efficacement ventilés, maintenu en bon état d’entretien et de propreté. L’aménagement est agencé de façon à ce que la bonne conservation des produits entreposés soit assurée; 2° le local ou l’armoire sont fermés à clef; 3° la mention suivante est apposée sur l’accès au local ou à l’armoire : a) « accès interdit aux personnes non-autorisées » et un symbole équivalent; 23388 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD b) een geschikt gevaarsymbool; c) de identiteit en contactgegevens van de in artikel 29 bedoelde beheerder van het lokaal of de kast. § 2. Geneesmiddelen, voedingsstoffen, eetwaren, diervoeders of andere middelen die bestemd zijn om te worden opgenomen door mens of dier worden niet opgeslagen in het lokaal of de kast zoals bedoeld in paragraaf 1. § 3. Het lokaal of de kast zoals bedoeld in paragraaf 1 is uitsluitend toegankelijk voor : 1° houders van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik », « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting »; 2° andere personen, mits aanwezigheid van minstens één in 1° bedoelde persoon, waarbij geldt dat in verkooppunten de producten voor professioneel gebruik niet toegankelijk zijn voor niet-professionele gebruikers. Art. 28. In afwijking van artikel 27 mogen professionele gebruikers, uitsluitend bij hun afwezigheid bij levering van producten voor professioneel gebruik, deze ongeopende producten laten opslaan in een afsluitbaar lokaal of een afsluitbare kast, verschillend van het lokaal of de kast zoals bedoeld in artikel 27, dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 27, §§ 1, 1° en 3°, en 2, gedurende een maximale tijdsduur van tweeënzeventig uur. Art. 29. Het lokaal of de kast zoals bedoeld in de artikels 27 en 28, inclusief de aanwezige producten, wordt beheerd door een houder van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». Art. 30. In afwijking van de artikels 27 en 28 slaan professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters producten voor professioneel gebruik waarvan op de erkenningsakte wordt vermeld dat gebruik uitsluitend is toegelaten door houders van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » op in een lokaal gelegen buiten de gebouwen waar mensen of dieren verblijven, dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 27, §§ 1 en 2. Dergelijk lokaal, inclusief de aanwezige producten, wordt beheerd door een houder van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». Dergelijk lokaal is uitsluitend toegankelijk voor : 1° houders van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik », « Specifiek professioneel gebruik », « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting »; 2° andere personen, mits aanwezigheid van minstens één in 1° bedoelde persoon, waarbij geldt dat, in verkooppunten, de producten voor professioneel gebruik niet toegankelijk zijn voor niet-professionele gebruikers. HOOFDSTUK 5. — Voorwaarden voor aanvraag, toekenning en vernieuwing van een fytolicentie Art. 31. Om in aanmerking te komen voor een toekenning van een fytolicentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet professioneel gebruik », « Assistent professioneel gebruik », « Professio neel gebruik » of « Distributie/Voorlichting », moet de aanvrager de volgende voorwaarden verenigen : 1° een natuurlijk persoon zijn; 2° meerderjarig zijn; 3° een grondige kennis bezitten van de onderwerpen in bijlage 3, rekening houdend met de specifieke taken en verantwoordelijkheden die de bepaalde fytolicentie omvat. De grondige kennis wordt aangetoond door middel van slagen voor een examen dat deze onderwerpen omhelst of door middel van het behalen van een diploma of getuigschrift dat deze onderwerpen omhelst. Een persoon die niet slaagt voor het examen kan zich slechts opnieuw voor dit examen aanbieden nadat hij de in artikel 33 bedoelde basisopleiding op regelmatige wijze heeft gevolgd. Indien het succesvol afgelegde examen of het behaalde diploma of getuigschrift langer dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag tot toekenning van een bepaalde fytolicentie werd behaald, dient de aanvrager tevens de deelname aan het in artikel 38 bedoelde aantal vormingsactiviteiten, naargelang de fytolicentie die wordt aange vraagd, aan te tonen. b) un symbole de danger approprié; c) l’identité et les coordonnées du gestionnaire du local ou de l’armoire visé à l’article 29. § 2. Les médicaments, substances nutritives, denrées alimentaires, aliments pour animaux ou autres matières destinées à la consommation humaine ou animale ne sont pas stockés dans l’armoire ou le local visés au paragraphe 1er. § 3. Le local ou l’armoire visés au paragraphe 1er sont accessibles uniquement aux : 1° titulaires d’une phytolicence « Assistant usage professionnel », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil »; 2° autres personnes, moyennant la présence d’au moins une per sonne visée au 1°, en s’assurant que dans les points de vente les produits à usage professionnel ne sont pas accessibles aux utilisateurs non professionnels. Art. 28. Par dérogation à l’article 27, et en cas d’absence lors d’une livraison de produits à usage professionnel, les utilisateurs profession nels peuvent faire stocker, pendant une durée maximale de septante deux heures, ces produits scellés dans un local, ou une armoire fermant à clé, différent de celui visé à l’article 27, mais satisfaisant aux conditions visées à l’article 27, §§ 1er, 1° et 3°, et 2. Art. 29. Le local ou l’armoire visés aux articles 27 et 28, en ce compris les produits s’y trouvant, sont gérés par un titulaire d’une phytolicence « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil ». Art. 30. Par dérogation aux articles 27 et 28, les utilisateurs profes sionnels, les distributeurs et les conseillers conservent les produits à usage professionnel dont l’acte d’agréation indique que l’usage est autorisé uniquement aux titulaires d’une phytolicence « Usage profes sionnel spécifique » dans un local situé en dehors des bâtiments occupés par des personnes ou par des animaux, qui répond aux conditions de l’article 27, §§ 1er et 2. Un tel local, ainsi que les produits s’y trouvant, sont gérés par un titulaire d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique » ou « Distribution/Conseil ». Un tel local est uniquement accessible aux : 1° titulaires d’une phytolicence « Assistant usage professionnel », « Usage professionnel spécifique », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil »; 2° autres personnes, moyennant la présence d’au moins une per sonne visée au 1°, en s’assurant que, dans les points de vente, les produits à usage professionnel ne sont pas accessibles aux utilisateurs non professionnels. CHAPITRE 5. — Conditions de demande, d’octroi et de renouvellement d’une phytolicence Art. 31. Afin d’entrer en ligne de compte pour l’obtention d’une phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non profes sionnel », « Assistant usage professionnel », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil », le demandeur doit réunir les conditions suivantes : 1° être une personne physique; 2° être majeur; 3° disposer d’une connaissance approfondie des matières de l’annexe 3 en tenant compte des tâches et responsabilités spécifiques de la phytolicence visée. La connaissance approfondie est attestée par la réussite d’un examen qui englobe ces matières ou par un diplôme ou un certificat qui englobe ces matières. Une personne échouant à l’examen ne peut repasser cet examen qu’après avoir suivi de façon régulière la formation initiale visée à l’article 33. Si la réussite de l’examen ou l’obtention du diplôme ou du certificat date de plus de six ans avant la demande d’octroi de la phytolicence visée, le demandeur doit également démontrer sa participation à l’ensemble des activités de formation visées à l’article 38, en fonction de la phytolicence demandée. 23389MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 32. Om in aanmerking te komen voor een toekenning van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik », moet de aanvrager de volgende voorwaarden verenigen : 1° een natuurlijk persoon zijn; 2° minstens eenentwintig jaar oud zijn; 3° beschikken over een lokaal zoals bedoeld in artikel 30; 4° een grondige kennis bezitten van de onderwerpen in bijlage 3, rekening houdend met de taken en de verantwoordelijkheden die de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » omvat. De grondige kennis wordt aangetoond door middel van slagen voor een examen voor de speciale jury zoals bedoeld in artikel 10 van het ministerieel besluit van 15 mei 2007 tot regeling van de erkenning van de ″speciaal erkende gebruikers″ ingesteld door het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en door het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden of door middel van het behalen van een diploma of getuigschrift dat deze onderwerpen omhelst. Een persoon die niet slaagt voor het examen kan zich slechts opnieuw voor dit examen aanbieden nadat hij de in artikel 33 bedoelde basisopleiding op regelmatige wijze heeft gevolgd. Indien het succesvol afgelegde examen of het behaalde diploma of getuigschrift langer dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag tot toekenning van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » werd behaald, dient de aanvrager tevens de deelname aan twee in artikel 38 bedoelde vormingsactiviteiten aan te tonen. Art. 33. De basisopleiding betreffende de fytolicentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet-professioneel gebruik », « Assistent professioneel gebruik », « Specifiek professioneel gebruik », « Professioneel gebruik », of « Distributie/Voorlichting » duurt respec tievelijk minimaal zestien, zestien, twintig, zestig en honderdtwintig uur en omvat minstens de onderwerpen in bijlage 3, rekening houdend met de taken en de verantwoordelijkheden van de houder van de fytolicentie. Art. 34. § 1. Een aanvraag tot een toekenning of een vernieuwing van een fytolicentie wordt gericht aan de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. § 2. Een aanvraag tot een toekenning of vernieuwing van een fytolicentie bevat minstens : 1° de identiteit, leeftijd en woonplaats van de aanvrager; 2° de benaming en adres van de onderneming waarvoor de aanvrager de bedrijvigheid uitoefent waarvoor hij een fytolicentie vraagt of voornemens is deze bedrijvigheid uit te oefenen, in voorko mend geval; 3° het adres van de plaats van elk in de artikels 27, § 1, 28 en 30 bedoeld lokaal of bedoelde kast waarvan de aanvrager voornemens is dit te beheren of beheert, in voorkomend geval; 4° het beroep van de aanvrager, in voorkomend geval. § 3. Onverminderd paragraaf 2 bevat een aanvraag tot een toeken ning van een fytolicentie het bewijs dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de artikels 31 of 32, naargelang de fytolicentie die wordt aangevraagd. § 4. Onverminderd paragraaf 2 bevat een aanvraag tot een vernieu wing van een fytolicentie het bewijs dat de houder van de fytolicentie heeft deelgenomen aan de in artikel 38 bedoelde aanvullende oplei ding. § 5. Een aanvraag tot vernieuwing van een fytolicentie wordt tijdig ingediend bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, te weten uiterlijk 30 kalenderdagen voor de einddatum van de geldigheidsduur van de fytolicentie. § 6. De eigenaar van een zoals in de artikels 27, § 1, 28 en 30 bedoeld lokaal of bedoelde kast dient volgende gegevens mee te delen aan de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu : 1° a) wanneer de eigenaar een rechtspersoon is : de maatschappelijke benaming en adres; b) wanneer de eigenaar een natuurlijke persoon is : zijn identiteit; 2° de aanduiding van het adres en de plaats in voorkomend geval van elk zoals in de artikels 27, § 1, 28 en 30 bedoeld lokaal of bedoelde kast; 3° de identiteit van de in artikelen 29 en 30 bedoelde beheerder van het lokaal of de kast, naargelang voorkomend geval. Art. 32. Afin d’entrer en ligne de compte pour l’obtention d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique », le demandeur doit réunir les conditions suivantes : 1° être une personne physique; 2° être âgé d’au moins vingt-et-un ans; 3° disposer d’un local comme celui visé à l’article 30; 4° disposer d’une connaissance approfondie des matières de l’annexe 3 en tenant compte des tâches et responsabilités spécifiques d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique ». La connaissance approfondie est attestée par la réussite d’un examen devant le jury spécial visé à l’article 10 de l’arrêté ministériel du 15 mai 2007 réglant l’agréation des « utilisateurs spécialement agréés » instituée par l’arrêté royal du 28 février 1994 concernant la conserva tion, la mise sur le marché et l’utilisation des pesticides à usage agricole et par l’arrêté royal du 22 mai 2003 concernant la mise sur le marché et l’utilisation des biocides ou par l’obtention d’un diplôme ou d’un certificat qui englobe ces sujets. Une personne qui échoue à l’examen ne peut repasser cet examen qu’après avoir suivi de façon régulière la formation initiale, visée à l’article 33. Si la réussite de l’examen ou l’obtention du diplôme ou du certificat date de plus de six ans avant la demande d’octroi d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique », le demandeur doit également démontrer sa participation à deux activités de formation visées à l’article 38. Art. 33. La formation initiale concernant la phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non professionnel », « Assis tant usage professionnel », « Usage professionnel spécifique », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil » dure respectivement au minimum seize, seize, vingt, soixante et cent vingt heures et comprend au moins les matières de l’annexe 3, tout en tenant compte des tâches et responsabilités du titulaire de la phytolicence. Art. 34. § 1er. Une demande d’obtention ou de renouvellement d’une phytolicence est adressée au Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement. § 2. Une demande d’obtention ou de renouvellement d’une phytoli cence comporte au moins : 1° l’identité, l’âge et le domicile du demandeur; 2° le nom et l’adresse de l’entreprise pour laquelle le demandeur exerce ou souhaite exercer l’activité qui fait l’objet de sa demande d’obtention d’une phytolicence, le cas échéant; 3° l’adresse du lieu de chaque local ou armoire visé aux articles 27, § 1er, 28 et 30, dont le demandeur assume ou souhaite assumer la gestion, le cas échéant; 4° la profession du demandeur, le cas échéant. § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, une demande d’obtention d’une phytolicence comporte, selon la phytolicence demandée, la preuve que le demandeur répond aux conditions des articles 31 ou 32. § 4. Sans préjudice du paragraphe 2, une demande de renouvelle ment d’une phytolicence comporte la preuve que le titulaire de la phytolicence a participé à la formation continue visée à l’article 38. § 5. Une demande de renouvellement d’une phytolicence est introduite en temps voulu auprès du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, à savoir au plus tard trente jours calendrier avant l’échéance de la phytolicence. § 6. Le propriétaire d’une armoire ou d’un local comme visé aux articles 27, § 1er, 28 et 30 est tenu de communiquer les données suivantes au Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement : 1° a) si le propriétaire est une personne morale : la raison sociale et l’adresse; b) si le propriétaire est une personne physique : son identité; 2° l’indication de l’adresse et de l’emplacement, le cas échéant, de chaque armoire ou local visé aux articles 27, § 1er, 28 et 30; 3° l’identité du gestionnaire de l’armoire ou du local visé aux articles 29 et 30 selon le cas. 23390 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD § 7. De houder van een fytolicentie deelt elke wijziging van de in paragraaf 2 bedoelde gegevens binnen twintig kalenderdagen aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedsel keten en Leefmilieu mee; De eigenaar van een zoals in de artikelen 27, § 1, 28 en 30 bedoeld lokaal of bedoelde kast deelt elke wijziging van de in paragraaf 6 bedoelde gegevens binnen twintig kalenderdagen aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu mee. Art. 35. De door de minister gemachtigde ambtenaar onderzoekt de aanvraag tot toekenning of tot vernieuwing van een fytolicentie zoals bedoeld in artikel 34. De daartoe gemachtigde ambtenaar kan zich laten bijstaan door ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Volksge zondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, daartoe door hun respectievelijke ministers aangewezen. Art. 36. § 1. Een fytolicentie wordt toegekend of vernieuwd door de door de minister gemachtigde ambtenaar. § 2. Een toekenning of vernieuwing van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » kan worden beperkt tot : 1° één of meerdere producten voor professioneel gebruik waarvan op de erkenningsakte wordt vermeld dat gebruik uitsluitend is toegelaten voor houders van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik »; 2° een bepaald gebruik; 3° een bepaalde plaats; 4° een bepaalde hoeveelheid; 5° een bepaalde duur. Art. 37. § 1. Een fytolicentie wordt toegekend voor een duur van zes jaar. § 2. Een fytolicentie kan een onbeperkt aantal keer worden ver nieuwd voor een duur van telkens zes jaar. Art. 38. De aanvullende opleiding betreffende de fytolicentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet-professioneel gebruik », « Assistent professioneel gebruik », « Specifiek professioneel gebruik », « Professioneel gebruik », of « Distributie/Voorlichting » omvat deel name aan respectievelijk twee, drie, twee, vier en zes vormingsactivi teiten, handelend over één of meerdere onderwerpen van bijlage 3, rekening houdend met de taken en de verantwoordelijkheden van de houder van de fytolicentie. Art. 39. § 1. Wanneer een gevraagde toekenning of vernieuwing van een fytolicentie niet wordt toegestaan, brengt de door de minister gemachtigde ambtenaar de beslissing van weigering van toekenning of vernieuwing van de fytolicentie bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene. § 2. Wanneer er een aanwijzing bestaat dat het bewijs zoals bedoeld in artikel 34, §§ 3 of 4, ongeldig is of dat de verplichting van artikel 34, §§ 6 en 7, niet wordt nageleefd, kan de door de minister gemachtigde ambtenaar beslissen de fytolicentie in te trekken. De beslissing tot intrekking van de fytolicentie wordt bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene gebracht. De intrekking van de fytolicentie heeft uitwerking de zestigste kalenderdag na het versturen van dit ter post aangetekend schrijven. Is inmiddels gebleken dat de reden van de intrekking is weggevallen, dan kan de door de minister gemachtigde ambtenaar de beslissing tot intrekking annuleren. § 3. De betrokkene kan beroep instellen tegen de in de paragrafen 1 of 2 bedoelde beslissing. Daartoe dient de betrokkene een bezwaar schrift tegen die beslissing in dat deze bij een ter post aangetekend schrijven binnen dertig kalenderdagen na het versturen van het in de paragrafen 1 of 2 bedoelde ter post aangetekend schrijven aan de door de minister gemachtigde ambtenaar richt. Het bezwaarschrift is gemotiveerd in feite en rechte en vergezeld van alle nuttige bewijsstuk ken. De voornoemde ambtenaar kan op gemotiveerd verzoek van de betrokkene de in paragraaf 2 bedoelde termijn hoogstens verlengen tot afloop van de in paragraaf 4 bedoelde procedure. Het bezwaarschrift wordt zonder uitstel voor advies meegedeeld aan het Erkenningscomité. § 7. Le titulaire d’une phytolicence notifie dans les vingt jours calendrier au Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, chaque modification des don nées visées au paragraphe 2; Le propriétaire d’une armoire ou d’un local comme visé aux articles 27, § 1er, 28 et 30 notifie dans les vingt jours calendrier au Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, chaque modification des données visées au paragra phe 6. Art. 35. Le fonctionnaire mandaté par le ministre examine la demande d’obtention ou de renouvellement de la phytolicence, comme visé à l’article 34. Le fonctionnaire mandaté à cet effet peut se faire assister par des fonctionnaires du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et du Service publique fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, nommés à cet effet par leurs ministres respectifs. Art. 36. § 1er. Une phytolicence est octroyée ou renouvelée par le fonctionnaire mandaté par le ministre. § 2. Un octroi ou un renouvellement d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique » peut être limité à : 1° un ou plusieurs produits à usage professionnel dont l’acte d’agréation indique que l’usage est réservé uniquement aux titulaires d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique »; 2° un usage déterminé; 3° un endroit déterminé; 4° une quantité définie; 5° une durée déterminée. Art. 37. § 1er. Une phytolicence est octroyée pour une durée de six ans. § 2. Une phytolicence peut être renouvelée un nombre de fois illimité pour une durée de six ans à chaque fois. Art. 38. La formation continue concernant la phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non professionnel », « Assis tant usage professionnel », « Usage professionnel spécifique », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil » implique la participation à respectivement deux, trois, deux, quatre et six activités de formation qui traitent d’un ou de plusieurs sujets de l’annexe 3, tout en tenant compte des tâches et responsabilités du titulaire de la phytolicence. Art. 39. § 1er. Lorsqu’une demande d’obtention ou de renouvelle ment d’une phytolicence est refusée, le fonctionnaire mandaté par le ministre notifie à la personne concernée la décision du refus de l’octroi ou de renouvellement, par une lettre recommandée à la poste. § 2. Lorsqu’il existe une indication selon laquelle la preuve visée à l’article 34, §§ 3 ou 4, n’est pas valable ou si l’obligation visée à l’article 34, §§ 6 et 7, n’est plus respectée, le fonctionnaire mandaté par le ministre peut prendre la décision de retirer la phytolicence. La décision de retrait de la phytolicence est notifiée à la personne concernée par une lettre recommandée à la poste. Le retrait de la phytolicence entre en vigueur le soixantième jour calendrier qui suit l’envoi de cette lettre recommandée à la poste. S’il s’est avéré entretemps que le motif du retrait a disparu, le fonctionnaire mandaté par le ministre peut annuler la décision de retrait. § 3. La personne concernée peut faire appel de la décision visée aux paragraphes 1er ou 2. À cet effet, elle introduit une réclamation contre la décision par lettre recommandée à la poste, adressée au fonctionnaire mandaté par le ministre dans les trente jours calendrier qui suivent l’envoi de la lettre recommandée à la poste visée aux paragraphes 1er ou 2. La réclamation est motivée en droit et en fait et accompagnée de toutes les pièces justificatives utiles. À la demande motivée de la personne concernée, le fonctionnaire susmentionné peut prolonger la période visée au paragraphe 2 jusqu’à la date d’échéance de la procédure visée au paragraphe 4. La réclamation est transmise sans délai pour avis au Comité d’agréation. 23391MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD § 4. Het Erkenningscomité onderzoekt de zaak neutraal en onafhan kelijk binnen zestig kalenderdagen na ontvangst van het bezwaar schrift, op dag en uur door haar voorzitter vastgesteld. Binnen dertig kalenderdagen daarop volgend deelt het Erkenningscomité haar advies mee aan de minister. De betrokkene wordt gehoord of tenminste behoorlijk opgeroepen voordat een advies wordt verleend, waarbij de betrokkene zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een hiertoe toegelaten gevolmachtigde. Het Erkenningscomité kan alle betrokken partijen horen of om aanvullende inlichtingen vragen en beroep doen op de medewerking van andere bevoegde personen. De minister brengt de beslissing bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene. Art. 40. § 1. De minister of de hiertoe gemachtigde ambtenaar kan de fytolicentie intrekken of een waarschuwing geven aan de houder van de fytolicentie wanneer er een aanwijzing bestaat dat de houder minstens één van de voorziene verplichtingen van de volgende artikels niet naleeft : artikel 4 en de artikelen 9 tot en met 32 van dit besluit; de artikelen 53, 54, 55 en 59 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik; de artikelen 5, 6, 7 tot en met 20, en 23 van het koninklijk besluit van 14 januari 1992 houdende reglementering van begassingen; artikel 55 van de verordening. § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen, leeft de minister of de hiertoe gemachtigde ambtenaar de volgende regels na : 1° de door de bevoegde controledienst relevante verstrekte informa tie wordt geëvalueerd door de door de minister gemachtigde ambte naar. Deze ambtenaar kan zich bij de evaluatie laten bijstaan door ambtenaren van de bevoegde controledienst en door ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en de Federale Overheidsdienst Werkgele genheid, Arbeid en Sociaal Overleg, daartoe door hun respectievelijke ministers aangewezen; 2° de door de minister gemachtigde ambtenaar brengt een beslissing tot het geven van een waarschuwing of tot intrekking van de fytolicentie bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene. De intrekking van de fytolicentie heeft uitwerking de zestigste kalenderdag na het versturen van dit ter post aangetekend schrijven. Is inmiddels gebleken dat de reden van de intrekking is weggevallen, dan kan de door de minister gemachtigde ambtenaar de beslissing tot intrekking annuleren; 3° de betrokkene kan beroep instellen tegen een beslissing tot intrekking van de fytolicentie. Daartoe dient de betrokkene een bezwaarschrift tegen die beslissing in dat deze bij een ter post aangetekend schrijven binnen dertig kalenderdagen na het versturen van het in 2° bedoelde ter post aangetekend schrijven aan de door de minister gemachtigde ambtenaar richt. Het bezwaarschrift is gemoti veerd in feite en rechte en vergezeld van alle nuttige bewijsstukken. De voornoemde ambtenaar kan op gemotiveerd verzoek van de betrokkene de in 2° bedoelde termijn hoogstens verlengen tot afloop van de in 4° en 5° bedoelde procedure. Het bezwaarschrift wordt zonder uitstel voor advies meegedeeld aan het Erkenningscomité; 4° het Erkenningscomité verleent haar advies zoals in artikel 39, § 4 is bepaald; 5° de minister brengt de beslissing bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene. § 4. Le Comité d’agréation examine l’affaire de façon neutre et indépendante dans les soixante jours calendrier qui suivent la réception de la réclamation, au jour et heures fixés par son président. Dans les trente jours calendrier qui suivent, le Comité d’agréation communique son avis au ministre. La personne concernée est entendue ou à tout le moins dûment convoquée avant qu’un avis ne soit émis; elle peut se faire assister ou représenter par un avocat ou par un mandataire autorisé à cet effet. Le Comité d’agréation peut entendre toutes les parties concernées ou leur demander des renseignements complémentaires ainsi que faire appel à la collaboration d’autres personnes compétentes. Le ministre notifie la décision à la personne concernée par une lettre recommandée à la poste. Art. 40. § 1er. Le ministre ou le fonctionnaire qu’il délègue à cette fin peut retirer la phytolicence ou donner un avertissement au titulaire de la phytolicence lorsqu’il existe un indice selon lequel le titulaire ne respecte pas au moins une des obligations prévues aux articles suivants : l’article 4 et les articles 9 à 32 inclus du présent arrêté; les articles 53, 54, 55 et 59 de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole; les articles 5, 6, 7 à 20 inclus, et 23 de l’arrêté royal du 14 janvier 1992 réglementant les fumigations; l’article 55 du règlement. § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, le ministre ou le fonctionnaire qu’il délègue à cette fin respecte les règles suivantes : 1° les informations pertinentes émises par le service de contrôle compétent sont évaluées par le fonctionnaire mandaté par le ministre. Ce fonctionnaire peut se faire assister dans cette évaluation par des fonctionnaires du service de contrôle compétent et par des fonctionnai res du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, désignés à cet effet par leurs ministres respectifs; 2° le fonctionnaire mandaté par le ministre notifie à l’intéressé par une lettre recommandée à la poste l’avertissement ou les motifs sur lesquels il estime devoir fonder le retrait. Le retrait de la phytolicence entre en vigueur le soixantième jour calendrier après l’envoi de cette lettre recommandée à la poste. S’il s’est avéré entretemps que le motif du retrait a disparu, le fonctionnaire mandaté par le ministre peut annuler la décision de retrait; 3° l’intéressé peut faire appel d’une décision de retrait de la phytolicence. À cet effet, il introduit une réclamation contre la décision par lettre recommandée à la poste, adressée au fonctionnaire mandaté par le ministre dans les trente jours calendrier qui suivent l’envoi de la lettre recommandée à la poste visée au 2°. La réclamation est motivée en droit et en fait et accompagnée de toutes les pièces justificatives utiles. À la demande motivée de la personne concernée, le fonctionnaire susmentionné peut prolonger la période visée au 2°, tout au plus jusqu’à la date d’échéance de la procédure visée aux 4° et 5°. La réclamation est transmise sans délai pour avis au Comité d’agréation; 4° le Comité d’agréation émet son avis conformément à l’article 39, § 4; 5° le ministre notifie la décision à la personne concernée par une lettre recommandée à la poste. 23392 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD § 3. Wanneer de volksgezondheid of het leefmilieu zulks vereist kan de minister of de door de minister gemachtigde ambtenaar de fytolicentie met onmiddellijke ingang schorsen. In dat geval brengt de minister of de door de minister gemachtigde ambtenaar onverwijld de beslissing tot onmiddellijke schorsing ter kennis van de betrokkene bij een ter post aangetekend schrijven en stelt de bij de paragrafen 1 en 2 bepaalde procedure van intrekking in. HOOFDSTUK 6. — Bepalingen betreffende de maatregelen tot bescherming van werknemers Art. 41. De werkgevers en de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn verplicht volgende bijzondere voorschriften in acht te nemen : 1° wat betreft producten : a) producten worden in hun oorspronkelijke verpakking behouden; b) onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmid delen, beschikken de werknemers die bij de behandeling met produc ten zijn betrokken of aan de werking van producten kunnen blootstaan, minstens over de beschermingsuitrusting die vermeld is op de verpakking, op het op de verpakking bevestigde etiket of op de bijsluiter; c) elk werktuig, voorwerp of voertuig dat een bezoedeling door een product vertoont, wordt na afloop van gebruik van een product zodoende gereinigd om de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op te heffen of tot een minimum te verkleinen; d) de ledig gemaakte verpakkingen worden onschadelijk gemaakt op de wijze die aangeduid is op de verpakking of op de aan de verpakking gehechte afzonderlijke bijsluiter; e) het waswater en de behandelingsoverschotten worden opgevan gen en behandeld zodoende de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op te heffen of tot een minimum te verkleinen; f) onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk, de werknemers die aan de werking van producten kunnen blootstaan inlichten over de in acht te nemen veiligheids- en gezond heidsmaatregelen; 2° wat betreft producten voor professioneel gebruik waarvan op de erkenningsakte wordt vermeld dat gebruik uitsluitend is toegelaten voor de houders van de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » : a) het gebruik en de behandeling van deze producten enkel toevertrouwen aan personen die beschikken over de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik »; b) de bewaring van deze producten enkel toevertrouwen aan personen die beschikken over de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting »; c) werknemers die niet beschikken over de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting » verbieden deel te nemen aan de werkzaamheden en de kans op blootstelling aan de gevaren die deze producten eigen zijn, opheffen of tot een minimum herleiden. Art. 42. De maatregelen die de werkgevers ter nakoming van de hun bij artikel 41 opgelegde verplichtingen nemen, worden in overleg met het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk of bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging en bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging de werknemers zelf overeenkomstig arti kel 53 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, alsook met de bevoegde preventieadviseurs, uitgewerkt en na uitwerking aan hen meegedeeld. Art. 43. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de sociaal inspecteurs van de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg, belast met het toezicht op de naleving en het vaststellen van de overtredingen op de bepalingen inzake de bescherming van de gezondheid van de werknemers onder dit hoofdstuk. § 3. Si la santé publique ou l’environnement le requiert, le ministre ou le fonctionnaire qu’il délègue à cette fin peut suspendre la phytolicence immédiatement. Dans ce cas, le ministre ou le fonctionnaire qu’il délègue à cette fin notifie sans délai sa décision de suspension immédiate à l’intéressé par une lettre recommandée à la poste et engage la procédure de retrait prévue aux paragraphes 1er et 2. CHAPITRE 6. — Dispositions relatives aux mesures de protection des travailleurs Art. 41. Les employeurs et les personnes assimilées, visés à l’article 2 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, sont tenus de respecter les mesures de précaution suivantes : 1° en ce qui concerne les produits : a) les produits sont conservés dans leur emballage original; b) sans préjudice des dispositions de l’arrêté royal du 13 juin 2005 relatif à l’utilisation des équipements de protection individuelle, les travailleurs concernés par le traitement avec les produits ou qui peuvent être exposés aux effets des produits, disposent au moins de l’équipement de protection qui est indiqué sur l’emballage ou sur l’étiquette ou la notice jointe à l’emballage; c) chaque instrument de travail, objet ou véhicule présentant des souillures de produit, doit être nettoyé après chaque usage de produits, afin de lever ou de réduire à un minimum les risques liés à la santé et la sécurité des travailleurs; d) les emballages vidés de leur contenu sont rendus inoffensifs en se conformant aux indications figurant sur l’emballage ou sur la notice séparée; e) les eaux de lavage ainsi que les surplus de traitement sont recueillis et traités de manière à supprimer ou réduire au maximum les risques liés à la santé et la sécurité des travailleurs; f) sans préjudice des dispositions de l’arrêté royal du 11 mars 2002 relatif à la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs contre les risques liés à des agents chimiques sur le lieu de travail, les travailleurs qui peuvent être exposés aux effets des produits en cause sont informés des mesures de sécurité et de santé à observer; 2° en ce qui concerne les produits à usage professionnel dont l’acte d’agréation indique que l’usage en est uniquement réservé aux titulaires d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique » : a) confier l’utilisation et le traitement de ces produits uniquement aux personnes disposant d’une phytolicence « Usage professionnel spécifi que »; b) confier la conservation de ces produits uniquement aux personnes disposant d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique » ou « Distribution/Conseil »; c) interdire les travailleurs ne disposant pas de la phytolicence « Usage professionnel spécifique » ou « Distribution/Conseil » de par ticiper à des travaux et lever ou réduire à un minimum le risque d’exposition aux dangers propres à ces produits. Art. 42. Les mesures que les employeurs prennent pour satisfaire aux obligations qui leur sont imposées par l’article 41 sont élaborées et communiquées aux personnes susmentionnées, en concertation avec le Comité pour la prévention et la protection au Travail ou à défaut de celui-ci, la délégation syndicale, et à défaut d’une délégation syndicale, avec les travailleurs eux-mêmes, conformément à l’article 53 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, ainsi qu’avec les conseillers en prévention compétents. Art. 43. Sans préjudice des attributions des officiers de la police judiciaire, les inspecteurs sociaux de la Direction générale Contrôle du bien-être au travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, sont chargés de surveiller l’exécution et de constater les infractions aux dispositions concernant la protection de la santé des travailleurs, reprisent sous le présent chapitre. 23393MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD HOOFDSTUK 7. — Opheffingsbepalingen Art. 44. § 1. De artikelen 62 tot en met 64, de artikelen 66 tot en met 75, en de artikelen 77 tot en met 80 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik worden opgeheven. § 2. Volgende opschriften van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik worden opgehe ven : 1° het opschrift van afdeling 1, afdeling 2 en afdeling 3 van hoofdstuk VI; 2° het opschrift van hoofdstuk VII. § 3. Het opschrift van afdeling 4 van hoofdstuk VI van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouw kundig gebruik wordt vervangen als volgt : « Afdeling 4. — Kleuring van de bestrijdingsmiddelen voor land bouwkundig gebruik ». Art. 45. Artikel 61 van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik wordt opgeheven. Art. 46. Het ministerieel besluit van 4 mei 1977 ter uitvoering van het artikel 41, eerste paragraaf, 1°, c, van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten wordt opgehe ven. Art. 47. Het ministerieel besluit van 5 januari 1977 houdende benoeming van de leden van de Consultatieve commissie, opgericht krachtens artikel 45 van het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrij dingsmiddelen en fytofarmaceutische producten wordt opgeheven. HOOFDSTUK 8. — Strafbepalingen Art. 48. § 1. De overtredingen van de bepalingen van dit besluit met uitzondering van hoofdstuk 6, worden opgespoord, vastgesteld, ver volgd en gestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid en de werknemers. § 2. De overtredingen van de bepalingen van hoofdstuk 6 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Straf wetboek. HOOFDSTUK 9. — Overgangsbepalingen Art. 49. § 1. De begindatum van de fytolicenties die conform arti kel 34, §§ 2 en 3, worden aangevraagd gedurende de overgangsperiode, is 25 november 2015. § 2. De overgangsperiode geldt van 1 september 2013 tot 31 augus tus 2015. Art. 50. In afwijking van artikel 37, § 1, gelden volgende geldigheids duren voor fytolicenties, aangevraagd in toepassing van de in de artikels 51 tot en met 56 bedoelde overgangsmaatregelen : 1° zeven jaar voor de fytolicenties aangevraagd in de periode 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014; 2° zes jaar voor de fytolicenties aangevraagd in de periode 1 septem ber 2014 tot en met 28 februari 2015; 3° vijf jaar voor de fytolicenties aangevraagd in de periode 1 maart 2015 tot en met 31 augustus 2015. Art. 51. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke personen die genieten van een erkenning als « erkend verkoper », die beschikken over een diploma dat in aanmerking komt voor het bekomen van een erkenning als « erkend verkoper », of die als verantwoordelijk personeelslid worden vermeld op een erkenning als « erkend verkoper » verleend aan een rechtspersoon, afgeleverd in toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrij dingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet-professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». CHAPITRE 7. — Dispositions abrogatoires Art. 44. § 1er. Les articles 62 à 64 inclus, les articles 66 à 75 inclus, et les articles 77 à 80 inclus de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole sont abrogés. § 2. Les intitulés suivants de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole sont abrogés : 1° l’intitulé de la section 1re, section 2 et section 3 du chapitre VI; 2° l’intitulé du chapitre VII. § 3. L’intitulé de la section 4 du chapitre VI de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole est remplacé par ce qui suit : « Section 4. — Coloration des pesticides à usage agricole ». Art. 45. L’article 61 de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole est abrogé. Art. 46. L’arrêté ministériel du 4 mai 1977 portant exécution de l’article 41, paragraphe 1er, 1°, c, de l’arrêté royal du 5 juin 1975 relatif à la conservation, au commerce et à l’utilisation des pesticides et des produits phytopharmaceutiques est abrogé. Art. 47. L’arrêté ministériel du 5 janvier 1977 portant nomination des membres de la Commission consultative instituée en vertu de l’article 45 de l’arrêté royal du 5 juin 1975 relatif à la conservation, au commerce et à l’utilisation des pesticides et des produits phytophar maceutiques est abrogé. CHAPITRE 8. — Dispositions pénales Art. 48. § 1er. Les infractions aux dispositions du présent arrêté, à l’exception du chapitre 6, sont recherchées, constatées, poursuivies et punies conformément aux dispositions de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l’environnement, de la santé et des travailleurs. § 2. Les infractions aux dispositions du chapitre 6 sont recherchées, constatées et punies conformément aux dispositions du Code pénal social. CHAPITRE 9. — Dispositions transitoires Art. 49. § 1er. La date d’entrée en vigueur des phytolicences demandées conformément à l’article 34, §§ 2 et 3, pendant la période transitoire, est le 25 novembre 2015. § 2. La période transitoire s’étend du 1er septembre 2013 au 31 août 2015. Art. 50. Par dérogation à l’article 37, § 1er, les durées de validité suivantes sont d’application pour les phytolicences demandées en application des mesures transitoires visées aux articles 51 à 56 inclus : 1° sept ans pour les phytolicences demandées pendant la période du 1er septembre 2013 au 31 août 2014 inclus; 2° six ans pour les phytolicences demandées pendant la période du 1er septembre 2014 au 28 février 2015 inclus; 3° cinq ans pour les phytolicences demandées pendant la période du 1er mars 2015 au 31 août 2015 inclus. Art. 51. Pendant la période transitoire, toute personne physique bénéficiant d’une agréation en tant que « vendeur agréé », disposant d’un diplôme qui entre en ligne de compte pour l’obtention d’une agréation en tant que « vendeur agréé » ou faisant partie du personnel responsable, mentionné dans une agréation de « vendeur agréé » octroyée à une personne morale, délivrée en application de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole, est considérée comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors de la demande d’une phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non professionnel » ou « Distribution/Conseil ». 23394 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 52. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke personen die genieten van een erkenning als « erkend gebruiker », die beschikken over een diploma dat in aanmerking komt voor het bekomen van een erkenning als « erkend gebruiker », of die als verantwoordelijk personeelslid worden vermeld op een erkenning als « erkend gebruiker » verleend aan een rechtspersoon, afgeleverd in toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrij dingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » , « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». Art. 53. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke personen die genieten van een erkenning als « speciaal erkend gebruiker », die beschikken over een diploma dat in aanmerking komt voor het bekomen van een erkenning als « speciaal erkend gebruiker », of die als verantwoordelijk personeelslid worden vermeld op een erkenning als « speciaal erkend gebruiker » verleend aan een rechts persoon, afgeleverd in toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik ». Indien de erkenning als « speciaal erkend gebruiker » is beperkt tot één of meerdere producten, een bepaald gebruik, plaats, duur of hoeveelheid, dan wordt de fytolicentie « Specifiek professioneel gebruik » overeenkomstig beperkt. Art. 54. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke personen die in het kader van hun beroepsactiviteit beschikken over minimum vijf jaar erkende ervaring in verband met het geven van voorlichting over bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik behorend tot klasse A of B, of bestrijdingsmiddelen voor landbouw kundig gebruik erkend voor professioneel gebruik, in toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Distributie/Voorlichting ». Art. 55. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke personen die in het kader van hun beroepsactiviteit beschikken over minimum twee jaar erkende ervaring in verband met het distribueren of het geven van voorlichting over bestrijdingsmiddelen voor land bouwkundig gebruik bestemd voor niet-professioneel gebruik, in toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrij dingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Distributie/Voorlichting producten voor niet-professioneel gebruik ». Art. 56. § 1. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke personen die in het kader van hun beroepsactiviteit beschikken over minimum twee jaar erkende ervaring in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik behorend tot klasse A of B, of bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik erkend voor professioneel gebruik, in toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouw kundig gebruik, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » of « Professioneel gebruik ». § 2. Gedurende de overgangsperiode worden de natuurlijke perso nen die beschikken over een geschikt en overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen gevalideerd autocontrolesys teem, beschouwd als te voldoen aan artikel 34, § 3, bij aanvraag van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » of « Professioneel gebruik ». § 3. Een aanvraag tot een toekenning van een fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » gebeurt door de in artikel 21, § 1, bedoelde houder van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». HOOFDSTUK 10. — Slotbepalingen Art. 57. De artikelen 12 tot en met 30, de artikelen 40 tot en met 44, en de artikelen 46 en 47 treden in werking op 25 november 2015. Art. 58. De ministers kunnen de bijlagen bij dit besluit aanvullen en wijzigen om ze gelijkvormig te maken met de akten van de instellingen van de Europese Unie. Art. 52. Pendant la période transitoire, toute personne physique, bénéficiant d’une agréation en tant que « utilisateur agréé », disposant d’un diplôme qui entre en ligne de compte pour l’obtention d’une agréation en tant qu’ « utilisateur agréé » ou faisant partie du personnel responsable mentionné dans une agréation de « utilisateur agréé » octroyée à une personne morale, délivrée en application de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole, est considérée comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors de la demande d’une phytolicence « Assistant usage professionnel », « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil ». Art. 53. Pendant la période transitoire, toute personne physique bénéficiant d’une agréation en tant que « utilisateur spécialement agréé », disposant d’un diplôme qui entre en ligne de compte pour l’obtention d’une agréation en tant qu’ « utilisateur spécialement agréé » ou faisant partie du personnel responsable mentionné en tant que « utilisateur spécialement agréé » dans une agréation octroyée à une personne morale, délivrée en application de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole, est considérée comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors de la demande d’une phytolicence « Usage professionnel spécifique ». Si l’agréation « utilisateur spécialement agrée » est limitée à un ou plusieurs produits, à un usage, un endroit, une durée ou une quantité déterminée, la phytolicence « Usage professionnel spécifique » sera limitée en conséquence. Art. 54. Pendant la période transitoire, les personnes physiques, disposant dans le cadre de leur activité professionnelle d’au moins cinq ans d’expérience reconnue en rapport avec les conseils des pesticides à usage agricole appartenant à la classe A ou B, ou les pesticides à usage agricole agréé pour un usage professionnel, en application de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole, sont considérées comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors de la demande d’une phytolicence « Distribution/Conseil ». Art. 55. Pendant la période transitoire, les personnes physiques, disposant dans le cadre de leur activité professionnelle d’au moins deux ans d’expérience reconnue en rapport avec la distribution ou les conseils des pesticides à usage agricole à destination d’utilisateur non professionnel, en application de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole, sont considérées comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors d’une demande de la phytolicence « Distribution/Conseil de produits à usage non professionnel ». Art. 56. § 1er. Pendant la période transitoire, les personnes physi ques, disposant dans le cadre de leur activité professionnelle d’au moins deux ans d’expérience reconnue en rapport avec l’utilisation des pesticides à usage agricole appartenant à la classe A ou B, ou les pesticides à usage agricole agréés pour un usage professionnel, en application de l’arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l’utilisation des pesticides à usage agricole sont considérées comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors d’une demande de la phytolicence « Assistant usage professionnel » ou « Usage professionnel ». § 2. Pendant la période transitoire, les personnes physiques disposant d’un système d’autocontrôle adéquat, et validé conformément l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’autocontrôle, à la notification obligatoire et à la traçabilité dans la chaîne alimentaire, sont considérées comme ayant satisfait à l’article 34, § 3, lors d’une demande de la phytolicence « Assistant usage professionnel » ou « Usage profession nel ». § 3. Une demande d’octroi d’une phytolicence « Assistant usage professionnel » est effectuée par le titulaire d’une phytolicence « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil » visé à l’article 21, § 1er. CHAPITRE 10. — Dispositions finales Art. 57. Les articles 12 à 30 inclus, les articles 40 à 44 inclus, et les articles 46 et 47 entrent en vigueur le 25 novembre 2015. Art. 58. Les ministres peuvent, en vue de les rendre conformes aux actes des institutions de l’Union européenne, compléter et modifier les annexes au présent arrêté. 23395MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Art. 59. De minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, de minister bevoegd voor Volksgezondheid, de minister bevoegd voor Landbouw en voor Middenstand en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 19 maart 2013. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, J. VANDE LANOTTE De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw en van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK De Staatssecretaris voor Leefmilieu, M. WATHELET Annexe 1re à l’arrêté royal du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable Conditions préalables à l’exemption d’interdiction de pulvérisation aérienne mentionnée à l’article 4 1. La pulvérisation aérienne ne peut être autorisée que dans des cas particuliers, sous réserve que les conditions ci-après soient remplies : a) il ne doit pas y avoir d’autre solution viable, ou la pulvérisation aérienne doit présenter des avantages manifestes, du point de vue des incidences sur la santé humaine et l’environnement, par rapport à l’application terrestre des produits; b) les produits utilisés doivent être expressément approuvés pour la pulvérisation aérienne à la suite d’une évaluation spécifique des risques liés à la pulvérisation aérienne par le Comité d’agréation. Les produits suivants ne sont pas utilisés : 1° les produits classés comme très toxiques, toxiques ou corrosifs; 2° les herbicides à base de phytohormones (2,4-D, MCPA, mécoprop-P, dichlorprop-P, MCPB, ) ou des produits à action similaire; c) l’opérateur qui effectue la pulvérisation aérienne doit être titulaire d’une phytolicence Usage professionnel’ ou Distribution/Conseil’. Au cours de la période transitoire pendant laquelle le système de phytolicence n’est pas encore en place, d’autres preuves de connaissance suffisante peuvent être acceptées; d) l’entreprise responsable de la pulvérisation aérienne dispose : 1° d’un certificat délivré par une autorité compétente d’un Etat-membre pour délivrer des autorisations d’utilisation de matériel et d’aéronefs pour la pulvérisation aérienne de pesticides ou d’un enregistrement comme opérateur en application de l’arrêté royal de 16 janvier 2006 fixant les modalités des agréments, des autorisations et des enregistrements préalables délivrés par l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, et 2° d’un aéronef apte à la pulvérisation aérienne; e) seul un hélicoptère équipé de matériel de pulvérisation répondant aux critères de l’arrêté royal du 13 mars 2011 relatif au contrôle obligatoire des pulvérisateurs et modifiant l’arrêté royal du 10 novembre 2005 relatif aux rétributions visées à l’article 5 de la loi du 9 décembre 2004 portant financement de l’Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire est considéré apte à la pulvérisation aérienne; f) si la zone à pulvériser est à proximité immédiate de zones ouvertes au public, l’autorisation comprend des mesures particulières de gestion de risques afin de s’assurer de l’absence d’effets nocifs pour la santé des personnes tierces. La zone à pulvériser n’est pas à proximité immédiate de zones résidentielles. La distance de la bordure du champ traité aux zones habitées, zones industrielles, campings et zones protégées est de trois-cents mètres minimum; elle est de cinquante mètres au moins par rapport aux habitations isolées et dans ce cas le traitement n’intervient que si le vent est orienté de la maison vers le champ; g) à compter de 2013, l’aéronef est équipé d’accessoires qui constituent la meilleure technologie disponible pour réduire la dérive de la pulvérisation; h) la superficie de la parcelle à traiter atteint au moins trois hectares d’un seul tenant; i) l’exploitant de la parcelle à traiter est au courant du projet de pulvérisation et a marqué son accord pour que l’application se fasse par pulvérisation aérienne; j) l’entreprise responsable du traitement fait la preuve de la souscription d’une assurance couvrant les risques qui pourraient résulter du traitement pour les personnes, leurs biens et l’environnement. Art. 59. Le ministre qui a l’Economie dans ses attributions, le ministre qui a l’Intérieur dans ses attributions, le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, le ministre qui a l’Agriculture et les Classes moyennes dans ses attributions et le ministre qui a l’Emploi dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 19 mars 2013. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Economie, J. VANDE LANOTTE La Ministre de l’Intérieur, Mme J. MILQUET La Ministre de la Santé publique, Mme Laurette ONKELINX La Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Mme S. LARUELLE La Ministre de l’Emploi, Mme M. DE CONINCK Le Secrétaire d’Etat à l’Environnement, M. WATHELET 23396 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 2. Sans préjudice des dispositions de la réglementation de la navigation aérienne, tout traitement par pulvérisation aérienne requiert l’autorisation préalable du ministre, sur avis du Comité d’agréation. 3. Tout utilisateur professionnel souhaitant appliquer des produits par pulvérisation aérienne soumet au Service une demande d’approbation de son programme d’application et fournit les éléments attestant que les conditions visées au point 1 sont remplies. Le ministre peut déterminer les exigences de présentation de la demande afin d’en faciliter et/ou accélérer la gestion. 4. Une fois approuvée, la demande d’application par pulvérisation aérienne selon le programme d’application visé au point 3 est transmise à temps, à savoir quarante-huit heures au moins avant le début du traitement prévu, au Service. Cette demande comporte les indications suivantes : a) nom et adresse de l’entrepreneur responsable; b) nom et adresse du commanditaire (agriculteur); c) localisation exacte et superficie du (des) champ(s) à traiter; d) le moment prévu de la pulvérisation; e) les quantités, les noms commerciaux et les numéros d’agréation des produits qui seront appliqués; f) le nom de l’utilisateur professionnel qui effectuera l’application; g) la copie de la police d’assurance visée au point 1; h) l’engagement que les dispositions du point 1 sont respectées. 5. L’administration communale du territoire sur lequel le traitement doit avoir lieu est informée par l’entreprise responsable du projet de traitement, accompagné des informations prévues au point 1, a), b), c), d) et e), au moins douze heures avant le début du traitement. 6. Dans des circonstances particulières relevant de l’urgence ou de situations difficiles, des demandes isolées d’applications par pulvérisation aérienne peuvent également être soumises pour approbation. Il existe la possibilité, dans les cas où elle se justifie, d’appliquer une procédure accélérée pour vérifier, avant l’application des produits par pulvérisation aérienne, que les conditions visées au point 1 sont remplies. 7. Le Service conserve un enregistrement des demandes et des approbations visées au point 3 et tient à la disposition du public les informations pertinentes qu’elles contiennent, comme la région couverte par la pulvérisation, la date et la durée prévues de la pulvérisation et le type de produit. 8. Sans préjudice du point 1, la pulvérisation aérienne pour laquelle l’approbation est accordée sera seulement effectuée sous les conditions suivantes : a) les dispositions de l’acte d’autorisation du produit appliqué sont rigoureusement respectées et toutes les dispositions nécessaires sont prises pour éviter de nuire à la santé humaine et des animaux domestiques, du gibier, des organismes aquatiques et des abeilles et d’occasionner des dégâts aux cultures avoisinantes et à l’environnement en général; b) les conditions météorologiques suivantes sont remplies : 1° la vitesse du vent à deux mètres au-dessus de la culture est inférieur à cinq mètres/seconde; 2° la température de l’air à deux mètres au-dessus de la culture est inférieure à 25 °C; et 3° l’humidité de l’air est supérieure à 50 %. c) l’engin se déplace sur l’ensemble du champ à une hauteur qui n’excède pas trois mètres par rapport à la culture. 9. L’entreprise responsable de la pulvérisation tient un registre où les données suivantes sont indiquées régulièrement et sous un numéro d’ordre : a) le nom et l’adresse de l’exploitant pour le compte duquel le traitement est effectué; b) la situation géographique précise de chaque parcelle traitée et la date et l’heure du traitement; c) le nom commercial et le numéro d’agréation du produit appliqué et la quantité de produit appliquée par hectare. Chaque enregistrement est contresigné par le responsable de la parcelle traitée. Ce registre sera conservé trois ans au moins après sa clôture et doit pouvoir être présenté sur simple demande aux agents chargés de contrôler l’application des dispositions de cet arrêté. Vu pour être annexé à notre arrêté du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Economie, J. VANDE LANOTTE La Ministre de l’Intérieur, Mme J. MILQUET La Ministre de la Santé publique, Mme L. ONKELINX La Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Mme S. LARUELLE La Ministre de l’Emploi, Mme M. DE CONINCK Le Secrétaire d’Etat à l’Environnement, M. WATHELET 23397MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen Te vervullen voorwaarden voor een mogelijke afwijking op het in artikel 4 bedoelde verbod op spuiten vanuit de lucht 1. Spuiten vanuit de lucht kan enkel in bijzondere gevallen worden toegestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) er is geen haalbaar alternatief, of er zijn duidelijke voordelen in termen van verminderde effecten op de menselijke gezondheid en het milieu in vergelijking met de toepassing van producten vanaf de grond; b) er worden alleen producten gebruikt waarvan het spuiten vanuit de lucht uitdrukkelijk is goedgekeurd na een specifieke beoordeling van de risico’s van spuiten vanuit de lucht door het Erkenningscomité. Er wordt geen gebruik gemaakt van volgende middelen : 1° producten die zijn ingedeeld als zeer giftig, giftig of corrosief; 2° herbiciden op basis van fytohormonen (2,4-D, MCPA, mecoprop-P, dichloorprop-P, MCPB,) of producten met een gelijkaardige werking; c) de bediener die het spuiten vanuit de lucht uitvoert, is houder van een fytolicentie Professioneel gebruik’ of Distributie/Voorlichting’. Gedurende de overgangsperiode zolang het systeem van fytolicentie nog niet is ingevoerd, mogen andere bekwaamheidsbewijzen worden aanvaard; d) de onderneming die verantwoordelijk is voor het toepassen door spuiten vanuit de lucht beschikt over : 1° een certificaat van een bevoegde instantie van een Lidstaat voor het toelaten van apparatuur en luchtvaartuigen voor het spuiten van producten vanuit de lucht of een registratie als operator in toepassing van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, en 2° een luchtvaartuig dat in aanmerking komt voor spuiten vanuit de lucht; e) alleen een helikopter uitgerust met spuitapparatuur die voldoet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 13 maart 2011 betreffende de verplichte keuring van spuittoestellen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 november 2005 betreffende retributies bepaald bij artikel 5 van de wet van 9 december 2004 houdende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen komt in aanmerking voor spuiten vanuit de lucht; f) als het te besproeien gebied in de nabijheid ligt van gebieden die voor het publiek toegankelijk zijn, worden in de goedkeuring specifieke risicobeheersmaatregelen opgenomen om nadelige gevolgen voor de gezondheid van omstanders te voorkomen. Het te besproeien gebied mag niet in de nabijheid van woongebieden liggen. De afstand van de rand van het te behandelen veld tot woongebieden, industriële zones, campings en beschermde gebieden bedraagt minimum driehonderd meter; de afstand tot alleenstaande woningen bedraagt tenminste vijftig meter en in dat geval wordt de behandeling slechts uitgevoerd wanneer de wind van het huis naar het te behandelen veld gericht is; g) vanaf 2013 zijn de luchtvaartuigen uitgerust met hulpstukken die de beste beschikbare technologie ter vermindering van verwaaiende sproeinevel vormen; h) het te behandelen perceel vormt een aaneengesloten geheel met een oppervlakte van tenminste drie hectare; i) de bebouwer van het te behandelen perceel is op de hoogte van de geplande behandeling en heeft verklaard ermee akkoord te gaan dat de behandeling gebeurt door spuiten vanuit de lucht; j) de onderneming die verantwoordelijk is voor de behandeling, levert het bewijs dat een verzekering werd afgesloten die de risico’s dekt die uit de behandeling kunnen voortvloeien voor personen, hun eigendommen en voor het leefmilieu. 2. Onverminderd de bepalingen van de reglementering van de luchtvaart is voor spuiten vanuit de lucht telkens een voorafgaande goedkeuring nodig van de minister verleend op advies van het Erkenningscomité. 3. Een professionele gebruiker die producten wil toepassen door spuiten vanuit de lucht, dient bij de Dienst een verzoek om goedkeuring van een toepassingsplan in, en voegt daarbij het bewijs waaruit blijkt dat is voldaan aan de in punt 1 vermelde voorwaarden. De minister kan bepalen aan welke voorwaarden de presentatie van het verzoek moet voldoen teneinde de behandeling ervan te vergemakkelijken en/of bespoedigen. 4. Het verzoek om toepassing van producten door spuiten vanuit de lucht overeenkomstig het in punt 3 bedoelde en goedgekeurde toepassingsplan wordt tijdig, dit is tenminste achtenveertig uur voor de aanvang van de geplande behandeling, bij de Dienst ingediend. Deze aanvraag bevat de volgende gegevens : a) de naam en het adres van de verantwoordelijke onderneming; b) de naam en het adres van de opdrachtgever (landbouwer); c) de precieze locatie en de oppervlakte van het (de) te behandelen veld(en); d) het te verwachten tijdstip waarop wordt gesproeid; e) de hoeveelheden, de handelsbenamingen en de erkenningsnummers van de producten die zullen gebruikt worden; f) de naam van de professionele gebruiker die de behandeling zal uitvoeren; g) een kopie van de verzekeringspolis vermeld in punt 1; h) de verbintenis dat de bepalingen van punt 1 nageleefd worden. 5. Het gemeentebestuur op wiens grondgebied de behandeling zal plaatsvinden, wordt tenminste twaalf uur voor de aanvang van de behandeling door de verantwoordelijke onderneming in kennis gesteld van de geplande behandeling en van alle gegevens vermeld onder punt 4, a), b), c), d) en e). 23398 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 6. In bijzondere omstandigheden, zoals een noodgeval of een bepaalde moeilijke situatie, kunnen ook enkelvoudige verzoeken om te mogen spuiten vanuit de lucht ter goedkeuring worden ingediend. In gerechtvaardigde gevallen zal een versnelde procedure worden gevolgd om na te gaan of is voldaan aan de in punt 1 bedoelde voorwaarden, voordat producten worden toegepast door spuiten vanuit de lucht. 7. De Dienst houdt een register bij van de in punt 3 bedoelde verzoeken en goedkeuringen en stelt de daarin vervatte relevante informatie, zoals het te besproeien gebied, de te verwachten dag en tijd waarop wordt gesproeid en het type product, ter beschikking van het publiek. 8. Onverminderd punt 1 wordt spuiten vanuit de lucht waarvoor goedkeuring werd verleend enkel uitgevoerd onder volgende omstandigheden : a) de voorschriften van de toelating van het toegediende product worden strikt nageleefd en alle nodige maatregelen worden getroffen om te vermijden dat de gezondheid van mensen en huisdieren, wild, waterorganismen en bijen wordt geschaad of dat schade wordt toegebracht aan aangrenzende teelten en aan het leefmilieu in het algemeen; b) de volgende weersomstandigheden zijn vervuld : 1° de windsnelheid op 2 meter boven de te behandelen teelt bedraagt minder dan 5 meter/seconde; 2° de temperatuur van de lucht op 2 meter boven de teelt is lager dan 25 °C; en 3° de luchtvochtigheid is hoger dan 50 %. c) het toestel verplaatst zich boven het hele veld op een hoogte die ten aanzien van de teelt niet meer dan 3 meter bedraagt. 9. De onderneming die verantwoordelijk is voor de behandeling, houdt een register bij waarin de volgende gegevens regelmatig en onder een volgnummer worden ingeschreven : a) de naam en het adres van de landbouwer voor wiens rekening de behandeling wordt uitgevoerd; b) de precieze geografische ligging van elk behandeld perceel en de datum en het uur van de behandeling; c) de handelsbenaming en het erkenningsnummer van het toegediende product en de gebruikte hoeveelheid per hectare. Elke inschrijving wordt medeondertekend door de verantwoordelijke van het behandelde perceel. Dit register wordt bewaard gedurende tenminste drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop het is afgesloten en moet op eenvoudige aanvraag kunnen voorgelegd worden aan de ambtenaren die belast zijn met de controle op de toepassing van de bepalingen van dit besluit. Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, J. VANDE LANOTTE De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw en van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK De Staatssecretaris voor Leefmilieu, M. WATHELET Annexe 2 à l’arrêté royal du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable Modèle de déclaration concernant l’utilisation d’adjuvants et de produits phytopharmaceutiques agréés pour un usage professionnel sous l’autorité d’un titulaire d’une phytolicence « Usage professionnel » ou « Distribution/Conseil » Titulaire de la phytolicence Usage professionnel’ ou Distribution/Conseil’ : Nom et prénoms : ........................................................................................................................................................................................................... Numéro de la phytolicence : ........................................................................................................................................................................................................... 23399MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Le titulaire de la phytolicence Usage professionnel’ ou Distribution/Conseil’ ci-avant déclare que le titulaire de la phytolicence Assistant usage professionnel’ ci-après dessous utilise des adjuvants et des produits phytopharmaceuti ques agréés pour un usage professionnel sous son autorité : Nom et prénoms : ........................................................................................................................................................................................................... Numéro de la phytolicence : ........................................................................................................................................................................................................... Cette déclaration est juste et véritable. Fait à ................. ................. ................. (place) le ................. / ................. / ................. (date) Signature du titulaire de la phytolicence Usage profes sionnel’ ou Distribution/Conseil’, Signature du titulaire de la phytolicence Assistant usage professionnel’, ...................................................................................................... ...................................................................................................... Vu pour être annexé à notre arrêté du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Economie, J. VANDE LANOTTE La Ministre de l’Intérieur, Mme J. MILQUET La Ministre de la Santé publique, Mme L. ONKELINX La Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Mme S. LARUELLE La Ministre de l’Emploi, Mme M. DE CONINCK Le Secrétaire d’Etat à l’Environnement, M. WATHELET Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen Model voor de verklaring inzake gebruik van producten voor professioneel gebruik onder het gezag van een houder van een fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting ». Houder van de fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting » : Naam en voornamen : ........................................................................................................................................................................................................... Nummer van de fytolicentie : ........................................................................................................................................................................................................... 23400 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD Bovenstaande houder van de fytolicentie « Professioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting » verklaart dat volgende houder van de fytolicentie « Assistent professioneel gebruik » producten voor professioneel gebruik gebruikt onder diens gezag : Naam en voornamen : ........................................................................................................................................................................................................... Nummer van de fytolicentie : ........................................................................................................................................................................................................... Deze verklaring is juist en waar. Gedaan te ............. ............. ............. ............. (plaats) op ............. / ............. / ............. (datum) Handtekening van de houder van de fytolicentie « Pro fessioneel gebruik » of « Distributie/Voorlichting », Handtekening van de houder van de fytolicentie « Assis tent professioneel gebruik », ...................................................................................................... ...................................................................................................... Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, J. VANDE LANOTTE De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw en van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK De Staatssecretaris voor Leefmilieu, M. WATHELET Annexe 3 à l’arrêté royal du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable Thèmes de formation de base prévus à l’article 33 et formations continues prévues à l’article 38 1. Intégralité de la législation applicable en ce qui concerne les produits et leur utilisation. 2. Existence de produits illégaux (contrefaçons), risques qu’ils présentent et méthodes d’identification de ces produits. 3. Dangers et risques associés aux produits, et moyens disponibles pour les détecter et les maîtriser, en particulier : a) risques pour les êtres humains (opérateurs, résidents, passants, personnes pénétrant dans les zones traitées et personnes manipulant ou consommant des matières traitées) et rôle joué par des facteurs tels que le tabagisme qui aggravent ces risques; b) symptômes d’un empoisonnement par les produits et mesures de première urgence; c) risques pour les plantes non cibles, les insectes utiles, la faune sauvage, la biodiversité et l’environnement en général. 4. Notions sur les stratégies et les techniques de lutte intégrée contre les ennemis des cultures, les stratégies et techniques de protection intégrée des cultures, les principes de l’agriculture biologique, les méthodes biologiques de lutte contre les ennemis des cultures, informations sur les principes généraux et les lignes directrices spécifiques aux différentes cultures ou secteurs qui s’appliquent en matière de lutte intégrée contre les ennemis des cultures. 5. Initiation à l’évaluation comparative au niveau de l’utilisation, afin d’aider les utilisateurs professionnels à faire le choix le plus approprié de produits ayant le moins d’effets secondaires possibles sur la santé humaine, les organismes non cibles et l’environnement, dans une situation donnée, parmi tous les produits autorisés pour remédier à un problème donné d’ennemis des cultures. 23401MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 6. Mesures visant à réduire au minimum les risques pour les êtres humains, les organismes non visés et l’environnement : méthodes de travail sûres pour le stockage, la manipulation et le mélange des produits, ainsi que pour l’élimination des emballages vides, des autres matériaux contaminés et des produits excédentaires (y compris les mélanges restant dans les cuves) sous forme concentrée ou diluée; méthodes préconisées pour limiter l’exposition de l’opérateur (équipements de protection individuelle). 7. Approches basées sur le risque, tenant compte des variantes locales du bassin d’alimentation comme le climat, le type de sol et de culture, et le dénivelé. 8. Procédures pour préparer le matériel d’application des produits avant utilisation, notamment pour l’étalonnage, et pour faire en sorte que son fonctionnement présente le moins de risques possibles pour l’utilisateur, pour les autres personnes et les espèces animales et végétales non visées, ainsi que pour la biodiversité et l’environnement, y compris les ressources en eau. 9. Utilisation et entretien du matériel d’application des produits, et techniques spécifiques de pulvérisation (par exemple, pulvérisation à faible volume et buses antidérive); objectifs du contrôle technique des pulvérisateurs en service, et méthodes pour améliorer la qualité de la pulvérisation. Risques particuliers liés à l’utilisation d’équipement manuel d’épandage de produit ou de pulvérisateur à dos et mesures adéquates de gestion des risques. 10. Mesures d’urgence pour protéger la santé humaine et l’environnement, y compris les ressources en eau, en cas de déversement accidentel, de contamination ou d’événements climatiques exceptionnels pouvant donner lieu au lessivage de produits. 11. Attention particulière dans les zones protégées établies en vertu des articles 6 et 7 de la Directive 2000/60/CE. 12. Structures de surveillance sanitaire et d’accès aux soins pour signaler tout incident ou incident supposé. 13. Consignation de toute utilisation de produits, conformément à la législation applicable. Vu pour être annexé à notre arrêté du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Economie, J. VANDE LANOTTE La Ministre de l’Intérieur, Mme J. MILQUET La Ministre de la Santé publique, Mme L. ONKELINX La Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, Mme S. LARUELLE La Ministre de l’Emploi, Mme M. DE CONINCK Le Secrétaire d’Etat à l’Environnement, M. WATHELET Bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen Onderwerpen van de basisopleiding als bedoeld in artikel 33 en aanvullende opleiding als bedoeld in artikel 38 1. Alle relevante wetgeving betreffende producten en het gebruik ervan. 2. Het bestaan en de risico’s van illegale (nagemaakte) producten en de methoden om dergelijke producten te identificeren. 3. De aan producten verbonden gevaren en risico’s en hoe die kunnen worden vastgesteld en beheerst, met name : a) risico’s voor de mens (bedieners van toepassingsapparatuur, omwonenden, omstanders, personen die een behandeld gebied betreden en personen die behandelde middelen hanteren of consumeren) en hoe die worden verhoogd door factoren zoals roken; b) symptomen van vergiftiging van producten en eerstehulpmaatregelen; c) risico’s voor andere plantensoorten dan de doelsoort en voor nuttige insecten, de wilde fauna, de biodiversiteit en het milieu in het algemeen. 4. Basiskennis van geïntegreerde gewasbeschermingstrategieën en -technieken, geïntegreerde gewasbeheerstrate gieën en -technieken en beginselen van biologische landbouw, methoden voor biologische bestrijding van schadelijke organismen, informatie betreffende de algemene beginselen en gewas- en sectorspecifieke richtsnoeren inzake geïntegreerde gewasbescherming. 5. Een eerste kennismaking met vergelijkend onderzoek voor gebruikers, teneinde professionele gebruikers te helpen tussen alle toegestane producten voor de bestrijding van een gegeven schadelijk organisme in een gegeven situatie de beste keuze te maken uit producten met de minste neveneffecten voor de menselijke gezondheid, niet-doelorganismen en het milieu. 6. Maatregelen om de risico’s voor de mens, niet-doelwitorganismen en het milieu zoveel mogelijk te beperken : veilige werkpraktijken voor de opslag, de hantering en de vermenging van producten en voor de verwijdering van lege verpakkingen, ander verontreinigd materiaal en overschotten van producten (met inbegrip van mengsels uit tanks), in geconcentreerde dan wel in verdunde vorm; aanbevolen manieren om de blootstelling van bedieners van toepassingsapparatuur te beperken (materiaal voor persoonlijke bescherming). 7. Risicogebaseerde aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de lokale afwateringsvariabelen zoals klimaat, soort bodem en gewas, en reliëf. 23402 MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD 8. Procedures voor het gebruiksklaar maken van toepassingsapparatuur, met inbegrip van het kalibreren, en voor de bediening ervan met minimaal risico voor de gebruiker, andere mensen, niet-doelsoorten (dieren zowel als planten), de biodiversiteit en het milieu, met inbegrip van watervoorraden. 9. Het gebruik van toepassingsapparatuur en het onderhoud daarvan, alsook specifieke spuittechnieken (bijvoorbeeld kleinvolumeverspuiting en gebruik van spuitdoppen die verwaaiing tegengaan), en voorts de doelstellingen van de technische controle van spuitapparatuur die in gebruik zijn en manieren om de spuitkwaliteit te verbeteren. Specifieke risico’s die verbonden zijn aan handapparatuur voor de toepassing van producten of rugspuiten, en de desbetreffende risicobeheersmaatregelen. 10. Noodmaatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, met inbegrip van watervoorraden, in het geval van onbedoelde verliezen, verontreiniging en extreme weersomstandigheden met risico op wegspoelen van producten. 11. Speciale zorg in beschermingsgebieden ingesteld op grond van de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2000/60/EG. 12. Gezondheidsbewaking en contactpunten voor het rapporteren van eventuele of te verwachten incidenten. 13. Registratie van elk gebruik van producten, conform de toepasselijke wetgeving. Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, J. VANDE LANOTTE De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET De Minister van Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw en van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK De Staatssecretaris voor Leefmilieu, M. WATHELET 23403MONITEUR BELGE — 16.04.2013 − Ed. 2 — BELGISCH STAATSBLAD